[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-asylum-procedure-nl-2024":3},{"detail":4,"years":144},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":35,"page":14,"limit":143},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},123,"asylum-procedure-nl","Asylum Procedure","NL","2026-07-08T16:57:28.077Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":19},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":19},9,{"month":33,"count":19},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61,71,81,90,100,108,117,126,135],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"404","ECLI:NL:RBDHA:2024:18027","ecli-nl-rbdha-2024-18027","",61,"2024-11-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.29329\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 16 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Ates. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 30 augustus 2022 heeft eiser zich in Ter Apel gemeld en kenbaar gemaakt dat hij asiel wilde aanvragen. Op 19 september 2022 heeft eiser daadwerkelijk asiel aangevraagd.\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser heeft, samengevat, verklaard dat hij Turkije heeft verlaten omdat hij betrokken is bij de Gülenbeweging en heeft gewerkt op Gülenscholen. Deze scholen zijn in 2016 per decreet gesloten. Zijn vrouw is in 2016 per decreet uit haar ambt gezet vanwege haar betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eiser vermoedt dat hij door deze omstandigheden in de toekomst zal worden vervolgd.\n\nDe asielmotieven\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nproblemen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Verweerder heeft het eerste asielmotief (identiteit, nationaliteit en herkomst) geloofwaardig bevonden. Het tweede asielmotief (problemen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij de Gülenbeweging) heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn asielrelaas onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten en heeft geen goede verklaring gegeven voor het ontbreken van deze documenten, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eisers verklaringen vormen daarnaast geen samenhangend en aannemelijk geheel, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Daarom heeft verweerder ingevolge artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en c, van de Vw eiser niet het voordeel van de twijfel gegund. Ter zitting heeft verweerder de b-grond laten vallen.\n\n4.1.. Het geloofwaardig geachte eerste asielmotief levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat dit niet is te herleiden tot één van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag. Dat eiser uit Turkije komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn en eiser heeft de gegronde vrees voor vervolging niet aannemelijk gemaakt.4.2.. \n\nVerweerder heeft verder overwogen dat het eerste asielmotief geen verband houdt met het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. Nu eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, heeft verweerder eiser geen verblijfsvergunning toegekend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\n5. Eiser verzoekt de rechtbank hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen.\n\n5.1.. De rechtbank stelt voorop dat de enkele verwijzing naar de zienswijze niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. Met deze verwijzing geeft eiser niet concreet aan waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet toereikend is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht.\n\n6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn besluit heeft gebaseerd op het stringenter asielbeleid dat geldt sinds 1 juli 2024. Door geen rekening te houden met de datum van de asielaanvraag, in geval van eiser op 30 augustus 2022, heeft verweerder per definitie in strijd met het verbod op willekeur gehandeld. Ook heeft verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld, nu andere asielaanvragen van Gülenaanhangers wel eerder in behandeling zijn genomen. Eiser verwijst ter onderbouwing naar een vergelijkbare asielaanvraag ( [dossiernummer] ), die in dezelfde periode is ingediend, waar betrokkene een vergelijkbare mate van bewijs kon overleggen en waarin door verweerder wel positief is besloten. Er bestaat geen grond om zo lang over de aanvraag te doen, anders dan dat verweerder laks is geweest, aldus eiser. Verder verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Breda, van 8 januari 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:91, r.o. 7.12) waaruit volgt dat in bijzondere gevallen kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat getoetst moet worden aan het nieuwe beleid. Van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn wanneer een aanvraag door toepassing van nieuwe beleidsregels geweigerd zou moeten worden, terwijl de aanvraag niet geweigerd zou mogen worden op grond van oude beleidsregels die golden ten tijde van de aanvraag. Van zo’n bijzondere omstandigheid is volgens eiser in zijn geval sprake. De omstandigheid dat de echtgenote van eiser voorwerp van onderzoek is geweest, in combinatie met de mededeling van de neef van eiser, die bij de Turkse inlichtingendienst werkt, dat ook eiser zelf in de negatieve aandacht staat vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging, maakt dat eiser op basis van het oude beleid (zoals gold ten tijde van de aanvraag, zijnde WBV 2021\u002F16) in aanmerking zou zijn gekomen voor een asielgerelateerde verblijfsvergunning.\n\n6.1.. De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel dient uit te gaan van het beleid zoals dat gold op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling door toepassing van nieuw beleid in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om (in dit geval) van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat verweerder weliswaar te laat heeft beslist op de asielaanvraag, maar verweerder heeft ter zitting voldoende uitgelegd dat de asielaanvraag van eiser slechts door drukte op de behandelende afdeling lang is blijven liggen, en niet moedwillig totdat er nieuw beleid was. De enkele omstandigheid dat eiser door dit nieuwe beleid is benadeeld, en dat andere Gülenaanhangers die onder het oude beleid zijn getoetst wel een asielvergunning hebben gekregen, is onvoldoende om te oordelen dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur heeft gehandeld. Verweerder dient immers te beoordelen of de vreemdeling op het moment van toetsen – en dus niet op het moment dat eiser asiel aanvroeg – een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van het verbod op refoulement. Bovendien heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de andere asielaanvragen waar eiser naar heeft verwezen daadwerkelijk vergelijkbaar waren. Nu verweerder naar het oordeel van de rechtbank zijn beslissing mocht baseren op het nieuwe beleid ten aanzien van Turkije, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser nog een termijn te geven om schriftelijk te reageren op het standpunt van verweerder ter zitting dat eiser onder het eerdere beleid, noch de WBV 2021\u002F16, noch de WBV 2023\u002F24, ook niet in aanmerking was gekomen voor een asielvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7. Eiser voert aan dat sprake is van systematische vervolging van Gülenaanhangers. Ter onderbouwing heeft eiser enkele artikelen overgelegd waaruit volgens eiser blijkt dat de situatie in Turkije voor Gülenaanhangers (onverminderd) slecht is en nog steeds arrestaties plaatsvinden. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus, dat eiser stelt dat verweerder ten onrechte niet in zijn beleid heeft opgenomen dat sprake is groepsvervolging.\n\n7.1.. De rechtbank volgt dit betoog niet. Uit het (meest recente) Algemeen ambtsbericht Turkije van augustus 2023 (het ambtsbericht), en de door eiser overgelegde informatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de situatie voor (toegedichte) Gülenaanhangers - ondanks arrestaties - dusdanig is dat sprake is van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van (toegedichte) Gülenaanhangers al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarbij is van belang dat uit het ambtsbericht volgt dat er in Turkije meer rechterlijke bescherming voor (toegedichte) Gülenaanhangers is gekomen. Zo stond in vorige ambtsberichten dat er verschillende criteria waren die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock-app. Die criteria zijn er nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Zo blijkt uit een uitspraak van het Constitutioneel Hof (AYM) uit 2020 dat alleen onder bepaalde voorwaarden een rekening bij Bank Asya kan worden beschouwd als activiteit ten behoeve van de Gülenbeweging en blijkt uit een uitspraak uit 2023 van datzelfde Hof dat een vrouw ten onrechte was ontslagen vanwege het hebben van twee Bank Asya-rekeningen. Het Hof van Cassatie heeft vergelijkbare uitspraken gedaan. Beide hoven zijn ook (veel) kritischer geworden over veroordelingen na gebruik van de ByLock-app. De hoven hebben veel vonnissen van rechtbanken om die reden nietig verklaard. Bovendien heeft de Turkse overheid een commissie opgericht die klachten over gedwongen ontslagen in behandeling neemt, hetgeen duidt op een afname in willekeur. Tot 12 januari 2023 had deze commissie in totaal 14,11% van de verzoeken ingewilligd, aldus het ambtsbericht. Hoewel dit nog steeds betekent dat 85,89% van de verzoeken is afgewezen, duidt ook dit wel op een afname in willekeur van de vervolging van (vermeende) Gülenaanhangers. De beroepsgrond dat er onder Gülenaanhangers sprake is van groepsvervolging slaagt daarom niet.\n\n8. Eiser heeft verder ter zitting gesteld, onder verwijzing naar de zienswijze, dat het huidige beleid, neergelegd in paragraaf C2\u002F2.4 (risicoprofielen) van de Vreemdelingencirculaire 2000, innerlijk tegenstrijdig moet worden geacht. Eiser stelt daartoe dat een risicoprofiel erop duidt dat een vreemdeling sneller moet worden geloofd, terwijl in het huidige beleid de nadruk ligt op het individualiseringsvereiste. De rechtbank volgt dit betoog niet. Weliswaar wordt bij het aanwijzen van een risicoprofiel een aantal elementen betrokken die gelinkt zijn aan een bepaalde groep, maar dat betekent niet dat er vervolgens geen individuele aspecten meer betrokken kunnen worden bij de integrale beoordeling. Het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, is op zichzelf niet voldoende om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. De rechtbank begrijpt dit zo dat allereerstgekeken dient te worden of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarnavervolgensde individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. Daarbij merkt de rechtbank overigens nog het volgende ten overvloede op. Onder het voorheen geldende beleid van risicogroepen, kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep, als sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook daar bleef het individualiseringsvereiste van toepassing, zij het dat de vreemdeling in dat kader kon volstaan met het aannemelijk maken van geringe indicaties. In dit geval ziet de rechtbank ook overigens – nog steeds ten overvloede – in het licht van de navolgende overwegingen niet in dat sprake is van die geringe indicaties.\n\n9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn problemen met de Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging niet geloofwaardig heeft bevonden. Verweerder heeft in strijd met de Kwalificatierichtlijn hem niet het voordeel van de twijfel gegeven, nu hij aan de hand van documenten wel aannemelijk heeft gemaakt te zijn betrokken bij de Gülenbeweging. Verweerder heeft te zwaar gewicht toegekend aan de omstandigheid dat er nog geen formele vervolging is ingesteld jegens eiser, en te weinig gewicht toegekend aan de mondelinge informatie die eiser van zijn neef - die bij de Turkse Inlichtingendienst werkt – heeft ontvangen, naast dat aan eisers vrouw wel een uitreisverbod is opgelegd, aldus eiser. Deze omstandigheden hadden integraal, in onderlinge samenhang, moeten worden beoordeeld. Echter, ook zonder de door eiser gestelde problemen door de betrokkenheid bij de Gülenbeweging, meent eiser dat hij bij terugkeer in de negatieve belangstelling zal komen te staan bij de Turkse autoriteiten. Dit vanwege zijn langdurige verblijf buiten Turkije.\n\n9.1.. \n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat de verklaringen van eiser, dat hij werkzaam is geweest op een Gülenschool en in dat kader activiteiten heeft verricht, niet ter discussie staan. Verweerder heeft dit ter zitting bevestigd.\n\nDe rechtbank is echter van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn werkzaamheden en activiteiten bij aan Gülen gelieerde instellingen in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat en hij hierdoor bij terugkeer problemen zal ervaren. