[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-administrative-law-nl-2022":3},{"detail":4,"years":96},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":25,"page":14,"limit":95},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",2022,[13,16,19,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":18},2,3,{"month":18,"count":15},{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62,71,79,88],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"309","ECLI:NL:RBNHO:2022:9960","ecli-nl-rbnho-2022-9960","",67,"2022-11-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 21\u002F3356\n uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2022 in de zaak tussen\n\nL.H.L.M. Bakermans , handelend onder de naam Pro Life Heemstede, uit Heemstede , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.J.N. Vermeij),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Haarlem, verweerder\n\n(gemachtigden: T.F. Baars en J.A.M. Lubbers).\n\nAls derde-partij neemt aan het geding deel: Abortuskliniek Beahuis & Bloemenhovekliniekte Heemstede\n\n(gemachtigden: [naam 4] en [naam 5] ).\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van verweerder om aan de betogingen die eiseres wil houden bij de abortuskliniek Beahuis & Bloemenhovekliniek (hierna: de abortuskliniek) voorschriften te verbinden.\n\n1.2. Naar aanleiding van de melding die eiseres bij verweerder heeft gedaan van geplande betogingen voor het jaar 2021 bij de abortuskliniek heeft verweerder met het besluit van 5 maart 2021 (het primaire besluit) voorschriften verbonden aan de gemelde betogingen en één vaste locatie (demonstratievak) hiervoor aangewezen.\n\n1.3. In het besluit van 29 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres op 10 augustus 2021 beroep ingesteld.\n\n1.4. De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft het beroep op 10 mei 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 3] namens eiseres, bijgestaan door de gemachtigde, gemachtigden van verweerder en namens derde-partij [naam 5] (directeur van de abortuskliniek). Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer 21\u002F2685.\n\n1.5. De rechtbank heeft het onderzoek op 7 juni 2022 heropend en de zaak voor verdere behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer.\n\n1.6. Op 25 oktober 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2.1. Eiseres heeft op 5 januari 2021 bij verweerder gemeld dat zij op de dagen 14 januari, 11 februari, 12 maart, 16 april, 12 mei en 10 juni 2021 van 7.30 uur tot 10.30 uur een betoging wil houden aan de Haarlemse kant van de abortuskliniek. De betoging bestaat uit een stille wake en het uitdelen van folders. Er nemen 3 tot 5 personen deel aan de betogingen.\n\n2.2. Met het primaire besluit heeft verweerder op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) aan de betogingen van eiseres voorwaarden verbonden. Bepaald is dat de betogingen uitsluitend mogen plaatsvinden op één vaste locatie in de vorm van een demonstratievak op 25 meter afstand van de abortuskliniek, aan de linker overzijde van de Claus Sluterweg ten opzichte van de achteringang van de abortuskliniek. De reden voor het bepalen van deze locatie en het verbinden van voorschriften aan de betogingen is dat er voor 27, 28 en 29 januari 2021 en voor 24, 25 en 26 februari 2021 tegendemonstraties waren aangemeld bij verweerder en dat verweerder het ter voorkoming van wanordelijkheden noodzakelijk acht om één vaste locatie aan te wijzen voor betogers van eiseres. Verweerder wil tevens voorkomen dat de persoonlijke levenssfeer van de bezoekers van de kliniek onvoldoende geëerbiedigd wordt en wordt voorkomen dat zij onevenredig worden gehinderd in hun vrijheid om ongestoord gebruik te maken van hun rechten uit de Wet afbreking zwangerschap.\n\n2.3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften (hierna: de adviescommissie) van 19 mei 2021. De adviescommissie vindt dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ter voorkoming van wanordelijkheden noodzakelijk is één locatie aan te wijzen voor de betogingen, in verband met wanordelijkheden die kunnen ontstaan door de wijze waarop anderen op de demonstraties reageren. De locatiebeperking leidt volgens de adviescommissie niet tot een inbreuk op rechten uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu de aangewezen locatie eiseres voldoende gelegenheid biedt om haar betoging te houden en daarbij gebruik te maken van de door haar gewenste middelen. Daarbij komt dat aan de tegendemonstranten ook een specifieke locatie is toegewezen en dat met de aanwijzing van die specifieke locaties het belang van het bestrijden of voorkomen van wanordelijkheden is gediend. De aanwijzing van een vaste locatie draagt bovendien bij aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van bezoekers van de kliniek, aldus de adviescommissie. Tot slot heeft de adviescommissie aangegeven dat het primaire besluit geen overwegingen bevat ten aanzien van de voorschriften die (mede) in het belang van de bescherming van de gezondheid zijn opgelegd, maar dat de voorschriften die erop zien dat de betoging statisch dient te zijn en dat deelnemers aan de betoging een afstand van 1,5 meter moeten houden tot elkaar en tot derden wel degelijk het belang van de gezondheid dienen.\n\n2.4. Verweerder heeft in beroep nog gesteld dat eiseres ‘onnodige hinder’ veroorzaakt in de zin van artikel 2:47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Haarlem (APV), wat bij de APV strafbaar is gesteld. De demonstraties veroorzaken hinderlijk gedrag en vallen daarom onder het begrip wanordelijkheden, op grond waarvan verweerder voorschriften en beperkingen mocht stellen aan de demonstraties. Het hinderlijke gedrag bestaat volgens verweerder uit het aanspreken van bezoekers van de abortuskliniek, het uitdelen van flyers en het proberen de bezoekers over te halen van de medische ingreep af te zien. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar het aan verweerder uitgebrachte advies van prof. mr. dr. [naam 1] en prof. mr. dr. [naam 2], op het standpunt dat dit gedrag naar civielrechtelijke maatstaven beoordeeld hoog scoort op de criteria voor onrechtmatige hinder. Die hinder is onnodig en aan te merken als een wanordelijkheid. Uit het advies blijkt dat bij het aannemen van onnodige hinder in dit geval zwaar weegt dat de ongevraagde interventies van demonstranten door de kwetsbare bezoekers van de abortuskliniek als buitengewoon ongewenst en intimiderend worden ervaren en als een ernstige inbreuk op hun privéleven wordt beschouwd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.1. De rechtbank beoordeelt of verweerder in redelijkheid beperkingen kon verbinden aan de door eiseres aangekondigde betogingen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen beperkingen mocht stellen aan de door eiseres aangekondigde betogingen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voordat de rechtbank dit doet, zal zij zich eerst uitlaten over het procesbelang.\n\n3.3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nProcesbelang4.1. De rechtbank stelt vast dat het jaar 2021 inmiddels voorbij is en dat eiseres in zoverre geen belang heeft bij een uitspraak die betrekking heeft op betogingen die in dat jaar hebben plaatsgevonden. Verder stelt de rechtbank vast dat er voor het jaar 2022 een vergelijkbare melding is gedaan voor betogingen, dat verweerder in reactie daarop een besluit als in deze zaak heeft genomen, waarbij ook één vaste locatie is aangewezen voor de betogingen. Tegen die besluitvorming is eiseres (naar eigen zeggen uit praktische overwegingen) niet opgekomen. Na verweerders besluit over de betogingen in 2022 heeft eiseres de melding voor die betogingen ingetrokken.\n\n4.2. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling)volgt dat procesbelang kan zijn gelegen in de omstandigheid dat zich tussen dezelfde partijen in de toekomst een soortgelijk geschil kan voordoen.\n\n4.3. \n\nHoewel eiseres geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen een besluit van verweerder over betogingen in 2022 en haar melding voor betogingen in 2022 eerst na die besluitvorming heeft ingetrokken, stelt de rechtbank op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat eiseres in de toekomst soortgelijke betogingen wil houden, waarin zij weer kan worden geconfronteerd met dezelfde of vergelijkbare voorwaarden. De rechtbank concludeert daarom dat eiseres belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit.\n\nMocht verweerder beperkingen stellen aan de door eiseres aangekondigde betogingen?5.1. \n\nEiseres voert aan dat verweerder niet bevoegd was om haar betogingen te beperken tot één locatie in verband met een tegendemonstratie. De voorkoming van wanordelijkheden als bedoeld in de Wom kan volgens eiseres alleen betrekking hebben op wanordelijkheden die van de oorspronkelijke betogers uitgaan en niet op die vanwege een tegendemonstratie. Onder verwijzing naar jurisprudentiestelt eiseres dat in geval van een tegendemonstratie de lokale overheid moet zorgen voor voldoende politiebescherming, zodat de oorspronkelijke betoging ongestoord kan doorgaan. Slechts wanneer ongeregeldheden een zodanige omvang aannemen dat het onmogelijk is voor de autoriteiten om de orde te handhaven, is een verbod of beperking gerechtvaardigd. Daarvan is hier geen sprake, aldus eiseres.\n\nVerder stelt eiseres dat verweerder ten onrechte stelt dat het benaderen en aanspreken van bezoekers door betogers als een wanordelijkheid in de zin van de Wom moet worden aangemerkt. Verweerder erkent bovendien dat eiseres en haar mededemonstranten zich onberispelijk hebben gedragen en dat er geen klachten bekend zijn over haar demonstraties. Verweerder vat het begrip ‘wanordelijkheden’ volgens eiseres dan ook te ruim op en mag de niet nader onderbouwde ‘gevoelens in de maatschappij’ met betrekking tot de betogingen van eiseres daarbij niet betrekken. In de visie van eiseres moet het begrip ‘wanordelijkheden’ beperkt worden uitgelegd en moet het gaan om strafbaar gedrag.\n\nDaarnaast stelt eiseres dat artikel 2 van de Wom slechts drie belangen noemt op grond waarvan aan een betoging beperkingen kunnen worden gesteld en dat verweerder, door in de besluitvorming de persoonlijke levenssfeer van de bezoeksters en hun rechten op grond van de Wet afbreking zwangerschap te betrekken, buiten de reikwijdte van de Wom treedt.\n\nTot slot stelt eiseres dat de besluitvorming van verweerder inbreuk maakt op de met de artikelen 10 en 11 van het EVRM gegarandeerde rechten.\n\n5.2. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid die artikel 5, eerste lid, van de Wom aan verweerder geeft om voorschriften en beperkingen te stellen aan een betoging, een discretionaire bevoegdheid is. Dat betekent dat verweerder een bepaalde beleidsruimte heeft bij het gebruikmaken van deze bevoegdheid. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de voorwaarden ter beperking van de betogingen in redelijkheid kon stellen vanuit het oogpunt van de belangen die genoemd worden in artikel 2 van de Wom: bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer en bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Met eiseres is de rechtbank dus van oordeel dat de persoonlijke levenssfeer en de rechten uit de Wet afbreking zwangerschap geen belangen zijn die een rol spelen bij de vraag of verweerder de bevoegdheid toekomt om in dit geval voorwaarden en beperkingen te stellen aan de betoging van eiseres. Wel kunnen deze aspecten een rol spelen bij de vraag of verweerder zijn bevoegdheid proportioneel heeft ingezet.\n\nBescherming van de gezondheid5.3. Verweerder heeft zich - onder verwijzing naar de uitbraak van het coronavirus en het daarmee verband houdende afstandscriterium van 1,5 meter - op het standpunt gesteld dat het ook ter bescherming van de gezondheid noodzakelijk is dat de betoging statisch is en dat betogers in één demonstratievak moeten staan. De rechtbank kan dit standpunt zonder nadere toelichting niet volgen. De rechtbank acht de motivering van het bestreden besluit op dit onderdeel dan ook onvoldoende. In zoverre komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Vervolgens rijst de vraag of verweerder in het kader van het belang van de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden wel mocht bepalen dat de betogingen vanuit één demonstratievak dienen plaats te vinden.\n\nVoorkoming van wanordelijkheden5.4. \n\nDe rechtbank overweegt dat eiseres terecht betoogt dat de beperkingsgrond \"ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden\" niet te ruim mag worden uitgelegd. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar standpunt dat die beperkingsgrond zo beperkt moet worden uitgelegd, dat alleen strafbare gedragingen hieronder vallen en dat alleen de wanordelijkheden veroorzaakt door de oorspronkelijke betogers een rol kunnen en mogen spelen.\n\nZoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 september 2016is van belang dat in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9 van de Grondwet, waarnaar ook in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Womwordt verwezen, is vermeld dat doelbewust voor \"bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden\" als beperkingsgrond is gekozen. Het vervangen van deze beperkingsgrond door \"handhaving van de openbare orde\" zou een aanmerkelijke uitbreiding van de beperkingsbevoegdheid en derhalve een verzwakking van het in dit artikel vervatte grondrecht inhouden, omdat het begrip \"openbare orde\" zeer ruim kan worden uitgelegd. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Womis verder vermeld dat de betekenis van de beperkingsgrond \"bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden\" tot op zekere hoogte wordt beïnvloed door de context waarbinnen de grond wordt ingeroepen. De beoordeling of een samenstel van (verwachte) ongewenste gedragingen zo ernstig is dat van wanordelijkheden kan worden gesproken, hangt niet uitsluitend af van de aard van die gedragingen. Ook de plaats waar de manifestatie wordt gehouden kan hier van betekenis zijn. De mate van orde en rust die naar algemeen inzicht op een bepaalde plaats behoort te heersen bepaalt mede wanneer de grens van wanordelijkheden wordt overschreden, aldus de geschiedenis.\n\nGelet op deze totstandkomingsgeschiedenis volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat onder wanordelijkheden uitsluitend strafbare gedragingen moeten worden verstaan. Ook volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis niet dat alleen de wanordelijkheden veroorzaakt door de oorspronkelijke betogers een rol kunnen en mogen spelen.