[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbzwb-2026-5556":3,"decision-more-ecli-nl-rbzwb-2026-5556":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1495","ECLI:NL:RBZWB:2026:5556","",64,"Breda","breda","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 22\u002F2350, 22\u002F2351, 23\u002F1243 en 23\u002F1244\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 24 maart 2022 en 7 februari 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de volgende jaren naar de volgende inkomens (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en naar de volgende premie-inkomens (navorderings)aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, de volgende boeten opgelegd (de boetebeschikkingen) en tot de volgende bedragen belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen):\n\n Navorderingsaanslag 2017\n\nAanslag 2018\n\nIB\u002FPVV inkomen uit werk en woning\n\n€ 735.681\n\n€ 1.357.971\n\nIB\u002FPVV inkomen uit sparen en beleggen\n\n€ 35.637\n\n€ 7.019\n\nVergrijpboete\n\n€ 188.446\n\n€ 354.590\n\nVerzuimboete\n\n-\n\n€ 369\n\nBelastingrente\n\n€ 62.489\n\n€ 64.926\n\nZvw premie-inkomen\n\n€ 53.701\n\n€ 53.750\n\nVergrijpboete\n\n€ 1.449\n\n€ 1.548\n\nBelastingrente\n\n€ 476\n\n€ 282\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard, behalve voor zover het de verzuimboetebeschikking IB\u002FPVV 2018 betreft, welke hij heeft vernietigd.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Partijen zijn uitgenodigd om op 17 januari 2025 op zitting te verschijnen. Deze zitting is wegens organisatorische redenen niet doorgegaan. Belanghebbende heeft de rechtbank vervolgens bericht dat de zaken zonder mondelinge behandeling ter zitting kunnen worden afgedaan. Daarop heeft de inspecteur de rechtbank laten weten dat een zitting ook wat hem betreft achterwege kan blijven. Omdat ook de rechtbank een zitting niet nodig vond, heeft zij het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.Bij bericht van 11 mei 2026 heeft de rechtbank een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Ook beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. De rechtbank zal de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen gegrond verklaren. Voor het overige zal de rechtbank de beroepen ongegrond verklaren. Verder heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is gehuwd geweest met [ex-echtgenote] (de ex-echtgenote).\n\n3.1.. In de Basisregistratie Personen (BRP) stond belanghebbende in de volgende perioden op de volgende adressen ingeschreven:\n\nvan 30 januari 2004 tot 16 maart 2015 en van 11 september 2015 tot 30 november 2015 op het adres [adres 1] te [plaats 1] (de woning);\n\nvan 20 maart 2017 tot 18 mei 2018 op het adres [adres 2] te [plaats 1] ;\n\nvanaf 18 mei 2018 op het adres [adres 3] te [plaats 2] (Curaçao).\n\nDe ex-echtgenote staat sinds 30 januari 2004 in de BRP ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1] (de woning).\n\n3.2.. Belanghebbende is uitgenodigd voor het doen van aangifte IB\u002FPVV over de jaren 2017 en 2018. Voor 2018 betrof het een M-aangifte, omdat hij in dat jaar is uitgeschreven in Nederland. Belanghebbende heeft in de aangiften de volgende inkomsten aangegeven:\n\n2017\n\n2018\n\nLoon\n\n-\n\n€ 864\n\nInkomsten uit eigen woning\n\n-\u002F- € 20.009\n\n-\n\nGrondslag sparen en beleggen binnenlandse periode\n\n€ 802.877\n\n€ 186.000\n\nGrondslag sparen en beleggen buitenlandse periode\n\n-\n\n€ 52.523\n\n3.3.. In zijn aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2017 en 2019 heeft belanghebbende de woning als eigen woning aangegeven.\n\n3.4.. In het jaar 2018 beschikte belanghebbende over zes bankrekeningen en een beleggingsrekening in Nederland.\n\n3.5.. In 2018 had belanghebbende in Nederland een auto op zijn naam staan, voor welke auto hij de motorrijtuigenbelasting betaalde.\n\n3.6.. In de periode van 21 mei 2018 tot en met 31 december 2018 was belanghebbende twee keer op Curaçao. De verblijfsduur op Curaçao bedroeg 6 dagen tot maximaal 14 dagen.\n\n3.7.. Op 2 november 2018 is de woning doorzocht door de politie. Op dat moment waren belanghebbende en de ex-echtgenote in de woning aanwezig.\n\n3.8.. Tijdens de in 3.7 bedoelde doorzoeking is een mobiele telefoon aangetroffen. Met dat toestel werd onder andere een telefoonnummer op naam van belanghebbende gebruikt. Gezien de locaties van de aangestraalde telefoonmasten heeft de politie geconcludeerd dat de mobiele telefoon van belanghebbende zich het grootste deel van de periode van 29 mei 2018 tot en met 1 november 2018 in de woning bevond en wanneer belanghebbende op Curaçao was, de telefoon geen telefoonmasten in Nederland aanstraalde.\n\n3.9.. Met dagtekening 20 november 2018 en 10 maart 2021 heeft de inspecteur, op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Officier van Justitie verzocht om alle gegevens te verstrekken uit het strafrechtelijk onderzoek, genaamd 26Bothell, tegen onder meer belanghebbende en de ex-echtgenote.\n\n3.10.. De inspecteur heeft van de Officier van Justitie een afschrift ontvangen van het dossier 26Bothell.\n\n3.11.. Op 5 mei 2019 werden belanghebbende en [persoon 1] te [plaats 3] als verdachten gehoord door de politie vanwege het aantreffen van een gestolen\u002Fverduisterde personenauto in een garagebox aan de [adres 4] te [plaats 1] . Belanghebbende verklaarde dat hij al een tijdje niet met die auto reed omdat de sleutel bij de doorzoeking (zie 3.7) in beslag was genomen. [persoon 1] verklaarde daarbij dat hij de garagebox vanaf 28 februari 2018 aan belanghebbende verhuurde en dat belanghebbende in de woning woonde.\n\n3.12.. Volgens het Team Criminele Inlichtingen heeft een informant in oktober 2018 onder meer de informatie verstrekt dat belanghebbende in de woning verblijft als hij in Nederland is.