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat niet is gebleken van een strafzaak tegen eiser, dat hij Turkije legaal heeft kunnen verlaten en dat ook na eisers vertrek niet is gebleken van aanwijzingen dat de Turkse autoriteiten hem zouden willen vervolgen. Verweerder heeft bovenal van belang kunnen achten dat eiser, na zijn gestelde ontslag bij de Güleninstelling in 2016, tot aan zijn vertrek in 2022 (dus zes jaar) probleemloos in Turkije heeft gewoond zonder dat is gebleken van negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser, nadat hij door zijn neef zou zijn geïnformeerd dat hij in de negatieve belangstelling zou staan van de Turkse autoriteiten, nog zes maanden heeft gewacht (blijkens eisers verklaring: om voorbereidingen te treffen voor zijn vertrek) voordat hij, legaal, is uitgereisd. Ook tijdens dat laatst half jaar heeft eiser geen problemen ondervonden. Dat het slechts een kwestie van tijd is voordat eiser zal worden vervolgd, zoals hij heeft gesteld, is – in het licht van het voorgaande – onvoldoende om aan te nemen dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat zijn echtgenote wel een uitreisverbod heeft gekregen, heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende bevonden om aan te nemen dat eiser zelf in de negatieve belangstelling staat. De rechtbank ziet daarbij geen grond voor het oordeel dat verweerder, alles in samenhang bezien, tot een ander standpunt had moeten komen.\n\nVerweerder heeft het verder niet aannemelijk hoeven achten dat eiser, zodra hij Turkije weer inreist na zijn langdurige afwezigheid, problemen met de Turkse autoriteiten zal ondervinden. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser enkel heeft gesteld dat die problemen zich zullen voordoen, maar hij dit verder niet heeft onderbouwd. Ter zitting heeft eiser ook slechts verklaard dat het in het algemeen zo is dat deze problemen zich voordoen, waarbij hij zich baseert op verhalen en asielrelazen van andere vreemdelingen. Verweerder heeft evenwel niet ten onrechte verwezen naar het ambtsbericht (pagina 91) waarin wordt vermeld dat in terugkeerzaken, voor zover bekend, geen detenties voorkomen. Slechts indien sprake is van een openstaande strafrechtelijke procedure, liep de terugkeerder het risico om te worden gedetineerd. Eiser heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat er op dit moment een strafrechtelijke procedure tegen hem loopt. Verweerder heeft dan ook niet hoeven aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Turkije een risico loopt om te worden gedetineerd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.\n\n10. Tot slot voert eiser aan verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd, nu hij bij terugkeer naar Turkije een risico loopt op schending van het verbod op refoulement.\n\n10.1.. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 9.1. is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser een reëel risico loopt op schending van het verbod op refoulement. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij moet worden aangemerkt als verdragsvluchteling of dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade (artikel 3 EVRM). Dat betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.\n\n12. Het beroep is daarom ongegrond.\n\n13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:18027","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:28.050Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"1409","ECLI:NL:RBDHA:2024:17115","ecli-nl-rbdha-2024-17115",65,"2024-10-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.23907\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] , eiseres,\n\nv-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. E.R. Coene),\n\nmede namens haar minderjarige kind:\n \n [naam]\n\ngeboren op [geboortedatum],\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag.\n\n2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt. Partijen hebben hier mee ingestemd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en het beroep dus niet behandeld op een zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.\n\n4. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\n5. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.\n\n6. Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn, als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden.\n\n7. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 29 oktober 2023. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in het geval van eiser op 29 april 2024 eindigen. De minister heeft echter, met inwerkingtreding van het WBV 2023\u002F3, de beslistermijn van asielaanvragen, ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024, met negen maanden verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 11 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:5087) geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2023\u002F3 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. De verlenging van de beslistermijn is daarom rechtsgeldig. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 30 april 2024 prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is niet-ontvankelijk.\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:17115","2026-07-13T00:29:19.962Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"359","ECLI:NL:RBDHA:2024:23281","ecli-nl-rbdha-2024-23281",56,"2024-10-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL24.24861 (beroep)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , van Soedanese nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Terpstra),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).\n\nDeze uitspraak is gerectificeerd, omdat de rechtbank een onjuiste proceskostenveroordeling heeft opgenomen in de originele uitspraak. De originele uitspraak is gedaan op8 oktober 2024. De rechtbank heeft de originele uitspraak in deze gerectificeerde uitspraak aangevuld met de juiste overwegingen over de proceskostenveroordeling.Hieronder geeft de rechtbank de originele uitspraak weer met aanpassingen in cursief, vetgedrukt lettertype.\n\nProcesverloop\n\nMet het bestreden besluit van 14 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat hij niet wordt overgedragen aan Frankrijk tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraakvan deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juli 2024 toegewezen.\n\nVerweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Lotfi als tolk in de taal Arabisch-Soedanees, [de persoon 1] namens Stichting Nidos, [de persoon 2] namens het COaen de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze regelgeving staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een verzoek om internationale bescherming (een asielaanvraag) niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n4. Eiser heeft op 17 december 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Uit Eurodacis gebleken dat eiser op 15 november 2023 is aangehouden in Italië en dat hij op 29 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Frankrijk. Verweerder heeft daarom op 11 februari 2024 de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Op 19 februari 2024 zijn de autoriteiten van Frankrijk hiermee akkoord gegaan.\n\n5. De rechtbank gaat verder uit van het volgende. Bij zijn aanvraag heeft eiser als geboortedatum [geboortedatum 1] 2007 opgegeven. Daarvan uitgaande was eiser ten tijde van zijn asielaanvraag zestien jaar, en dus minderjarig. Eiser is geschouwd door de AVIMen door verweerder. De AVIM heeft geconcludeerd tot evidente minderjarigheid. Verweerder heeft geconcludeerd tot twijfel over de minderjarigheid van eiser. Die twijfel is ingegeven doordat uit Eurodac en ook uit eisers eigen verklaringen volgt dat hij in Italië [geboortedatum 2] 2004 als geboortedatum heeft opgegeven, en dat hij in Frankrijk [geboortedatum 3] 2003 als geboortedatum heeft opgegeven. Verweerder heeft de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum 2] 2004 aangehouden en eiser dus aangemerkt als meerderjarig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMocht verweerder de leeftijdsregistratie uit Italië overnemen?\n\n6. Eiser stelt zich ten eerste op het standpunt dat verweerder niet van de leeftijdsregistratie in Italië mocht uitgaan. Hiertoe voert eiser aan dat hij bij zijn eerste gehoor met de AVIM en ook tijdens het aanmeldgehoor met verweerder direct heeft gezegd dat hij in Italië en Frankrijk bewust onjuiste geboortedata heeft opgegeven, om de autoriteiten daar te laten denken dat hij meerderjarig was. Dit heeft eiser gedaan om te voorkomen dat hij daar als minderjarige vastgehouden zou worden en in een opvang zou worden geplaatst. Verweerder heeft deze verklaringen ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Bovendien is niet inzichtelijk geworden welk onderzoek de Italiaanse en Franse autoriteiten, los van eisers eigen onjuiste verklaringen, aan hun leeftijdsvaststelling ten grondslag hebben gelegd.\n\n6.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij wel mocht uitgaan van de in Italië opgegeven geboortedatum. Verweer wijst in dit kader op vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaruit volgt dat hij bij twijfel over de opgegeven minderjarigheid in beginsel uit mag gaan van de leeftijdsregistratie in andere lidstaten.Uit de verklaringen van eiser volgen ook geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder hier in zijn geval niet vanuit zou mogen gaan.\n\n6.2.. Uit Werkinstructie 2023\u002F6 volgt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum. Een vreemdeling heeft op grond van de werkinstructie echter de mogelijkheid om door middel van adequate en onderbouwde verklaringen aannemelijk te maken dat de in de andere lidstaat geregistreerde leeftijd niet de juiste is. Ook kan hij kan op grond van, bij voorkeur identificerende maar in voorkomende gevallen ook indicatieve documenten, alsnog aannemelijk maken dat de geregistreerde leeftijd onjuist is.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit specifieke geval niet zonder meer heeft mogen aansluiten bij de geregistreerde geboortedatum in Italië. Er zijn namelijk genoeg aanwijzingen dat deze geboortedatum niet de juiste is. Ten eerste hebben de Italiaanse autoriteiten over eisers registratie in Italië aan verweerder het volgende gestuurd: “Following your request concerning the above named person, this is to inform you, that: (…) He did not submit any documents. No age testing.” De rechtbank leidt hieruit af dat eisers leeftijdsregistratie in Italië enkel tot stand is gekomen op basis van zijn eigen verklaringen. In dit kader acht de rechtbank ook van belang dat eiser zelf direct bij zijn aanmelding bij de AVIM alsook in het aanmeldgehoor bij verweerder heeft toegelicht dat hij bewust een onjuiste, meerderjarige leeftijd heeft opgegeven in Italië en Frankrijk. Ten tweede heeft de AVIM eiser als evident minderjarig heeft geschouwd. Ten slotte heeft eiser ook een foto van een geboorteakte heeft ingebracht, waarop hij staat vermeld als minderjarig. Verweerder merkt weliswaar terecht op dat deze foto niet op echtheid onderzocht kan worden, maar dat betekent niet zonder meer dat hieraan geen enkele bewijswaarde kan worden gehecht. Ook met indicatieve documenten kan een vreemdeling immers aannemelijk maken dat de in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum niet juist is.Gelet op deze omstandigheden, in onderling verband bezien, mocht verweerder niet zonder meer uitgaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Het bestreden besluit is op dit punt gebrekkig gemotiveerd en daarom in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n6.4.. Verder komt in dit kader naar het oordeel van de rechtbank ook waarde toe aan de verklaring van [de persoon 1] die eiser in beroep heeft overgelegd. In haar verklaring schrijft zij dat zij eiser sinds [datum] 2024 als jeugdbeschermer begeleidt en vanuit die rol regelmatig contact met hem heeft. Zij schrijft over eiser dat hij hulp nodig heeft bij zowel dagelijkse taken als bij emotionele gebeurtenissen en dat hij gedrag vertoont dat passend is voor een puber in zowel het contact met zijn begeleiders als zijn medebewoners. Zij kwalificeert zijn gedrag als passend bij de opgegeven minderjarige leeftijd van eiser en benadrukt dat voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling van belang is dat hij op een minderjarigenlocatie kan verblijven.’ De rechtbank begrijpt dat verweerder deze verklaring niet heeft kunnen betrekken bij het bestreden besluit, nu deze pas in beroep is overgelegd. Gelet op de ex nunc-toetsingdie in het asielrecht geldt voor zowel de feitelijke als de juridische gronden, acht de rechtbank deze verklaring echter wel relevant.\n\n6.5.. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nHeeft verweerder eisers aanmeldgehoor en leeftijdsschouw zorgvuldig uitgevoerd?