\n\n5.5. Of gesproken kan worden van wanordelijkheden hangt dus af van de aard van de gedragingen en de plaats waar de betogingen plaatsvinden, in dit geval bij een abortuskliniek. De rechtbank is van oordeel dat bezoekers van een abortuskliniek in zekere mate meer bescherming behoeven dan bezoekers van andere openbare locaties. Dat betekent echter naar het oordeel van de rechtbank niet dat het benaderen en aanspreken van bezoekers van de abortuskliniek door betogers van eiseres per definitie een wanordelijkheid is die beperking van de betoging tot één demonstratievak rechtvaardigt. Ook artikel 2:47, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV biedt naar het oordeel van de rechtbank hiervoor geen handvat. Daartoe overweegt de rechtbank dat onduidelijk is wat onder het in artikel 2:47 van de APV genoemde begrip ‘onnodige hinder’ moet worden verstaan. De APV zelf kent geen uitleg van dit begrip. Uit de toelichting van de VNG op artikel 2:47 van de model-APV blijkt dat met name gedacht is aan het strafbaar stellen van baldadigheid in situaties waarin in het taalgebruik bepaald gedrag wel als baldadigheid wordt beschouwd, maar dit gedrag niet onder een strafbepaling in het Wetboek van Strafrecht valt. Dit past ook bij de plaatsing van artikel 2:47 in hoofdstuk 2 van de APV dat betrekking heeft op (handhaving van) de openbare orde. De invulling die verweerder in navolging van het advies aan artikel 2:47 van de APV geeft, ziet echter niet zozeer op verstoring van de openbare orde, maar op verstoring van de persoonlijke levenssfeer van de bezoekers van de kliniek. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet onder ‘onnodige hinder’ in de zin van de APV worden geschaard.\n\n5.6. Zoals blijkt uit het advies van de adviescommissie en zoals verweerder ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, is het gedrag van de betogers van eiseres geen aanleiding geweest voor het beperken van de betogingen van eiseres en zijn er nooit klachten geweest over de betogingen van eiseres. Verweerder heeft gewezen op tegendemonstraties in januari en februari, maar die vonden plaats op andere data dan de door eiseres aangemelde betogingen en kunnen daarom naar het oordeel van de rechtbank niet de beperking tot één demonstratievak rechtvaardigen. Dat een reële vrees voor wanordelijkheden als bedoeld in artikel 2 van de Wom kan ontstaan door de wijze waarop anderen reageren op de betogingen van eiseres, is zonder nadere toelichting onvoldoende om een beperking van het demonstratierecht van eiseres aanvaardbaar te achten. Andere redenen op grond waarvan sprake is van een reële vrees voor wanordelijkheden heeft verweerder niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft omdat niet voldoende gemotiveerd is waarom de gestelde beperking noodzakelijk was ter voorkoming van wanordelijkheden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Gelet op de overwegingen hiervoor is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd. Omdat de besluitvorming ziet op een periode uit het verleden en de rechtbank ervan uitgaat dat verweerder geen andere feiten of omstandigheden uit het verleden aan de besluitvorming ten grondslag kan leggen om het motiveringsgebrek te herstellen, ziet de rechtbank af van de toepassing van een bestuurlijke lus. De rechtbank zal op grond van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien, door te bepalen dat de voorschriften 1 en 2 van het primaire besluit vervallen. Dat betekent dat de betogingen van eiseres in 2021 niet op een aangewezen locatie en vanuit een aangewezen vak hoefden plaats te vinden. Deze uitspraak heeft niet zonder meer tot gevolg dat aan betogingen van eiseres in het vervolg geen beperkingen mogen worden verbonden. Verweerder zal in geval van een nieuwe aanmelding van betogingen wel beter dan in de onderhavige zaak moeten motiveren waarom op dat moment en in dat geval sprake is van een reële vrees voor wanordelijkheden, die het verbinden van eventuele beperkingen aan de betogingen rechtvaardigen.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n8. Daarnaast bestaat er aanleiding om verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- herroept de aan het primaire besluit verbonden voorschriften 1 en 2 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 181,- vergoedt;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzitter, en mr. E. Jochem en mr. M. Kraefft, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2022.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\nBijlage: Relevante wettelijke bepalingen\n\nWet openbare manifestaties (Wom)\n\nArtikel 2\n\nDe bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.\n\nArtikel 3\n\n1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin voor samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is.\n\n(…)\n\nArtikel 5\n\n1. De burgemeester kan naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.\n\n2 Een verbod kan slechts worden gegeven indien:\n\nde vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan;\n\nde vereiste gegevens niet tijdig zijn verstrekt;\n\neen van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.\n\n3 Een voorschrift, beperking of verbod kan geen betrekking hebben op de inhoud van hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te openbaren gedachten of gevoelens.\n\n4 Beschikkingen als bedoeld in het eerste lid worden zo spoedig mogelijk bekendgemaakt aan degene die de kennisgeving heeft gedaan.\n\nVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)\n\nArtikel 10\n\n1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.\n\n2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.\n\nArtikel 11\n\n1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.\n\n2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.\n\nAlgemene Plaatselijke Verordening gemeente Haarlem (APV)\n\nArtikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen\n\n1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.\n\nArtikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen\n\n1. Het is verboden op een openbare plaats:\n\nte klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;\n\nzich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen overlast of hinder berokkent.\n\n2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nVrijheid en verantwoordelijkheid, Over het recht tot betoging en locatiebeperkingen, 3 september 2021, p. 15-17\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3382\n\n Uitspraak van 22 maart 2001 van de rechtbank Maastricht, ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0754\n\nECLI:NL:RVS:2016:2521\n\n Kamerstukken II 1975\u002F76, 13 872, nr. 4, blz. 90, en Kamerstukken II 1976\u002F77, 13 872, nr. 7, blz. 34\n\n Kamerstukken II 1986\u002F87, 19 427, nr. 5, blz. 10\n\n Kamerstukken II 1985\u002F86, 19 427, nr. 3, blz. 17","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:9960","2022-11-10T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.795Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"302","ECLI:NL:RBMNE:2022:3914","ecli-nl-rbmne-2022-3914",63,"2022-09-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F4153\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2022 in de zaak tussen\n het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, eisers\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Schipper),\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister\n\n(gemachtigde: mr. drs. M.A.G. Stolker).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Vermilion Energy Netherlands B.V., uit Amsterdam, Vermilion\n\n(gemachtigde: mr. R. Olivier).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen het besluit tot verlenging van de aan Vermilion verleende opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen Utrecht.\n\nDe minister heeft de aanvraag van Vermilion om verlenging van de opsporingsvergunning met het besluit van 15 maart 2021 (het primaire besluit) ingewilligd.\n\nMet het bestreden besluit van 3 september 2021 heeft de minister de bezwaren van eisers hiertegen niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vermilion heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 5 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, namens de provincie Utrecht mr. [A] en drs. [B] , namens de minister zijn gemachtigde en drs. [C] en mr. [D] , namens Vermilion de gemachtigde en [E] .Totstandkoming van het besluit\n\nBij besluit van 25 april 2007 is aan de rechtsvoorganger van Vermilion een opsporingsvergunning koolwaterstoffen Utrecht verleend (Stc. 3 mei 2007, nr. 85). Deze vergunning is verschillende malen verlengd, de laatste keer met het primaire besluit van 15 maart 2021. De opsporingsvergunning geeft Vermilion het alleenrecht om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van delfstoffen en gegevens daarover onder andere door middel van het verrichten van een proefboring.\n\nEisers hebben tegen de verlenging van de opsporingsvergunning bezwaar gemaakt. De minister heeft de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij naar zijn mening geen belanghebbenden zijn bij het besluit. De minister heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. De aan Vermilion verleende vergunning geeft haar het alleenrecht om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van delfstoffen en gegevens daarover met gebruikmaking van een boorgat. Dit onderzoek kan bestaan uit bureaustudie, seismisch onderzoek en een eventuele proefboring. Bureaustudie en seismisch onderzoek hebben geen feitelijke gevolgen van enige betekenis voor de ruimtelijke ordening. Het doen van een proefboring kan dat wel hebben. De verleende vergunning geeft echter geen toestemming voor het feitelijk uitvoeren van de proefboring. Voor het verrichten van een proefboring is eerst nog een omgevingsvergunning nodig. Aan eisers is het belang van de ruimtelijke ordening toevertrouwd, maar dit belang wordt door het besluit niet geraakt. De verlenging van de opsporingsvergunning heeft als zodanig immers geen feitelijke gevolgen voor de ruimtelijke ordening van de gemeenten en provincie. Beoordeling door de rechtbank\n\nEisers zijn het niet eens met het besluit van de minister. Zij vinden dat ze wel belanghebbenden zijn bij het besluit tot verlenging van de opsporingsvergunning.\n\nOp grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb worden de aan een bestuursorgaan toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(de Afdeling) is een belang aan een bestuursorgaan toevertrouwd als een wettelijk voorschrift aan dit bestuursorgaan een bevoegdheid tot behartiging van dit belang toekent.\n\n5. De ruimtelijke ordening van het grondgebied van een gemeente is een mede aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke ordening van het grondgebied van een provincie, dat is een aan het college van gedeputeerde staten van de provincie toevertrouwd belang. Dit volgt uit diverse bepalingen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).Aan gedeputeerde staten van de provincie is verder het belang van de drinkwaterwinning toevertrouwd. Op grond van bepalingen in de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer zijn gedeputeerde staten verantwoordelijk voor de bescherming van de bronnen waaruit water wordt gewonnen voor de drinkwatervoorziening.\n\n6. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de belangen van de ruimtelijke ordening en de drinkwaterwinning rechtstreeks betrokken zijn bij het besluit tot het verlengen van de opsporingsvergunning.\n\n7. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De verlening, wijziging en verlenging van vergunningen voor de opsporing en winning van delfstoffen en aardwarmte is geregeld in hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet. In dit hoofdstuk is uitputtend geregeld welke gronden aanleiding kunnen of moeten geven voor weigering van een vergunning, welke voorschriften daaraan kunnen worden verbonden en wanneer een verleende vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Artikel 18, derde lid, van dit hoofdstuk van de Mijnbouwwet regelt de verlenging van een opsporingsvergunning. Op grond van dit artikel wordt een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een vergunning geldt slechts ingewilligd indien het in de vergunning vastgestelde tijdvak onvoldoende is om de activiteiten waarvoor de vergunning geldt, te voltooien en deze activiteiten zijn verricht in overeenstemming met de vergunning. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft hierover in een uitspraak van 14 maart 2018overwogen dat het niet zo is dat de minister, indien aan deze voorwaarde is voldaan, onder alle omstandigheden gehouden is tot verlenging van de vergunning. De minister heeft in dit verband een zekere ruimte om op grond van een belangenafweging van verlenging af te zien. Deze ruimte kan, gelet op het limitatief-imperatieve karakter van de in hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet neergelegde regeling, niet groter zijn dan de ruimte die de minister in zoverre heeft bij de beslissing over verlening of weigering van een opsporingsvergunning.\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn, gezien het voorgaande, de gronden voor het weigeren van een opsporingsvergunning, genoemd in artikel 9 van de Mijnbouwwet, aldus ook voor een besluit tot verlenging van de vergunning van belang.\n\n9. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Mijnbouwwet bepaalt dat een vergunning geheel of gedeeltelijk kan worden geweigerd indien het in de aanvraag aangeduide gebied door onze minister niet geschikt wordt geacht voor de in de aanvraag vermelde activiteit om reden van het belang van: 1º. de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, 2°. het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen, 3°. nadelige gevolgen die voor het milieu worden veroorzaakt, of 4°. nadelige gevolgen die voor de natuur worden veroorzaakt.\n\n10. Hieruit volgt dat de belangen van de ruimtelijke ordening – effecten voor natuur en milieu – (onder 1º, 3º en 4º) en de drinkwaterwinning (onder 2º) een rol kunnen spelen bij de beslissing over de verlenging van een opsporingsvergunning. Deze aan eisers toevertrouwde belangen zijn dus rechtstreeks bij het besluit betrokken en dit maakt eisers belanghebbenden bij het primaire besluit.\n\n11. De stelling van verweerder en derde-partij dat een opsporingsvergunning een marktordenend karakter heeft en nog geen feitelijke gevolgen heeft, omdat voor een proefboring nog een omgevingsvergunning nodig is, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Voor dit oordeel zijn twee argumenten redengevend. Het eerste argument is dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9 van de Mijnbouwwet blijkt dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu (inclusief waterkwaliteit) en de natuur als weigeringsgronden voor het verlenen van een opsporingsvergunning in de wet op te nemen en dat daarbij is voorzien dat dit tot gevolg heeft dat in elk van de drie fasen– (i) opsporings- en winningsvergunning, (ii) winningsplan, (iii) omgevingsvergunning – getoetst zal worden aan de belangen van voorkoming van schade en negatieve gevolgen voor milieu en natuur. Dat deze toetsing hierdoor zo vroeg mogelijk in het proces plaatsvindt is gerechtvaardigd vanwege de impact van mijnbouwactiviteiten.De consequentie hiervan is dat partijen die deze belangen behartigen hun standpunt hierover ook in de opsporingsfase naar voren moeten kunnen brengen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat er voor het feit dat in de fase van de opsporingsvergunning nog geen sprake is van daadwerkelijke winningsactiviteiten waardoor er beperkt zicht is op de gevolgen van die vergunning voor natuur, milieu en de winning van grondwater voor drinkwater, aandacht is geweest. Dat heeft echter niet tot een andere keuze van de wetgever geleid.