\n\n3.13.. Uit gevorderde gegevens van diverse bouw- en installatiebedrijven heeft de politie afgeleid dat in de periode januari 2017 tot en met november 2018 grootschalige (verbouw)werkzaamheden hebben plaatsgevonden aan de woning. Belanghebbende heeft ter zake daarvan de volgende facturen contant betaald:\n\nBetreft\n\nBedrag\n\n(Factuur)datum\n\n [bedrijf 1]\n\n€ 8.000,00\n\n21-01-2017\n\nOrder [nummer 1] [bedrijf 2]\n\n€ 40.453,79\n\n26-01-2017\n\nFactuur [nummer 2] [bedrijf 3]\n\n€ 2.020,23\n\n10 -02-2017\n\nFactuur [nummer 3] [bedrijf 4]\n\n€ 3.056,05\n\n20-04-2017\n\nFactuur [nummer 4] [bedrijf 3]\n\n€ 6.655,00\n\n21-04-2017\n\nFactuur [nummer 5] [bedrijf 5]\n\n€ 2.580,12\n\n15-06-2017\n\nFactuur [nummer 6] [bedrijf 6]\n\n€ 33.471,07\n\n20-07-2017\n\nFactuur [nummer 7] [bedrijf 5]\n\n€ 4.250,75\n\n03-08-2017\n\nFactuur [nummer 8] [bedrijf 3]\n\n€ 2.100,00\n\n12-09-2017\n\nOvername inboedel [adres 3]\n\n€ 50.000,00\n\n17-01-2018\n\nOrder [nummer 9] [bedrijf 2]\n\n€ 10 .932,00\n\n28-02-2018\n\nOrder [nummer 10] [bedrijf 2]\n\n€ 56.000,00\n\n03-03-3018\n\nOrder [nummer 11] [bedrijf 2]\n\n€ 1.280,00\n\n03-03-2018\n\nFactuur [nummer 12] [bedrijf 7]\n\n€ 17.575,01\n\n23-04-2018\n\nFactuur [nummer 13] [bedrijf 7]\n\n€ 21.968,76\n\n25-04-2018\n\nFactuur [nummer 14] [bedrijf 5]\n\n€ 7.431,32\n\n02-05-2018\n\nFactuur [nummer 15] [bedrijf 8]\n\n€ 1.125,30\n\n07-09-2018\n\nFactuur [nummer 16] [bedrijf 9]\n\n€ 2.120,00\n\n13-09-2018\n\nFactuur [nummer 16] [bedrijf 9]\n\n€ 3.445,00\n\n25-09-2018\n\nFactuur [nummer 17] [bedrijf 10]\n\n€ 1.000,00\n\n02- 10 -2018\n\nFactuur [nummer 18] [bedrijf 8]\n\n€ 955,90\n\n08- 10 -2018\n\nFactuur [nummer 16] [bedrijf 9]\n\n€ 2.755,00\n\n01-11-2018\n\n [bedrijf 11]\n\n€ 75,00\n\nonbekend\n\nTotaal\n\n€ 279.250,30\n\n3.14.. \n\nTot de dossiers behoort onder meer een proces-verbaal van de Landelijke Eenheid Dienst Landelijke Recherche, Team FinEc-Fraude 2, van 12 oktober 2020, waarin onder meer staat:\n\n“Naar aanleiding van een proces-verbaal met restinformatie uit het onderzoek 26Staaldiep, (…) werd een voorbereidend en oriënterend onderzoek gestart. In een in 26Staaldiep opgenomen telefoongesprek (…) werd gesproken over [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende]. Zij zouden een Spaanse onderneming genaamd [onderneming] hebben en zouden een bestaande woning in [plaats 1] willen laten voorzien van, onder meer, kogelwerende deuren. (…) Verder zouden ze bulken van het geld.\n\n(…)\n\nZowel [belanghebbende] als [de zoon van belanghebbende] bleken gekend in de politiesystemen als verdachten van deelneming aan een criminele organisatie, overtreding Opiumwet en geweldsdelicten.\n\n(…)\n\nDoor de Financial Intelligence Unit (FIU) bleken 4 recente (2017-2018) transacties als verdachte transacties aangemerkt die betrekking hadden op [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende], (…) Hieruit bleek dat er via diverse vennootschappen in verschillende landen werd betaald alsook dat er sprake was van contante betaling en storting.\n\n(…)\n\n(…) Verder werd op 29 oktober 2018 door de TCI Zuid West Brabant informatie verstrekt inhoudende dat [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] zich op grote schaal bezig houden met drugshandel en dat ze daar bakken met geld mee verdienen.\n\nBesloten werd tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, genaamd 26Bothell, naar witwassen door [de zoon van belanghebbende] en [belanghebbende]. Zij werden er van verdacht geldbedragen wit te hebben gewassen en daaruit voordeel te hebben getrokken (…)\n\nOp 31 oktober 2018 werd van het Team Criminele Inlichtingen de navolgende informatie ontvangen: “Als [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] in Nederland zijn, verblijven zij op de adressen [adres 2] en [adres 1] te [plaats 1] . Deze huizen zijn recentelijk voor een kapitaal verbouwd. (…)\n\nUit bij de Belastingdienst opgevraagde gegevens over het inkomen van [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] en dat van hun partners bleek dat het niet aannemelijk was dat de verbouwingen met geld uit een legale inkomstenbron (…) was gefinancierd.\n\n(…)\n\nIn het kader van het strafrechtelijk onderzoek werden gegevens opgevraagd bij de Belastingdienst, banken, een autohandelaar, bouwondernemingen, leveranciers van bouwmaterialen, keukens, woninginrichting, luxe goederen en vonden getuigenverhoren plaats.\n\nMet deze gegevens werd een zogenaamde eenvoudige kasopstelling samengesteld. (…)\n\nVerder stuitte het politieteam op een aantal verdachte geldstromen waar [belanghebbende] bij betrokken was.\n\n(…)\n\n2. BETROKKENEN IN HET DOSSIER\n\n(…)2.1 [. \n\nBelanghebbende]\n\n[Belanghebbende] staat als niet-ingezetene geregistreerd en is geëmigreerd sinds 18 mei 2018 met verblijfadres [adres 3] te [plaats 2] Curaçao. Daarvoor stond hij ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 1] . Dit betreft de woning van zijn zoon (…) en niet de woning [adres 1] waar [belanghebbende] verblijft wanneer hij in Nederland is.\n\nVan [belanghebbende] is bekend dat hij omvangrijke uitgaven heeft gedaan, onder meer voor de aankoop van onroerend goed in Nederland en het buitenland, ter verbetering van dat onroerend goed en voor de aanschaf van luxe goederen en auto’s, terwijl daar geen regelmatig legaal inkomen tegenover staat. Hij wordt ervan verdacht geld, dat afkomstig is uit gepleegde misdrijven, te hebben witgewassen.\n\n2.2. \n\nDe ex-echtgenote\n\n[De ex-echtgenote] is de partner van [belanghebbende]. Zij staat als enige persoon ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1] .\n\nHoewel het huwelijk tussen haar en [belanghebbende] is ontbonden (…), wordt door vastgestelde feiten en omstandigheden in dit verband bij hen uitgegaan van een economische eenheid en een gezamenlijke huishouding.\n\n(…)2.6. \n\nHandelsonderneming [B.V.]\n\n(…) Vermoedelijk wordt deze vennootschap gebruikt voor het aan [belanghebbende] overdragen van geld waarbij de werkelijke herkomst daarvan wordt verhuld.\n\n(…)2.8. \n\n [onderneming]\n\n(…)\n\nUit onderzoek blijkt dat een deel van de geleverde goederen en diensten voor de verbouwing van de woning van [belanghebbende] is gefactureerd aan de Spaanse vennootschap [onderneming] . Een groot deel van deze facturen is contant voldaan. (…)2.9. \n\n [rechtspersoon 1]\n\nDeze rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten is gevestigd in [plaats 4] en is te relateren aan de Nederlander [persoon 2] .