[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-family-reunification-eu":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":57,"limit":58},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},16,"family-reunification-eu","Family Reunification","EU","2026-07-08T14:16:12.879Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-01-27T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,49],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1729","ECLI:NL:RBDHA:2026:18484","ecli-nl-rbdha-2026-18484","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.16541 (beroep)\n\nNL25.16546 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [eiseres] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1933, van Turkse nationaliteit, eiseres\u002Fverzoekster (hierna: eiseres),\n\n(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. A. Al-Edani).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 23 augustus 2023 (het primaire besluit) is de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ’familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ voor verblijf bij haar zoon (die in deze procedure optreedt als referent), afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Met het besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.\n\n1.3.. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referent, M. Sivridag als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder.\n\n1.5.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond\n\n4. Eiseres woonde voor haar komst naar Nederland in Turkije. Haar echtgenoot is in oktober 2021 overleden. Referent en een dochter van eiseres wonen in Nederland. Twee andere dochters wonen in Oostenrijk en Zwitserland. Voordat eiseres naar Nederland kwam bezochten haar kinderen haar om de beurt en bezocht eiseres hen. Eiseres is laatstelijk in december 2022 voor een familiebezoek naar Nederland gekomen. Turkije werd vervolgens getroffen door aardbevingen die haar huis hebben verwoest. De gezondheid van eiseres is de afgelopen jaren achteruit gegaan. Gezien het vorenstaande kan eiseres niet langer in Turkije wonen. Daarom heeft zij een vergunning aangevraagd voor verblijf bij referent.\n\nBesluitvorming\n\n5. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet in het bezit is van een geldige mvven ook niet in aanmerking komt voor een vrijstelling daarvan. Eiseres kan niet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden, omdat zij in staat wordt geacht te reizen en er geen sprake is van een medische noodsituatie. Ook is er geen vrijstelling mogelijk op grond van het Turks associatierecht. Eiseres moet in dat geval een gezinslid van een Turkse werknemer zijn. Omdat zij de moeder van referente is, is zij alleen ‘gezinslid’ als zij ten laste van referente komt. Eiseres heeft volgens verweerder niet onderbouwd dat dit het geval is. Verder is haar uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ook om die reden komt eiseres niet in aanmerking voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. Volgens verweerder zijn er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid, zodat er tussen eiseres en haar familieleden in Nederland geen familie- of gezinsleven bestaat. Volgens verweerder is de uitzetting van eiseres ook niet in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt. Tot slot is er geen aanleiding om eiseres wegens bijzondere omstandigheden ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen zoals bedoeld in artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb.\n\nTurks associatierecht\n\n6. Allereerst voert eiseres aan dat zij ten laste van referent komt. Zij werd ook al vóór haar komst naar Nederland door haar zoon voor een belangrijk deel onderhouden, mede doordat hij steeds garant heeft gestaan. Dat hij de cash giften en de giften in natura niet heeft kunnen aantonen door de liquide aard ervan, doet hier niet aan af. Dat hij lange perioden bij zijn moeder heeft verbleven en zij ook lange perioden bij hem, en nu nog altijd voor haar eerste levensbehoeften financiële verantwoordelijkheid draagt maakt dat zij onder de werking van het Turks associatierecht valt. Verweerder heeft de lat voor de bewijsvoering dan ook ten onrechte te hoog gelegd.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat eiseres onder het begrip ‘gezinslid’ valt zoals bedoeld in artikel 7 van Besluit 1\u002F80. Een familielid komt ten laste van een Turkse werknemer als dit familielid, gelet op zijn economische en sociale toestand, niet in staat is om in zijn basisbehoeften te voorzien.Dat betekent dat de Turkse werknemer ondersteuning moet geven aan dit familielid en dat die ondersteuning noodzakelijk moet zijn. Verweerder moet dat beoordelen aan de hand van een of meerdere peilmoment(-en). Welke dat zijn, hangt af van de vraag wáár het familielid zich bevindt en hoe lang hij zich daar (al) bevindt.\n\n7.1.. Als het familielid zich op het moment van de aanvraag in zijn land van herkomst bevindt of zich slechts korte tijd in Nederland bevindt, dan kijkt verweerder naar de vraag of het familielid in zijn land van herkomst ten laste komt of zou komen van de Turkse werknemer. In dat geval moet het familielid dus aannemelijk maken dat hij in zijn land van herkomst noodzakelijke ondersteuning ontvangt of zou ontvangen.Bevindt het familielid zich al in Nederland, dan beoordeelt verweerder dus een fictieve situatie. Het peilmoment is in dit geval (dus) het moment waarop het familielid zijn aanvraag doet.\n\n7.2.. Verweerder stelt zich allereerst terecht op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij regelmatige financiële ondersteuning van referent heeft ontvangen en dat deze ondersteuning noodzakelijk was. Referent heeft niet tenminste één jaar ononderbroken op regelmatige basis een som geld betaald die voor eiseres noodzakelijk was om in haar basisbehoeften te voorzien. Eiseres heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij van april 2023 tot augustus 2023 een aantal keren geld van referent heeft ontvangen. Dat referent ook contante bedragen heeft betaald en aankopen voor zijn moeder heeft gedaan, is niet met stukken onderbouwd. Gelet op het feit dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij ten laste van referent kwam, mocht verweerder de overgelegde stukken van eiseres onvoldoende vinden en een nadere onderbouwing van haar verlangen. Die nadere onderbouwing ontbreekt echter.\n\n7.3.. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van haar komst naar Nederland ten laste van referent kwam. Daarom heeft verweerder zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet onder de reikwijdte van het Turks associatierecht valt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM?\n\nIs er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent?\n\n8. Allereerst stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent.\n\n8.1.. Het is vaste rechtspraak van het EHRMdat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen en meerderjarige broers en zussen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie; er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. De rechtbank toetst de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid – evenals het EHRM doet en conform de jurisprudentie van het EHRM– vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025en maakt deze overwegingen de hare.8.2.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat eiseres, die hoogbejaard is, sinds haar komst naar Nederland in december 2022 tot het bestreden besluit van 7 april 2025 met referent en zijn gezin heeft samengewoond en dat zij financieel door referent is onderhouden. Daarmee is er dus sprake van samenwoning en financiële afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Ook staat vast dat eiseres met meerdere gezondheidsklachten kampt, waaronder aortaklepstenose, staar en cognitieve en mobiliteitsbeperkingen. Daarom heeft eiseres van referent en zijn zus hulp nodig bij de dagelijkse praktische taken, zoals medicatie innemen, het aan- en uitkleden en haar zelfverzorging. Op de zitting is ook gesteld dat eiseres dementeert. Het vorenstaande is niet bestreden. Hiermee staat dus ook vast dat eiseres vanwege haar gezondheid afhankelijk is van referent en zijn gezin. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn en dat daarmee sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt.\n\nBelangenafweging ten aanzien van familieleven\n\n9. De belangenafweging zoals die nu beschreven staat in het bestreden besluit houdt geen stand nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hoewel strikt genomen ten overvloede, ziet de rechtbank in het kader van een finale beslechting van het geschil wel aanleiding om enkele handvatten te geven voor de nieuw te maken belangenafweging.\n\n9.1.. Eiseres was ten tijde van het bestreden besluit bijna 92 jaar. Zij heeft toegelicht in Turkije geen familieleden meer te hebben, behalve een neef met wie zij geen contact meer heeft. In Turkije zal zij na terugkeer naar alle verwachting in een verzorgingstehuis in [plaats 1] terechtkomen, aanzienlijk ver van [plaats 2] waar zij tot december 2022 woonde. Eiseres heeft voorts toegelicht dat zij tot de Armeens-Christelijke gemeenschap behoort en niet volledig de Turkse taal beheerst waardoor een verblijf in een verzorgingstehuis extra belastend is. Verweerder moet betrekken waarom het voor haar niet onredelijk belastend is om zonder enig sociaal netwerk naar een verzorgingstehuis te gaan in een regio waar zij nooit eerder heeft verbleven, terwijl zij ook de Turkse taal niet goed beheerst. Dit geldt ook voor de door verweerder genoemde mogelijkheid om de familieband voort te zetten door middel van digitale middelen en regelmatig bezoek. Volgens verweerder is niet gebleken dat referent (en zijn gezin) zich niet met eiseres in Turkije kunnen vestigen en dat zij daar geen bestaan kunnen opbouwen. Verweerder moet in de belangenafweging betrekken waarom dit, ondanks de hoge leeftijd van eiseres, en nu verweerder ook erkent dat dit waarschijnlijk niet makkelijk is, nog een realistische mogelijkheid is en dat dit toch van hen kan worden verlangd.\n\n9.2.. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder de eerste toelating van eiseres ten onrechte in de belangenafweging in haar nadeel heeft meegewogen, nu deze weging neutraal had moeten zijn.\n\nBelangenafweging ten aanzien van privéleven\n\n10. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van haar privéleven ten onrechte in haar nadeel uitvalt. Verweerder heeft ten onrechte niet betrokken dat eiseres al eerder op basis van tijdelijk legaal verblijf voor lange periodes bij referent in Nederland heeft verbleven. Daarnaast is het gezien de aardbevingen in Turkije en de leeftijd en gezondheid van eiseres onmogelijk en onredelijk om weer een bestaan op te bouwen in Turkije.\n\n10.1.. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de belangenafweging ten aanzien van het privéleven in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat eiseres in Nederland niet heeft gewerkt en geen opleiding heeft gevolgd en zij ook de Nederlandse taal niet spreekt. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat van bijzondere banden met Nederland niet is gebleken. Tot slot heeft eiseres weliswaar eerdere periodes legaal in Nederland verbleven, maar deze periodes zien enkel op het uitoefenen van haar familieleven en niet op haar privéleven. Verweerder heeft deze omstandigheid daarom niet bij de beoordeling van het privéleven hoeven betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSchrijnendheid\n\n11. Tot slot voert eiseres aan dat er sprake is van schrijnende individuele omstandigheden, gezien haar individuele omstandigheden.\n\n11.1.. De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Hierbij is van belang dat de individuele omstandigheden zich hebben voorgedaan in Nederland.11.2.. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de medische problemen van eiseres niet in Nederland zijn ontstaan. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat de aardbeving heeft zich heeft voorgedaan in Turkije en er met eiseres vele slachtoffers zijn waardoor er geen sprake is van een individuele omstandigheid. De situatie van eiseres voldoet daarmee echter niet aan het criterium dat er sprake moet zijn van individuele omstandigheden die binnen Nederland hebben plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat de situatie van eiseres geen schrijnende individuele omstandigheden zijn. Verweerder heeft eiseres ambtshalve daarom geen vergunning hoeven geven. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt.\n\n13. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n14. De rechtbank veroordeelt verweerder in het door eiseres betaalde griffierecht en de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.16541,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.16546,\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de\n\nuitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Besluit nr. 1\u002F80 van de Associatieraad d.d. 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 16 januari 2014, C-423\u002F12, ECLI:EU:C:2014:16 (Reyes), r.o. 22 en het arrest van het HvJEU van 9 januari 2007,\n\nC-1\u002F05, ECLI:EU:C:2007:1 (Yunying Jia), r.o. 37.\n\n Zie het arrest Reyes, r.o. 22 en Yunying Jia, r.o. 37.\n\n Zie het arrest van het HvJEU van 10 april 2025, C-607\u002F21, ECLI:EU:C:2025:264 (XXX), r.o. 35-37.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, r.o. 9-9.5.\n\n Zie IB 2019\u002F81 Ambtshalve toets schrijnende situatie.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18484","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:36.127Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1730","ECLI:NL:RBDHA:2026:18486","ecli-nl-rbdha-2026-18486","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.24419\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1984, van Surinaamse nationaliteit, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. J. Werner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster.\n\n2. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan tot afgifte van een verblijfsdocument EU\u002FEERop grond van het arrest Chavez-Vilchezvoor verblijf bij haar dochter [naam] , die de Nederlandse nationaliteit heeft.\n\n3. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 juni 2025 afgewezen. Met de beslissing op het bezwaar van 22 april 2026 (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verzoekster mag een eventueel beroep tegen dit besluit niet in Nederland afwachten.\n\n4. Op 30 april 2026 heeft verzoekster beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. In het verzoek heeft verzoekster verzocht om de werking van het bestreden besluit op te schorten. Dit houdt volgens verzoekster in ieder geval een verbod op uitzetting in tot nadat op het beroep is beslist en het voortzetten van haar recht om in Nederland te werken. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.\n\n4.2.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVrijstelling van het griffierecht\n\n5. Verzoekster heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.\n\nBeoordeling van het verzoek\n\n6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nSpoedeisend belang\n\n7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster mag het beroep immers niet in Nederland afwachten, zij kan dus uit Nederland worden gezet. De stelling van verweerder dat geen sprake is van spoedeisendheid van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat er geen concreet voornemen is of voorbereidingen zijn getroffen om verzoekster uit te zetten, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat er nog geen concrete plannen voor uitzetting bestaan, is niet relevant. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang.\n\nRedelijke kans van slagen\n\n8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een Chavez-situatie bij een Nederlands kind. [naam] is geboren in [geboorteland] uit een Surinaamse moeder, verzoekster. [naam] is Nederlander geworden omdat zij door een Nederlander is erkend. Verweerder stelt dat die erkenning een schijnerkenning is, daarom heeft hij aan het college van B&Wvan de gemeente Utrecht een terugmelding gedaan op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP. Verweerder stelt dat hij daarom op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer hoeft uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van [naam] .\n\n9. Op de zitting heeft (de gemachtigde van) verzoekster aangevoerd dat voor het doen van een terugmelding voldoende aanleiding moet zijn en dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Bovendien bestaat er ernstige twijfel over het bestaan van een juridische grondslag voor verweerder om onderzoek te mogen doen naar de erkenning. De voorzieningenrechter doet over deze punten geen uitspraak, nu dit niet nodig is voor de toewijzing van het verzoek.\n\n10. De voorzieningenrechter vraagt zich af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij vindt het niet onbegrijpelijk dat verweerder twijfels heeft bij de situatie van verzoekster. De erkenner van [naam] heeft volgens de terugmelding van verweerder aan de gemeente Utrecht kennelijk elf kinderen erkend bij negen verschillende moeders, waarvan de moeders daarna allemaal aanspraak hebben gemaakt op dezelfde procedure als verzoekster.\n\n11. Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter wel twijfelt over of de werkwijze van verweerder met het doen van een terugmelding en daardoor niet uitgaan van de Nederlandse nationaliteit, wel klopt. [naam] heeft namelijk wel de Nederlandse nationaliteit verkregen, toen zij werd erkend door een Nederlandse man. Deze erkenner hoeft ook niet de biologische ouder te zijn, in een andere situatie kan ook erkend worden. In principe dient dan uit te gaan van die erkenning. Het klopt verder wel dat verweerder op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP een terugmelding kan doen. In artikel 1.7, eerste en tweede lid, onder b, van de Wet BRP staat vervolgens dat het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, voor die informatie dat gegeven gebruikt en dat het eerste lid niet van toepassing is indien het bestuursorgaan ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 2.34 van de Wet BRP doet. De voorzieningenrechter vraagt zich zeer af of dit betekent dat verweerder niet meer uit hoeft te gaan van de Nederlandse nationaliteit. Het verkrijgen en het verliezen van het Nederlanderschap wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze wet beschrijft ook welke procedures gevolgd moeten worden om te bepalen dat iemand geen Nederlander meer is. Zolang [naam] de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren conform die wet, gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van haar Nederlandse nationaliteit. Tot slot is ook gebleken dat de gemeente Utrecht (nog) niets met de terugmelding heeft gedaan. Concluderend vraagt de voorzieningenrechter zich dus af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep kan geen redelijke kans van slagen ontzegd worden.\n\nBelangenafweging\n\n12. De voorzieningenrechter zal vervolgens een belangenafweging maken. Hierin weegt zij de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan.\n\n13. De voorzieningenrechter acht het aan de kant van verweerder van groot belang dat misbruik wordt tegengegaan, dat betekent dus ook dat schijnerkenningen niet mogen worden beloond. Ook betekent dat, als inderdaad sprake is van een schijnerkenning, er geen verblijfsrecht ontstaat en dat degene die ten onrechte een beroep doet op die erkenning geen recht heeft om in Nederland te blijven. Daartegenover acht de voorzieningenrechter aan de kant van verzoekster van groot belang dat het onderzoek zorgvuldig wordt gedaan en dat geen verstrekkende beslissingen worden genomen, zoals het mogelijk uitzetten van verzoekster met gevolgen voor [naam] , die afhankelijk van haar is, zolang niet duidelijk is of het besluit wel stand kan houden. Bovendien gaat het om een tijdelijke maatregel, alleen totdat op het beroep is beslist. Dat maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoekster en haar dochter, die van haar afhankelijk is, zwaarder weegt dan het belang van verweerder.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep.\n\n15. Omdat het verzoek wordt toegewezen krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\n16. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026 door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.\n\nDit proces-verbaal is bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:2017:354.\n\n Burgemeester en wethouders.\n\n Wet basisregistratie personen.