[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-child-custody-nl-2026":3},{"detail":4,"years":209},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":40,"total":207,"page":14,"limit":208},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},52,"child-custody-nl","Child Custody","NL","2026-07-08T16:53:53.220Z",2026,[13,15,17,19,21,24,27,29,32,34,36,38],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":14},2,{"month":18,"count":14},3,{"month":20,"count":16},4,{"month":22,"count":23},5,38,{"month":25,"count":26},6,13,{"month":28,"count":14},7,{"month":30,"count":31},8,0,{"month":33,"count":31},9,{"month":35,"count":31},10,{"month":37,"count":31},11,{"month":39,"count":31},12,[41,55,62,70,78,85,94,101,111,121,129,138,147,155,162,172,179,186,193,200],{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":54},"665","ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","ecli-nl-rbams-2026-6627","",56,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F768717 \u002F FA RK 25-3298\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nBeschikking echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. S. Toughza uit Amsterdam,\n\nen\n\n [de man],\n\nhierna te noemen de man,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. J. Werner uit Amsterdam.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie [locatie 1] , hierna te noemen: de Raad.\n\nAls belanghebbende is aangemerkt:\n\nJeugdbescherming Regio Amsterdam,\n\ngevestigd te [locatie 2] ,\n\nhierna te noemen: JBRA.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 6 mei 2025;\n\nhet verweerschrift van de man, met daarin een zelfstandig verzoek, ontvangen op 18 september 2025;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 13 oktober 2025 met daaraan gehecht een brief van de Raad waaruit blijkt dat de Raad naar aanleiding van door Veilig Thuis gemelde zorgen een beschermingsonderzoek zal doen naar [minderjarige] ;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 29 mei 2026 met de mededeling dat een audio-opname via Zivver wordt nagestuurd;\n\neen brief van de man van 2 juni 2026 waarin zijn advocaat reageert op het door de vrouw ingediende audiobestand en het zelfstandige tegenverzoek wordt gewijzigd;\n\nhet F-9 formulier van de vrouw van 4 juni 2026 waarin zij de rechtbank verzoekt dat de gezinsvoogd graag een uitnodiging krijgt voor de mondelinge behandeling en\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 4 juni 2026 met daaraan gehecht een productie.\n\n1.2.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nPartijen en hun advocaten, mevrouw [persoon 1] van de Raad en mevrouw [persoon 2] , gezinsvoogd werkzaam voor JBRA en een collega.\n\nPartijen hebben over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is beschikking bepaald op heden.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] , België.\n\n2.2.. De vrouw heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit en de man heeft de Algerijnse nationaliteit.\n\n2.3.. Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [plaats 2] .\n\n2.4.. De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 16 september 2025 de vrouw bericht dat na aanleiding van een melding van Veilig Thuis [locatie 3] een beschermingsonderzoek zal worden verricht naar de situatie van [minderjarige] .\n\n2.5.. Op 2 februari 2026 heeft deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBRA met ingang van 2 februari 2026 tot 2 november 2026.\n\n3. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is\n\n3.1.. De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken en Nederlands recht is van toepassing.\n\nEchtscheiding\n\n3.2.. \n\nOp grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van het minderjarige kind van partijen. In dit geval ontbreekt een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan. Er is voldoende onderbouwd waarom partijen geen ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve onder toepassing van artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek tot echtscheiding inhoudelijk behandelen. De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.\n\nHoofdverblijfplaats\n\n3.3.. Beide partijen verzoeken de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen te bepalen.\n\n3.4.. De vrouw stelt dat zij altijd hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest.\n\n3.5.. De man stelt dat beide partijen gezamenlijk de zorg over [minderjarige] hebben gedragen, er was nooit één hoofdverzorger. De man betwijfelt of de vrouw wel geschikt is om (alleen) voor de zoon te zorgen. De vrouw blowt veel en er komen bij haar thuis voortdurend mensen over de vloer waarbij er ook wel sprake is van drugsgebruik, de man wil daarover verder niet in detail treden. Dit zorgt voor een onvoldoende stabiele en veilige thuissituatie. De man denkt dat het meest in het belang van [minderjarige] is als hij het hoofdverblijf bij de man zal krijgen, echter op dit moment kan er geen sprake zijn van het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem; de verhuurder staat niet toe dat [minderjarige] langer dan twee nachten elkaar bij de man verblijven. De man hoopt binnenkort een geschikte woning te krijgen waar [minderjarige] langer bij de man kan verblijven.\n\n3.6.. De rechtbank begrijpt het standpunt van de man aldus dat hij zijn verzoek op dit moment in feite niet langer handhaaft en dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek van de vrouw. Omdat [minderjarige] zijn feitelijke hoofdverblijf bij de vrouw heeft en de rechtbank het in zijn belang acht dat deze situatie ook juridisch wordt vastgelegd en de man daartegen niet langer verweer voert, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe. De Raad heeft het verzoek van de vrouw gesteund omdat [minderjarige] bij de vrouw woont.\n\nZorgregeling\n\n3.7.. Beide partijen hebben verzocht een zorgregeling vast te stellen.\n\n3.8.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] bij de man is elke dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt voor de Lidl bij [locatie 4] .\n\n3.9.. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld, waar [minderjarige] ook getuige van is geweest. De vrouw onderschrijft het belang van contact tussen de man en [minderjarige] en heeft dit ondanks het verleden van partijen ook nooit geweigerd, maar zij maakt zich wel zorgen en wil dat er voorzichtig wordt omgegaan met [minderjarige] . [minderjarige] ziet zijn vader nu elke dinsdag. Inmiddels verloopt de regeling steeds beter. [minderjarige] had in het begin veel moeite om naar zijn vader toe te gaan. De vrouw wil dat de regeling rustig wordt uitgebreid, in afstemming op [minderjarige] . Op dit moment vindt na overleg met de gezinsvoogd de overdracht plaats in het appartementencomplex waar de vrouw en [minderjarige] wonen. [minderjarige] loopt de trap af en de man vangt hem daar op. De vrouw heeft niet het idee dat de man werkelijk naar een co-ouderschap wil toewerken. Zij vermoedt dat de man denkt dat een co-ouderschap de kansen van de man op een verblijfsvergunning verhoogt. De vrouw vindt het fijn dat JBRA en Sipi, de betrokken hulpverleningsorganisatie, meekijken. Zij hoopt dat er ook de mogelijkheid zal zijn dat [minderjarige] met een psycholoog kan praten. [minderjarige] slaapt heel erg onrustig end dat baart de vrouw zorgen. De vrouw is niet tegen een uitbreiding op termijn met overnachtingen, maar vindt dat de uitbreiding in het tempo moet gaan van [minderjarige] . Omdat de vrouw doordeweeks werkt na kantoortijden en in het weekend moet er in de regeling ruimte zijn voor haar om [minderjarige] op haar vrije momenten te zien. Als de man in het weekend de zorg niet kan dragen dan moet er een manier gevonden worden om de vrije momenten te delen. De vrouw zou de dinsdag willen aanhouden en daarbij een regeling in het weekend.\n\n3.10.. De man heeft verzocht om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, van vrijdagmiddag tot zondagavond (na het eten) en waarbij de overdracht plaatsvindt op [locaties] .\n\n3.11.. Voor de man is het essentieel dat [minderjarige] en hij met grotere regelmaat en voor een langere tijd per keer omgang hebben. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij is blij en vrolijk bij de man. De man kan goed voor [minderjarige] zorgen en het gaat steeds beter. De man wil een uitbreiding ook stap voor stap doen in het belang van [minderjarige] . De man wil zijn rol als vader serieus oppakken. De man wil wel graag duidelijkheid over wat er op termijn mogelijk zal zijn. De man heeft werk dat zich in het weekend concentreert. Daarom moet er een compromis gevonden worden waarin beide partijen tijd met [minderjarige] kunnen doorbrengen op hun vrije momenten. Overdag kan de man de zorg dragen in het weekend, maar hij werkt in het weekend ’s avonds. De man betwist dat hij enkel een co-ouderschap op papier zou willen om een verblijfsvergunning te kunnen krijgen. Zijn diepste wens is om meer tijd door te brengen met [minderjarige] .\n\n3.12.. De gezinsvoogd heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat sinds de afgelopen maanden dat JBRA betrokken is de situatie is verbeterd. Er is veel gebeurd in het verleden. Beide ouders werken nu goed mee met de hulpverlening. Op dit moment is Sipi betrokken die helpt bij de omgang. JBRA vindt het belangrijk dat uitbreiding van de zorgregeling veilig gebeurt. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat er wordt uitgebreid door vaker kortere momenten te organiseren. Het zou fijn zijn voor [minderjarige] als er meer duidelijkheid komt.\n\n3.13.. De raadsmedewerker heeft op de mondeling behandeling het volgende naar voren gebracht. De overdracht zoals die nu plaats vindt van [minderjarige] van de ene naar de andere ouder is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is twee jaar en daarmee veel te jong om alleen de oversteek in het trappenhuis te moeten maken van moeder naar vader. Door de overdracht op deze manier te doen heeft [minderjarige] geen support van zijn ouders, geen toestemming om naar de andere ouder te gaan, en dat moet echt anders. Het is fijn dat Sipi helpt bij het organiseren van een goed veilige omgang. De vrouw moet vragen kunnen stellen over de omgang van [minderjarige] bij vader en vader andersom ook. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat beide ouders betrokken zijn, ook als [minderjarige] op dat moment niet bij hen is. Het is dus ook belangrijk dat informatie over het adres waar [minderjarige] met de man verblijft, kenbaar wordt gemaakt aan de vrouw. Ouders dienen zich te allen tijde af te vragen wat zij zelf kunnen doen om het voor [minderjarige] gemakkelijker te maken. Het is voor alle betrokkenen fijn om een stip op de horizon te hebben naar de toekomstige situatie waarin de zorgregeling verder is uitgebreid. Maar het voorstel van de man geeft te veel onrust. [minderjarige] is nog erg klein en de zorgregeling moet worden opgebouwd. Er zit nu teveel spanning op. De Raad wil meegeven dat er voorzichtig en langzaam naar uitbreiding met eerst een nachtje moet worden toegewerkt. Naar de vrouw toe geeft de Raad mee dat kinderen onrustiger gaan slapen als er spanningen zijn, maar dit ook past bij de leeftijd. [minderjarige] bevindt zich midden in de fase van het opbouwen van hechting met de man. Daar hoeft de vrouw zich nu geen zorgen over te maken. Het is belangrijk dat [minderjarige] terugkijkt op deze periode later en vindt dat zijn ouders dit best wel goed voor hem hebben geregeld. Omdat [minderjarige] nog heel klein is, is het extra belangrijk dat er goed naar [minderjarige] wordt gekeken. Als het een keer niet zo goed gaat, breng hem dan terug. Vader gaat steeds belangrijker worden. De Raad adviseert om in overleg met Sipi en JBRA op termijn uit te breiden naar contact op bijvoorbeeld maandag en van donderdag op vrijdag, dan is er iets meer ruimte tussen de contactmomenten. Toewerken naar twee nachtjes op termijn is een mogelijkheid. Maar het is afwachten hoe [minderjarige] daarop zal reageren. Kan hij met toestemming van beide ouders en onbelast toewerken aan een uitgebreidere zorgregeling? Het zal waarschijnlijk een stuk sneller gaan als de spanningen tussen partijen eindigen. Misschien kunnen partijen in overleg met hun advocaten kijken naar de werktijden van beide ouders en komen tot een plan.\n\n3.14.. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal de huidige zorgregeling vastleggen en daarbij bepalen dat deze regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA plaatsvindt, die zich terzake laat informeren en adviseren door Sipi. Deze zorgregeling wordt op termijn uitgebreid naar een regeling waarbij [minderjarige] ook bij zijn vader zal overnachten. Dat zal eerst een nacht per week zijn en, indien dit goed gaat en JBRA daartoe aanleiding ziet, naar twee nachten per week. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de voorgeschiedenis van partijen moet deze uitbreiding behoedzaam en in afstemming op [minderjarige] plaatsvinden. Met betrekking tot de overdracht van [minderjarige] tussen de ouders is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de huidige regeling, waarbij de twee-jarige [minderjarige] zelf het trappenhuis van de flat alleen naar boven en naar beneden moet lopen, niet in het belang van de minderjarige is. De overdracht dient bij de vrouw voor de deur plaats te vinden zodat [minderjarige] de toestemming voelt om naar de andere ouder te gaan. Van de ouders mag verwacht worden dat zij zich ervoor inspannen dat de overdracht voor [minderjarige] rustig en prettig verloopt. De man dient [minderjarige] bij de vrouw op te halen en weer terug te brengen.\n\nMitsdien wordt beslist als volgt.\n\n4. De beslissing\n\n4.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] (België);4.2.. stelt vast dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;4.3.. \n\nstelt vast dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man is:\n\n- iedere dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt,\n\nwelke regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA wordt uitgebreid met een nacht per week en in de verdere toekomst twee nachten per week, in afstemming op [minderjarige] ;\n\n4.4.. deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van de echtscheiding;\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.B. Sluijs, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. van den Berg, griffier op 3 juli 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.\n\n Echtscheiding: art. 3 Brussel II-ter en art. 10:56 BW. Ouderlijke verantwoordelijkheid: art. 7 Brussel II-ter en art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.987Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":52,"fullText":59,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":61},"2009","ECLI:NL:RBAMS:2026:6613","ecli-nl-rbams-2026-6613","beschikking\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F782767 \u002F FA RK 26-863\n\nBeschikking van 30 juni 2026 betreffende voorziening in het gezag op de voet van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nen\n\n [de stiefvader] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de stiefvader,\n\ngezamenlijk bijgestaan door advocaat mr. A.M.E. Derks te Woerden.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nwoon- of verblijfplaats onbekend,\n\nhierna te noemen de vader.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het gezamenlijk verzoek met bijlagen van de moeder en de stiefvader, ingekomen op 3 februari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026.\n\nVerschenen zijn: de moeder en de stiefvader, bijgestaan door hun advocaat, en de vader.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd.\n\n2.2.. Uit deze relatie zijn geboren:\n\n [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017,\n\n [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020,\n\nhierna soms ook te noemen de kinderen.\n\n2.3.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. De moeder is belast met de uitoefening van het gezag. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de moeder.\n\n2.4.. De moeder heeft, na de verbreking van de relatie met vader, in november 2021 een relatie gekregen met de stiefvader. Op 1 april 2022 is de stiefvader officieel bij de moeder en de kinderen ingetrokken.\n\n2.5.. Op 18 september 2024 zijn de moeder en de stiefvader met elkaar getrouwd. Uit dit huwelijk is geboren: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2024 in [geboorteplaats 1] . De moeder en de stiefvader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar.\n\n2.6.. Tussen de moeder en de vader is er geen contact meer. De laatste keer dat er contact was, was op 19 februari 2024 via Whatsapp. Vanaf 2023 is er geen omgang meer tussen de vader en de kinderen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoek strekt ertoe, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, om de moeder en de stiefvader gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te belasten op grond van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek, en te bepalen dat de griffier dit laat aantekenen in het gezagsregister.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n\nDe moeder en de stiefvader voeren aan dat zij aan de formele eisen voldoen om gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te worden belast. Zij dragen al langer dan een jaar de zorg voor de kinderen en de moeder is langer dan drie aaneengesloten jaren alleen met het gezag belast geweest. Er is sprake van een stabiele gezinssituatie waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al jaren deel van uitmaken. In 2024 is hun halfzusje, [minderjarige 3] , geboren. De moeder en de stiefvader zijn dagelijks belast met de verzorging en opvoeding van de kinderen en vinden het in het belang van de kinderen dat de juridische situatie voor wat het gezag betreft, aansluit bij deze feitelijke situatie. Er zijn geen feiten of omstandigheden die maken dat er vrees is dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. De vader is in 2023 uit het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verdwenen en sindsdien speelt hij geen enkele rol meer in de verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder heeft altijd geprobeerd het contact tussen de kinderen en de vader te behouden. De vader heeft in de afgelopen jaren geen stappen ondernomen om tot contactherstel met de kinderen te komen en heeft niet gereageerd op contactverzoeken van de moeder. De moeder is niet bekend met het woonadres van de vader en in het BRP blijkt hij te zijn uitgeschreven op zijn laatst bekende woonadres. De moeder en de stiefvader zullen het contact tussen de kinderen en de vader bevorderen indien blijkt dat de vader hier ruimte voor heeft in zijn leven en dit ook in het belang van de kinderen kan worden geacht. De kinderen zien stiefvader als een eigen ouder en noemen hem ook ‘papa’. De moeder neemt de gezagsbeslissingen over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al geruime tijd in gezamenlijk overleg met de stiefvader. De stiefvader behandelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op dezelfde wijze als [minderjarige 3] en draagt ook in financiële zin zorg voor hen. De moeder en de stiefvader vinden het ook van belang dat er qua juridische gezagssituatie geen onderscheid bestaat tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , ook met het oog als de moeder onverhoopt zou komen te overlijden.\n\nDesgevraagd geeft de moeder aan dat zij bereid is te kijken of het mogelijk is om de vader informatie te verstrekken over de kinderen, mits dit in het belang van de kinderen is en in overleg met de hulpverlening die zij momenteel krijgen. Ook ten aanzien van het opstarten van omgang\u002Fcontactherstel in de toekomst geeft de moeder aan dat dit alleen kan in overleg met de hulpverlening en uiterst zorgvuldig zal moeten gebeuren nu de kinderen niet opnieuw teleurgesteld moeten worden in hun vader.\n\n4.2.. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij het verzoek van de moeder en de stiefvader begrijpt en dat hij geen verweer zal voeren. De vader voert aan dat hij uit een lastige periode komt waarin hij zichzelf verloren had, zijn leven niet stabiel was en er sprake was van persoonlijke problematiek. Ook had hij geen eigen woonruimte. Hij heeft hulp gekregen om zijn leven weer op te bouwen en is inmiddels in wat rustiger vaarwater terecht gekomen. De vader geeft aan dat het laatste contact met de kinderen begin 2023 is geweest. De vader hoopt dat in de toekomst, als zijn situatie weer helemaal stabiel en rustig is, het contact tussen hem en de kinderen hersteld kan worden. Hij begrijpt dat dat zorgvuldig moet gebeuren en dat daarbij gekeken moet worden naar het belang van de kinderen.\n\n5. De beoordeling\n\nWijziging gezag\n\n5.1.. Het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:253t, eerste lid, van het BW kan de rechtbank, indien het gezag bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien:\n\na. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en\n\nb. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.\n\nHet derde lid van dit artikel bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.\n\n5.3.. De rechtbank stelt op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht vast dat de stiefvader samen met de moeder al ruim vier jaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgt en hen opvoedt. De stiefvader ziet [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als zijn kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noemen hun vader ‘oude papa’ en zien de stiefvader als hun vader. Aan het vereiste dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan en aan het vereiste dat de moeder en de stiefvader op de dag van het verzoek gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een jaar gezamenlijk voor hen hebben gezorgd, is dan ook voldaan. Ook is voldaan aan het vereiste van de driejaarstermijn van artikel 1:253t, tweede lid, onder b van het BW, gedurende welke termijn de moeder alleen met het gezag over de kinderen belast moet zijn geweest. De moeder oefent vanaf de geboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] namelijk alleen het ouderlijk gezag over hen uit.\n\n5.4.. Verder is de rechtbank niet gebleken van feiten en\u002Fof omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden worden verwaarloosd als bedoeld in artikel 1:253t, derde lid, van het BW. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al vanaf begin 2023 geen enkel contact meer met de vader. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij in de toekomst het contact met de kinderen wenst te herstellen als zijn situatie stabiel is en als de kinderen daar aan toe zijn. De vader begrijpt het verzoek van de moeder en de stiefvader en heeft het verzoek ook niet weersproken. De moeder en de stiefvader hebben aangegeven open te staan voor eventueel contactherstel\u002Finformatieverstrekking aan de vader in de toekomst, maar wensen dit in overleg te doen met de hulpverlening nu de kinderen kwetsbaar zijn en niet weer teleurgesteld moeten worden in hun vader. Verder blijkt dat de moeder, de stiefvader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun (half)zusje [minderjarige 3] een gezin vormen en dat het de bedoeling is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hen opgroeien, waarbij de moeder en de stiefvader de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen behartigen. De juridische situatie wordt door toewijzing van het verzoek ook in overeenstemming gebracht met de al jaren bestaande feitelijke situatie, waarbij de moeder beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen en in goed overleg met de stiefvader neemt.\n\n5.5.. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder en de stiefvader als niet weersproken en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toewijzen en hen gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n5.6.. De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.\n\nProceskosten\n\n5.7.. Gelet op de aard van het geschil zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren.\n\n5.8.. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. bepaalt dat [de stiefvader] , geboren op [geboortedag 4] 1988 te [geboorteplaats 3] , gezamenlijk met de moeder met de uitoefening van het gezag wordt belast over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017;\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020,\n\nvoor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;\n\n6.2.. draagt de griffier op van deze beschikking een aantekening te maken in het gezagsregister;\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door de rechter mr. D.G. Bertsch, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker, griffier, op 30 juni 2026.\n\nVoor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 \u002F Postbus 1312, 1000 BH). Het beroep moet worden ingesteld: - door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6613","2026-07-13T00:29:49.737Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":52,"fullText":66,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":53,"updatedAt":69},"1988","ECLI:NL:GHAMS:2026:1732","ecli-nl-ghams-2026-1732","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht en belastingrecht\n\nTeam III (familie- en jeugdrecht)\n\nzaaknummer: 200.344.709\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F332362 \u002F FA RK 22-4558\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 de zaak van\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in het principaal hoger beroep,\n\nverweerster in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. C.C. Sneper te Amersfoort,\n\nen\n\n [de vader] ,\n\nwonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,\n\nverweerder in het principaal hoger beroep,\n\nverzoeker in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. M.H. Gillis te Hoorn.\n\nHet hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .\n\nIn de procedure heeft een adviserende taak:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem ,\n\nhierna: de raad.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe zaak gaat over [minderjarige 2] (14 jaar) en het contact met haar vader.\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de kinderen) een zorgregeling vastgesteld en het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.\n\nDe moeder was het daar niet mee eens en vond dat de zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door het hof moest worden aangepast en dat de hoofdverblijfplaats bij haar moest worden bepaald. Later in de procedure heeft de moeder het hof verzocht alleen de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 2] te beperken of een raadsonderzoek te gelasten.\n\nDe vader was het wel eens met de bestreden beschikking. Verder wil hij dat er een raadsonderzoek wordt ingesteld of een bijzondere curator voor [minderjarige 2] wordt benoemd.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 12 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van\n\n14 mei 2024 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).\n\n2.2. De vader heeft op 16 oktober 2024 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.3. De moeder heeft op 29 november 2024 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.4. Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:\n\n- een bericht van de zijde van vader van 13 november 2024 met bijlage,\n\n- een bericht van de zijde van vader van 22 november 2024 met bijlagen,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 4 december 2024 met bijlagen.\n\n2.5. De voorzitter heeft op 4 december 2024 met [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 1] heeft in een brief aan het hof laten weten wat zijn mening is. De voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling van 5 december 2024 de inhoud van het gesprek met [minderjarige 2] en de brief van [minderjarige 1] zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.\n\n2.6. Op 5 december 2024 heeft een zitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Het hof heeft op deze zitting besloten de zaak pro-forma aan te houden tot 2 maart 2025 om de uitkomsten van het hulpverleningstraject via Focus2BE af te wachten. Vervolgens is de zaak een aantal keer aangehouden om het verdere verloop van de hulpverlening gericht op het herstellen van het contact tussen [minderjarige 2] en de vader af te wachten. De partijen hebben zich op verschillende moment uitgelaten over het verloop van de hulpverlening, de onderlinge verhoudingen tussen de ouders en de gewenste verdere voortgang van de procedure.\n\n2.7. Na de zitting van 5 december 2025 zijn bij het hof de volgende nadere stukken binnengekomen:\n\n- een bericht van de vader van 26 februari 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 3 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 5 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 15 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 15 mei 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 15 mei 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 7 september 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 31 januari 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 22 maart 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 23 maart 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 24 maart 2026, met bijlagen.\n\n2.8. De mondelinge behandeling is voortgezet op 2 april 2026. Verschenen zijn:\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en\n\n- de raad vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren [in] 2009 te [plaats 2] en [minderjarige 2] , geboren op [in] 2012 te [gemeente] . De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 9 maart 2022 gescheiden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022. Het gezamenlijk gezag over de kinderen is na de echtscheiding in stand gebleven.\n\n3.2. Aan de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022 is een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan gehecht waarin - voor zover hier van belang - het volgende staat vermeld:\n\n- artikel 2.3 van het echtscheidingsconvenant: De ouders zijn overeengekomen dat beide kinderen ingeschreven zullen worden op het woonadres van de moeder, zodra zij een eigen woonadres heeft om zich in te schrijven. Tot zolang blijven de kinderen ingeschreven bij de vader.