\n\n7. Eiser voert verder aan dat de leeftijdsschouw tijdens het aanmeldgehoor door verweerder onzorgvuldig is geweest. Voorafgaand aan het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw heeft eiser namelijk geen enkele vorm van voorbereiding met of begeleiding door een wettelijk vertegenwoordiger gehad. Ook was er tijdens het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw zelf geen wettelijk vertegenwoordiger aanwezig. Eiser is ook niet zorgvuldig geïnformeerd over de wijze waarop zijn verklaringen meegewogen zouden worden bij de leeftijdsschouw. Volgens eiser is de leeftijdsschouw daarom in strijd met artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.Ook heeft verweerder zich bij het afnemen van de leeftijdsschouw niet laten leiden door de belangen van het kind als eerste overweging, zodat deze schouw ook in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn. Het op de leeftijdsschouw gebaseerde bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen.\n\n7.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de leeftijdsschouw tijdens het aanmeldgehoor wel zorgvuldig is geweest. Deze is namelijk conform werkinstructie 2023\u002F6 uitgevoerd. Het in deze werkinstructie neergelegde beleid verschilt niet wezenlijk van het beleid zoals neergelegd in de voorgaande werkinstructie 2018\u002F19. Dat beleid heeft de Afdeling bij uitspraak van 2 november 2022 niet onredelijk geacht.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt dat in de Nederlandse asielprocedure de rol van wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling vervuld wordt door een medewerker van Stichting Nidos, de voogdijorganisatie voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in Nederland (hierna: Nidos). De op zitting aanwezigen hebben zich uitgelaten over de wijze waarop verweerder Nidos op de hoogte stelt van de aanmelding en aanmeldgehoren van niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdelingen. Zij hebben daarover het volgende verklaard.\n\n7.2.1.. Niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdelingen worden door verweerder geregistreerd op de dag van hun aankomst (dag 1). Een dag later (dag 2) vragen zij asiel aan bij de AVIM en worden zij gehoord en geschouwd door de AVIM. Weer een dag later (dag 3) vindt een medische controle plaats bij de GZAen worden zij gehoord en geschouwd door verweerder.\n\n7.2.2.. De voogdij van Nidos over een minderjarige niet-begeleide vreemdeling vangt formeel pas aan nadat de kinderrechter in een verzoekschriftprocedure Nidos belast heeft met de (tijdelijke) voogdij. In de regel duurt dit een aantal weken. Nidos heeft met de Nederlandse overheid de werkafspraak dat de voogdij aanvangt op het moment dat Nidos contact heeft gehad met de niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdeling èn zij het verzoekschrift tot de voogdij heeft ingediend. Daarvóór heeft Nidos geen voogdij, niet in formele en ook niet in praktische zin. Het uitgangspunt is dat Nidos vanaf het moment dat de niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdeling geregistreerd wordt door verweerder (dag 1), vijf dagen de tijd heeft om de gestelde minderjarige vreemdeling te spreken, uit te zoeken of er wellicht meerderjarige familieleden in Nederland zijn die de voogdij op zich kunnen nemen, en een verzoekschrift tot voogdij in te dienen indien dit niet het geval is.\n\n7.2.3.. Verweerder legt elke dag (dag 2) een lijst over aan Nidos van alle aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen die de volgende dag (dag 3) plaats zullen gaan vinden. Nidos heeft verklaard dat het, door deze korte termijn die vaak minder dan één dag beslaat, voor haar medewerkers vrijwel onmogelijk is om de betreffende gestelde minderjarigen te spreken vóór het aanmeldgehoor door verweerder, laat staan hen op dit aanmeldgehoor voor te bereiden of het aanmeldgehoor zelf bij te wonen. Het feit dat de gestelde minderjarigen de eerste twee tot drie dagen in beslag worden genomen door hun afspraken bij de AVIM, de GZA en verweerder zelf, bemoeilijkt het tijdig inplannen van een gesprek met de minderjarigen en het verder uitzoeken van hun situatie.\n\n7.3.. De rechtbank overweegt dat tot 1 november 2020 voor minderjarige vreemdelingen gold dat zij na aankomst een kort eerste gehoor kregen. Daarna volgde een rustperiode van drie weken, waarna de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag volgde. In deze drie weken sprak Nidos met de niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdeling, regelde zij de voogdij en kon zij de (gestelde) minderjarige vreemdeling voorbereiden op zijn of haar procedure.Vanaf 1 november 2020 is een nieuwe werkwijze ingevoerd, waarbij de behandeling van minderjarige en meerderjarige vreemdelingen gelijk is getrokken. In deze nieuwe werkwijze is het eerste gehoor vervangen door het (uitgebreidere) aanmeldgehoor. Alle vreemdelingen – meerderjarigen èn minderjarigen – krijgen na aankomst in Nederland het aanmeldgehoor, gevolgd door een rustperiode van ten minste zes dagen, waarna de inhoudelijke behandeling van de asielprocedure volgt.Het aanmeldgehoor dient ertoe om in het kader van de Dublinprocedure snel vast te kunnen stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, maar ook om te bepalen of er risico’s spelen voor de nationale veiligheid en openbare orde. Anders dan bij het voormalige eerste gehoor,worden in dit aanmeldgehoor de asielmotieven kort uitgevraagd.Ook wordt tijdens het aanmeldgehoor bij de (gestelde) minderjarige vreemdeling de leeftijdsschouw uitgevoerd. Verder worden vragen gesteld over de identiteit, nationaliteit, etniciteit, religie, herkomst, reisroute, documenten, eventueel verblijf in derde landen en de personalia en verblijfplaats van familieleden.Na het aanmeldgehoor vindt het nader gehoor plaats, waarin de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zo volledig mogelijk de tot staving van zijn of haar aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren.Deze nieuwe werkwijze is geformaliseerd bij besluit van 28 mei 2021 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n7.4.. Nidos heeft zich tijdens de consultatiefase van deze wijziging kritisch uitgelaten over deze nieuwe werkwijze.Ook Vluchtelingenwerk Nederland, de UNHCR, de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken en de Kinderombudsman hebben in de consultatiefase opgemerkt dat de procedure onvoldoende rekening houdt met de kwetsbare positie van minderjarigen.In de onderhavige procedure heeft Nidos haar kritiek uit de consultatiefase herhaald. Nidos heeft daaraan toegevoegd dat in het uitgebreidere aanmeldgehoor veel meer vragen worden gesteld dan voorheen in het korte eerste gehoor, en dat de antwoorden die gestelde minderjarige vreemdelingen hierop geven meer dan voorheen betrokken worden bij het vaststellen van de leeftijd van de vreemdeling in kwestie. Hierdoor is het volgens Nidos extra kwalijk dat de huidige werkwijze van verweerder het haast onmogelijk maakt om de gestelde minderjarige vreemdelingen te spreken vóór dit uitgebreide aanmeldgehoor, hen hierop voor te bereiden en bij het gehoor aanwezig te zijn. Op de zitting hebben Nidos en de gemachtigde van eiser gepleit voor het opnieuw invoeren van het korte eerste gehoor en de drie weken rustperiode voor gestelde minderjarige vreemdelingen, zodat Nidos weer – net als voorheen het geval was – tijd heeft de (gestelde) minderjarige te spreken, de voogdij te regelen en de (gestelde) minderjarige vreemdeling voor te bereiden op zijn of haar procedure.\n\nArtikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn\n\n7.5.. De Procedurerichtlijn stelt normen voor de procedure rondom de toekenning en intrekking van internationale bescherming. In artikel 25 van de Procedurerichtlijn zijn enkele waarborgen opgenomen die lidstaten in dit kader in acht moeten nemen voor niet-begeleide minderjarigen. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn, staat dat lidstaten zo snel mogelijk maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat een niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een vertegenwoordiger zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, staan specifieke waarborgen geregeld voor het persoonlijk onderhoud van niet-begeleide minderjarigen. Volgens dit artikel moeten lidstaten er zorg voor dragen dat de aangewezen vertegenwoordiger uit lid 1, aanhef en onder a, in de gelegenheid wordt gesteld de niet-begeleide minderjarige te informeren over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het persoonlijke onderhoud en, indien nodig, over de wijze waarop hij zich op het persoonlijke onderhoud dient voor te bereiden. Ook moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een vertegenwoordiger en\u002Fof een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten, bij dat onderhoud aanwezig is en de gelegenheid heeft vragen te stellen en opmerkingen te maken.\n\n7.6.. Het persoonlijk onderhoud waarnaar verwezen wordt in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, is onder andere geregeld in de artikelen 14, 15, en 16 van de Procedurerichtlijn. Uit artikel 14, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, volgt dat een persoonlijk onderhoud gaat over de inhoud van het verzoek om internationale bescherming. Uit artikel 15, derde lid, aanhef, van de Procedurerichtlijn, volgt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in zodanige omstandigheden dat een verzoeker de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Op grond van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat, bij het afnemen van een persoonlijk onderhoud over de inhoud van een verzoek om internationale bescherming, de verzoeker voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van het verzoek noodzakelijke elementen aan te voeren.\n\n7.7.. De rechtbank overweegt dat het persoonlijk onderhoud, blijkens de hierboven genoemde artikelen uit de Procedurerichtlijn, het onderhoud is waarin een vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om zijn asielrelaas en -motieven te vertellen en toe te lichten. In de Nederlandse asielprocedure heeft het persoonlijk onderhoud een plek gekregen in de vorm van het nader gehoor. Zoals ook in overweging 7.3 uiteen is gezet, wordt de vreemdeling in dit nader gehoor immers pas inhoudelijk bevraagd over zijn asielmotieven. In het aanmeldgehoor komen de asielmotieven slechts zeer summier aan de orde. Aangezien artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, betrekking heeft op het persoonlijk onderhoud, is het niet van toepassing op het aanmeldgehoor en de tijdens dat aanmeldgehoor gehouden leeftijdsschouw. Eisers beroepsgrond, dat de wijze waarop zijn leeftijdsschouw heeft plaatsgevonden in strijd is met dit artikel, slaagt daarom niet.\n\nArtikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn\n\n7.8.. Op grond van artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, laten de lidstaten zich bij de uitvoering van de Procedurerichtlijn leiden door het belang van het kind als eerste overweging. Artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, is niet expliciet in Nederlandse wet- of regelgeving geïmplementeerd, maar is een richtlijnspecifieke evenknie van artikel 24 van het Handvesten artikel 3 van het IVRK. Uit overweging 33 van de Preambule van de Procedurerichtlijn volgt ook dat het belang van het kind bij de toepassing van deze richtlijn een eerste overweging van de lidstaten moet te zijn, overeenkomstig het Handvest en het IVRK.\n\n7.9.. Uit artikel 24, tweede lid, van het Handvest, volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Hetzelfde volgt uit artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Artikel 24 van het Handvest is gebaseerd op artikel 3 van het IVRK en moet overeenkomstig worden geïnterpreteerd.\n\n7.10.. Uit artikel 22, eerste lid, van het IVRK volgt voorts dat Staten die partij zijn bij dat verdrag passende maatregelen nemen om te waarborgen dat een kind, dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen of dat in overeenstemming met het toepasselijke internationale of nationale recht en de toepasselijke procedures als vluchteling wordt beschouwd, ongeacht of het al dan niet door zijn of haar ouders of door iemand anders wordt begeleid, passende bescherming en humanitaire bijstand krijgt bij het genot van de van toepassing zijnde rechten beschreven in dit Verdrag en in andere internationale akten inzake de rechten van de mens of humanitaire akten waarbij de bedoelde Staten partij zijn.