\n\n Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van\n\n10 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15606.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18486","2026-07-13T00:29:36.167Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"1714","ECLI:NL:RBDHA:2026:14740","ecli-nl-rbdha-2026-14740","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL24.13209 (beroep intrekking)\n\nNL24.13210 (voorlopige voorziening intrekking)\n\nNL25.9940 (beroep wijziging verblijfsdoel)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nuitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser,\n\n(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. van Dam).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de afwijzing van zijn aanvraag om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning. Eiser is het met beide besluiten niet eens en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank beide beroepen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beide besluiten in rechte geen stand kunnen houden. Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in de zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op het beroep dat in het kader van beide procedures is gedaan op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op het beroep dat is gedaan op artikel 8 van het EVRM. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de hoorplicht. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1958 en heeft de Surinaamse nationaliteit.\n\n2.1. Eiser is op 22 april 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid [naam]’. Bij besluit van 13 september 2023 (het primaire besluit 1) heeft de minister deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht per 22 augustus 2022. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 28 februari 2024 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 1). Op 25 maart 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Deze procedures zijn geregistreerd onder nummers NL24.13209 en NL24.13210.\n\n2.2. Eiser heeft op 12 juli 2023 een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning in – zo begrijpt de rechtbank –de beperking ‘verblijf op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR’ dan wel de beperking ‘humanitair niet tijdelijk – artikel 8 van het EVRM privéleven’. Bij besluit van 12 maart 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen (het primaire besluit 2). De minister heeft het hiertegen gerichte bezwaarschrift bij besluit van 3 februari 2025 (het bestreden besluit 2) afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft op 28 februari 2025 ook tegen dit besluit beroep ingesteld. Deze procedure is geregistreerd onder nummer NL25.9940.\n\n2.3. De rechtbank heeft de zaken op 19 september 2025 enkelvoudig op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. S. Imami namens de minister. Na de zitting heeft de rechtbank de zaken verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling.\n\n2.4. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft na afloop van de zitting het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet langer voldoet aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ en dat de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 22 augustus 2022 op zichzelf terecht is. Wel worden partijen verdeeld gehouden over de vraag of eiser voorgezet verblijf toekomt. Zowel in de procedure omtrent de intrekking als in de procedure over de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning heeft eiser aangevoerd dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR, dan wel op grond van artikel 8 van het EVRM. Verder is in geschil of eiser in de procedure omtrent de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning gehoord had moeten horen.\n\nSlaagt het beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR?\n\n4. Artikel 12, vierde lid, van het IVBPR bepaalt – kort gezegd – dat aan niemand willekeurig het recht mag worden ontnomen om naar zijn eigen land terug te keren\n\n5. Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Volgens eiser heeft deze bepaling rechtstreekse werking. De intrekking van zijn verblijfsvergunning en de weigering om het verblijfsdoel te weigeren is in strijd met artikel 12, vierde lid, van het IVBPR omdat het gevolg van die beslissingen is dat eiser de toegang tot Nederland wordt ontzegd. Ter onderbouwing heeft eiser onder meer gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 1 september 2023. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling. Ook heeft eiser verwezen naar General Comment 27 van het VN-mensenrechtencomitéover de betekenis van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR, op een artikel van J-H Seelow in A&MR 2024\u002F4 en naar een arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014waarin wordt uitgelegd wanneer een verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft. De minister heeft gemotiveerd betwist dat aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR rechtstreekse werking toekomt en heeft om die reden niet getoetst aan deze bepaling.\n\n6. De rechtbank overweegt het volgende.\n\n6.1. In artikel 93 van de Grondwet staat dat bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt. Als nationale wettelijke voorschriften in strijd zijn met dergelijke een ieder verbindende bepalingen, heeft de verdragsbepaling voorrang, zo volgt uit artikel 94 van de Grondwet.\n\n6.2. Om te bepalen of een verdragsbepaling een ieder verbindt, moet eerst worden nagegaan of rechtstreekse werking niet is uitgesloten door de verdragspartijen. Als dat niet het geval is, moet de rechter nagaan of een dergelijke verdragsbepaling door een burger of rechtspersoon kan worden ingeroepen. Dat hangt af van de inhoud van de bepaling en meer in het bijzonder van de vraag of de bepaling a) plichten oplegt of rechten toekent aan een burger of rechtspersoon, en b) onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om door een rechter te worden toegepast.\n\n6.3. De verdragspartijen bij het IVBPR hebben rechtstreekse werking niet uitgesloten. Aan de eerste hierboven genoemde voorwaarde om rechtstreekse werking aan te nemen wordt dan ook voldaan. Verder is het naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat artikel 12, vierde lid, van het IVBPR rechten toekent aan burgers, namelijk het recht om toegang te krijgen en te houden tot het eigen land. Dat dit een onvoorwaardelijk recht betreft, is ook duidelijk. Het uit artikel 12, vierde lid, van het IVBPR voortvloeiende recht op toegang tot het eigen land is niet gebonden aan enige voorwaarde, zo blijkt uit de formulering van het artikel. Verder is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling ook voldoende nauwkeurig is om als een eenieder verbindende bepaling aan te merken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2000, waarin de Hoge Raad zonder terughoudendheid toetst aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Dit oordeel is ook in lijn met de aangehaalde General Comments van het VN mensenrechtencomité. De conclusie is dan ook dat artikel 12, vierde lid, van het IVBPR een eenieder verbindende bepaling is als bedoeld in artikel 93 van de Grondwet die rechtstreeks doorwerkt in het Nederlandse recht.