[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-asylum-and-migration-nl-2026":3},{"detail":4,"years":196},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":40,"total":194,"page":14,"limit":195},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},89,"asylum-and-migration-nl","Asylum and Migration","NL","2026-07-08T16:55:59.400Z",2026,[13,15,18,20,22,24,27,30,32,34,36,38],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":26},6,30,{"month":28,"count":29},7,34,{"month":31,"count":17},8,{"month":33,"count":17},9,{"month":35,"count":17},10,{"month":37,"count":17},11,{"month":39,"count":17},12,[41,54,61,68,76,83,91,99,107,115,122,129,136,143,152,159,166,173,180,187],{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"600","ECLI:NL:RBDHA:2026:18694","ecli-nl-rbdha-2026-18694","",65,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.10824\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Syrische nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser.Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag als ongegrond in stand kan blijven. De minister heeft de problemen van eiser vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst en vanwege een conflict met zijn voormalig zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig geacht. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen vluchteling is en dat hij bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft op 18 januari 2025 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 februari 2026 afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 4 maart 2026 heeft hij de gronden van het beroep ingediend.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2014 Syrië heeft verlaten vanwege de onveilige situatie, de problemen met zijn voormalige zakenpartner in 2013 en zijn gevangenhouding tijdens zijn militaire dienst in 1988\u002F1989. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser onzekere toekomstige gebeurtenissen en ook voor datgene wat hij heeft meegemaakt.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst;\n\n3. Problemen vanwege een conflict met eisers voormalig zakenpartner in 2013;\n\n4. Militaire dienstplicht van eisers zoon.\n\n3.1.. De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De verklaringen van eiser over zijn problemen die voortvloeien uit de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst, vindt de minister niet geloofwaardig. Ook vindt de minister de verklaringen van eiser over de problemen na een conflict met zijn voormalig zakenpartner in 2013, niet geloofwaardig. De minister vindt verder dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.De minister wijst eisers asielaanvraag af als ongegrond.\n\n3.2.. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiser beoordelen, voor zover deze van belang zijn.\n\nDe toets door de rechtbank\n\n4. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Quatal en Ebilumheeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het bestreden besluit daarom vol.\n\nHeeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?\n\n5. Het is vaste rechtspraak van de Afdelingdat het referentiekader van de vreemdeling, waaronder diens culturele achtergrond, kenbaar betrokken moet worden in de besluitvorming.De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen van eiser voldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Hoewel in de besluitvorming het referentiekader niet is opgenomen, heeft de gemachtigde van de minister op de zitting naar voren gebracht dat eiser antwoord heeft gegeven op de aan hem gestelde vragen en dat niet is onderbouwd dat hij vanwege het referentiekader niet heeft kunnen verklaren. Zo heeft de gehoormedewerker tijdens het nader gehoor doorgevraagd over eisers verklaringen en daarbij om verduidelijking gevraagd om duidelijke antwoorden te krijgen. De rechtbank leest deze werkwijze ook terug in het rapport van het nader gehoor.Bovendien volgt niet uit het verslag van het nader gehoor dat eiser moeite heeft gehad met het begrijpen van vragen. Hieruit volgt dat tijdens het nader gehoor voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser.\n\nIs het nader gehoor zorgvuldig geweest?\n\n6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij tijdens het aanmeldgehoor en het nader gehoor regelmatig zou zijn onderbroken, en dat hij zou zijn beperkt in zijn mogelijkheden om zijn verhaal te vertellen. De verslagen van het aanmeldgehoor en het nader gehoor bieden voor de stelling van eiser geen concrete aanwijzingen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat de rapporteur heeft opgemerkt dat eiser regelmatig de tolk in de rede valt en dat hem is verzocht de tolk te laten uitspreken.Hoewel in het verslag van het nader gehoorstaat dat eiser heeft aangegeven dat zij hem niet laten uitpraten en dat hij zijn zin niet kan afmaken, blijkt daaruit niet dat eiser daarna regelmatig is onderbroken door de gehoormedewerker en dat hij is beperkt om zijn verhaal te kunnen vertellen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt juist dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om te vertellen wat voor hem de redenen zijn geweest om Syrië te verlaten. Zoals de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, heeft eiser daarover in de correcties en aanvullingen niets gezegd en zijn er geen aanvullingen gedaan op het relaas van eiser. Daar komt bij dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat op verschillende onderwerpen is doorgevraagd door de gehoormedewerker en dat eiser antwoord heeft gegeven op de aan hem gestelde vragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onzorgvuldig nader gehoor.\n\nHeeft de minister de problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 terecht niet geloofwaardig geacht?7. De rechtbank merkt allereerst op dat de gemachtigde van de minister op de zitting de tegenwerping aan eiser van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw heeft laten vallen. Dit geldt voor de in 3 genoemde asielmotieven onder 2 en 3. Wat eiser daarover in de gronden van het beroep heeft aangevoerd, hoeft daarom niet meer te worden besproken.\n\n7.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in dit kader terecht tegengeworpen dat eiser zijn problemen pas voor het eerst tijdens het nader gehoor naar voren heeft gebracht. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser tijdens het aanmeldgehoor van 27 januari 2025 over de reden(en) van zijn vertrek uit Syrië heeft verklaard dat hij het land moest verlaten voor de veiligheid van zijn vrouw, kinderen en hemzelf.Op de vraag of er nog andere redenen zijn waarom eiser niet terug kan naar Syrië was zijn antwoord ˋNeeˊ. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser dit niet heeft gecorrigeerd met de aanvullingen en correcties. De minister heeft daarnaast terecht overwogen dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat er nog een drietal redenen ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag, en dat van eiser mag worden verwacht dat hij deze redenen vanaf het begin van zijn procedure noemt. Dat eiser dacht dat persoonlijke problemen niet interessant zouden zijn en dat hij deze daarom niet heeft genoemd, kan hieraan niet afdoen. Dat eiser op de zitting heeft gesteld dat aan hem tijdens het aanmeldgehoor niet is uitgelegd wat precies van hem wordt verwacht en dat niet diepgaand wordt ingegaan op de asielmotieven, heeft de minister terecht niet gevolgd. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting gesteld dat in het aanmeldgehoor aan eiser is uitgelegd dat alleen kort wordt ingegaan op de asielmotieven en dat hij tijdens het nader gehoor de gelegenheid krijgt uitgebreid over zijn asielmotieven te vertellen.Dat eiser stelt dat het aanmeldgehoor niet is bedoeld om asielmotieven naar voren te brengen, maakt het niet anders. Dat geldt ook voor de stelling van eiser dat hij tijdens het aanmeldgehoor niet werd bijgestaan door een raadsman. Aan het begin van het aanmeldgehoor is duidelijk aan eiser uitgelegd wat van hem wordt verwacht. Niet gebleken is dat hij dat niet heeft begrepen. Dat eiser stelt dat het referentiekader van belang is, maakt geen verschil.\n\n7.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder terecht gesteld dat eiser na de gestelde gevangenneming in 1988\u002F1989 zonder problemen zijn dienstplicht heeft uitgediend, dat hij nadien nog langdurig in Syrië heeft verbleven tot zijn vertrek in 2014 én dat hij in 2018 is teruggekeerd naar Syrië. Daarbij heeft de minister op goede gronden overwogen dat eiser geen problemen heeft gehad, dat hij pas in 2014 uit Syrië is vertrokken, dat hij in 2018 vanuit [land] naar Syrië is teruggekeerd en dat niet is gebleken van problemen van eiser vanwege de (gestelde) gevangenhouding tijdens de militaire dienst. Eiser heeft hiertegen in de gronden van het beroep niets aangevoerd.\n\nHeeft de minister de problemen met eisers voormalig zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig geacht?8. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met eisers zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in dit kader terecht gesteld dat de verklaringen van eiser over de bedreiging door zijn voormalig zakenpartner zijn gebaseerd op een aanname. Daarbij heeft de minister op goede gronden overwogen dat het een aanname is van eiser dat hij de woorden ‶ik wil mijn geldʺ uitlegt als een bedreiging en deze bedreiging verder invult als een bedreiging aangevallen of ontvoerd te worden. De minister heeft het standpunt van eiser dat sprake zou zijn van een bedreiging door zijn voormalig zakenpartner waardoor hij voor zijn leven zou moeten vrezen, terecht niet gevolgd. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt dat zijn voormalig zakenpartner hem heeft gezocht. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat eiser bij zijn terugkeer naar Aleppo tussen 12 augustus 2018 en 12 september 2018 naar de Syrische autoriteiten is gegaan voor het aanvragen en verkrijgen van een nieuw paspoort.Dat eiser stelt dat hij onder de radar is gebleven voor zijn voormalig zakenpartner, kan hieraan niet afdoen. Dat de bedreiging te maken heeft met het feit dat de zakenpartner een praktiserend moslim is, is door eiser niet onderbouwd. Dat geldt eveneens voor de stelling van eiser dat zijn voormalig zakenpartner sinds de regimewisseling in Syrië hem nu wel kan bedreigen.\n\nHeeft de minister terecht overwogen dat eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag?\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft overwogen dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In dit kader heeft de minister terecht gesteld dat na de val het regime van Assad op 9 december 2024 er in Syrië geen sprake meer is van verplichte militaire dienst of rekrutering.Hij heeft er daarbij terecht op gewezen dat informatie van de EUAAbevestigt dat de dienstplicht is beëindigd door de overgangsregering.De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de vrees van eiser voor de dienstplicht van zijn zoon, naast het feit dat hij was vrijgesteld voor de militaire dienstplicht, niet aannemelijk is. Dat eiser op de zitting heeft gesteld dat de dienstplicht van zijn zoon reden was om Syrië te verlaten, doet hieraan niet af.\n\nHeeft de minister terecht overwogen dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt?\n\n10. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats een oordeel heeft gegeven over de gradatie van willekeurig geweld in Syrië.In die uitspraak heeft de rechtbank aan de hand van hetgeen was aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Het na de uitspraak van de meervoudige kamer verschenen ambtsberichtmaakt dit niet anders, nu de minister in het bestreden besluit heeft verwezen naar dat ambtsbericht. De rechtbank verwijst verder naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026.Daarbij betrekt de rechtbank ambtshalve het COI-rapport van 19 mei 2026, waaruit weliswaar blijkt dat er een duidelijke geweldspiek was in onder andere Aleppo tijdens het offensief van de overgangsregering in januari 2026, maar dat dit geweld aanzienlijk afnam na het sluiten van het alomvattende akkoord op 30 januari 2026. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 juni 2026.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:EU:C:2026:447 en ECLI:EU:C:2026:448.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012.\n\n Nader gehoor, p. 11-13 en p. 14-19.\n\n Nader gehoor, p. 4 en 8.\n\n Nader gehoor, p. 9.\n\n Aanmeldgehoor, p. 13.\n\n Aanmeldgehoor, p. 2 en 3.\n\n Aanmeldgehoor, p. 11.\n\n Algemeen ambtsbericht Syrië van 29 mei 2025, p. 33. Zie ook het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, p. 26.\n\n European Union Agency for Asylum.\n\n Interim Country Guidance: Syria, p. 29-30.\n\n Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.\n\n Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:12595. Zie ook de uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 20 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9954.\n\n COI-Focus Syrië, De situatie in Noordoost-Syrië (voormalig DAANES-gebied), p. 2.\n\nECLI:NL:RBDHA:2026:16583.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18694","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:38.745Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":58,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":60},"305","ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","ecli-nl-rbdha-2026-18719","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62090\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam], eiseres,geboren op [geboortedatum], van Oekraïense nationaliteit, V-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eiseres geen bescherming te bieden als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming(hierna: RTB). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft de Oekraïense nationaliteit. Zij heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de RTB. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat eiseres niet in aanmerking komt hiervoor. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening.Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\n3. De minister vindt dat eiseres niet onder de RTB valt. De minister is er niet van overtuigd dat eiseres door de oorlog ontheemd is geraakt oftewel gedwongen haar woonplek moest verlaten. Eiseres stelt voor het eerst uit Oekraïne te zijn vertrokken op 23 september 2024. Volgens de minister heeft eiseres echter niet kunnen aantonen dat zij voor haar vertrek in Oekraïne heeft gewoond. Ook uit het overgelegde paspoort dat is afgegeven op 20 augustus 2024 kan niet worden opgemaakt hoe lang en of eiseres duurzaam in Oekraïne heeft verbleven. In dit geval is er een recent uitgegeven paspoort en een uitreisstempel vlak daarna (23 september 2024). Daarom is er volgens de minister additioneel bewijs nodig waarmee aangetoond kan worden dat eiseres in de periode voorafgaand aan de uitgifte van haar paspoort duurzaam in Oekraïne heeft geleefd. Hierbij wordt er beoordeeld vanaf de periode 27 november 2021tot de uitgiftedatum van het paspoort van eiseres op 20 augustus 2024. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet heeft aangetoond en dus niet behoort tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland.Het beroep van eiseres\n\n4. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet onder de RTB valt. Eiseres vindt dat dat de minister een te strenge eis hanteert door van haar te verlangen dat zij over de gehele periode moet aantonen dat zij in Oekraïne verbleef. Eiseres stelt dat de minister een geloofwaardigheidstoets als bedoeld in WI2024\u002F6zou moeten verrichten. Volgens eiseres hoeft zij op grond van WI 2025\u002F6enkel aannemelijk te maken dat het feitelijke centrum van haar leven in Oekraïne was. Eiseres stelt dat ze verschillende bewijzen heeft overgelegd en dat de bewijslast daarom nu niet meer bij haar, maar bij de minister ligt. De minister moet aantonen dat eiseres niet in Oekraïne woonde.Toetsingskader\n\n5. De RTB biedt minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming bij massale toestroom van ontheemden.Uit de Richtlijn volgt dat het begrip ‘ontheemde’ van toepassing is op iemand die zijn land of regio van oorsprong heeft moeten verlaten als gevolg van – voor zover in eiseres geval relevant – een gewapend conflict.Door de inval van Rusland in Oekraïne op 24 februari 2022 werd de Europese Unie geconfronteerd met een groeiende toestroom van Oekraïense burgers en derdelanders die op dat moment al dan niet legaal in Oekraïne verbleven. De Raad van de Europese Unie heeft daarom in een Uitvoeringsbesluitvan 4 maart 2022 besloten de RTB toe te passen op ontheemden uit Oekraïne. Uit het Uitvoeringsbesluit blijkt dat Oekraïense onderdanen die voor 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven tijdelijke bescherming moeten krijgen.Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheidom die bescherming uit te breiden door te bepalen dat ook tijdelijke bescherming wordt toegekend aan Oekraïners die Oekraïne na 26 november 2021 zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Unie zijn gereisd. De uitwerking van deze keuze is opgenomen in artikel 3.9a van het VV.Oekraïners die vóór 27 november 2021 elders in Europaverbleven vallen niet onder de Richtlijn.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n6. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres een Oekraïense onderdaan is. Geschilpunt is of zij voor haar vertrek duurzaam in Oekraïne verbleef en of zij als ontheemde als bedoeld in de RTB kan worden aangemerkt. Meer concreet ligt ter beoordeling voor of eiseres haar duurzame verblijf in Oekraïne voldoende heeft bewezen.Geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. De rechtbank overweegt dat eiseres haar gronden met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in het kader van het Unierecht en WI 2024\u002F6 niet opgaan, nu deze zaak niet de asielaanvraag van eiseres behandelt. Het ‘voordeel van de twijfel’ in het licht van de geloofwaardigheidsbeoordeling is dan ook niet aan de orde. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat het begrip voordeel van de twijfel ook een rol speelt bij de omkering van de bewijslast. Daar gaat de rechtbank hierna op in.Bewijslast\n\n8. Zoals uit het hiervoor opgenomen toetsingskader volgt, is de RTB alleen van toepassing op ontheemden. Om als ontheemde in de zin van de RTB te kunnen worden aangemerkt, moet kunnen worden vastgesteld dat eiseres in een bepaalde periode haar hoofdverblijf in Oekraïne had. Tussen partijen staat niet er discussie dat de bewijslast bij eiseres ligt. Eiseres vindt dat zij haar duurzaam verblijf in Oekraïne aannemelijk heeft gemaakt en dat de bewijslast daarom is omgekeerd en de minister het tegendeel moet bewijzen. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt of heeft aangetoond. Volgens de minister geldt het strengere criterium van ‘aantonen’. De minister leidt dit af uit het feit dat het onder de RTB, gelet op de grote toestroom van ontheemden onder de RTB, niet de bedoeling is een uitgebreide individuele beoordeling te maken. De minister verwijst in dit kader ook naar de preambule van het Uitvoeringsbesluit.Eiseres is het met de minister eens dat het onder de RTB niet de bedoeling is een uitgebreide individuele toets te maken, maar betoogt in dat kader dat als dat toch noodzakelijk wordt geacht, zoals hier, dat dan de bewijslast omkeert en bij de minister ligt. Uit de door de minister aangehaalde passage in de preambule volgt volgens eiseres niet dat het criterium ‘aantonen’ van toepassing is, omdat deze overweging op derdelanders ziet.\n\n8.1.. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiseres met haar verklaringen en bewijsstukken niet heeft aangetoond dat zij Oekraïne niet vóór 27 november 2021 heeft verlaten en zij heeft ook niet kunnen aantonen dat zij vóór 23 september 2024 - de datum waarop zij stelt te zijn vertrokken uit Oekraïne - duurzaam in Oekraïne heeft gewoond. De minister heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd, waarom de door eiseres overgelegde bewijsstukken onvoldoende zijn. Zoals de minister terecht heeft overwogen, zien maar een paar van de bewijsstukken op het verblijf in Oekraïne in de periode tussen 27 november 2021 en 20 augustus 2024 (datum afgifte paspoort) of 23 september 2024 (datum van vertrek). De bonnen van pintransacties, foto’s, de verklaring van eiseres haar broer en de overige stukken zijn onvoldoende, om vast te stellen dat eiseres duurzaam in Oekraïne verbleef. Bovendien kan met de afgifte van eiseres haar paspoort op 20 augustus 2024, enkel vastgesteld worden dat zij toen haar paspoort in ontvangst heeft genomen, maar niet dat zij toen duurzaam in Oekraïne verbleef.\n\n8.2.. Nu eiseres onvoldoende bewijs heeft aangeleverd, is het niet relevant of zij haar duurzame verblijf in Oekraïne vóór 27 november 2021 moest aantonen of aannemelijk maken. Aan beide criteria heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij haar duurzaam verblijf aannemelijk heeft gemaakt of een begin van bewijs heeft geleverd, waardoor de bewijslast niet langer op haar, maar op de minister rust.8.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden besloten dat eiseres niet onder de RTB valt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt ook het griffierecht niet terug en geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001, betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n NL25.16846.\n\n De door de IND vastgestelde peildatum die volgt uit WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn tijdelijke bescherming.\n\n Artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Werkinstructie.\n\n WI 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.\n\n Artikel 1 van de RTB.\n\n Artikel 2, onder c, van de RTB.\n\n Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.\n\n Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit.\n\n het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Buiten Nederland, zie artikel 3.9a, eerste lid onder b van het VV.\n\n Zie overweging 12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","2026-07-13T00:28:23.584Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":65,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":67},"601","ECLI:NL:RBDHA:2026:18696","ecli-nl-rbdha-2026-18696","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.7916\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Nigeriaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep. De rechtbank komt tot het oordeel dat het buiten behandeling laten van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de asielaanvraag niet compleet is. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft eerder, namelijk op 27 juli 2022, een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 november 2024 afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 9 juli 2025 is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. Daarmee staat het besluit van 27 november 2024 in rechte vast.\n\n1.1.. Op 28 januari 2026 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 5 februari 2026 buiten behandeling gesteld.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.Hierop volgt afzonderlijk een uitspraak.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat hij biseksueel is, dat sprake is van identiteitsgroei en dat hij door de contacten met de lhbti-gemeenschap beter kan verklaren over zijn gevoelens en gedachten.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag volgens hem niet compleet was. Eiser heeft volgens de minister geen persoonlijke en concrete toelichting gegeven over de reden waarom hij opnieuw asiel heeft gevraagd. Uit de door eiser bij de zienswijze overgelegde e-mails van zijn ex-partner en partner is hiervan nog altijd niet gebleken.