ECLI:NL:RBZWB:2026:5436
Case Summary
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447084 / JE RK 26-644
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERINGte Eindhoven,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .
mr. D.J.A. BURLET,in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator,
kantoorhoudende te Oostburg .
1. Het verloop van de procedure
1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026;
het bericht van de GI met bijlagen van 28 april 2026;
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door een tolk in de Russische taal;
een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
de bijzondere curator.
1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2..
Bij beschikking van 25 juni 2018 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van
de GI met ingang van 25 juni 2018 en tot 15 september 2018, met afwijzing van het
resterende deel van het verzoek strekkende tot voorlopige ondertoezichtstelling. Tevens is
een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend
met ingang van 25 juni 2018 en tot 6 augustus 2018.
2.3..
Bij beschikking van 1 augustus 2018 is de machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 6 augustus 2018 en tot
15 september 2018.
2.4..
Bij beschikking van 13 september 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de
GI met ingang van 13 september 2018 en tot 13 september 2019. Tevens is een machtiging
tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 13
september 2018 en tot 13 februari 2019.
2.5.. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 13 september 2021. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing is steeds verlengd, tot 13 augustus 2020. [minderjarige] woonde sindsdien weer bij de moeder thuis.
2.6.. Bij beschikking van 24 mei 2024 is [minderjarige] nogmaals onder toezicht gesteld met ingang van 24 mei 2024 en tot 24 mei 2025.
2.7..
Bij beschikking van 6 augustus 2024 is een (spoed)machtiging verleend om
[minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met
ingang van 6 augustus 2024 en tot 20 augustus 2024, onder aanhouding van het overige deel
van het verzoek.
2.8..
Bij beschikking van 13 augustus 2024 heeft de kinderrechter de spoedmachtiging
van 6 augustus 2024 herroepen met ingang van 17 augustus 2024 en het overige deel van het
verzoek afgewezen.
2.9..
Bij beschikking van 16 augustus 2024 heeft de kinderrechter een
(spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg
verleend met ingang van 16 augustus 2024 en tot 30 augustus 2024, onder aanhouding van
het resterende deel van het verzoek.
2.10..
Bij beschikking van 22 augustus 2024 heeft de kinderrechter het resterende deel
van het (spoed)verzoek afgewezen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 30 augustus 2024 en tot 24 januari
2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.11..
Bij beschikking van 7 november 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met
ingang van 7 november 2024 en tot 21 november 2024. De behandeling van het verzoek is
voor het overige aangehouden.
2.12..
Bij beschikking van 14 november 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder toegewezen
met ingang van 21 november 2024 en tot 24 januari 2025, onder aanhouding van het
resterende deel van het verzoek.
2.13..
Bij beschikking van 22 januari 2025 is de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende
dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met
ingang van 24 januari 2025 en tot 24 mei 2025.
2.14.. Bij beschikking van 9 februari 2026 heeft de kinderrechter mr. D.J.A. Burlet benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] .
2.15.. Bij beschikking van 20 mei 2025 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder laatstelijk verlengd tot 24 mei 2026.
2.16..
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde beschikking in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3. Het verzoek
3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI - naar de kinderrechter begrijpt - de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
4.1.. De GI stelt dat sinds de betrokkenheid van de nieuwe jeugdbeschermers er forse zorgen zijn ontstaan over de veiligheid, het welzijn en de professionele zorg binnen het gezinshuis waar [minderjarige] verbleef. Er waren zorgen over ernstige verwaarlozing, waardoor de GI de situatie niet langer verantwoord vond voor [minderjarige] met als gevolg dat zij per direct is overgeplaatst naar een crisispleeggezin, gevolgd door een plaatsing in het huidige gezinshuis. Sinds de overplaatsing is een duidelijke verbetering zichtbaar in het welzijn van [minderjarige] . Het bedplassen komt sindsdien niet meer voor. Gezien wordt dat [minderjarige] meer rust ervaart en dat zij zich in toenemende mate veilig voelt binnen dit gezin. In de komende periode zal de GI onderzoeken hoe het contact tussen [minderjarige] en de moeder kan worden vormgegeven. De GI zal