[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-benefits-scandal-compensation-nl-2024":3},{"detail":4,"years":81},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":21,"page":14,"limit":80},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},121,"benefits-scandal-compensation-nl","Benefits Scandal Compensation","NL","2026-07-08T16:57:27.980Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,62,71],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"541","ECLI:NL:RBAMS:2024:7167","ecli-nl-rbams-2024-7167","",56,"2024-11-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F170\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [plaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigde: W.L.J. van de Griendt).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om zijn private schulden over te nemen.\n\n1.1.. De Sociale Banken Nederland (SBN) heeft deze aanvraag namens verweerder met een besluit van 26 januari 2023 (het primaire besluit) afgewezen op grond van het Besluit betalen private schulden (het Besluit). Met een besluit van 28 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 28 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen zijn beroep op de hardheidsclausule nader te onderbouwen en de door hem gestelde bijzondere omstandigheden en schrijnende situatie goed te schetsen, zoveel als mogelijk onderbouwd met stukken.\n\n1.5.. Eiser heeft bij brief van 14 mei 2024 zijn huidige situatie en zijn situatie ten tijde van het bestreden besluit toegelicht, als ook hoe deze situatie is ontstaan. De rechtbank heeft verweerder vervolgens in de gelegenheid gesteld op deze brief te reageren en tevens te reageren op het ter zitting gedane beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel.\n\n1.6.. Bij brief van 19 juni 2024 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hierop een nadere reactie te geven.\n\n1.7.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n2.1.. Eiser is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft een lening afgesloten bij familieleden voor een initiële hoofdsom van € 100.000,-. Daarbij zijn de woningen van eiser aan de [adres 1] [huisnummer 1] en de [adres 2] [huisnummer 2] te [woonplaats] als onderpand gebruikt. De schuldeiser [naam schuldeisers] heeft een pandrecht en een hypotheekrecht op deze woningen gevestigd.2.2.. Eiser heeft zich middels een formulier en daarbij gevoegde schuldenlijst op 15 september 2022 aangemeld om in aanmerking te komen voor overname van zijn private geldschulden door de SBN. Eiser heeft daarbij onder meer opgegeven dat hij op zijn schuld bij [naam schuldeisers] een opeisbare betalingsachterstand heeft van € 94.954,36.\n\n2.3.. De SBN heeft het verzoek namens de Dienst Toeslagen met het primaire besluit afgewezen op grond van het Besluit. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de schulden van eiser van € 111.899,84 en € 3.319,22 bij GGN Incasso overgenomen. Ten aanzien van eisers schuld bij [naam schuldeisers] is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verweerder geeft hiervoor als reden dat op grond van artikel 4.1, vierde lid en onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) een hypothecaire schuld niet kan worden overgenomen, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op een verhypothekeerde zaak. Niet is gebleken dat eiser de woningen heeft verkocht, er is namelijk enkel beslag gelegd op de huurinkomsten. De schuld valt daarom buiten de reikwijdte van de Wht.Beoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om eisers schuld bij [naam schuldeisers] over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWettelijk kader\n\n5. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op grond van de Wht. Per 2 november 2022 is het Besluit verankerd in afdeling 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen. Deze afdeling heeft terugwerkende kracht tot en met 29 oktober 2021. Besluiten vanaf dan over het al dan niet overnemen van private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen, worden aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 4.1 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht. De vereisten die de Wht stelt voor het overnemen en het betalen van private schulden zijn dezelfde vereisten die het Besluit stelde.\n\nBeroep op het evenredigheidsbeginsel\n\n6. Op de zitting is besproken dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers schuld bij [naam schuldeisers] een schuld betreft die is ontstaan na 31 december 2005 en vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Evenmin is in geschil dat eiser deze schuld op het tijdstip van de aanvraag nog niet had voldaan.Verweerder heeft eisers verzoek tot overname van deze private schuld afgewezen, omdat deze schuld de resterende hoofdsom betreft van een hypothecaire lening en geen sprake is van een restschuld na verkoop of verhaal op de verhypothekeerde zaak.Alleen in een dergelijk geval komt een hypothecaire schuld voor overname in aanmerking.\n\n7. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat de harde eis in Wht-zaken met betrekking tot de hypothecaire lening niet evenredig is. De regelgeving pakt (in dit geval) hard uit, nu de schuld al vóór 2009 is opgebouwd. De hypotheek is op de panden gevestigd en er is beslag gelegd, waardoor eiser ook heeft geprobeerd aan zijn verplichtingen te voldoen.\n\n8. Vervolgens is op de zitting besproken of met de hypotheek zoals deze op de panden van eiser gevestigd is, sprake is van een hypotheekschuld zoals de wetgever die in de Wht van overname heeft willen uitzonderen. In dit geval is immers geen sprake van een traditionele hypotheekschuld, waarbij geld is geleend bij een bank ter financiering van een woning. Maar van een hypotheek die als zekerheid is gesteld voor een reeds bestaande lening.\n\n9. Verweerder heeft zich in zijn reactie van 19 juni 2024 op het standpunt gesteld dat de cumulatieve voorwaarden voor de overname van private schulden in de Wht dwingend geformuleerd zijn. Volgens verweerder staat het toetsingsverbod uit artikel 120 van de Grondwet er dan ook aan in de weg dat de bestuursrechter deze bepaling toetst aan het evenredigheidsbeginsel, of andere algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht. Uit de rechtspraakvolgt dat er aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere\n\nomstandigheden, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van\n\nde wetgever. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of ander (ongeschreven) recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. In dit geval kan de lening niet anders worden gekwalificeerd dan als een hypothecaire schuld; er is immers sprake van een lening en een vestiging van een pand- en hypotheekrecht op de woningen van eiser. Uit de Memorie van Toelichting van de Wht volgt volgens verweerder dat de wetgever uitvoerig heeft stilgestaan bij het recht van een hypotheek. Dat de lening niet is aangegaan ten behoeve van de koop van een registergoed maakt dat volgens verweerder niet anders, aangezien het doel waarmee de lening is aangegaan er niet toe doet.\n\n10. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Weliswaar is duidelijk dat de schuld waarvan eiser overname verzocht heeft, een hypothecaire schuld betreft. Naar het oordeel van de rechtbank volgt, anders dan de door verweerder aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden Nederland, uit de totstandkomingsgeschiedenis echter niet dat de wetgever een situatie als die van eiser heeft voorzien noch heeft beoogd ook deze situatie te regelen. In de Memorie van Toelichting is ten aanzien van artikel 4.1, vierde lid, van de Wht namelijk enkel opgenomen dat daarin is bepaald welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen en dat enkel de geldschuld genoemd onder c van dit artikel een toelichting behoeft.Voor zover verweerder heeft willen verwijzen naar de algemene toelichting op de geldschulden die onder de Wht worden overgenomen,volgt daaruit evenmin dat de wetgever rekening heeft gehouden met een hypothecaire schuld zoals in deze zaak aan de orde is. In de kamerstukken is slechts de navolgende passage terug te vinden:\n\n“Bij hypothecaire leningen kan het voorkomen dat na meerdere niet betaalde maandelijkse termijnen de hoofdsom van de lening opeisbaar wordt. In die situatie wordt onderscheid gemaakt tussen de opeisbare achterstallige betalingen enerzijds en de hoofdsom anderzijds. De opeisbare achterstallige betalingen worden overgenomen, maar de opeisbare hoofdsom niet. De gedupeerde ouder blijft dus in principe schuldenaar van de resterende hoofdsom van de hypothecaire lening. De gedupeerde ouder of zijn toeslagpartner kan het maandelijkse rente- en aflossingsbedrag weer gaan betalen en zo de hypotheek verder aflossen. Een uitzondering hierop is als het gaat om een restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. In deze gevallen wordt ook de hoofdsom vergoed.\n\n11. Hieruit volgt dat de onderhavige situatie, namelijk dat de hypotheekschuld die nietis aangegaan voor de aanschaf van een onroerend goed, in de wetsgeschiedenis niet expliciet is besproken en is meegenomen in de overwegingen van de wetgever. De rechtbank gaat er vanuit dat de wetgever bij het uitsluiten van de hypothecaire lening uitsluitend het oog had op de hypothecaire lening ten behoeve van de aanschaf van een woning en niet het vestigen van een hypotheekrecht op een al bestaande lening die was aangegaan voor een andere bestemming. In deze casus is aldus sprake van bijzondere omstandigheden, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Er is ruimte voor een evenredigheidstoets.\n\n12. Alvorens daar nader op in te gaan merkt de rechtbank op dat uit de toelichting wel blijkt dat de uitsluitingsgrond hypothecaire schuld in ieder geval niet ziet op opeisbare achterstallige betalingen in het kader van een hypothecaire lening. Deze dienen ook bij een hypothecaire lening te worden overgenomen. De rechtbank stelt vast dat eiser daar niets over heeft gesteld. Alhoewel het hier een beslissing op aanvraag betreft is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van het meer responsieve bestuursrecht en de vergewisplicht van artikel 3:2 Awbhier bij eiser navraag naar had moeten doen. Dit klemt te meer nu verweerder zelf de veroorzaker is van de situatie waarin eiser terecht is gekomen.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van dusdanig bijzondere omstandigheden dat toepassing van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht in dit geval buiten toepassing moet blijven. De onderhavige situatie sluit meer aan bij de situatie waarbij een private geldlening is vastgelegd via een notariële akte in de vorm van een hypotheekakte, waardoor in feite sprake is van de situatie van artikel 4.1, derde lid, onder a, van de Wht. Gezien de eigen rol van verweerder bij het ontstaan van de financiële problemen van gedupeerden en het doel van de herstelwetgeving toeslagenaffaire -zoveel mogelijk kansen bieden op een nieuwe start voor gedupeerden- dient bij de uitleg van onduidelijkheden in de wetgeving en\u002Fof toepassing van het evenredigheidsbeginsel uit te worden gegaan van zoveel mogelijk bescherming van gedupeerden.\n\n14. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verweerder de schuld bij [naam schuldeisers] dient over te nemen nu het hier een middels notariële actie vastgelegde schuld betreft. De rechtbank merkt daarbij op dat de opeisbaarheid van deze schuld niet is betwist. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien.\n\nBeroep op de hardheidsclausule\n\n12. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank niet toe aan een oordeel over het beroep op de hardheidsclausule.\n\nVerzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn\n\n13. Eiser verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, gerekend vanaf de termijn van ontvangst van het bezwaarschrift op 2 februari 2023 tot aan deze uitspraak.\n\n14. Volgens vaste rechtspraakmag in procedures als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepsprocedure, de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank hoogstens anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er omstandigheden zijn die een langere behandelduur rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank moet beoordelen op welke manier de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan of, als de overschrijding van de termijn heeft plaatsgevonden in beroep, ten laste van de Staat der Nederlanden (de Staat).\n\n15. De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.\n\n16. In dit geval heeft eiser op 2 februari 2023 een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op 28 november 2023. De bezwaarfase heeft daarmee bijna 10 maanden geduurd. De rechtbank doet op 25 november 2024 uitspraak in deze zaak. Dit betekent dat de bezwaar- en beroepsprocedure in totaal één jaar en bijna tien maanden heeft geduurd. Daarmee is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Eiser komt dan ook niet voor immateriële schadevergoeding in aanmerking.Conclusie en gevolgen\n\n17. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de schuld aan [naam schuldeisers] dient te worden overgenomen omdat deze schuld gelijk is te stellen aan een schuld die is vastgelegd middels een notariële akte.\n\n18. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij bepaalt dat eisers schuld bij [naam schuldeisers] wel voor overname in aanmerking komt.\n\n19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.\n\n20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.998,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- herroept het primaire besluit voor zover daarbij is beslist dat de schuld bij [naam schuldeisers] niet voor overname in aanmerking komt omdat sprake is van een hypothecaire lening, bepaalt dat deze schuld wel voor overname in aanmerking komt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Galjee-Melehi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zoals bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.\n\n Zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht.\n\n De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van\n\n Verweerder verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6687.\n\n TK, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 130.\n\n Idem, zie p. 44-45.\n\n Idem, p. 45.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:925.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:369.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7167","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.881Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"1835","ECLI:NL:RBDHA:2024:17372","ecli-nl-rbdha-2024-17372",58,"2024-11-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F8627\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. C.L. Mens),\n\nen\n\nde Dienst Toeslagen, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. I. Kayhan en mr. W.E. Louwerse).