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n4. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag buiten behandeling heeft gesteld, zonder hem eerst in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag nader toe te lichten met een gehoor opvolgende aanvraag. Hij wijst erop dat het gehoor juist bedoeld is om duidelijkheid te verkrijgen over de asielmotieven. Bij een opvolgende aanvraag met de gestelde seksuele geaardheid als asielmotief leent het formulier M35-O zich niet goed voor het volledig onderbouwen van dat asielmotief. Eiser beschikt over een affidavit, een beëdigde verklaring van zijn biologische moeder, om zijn gestelde biseksuele geaardheid nader te onderbouwen.\n\n5. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026, heeft de minister de bevoegdheid om een asielaanvraag buiten behandeling te stellen wanneer de vreemdeling nalaat om de voor zijn asielaanvraag van wezenlijk belang zijnde informatie te verstrekken.\n\n5.1.. Uit de uitspraak van de Afdelingvan 21 februari 2019volgt dat van een vreemdeling kan worden verwacht dat hij, op het moment dat hij met het formulier M35-O een opvolgende aanvraag indient, in of bij dat formulier toelicht om welke redenen hij een opvolgende aanvraag indient en dat daarbij zo nodig bewijsmiddelen moeten zijn gevoegd. Uit die uitspraak volgt ook dat de minister een aanvraag buiten behandeling kan stellen, als de informatie die een vreemdeling heeft verstrekt bij het formulier M35-O onvoldoende is om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, en een vreemdeling ook naar aanleiding van een later verzoek om informatie, bijvoorbeeld in het voornemen, in gebreke blijft die nadere informatie te verstrekken. De minister handelt dan ook niet onzorgvuldig door de (opvolgende) aanvraag niet inhoudelijk te behandelen.\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser buiten behandeling heeft mogen stellen. In het bestreden besluit, en in het voornemen van 28 januari 2026, heeft de minister dat voldoende deugdelijk gemotiveerd.\n\n6.1.. De minister heeft bij zijn standpunt kunnen betrekken dat eiser op het formulier M35-O heeft ingevuld dat sprake is van identiteitsgroei en dat hij beter kan verklaren over zijn gevoelens en gedachten, en dat eiser hiermee geen persoonlijke en concrete toelichting heeft gegeven over de reden waarom hij opnieuw asiel heeft aangevraagd, zoals bedoeld in WI2023\u002F7. Daarbij heeft de minister kunnen stellen dat eiser met de bij de zienswijze overgelegde e-mails, die zijn geschreven door zijn ex-partner en partner, geen concrete en persoonlijke toelichting heeft gegeven en zijn aanvraag niet alsnog compleet heeft gemaakt. De minister heeft in dit verband van belang mogen vinden dat met de e-mails een persoonlijke verklaring mist vanuit eisers kant waarin hij zijn identiteitsgroei toelicht. De stelling van eiser dat de minister hem de gelegenheid had moeten geven om zijn gestelde biseksuele geaardheid als asielmotief nader toe te lichten met een gehoor opvolgende aanvraag, heeft de minister niet hoeven volgen. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting gesteld dat eiser op het formulier M35-O en met de zienswijze geen persoonlijke toelichting heeft gegeven waarom bij hem sprake is van identiteitsgroei, waaruit dat bestaat en waaruit de contacten van eiser met de lhbti-gemeenschap bestaan. De rechtbank volgt de gemachtigde van de minister hierin. Dat eiser in beroep een affidavit, een beëdigde verklaring van zijn biologische moeder, ter onderbouwing van de door hem gestelde (bi)seksuele geaardheid heeft overgelegd, doet hieraan niet af. Zoals de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, ziet de verklaring van de moeder op wat eiser in Nigeria zou hebben meegemaakt en niet op zijn identiteitsgroei. Zij heeft daarbij benadrukt dat in de eerdere asielprocedure de gestelde biseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is bevonden. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat hij met de in beroep overgelegde affidavit van de biologische moeder van eiser geen reden heeft hoeven zien om zijn opvolgende asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen. De stelling van eiser op de zitting dat hij niet meer heeft kunnen doen dan wat hij op het formulier M35-O heeft ingevuld en wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd, leidt – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet tot een ander oordeel. Hoewel het formulier M35-O niet bedoeld is om de asielmotieven volledig te onderbouwen, had eiser op dat formulier dan wel in de zienswijze een persoonlijke en concrete toelichting en onderbouwing moeten geven over zijn gestelde identiteitsgroei. Dat heeft eiser niet gedaan.Conclusie en gevolgen\n\n7. De minister heeft de opvolgende aanvraag van eiser buiten behandeling mogen stellen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Zaaknummer NL24.51168.\n\n Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Zaaknummer NL26.7917.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:574.\n\n Werkinstructie 2023\u002F7 Opvolgende asielaanvragen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18696","2026-07-13T00:28:38.791Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":72,"fullText":73,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":75},"1176","ECLI:NL:RBDHA:2026:18652","ecli-nl-rbdha-2026-18652","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.19457\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van de minister en de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser is zelf niet verschenen.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 12 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 16 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nZienswijze\n\n5. Voor zover eiser zijn zienswijze handhaaft, die ingaat op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verwijst de rechtbank naar een eerder, op 19 juni 2026, gedane uitspraak.De rechtbank ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.\n\nArrest C.K.\n\n6. In de gronden van beroep heeft de gemachtigde van eiser zich toegespitst op de medische situatie van eiser en zich beroepen op het arrest C.K. tegen Slovenië. Daarbij is\n\nnaar voren gebracht dat eiser eerder, in Duitsland, is opgenomen na een suïcidepoging en\n\ndat er bij overdracht een reëel risico op decompensatie bestaat.6.1.. Eiser heeft in beroep medische stukken overgelegd over de behandeling in Duitsland. Uit een op 10 december 2025 gedateerde brief van een AMEOS-kliniek blijkt dat eiser van 2 tot 10 december 2025 is opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. In een op 22 januari 2026 gedateerde brief van een Helios-kliniek is vermeld dat eiser daar onder behandeling stond. Eiser is vervolgens naar Nederland gereisd en heeft hier op 31 januari 2026 (net als in Duitsland) asiel aangevraagd.6.2.. In het Nederlandse patiëntendossier is onder het kopje “psychische stoornissen”op 8 februari 2026 het volgende vermeld:“[eiser] gaf aan dat hij (…) nu geen acute zelfmoordneigingen heeft, maar dat hij meer toe is aan rust en veiligheid.”Verder is in het Nederlandse patiëntendossier onder het kopje“psychische stoornissen”op 17 maart 2026 het volgende vermeld:“Dhr zegt geen gedachten te hebben over zelfdoding, wil werken aan een betere toekomst.”\n\n6.3.. De Afdelingheeft overwogen dat uit het arrest C.K. volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, bijvoorbeeld door aan te tonen met stukken van zijn behandelaar(s) dat er een reëel of hoog risico op suïcide bestaat als gevolg van zijn overdracht. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.WI 2021\u002F3sluit hierop aan. Wanneer er door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel risico of verhoogd suïciderisico of waar dit onvoldoende is gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht, zal er geen BMA-onderzoek worden opgestart.\n\n6.4.. De minister heeft ter zitting naar voren gebracht dat uit de stukken niet blijkt dat er sprake is van een actieve medische behandeling of een verhoogd suïciderisico speelt. De overgelegde gegevens gaan terug tot 9 april 2026. Uit die gegevens blijkt verder vooral wat eiser zelf heeft verteld. Daaruit volgt volgens de minister niet dat wordt voldaan aan het in WI 2021\u002F3 neergelegde kader. Daarom wordt ook geen advies aan het BMA gevraagd.\n\n6.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde stukken geen objectieve gegevens overgelegd als hiervoor beschreven.Zo is nergens in de medische stukken door een behandelaar ingegaan op wat een overdracht aan Duitsland voor de gezondheidstoestand van eiser zou betekenen. Reeds gelet hierom kan het beroep op het arrest C.K. niet slagen.\n\nTarakhel\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij als bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakheldient te worden aangemerkt, zodat een individuele beoordeling van de zorg- en opvangsituatie bij overdracht is aangewezen.\n\n7.1.. In het arrest Tarakhelheeft het EHRMoverwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015volgt dat het arrestTarakhelook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen.\n\n7.2.. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat eiser geen recente medische documenten heeft overgelegd. Wel is eiser er op gewezen dat hij in Duitsland toegang heeft kunnen krijgen tot medische zorg en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij de medische behandeling die hij nodig zou hebben in Duitsland niet kan krijgen. Daarbij is opgemerkt dat indien eiser hiervoor toestemming geeft, er op grond van artikel 32 van de Dublinverordening een uitwisseling van zijn medische gegevens kan plaatsvinden tussen Nederland en Duitsland. De autoriteiten van Duitsland worden dan voor de overdracht over eventuele bijzondere medische behoeften geïnformeerd. De minister wijst er daarbij op dat er ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\n7.3.. De minister heeft ter zitting verder nog naar voren gebracht dat dit uit de in beroep overgelegde stukken onvoldoende blijkt dat eiser op dit moment bijzonder kwetsbaar is en aanvullende individuele garanties moeten worden verkregen van Duitsland.7.4.. \n\nDe rechtbank leest in de overgelegde stukken dat eiser in Duitsland (het afgelopen jaar) een behandeling heeft gekregen in twee behandelklinieken. Het Nederlandse patiëntendossier gaat niet verder dan 9 april 2026. De minister heeft reeds vermeld dat de autoriteiten voor de overdracht kunnen worden geïnformeerd over eventuele bijzondere medische behoeften. Hiervoor is al overwogen dat ten aanzien van Duitsland kan worden\n\nuitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op basis van wat eiser heeft gesteld ziet de rechtbank dan ook geen grond te oordelen dat de minister voorafgaand aan de overdracht individuele garanties moet vragen.\n\nArtikel 17 Dublinverordening\n\n8. Eiser voert aan dat, gelet op de cumulatie van zijn individuele omstandigheden aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.8.1.. De minister heeft op de zitting naar voren gebracht daar geen aanleiding toe te zien. Daarmee blijft de minister bij het in het bestreden besluit ingenomen standpunt.8.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De minister is op de door eiser gestelde persoonlijke ervaringen in Duitsland gemotiveerd ingegaan en heeft daarbij mogen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.19458.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:16626\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\n ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.\n\n Werkinstructie 2021\u002F3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.\n\n ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:3806.\n\n Zie ook: ABRvS 20 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1595.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18652","2026-07-13T00:29:08.172Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":72,"fullText":80,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":82},"1173","ECLI:NL:RBDHA:2026:18650","ecli-nl-rbdha-2026-18650","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20085\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 10 februari 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 12 februari 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening aanvaard.\n\nIs het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?\n\n5. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Eiser betwist dat hij voor de gehoren uitnodigingen heeft ontvangen.\n\n5.1.. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker.\n\n5.2.. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser is uitgenodigd voor de gehoren en dat het niet verschijnen voor zijn rekening en risico komt. In het verweerschrift van 29 juni 2026 is het verloop toegelicht. Subsidiair verzoekt de minister, als wel een gebrek wordt geconstateerd, artikel 6:22 van de Awb toe te passen. Op zitting is door eiser een reactie gegeven en is benadrukt dat (nog steeds) niet op deugdelijke wijze is onderbouwd dat eiser is uitgenodigd voor een persoonlijk onderhoud.\n\n5.3.. De rechtbank stelt vast dat in het dossier drie loopbrieven aanwezig zijn, welke niet zijn voorzien van een ondertekend ontvangstbewijs of andere verifieerbare bevestiging van ontvangst. Uit de door de minister in beroep overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat in het verwerkingssysteem Indigogeen officiële uitnodigingen zijn geregistreerd en dat evenmin ondertekende ontvangstbewijzen aanwezig zijn.\n\n5.4.. Gelet op deze informatie is naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat eiser daadwerkelijk op een deugdelijke wijze is uitgenodigd voor de gehoren. De e-mailcorrespondentie biedt onvoldoende inzicht in de wijze van uitreiking en de concrete gang van zaken rondom het bezorgen van de uitnodigingen. Ook de overige stukken in het dossier, waaronder de twee rapporten “niet verschenen voor gehoor”, bieden daarvoor onvoldoende verifieerbare aanknopingspunten. Daarmee is sprake van een gebrek in de besluitvorming.\n\n5.5.. \n\nOmdat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank eiser ter zitting alsnog in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen de overdracht aan Duitsland toe te lichten.\n\nHierbij is -zakelijk weergegeven- het volgende gesprek met eiser gevoerd:\n\n“R: Eerst was u in Duitsland, daarna in Nederland. Waarom bent u naar Nederland gekomen?E: Ik had het daar heel moeilijk in Duitsland. De woonplek was ook moeilijk.\n\nR: Wat was de woonplek?E: Een klein dorp. Daar heb ik geen hulp gehad van de overheid, geen scholing en geen werk.\n\nR: Verveelde u zich daar?E: Dat klopt, het voelde als een gevangenis in eigen huis.\n\nR: Maar was het geen gevangenis?E: Dat klopt.\n\nR: Had u daar niets te doen?E: Nee, hier ga ik naar school en naar de sportschool.\n\nR: Is er verder nog iets waarom u niet naar Duitsland wilt?E: Nee.”\n\n5.6.. Gelet op het voorgaande heeft eiser zijn bezwaren tegen de overdracht in de beroepsfase alsnog ter zitting mondeling kunnen toelichten. Daarmee is het ontbreken van een persoonlijk onderhoud in de bestuurlijke fase in zoverre hersteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ook reeds in de zienswijze en het beroepschrift de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt naar voren te brengen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 te passeren.\n\nPsychische gesteldheid eiser\n\n6. Eiser heeft in de gronden van beroep van 16 april 2026 naar voren gebracht dat hij kampt met psychische klachten en last heeft van suïcidale gedachten. Daarbij is vermeld dat eiser zich inspant om deze klachten nader te onderbouwen. Volgens eiser is het niet verantwoord hem aan Duitsland over te dragen zonder nader onderzoek naar zijn psychische gesteldheid.\n\n6.1.. De Afdelingheeft overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.WI 2021\u002F3sluit hierop aan. Daarbij is uiteengezet wanneer wel en wanneer niet een BMA-onderzoek wordt opgestart.6.2.. Eiser heeft in onderhavige procedure zijn patiëntendossier overgelegd. Hierin is op 18 mei 2026 melding gemaakt van slaapproblemen en is onder meer vermeld dat eiser denkt dat dat komt door zijn geschiedenis en dat hij veel heeft meegemaakt in Libië en Italië. Gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader heeft de minister in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven zien om een BMA-onderzoek te starten of om van overdracht aan Duitsland af te zien. Deze beroepsgrond faalt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Duitsland.\n\n8. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank;\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20086.\n\n Rectificatie van Verordening (EU) 2024\u002F1351, 2025\u002F90929, 25 november 2025.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening.\n\n Vgl. Hof van Justitie 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, § 118.\n\n Vgl. rechtbank Den Haag, zp Groningen, 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16600.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\n ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.\n\n Werkinstructie 2021\u002F3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18650","2026-07-13T00:29:08.053Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":45,"courtId":87,"decisionDate":72,"fullText":88,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":90},"683","ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","ecli-nl-rbdha-2026-18681",62,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.35381\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. D. Schaap)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwen de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\nDeze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.\n\nToetsingskader\n\n2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo)van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-Vo.In de AMB-Vo staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.\n\n2. Op grond van het Vbkan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-Vo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\n3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMB-Vo en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nk. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.\n\nPrematuur opgelegde vreemdelingenbewaring\u002Flichter middel\n\n6. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring prematuur is opgelegd, omdat verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling eerst de overdracht aan Zwitserland had kunnen regelen en dan pas kort voorafgaand aan de overdracht tot inbewaringstelling had kunnen overgaan. Hij wijst daarbij op een andere zaak waarin eerst een concrete overdrachtsdatum met de betreffende lidstaat (Duitsland) was afgesproken en de vreemdeling daarna pas in vreemdelingenbewaring is gesteld. Niet is gebleken waarom een dergelijke handelwijze in eisers geval niet mogelijk was. Verder is onvoldoende rekening gehouden met eisers medische omstandigheden. Hij had in verband met letsel aan zijn oogkas een medische afspraak staan, die door zijn staandehouding niet kon doorgaan.\n\n7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, bestaat er een risico op onderduiken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser meermalen heeft verklaard niet mee te werken aan zijn overdracht aan Zwitserland. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026 verklaard dat hij niet van plan is om mee te werken aan de door DT&Vgeregelde overdracht en dat hij niet wil terugkeren naar Zwitserland, omdat hij daar zal worden opgepakt en in de gevangenis zal belanden.Verder volgt uit het proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026 dat eiser deze verklaringen heeft bevestigd en opnieuw heeft aangegeven niet terug te willen en kunnen keren naar Zwitserland.Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de inbewaringstelling noodzakelijk was om eisers overdracht aan Zwitserland veilig te stellen en dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarnaast blijkt uit de maatregel dat verweerder eisers medische situatie heeft betrokken bij de afweging of een lichter middel kon worden toegepast. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nAmbtshalve toets\n\n8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1351.\n\n Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-Vo.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dienst Terugkeer en Vertrek.\n\n Aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026, p. 7 van 7.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026, p. 4 van 6.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","2026-07-13T00:28:43.078Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":45,"courtId":95,"decisionDate":72,"fullText":96,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":98},"1174","ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","ecli-nl-rbdha-2026-18651",58,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20086\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het verzoek, gelijktijdig met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20085.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","2026-07-13T00:29:08.085Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":106},"1520","ECLI:NL:RBDHA:2026:18513","ecli-nl-rbdha-2026-18513","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.29972 en NL26.30215\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam 1], eiseres,\n\nV-nummer: [nummer 1],\n\n(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),\n\nmede namens haar minderjarige kind:\n\n [naam 2]\n\nV-nummer: [nummer 2]\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van beperking van de vrijheid opgelegd,zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 29 mei 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n1.2.. De minister heeft de vrijheidsbeperkende maatregel per 1 juni 2026 beëindigd, vanwege continuering van opvang op het AZC.\n\n1.3.. Eiseres heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 juni 2026 ingetrokken en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres.\n\n1.4.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.\n\nOverwegingen\n\n2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten veroordelen.\n\n3. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487) is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel nadien verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een kostenveroordeling.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het instellen van beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, deze maatregel nog heeft voortbestaan en pas na het indienen van beroep is beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op de mededeling van de minister dat er sprake is van continuering van de opvang op het AZC, sprake van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Voornoemde tegemoetkoming vormt naar het oordeel van de rechtbank grond voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De rechtbank wijst het verzoek om verzoek om vergoeding van de proceskosten toe.\n\n6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten verband houdend met het indienen van een beroepschrift en een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1868,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tigglaar, griffier.