\n\n12. Het tweede argument is dat de verlenging van de opsporingsvergunning een noodzakelijke voorwaarde is om uiteindelijk gaswinning te kunnen realiseren en draagt daarom bij tot het openen van de weg naar realisatie daarvan. De omstandigheid dat voor het daadwerkelijk getroffen zijn in het belang nog nadere besluitvorming is vereist, staat naar het oordeel van de rechtbank daarom in dit geval niet in de weg aan het aannemen van belanghebbendheid. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de rechtspraak van de Afdeling over de Wet geluidhinder.Uit die rechtspraak volgt dat beroep tegen een eerder besluit uit de besluitvormingsketen mogelijk dient te zijn wanneer zulk een besluit naar zijn strekking leidt tot de mogelijkheid dat een natuurlijke of rechtspersoon door het nadere besluit in zijn belang zal worden geschaad. Dat eisers door het verrichten van proefboringen en uiteindelijk gaswinning in hun belangen worden geraakt, staat niet ter discussie.Conclusie en gevolgen\n\n13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eisers belanghebbenden zijn bij het primaire besluit en dat hun bezwaar daartegen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. Omdat de minister nu gehouden is om inhoudelijk te reageren op de bezwaren van eisers, is het ook zo dat de minister eisers alsnog een volledig inhoudelijk dossier ter beschikking zal moeten stellen.\n\n15. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.518,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 3 september 2021;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 360,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzitter, en mr. L.A. Banga en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2022.\n\ngriffier\n\nDe voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2230.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:869\n\n Nader gewijzigd amendement van het lid Van Tongeren c.s. ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 23, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34348, nr. 41\n\n Memorie van Toelichting, 34 348, nr. 3, pp. 7 - 9 en 33- 34; Eerste Kamer, 34 041 (en 34 348), E, pagina 10.\n\n ECLI:NL:RVS:2009:BJ1097","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:3914","2026-07-13T00:28:23.467Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"1837","ECLI:NL:RBOBR:2022:2025","ecli-nl-rbobr-2022-2025",72,"2022-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F1500 Ttussenuitspraak van de meervoudige kamer van 20 mei 2022 in de zaak tussen\n\n [eisers] ,uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. V. Wösten),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk (voorheen de gemeente Grave), verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G. Lucas).\n\nAls derde-partij neemt aan het geding deel Varkenshouderij [naam] te [plaats]\n\n(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 14 augustus 2020 (primair besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een luchtwasser en luchtkanaal bij een bestaande varkensstal, op het perceel kadastraal bekend gemeente Grave, [sectienummer] , plaatselijk bekend [projectlocatie] .\n\nMet het besluit van 11 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser [naam] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en de bezwaren van de overige eisers niet-ontvankelijk verklaard.\n\nEisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 5 april 2022 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaak SHE 21\u002F1501. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de derde-partij zijn de gemachtigde en [namen] verschenen.\n\nOverwegingen\n\n1. De zaak gaat over de bouw van een luchtwasser met luchtkanaal aan een bestaande varkensstal aan de [projectlocatie] (verder: de projectlocatie). In deze uitspraak zet de rechtbank eerst de feiten op een rij. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of alle eisers een rechtstreeks betrokken belang hebben. Dan worden de inhoudelijke beroepsgronden behandeld. In de bijlage staat de regelgeving waarnaar wordt verwezen in deze uitspraak.\n\n2.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:\n\n Op de projectlocatie is een varkenshouderij gevestigd met twee stallen. De oude boerderij zelf is al meer dan 100 jaar geleden gebouwd. Op de projectlocatie is het bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2018” van toepassing. De projectlocatie heeft de bestemming “Agrarisch met waarden-landschapswaarden” met de functieaanduiding “intensieve veehouderij” en de dubbelbestemming “Waterstaat-Attentiegebied EHS”.\n\n Voor de inrichting is op 19 oktober 1993 een revisievergunning verleend die onherroepelijk is geworden en in werking is getreden. Stal 1 is hierbij zonder luchtwasser en luchtkanaal opgericht en traditioneel uitgevoerd.\n\n Op 24 september 2010 is voor de oprichting van een nieuwe stal voor 2.160 vleesvarkens (stal 3) een bouwvergunning eerste fase aangevraagd.\n\n Op 27 september 2010 is een bouwvergunning eerste fase aangevraagd voor de bouw van een luchtkanaal en luchtwasser ten behoeve van de al op het perceel aanwezige traditioneel uitgevoerde stal 1.\n\n Op 27 september 2010 is ook een revisievergunning aangevraagd voor verandering van de inrichting met de nieuw op te richten stal (stal 3) en de aansluiting van stal 1 op een chemische luchtwasser en verhoging van de bezetting van stal 1 naar 880 vleesvarkens. Stal 2 is ook een traditionele stal, die volgens de aanvraag buiten gebruik wordt gesteld. Op 9 april 2013 is de revisievergunning verleend.\n\n Vervolgens zijn op 23 mei 2013 de bouwvergunningen eerste fase verleend voor zowel de oprichting van stal 3 als de bouw van het luchtkanaal en de luchtwasser bij stal 1. Op 14 april 2014 is een bouwvergunning tweede fase verleend voor de oprichting van stal 3. Ten behoeve van stal 1 is geen bouwvergunning tweede fase aangevraagd.\n\n Eiser [naam] woont op het perceel naast de projectlocatie. De andere eisers wonen op grotere afstand van de locatie, op 380 meter en 230 meter. De andere eisers hebben (nagenoeg) geen zicht op het te bouwen luchtkanaal en de luchtwasser bij stal 1.\n\n Bij een controle in 2018 is geconstateerd dat is begonnen met de bouw van het luchtkanaal en de luchtwasser. Verweerder heeft een bouwstop opgelegd. Hiertegen heeft de derde-partij bezwaar gemaakt. Dit heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 8 juli 2019 waarin het beroep van de derde-partij ongegrond is verklaard.Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.\n\n Eisers hebben verweerder ook verzocht om handhavend op te treden wegens een overtreding van artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Zij stellen dat de revisievergunning uit 2013 niet in werking is getreden en dat stal 3 is gerealiseerd in afwijking van de revisievergunning uit 2013. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld, dat bij deze rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer SHE 21\u002F1501. In de tussenuitspraak van heden in die zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de in 2013 verleende revisievergunning in werking is getreden.\n\n2.2. \n\nMet het primaire besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de luchtwasser en het luchtkanaal bij stal 1 en voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo. Verweerder is (met toepassing van artikel 5.3.1, onder c, van de planregels) afgeweken van het artikel 5.2.1, onder e, van de planregels, waarin eisen worden gesteld aan de hellingshoek van het dak. Verweerder heeft in de vergunning een voorschrift opgenomen dat inhoudt dat uitvoering moet zijn gegeven aan de op 5 februari 2020 gemelde sloop van het achterhuis van de oude boerderij, voordat wordt begonnen met de bouw van het luchtkanaal en de luchtwasser. Die verplichting is opgenomen om te kunnen voldoen aan het verbod op toename van bebouwing, dat is opgenomen in artikel 5.2.2, onder f, van de planregels.\n\nOok heeft verweerder met het primaire besluit een omgevingsvergunning verleend voor grondverzet. Deze vergunning is gebaseerd op artikel 27 van de planregels die gelden voor gronden met de dubbelbestemming “Waterstaat-Attentiegebied EHS”.\n\n2.3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser [naam] , onder afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard en de bezwaren van de overige eisers niet-ontvankelijk verklaard. Als bijlage is bij het bestreden besluit een besluit tot het verlenen van een voorlopig stalderingsbewijs gevoegd. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat hij dit besluit ter informatie heeft bijgevoegd. De rechtbank stelt vast dat het in de bijlage vervatte besluit niet ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit.\n\n3.1. Zijn alle eisers belanghebbenden bij het bestreden besluit? Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de eisers waarvan hij het bezwaar nietontvankelijk heeft verklaard, geen zicht hebben op de bouwlocatie en geen persoonlijk belang hebben.\n\n3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 20 juni 2018,is het uitgangspunt dat degene die feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken, indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Indien bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het besluit. Indien het besluit en de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, komt de vraag of aan die norm wordt voldaan aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.\n\n3.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte alleen heeft gekeken naar het zicht op het vergunde bouwwerk. Verweerder heeft daarmee miskend dat ook toestemming wordt verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan en dat deze toestemming alleen mag worden verleend als geen sprake is van een strijd met een goede ruimtelijke ordening. In dit kader had verweerder ook moeten kijken naar de factoren van planologische uitstraling en milieugevolgen, in het kader van de toets aan een goede ruimtelijke ordening. De luchtwasser wordt gebouwd om uitvoering te geven aan de revisievergunning uit 2013 en biedt daardoor de mogelijkheid om dieren te houden in stal 1. De rechtbank kan niet uitsluiten dat eisers hierdoor gevolgen van enige betekenis ondervinden. Daarom hebben alle eisers een rechtstreeks betrokken belang. De omstandigheid dat deze gevolgen al zijn beoordeeld in de revisievergunning van 2013, wil niet zeggen dat verweerder deze gevolgen niet moet betrekken bij de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal. Dit is een aparte beoordeling. De rechtbank concludeert dat verweerder het bezwaar van eisers (met uitzondering van dat van [naam] ) ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n4.1. Eisers hebben opgemerkt dat ten onrechte geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor de afwijkingen bij het realiseren van stal 3.\n\n4.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende aanvraag volgens het aanvraagformulier betrekking heeft op de ‘bouw van een bouwkundig luchtkanaal aan een bestaande varkensstal en het plaatsen van een luchtwasser’. Het is aan de aanvrager van een omgevingsvergunning te bepalen voor welke activiteit hij vergunning wenst te verkrijgen.\n\n4.3. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat verweerder niet buiten de grondslag van de aanvraag mag treden. Het luchtkanaal en de luchtwasser wijken niet af van de revisievergunning uit 2013 en in zoverre is ook geen sprake van een niet vergunde wijziging van de inrichting. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de revisievergunning uit 2013 in werking is getreden, zoals zij heeft geoordeeld in haar uitspraak in de zaak met zaaknummer\n\nSHE 21\u002F1501 T. Dit betoog slaagt niet.\n\n5.1. Eisers vinden dat de omgevingsvergunning voorziet in een uitbreiding van een gebouw in een zone \"Beperkingen Veehouderij\". Dat is volgens eisers in strijd met artikel 2.72 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). Volgens eisers is het verbod in artikel 5.2.2 van de planregels niet in overeenstemming met artikel 2.72 van de IOV.\n\n5.2. Verweerder is van mening dat artikel 2.72 van de IOV geen onderscheid maakt tussen stalgebouwen en andere gebouwen. Dit artikel bepaalt uitsluitend dat ‘een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen is uitgesloten’. Per saldo is volgens verweerder geen sprake van toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen. De bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal wordt gecompenseerd met de sloop van het oude achterhuis bij de boerderij.\n\n5.3. De projectlocatie ligt in de zone “Beperkingen Veehouderij” als bedoeld in artikel 2.72 van de IOV. De rechtbank stelt vast dat het verbod in artikel 5.2.2, onder f, van de planregels niet helemaal overeenstemt met artikel 2.72 van de IOV. Artikel 5.2.2, onder f, van de planregels bepaalt de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op de oppervlakte van gebouwen die op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of legaal in uitvoering zijn. De IOV bepaalt de bestaande oppervlakte van gebouwen op de oppervlakte die op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was. Omdat de mogelijkheid bestaat dat na 21 september 2013, maar voor de vaststelling van het bestemmingsplan, oppervlakte is toegevoegd, toetst de rechtbank (op basis van 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo en artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening) aan de rechtstreeks werkende bepaling in artikel 2.72 van de IOV.\n\n5.4. Het primaire besluit bevat de verplichting om een deel van de oude boerderij te slopen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat dit deel legaal is gebouwd, omdat het al aanwezig was voor 1900 (dus voor inwerkingtreding van de Woningwet). Verweerder hoeft hiervan geen nader bewijs te verschaffen. In het midden kan blijven of er wel of geen dieren mogen worden gehouden in het te slopen deel van de boerderij. Het maakt deel uit van de bebouwing van de veehouderij. Als dit deel wordt gesloopt en het luchtkanaal en de luchtwasser worden gebouwd, neemt de bebouwing van de veehouderij per saldo niet toe. Artikel 2.72 van de IOV staat er niet aan in de weg dat een deel van de bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt om de bebouwing voor de veehouderij te vergroten. Dit betoog slaat niet.\n\n6.1. Volgens eisers wordt met de bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal het dierenverblijf vergroot, in strijd met artikel 2.74 van de IOV.