\n\n2.10.. \n\n [persoon 2]\n\n , (…), treedt op als verlener van fiscale en financiële diensten en adviezen voor [belanghebbende].\n\n3. WITWASHANDELINGEN\n\n(…)\n\nWerkelijke contante uitgaven\n\nUit de kasopstelling blijkt dat [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] een bedrag van €1.387.359,26hebben besteed aan contante uitgaven en contante stortingen op de privé bankrekeningen van [belanghebbende] en [de ex-echtgenote].\n\ncontante uitgaven en contante stortingen op de privé\n\nbankrekeningen\n\n 2.4.1. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 185.700,00\n\n 2.4.2. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 28.350,00\n\n 2.4.3. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 18.100,00\n\n 2.4.4. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 1.200,00\n\n 2.4.5. Contante storting [NV] NV (Prepaid card)\n\n€ 3.018,01\n\n 2.4.6. Contante betaling [BV 1]\n\n€ 247.511,65\n\n 2.4.7. Contante betaling [bedrijf 12]\n\n € 20.202,00\n\n 2.4.8. Contante lening aan [bedrijf 13]\n\n€ 60.000,00\n\n 2.4.9. Contante betaling [bedrijf 14]\n\n€ 13.000,00\n\n 2.4.10. Contante betaling [bedrijf 1]\n\n€ 8.000,00\n\n 2.4.11. Contante betaling [bedrijf 15]\n\n€ 3.056,05\n\n 2.4.12. Contante betaling [bedrijf 2]\n\n€ 330.633,03\n\n 2.4.13. Contante betaling [bedrijf 5]\n\n€ 14.262,19\n\n 2.4.14. Contante betaling [bedrijf 16]\n\n€ 41.529,53\n\n 2.4.15. Contante betaling [bedrijf 7] BV\n\n€ 87.824,72\n\n 2.4.16. Contante betaling [bedrijf 17]\n\n€ 90.000,00\n\n 2.4.17. Contante betaling [bedrijf 6]\n\n€ 69.971,07\n\n 2.4.18. Contante betaling [bedrijf 18]\n\n€ 78.518,00\n\n 2.4.19. Contante betaling [bedrijf 9] B.V.\n\n€ 8.320,00\n\n 2.4.20. Contante betaling [bedrijf 8]\n\n€ 2.081,20\n\n 2.4.21. Contante betaling [bedrijf 19]\n\n€ 1.000,00\n\n 2.4.22. Contante betaling [bedrijf 20]\n\n€ 1.025,00\n\n 2.4.23. Contante betaling [BV 2]\n\n€ 11.980,00\n\n 2.4.24. Contante betaling inboedel Curaçao\n\n€ 50.000,00\n\n 2.4.25. Contante betaling huur garagebox\n\n€ 800,00\n\n 2.4.26. Contante betaling [bedrijf 21]\n\n€ 11.276,81\n\nTotaal\n\n€ 1.387.359,26\n\nIn een kasopstelling wordt uitgegaan van het beginsaldo van het contante geld dat de verdachten voorhanden hadden bij aanvang van de onderzoeksperiode waarbij de legale contante ontvangsten, inclusief opnamen van contant geld van bankrekeningen, worden opgeteld. Van die uitkomst wordt het contante geldbedrag dat de verdachten ter beschikking hadden aan het einde van de onderzoeksperiode afgetrokken. (…)\n\nVoor wat betreft [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] is deze opstelling als volgt:\n\n Beginsaldo contant geld\n\n€ 0,00\n\n+\u002F+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen\n\n€ 10.780,00\n\n -\u002F- Eindsaldo contant geld\n\n € 1.255,00\n\n Beschikbaar voor het doen van uitgaven\n\n€ 9.525,00\n\n -\u002F- Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen\n\n€ 1.387.359,26\n\n Verschil (niet legale contante inkomstenbron)\n\n€ -1.377.834,26\n\n (…)3.2. \n\nInleiding woning aan het [adres 5] te [plaats 1]\n\nUit gegevens van de Belastingdienst en het Kadaster blijkt dat op 16 februari 2018 een woning aan het [adres 5] te [plaats 1] is aangekocht door [de ex-echtgenote] voor het bedrag van€ 162.500,-.\n\n(…)\n\nUit onderzoek is gebleken dat noch [de ex-echtgenote], noch [belanghebbende], over voldoende legale middelen konden beschikken om deze aankoop te doen, waardoor het vermoeden is dat dit met van misdrijf afkomstig geld is betaald.3.3. \n\nInleiding woning [adres 3] op Curaçao\n\nIn 2018 werd door de rechtspersoon (…) [rechtspersoon 1] (hierna: [rechtspersoon 1] ) de rechtspersoon naar het recht van Curaçao [rechtspersoon 2] (…) gekocht voor een bedrag van € 375.000. [rechtspersoon 2] heeft de woning gelegen aan [adres 3] op Curaçao in zijn bezit en met deze verkooptransactie werd [rechtspersoon 1] eigenaar van deze woning. In het kader van het onderzoek (…) van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst werden onder meer emailverkeer berichten van de heer [persoon 2] in beslag genomen (…) Hieruit bleek dat de heer [persoon 2] namens [rechtspersoon 1] heeft onderhandeld en in berichtenverkeer via e-mail vertelde hij dat hij optrad namens [belanghebbende].\n\n(…)\n\n(…) Er kan dan ook vanuit worden gegaan dat het gehele bedrag van€ 375.000,- namens [belanghebbende] door [rechtspersoon 1] is betaald.\n\n(…)\n\nUit onderzoek is niet gebleken dat [belanghebbende] over voldoende legale middelen kon beschikken om deze aankoop te doen, waardoor het niet anders kan zijn dat dat de woning – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.\n\n(…)3.4. \n\nInleiding provisie [B.V.] uit overeenkomsten [bedrijf 22] GmbH\n\nUit documenten die (…) in beslag zijn genomen en uit documenten die door de boekhouder van de Duitse onderneming [bedrijf 22] GmbH (hierna: [bedrijf 22] ) zijn verstrekt, werd bekend dat [bedrijf 22] op grond van provisieovereenkomsten met het Duitse [B.V.] GmbH en de Nederlandse Handelsonderneming [B.V.] BV, geldbedragen overmaakt naar de laatstgenoemde ondernemingen (…) Op haar beurt maakt Handelsonderneming [B.V.] BV een gedeelte van deze bedragen over naar [belanghebbende] en aan hem gelieerde natuurlijke personen en worden betalingen verricht in het belang van [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende].\n\n(…)\n\nIn totaal werd aldus€ 290.106,01naar of ten gunste van [belanghebbende] of aan hem te relateren (rechts)personen doorbetaald. (…)\n\n(…)\n\nGelet op het voorgaande is de verdenking ontstaan dat door middel van valse provisieovereenkomsten en valse facturen wordt voorgewend dat er diensten en\u002Fof werkzaamheden van [belanghebbende] staan tegenover de betalingen van geld van [bedrijf 22] via Handelsonderneming [B.V.] BV, dat uiteindelijk ook naar of ten gunste van [belanghebbende] is overgemaakt.