\n\nDe uitspraak is bekend gemaakt en openbaar gemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18513","2026-07-13T00:29:25.207Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":45,"courtId":111,"decisionDate":103,"fullText":112,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":114},"919","ECLI:NL:RBDHA:2026:18531","ecli-nl-rbdha-2026-18531",56,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.8336, NL26.8330, NL26.8332 en NL26.8334 (beroepen)\n\nNL26.8337, NL26.8331, NL26.8333 en NL26.8335 (voorlopige voorzieningen)\n\nV-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] , [v-nummer 3] en [v-nummer 4]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1982, eiser en verzoeker 1,\n\n [eiseres] , geboren op [geboortedag 2] 1988, eiseres en verzoekster,\n\n [eiser 2] , geboren op [geboortedag 3] 2005, eiser en verzoeker 2,\n\n [eiser 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008, eiser en verzoeker 3,\n\nallen van Turkse nationaliteit, hierna tezamen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. S. Thelosen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen. Eisers hebben op 27 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 9 februari 2026 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2. Eisers hebben ook allen individueel een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n2.1.. De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken van eisers op 27 mei 2026 op zitting gevoegd behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M.A. Budak als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\n2.2.. Bij beslissing van 5 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropendom partijen te laten reageren op de arresten van 4 juni 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).De rechtbank heeft hierbij partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 19 juni 2026 te reageren op de vragen van de rechtbank.\n\n2.3.. Op 9 juni 2026 hebben eisers hun standpunt naar voren gebracht. Op 19 juni 2026 heeft de minister ook gereageerd. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft vervolgens op 23 juni 2026 het onderzoek wederom gesloten.\n\nOverwegingen\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvragen van eisers heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Ook beoordeelt de rechtbank de verzoeken van eisers om een voorlopige voorziening.\n\n4. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond, en wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nDe asielrelazen\n\n5. Eisers vormen samen een gezin. Zij hebben allen de Turkse nationaliteit en behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser 1 en eiseres zijn getrouwd en eiser 2 en eiser 3 zijn hun kinderen.\n\n5.1.. Eiser 1 en eiseres hebben verklaard dat zij Gülen-aanhangers zijn en dat eiser 1 in 2016 is vervolgd vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Zij hebben verder verklaard dat eiser 1 is vrijgesproken, maar dat de autoriteiten hen nog steeds als Gülenisten beschouwen. Ook hebben zij verklaard dat eiser 1 per decreet is ontslagen en dat dit door de bestuursrechter in stand is gelaten. Eiser 1 en eiseres stellen dat zij bij terugkeer vrezen om vervolgd te worden door de Turkse autoriteiten.\n\n5.2.. Eiser 2 en 3 hebben het bovenstaande ook ten grondslag gelegd aan hun asielrelaas en vrezen voor vervolging van hun ouders. Eiser 2 heeft verder verklaard dat hij twee jaar op een Gülen-school zat. In Nederland voert hij activiteiten uit voor de stichting Kennisplein. Eiser 2 vreest dat hij bij terugkeer zal worden ondervraagd en mishandeld om informatie te verkrijgen over andere Gülenisten in Nederland. Hij vreest ook dat hij geen baan kan vinden, omdat hij onderwijs heeft gevolgd op een Gülen-school. Eiser 3 heeft verder verklaard dat hij zelf problemen op school heeft ondervonden omdat hij buitengesloten werd van bepaalde activiteiten. Hij vreest dat hij bij terugkeer geen werk kan vinden omdat zijn vader als landverrader in het systeem staat.\n\nDe bestreden besluiten\n\n6. Het asielrelaas van eiser 1 en eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. de politieke overtuiging en de problemen die daaruit voortvloeien.\n\n6.1.. Het asielrelaas van eiser 2 bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. dat eiser 2 een aanhanger is van de Gülen-beweging;\n\n3. de problemen vanwege de vervolging van de vader.\n\n6.2.. Het asielrelaas van eiser 3 bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. de problemen vanwege de vervolging van de vader.\n\n6.3.. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. De minister heeft tevens geloofwaardig geacht dat eiser 1, eiseres en eiser 2 aanhangers zijn van de Gülen-beweging en een politieke overtuiging hebben. De minister heeft de hieruit voortvloeiende problemen voor eiser 1 en eiseres echter niet geloofwaardig geacht. De minister heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat zij hun verklaringen niet met objectieve documenten hebben onderbouwd. De minister heeft daarom verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister is dit niet het geval omdat de verklaringen van eiser 1 en eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Wat betreft de geloofwaardige politieke overtuiging van eiser 1 en 2 en eiseres heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat zij geen gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Turkije. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser 1 en 2 en eiseres er niet in zijn geslaagd om aannemelijk te maken dat zij in de negatieve aandacht staan van de Turkse autoriteiten vanwege hun betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n7. De minister heeft de aanvragen van eisers kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000, omdat zij niet onmiddellijk asiel hebben aangevraagd in Nederland toen dat mogelijk was.\n\nToetsingskader\n\n8. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc-onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n8.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5, van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid, Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n8.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eisers en hetgeen zij in beroep hebben gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen of eisers (1) geloofwaardig zijn en (2) een gegronde vrees voor vervolging hebben danwel een reëel risico op ernstige schade lopen, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, maar de rechtbank zal niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc-onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n8.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc-onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\nDe beleidswijziging\n\n9. Eisers hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026.\n\n9.1.. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eisers aan het individualiseringsvereiste hebben voldaan en in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nDe geloofwaardigheid\n\n10. De rechtbank overweegt dat, zoals ook al onder het toetsingskader uiteengezet, uit de arresten Quotal en Ebilum volgt dat de rechtbank, anders dan de Afdelingtot nu toe aannam, de geloofwaardigheid vol mag toetsen. De rechtbank kan en mag dus een eigen afweging maken met betrekking tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas.\n\n10.1.. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eisers Gülenisten zijn en dat zij activiteiten hebben verricht. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om hier niet van uit te gaan. In geschil is de vraag of een aantal van de door eisers verrichte activiteiten, namelijk het uitdelen van voedselpakketten en de door eisers ondervonden problemen geloofwaardig zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n10.2.. \n\nIndien specifieke aspecten van het asielrelaas niet met documenten zijn gestaafd, dient het relaas te voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening. Deze voorwaarden zijn:\n\na. de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn of haar verzoek om internationale bescherming te staven;\n\nb. alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;\n\nc. de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn of haar verzoek;\n\nd. vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.\n\n- De voedselpakketten\n\n10.3.. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers wel geloofwaardig hebben verklaard over het uitdelen van de voedselpakketten. Zoals de minister ter zitting ook heeft toegegeven, zit er geen tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van eiser 1 en eiseres. Uit de relazen van eisers blijkt immers dat eiseres heeft verklaard over de situatie van vóór de couppoging en eiser 1 vooral heeft verklaard over de situatie van daarna. Dat er verschillen zijn in deze situaties, is niet ondenkbaar. Immers, voor de couppoging vormde het uitdelen van voedselpakketten geen probleem. Zo heeft eiseres verklaard dat zijzelf voor de couppoging voor het laatst voedselpakketten heeft uitgedeeld.Eiser 1 blijkt echter duidelijk te verklaren over de situatie van na de couppoging. Hij heeft het immers over dat het uitdelen van de voedselpakketten risico’s met zich meebrengt. Ook verklaart hij dat hij dat ongeveer zeven jaar geleden voor het laatst gedaan heeft.\n\n10.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser 1 verder niet innerlijk tegenstrijdig verklaard over het uitdelen van de voedselpakketten na de couppoging. Eiser 1 heeft het weliswaar over ‘we’ maar nergens wordt duidelijk wie hij met ‘we’ bedoelt. Tijdens het nader gehoor is hier ook niet naar gevraagd, terwijl dit wel op de weg van de minister had gelegen. Immers, de vreemdeling dient in de gelegenheid te worden gesteld om uitleg te geven over eventuele inconsistenties en onduidelijkheden.Omdat de minister dit heeft nagelaten, zal de rechtbank uitgaan van de uitleg van eisers. In de zienswijze en de gronden van beroep hebben eisers aangegeven dat met ‘we’ de groep mensen is bedoeld die de pakketten samenstelden en uitdeelden. Deze uitleg komt de rechtbank, gelet op hetgeen in het nader gehoor is verklaard, ook niet bevreemdingwekkend voor. De rechtbank acht het dan ook geloofwaardig dat eiser 1 na de couppoging samen met andere mensen voedselpakketten heeft uitgedeeld.\n\n- Het arrestatiebevel\n\n10.5.. Ook ten aanzien van het arrestatiebevel hebben eisers geloofwaardig verklaard. Er is geen sprake van dat eisers tegenstrijdig aan elkaar hebben verklaard. Uit het nader gehoor van eiseres blijkt dat zij vooral naar haar man verwijst. Ze weet wel dat er een arrestatiebevel is, maar over de precieze details kan eiseres niet verklaren en zij verwijst telkens naar haar man.Zij geeft telkens aan dat hij precies weet hoe het zit. De rechtbank merkt op dat een zelfde beeld, namelijk dat eiseres verwijst naar haar man voor de precieze details, ook naar voren komt ten aanzien van andere onderwerpen die de minister wel geloofwaardig heeft geacht. Zo kan eiseres zich ook niet precies herinneren wanneer haar man vrij is gekomen en hoe het precies zit met de ondervraging van haar zwager. Dit komt de rechtbank niet heel vreemd voor nu het arrestatiebevel ziet op eiser 1 en niet op eiseres zelf. Eiseres kent de grote lijnen en die komen overeen met hetgeen eiser 1 heeft verklaard. Zo heeft eiseres verklaard dat zij via de collega van eiser 1 te weten zijn gekomen dat er een arrestatiebevel is en ook eiser 1 heeft verklaard dat het arrestatiebevel in het dossier van zijn collega zit. Ook heeft eiser 1 al tijdens het gehoor verklaard dat hij met het arrestatiebevel de oproeping om te getuigen heeft bedoeld. Eiseres heeft het in haar nader gehoor ook over de oproeping. Eiser 1 heeft ter zitting verduidelijkt dat indien je gedwongen wordt om te getuigen, de politie je kan arresteren en je op die manier gedwongen wordt om ter zitting te verschijnen.\n\n- De onderlinge bespreking van de problemen\n\n10.6.. De rechtbank is van oordeel dat eisers geloofwaardig hebben verklaard over het politiebezoek vlak voor hun vertrek. Eiser 1 heeft verklaard dat hij van zijn buurman had gehoord dat de politie bij de buren aan de deur was geweest en naar hem heeft gevraagd. De minister werpt dat ook niet tegen. De minister werpt wel tegen dat eisers niet geloofwaardig hebben verklaard over de bespreking van de problemen. Maar ook hierover hebben eisers, naar het oordeel van de rechtbank, geloofwaardig verklaard. De rechtbank merkt daarbij op dat het eventuele niet geloofwaardig verklaren over de besprekingniet maakt dat degebeurtenis zelfniet geloofwaardig is. Maar die situatie is hier niet aan de orde, nu de rechtbank van oordeel is dat zowel over de gebeurtenissen als over de bespreking geloofwaardig is verklaard. Eiser 1 geeft in het nader gehoor consistent aan dat hij niet direct na het bezoek van de politie aan zijn buren dit aan zijn gezin heeft verteld. Hij geeft aan dat hij dit pas later, na vertrek uit Turkije, heeft verteld. Zo heeft eiser 1 verklaard:\n\n“Heeft u uw vertrek toen besproken met uw vrouw en kinderen?\n\nNadat de politie is langs geweest heb ik het niet meteen gedeeld om geen paniek te zaaien. Ik heb eerst onze mogelijkheden onderzocht. Ik moest ook geld lenen vanuit onze omgeving. Pas toen ik dat rond had heb ik een dag vóór dat we gingen met ze gedeeld dat we konden vertrekken.\n\nHeeft u later ook verteld waarom, namelijk dat de politie aan huis was geweest, en dat ze vroegen naar uw betrekkingen met andere Gülenisten.\n\nIk denk dat ze het wel geraden hebben, ik heb het ze niet expliciet verteld. Omdat ze mentaal niet helemaal lekker waren. De hele situatie had ons al aardig vermoeid. Ik wilde ze niet meer belasten daarmee. Ook mijn vrouw heb ik niet alle details gegeven.\n\nMaar u bent nu al geruime tijd in Nederland, heeft u ze in de tussentijd niet verteld dat de politie aan huis is geweest? Het is de directe aanleiding van uw vertrek, het lijkt me dan ook gek dat u dat niet met ze bespreekt.\n\nLater hebben we het wel besproken, maar niet direct ná de gebeurtenis.\n\nDus u heeft het ze wel verteld?\n\nJa een tijdje later. Mijn vrouw kreeg steeds paniek aanvallen. Daar kreeg ze last van vanwege onze situatie. Mijn oudste zoon kreeg witte haren toen hij pas 12 was.\n\nZojuist zei u dat u ze het niet expliciet hebt verteld over het bezoek van de politie, maar nu van wel, kunt u dat voor mij verduidelijken\n\nToen we nog in Turkije waren heb ik ze het niet verteld. We hebben met vrees het land verlaten, tot we weg waren heb ik het niet verteld. Ik weet niet of het onderweg of bij aankomst was dat ik het vertelde. Het was geen makkelijke beslissing.”\n\nEiseres heeft in haar nader gehoor verklaard:\n\n“Heeft uw man met u besproken dat de politie aan de deur van de buren is gekomen en naar hem geïnformeerd is?\n\nJa.\n\nWat is er toen precies besproken?\n\nNadat we uit Turkije zijn vertrokken heeft mijn man verteld dat er bij de buren navraag naar hem is gedaan.\n\nWanneer hebben jullie dit besproken?\n\nWe kwamen bij de Servische grens aan. Rond die tijd heeft hij het besproken.\n\nKan u een datum noemen?\n\nrond 4 september.\n\nWat heeft uw man er toen over verteld?\n\nKijk, de avond dat we vertrokken toen vertrokken we op stel en sprong. Dus toen kon hij het niet vertellen. Maar hij heeft later rond Servië verteld dat dit de redenen zijn geweest dat we moesten vertrekken.”\n\nEiser 2 heeft in het nader gehoor het volgende verklaard:\n\n“Op welke manier raakte u op de hoogte dat u Turkije moest verlaten?\n\nHet was op 30 augustus 2023 geloof ik. Op een avond kwam mijn vader met angst en bezorgdheid thuis. Hij zei: wij moeten zo snel voorbereiden en inpakken en we gaan morgen weg, want ik word gezocht. Hij heeft ons geen details gegeven. De volgende dag zijn we vertrokken. Op 30 augustus zijn we uit Turkije vertrokken.\n\nU gaf net aan dat uw vader u niet alle details gaf. Heeft hij deze details op een later moment wel aan u gegeven?\n\nWat wij wel weten is dat hij zei: we moeten snel weg, we zijn hier niet veilig. Het kan zijn dat ik opnieuw word opgepakt.\n\nHebt u ooit daarna gevraagd aan uw vader wat de reden was dat hij opeens zo snel wilde vertrekken?\n\nJa zeker. Na ons vertrek uit Turkije hebben we hier openlijk over gepraat. Hij zei: wij waren niet veilig in Turkije. Ik had opnieuw opgepakt kunnen worden vanwege de Hizmet-beweging. Mijn vrienden zijn allemaal langer opgepakt. Sommigen zitten vijf of zes jaar, dus vanwege de angst om opnieuw opgepakt te worden, zei hij.”\n\nTot slot heeft eiser 3 het volgende verklaard:\n\n“Op een avond kwam mijn vader thuis en zei: we moeten voorbereidingen treffen want we gaan vertrekken. Hij vertelde niet wat de reden was maar het was wel duidelijk dat er iets ergs aan de hand was.\n\nHeeft hij dat later nog verteld?\n\nNee.\n\nHeeft u daar wel naar gevraagd?\n\nJa, maar hij gaf niet echt antwoord ze wilden daar, over dat onderwerp, niet over praten.\n\n[…]\n\nIs er sinds dat uw vader is vrijgelaten nog iets gebeurd met de politie?\n\nDat weet ik niet, als dat is geweest dan vertelt hij (vader) dat niet aan ons zodat we niet bang worden.\n\nHeb ik goed begrepen dat u vader op een avond zei pak jullie spullen we gaan morgen vertrekken?\n\nDat klopt.”\n\n10.7.. \n\nUit al deze verklaringen volgt dat eiser 1 niet direct de aanleiding heeft verteld waarom het gezin moest vertrekken. Verder verklaren zowel eiser 1 en 2 als eiseres dat eiser 1 het op een later moment wel heeft verteld. Alleen eiser 3, de jongste zoon, heeft dit niet verklaard. In de correcties en aanvullingen geeft eiser 3 echter aan dat hij de vraag verkeerd had begrepen en dat hij dacht dat werd bedoeld of zijn vader het later in Turkije nog had verteld. Dat was niet het geval, maar wel toen ze Turkije uit waren. Eisers hebben dan ook in grote lijnen gelijkluidend aan elkaar verklaard.\n\nDe rechtbank volgt niet dat eiser 1 tegenstrijdig zou hebben verklaard over wanneer hij de reden voor vertrek heeft verteld aan zijn gezin. Eiser 1 zegt weliswaar eerst dat hij het niet expliciet heeft gezegd, maar bijna direct daarna, als de gehoorambtenaar zijn vraag net iets anders formuleert, legt hij uit dat hij het pas buiten Turkije expliciet heeft verteld. Dit komt de rechtbank niet tegenstrijdig voor.\n\n- De late indiening van de asielaanvraag\n\n10.8.. De minister heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid ook betrokken dat eisers niet direct na aankomst in Nederland hun asielaanvraag hebben ingediend maar dat zij eerst zes maanden hebben gewacht om zo aan een Dublinclaim op Duitsland te ontkomen. De minister heeft hierbij verwezen naar artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000 zoals die gold ten tijde van de bestreden besluiten.\n\n10.9.. Artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is de implementatie van artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn. Met het ingaan van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 is de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en is de Kwalificatieverordening van kracht geworden. Er is geen overgangsrecht van toepassing. Met het ingaan van de Kwalificatieverordening is ook artikel 4, vijfde lid, aangepast. De d-grond is komen te vervallen. Daarbij komt dat het beleid van de minister is dat een asielverzoek niet enkel wordt afgewezen op grond van de omstandigheid dat een verzoek niet zo snel mogelijk is gedaan terwijl daar geen overtuigende verklaring voor is gegeven. Een asielmotief wordt niet enkel om die reden ongeloofwaardig geacht.De rechtbank zal eisers dit dan ook niet tegenwerpen.\n\nTussenconclusie\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat eisers geloofwaardig hebben verklaard over hun politieke overtuiging en over de door hen ondervonden problemen. De rechtbank zal dan nu ook beoordelen of eisers met deze geloofwaardig bevonden elementen hun vrees voor vervolging aannemelijk hebben gemaakt.\n\nGegronde vrees voor vervolging\n\n12. Eisers hebben aangevoerd dat zij op individueel niveau aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling staan van de Turkse autoriteiten. In dit verband hebben zij erop gewezen dat eiser 1 eerder vervolgd is. Niet alleen is eiser 1 strafrechtelijk vervolgd, maar er zijn ook bestuursrechtelijke maatregelen tegen hem genomen. Zo is hij per decreet ontslagen bij de rechtbank. Dit ontslag is, ook na zijn vrijspraak, in stand gelaten omdat eiser 1 Gülenist is. De minister heeft dit ten onrechte niet betrokken bij zijn beoordeling. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eisers tegenwerpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser 1 in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eisers hebben hierbij ook gewezen op algemene landeninformatie die hun overwegingen verder onderbouwen.\n\n12.1.. \n\nDe rechtbank stelt voorop dat eiser 1 eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser 1 is weliswaar vrijgesproken in strafrechtelijke zin, maar er zijn ook administratieve maatregelen tegen hem genomen vanwege zijn politieke overtuiging. Zo is eiser 1 per decreet ontslagen. Eiser 1 heeft dit ontslag bestuursrechtelijk aangevochten maar dat heeft tot niets geleid. Uit het overgelegde vonnis van de bestuursrechtbank blijkt dat eiser 1 is aangemerkt als lid van de Gülen-beweging. Volgens de bestuursrechter is eiser 1 een niveau 5-lid, dat betekent dat hij vertrouwd en bekend was met de beweging. Verder blijkt uit de hoger beroepsuitspraak uit 2024 dat eiser1 zijn ontslag in stand is gebleven, ondanks de strafrechtelijke vrijspraak. De bestuursrechter heeft geoordeeld dat eiser 1 wel wordt gezien als een Gülen-aanhanger, ondanks de vrijspraak. De rechtbank merkt daarbij op dat in het bestuursrecht andere begrippenkaders en bewijsregels gelden dan in het strafrecht. Een strafrechtelijke vrijspraak van lidmaatschap van een verboden organisatie betekent enkel dat er strafrechtelijk te weinig bewijs was voor het tenlastegelegde lidmaatschap als bedoeld in het Turkse Wetboek van Strafrecht. Niets meer, maar ook niets minder. Het samenstel van strafrechtelijk en bestuursrechtelijke maatregelen vanwege een politieke overtuiging levert daden van vervolging op.\n\nDe eerdere vervolging van eiser is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van eisers voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van goede redenen om aan te nemen dat vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.\n\n12.2.. Eiser 1 is opgeroepen om te komen getuigen in de zaak van een collega. Dit is ook niet in geschil. Dat betekent dat eiser 1 in ieder geval in de belangstelling staat van de autoriteiten.\n\n12.3.. In de bestuursrechtelijke procedure is expliciet overwogen dat eiser 1 is gecategoriseerd als een ‘niveau 5-lid’. Uit landeninformatie blijkt dat er zeven niveaus van betrokkenheid bestaan. De vijfde laag bestaat uit functionarissen die verantwoordelijk zijn voor het maken en uitvoeren van het beleid van de Gülen-beweging.Eiser 1 wordt dus door de Turkse overheid gezien als een redelijk hooggeplaatste Gülenist.\n\n12.4.. Uit landeninformatie blijkt dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije.Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig.Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om onder andere cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers.Eiser 1 is ook werkzaam geweest bij de rechtbank en daarmee in het justitiële apparaat. Verder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen, dan wel zijn vrijgesproken, zoals eiser 1, of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten wat betreft Gülenisme, in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook hoogleraar Johan Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülen-beweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\n12.5.. Verder volgt uit het Algemeen Ambtsbericht dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd ook is gaan richten op ‘burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun familieleden”. Deze personen worden door de Turkse overheid verdachte van het ‘herstructureren’ van de Gülen-beweging.Ook Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’.Vande Lanotte beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülen-beweging.