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende compensatie voor het jaar 2007 en de weigering van verweerder om compensatie toe te kennen voor de jaren 2010 en 2015.\n\n1.1.. \n\nVerweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 3 augustus 2022 het verzoek om compensatie toegewezen voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 en afgewezen voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015. In het besluit van\n\n29 september 2022 is het compensatiebedrag herzien en in het bestreden besluit van\n\n22 november 2023 is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiseres ten aanzien van de jaren 2007 en 2011.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft zich op 6 januari 2021 bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 tot en met 2017. Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek uitgebreid naar de jaren 2006 tot en met 2017.\n\n3. Verweerder heeft onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor compensatie en geconcludeerd dat eiseres recht heeft op compensatie voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017. Voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015 komt eiseres niet in aanmerking voor toepassing van de compensatieregeling of de hardheidscompensatie.\n\n4. Verweerder heeft advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen (CvW). De CvW heeft in haar advies van 18 juli 2022 bevestigd dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015.\n\n5. Bij besluit van 3 augustus 2022 heeft verweerder de compensatie voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 definitief vastgesteld op een bedrag van\n\n€ 141.397.\n\n6. Bij afzonderlijke besluiten van 3 augustus 2022 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de CvW, het verzoek van eiseres om compensatie voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015 afgewezen.\n\n7. Bij besluit van 29 september 2022 heeft verweerder het compensatiebedrag voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 herzien en verhoogd tot een bedrag van € 162.949. Het herziene compensatiebedrag bestaat uit € 32.152 aan door eiseres terugbetaalde kinderopvangtoeslag, € 41.933 aan materiële schade, € 4.481 aan door eiseres betaalde rente en kosten, € 13.662 voor de juridische kosten, € 15.500 aan immateriële schade en € 53.607 aan rente over de gemiste kinderopvangtoeslag. Ook heeft eiseres een aanvullende vergoeding van 1% van het totaalbedrag ontvangen van € 1.614.\n\n8. In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC), gegrond verklaard voor wat betreft\n\nde jaren 2007 en 2011 en voor het overige zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het compensatiebedrag is daarbij verhoogd tot een bedrag van € 176.027 en eiseres heeft een nabetaling ontvangen van € 13.078.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n9. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de rentevergoeding voor het jaar 2007 en vindt dat zij ook voor de jaren 2010 en 2015 in aanmerking dient te komen voor compensatie. Met betrekking tot het jaar 2010 voert eiseres primair aan dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld, omdat zij destijds onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat zij voor het hele jaar recht had op kinderopvangtoeslag. Subsidiair voert eiseres aan dat de hardheidsregeling van toepassing is, omdat de neerwaartse correctie gebaseerd is op een formele tekortkoming die vanwege het verstrijken van de herzieningstermijn niet meer kan worden hersteld. Met betrekking tot het jaar 2015 voert eiseres aan dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld, omdat het voorschot kinderopvangtoeslag te laat is vastgesteld. Eiseres stelt daarnaast dat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nWat vindt verweerder in beroep?\n\n10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding voor het jaar 2007 juist is berekend. Eiseres heeft geen recht op compensatie voor de jaren 2010 en 2015, omdat niet is gebleken dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld dan wel dat sprake is geweest van hardheid van het wettelijk stelsel. Van schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens verweerder geen sprake.\n\nWat is het toetsingskader?\n\n11. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie (Wht) volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór\n\n23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.\n\n12. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Whtworden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken;\n\n(5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.\n\n13. Uit de memorie van toelichting bij de Wht blijkt dat sprake is van hardheid van het stelsel als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:\n\n- een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;\n\n- een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of\n\n- een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van verweerder de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.\n\nEr is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als:\n\n- de belanghebbende te kwader trouw is;\n\n- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar;\n\n- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.\n\nVerder blijkt uit de toelichting dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling.\n\nHet advies van de CvW\n\n14. Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek om compensatie voor de jaren 2010 en 2015 gebaseerd op het advies van de CvW. Het advies van de CvW is een deskundigenadvies als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechtermag een bestuursorgaan afgaan op een door een deskundige uitgebracht advies, nadat het bestuursorgaan is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.\n\n15. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om het advies van de CvW onjuist te achten. Naar het oordeel van de rechtbank is het advies op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk gemotiveerd en navolgbaar. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd, geen concrete aanknopingspunten die twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop, rechtvaardigen. Verweerder heeft het oordeel van de CvW dan ook bij zijn besluitvorming mogen betrekken.\n\nHet jaar 2007\n\n16. Uit de herziene berekening van het compensatiebedrag volgt dat component B in het voordeel van eiseres is gewijzigd van € 362 naar € 155. Het gevolg van die wijziging is een verschil van € 207 ten opzichte van het eerder vastgestelde bedrag van € 5.254 onder component E. Eiseres heeft daarom een nabetaling van verweerder ontvangen van € 207. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat verweerder de rentevergoeding over de nabetaling van € 207 heeft berekend tot aan de datum van het bestreden besluit, met als gevolg dat de eerder aan eiseres toegekende rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag is verhoogd van € 3.024 naar € 3.142. Eiseres heeft daarom een nadere rentevergoeding ontvangen van € 118. Eiseres stelt echter dat verweerder de nadere rentevergoeding had moeten berekenen over het nieuw vastgestelde bedrag van € 5.461 als vermeld onder component E en dus niet over de nabetaling van € 207. Verweerder is het daar niet mee eens, omdat eiseres over het eerdere bedrag van € 5.254 al een rentevergoeding heeft ontvangen van € 3.024.