Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5463

Court

Middelburg

Date

21 May 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Personen- en familierecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/446676 / JE RK 26-566

Datum uitspraak: 21 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,

[minderjarige 1],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat mr. W. van der Sande uit Goes.

1. Het verloop van de procedure

1.1..

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026.

1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader met zijn advocaat;

  • de moeder met haar advocaat;

  • twee vertegenwoordig(st)ers van de GI.1.3..

De kinderrechter heeft [minderjarige 3] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 3] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 3] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

[minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om haar mening te geven.

2. De feiten

2.1.. De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest.

2.2..
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.

2.3.. Het huwelijk van de ouders is op 20 juni 2025 door echtscheiding ontbonden.

2.4.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

2.5..
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun vader.

2.6.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 mei 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 27 mei 2026.

3. Het verzoek

3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

4.1.. De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Na het uitspreken van de ondertoezichtstelling in mei 2025 is de zaak opgepakt door het instroomteam van de GI. In die periode is de SCHIP-therapie opnieuw opgestart en is er voor de kinderen een kindbehartiger betrokken geraakt die sindsdien gesprekken voert met alle drie de kinderen afzonderlijk. Sinds november 2025 is de huidige, vaste jeugdbeschermer betrokken. In de afgelopen periode is het SCHIP-traject – voor een tweede keer – tijdelijk door de ouders afgebroken. Het lukte de ouders (opnieuw) niet om door fase twee van het SCHIP-traject, de verdiepende fase, te komen. Vermoedelijk spelen spanningsvolle momenten daarin een rol. Wanneer er spanningsvolle momenten zijn waarbij er belangrijke adviezen of beslissingen in aantocht zijn, welke invloed kunnen hebben op bijvoorbeeld de zorgregeling, lijken ouders terug te vallen in oude patronen. De strijd verergert, kinderen worden belast met volwassen zaken en het winnen en verliezen lijkt voorop te staan, waarbij de belangen van de kinderen uit het oog verloren worden. Ook lukt het ouders op deze momenten niet altijd om afspraken na te komen. Uiteindelijk is het in overleg met beide ouders toch gelukt om het SCHIP-traject door te zetten. Dat is knap. De GI ziet twee ouders die zich inzetten en ook dingen bespreekbaar durven te maken. De GI heeft de indruk dat het met de kinderen ook beter lijkt te gaan. [minderjarige 3] lijkt minder last te hebben van spanningen en lijkt zich meer uit te durven spreken. [minderjarige 2] heeft speltherapie afgerond. Met [minderjarige 1] lijkt het ook beter te gaan. De GI vindt het belangrijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, zodat de voortgang van het SCHIP-traject nauwkeurig door de GI kan worden gemonitord. Indien blijkt dat voortzetting van het SCHIP-traject toch te veel spanningen oproept, dan zal de GI met de ouders opnieuw om de tafel gaan om te kijken of bijvoorbeeld parallel ouderschap passender is. De GI herkent verder de zorgen die door de ouders over en weer worden geuit. Er zijn over en weer zorgen, waarin het hele systeem een rol lijkt te spelen. De GI schakelt hierover met de begeleiders van SCHIP, maar ook met de IPT’ers. Bij acute onveiligheid wordt daarop door de GI gehandeld. De GI voert hier strakke regie op.

4.2.. Door en namens de vader is aangegeven dat hij instemt met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij merkt dat er sprake is van een verbetering in de communicatie met de moeder, maar dat er nog wel veel winst te behalen is. Ook voor de kinderen is het belangrijk dat de ondertoezichtstelling doorloopt en dat er iemand is bij wie zij hun verhaal kwijt kunnen. Voor de vader voelt het wel dubbel. De hulpverlening is belastend en uitputtend, maar tegelijkertijd is de vader bang dat als de ondertoezichtstelling weg zou vallen de ouders terugvallen in oude patronen. Daarnaast heeft de vader, net als de moeder, zorgen, maar voelt hij zich niet gehoord. Het blijft moeilijk om die zorgen bespreekbaar te maken, terwijl die ruimte er wel zou moeten zijn. De vader hoopt dat daar iets mee wordt gedaan, zodat de ouders elkaar minder wantrouwend bekijken. De vader is blij dat het SCHIP-traject, dat zich nu in fase drie bevindt, wordt doorgezet. Hoewel de situatie nog pril is, worden er wel kleine stappen gezet. De vader hoopt dat deze lijn kan worden voortgezet. De kinderen ervaren meer rust nu. De vader merkt dat het beter met de kinderen gaat, zowel thuis als op school. Ook merkt de vader het aan de kinderen dat het bij de moeder thuis goed gaat.

