Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5448

Court

Breda

Date

21 May 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Personen- en familierecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/422607 / FA RK 24-2326

Datum uitspraak: 21 mei 2026

Nadere beschikking over gezag, omgang en een informatieregeling

in de zaak van

[de man],

hierna te noemen: de man,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. T. van Riel te Breda,

tegen

[de vrouw],

hierna te noemen: de vrouw,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. M.C.G. Voogt te Breda.

over de minderjarigen

  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] , en

  • [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De rechtbank merkt verder als belanghebbende aan:

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

gevestigd te Etten-Leur,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de resterende verzoeken geadviseerd.

1. Het procesverloop1.1.. In het dossier bevinden zich de volgende stukken:

de in deze zaak gegeven beschikking van 12 november 2024 en alle daarin genoemde stukken;

de F9-formulieren van mr. Van Riel van 13 november 2024, met bijlage, en van 1 oktober 2025;

de e-mailberichten van de gemeente Breda van 3 september 2025, met bijlage, en van 28 oktober 2025, met bijlagen, waaronder het (definitieve) UHA-rapport;

het e-mailbericht van mr. Voogt van 18 september 2025;

de brieven van de Raad van 13 november 2025 en van 6 maart 2026, met bij de laatste brief het rapport van het raadsonderzoek van dezelfde datum.

1.2.. De rechtbank heeft de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 7 mei 2026. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:

de man, bijgestaan door mr. Van Riel;

de vrouw, bijgestaan door mr. Voogt; en

een vertegenwoordiger namens de Raad;

twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling (op afstand, via een audiovisuele verbinding).

1.3. Gelet op hun onderlinge samenhang, is deze zaak gelijktijdig op zitting behandeld met de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de zaaknummers C/02/446788 / KG ZA 26-177 en C/02/445894 / JE RK 26-410.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Daaruit zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.

2.2. De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .

2.3. Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen. De man heeft [minderjarige 2] op 17 december 2025 erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] .

2.4. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.

2.5. Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank bij voormelde beschikking van 12 november 2024 eveneens een voorlopige informatieregeling bepaald. Partijen zijn daarnaast naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA), waarbij de rechtbank de definitieve beslissingen op de verzoeken van partijen ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een zorg- c.q. omgangsregeling en een informatieregeling heeft aangehouden.

2.6. Partijen zijn in het UHA-traject een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen dat zij hebben ondertekend op 7 juli 2025. Daarin hebben partijen onder meer vastgelegd dat zij voornemens zijn het gezamenlijk gezag voor [minderjarige 2] te regelen, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee dagen per week bij de man zullen zijn en dat ouders elkaar over en weer op de hoogte zullen brengen omtrent gewichtige aangelegenheden.

2.7. Uit het UHA-rapport van 7 oktober 2025 blijkt dat het ingezette (jeugd)hulptraject tot onvoldoende resultaat heeft geleid. De Raad heeft besloten om een gezags- en omgangsonderzoek en een beschermingsonderzoek uit te voeren (hierna: het raadsonderzoek).

2.8. Nadat de vrouw de omgang tussen de man en de kinderen in augustus 2025 had beëindigd, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 1 december 2025 bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact/omgang met elkaar twee dagen per week van 09:00 uur tot 17:00 uur, waarbij de dagen in onderling overleg tussen partijen worden bepaald.

2.9. Gelijktijdig met de toezending van het rapport van het raadsonderzoek op 6 maart 2026, heeft de Raad een verzoek ingediend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen. Dat verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C/02/445894 / JE RK 26-410. De kinderrechter heeft bij mondeling gegeven beschikking van 7 mei 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI.

2.10. Begin april 2026 heeft de vrouw haar medewerking aan de uitvoering van de voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen opgeschort. Zij heeft vervolgens een kortgedingprocedure gestart waarin zij vordert dat de voorzieningenrechter de omgangsregeling zoals die bij vonnis van 1 december 2025 is bepaald, schorst totdat partijen anders overeenkomen of een rechter anders beslist. Bij vonnis van vandaag (21 mei 2026) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van de vrouw bij gebrek aan belang afgewezen, omdat in deze bodemprocedure een definitieve beslissing over de contactregeling tussen de man en de kinderen wordt gegeven.

3. De resterende verzoeken

3.1. In deze procedure zijn nog aan de orde de verzoeken van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] te wijzigen in die zin dat partijen voortaan het gezamenlijk ouderlijk gezag over haar uitoefenen;

een (definitieve) contact-/omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen te bepalen;

een (definitieve) informatieregeling te bepalen op basis waarvan de vrouw de man eenmaal per maand dient te informeren over de gezondheid van de minderjarigen, de ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, de sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling van de minderjarigen en hun vrijetijdsbesteding.