\n\n7.11.. Artikel 22, eerste lid, van het IVRK, is verder uitgewerkt in General Comment 6.General Comment 6 dient als nadere uitleg bij het IVRK en gaat specifiek over de behandeling van niet-begeleide en gescheiden kinderen buiten hun land van herkomst. General Comment 6 heeft als doelstelling om “richtsnoeren te geven voor de bescherming, zorg en correcte behandeling van niet-begeleide en van hun familie gescheiden kinderen op basis van het gehele wettelijke kader dat wordt geboden door het Verdrag inzake de rechten van het kind”en “bundelt en consolideert de normen die onder meer door middel van de monitoringsinspanningen zijn ontwikkeld en geeft aldus de Staten duidelijke aanwijzingen over de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag met betrekking tot deze specifieke kwetsbare groep kinderen.”In General Comment 6 staat het volgende over artikel 22, eerste lid, van het IVRK (onderstreping door de rechtbank):\n\n“Procedurele waarborgen en ondersteunende maatregelen (art. 3(3))\n\n68. Passende maatregelen die op grond van artikel 22(1) van het Verdrag vereist zijn, dienen rekening te houden met de bijzondere kwetsbaarheid van niet-begeleide en gescheiden kinderen en met het nationale rechtskader en de nationale voorwaarden. Dergelijke maatregelen moeten worden geleid door de onderstaande overwegingen.\n\n69. Een asielzoekend kind dient te worden vertegenwoordigd door een volwassene die bekend is met de achtergrond van het kind en die bevoegd en in staat is om zijn of haar belangen te behartigen (…). Het niet-begeleide of gescheiden kind dient tevens in alle gevallen kosteloos toegang te krijgen tot een bevoegde wettelijke vertegenwoordiger, ook wanneer het verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus volgens de normale procedures voor volwassenen wordt behandeld.(…).\n\n72. De gesprekken dienen te worden gevoerd door vertegenwoordigers van de beslissingsinstantie voor de vluchtelingenstatus, die rekening houden met de bijzondere situatie van niet-begeleide kinderen om de beoordeling van de vluchtelingenstatus uit te voeren en inzicht te krijgen in de geschiedenis, de cultuur en de achtergrond van het kind. Het beoordelingsproces dient een onderzoek per geval te omvatten van de unieke combinatie van factoren behorend bij ieder kind, met inbegrip van de persoonlijke, gezins- en culturele achtergrond van het kind. De voogd en de wettelijke vertegenwoordiger dienen aanwezig te zijn bij alle gesprekken.”\n\n7.12.. Uit het voorgaande volgt dat de voogd en wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling aanwezig moeten zijn bij alle gesprekken die hij of zij met de beslissingsautoriteit voert. Dat betekent dat een begeleider van Nidos aanwezig had moeten zijn bij eisers aanmeldgehoor en de tijdens dat gehoor gehouden leeftijdsschouw. Niet in geschil is dat bij eisers aanmeldgehoor en leeftijdsschouw geen begeleider van Nidos aanwezig is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat de wijze waarop het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw hebben plaatsgevonden in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, artikel 24, tweede lid, van het Handvest, en artikel 3, eerste en derde lid, en artikel 22, eerste lid, van het IVRK. De voorbereiding van het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig geweest. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond van eiser slaagt.\n\n7.13.. De rechtbank overweegt verder dat de wijze waarop eisers aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden niet op zichzelf staat, maar een gevolg is van de werkwijze van verweerder – zoals uiteengezet onder 7.2.1 tot en met 7.2.3 – ten aanzien van het plannen van de aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen en het op de hoogte brengen hiervan van Nidos. Deze werkwijze maakt het nagenoeg onmogelijk voor Nidos om deze kwetsbare groep bij te staan en te vertegenwoordigen. De rechtbank stelt vast dat de werkwijze van verweerder heeft geleid tot een besluit dat niet in stand kan blijven. De rechtbank geeft verweerder daarom mee om met Nidos om tafel te gaan over nieuwe werkafspraken, zodat het wel mogelijk is voor Nidos om aanwezig te zijn bij de aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen.\n\n7.14.. De rechtbank volgt verweerder niet in haar stelling dat deze werkwijze is goedgekeurd door de Afdeling in de uitspraak van 2 november 2022. In deze uitspraak heeft de Afdeling zich namelijk alleen uitgelaten over de wijze waarop (de rechtsvoorganger van) verweerder in Dublinzaken inhoudelijk invulling geeft aan het onderzoek naar de leeftijd als er twijfel bestaat over de gestelde minderjarigheid van een vreemdeling en de vreemdeling in een of meerdere andere lidstaten zowel als minderjarige als meerderjarige staat geregistreerd. De Afdeling heeft zich in deze uitspraak niet, althans niet expliciet, uitgelaten over de wijze waarop verweerder de aanmeldgehoren van gestelde minderjarigen inplant en Nidos hiervan op de hoogte brengt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 6.3, 6.4 en 7.8 tot en met 7.12, in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, artikel 24, tweede lid, van het Handvest, en artikel 3, eerste en derde lid, en artikel 22, eerste lid, van het IVRK, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers leeftijdsregistratie te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.\n\n8.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.\n\n8.2.. \n\nOmdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.\n\nVerweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Bij uitspraak van 22 juli 2024 op de door eiser gevraagde voorlopige voorziening heeft de rechtbank reeds een punt toegekend voor het deelnemen aan de zitting.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het besluit van 14 juni 2024;\n\ndraagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n zaaknummer NL24.24862.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Verordening EU\u002F604\u002F2013.\n\n European Asylum Dactyloscopy Database.\n\n Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3147.\n\n Werkinstructie 2023\u002F6, paragraaf 2.4.2.\n\n Werkinstructie 2023\u002F6, paragraaf 2.4.2.\n\n Artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:3147.\n\n GezondheidsZorg Asielzoekers.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 3; Nota van Toelichting, Staatsblad 2021, 250, paragraaf 5.5, pagina 30.\n\n Artikel 3.109, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 2;\n\n Artikel 3.108d, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Artikel 3.108d, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250.\n\n Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250, pagina 30.\n\n Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 3 tot en met 4; Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250, pagina 29 en 30.\n\nHandvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\nVerdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind.\n\n Toelichting bij het Handvest, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C305\u002F25. Ingevolge artikel 6, eerste lid, derde alinea, en artikel 52, zevende lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, moet de Toelichting bij het Handvest voor de uitlegging van het Handvest in acht worden genomen.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6, pagina 7, eerste alinea.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6, pagina 7, vierde alinea.\n\n Zaaknummer NL24.24862.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23281","2025-03-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.995Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":50,"updatedAt":80},"299","ECLI:NL:RBDHA:2024:16044","ecli-nl-rbdha-2024-16044",63,"2024-10-02T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.31494\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan) en\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).\n\nOverwegingen\n\nDe rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.¹\n\nAls een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.²\n\nSinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023\u002F3 van kracht.³ Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. Eiser betwist dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser vindt daarom dat verweerder met de WBV 2023\u002F3 de beslistermijn niet geldig heeft verlengd en dat hij verweerder niet prematuur in gebreke heeft gesteld. Eiser\n\n1. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:12 van de Awb.\n\n3 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.\n\nverzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, verweerder op te dragen alsnog een besluit te nemen en hieraan een rechterlijke dwangsom te verbinden.\n\n4. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank verwijst voor de motivering naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 februari 2024.⁴ Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de inwerkingtreding van de WBV 2023\u002F3 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n5. Eiser heeft op 17 oktober 2023 zijn asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag van eiser valt dus onder het toepassingsbereik van de WBV 2023\u002F3. Dit betekent dat de beslistermijn in zijn zaak met negen maanden is verlengd en verweerder uiterlijk op 17 januari 2025 op de aanvraag moet beslissen. De ingebrekestelling van 23 juli 2024 is hierdoor te vroeg ingediend. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep op grond van het niet tijdig beslissen door verweerder, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.\n\n4 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n02 oktober 2024\n\nDocumentcode: [documentcode]\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:16044","2024-10-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:23.327Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":50,"updatedAt":89},"1467","ECLI:NL:RBDHA:2024:23086","ecli-nl-rbdha-2024-23086","2024-09-27T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\n Bestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.30891\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. E.R. Coene),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).\n\nOverwegingen\n\nDe rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1\n\nAls een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2\n\nSinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023\u002F3 van kracht.3 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. Eiser betwist dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser vindt daarom dat verweerder met de WBV 2023\u002F3 de beslistermijn niet geldig heeft verlengd en dat hij verweerder niet prematuur in gebreke heeft gesteld. Eiser verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, verweerder op te dragen alsnog een besluit te nemen en hier een rechterlijke dwangsom aan te verbinden.\n\n1. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:12 van de Awb.\n\n3 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.\n\n4. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank verwijst voor de motivering naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 februari 2024.4 Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de inwerkingtreding van WBV 2023\u002F3 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser heeft op 4 september 2023 zijn asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag van eiser valt dus onder het toepassingsbereik van de WBV 2023\u002F3. Dit betekent dat de beslistermijn in zijn zaak met negen maanden is verlengd en verweerder uiterlijk op 4 december 2024 op de aanvraag moet beslissen. De ingebrekestelling van 22 juli 2024 is hierdoor te vroeg ingediend. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep op grond van het niet tijdig beslissen door verweerder, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van\n\nD.A.M. Delger, griffier.\n\n4 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n27 september 2024\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23086","2025-02-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.442Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":43,"courtId":94,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":50,"updatedAt":99},"401","ECLI:NL:RBDHA:2024:14972","ecli-nl-rbdha-2024-14972",62,"2024-09-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.25133\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).\n\nInleiding\n\nMet het besluit van 13 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Uit deze beoordeling volgt dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 12 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallige is en dat hij heeft te vrezen voor de Iraanse autoriteiten, omdat hij heeft deelgenomen aan drie demonstraties tegen het Iraanse regime bij de Iraanse ambassade in Nederland.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig gevonden. Het is volgens verweerder echter niet geloofwaardig dat eiser afvallige is. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij nooit een geloof heeft gehad en dat hij niet praktiseert en zijn ouders evenmin. Uit eisers verklaringen blijkt daarom niet van een verandering in zijn geloofsbelijdenis. Het is evenmin aannemelijk dat eiser door de Iraanse overheid als afvallige wordt beschouwd. In zijn baan bij de Iraanse ordedienst is eiser disciplinair bestraft omdat hij zich onvoldoende hield aan de regels voor het praktiseren van het geloof. Ook heeft hij daardoor geen vaste aanstelling gekregen. Verdere problemen met de autoriteiten heeft eiser echter niet gehad, ook niet na beëindiging van zijn dienstverband. Voor zover eiser na het mislopen van zijn vaste aanstelling een grotere afkeer van het geloof heeft gekregen, heeft hij dit alleen geuit in eigen kring. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich bij terugkeer anders zal gedragen.\n\nVerweerder gelooft dat eiser heeft deelgenomen aan de demonstraties bij de Iraanse ambassade in Nederland, maar eiser had slechts een geringe rol. Daarnaast is het volgens verweerder niet aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn of zullen raken van eisers deelname. Ook verder is de vrees voor problemen bij terugkeer in Iran niet aannemelijk.\n\nStandpunt eiser\n\n4. Eiser voert aan dat de (toegedichte) afvalligheid niet is getoetst in overeenstemming met de Werkinstructie 2022\u002F3 (de WI). Uit de WI volgt dat iemand ook afvallig kan zijn als hij zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid. Verder zijn de drie elementen “proces”, “kennis” en “activiteiten” onvoldoende kenbaar in het bestreden besluit meegewogen en is onvoldoende doorgevraagd naar hoe eiser zich in Iran zal uiten. Daarnaast stelt eiser dat hij heeft te vrezen voor de Iraanse autoriteiten vanwege zijn deelname aan de demonstraties. Eiser is gezien door ambassadepersoneel dat de politie heeft ingeschakeld en hij is herkend met de camera’s die ter plaatse hangen. Ook is van belang dat eiser langer uit Iran is weggebleven dan de toegestane visumduur. Vanwege de problemen in zijn werk bij de ordedienst staat hij al in de negatieve aandacht van de autoriteiten. Eiser zal bij terugkeer worden ondervraagd. Hij zal zijn grote afkeer van de islam en het regime dan niet voor zich kunnen houden. Eiser verwijst hierbij naar het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 en een uitspraak van 20 februari 2020 van het Britse Upper Tribunal.\n\nWat vindt de rechtbank?\n\n5. De rechtbank is anders dan eiser van oordeel dat verweerder de asielaanvraag in overeenstemming met de WI heeft beoordeeld. Eiser heeft zelf heeft verklaard dat hij nooit gelovig is geweest en dat hij en zijn ouders de islam niet praktiseren. De in de WI genoemde situatie dat iemand zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid, waar eiser zich op beroept, doet zich daarom niet voor. Verweerder wijst terecht op eisers eigen verklaringen dat geen sprake is geweest van een verandering in eisers religieuze opvattingen. Eiser heeft zich alleen tijdelijk en zonder succes voorgedaan als praktiserend moslim om zijn baan bij de ordedienst te behouden. Gelet hierop bestond er geen aanleiding voor verweerder om voor de beoordeling van het gestelde asielmotief verder in te gaan op de elementen ‘proces en motieven’, ‘kennis’ en ‘activiteiten’ dan verweerder heeft gedaan. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat van afvalligheid geen sprake is.\n\n6. Verweerder heeft evenmin aannemelijk hoeven vinden dat eiser in Iran afvalligheid wordt toegedicht. Uit eisers verklaringen volgt immers dat, ondanks dat eiser bij de ordedienst een “dik dossier” heeft opgebouwd vanwege het niet voldoen aan religieuze verplichtingen, hij geen (verdere) problemen heeft ondervonden van de zijde van de overheid vanwege het niet praktiseren van de islam. Ook stelt verweerder niet ten onrechte dat uit eisers verklaringen niet aannemelijk wordt dat hij zich na terugkeer in Iran anders zal gaan gedragen dan voorheen. Voor zover eiser stelt dat hij zijn kritiek op de islam en het Iraanse regime bij terugkeer niet langer voor zich zal kunnen houden, heeft verweerder dat ongerijmd kunnen vinden nu eiser ook zegt dat hij in Nederland wél terughoudend is bij het uiten van kritiek op het islamitisch geloof, omdat hij anders de openbare orde zou verstoren en omdat hij een rustig leven wil hebben. Uit het verslag van het nader gehoor volgt dat eiser uitdrukkelijk is gevraagd om deze verschillende verklaringen toe te lichten. De rechtbank volgt niet dat op dit punt onvoldoende is doorgevraagd.\n\n7. Verweerder heeft niet hoeven aannemen dat eiser door de Iraanse autoriteiten wordt gezocht, omdat hij in Nederland heeft deelgenomen aan drie demonstraties tegen het Iraanse regime. Eiser betwist niet dat hij een geringe rol had bij de demonstraties. Verweerder stelt dat mede gelet daarop niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn of zullen raken van eisers deelname. De omstandigheid dat eiser oog in oog heeft gestaan met een medewerker van de Iraanse ambassade of dat bij de Iraanse ambassade beveiligingscamera’s hangen, maakt niet dat moet worden aangenomen dat eiser ook daadwerkelijk is geïdentificeerd. Verder stelt verweerder terecht dat de omstandigheid dat een vriend van eiser videobeelden van de demonstratie op social media heeft geplaatst nog niet aannemelijk maakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn. Tot slot volgt uit eisers verklaringen dat zijn familie in Iran tot op heden geen problemen heeft gehad. Ook dit wijst er vooralsnog niet op dat eiser in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat.\n\n8. Uit het door eiser genoemde algemeen ambtsbericht over Iran volgt dat Iraniërs bij terugkeer uit het Westen niet systematisch worden ondervraagd.Dat het risico op ondervraging aanzienlijk is bij terugkeer op basis van een laissez-passer, zoals ook volgt uit de door eiser genoemde uitspraak van het Britse Upper Tribunal, is hier niet van belang omdat eiser in het bezit is van een geldig paspoort.Het is niet aannemelijk geworden dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de asielaanvraag. Voor zover eiser met verwijzing naar het ambtsbericht stelt dat de Iraanse autoriteiten activiteiten van Iraanse burgers in het buitenland monitort, is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers activiteiten in Nederland. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij langer buiten Iran heeft verbleven dan hem zou zijn toegestaan. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de duur van zijn verblijf buiten Iran te vrezen zou hebben voor vervolging of ernstige schade.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 17 september 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nhttps:\u002F\u002Fwww.refworld.org\u002Fcases,GBR_UTIAC,5e53bc644.html\n\n Algemeen ambtsbericht Iran september 2023, pagina 115.\n\n Verslag gehoor aanmeldfase 20 maart 2023, p 4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:14972","2024-09-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.939Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":104,"fullText":105,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":50,"updatedAt":107},"637","ECLI:NL:RBDHA:2024:16119","ecli-nl-rbdha-2024-16119","2024-09-10T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\n Bestuursrecht\n\nzaaknummer: NL23.38792\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n (gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie1,\n\n(gemachtigde: mr. W. Epema).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2006] . Hij heeft op 20 augustus 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 december 2023 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.1.1.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer [A] , mevrouw S. Helmand als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\n1.2.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen en daarna dat uiterlijk op 31 mei 2024 uitspraak wordt gedaan. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens heropend en partijen gevraagd om een schriftelijke reactie. Op 24 juni 2024 heeft de minister een schriftelijke reactie ingediend en op 1 juli 2024 heeft eiser hierop gereageerd. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten. De rechtbank sluit heden, vóór het doen van de uitspraak, het onderzoek.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de asielaanvraag van eiser ongegrond heeft mogen verklaren.\n\n1. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet asielrelaas\n\n4. Eiser heeft asiel gevraagd om de volgende redenen. Zo’n twee weken na de machtsovername van de Taliban hoorde eiser, zijn moeder en zijn broertjes en zusjes op een nacht schoten. De volgende dag ging eiser boodschappen doen voor zijn moeder. Bij terugkomst bleek dat er een huiszoeking was geweest in het huis van eiser. Eiser hoorde van zijn moeder dat er drie mannen waren binnengevallen die alles kapot hadden gegooid. De mannen waren op zoek naar de vader van eiser en vroegen of er wapens in huis waren. Eisers vader was niet thuis. De mannen zeiden dat ze zouden terugkomen, en dat als eisers vader er dan niet zou zijn, zij dan de oudste zoon (eiser) zouden meenemen. Eiser en zijn moeder vermoeden dat de mannen van de Taliban waren en dat zij zochten naar de vader van eiser omdat hij bij het nationale leger werkte. De moeder van eiser heeft toen besloten dat eiser niet meer veilig was en naar zijn oom in [plaats] moest. Hier heeft hij drie á vier dagen verbleven voordat hij Afghanistan verliet. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser voor de Taliban.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nproblemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van vader.\n\n6. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van de vader van eiser acht de minister niet geloofwaardig. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.\n\nGeloofwaardigheid van problemen met de Taliban vanwege werkzaamheden vader\n\nBewijsnood\n\n7. Eiser voert allereerst aan dat de minister ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat hij geen documenten heeft ingediend. Eiser verkeert in bewijsnood. Zijn vader had namelijk thuis geen documenten inzake zijn dienst bij het nationale leger, omdat dit vanwege de algemene situatie in Afghanistan en de houding van de Taliban ten opzichte van overheidsfunctionarissen te risicovol is. Verder bestaat er geen bewijs van de huiszoeking, omdat deze zonder wettelijke grondslag is verricht. De minister stelt ook ten onrechte dat eiser geen pogingen heeft ondernomen om enige bewijsstukken te verkrijgen.\n\n8. De rechtbank oordeelt dat de minister in de beoordeling heeft mogen betrekken dat eiser geen documenten heeft ingediend ter onderbouwing van de gestelde werkzaamheden van zijn vader en dat hij eiser niet heeft hoeven volgen in zijn stelling dat hij in bewijsnood verkeert. De minister heeft in het bestreden besluit het standpunt mogen innemen dat de enkele stelling van eiser dat zijn vader geen documenten over zijn werkzaamheden thuis heeft bewaard gezien de situatie in Afghanistan, onvoldoende is voor het aannemen van bewijsnood omdat niet is gebleken dat eiser - bijvoorbeeld via achtergebleven familieleden - pogingen heeft ondernomen om alsnog documenten te verkrijgen. Op de zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij wel heeft gebeld met familieleden, maar dat het niet is gelukt om documenten te verkrijgen. De rechtbank volgt eiser hierin niet omdat deze stelling op geen\n\nenkele manier is onderbouwd. Op de zitting heeft eiser ook gesteld dat hij wel een verklaring heeft kunnen krijgen, maar dat hij deze niet heeft ingebracht in de procedure omdat het een handgeschreven verklaring betreft zonder bijgaande kopie van het identiteitsbewijs van de opsteller van de verklaring. Nu eiser deze verklaring niet heeft ingebracht, kan deze ook niet worden meegenomen in de beoordeling. De stelling van eiser ten aanzien van het ontbreken van bewijs over de huiszoeking treft geen doel, omdat uit het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen niet blijkt dat de minister aan hem heeft tegengeworpen dat hij geen bewijsstukken heeft ingediend specifiek ten aanzien van de huiszoeking. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nWerkzaamheden vader\n\n9. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat zijn verklaringen over de werkzaamheden van zijn vader voor het leger summier zijn. Eiser wist als kind al dat zijn vader bij het leger werkte, dat zijn vader soldaat is, dat hij geen hoge rang heeft, een wapen draagt en bij de landmacht werkt. Na de machtsovername is eisers vader niet meer thuis gekomen. De huiszoeking bevestigt dat zijn vader in gevaar is en ook eisers moeder en oom bevestigen dit. Gelet op eisers culturele afkomst en zijn leeftijd kan niet van hem worden verwacht om méér te verklaren over de werkzaamheden van zijn vader dan hij heeft gedaan.