de (telefonische) contacten zelf begeleiden, waardoor goed zicht verkregen kan worden op het verloop hiervan. [minderjarige] en de moeder bellen nu één keer per maand gedurende 15 minuten met elkaar. Hiervoor was dit 30 minuten, maar dit is op verzoek van [minderjarige] in duur beperkt. Na drie keer zal het verloop van het contact geëvalueerd worden en zal bezien worden of dit kan worden uitgebreid. Het tempo en de mening van [minderjarige] zijn hierin leidend. In de komende periode zal Mentaal Beter gaan starten voor [minderjarige] . Er is inmiddels voor begin juli 2026 een intake gepland. De aanmelding heeft even on hold gestaan vanwege de overplaatsing naar het andere gezinshuis en om [minderjarige] de tijd te geven om binnen dit gezin te wennen. De GI zal de haalbaarheid van de wens van de moeder om [minderjarige] en haar zusje [persoon] samen verder te laten opgroeien in de komende periode meenemen in het onderzoek rondom het perspectief van [minderjarige] . Tot slot benoemt de GI het belangrijk te vinden dat de bijzondere curator voorlopig nog betrokken blijft bij [minderjarige] . Samenvattend concludeert de GI dat de ondertoezichtstelling nog langer noodzakelijk is en dat het verblijf van [minderjarige] in het huidige gezinshuis geborgd moet blijven. De GI handhaaft dan ook haar verzoeken. Ten aanzien van het verzoek zoals dat is gedaan, stelt de GI dat per abuis verlenging van de bestaande machtiging per 11 april 2026 is verzocht. Bedoeld is de bestaande machtiging te verlengen in aansluiting op de voorgaande machtiging. Daarbij is een machtiging bedoeld voor het verblijf van [minderjarige] in het gezinshuis. Dit valt binnen de categorie van een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
4.2.. De moeder heeft ernstige zorgen over de medische situatie en het welzijn van [minderjarige] . Volgens de moeder is [minderjarige] slachtoffer van pedofilie. Niemand mag haar dochter aanraken en is er erg boos over hoe dit heeft kunnen gebeuren. De moeder voelt zich niet gehoord in haar zorgen. De moeder heeft [minderjarige] al meer dan een jaar niet gezien. Vanaf december 2025 spreekt zij [minderjarige] telefonisch. De moeder is boos over het feit dat zij geen contact met [minderjarige] heeft mogen hebben in de periode rondom de kerstdagen en dat dit contact zelfs is teruggebracht tot 15 minuten per maand. De moeder mist [minderjarige] enorm. Zij heeft [minderjarige] haar excuses aangeboden, omdat zij vanwege haar verblijf in het buitenland niet voor haar beschikbaar was tijdens de acute situatie die is ontstaan rondom het vorige gezinshuis. De moeder benoemt dat zij en [minderjarige] veel hebben meegemaakt. De moeder weet niet of [minderjarige] in het gezinshuis moet blijven wonen. Dit is aan de kinderrechter. De moeder heeft hierin geen macht en benoemt daarbij het wel belangrijk te vinden dat haar dochters samen kunnen opgroeien, het liefst bij de [locatie] in [plaats] , het huis waar de zus van [minderjarige] , [persoon] , op dit moment woont.
4.3.. De bijzondere curator geeft aan dat zij één keer [minderjarige] heeft bezocht in het gezinshuis. Daarna heeft de bijzondere curator voornamelijk gesproken met de gezinhuismoeder. Volgens de bijzondere curator is [minderjarige] heel duidelijk over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Het belangrijkste dat [minderjarige] aangeeft is dat zij nood heeft aan rust en duidelijkheid. [minderjarige] heeft haar ook verteld dat zij het fijn heeft in het nieuwe gezinshuis. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en kent daardoor een behoorlijke voorgeschiedenis. [minderjarige] gaat zich geleidelijk aan meer uitspreken over wat zij heeft meegemaakt. De zorgen die hierdoor ontstaan behoeven nader onderzoek. Waar deze zorgen over gaan wil de bijzondere curator nog niet delen. [minderjarige] moet hiervoor ruimte geboden worden en daarbij moet voorkomen worden dat de prille vertrouwensband tussen [minderjarige] en de gezinshuismoeder onder druk komt te staan. Dit moet dus voorzichtig worden opgepakt. Naast de informatie die vanuit [minderjarige] zelf komt, is er veel informatie beschikbaar bij derden, maar het is voor de bijzonder curator lastig gebleken om al deze informatie op te vragen en te verzamelen. De bijzondere curator kan niet anders dan in de procedure waarin zij is benoemd is tot bijzondere curator over [minderjarige] haar verslag van bevindingen met enige vertraging uiterlijk begin augustus 2026 in te dienen. Aan de hand van alle verkregen informatie zal zij ook nog in gesprek gaan met [minderjarige] en bezien of zij namens haar zelfstandig een verzoekschrift zal indienen. Voor nu vindt de bijzondere curator het belangrijk dat er snel duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . Dit heeft zij nodig. De constante onzekerheid over waar zij moet en mag zijn belast haar. De gezinshuisouders hebben aangegeven haar dit te kunnen bieden.