3.2. De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt:

primairom de man niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen. De vrouw kan instemmen met het verzoek om een informatieregeling vast te stellen, met dien verstande dat partijen geen direct contact met elkaar hebben;

subsidiairte bepalen dat het contact/de omgang tussen de man en de minderjarigen onder begeleiding plaatsvindt, tenminste eenmaal per week en maximaal tweemaal per week gedurende een uur.

3.3. Daarnaast verzoekt de vrouw, bij wijze van zelfstandig verzoek, primairte bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag met betrekking tot [minderjarige 1] wordt gewijzigd, in die zin dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ensubsidiairom de beslissing omtrent het gezag aan te houden in afwachting van de hulpverlening die wordt ingezet in het kader van de ondertoezichtstelling.

4. De verdere beoordeling

Gezag

4.1. De man verzoekt om partijen gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige 2] . De vrouw verzet zich tegen toewijzing van dat verzoek van de man en verzoekt op haar beurt om aan haar het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] toe te kennen.

4.2. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.3. In artikel 1:253n BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen zij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. De rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.4. De man voert aan dat het in het belang is van [minderjarige 2] dat de man betrokken is bij de totstandkoming van belangrijke beslissingen in haar leven. De man vindt het belangrijk dat [minderjarige 2] een goede band met haar vader kan opbouwen. Daarbij hoort dat hij actief betrokken is bij te nemen beslissingen.

4.5. De vrouw voert daartegen verweer. Volgens haar bestaat er een onaanvaardbaar risico voor de kinderen dat zij klem of verloren zullen raken indien partijen gezamenlijk zijn belast met het gezag over hen. Partijen zijn niet daadwerkelijk in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Er is niet of nauwelijks contact tussen partijen. De relatie tussen de man en de vrouw is ernstig verstoord en er is vanuit de vrouw sprake van wantrouwen en zorgen over de man als opvoeder. Mede gelet op de voorgeschiedenis, valt volgens de vrouw niet te verwachten dat in die situatie, al dan niet met hulpverlening, binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Voor de ontwikkeling van de kinderen acht de vrouw het van belang dat zij als verzorgende ouder, in staat zal zijn en blijven om zelfstandig beslissingen te nemen met betrekking tot de opvoeding en verzorging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Om die reden verzoekt de vrouw om de huidige situatie te wijzigen in die zin dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] wordt gewijzigd naar eenhoofdig gezag, zodat de vrouw alleen met het gezag over beide kinderen zal zijn belast.

4.6. In het raadsrapport adviseert de Raad om partijen te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] in stand te laten. Weliswaar ziet de Raad risico’s voor de kinderen omdat partijen op dit moment niet op een goede manier met elkaar kunnen communiceren en zij (nu) onvoldoende vorm kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap. De Raad ziet echter nog (hulpverlenings)mogelijkheden voor ouders om onder begeleiding van een jeugdbeschermer te komen tot gezamenlijk ouderschap. Met name op het gebied van de onderlinge communicatie tussen ouders zijn nog stappen te zetten, zodat partijen een modus weten te vinden waar zij zich beiden comfortabel bij voelen. Daarnaast verwacht de Raad dat gezamenlijk gezag de ouders ‘dwingt’ om hun eigen belang opzij te zetten en zich te richten op hetgeen belangrijk is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad ziet tot slot geen reden om de (definitieve) beslissing op de verzoeken die zien op de gezagsverhouding aan te houden in afwachting van de resultaten van de in het kader van de ondertoezichtstelling in te zetten hulpverlening. Het is voor alle betrokkenen van belang dat de langlopende juridische procedures worden afgesloten. De (definitieve) beslissing van de rechtbank biedt een duidelijk uitgangspunt voor de verdere hulpverlening.

4.7. De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt van de wet is dat ouders belast zijn met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind(eren) in gezamenlijk overleg kunnen nemen.

4.8. Hoewel partijen op dit moment niet in staat zijn op een respectvolle en passende wijze met elkaar te communiceren en dus het nodige overleg te voeren over beslissingen over Lavinia en Georginia, zal de rechtbank bepalen dat ouders het gezamenlijk gezag over beide kinderen krijgen/behouden. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige 2] zal toewijzen, terwijl het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] zal worden afgewezen.