\n\n10. De rechtbank oordeelt dat de minister het standpunt heeft mogen innemen dat de verklaringen van eiser over de werkzaamheden van zijn vader summier zijn. De minister heeft de verklaring van eiser dat zijn vader als soldaat bij het nationale leger werkte, dat hij donkergroene kleding met een print droeg en dat hij eens in de vier of vijf maanden thuis kwam, onvoldoende mogen vinden. Eiser heeft niet kunnen verklaren welke functie en rang zijn vader had, wat voor werkzaamheden hij moest uitvoeren of in welke periode hij werkzaam was voor het leger. Anders dan eiser in beroep heeft gesteld, heeft hij niet verklaard dat zijn vader bij de landmacht heeft gewerkt, maar heeft hij juist verklaard niet te weten of zijn vader voor de landmacht of de luchtmacht heeft gewerkt.2 De stelling van eiser dat niet van hem mag worden verwacht dat hij meer zou kunnen verklaren over de werkzaamheden van zijn vader vanwege zijn culturele achtergrond, volgt de rechtbank niet, omdat deze stelling niet is onderbouwd. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat niet méér van hem mag worden verwacht gelet op zijn leeftijd ten tijde van zijn vertrek uit Afghanistan. De minister heeft in dat verband van belang mogen vinden dat, voor zover eiser ten tijde van zijn vertrek uit Afghanistan nog weinig wist over de werkzaamheden van zijn vader, van hem mocht worden verwacht hier alsnog navraag over te doen omdat het de kern van zijn asielrelaas betreft. Eiser stelt immers dat de Taliban op zoek was naar zijn vader vanwege de werkzaamheden van zijn vader. Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat hij geen navraag heeft kunnen doen bij familie, omdat zijn familie hierin heel voorzichtig is uit angst dat de Taliban hen afluistert. Eiser heeft in dat verband verwezen naar pagina 44 van het algemeen ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 (hierna: het ambtsbericht 2023). De rechtbank ziet dat in het ambtsbericht 2023 inderdaad staat vermeld dat de Taliban volgens verschillende bronnen aan monitoring doet door het afluisteren van telefoongesprekken met personen die vanuit het buitenland naar hun familieleden in Afghanistan bellen. In zoverre zou deze informatie een onderbouwing kunnen zijn van de gestelde vrees om navraag te doen. Toch kan deze informatie eiser niet helpen, omdat zijn stelling dat hij uit angst voor afluisteren geen navraag heeft durven of kunnen doen of dat\n\n2 Verslag nader gehoor, pagina 15.\n\nzijn familie vanwege deze angst geen antwoorden geeft, haaks staat op zijn andere stelling in het kader van bewijsnood, dat hij juist wel contact heeft gezocht met zijn familie om bewijsstukken te verkrijgen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHuiszoeking\n\n11. Eiser voert vervolgens aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat niet duidelijk is hoe laat en op welke dag de huiszoeking heeft plaatsgevonden. Eiser heeft hierover wel degelijk en voldoende duidelijk verklaard tijdens het nader gehoor.\n\n12. De rechtbank overweegt als volgt. De gemachtigde van de minister heeft deze tegenwerping ter zitting laten vallen. In zoverre slaagt de stelling van eiser. Dit maakt de uitkomst van het besluit echter volgens de gemachtigde van de minister niet anders, omdat dit niet de enige reden is op grond waarvan de gestelde huiszoeking ongeloofwaardig is geacht. De rechtbank volgt de minister hierin. De minister heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen over de huiszoeking summier zijn. Eiser weet niet wie de drie bebaarde, gewapende mannen precies waren, hij weet niet hoe deze mannen wisten wie zijn vader was en ook de verklaring dat de mannen op zoek waren naar zijn vader omdat hij voor het leger werkte, berust slechts op de vermoedens van eiser en van zijn moeder. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet van enig concreet aanknopingspunt voor deze vermoedens. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nNadere problemen \u002F tweede huiszoeking\n\n13. Eiser voert verder aan dat zijn verklaring, dat hij van zijn oom heeft gehoord dat het goed ging met zijn moeder, broertjes en zusjes, zag op hun gezondheidssituatie, maar dat deze verklaring geen betrekking heeft op hun veiligheid. De minister heeft deze verklaring daarom ten onrechte in zijn nadeel meegewogen. Ook voert eiser aan dat het niet klopt dat zijn moeder, broertjes en zusjes veilig zijn, omdat eiser zo’n 3 maanden voor het indienen van de zienswijze met zijn moeder heeft gesproken en zijn moeder heeft verteld dat de mensen van de Taliban nog een keer langs zijn geweest en dat zij hebben gevraagd naar eiser en zijn vader. Eiser heeft dit bij de zienswijze naar voren gebracht. Dat hij dit tijdens het nader gehoor niet naar voren heeft gebracht, is wegens nonchalance van zijn kant.\n\n14. De rechtbank oordeelt dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat zijn verklaring dat het goed ging met zijn moeder, broertjes en zusjes, en ook de omstandigheid dat zij nog op hetzelfde adres wonen, afbreuk doen aan de gestelde vrees voor de Taliban wegens de werkzaamheden van eisers vader. De minister heeft eiser niet hoeven volgen in zijn stelling dat zijn verklaring dat het goed ging met zijn familieleden slechts zag op hun gezondheid. Deze stelling van eiser komt bovendien niet overeen met zijn andere stelling ter zitting dat het een Afghaans cultureel aspect is om te zeggen dat het goed gaat, ook als dat niet zo is.\n\nDe minister heeft verder aan eiser mogen tegenwerpen dat hij tijdens het nader gehoor meerdere malen duidelijk heeft verklaard dat hij niet heeft gevraagd of er nog een keer een huiszoeking is geweest en\u002Fof dat hij niet weet of de mannen nog eens terug zijn gekomen. De minister heeft mogen vinden dat deze verklaringen afbreuk doen aan de gestelde vrees.3 Deze verklaringen van eiser staan daarnaast weer haaks op zijn stelling in de zienswijze, die erop neerkomt dat hij ten tijde van het nader gehoor wél wist dat er een tweede huiszoeking had plaatsgevonden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stellingen in beroep en in de\n\n3 Verslag nader gehoor, pagina 13.\n\nzienswijze dat hij over de tweede huiszoeking ten tijde van het nader gehoor niet heeft verklaard uit nonchalance, omdat hij het door stress vergeten was en\u002Fof gelet op zijn leeftijd. Daarvoor is van belang dat tijdens het nader gehoor meerdere malen expliciet aan eiser is gevraagd of er nog een tweede huiszoeking is geweest en of de mannen nog teruggekomen zijn, dat eiser consequent heeft geantwoord dat hij dit niet weet, dat hij deze verklaringen niet heeft gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen en dat het de kern van zijn asielrelaas betreft. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVerklaringen (gestelde) pleegvader\n\n15. Ter zitting heeft de heer [A] zich voorgesteld als de pleegvader van eiser. Hij heeft inhoudelijke verklaringen gegeven, onder meer dat eiser pas ná het nader gehoor van zijn moeder heeft vernomen dat er een tweede huiszoeking is geweest. De rechtbank zal hier niet op ingaan, omdat de gemachtigde van eiser uitdrukkelijk heeft verzocht om deze verklaringen buiten beschouwing te laten.\n\nVooringenomenheid\n\n16. Eiser voert aan dat hij heeft verzocht om een aanvullend gehoor en een verwijzing naar de verlengde procedure. De minister heeft geen reden om met haast op zijn aanvraag te beslissen en heeft vooringenomen gehandeld.\n\n17. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft zijn stelling dat de minister vooringenomen heeft gehandeld en dat zijn aanvraag in de verlengde procedure had moeten worden behandeld op geen enkele wijze geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarvoor ook geen aanknopingspunten in het dossier. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nZwaarwegendheid\n\n18. Eiser voert tot slot aan dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM in verband met de door hem aangevoerde omstandigheden.\n\n19. Uit rechtsoverweging 7 tot en met 14 blijkt dat de beroepsgronden van eiser ten aanzien van het standpunt van de minister dat het relevante element (2) ongeloofwaardig is, niet slagen. De minister mocht de gestelde problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van zijn vader dus ongeloofwaardig vinden. Op de zitting heeft eiser ter onderbouwing van zijn beroepsgrond over artikel 3 van het EVRM aangevuld dat uit het ambtsbericht blijkt dat vermeende tegenstanders van de Taliban zoals leden van het leger en hun familieleden worden onderworpen aan detentie en machtsmisbruik. Aan beoordeling hiervan kan echter niet worden toegekomen, omdat de minister het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Een zwaarwegendheidsbeoordeling blijft daarom achterwege. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nRisico’s bij terugkeer vanuit Europa\n\n20. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank geconstateerd dat er ontwikkelingen zijn geweest in de rechtspraak over de situatie voor uit Europa terugkerende asielzoekers in Afghanistan na de machtsovername door de Taliban.4 Hoewel eiser niet heeft aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Afghanistan risico loopt wegens zijn verblijf in het Westen, moet de rechtbank nationale procedureregels - zoals de regels over de omvang van het geding - buiten toepassing laten als onmiskenbaar een schending dreigt van artikel 3 van het EVRM.5 De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen over de betekenis van de ontwikkelingen in de rechtspraak voor het beroep van eiser. De rechtbank beoordeelt mede aan de hand daarvan of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die maken dat de nationale procedureregels over de omvang van het geding buiten toepassing moeten worden gelaten ter voorkoming van schending van artikel 3 van het EVRM.\n\n21. In zijn schriftelijke reactie van 24 juni 2024 heeft de minister het standpunt ingenomen dat niet aannemelijk is dat uit Europa terugkerende asielzoekers in Afghanistan enkel vanwege dit verblijf in Europa een risico lopen op ernstige schade. Volgens de minister blijkt uit paragraaf 3.13 van het EUAA-guidance rapport over Afghanistan van januari 2023 (EUAA januari 2023) en uit pagina 148 van het ambtsbericht 2023 dat alleen Afghanen die eerder problemen hebben ondervonden of prominente personen mogelijk een risico lopen bij terugkeer. Verder blijkt volgens de minister uit het EUAA Country Focus rapport over Afghanistan van december 2023 (EUAA december 2023) dat de Taliban zich mild opstelt jegens terugkeerders naar Afghanistan en dat terugkeer mogelijk is.\n\n22. De minister heeft in zijn schriftelijke reactie van 24 juni 2024 tot slot aangevoerd dat er in de periode 2023 en januari tot en met april 2024 in totaal 30 Afghanen met een verblijfsvergunning in Nederland zelfstandig zijn teruggekeerd naar Afghanistan en dat van enkele Afghanen kort na hun terugkeer bekend is geworden dat zij bij aankomst in Afghanistan niet zijn ondervraagd. Verder heeft de minister het standpunt ingenomen dat gelet op de grote aantallen terugkeerders vanuit Afghanistan omringende landen en de omstandigheid dat Afghanistan niet extreem afgesloten is van de buitenwereld, het in de rede had gelegen dat áls er op grote schaal problemen zouden worden ondervonden bij terugkeer, dit bekend zou zijn.\n\n23. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt en overweegt daartoe als volgt. Op 28 februari 20246 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, uitspraak gedaan in een soortgelijke zaak waarbij het beroep gegrond is verklaard. De minister heeft in die zaak eveneens een beroep gedaan op de algemene informatie, zoals weergegeven in rechtsoverweging 21 van deze uitspraak. De rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft samengevat als volgt geoordeeld. Uit de ambtsberichten van maart 2022 en juni 2023 valt af te leiden dat de minister over informatie beschikt dat uit het Westen terugkerende Afghanen\n\n4 Zie onder meer de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 28 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2720 en van zittingsplaats Haarlem van 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5841.\n\n5 Arrest van het EHRM van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494 (Bahaddar) en uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.\n\n6 ECLI:NL:RBDHA:2024:2720.