\n\n6.2. Verweerder beschouwt (in afwijking van de bezwaarschriftencommissie) de luchtwasser en het luchtkanaal niet als een dierenverblijf in de zin van de planregels. Hierin is een dierenverblijf gedefinieerd als ‘een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen’. In de luchtwasser worden geen landbouwhuisdieren gehouden. Het bouwwerk vormt volgens verweerder een apart bouwwerk naast de bestaande stal, waarin een luchtkanaal en luchtwasser worden ondergebracht. Het bouwwerk is (anders dan via de noodzakelijke ventilatieopeningen) niet verbonden met de bestaande stal en ook niet toegankelijk vanuit de stal. Verweerder beschouwt het bouwwerk als een voorziening buiten de stal en niet als een inpandige voorziening van de bestaande stal\u002Fhet bestaande dierenverblijf. De gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven verandert door de luchtwasser niet.\n\n6.3. Ook het verbod in artikel 5.2.2, onder e, van de planregels stemt niet helemaal overeen met artikel 2.74 van de IOV. Ook in dit onderdeel van de planregels wordt de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven gekoppeld aan de oppervlakte op de datum van de vaststelling van het bestemmingsplan en niet (zoals in artikel 2.74 van de IOV) aan de datum van 17 maart 2017. Bovendien biedt artikel 5.3.3 van de planregels de mogelijkheid om af te wijken van het verbod in artikel 5.2.2, onder e, van de planregels. Daarom toetst de rechtbank rechtstreeks aan artikel 2.74 van de IOV zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit.\n\n6.4. Hieronder heeft de rechtbank een kopie van de dwarsdoorsnede van het luchtkanaal opgenomen.\n\n6.5. De Afdeling heeft in een uitspraak van 25 maart 2020overwogen dat de stalderingsregeling ook van toepassing is in het geval dat de oppervlakte van het dierenverblijf wordt vergroot voor inpandige voorzieningen, zoals luchtwassers, brijkeukens of ventilatiekanalen, maar de oppervlakte van het dierenverblijf niet wordt vergroot om meer dieren te houden. Blijkens de toelichting bij artikel 26.1 van de IOV is het, vanuit het streven naar een zo eenvoudig mogelijke en eenduidige regeling, niet gewenst om binnen een gebouw onderscheid te maken tussen delen waar wel en waar geen dieren worden gehouden. Daarom hebben provinciale staten ervoor gekozen om bij de stalderingsregeling uit te gaan van de oppervlakte van het gehele dierenverblijf, inclusief de daartoe behorende voorzieningen zoals luchtwassers, brijkeukens en ventilatiekanalen. De rechtbank merkt hierbij op dat de definitie van dierenverblijf in artikel 2.74 van de IOV na deze uitspraak is gewijzigd. Destijds was het begrip \"dierenverblijf\" gedefinieerd als gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen.\n\n6.6. De vraag is of het luchtkanaal en de luchtwasser kunnen worden beschouwd als een apart gebouw of als een inpandige voorziening bij een gebouw. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het luchtkanaal en de luchtwasser niet zijn te beschouwen als een zelfstandig gebouw. Ze zitten aan de bestaande stal vast en zouden zonder de ondersteuning van de stal niet overeind blijven staan. Bovendien zitten er ventilatieopeningen tussen de bestaande stal en het luchtkanaal. Door de bouw van het luchtkanaal wordt het bestaande gebouw vergroot en wordt het luchtkanaal onderdeel van het gebouw. Deze constructie maakt het luchtkanaal tot een inpandige voorziening. Omdat, op grond van artikel 2.74, vierde lid, van de IOV, de inpandige voorzieningen van een dierenverblijf deel uitmaken, is sprake van een vergroting van de oppervlakte van het dierenverblijf. De rechtbank acht niet van belang dat in de inpandige voorzieningen geen dieren worden gehouden. In verweerders uitleg van artikel 2.74 van de IOV, zou het mogelijk kunnen zijn om zonder omgevingsvergunning voor bouwen het luchtkanaal te verbinden met de stal (bijvoorbeeld door een deur te maken) waardoor de stallen alsnog zouden worden vergroot. Dit beoogt artikel 2.74 van de IOV nu juist te voorkomen. Verweerder is dus ten onrechte afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Er is sprake van een toename van de oppervlakte van een hokdierenverblijf, in strijd met artikel 2.74 van de IOV. Er is dus een stalderingsbewijs nodig. In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van de luchtwasser en het luchtkanaal ten onrechte niet gegrond geacht.\n\n7.1. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Inmiddels heeft de derde-partij een definitief stalderingsbewijs. Verweerder dient het definitieve stalderingsbewijs te beoordelen en te bezien of hiermee wel een omgevingsvergunning kan worden verleend. Verweerder dient hiertoe een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen na intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. De rechtbank geeft verweerder wel de aanwijzing om het definitieve stalderingsbewijs, inclusief bijlagen, te overleggen en wijst verweerder op rechtsoverweging 9 van de uitspraak van 12 januari 2022.\n\n7.2. Verweerder heeft ter zitting al aangegeven dat hij in de gelegenheid wil worden gesteld om gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank zal eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n7.3. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\n houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter en mr. D.J. de Lange en mr. R. Grimbergen, rechters, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2022.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\n Bent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\nBijlage\n\nArtikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt:\n\n“Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.”\n\nArtikel 2.10, eerste lid onder c, Wabo\n\nVoor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.\n\nArtikel 4.1, derde lid van de Wro\n\nBij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid kunnen regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. Bij de verordening kunnen regels worden gesteld met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij die verordening aan te geven krachtens dit lid gestelde regels.\n\nArtikel 2.72 Verbod uitbreiding veehouderij IOV\n\nLid 1 Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.48 Veehouderij in Stedelijk gebied en artikel 3.51 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een veehouderij in Stedelijk gebied en Beperkingen Veehouderij dat:\n\na. een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten;\n\nb. een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten;\n\nc. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.\n\nLid 2 Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die:\n\na. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of\n\nb. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning.\n\nLid 3 Het verbod bedoeld in het eerste lid onder a en b, geldt niet voor een veehouderij gevestigd in Beperkingen veehouderij, die voldoet aan de voorwaarden van een grondgebonden veehouderij, als opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij als bedoeld in artikel 5.11.\n\nArtikel 2.74 van de IOV\n\nLid 1 Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een hokdierhouderij gevestigd binnen Stalderingsgebied, dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden.\n\nLid 2 Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging naar dierenverblijf bewijs is overlegd dat:\n\nbinnen het stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;\n\nb. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:\n\n1. ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;\n\n2. ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;\n\nc. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.\n\nLid 3 Als bestaande oppervlakte dierenverblijf geldt de oppervlakte die:\n\na. op 17 maart 2017 legaal aanwezig was; of\n\nb. mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende omgevingsvergunning.\n\nLid 4 Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer.\n\nLid 5 Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het tweede lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden:\n\na. het betreft een legaal opgericht dierenverblijf;\n\nb. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren.\n\nArtikel 5.2.1.e Bestemmingsplan Buitengebied Grave herziening 2018\n\nBouwwerken, voorzien van een dak, worden met een kap afgedekt waarvan de dakhelling niet minder mag bedragen dan 12º en niet meer mag bedragen dan 45º.\n\nArtikel 5.2.2 aanhef en onder f, Bestemmingsplan Buitengebied Grave herziening 2018\n\nVoor het bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van veehouderijen gelden de volgende voorwaarden: Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bedrijfswoning(en), niet meer bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen:\n\n die op het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of legaal in uitvoering zijn;\n\n die gebouwd mogen worden krachtens een voor het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning.\n\nArtikel 27.2.1 Bestemmingsplan Buitengebied Grave herziening 2018\n\nHet is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren of te laten uitvoeren: het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,6 m beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist in het kader van de Ontgrondingenwet;\n\n ECLI:NL:RBOBR:2019:4044\n\n ECLI:NL:RVS:2018:1986\n\n ECLI:NL:RVS:2020:881\n\n ECLI:NL:RBOBR:2022:23","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:2025","2026-07-13T00:29:41.227Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":78},"509","ECLI:NL:RBMNE:2022:567","ecli-nl-rbmne-2022-567","2022-02-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F1250\n uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2022 in de zaak tussen\n Vereniging Vrienden van 't Gooi, uit Huizen, eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M. Bekooy).\n\nDe partijen worden in het vervolg van deze uitspraak aangeduid als: de VVG en het college.\n\nInleiding\n\n1. Bij de Stichtse Brug in Blaricum ligt het Voorland, een natuurgebied met een recreatiestrand. Het Voorland is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Begin 2019 is in opdracht van de gemeente het strand deels afgegraven en met zand opgehoogd. Ook zijn een volleybalveld en een pad aangelegd. De VVG heeft het college om handhaving verzocht.\n\n2. In het besluit van 14 november 2019 heeft het college het handhavingsverzoek met betrekking tot het volleybalveld toegewezen en met betrekking tot de strandverbreding en de verhardingen afgewezen. De VVG heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. In de beslissing op bezwaar van 20 januari 2021 heeft het college de motivering van het besluit aangevuld. De VVG is het niet eens met die beslissing op bezwaar en heeft daartegen beroep ingesteld.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 14 december 2021 op zitting behandeld, gelijktijdig met een beroepszaak over de plaatsing van een strandpaviljoen (UTR 21\u002F98). De VVG is vertegenwoordigd door voorzitter ing. [A] en mr. [B] , vergezeld door deskundigen dr. J.A.M. Janssen en P.A. Bakker. Het college is vertegenwoordigd door gemachtigde mr. M. Bekooy, vergezeld door teamleider [C] en deskundige D. Grote Beverborg. Ook aanwezig was [D] , namens [bedrijf] B.V., de vergunninghouder van het strandpaviljoen.\n\n4. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek aangehouden in verband met een nadere uitwisseling van stukken over de ontvankelijkheid van het beroep. Het college heeft stukken ingediend en de VVG heeft daarop gereageerd. Partijen hebben aangegeven geen gebruik te maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft op 6 januari 2022 het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n5. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van de VVG niet-ontvankelijk, omdat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend.\n\n6. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel gekomen is.\n\nWas er sprake van een termijnoverschrijding?\n\n7. De beslissing op bezwaar is genomen op 20 januari 2021. Het college heeft stukken ingediend waaruit blijkt dat het besluit op 21 januari 2021 bij PostNL is aangeboden om aangetekend verzonden te worden. Uit de ‘Track & Trace’ gegevens van PostNL blijkt dat het poststuk op 26 januari 2021 bij het PostNL-punt is aangekomen en op 27 januari 2021 is afgehaald. Het pro forma beroepschrift is op 16 maart 2021 door de rechtbank ontvangen.\n\n8. Aan de beslissing op bezwaar ligt een salderingsovereenkomst ten grondslag. Deze salderingsovereenkomst is niet met de beslissing op bezwaar meegezonden, maar is op verzoek van de VVG op 9 februari 2021 per e-mail naar de VVG verzonden. De VVG voert aan dat de beroepstermijn pas is aangevangen na de verzending van het salderingsbesluit, omdat dat een belangrijk onderdeel van de beslissing op bezwaar is. Volgens de VVG was eerder niet voldaan aan artikel 14 van de Bekendmakingswet.\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank is de beroepstermijn aangevangen op 22 januari 2021, de dag na verzending van de beslissing op bezwaar. Daarmee was het besluit op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Uit artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat dat de start van de beroepstermijn is. Dat de salderingsovereenkomst op dat moment niet is meegezonden maakt daarvoor geen verschil. Die overeenkomst ligt wel ten grondslag aan het besluit, maar is geen onderdeel van het besluit zelf. De overeenkomst is daarom niet bepalend voor de bekendmaking van het besluit, en daarmee ook niet voor de start van de beroepstermijn.\n\n10. De beroepstermijn is op grond van artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht 6 weken vanaf de dag na de verzenddatum. De rechtbank stelt vast dat de beroepstermijn afliep op 4 maart 2021. Het beroepschrift is op 16 maart 2021 ingediend, dus pas na het verstrijken van de beroepstermijn.\n\nWas de termijnoverschrijding verwijtbaar?\n\n11. Uit artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een beroep toch ontvankelijk is, als de termijnoverschrijding de indiener redelijkerwijs niet kan worden verweten.\n\n12. De VVG voert aan dat het te laat indienen van het beroep haar niet kan worden verweten. De VVG stelt dat zij pas na ontvangst van de salderingsovereenkomst kon beoordelen of er reden was om beroep in te stellen. Vervolgens moest ook nog beslist worden of er een bureau zou worden ingeschakeld voor een contra-expertise, en welk bureau dat dan zou kunnen doen. De VVG wijst er ook op dat voor het instellen van beroep en het besteden van middelen uit de verenigingskas bestuursbesluiten nodig zijn en verantwoording moet worden afgelegd aan de leden, en dat kost ook tijd.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank kan de termijnoverschrijding de VVG redelijkerwijs worden verweten. Er was geen reden waarom de VVG niet al tijdens de beroepstermijn in ieder geval pro forma, dus nog zonder inhoudelijke gronden, beroep had kunnen instellen. Dat kon de VVG al doen vóór de ontvangst van de salderingsovereenkomst, en na ontvangst van de overeenkomst waren er bovendien ook nog ruim drie weken van de beroepstermijn over. Voor het instellen van beroep is het ook niet nodig dat er al is beslist over het inschakelen van een bureau voor een contra-expertise. Dat er tijd gemoeid is met interne besluiten en procedures binnen de vereniging komt voor risico van de VVG.\n\nConclusie\n\n14. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. A. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 februari 2022 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid\n\nom deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:567","2026-07-13T00:28:34.023Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":51,"updatedAt":87},"460","ECLI:NL:RBOBR:2022:444","ecli-nl-rbobr-2022-444","2022-02-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F527\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 15 februari 2022 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Osse en mr. E.F. van Hasselt),\n\nen\n\nDe minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister,\n\n(gemachtigde: M.C. Broere en mr. E. van Brandwijk).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 15 mei 2020 (het primaire besluit) heeft de minister besloten het eindrapport ‘ [eiseres] B.V. inspectie in het kader van toezicht op melatonine bevattende producten’ (hierna: het eindrapport) van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de IGJ) openbaar te maken.\n\nOp 19 mei 2020 heeft de IGJ aan eiseres een schriftelijke waarschuwing gegeven.\n\nEiseres heeft tegen het primaire besluit, het daaraan ten grondslag liggende eindrapport en tegen de waarschuwing bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBij uitspraak van 8 juli 2020 (kenmerk: ROT 20\u002F2867) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar.\n\nEiseres is op 8 oktober 2020 gehoord.\n\nBij besluit van 24 december 2020 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres;\n\nongegrond verklaard, voor zover het bezwaar gericht is tegen het besluit tot openbaarmaking van 15 mei 2020, dat onder aanvulling van de motivering in stand wordt gelaten;\n\nniet- ontvankelijk verklaard, voor zover het gericht is tegen de in het eindrapport neergelegde bevindingen en de begeleidende brief van 15 mei 2020;\n\nniet-ontvankelijk verklaard, voor zover het gericht is tegen de schriftelijke waarschuwing van 19 mei 2020.\n\nEiseres heeft op 1 februari 2020 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nBij brief van 9 februari 2021 heeft eiseres op grond van artikel 8:13 en 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht de rechtbank Rotterdam verzocht tot verwijzing en voeging van onderhavige beroepsprocedure en de beroepsprocedure van [naam] B.V. (kenmerk: SHE 21\u002F363). Ook heeft eiseres verzocht om versnelde behandeling van de beroepsprocedures.\n\nDe rechtbank Rotterdam heeft op 19 februari 2021 het beroep van eiseres (dat bij die rechtbank bekend is onder nummer ROT 21\u002F624) ter verdere behandeling verwezen naar deze rechtbank. Onder verwijzing naar artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank op 25 februari 2021 besloten om de beroepen van eiseres en van [naam] B.V. (bekend onder nummer SHE 21\u002F363) gevoegd te behandelen. In die brief heeft de rechtbank ook het door eiseres ingediende verzoek om versnelde behandeling afgewezen.\n\nEiseres heeft op 3 maart 2021 en 2 november 2021 aanvullende gronden van beroep ingediend.\n\nEiseres heeft de rechtbank op 21 oktober 2021 verzocht om Natuur- & Gezondheidsproducten Nederland (NPN) als derde-belanghebbende toe te laten in deze beroepsprocedure. Op 15 november 2021 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen omdat NPN niet kan worden aangemerkt als een belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid van de Awb.\n\nDe minister heeft op 29 oktober 2021 een verweerschrift ingediend.\n\nEiseres heeft op 30 november 2021 nadere stukken ingediend.\n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] , die werd bijgestaan door de gemachtigden van eiseres en werd vergezeld door [naam] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\nDe feiten\n\n1. Eiseres ontwikkelt producten en concepten op het gebied van voeding, training en suppletie voor health professionals. Onder de merknaam Eazzy Sleep produceert en verhandelt eiseres melatonine bevattende producten. De grondstof wordt in Duitsland aangeschaft. Eiseres slaat de producten op in het magazijn en levert de Eazzy Sleep producten aan particulieren.\n\n2. Bij brief van 31 oktober 2019 heeft de IGJ eiseres geïnformeerd dat zij het toezicht op producten die de werkzame stof melatonine bevatten en niet over een handelsvergunning beschikken gaat intensiveren. In deze brief staat onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\nDe IGJ stelt zich op het standpunt dat producten met een dagdosering van 0,3 mg melatonine op farmacologische wijze meerdere fysiologische functies van het menselijk lichaam beïnvloedt. Producten met een doseeradvies, dat leidt tot een inname van een hoeveelheid melatonine van 0,3 mg of meer per dag, worden op basis van het toedieningscriterium beschouwd als geneesmiddel en dientengevolge als vallend onder de Geneesmiddelenwet, mits voldaan wordt aan de bepalingen vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (o.a. Hecht Pharma arrest).\n\nDit betekent, dat laatstgenoemde producten, voordat ze in de handel worden gebracht, dienen te zijn geregistreerd als geneesmiddel en dat voor het in de handel brengen van het product een vergunning is vereist.”\n\n3. In de brief wordt verder aangekondigd dat de IGJ en Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) vanaf november 2019 inspectiebezoeken zullen afleggen bij ondernemingen die melatonineproducten verhandelen. Deze producten zullen afzonderlijk beoordeeld worden. Bij geconstateerde overtredingen zal handhavend worden opgetreden, waarbij vooralsnog tot 1 april 2020 wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Bij brief van 3 juni 2020 heeft de IGJ de termijn tot wanneer in geval van een overtreding wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing verlengd tot 1 juli 2020. Daarna zal bij een overtreding een bestuurlijke boete worden opgelegd.\n\n4. Op 19 november 2019 heeft IGJ bij onder meer de onderneming van eiseres een inspectiebezoek afgelegd in het kader van de aangekondigde intensivering van het toezicht op producten die melatonine bevatten. Doel van het bezoek was om te onderzoeken of eiseres melatonine-bevattende producten produceert en\u002Fof verhandelt die als geneesmiddel aangemerkt dienen te worden.\n\n5. Tijdens het inspectiebezoek op 19 november 2019 heeft de IGJ bij eiseres monsters verzameld van melatonine-bevattende producten en zijn foto’s van deze producten gemaakt. Deze monsters zijn vervolgens geanalyseerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarna de IGJ per melatonine-bevattend product een productbeoordeling heeft opgesteld. De productbeoordelingen vermelden de volgende gegevens:\n\nde samenstelling van het product, zoals vermeld op de verpakking;\n\nde farmacologische eigenschappen van het product, zoals deze bij de huidige stand van de wetenschap kunnen worden vastgesteld, waarbij het RIVM en de IGJ ervan uitgaan dat een dagdosering van 0,3 mg of meer exogeen melatonine een noemenswaardig en gunstig effect heeft op verschillende fysiologische functies van het lichaam;\n\nde wijze waarop het product wordt gebruikt of kan worden gebruikt;\n\nde omvang van de verspreiding van het product;\n\nde bekendheid van de consument met het product;\n\nde risico’s die het gebruik van het product voor de gezondheid kan meebrengen;\n\nof het gebruik van het product leidt tot een noemenswaardig en gunstig effect.\n\n6. Bij brief van 2 april 2020 heeft de IGJ het conceptrapport van de uitgevoerde inspectie aan eiseres toegezonden en haar verzocht te laten weten of het rapport feitelijke onjuistheden bevat. In deze brief is ook vermeld dat de IGJ voornemens is het eindrapport openbaar te maken.\n\n7. Eiseres heeft op 16 april 2020 gereageerd op het conceptrapport en de daarbij gevoegde productbeoordelingen.\n\n8. Op 15 mei 2020 heeft de IGJ het conceptrapport definitief vastgesteld als het eindrapport en eiseres daarover geïnformeerd. Ook op 15 mei 2020 heeft de IGJ het primaire besluit genomen en onder verwijzing naar artikel 44, eerste lid, van de Gezondheidswet en artikel 3.1 van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking, besloten tot openbaarmaking van het eindrapport. In het eindrapport is het volgende vermeld:“(…)14. ConstateringDe volgende producten zijn als geneesmiddel aangemerkt en mogen niet zonder handelsvergunning op de markt zijn:\n\nEazzy Sleep Natuurlijke melatonine uit pistachenoten\n\nEazzy Sleep Melatonine 0,1 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 0,3 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 1 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 1,5 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 2 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 3 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 4 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 5 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine Kid 0,25 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 1 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 1,5 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 2 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 3 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 4 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 5 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 5 mg met CBD\n\n15. Conclusie\n\nUit het inspectiebezoek van 19 november 2019 en de in het kader van dit inspectiebezoek door het bedrijf aangeleverde informatie is gebleken dat [eiseres] B.V. de onder punt 14 genoemde geneesmiddelen in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht en afgeleverd.\n\nHet in voorraad hebben, te koop aan te bieden, verkopen of afleveren van een geneesmiddel zonder handelsvergunning is een overtreding van artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet.\n\nHet zonder vergunning in voorraad hebben, te koop aanbieden of afleveren, of het drijven van een groothandel in geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning is verleend, is een overtreding van artikel 18, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet.\n\nVoor deze overtreding wordt aan [eiseres] B.V. een maatregel opgelegd, waarover u separaat wordt geïnformeerd.\n\n(…)”\n\n9. Bij brief van 19 mei 2020 heeft de minister aan eiseres een schriftelijke waarschuwing gegeven naar aanleiding van een overtreding van artikel 40, tweede lid en artikel 18, eerste lid van de van de Geneesmiddelenwet (Gnw), die tijdens het inspectiebezoek is vastgesteld. Daarbij stelt de minister eiseres tot en met 30 juni 2020 in de gelegenheid om alsnog aan de wettelijke eisen te voldoen. Ook heeft de minister eiseres aangezegd dat bij herhaalde constatering van de overtreding vanaf 1 juli 2020 een bestuurlijke boete zal worden opgelegd.\n\n10. De overige feiten staan onder het procesverloop.\n\nDe standpunten van de minister in het besteden besluit\n\n11. Bij het bestreden besluit heeft de minister het bij het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat hij op grond van artikel 44, eerste lid van de Gezondheidswet, gelezen in samenhang met artikel 3.1, onderdeel a, van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet (Besluit), verplicht is om het eindrapport openbaar te maken. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat daarbij geen ruimte is voor een individuele belangenafweging of inhoudelijke toetsing van de openbaar te maken informatie.\n\nSlechts wanneer er sprake is van een van de wettelijke uitzonderingsgronden genoemd in artikel 3.1, onderdeel a, van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit, dient publicatie achterwege te blijven. Volgens de minister is het inspectieonderzoek niet gedaan naar aanleiding van een melding of handhavingsverzoek, zoals eiseres heeft gesteld, en is daarom geen sprake van die uitzondering in het Besluit.\n\n12. Volgens de minister is bij het besluit tot openbaarmaking van het eindrapport van 15 mei 2020 ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 44a, negende lid van de Gezondheidswet, waarbij moet worden afgezien van openbaarmaking als die openbaarmaking in strijd is met het doel van de Gezondheidswet. Het doel van openbaarmaking is naleving van de regelgeving te bevorderen en het publiek inzicht te geven in de manier waarop toezicht plaatsvindt en wat de resultaten daarvan zijn. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze uitzonderingsgrond ook van toepassing is als de te openbaren informatie evident onjuist is. Daarvan is volgens de minister geen sprake.\n\n13. Met het oog op de toetsing door de rechtbank van het besluit tot openbaarmaking van het eindrapport heeft de minister verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2089. Uit deze uitspraak volgt dat de toetsing van het openbaarmakingsbesluit door de bestuursrechter slechts beperkt kan zijn tot de vraag of voor de vaststellingen van feitelijke aard in het rapport een voldoende feitelijke basis aanwezig is. De waardering van feiten en oordelen daarover maken geen deel uit van de door de bestuursrechter te verrichten toetsing evenmin als conclusies die op die waarderingen en oordelen zijn gebaseerd.\n\nDe minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat publicatie van het eindrapport niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM en evenmin met het gelijkheidsbeginsel.\n\n14. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2201 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vaststelling van het eindrapport niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb en dat het daartegen gerichte bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk is.\n\n15. De minister heeft er verder op gewezen dat de bevindingen in het eindrapport niet hebben geleid tot het opleggen van een bestuurlijke boete maar tot de op 19 mei 2020 gegeven schriftelijke waarschuwing, die niet is gebaseerd op een wettelijke bepaling, maar op de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport 2019 (de Beleidsregels). Daarom kan de aan eiseres gegeven waarschuwing niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb, waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. De minister heeft bij dit standpunt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3484. Een bestuurlijke boete kan volgens de minister pas worden opgelegd nadat een nieuwe overtreding is vastgesteld. Uit de Beleidsregels volgt ook dat een eerder gegeven waarschuwing geen voorwaarde is om bij herhaalde overtreding een bestuurlijke boete te kunnen opleggen.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n16. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage behorende bij deze uitspraak.