Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5340

Court

Middelburg

Date

18 May 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Personen- en familierecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/443639 / JE RK 26-8

Datum uitspraak: 18 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,locatie Middelburg,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] (Eritrea), hierna te

noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een onbekend adres in [plaats 1] ,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats 2] ,

advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,

[de stiefmoeder],

hierna te noemen de stiefmoeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. N. Wouters uit Middelburg.

De gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,hierna te noemen de GI, gevestigd te Eindhoven.

Het verdere verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van 28 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;

het bericht van de Raad met bijlagen van 16 februari 2026;

de brief van de GI van 10 april 2026, met bijlagen;

de brief van de GI van 15 mei 2026 met bijlagen.

1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

de vader met zijn advocaat;

de moeder;

de stiefmoeder;

een vertegenwoordiger van de Raad;

een vertegenwoordiger van de GI.

1.3. De ouders en de stiefmoeder zijn tijdens de zitting bijgestaan door een tolk Tigrinya , te weten de heer [persoon] .2. De feiten

2.1.. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2..
[minderjarige] verblijft bij de vader.

2.3..

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026

[minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026. Tevens

is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een

jeugdhulpaanbieder en in aansluiting hierop in een gezinsgerichte opvang of voorziening

voor pleegzorg met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.

2.4.. Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Tevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de stiefmoeder, te weten bij mevrouw [de stiefmoeder] , en aansluitend hierop in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel gezinsgerichte opvang of voorziening voor pleegzorg met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de zitting van heden.

3. Het verzoek

3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen dan wel (mogelijk opvolgend) in een netwerkpleeggezin voor de duur van zes maanden. De Raad heeft het verzoek tijdens de zitting van 14 april 2026 gewijzigd in die zin dat thans wordt verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen bij de stiefmoeder ter overbrugging naar een plaatsing binnen een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder/netwerkpleeggezin. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Thans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode van de ondertoezichtstelling met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027, alsmede de resterende periode van het verzoek tot uithuisplaatsing met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026.

4. De standpunten

4.1..
[minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek op 28 april 2026 verteld dat hij graag naar huis wil, waarmee hij bedoelt: bij de vader gaan wonen. Het is niet dat hij een hekel heeft aan zijn stiefmoeder, maar hij mist zijn vader. Hij begrijpt hem als een vriend. [minderjarige] heeft zijn vader drie dagen gezien en de vader heeft zijn haar toen geknipt en voor hem gekookt en [minderjarige] durft nu echt te zeggen dat hij is veranderd. De vader heeft wel stress over bepaalde dingen, zoals over problemen die hij met de gemeente heeft. [minderjarige] vond het niet leuk op de [woongroep] . Er zijn nu geen ruzie of problemen in de thuissituatie. [de zus] en [de broer] zijn altijd thuis. Hij mag zijn zus wel. [de broer] zit regelmatig in de garage scooters te repareren. [minderjarige] wil benadrukken dat het incident met het mes zag op een situatie waarbij hij zichzelf tijdens het snijden van groenten had gesneden. Hij heeft niet gevochten.

4.2.. De Raad verzoekt het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toe te wijzen. Gelet op de signalen en zorgen is de Raad van mening dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader niet in zijn belang is. Er is veel aan de hand, maar het blijft onvoldoende duidelijk wat precies.

4.3.. De GI heeft naar voren gebracht dat het vermoeden bestaat dat [minderjarige] heel veel structuur nodig heeft. Hij heeft wat absentie-uren en zou opgeroepen worden door Halt. Er zijn daarnaast zorgen dat hij zich in criminele kringen bevindt. Daar is nog onduidelijkheid over. Maar de mensen om [minderjarige] heen, zowel school als hulpverlening, hebben best veel zorgen. Het is belangrijk dat [minderjarige] stabiliteit en veiligheid mag ervaren. Hoewel de GI het [minderjarige] zou gunnen dat hij bij de vader kan blijven, is de GI van mening dat dit nu niet het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarbij komt dat onduidelijk is of [minderjarige] vanuit die situatie wel voldoende in de gelegenheid zal zijn om aan zijn toekomst te werken. Op een groep is er meer toezicht en sturing. Er moet eerst nog verder met de vader worden gewerkt. Daarnaast moet meer zicht komen op [minderjarige] en zijn netwerk. Het is wat de GI betreft niet uitgesloten dat [minderjarige] ooit weer terug kan keren naar de vader, maar de mogelijkheden daarvoor moeten dan eerst goed zijn onderzocht. Er moet zo snel mogelijk stabiliteit komen voor [minderjarige] .