\n\n- artikel 4 van het ouderschapsplan: De ouders hebben overlegd over de wijze waarop zij na de scheiding de zorg willen verdelen. De ouder waar de kinderen verblijven is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg. De ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen. Er is geen zorgregeling in tijd en plaats. Moeder volgt rooster vader op zo'n manier dat de verdeling 50\u002F50 is per periode van 28 dagen. Dit wordt elke periode opnieuw bekeken vanwege onregelmatig werkrooster. Dit wordt opnieuw bekeken als de contractbasis waarop moeder werkt verandert. Een mogelijkheid is een contract van 50%. In dat geval zal het co-ouderschap om de week worden.\n\n3.3. Bij proces-verbaal van de rechtbank van 8 november 2022 zijn partijen in de onderhavige zaak verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Bij tussenbeschikking van de rechtbank van 25 november 2022 is de beslissing in de bodemzaak over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden in afwachting van bericht van de gemeente [gemeente] , de raad of partijen over het verloop en de uitkomsten van het hulpverleningstraject in het kader van het UHA.\n\n3.4. Uit het eindverslag van Altra, door de rechtbank ontvangen op 29 januari 2024, blijkt dat het hulpverleningstraject is gestagneerd en de doelen niet zijn behaald.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de even weken bij de moeder, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen. Verder is bepaald dat [minderjarige 2] bij wijze van opbouwregeling in de week dat [minderjarige 1] bij de vader verblijft tweemaal bij de vader verblijft van donderdagmiddag uit school tot en met zondag aan het eind van de middag en daarna net als [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.\n\n4.2. De moeder verzoekt in haar beroepschrift, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de zorgregeling voor beide kinderen te wijzigen, in die zin dat zij per datum beschikking eens in de twee weken een weekend van vrijdag tot zondag bij de vader verblijven alsmede dat de regeling van de vakanties blijft zoals overeengekomen, met uitzondering van de mei\u002Fkerstvakantie en de zomervakantie, waarvan zij de invulling vastgelegd wil zien door het hof. Tenslotte verzoekt de moeder dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar wordt vastgesteld.\n\n4.3. De vader verzoekt in zijn verweerschrift het beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader om de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals bepaald in de bestreden beschikking op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel tot een maximum van € 25.000,-. Verder verzoekt de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure van de vader, te weten € 3.440,56, alsmede tot betaling van de nakosten.\n\n4.4. De moeder verzoekt het hof om het incidentele hoger beroep van de vader in zijn geheel af te wijzen.\n\n4.5. De moeder heeft per brief van 2 februari 2026 het hof verzocht de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] te wijzigen en daarbij benadrukt dat [minderjarige 2] geen weekendregeling of vaste dag bij de vader meer wenst. Subsidiair verzoekt de moeder het hof een raadsonderzoek te gelasten.\n\n4.6. De vader verzoekt bij brief van 22 maart 2026 een bijzondere curator met een pedagogische en\u002Fof psychologische achtergrond te benoemen dan wel een raadsonderzoek te gelasten.\n\n4.7. \n\nOp de zitting op 2 april 2026 hebben de partijen, naar het hof begrijpt, het hof verzocht een tijdelijke zorgregeling vast te stellen en een bijzondere curator voor [minderjarige 2] te benoemen.\n\nVerder hebben partijen ter zitting hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] ingetrokken.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Omdat partijen hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] hebben ingetrokken, hoeft het hof hierop geen beslissing meer te nemen. De beoordeling van het hof gaat alleen nog over de verzoeken met betrekking tot [minderjarige 2] .\n\nHet wettelijk kader\n\n5.2. \n\nUit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:\n\n een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.\n\nDe standpunten\n\n5.3. De moeder vindt dat de zorgregeling moet worden afgestemd op de behoeften en wensen van [minderjarige 2] . Een co-ouderschapregeling is niet werkbaar. [minderjarige 2] wil geen weekendregeling met de vader meer en zelfs een vaste dag is haar te veel. Zij is wel bereid tot gestructureerd contact, maar de vader blijft hameren op een co-ouderschapsregeling. In de afgelopen periode heeft [minderjarige 2] contact gehad met de kindbehartiger om de situatie tussen haar en de vader te verbeteren. Er zijn verschillende gesprekken geweest, maar telkens loopt de communicatie tussen hen weer vast door de houding van de vader. Verder weigert de vader nog steeds met de moeder te communiceren. Volgens de moeder is de communicatie tussen de ouders niet verbeterd, terwijl een goede onderlinge communicatie noodzakelijk is voor de uitvoering van een zorgregeling. De moeder is van mening dat de zorgregeling moet worden beperkt in het belang van [minderjarige 2] . Een raadsonderzoek of de benoeming van een bijzondere curator kan nadere informatie opleveren die van belang is voor de beoordeling welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is.\n\n5.4. De vader wil dat onderzoek wordt gedaan naar de reden waarom [minderjarige 2] niet meer naar hem toe gaat. De zorgregeling wordt al een lange periode niet meer nageleefd en de vader ziet [minderjarige 2] weinig tot helemaal niet. Voor de vader is duidelijk dat [minderjarige 2] wel contact met hem wil, maar dat iets haar tegenhoudt. Zij stuurt hem berichten en neemt zelf contact op met de kindbehartiger. Hieruit blijkt dat zij zelf initiatief neemt om haar vader te zien. Volgens de vader worden er telkens stappen gemaakt in het contact tot er iets gebeurt waardoor het contact weer misloopt. De vader vermoedt dat de moeder hierin een rol speelt. Het doel van het onderzoek moet zijn dat wordt vastgesteld wat [minderjarige 2] tegenhoudt om weer volgens de co-ouderschapregeling bij hem te verblijven.\n\n5.5. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat zij wensen dat een bijzondere curator wordt benoemd en dat [minderjarige 2] tot die tijd één middag in de week naar de vader gaat. Als [minderjarige 2] dat wil, kan de tijdelijke regeling worden uitgebreid met een overnachting bij de vader. Het doel van de regeling is dat de vader en [minderjarige 2] samen tijd door kunnen brengen.\n\nHet advies van de raad\n\n5.6. De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende aangegeven. De ouders vinden het lastig om in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren en hierdoor worden de kinderen belast met verantwoordelijkheden die zij niet kunnen dragen. [minderjarige 2] ervaart druk door de strijd tussen de ouders en raakt door de verstoorde verhoudingen verder verwijderd van haar vader. Eerdere hulpverlening is vastgelopen en de raad adviseert de ouders om via het traject solo-parallel ouderschap afspraken te maken, zodat de kinderen minder worden belast met de spanningen tussen de ouders. De raad merkt hierbij op dat andere trajecten gericht op gezamenlijk ouderschap niet meer aan de orde zijn. In eerste instantie zou het advies van de raad geweest zijn om een zorgregeling vast te stellen. Een raadsonderzoek of het benoemen van een bijzondere curator zal in dit geval niet veel toevoegen. De stem van [minderjarige 2] is voldoende gehoord. Er is een kindbehartiger betrokken (geweest) die naar [minderjarige 2] heeft geluisterd en heeft ingezet op contactherstel. De verantwoordelijkheid voor het bepalen van de zorgregeling moet niet alleen bij [minderjarige 2] komen te liggen. Nadat partijen ter zitting gezamenlijk hebben aangegeven dat zij het van belang vinden dat er een bijzondere curator wordt benoemd, heeft de raad zijn advies gewijzigd en geadviseerd een bijzondere curator te benoemen zodat onderzocht kan worden welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het is van belang dat er een zorgregeling komt die aansluit bij de belastbaarheid van [minderjarige 2] . Tegelijkertijd benadrukt de raad dat [minderjarige 2] een vader heeft die betrokken wil zijn bij haar leven. Van de moeder wordt verwacht dat zij [minderjarige 2] aanspoort naar de vader te gaan, aldus de raad.\n\nDe beoordeling door het hof\n\n5.7. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Het is de ouders de afgelopen jaren niet gelukt om het gedeelde ouderschap samen vorm te geven. Er is sprake van wederzijds wantrouwen tussen de ouders. Het hof constateert dat de ouders gebeurtenissen en situaties op wezenlijke punten verschillend beleven en duiden. Dit komt onder meer naar voren in hun lezing van de communicatie over de vakanties, het contact tussen [minderjarige 2] en de vader en de redenen waarom [minderjarige 2] op dit moment niet overeenkomstig de zorgregeling bij de vader verblijft. Tijdens de eerste zitting in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat de vader het initiatief zou nemen voor een hulpverleningstraject bij Focus2Be om het contact met [minderjarige 2] te herstellen. Op dat moment ging [minderjarige 2] al een aantal maanden niet meer naar haar vader toe en hield zij het contact met hem af. Tijdens de tweede zitting in hoger beroep is gebleken dat het contact tussen [minderjarige 2] en de vader nog niet is hersteld. De kindbehartiger heeft in een e-mailbericht van 19 maart 2026 aangegeven dat zij op dat moment geen mogelijkheden zag het traject gericht op contactherstel tussen [minderjarige 2] en de vader voort te zetten. Ter zitting in hoger beroep zijn de ouders een tijdelijke zorgregeling overeengekomen, waaruit het hof opmaakt dat de ouders kennelijk mogelijkheden zien om een (tijdelijke) regeling overeen te komen waarin de vader en [minderjarige 2] contact met elkaar zullen hebben.