4.4..
[minderjarige] heeft in een afzonderlijk gesprek de kinderrechter verteld dat zij is verhuisd naar een nieuw gezinshuis en dat zij het hier prettiger wonen vindt dat bij het vorige gezinshuis waarin vaak ruzie was. [minderjarige] heeft het ook naar de zin op haar nieuwe school en geeft haar leven momenteel een hoger cijfer dan een jaar geleden. Dit komt door het nieuwe gezinshuis. Ook heeft [minderjarige] verteld dat zij een aantal fijne contactmomenten met haar moeder heeft gehad, maar ook een aantal minder fijne. Dit is de reden waarom [minderjarige] heeft gevraagd om een korter contactmoment. Dit is nu zo en [minderjarige] vindt dit prettig. [minderjarige] is gestart bij Mentaal Beter en denkt dat zij hier echt wat aan zal hebben. [minderjarige] heeft veel meegemaakt in haar leven en ook op dit moment speelt er veel. Tevens heeft [minderjarige] eenmaal met de bijzondere curator gesproken. Zij wil graag dat dit een vervolg krijgt.
5. De beoordeling
5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.Ook is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht concludeert de kinderrechter dat de zorgen die een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van [minderjarige] nog altijd onverminderd aanwezig zijn. Het lukt de GI niet om met de moeder een samenwerking aan te gaan om zodoende te werken aan de doelen die eerder zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling. Daarnaast zijn er sinds de wisseling van jeugdbeschermers in september 2025 forse zorgen ontstaan over de veiligheid, welzijn en de professionele zorg binnen het gezinshuis waar [minderjarige] verbleef. Omdat de situatie niet langer verantwoord was voor [minderjarige] , is zij terug overbrugging per direct overgeplaatst naar een crisispleeggezin en verblijft zij inmiddels in een ander gezinshuis. Naast de ernstige zorgen over haar ontwikkeling, waarvoor eerdaags Mentaal Beter zal starten, kent [minderjarige] ook een traumatische gang van alle opvangplekken die zij inmiddels gezien heeft. De kinderrechter vindt het daarom van cruciaal belang dat er snel duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . Zij heeft hier dringend behoefte aan. De GI wordt daarom verzocht dit zo spoedig mogelijk op te pakken door het perspectief te bepalen en een verzoek tot onderzoek aan de Raad te richten. De kinderrechter maakt zich daarbij zorgen over de beschikbaarheid van de moeder voor [minderjarige] en haar aanspreekbaarheid, mede gezien het grensoverschrijdende gedrag dat zij in het contact met de hulpverlening laat zien. Ook ter zitting heeft de kinderrechter moeten constateren dat de moeder zich nauwelijks laat sturen of aanspreekbaar is. Bezien moet worden wat zij in dit kader extra nodig heeft. Hopelijk lukt het de GI om in contact te komen met de hulpverlening die betrokken is bij de moeder dan wel eerder betrokken is geweest, zodat er meer zicht verkregen kan worden op haar persoon en behoeften. De kinderrechter vindt dit belangrijk, omdat dit blijkbaar ook haar contact met [minderjarige] in de weg staan. [minderjarige] ervaart de contacten met haar moeder als belastend. Op haar verzoek zijn de belcontacten inmiddels beperkt naar 15 minuten per maand.
5.3.. Gelet op alle ontwikkelingen vindt de kinderrechter het noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] dat de GI langer betrokken blijft om vanuit het gedwongen kader de regie te voeren en de belangen van [minderjarige] te kunnen waarborgen. Daarnaast dient in het belang van haar verzorging en opvoeding en in afwachting van de perspectiefbepaling het verblijf van [minderjarige] in het huidige gezinshuis voor de komende periode gecontinueerd te worden. Daarbij zal de kinderrechter de verzochte machtiging beperken tot het gezinshuis waar zij nu verblijft, te weten [gezinshuis] . Daarmee wil de kinderrechter borgen dat dit de laatste plek voor [minderjarige] is tot – en zo mogelijk ook nadat - dat haar perspectief is bepaald. Beide verzoeken zullen worden toegewezen voor de duur van een jaar.
5.4.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing in het belang van de ongestoorde voortzetting van de hulpverlening aan [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 24 mei 2026 en tot 24 mei 2027;
6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten het [gezinshuis] , met ingang van 24 mei 2026 en tot 24 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.