\n\nin de negatieve belangstelling (kunnen) staan van de Taliban. Uit de ambtsberichten blijkt echter ook dat geen of onvoldoende informatie beschikbaar is over de positie in Afghanistan van uit Europa terugkerende asielzoekers na de machtsovername door de Taliban. Het is dus onduidelijk of en in hoeverre het verblijf in het Westen bij terugkeer tot daadwerkelijke problemen leidt met de Taliban en, zo ja, welke problemen dat zijn. De rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft geoordeeld dat de minister deze onduidelijkheid niet heeft weggenomen met verwijzing naar de door hem aangehaalde algemene informatie. Voor wat betreft de verwijzing van de minister naar de passage op pagina 148 van het ambtsbericht 2023 heeft de rechtbank, zittingsplaats Arnhem, overwogen dat deze niet los kan worden gezien van andere passages uit datzelfde ambtsbericht waaruit blijkt dat geen betrouwbare informatie beschikbaar is over de positie van uit Europa terugkerende asielzoekers na de machtsovername door de Taliban. Voor wat betreft de verwijzing van de minister naar het rapport EUAA januari 2023 heeft de rechtbank, zittingsplaats Arnhem, overwogen dat daaraan niet de door de minister gewenste waarde kan worden toegekend nu dit rapport is betrokken in het ambtsbericht 2023, maar in dat ambtsbericht desondanks geconcludeerd is dat geen betrouwbare informatie beschikbaar is over de behandeling door de Taliban van personen die vrijwillig terugkeerden. Tot slot heeft de rechtbank voor wat betreft de verwijzing naar het rapport EUAA december 2023 overwogen dat niet duidelijk is of de in deze bron beschreven houding van de Taliban (ook) ziet op Afghanen die uit het Westen terugkeren, ook omdat specifiek gewezen wordt op terugkeer vanuit omringende (islamitische) landen, zoals Pakistan en Iran. De rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft de minister vervolgens opgedragen om nader onderzoek te doen naar de terugkeerrisico’s, bijvoorbeeld met behulp van UNHCR of door het laten opstellen van een aanvullend ambtsbericht.\n\n24. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het beroep van eiser anders te oordelen dan in de uitspraak van 28 februari 2024 is gedaan omdat zij de overwegingen in deze uitspraak en het oordeel begrijpelijk vindt en volgt. De verwijzing van de minister naar grote aantallen terugkeerders vanuit Afghanistan omringende landen kan hem niet helpen omdat de positie van deze terugkeerders niet zonder meer te vergelijken is met die van uit het Westen terugkerende asielzoekers. De stelling dat enkele Afghanen - die, anders dan eiser, over een verblijfsvergunning in Nederland beschikken - zelfstandig zijn teruggekeerd en bij aankomst niet zijn ondervraagd, is eveneens onvoldoende inzichtelijk en onderbouwd. Het voorgaande betekent dat de minister ook in de zaak van eiser nader onderzoek zal moeten verrichten naar de risico’s in Afghanistan voor de vanuit Europa terugkerende asielzoekers. Zonder dergelijk nader onderzoek kan de rechtbank niet deugdelijk beoordelen of zich in dit geval Bahaddar-omstandigheden voordoen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet gezien het gestelde in overwegingen 20-24 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb worden vernietigd. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag en, als hij zijn standpunt handhaaft dat geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM voor uit Europa terugkerende asielzoekers, dit nader moeten motiveren aan de hand van onderzoek naar de terugkeerrisico’s in Afghanistan voorde uit Europa terugkerende asielzoekers. Daarbij zal hij ook de\n\nontwikkelingen moeten betrekken die zich na de sluiting van het onderzoek in deze zaak hebben voorgedaan\n\n26. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.187,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie van 1 juli 2024, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 5 december 2023;\n\ndraagt de minister op een nieuw besluit te nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 2.187,50,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n10 september 2024\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:16119","2026-07-13T00:28:40.463Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":112,"fullText":113,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":115,"parsedAt":50,"updatedAt":116},"491","ECLI:NL:RBDHA:2024:23056","ecli-nl-rbdha-2024-23056","2024-07-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL23.10591\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1975, van Syrische nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).\n\nInleiding\n\n1. Eiser heeft op 7 april 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. Bij besluit van 3 augustus 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd.\n\n1.2.. Eiser heeft daarop aangegeven het beroep te handhaven.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was H. Aziz aanwezig als tolk in de Arabische taal.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet beroep tegen het niet tijdig beslissen\n\n2. Eiser heeft op 6 oktober 2022 asiel aangevraagd. Hij heeft verweerder op 23 maart 2023 in gebreke gesteld, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. Vervolgens is eiser meer dan twee weken later in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen.\n\n3. Verweerder heeft met een besluit van 3 augustus 2023 de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Verweerder heeft de vergunning verleend met ingang van 6 oktober 2022, geldig tot 6 oktober 2027.\n\n4. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awbheeft het beroep mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. De rechtbank constateert dat niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiser, omdat hij meent dat verweerder ten onrechte 6 oktober 2022 als ingangsdatum hanteert.\n\n5. Nu verweerder (alsnog) een besluit heeft genomen op de asielaanvraag, heeft eiser geen belang meer bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.\n\nHet beroep tegen het alsnog genomen besluit\n\n6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de datum van ondertekening van het M35-H formulier hanteert als ingangsdatum van de aan hem verleende verblijfsvergunning. Hij betoogt dat hij op 7 augustus 2022 in Ter Apel bij het uiten van zijn asielwens een loopbrief heeft gekregen met bevestiging dat is verzocht om asiel, datum en tijd van aankomst en het V-nummer. Deze loopbrief heeft te gelden als bewijs dat eiser een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Bij inwilliging van de aanvraag moet dan ook de datum van de loopbrief de ingangsdatum van zijn verblijfvergunning zijn. Verweerder hanteert ten onrechte als ingangsdatum de datum waarop eiser het M35-H formulier heeft ondertekend, te weten 6 oktober 2022. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst eiser naar artikel 44, tweede lid, van de Vw2000, de Definitierichtlijnen de Opvang- en Procedurerichtlijn. Ook verwijst hij naar verschillende arrestenvan het Hof van Justitie.\n\n7. Verweerder stelt dat niet moet worden uitgegaan van de datum van de loopbrief. Op dat moment was de aanvraag immers nog niet ingediend. Eisers beroep op het arrest Mengesteabkan niet slagen omdat het in dat arrest ging om de uitleg van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening.Verweerder meent dat artikel 6 van de Procedurerichtlijn en artikel 20 van de Dublinverordening van elkaar verschillen; het gaat om twee verschillende procedures die elk hun eigen eisen stellen en met name wat betreft de termijnen aan verschillende regelingen zijn onderworpen. Volgens verweerder is met het uiten van de asielwens en het daarop ontvangen van een loopbrief, nog geen sprake van een asielaanvraag in de zin van artikel 6, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn en artikel 28 van de Vw 2000. Door verweerder wordt er nadrukkelijk op gewezen dat er verschillen in bewoordingen zitten tussen artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening en artikel 6 van de Procedurerichtlijn. Verweerder acht ook van belang dat in artikel 6 van de Procedurerichtlijn verschillende fases worden beschreven tot de asielaanvraag daadwerkelijk is ingediend en dat die in lijn zijn met de nationale procedure.\n\n8. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest Mengesteab, overweging 103, heeft het Hof van Justitie overwogen dat artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek om internationale bescherming wordt geacht te zijn ingediend wanneer een door een overheidsinstantie opgesteld document dat geldt als bewijs dat een derdelander om internationale bescherming heeft verzocht, is ontvangen door de instantie die is belast met de uitvoering van de verplichtingen die uit genoemde verordening voortvloeien en in voorkomend geval ook wanneer alleen de belangrijkste inlichtingen in een dergelijk document, maar niet het document zelf of een afschrift daarvan, door die instantie zijn ontvangen.\n\n9. In haar uitspraak van 21 september 2023 heeft de Afdelinggeoordeeld dat een loopbrief kan worden beschouwd als een door een overheidsinstantie opgesteld document dat als bewijs geldt dat een vreemdeling om internationale bescherming heeft verzocht.Omdat een loopbrief wordt afgegeven bij de aanmeldbalie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), is de instantie die belast is met de uitvoering van de verplichtingen die uit de Dublinverordening voortvloeien, te weten de IND, hiermee langs die weg bekend. Dit betekent dat een vreemdeling ten tijde van de afgifte van een loopbrief geacht wordt een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening te hebben ingediend.\n\n10. Tussen partijen is niet in geschil dat het moment van de indiening van de asielaanvraag leidend is voor de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De zaak draait om de vraag wanneer de asielaanvraag moet worden geacht te zijn ingediend.\n\n11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn verzoek om internationale bescherming gedaan op 7 augustus 2022 en dat is, getuige de loopbrief die eiser ter bevestiging hiervan heeft ontvangen, diezelfde dag geregistreerd. Door de Afdeling is in de uitspraak van 21 september 2023 geoordeeld dat een loopbrief kan worden beschouwd als een door een overheidsinstantie opgesteld document dat als bewijs geldt dat een vreemdeling om internationale bescherming heeft verzocht als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening.\n\n12. Anders dan verweerder ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat dit voor een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 6 van de Procedurerichtlijn anders zou zijn. Daartoe overweegt de rechtbank dat in de Engelstalige versie van zowel artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening als artikel 6, derde en vierde lid, van de Procedurerichtlijn wordt gesproken over “lodge” als het gaat om de indiening van een verzoek om internationale bescherming. Ook wordt er zowel in artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening als artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn gesproken over een “report”. De rechtbank ziet geen reden om te concluderen dat aan het in artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn genoemde “report” een andere betekenis moet worden toegekend dan aan het “report” zoals omschreven in artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening, temeer daar de Dublinverordening en de Procedurerichtlijn regelingen zijn die beide deel uitmaken van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel.\n\n13. Anders dan de Nederlandse vertaling van artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn doet vermoeden, is niet vereist dat in het nationale recht is voorgeschrevendat het verzoek om internationale bescherming met een officieel rapport kan worden ingediend. Uit zowel de Engelse tekst van dit artikel als uit het arrest Mengesteab, overweging 101, volgt dat artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn verschilt van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening omdat in artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn enkel rekening kan worden gehouden met een door de autoriteiten opgesteld document als het nationale recht daarinvoorziet. Naar het oordeel van de rechtbank voorziet het nationale recht in deze mogelijkheid. Dat licht de rechtbank hierna toe.\n\n14. Uit de hierboven aangehaalde uitspraak van de Afdeling volgt dat een “report”, in dit geval de loopbrief, geldt als bewijs van het doen van een verzoek om internationale bescherming en dat de vreemdeling daarmee geacht wordt een verzoek om internationale bescherming te hebben ingediend. Zoals hierboven is overwogen, wordt een loopbrief afgegeven bij de aanmeldbalie van de IND. De IND is aldus bekend met het verzoek. De IND is de instantie die belast is met de beoordeling van asielaanvragen. De Awb bepaalt in artikel 1:3 dat een aanvraag wordt gedefinieerd als het verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Het nationale recht voorziet in de mogelijkheid een incomplete aanvraag in te dienen die op een later moment wordt aangevuld, in welk geval de datum van de incomplete aanvraag geldt als aanvraagdatum. De rechtbank ziet zich in dat oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2018.\n\n15. De rechtbank overweegt verder dat in artikel 6, tweede lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat een persoon die een asielverzoek heeft ingediend daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om het asielverzoek zo snel mogelijkin te dienen. In de zaak van eiser zit er twee maanden tussen het uiten van de asielwens en het ondertekenen van het M35-H formulier. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet zo snel als mogelijk. Dat er in de zomer van 2023 problemen waren in Ter Apel doet daar niet aan af. Die problemen zijn het gevolg van beslissingen genomen door verweerder en de rechtbank ziet niet in waarom dat voor rekening van eiser moet komen. Eiser heeft in dit kader op de zitting onbetwist gesteld dat een groep asielzoekers, die twee dagen na hem in Ter Apel zijn aangekomen, binnen twee dagen in de gelegenheid werden gesteld om het M35-H formulier in te vullen en hij pas twee maanden later aan de beurt was. Daaruit blijkt dat het in de praktijk en in de periode dat eiser zijn asielaanvraag had ingediend, het wel degelijk mogelijk was om asielzoekers zo snel mogelijk in de gelegenheid te stellen om het M35-H formulier in te vullen.\n\n16. De rechtbank is verder van oordeel dat – als verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt – het bijzonder onwenselijk en onredelijk is dat verweerder invloed heeft op de ingangsdatum van een verblijfsvergunning en op de startdatum van de beslistermijn. Verweerder bepaalt immers wanneer een asielzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om het M35-H formulier in te vullen en te ondertekenen. Daarnaast heeft verweerder geen inzicht gegeven welk belang wordt gediend met een werkwijze waarbij niet wordt uitgegaan van de datum van de loopbrief.\n\n17. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het verzoek om internationale bescherming dat eiser heeft geuit op 7 augustus 2022 moet worden aangemerkt als aanvraag die eiser heeft aangevuld op 6 oktober 2022 met de ondertekening van het M35-H formulier. Verweerder is bij de inwilliging van eisers asielaanvraag ten onrechte uitgegaan van 6 oktober 2022 als ingangsdatum van de verblijfsvergunning. Het beroep is gegrond. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking meer.\n\n18. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het betreft de ingangsdatum van de verleende vergunning. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb omdat slechts een uitkomst mogelijk is en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het alsnog genomen besluit. De rechtbank bepaalt dat de aan eiser verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als ingangsdatum 7 augustus 2022 heeft, de datum dat de asielwens van eiser is geregistreerd door verweerder en aan hem een loopbrief is afgegeven. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning loopt dus van 7 augustus 2022 tot 7 augustus 2027.\n\n19. Verder veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;\n\nverklaart het beroep, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit, gegrond;\n\nvernietigt het alsnog genomen besluit voor zover dat ziet op de ingangsdatum van de verblijfsvergunning;\n\nbepaalt dat de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van 7 augustus 2022, geldig tot 7 augustus 2027;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde gedeelte van het alsnog genomen besluit; en,\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten van eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.P.W. Kwakman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Algemene wet bestuursrecht\n\n Vreemdelingenwet\n\n Richtlijn (EU) 2004\u002F83.\n\n Richtlijn (EU) 2013\u002F33 en Richtlijn (EU) 2013\u002F32.\n\n Arrest van 26 juli 2017, ECLI:EU:C:2017:587, arrest van 12 april 2018, ECLI:EU:C:2018:248 en arrest van 1 augustus 2022, ECLI:EU:C:2022:618.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie\n\n ECLI:EU:C:2017:587.\n\n Verordening (EU) 604\u002F2013.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:3569.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:2098.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23056","2025-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.168Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":121,"fullText":122,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":124,"parsedAt":50,"updatedAt":125},"1469","ECLI:NL:RBDHA:2024:10324","ecli-nl-rbdha-2024-10324","2024-06-26T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.16219, NL24.16221, NL24.16228 en NL24.16232\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1],\n\nV-nummer: [V-nummer 1]\n\n [eiser 2],\n\nV-nummer: [V-nummer 2]\n\n [eiser 3], V-nummer: [V-nummer 3]\n\n [eiser 4],\n\nV-nummer: [V-nummer 4]\n\nsamen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. F.W. Verweij),\n\nen\n\nde Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op hun afzonderlijke aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: de aanvragen).\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.¹\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.²\n\n1. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:12 van de Awb.\n\n3. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023\u002F3 van kracht.³ Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. Eisers betwisten dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eisers vinden daarom dat verweerder met de WBV 2023\u002F3 de beslistermijn niet geldig heeft verlengd en dat zij verweerder niet prematuur in gebreke hebben gesteld. Eisers verzoeken de rechtbank om de beroepen gegrond te verklaren, verweerder op te dragen alsnog een besluit te nemen en hier een rechterlijke dwangsom aan te verbinden.\n\n4. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank verwijst voor de motivering naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 februari 2024.⁴ Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de inwerkingtreding van WBV 2023\u002F3 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eisers hebben op 5 augustus 2023 hun asielaanvragen ingediend. De asielaanvragen van eisers vallen dus onder het toepassingsbereik van de WBV 2023\u002F3. Dit betekent dat de beslistermijn in hun zaken met negen maanden is verlengd en verweerder uiterlijk op 5 november 2024 op de aanvragen moet beslissen. De ingebrekestelling van 17 februari 2024 is hierdoor te vroeg ingediend. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep op grond van het niet tijdig beslissen door verweerder, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n5. De beroepen zijn niet-ontvankelijk.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Kampschuur, griffier.\n\n3 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.\n\n4 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n26 juni 2024\n\nDocumentcode: [documentcode]\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:10324","2024-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.538Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":130,"fullText":131,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":133,"parsedAt":50,"updatedAt":134},"403","ECLI:NL:RBDHA:2024:9309","ecli-nl-rbdha-2024-9309","2024-06-10T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL24.11349\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser 1], met V-nummer: [V-nummer],[eiser 2], met V-nummer: [V-nummer]. hierna gezamenlijk: eisers\n\n(gemachtigde: mr. S. Thelosen) en\n\nde Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2\n\n3. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023\u002F3 van kracht.3 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. Eisers betwisten dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eisers vinden daarom dat verweerder met de WBV 2023\u002F3 de beslistermijn niet geldig heeft verlengd en dat zij verweerder niet prematuur in gebreke hebben gesteld. Eisers verzoeken de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, verweerder\n\n1. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:12 van de Awb.\n\n3 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.\n\nop te dragen alsnog een besluit te nemen en hieraan een rechterlijke dwangsom te verbinden.\n\n4. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank verwijst voor de motivering naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 februari 2024.4 Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de inwerkingtreding van de WBV 2023\u002F3 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n5. Eisers hebben op 24 augustus 2023 hun asielaanvraag ingediend. De asielaanvragen van eisers vallen dus onder het toepassingsbereik van de WBV 2023\u002F3. Dit betekent dat de beslistermijn in hun zaak met negen maanden is verlengd en verweerder uiterlijk op 24 november 2024 op de aanvragen moet beslissen. De ingebrekestelling van 27 februari 2024, door verweerder ontvangen op 28 februari 2024, is hierdoor te vroeg ingediend. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep op grond van het niet tijdig beslissen door verweerder, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nHeeft verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurd?\n\n7. Eisers hebben op grond van artikel 8:55c van de Awb gevraagd dat de rechtbank de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom (de bestuurlijke dwangsom) vaststelt.\n\n8. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is voor het vaststellen van een verbeurde bestuurlijke dwangsom geen plaats. Daar komt het volgende bij. In de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb staat dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen aan een betrokkene als het bestuursorgaan niet op tijd een beslissing neemt. Sinds 11 juli 2021 geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet), waarin is bepaald dat deze artikelen niet van toepassing zijn als het gaat om een besluit op een asielaanvraag voor bepaalde tijd. Verweerder hoefde dus geen bestuurlijke dwangsommen meer te betalen als hij te laat beslist in dat soort zaken. De vraag ontstond of dit in strijd was met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 30 november 20225 is geoordeeld dat het opschorten van de bestuurlijke dwangsom geen strijd oplevert met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Daarmee staat vast dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd als hij te laat beslist op een asielaanvraag voor bepaalde tijd.\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\n4 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.\n\n5 ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n10 juni 2024\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9309","2024-06-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.013Z",{"id":136,"ecli":137,"slug":138,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":130,"fullText":139,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":140,"sourceTimestamp":141,"parsedAt":50,"updatedAt":142},"402","ECLI:NL:RBDHA:2024:9731","ecli-nl-rbdha-2024-9731","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.15224\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun), en\n\nde Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).\n\nOverwegingen\n\nDe rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1\n\nAls een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2\n\n3. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023\u002F3 van kracht.3 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf\n\n1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. Eiser betwist dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser vindt daarom dat verweerder met de WBV 2023\u002F3 de beslistermijn niet geldig heeft verlengd en dat hij verweerder niet prematuur in gebreke heeft gesteld. Eiser verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, verweerder op te dragen alsnog een besluit te\n\n1. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:12 van de Awb.\n\n3 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.\n\nnemen en hier een rechterlijke dwangsom aan te verbinden.\n\n4. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank verwijst voor de motivering naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 februari 2024.4 Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de inwerkingtreding van WBV 2023\u002F3 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser heeft op 5 september 2023 zijn asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag van eiser valt dus onder het toepassingsbereik van de WBV 2023\u002F3. Dit betekent dat de beslistermijn in zijn zaak met negen maanden is verlengd en verweerder uiterlijk op 5 december 2024 op de aanvraag moet beslissen. De ingebrekestelling van 21 maart 2024 is hierdoor te vroeg ingediend. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep op grond van het niet tijdig beslissen door verweerder, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van D.D. Bijlhout, griffier.\n\n4 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n10 juni 2024\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9731","2024-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.980Z",20,[145,146,11],2026,2025]