\n\n5.8. De ouders hebben ter zitting aangegeven dat zij willen dat een bijzondere curator onderzoekt welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het hof zal geen bijzondere curator benoemen. Reden daarvoor is dat het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de zorgregeling. De stem van [minderjarige 2] is in deze procedure voldoende naar voren gekomen en een advies van een bijzondere curator zal, gelet op de al aanwezige informatie, naar verwachting niet leiden tot nieuwe inzichten. Het nogmaals benoemen van een derde die in gesprek gaat met [minderjarige 2] is niet het middel om de voortdurende conflicten tussen de ouders op te lossen. De verantwoordelijkheid voor de zorgregeling behoort bij de ouders en niet overwegend bij [minderjarige 2] te liggen. Met de raad is het hof van oordeel dat het aan de ouders is om de spanningen tussen hen te verminderen, bijvoorbeeld door middel van het volgen van het traject solo-parallelouderschap, zoals door de raad geadviseerd. Daarnaast geldt dat met een onderzoek door een bijzondere curator tijd gemoeid zal zijn en dit zal in deze al langlopende procedure weer een periode van onzekerheid betekenen, hetgeen het hof niet in het belang van [minderjarige 2] acht. Daarnaast overweegt het hof dat de kindbehartiger nog steeds bij [minderjarige 2] betrokken is als vertrouwenspersoon en hiermee is er voor [minderjarige 2] een onafhankelijk persoon met wie zij kan spreken over het contact met haar vader. In die context kan in overeenstemming met de behoeften van [minderjarige 2] ook tot uitbreiding van de door de ouders op de zitting overeengekomen tijdelijke regeling worden gekomen.\n\n5.9. Het hof zal, gelet op het voorgaande, een zorgregeling vaststellen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De komende periode dient gericht te zijn op het opbouwen van contact tussen [minderjarige 2] en de vader, waarbij de druk op haar zoveel mogelijk wordt beperkt. Het is in het belang van [minderjarige 2] dat zij op regelmatige basis contact heeft met haar vader. Zij heeft een vader die van haar houdt en deel wil uitmaken van haar leven. Omdat in de afgelopen periode het contact tussen de vader en [minderjarige 2] minimaal is geweest, is een co-ouderschapsregeling echter niet aan de orde. Het is positief dat de ouders ter zitting gezamenlijk tot een regeling zijn gekomen waarin [minderjarige 2] één middag in de week naar haar vader gaat en zij zelf mag bepalen of zij op den duur wil blijven slapen bij de vader. Het hof zal deze tijdelijke regeling als zorgregeling vaststellen. Met deze regeling kunnen [minderjarige 2] en de vader op regelmatige basis tijd met elkaar doorbrengen en wordt aangesloten bij haar behoeften. Hierbij geeft het hof de vader mee dat, hoe invoelbaar zijn wens om hervatting van de co-ouderschapsregeling ook is, het zijn contact met [minderjarige 2] ten goede zal komen als hij de situatie accepteert en luistert naar wat [minderjarige 2] van hem nodig heeft. Ten aanzien van de moeder merkt het hof op dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat de moeder het contact met de vader stimuleert en ondersteunt. Tot slot geeft het hof partijen mee dat als [minderjarige 2] vaker naar haar vader toe wil, zij daarvoor de ruimte moeten bieden.\n\n5.10. Gelet op bovenstaande ziet het hof, net zoals de raad, evenmin aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.\n\n5.11. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is het hof, net zoals de rechtbank, van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek, omdat de inschrijving van de kinderen op het adres van de moeder niet ter discussie staat. Het hof wijst het verzoek van de moeder af.\n\n5.12. Het hof ziet gelet op de familierechtelijke aard van de procedure geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek van de vader zal worden afgewezen en het hof zal de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, in principaal en incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de in de bestreden beschikking van 14 mei 2024 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem voor [minderjarige 2] vastgestelde zorgregeling en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nbepaalt de verdeling van de zorg -en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2] als volgt:\n\n [minderjarige 2] verblijft één middag in de week na school op een in onderling overleg tussen partijen en [minderjarige 2] te bepalen doordeweekse dag bij de vader, waarbij [minderjarige 2] als zij dat wil bij de vader kan blijven overnachten;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. M.T. Hoogland en mr. M. Braak, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1732","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:48.590Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":45,"courtId":74,"decisionDate":52,"fullText":75,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":77},"369","ECLI:NL:GHARL:2026:4258","ecli-nl-gharl-2026-4258",70,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.780\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190548)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker](de vader),\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep,\n\nverweerder in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder),\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Robben te Leeuwarden.\n\nIn zijn toetsende en\u002Fof adviserende taak is gekend:\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad),\n\nregio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 november 2023, 26 november 2024 en 23 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 22 oktober 2025;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 17 november 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 3 december 2025 met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- een brief van de raad van 6 maart 2026, waarin de raad laat weten aanwezig te zullen zijn bij de zitting;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 18 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 25 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 28 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 29 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 1 juni 2026 met bijlage(n).\n\n2.2. De minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 24 april 2026 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en een vertegenwoordiger namens de raad.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen, afgewezen en, voor zover hier van belang, een (definitieve) zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school. De rechtbank heeft tevens een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld.\n\n3.3. \n\nBlijkens het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [de minderjarige] :\n\n• in de ene week -de oneven weken- van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft en\n\n• in de andere week -de even weken- van woensdagmiddag na school tot donderdagmorgen naar school bij de vader verblijft;\n\n• op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per overtreding met een\n\nmaximum van € 2.500,-.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] .\n\n4.2. \n\nDe vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 juli 2025. Deze grief ziet op de vastgestelde (reguliere) zorgregeling.\n\nDe vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te wijzigen, in die zin dat als structurele zorgregeling heeft te gelden dat [de minderjarige] om de week van maandag uit school tot maandag naar school en op de vrije dagen tot 14.00 uur bij de moeder en de vader verblijft, althans een zodanig beslissing te nemen als door het hof in goede orde te bepalen.\n\n4.3. De moeder is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof om, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek in hoger beroep van de vader af te wijzen en haar verzoek in hoger beroep toe te wijzen door de bestreden beschikking waar het gaat om de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader in de andere week van woensdag na school tot donderdag voor school te vernietigen en de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader van eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school te bekrachtigen.\n\n4.4. De vader verzoekt het hof om de moeder in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken ongegrond te verklaren.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.\n\n5.2. Het hof stelt voorop dat het hoger beroep van de ouders zich richt tegen de door de rechtbank vastgestelde reguliere zorgregeling. De vakantie- en feestdagenregeling is niet in geschil. De ouders zijn het erover eens dat de huidige reguliere zorgregeling onrustig is voor [de minderjarige] . De vader stelt zich op het standpunt dat er, overeenkomstig het advies van de raad aan de rechtbank, een co-ouderschapsregeling moet worden vastgesteld. Dit betekent volgens de vader dat er minder wisselmomenten zullen zijn en er meer rust voor [de minderjarige] zal ontstaan. De moeder heeft aangevoerd dat het verblijf van [de minderjarige] bij de vader in de andere week, van woensdag uit school tot donderdag naar school, te onrustig is en verstorend werkt in de schoolweek. Gelet op de slechte verstandhouding en communicatie tussen de ouders, is volgens de moeder een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] . De moeder kan zich vinden in een zorgregeling waarbij [de minderjarige] eens per twee weken (in de oneven weken) van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft.\n\n5.3. \n\nDe raad heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, anders dan bij de rechtbank, op het standpunt gesteld dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang is\n\nvan [de minderjarige] . De raad heeft hierbij gewezen op de verstoorde verstandhouding en het ontbreken van overleg tussen de ouders. De raad adviseert om een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] om de week bij de vader verblijft van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school. De omgang in de andere week van woensdag op donderdag is volgens de raad te veel voor [de minderjarige] .\n\n5.4. \n\nNet als de raad vindt het hof dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] is. Voor een co-ouderschapsregeling is vereist dat ouders met elkaar kunnen communiceren en samenwerken om te voorkomen dat het kind door een dergelijke regeling onnodig (extra) wordt belast. De ouders zijn in de afgelopen jaren niet in staat gebleken om op een constructieve wijze en in goed overleg invulling te geven aan het ouderschap.