Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5413

Court

Breda

Date

20 May 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht

Holding / Outcome

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel rechtType: uitspraak

vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

C/02/430758 / HA ZA 25-3226 maart 2025

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/430758 / HA ZA 25-32

Vonnis van 20 mei 2026

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. M.A. Breewel-Witteveen te Goes,

tegen

[de man],

wonende op het [adres] , [woonplaats 2] ),

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1. De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 23 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;

de akte uitlaten rechtsmacht en toepasselijk recht van de zijde van de vrouw;

de mondelinge behandeling op 19 november 2025;

de akte uitlaten en wijzigen eis van de zijde van de vrouw;

het op 27 januari 2026 aan de man uitgebrachte betekeningsexploot.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil2.1. Na wijziging van eis vordert de vrouw nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

ter zake de polis bij Aegon met nummer [nummer 1]

I. voor recht te verklaren dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap na echtscheiding nog niet volledig heeft plaatsgevonden, maar dat de polis bij Aegon (polisnummer [nummer 1] ), als ook de verdeling van het tijdens huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Hoogovens met polisnummer [nummer 2] / [nummer 3] nog uitgevoerd moet worden;

II. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen haar aandeel uit de nog onverdeelde waarde uit de polis bij Aegon ten bedrage van (50% van € 40.325,=) € 20.162,50, althans (50% van € 39.171,98) € 19.585,99, althans een nader te bepalen bedrag, te voldoen binnen twee weken na dit vonnis, bij uitblijven waarvan de man in verzuim is en over het toe te kennen bedrag de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;

ter zake het pensioen bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens

primair

III. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking en uitvoering van de man aan het betalen van het aan de vrouw toekomende aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (met polisnummer [nummer 2] / [nummer 3] ), in die zin dat de Stichting Pensioenfonds Hoogovens rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen haar aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkeringen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens vanaf de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen;

subsidiair

IV. de man te verplichten aan de vrouw opgave te doen van de aan hem toekomende pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens binnen twee weken na dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag dat de man nalatig is uitvoering te geven aan de veroordeling tot het doen van opgave aan de vrouw van de aan hem toekomende pensioenuitkering, met een maximum van € 50.000,=, althans een nader te bepalen dwangsom;

V. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen haar aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (met polisnummer [nummer 2] / [nummer 3] ), voor zover dit pensioen door de man is opgebouwd tijdens het huwelijk van partijen, met ingang van de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen, bij uitblijven waarvan de man in verzuim is vanaf de eerste dag van elke maand dat de man niet heeft betaald en hij over het aan de vrouw toekomende aandeel van het door de man opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;

en overigens

VI. de man te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat van de vrouw, alsmede de nakosten/het nasalaris.

3. De nadere beoordelingBetekening / verstekverlening

3.1. Blijkens het (tussen)vonnis van 23 juli 2025 is tegen de man verstek verleend. Vervolgens heeft de vrouw bij akte van 14 januari 2026 haar vorderingen gewijzigd.

3.2. Nu de man in de Dominicaanse Republiek woont, moet betekening gebeuren volgens de bepalingen in het Haags Betekeningsverdrag 1965. De rechtbank stelt vast dat zowel de dagvaarding als de akte van wijziging van eis op juiste wijze aan de man zijn betekend. Ook na de wijziging van eis is de man niet in de procedure verschenen. Voor zover nodig wordt in dit vonnis ter zake de gewijzigde vorderingen van de vrouw tegen de man verstek verleend.

3.3. De rechtbank zal hierna beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de vorderingen van de vrouw en zo ja, welk recht op die vorderingen van toepassing is.

Polis bij Aegon, met nummer [nummer 1] (vorderingen onder I. en II.)

3.4. De vrouw heeft gesteld dat partijen ten tijde van het huwelijk een beleggingspolis bij Aegon hadden (met nummer [nummer 1] ), welke tot de huwelijksgemeenschap behoorde. In het kader van de echtscheiding heeft de vrouw verzocht om over te gaan tot verdeling van de waarde van de polis door splitsing of afkoop, maar de man wilde hier niet aan meewerken. In de afgelopen jaren heeft de vrouw de man meerdere keren aangeschreven met het verzoek om alsnog tot verdeling van de waarde van de Aegon polis over te gaan. De vrouw maakt aanspraak op de helft van de waarde van de polis per datum echtscheiding, zijnde 22 juni 2015. Volgens de vrouw is de polis vanaf 20 mei 2021 tot uitkering gekomen. De waarde van de polis per 20 mei 2021 werd volgens de vrouw gegarandeerd tot in ieder geval € 40.325,=, waarvan aan haar de helft toekomt, zijnde een bedrag van € 20.162,=.

3.5. De vordering van de vrouw onder I., voor zover deze betrekking heeft op de Aegon polis, en de vordering onder II. strekken, kort samengevat, tot verdeling van de waarde van de polis van Aegon. Deze vorderingen vloeien voort uit het staken van de huwelijksband tussen partijen. Gelet hierop moet de rechtsmacht beoordeeld worden aan de hand van de Huwelijksvermogensrechtverordening. Op grond van het bepaalde in artikel 6 onder b van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland was en de vrouw daar op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak nog verblijft.

3.6. De vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime moet worden beantwoord aan de hand van het Chelouche-Van Leer arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275), omdat het huwelijk van partijen is gesloten voor 1 september 1992 en het Haags Huwelijskvermogensverdrag niet van toepassing is. Op het huwelijksvermogensregime is Nederlands recht van toepassing, omdat beide partijen ten tijde van huwelijkssluiting beiden de Nederlandse nationaliteit hadden.