\n\nGelet op deze verhullingshandelingen en het feit dat tegenover de betalingen geen legale werkzaamheden of diensten hebben gestaan, kan het, ook in aanmerking genomen de vele legaal niet te verklaren contante uitgaven van [belanghebbende] in die periode, niet anders zijn dan dat de giraal door Handelsonderneming [B.V.] BV aan of voor [belanghebbende] gedane betalingen – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\n(…)\n\nUit het financiële rechercheonderzoek blijkt dat [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] de beschikking hadden over een bedrag van€ 1.377.834,26aan contanten dat niet kan worden verklaard aan de hand van legaal verkregen inkomsten.\n\nHet onderzoek bracht eveneens de verhulling van de eigendom van de woningen aan het [adres 5] in [plaats 1] en [adres 3] op Curaçao en het ontvangen provisiegeld van [bedrijf 22] GmbH, met een totaalbedrag van€ 827.606,01aan het licht.\n\nHiermee komt het totaalbedrag van het witgewassen geld op € 2.205.440,27.”\n\n3.15.. Bij het opleggen van de onderhavige (navorderings)aanslagen is het hiervoor genoemde bedrag van € 2.205.440,27 voor het overgrote deel bij het belastbaar inkomen uit werk en woning \u002F het bijdrage-inkomen opgeteld. De (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV zijn naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning berekend:\n\n2017\n\n2018\n\nAangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning\n\n€ -20.009\n\n€ 864\n\nBijtelling\n\n+ € 755.690\n\n+ € 1.377.116\n\nVerrekening verlies uit voorafgaande jaren\n\n€ 20.009\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning volgens (navorderings)aanslag\n\n€ 735.681\n\n€ 1.357.971\n\n3.16.. Tot het dossier behoort het vonnis van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken van de rechtbank Oost-Brabant van 8 februari 2023 tegen belanghebbende. Daarin is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden voor het medeplegen van, van het plegen van witwassen een gewoonte maken, gedurende de periode 1 januari 2011 tot en met 2 november 2018. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.\n\n3.17.. Bij e-mail van 14 maart 2022 heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek, waarbij drie data, telkens onder vermelding van een tijdstip, zijn voorgesteld. In de e-mail staat dat het hoorgesprek ten kantore van de inspecteur (te [locatie] ), telefonisch of via een Webex-vergadering kan plaatsvinden. Verder staat in de e-mail dat, mocht geen van de drie data schikken, een concreet tegenvoorstel voor een datum kan worden gedaan.\n\n3.18.. Bij e-mails van 15 maart 2022 en 16 maart 2022 heeft de inspecteur niet ingestemd om het hoorgesprek op de door de gemachtigde genoemde locaties te houden en voorgesteld om het hoorgesprek te voeren op een kantoor van de Belastingdienst dat dichter in de buurt ligt bij het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende en is nogmaals de mogelijkheid geboden om het gesprek telefonisch te laten plaatsvinden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHeeft de inspecteur het motiveringsbeginsel geschonden?\n\n4. Belanghebbende stelt dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd omdat niet of onvoldoende is ingegaan op een aantal van de door hem in bezwaar aangevoerde gronden.\n\n4.1.. De rechtbank overweegt dat schending van artikel 3:2 van de Awb – zo daar al sprake van is – in beginsel niet leidt tot vernietiging van de (navorderings)aanslagen en beschikkingen. Het gaat uiteindelijk om de vraag of deze naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitspraken op bezwaar niet onvoldoende gemotiveerd. In de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn beslissingen is gekomen. Dat de inspecteur niet, of niet uitgebreid, heeft gereageerd op elke stelling van belanghebbende, maakt nog niet dat de uitspraken op bezwaar onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of onvoldoende zijn gemotiveerd.\n\nHet oproepen van getuigen?\n\n4.2.. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om getuigen te horen.\n\n4.3.. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het verzoek om zelf getuigen op te roepen en te horen, te honoreren.Het oproepen van een of meer getuigen komt de rechtbank in het kader van de op haar rustende taak niet zinvol voor. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuigen bij de initieel geplande zitting aanwezig zouden zijn (althans dat is niet gebleken), hoewel de griffier in de uitnodiging voor de zitting belanghebbende heeft gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of door inschakeling van een deurwaarder op te roepen. Belanghebbende heeft voorts zelf afgezien van het recht om op zitting te worden gehoord.\n\n4.4.. Belanghebbende heeft verder naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verwezen.Dit leidt niet tot een andere afweging. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het oproepen van getuigen die voor belanghebbende belastende verklaringen hebben afgelegd die door de rechter voor het bewijs van de boeten zouden kunnen worden gebruikt, wordt weliswaar het belang van belanghebbende bij het horen van die getuigen voorondersteld, maar dat neemt niet weg dat het in de eerste plaats op de weg van belanghebbende ligt om die getuigen op te roepen. Naar het oordeel van de rechtbank schaadt de daarvoor in de Awb voorgeschreven werkwijze voor het oproepen van getuigen en de daaraan door de Hoge Raad gegeven uitleg niet de verdedigingsbelangen van belanghebbende. Hierdoor is belanghebbende ook niet het recht ontzegd om getuigen op te roepen. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de onderhavige procedure ook zonder het (nader) horen van de getuigen aan de vereisten van een eerlijk proces.\n\nSchending van de onschuldpresumptie?\n\n4.5.. Belanghebbende stelt in het beroepschrift dat hij strafrechtelijk niet is vervolgd, laat staan veroordeeld, waardoor het door de inspecteur gebezigde bewijs – dat ook in het strafrechtelijk onderzoek een rol heeft gespeeld – niet in de onderhavige procedures gebruikt zou mogen worden.