\n\n6.4. Voor zover de minister nog heeft betoogd dat Nederland een voorbehoud heeft gemaakt bij het tekenen van het IVBPR dat de bepalingen alleen van toepassing zijn op het Europese deel van het Koninkrijk, slaagt dit betoog niet. Allereerst is van belang dat er geen specifiek voorbehoud is gemaakt voor Suriname bij de ondertekening van het IVBPR. Dat is ook logisch aangezien Suriname op dat moment geen onderdeel meer uitmaakte van het Koninkrijk. Dat voor de Nederlandse Antillen wel een voorbehoud is gemaakt, maakt dus niet dat hetzelfde zou moeten gelden voor Suriname. Het gemaakte voorbehoud is verder zonder relevantie voor de periode voor de ondertekening op 11 maart 1979. Belangrijker acht de rechtbank evenwel dat ‘het eigen land’ niet per definitie het land van nationaliteit hoeft te zijn. De omstandigheid dat eiser thans de Surinaamse nationaliteit heeft, is dan ook niet het doorslaggevende element in de beoordeling. Dat volgt ook uit de al aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, nu daarin artikel 12, vierde lid, van het IVBPR onverkort is toegepast op iemand met de Surinaamse nationaliteit.\n\n6.5. De conclusie is aldus dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 12, vierde lid, geen rechtstreekse werking heeft en dus ook ten onrechte niet beoordeeld of eisers beroep op artikel 12, vierde lid van het IVBPR kan slagen. Het besluit is op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.\n\nSlaagt het beroep op artikel 8 van het EVRM?\n\n7. Eiser heeft in beide zaken ook nog een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat aan beide besluiten ook op dat onderdeel gebreken kleven. Zo heeft de minister ter zitting erkend dat de gehanteerde maatstaf niet klopt. De minister is er in de besluiten ten onrechte vanuit gegaan dat alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden tot verblijfsaanvaarding op grond van artikel 8 van het EVRM kan worden overgegaan. Dit miskent dat eiser enige tijd een verblijfsvergunning heeft gehad in Nederland die hem tot het uitoefenen van familie- en privéleven in staat stelde. De door de minister gehanteerde maatstaf is alleen van toepassing indien het familie- of privéleven gedurende niet rechtmatig verblijf is opgebouwd. Daarnaast heeft de minister een onjuist gewicht toegekend aan het beroep op het arrest Jeunesse van 3 oktober 2014van het EHRM. Eiser heeft dit arrest aangehaald omdat daarin een groot belang toekomt aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon in die procedure ex-Nederlander is, net zoals eiser. Die voor de beoordeling van artikel 8 van het EVRM relevante omstandigheid, heeft de minister onvoldoende kenbaar bij de beoordeling betrokken. Daarom zijn de besluiten ook op dit punt onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\nSlaagt het beroep op de hoorplicht?\n\n8. De minister heeft in de procedure omtrent de wijziging van de beperking van de verleende verblijfsvergunning het bezwaar als kennelijk ongegrond afgewezen. Gelet op wat hiervoor is geoordeeld omtrent de beoordeling van eisers beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR en artikel 8 van het EVRM, heeft de minister niet tot een dergelijk oordeel kunnen komen. Nu het bezwaar niet als kennelijk ongegrond kon worden afgewezen, heeft de minister ook niet van het horen van eiser af kunnen zien. Het bestreden besluit 2 is dus ook in strijd met artikel 7:2 van de Awb.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en het bestreden besluit 2 ook met artikel 7:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister zal namelijk in de zaak omtrent de wijziging van de beperking eiser moeten horen en deze feiten moeten betrekken bij het nemen van een nieuw besluit. Deze feiten kunnen ook in de andere zaak van belang zijn. Verder is het aan de minister om nu alsnog als eerste een standpunt in te nemen over de vraag of eiser rechten kan ontlenen aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Vervolgens zal dat oordeel ten volle kunnen worden getoetst door de rechtbank. De gemachtigde van eiser heeft te kennen gegeven een voorkeur te hebben voor een dergelijke afdoening van het beroep, ook om geen instantie te verliezen in deze procedure. De rechtbank ziet dan ook geen ruimte om finaal te beslissen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat het geen efficiënte en doelmatige afdoeningswijze zou zijn.\n\n9.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.\n\n9.2.. De rechtbank ziet verder aanleiding om de minister een aantal aandachtspunten mee te geven die relevant zijn bij de nog te verrichten beoordeling in het kader van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Met betrekking tot de beoordeling zelf is van belang dat het VN-mensenrechtencomité in onder meer de zaak Warsameheeft toegelicht welke elementen relevant zijn bij de beoordeling van een beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Het comité verwijst onder meer naar het al eerder genoemde General Comment 27, waaruit volgt dat het begrip ‘het eigen land’ zoals genoemd in die bepaling breder is dan het land van iemands nationaliteit en dat moet worden gekeken naar factoren als langdurig verblijf, het spreken van de taal, hechte persoonlijke of familiebanden, het ontbreken van banden elders en de intenties om te blijven in het betreffende land. Mocht de minister na zijn beoordeling tot de conclusie komen dat eisers beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR slaagt, dan merkt de rechtbank op dat de minister op grond van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning kan verlenen op een andere grond dan die zijn genoemd in artikel 3.4 van het Vb2000. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025volgt namelijk dat de minister nog steeds bevoegd is om ook buiten de gevallen genoemd in het eerste lid van dat artikel een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid. Deze bevoegdheid volgt uit artikel 14, derde lid, van de Vw2000. De afschaffing van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 – waarin de discretionaire bevoegdheid nader was ingevuld en geregeld – perkt deze wettelijke bevoegdheid niet nader in, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling.\n\n9.3.. Eiser heeft verzocht om een voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet totdat is beslist op zijn beroepschrift. In dit geval is er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.\n\n9.4.. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.203,- (2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaken NL24.13209 en NL25.9940:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de besluiten van 28 februari 2024 en 3 februari 2025;\n\n- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften met inachtneming van deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL24.13210:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter, in alle zaken:\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 575,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 4.203,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mr. R.H.G. Odink en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.\n\n Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966.\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zaaknummers NL23.16344 en NL21.17007.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het gaat om de uitspraak van 1 december 2025 met nummer 202306135\u002F1\u002FV1.\n\n CCPR General Comment No. 27: Article 12 (Freedom of Movement) van 2 november 1999.\n\n ECLI:NL:HR:2014:2928.\n\n Zie het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1449 en het door eiser aangehaalde arrest van 10 oktober 2014.\n\n ECLI:NL:HR:2000:AA8448.\n\n ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Communication no. 1959\u002F2010 van 26 juli 2010.\n\n Vreemdelingenbesluit.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:4130.\n\n Vreemdelingenwet.\n\n NL24.13209.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14740","2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.393Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":31,"updatedAt":56},"1417","ECLI:NL:RBDHA:2026:17918","ecli-nl-rbdha-2026-17918","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.10147 (beroep)\n\nNL25.10149 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag 1] 1975, van Ghanese nationaliteit, eiser\u002Fverzoeker, hierna te noemen: eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister,\n\n(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU\u002FEER. Eiser wenst verblijf bij zijn minderjarige dochter [persoon 1] op grond van artikel 20 van het VWEUop grond van het arrest Chavez-Vilchez.\n\n1.1.. Met het besluit van 14 februari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen. Met het besluit van 4 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. Voorafgaand aan de zitting op 18 december 2025 heeft de (voorzieningen)rechter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek gehouden met [persoon 1] . De rechtbank heeft voor [persoon 1] een aparte samenvatting van de beslissing gemaakt. Deze samenvatting is als bijlage aan deze uitspraak gehecht en maakt onderdeel uit van deze uitspraak. Wat [persoon 1] tijdens dit kindgesprek heeft verteld, zal de rechtbank bij haar beoordeling betrekken.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de moeder van [persoon 1] , I. Ben Smail als tolk in de taal Engels, en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, omdat is gebleken dat hij niet in staat is tot betaling daarvan.\n\n3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nAchtergrond\n\n5. Eiser is de biologische vader van zijn dochter [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 2015. Zijn relatie met de moeder van [persoon 1] , [persoon 2] , is in 2018 geëindigd. Eiser is datzelfde jaar naar Duitsland verhuisd maar is in 2022 teruggekeerd naar Nederland. Op 28 april 2023 heeft eiser verzocht om afgifte van een verblijfsdocument als verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind. Hij wil graag verblijf bij [persoon 1] , die op dit moment tien jaar oud is.\n\nBesluitvorming\n\n6. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden c en d van paragraaf B10\u002F2.2 van de Vc. Volgens de minister heeft eiser namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor [persoon 1] . Eiser heeft de zorg- en opvoedingstaken niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare bewijsstukken. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hem en [persoon 1] een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat [persoon 1] gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser heeft geen bewijsstukken hiervan overgelegd. Uit de BRPblijkt dat [persoon 1] vanaf haar geboorte hoofdverblijf heeft bij haar moeder.\n\n6.1.. Volgens de minister komt eiser ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft weliswaar privéleven en gezinsleven, maar de belangenafweging valt in zijn nadeel uit.\n\nTen aanzien van de toetsing aan het arrest Chavez-Vilchez\n\nJuridisch kader\n\n7. Om te kunnen vaststellen of er rechtmatig verblijf is op grond van Chavez-Vilchez is het volgende kader van belang. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie, een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd.Eén zo'n zeer bijzondere situatie is de situatie dat tussen een familielid dat derdelander is en het desbetreffende kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat.Als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind kan een vreemdeling dus rechtmatig verblijf hebben in Nederland.In paragraaf B10\u002F2.5 van de Vc staat uitgewerkt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan:\n\na. de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken;\n\nb. de vreemdeling moet een kind jonger dan achttien jaar hebben dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;\n\nc. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en\n\nd. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.\n\nHet is aan de vreemdeling om met voldoende bewijsstukken aan te tonen dat hij aan deze voorwaarden voldoet. Voor het vaststellen van een recht op Chavez is de periode vanaf het moment van aanvraag tot er een besluit is genomen van belang. In beroep ligt daarom de periode tot het bestreden besluit voor.\n\n7.1.. In de uitspraak van de Afdelingvan 22 juli 2025is geoordeeld over de vraag of de bovengenoemde vereisten uit de Vc cumulatief zijn. De Afdeling komt tot de conclusie dat deze voorwaarden niet cumulatief zijn en dat voor het verkrijgen van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU naast het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding ook moet zijn voldaan aan het vereiste dat de vreemdeling meer dan marginale zorg- en\u002Fof opvoedingstaken verricht, onjuist is. Dat neemt enerzijds niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet goed voorstelbaar is als een vreemdeling niet meer dan marginale zorg- en\u002Fof opvoedingstaken verricht.Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en\u002Fof opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding.\n\n7.2.. Uit het arrest van het Hof van 22 juni 2023, X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, blijkt dat er een ex-nunc toetsing dient plaats te vinden van de feitelijke gezinssituatie en dat het daarbij niet van belang is of (de andere) ouder de dagelijkse daadwerkelijke zorg op zich zou kúnnen nemen.\n\nStandpunt eiser\n\n8. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is en onvoldoende gemotiveerd omdat hetgeen eiser heeft aangevoerd in de procedure onvoldoende bij de besluitvorming is betrokken. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn verklaringen, meerdere verklaringen van de moeder, foto’s met [persoon 1] , screenshots van videobellen, twee verklaringen van de school, een verklaring van de kerk, kopieën van treintickets naar Duitsland en betaalbewijzen vanuit Duitsland, overgelegd. Eiser voert aan dat de minister, gelet op de vrije bewijsleer, heeft nagelaten alle ingebrachte informatie voldoende in onderlinge samenhang te beoordelen. Verder meent eiser dat de minister wel degelijk zo nodig met een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, moeten onderzoeken wat de gevolgen voor [persoon 1] zouden zijn als haar vader hier niet mag blijven.\n\nStandpunt minister\n\n8.1.. De minister heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende met verklaringen en overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorgtaken verricht. Dit is volgens de minister slechts in beperkte mate gebleken. Zo ontbreken de bezoeken aan Duitsland in het verleden een aannemelijke en verifieerbare onderbouwing, en zeggen deze bezoeken bovendien niets over eventuele zorgtaken. Ook zijn de verklaringen van eiser, moeder, kerk en leerkracht volgens de minister onvoldoende, nu deze grotendeels op zichzelf staan en ondersteuning ontbreken. De verklaringen bieden bovendien geen inzicht in de vragen sinds wanneer en met welke frequentie deze handelingen hebben plaatsgevonden. Dit geldt ook voor de financiële ondersteuning. De overgelegde foto’s zijn niet gedateerd en betreffen bovendien een momentopname. Volgens de minister zegt dit niets over de feitelijke zorg en opvoedingstaken. Ook heeft eiser geen stukken overgelegd van zijn afspraken met de moeder van [persoon 1] wat betreft de verzorging en opvoeding, zoals een ouderschapsplan of omgangsregeling.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n8.2.. Vooropgesteld is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft nagelaten de belangen van [persoon 1] kenbaar bij de besluitvorming te betrekken en voorop te stellen. In het arrest XU en QP overweegt het Hof:\n\n\"66. Meer in het bijzonder dient met het oog op de beoordeling van het risico dat het betrokken kind, dat Unieburger is, gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten indien aan zijn ouder, die een derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, te worden bepaald of deze ouder de daadwerkelijke zorg voor het kind draagt en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen hen bestaat. In het kader van deze beoordeling dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest\"), waarbij dit artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belang van het kind, dat samenvalt met het recht van dit kind om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, zoals neergelegd in artikel 24, lid 3, van het Handvest.”\n\nDe minister heeft niet stilgestaan bij de vragen wat het vertrek van eiser voor [persoon 1] en haar psychische gesteldheid voor de emotionele en\u002Fof fysieke ontwikkeling betekent. De minister had dit als uitgangspunt moeten nemen en, eventueel via de Raad van de Kinderbescherming, het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als zij van eiser zouden worden gescheiden, moeten onderzoeken. Met andere woorden, de minister had actief de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag van eiser voor [persoon 1] moeten onderzoeken en betrekken. Artikel 3 van het IVRKen artikel 24 van het Handvestverplichten de minister daartoe. De beroepsgrond slaagt.\n\n8.3.. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser, anders dan de minister stelt, aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en\u002Fof opvoedingstaken voor [persoon 1] verricht. Hoewel eiser zijn aanvraag niet heeft onderbouwd met objectieve stukken, overweegt de rechtbank dat de minister in dit geval heeft nagelaten alle relevante informatie in onderlinge samenhang te betrekken en te beoordelen. De minister heeft in zijn besluitvorming niet goed gekeken naar de feitelijke situatie van eiser en [persoon 1] . De rechtbank stelt vast dat eiser van meet af aan consistent heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij het leven van zijn dochter. Zo is naar voren gebracht dat hij na de geboorte van zijn dochter in 2015 een jaar in Nederland is gebleven en voor haar heeft gezorgd, en na zijn vertrek in 2016 naar Duitsland zijn dochter hem regelmatig in de zomervakanties heeft bezocht. In 2022 is eiser terug naar Nederland gekomen om bij zijn dochter te zijn. [persoon 1] is meestal elk weekend bij eiser en doordeweeks is er ook regelmatig contact. Eiser heeft met de moeder van [persoon 1] afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval van eiser een ouderschapsplan of een omgangsregeling wordt verlangd. Uit de verklaringen van beide ouders en de ter zitting en tijdens de hoorzitting gegeven toelichting blijkt dat zij na het uiteengaan nog steeds in goed onderling contact staan en dergelijke afspraken daarom niet op papier hoeven te worden gezet.\n\n8.4.. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting duidelijk naar voren komt dat eiser in de afgelopen jaren een belangrijke rol in het leven van zijn dochter is gaan spelen. Eisers verklaringen zijn niet alleen consistent, maar worden bovendien ondersteund door de ingebrachte stukken en verklaringen van moeder en [persoon 1] . Zo wordt eisers verklaring dat hij [persoon 1] vroeger twee keer per week van school haalde, maar dat zij inmiddels zelfstandig genoeg is om alleen met de metro te gaan, ondersteund door de brieven van de school. Daarin is vermeld dat eiser gedurende groep vier regelmatig zijn dochter kwam ophalen, en dat [persoon 1] in groep vijf zelfstandig met de metro naar school en huis reist. Ook volgt uit deze brieven dat beide ouders nog steeds regelmatig bij schoolactiviteiten aanwezig zijn. Verder blijkt uit de brief van de kerk dat eiser, zoals hij naar voren heeft gebracht, op zondag zijn dochter naar de kerk brengt. Eisers betrokkenheid blijkt bovendien ook uit de grote hoeveelheid foto’s die zijn overgelegd. De verklaringen van [persoon 1] , zoals zij deze in het kindgesprek tegenover de rechtbank heeft gegeven, zijn bovendien in lijn met die informatie. [persoon 1] heeft verklaard dat zij elk weekend bij haar vader is en soms in totaal drie of vier dagen per week bij hem slaapt en verblijft. En als moeder bijvoorbeeld moet werken, dan komt eiser naar het huis van moeder om op [persoon 1] en haar broertjes te letten. [persoon 1] verklaarde dat zij liever vaker bij haar vader zou zijn, en wanneer zij niet samen zijn, zij om de dag appen of bellen. Verder heeft zij aangegeven, en zoals ook door eiser is verklaard, dat haar vader haar helpt met huiswerk, haar naar zwemles heeft gebracht en haar geholpen heeft met fietsen. [persoon 1] krijgt van eiser af en toe zakgeld van vijf of tien euro. Ook verklaarde zij hoe haar vader af en toe op school komt om haar juf of meester te groeten. Eiser heeft in dit verband terecht aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021, dat de minister in dit geval meer gewicht had moeten toekennen aan de verklaringen van moeder. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [persoon 1] ook veel gewicht in de schaal legt. Dit omdat personen in de omgeving van eiser juist in de positie zijn om te verklaren over de aard en omvang van de zorgtaken die de eiser voor zijn dochter verricht. De minister heeft zich dan ook niet op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van slechts geringe zorg- en opvoedtaken. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser ongeveer de helft van de week zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn dochter. De beroepsgrond slaagt.\n\n8.4.. Met betrekking tot de afhankelijkheidsrelatie overweegt de rechtbank nog het volgende. In het bestreden besluit is ten onrechte overwogen dat de onderzoeksplicht van de minister niet wordt geactiveerd, onder verwijzing naar een drietal uitspraken daterend van 2019 en 2020, omdat eiser de dagelijkse zorg niet zou hebben aangetoond. Dit standpunt kan, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 22 juli 2025, niet langer worden gevolgd, nu niet langer sprake is van cumulatieve vereisten. Daargelaten dit uitgangspunt heeft eiser, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 8.3 en 8.4, de afhankelijkheidsrelatie voldoende aannemelijk gemaakt. De minister heeft zich dan ook niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat van een dergelijke afhankelijkheidsverhouding geen sprake is.\n\nTen aanzien van de toetsing aan artikel 8 van het EVRM\n\n9. Eiser voert tot slot terecht aan dat de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM ook onzorgvuldig is geweest en ondeugdelijk is gemotiveerd. Zoals uit de voorgaande overwegingen blijkt zijn niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. Zo zijn de belangen van de kinderen niet vooropgesteld, geïnventariseerd en betrokken. Dat het familieleven met eiser op afstand kan worden voortgezet, zoals de minister in het bestreden besluit stelt, geeft geen blijk van het betrekken van de feitelijke gezinssituatie. Eiser heeft dan ook terecht aangevoerd dat in de belangenafweging ook niet is betrokken dat voor het gezin subjectieve belemmeringen zijn om het familieleven in Ghana uit te oefenen. Daarbij heeft de minister onvoldoende onderkend dat [persoon 1] in Nederland is geboren en getogen, dat de ouders geen relatie (meer) hebben en dat een vertrek van eiser tot gevolg zou hebben dat [persoon 1] wordt gescheiden van de moeder. Ook is niet inzichtelijk betrokken dat de moeder in Nederland werkzaam is en dat de twee minderjarige halfbroers van [persoon 1] , die een andere vader hebben, hier verblijven. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsbeginsel) en 7:12 (motiveringsbeginsel) van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen.\n\n11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.\n\n12. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.\n\n13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\nin de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.10147,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter,\n\nin de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.10149.\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank\u002F voorzieningenrechter,\n\nin alle zaken,\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over het hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\nBijlage: terugkoppeling van de uitspraak aan [persoon 1]\n\nBeste [persoon 1] ,\n\nOp 18 december 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank. Je hebt mij verteld dat je het oneerlijk vindt dat jouw vader niet in Nederland mag wonen. Je had al een band met jouw vader voordat je überhaupt geboren was. Die band wil jij niet verliezen. Ook heb je mij verteld hoe vaak je papa ziet en wat je dan samen met hem doet. Je hebt verteld dat je blij van papa wordt. Hij betekent voor jou een vriend, maar dan wel familie.\n\nAan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.\n\nVlak na ons gesprek was de zitting. Ik heb toen met jouw ouders gepraat en de advocaat. Ik heb ook gepraat met de meneer die namens de minister voor Asiel en Migratie kwam. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing. Ik heb gekeken naar het dossier en alles wat op de zitting is gezegd, maar ook wat jij tegen mij hebt gezegd.\n\nJouw vader heeft gevraagd of hij bij jou in Nederland mag blijven. De minister heeft gezegd dat hij dat niet mag. Mijn beslissing is dat de minister nog een keer goed naar jullie situatie moet kijken. Beter naar de band die hij met jou heeft en wat het voor jou betekent om zonder zijn aanwezigheid te leven. De minister moet nog een keer goed kijken naar jullie situatie en een nieuwe beslissing nemen. De minister moet dan rekening houden met mijn aanwijzingen.\n\nMijn beslissing betekent niet dat jouw vader definitief in Nederland mag blijven. De minister\n\nmoet eerst opnieuw naar de situatie kijken en opnieuw een beslissing nemen. Ik heb de\n\nminister daarvoor een termijn van acht weken gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen\n\ndeze termijn een nieuw besluit krijgen.\n\nAls jouw vader of de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan die binnen\n\nvier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nDat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de situatie gaat kijken. Als er geen hoger\n\nberoep komt, dan is de rechterlijke procedure na mijn beslissing klaar en moet de minister\n\neen nieuw besluit nemen.\n\nIk vind het heel goed van je dat je bij me langs bent gekomen om mij te vertellen wat jij\n\nervan vindt. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing\n\nheb genomen.\n\nGroetjes,\n\nDe rechter.\n\n Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017 in de zaak C-133\u002F15, ECLI:EU:C:2017:354.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Basisregistratie Personen.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie het arrest Chavez-Vilchez, punt 63, en de daar aangehaalde rechtspraak.\n\n Zie het arrest Chavez-Vilchez, punt 70.\n\n Op grond van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3344.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:1962, onder 4.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1821, onder 3.1.\n\n ECLI:EU:C:2023:499.\n\n Onder 52 en 62.\n\n Verdrag inzake de rechten van het kind.\n\n Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2095.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17918","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.263Z",1,20]