\n\n17. De rechtbank stelt vast dat de door de minister aan eiseres gegeven waarschuwing niet is gebaseerd op een wettelijk voorschrift. In de Beleidsregels is de door de minister in het bestreden besluit aangenomen overtreding van de artikel 40, tweede lid, van de Gnw aangemerkt als direct beboetbaar en is de waarschuwing niet vermeld als onderdeel van het bij die overtredingen horende sanctieregime. In navolging van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249 (de conclusie) oordeelt de rechtbank dat op beleidsregels gebaseerde of informele waarschuwingen (zoals de in deze zaak aan de orde zijnde waarschuwing) geen besluiten zijn in de zin van de Awb en dat daartegen in zoverre geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Uit de conclusie volgt echter ook dat dergelijke waarschuwingen in ieder geval in drie situaties voor de rechtsbescherming met een besluit gelijk moeten worden gesteld, zodat zij wel in rechte kunnen worden bestreden, omdat de alternatieve route om een rechterlijk oordeel erover te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is. Het vereiste van een effectieve rechtsbescherming volgt uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2017 (ECLI:EU:C:2017:491, Unibet) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n18. De rechtbank oordeelt dat de aan eiseres gegeven waarschuwing moet worden gelijkgesteld met een besluit omdat een alternatieve route om rechtsbescherming te krijgen onevenredig bezwarend zou zijn en niet van eiseres kan worden gevergd. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank de volgende omstandigheden en overwegingen.\n\n19. In afwijking van de Beleidsregels, waarin is vermeld dat de in het bestreden besluit gestelde overtreding van artikel 40, tweede lid, van de Gnw direct beboetbaar is, heeft de minister bewust volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing aan eiseres. Als de minister echter overeenkomstig de Beleidsregels direct een boete zou hebben opgelegd wegens de gestelde overtreding, zou eiseres tegen dat boetebesluit en de grondslag daarvoor bezwaar hebben kunnen maken en zou openbaarmaking van het eindrapport achterwege zijn gebleven omdat in dat geval sprake zou zijn van de uitzondering op openbaarmaking, die is vermeld in artikel 3.1, onderdeel a, onder IV van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit.\n\n20. Eiseres heeft daarnaast onweersproken gesteld dat zij haar voorraden van de in het eindrapport vermelde producten uit voorzorg uit de handel heeft gehaald en vernietigd. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank ook feitelijk niet van eiseres worden verlangd dat zij een boete uitlokt, om daar vervolgens in rechte tegen op te komen ter verkrijging van een rechterlijk oordeel.\n\n21. In een onder meer tussen partijen gegeven vonnis in kort geding van 18 februari 2021 van de civiele voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2021:1852) is overwogen dat voor eiseres een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter open staat, zodat eiseres nietontvankelijk is in haar bij de civiele rechter ingediende vordering om ‘te bewerkstelligen dat haar producten met een dagdosering van 0,3 mg of meer melatonine met onmiddellijke ingang in het handelsverkeer gebracht kunnen worden en dat IGJ zich ter zake onthoudt van handhavend optreden op grond van de Gnw, totdat per product definitief is vastgesteld dat dit niet als geneesmiddel gekwalificeerd kan worden en de bodemrechter daarover onherroepelijk heeft beslist’. Eiseres stelt terecht dat zij gelet op dit vonnis is doorverwezen naar de bestuursrechtelijke rechtsgang maar dat het standpunt van de minister over het rechtskarakter van de waarschuwing verhindert dat zij een rechterlijk oordeel kan krijgen over het handhavend optreden tegen haar producten met een dagdosering vanaf 0,3 mg melatonine.\n\n22. In het eindrapport is vastgesteld dat eiseres bepalingen in de Gnw heeft overtreden. Eiseres wordt gevolgd in het standpunt ter zitting dat openbaarmaking van deze vaststelling en de overige besluitvorming van de minister grote nadelige gevolgen voor haar kan hebben in de vorm van reputatieschade en aantasting van haar concurrentiepositie.\n\n23. Gelet op de onder punt 18 tot en met 21 vermelde omstandigheden en overwegingen oordeelt de rechtbank dat het voor eiseres onevenredig bezwarend zou zijn om een handhavingsbesluit uit te lokken ter verkrijging van een rechterlijk oordeel en dat het nietontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de waarschuwing daarom afbreuk doet aan de beoogde effectieve rechtsbescherming. Dit betekent dat de door de minister gegeven waarschuwing met een besluit gelijk moeten worden gesteld zodat deze – met inachtneming van de conclusie van Widdershoven – in rechte kan worden bestreden, omdat de alternatieve route om een rechterlijk oordeel erover te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is.\n\nConclusie en opdracht\n\n24. Omdat de minister het bezwaar van eiseres, voor zover dat was gericht tegen de waarschuwing, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt het bestreden besluit al om die reden voor vernietiging in aanmerking en is het beroep gegrond. De rechtbank ziet daarom af van bespreking van de overige beroepsgronden.\n\n25. Uit het oordeel van de rechtbank volgt dat het bezwaar van eiseres alsnog ontvankelijk moet worden verklaard en dat vervolgens een inhoudelijke beoordeling moet volgen van de bezwaren van eiseres tegen de grondslag die heeft geleid tot de waarschuwing. Omdat deze beoordeling bij uitstek de taak van de minister is, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de zaak finaal te beslechten en evenmin ruimte om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank zal de minister dan ook opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n26. In het oordeel dat de minister alsnog de bezwaren van eiseres tegen de grondslag van de waarschuwing inhoudelijk en volledig moet heroverwegen, ligt ook besloten dat het primaire besluit tot openbaarmaking berust op een onjuiste wettelijke grondslag en dat dit besluit daarom moet worden herroepen.\n\n27. Met het oog op de nadere besluitvorming van de minister overweegt de rechtbank, in dit geding ten overvloede, als volgt.\n\n28. In de kern van haar betoog stelt eiseres zich op het standpunt dat de IGJ ten onrechte de dagdosering van melatonine van 0,3 mg of meer als product specifiek kenmerk bepalend acht voor de kwalificatie van de beoordeelde producten als geneesmiddel. Eiseres stelt dat de minister de grens van 0,3 mg ondeugdelijk en niet wetenschappelijk heeft onderbouwd en evenmin heeft aangetoond dat dat haar producten daadwerkelijk de door de minister beweerde farmacologische werking als geneesmiddel hebben.\n\n29. Bij de inhoudelijke beoordeling van het betoog van eiseres kan de minister niet volstaan met het beperkte toetsingskader dat van toepassing is bij de beoordeling van een besluit tot openbaarmaking en dat de minister in het bestreden besluit heeft genoemd onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2089. De minister zal daarom de door de IGJ aangenomen waarderingen en conclusies volledig moeten toetsen en de daartegen door eiseres aangevoerde bezwaren betrekken.\n\n30. Bij die toetsing zal de minister gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 januari 2009, C-140\u002F07 (Hecht-Pharma) ook ‘van geval tot geval moeten bepalen of een product onder de definitie van geneesmiddel naar werking in de zin van richtlijn 2001\u002F83 valt, daarbij rekening houdend met alle kenmerken van het product, in het bijzonder de samenstelling, de farmacologische, immunologische en metabolische eigenschappen zoals deze bij de huidige stand van de wetenschap kunnen worden vastgesteld, de gebruikswijzen, de omvang van de verspreiding ervan, de bekendheid van de consument ermee en de risico’s die het gebruik ervan kan meebrengen.’\n\n31. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,– en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en onder verwijzing naar artikel 7:15 van de Awb bepalen dat de minister de door eiseres gemaakte kosten van het bezwaar moet vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.082,– (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 541,– en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- herroept het primaire besluit van 15 mei 2020;\n\n- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat de minister aan eiseres het betaalde griffierecht van € 354,– vergoedt;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2600,–.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, en mr. M.H. Dworakowski-Kelders en mr. N.W.A. Verrijt, leden, in aanwezigheid van mr. I. van der Wijngaart, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 15 februari 2022.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nBijlage\n\nArtikel 1 van de Geneesmiddelenrichtlijn:\n\nVoor de doeleinden van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder:\n\n1. […]\n\n2. Geneesmiddel:\n\na. elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens; of\n\nb. elke enkelvoudige of samengestelde substantie die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen.\n\n3. (…)\n\nArtikel 1 van de Geneesmiddelenwet:\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\n1. (…)\n\nb. geneesmiddel: een substantie of een samenstel van substanties die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor:\n\n1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens,\n\n2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of\n\n3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen.\n\n(…)\n\nArtikel 18 Geneesmiddelenwet 1. Het is verboden om zonder vergunning van Onze Minister geneesmiddelen voor onderzoek te bereiden of in te voeren. Het is voorts verboden om zonder vergunning van Onze Minister andere geneesmiddelen dan die bedoeld in de eerste volzin, te bereiden, in te voeren, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of uit te voeren of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen, dan wel een groothandel te drijven. Het is tevens verboden om een groothandel te drijven in geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning is verleend. Het is voorts verboden om zonder vergunning van Onze Minister een groothandel te drijven in generatoren van radionucliden, kits, uitgangsstoffen voor radiofarmaceutica en industrieel bereide radiofarmaceutica.\n\n(…)\n\nArtikel 40 van de Geneesmiddelenwet:\n\n1. Het is verboden een geneesmiddel in het handelsverkeer te brengen zonder handelsvergunning van de Europese Gemeenschap, verleend krachtens verordening 726\u002F2004 dan wel krachtens die verordening juncto verordening 1394\u002F2007, of van het College, verleend krachtens dit hoofdstuk.\n\n2. Het is verboden een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen, in te voeren, uit te voeren of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied te brengen.\n\n(…).\n\nArtikel 100 van de Geneesmiddelenwet:\n\n1. Behoudens hoofdstuk 2 en bepalingen waarin uitsluitend taken en bevoegdheden aan het College zijn toegekend, zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.\n\n(…)\n\nArtikel 101 van de Geneesmiddelenwet\n\nOnze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht ter zake van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 18, eerste lid, 26, eerste lid, 27, 27a, 28, eerste, tweede en zesde lid, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, eerste lid, 36, eerste, tweede en vierde lid, 37, 38, eerste lid, 38a, tweede lid, 38b, eerste en tweede lid, 38c, 39, eerste lid, 39a, eerste lid, 40, eerste, tweede, vierde en zevende lid, 48, vijfde en zevende lid, 49, 50, 61, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, achtste en negende lid, 62, 64, 65, 66, 66a, 67, 67a, 68, 69, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 72, 76a, 77a, 78, eerste en derde lid, 78a, eerste lid, 80, eerste en tweede lid, 84, 85, 86, 87,88,89,91, eerste tot en met vierde lid,92,93,94,95of96.\n\n(…)\n\nArtikel 44 Gezondheidswet\n\n1. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid maakt, na een daartoe strekkend besluit van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bestuursorgaan, de bij die maatregel aan te wijzen onder hem berustende informatie openbaar inzake het toezicht op of de uitvoering van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen regelgeving, teneinde de naleving van die regelgeving te bevorderen, het publiek inzicht te geven in de wijze waarop dat toezicht en die uitvoering worden verricht en wat de resultaten van die verrichtingen zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen anderen die met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van de op grond van de eerste volzin aangewezen regelgeving zijn belast, dan wel de organisatie waarvoor zij werkzaam zijn, in plaats van het Staatstoezicht worden belast met openbaarmaking als bedoeld in de eerste volzin.\n\n(…)\n\n3. Op grond van het eerste of tweede lid kan voor openbaarmaking worden aangewezen, informatie betreffende:\n\na. uitkomsten van controle en onderzoek en de daaraan ten grondslag liggende gegevens;\n\n(…)\n\n g) waarschuwingen;\n\n(…)\n\n5. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid dan wel degene die op grond van het eerste lid, tweede volzin, is aangewezen, draagt er zorg voor dat de informatie die op grond van het eerste lid openbaar wordt gemaakt, door hem bij de openbaarmaking is ontdaan van:\n\na) informatie die bedrijfs- of fabricagegegevens bevat, die door natuurlijke personen of rechtspersonen aan hem vertrouwelijk is meegedeeld;\n\nb) persoonsgegevens, voor zover de openbaarmaking daarvan op grond van het zesde lid niet is toegestaan; en\n\nc) informatie, waarvoor de verstrekker van die informatie uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, doch waarvan de met het toezicht belaste ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid voor de vervulling van hun taak kennis hebben genomen.\n\n(…)\n\nArtikel 44a Gezondheidswet\n\n1. De openbaarmaking, bedoeld in artikel 44, vindt niet plaats binnen twee weken na het tijdstip waarop het in artikel 44, eerste lid, bedoelde besluit bekend is gemaakt. Bij dat besluit wordt de betrokkene van de openbaar te maken informatie op de hoogte gesteld, voor zover hij van die informatie nog geen kennis heeft kunnen nemen en wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld zijn reactie op het besluit kenbaar te maken.\n\n(…)\n\n9. Indien de openbaarmaking, bedoeld in artikel 44, in strijd is of zou kunnen komen met het doel van de wet in het kader waarvan de openbaarmaking plaatsvindt, blijft openbaarmaking achterwege.