Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5454

Court

Middelburg

Date

21 May 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Personen- en familierecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/446434 / JE RK 26-515

Datum uitspraak: 21 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de pleegmoeder],

hierna te noemen: de pleegmoeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest,

[de pleegvader],

hierna te noemen: de pleegvader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1. Het verloop van de procedure

1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2026;

het bericht van mr. Dorhout-Tielken met bijlage, ontvangen op 20 mei 2026;

de pleitaantekeningen van mr. Dorhout-Tielken, overlegd tijdens de zitting.

1.2.. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

de pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat;

de pleegvader;

een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De kinderrechter heeft met [minderjarige 1] afgesproken dat de inhoud van het gesprek geheim moet blijven. De aanwezigen hebben kunnen reageren op hetgeen [minderjarige 2] heeft verteld.

2. De feiten

2.1.. Bij beschikking van 1 augustus 2016 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder voogdij gesteld van de pleegouders.

2.2..
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen, sinds de beëindiging van de relatie van de pleegouders, bij de pleegmoeder.

2.3.. Bij beschikking van deze rechtbank van 23 mei 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 mei 2024 en tot 23 mei 2025. Deze maatregel is daarna verlengd tot 23 mei 2026.

3. Het verzoek

3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

4.1..
[minderjarige 2] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat het erg goed met haar gaat bij de pleegmoeder thuis. Het gaat ook goed op school. Daarnaast vertelt [minderjarige 2] dat ze de reisafstand naar de pleegvader te ver vindt. Ook vindt [minderjarige 2] het vervelend dat ze bij de pleegvader geen vriendinnen in haar omgeving heeft. Ze heeft geen goede band met de pleegvader. Ze verwacht ook niet dat dit binnen de ondertoezichtstelling beter zal worden. [minderjarige 2] staat er niet meer voor open en wil op dit moment liever geen contact met de pleegvader. [minderjarige 2] heeft er last van als zij steeds van omgeving moet wisselen, omdat ze tijd nodig heeft om zich aan te passen. Dit maakt dat zij zich bij de pleegvader ook niet goed kan concentreren voor schoolwerk. Verder licht [minderjarige 2] toe dat ze in de vakanties ook niet meer naar de pleegvader wil, omdat ze dan twee weken niemand heeft om mee af te spreken. [minderjarige 2] heeft een tijd geleden een e-mail gestuurd naar de jeugdbeschermer en de pleegvader waarin ze dit heeft aangegeven. Ook vertelt [minderjarige 2] dat ze geen gesprekken meer wil met de hulpverleners, omdat het niet werkt. Tot slot geeft [minderjarige 2] aan dat ze klaar is met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de meerwaarde daarvan niet ziet.

4.2.. De (zittingsvertegenwoordigster van de) GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat zij inmiddels als vaste jeugdbeschermer betrokken is. Het klopt dat [minderjarige 2] een e-mail heeft gestuurd naar de jeugdbeschermer en de pleegvader. De jeugdbeschermer heeft toen contact opgenomen met de pleegvader en besloten dat [minderjarige 2] in de meivakantie niet naar de pleegvader hoefde te gaan. Op deze manier kon zij [minderjarige 2] het gevoel geven dat ze gehoord en gezien werd. Volgende week zal de jeugdbeschermer een gesprek voeren met [minderjarige 2] om te kijken wat zij wil en wat nog mogelijk is. Haar mening moet immers serieus worden genomen, zeker met het oog op de diagnose separatieangst. De GI gunt [minderjarige 2] een onbelast contact met de pleegvader, maar er moeten hiervoor nog veel stappen worden gezet. Er zal worden gekeken naar de inzet van hulpverlening. Ook is het belangrijk dat [minderjarige 1] niet wordt vergeten. Verder licht de GI toe dat [psychotherapeut] betrokken is voor de oudercommunicatie en het opstellen van een ouderschapsplan. Er zijn nog wat (juridische) patstellingen tussen de (pleeg)ouders waar een klap op moeten worden gegeven. Het ouderschapsplan is wel bijna klaar. Daarnaast verklaart de GI dat zij volgende week een huisbezoek zal inplannen, samen met de betrokken pleegzorgmedewerker, zodat kan worden bezien wat nodig is om de (gezamenlijke) pleegoudervoogdij te verbeteren. Het is momenteel niet de intentie van de GI om een machtiging uithuisplaatsing of een onderzoek door de Raad te verzoeken. Een constructieve oudercommunicatie is wel een van de voorwaarden voor gezamenlijke pleegoudervoogdij. Tot slot is de GI voornemens om te onderzoeken of de biologische ouders van de kinderen een rol in het leven van de kinderen willen en kunnen krijgen.