4.3.. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat ook zij instemt met een verlening van de ondertoezichtstelling. De situatie voor de kinderen lijkt iets stabieler te zijn. De kinderen genieten nu zichtbaar. Tegelijkertijd spelen er nog veel zaken waar de kinderen last van hebben. Het is duidelijk dat de kinderen nog klem zitten. Daarnaast is de echtscheidingsprocedure nog niet afgewikkeld. De moeder geeft regelmatig aan dat zij zich bij het SCHIP-traject niet prettig voelt. Voor haar is het lastig dat zij van verschillende professionals – de moeder heeft ook zelf een psycholoog – verschillende informatie krijgt over wat werkend is en wat niet. De moeder mist in de hulpverlening dat er weinig wordt gekeken naar de onderstromen die spelen, zoals de rol van opa en oma vaderszijde. Zij maakt zich zorgen over een aantal zaken, maar naar haar gevoel wordt daar niets mee gedaan. De moeder heeft dit bij SCHIP neergelegd, maar het wordt niet opgepakt. De moeder voelt zich daarin niet gehoord. Dit heeft volgens haar gevolgen voor de stappen die (kunnen) worden gezet. Het onderscheid tussen waar de ene ouder zich wel en niet mee mag bemoeien is lastig.

4.4..
[minderjarige 3] heeft verteld dat het goed met hem gaat. De situatie is rustiger geworden. Hij vindt het zowel bij papa thuis als bij mama thuis gezellig. [minderjarige 3] vindt het fijn dat zijn ouders iets tegen elkaar zeggen bij het wisselen en dat ze zijn wens dat ze cadeaus voor elkaar kopen met moeder- en vaderdag bij moederdag zijn nagekomen. Ook is [minderjarige 3] blij dat zijn ouders samen naar een schoolgesprek zijn geweest. [minderjarige 3] vindt het goed als de GI langer betrokken blijft. Ook vindt hij de gesprekken met [persoon] (de kindbehartiger) op zich wel fijn. Vragen over vroeger vindt hij soms lastig. Wel maakt [minderjarige 3] zich zorgen over of hij van school moet wisselen. Hij zou graag willen weten of hij op zijn huidige school blijft of naar een andere school moet.

5. De beoordeling

5.1.. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling.Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van één jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.. Uit de overgelegde stukken en dat wat is besproken ter zitting is gebleken dat het inmiddels beter met de kinderen gaat. Ze doen het goed, zowel thuis bij beide ouders als op school. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat er ook nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen. Die zorgen hebben vooral nog te maken met de manier waarop de ouders met elkaar communiceren, het onderlinge wantrouwen tussen de ouders en de onderstromen die kennelijk een rol spelen en waar vooralsnog onvoldoende aandacht voor lijkt te zijn geweest. De kinderrechter kan zich goed voorstellen dat de betrokken hulpverlening – op dit moment is dat SCHIP en IPT voor de ouders en een kindbehartiger voor de kinderen – door de ouders als veel wordt ervaren, zeker in combinatie met de eerdere hulpverlening aan de ouders en de kinderen. De kinderechter vindt het echter wel belangrijk dat deze hulpverlening ook komende tijd door blijft lopen. De ouders zijn op de goede weg, maar de situatie is nog niet stabiel en voldoende duurzaam. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald en er spelen nog te veel dingen om de ondertoezichtstelling nu af te kunnen sluiten. Daarom vindt de kinderrechter voortzetting van de betrokkenheid van de GI ook komend jaar nodig. In deze periode is het belangrijk dat de ouders door middel van SCHIP-therapie verder werken aan hun onderlinge communicatie. De ouders moeten daarbij de ruimte ervaren om hun zorgen bespreekbaar te maken. Ook de onderstromen die kennelijk een rol spelen moeten serieus genomen worden. Daarnaast is voortzetting van de gesprekken met de kinderen door de kindbehartiger noodzakelijk. Duidelijk moet worden hoe bepaalde verhalen bij de kinderen terecht komen en wat er bij de kinderen speelt, zodat uiteindelijk de misverstanden die er zijn uit de wereld geholpen kunnen worden. Mogelijk dat te zijner tijd, wanneer de situatie stabieler is, ook blijkt dat er aanvullende hulpverlening voor de kinderen dient te worden ingezet. Het is aan de GI om daar dan naar te handelen. Verder hoopt de kinderrechter dat er voor de ouders en de kinderen op korte termijn duidelijkheid komt in de echtscheidingsprocedure. Dit zal ook bijdragen aan de rust voor iedereen, maar vooral voor [minderjarige 3] die zich in het kindgesprek hier nadrukkelijk over heeft uitgesproken.

5.3.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 27 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:260 BW.

More Decisions