\n\n4.6.. De rechtbank overweegt dat deze stelling van belanghebbende feitelijke grondslag mist, nu belanghebbende inmiddels strafrechtelijk is vervolgd en bovendien is veroordeeld door de rechtbank (zie 3.16). Bovendien brengt de omstandigheid dat iemand na afloop van een strafrechtelijk onderzoek niet is vervolgd of niet wordt veroordeeld, niet mee dat het door de inspecteur gebruikte bewijs uit het strafrechtelijk onderzoek automatisch niet mag worden meegewogen in belastingprocedures. De belastingkamer van de rechtbank moet de zaken zelfstandig beoordelen en hanteert daarbij een ander beoordelings- en bewijskader dan de strafrechter.\n\nHeeft de inspecteur artikel 8:42 van de Awb geschonden?\n\n4.7.. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Hierdoor heeft de inspecteur volgens belanghebbende artikel 8:42 van de Awb en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Belanghebbende wijst erop dat de volgende stukken niet zijn overgelegd:\n\nhet EOB aan Luxemburg van 23 juni 2021;\n\nhet EOB van 27 juli 2020;\n\nhet EBB van 27 juni 2021;\n\nhet PV met [PV-nummer 1] ;\n\nhet PV met [PV-nummer 2] ; en\n\nde stukken uit de strafrechtelijke onderzoeken ‘Centurion’ en ‘26Bothell’.\n\n4.8.. De rechtbank overweegt dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) bij de besluitvorming in zijn zaak.\n\n4.9.. De rechtbank heeft geconstateerd dat de in 4.7 onder de letters a tot en met e bedoelde stukken zijn overgelegd. Voorts behoort het dossier ‘26Bothell’ tot de stukken van het geding. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er geen aanwijzingen – die draagt belanghebbende ook niet aan – dat de verklaring van de inspecteur dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat hij niet beschikt en ook niet heeft beschikt, over de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek ‘Centurion’, onjuist zou zijn.\n\n4.10.. Ook als stukken uit het strafrechtelijk onderzoek ‘Centurion’ wel tot de stukken van het geding zouden behoren – hetgeen naar het oordeel van de rechtbank dus niet het geval is – zou de rechtbank niet zonder meer gevolgen verbinden aan het alsdan niet overleggen van deze stukken door de inspecteur. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift tegen de over het jaar 2018 opgelegde aanslagen IB\u002FPVV en Zvw zelf uit stukken van het onderzoek ‘Centurion’ citeert, hetgeen erop duidt dat hij zelf over deze stukken beschikt. Hij had deze stukken dus zelf in het geding kunnen inbrengen.\n\n4.11.. Voorts overweegt de rechtbank dat belanghebbende niets heeft aangevoerd over de vraag voor welk resterend geschilpunt de door hem genoemde stukken mogelijk van belang zouden kunnen zijn en de rechtbank ziet dat ook zelfstandig niet in.\n\n4.12.. Verder overweegt de rechtbank dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel in deze zaken niet van toepassing is, aangezien er geen sprake is van bezwarende besluiten die zijn gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan Unierechtelijke voorschriften en evenmin aan de orde is of de toepassing van de nationale wetgeving een – al dan niet gerechtvaardigde – beperking inhoudt van de Unierechtelijke verkeersvrijheden.\n\n4.13.. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank artikel 8:42 van de Awb niet geschonden.\n\nHeeft de inspecteur het hoorrecht geschonden?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden en beklaagt zich er onder meer over dat de inspecteur het hoorgesprek niet bij een [hotel] heeft willen voeren.\n\n4.15.. De rechtbank overweegt dat de inspecteur belanghebbende voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord in zijn bezwaren (zie 3.17 en 3.18). De inspecteur heeft immers meerdere data voor een hoorgesprek voorgesteld en de mogelijkheid geboden om op verschillende kantoren van de Belastingdienst, telefonisch of digitaal te worden gehoord. Het is aan de inspecteur om de locatie voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht te kiezen.De inspecteur heeft daarbij in dit geval niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld en voldoende rekening gehouden met de belangen van belanghebbende. Dat de regie voor het plannen van een hoorgesprek bij de inspecteur ligt, kan tevens worden afgeleid uit de omstandigheid dat belanghebbenden worden opgeroepen voor het horen.\n\nZijn de (navorderings)aanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd?\n\nVooraf\n\n4.16.. Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd tegen de in de onderhavige (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV begrepen belastbare inkomens uit sparen en beleggen.\n\n4.17.. Ten aanzien van de voor het jaar 2018 opgelegde aanslag IB\u002FPVV concludeert de inspecteur dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd van € 7.019 naar € 2.080.\n\n4.18.. De rechtbank zal het beroep tegen de voor het jaar 2018 opgelegde aanslag IB\u002FPVV dan ook gegrond verklaren en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vaststellen op € 2.080.\n\nWas belanghebbende vanaf medio mei 2018 buitenlands belastingplichtige?\n\n4.19.. Belanghebbende voert aan dat hij op 24 mei 2018 is verhuisd naar Curaçao en dat hij vanaf dat moment moet worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige.\n\n4.20.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in het gehele jaar 2018 binnenlands belastingplichtige was.\n\n4.21.. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR naar omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Daarbij komt het erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt.De bewijslast van het fiscale inwonerschap in Nederland rust in beginsel, bij de normale bewijslastverdeling, op de inspecteur.\n\n4.22.