ECLI:NL:RBZWB:2026:5764
Case Summary
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/5971 en 25/6411
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Polen), belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 oktober 2025. De beroepen zien op de naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (mrb) met aanslagnummers [aanslagnummer] Y.8 en [aanslagnummer] Y.9.2.
1.1.. Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig waren ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone postwordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.
3.1.. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekeningen van de naheffingsaanslagen 26 juni 2019 en 3 september 2019 zijn. Volgens de inspecteur is niet meer vast te stellen in de systemen van de Belastingdienst wanneer de naheffingsaanslagen aan belanghebbende zijn verzonden, aangezien inmiddels al lange tijd is verstreken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of de naheffingsaanslagen tijdig en naar het juiste adres zijn verzonden. In het geval belanghebbende de ontvangst daarvan wel betwist, dan is de bezwaartermijn pas gaan lopen wanneer hij de naheffingsaanslagen heeft ontvangen. Uit het beroepschrift van belanghebbende valt af te leiden dat belanghebbende in ieder geval op 5 februari 2024 bekend was met de opgelegde naheffingsaanslagen, toen hij de uitschrijving bij de RDW had afgerond. Als ervan wordt uitgegaan dat de naheffingsaanslagen toen voor het eerst bekend zijn gemaakt, dan eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 18 maart 2024.
4.1.. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift per post verstuurd. Het bezwaarschrift is bij de inspecteur ontvangen op 26 juni 2025. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de vastlegging van telefonisch contact van belanghebbende met de Belastingtelefoon Auto op 14 maart 2025 volgt dat belanghebbende toen in elk geval op de hoogte was van de naheffingsaanslagen. Ook als zou worden uitgegaan van die datum voor de aanvang van de bezwaartermijn, dan nog is het bezwaarschrift te laat ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende geeft aan dat hij in het jaar 2016 naar het buitenland is verhuisd en niet eerder bezwaar heeft kunnen indienen vanwege onjuiste informatieverstrekking door betrokken instanties en het niet ontvangen van de ontbrekende documenten om de auto uit te schrijven bij de RDW. Nadat de inschrijving bij de RDW op 5 februari 2024 heeft afgerond, heeft hij zijn bezwaar zo spoedig mogelijk ingediend, namelijk op 26 juni 2025..
5.1.. De rechtbank constateert dat de bezwaren meer dan een jaar nadat de auto is uitgeschreven bij de RDW zijn ingediend. Dat is een aanzienlijke periode en veel langer dan de periode van zes weken die de Hoge Raad als uitgangspunt neemt. Wat belanghebbende aanvoert, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende is toe te rekenen. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om op een eerder moment, eventueel met behulp van een derde, de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen in te dienen. Verder is de stelling dat verschillende instanties onjuiste informatie hebben verstrekt niet onderbouwd, zodat hieraan geen gewicht kan worden toegekend. Bovendien is niet in te zien waarom de gestelde onjuiste informatie ertoe zou leiden dat na uitschrijving bij de RDW nog meer dan een jaar is gewacht met het maken van bezwaar. Ook als het contactmoment met de Belastingtelefoon als uitgangspunt wordt genomen, dan is geen goede reden gegeven waarom meer dan zes weken daarna is gewacht met het maken van bezwaar.
5.2.. De aangevoerde omstandigheden leiden naar het oordeel van de rechtbank dus niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.
Conclusie en gevolgen
6. De bezwaren zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. van Wesel-de Jongh, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.