\n\nDe raad had de ouders bij de rechtbank geadviseerd om het traject solo parallel ouderschap in te zetten, zodat zij ieder op hun eigen manier het ouderschap kunnen invullen.\n\nDit traject is niet van de grond gekomen. De verstandhouding tussen de ouders is inmiddels langdurig verstoord en er bestaan grote zorgen over het effect daarvan op [de minderjarige] .\n\nEen co-ouderschapsregeling is onder deze omstandigheden niet reëel. Het hof zal het verzoek van de vader daartoe afwijzen.5.5. \n\nGelet op het voorgaande, ziet het hof, conform het door de raad ter zitting gegeven advies en het verzoek van de moeder, aanleiding om te bepalen dat [de minderjarige] om de week bij de vader zal verblijven van woensdag uit school tot maandag naar school.\n\nDeze zorgregeling bevat minder wisselmomenten dan de door de rechtbank vastgestelde regeling en is daardoor rustiger voor [de minderjarige] . Het hof acht dit, gelet op de ernstig verstoorde verstandverhouding tussen de ouders en de gevolgen daarvan voor [de minderjarige] ,\n\nhet meest in haar belang. Het hof zal, in navolging van de beslissing van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2025, bepalen dat de omgang bij de vader in de oneven weken zal plaatsvinden, zodat de zorgregeling aansluit bij de regeling van de jongste dochter van de vader.\n\n6. De slotsom\n\nOp grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de in de bestreden beschikking vastgestelde reguliere zorgregeling om doelmatigheidsredenen in zijn geheel vernietigen en in zoverre beslissen als volgt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 juli 2025, wat betreft de vastgestelde reguliere zorgregeling, en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nverdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder aldus dat [de minderjarige] eens per twee weken -in de oneven weken- van woensdag uit school tot maandag naar school\n\nbij de vader verblijft;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en E. Leentjes, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4258","2026-07-13T00:28:26.417Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":52,"fullText":82,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":53,"updatedAt":84},"1444","ECLI:NL:GHAMS:2026:1731","ecli-nl-ghams-2026-1731","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht en belastingrecht\n\nTeam III (familie- en jeugdrecht)\n\nzaaknummer: 200.361.124\u002F01\n\nzaaknummers rechtbank: C\u002F15\u002F332653 \u002F FA RK 22-4689 en C\u002F15\u002F338990 \u002F FA RK 23-1825\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak van\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in principaal hoger beroep,\n\nverweerster in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. A.E. Koster te Den Helder,\n\nen\n\n [de vader] ,\n\nwonende te [plaats B] ,\n\nverweerder in principaal hoger beroep,\n\nverzoeker in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. K.G.A.C. Scheper te Den Bosch.\n\nHet hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en\n\n- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .\n\nIn de procedure heeft een adviserende taak:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,\n\nhierna: de raad.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe zaak gaat in de kern over de vraag hoe bij de uitvoering van de zorgregeling het brengen en halen van [minderjarige 1] (7 jaar) en [minderjarige 2] (4 jaar) tussen de ouders moet worden verdeeld.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. De moeder is op 5 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).\n\n2.2. De vader heeft op 21 januari 2026 een verweerschrift met daarin ook een (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.3. De moeder heeft op 16 maart 2026 een verweerschrift op het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.4. Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 18 november 2025 met bijlagen, en\n\n- ( op verzoek van het hof) een bericht van de zijde van de moeder van 11 mei 2026 met bijlagen.\n\n2.5. \n\nNamens de vader is op 18 mei 2026 een bericht met bijlagen (producties 38 tot en met 41) overgelegd. De advocaat van de moeder heeft diezelfde dag verzocht om die stukken buiten beschouwing te laten.\n\nHet hof heeft daarop beslist en partijen op dezelfde dag geïnformeerd dat gelet op de omvang en het moment van indiening van de nadere stukken, de akte en de bijgevoegde stukken buiten beschouwing worden gelaten.\n\n2.6. Ter zitting heeft de advocaat van de vader het hof erop gewezen dat hij bij bericht van 19 mei 2026 (nieuwe) producties 38 t\u002Fm 40 heeft overgelegd. Alhoewel namens de moeder tegen het overleggen van deze producties geen bezwaar is gemaakt, heeft het hof bij de afsluiting van de zitting beslist dat de op 19 mei 2026 overgelegde producties 38 t\u002Fm 40 buiten beschouwing worden gelaten, mede omdat partijen ter zitting op een van de geschilpunten waar de producties betrekking op hadden, tot overeenstemming zijn gekomen.\n\n2.7. De zitting heeft op 20 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en\n\n- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.\n\nDe advocaten van de moeder en de vader hebben op de zitting pleitnotities voorgedragen en overgelegd.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn op 9 oktober 2017 te [gemeente] een geregistreerd partnerschap aangegaan, welk geregistreerd partnerschap op 8 september 2025 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de – in zoverre niet – bestreden beschikking van 7 augustus 2025.\n\n3.2. Uit dit geregistreerd partnerschap zijn geboren:\n\n- [minderjarige 1] , [in] 2019 te [plaats C] , Curaçao, en\n\n- [minderjarige 2] , [in] 2022 te [plaats C] , Curaçao (hierna gezamenlijk: de kinderen).\n\n3.3. De ouders hebben van rechtswege gezamenlijk gezag over de kinderen. De kinderen staan ingeschreven op het woonadres van de moeder en zij hebben hun hoofdverblijfplaats ook bij de moeder.\n\n3.4. Bij proces-verbaal van mondelinge uitspraak naar aanleiding van een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen van 10 februari 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat:\n\n- de kinderen worden toevertrouwd aan de moeder;\n\n- tussen de vader en de moeder een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) gaat gelden die door middel van een opbouw tot stand moet komen.\n\n3.5. Bij beschikking van de rechtbank van 16 oktober 2023 is, met wijziging van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 10 februari 2023, een nadere zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen -na een verdere opbouw- vanaf vrijdag 12 januari 2024 eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur (naast een wekelijkse doordeweekse dag vanuit school tot 17.00 uur) bij de vader (in [plaats D] ) zijn waarbij voor alle omgangsmomenten geldt dat de vader de kinderen ophaalt en weer terugbrengt naar de moeder (in [plaats A] ).\n\n3.6. Bij beschikking van de rechtbank van 9 augustus 2024 is, voor zover hier van belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 16 oktober 2023, een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij de vader en de kinderen in de even weekenden van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur omgang met elkaar hebben, waarbij de vader de kinderen uit school ophaalt en hen op zondag bij de moeder thuis terugbrengt, waarbij geldt dat de stiefvader van de moeder op zondag niet aanwezig is in of rondom de woning van de moeder.\n\n3.7. Partijen hebben ruim nadat zij feitelijk uit elkaar zijn gegaan in het kader van de beëindiging van hun geregistreerd partnerschap overleg gehad en op deelonderwerpen afspraken gemaakt welke in juni 2025 zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de aangehechte, door de ouders op 3 juni 2025 respectievelijk 17 juni 2025 ondertekende, vaststellingsovereenkomst deel uitmaakt van de beschikking, waarbij op de resterende geschilpunten als volgt is beslist:\n\n- artikel 1.10: de vader haalt de kinderen vrijdag op en de moeder haalt de kinderen op zondag op bij de vader;\n\n- artikel 1.10: de vader haalt [minderjarige 1] op vrijdag op uit school en [minderjarige 2] bij de moeder thuis.\n\n4.2. \n\nDe moeder verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:\n\nI. te bepalen dat de vader op de zondagen van de reguliere omgangsweekenden de kinderen om 16.00 uur bij de moeder (op haar woonadres) terug dient te brengen;\n\nII. subsidiair: voor het geval het hof bepaalt dat de moeder op die zondagen de kinderen bij de vader dient te halen, te bepalen dat de moeder de kinderen dan op die zondagen van de reguliere omgangsweekenden om 14.00 uur bij de vader ophaalt, dan wel laat ophalen;\n\nIII. te bepalen, dat zodra [minderjarige 2] ook naar school gaat, de vader op de bewuste vrijdagen van de reguliere omgangsweekenden, beide kinderen om 14.30 uur bij de moeder thuis ophaalt;\n\nalthans zodanige regelingen te treffen als het hof juist acht.\n\n4.3. \n\nDe vader verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. In (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep verzoekt de vader in aanvulling op de bestreden beschikking te bepalen dat:\n\nI. de kinderen na afloop van zijn zorgweekend om 16.00 uur door de moeder worden opgehaald bij hem, en\n\nII. vanaf het moment dat [minderjarige 2] naar school gaat, beide kinderen bij aanvang van zijn zorgweekend om 14.00 uur door hem worden opgehaald uit school.\n\nTer zitting in hoger beroep heeft de vader aanvullend verzocht om de raad op te dragen een onderzoek te doen naar de volgende vragen:\n\n- In hoeverre is sprake van gedrag of communicatie van de ouders dat het contact, de hechting of de relatie van de kinderen met de andere ouder belemmert of negatief beïnvloedt?\n\n- Welke invloed hebben de terugkerende conflicten en politie-incidenten tijdens overdrachtsmomenten op het veiligheidsgevoel, de emotionele ontwikkeling en de loyaliteitsbeleving van de kinderen?