\n\nArtikel 3.1, onderdeel a van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet3.1. Binnen het kader van het toezichtsdomein, bedoeld onder 1, en binnen het kader van de aangewezen regelgeving, bedoeld onder 2, wordt informatie openbaar gemaakt over:\n\na. schriftelijk vastgestelde documenten van met toezicht belaste ambtenaren van de IGJ bevattende uitkomsten van controles en onderzoeken als bedoeld in artikel 44, derde lid, onderdeel a van de Gezondheidswet, verkregen in de uitoefening van hun taak, voor wat betreft de naleving van de onder 2 vermelde regelgeving, waarin hun eindoordeel is neergelegd, met uitzondering van:\n\ni. de uitkomsten van controle en onderzoek naar een melding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b en c, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg;\n\nii. de uitkomsten van controle en onderzoek in reactie op een handhavingsverzoek;\n\niii. de uitkomsten van controle en onderzoek die ten grondslag worden gelegd aan het indienen van een tuchtklacht;\n\niv. de uitkomsten van controle en onderzoek die ten grondslag worden gelegd aan besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke boete;\n\n(…)\n\nDe minister verwijst in dit kader naar de Memorie van Toelichting “Wijziging van de Gezondheidswet en de Wet op de jeugdzorg teneinde een mogelijkheid op te nemen tot openbaarmaking van informatie over de naleving en uitvoering van regelgeving, besluiten tot het opleggen van sancties daarbij inbegrepen”\n\n Kamerstukken II 14-15, 34111 nr 3, p. 10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:444","2022-02-14T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:31.447Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":83,"fullText":92,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":51,"updatedAt":94},"461","ECLI:NL:RBOBR:2022:443","ecli-nl-rbobr-2022-443","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F363\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 15 februari 2022 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., in [vestigingsplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigden: mr. M.J. Osse en mr. E.F. van Hasselt),\n\nen\n\nde minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister,\n\n(gemachtigden: M.C. Broere en mr. E. van Brandwijk)\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 15 mei 2020 (het primaire besluit) heeft de minister besloten het eindrapport ‘ [eiseres] B.V. inspectie in het kader van toezicht op melatonine bevattende producten’ (hierna: het eindrapport) van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de IGJ) openbaar te maken.\n\nOp 19 mei 2020 heeft de IGJ aan eiseres een schriftelijke waarschuwing gegeven.\n\nEiseres heeft tegen het primaire besluit, het daaraan ten grondslag liggende eindrapport en tegen de waarschuwing bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBij uitspraak van 27 oktober 2020 (kenmerk: SHE 20\u002F1471) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft zich onbevoegd verklaard om te oordelen over de gegeven waarschuwing.\n\nEiseres is op 24 november 2020 gehoord.\n\nBij besluit van 24 december 2020 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres:\n\nongegrond verklaard, voor zover het bezwaar gericht is tegen het besluit tot openbaarmaking van 15 mei 2020, dat onder aanvulling van de motivering in stand wordt gelaten;\n\nniet-ontvankelijk verklaard, voor zover het gericht is tegen de in het eindrapport neergelegde bevindingen en de begeleidende brief van 15 mei 2020;\n\nniet-ontvankelijk verklaard, voor zover het gericht is tegen de schriftelijke waarschuwing van 19 mei 2020.\n\nEiseres heeft op 1 februari 2020 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank Rotterdam heeft op 19 februari 2021 het beroep van [naam] B.V. tegen een besluit van de minister (dat bij die rechtbank bekend is onder nummer ROT 21\u002F624 en bij deze rechtbank onder nummer SHE 21\u002F527) ter verdere behandeling verwezen naar deze rechtbank. Onder verwijzing naar artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank op 25 februari 2021 besloten om de beroepen van eiseres en van [naam] B.V. gevoegd te behandelen. In die brief heeft de rechtbank ook het door eiseres ingediende verzoek om versnelde behandeling afgewezen.\n\nEiseres heeft op 3 maart 2021 en 2 november 2021 aanvullende gronden van beroep ingediend.\n\nEiseres heeft de rechtbank op 21 oktober 2021 verzocht om Natuur- & Gezondheidsproducten Nederland (NPN) als derde-belanghebbende toe te laten in deze beroepsprocedure. Op 15 november 2021 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen omdat NPN niet kan worden aangemerkt als een belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid van de Awb.\n\nDe minister heeft op 29 oktober 2021 een verweerschrift ingediend.\n\nEiseres heeft op 30 november 2021 nadere stukken ingediend.\n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur [naam] , die werd bijgestaan door de gemachtigden van eiseres en werd vergezeld door [naam] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\nDe feiten\n\n1. Eiseres ontwikkelt en positioneert producten op de nationale en internationale gezondheidsmarkt. Onder de merknaam Lucovitaal produceert en verhandelt eiseres melatonine houdende producten.\n\n2. Bij brief van 31 oktober 2019 heeft de IGJ eiseres geïnformeerd dat het toezicht op producten die de werkzame stof melatonine bevatten en waarvoor geen handelsvergunning is verleend, zal worden geïntensiveerd. In deze brief staat onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\nDe IGJ stelt zich op het standpunt dat producten met een dagdosering van 0,3 mg melatonine op farmacologische wijze meerdere fysiologische functies van het menselijk lichaam beïnvloedt. Producten met een doseeradvies, dat leidt tot een inname van een hoeveelheid melatonine van 0,3 mg of meer per dag, worden op basis van het toedieningscriterium beschouwd als geneesmiddel en dientengevolge als vallend onder de Geneesmiddelenwet, mits voldaan wordt aan de bepalingen vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (o.a. Hecht Pharma arrest).\n\nDit betekent, dat laatstgenoemde producten, voordat ze in de handel worden gebracht, dienen te zijn geregistreerd als geneesmiddel en dat voor het in de handel brengen van het product een vergunning is vereist.”\n\n3. In de brief is verder aangekondigd dat de IGJ en de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) vanaf november 2019 inspectiebezoeken zullen afleggen bij ondernemingen die melatonineproducten verhandelen. Deze producten zullen afzonderlijk beoordeeld worden. Bij geconstateerde overtredingen zal handhavend worden opgetreden, waarbij vooralsnog tot 1 april 2020 wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Bij brief van 3 juni 2020 heeft de IGJ de termijn tot wanneer in geval van een overtreding wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing verlengd tot 1 juli 2020. Daarna zal bij een overtreding een bestuurlijke boete worden opgelegd.\n\n4. Op 6 december 2019 heeft de IGJ bij onder meer de onderneming van eiseres een inspectiebezoek afgelegd in het kader van de aangekondigde intensivering van het toezicht op producten die melatonine bevatten. Doel van het bezoek was om te onderzoeken of eiseres melatonine-bevattende producten produceert en\u002Fof verhandelt die als geneesmiddel aangemerkt dienen te worden.\n\n5. Tijdens het inspectiebezoek op 6 december 2019 heeft de IGJ bij eiseres monsters verzameld van melatonine-bevattende producten en zijn foto’s van deze producten gemaakt. Deze monsters zijn vervolgens geanalyseerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarna de IGJ per melatonine-bevattend product een productbeoordeling heeft opgesteld. De productbeoordelingen vermelden de volgende gegevens:\n\nde samenstelling van het product, zoals vermeld op de verpakking;\n\nde farmacologische eigenschappen van het product, zoals deze bij de huidige stand van de wetenschap kunnen worden vastgesteld, waarbij het RIVM en de IGJ ervan uitgaan dat een dagdosering van 0,3 mg of meer exogeen melatonine een noemenswaardig en gunstig effect heeft op verschillende fysiologische functies van het lichaam;\n\nde wijze waarop het product wordt gebruikt of kan worden gebruikt;\n\nde omvang van de verspreiding van het product;\n\nde bekendheid van de consument met het product;\n\nde risico’s die het gebruik van het product voor de gezondheid kan meebrengen;\n\nof het gebruik van het product leidt tot een noemenswaardig en gunstig effect.\n\n6. Bij brief van 2 april 2020 heeft de IGJ het conceptrapport van de uitgevoerde inspectie aan eiseres toegezonden en haar verzocht te laten weten of het rapport feitelijke onjuistheden bevat. In deze brief is ook vermeld dat de IGJ voornemens is het eindrapport openbaar te maken.\n\n7. Eiseres heeft op 16 april 2020 gereageerd op het conceptrapport en de daarbij gevoegde productbeoordelingen.\n\n8. Op 15 mei 2020 heeft de IGJ het conceptrapport definitief vastgesteld als het eindrapport en eiseres daarover geïnformeerd. Ook op 15 mei 2020 heeft de IGJ het primaire besluit genomen en onder verwijzing naar artikel 44, eerste lid, van de Gezondheidswet en artikel 3.1 van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking, besloten tot openbaarmaking van het eindrapport. In het eindrapport is het volgende vermeld:“(…)14. ConstateringDe volgende producten zijn als geneesmiddel aangemerkt en mogen niet zonder handelsvergunning op de markt zijn:\n\n- Lucovitaal Melatonine puur 2 mg\n\n- Lucovitaal Melatonine forte 5 mg One a day\n\n- Lucovitaal Melatonine 5 mg Dual Action\n\n- Lucovitaal Slapen en Fit wakker worden 3 mg\n\n- Lucovitaal Melatonine Puur 3 mg One a day\n\n- Lucovitaal Melatonine Puur 1 mg One a day\n\n- Lucovitaal Melatonine CBD 5 mg \u002F 5 mg\n\n- Lucovitaal Melatonine Kruidenthee\n\n15. ConclusieUit het inspectiebezoek van 6 december 2019 en de in het kader van dit inspectiebezoek door het bedrijf aangeleverde informatie is gebleken dat [naam] B.V. de onder punt 14 genoemde geneesmiddelen in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht en afgeleverd.\n\nHet in voorraad hebben, te koop aan te bieden, verkopen of afleveren van een geneesmiddel zonder handelsvergunning is een overtreding van artikel 40, tweede lid van de geneesmiddelenwet.\n\nVoor deze overtredingen wordt aan [naam] B.V. een maatregel opgelegd, waarover u separaat wordt geïnformeerd.”\n\n9. Bij brief van 19 mei 2020 heeft de minister aan eiseres een schriftelijke waarschuwing gegeven naar aanleiding van een overtreding van artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet (Gnw), die tijdens het inspectiebezoek is vastgesteld. Daarbij stelt de minister eiseres tot en met 30 juni 2020 in de gelegenheid om alsnog aan de wettelijke eisen te voldoen. Ook heeft de minister eiseres aangezegd dat bij herhaalde constatering van de overtreding vanaf 1 juli 2020 een bestuurlijke boete zal worden opgelegd.\n\n10. De overige feiten staan onder het procesverloop.\n\nDe standpunten van de minister in het besteden besluit\n\n11. Bij het bestreden besluit heeft de minister het bij het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat hij op grond van artikel 44, eerste lid van de Gezondheidswet, gelezen in samenhang met artikel 3.1, onderdeel a, van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet (Besluit), verplicht is om het eindrapport openbaar te maken. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat daarbij geen ruimte is voor een individuele belangenafweging of inhoudelijke toetsing van de openbaar te maken informatie.\n\nSlechts wanneer er sprake is van een van de wettelijke uitzonderingsgronden genoemd in artikel 3.1, onderdeel a, van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit, dient publicatie achterwege te blijven. Volgens de minister is het inspectieonderzoek niet gedaan naar aanleiding van een melding of handhavingsverzoek, zoals eiseres heeft gesteld, en is daarom geen sprake van die uitzondering in het Besluit.\n\n12. Volgens de minister is bij het besluit tot openbaarmaking van het eindrapport van 15 mei 2020 ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 44a, negende lid van de Gezondheidswet, waarbij moet worden afgezien van openbaarmaking als die openbaarmaking in strijd is met het doel van de Gezondheidswet. Het doel van openbaarmaking is naleving van de regelgeving te bevorderen en het publiek inzicht te geven in de manier waarop toezicht plaatsvindt en wat de resultaten daarvan zijn. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze uitzonderingsgrond ook van toepassing is als de te openbaren informatie evident onjuist is. Daarvan is volgens de minister geen sprake.\n\n13. Met het oog op de toetsing door de rechtbank van het besluit tot openbaarmaking van het eindrapport heeft de minister verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2089. Uit deze uitspraak volgt dat de toetsing van het openbaarmakingsbesluit door de bestuursrechter slechts beperkt kan zijn tot de vraag of voor de vaststellingen van feitelijke aard in het rapport een voldoende feitelijke basis aanwezig is. De waardering van feiten en oordelen daarover maken geen deel uit van de door de bestuursrechter te verrichten toetsing evenmin als conclusies die op die waarderingen en oordelen zijn gebaseerd.\n\nDe minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat publicatie van het eindrapport niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM en evenmin met het gelijkheidsbeginsel.\n\n14. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2201 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vaststelling van het eindrapport niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb en dat het daartegen gerichte bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk is.\n\n15. De minister heeft er verder op gewezen dat de bevindingen in het eindrapport niet hebben geleid tot het opleggen van een bestuurlijke boete maar tot de op 19 mei 2020 gegeven schriftelijke waarschuwing, die niet is gebaseerd op een wettelijke bepaling, maar op de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport 2019 (de Beleidsregels). Daarom kan de aan eiseres gegeven waarschuwing niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb, waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. De minister heeft bij dit standpunt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3484. Een bestuurlijke boete kan volgens de minister pas worden opgelegd nadat een nieuwe overtreding is vastgesteld. Uit de Beleidsregels volgt ook dat een eerder gegeven waarschuwing geen voorwaarde is om bij herhaalde overtreding een bestuurlijke boete te kunnen opleggen.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n16. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage behorende bij deze uitspraak.\n\n17. De rechtbank stelt vast dat de door de minister aan eiseres gegeven waarschuwing niet is gebaseerd op een wettelijk voorschrift. In de Beleidsregels is de door de minister in het bestreden besluit aangenomen overtreding van de artikel 40, tweede lid, van de Gnw aangemerkt als direct beboetbaar en is de waarschuwing niet vermeld als onderdeel van het bij die overtredingen horende sanctieregime. In navolging van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249 (de conclusie) oordeelt de rechtbank dat op beleidsregels gebaseerde of informele waarschuwingen (zoals de in deze zaak aan de orde zijnde waarschuwing) geen besluiten zijn in de zin van de Awb en dat daartegen in zoverre geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Uit de conclusie volgt echter ook dat dergelijke waarschuwingen in ieder geval in drie situaties voor de rechtsbescherming met een besluit gelijk moeten worden gesteld, zodat zij wel in rechte kunnen worden bestreden, omdat de alternatieve route om een rechterlijk oordeel erover te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is. Het vereiste van een effectieve rechtsbescherming volgt uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2017 (ECLI:EU:C:2017:491, Unibet) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n18. De rechtbank oordeelt dat de aan eiseres gegeven waarschuwing moet worden gelijkgesteld met een besluit omdat een alternatieve route om rechtsbescherming te krijgen onevenredig bezwarend zou zijn en niet van eiseres kan worden gevergd. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank de volgende omstandigheden en overwegingen.\n\n19. In afwijking van de Beleidsregels, waarin is vermeld dat de in het bestreden besluit gestelde overtreding van artikel 40, tweede lid, van de Gnw direct beboetbaar is, heeft de minister bewust volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing aan eiseres. Als de minister echter overeenkomstig de Beleidsregels direct een boete zou hebben opgelegd wegens de gestelde overtreding, zou eiseres tegen dat boetebesluit en de grondslag daarvoor bezwaar hebben kunnen maken en zou openbaarmaking van het eindrapport achterwege zijn gebleven omdat in dat geval sprake zou zijn van de uitzondering op openbaarmaking, die is vermeld in artikel 3.1, onderdeel a, onder IV van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit.\n\n20. Eiseres heeft daarnaast onweersproken gesteld dat zij haar voorraden van de in het eindrapport vermelde producten uit voorzorg uit de handel heeft gehaald en vernietigd. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank ook feitelijk niet van eiseres worden verlangd dat zij een boete uitlokt, om daar vervolgens in rechte tegen op te komen ter verkrijging van een rechterlijk oordeel.\n\n21. In een onder meer tussen partijen gegeven vonnis in kort geding van 18 februari 2021 van de civiele voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2021:1852) is overwogen dat voor eiseres een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter open staat, zodat eiseres nietontvankelijk is in haar bij de civiele rechter ingediende vordering om ‘te bewerkstelligen dat haar producten met een dagdosering van 0,3 mg of meer melatonine met onmiddellijke ingang in het handelsverkeer gebracht kunnen worden en dat IGJ zich ter zake onthoudt van handhavend optreden op grond van de Gnw, totdat per product definitief is vastgesteld dat dit niet als geneesmiddel gekwalificeerd kan worden en de bodemrechter daarover onherroepelijk heeft beslist’. Eiseres stelt terecht dat zij gelet op dit vonnis is doorverwezen naar de bestuursrechtelijke rechtsgang maar dat het standpunt van de minister over het rechtskarakter van de waarschuwing verhindert dat zij een rechterlijk oordeel kan krijgen over het handhavend optreden tegen haar producten met een dagdosering vanaf 0,3 mg melatonine.\n\n21. In het eindrapport is vastgesteld dat eiseres bepalingen in de Gnw heeft overtreden. Eiseres wordt gevolgd in het standpunt ter zitting dat openbaarmaking van deze vaststelling en de overige besluitvorming van de minister grote nadelige gevolgen voor haar kan hebben in de vorm van reputatieschade en aantasting van haar concurrentiepositie.\n\n23. Gelet op de onder punt 18 tot en met 21 vermelde omstandigheden en overwegingen oordeelt de rechtbank dat het voor eiseres onevenredig bezwarend zou zijn om een handhavingsbesluit uit te lokken ter verkrijging van een rechterlijk oordeel en dat het nietontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de waarschuwing daarom afbreuk doet aan de beoogde effectieve rechtsbescherming. Dit betekent dat de door de minister gegeven waarschuwing met een besluit gelijk moeten worden gesteld zodat deze – met inachtneming van de conclusie van Widdershoven – in rechte kan worden bestreden, omdat de alternatieve route om een rechterlijk oordeel erover te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is.\n\nConclusie en opdracht\n\n24. Omdat de minister het bezwaar van eiseres, voor zover dat was gericht tegen de waarschuwing, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt het bestreden besluit al om die reden voor vernietiging in aanmerking en is het beroep gegrond. De rechtbank ziet daarom af van bespreking van de overige beroepsgronden.\n\n25. Uit het oordeel van de rechtbank volgt dat het bezwaar van eiseres alsnog ontvankelijk moet worden verklaard en dat vervolgens een inhoudelijke beoordeling moet volgen van de bezwaren van eiseres tegen de grondslag die heeft geleid tot de waarschuwing. Omdat deze beoordeling bij uitstek de taak van de minister is, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de zaak finaal te beslechten en evenmin ruimte om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank zal de minister dan ook opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n26. In het oordeel dat de minister alsnog de bezwaren van eiseres tegen de grondslag van de waarschuwing inhoudelijk en volledig moet heroverwegen, ligt ook besloten dat het primaire besluit tot openbaarmaking berust op een onjuiste wettelijke grondslag en dat dit besluit daarom moet worden herroepen.\n\n27. Met het oog op de nadere besluitvorming van de minister overweegt de rechtbank, in dit geding ten overvloede, als volgt.\n\n28. In de kern van haar betoog stelt eiseres zich op het standpunt dat de IGJ ten onrechte de dagdosering van melatonine van 0,3 mg of meer als product specifiek kenmerk bepalend acht voor de kwalificatie van de beoordeelde producten als geneesmiddel. Eiseres stelt dat de minister de grens van 0,3 mg ondeugdelijk en niet wetenschappelijk heeft onderbouwd en evenmin heeft aangetoond dat dat haar producten daadwerkelijk de door de minister beweerde farmacologische werking als geneesmiddel hebben.\n\n29. Bij de inhoudelijke beoordeling van het betoog van eiseres kan de minister niet volstaan met het beperkte toetsingskader dat van toepassing is bij de beoordeling van een besluit tot openbaarmaking en dat de minister in het bestreden besluit heeft genoemd onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2089. De minister zal daarom de door de IGJ aangenomen waarderingen en conclusies volledig moeten toetsen en de daartegen door eiseres aangevoerde bezwaren betrekken.\n\n30. Bij die toetsing zal de minister gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 januari 2009, C-140\u002F07 (Hecht-Pharma) ook ‘van geval tot geval moeten bepalen of een product onder de definitie van geneesmiddel naar werking in de zin van richtlijn 2001\u002F83 valt, daarbij rekening houdend met alle kenmerken van het product, in het bijzonder de samenstelling, de farmacologische, immunologische en metabolische eigenschappen zoals deze bij de huidige stand van de wetenschap kunnen worden vastgesteld, de gebruikswijzen, de omvang van de verspreiding ervan, de bekendheid van de consument ermee en de risico’s die het gebruik ervan kan meebrengen.’\n\n31. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,– en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en onder verwijzing naar artikel 7:15 van de Awb bepalen dat de minister de door eiseres gemaakte kosten van het bezwaar moet vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.082,– (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 541,– en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- herroept het primaire besluit van 15 mei 2020;\n\n- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat de minister aan eiseres het betaalde griffierecht van € 354,– vergoedt;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2600,–.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, en mr. M.H. Dworakowski-Kelders en mr. N.W.A. Verrijt, leden, in aanwezigheid van mr. I. van der Wijngaart, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 15 februari 2022.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nBijlage\n\nArtikel 1 van de Geneesmiddelenrichtlijn:\n\nVoor de doeleinden van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder:\n\n1. […]\n\n2. Geneesmiddel:\n\na. elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens; of\n\nb. elke enkelvoudige of samengestelde substantie die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen.\n\n3. (…)\n\nArtikel 1 van de Geneesmiddelenwet:\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\n1. (…)\n\nb. geneesmiddel: een substantie of een samenstel van substanties die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor:\n\n1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens,\n\n2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of\n\n3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen.\n\n(…)\n\nArtikel 18 Geneesmiddelenwet 1. Het is verboden om zonder vergunning van Onze Minister geneesmiddelen voor onderzoek te bereiden of in te voeren. Het is voorts verboden om zonder vergunning van Onze Minister andere geneesmiddelen dan die bedoeld in de eerste volzin, te bereiden, in te voeren, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of uit te voeren of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen, dan wel een groothandel te drijven. Het is tevens verboden om een groothandel te drijven in geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning is verleend. Het is voorts verboden om zonder vergunning van Onze Minister een groothandel te drijven in generatoren van radionucliden, kits, uitgangsstoffen voor radiofarmaceutica en industrieel bereide radiofarmaceutica.\n\n(…)\n\nArtikel 40 van de Geneesmiddelenwet:\n\n1. Het is verboden een geneesmiddel in het handelsverkeer te brengen zonder handelsvergunning van de Europese Gemeenschap, verleend krachtens verordening 726\u002F2004 dan wel krachtens die verordening juncto verordening 1394\u002F2007, of van het College, verleend krachtens dit hoofdstuk.\n\n2. Het is verboden een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen, in te voeren, uit te voeren of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied te brengen.\n\n(…).\n\nArtikel 100 van de Geneesmiddelenwet:\n\n1. Behoudens hoofdstuk 2 en bepalingen waarin uitsluitend taken en bevoegdheden aan het College zijn toegekend, zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.\n\n(…)\n\nArtikel 101 van de Geneesmiddelenwet\n\nOnze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht ter zake van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 18, eerste lid, 26, eerste lid, 27, 27a, 28, eerste, tweede en zesde lid, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, eerste lid, 36, eerste, tweede en vierde lid, 37, 38, eerste lid, 38a, tweede lid, 38b, eerste en tweede lid, 38c, 39, eerste lid, 39a, eerste lid, 40, eerste, tweede, vierde en zevende lid, 48, vijfde en zevende lid, 49, 50, 61, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, achtste en negende lid, 62, 64, 65, 66, 66a, 67, 67a, 68, 69, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 72, 76a, 77a, 78, eerste en derde lid, 78a, eerste lid, 80, eerste en tweede lid, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 91, eerste tot en met vierde lid, 92, 93, 94, 95 of 96.\n\n(…)\n\nArtikel 44 Gezondheidswet\n\n1. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid maakt, na een daartoe strekkend besluit van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bestuursorgaan, de bij die maatregel aan te wijzen onder hem berustende informatie openbaar inzake het toezicht op of de uitvoering van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen regelgeving, teneinde de naleving van die regelgeving te bevorderen, het publiek inzicht te geven in de wijze waarop dat toezicht en die uitvoering worden verricht en wat de resultaten van die verrichtingen zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen anderen die met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van de op grond van de eerste volzin aangewezen regelgeving zijn belast, dan wel de organisatie waarvoor zij werkzaam zijn, in plaats van het Staatstoezicht worden belast met openbaarmaking als bedoeld in de eerste volzin.\n\n(…)\n\n3. Op grond van het eerste of tweede lid kan voor openbaarmaking worden aangewezen, informatie betreffende:\n\na. uitkomsten van controle en onderzoek en de daaraan ten grondslag liggende gegevens;\n\n(…)\n\n g) waarschuwingen;\n\n(…)\n\n5. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid dan wel degene die op grond van het eerste lid, tweede volzin, is aangewezen, draagt er zorg voor dat de informatie die op grond van het eerste lid openbaar wordt gemaakt, door hem bij de openbaarmaking is ontdaan van:\n\na) informatie die bedrijfs- of fabricagegegevens bevat, die door natuurlijke personen of rechtspersonen aan hem vertrouwelijk is meegedeeld;\n\nb) persoonsgegevens, voor zover de openbaarmaking daarvan op grond van het zesde lid niet is toegestaan; en\n\nc) informatie, waarvoor de verstrekker van die informatie uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, doch waarvan de met het toezicht belaste ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid voor de vervulling van hun taak kennis hebben genomen.\n\n(…)\n\nArtikel 44a Gezondheidswet\n\n1. De openbaarmaking, bedoeld in artikel 44, vindt niet plaats binnen twee weken na het tijdstip waarop het in artikel 44, eerste lid, bedoelde besluit bekend is gemaakt. Bij dat besluit wordt de betrokkene van de openbaar te maken informatie op de hoogte gesteld, voor zover hij van die informatie nog geen kennis heeft kunnen nemen en wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld zijn reactie op het besluit kenbaar te maken.\n\n(…)\n\n9. Indien de openbaarmaking, bedoeld in artikel 44, in strijd is of zou kunnen komen met het doel van de wet in het kader waarvan de openbaarmaking plaatsvindt, blijft openbaarmaking achterwege.\n\nArtikel 3.1, onderdeel a van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet3.1. Binnen het kader van het toezichtsdomein, bedoeld onder 1, en binnen het kader van de aangewezen regelgeving, bedoeld onder 2, wordt informatie openbaar gemaakt over:\n\na. schriftelijk vastgestelde documenten van met toezicht belaste ambtenaren van de IGJ bevattende uitkomsten van controles en onderzoeken als bedoeld in artikel 44, derde lid, onderdeel a van de Gezondheidswet, verkregen in de uitoefening van hun taak, voor wat betreft de naleving van de onder 2 vermelde regelgeving, waarin hun eindoordeel is neergelegd, met uitzondering van:\n\ni. de uitkomsten van controle en onderzoek naar een melding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b en c, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg;\n\nii. de uitkomsten van controle en onderzoek in reactie op een handhavingsverzoek;\n\niii. de uitkomsten van controle en onderzoek die ten grondslag worden gelegd aan het indienen van een tuchtklacht;\n\niv. de uitkomsten van controle en onderzoek die ten grondslag worden gelegd aan besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke boete;\n\n(…)\n\nDe minister verwijst in dit kader naar de Memorie van Toelichting “Wijziging van de Gezondheidswet en de Wet op de jeugdzorg teneinde een mogelijkheid op te nemen tot openbaarmaking van informatie over de naleving en uitvoering van regelgeving, besluiten tot het opleggen van sancties daarbij inbegrepen”\n\n Kamerstukken II 14-15, 34111 nr 3, p. 10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:443","2026-07-13T00:28:31.517Z",20,[97,98,99,100,11],2026,2025,2024,2023]