4.3.. Door en namens de pleegmoeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. Het gaat heel goed met de kinderen. Ze hebben een flinke groei doorgemaakt. De pleegmoeder probeert [minderjarige 2] uit te leggen dat het de bedoeling is dat ze naar de pleegvader gaat, maar [minderjarige 2] wil niet. De (pleeg)ouders zoeken elkaar daarnaast op bij belangrijke zaken over de kinderen. Ook ziet de pleegmoeder dat het beter gaat met [minderjarige 2] op het gebied van haar separatieangst en dwanggedachten. Dit staat niet meer op de voorgrond, hetgeen maakt dat hulp nu niet nodig is. Het verzoek moet worden afgewezen, aangezien er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. De communicatie tussen de (pleeg)ouders is verbeterd, de overdrachtsmomenten verlopen ontspannen en de kinderen ontwikkelen zich goed en durven hun gevoelens en wensen te uiten. Het verzoek is vooral gebaseerd op hypothetische scenario’s. Alle geschilpunten tussen de (pleeg)ouders met betrekking tot het ouderschapsplan zijn feitelijk afgehandeld. Er worden echter steeds nieuwe punten aangedragen die geen betrekking hebben op de ontwikkeling van de kinderen. Zo waren er voorheen geen zorgen over de rol van de biologische ouders in het leven van de kinderen. De biologische moeder heeft ook aangegeven geen contact met de kinderen te willen hebben. De biologische vader(s) van de kinderen is/zijn nooit bekend gemaakt. De (pleeg)ouders zijn in voldoende mate in staat om op constructieve wijze met elkaar te communiceren en de opvoedsituatie van de kinderen is goed genoeg. Het ouderschapsplan kan tot slot ook in een vrijwillig kader worden afgerond.

4.4.. De pleegvader staat achter het verzoek en verklaart dat hij schrikt van hetgeen [minderjarige 2] vertelt over hun band. Het is lastig dat [minderjarige 2] geen contact meer wil. De deur staat wel altijd voor haar open. De pleegvader heeft het gevoel dat de kinderen al langer kampen met loyaliteitsproblematiek. Daarnaast licht de pleegvader toe dat de omgangsmomenten met [minderjarige 1] fijn verlopen. Verder geeft de pleegvader aan dat er geen sprake is van communicatie met de pleegmoeder, behalve door tussenkomst van een derde partij, zoals [psychotherapeut] . Algemene zaken zijn bespreekbaar, maar het is lastig als de (pleeg)ouders moeten praten over patstellingen. [psychotherapeut] is nodig om er samen uit te komen en ervoor te zorgen dat afspraken worden nagekomen. Het zou goed zijn als er een klap kan worden gegeven op bepaalde patstellingen, zodat het ouderschapsplan afgerond kan worden. De overdrachtsmomenten verlopen ook niet ontspannen en er is geen sprake onbelast contact met [minderjarige 2] . Tot slot vraagt de pleegvader zich af of er echt een e-mail is verstuurd door de biologische moeder dat zij de kinderen niet meer wil zien, aangezien deze e-mail nooit door iemand is gezien.

5. De beoordeling

5.1.. Allereerst stelt de kinderrechter vast dat de pleegouders, hoewel dat zowel voor de pleegouders als voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wel zo voelt, formeel niet de juridische ouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn. Zij zijn de pleegouders met voogdij. Ingevolge artikel 1:326 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen kinderen die onder voogdij staan van natuurlijke personen onder toezicht worden gesteld. Artikel 1:326 lid 2 BW verklaart afdeling 4 van titel 14 van overeenkomstige toepassing, van welke titel artikel 1:255 BW onderdeel uitmaakt.

5.2.. Voorts is de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat nog wordt voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:260 juncto 1:255 BW. De kinderrechter licht dit als volgt toe.