\n\n- In hoeverre zijn beide ouders in staat de kinderen emotionele toestemming te geven voor onbelemmerd contact met de andere ouder en het belang van de kinderen boven het onderlinge conflict te plaatsen?\n\n- Welke interventies, veiligheidsafspraken of vormen van hulpverlening zijn noodzakelijk om verdere escalaties, loyaliteitsproblematiek en mogelijke contactbreuk tussen de kinderen en een van de ouders te voorkomen?\n\n4.4. De moeder verzoekt in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep om de verzoeken van de vader af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nIn principaal en incidenteel hoger beroep\n\n5.1. Ter zitting in hoger beroep hebben de ouders overeenstemming bereikt over de ophaallocatie van de kinderen op vrijdagmiddag na school in de weekenden dat de vader voor hen zorgt. De ouders hebben, overeenkomstig het advies van de raad, afgesproken dat de vader de kinderen vanaf de eerstvolgende vrijdag na de zitting (22 mei 2026) op de vrijdagen dat hij de zorg voor de kinderen draagt, om 14.00 uur ophaalt uit school. Het hof is van oordeel dat het belang van de kinderen zich niet verzet tegen deze afspraak en zal, overeenkomstig het voorwaardelijk verzoek van de vader in incidenteel hoger beroep, beslissen.\n\n5.2. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing over de zorgregeling te nemen, zodat geen aanleiding bestaat hierover een raadsonderzoek te gelasten, zoals de vader heeft verzocht. Daarbij overweegt het hof dat het op dit moment (afgezien van de spanningen tussen de ouders die de kinderen meekrijgen) goed lijkt te gaan met de kinderen. Ook wijst het hof er op dat de vragen die de vader via een onderzoek door de raad aan de orde wil stellen buiten het bereik van de in deze zaak aan de orde zijnde verzoeken valt. Het hof zal de raad daarom niet verzoeken een raadsonderzoek uit te voeren.\n\n5.3. Het hof dient nog de overige verzoeken omtrent de zorgregeling te beoordelen. Het hof zal daartoe de grieven in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep, gelet op hun inhoud en onderlinge samenhang, hierna gezamenlijk bespreken.\n\nHet wettelijk kader5.4. De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten - voor zover in deze zaak van belang - een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.\n\n5.5. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij de kinderen in het weekend dat zij bij de vader verblijven op zondag op dient te halen bij hem. De moeder werkt in de zorg en kan slechts in beperkte mate invloed uitoefenen op haar werkrooster. Daar komt bij dat zij momenteel intern een opleiding volgt waarvoor het nodig is dat zij ook in de weekenden werkt. Dit alles maakt dat de moeder volgens haar geen uitvoering kan geven aan de beslissing van de rechtbank. De rechtbank heeft dit bij beschikking van 16 oktober 2023 ook vastgesteld in het kader van voorlopige voorzieningen en heeft toen bepaald dat de vader de kinderen vanaf 12 januari 2024 in zijn zorgweekend om 17.00 uur bij de moeder dient terug te brengen. Daarna heeft de rechtbank bij beschikking van 9 augustus 2024 nogmaals vastgesteld dat de vader de kinderen op die zondagen bij de moeder terug dient te brengen, zij het om 16.00 uur. De omstandigheden zijn nadien niet gewijzigd en de afwijking in de bestreden beschikking ten opzichte van de eerdere beschikkingen is niet behoorlijk gemotiveerd. Het tijdstip van terugbrengen is vervolgens niet meer uitgewerkt in de vaststellingsovereenkomst, omdat dat tijdstip en de reden voor dat tijdstip tussen de ouders vaststond. Het tijdstip komt ook niet terug in de bestreden beschikking, wat een omissie is. De moeder zou vanwege haar werk meermaals per maand derden moeten inschakelen om de kinderen op de zondagen bij de vader thuis op te halen. De moeder kan (alleen) haar ouders af en toe vragen om de kinderen op te halen, maar zij zijn op hogere leeftijd en kunnen niet verplicht worden om hier vast onderdeel van uit te maken. De vader werkt in de omgangsweekenden niet en is in staat om de kinderen te halen en terug te brengen naar de moeder. De vader moet verantwoordelijkheid nemen voor het feit dat hij in [plaats D] is gaan wonen, wetende dat deze grote afstand invloed zou hebben op de zorgregeling. Als de moeder de kinderen wel op zondag moet ophalen, dan wil zij dat de ophaaltijd met twee uur wordt vervroegd, zodat de kinderen thuis kunnen acclimatiseren en tot rust kunnen komen. Momenteel vallen de kinderen op de terugweg in slaap in de auto, waardoor zij ’s avonds ontregeld zijn en niet willen slapen. Het voorstel van de vader om de kinderen om 17.00 uur op te halen is niet in het belang van de kinderen, is onwenselijk en zal tot meer onrust leiden, aldus de moeder.\n\n5.6. De vader meent dat terecht is overwogen dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders de verantwoordelijkheid delen voor het vervoer en het halen en brengen van de kinderen. Met een dergelijke regeling wordt aan de kinderen door de ene ouder emotionele toestemming gegeven om naar de andere ouder te mogen gaan. De moeder heeft niet aangetoond dat haar werkrooster niet op zodanige wijze kan worden ingericht, dat zij de kinderen om de week op zondagmiddag om 16.00 uur bij de vader kan komen ophalen. Eerder bracht de vader de kinderen om 16.00 uur terug naar de moeder, waarop zij haar rooster kennelijk wel kon inrichten. Als dat haar niet lukt, dan is het aan haar om haar netwerk aan te spreken. De stellingen van de moeder rijmen niet met haar verzoek om te bepalen dat het zorgweekend van de vader om 14.00 uur eindigt als zij de kinderen bij hem moet komen ophalen. In dat geval wordt de ophaaltijd met twee uur vervroegd, zodat zij minder inzetbaar is. Als zij haar werkrooster hierop kan aanpassen, moet dat ook voor een latere ophaaltijd gelden. Daarnaast zou het zorgweekend van de vader dan twee uur eerder eindigen, terwijl zijn zorg voor de kinderen al beperkt is en een verdere inperking niet in het belang van de kinderen is. Bovendien zijn de kinderen en de moeder in de huidige regeling rond 17.40 uur weer thuis, zodat er voldoende tijd is om te acclimatiseren. De vader is bereid om met de moeder mee te denken en wat hem betreft kan zij de kinderen ook om 17.00 uur bij hem komen ophalen. In geen van de door de moeder genoemde beschikkingen is geoordeeld dat de kinderen op zondag om 16.00 uur bij haar terug moeten zijn, zodat zij kunnen acclimatiseren. De vader stelt verder dat hij de (reis)afstand verkleind heeft door terug te verhuizen van Curaçao naar Nederland en dat alternatieve woonruimte dichter bij de moeder en de kinderen niet beschikbaar was. Onlangs hebben er twee incidenten plaatsgevonden tijdens de overdrachtsmomenten (op 3 en 8 mei 2026), waarbij de politie ter plaatse is geweest.\n\nHet advies van de raad5.7. De raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven het lastig te vinden om een advies uit te brengen over het ophalen\u002Fterugbrengen van de kinderen op zondag. Eerder heeft de raad bij de zitting van de rechtbank daar in het algemeen vanuit opvoedkundig perspectief wel iets over gezegd, maar er zijn nu vooral specifieke redenen van praktische aard waarom de moeder de kinderen kennelijk op zondagmiddag niet kan ophalen bij de vader te [plaats D] . Als de moeder het wat betreft de inrichting van haar werktijden niet redt om de kinderen op te halen, dan kan mogelijk worden overwogen dat de vader de kinderen terugbrengt. De samenwerking tussen de ouders verloopt niet goed, waar de kinderen last van hebben en spanningen door ervaren. De ouders moeten dat veranderen en ervan doordrongen zijn dat de kinderen klem komen te zitten in een loyaliteitsconflict als zij in hun houding, gedrag en communicatie doorgaan zoals zij nu doen. Basale communicatie tussen de ouders is het minste wat van hen verwacht mag worden. Zij moeten samen aan de slag gaan om het ouderschap op een voor de kinderen veilige en voorspelbare wijze in te vullen. Het is daarbij ook belangrijk dat de kinderen toestemming voelen van de moeder om bij de vader te zijn. Dat de politie wordt gebeld en langskomt is heel ingrijpend voor de kinderen en draagt niet bij aan hun welzijn. De ouders hebben begeleiding nodig om te onderzoeken wat zij zelf kunnen doen om in het belang van de kinderen niet naar elkaar te escaleren. De raad vindt het belangrijk dat de ouders onafhankelijk van elkaar een traject volgen om te leren hoe zij met elkaar kunnen communiceren en overleggen over de kinderen. De raad kan zich voorstellen dat een Solo Parallel Ouderschap traject helpend kan zijn voor de ouders.\n\nDe beoordeling5.8. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Gedurende hun geregistreerd partnerschap hebben de ouders enkele jaren samengewoond op Curaçao. Nadat de ouders in juli 2022 (toen de moeder zwanger was van [minderjarige 2] ) uit elkaar zijn gegaan is de vader op Curaçao blijven wonen en is de moeder met de kinderen naar Nederland verhuisd. De moeder is toen met de kinderen in [gemeente] gaan wonen, waar de ouders hun woning hadden aangehouden. De vader is eind september 2023 van Curaçao naar Nederland verhuisd en bij zijn nieuwe partner in [plaats D] ingetrokken. Er liep na de terugkeer van de vader een zorgregeling, waarover de rechtbank in meerdere beschikkingen heeft beslist dat de vader de kinderen na een regulier omgangsweekend terug moest brengen naar de moeder.