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende gedurende het gehele jaar 2018 fiscaal inwoner was van Nederland. De rechtbank neemt daarbij het volgende, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking:\n\nbelanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit (zie 3);\n\nin zijn aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2017 en 2019 heeft belanghebbende de woning als eigen woning aangegeven (zie 3.2);\n\nin 2018 beschikte belanghebbende over zes bankrekeningen en een beleggingsrekening in Nederland (zie 3.4);\n\nin 2018 beschikte belanghebbende in Nederland over een auto, waarvoor hij motorrijtuigenbelasting betaalde (zie 3.5);\n\nde rechtbank acht aannemelijk geworden dat belanghebbende in heel 2018 in Nederland beschikte over een woning, te weten de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] , en daar ook met grote regelmaat verbleef. De rechtbank acht daarbij van belang dat belanghebbende in de BRP op dit adres ingeschreven stond van 30 januari 2004 tot 16 maart 2015 en van 11 september 2015 tot 30 november 2015 (zie 3.1), dat belanghebbende en de ex-echtgenote bij de doorzoeking van de woning op 2 november 2018 aldaar aanwezig waren (zie 3.7), dat de mobiele telefoon van belanghebbende zich het grootste deel van de periode van 29 mei 2018 tot en met 1 november 2018 in de woning bevond (zie 3.8), dat twee personen hebben verklaard dat belanghebbende in de woning woonde\u002Fverbleef (zie 3.11 en 3.12) en dat belanghebbende in 2017 en 2018 ruim € 275.000 heeft betaald voor (verbouw)werkzaamheden aan de woning (zie 3.13).\n\nHet voorgaande sluit, zoals hiervoor ook overwogen, niet uit dat belanghebbende eveneens een band van persoonlijke aard met Curaçao, [plaats 4] of Spanje had.\n\n4.23.. Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat belanghebbende in het gehele jaar 2018 in Nederland woonde in de zin van artikel 4 van de AWR. Voorts is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende ook op grond van de tie-breaker voor toepassing van de Belastingregeling Nederland Curaçaoals inwoner van Nederland moet worden aangemerkt. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat belanghebbende op Curaçao weliswaar een woning ter beschikking had, maar dat hij in 2018 gedurende maximaal 14 dagen op Curaçao verbleef (zie 3.6). Verder heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden gesteld – laat staan aannemelijk gemaakt – die duiden op een band van persoonlijke aard met Curaçao. Hetzelfde geldt ten aanzien van de mogelijke woonplaats in [plaats 4] en Spanje, hoewel belanghebbende vaag blijft over wat nu exact wordt aangevoerd op dit punt. Ook op grond van de tie-breaker opgenomen in het Belastingverdrag Nederland – Verenigde Arabische Emiratenen het Belastingverdrag Nederland – Spanjezou, als belanghebbende daar al een beroep op doet, belanghebbende als inwoner van Nederland worden aangemerkt.\n\n4.24.. Naar het oordeel van de rechtbank moet belanghebbende zich, gelet op wat hiervoor is overwogen, ook bewust zijn geweest van zijn fiscale woonplaats in Nederland. Dit met name gelet op de langdurige aanwezigheid in Nederland en het geringe aantal dagen dat belanghebbende op Curaçao of elders verbleef.\n\n4.25.. Gelet op wat hiervoor is overwogen, was belanghebbende in het gehele jaar 2018 binnenlands belastingplichtige.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast\n\n4.26.. De inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende over de onderhavige jaren niet de vereiste aangiften IB\u002FPVV en Zvw heeft gedaan omdat belanghebbende (contante) inkomsten niet heeft aangegeven, waardoor aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting niet zijn betaald.\n\n4.27.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, waardoor de bewijslast hiervoor rust op de inspecteur.\n\n4.28.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de jaren 2017 en 2018 forse bedragen aan niet-aangegeven inkomen heeft genoten.\n\n4.29.. De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat alleen al de voor de grootschalige verbouwingswerkzaamheden aan de woning benodigde bedragen aanzienlijk zijn (zie 3.13), en die niet kunnen zijn bekostigd uit de door belanghebbende aangegeven inkomsten (zie 3.15). Bovendien heeft belanghebbende niet bestreden dat hij het in 3.14 genoemde bedrag van € 290.106,01 van Handelonderneming [B.V.] ( [B.V.] ) in de onderhavige jaren heeft genoten. Daarnaast heeft belanghebbende aanzienlijke bedragen contant uitgegeven, ook als geen rekening wordt gehouden met de door belanghebbende betwiste bedragen.\n\n4.30.. Belanghebbende erkent ook dat hij in de onderhavige jaren veel uitgaven heeft gedaan, maar betwist dat hij die uitgaven heeft bekostigd met inkomsten die zijn verdiend in 2017 en 2018, zonder concreet en verifieerbaar inzicht te geven wanneer die inkomsten dan wel zouden zijn verdiend. Hoewel het kan zijn dat (bepaalde) uitgaven zijn gedaan met in andere jaren gespaarde inkomsten, is het als uitgangspunt aannemelijk dat ingeval meerdere jaren achtereen aanzienlijke uitgaven worden gedaan, daar ook inkomsten in die jaren tegenover staan. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om dit uitgangspunt te ontkrachten en een gemotiveerde en onderbouwde verklaring te geven hoe de uitgaven zijn bekostigd. Belanghebbende heeft mogelijke, vage, verklaringen gegeven, maar hij heeft geen bewijs overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij het hiervoor benodigde geld gespaard zou hebben. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in elk geval een fors deel van de uitgaven heeft gedaan uit inkomen genoten in 2017 en 2018. Belanghebbende heeft echter over 2017 geen positieve inkomsten uit werk en woning aangegeven en voor 2018 slechts € 864. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat zodanige inkomsten zijn genoten dat de volgens de aangiften verschuldigde IB\u002FPVV en Zvw zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager zijn dan de werkelijk verschuldigde IB\u002FPVV en Zvw.\n\n4.31.. De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende zich er, ten tijde van het indienen van de aangiften, van bewust was dat aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting en premies niet zouden worden geheven door het niet vermelden van de door hem genoten inkomsten in de aangiften. Belanghebbende stelt dat hij de van [B.V.] genoten inkomsten in 2018 niet hoefde aan te geven omdat hij buitenlands belastingplichtige was, maar dat doet, gelet op wat is overwogen in 4.24, niet af aan het vorenstaande.\n\n4.32.. Omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit geldt voor zowel de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV als de (navorderings)aanslagen Zvw.\n\nRedelijke schatting\n\n4.33.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.