\n\n17. Uit artikel 2.2, onderdeel g, in samenhang met artikel 2.3, zevende lid, van de Wht, volgt dat een rentevergoeding alleen verschuldigd is over uit te betalen bedragen. De rentevergoeding is namelijk bedoeld om de schade van een te late betaling van misgelopen kinderopvangtoeslag te vergoeden. Vaststaat dat eiseres over het bedrag van € 5.254 al een rentevergoeding heeft ontvangen van € 3.024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de nadere rentevergoeding van € 118 dan ook terecht berekend over de nabetaling van € 207. De rechtbank ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat verweerder de rentevergoeding op onjuiste wijze heeft berekend.\n\n18. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende toegelicht waarom hij in zoverre is afgeweken van het advies van de BAC. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in zoverre dan ook voldoende gemotiveerd.\n\nHet jaar 2010\n\n19. Met dagtekening 5 december 2009 is aan eiseres voor het jaar 2010 een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend van € 21.798. Hierop wordt het voorschot twee keer herzien, laatstelijk met dagtekening 2 juni 2010 tot € 6.513. Om te kunnen vaststellen op welk bedrag eiseres daadwerkelijk recht had, heeft verweerder eiseres na afloop van het jaar 2010 een antwoordformulier gestuurd en verzocht om een overzicht te verstrekken van de daadwerkelijk afgenomen opvanguren en gemaakte kinderopvangkosten over het jaar 2010.\n\nVerweerder heeft met dagtekening 30 november 2011 van eiseres het antwoordformulier en een jaaropgave van kinderopvang [bedrijf] ontvangen. Uit die jaaropgave volgt dat de beide kinderen van eiseres in de periode tot en met 29 september 2010 naar de opvang zijn geweest. Bij brief van 4 maart 2013 heeft verweerder eiseres om aanvullende informatie gevraagd en op 12 juni 2013 heeft verweerder een herinnering verstuurd. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres op die brieven heeft gereageerd. De kinderopvangtoeslag is vervolgens, conform de ingestuurde jaaropgave, op 13 november 2013 definitief vastgesteld op een bedrag van € 3.936, waardoor eiseres een bedrag van € 2.577 moest terugbetalen. Eiseres is daartegen niet tijdig in bezwaar gegaan, met als gevolg dat het bezwaar op\n\n21 januari 2014 niet-ontvankelijk is verklaard. In die bezwaarprocedure heeft eiseres overigens geen nieuwe stukken ingediend. Wel heeft zij opnieuw de eerder ingestuurde jaaropgave van kinderopvang [bedrijf] overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze gang van zaken niet dat voor het jaar 2010 is voldaan aan (één van) de in overweging 12 genoemde kenmerken die duiden op institutioneel vooringenomen handelen door verweerder. Uit het voorgaande volgt bovendien dat verweerder wel degelijk nadere informatie heeft uitgevraagd bij eiseres en dat eiseres ten minste tweemaal in de gelegenheid is gesteld om haar recht op kinderopvangtoeslag aan te tonen. Onder die omstandigheden ligt het in de rede dat verweerder uitgaat van de juistheid van de jaaropgave die hem is verstrekt. Dat het voor eiseres niet duidelijk was welke informatie zij nog diende te overleggen, is geen omstandigheid die duidt op vooringenomen handelen van verweerder als bedoeld in overweging 12. Daar komt bij dat eiseres in het bezwaarschrift van\n\n17 december 2013 heeft aangegeven niet over andere gegevens te beschikken, zodat verweerder ook toen geen reden had om aan de volledigheid van de aangeleverde informatie te twijfelen.\n\n20. Voor zover eiseres stelt dat uit de door haar in bezwaar overgelegde stukkenvolgt dat haar kinderen wel degelijk gedurende het hele jaar naar de opvang zijn geweest en dat de definitieve vaststelling van 13 november 2013 dus niet juist is, leidt dat niet tot een ander oordeel. Verweerder is immers pas in de huidige bezwaarprocedure bekend geraakt met die stukken, zodat niet de conclusie kan worden getrokken dat verweerder ten aanzien van eiseres in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag vooringenomen heeft gehandeld. Daar komt bij dat eiseres in deze procedure de rechtmatigheid van het besluit van 13 november 2013 niet aan de bestuursrechter kan voorleggen, omdat die beschikking in rechte vaststaat en formele rechtskracht heeft gekregen. Tegen die beschikking heeft immers een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang opengestaan.\n\n21. Subsidiair voert eiseres aan dat sprake is geweest van hardheid van het wettelijk stelsel. Volgens eiseres is de neerwaartse correctie van € 2.577 het gevolg van een formele tekortkoming die niet meer kan worden hersteld, omdat de herzieningstermijn is verstreken. Zoals volgt uit overweging 19, is de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2010 op basis van de door eiseres ingestuurde jaaropgave verlaagd tot een bedrag van € 2.577. De kinderopvangtoeslag is dus niet op nihil gesteld of in zijn geheel teruggevorderd. Dit betekent dat geen sprake kan zijn van hardheid van het wettelijk stelsel als vermeld in overweging 13.\n\nHet jaar 2015\n\n22. Volgens eiseres heeft verweerder ook voor het jaar 2015 vooringenomen gehandeld. Eiseres wijst in dit verband op de onterechte stopzetting van de kinderopvangtoeslag 2014die volgens haar een causaal verband heeft met de te late toekenning van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015. De onterechte stopzetting van de kinderopvangtoeslag 2014 heeft namelijk geleid tot het niet automatisch toekennen van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015, met als gevolg dat eiseres op 4 januari 2015 een aanvraag kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015 heeft moeten indienen. Op die aanvraag is pas op 21 april 2015 beslist, waardoor er betaalachterstanden zijn ontstaan bij de kinderopvang.\n\n23. De rechtbank stelt vast dat voor dit jaar geen nihil-stellingen, stopzettingen of onterechte terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag hebben plaatsgevonden. De rechtbank leidt uit de stukken van het geding af dat verweerder aanvullende informatie nodig had om de aanvraag kinderopvangtoeslag van eiseres te kunnen beoordelen. Om die reden is eiseres bij brief van 25 februari 2015 om aanvullende stukken gevraagd. Eiseres heeft die stukken overgelegd, waarna verweerder op 21 april 2015 het voorschot kinderopvangtoeslag heeft vastgesteld op een bedrag van € 30.359. Weliswaar volgt uit artikel 16 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen dat verweerder de wettelijke beslistermijn heeft overschreden, maar dat maakt niet dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld als bedoeld in overweging 12. De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de te late toekenning van het voorschot kinderopvangtoeslag verband houdt met een vooringenomen handeling van verweerder in de periode vóór 23 oktober 2019. Verder ziet de rechtbank in het dossier geen aanwijzing dat het door verweerder uitgeoefende toezicht over dit jaar verder ging dan regulier toezicht. Als eiseres door de te late toekenning van het voorschot kinderopvangtoeslag schade heeft geleden, kan zij zich wenden tot de Commissie Werkelijke Schade met een verzoek om vergoeding van de werkelijk geleden schade.\n\nAlgemene beginselen van behoorlijk bestuur\n\n24. Eiseres heeft op de zitting nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Zoals volgt uit het voorgaande, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder over de jaren 2010 en 2015 vooringenomen heeft gehandeld en evenmin voor het oordeel dat het handelen van verweerder een gevolg is van de hardheid van het wettelijk stelsel. Verweerder heeft het verzoek om compensatie voor de jaren 2010 en 2015 dan ook terecht afgewezen. Eiseres heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het niet toekennen van de compensatie in het voorliggende geval onredelijk bezwarend is. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet. Evenmin is gebleken van schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, in navolging van het advies van de CvW, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de compensatie voor het jaar 2007 juist is vastgesteld en dat eiseres voor de jaren 2010 en 2015 niet als gedupeerde kan worden aangemerkt en dus geen recht heeft op compensatie. Het beroep is daarom ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op\n\n1 november 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.72.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 70 en 71.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, nr. 3 blz 71.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3 blz. 72.\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van\n\n 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3760.\n\n Eiseres heeft een ongedateerd stuk van kinderopvang Klavertje Vier en een verklaring van\n\n kinderopvang Het Tuinhuis van 19 september 2022 overgelegd. Zie de producties 5 en 8 bij het\n\n bezwaarschrift van 29 september 2022.\n\n Vaststaat dat eiseres voor het jaar 2014 is gecompenseerd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:17372","2024-10-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.143Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"535","ECLI:NL:RBAMS:2024:5311","ecli-nl-rbams-2024-5311","2024-08-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F56\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Maachi).\n\nInleiding\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een schuld over te nemen.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep samen met de zaak AMS 24\u002F55 op 21 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en partijen de gelegenheid gegeven nadere informatie in te brengen. Eiseres heeft op 22 mei 2024 gereageerd. Verweerder heeft op 10 juli 2024 gereageerd. Op de zitting is afgesproken dat de zaak zonder nadere zitting zou worden afgedaan. De rechtbank heeft vervolgens op 16 augustus 2024 het onderzoek gesloten.\n\nPersoonlijke noot vooraf van deze rechter\n\n2.1.. Voordat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak, hecht deze rechter het van belang het volgende op te merken. De rechter heeft zich in deze uitspraak noodgedwongen laten leiden door de recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarbij de Afdeling aansluit bij de strenge uitleg die verweerder geeft aan de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en haar beleid over dit onderwerp.Deze rechter wil daar het volgende over opmerken.\n\n2.2.. Hoofdstuk 4 van de Wht ziet op het overnemen van schulden van gedupeerden van de toeslagenaffaire. De Memorie van Toelichting bij deze wet bevat onder meer de volgende passages:\n\n‘Met het oog op de ernst en breedte van de problematiek is de ambitie van het kabinet om een zo breed en samenhangend mogelijk herstel te bieden aan gedupeerden. Dit omvat excuses en erkenning, financieel herstel en een schuldenaanpak, brede ondersteuning van gemeenten op verschillende leefgebieden en toegankelijke ondersteuning door maatschappelijke organisaties. Hierbij wil het kabinet ook bijdragen aan een betere toekomst voor getroffen kinderen en (ex-)partners van gedupeerden. Zo hoopt het kabinet gedupeerden en betrokkenen, waar mogelijk, in staat te stellen een nieuwe start te maken.’\n\n‘In de uiteindelijke vormgeving van de hersteloperatie, en daarmee in dit wetsvoorstel, is een aantal principes als uitgangspunt genomen. De kern daarvan is een persoonlijke benadering met keuzevrijheid en regie voor gedupeerden, consistentie en gelijke behandeling, ruimhartigheid en zorgvuldigheid.’\n\n‘Daarnaast wordt, ook met dit wetsvoorstel, ruimhartigheid verkozen boven precisie en doelmatigheid wanneer deze onverenigbaar blijken. Het belang om (ernstig) gedupeerde toeslagaanvragers tijdig en adequaat te helpen weegt volgens het kabinet veelal zwaarder dan het voorkomen van gevallen van overcompensatie.’\n\n‘Met de hersteloperatie hoopt het kabinet, naast het bieden van breed en samenhangend herstel aan gedupeerden, ook bij te dragen aan herstel van vertrouwen in de overheid; in het bijzonder het vertrouwen van gedupeerden, maar ook het vertrouwen van de samenleving als geheel.’\n\n2.3.. De vraag is of de uitvoeringspraktijk van de bepalingen van de Wht over het overnemen van schulden, die zijn neergelegd in hoofdstuk 4, wel in overeenstemming is met de hierboven genoemde passages. Is er wel sprake van een ruimhartige toepassing boven precisie en doelmatigheid, wanneer deze onverenigbaar zijn? En weegt tijdig en adequaat helpen wel zwaarder dan het voorkomen van overcompensatie? Vooral de in de wet opgenomen eis van opeisbaarheid van de schuld voor 1 juni 2021 leidt in de praktijk tot veel begrijpelijke onbegrip bij erkende gedupeerden. In de praktijk hebben deze gedupeerden met kunst en vliegwerk en het vervangen van de ene schuld door de andere schuld voorkomen dat zij te maken zouden krijgen met een deurwaarder. Veel gedupeerden verzuchten in de rechtszaal: ‘had ik maar niet zo mijn best gedaan om aan mijn betalingsverplichtingen te voldoen, dan was mijn schuld wel overgenomen’.\n\n2.4. ‘. Het kan morgen weer gebeuren’. Dat is de conclusie van de parlementaire enquêtecommissie die de fraudebestrijding heeft onderzocht. In de podcast Haagse Zaken van het NRC spreekt juridisch redacteur en columnist [naam] op 2 maart 2024 de verwachting uit dat de politiek en de rechtspraak genoeg heeft geleerd van de Toeslagenaffaire en spreekt hij de verwachting uit dat de kans groot is dat het morgen niet nog een keer gaat gebeuren.\n\n2.5.. Deze rechter vraagt zich echter af of morgen inmiddels niet al vandaag is geworden. Na 2 maart 2024 heeft de Afdeling zich onder meer uitgelaten over de eis van een notariële akte om private schulden aan te tonen. De Afdeling sluit zich (wederom) aan bij de strikte uitleg van de Wht, die verweerder hanteert. De mogelijkheden voor erkende gedupeerden om gecompenseerd en\u002Fof geholpen te worden zijn een wirwar geworden van zeer langdurige procedures. De vraag is gerechtvaardigd hoeveel de erkende gedupeerden nu zijn opgeschoten met de herstelwetgeving en de uitspraken van de Afdeling. Ook nu lijkt zich weer een gang van zaken af te spelen waarbij bij de beoordeling van aanvragen om overname van schulden wordt gekozen voor een minimalistische toepassing en strikte uitleg van de wet. Als gedupeerden daarna in beroep gaan bij de rechtbank, zijn er (sommige) rechters die durven op zoek te gaan naar mogelijkheden om de wet daar waar dat nodig is in het voordeel van erkende gedupeerden minder strikt toe te passen. Vervolgens kiest de Afdeling in de hoger beroepsfase opnieuw voor de (te) strikte toepassing van de wet. Hierbij is er naar het oordeel van deze rechter (weer) te weinig oog voor de praktijk van de alledaagse werkelijkheid, en in verband daarmee de juridische fictie in de wetgeving. De menselijke maat is daarbij, als wezenlijk onderdeel van de inhoudelijke rechtvaardiging bij het toepassen van de wet, onvoldoende in beeld.\n\n2.6.. Deze rechter vindt het verder opvallend dat er in de praktijk (in ieder geval in de uitspraken die zijn gepubliceerd) geen voorbeelden zijn te vinden waarbij een beroep op de hardheidsclausule slaagt.