4.4.. De moeder herkent het verhaal van [minderjarige] over het mes. De moeder is eergisteren aangekomen in Nederland. Zij had [minderjarige] niet meer gezien sinds dat hij één jaar oud was. Er zijn in het verleden andere problemen geweest in Sudan. Het was niet gemakkelijk om [minderjarige] daar op te voeden. Daarom heeft de moeder [minderjarige] aan de vader meegegeven. [minderjarige] heeft tegen de moeder gezegd dat hij graag bij haar wil komen wonen. De moeder realiseert zich dat [minderjarige] is opgevoed door de vader. De moeder wil [minderjarige] graag leren kennen en hem Engeland laten zien.

4.5.. De stiefmoeder herkent het verhaal van [minderjarige] over het mes, ook. Hij is altijd aan het knutselen. Zij is tevreden over het gedrag van [minderjarige] . Zij hebben een sterke verbinding. De stiefmoeder is blij dat [minderjarige] zijn moeder weer heeft gezien. Het is nu rustig thuis.

4.6.. De advocaat van de stiefmoeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] een van de slechtste opties is, wat de stiefmoeder betreft. Door de inzet van hulpverlening kan ook bezien worden hoe de situatie bij de vader kan verbeteren. Niemand zit te wachten op de uithuisplaatsing van [minderjarige] en het feit dat [minderjarige] dan een ontevreden jongen is. Het geeft ook veel onzekerheid. [minderjarige] verblijft al sinds 4 mei jl. bij de vader. Vanuit die situatie kan ook aan verbetering worden gewerkt. Niet vanuit wéér een wisseling in verblijfplaats. De stiefmoeder vindt de ondertoezichtstelling wel passend.

4.7.. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat het goed gaat met hem. Hij heeft geen stress. Alles is goed. [minderjarige] verblijft weer bij hem. Er zijn op dit moment twee contactpersonen bezig met zijn situatie en ook nog iemand anders. De vader wil niet dat [minderjarige] ergens anders naartoe gaat. Hij wil hem graag thuis hebben.

4.8.. Door de advocaat van de vader wordt tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader geen verweer voert tegen de ondertoezichtstelling. De vader kan echter niet instemmen met de uithuisplaatsing. De vader ontvangt hulpverlening en ook is een gezinscoach bij hem betrokken. Door middel van de inzet van de GI kan verder worden onderzocht welke hulpverlening ingeschakeld moet worden. De vader is bereid om mee te werken aan alles wat nodig is voor [minderjarige] . De vader is van mening dat [minderjarige] bij hem thuis op zijn plek zit.

5. De beoordeling

Bevoegdheid en toegepast recht;

5.1..

De kinderrechter constateert dat [minderjarige] en de vader de

Eritrese nationaliteit hebben en de moeder de Britse. Dit brengt mee dat deze

zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te

beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de

kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.

5.2..

Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn

ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het

grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de

zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

5.3..

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond

van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands

recht op het verzoek worden toegepast.

Inhoudelijke beoordeling;

5.4.. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.. Belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Het resterende deel van het verzoek daartoe zal dan ook worden toegewezen voor de duur zoals verzocht. Ten aanzien van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] overweegt de kinderrechter als volgt. Gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat de zorgen, zoals omschreven in de beschikking van 28 januari 2026 nog steeds aanwezig zijn. [minderjarige] heeft het grootste gedeelte van zijn leven bij en met de stiefmoeder gewoond, maar is op 4 mei 2026 bij zijn vader ingetrokken. Daar verblijft hij nog steeds, ondanks dat ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend tot 19 mei 2026. Zowel de Raad als de GI hebben de opvatting dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader en de stiefmoeder niet het meest in zijn belang is. De kinderrechter kan de GI en de Raad hierin volgen. Gebleken is namelijk dat de stiefmoeder niks herkent van de aangegeven zorgen over [minderjarige] en blijft al twee jaar bij het standpunt dat alles goed gaat. Daarnaast heeft de betrokken hulpverlening ( [hulpverlening] ) sterk de indruk dat de stiefmoeder onder druk wordt gezet, wat er mede toe zou hebben geleid dat [minderjarige] nu bij de vader is ingetrokken. De vader lijkt zijn eigen onmacht te erkennen en ook het patroon van boosheid, slaan, richting de gezinsleden en zichzelf, maar vertaalt dit ook naar betrokkenheid op de minderjarige en zijn broer en zusje en daarnaast verwachtte de vader gehoorzaamheid van hen. De hulpverlening ziet tevens dat vader kwetsbaar is. Hij is herstellende van ziekte, heeft zijn gezin verloren en verbleef tot voor kort alleen in de echtelijke woning. Daarnaast wordt gezien dat de vader moeilijkheden heeft om te functioneren binnen het Nederlandse systeem. De extra controles die de vader ontvangt vanuit de gemeente geeft hem veel stress en deze stress wordt ook opgemerkt door [minderjarige] . Vanuit school wordt een jarenlang patroon gezien waarbij [minderjarige] veel angst vertoont richting de vader. Zowel school als de gemeente en andere betrokkenen maken zich veel zorgen over [minderjarige] . Op school geeft [minderjarige] aan dat hij liever op een neutrale plek verblijft. [hulpverlening] merkt op dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt, doorgegeven vanuit trauma. Betrokken hulpverlening signaleert dat [minderjarige] zich onttrekt aan het gezag van de ouders. Daarnaast signaleert school dat [minderjarige] op straat te vinden is, ook ’s nachts en er zijn inmiddels grote zorgen over het (criminele)netwerk waar [minderjarige] zich in bevindt. Daarbij komt dat het incident met het mes tegenstrijdige verhalen kent en [minderjarige] ook verschillende signalen afgeeft bij wie hij het liefst zou willen wonen.