4.9. Voor de rechtbank is daarbij met name van belang dat partijen in de zomer van 2025 hebben laten zien dat zij in staat zijn om te komen tot afspraken en omgangsvormen die in het belang zijn van de kinderen. Die afspraken hebben partijen neergelegd in het ouderschapsplan dat zij op 7 juli 2025 hebben ondertekend. Daarin hebben zij ook het voornemen opgenomen om het gezamenlijk gezag te regelen. De rechtbank heeft er dan ook vertrouwen in dat het partijen zal lukken om onder regie van de GI en met de hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling zal worden ingezet, te werken aan een basis van onderling vertrouwen en een passende vorm van communicatie. Dat is werkelijk in het belang van de kinderen. De rechtbank ziet geen reden om de definitieve beslissing omtrent het gezag aan te houden, zoals de vrouw subsidiair heeft verzocht. Met de Raad vindt de rechtbank het belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt voor partijen, juist ook met het oog op het in te zetten hulpverleningstraject. Dat traject is gericht op het toewerken naar een vorm van gezamenlijk ouderschap, een situatie waarin de kinderen positief contact kunnen hebben met beide ouders, zonder belast te worden met spanning en/of strijd die tussen de ouders bestaat. Daarbij past naar het oordeel van de rechtbank een gelijkwaardige rol voor beide ouders en dat impliceert dat zij beiden met het gezag zijn belast.

4.10. Zoals ook tijdens de zitting benadrukt, merkt de rechtbank voor de volledigheid op dat het (gezamenlijk) gezag voor partijen ook verplichtingen meebrengt. Van beide partijen wordt verlangd dat zij zich volledig zullen inzetten om – in het belang van de kinderen – te komen tot een vorm van gezamenlijk ouderschap. Daar hoort bij dat ouders zich zullen laten leiden door de adviezen en inzichten van de hulpverlening en de GI en dat zij eventuele eigen problematiek onder ogen zullen zien en daaraan zullen werken. Omdat beide ouders met het gezag zijn belast, kan de GI zo nodig aan ieder van hen schriftelijke aanwijzingen geven.

Zorgregeling

4.11. De man verzoekt een (nader te specificeren) zorgregeling waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (op termijn) doordeweeks, een weekend per 14 dagen, de helft van de vakanties en feestdagen, op de verjaardag van de man en op de verjaardag van de kinderen contact met elkaar hebben.

4.12. De vrouw maakt zich zorgen over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn. Met name het onvoorspelbare gedrag van de man, zijn middelengebruik, de thuisomgeving van de man en zijn sociale kring baren de vrouw zorgen. Volgens de vrouw scheldt de man de minderjarigen regelmatig uit of spreekt hij ze toe op een denigrerende manier. Na een omgangsmoment zijn de kinderen vaak overstuur en ontregeld. Daarnaast wijst de vrouw erop dat zich op zaterdag 28 maart 2026 een incident heeft voorgedaan bij het ophalen van de kinderen. De man heeft zich agressief en onrustig gedragen richting de kinderen, waarbij hij de kinderen heeft uitgescholden en [minderjarige 2] op grove wijze bij haar arm heeft gepakt. De vrouw heeft ook krassen op het gezicht van [minderjarige 2] gezien, waarna zij aangifte heeft gedaan van mishandeling. Dat is voor de vrouw ook de reden geweest om haar medewerking aan de in kort geding voorlopig bepaalde omgangsregeling (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.8.) op te schorten. De vrouw zou het liefst zien dat de omgang weer onder begeleiding plaats gaat vinden en op neutraal terrein.

4.13. De Raad ziet op basis van de binnen het raadsonderzoek verkregen informatie geen reden om de omgang tussen de man en de kinderen begeleid en op neutraal terrein te laten plaatsvinden, zoals de vrouw wenst. Hoewel de vrouw haar zorgen blijft uiten, komt uit de informatie van de politie en uit het rapport van het UHA-traject naar voren dat er geen risico’s worden gezien voor de veiligheid van de kinderen in het contact met hun vader. Er is gedurende langere tijd sprake geweest van begeleide omgang en de omgangsbegeleider schetste daarvan een overwegend positief beeld. De Raad ziet geen reden om daaraan te twijfelen. De Raad adviseert daarom de huidige zorgregeling (tweemaal per week van 09:00 uur tot 17:00 uur) vast te leggen. Dat is op dit moment het hoogst haalbare en ook conform het eerder door ouders overeengekomen ouderschapsplan.

4.14. De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd, waaronder kwesties over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

4.15. De rechtbank vindt het in het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat het contact met hun vader zo snel mogelijk en duurzaam wordt hersteld. Voor de kinderen is de huidige situatie verwarrend en emotioneel belastend. Het contact met hun vader is al meerdere malen (abrupt) weggevallen. Ze hebben een periode gehad waarin ze hun vader regelmatig zagen. Die omgang verliep goed en er was ruimte voor contact en flexibiliteit. Dat gaf de kinderen de kans om beide ouders te ervaren in een veilige setting. Nu is dat contact voor de vierde keer abrupt gestopt. Voor jonge kinderen, die nog volop bezig zijn met het vormen van vertrouwen en veiligheid in relaties, is zo’n breuk met een hechtingsfiguur moeilijk te begrijpen. Dat raakt aan hun basisgevoel van veiligheid en kan (op latere leeftijd) gevolgen hebben voor hoe zij zichzelf zien, hoe zij omgaan met emoties en hoe ze relaties met anderen aangaan. Vanwege die ontwikkelingsbedreiging heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI . Eén van de doelen waar partijen met hulpverlening aan moeten werken is een positief, veilig en onbelast contact tussen de man en de kinderen, volgens een vaste regeling.