\n\n4.34.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, met de uitleg in het verweerschrift en de informatie uit het in 3.14 bedoelde proces-verbaal, een redelijke schatting gemaakt van de door belanghebbende niet aangegeven (contante) inkomsten. Hij heeft dus voldaan aan de adstructie- en stelplicht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door de inspecteur bijgetelde inkomsten concrete (contante) ontvangsten en betalingen door belanghebbende en aan hem gelieerde (rechts)personen betreffen.\n\n4.35.. Belanghebbende heeft vervolgens niet doen blijken dat het belastbaar inkomen uit werk en woning zoals vastgesteld in de (navorderings)aanslagen te hoog is. Belanghebbende heeft een aantal uitgaven concreet betwist, maar heeft niet overtuigend aangetoond aan de hand van bewijsstukken dat deze niet kloppen. Hetzelfde geldt voor zijn verklaringen voor de herkomst van de contante gelden waarmee de uitgaven zijn gedaan.\n\n4.36.. Voorgaande betekent dat de belastbare inkomens uit werk en woning en de premie-inkomens die zijn vervat in de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017 en 2018 worden gehandhaafd,\n\nZijn de boetebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?\n\n4.37.. Op grond van artikel 67d, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte IB\u002FPVV niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan een boete worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. In paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is bepaald dat, indien sprake is van opzet, de inspecteur een vergrijpboete kan opleggen van 50%. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen.\n\n4.38.. De bewijslast dat sprake is van opzet rust op de inspecteur. Hij dient te doen blijken – overtuigend aantonen – dat aan belanghebbende kan worden verweten dat hij niet, onjuist of onvolledig aangifte heeft gedaan of dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.\n\n4.39.. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft doen blijken dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting, premies voor de volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is geheven. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen is overwogen in 4.24 en 4.28 en acht de inspecteur op die punten ook in zijn verzwaarde bewijslast geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is het buiten redelijke twijfel dat belanghebbende bewust onjuist belastingaangifte deed, wat voor 2017 het gevolg had dat de aanslag te laag is vastgesteld. Er zijn dan ook terecht boeten van 50% opgelegd.\n\n4.40.. Bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 is de inspecteur ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat belanghebbende geen aangifte had gedaan. Hierdoor is de vergrijpboete tevens berekend over de verschuldigde belasting over het wel door belanghebbende aangegeven inkomen uit sparen en beleggen. De inspecteur concludeert, naar het oordeel van de rechtbank terecht, dat dit onjuist is. De inspecteur stelt dat de boete om deze reden moet worden verminderd met € 3.158. De rechtbank zal de inspecteur hierin volgen.\n\n4.41.. De rechtbank moet beoordelen of de boeten passend en geboden zijn. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, door het opleggen van boeten bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV én Zvw ter zake van dezelfde inkomenscorrecties, ter zake van dezelfde feiten, tweemaal in zijn vermogen wordt getroffen. De rechtbank zal daarom de boeten Zvw vernietigen.\n\n4.42.. De Hoge Raad heeft overwogen dat bij de beoordeling of een boete passend en geboden is, rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Dit betekent niet dat de vaststelling met omkering van de bewijslast in alle gevallen leidt tot matiging van de boete.De rechtbank ziet in dit geval echter wel reden om de boeten opgelegd bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV te matigen omdat de aanslagen met omkering van de bewijslast zijn vastgesteld gelet op de enigszins grofmazige schatting. De rechtbank zal de boeten (verder) matigen met 10 %.\n\n4.43.. Voorts vormt de duur van de procedures voor de rechtbank aanleiding de boeten verder te matigen, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn (undue delay). De rechtbank stelt vast dat voor de boete IB\u002FPVV 2017 als aanvangstermijn van de redelijke termijn geldt 3 augustus 2022, terwijl dat voor de boete IB\u002FPVV 2018 4 november 2020 is. De rechtbank doet uitspraak op 22 juni 2026. Sinds de aankondiging van de boete IB\u002FPVV 2017 is dus afgerond drie jaar en elf maanden verstreken en sinds de aankondiging van de boete IB\u002FPVV 2018 is afgerond vijf jaar en acht maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met afgerond 1 jaar en elf maanden respectievelijk drie jaar en acht maanden.De boeten zullen daarom verder worden gematigd met 15% respectievelijk 20%, maar maximaal met € 10 .000 respectievelijk € 20.000.\n\n4.44.. Overige omstandigheden op basis waarvan de boeten (verder) moeten worden gematigd zijn gesteld noch aannemelijk geworden.\n\n4.45.. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende berekening van de boeten:\n\n2017\n\n2018\n\nVastgestelde boete\n\n€ 188.446\n\n€ 354.590\n\nVermindering i.v.m. inkomen uit sparen en beleggen\n\n € -3.158\n\n€ 351.432\n\nMatiging i.v.m. omkering van de bewijslast\n\n € 18.845\n\n € 35.144\n\n€ 169.601\n\n€ 316.288\n\nMatiging i.v.m. undue delay\n\n € 10 .000\n\n € 20.000\n\nResterende boete\n\n€ 159.601\n\n€ 296.288\n\n4.46.. De rechtbank acht boeten van € 159.601 respectievelijk € 296.288 passend en geboden.\n\nZijn de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?\n\n4.47.. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De belastingrentebeschikking opgelegd bij de aanslag IB\u002FPVV 2018 wordt verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de overige belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de (navorderings)aanslag volgt.\n\nSlagen de overige gronden van belanghebbende?