\n\n2.7.. Deze rechter kiest er bewust niet voor om een uitspraak te doen die afwijkt van de recente uitspraken van de Afdeling. Deze rechter doet echter wel een uitdrukkelijk beroep op het ministerie van Financiën en vooral ook op de Afdeling om nog eens goed de hierboven genoemde passages uit de Memorie van Toelichting te bestuderen en deze voortaan wel, of meer, mee te laten wegen in de te nemen beslissingen en uitspraken.\n\n2.8.. Ook de wetgever zou nog eens kunnen bezien in hoeverre de tekst van de Wht en de uitvoering in de praktijk in overeenstemming zijn met de in de hierboven aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis, waarin beloftes worden gedaan over een ruimhartige toepassing om gedupeerden de kans te geven op een nieuwe start. Laat het niet zo ver te laten komen dat er over een paar jaar een tweede parlementaire enquête is over dit onderwerp, met wederom vernietigende conclusies voor de wetgever, het ministerie van Financiën en de rechtspraak.\n\n2.9.. Tot slot roept deze rechter het ministerie van Financiën op om meer oplossingsgericht naar individuele zaken te kijken en om meer dan nu het geval is samen met gedupeerden te zoeken naar een financiële regeling waarin gedupeerden zich kunnen vinden. Desgevraagd geven veel gedupeerden aan dat ze een redelijke oplossing op korte termijn prefereren boven procederen voor een volledige schadeloosstelling. Door meer te streven naar een overeenkomst met een redelijke uitkomst in plaats van juridische procedures kan een periode van jarenlange financiële en emotionele ellende worden afgesloten en kan er, in plaats van nog jarenlang procederen, daadwerkelijk naar de toekomst worden gekeken en een nieuwe start worden gemaakt. En dat is nu precies wat de Wht, gezien de bovengenoemde passages uit de wetsgeschiedenis, beoogt.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3.1.. Eiseres is gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Zij heeft een schuldenlijst toegestuurd aan Sociale Banken Nederland (SBN) en de SBN verzocht om deze schulden op grond van de Wht over te nemen.\n\n3.2.. Met het primaire besluit van 30 mei 2023 heeft de SBN, namens verweerder, beslist op de overname van de schulden. De SBN heeft bepaald dat de schuld van eiseres aan de Beobank van € 24.537,49 niet wordt overgenomen, omdat de schuld is ontstaan of opeisbaar is geworden voor 1 januari 2006 of na 31 mei 2021 (cijfercode 16). De schulden van voor 1 januari 2006 en na 31 mei 2021 moet eiseres zelf betalen.\n\n3.3.. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het standpunt dat de schuld niet kan worden overgenomen gehandhaafd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4.1.. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om de schuld van eiseres aan de Beobank over te nemen. De rechtbank volgt in deze uitspraak, zoals hierboven al is aangegeven, de lijn die de Afdeling heeft gehanteerd.\n\n4.2.. De schuld waar het in deze zaak om gaat is een persoonlijke (krediet)overeenkomst van eiseres bij de Beobank. De schuld valt onder artikel 4.1, vierde lid, sub b van de Wht. Zo’n schuld kan alleen worden overgenomen door verweerder als deze voldoet aan alle vereisten van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht: de schuld moet zijn ontstaan na 31 december 2005, de schuld moet voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geweest en de schuld moet niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.\n\nIs de schuld ontstaan na 31 december 2005?\n\n5.1.. Op de zitting is gebleken dat onduidelijkheid bestond over de ingangsdatum van de schuld. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting daarom geschorst en beide partijen de gelegenheid gegeven om hierover nadere informatie op te vragen bij de Beobank en deze informatie aan de rechtbank te overleggen.\n\n5.2.. Op 22 mei 2024 heeft eiseres nadere informatie ingebracht. Uit een overzicht van de lening bij de Beobank is gebleken dat eiseres op 10 februari 2017 een lening van € 11.999,92 heeft afgesloten voor de duur van 60 maanden. Voorgaande betekent dat de schuld van eiseres voldoet aan het eerste vereiste van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.\n\nWas de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar?\n\n6.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de schuld niet voldoet aan het tweede vereiste van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht, omdat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De achterstanden van de schuld zijn namelijk opgeëist op 29 augustus 2021 en op 26 september 2022.\n\n6.2.. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Niet is gebleken dat op 1 juni 2021 sprake was van opeisbare betalingsachterstanden.\n\n6.3.. Eiseres voert over de eis van opeisbaarheid aan dat deze eis ertoe leidt dat iemand die een geldlening heeft afgesloten om het hoofd boven water te houden en dus een nieuw krediet aanboort om andere opeisbare schulden te kunnen voldoen, zoals eiseres heeft gedaan, op dit punt niet gecompenseerd kan worden. Volgens eiseres moeten daarom leningen die zijn afgesloten om opeisbare schulden te voldoen gelijk worden gesteld met de achterliggende opeisbare schulden. De voorwaarde van ‘opeisbaarheid’ is te hardvochtig, omdat voorbij wordt gegaan aan het feit dat oude schulden zijn afgelost door nieuwe schulden aan te boren.\n\n6.4.. De rechtbank overweegt hiertoe dat, hoewel de slechte financiële situatie van eiseres als gevolg van het beleid van verweerder niet ter discussie staat, uit de totstandkomingsgeschiedenisvan de Wht blijkt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om alleen opeisbare schulden of betalingsachterstanden onder de regeling te laten vallen. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort dan ook tot de kern van de regeling en is een steeds terugkerend uitgangspunt. De uiterlijke datum van opeisbaarheid heeft de wetgever op 1 juni 2021 bepaald, omdat de regeling toen bekend werd gemaakt en de wetgever wilde voorkomen dat op de regeling kon worden geanticipeerd, bijvoorbeeld door met de wetenschap van het bestaan van de regeling nieuwe schulden aan te gaan. Het alleen overnemen van opeisbare achterstanden van schulden sluit ook aan bij het doel van de Wht. De regeling is niet bedoeld om gedupeerde ouders volledig te vrijwaren van lopende betalingsverplichtingen, maar is met name bedoeld om te voorkomen dat de ouder in verdere schulden komt doordat een schuldeiser incassomaatregelen neemt voor de opeisbare schulden. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.\n\nSlaagt een beroep op de hardheidsclausule?\n\n7.1.. Eiseres heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht. Op grond van deze hardheidsclausule kan van artikel 4.1 worden afgeweken voor zover toepassing daarvan onredelijk zou zijn. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien bij het maken van de regelgeving en die tot een schrijnende situatie leiden.\n\n7.2.. Met de schorsing van het onderzoek heeft de rechtbank eiseres ook de gelegenheid gegeven om haar beroep op de hardheidsclausule nader te onderbouwen. Op 22 mei 2024 heeft de rechtbank deze nadere onderbouwing ontvangen. Eiseres voert aan dat het haar, in de periode dat zij in België woonde, niet altijd gelukt is om de huur te voldoen. Eiseres overlegt daartoe een kopie van een Europees betalingsbevel van 19 mei 2022, wegens een huurachterstand. Eiseres voert verder aan dat de Belgische Rijksdienst voor sociale zekerheid zich op 3 november 2016 bij haar had gemeld, omdat zij van de Nederlandse overheid de informatie had ontvangen dat er een hoofdsom van € 7.493,- openstond wegens ten onrechte uitgekeerde kinderopvangtoeslag. Eiseres overlegt verder een aanplakbiljet van een Belgische deurwaarder, een lijst van roerende goederen waarop beslag werd gelegd en rekeningen die haar in die tijd bereikten, naast haar maandelijkse vaste lasten, die zwaar op haar bleven drukken bij een laag besteedbaar inkomen.