4.16. Een vaste regeling was er tot begin april van dit jaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleven wekelijks op woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de man. Omdat er geen concrete aanwijzingen zijn waaruit de rechtbank kan afleiden dat die regeling niet in het belang is van de kinderen, zal zij die regeling, die ook past bij de afspraken die partijen in het ouderschapsplan hebben opgenomen, als definitieve zorgregeling vastleggen in deze beschikking.

4.17. Tijdens de zitting heeft de vrouw wederom haar zorgen uitgesproken over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn en aangedrongen op het (opnieuw) starten met begeleid contact. Daarom vordert de vrouw in kort geding schorsing van de huidige voorlopige regeling (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.10.). De rechtbank ziet op dit moment echter geen aanleiding om te concluderen dat het belang van de kinderen zich tegen (hervatting van) de hiervoor genoemde regeling verzet. Partijen hebben ieder een andere beleving bij wat er op 28 maart 2026 bij het overdrachtsmoment is voorgevallen en de man weerspreekt dat de kinderen bij hem niet veilig zouden zijn. Dat betekent niet dat de rechtbank de zorgen van de vrouw niet serieus neemt. Er is op dit moment echter te weinig zicht op de situatie van de kinderen om daaraan de door de vrouw gewenste conclusies te verbinden. Zoals ook tijdens de zitting besproken, biedt de ondertoezichtstelling een kader waarbinnen de zorgen van de vrouw een plaats hebben. Door de ondertoezichtstelling komt er meer zicht op de kinderen en de ouders. Met de GI heeft de vrouw, ook buiten kantoortijden, een vast aanspreekpunt bij wie zij met haar zorgen terecht kan. Dat kan al direct in het intake-/kennismakingsgesprek, maar ook gedurende de looptijd van de ondertoezichtstelling en tijdens de uitvoering van de zorgregeling, met name indien zich een incident heeft voorgedaan. Het is dan aan de betrokken professionals van de GI om te beoordelen of er nadere actie moet worden ondernomen, bijvoorbeeld in de vorm van het maken van veiligheidsafspraken. Op die manier moet de ondertoezichtstelling voorkomen dat de vrouw op eigen initiatief (opnieuw) het contact tussen de kinderen en hun vader verbreekt, terwijl de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gewaarborgd. De rechtbank hoopt dat de ondertoezichtstelling daarmee bijdraagt aan het ontstaan van een basis van vertrouwen tussen partijen.

Informatieregeling

4.18. Op grond van artikel 1:253a lid 2 BW kan de rechtbank op verzoek van (één van) de ouders een regeling vaststellen die betrekking heeft op de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.

4.19. Bij beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige regeling bepaald dat de vrouw de man eenmaal per maand moet informeren over de kinderen met betrekking tot hun gezondheid, ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling en vrijetijdsbesteding.

4.20. Aangezien de vrouw zich niet tegen het verzoek van de man om een informatieregeling verzet, zal de rechtbank de hiervoor weergegeven voorlopige regeling, die ook past bij de afspraak die partijen in het ouderschapsplan hebben opgenomen, als definitieve informatieregeling bepalen. Met hulpverlening zullen partijen moeten werken aan een geschikte vorm waarin de vrouw de man informeert. Daarnaast merkt de rechtbank op dat van de man als gezagsdragende ouder van beide kinderen ook verwacht wordt dat hij zich uit eigen beweging tot verschillende instanties (zoals kinderopvang, school, sportvereniging, medisch behandelaars) zal wenden om zich betrokken te tonen bij en op de hoogte te stellen van de ontwikkeling van de kinderen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

5.12. De rechtbank zal de beslissingen over het gezag, de zorg- en informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat deze beslissingen, ondanks een eventueel hoger beroep, direct uitgevoerd kunnen worden.

Proceskosten

4.21. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. bepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ;

5.2. bepaalt dat de man en de minderjarigen

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] , en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,

in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere week op woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur;

5.3. bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per maand moet informeren over de gezondheid van de hiervoor genoemde kinderen, hun ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, hun sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling en hun vrijetijdsbesteding;

5.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en, in tegenwoordigheid van mrs. Vos en Van Ham, griffiers, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

More Decisions