\n\n12.6.. Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructuringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülen-beweging.Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten.Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülen-beweging. Onder deze personen zitten “family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle’.”\n\n12.7.. Uit landeninformatie volgt verder dat ook familieleden van (vermeende) Gülenisten, zoals eiseres en eisers 2 en 3 een risico lopen. Volgens de Finse immigratiedienst lopen ook personen die na de coup van 2016 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt een risico op vervolging. Het gaan dan bijvoorbeeld om jongeren die op een Gülen-school hebben gezeten en van wie hun ouders banden met de Gülen-beweging wordt verweten.Verder meldt de Finse immigratiedienst dat strafrechtelijke vervolging van familieleden van (vermeende) Gülenisten willekeurig is. Partners, kinderen, broers en zussen lopen daarbij het meeste risico.Ook de UK Home Office stelt dat het enkel zijn van een familielid van een Gülenist voldoende is als risicofactor voor vervolging.De Finse immigratiedienst schrijft voorts dat juist echtgenotes en kinderen doelwit zijn. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft verder aan dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om verschillende familieleden van een Gülenist op willekeurige wijze te vervolgen. Een uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over de erkenning van het concept “connection (iltisak) to a terrorist organisation” heeft deze willekeur volgens deze expert in de hand gewerkt nu het niet duidelijk is wat deze term inhoudt.\n\n12.8.. Dat eisers legaal hebben kunnen uitreizen, maakt, anders dan de minister heeft gesteld, niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling vanuit de autoriteiten. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n12.9.. Verder hebben eisers in Nederland activiteiten ontplooit vanuit het Gülenisme. Ook dit is een factor die bijdraagt aan de gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülen-beweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf. Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten. Eisers hebben zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden. Zo hebben eisers erop gewezen dat de organisaties waarvoor zij activiteiten verrichten, namelijk SECU en Time to Help, door de Turkse autoriteiten worden gezien als Gülen-instellingen en in die hoedanigheid in de gaten worden gehouden. Verder hebben zij erop gewezen dat de schoonzus van eiser 1 in het onderzoeksrapport van de Turkse inlichtingendienst wordt genoemd.\n\n12.10.. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eisers, met name de omstandigheid dat eiser 1 eerder is vervolgd, eiseres en eisers 2 en 3 als familieleden gevaar lopen en eisers in Nederland activiteiten hebben ontplooit, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees hebben voor vervolging.\n\n12.11.. Gelet op het bovenstaande, behoeven de overige gronden van eisers geen bespreking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 4, 18 en 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, als ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eisers stelt de rechtbank vast dat aan eisers internationale bescherming moet worden verleend. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n14. Omdat de rechtbank nu beslist op de beroepen van eisers, is er voor het treffen van de voorlopige voorzieningen geen reden meer. De rechtbank wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening daarom af.\n\n15. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.269,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend, aan de zitting heeft deelgenomen en na de heropening schriftelijk heeft gereageerd (1 punt per proceshandeling in samenhangende zaken, met een waarde van € 934,- per punt, met een wegingsfactor 1 voor het indienen van het beroepschrift, het verzoekschrift en het deelnemen aan de zitting en een wegingsfactor 0,5 voor de schriftelijke reactie na heropening).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten;\n\n- verwijst de zaken terug naar de minister en draagt de minister op aan eisers een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nwijst de gevraagde voorzieningen af;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 3.269,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de artikelen 8:68 en 8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Arrest Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447 en arrest Ebilum, C-xxx\u002Fxx, ECLI:EU:C:2026:448\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31-35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73-74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie pagina 19 van het verslag van het nader gehoor van eiseres.\n\n Zie pagina 10 van het verslag van het nader gehoor van eiser 1.\n\n Ten tijde van de besluitvorming was dit geregeld in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Met de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact is artikel 4, eerste lid, aangepast in die zin dat in de Kwalificatieverordening niet langer wordt gesproken over de samenwerkingsplicht. Wel spreekt artikel 12, tweede lid, van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024\u002F1348) over dat de verzoeker in de gelegenheid moet worden gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn of haar verklaringen.\n\n Zie pagina 10, 11 en 12 van het verslag van het nader gehoor van eiseres.\n\n Zie pagina 8 van het verslag van het nader gehoor eiser 1.\n\n Zie pagina 17 en 18 het verslag van het nader gehoor eiseres.\n\n Zie pagina 10 van het verslag van het nader gehoor eiser 2.\n\n Zie pagina 8 van het verslag van het nader gehoor van eiser 3.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, rechtsoverweging 4.5.\n\n Zie artikel 9 van de Kwalificatieverordening.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. Zie ook het arrest Ebilum, rechtsoverweging 74.\n\n Zie het Algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2021, pagina 39.\n\n Zie in dit respect ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina’s 46-49.\n\n Zie het ambtsbericht, pagina 49.\n\n Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, rechtsoverweging 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 49.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, rechtsoverweging 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 14.\n\n Idem.\n\n Idem, pagina 15.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 16–18.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 41 en 42.\n\n Rapport UK Home Office, oktober 2023, pagina 8.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 41.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18531","2026-07-13T00:28:54.508Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":45,"courtId":111,"decisionDate":103,"fullText":119,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":121},"917","ECLI:NL:RBDHA:2026:18534","ecli-nl-rbdha-2026-18534","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.4401\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1971, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.\n\n1.1.. Eiser heeft op 27 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de minister via een bericht in het digitale dossier op 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 een verweerschrift in te dienen. De minister heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.\n\n1.4.. Vervolgens heeft de minister op 17 juni 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet op zitting zal verschijnen wegens capaciteitsgebrek. Via telefonisch contact heeft de rechtbank aan de minister gevraagd als gevolg daarvan alsnog een verweerschrift in te dienen. Dit heeft de minister nagelaten.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en R. Baysal als tolk in de Turkse taal deelgenomen. De minister is met bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser was als [functie] werkzaam in Turkije. Eiser heeft verklaard dat hij veroordeeld is vanwege zijn (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden. Tijdens zijn detentie is hij gemarteld. Na het uitzitten van 4 jaar en acht maanden gevangenisstraf is eiser voorwaardelijk vrijgelaten. Eiser moest zich onder andere houden aan een wekelijkse meldplicht en een taakstraf uitvoeren. Eiser heeft verklaard dat hij zich vanwege zijn vertrek niet heeft gehouden aan de voorwaarden. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opnieuw vervolgd zal worden onder andere omdat hij zich niet aan de opgelegde voorwaarden heeft gehouden.\n\nBestreden besluit\n\n5. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nde eerdere strafrechtelijke veroordeling van eiser.\n\n5.1.. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees voor strafrechtelijke vervolging bij terugkeer naar Turkije niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij opnieuw strafrechtelijk vervolgd zal worden of dat hij opnieuw in detentie zal worden geplaatst. Uit het door eiser overgelegde document van 18 december 2025 blijkt dat het dossier van de voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het voltooien van de justitiële voorwaarden is afgesloten. Dat eiser opnieuw vervolgd zal worden, is gebaseerd op vermoedens. De minister betrekt daarbij ook dat eiser legaal het land heeft kunnen verlaten. Verder acht de minister het niet geloofwaardig dat de politie meerdere keren langs de familie van eiser is geweest om navraag te doen naar eiser vanwege de schending van de voorwaarden. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.\n\nToetsingskader\n\n6. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak doet over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n6.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n6.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n6.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\nDe beleidswijziging en overschrijding van de beslistermijn\n\n7. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij is benadeeld door het overschrijden van de beslistermijn. Als de minister wel binnen de beslistermijn had beslist op zijn aanvraag, was zijn aanvraag immers ingewilligd.\n\n8. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eiser aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging en de overschrijding van de beslistermijn niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nGegronde vrees voor vervolging\n\n9. Eiser heeft aangevoerd dat hij op individueel niveau aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. Hij heeft in dit kader gewezen op het feit dat hij eerder vervolgd is. Volgens eiser hanteert de minister een verkeerd toetsingskader, het is namelijk aan de minister om aannemelijk te maken dat eiser bij terugkeer niet meer te vrezen heeft. Daarbij stelt de minister ten onrechte dat uit het overgelegde document van 18 december 2025 blijkt dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het voltooien van de justitiële voorwaarden is afgesloten en eiser niet langer hoeft te vrezen. De minister heeft nagelaten om de vertaling van het document te overleggen en het is ook niet duidelijk welke tolk het document heeft vertaald. Niet is gebleken dat de minister gebruik heeft gemaakt van een beëdigde tolk. Verder volgt uit het document alleen dat de officier van justitie het dossier naar de rechtbank stuurt in verband met de voltooiing van de tenuitvoerlegging. Dit zegt volgens eiser niks over de overtreding van de voorwaarden die zien op de voorwaardelijke invrijheidsstelling na de procedure in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie bij de Hoge Raad. Uit de beëdigde vertaling van eiser volgt dat de tenuitvoerlegging is voltooid. Vast staat dat eiser de voorwaarden heeft overtreden, wat blijkt uit de overgelegde beëdigde vertaling van de stukken van de reclassering. Verder was eiser in Turkije [functie] en heeft hij uitspraken gedaan in het nadeel van het regime. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eiser tegenwerpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eiser heeft hierbij ook gewezen op algemene landeninformatie die zijn overwegingen verder onderbouwen.\n\n9.1.. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser gewezen op het feit dat de Turkse autoriteiten nieuwe stukken hebben toegevoegd aan het UYAPsysteem van eiser. Hieruit volgt dat de rechtbank in Ankara met spoed het strafdossier van onder andere eiser op heeft opgevraagd. Verder wijst eiser erop dat de persoon die twee plaatsen hoger staat dan eiser op de lijst als gevolg van de nieuwe onderzoeken is gearresteerd op 9 mei 2026. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een krantenbericht overgelegd waaruit dat blijkt. Verder heeft eiser nog gewezen op een ander krantenbericht waaruit blijkt dat vervolging tegen (oud)rechters nog steeds doorgaat.\n\n9.2.. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat sprake is van refugie sur place. Eiser is betrokken bij [bedrijf] . Dit is een Gülen-gelieerde instelling met activiteiten in Nederland. Uit onder meer landeninformatie blijkt dat de Turkse autoriteiten dergelijke instellingen in het buitenland in de gaten houden.\n\n10. Niet in geschil is dat eiser in het verleden is vervolgd door de Turkse overheid en dat hij enkele jaren gedetineerd is geweest. Ook is niet in geschil dat eiser tijdens zijn detentie is gemarteld. In geschil is de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije wederom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn betrokkenheid bij het Gülenisme.\n\n11. De rechtbank overweegt dat eisers eerdere detentie vanwege zijn politieke overtuiging en de martelingen die hij heeft ondergaan in detentie daden zijn van vervolging in de zin van artikel 3.36 van het VV 2000.Uit artikel 4, vierde lid van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid van de Vw 2000 volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een verkeerd toetsingskader toegepast. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eiser nietopnieuw te vrezen heeft voor vervolging. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van de finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is het relaas van eiser geloofwaardig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dan rest de vraag of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade aannemelijk is en of het verzoek om internationale bescherming gegrond is. De rechtbank beantwoordt die vragen ook bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.\n\n14. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat eiser eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser is immers vanwege zijn politieke overtuiging strafrechtelijk vervolgd en heeft gedetineerd gezeten. Tijdens zijn detentie is eiser gemarteld. Dit levert daden van vervolging op zoals bedoeld in de Kwalificatieverordening.Zoals hierboven ook al opgemerkt is blootstelling aan vervolging in het verleden een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is.Dit wordt anders als er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan niet gebleken, in tegendeel zelfs. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.\n\n15. Eiser heeft verklaard dat hij direct na de coup is opgepakt en uiteindelijk is veroordeeld tot zeven jaar en zes maanden gevangenisstraf. Eiser heeft hiervan een deel uitgezeten en is in november 2022 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Eiser diende zich te houden aan een meldplicht en moest een taakstraf uitvoeren. Dit is ook onderbouwd met documenten. Deze meldplicht liep tot 13 november 2023. Eiser is echter op 13 september 2023 uit Turkije vertrokken en in Nederland aangekomen. Uit deze gang van zaken kan worden afgeleid dat eiser inderdaad niet aan de opgelegde voorwaarden heeft voldaan en dat is een aanwijzing dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling kan komen te staan. Uit het door eiser overgelegde document van 18 december 2025 blijkt, anders dan de minister stelt, niet dat eiser zijn voorwaarden niet heeft overtreden. Uit de door eiser overgelegde, beëdigde, vertaling van het document van 18 december 2025 blijkt dat de Officier van Justitie het executiedossier van eiser heeft verstuurd naar de 30ste meervoudige kamer in zware strafzaken van Istanbul. Hierin staat vermeld:\n\n“Het executiedossier betreffende de veroordeelde [eiser] , van wie de identiteitsgegevens en straf hieronder staan vermeld, treft u bijgaand aan wegens Voltooiing van de Tenuitvoerlegging (Vonnis in eerste aanleg). Ik verzoek u om van een en ander kennis te nemen en het benodigde te verrichten.”\n\nHieruit volgt niet ondubbelzinnig dat eisers strafdossier gesloten is. De zinssnede ‘het benodigde te verrichten’ is immers voor velerlei uitleg vatbaar.\n\nDaar komt bij dat in het executiedossier het volgende staat opgenomen:\n\n“U bent verplicht bovenstaande regels na te leven. U wordt hierbij gewaarschuwd en ervan in kennis gesteld dat het niet naleven van deze regels zal worden aangemerkt als schending van uw verplichtingen en dat er maatregelen tegen u zullen worden genomen, en dat indien u volhardt in het overtreden van de regels en het niet nakomen van de\n\nvereisten van het met betrekking tot uw persoon op te stellen toezichtplan, door de rechter-commissaris kan worden beslist dat u uw straf tot aan de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling in een open penitentiaire inrichting dient uit te zitten.”\n\nGelet op de eerdere martelingen die eiser in detentie heeft ondergaan, is het niet onaannemelijk dat indien eiser het resterende deel van zijn straf moet uitzitten, hij wederom te maken krijgt met detentieomstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM.\n\nVerder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen danwel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid.\n\n16. De rechtbank betrekt verder bij haar beoordeling dat eiser geloofwaardig heeft verklaard dat de politie meerdere keren bij zijn familie aan de deur is geweest om naar hem te vragen omdat hij zijn meldplicht heeft overtreden. Eiser heeft hier gedetailleerd en consistent over verklaard. Zo kan eiser desgevraagd meerdere data noemen waarop de politie langs is geweest en ook wat er is gevraagd.Ook hieruit blijkt dat eiser nog steeds in de negatieve belangstelling staat.\n\n17. Uit landeninformatie blijkt voorts dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije. Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig.Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid tegenover (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook [persoon 1] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\n18. De legale uitreis van eiser, maakt niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n19. Dat eiser een risico loopt omdat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten wordt daarnaast ook nog door het volgende ondersteund. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser ook nog gewezen op een document van 22 januari 2026 waaruit blijkt dat de 21e meervoudige strafkamer rechtbank Ankara het dossier van eiser heeft opgevraagd. Op dezelfde lijst staat de naam van [persoon 2] , ook diens dossier is opgevraagd. Eiser heeft ook een krantenbericht bijgevoegd waaruit blijkt dat [persoon 2] op 9 mei 2026 is gearresteerd. Ter zitting heeft eiser, op verzoek van de rechtbank, ingelogd in zijn UYAP en het document van 22 januari 2026 getoond. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit document zich inderdaad in eisers UYAP bevindt en dat het hetzelfde document is als eiser heeft overgelegd bij de aanvullende gronden van beroep. Eiser heeft verder gewezen op zijn activiteiten in Nederland en op het feit dat de Turkse autoriteiten ook organisaties in Nederland in de gaten houden.\n\n19.1.. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat als de rechtbank eerst in beroep aangevoerde elementen bij de beoordeling wil betrekken, de minister in de gelegenheid moet worden gesteld om op deze elementen te reageren. De rechtbank stelt vast dat de minister bij brief van 23 februari 2026 is uitgenodigd om bij de zitting aanwezig te zijn. Verder heeft de rechtbank de minister bij bericht van 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 te reageren op de beroepsgronden van eiser. De minister heeft dit nagelaten. Op 16 juni 2026 heeft eiser nadere gronden ingediend. Bij deze nadere gronden heeft eiser gewezen op stukken waaruit blijkt dat zijn strafdossier weer is opgevraagd en dat een van de andere personen die op die lijst staan wederom is opgepakt. Bij bericht van 17 juni 2026 heeft de minister laten weten niet naar de zitting te komen. Hierop heeft de rechtbank telefonisch contact opgenomen met de minister en uitdrukkelijk verzocht om dan in ieder geval een schriftelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de beroepsgronden. De minister heeft uitdrukkelijk aangegeven naar het beroep te hebben gekeken en dat het niet nodig is om een schriftelijk standpunt in te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met bovenstaande gang van zaken voldoende gelegenheid gehad om te reageren op de in beroep ingebrachte elementen. De minister heeft er zelf voor gekozen om dat niet te doen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling te heropenen en de minister wederom in de gelegenheid te stellen om te reageren. Een heropening zorgt, bij deze gang van zaken, voor onnodige vertraging en komt niet tegemoet aan de doelstelling van de Procedurerichtlijnom zo spoedig mogelijk een beslissing te nemen op een verzoek om internationale bescherming. Door niet te reageren als de rechtbank daar uitdrukkelijk om verzoekt en door niet op zitting te verschijnen, zorgt de minister er zelf voor dat hij zich nu niet kan uitlaten over de in beroep ingebrachte elementen. Dit is een keus van de minister. Nu de rechtbank zelf een beoordeling mag maken van de gegrondheid van het beroep, zal de rechtbank dat dan ook doen.\n\n19.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door eiser overgelegde stukken dat er aanwijzingen zijn dat eisers strafdossier inderdaad niet gesloten is en dat hij risico loopt om opnieuw berecht te worden. Eisers dossier is immers opnieuw opgevraagd en andere mensen die op dezelfde lijst staan als eiser zijn inmiddels al opgepakt.\n\n19.3.. Daar komt bij dat eiser ook hier in Nederland activiteiten heeft ontplooid bij [bedrijf] , een Gülen-gelieerde instelling. Dit is onweersproken door de minister. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülenbeweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf.Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten. Eiser heeft zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden.\n\n20. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd, hij zijn voorwaarden heeft overtreden, de politie meerdere keren aan de deur is geweest én eisers naam op een lijst staat van strafdossiers die opnieuw worden bekeken, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 18 van het Handvestals ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n22. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nverwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, [functie] , in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de\n\nAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze\n\npartij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend\n\nbinnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de\n\nindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het arrest van het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\nArrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Ulusal Yargi Ağı Projesi (juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid).\n\n Voorschrift Vreemdelingen.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2 en 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, onder 3.1.\n\nZie artikel 9, Kwalificatieverordening.\n\n Artikel 4, vierde lid, Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid, Vw 2000.\n\n Europees verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\nFinse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\nZie pagina 16 en 17 van het nader gehoor.\n\n Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina’s 46-49.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. Per 12 juni 2026 is de Procedurerichtlijn vervangen door de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024\u002F1348 tot het vaststellen van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Europese Unie). Ook de Procedureverordening heeft de doelstelling om zo spoedig mogelijk te beslissen op een verzoek om internationale bescherming.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 53.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18534","2026-07-13T00:28:54.419Z",{"id":123,"ecli":124,"slug":125,"caseNumber":45,"courtId":111,"decisionDate":103,"fullText":126,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":128},"916","ECLI:NL:RBDHA:2026:18533","ecli-nl-rbdha-2026-18533","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.4403\n\nV-nummer: [v-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.\n\n1.1.. Eiser heeft op 26 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 januari 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de minister via een bericht in het digitale dossier op 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 een verweerschrift in te dienen. De minister heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.\n\n1.4.. Vervolgens heeft de minister op 17 juni 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet op zitting zal verschijnen wegens capaciteitsgebrek. Via telefonisch contact heeft de rechtbank aan de minister gevraagd als gevolg daarvan alsnog een verweerschrift in te dienen. Dit heeft de minister nagelaten.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en R. Baysal als tolk in de Turkse taal deelgenomen. De minister is met bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij tussen 2012 en 2016 banden heeft gehad met de Gülen-beweging. Eiser heeft op de militaire school gezeten. Na de couppoging is eiser uitgemaakt voor terrorist, is hij gearresteerd en heeft hij vastgezeten. Door zijn familie en de maatschappij is eiser uitgemaakt en bestempeld als terrorist. Bij terugkeer vreest eiser om opgepakt te worden.\n\nBestreden besluit\n\n5. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nde problemen door (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n5.1.. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees dat hij bij terugkeer naar Turkije opgepakt zal worden niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.\n\nToetsingskader\n\n6. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n6.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n6.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n6.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\n7. De rechtbank overweegt dat zij de minister bij bericht van 2 juni 2026 expliciet om een verweerschrift heeft gevraagd. De rechtbank heeft de minister in dit bericht een tweetal vragen gesteld en gevraagd of de minister, indien de minister het besluit niet wilde intrekken, hierop schriftelijk wilde reageren. De minister heeft dit nagelaten. Ook nadat de rechtbank de minister op 17 juni 2026 telefonisch nogmaals expliciet heeft gevraagd om een verweerschrift in te dienen, heeft de minister dit niet gedaan. In artikel 8:42 van de Awbis geregeld dat het indienen van een verweerschrift een bevoegdheid is van het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan is hiertoe niet verplicht, tenzij de rechtbank expliciet om een verweerschrift vraagt. In dat geval is het bestuursorgaanwelverplicht om een verweerschrift in te dienen. Ondanks deze verplichting heeft de minister hier niet aan voldaan. Nu de minister geen verweerschrift heeft ingediend en ook niet ter zitting is verschenen, zal de rechtbank in voorkomende gevallen de stellingen van eiser als onweersproken beschouwen. De minister is immers in de gelegenheid geweest om op eventuele onwelvallige stellingen te reageren, maar heeft er zelf voor gekozen dit niet te doen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank ook een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet elke stelling van eiser zonder meer zal volgen. Echter, in die gevallen waarin het de rechtbank niet vreemd voorkomt, zal de rechtbank uitgaan van hetgeen eiser heeft gesteld.\n\nDe beleidswijziging en overschrijding van de beslistermijn\n\n8. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplek van 1 juni 2026. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij is benadeeld door het overschrijden van de beslistermijn. Als de minister wel binnen de beslistermijn had beslist op zijn aanvraag, was zijn aanvraag immers ingewilligd.\n\n9. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eiser aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging en de overschrijding van de beslistermijn niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nRisico op strafrechtelijke vervolging in Turkije\n\n10. Eiser voert aan dat uit de werkwijze van het Turkse Openbaar Ministerie (hierna: OM) volgt dat zij willen dat eiser wordt veroordeeld als terrorist. Eiser is nu vrijgesproken als gevolg van een gebrek aan bewijs, maar het OM zal volgens eiser niet rusten totdat hij is veroordeeld. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eiser tegengeworpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Tot slot heeft eiser op individueel niveau aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten en heeft daarnaast gewezen op algemene informatie die zijn overwegingen verder onderbouwen.\n\n11. Niet in geschil is dat eiser in het verleden is vervolgd door de Turkse overheid. In geschil is de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije wederom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn toegedichte betrokkenheid bij het Gülenisme.\n\n12. De rechtbank overweegt dat eisers eerdere vervolging vanwege zijn toegedichte politieke overtuiging een daad van vervolging is in de zin van artikel 3.36 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000). Uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 20000 (hierna: Vw 2000) volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een verkeerd toetsingskader toegepast. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eiser nietopnieuw te vrezen heeft voor vervolging. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van de finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank is het relaas van eiser geloofwaardig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dan rest de vraag of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade aannemelijk is en of het verzoek om internationale bescherming gegrond is. De rechtbank beantwoordt die vragen bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.\n\n15. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat eiser eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser is immers vanwege zijn politieke overtuiging strafrechtelijk vervolgd. Zoals hierboven ook al opgemerkt is blootstelling aan vervolging in het verleden een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is.De rechtbank weegt dit mee in haar beoordeling.\n\n16. Ter staving van zijn stelling dat hij bij terugkeer wel degelijk te vrezen heeft, heeft eiser een document van het Turkse Hof van Cassatie overgelegd. Hieruit blijkt dat de Advocaat-Generaal het Hof van Cassatie heeft verzocht om eisers dossier te onderzoeken. Eiser heeft dit document na zijn nader gehoor overgelegd. Ter zitting heeft eiser onweersproken verklaard dat hij na zijn nader gehoor, toen hem duidelijk was dat hij nog meer documenten diende te overleggen, contact heeft opgenomen met zijn Turkse strafadvocaat. Deze advocaat heeft uit eisers strafdossier dit document gehaald en aan eiser gezonden. Deze gang van zaken komt de rechtbank niet vreemd voort. Uit het algemeen ambtsbericht volgt immers dat:\n\n“Het hangt van de aard van de zaak af of tijdens een strafrechtelijk onderzoek de stukken wel of niet raadpleegbaar zijn in UYAP. Indien de Turkse autoriteiten de zaak als ‘gevoelig’ beschouwen, zullen de stukken niet zichtbaar zijn in UYAP. Indien de zaak niet als gevoelig wordt gezien, kunnen de stukken tijdens de onderzoeksfase wel raadpleegbaar zijn in UYAP. Een gevolmachtigde advocaat kan daartoe toegang krijgen. Deze mogelijkheid geldt niet voor het burgerportaal. Zodra de verdachte daadwerkelijk is aangeklaagd en er een strafzaak in gang is gezet, zijn de stukken in UYAP raadpleegbaar voor zowel de advocaat als de gedaagde.”\n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft eiser een voldoende bevredigende verklaring gegeven waarom hij dit document pas iets later in de procedure, namelijk na de correcties en aanvullingen, heeft ingebracht. Tijdens het nader gehoor heeft eiser aangegeven dat het document niet in zijn UYAP staat.In de brief van 15 januari 2026 geeft de gemachtigde van eiser ook aan dat eiser, na bespreking van het belang van documenten, nogmaals navraag heeft gedaan om te kijken welke aanvullende documenten hij kon krijgen. Dat eiser het document niet zelf kon inzien, maar zijn strafadvocaat wel, is in overeenstemming met de landeninformatie. De rechtbank betrekt dit document dan ook bij haar beoordeling.\n\n17. Uit het document komt naar voren dat eisers strafzaak nog niet gesloten is. Gelet op de landeninformatie is dit ook niet onaannemelijk. De (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid tegenover (vermeende) Gülenisten hoeft niet per se op te houden na een veroordeling of een beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. Ook [de persoon] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\nDaar komt verder bij dat eiser behoort tot een specifieke groep (vermeende) Gülenisten die in de negatieve aandacht staan van de Turkse overheid. Volgens de Finse immigratiedienst staan individuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme in de negatieve belangstelling van de Turkse overheid.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook [de persoon] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.Het Algemeen Amtsbericht spreekt verder over dat (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat, zoals cadetten, in de negatieve aandacht staan.Eiser heeft op een militaire school gezeten en kan dus als cadet worden aangemerkt. De minister heeft dit ook niet weersproken.\n\n18. Hoewel eiser zelf heeft gesteld dat hij alle banden met het Gülenisme heeft verbroken, maakt dat voor de toets niet uit. Immers, ook een toegedichte politieke overtuiging kan een grond voor vervolging opleveren. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt ook dat vermeende Gülenisten al in de negatieve belangstelling kunnen komen te staan.\n\n19. Dat eiser legaal heeft kunnen uitreizen, maakt niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Uit het algemeen ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n20. Dat eiser in 2019 zelf is teruggekeerd uit de Verenigde Staten naar Turkije, terwijl op dat moment de vervolgingen van Gülenisten al aan de gang waren, maakt ook niet dat de huidige vrees van eiser niet aannemelijk zou zijn. Eiser heeft immers verklaard dat hij verwachtte dat hij niet vervolgd zou worden en als hij wel vervolgd zou worden, dat hij rechtsbescherming zou krijgen. In het licht van de situatie in Turkije in 2019 kan dit wellicht als naïef worden gezien, maar dit maakt nog niet dat eisers huidige vrees onaannemelijk is. Eiser is na zijn terugkeer daadwerkelijk vervolgd. Dit is niet in geschil. De rechtbank dient te beoordelen of eisers huidige vrees aannemelijk is. Omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de eerdere vervolging, hoeven daar niet bij te worden betrokken. De rechtbank doet dat dan ook niet. Naar het oordeel van de rechtbank doet de terugkeer van eiser in 2019 niet af aan de aannemelijkheid van zijn gestelde vrees in 2026.\n\n21. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd en zijn strafdossier nog niet gesloten is, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 18 van het Handvestals ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n23. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nverwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de\n\nAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze\n\npartij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend\n\nbinnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de\n\nindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\nArrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2 en 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, onder 3.1.\n\n Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid van de Vw 2000.\n\n Ulusal Yargi Ağı Projesi (juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid).\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20.\n\nNader gehoor pagina 20.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1.\n\nHandvest van de grondrechten van de Europese Unie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18533","2026-07-13T00:28:54.379Z",{"id":130,"ecli":131,"slug":132,"caseNumber":45,"courtId":111,"decisionDate":103,"fullText":133,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":135},"914","ECLI:NL:RBDHA:2026:18536","ecli-nl-rbdha-2026-18536","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.13716\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2000, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. Š. Petković)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols)\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van verzoeker met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 26 december 2016, tegen verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd en verzoeker voor de duur van tien jaar in het SISgesignaleerd.\n\nVerzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten en te bepalen dat verzoeker het bezwaar in Nederland mag afwachten.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe.\n\n2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n3. De minister heeft bij brief van 29 juni 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen hetgeen is verzocht, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist.\n\n4. Nu de minister zich niet verzet tegen het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter dit verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.\n\n5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter,\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Schengen Informatiesysteem.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18536","2026-07-13T00:28:54.307Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":45,"courtId":87,"decisionDate":103,"fullText":140,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":141,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":142},"1725","ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","ecli-nl-rbdha-2026-18570","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35733\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. K. Bruin).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 28 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw (Vreemdelingenwet 2000) van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Ophouding\n\nEiser voert ter zitting aan dat hij op de onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat zijn identiteit niet direct kon worden vastgesteld. Na eisers aanhouding is zijn identiteit op het bureau onmiddellijk vastgesteld. Eisers identiteit was daarmee wel bekend bij verweerder. Te meer omdat hij eerder in bewaring is gesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat eisers ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 27 juni 2026 volgt dat eiser ten tijde van zijn staandehouding niet beschikte over identificerende documenten en zich niet onmiddellijk kon legitimeren. In zoverre kon eisers identiteit niet onmiddellijk worden vastgesteld. Dat de verbalisanten na aankomst op het bureau in het kader van het strafrechtelijk voortraject hebben vastgesteld wie eiser is, maakt niet dat zijn identiteit daarmee onmiddellijk kon worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nMaatregel van bewaring\n\n4. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op de grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb zich voordoen.\n\n5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als gronden vermeld dat eiser:\n\na. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h) heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n6. Eiser voert aan dat de gronden van de maatregel in algemene zin onvoldoende zijn gemotiveerd. In de gronden wordt steeds verwezen naar omstandigheden uit 2024 en 2025, terwijl eiser op basis van die omstandigheden in het verleden al in bewaring is gesteld.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarmee kan worden aangenomen dat er een risico bestaat op onderduiken en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Lichter middel\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen bij het opleggen van de maatregel van bewaring en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder niet heeft kunnen volstaan met een lichter middel. De eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring is opgeheven na een belangenafweging en verweerder heeft niet heeft beoordeeld of deze belangen nog actueel zijn.\n\n9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. Eiser heeft ter zitting niet geconcretiseerd welke belangen verweerder anders had moeten betrekken bij deze beoordeling. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.\n\nAmbtshalve toets\n\n10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.Conclusie\n\n11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 6 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","2026-07-13T00:29:35.958Z",{"id":144,"ecli":145,"slug":146,"caseNumber":45,"courtId":147,"decisionDate":148,"fullText":149,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":151},"693","ECLI:NL:RBDHA:2026:18464","ecli-nl-rbdha-2026-18464",60,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.14032\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. D.A.M. Friezer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij het juiste beoordelingskader heeft toegepast en dat wel rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Voorts heeft de minister de problemen van eiser met Al Shabaab terecht ongeloofwaardig geacht.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2. De minister heeft hierop een verweerschrift ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994, heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Reer Hamar-clan. Eiser is meermaals telefonisch bedreigd door Al Shabaab vanwege zijn werkzaamheden in een elektronicawinkel. Al Shabaab is op een later moment naar het werk van eiser gekomen en zij hebben de eigenaar van de winkel toen doodgeschoten. Eiser was op dat moment in het magazijn achterin de winkel. Hij heeft zich stilgehouden en heeft kunnen ontsnappen. Hierna is eiser ondergedoken bij twee kennissen. Daarna is hij naar een bekende van een van de kennissen gegaan. Deze laatste persoon heeft eiser geholpen bij het verlaten van Somalië. Ook de vader en de toenmalige vrouw van eiser zijn benaderd door Al Shabaab. Dit was reden voor de ex-vrouw van eiser om van hem te scheiden. De vader van eiser is gegijzeld door Al Shabaab en eiser heeft sindsdien niets van hem vernomen. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser te worden gedood door Al Shabaab.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. problemen met Al Shabaab;\n\n3. discriminatie vanwege afkomst uit een minderheidsstam.\n\n4.1.. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief, de problemen met Al Shabaab, heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: heeft wisselend verklaard over wanneer hij telefonisch is bedreigd door Al Shabaab, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom Al Shabaab zes tot zeven maanden heeft gewacht voordat ze actie hebben ondernomen, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe Al Shabaab achter zijn telefoonnummer is gekomen, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij weer is gaan werken na de bedreigingen, eiser heeft tegenstrijdig verklaard over hoeveel aanvallers er waren en eiser baseert de ontvoering van zijn vader op vermoedens. Het derde asielmotief, de discriminatie vanwege afkomst uit een minderheidsstam, is geloofwaardig geacht. De minister heeft gekeken of eiser op grond van geloofwaardig geachte asielmotieven in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\nHeeft de minister het juiste toetsingskader toegepast?\n\n5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de Werkinstructie (WI) 2024\u002F6. De minister had, gelet op de datum van de asielaanvraag, gebruik moeten maken van WI 2014\u002F10. De minister kan niet tijdens een lopende asielprocedure een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling toepassen. Dat is in het geval van eiser wel gebeurd.\n\n5.1.. De minister stelt zich op het standpunt dat het juiste beoordelingskader is toegepast. Nergens is vastgelegd dat asielaanvragen moeten worden beoordeeld aan de hand van de werkinstructies die van kracht waren ten tijde van de asielaanvraag. Hierbij verwijst de minister naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg.In het bestuursrecht wordt een besluit genomen op basis van het op dat moment geldende beleid. Dit is anders wanneer sprake is van overgangsrecht of als dat uit (andere) wetgeving volgt. Dat is echter bij het beslissen op asielaanvragen niet het geval.\n\n5.2.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024\u002F6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht, zelfs al zou een betrokkene door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komen.Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.\n\nHeeft de minister rekening gehouden met het referentiekader van eiser?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser een vraag niet begrijpt. Dat zijn aanwijzingen dat het referentiekader een rol speelt en kenbaar betrokken had moeten worden. Het opleidingsniveau van eiser had dan ook meegenomen moeten worden in het referentiekader.\n\n6.1.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in het bestreden besluit wel degelijk een referentiekader is opgenomen. Nergens uit het dossier is gebleken dat het feit dat eiser geen opleiding heeft invloed heeft gehad op de manier waarop hij kan verklaren of op zijn asielrelaas. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat niet valt in te zien hoe het betrekken van het opleidingsniveau van eiser tot een andere uitkomst van de geloofwaardigheidsbeoordeling kan leiden. Dit is door eiser ook niet onderbouwd.\n\nHeeft de minister de problemen van eiser met Al Shabaab ongeloofwaardig mogen achten?\n\n7. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen met Al Shabaab niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser niet een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank zal hieronder de gronden van eiser die zijn gericht tegen de tegenwerpingen van de minister in het kader van dat standpunt bespreken.\n\nWisselende verklaringen over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab7.1.. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij wisselend heeft verklaard over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab. Eiser heeft aangevoerd dat de tolk eiser niet goed heeft begrepen en de datum van de eerste telefonische bedreiging niet juist heeft vertaald. Ook de verklaring van eiser dat de bedreiging plaatsvond in de maand maart heeft de tolk niet juist vermeld. De minister gaat voorbij aan wat is aangevoerd in de correcties en aanvullingen. Eiser heeft hierin de data die hij in het nader gehoor heeft genoemd gecorrigeerd. De minister concludeert in het bestreden besluit ten onrechte dat sprake is van een dusdanig groot verschil in de verklaringen van eiser dat dit in het nadeel van eiser weegt. Bovendien is eiser tijdens het gehoor niet geconfronteerd met de tegenstrijdigheden, waardoor dit niet aan eiser kan worden tegengeworpen.\n\n7.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Dit in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser wisselend heeft verklaard over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab. Eiser noemt verschillende data in het gehoor. In de correcties en aanvullingen heeft eiser verklaard dat het om andere data ging. Hierdoor zijn de verklaringen van eiser wisselend. Tijdens het gehoor is aan eiser gevraagd of de data juist waren. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het feit dat de data weer wisselden in de correcties en aanvullingen afbreuk doet aan de consistentie van het betoog van eiser. Daarnaast heeft eiser vier data genoemd, maar kan hij niet noemen in welke maand dit was. Eiser schatte bij benadering in dat dit in maart moet zijn geweest. De minister stelt terecht dat van eiser verwacht mag worden dat hij de maand kan noemen, omdat hij ook de dagen van het incident weet te benoemen. Dat eiser dit niet heeft kunnen doen betekent dat hij niet inzichtelijk heeft kunnen maken wanneer hij telefonisch is bedreigd. In het verweerschrift stelt de minister zich op het standpunt dat de correcties en aanvullingen wel zijn betrokken. Dit heeft echter alleen maar onduidelijkheid veroorzaakt, omdat er nog een extra datum is genoemd. Dat de tolk het één en ander niet juist heeft vertaald, heeft eiser verder niet onderbouwd, zodat de minister eiser op dit punt niet hoeft te volgen. Ook volgt de minister eiser terecht niet in zijn betoog dat hij tijdens het gehoor niet is geconfronteerd met de tegenstrijdigheden en dat dit wel had gemoeten. De hoormedewerker is niet verplicht om elke tegenstrijdigheid of wisselende verklaring voor te houden. In het verweerschrift stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser in de correcties en aanvullingen en in de zienswijze voldoende mogelijkheid heeft gehad om op de tegenwerpingen te reageren.\n\nNiet inzichtelijk waarom Al Shabaab zes tot zeven maanden heeft gewacht voordat ze actie hebben ondernomen7.3.. Eiser voert aan dat hij maximaal anderhalf jaar werkte, waarbij hij pas in de laatste maanden zelf problemen heeft gekregen met Al Shabaab. De eigenaar van de elektronicawinkel waar hij werkte had die problemen echter al zes of zeven maanden daarvoor gekregen. Eiser betoogt dat het aannemelijk is dat de winkel in het vizier van Al Shabaab kwam omdat de eigenaar zijn belasting niet betaalde, waardoor ze uiteindelijk bij eiser terecht zijn gekomen. Het is logisch dat Al Shabaab uiteindelijk ook eiser ging lastig vallen, omdat er werd samengewerkt met de overheid. Hier heeft eiser uitgebreid over verklaard in het nader gehoor. Het is om die reden niet bijzonder dat de bedreigingen aan het adres van eiser pas op een later moment zijn begonnen. Hierbij is van belang dat Al Shabaab geen standaard patroon volgt. De enkele verwijzing van de minister naar de gewelddadige aard van Al Shabaab maakt niet dat daaruit volgt dat eiser eerder had moeten worden lastig gevallen. De minister stelt ten onrechte dat hij gedurende de anderhalf jaar dat hij in de winkel werkte niet heeft gedacht aan vluchten. Eiser heeft pas in de laatste maand dat hij daar werkzaam was problemen gekregen, waardoor er geen reden was om eerder te vluchten. Eiser wist ook niet van de bedreigingen die de eigenaar ontving totdat hij sprak over zijn eigen telefonische bedreigingen.\n\n7.4.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij zes tot zeven maanden, zoals hij zelf in eerste instantie heeft verklaard volgens de minister, heeft kunnen werken in de winkel zonder dat hij problemen had met Al Shabaab. Het feit dat de eigenaar van de winkel geen belasting betaalde staat los van de door eiser gestelde problemen. Eiser heeft namelijk verklaard dat Al Shabaab hem in het vizier had vanwege het samenwerken met de overheid. Hieruit is niet op te maken hoe de belastingstatus van de eigenaar van de winkel hier invloed op had. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt hoe de problemen van de eigenaar van de winkel zijn verschoven naar eiser. Wat eiser hierover in de zienswijze heeft betoogd is terecht als speculatief aangemerkt. Eiser heeft daarmee niet inzichtelijk gemaakt waarom Al Shabaab zo lang heeft gewacht met het belemmeren van de werkzaamheden: het is bevreemdend dat het ruim anderhalf jaar, over welke periode eiser in de zienswijze heeft verklaard, heeft geduurd voordat Al Shabaab achter eiser is aangekomen. Volgens de verklaringen van eiser was hij namelijk als werknemer veelvuldig aanwezig en beschikbaar om door Al Shabaab om wat voor reden dan ook lastig te worden gevallen. Dat dit vervolgens anderhalf jaar niet is gebeurd is bevreemdend gelet op de agressieve en gevaarlijke aard van deze organisatie. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het bevreemdend is dat eiser gedurende deze lange periode nooit heeft besloten om te vluchten.\n\nNiet inzichtelijk hoe Al Shabaab achter het telefoonnummer van eiser is gekomen7.5.. Eiser betoogt dat niet van hem kan worden verwacht dat hij kan achterhalen hoe Al Shabaab aan zijn telefoonnummer is gekomen, zodat de tegenwerping die de minister hem in dit kader maakt ten onrechte is. Het is aannemelijk dat Al Shabaab spionnen heeft bij telecomproviders. Dit wordt door de minister niet weerlegd. Ook is het gezien de invloed die Al Shabaab heeft in Mogadishu voorstelbaar dat zij het nummer van eiser hebben achterhaald. Dat dit een gebruikelijke werkwijze is blijkt ook uit het ambtsbericht van maart 2020 en uit een door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk van 6 augustus 2024. Eiser verwijst tenslotte naar informatie van Noorse Landinfo van 17 oktober 2022, waaruit blijkt dat de chantage door Al Shabaab om mensen te rekruteren vaak plaatsvindt door herhaalde telefoontjes, bedreigingen en soms zelfs door het vermoorden van mensen in de omgeving van de betreffende persoon.\n\n7.6.. \n\nDe minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe Al Shabaab achter zijn telefoonnummer is gekomen. De hoormedewerker heeft eiser tijdens het nader gehoor gevraagd hoe Al Shabaab specifiek achter het telefoonnummer van eiser is gekomen. Eiser heeft hierop verklaard dat het mogelijk is dat Al Shabaab spionnen heeft bij de telecomprovider. Dit antwoord is speculatief en niet voldoende om inzichtelijk hoe Al Shabaab aan het nummer van eiser is gekomen. Het had op de weg van eiser gelegen om dit aannemelijk te maken. De minister stelt zich voorts terecht op het standpunt dat eiser miskent dat de door hem aangehaalde landeninformatie ziet op rekrutering door Al Shabaab, wat in het geval van eiser niet van toepassing is, nu het gaat om bedreigingen. Uit de informatie blijkt, anders dan eiser betoogt, niet dat Al Shabaab spionnen bij de telefoonproviders heeft werken en op die manier aan telefoonnummers weet te komen.\n\nNiet inzichtelijk gemaakt dat eiser weer is gaan werken nadat hij is bedreigd7.7.. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij is blijven werken nadat hij was bedreigd. Eiser kon zijn inkomen niet missen, mede omdat zijn gezin en zijn ouder financieel afhankelijk zijn van hem. Na de aanval op de winkel is eiser niet meer teruggegaan naar de winkel. De risico’s waren toen te groot geworden. De telefonische dreigementen zijn bovendien niet te vergelijken met de daadwerkelijke aanval op de winkel. De minister kan niet in de plaats van eiser beoordelen op welke wijze eiser deze afweging heeft gemaakt. Het is onduidelijk in welk kader de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser ondanks dat hij de kostwinner was wel het land heeft kunnen ontvluchten.\n\n7.8.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij weer is gaan werken na de telefonische bedreigingen. Uit het betoog van eiser komt naar voren dat de gestelde bedreigingen zeer ernstig waren en dat eiser zelfs met de dood is bedreigd. De enkele verklaring van eiser dat hij zijn familie moest onderhouden weegt hier dan ook niet tegen op. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij na de bedreigingen met de dood is blijven werken en hiermee welbewust heeft gekozen voor het risico dat hij vermoord zou kunnen worden door Al Shabaab en dan zijn gezin en ouders helemaal niet meer financieel zou kunnen bijstaan.\n\nDe ontvoering van de vader van eiser is gebaseerd op vermoedens7.9.. Eiser betoogt dat zijn vader al meerdere keren was lastiggevallen en bedreigd door Al Shabaab, omdat de vader van eiser hem moest uitleveren aan Al Shabaab. Dat de vader van eiser daarna is ontvoerd is daarom een logisch gevolg van de eerdere bedreigingen. Bovendien had de vader van eiser zelf geen problemen met Al Shabaab. Dat de ontvoerders niet hebben verteld waarom ze de vader van eiser hebben ontvoerd maakt dit niet anders, omdat er na de ontvoering geen enkel contact meer is geweest. Ook het enkele feit dat Al Shabaab een jaar heeft gewacht met het ontvoeren van de vader van eiser maakt dit niet anders, omdat de vader van eiser daarvoor al meermaals is bedreigd. De minister heeft niet onderbouwd dat dit tijdsverloop niet aannemelijk is. De verklaringen van eiser omtrent de ontvoering van zijn vader komen bovendien overeen met objectieve landeninformatie, wat door de minister niet gemotiveerd is weerlegd.\n\n7.10.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader is ontvoerd door Al Shabaab. Eiser heeft op geen enkele wijze aangetoond dat de daders van de ontvoering verbonden waren aan Al Shabaab. Het is enkel een vermoeden van eiser dat zijn vader is ontvoerd door Al Shabaab door de problemen die eiser met hen heeft. De ontvoerders hebben niet verteld waarom zij de vader van eiser hebben ontvoerd. Ook hebben zij niet kenbaar gemaakt wie ze zijn. Bovendien heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom, mocht Al Shabaab de dader zijn, ze een jaar hebben gewacht voordat ze de vader van eiser ontvoerden. Tot slot stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het asielrelaas altijd wordt beoordeeld tegen de achtergrond van het land van herkomst en met medeneming van actuele landeninformatie.\n\nDe tegenwerpingen die de minister heeft laten vervallen7.11.. Eiser betoogt dat de minister in het besluit twee tegenwerpingen heeft laten vallen, namelijk dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aanleiding van de bedreigingen en over het aantal overvallers. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat het vervallen van deze punten niet opweegt tegen de andere punten uit bestreden besluit. Hierbij wordt namelijk niet aangegeven waarom dit het geval is en hoe zwaar de overige punten dan wegen.\n\n7.12.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het vervallen van deze twee punten niet opweegt tegen de overige punten in het voornemen. In totaal waren er zeven tegenwerpingen waarvan er nu nog vijf overblijven die zien op de kern van het asielrelaas van eiser. De minister stelt terecht dat niet valt in te zien dat dit nader gemotiveerd had moeten worden, omdat uit het handhaven van het overige deel van de besluitvorming volgt dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Daaruit volgt ook dat de overige tegenwerpingen dus voldoende zwaar waren om de afwijzing te dragen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats.\n\nConclusie over de geloofwaardigheidsbeoordeling7.13.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser de problemen met Al Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft dit asielmotief dan ook ongeloofwaardig mogen achten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).\n\n Rb Den Haag, zp Middelburg 15 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18978.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3804.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18464","2026-07-13T00:28:43.546Z",{"id":153,"ecli":154,"slug":155,"caseNumber":45,"courtId":147,"decisionDate":148,"fullText":156,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":157,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":158},"694","ECLI:NL:RBDHA:2026:18469","ecli-nl-rbdha-2026-18469","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20364\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. E. Derksen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nHeeft de minister de asielaanvraag van eiseres aan zich getrokken door de machtiging op grond van artikel 34 van de Dublinverordening te laten ondertekenen door eiseres?\n\n5. Eiseres betoogt dat de minister de asielaanvraag van eiser inhoudelijk moet behandelen omdat eiseres een machtiging op grond van artikel 34 van de Dublinverordening heeft ondertekend. Hierin is expliciet vermeld dat Nederland als verantwoordelijke lidstaat wordt aangemerkt en dat de machtiging strekt tot het opvragen van informatie met het oog op de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Dit duidt niet op een beoordeling in het kader van de Dublinverordening. Eiseres betwist niet dat een dergelijke machtiging kan worden gebruikt om informatie op te vragen bij een andere lidstaat, maar de machtiging die eiseres heeft ondertekend heeft een andere strekking. Eiseres beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Na ondertekening van de machtiging is het gehoor beëindigd, zonder dat is verteld dat alsnog een claimverzoek bij Frankrijk zou worden gedaan. Onder deze omstandigheden heeft de minister het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk door Nederland in behandeling werd genomen. Dit is niet kenbaar in de besluitvorming betrokken.\n\n5.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de minister is aangevangen met de inhoudelijke beoordeling van haar asielaanvraag doordat eiseres de hiervoor bedoelde machtiging heeft ondertekend. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(Afdeling) volgt dat niet snel wordt aangenomen dat Nederland is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van een asielverzoek, zolang de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek nog niet is afgerond. Ook volgt uit deze rechtsspraak dat de toestemmingsverklaring is bedoeld om informatie op te kunnen vragen bij andere lidstaten, zodat kan worden vastgesteld welk land verantwoordelijk is. Het enkele feit dat het nader gehoor van eiseres na ondertekening van de machtiging is beëindigd, maakt dit niet anders. Ook is het vertrouwensbeginsel niet geschonden. Anders dan eiseres betoogt is geen sprake geweest van een toezegging zoals de minister terecht stelt. De door eiseres ondertekende toestemmingsverklaring is een stap in een standaardprocedure die enkel ziet op het uitwisselen van informatie tussen lidstaten in het kader van de Dublinverordening. Uit deze handeling kan niet worden afgeleid dat Nederland de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk zal behandelen. Bovendien heeft de minister geen uitlatingen gedaan waaruit een dergelijke toezegging blijkt.\n\nHeeft de minister ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel getoetst ten opzichte van Kroatië?\n\n6. Eiseres betoogt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel toetst ten opzichte van Kroatië. Eiseres voert aan dat dit onbegrijpelijk is, aangezien de minister in hetzelfde besluit stelt dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is. Dit betreft geen kennelijke verschrijving, aangezien de beoordeling of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel een essentieel onderdeel is van de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. Door te toetsen aan Kroatië in plaats van aan Frankrijk heeft de minister nagelaten om te beoordelen of een overdracht aan Frankrijk in lijn is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daardoor ontbreekt een dragende motivering voor het besluit. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet kan worden vastgesteld dat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Ook kan het gebrek niet in beroep worden hersteld, omdat het gaat om een essentiële inhoudelijke beoordeling.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de zitting heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een kennelijke verschrijving is. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om een gebrek aan te nemen. Uit het bestreden besluit blijkt evident dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk heeft getoetst. Zoals de minister op zitting terecht heeft gesteld wordt in het bestreden besluit immers verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Frankrijk. Ook is het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport dat ziet op Frankrijk besproken.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n7. Eiseres betoogt dat de minister ten opzichte van Frankrijk niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling waar de minister naar verwijst volgt niet dat in alle individuele gevallen zonder nadere beoordeling tot overdracht kan worden overgegaan. Eiseres behoort tot de LHBTI-gemeenschap, wat haar een kwetsbaar persoon maakt en waardoor de minister een verzwaarde onderzoeksplicht heeft. Uit het AIDA-rapport, update 2024,blijkt dat er aanhoudende problemen zijn met betrekking tot de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht wat dit in het individuele geval van eiseres betekent bij overdracht aan Frankrijk. Bovendien heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat een terugkeer naar Frankrijk niet leidt tot een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.\n\n7.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft recent nog bevestigd dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan . In deze uitspraak is het AIDA-rapport, update 2024, besproken. De Afdeling heeft hierover geoordeeld dat uit dit rapport niet blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Uit het rapport blijkt dat problemen bestaan omtrent de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk, maar hieruit volgt niet dat homoseksuele en transgender asielzoekers in een nadeligere positie dan andere asielzoekers terecht komen. Ook ten aanzien van de opvang van asielzoekers is niet gebleken dat er structurele problemen bestaan die bij overdracht een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest opleveren. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\nIs er sprake van een situatie zoals in het arrest C.K.?\n\n8. In de aanvullende gronden van 17 juni 2026 doet eiseres een beroep op het arrest C.K. van het Hof.Uit de aanvullende documenten blijkt dat eiseres kampt met ernstige psychische klachten en zich suïcidaal heeft geuit. Het is niet in het belang van eiseres dat de medische behandeling die zij ondergaat, alsmede de specialistische psychische hulp waarvoor zij is verwezen, wordt stilgezet. Op de zitting heeft eiseres betoogd dat de minister ten onrechte geen BMA-advies heeft opgevraagd en dat de minister alsnog opgedragen moet worden om dat te doen. Dit had wel op de weg van de minister gelegen, aangezien de minister zelf niet medisch deskundig is en het risico niet zelf kan inschatten.\n\n8.1.. Uit het arrest C.K. volgt dat, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest kan opleveren. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Of dit zo is, moet worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die vreemdeling. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen, maar kan daar niet altijd mee volstaan.\n\n8.2.. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiseres niet met objectieve documenten heeft onderbouwd dat zij bijzonder ernstige psychische problemen heeft die tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen bij overdracht zouden kunnen leiden. Hierdoor komt de minister niet toe aan de vergewisplicht, aangezien het suïcide-risico als gevolg van de overdracht niet als reëel of hoog is ingeschat door een medisch deskundige. Om die reden heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een BMA-advies op te vragen. Hoe treurig ook, is de enkele omstandigheid dat eiseres een suïcidale poging heeft gedaan onvoldoende om aan te nemen dat de overdracht een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling oplevert. In dit kader heeft de minister op de zitting toegelicht dat ten tijde van de overdracht maatregelen getroffen kunnen worden wanneer dit nodig wordt geacht.\n\nHad de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?\n\n9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft ten onrechte niet beoordeeld of de kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon, de omstandigheid dat eiseres in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal netwerk heeft opgebouwd, aanleiding geven om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening.\n\n9.1.. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De door eiseres gestelde kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon en het feit dat zij in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal leven heeft opgebouwd, zijn geen zodanige bijzondere individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nDit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ABRvS 11 september 2014, ECLI:NL:RVS:2015:3385.\n\n AIDA-rapport Frankrijk, update 2025 (juni 2025).\n\n ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.\n\n HvJEU, arrest C.K. 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18469","2026-07-13T00:28:43.597Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":45,"courtId":111,"decisionDate":148,"fullText":163,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":164,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":165},"907","ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","ecli-nl-rbdha-2026-18494","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.34569, NL26.33949 en NL26.34523\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. F. Schoot).