\n\n4.48.. Belanghebbende is zeer uitvoerig geweest in zijn stellingen en heeft zich daarbij op diverse rechtsbeginselen beroepen. De rechtbank heeft deze stellingen beoordeeld. Voor een deel is hierboven in de uitspraak ingegaan op deze stellingen. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel dan hiervoor is weergegeven.\n\nHeeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade?\n\n4.49.. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedures.\n\n4.50.. De rechtbank ziet aanleiding om een vergoeding toe te kennen. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltijd voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade van € 500 per half jaar overschrijding.\n\n4.51.. De rechtbank stelt vast dat alle zaken in hoofdzaak betrekking hebben op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen. De motivering van de bezwaren en beroepen is in alle zaken nagenoeg identiek, dan wel vergelijkbaar. Gelet hierop bestaat er voor alle fasen van de procedure samenhang. Dit heeft tot gevolg dat ter vaststelling van het bedrag van de immateriële schadevergoeding éénmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd.\n\n4.52.. De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift ontvangen op 28 december 2021. Omdat de rechtbank uitspraak doet op 22 juni 2026, heeft de procedure in totaal (afgerond) 54 maanden geduurd. De redelijke termijn is daarmee met 30 maanden overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 2.500. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase voor zowel 2017 als 2018 niet langer dan zes maanden heeft geduurd. De schadevergoeding komt daarom geheel voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in het geding.\n\n4.53.. \n\nNu de boeten opgelegd bij de navorderingsaanslag Zvw 2017 (€ 1.449) en de aanslag Zvw 2018 (1.548) worden vernietigd, kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet worden verleend door vermindering van die boeten.Aangezien elke boete meer dan € 1.000 bedraagt, zal de rechtbank hiervoor compensatie voor de verdragsschending verlenen in vorm van een vergoeding van immateriële schade.De schadevergoeding bedraagt € 2.000 voor de boete over het jaar 2017, waarbij rekening is gehouden met de aankondiging van de boete op 3 augustus 2022 (23 maanden overschrijding). Tussen de aankondiging van de boete en de uitspraak op bezwaar is afgerond 7 maanden verstreken. Daarom komt 1\u002F23e (€ 86,95) voor rekening van de inspecteur en het overige (€ 1.913,05) voor rekening van de Staat.\n\n Voor de boete over het jaar 2018 is de schadevergoeding € 3.000, waarbij rekening is gehouden met de aankondiging van de boete op 4 november 2021 (32 maanden overschrijding). Dit bedrag komt volledig voor rekening van de Staat.\n\n4.54.. In totaal bedraagt de schadevergoeding daarom € 7.500, waarvan € 86,95 voor rekening van de inspecteur komt en € 7.413,05 voor rekening van de Staat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de vergrijpboeten zijn gegrond. Dat betekent dat de inspecteur het griffierecht van twee maal € 50, in totaal dus € 100, aan belanghebbende moet vergoeden. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.\n\n5.1.. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.\n\n5.2.. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbende konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. Nu sprake is van twee samenhangende zaken, waarin het beroep gegrond is, zal een factor van 1 worden toegepast. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt) en heeft een beroepschrift ingediend (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.600.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gericht tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.357.971 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.080 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot € 159.601;\n\n- vernietigt de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag Zvw 2017;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 tot € 296.288;\n\n- vernietigt de boetebeschikking bij de aanslag Zvw 2018;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 86,95;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 7.413,05;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 100 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.600 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. J.A. den Braber-Riemens, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.\n\n Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786, r.o. 2.4.3 en 2.4.4.\n\n EHRM 19 januari 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0119JUD000220516 ( [naam 1] tegen Nederland) en EHRM 15 maart 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609 ( [naam 2] tegen Nederland).\n\n Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140, r.o. 3.3.\n\n Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2.\n\n Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1319, r.o. 2.2.\n\n Hoge Raad 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082, r.o. 2.5.3.\n\n Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1597, r.o. 2.4.\n\n Artikel 7:4, derde lid, van de Awb.\n\n Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824, r.o. 3.2.2.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Belastingregeling Nederland Curaçao.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen.\n\n Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Spaanse Staat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.\n\n Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.1 en 3.3.2.\n\n Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2.\n\n Vgl. Hoge Raad 10 maart 1993, BNB 1993\u002F198, r.o. 3.3.\n\n Hoge Raad 18 januari 2008:ECLI:NL:HR:2008:BC1962, r.o. 3.6.8.\n\n Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, r.o. 4.3.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713, r.o. 4.16.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3. 10 .1.\n\n Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1.\n\n Vgl. Hoge Raad 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279.\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5556","ecli-nl-rbzwb-2026-5556",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]