5.5.. De kinderrechter stelt aldus vast dat er grote zorgen zijn over [minderjarige] , hetgeen wordt bemoeilijkt doordat de ouders – maar ook [minderjarige] – blijven volhouden dat het goed gaat, terwijl er vanuit verschillende hoeken signalen komen dat daarvan geen sprake is. De kinderrechter is derhalve van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij uit de huidige situatie wordt gehaald en mag verblijven op een plek waar hem veiligheid, stabiliteit en rust kan worden geboden. Vanuit die situatie zal mogelijk meer zicht kunnen komen op de gebeurtenissen en zorgen rondom [minderjarige] en hetgeen hij daarvoor nodig heeft. Vanuit een situatie van rust, stabiliteit en veiligheid kan [minderjarige] zich weer gaan richten op zijn ontwikkelingstaken en stappen gaan zetten voor zijn toekomst. Dit betekent dat de kinderrechter het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal toewijzen. Zij geeft hierbij opdracht aan de GI om deze plaatsing op korte termijn te realiseren, waarbij het belang van [minderjarige] en zijn ontwikkelingsbehoeften voorop staan. De aankomende periode dient verder te worden gebruikt om zicht te krijgen op de (on)mogelijkheden van de ouders en de stiefmoeder in hun rol als opvoeder en verzorger van [minderjarige] . Vervolgens moet blijken of zij in staat zijn om [minderjarige] een blijvend veilig en stabiele opvoedingsomgeving te kunnen bieden, waarbij ook oog moet zijn voor de inzet van hulpverlening om dit dan wel te kunnen realiseren. Nu [minderjarige] uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij graag bij de vader wil wonen en hij daar nu ook feitelijk verblijft, dient in het bijzonder te worden gekeken of het mogelijk is dat [minderjarige] op -korte- termijn weer bij de vader kan wonen en wat daarvoor nodig is. De kinderrechter zal gelet op het voorgaande het resterende deel van het (onweersproken) verzoek tot ondertoezichtstelling toewijzen tot 28 januari 2027. Daarnaast zal de kinderrechter ook het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toewijzen met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026. In dit verband merkt de kinderrechter nog op dat op de zitting van heden niet is verzocht om een wijziging van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , ondanks het feitelijk verblijf van [minderjarige] bij de vader en de zorgen over de (opvoedingsomgeving van de) stiefmoeder. Dit betekent dat [minderjarige] – ter overbrugging naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel gezinsgerichte voorziening – bij de stiefmoeder zal verblijven. Gelet op de zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie bij zowel de vader als de stiefmoeder, benadrukt de kinderrechter dat een overbruggingsperiode aldaar niet wenselijk is en deze plaatsing derhalve, indien de GI zich toch genoodzaakt voelt om deze overbruggingsperiode te gebruiken om een andere plaatsing te kunnen realiseren, niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk is. De kinderrechter verwacht in deze situatie nauwgezette opvolging en – indien de situatie daartoe aanleiding geeft – tijdig ingrijpen door de GI.

5.6.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister .

5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. verlengt de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027;

6.2.. verlengt de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de stiefmoeder, te weten bij mevrouw [de stiefmoeder] ,en aansluitend hierop in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel gezinsgerichte opvang of voorziening voor pleegzorg met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026;

6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:255 BW.

Artikel 1:265b, eerste lid, BW.

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

More Decisions