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar, als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met deze besluiten en heeft daarnaast ook beroep ingesteld tegen de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van de Vw. Eiser voert tegen de bestreden besluiten een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, het inreisverbod, de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Ook gaat de rechtbank in op de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet-ontvankelijk is en dat de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring ongegrond zijn. Er is ook geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 11 mei 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001, een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op 19 juni 2026 heeft de minister eiser gedurende ruim vier uur opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw en hem aansluitend daarop de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Vervolgens heeft de minister de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\nin kennis gesteld.\n\n2.1.. Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaringen heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod beroep ingesteld. Ook heeft eiser beroep ingesteld tegen de ophouding. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank van het terugkeerbesluit en inreisverbod\n\n3. De rechtbank constateert dat het terugkeerbesluit en inreisverbod deel uitmaken van het meeromvattende (asiel)besluit van 11 mei 2026. Omdat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht en met onbekende bestemming is vertrokken is dat besluit gepubliceerd in de Staatscourant van 18 mei 2026, waarmee het besluit op rechtsgeldige wijze bekend is gemaakt. Eiser had een week de tijd om tegen dat besluit beroep in te stellen, maar hij heeft pas beroep ingesteld op 22 juni 2026. Eiser heeft dus niet tijdig beroep ingesteld.\n\n3.1.. Eiser stelt dat het niet aan hem te wijten is dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, omdat het besluit niet aan hem in persoon is uitgereikt.\n\n3.2.. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. Dat het besluit van 11 mei 2026 niet aan eiser in persoon is uitgereikt, is een logisch gevolg van het feit dat eiser destijds al met onbekende bestemming was vertrokken. Door publicatie in de Staatscourant moet eiser worden geacht toch op de hoogte te zijn van dat besluit. Dat eiser in werkelijkheid geen kennis heeft genomen van het besluit komt voor zijn rekening en risico. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\n3.3.. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Ook als eiser wel tijdig beroep zou hebben ingesteld zou dat in deze procedure niet hebben kunnen leiden tot een inhoudelijke beoordeling, nu het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod moet worden gezien als een beroep tegen het meeromvattende besluit van 11 mei 2026. Het terugkeerbesluit en inreisverbod maken daar immers deel van uit. De in artikel 94 van de Vw gestelde korte termijnen staan aan een zorgvuldige toetsing door de rechtbank van een meeromvattende beschikking samen met een maatregel van bewaring in de weg.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de ophouding\n\n4. Eiser heeft de rechtmatigheid van de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw niet betwist. Het beroep daartegen is ongegrond.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n3.1.. \n\nIn de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen, maar hij betoogt dat de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring ten onrechte geen opgave heeft gedaan van de juridische grondslag. Het enkel vermelden van artikel 59 van de Vw is volgens eiser onvoldoende, nu in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) immers verder is uitgewerkt in welke gevallen de maatregel kan worden toegepast en in de maatregel niet expliciet is verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen van het Vb. Ook worden in de maatregel de Vreemdelingenwet en het Voorschrift Vreemdelingen enkel aangeduid met afkortingen. Volgens eiser maakt dit gebrek de maatregel onrechtmatig en is er ook aanleiding om in dat verband prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Zoals de Afdeling al heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 2019dient onderscheid te worden gemaakt tussen de juridische (of: wettelijke) grondslag en de feitelijke gronden. De wettelijke grondslag is algemeen en dwingend van aard en er is in bepaald wie met toepassing van welk vereiste of welke vereisten kan worden gedetineerd. Een feitelijke grond is een feitelijke en op de persoon van de vreemdeling toegespitste toelichting, waaruit volgt dat en waarom aan de in de wettelijke grondslag gestelde vereisten is voldaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in de maatregel de wettelijke grondslag dient te vermelden en dat een feitelijke en op de persoon toegespitste toelichting dient te worden gegeven. Daaraan is in eisers geval voldaan. De minister heeft in de maatregel vermeld dat eiser op grond van artikel 59, van de Vw in bewaring wordt gesteld en heeft daaronder een feitelijke en op de persoon van eiser toegespitste toelichting gegeven. Bij elke afzonderlijke feitelijke grond is immers toegelicht waarom die grond in het geval van eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank acht die toelichting voldoende, wat eiser overigens ook niet heeft betwist, en is van oordeel dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Er bestaat geen verplichting om daarnaast nog melding te maken van de artikelen waarin de criteria voor de inbewaringstelling nader zijn uitgewerkt. Dat dit, zoals eiser onderbouwd heeft gesteld, bij de inbewaringstellingen van andere vreemdelingen soms wel gebeurt, maakt dit niet anders noch willekeurig.\n\n3.4.. Gelet op voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod (NL26.34523)\n\nniet-ontvankelijk;\n\n- verklaart de beroepen tegen de ophouding (NL26.34506) en de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.34569) ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van\n\nD.P. van Middelkoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In het geval van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. In het geval van het terugkeerbesluit en inreisverbod bedraagt die termijn vier weken.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.\n\nStcrt.2026, 18598.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)\n\nvan 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1528.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","2026-07-13T00:28:54.047Z",{"id":167,"ecli":168,"slug":169,"caseNumber":45,"courtId":111,"decisionDate":148,"fullText":170,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":171,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":172},"908","ECLI:NL:RBDHA:2026:18489","ecli-nl-rbdha-2026-18489","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.60316 (beroep) en NL25.60317 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiseres] , geboren op [geboortedag] 1958, van Syrische nationaliteit,\n\neiseres en verzoekster, hierna: eiseres (gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hieronder legt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Labban als tolk in de taal Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.\n\n2.3.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nAchtergrond en asielrelaas\n\n3. Eiseres heeft in juni 2023 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Zij heeft de uitkomst van die procedure niet afgewacht en is in november 2023 naar de Verenigde Staten gegaan, waar een zoon van haar woont. De zoon van eiseres had namelijk een Permanent Resident Card(ook wel ‘Green Card’) voor haar geregeld. In 2024 is eiseres teruggegaan naar Syrië omdat ze ruzie had met de echtgenote van haar zoon in de Verenigde Staten. In november 2025 heeft ze opnieuw asiel aangevraagd in Nederland. Eiseres legt aan haar huidige asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is helemaal alleen in Syrië. Ook voelt zij zich daar niet veilig als christen. Er zijn twee incidenten geweest waarbij haar kruisketting van haar nek is getrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres kan namelijk op grond van haar Green Card terugkeren naar de Verenigde Staten, dat voor haar als veilig derde land geldt. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Dat eiseres haar Green Card niet langer in haar bezit heeft, maakt niet dat zij niet kan terugkeren naar de Verenigde Staten. Uit de website van de Amerikaanse overheid volgt namelijk dat het mogelijk is een tijdelijk reisdocument aan te vragen in geval van verlies of diefstal van de Green Card. Eiseres kan dit ook doen. Niet is gebleken waarom dit voor haar niet mogelijk zou zijn.\n\nGronden\n\n5. Eiseres voert aan dat de minister haar aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiseres in de Verenigde Staten als vluchteling is erkend of daar anderszins bescherming geniet.\n\nDaarnaast voert eiseres aan dat haar Green Card niet meer geldig is. Een Green Card kan ingetrokken worden als iemand lang buiten de Verenigde Staten verblijft of naar een ander land gaat met de bedoeling daar permanent te verblijven. Dat is hier duidelijk het geval, aangezien eiseres lang buiten de Verenigde Staten heeft verbleven en hier in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend.\n\nJuridisch kader\n\n6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard worden als de vreemdeling die die aanvraag heeft ingediend erkend is als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.\n\nIs voldaan aan de voorwaarden van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000?\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn besluit, waarmee hij de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard, onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar heeft niet onderbouwd dat is voldaan aan de voorwaarden van dat artikel. De minister heeft namelijk niet onderbouwd dat eiseres in de Verenigde Staten de vluchtelingenstatus heeft of anderszins voldoende bescherming geniet daar.\n\n7.1.. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister in dit kader toegelicht dat de minister ervan is uitgegaan dat eiseres de vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten omdat zij een Green Card heeft gekregen en dat het aan eiseres is om deze aanname te ontkrachten. De rechtbank gaat hier echter niet in mee. Het is aan de minister om door hem genomen besluiten te onderbouwen. De minister kan in dit geval niet volstaan met een aanname en de bewijslast voor de ontkrachting daarvan vervolgens bij eiseres leggen.\n\n7.2.. De rechtbank ziet ook onvoldoende onderbouwing voor de aanname van de minister. Dat eiseres een Green Card heeft, wil nog niet zeggen dat zij ook een vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten. Eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat zij niet weet op welke grond de Green Card aan haar is toegekend. Haar zoon had de Green Card namelijk voor haar geregeld en eiseres zelf spreekt geen Engels, waardoor zij hierover ook geen informatie tot zich heeft kunnen nemen. De rechtbank ziet in het dossier verder ook geen andere aanwijzingen die de aanname van de minister, dat eiseres een asielstatus heeft in de Verenigde Staten, kunnen staven. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.\n\n7.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de minister opnieuw onderzoek moet doen naar de asielaanvraag van eiseres en de bestuurlijke lus zich niet leent voor een dergelijke situatie waarin nog onderzoek gedaan moet worden.\n\n9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n10. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding meer voor de door eiseres gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af.\n\n11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.\n\n De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL25.60316:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 2 december 2025;\n\ndraagt de minister op binnen na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL25.60317:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18489","2026-07-13T00:28:54.083Z",{"id":174,"ecli":175,"slug":176,"caseNumber":45,"courtId":147,"decisionDate":148,"fullText":177,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":179},"689","ECLI:NL:RBDHA:2026:18457","ecli-nl-rbdha-2026-18457","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.11567\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. D.A.M. Friezer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam vanwege zijn vriendschap met [persoon A] terecht ongeloofwaardig geacht. Ook heeft de minister terecht de seksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1991, heeft de Jordaanse nationaliteit, behoort tot de Palestijnse bevolkingsgroep en tot de Alzoubi-stam. Hij is vrienden geworden met een meisje, [persoon A] genaamd, uit een andere stam, de Alkhaldi-stam. Eiser is samen met haar betrapt door de neef van het meisje. Daarna kreeg eiser problemen. Er is toen een aanval op zijn huis gepleegd. Vervolgens is eiser vogelvrij verklaard door de Alkhaldi-stam. Zijn eigen stam heeft hiermee ingestemd. Ook is eiser biseksueel, waardoor hij problemen heeft gekregen in Jordanië.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak;\n\n3. de seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.\n\n4.1.. \n\nDe minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief acht de minister niet geloofwaardig: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Tenslotte werpt de minister aan eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede reden heeft.Ten aanzien van het asielmotief seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen is de minister van oordeel dat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en is dit asielmotief niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook hier werpt de minister eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede reden heeft. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval.\n\nNiet is gebleken dat eiser een vluchteling is en dat hij uit Jordanië komt is op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen.\n\nHeeft de minister het juiste toetsingskader toegepast?\n\n5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de Werkinstructie (WI) 2024\u002F6. De minister had, gelet op de datum van de asielaanvraag, gebruik moeten maken van de WI 2014\u002F10. Bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser is gehandeld in strijd met de WI 2014\u002F10, omdat daaruit blijkt dat het relaas van een asielzoeker voor waar moet worden aangenomen wanneer de asielzoeker alle vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord. Hiervoor geldt dat het relaas op hoofdlijnen consistent en niet-onaannemelijk moet zijn en in lijn moet zijn met wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst. Dit is bij eiser het geval, wat de minister heeft miskend.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024\u002F6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht, zelfs al zou een betrokkene door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komen.Hierbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.\n\nHeeft de minister de documenten die eiser heeft overgelegd voldoende betrokken bij de besluitvorming?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister de door hem ingebrachte documenten onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van zijn gestelde problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak. Eiser heeft een originele verklaring van zijn moeder overgelegd, welke verklaring zijn moeder bij de plaatselijke Sheikh heeft afgelegd. De minister heeft ten onrechte overwogen dat deze verklaring geen objectief verifieerbaar document is. Deze verklaring is te vergelijken met een aangifte bij de politie of een verklaring bij de notaris. Om die reden heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom dit document niet inhoudelijk is betrokken bij de besluitvorming. De minister heeft dit document ten onrechte niet in onderlinge samenhang beoordeeld met de verklaring van eiser over zijn asielrelaas. Hetzelfde geldt voor het door eiser ingebracht videofragment waarop de beschieting van de auto te zien is. Ook hierbij is door de minister onvoldoende gemotiveerd waarom dit niet inhoudelijk betrokken is bij de besluitvorming en dit videofragment had in onderlinge samenhang met het asielrelaas moeten worden beoordeeld. In beroep heeft eiser aanvullende documenten overgelegd: de verklaringen van zijn buren over de vogelvrijverklaring en de bedreigingen van eiser.\n\n6.1.. De rechtbank stelt voorop dat dit asielmotief ziet op de problemen die eiser heeft ondervonden met de Alkhaldi-stam. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser dat asielmotief niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. De door eiser overgelegde verklaring van zijn moeder is niet objectief verifieerbaar, omdat het om de moeder van eiser gaat en het dus geen objectief persoon betreft. Dat laatste geldt volgens de minister ook voor de verklaringen van de buren, zodat ook deze verklaringen geen objectief verifieerbare documenten betreffen. Het videofragment dat eiser heeft overgelegd waarop de beschieting te zien is, is ook niet objectief verifieerbaar. De minister heeft terecht gesteld dat het enkele feit dat op dit fragment een auto te zien is waarvan de zijruiten zijn verbrijzeld, onvoldoende is om aannemelijk te maken dat eiser het slachtoffer is geweest van een aanval of om zijn problemen met de Alkhaldi-stam geloofwaardig te achten. Ten aanzien van de verklaring van moeder van eiser en het videofragment heeft de minister op zitting gesteld dat deze documenten, die niet kunnen dienen als onderbouwing van het asielmotief, wel zijn meegenomen in de beoordeling. Ten aanzien van de verklaringen van de buren, die in beroep zijn overgelegd, heeft de minister zich op zitting nog op het standpunt gesteld dat deze de beoordeling van het asielrelaas niet anders maken. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister op zitting aldus dat hij de door eiser overgelegde documenten, hoewel hij deze niet voldoende achtte ter onderbouwing van het asielmotief in het kader van stap 2a van WI 2024\u002F6, wel heeft betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestaat eiser het voordeel van de twijfel te geven als bedoeld in stap 2b van die werkinstructie. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser niet in zijn niet nader onderbouwde betoog dat de minister de documenten niet in samenhang met zijn verklaringen over het asielrelaas heeft beoordeeld.\n\n6.2.. Nu dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daar geen goede verklaring voor.\n\nHeeft de minister de problemen met de Alkhaldi-stam ongeloofwaardig mogen achten?\n\n7. Eiser betoogt dat de minister de problemen met de Alkhaldi-stam ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank bespreekt hierna de beroepsgronden die zijn gericht tegen het standpunt van de minister dat het relaas van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormt. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen de tegenwerping dat het onlogisch is dat hij na vijf jaar vriendschap problemen kreeg met [persoon A]. Voorts zal de rechtbank ingaan op de vraag of eiser zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend.\n\nProblemen met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] zijn vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch7.1.. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch zijn. Eiser heeft in de zienswijze alsnog de naam van de neef en van het café waar de betrapping plaatsvond genoemd. Hij wijst erop dat de gebeurtenissen twee jaar eerder hebben plaatsgevonden, waardoor eiser zich de namen niet kon herinneren. De minister heeft ten onrechte niet doorgevraagd, bijvoorbeeld over zijn bekendheid met het café en de frequentie van zijn bezoeken daaraan. Eiser kwam niet vaker in dit café en het risico dat hij daar gezien kon worden was te verwaarlozen, aangezien Amman een stad is met meer dan vier miljoen inwoners. Eiser heeft duidelijk verklaard dat het enkele feit dat hij samen met [persoon A] uit een café kwam lopen aanleiding was van de problemen met de Alkhaldi-stam. In de Jordaanse cultuur van eiser is het niet toegestaan dat een man alleen met een vrouw erop uitgaat. Nadat eiser en [persoon A] betrapt waren, hebben zij elkaar niet meer gezien. Eiser betoogt verder dat de minister zijn verklaring dat het leek alsof hij en [persoon A] seks hadden te letterlijk neemt. Dit heeft eiser enkel verklaard om duidelijk te maken dat het ongebruikelijk is om in het openbaar met een vrouw af te spreken. Eiser kent de namen van de familieleden van de Alkhaldi-stam niet. Hem kan dan ook niet worden verweten dat hij de namen niet kent van de personen die hem (telefonisch) hebben bedreigd. In veel gevallen waar mensen worden bedreigd is enkel bekend vanuit welke hoek de bedreigingen komt, niet wie de bedreigers precies zijn. Dit is bij eiser ook het geval aangezien duidelijk is dat de bedreigingen afkomstig zijn uit de Alkhaldi-stam.\n\n7.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’.\n\n7.3.. Het voorgaand in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de problemen met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch zijn. Eiser stelt dat de neef van [persoon A] hen betrapt heeft bij een café in Amman, maar kan niet gedetailleerd over deze neef verklaren nu hij zijn naam niet kan noemen. Ook kan eiser de naam van het betreffende café niet noemen. De minister stelt terecht dat dat wel van eiser verwacht had mogen worden, nu dit de kern van het asielrelaas van eiser is. Het enkele feit dat het bezoek in 2019 plaatsvond maakt dit niet anders. Ten aanzien van de omstandigheid dat eiser in de zienswijze alsnog de naam van zowel de neef als van het café noemt, heeft de minister terecht gesteld dat eiser hierover tijdens gehoor gedetailleerd had dienen te verklaren en niet pas in de zienswijze. De minister heeft verder terecht gesteld dat eiser niet nader heeft onderbouwd hoe het enkel samen met [persoon A] verlaten van het café is uitgelegd als een aanwijzing dat hij en [persoon A] seks met elkaar hebben gehad dan wel dat deze omstandigheid voor problemen heeft gezorgd. De eigen verklaringen van eiser bieden daarvoor geen steun, nu daaruit niet volgt dat reeds het enkele samen verlaten van het café tot problemen met de Alkhaldi-stam heeft geleid. De enkele stelling van eiser dat het in de Jordaanse cultuur niet is toegestaan dat eiser alleen op pad gaat met een vrouw is hiervoor namelijk onvoldoende. Dit is verder ook niet onderbouwd. Voorts heeft de minister terecht gesteld dat eiser onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard over de persoon door wie hij is bedreigd, nu eiser wel heeft verklaard veel telefoontjes te hebben gehad maar niet heeft kunnen aangeven van wie deze afkomstig waren. Ook stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het onlogisch is dat eiser niet de precieze naam van de vader van [persoon A] kan benoemen, terwijl hij zo intensief met zijn dochter is omgegaan, of van de andere Sheiks waar hij voor stelt te vrezen.\n\nWisselende verklaringen over wanneer eiser vogelvrij is verklaard7.4.. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij vogelvrij is verklaard. Aan het eind van het gehoor begon de hoormedewerker opnieuw over het vogelvrij verklaren van eiser. Eiser heeft toen een ander jaartal, 2018, genoemd dan eerder in het gehoor toen het hierover ging. In de rest van het nader gehoor heeft eiser consistent verklaard dat hij in 2019 vogelvrij is verklaard. Het kan eiser niet worden verweten dat hij tijdens een ruim zes uur durend gehoor, vol met spanningen, een fout maakt. Eiser kon zich niet meer herinneren wat er gebeurde. Na dag twee van het gehoor heeft eiser een hartinfarct gekregen, waaruit blijkt dat zijn fysieke situatie tijdens dag twee van het gehoor niet goed was. Tijdens het gehoor heeft eiser niet aangegeven dat de spanning te groot was, omdat het gehoor dan zou worden uitgesteld en hij weer lang moest wachten.