\n\n7.3.. Hoewel de rechtbank in de stukken ziet dat eiseres het financieel zwaar heeft gehad en dat zij veel moeite heeft gedaan om haar betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, is de rechtbank van oordeel dat een beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen. De stukken die eiseres heeft overgelegd en de omstandigheden die zij heeft aangevoerd geven onvoldoende inzicht in haar actuele situatie. Zonder af te willen doen aan de gevolgen die de Toeslagenaffaire voor eiseres heeft gehad, stelt de rechtbank dat niet is gebleken dat de actuele situatie van eiseres zodanig bijzonder of schrijnend is dat het vasthouden aan de voorwaarde dat alleen opeisbare schulden voor overname in aanmerking komen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht heeft geweigerd de schuld over te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie (onder meer) de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045 en ECLI:NL:RVS:2024:2040.\n\n Zie de Memorie van Toelichting bij de Wht, Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5311","2024-08-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.538Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":50,"updatedAt":79},"537","ECLI:NL:RBDHA:2024:9955","ecli-nl-rbdha-2024-9955","2024-06-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F5289\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2024 in de zaak tussen\n\n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. L.M. Ravestijn),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. [naam 1] en mr. [naam 2]).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om de zakelijke private schulden van eiseres bij Jobritess Holding B.V. (Jobritess) en de achterstallige rente, over te nemen.\n\n1.1. Met het primaire besluit van 2 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagengeweigerd de schulden van eiseres over te nemen. Met het bestreden besluit van 6 juli 2023 is verweerder bij die weigering gebleven.\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de echtgenoot van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBevoegdheid rechtbank\n\n2. Ambtshalve overweegt de rechtbank allereerst het volgende. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de rechtbank Amsterdam bevoegd op het onderhavige beroep te beslissen. Partijen hebben ter zitting echter verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat de rechtbank Den Haag uitspraak doet in de onderhavige beroepszaak. Gelet hierop en op de mogelijkheid dat aan de onbevoegdheid van de rechtbank in hoger beroep wordt voorbijgegaan, laat de rechtbank een onbevoegdverklaring achterwege.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor overname van hun zakelijke private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het overnemen van de zakelijke private schulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland.\n\n4. Eiseres heeft verzocht om overname van haar schulden bij Jobritess van in totaal\n\n€ 252.033,37, bestaande uit een lening van € 200.000 (leningdeel I), een lening van € 40.000 (leningdeel II) en achterstallige rente van in totaal € 12.033,37. De Dienst Toeslagen heeft bepaald dat de schulden en de achterstallige rente niet worden afbetaald, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van de Wht.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n5. Eiseres stelt dat haar schulden bij Jobritess en de achterstallige rente ten onrechte niet door verweerder zijn overgenomen, omdat de schulden volgens haar wel degelijk voldoen aan de voorwaarden van de Wht. Leningdeel I betreft namelijk een opeisbare betalingsachterstand en uit de overeenkomst van geldlening van 24 april 2017 volgt dat de gehele hoofdsom per 30 april 2020 opeisbaar is geworden. Leningdeel II is geen informele schuld, zodat alleen de eis van de opeisbaarheid geldt. Uit artikel 6 van de overeenkomst van geldlening van 1 juni 2018 volgt dat de gehele hoofdsom van dit leningdeel voor\n\n1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Ook de achterstallige rente is voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden en dient op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder d, van de Wht in aanmerking te komen voor overname. Eiseres doet daarnaast een beroep op de hardheidsclausule.\n\nWat vindt verweerder in beroep?\n\n6. Verweerder stelt dat hij leningdeel I niet kan overnemen, omdat primair sprake is van een hypothecaire lening en subsidiair omdat niet is gebleken dat dit leningdeel voor\n\n1 juni 2021 opeisbaar is geworden vanwege betalingsachterstanden. Leningdeel II kan verweerder niet overnemen, omdat primair sprake is van een informele schuld die niet in een notariële akte van voor 1 juni 2021 of een rechterlijke uitspraak is vastgelegd en subsidiair omdat niet is gebleken dat deze schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Omdat deze schulden niet overgenomen kunnen worden op grond van de Wht, kunnen ook de opgelopen renteachterstanden niet worden overgenomen. Verweerder ziet geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.\n\nWat is het toetsingskader?\n\n7. Toen het primaire besluit genomen werd op 2 januari 2023, gold als grondslag voor de besluitvorming de Wht. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht.\n\n8. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:\n\n- is ontstaan na 31 december 2005 (sub a);\n\n- vóór 1 juni 2021opeisbaar is geworden (sub b); en\n\n- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).\n\nVerder volgt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht, dat schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling (de zogenaamde informele\u002Fprivate schulden), alleen worden overgenomen als de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen\n\n1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak.\n\nSchulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn de resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.\n\n9. Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht, bepaalt dat de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, niet wordt overgenomen, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op het verhypothekeerde goed.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nLeningdeel I\n\n10. Eiseres is deze lening initieel aangegaan met Werkenwonen Projectontwikkeling B.V. (Werkenwonen). De overeenkomst is ondertekend op 24 april 2017, is ingegaan op\n\n1 mei 2017 en liep af op 30 april 2020. Per die datum diende de hoofdsom van € 200.000 en de rente volledig te zijn afgelost. Aan Werkenwonen is tot zekerheid van de nakoming van de overeenkomst het recht van tweede hypotheek verleend, met als onderpand de onroerende zaak van eiseres aan de Imstenrade 49 te Amsterdam. Het onderpand is vastgelegd in een notariële akte van 26 juli 2017. De schuld is op 10 februari 2021 door Werkenwonen overgedragen aan Jobritess.