3.7. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht brengt mee dat partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw alsnog verdeling van de waarde van de polis van Aegon vordert in die zin dat de polis aan de man moet worden toegedeeld, onder gehoudenheid de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen. Met betrekking tot de Aegon polis kunnen de vorderingen van de vrouw onder I. en II. als niet weersproken worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum is verwoord.

Pensioen (vorderingen onder I., III., IV. en V.)

3.8. De vorderingen van de vrouw met betrekking tot het pensioen strekken tot verevening van het door de man tijdens het huwelijk bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens opgebouwde pensioen en op de uitvoering van die verevening.

3.9. Gelet op de woonplaats van de man in de Dominicaanse Republiek zijn er geen verdragen of EU-verordeningen van toepassing die het onderwerp van de pensioenverevening tussen voormalige echtgenoten bestrijken. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter zal dan ook op grond van artikel 1 Rv moeten worden beoordeeld volgens de regels van het Nederlandse commune internationaal bevoegdheidsrecht, zoals neergelegd in de artikelen 2 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.).

3.10. De vrouw betoogt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 9, aanhef en onder c, Rv., omdat de zaak voldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden en het onaanvaardbaar is om van de vrouw te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van een rechter in de Dominicaanse Republiek onderwerpt. Ook is de Nederlandse rechter volgens de vrouw bevoegd omdat de vorderingen verband houden met Nederlandse pensioenrechten en Nederlands huwelijksvermogensrecht.

3.11. De rechtbank stelt vast dat artikel 9 Rv. twee cumulatieve voorwaarden stelt voor de uitoefening van een noodbevoegdheid door de Nederlandse rechter, te weten: (i) de zaak is voldoende verbonden met de rechtssfeer van Nederland en (ii) het is onaanvaardbaar om van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt. Voldoende binding met Nederland volgt uit het feit dat de vrouw haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland en dat de vordering van de vrouw ziet op pensioen dat in Nederland en bij een Nederlands pensioenfonds (Stichting Pensioenfonds Hoogovens) is opgebouwd. Daarnaast ontvangt de vrouw een bijstandsuitkering en kan naar het oordeel van de rechtbank niet van haar gevergd worden dat zij een gerechtelijke procedure gaat voeren in de Dominicaanse Republiek. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat is voldaan aan de vereisten van artikel 9, aanhef en onder c, Rv., zodat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

3.12. Vervolgens moet beoordeeld worden welk recht van toepassing is op de vorderingen van de vrouw. In artikel 10:51 BW is bepaald dat de vraag, of een echtgenoot bij scheiding recht heeft op een deel van de door de ander opgebouwde pensioenaanspraken, in beginsel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. Een uitzondering wordt gevormd door artikel 1 lid 7 van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS), dat bepaalt dat de Nederlandse wet de Verevening beheerst van pensioenrechten die opgebouwd zijn ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 lid 4-6 WVPS.

3.13. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man in Nederland voor verevening vatbare pensioenrechten heeft opgebouwd, te weten bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens. Derhalve is Nederlands recht van toepassing op de vordering van de vrouw ter zake de verevening van het pensioen.

3.14. Overeenkomstig de vordering van de vrouw (onder I.) zal de rechtbank voor recht verklaren dat het door de man tijdens het huwelijk van partijen bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens (polisnummer [nummer 2] / [nummer 3] ) opgebouwde pensioen nog niet is verevend. Dit nu door de man geen verweer is gevoerd tegen de vordering van de vrouw.

3.15. Ook het door de vrouw onder III. gevorderde zal als niet weersproken worden toegewezen. Nu het door de vrouw primair gevorderde wordt toegewezen, behoeven de subsidiaire vorderingen onder IV. en V. geen verdere bespreking. Deze subsidiaire vorderingen zullen worden afgewezen.

Proceskosten (vordering onder VI.)

3.16. De vrouw vordert de man te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat en nakosten.

3.17. In zaken tussen ex-echtgenoten is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. De vordering van de vrouw zal worden afgewezen en de proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd.

3.18. De rechtbank begrijpt dat de vrouw tevens vergoeding van nakosten wenst, maar ingevolge artikel 8 van het liquidatietarievenbesluit bestaat in geval van proceskostencompensatie geen aanspraak op vergoeding van nakosten. Ook deze vordering zal worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. verleent verstek tegen de man;

4.2. verklaart voor recht dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap na echtscheiding nog niet volledig heeft plaatsgevonden, maar dat de verdeling van de polis bij Aegon, met nummer [nummer 1] nog uitgevoerd moet worden;

4.3. deelt de polis bij Aegon met nummer [nummer 1] toe aan de man, onder de verplichting van de man om de helft van de waarde van € 40.325,= aan de vrouw te betalen, zijnde een bedrag van € 20.162,50;

4.4. veroordeelt de man om, binnen twee weken na dit vonnis, ter zake de onverdeelde waarde van de hiervoor genoemde polis bij Aegon een bedrag van € 20.162,50 (twintigduizend eenhonderdentweeënzestig euro en vijftig eurocent) aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag van algehele betaling;

4.5. verklaart voor recht dat de verevening van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Hoogovens met polisnummer [nummer 2] / [nummer 3] nog uitgevoerd moet worden;

4.6. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking en uitvoering van de man aan het betalen van het aan de vrouw toekomende aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens, uit de polis met nummer [nummer 2] / [nummer 3] , op die manier dat de Stichting Pensioenfonds Hoogovens rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen haar aandeel uit de maandelijks door de man ter zake voormeld polisnummer te ontvangen pensioenuitkeringen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens vanaf de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van elke maand;

4.7. verklaart de beslissingen hiervoor onder 4.3., 4.4. en 4.5. uitvoerbaar bij voorraad;

4.8. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk,

griffier.

More Decisions