\n\n7.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij vogelvrij is verklaard. In het nader gehoor geeft eiser aan dat hij in 2019 vogelvrij is verklaard. Verderop in het nader gehoor verklaart eiser dat hij in 2018 vogelvrij is verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij in 2019, samen met [persoon A], is betrapt door haar neef. Het is dan ook niet logisch dat eiser in 2018 vogelvrij is verklaard. Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk dat hij vogelvrij is verklaard omdat hij de eer van de familie van [persoon A] heeft geschonden door met haar samen te zijn. Dit is niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het slecht voorstelbaar is dat eiser eerst vogelvrij is verklaard en daarna problemen heeft ervaren met de familie van [persoon A]. Het nader gehoor is de plek waar eiser zijn asielrelaas naar voren dient te brengen. Het enkele feit dat het nader gehoor zes uur duurde maakt niet dat eiser niet volledig hoefde te zijn. Aan eiser is meermaals gevraagd of het nog ging en ook zijn er pauzes gehouden. Het had dan ook op de weg van eiser gelegen om aan te geven dat hij gespannen was en even een pauze nodig had.\n\nDe summiere en tegenstrijdige verklaringen van eiser over [persoon A]7.6.. Eiser betoogt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij zijn relatie met [persoon A] niet persoonlijk heeft gemaakt. Het was een geheime relatie tussen studiegenoten en dit moest geheim worden gehouden voor anderen. Zij spraken vooral telefonisch met elkaar, waarin de frequentie van het contact was aangepast aan de omstandigheden. Onder de omstandigheden waar eiser en [persoon A] zich in bevonden is het bespreken van de namen van familieleden niet een primaire bezigheid. Het is zeer de vraag of er meer te zeggen is over de relatie tussen eiser en [persoon A]. Het was een relatie waaraan maar beperkt vorm kon worden gegeven omdat er anders problemen zouden ontstaan. In de aanvullende gronden van 20 februari 2026 voert eiser aan dat de band met [persoon A] vriendschappelijk was, maar dat zij incidenteel betrokken raakte bij een trio. Dit betekent echter niet dat eiser een seksuele relatie onderhield met [persoon A]. Bovendien is eiser niet uitgenodigd om uitgebreider over zijn relatie met [persoon A] te verklaren, waardoor de summiere verklaringen niet aan hem kunnen worden tegengeworpen.\n\n7.7.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser summier en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn relatie met [persoon A]. Eiser stelt vijf jaar te hebben afgesproken en telefonisch contact te hebben gehad met [persoon A], zodat van hem verwacht kon worden dat hij meer persoonlijk over haar en de relatie met haar kon verklaren, terwijl eiser is blijven steken in algemeenheden. Voorts heeft eiser tegenstrijdig verklaard doordat hij heeft verklaard dat hij af en toe een trio met [persoon A] heeft gehad, maar anderzijds heeft eiser aangegeven dat zijn band met [persoon A] puur vriendschappelijk was. Zoals eerder overwogen is het nader gehoor de plek om het asielrelaas naar voren te brengen. Eiser heeft de voldoende gelegenheid gehad om over de relatie met [persoon A] te verklaren, zodat zijn standpunt dat hij niet is uitgenodigd om uitgebreider over [persoon A] te verklaren niet opgaat.\n\nAsielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en geen goede reden daarvoor7.8.. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgedaan als kennelijk ongegrond, omdat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk zou hebben ingediend. Eiser is met een toeristenvisum Nederland binnengekomen, met als doel om hier asiel aan te vragen. Dat heeft hij op Schiphol gemeld, daar zijn zijn vingerafdrukken genomen en is er een foto gemaakt. Toen eiser aankwam in Ter Apel bleek er geen plek voor hem te zijn. Eiser wijst hierbij op de onveilige situatie die destijds aan de hand was in Ter Apel, waar asielzoekers veelvuldig buiten moesten slapen en waar sprake was van veel criminaliteit. Eiser besloot daarom door te reizen naar Duitsland en uiteindelijk naar Denemarken. Dit kan hem niet worden verweten, aangezien hij in zijn eigen levensonderhoud wilde voorzien toen bleek dat Nederland hem niet kon opvangen. Eiser heeft in Denemarken een aantal maanden in de gevangenis gezeten, waardoor hij pas in april 2022 asiel kon aanvragen.\n\n7.9.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend. Dat eiser niet bekend was met de asielprocedure in Nederland en dat hij niet beschikte over middelen van bestaan is geen verschoonbare reden voor het laat indienen van zijn asielaanvraag. Van iemand die stelt dat een vrees te hebben in zijn land van herkomst mag worden verwacht dat hij zo snel mogelijk de bescherming zoekt die hij nodig heeft.\n\nTussenconclusie7.9.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam ongeloofwaardig zijn.\n\nHeeft de minister de problemen van eiser over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen achten?\n\n8. Omdat dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: eiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt, eiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie daarvan, eiser maakt niet inzichtelijk wat de band met [persoon B] voor hem betekent, eiser verklaart oppervlakkig over zijn gevoelens in Nederland, eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Jordanië problemen heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens en eiser heeft oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens in Nederland. De minister is voorts van oordeel dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft.\n\n8.1.. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn problemen over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn. Eiser stelt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij niet uitgebreider heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan. Eiser is hier tijdens het gehoor ook niet op gewezen. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd op summiere antwoorden en niet heeft uitgelegd waarom van hem verwacht moet worden dat hij meer inzicht zou geven. Volgens eiser heeft de minister geen rekening gehouden met zijn referentiekader in de zin dat hij niet gewend is hierover te spreken en schaamte ervaart. Eiser loopt gevaar in Jordanië wanneer zijn seksuele gerichtheid daar bekend wordt. In het nader gehoor heeft eiser uitgebreid verklaard en antwoord gegeven op alle vragen. Hierbij heeft hij verteld over meerdere seksuele ervaringen. Ondanks zijn referentiekader heeft eiser het nodige verklaard over het bewustwordingsproces van zijn biseksuele gevoelens. Eiser betoogt voorts dat hij ten aanzien van zijn band met [persoon B] de vragen hierover adequaat heeft beantwoord. Eiser heeft in beroep screenshots overgelegd van de whatsappcontacten met [persoon B]. Eiser betoogt verder dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij oppervlakkig heeft verklaard over de manier waarop hij in Nederland met zijn seksuele gerichtheid omgaat. De seksuele gerichtheid was voor eiser niet de reden om in Nederland asiel aan te vragen. Omdat eiser zijn biseksualiteit inmiddels verder heeft ontplooid, kan van hem niet worden gevraagd dat hij dit nog langer onderdrukt bij terugkeer naar Jordanië. Ter zake de problemen die hij in Jordanië heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens stelt eiser dat hij uitvoerig over de arrestatie door de moraalpolitie heeft verklaard en dat niet valt in te zien hij eiser zou moeten welke over welke informatie de moraalpolitie direct voorafgaande de arrestatie beschikte.\n\n8.2.. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep gronden heeft gericht tegen alle tegenwerpingen die ten grondslag liggen aan het standpunt van de minister dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank bespreekt deze hierna.\n\nReferentiekader8.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Bij de beoordeling van dit asielmotief heeft de minister namelijk gebruik gemaakt van de WI 2019\u002F17) waarbij is gekeken hoe eiser zich bewust werd van zijn biseksuele gerichtheid en hoe hij daarmee is omgegaan en naar zijn relaties. Dit alles is afgezet tegen zijn culturele context, waarin biseksualiteit niet wordt geaccepteerd.\n\nEiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt8.4.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser oppervlakkig en summier heeft verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt. Eiser heeft hierover enkel gesteld dat hij wel degelijk het nodige heeft verklaard, maar de minister stelt terecht dat eiser oppervlakkig heeft verklaard en niet inzichtelijk heeft gemaakt aan de hand van concrete voorbeelden waarom eiser zich ongemakkelijk voelde en waarom eiser angst voelde. Ook de verklaring van eiser hoe het voor hem was om tot de realisatie te komen dat hij biseksueel is, is oppervlakkig en algemeen van aard. Eiser heeft hierover alleen verklaard dat hij zich blij en meer open voelde. Ook na het meerdere keren doorvragen door de hoormedewerker blijft eiser summier en oppervlakkig. Ondanks dat eiser dus uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de ontdekking van zijn biseksuele gevoelens en de manier waarop hij daarmee is omgegaan en dit beleefd heeft, blijft eiser steken in algemene en oppervlakkige opmerkingen.\n\nEiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over de seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan8.5.. De minister heeft zich voorts terecht het standpunt gesteld dat eiser summier heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie daarvan. Eiser heeft verklaard dat de realisatie rond zijn 18e verjaardag heeft plaatsgevonden en dat de acceptatie van zijn seksuele gerichtheid plaatsvond rond 21- of 22-jarige leeftijd. Terecht stelt de minister dat eiser hiermee niet concreet heeft gemaakt hoe het moment van realisatie naar acceptatie is verlopen. Ondanks dat eiser dus uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de ontdekking van zijn biseksuele gevoelens en de manier waarop hij daarmee is omgegaan en dit beleefd heeft, blijft eiser steken in algemene en oppervlakkige opmerkingen. De minister stelt daarbij ook terecht dat juist in een land als Jordanië waar een stigma heerst op het lhbti-gemeenschap van eiser verwacht mag worden dat hij persoonlijker kan verklaren over hoe deze ontdekking en acceptatie voor hem is geweest.\n\nEiser maakt niet inzichtelijk wat de band met [persoon B] voor hem betekent8.6.. De minister stelt zich verder naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de band met [persoon B] voor hem betekent. Ook hierin blijkt eiser steken in algemeenheden en maakt hij niet concreet wat de band met [persoon B] persoonlijk voor hem betekent. Nu eiser heeft verklaard dat hij in het verleden met niemand over zijn seksuele gerichtheid kon spreken en [persoon B] de eerste persoon in Nederland was met wie hij dit wel heeft gedaan, mocht de minister van eiser verwachten dat hij zou kunnen vertellen hoe dit voor hem was en wat de band met [persoon B] voor hem betekende.\n\nEiser heeft oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens in Nederland8.7.. Met betrekking tot de verklaringen van eiser over hoe hij in Nederland met zijn seksuele gerichtheid omgaat, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser in algemeenheden blijft hangen. Eiser heeft niet concreet kunnen maken waarom hij in Nederland een mooi gevoel krijgt bij het openbaar kunnen uiten van zijn seksualiteit. Eiser heeft geen persoonlijke antwoorden kunnen geven waarbij hij inzicht heeft gegeven in zijn gedachten.\n\nEiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen in Jordanië heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens8.8.. Eiser heeft gesteld dat de moraalpolitie hem heeft gearresteerd vanwege zijn biseksuele gerichtheid. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom de politie bij hem binnenkwam. Eiser verklaart hierover immers dat hij denkt dat het door een anonieme tip kwam zodat zijn stelling dat hij problemen heeft ervaren vanwege zijn biseksuele gerichtheid op vermoedens rust. Bovendien weet eiser niet zeker of hij is aangehouden vanwege zijn seksuele gerichtheid. Nu eiser heeft verklaard geen andere problemen wegens zijn biseksuele gerichtheid te hebben meegemaakt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen heeft ervaren in Jordanië vanwege zijn biseksuele gerichtheid.\n\nTussenconclusie8.9.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen door zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan, een niet samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Uit overweging 7.9 volgt dat de minister zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hiervoor geen goede reden heeft. De minister heeft dit asielmotief dan ook terecht ongeloofwaardig geacht.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3804.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.\n\n Rb. Den Haag (zp. Arnhem), 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17061, onder 7.1.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18457","2026-07-13T00:28:43.340Z",{"id":181,"ecli":182,"slug":183,"caseNumber":45,"courtId":87,"decisionDate":148,"fullText":184,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":185,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":186},"685","ECLI:NL:RBDHA:2026:18456","ecli-nl-rbdha-2026-18456","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.55758\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18456","2026-07-13T00:28:43.177Z",{"id":188,"ecli":189,"slug":190,"caseNumber":45,"courtId":147,"decisionDate":148,"fullText":191,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":192,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":52,"updatedAt":193},"684","ECLI:NL:RBDHA:2026:18454","ecli-nl-rbdha-2026-18454","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F10743\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , v-nummer: [nummer] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. K. Logtenberg),\n\nen\n\nhet bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa)\n\n(gemachtigde: A. van Beurden).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van de opvang van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om een besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter oordeelt allereerst dat zij bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. Daarna oordeelt de voorzieningenrechter dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. In de brief van 30 juni 2026 heeft COa verzoeker laten weten dat zijn opvang zal eindigen per 7 juli 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. COa heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft op dat verweerschrift gereageerd.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat ging er aan deze zaak vooraf?\n\n3. Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend. De minister van Asiel en Migratie (minister) heeft die aanvraag afgewezen en aan verzoeker een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft op 29 juni 2026 uitspraak gedaan op het daartegen door verzoeker ingestelde beroep.De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, maar het besluit voor zover dat zag op het afwijzen van de asielaanvraag in stand gelaten. De rechtbank heeft het besluit voor zover dat zag op het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod vernietigd. Gebleken is namelijk dat verzoeker een asielstatus heeft in Griekenland. De minister mocht verzoeker geen terugkeerbesluit opleggen voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling, of verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken, aldus de rechtbank.\n\nIs de voorzieningenrechter bevoegd?\n\n3. COa voert aan dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, omdat de brief van 30 juni 2026 geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Uit de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2026 volgt namelijk dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand is gebleven. Uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) volgt in dat geval dat het recht op opvang van rechtswege is geëindigd. De brief van 30 juni 2026 heeft om die reden geen eigen rechtsgevolg en moet daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De brief van 30 juni 2026 was daarom niet appellabel, aldus COa.\n\n3.1.. \n\nArtikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 luidt als volgt:\n\n1 De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:\n\nc.de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;\n\n3.2.. \n\nArtikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva luidt als volgt:\n\n1 Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen:\n\nb. indien het een asielzoeker betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag die recht geeft op opvang: op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden;\n\n3.3.. Het recht op opvang eindigt dus op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden. De voorzieningenrechter moet daarom eerst de vraag beantwoorden wanneer een vreemdeling ‘rechtmatig verwijderbaar’ is. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat zij zich gelet op het spoedeisende karakter van deze zaak moet beperken tot een beperkt juridisch onderzoek.\n\n3.3.1.. De voorzieningenrechter stelt vast dat noch de Rva noch de Vw 2000 uitleg geeft over de term ‘rechtmatig verwijderbaar’. Ook in andere nationale wetgeving vindt de voorzieningenrechter geen nadere duiding van die term. Dat betekent dat de voorzieningenrechter die term zelf uit moet leggen. Dat doet zij zoveel mogelijk richtlijnconform.De voorzieningenrechter zoekt bij de uitleg van de term ‘rechtmatig verwijderbaar’ dan ook aansluiting bij de Terugkeerrichtlijn, omdat die richtlijn bij uitstek gaat over de normen en procedures voor de terugkeer van derdelanders die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. In artikel 3, aanhef en onder punt 5, van de Terugkeerrichtlijn staat opgenomen dat ‘verwijdering’ betekent “de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat”. Uit artikel 3, aanhef en onder punt 4 blijkt dat die terugkeerverplichting wordt vastgelegd in een terugkeerbesluit. Dat zou betekenen dat een vreemdeling pas verwijderbaar is op het moment dat hij een terugkeerverplichting heeft. Die heeft verzoeker niet, omdat het aan hem opgelegde terugkeerbesluit door de rechtbank in haar uitspraak van 29 juni 2026 is vernietigd. Dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het recht op opvang pas te laten eindigen op het moment dat een vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is en niet, bijvoorbeeld, het moment dat de afwijzing van de asielaanvraag in rechte vast is komen te staan, ziet de voorzieningenrechter ook als een aanwijzing dat met de toevoeging ‘rechtmatig verwijderbaar’ de vreemdeling pas verwijderbaar is op het moment dat hij een terugkeerverplichting heeft. Daar komt bij dat de wetgever in eerdere (niet meer geldende) regelgeving de term ‘rechtmatig verwijderbaar’ nog wel uitlegde, maar er voor heeft gekozen dat nu niet langer te doen, zodat meer voor de hand ligt dat die term moet worden uitgelegd aan de hand van internationale richtlijnen en verdragen.\n\n3.4.. De voorzieningenrechter acht van belang dat ook niet is gebleken dat verzoeker op andere gronden moet worden aangemerkt als ‘rechtmatig verwijderbaar’, bijvoorbeeld doordat op nationaalrechtelijke gronden aan hem een bevel tot terugkeer of verwijdering is opgelegd. COa heeft dat ook niet nader onderbouwd, maar heeft slechts gesteld dat de minister (de voorzieningenrechter neemt aan: tegenover COa) meerdere keren heeft bevestigd dat verzoeker ‘verwijderbaar’ is. COa heeft ook slechts gesteld dat verzoeker als gevolg van het afwijzen van zijn asielaanvraag ‘verwijderbaar’ is geworden, maar heeft die stelling niet nader onderbouwd.\n\n3.5.. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verzoekers recht op opvang niet van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva. Omdat verzoeker geen terugkeerverplichting heeft door het vernietigen van het aan hem opgelegde terugkeerbesluit, is hij niet als ‘rechtmatig verwijderbaar’ aan te merken op grond daarvan. Niet is gebleken dat verzoeker op andere gronden ‘rechtmatig verwijderbaar’ is. Dat betekent dat de brief van COa van 30 juni 2026 wel degelijk zelfstandig rechtsgevolgen voor verzoeker in het leven roept en dus moet worden aangemerkt als een besluit in zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter acht zich dus bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n4. De voorzieningenrechter is vervolgens van oordeel dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. COa heeft zich namelijk in haar brief van 30 juni 2026 op het standpunt gesteld dat verzoekers recht op opvang eindigt, omdat hij een wettelijke vertrektermijn had die zou zijn verlopen. De voorzieningenrechter ziet niet op grond waarvan COa concludeert dat verzoeker een wettelijke vertrektermijn had die zou zijn verstreken, nu het terugkeerbesluit waarin aan hem een vertrektermijn werd opgelegd, is vernietigd. COa heeft dat in het besluit van 30 juni 2026 ook niet nader onderbouwd, terwijl het verlopen van die vertrektermijn blijkens het besluit wel de reden is dat de opvang wordt beëindigd. Verzoeker heeft daar in zijn gronden van bezwaar argumenten tegen gericht.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter is zich bewust van de belangen die COa heeft bij het beschikbaar maken en houden van opvangplekken. Een feit van algemene bekendheid is namelijk dat er een nijpend tekort is aan opvangplekken. COa heeft daar in haar reactie ook op gewezen. Toch acht de voorzieningenrechter dat belang niet doorslaggevend. Uit overweging 6 van de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2026 volgt namelijk dat de minister nog nadere stappen moet zetten. De rechtbank heeft de minister namelijk opgedragen om bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling van de asielaanvraag in Nederland maakt dat Griekenland de aan verzoeker verleende asielstatus intrekt, en daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit en inreisverbod. De rechtbank heeft ook overwogen dat als de minister een nieuw terugkeerbesluit oplegt, hij daarbij ook een actuele beoordeling van het risico op refoulement moet maken. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom verzoeker die door de minister te nemen stappen en mogelijke besluitvorming, net als zoveel andere vreemdelingen, niet in de opvang zou mogen afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 30 juni 2026 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.\n\n5.1.. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. COa moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het besluit van 30 juni 2026 tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;\n\n- veroordeelt COa tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\nde griffier is verhinderd\n\nom te ondertekenen\n\nde voorzieningenrechter is verhinderd\n\nom te ondertekenen\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Zaaknummer NL26.7194, (nog) niet gepubliceerd.\n\n Vergelijk HvJ EG 13 november 1990, C-106\u002F89, ECLI:EU:C:1990:395 (Marleasing).\n\n Zie bijvoorbeeld artikel 1, tweede lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18454","2026-07-13T00:28:43.128Z",66,20,[11,197,198],2025,2024]