\n\n10.1. Niet in geschil is dat dit leningdeel een hypothecaire lening is. In artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a van de Wht, is bepaald dat de hoofdsom van een hypothecaire lening niet wordt overgenomen, ook niet als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden. Dat, zoals eiseres stelt, de gehele hoofdsom per 30 april 2020 opeisbaar zou zijn geworden, maakt dus niet dat leningdeel I alsnog voor overname in aanmerking komt. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat de gedupeerde ouder schuldenaar blijft van de resterende hoofdsom van de hypothecaire lening en de hypotheek zelf dient af te lossen.Hierop wordt een uitzondering gemaakt als het gaat om een restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. Niet is gebleken dat daarvan sprake is. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden van de Wht. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een opeisbare schuld als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Hetgeen eiseres ter zitting in dit verband naar voren heeft gebracht, behoeft daarom geen bespreking.\n\nLeningdeel II\n\n11. Naar het oordeel van de rechtbank moet dit leningdeel als een privéschuld\u002Finformele schuld worden aangemerkt, omdat deze in de privésfeer is ontstaan en niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser. Uit de leningsovereenkomst van 1 juni 2018 blijkt dat Jobritess geld aan eiseres heeft geleend voor het starten van een onderneming. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat de bedrijfsactiviteiten van Jobritess gelet op de in het handelsregister opgenomen branchecodesniet hoofdzakelijk bestaan uit het verstrekken van financiële leningen aan derden en dat eiseres de geldleningsovereenkomst als privépersoon is aangegaan. Dit betekent dat de schuld valt onder de reikwijdte van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.11.1. Om voor overname van een informele schuld in aanmerking te komen moet deze op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht in een notariële akte of een rechterlijke uitspraak zijn vastgelegd. Niet in geschil is dat de schuld niet in een notariële akte is vastgelegd en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak. Eiseres heeft weliswaar de geldleningsovereenkomst overgelegd, maar naar het oordeel van de rechtbank is daarmee geen sprake van een met een notariële akte vergelijkbare vastlegging van de lening. De schuld van eiseres voldoet daarmee niet aan het vereiste van artikel 4.1, derde lid, aanhef onder b, van de Wht. Nu eiseres niet aan de eis inzake de notariële akte heeft voldaan, komt de rechtbank ook voor dit leningdeel niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een opeisbare schuld als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Ook in zoverre behoeft hetgeen eiseres over de opeisbaarheid heeft aangevoerd geen bespreking.\n\nAchterstallige rente\n\n12. Nu verweerder terecht heeft bepaald dat de leningdelen I en II niet in aanmerking komen voor overname, volgt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder d, van de Wht, dat ook de achterstallige rente niet voor overname in aanmerking komt.\n\n13. Hoewel het voor eiseres wellicht niet eerlijk voelt dat haar schulden niet worden overgenomen, laat dit onverlet dat de regeling voor het betalen van private schulden niet tot doel heeft om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen.Artikel 4.1 van de Wht is bovendien dwingend geformuleerd. Of er een causaal verband bestaat tussen de schulden van eiseres en de toeslagenaffaire speelt geen rol bij de vraag of een schuld overgenomen moet worden. Dit geldt ook voor het argument dat eiseres zich nu gestraft voelt voor haar proactieve houding en goede relatie met de schuldeiser.\n\n14. Het vereiste dat een private schuld moet blijken uit een notariële akte of rechterlijke uitspraak, vloeit voort uit de wet. Dat eiseres het niet eens is met dit vereiste, maakt het voorgaande niet anders. Het vereiste van een notariële akte is immers vastgelegd in een wet in formele zin. Dit betekent dat de rechtbank dit vereiste in de Wht niet aan het evenredigheidsbeginsel of andere algemene rechtsbeginselen mag toetsen. In artikel 120 van de Grondwet is namelijk bepaald dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen en in de rechtspraak is recent nogmaals bevestigd dat dit toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Uit deze rechtspraak volgt verder dat er desalniettemin aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. Dat is het geval als die niet meegenomen bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.De rechtbank is van oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich in dit geval niet voordoen. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 15 mei 2024, heeft de wetgever bewust gekozen voor het stellen van voornoemde eis in de Wht. Dit betekent dat er geen sprake is van een omstandigheid die niet of niet ten volle is meegenomen in de afweging van de wetgever.\n\n15. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden.In wat eiseres heeft aangevoerd, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om de hardheidsclausule toe te passen. De wetgever heeft er immers bewust voor gekozen om de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening niet over te nemen. Ook heeft de wetgever bewust gekozen voor de eis dat een private schuld moet blijken uit een notariële akte of rechterlijke uitspraak. Het uitgangspunt van de Wht is bovendien niet het herstellen van de in het verleden geleden schade, maar toeslagenouders zoveel als mogelijk de kans te bieden om een nieuwe start te maken. Dat daarmee niet alle door de toeslagenaffaire veroorzaakte (financiële) problemen van toeslagenouders zijn opgelost, is door de wetgever dan ook onder ogen gezien. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat haar woning executoriaal verkocht zal worden waardoor zij de woning gedwongen zal moeten verlaten, maar er bevinden zich bij de gedingstukken geen gegevens die haar stelling onderbouwen. Er zijn bij deze stand van zaken dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de situatie zodanig bijzonder of schrijnend is om tot toepassing van de hardheidsclausule aanleiding te kunnen geven.\n\n16. Eiseres heeft verder verzocht haar bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen. Verweerder heeft in het bestreden besluit op het bezwaarschrift gereageerd. Voor zover eiseres in beroep niet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, kan deze beroepsgrond al hierom niet slagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voorheen de Belastingdienst\u002FToeslagen.\n\n Artikel 8:117 van de Awb.\n\n De datum van 1 juni 2021 sluit aan bij de bekendmaking van de regeling voor privaatrechtelijke\n\n schulden en voorkomt dat met de wetenschap van het bestaan van die regeling nieuwe schulden\n\n worden aangegaan. Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 130.\n\n Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en\n\n onder b, van de Wht.\n\n Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, blz. 45.\n\n 69204 – belastingconsulenten, 82204 – verhuur van onroerend goed (niet van woonruimte), en 6810 – handel in eigen onroerend goed.\n\n Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 38.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van\n\n 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2040.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, blz. 162.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9955","2024-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.637Z",20,[82,83,11],2026,2025]