5.3.. De kinderrechter stelt allereerst op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling vast dat zichtbaar is dat de pleegouders (hierna: de ouders) betrokken zijn en het beste voor de kinderen willen. Ook hebben de ouders de afgelopen periode stappen gezet, zoals het voeren van gezamenlijke gesprekken, het begroeten van elkaar bij overdrachtsmomenten en het onderhouden van e-mail contact met elkaar over belangrijke zaken, een en ander onder begeleiding van [psychotherapeut] . Voorts hebben de kinderen een flinke ontwikkeling laten zien, bijvoorbeeld op school en in contact met anderen. Dit stemt de kinderrechter positief. De kinderrechter stelt daarentegen ook vast – anders dan de pleegmoeder – dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het is de kinderrechter gebleken dat de kinderen al veel hebben meegemaakt. Na het uiteengaan van de ouders zijn grote spanningen en onrust ontstaan in het leven van de kinderen. De kinderen kampen daardoor al langdurig met loyaliteitsproblematiek en kunnen geen onbelast contact hebben met beide ouders. Zo heeft [minderjarige 2] aangegeven het liefst op dit moment geen contact meer te willen met de pleegvader. Ook heeft de kinderrechter de indruk dat [minderjarige 1] last heeft van het langdurig klem zitten tussen de ouders, gelet op het kindgesprek. Het loyaliteitsconflict maakt dat de kinderen niet voldoende kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkelingstaken. Daarnaast is gebleken dat het de ouders, ondanks de betrokkenheid van intensieve hulpverlening, niet lukt om (zelfstandig) constructief met elkaar te communiceren en met elkaar het pleegoudervoogdijschap vorm te geven. Zo is gebleken dat de ouders nog altijd de intensieve begeleiding van [psychotherapeut] nodig hebben om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van de kinderen. Ook verschillen de ouders van visie met betrekking tot de voortgang omtrent het behalen van de doelen, zoals het verloop van de onderlinge communicatie en overdrachtsmomenten, alsmede over de noodzaak van een ondertoezichtstelling. Ook is het de kinderrechter gebleken dat er op een aantal punten bij het opstellen van een ouderschapsplan nog patstellingen zijn. De betrokken pleegzorgorganisatie (Vigere) heeft ook aangegeven dat de ouders momenteel niet voldoen aan de voorwaarden voor pleegoudervoogdij. De kinderen behoeven een voorspelbare, stabiele en conflictarme samenwerking tussen de ouders, hetgeen momenteel (nog) niet het geval is.

5.4.. De ouders zijn niet in staat gebleken om de voornoemde ontwikkelingsbedreiging zelfstandig en gezamenlijk in het vrijwillige kader te doen wegnemen. De ouders behoeven immers nog altijd een derde partij om te komen tot overeenstemming, samenwerking en communicatie over de kinderen. Zo is het meermaals voorgekomen dat de GI moest interveniëren of knopen moest doorhakken. De kinderrechter stelt voorts vast dat de betrokkenheid van de GI de komende periode nog noodzakelijk is. Het is van belang dat de ouders zich, door middel van begeleiding van [psychotherapeut] en onder monitoring van de GI, blijven inzetten voor het afronden van een ouderschapsplan en het werken aan een constructieve oudercommunicatie. Hiervoor is het maken en nakomen van afspraken onder regie van de GI essentieel. Daarnaast is het van belang dat de GI met [minderjarige 2] het gesprek aangaat, haar mening aanhoort en onderzoekt of en op welke wijze het contactherstel met de pleegvader kan worden vormgegeven, waarbij als uitgangspunt moet gelden dat kinderen in principe baat hebben bij omgang met allebei de ouders en er vooralsnog onvoldoende redenen lijken te zijn om geen omgang te hebben met de pleegvader, een en ander op geleide van de minderjarige. Ook is het noodzakelijk dat de GI de wensen en behoeften van [minderjarige 1] in het oog houdt. Voorts dient de GI de komende periode de noodzakelijke hulpverleningstrajecten in te zetten, waaronder, indien nodig, een behandeltraject voor de separatiestoornis en dwanggedachten van [minderjarige 2] , en toe te zien op de continuering daarvan. Tot slot is het van belang dat de GI duidelijkheid verkrijgt over de eventuele rol van de biologische ouders van de kinderen in de levens van de kinderen, waarbij de draagkracht en behoeften van de kinderen leidend dienen te zijn.

5.5.. De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de verzochte duur van negen maanden. Het is van belang dat de ouders de komende periode aan de slag gaan met het afronden van het ouderschapsplan en het maken van goede afspraken, zodat de casus op een zorgvuldige wijze met een duidelijk borgingsplan kan worden overgedragen naar het vrijwillige kader. Het is niet wenselijk om tussentijds een nieuwe zitting te plannen, omdat er nog veel moet gebeuren en rust belangrijk is. De volle periode van negen maanden is nodig.

5.6.. Tot slot merkt de kinderrechter het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het momenteel niet de bedoeling is van de GI om juridische maatregelen te nemen ten aanzien van de voogdij van de ouders. De kinderrechter acht het in het belang van de kinderen dat de ouders belast blijven met de voogdij en geeft de ouders op deze wijze de kans om te laten zien dat zij de komende periode voortvarend aan de slag gaan met het behalen van de doelen, zoals het verbeteren van de onderlinge communicatie, nu dit een voorwaarde is voor pleegoudervoogdij.

5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 23 mei 2026 en tot 23 februari 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

More Decisions