\n\n5.9. Het hof is van oordeel dat gelet op hetgeen de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd, voldoende vast is komen te staan dat het voor haar, in de weekenden dat de kinderen bij de vader zijn, vooralsnog niet mogelijk is om de kinderen op zondagmiddag bij hem in [plaats D] op te halen. Gebleken is dat de moeder een opleiding tot verpleegkundige volgt en dat zij in dat kader verplicht is twee weekenden per maand te werken. Het is juist op een eerder verzoek van de vader geweest dat de zorgweekenden zijn gewisseld, waardoor de vader momenteel de zorg voor de kinderen draagt in de weekenden dat de moeder werkt. Aannemelijk is geworden dat de moeder in een weekend in beperkte mate de keuze heeft om in bepaalde dienst te werken (van 07.00 uur tot 15.00 uur of van 10.00 uur tot 20.00 uur of vanaf 15.00 uur tot 22.00 uur). Alleen de dienst op zondag van 07.00 uur tot 15.00 uur biedt de moeder in theorie de mogelijkheid om de kinderen rond 17.00 uur bij de vader te [plaats D] op te halen. Dat vergt van de moeder dan dat zij na haar dienst van 07.00 tot 15.00 uur (bij gunstige verkeersomstandigheden) nog 3 a 4 uur in de auto moet reizen om de kinderen op te halen. Dit acht het hof niet verantwoord en niet in het belang van de kinderen. De moeder is daarom afhankelijk van derden als de kinderen opgehaald moeten worden bij de vader. Ter zitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat haar moeder de kinderen op dit moment op zondag ophaalt bij de vader, maar dat haar moeder heeft aangegeven dat dit een tijdelijke oplossing is en dat van haar niet gevraagd kan worden dat zij de kinderen altijd op de zondagen ophaalt bij de vader te [plaats D] . Het hof acht deze tijdelijke oplossing geen duurzame oplossing en het hof is van oordeel dat van de moeder niet verwacht kan worden dat zij telkens derden inschakelt om de kinderen op te laten halen bij de vader te [plaats D] . Daar komt bij dat niet gebleken is dat de vader de kinderen niet kan terugbrengen naar de moeder op zondag. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij op zondag om 16.00 uur terug gebracht worden bij de moeder, zodat zij voldoende tijd hebben om te acclimatiseren voordat zij naar bed gaan zodat zij uitgerust zijn als zij de volgende dag weer naar school moeten. Het hof zal het primaire verzoek van de moeder dan ook toewijzen en bepalen dat de vader de kinderen op de zondagen dat zij bij hem zijn om 16.00 uur bij de moeder (op haar woonadres te [plaats A] ) terug dient te brengen. Nu het primaire verzoek van de moeder wordt toegewezen, zal het hof het subsidiaire verzoek van de moeder en het voorwaardelijk verzoek van de vader (om te bepalen dat de kinderen na afloop van zijn zorgweekend om 16.00 uur door de moeder worden opgehaald bij hem) afwijzen.\n\n5.10. Ten overvloede overweegt het hof als volgt. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij naar verwachting in september 2027 klaar is met haar opleiding. Dan zal er een nieuwe situatie ontstaan, waarbij de moeder mogelijk flexibeler kan worden in het organiseren van haar werktijden en daarmee in het ophalen van de kinderen bij de vader. Het hof geeft partijen in overweging om dan te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de regeling over het brengen en halen aan te passen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt onderdeel 3.2. van de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende;\n\nbepaalt dat de vader de kinderen in zijn zorgweekend op vrijdag ophaalt uit school en op zondag om 16.00 uur terugbrengt bij de moeder (op haar woonadres);\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nbekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. F. Kleefmann en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1731","2026-07-13T00:29:21.464Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":45,"courtId":89,"decisionDate":90,"fullText":91,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":53,"updatedAt":93},"1722","ECLI:NL:GHARL:2026:4133","ecli-nl-gharl-2026-4133",60,"2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.014\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580285)\n\nbeschikking van 23 juni 2026\n\nover het gezag over en omgang met\n\n [de minderjarige]\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de vader)\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nverder te noemen: de vader\n\nadvocaat: mr. A. Azauiyat\n\nen\n\n [verweerster](de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nadvocaat: mr. R. Vermeer\n\nen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\nals adviseur van het hof.\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , heeft op 29 september 2025 de verzoeken van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een zorgregeling vast te stellen afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven. Het hof zal een voorlopige omgangsregeling bepalen in afwachting van de uitkomsten van een te gelasten onderzoek naar gezag en omgang door de raad en legt hierna uit waarom.2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023.\n\n2.2.. De vader heeft van de rechtbank op 29 september 2025 toestemming gekregen om [de minderjarige] te erkennen.2.3.. De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .\n\n2.3.. \n [de minderjarige] woont bij de moeder.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. \n\nDe vader heeft de rechtbank verzocht:\n\n* de vader vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen\n\n* de geslachtsnaam van [de minderjarige] te wijzigen in ‘ [naam1] ’ of ‘ [naam2] ’\n\n* een zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te stellen van eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, plus de helft van de vakanties, feest- en bijzondere dagen\n\n* als de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling niet toewijst, de raad te gelasten een onderzoek daarnaar te verrichten.\n\n3.2.. De rechtbank heeft de vader vervangende toestemming gegeven om [de minderjarige] te erkennen. Alle andere verzoeken van de vader zijn afgewezen. De rechtbank heeft wel bepaald dat de moeder een keer per drie maanden een e-mail met daarbij een foto aan de vader stuurt over de gezondheid van [de minderjarige] , hoe het met [de minderjarige] gaat op school en zijn hobby’s. De beslissing over het sturen van een-email aan de vader is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat die beslissing direct werkt, ook als er hoger beroep is ingesteld.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank om zijn verzoeken over het gezag en de zorgregeling af te wijzen. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. De vader verzoekt het hof in de eerste plaats hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en om een zorgregeling vast te stellen van eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, plus de helft van de vakanties, feest- en bijzondere dagen. Als het hof zijn verzoeken niet toewijst, dan vraagt de vader het hof om de raad te gelasten een onderzoek te doen naar het gezag en de zorgregeling.\n\n4.2.. De moederis het eens met de beslissingen van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en dat het hof de vader veroordeelt in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 26 december 2025\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader ingediend op 16 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 20 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 24 april 2026.\n\n4.4.. De zitting bij het hof was op 30 april 2026. Aanwezig waren:\n\n- de vader met zijn advocaat\n\n- de advocaat van de moeder\n\n- een vertegenwoordiger van de raad.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1. \n\nDe tot het gezag bevoegde vader, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, kan het verzoek slechts worden afgewezen indien\n\na. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n5.2.. \n\nDe rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van\n\n het kind, of b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang\n\n met zijn ouder heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\nAdvies raad\n\n5.3.. De raad heeft het hof op de mondelinge behandeling bij het hof het advies gegeven de behandeling van de zaak over het gezag aan te houden zodat de raad onderzoek kan doen naar het gezag en de omgang. Dat heeft er volgens de raad mee te maken dat het in de opvoeding van de oudere kinderen van de moeder heel erg is misgegaan: de moeder is een kwetsbare vrouw en de raad wil goed in beeld hebben wat de mogelijkheden van de moeder zijn om met betrekking tot [de minderjarige] het gezag samen met de vader te kunnen delen. Met betrekking tot de omgang vindt de raad wel dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] zo snel mogelijk hersteld moet worden. Dat contact hoeft in de ogen van de raad niet lang begeleid te zijn: als dit contact volgens de begeleiders goed verloopt, dan kan dit onbegeleid plaatsvinden.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.4.. Het hof heeft nog onvoldoende informatie om een beslissing over het gezag te nemen. Het hof zal daarom het advies van de raad overnemen en de raad vragen een onderzoek in te (doen) stellen naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over hem en de meest wenselijke omgangregeling.\n\n5.5.. Het hof ziet wel aanleiding in afwachting van het raadsonderzoek een voorlopige omgangsregeling vast te stellen. Het hof ziet in de stukken en in het advies van de raad geen contra-indicaties voor contact tussen de vader en [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] sinds begin december 2025 niet meer gezien. Gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] , hij is twee jaar, is het voor een gezonde emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] van belang dat het contact met zijn vader zo snel mogelijk wordt hersteld. Aangezien de moeder en de vader allebei open staan voor begeleiding van de omgang via het buurtteam, zal het hof de volgende voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vaststellen:\n\n- twee uur per week begeleid via het buurtteam\n\n- zodra de omgang volgens de begeleiders goed verloopt vier uur per week onbegeleid via het pleeggezin of een andere tussenpersoon.\n\n5.6.. De moeder en de vader dienen zich daarvoor allebei zo spoedig mogelijk aan te melden bij het buurtteam in de woonplaats van de moeder.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nverzoekt de raad nader onderzoek in te doen stellen naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over hem en de meest wenselijke omgangsregeling en daarover uiterlijk 18 december 2026te rapporteren\n\nstelt vast als voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] :\n\n- twee uur per week begeleid via het buurtteam\n\n- zodra de omgang volgens de begeleiders goed verloopt vier uur per week onbegeleid via het pleeggezin of een andere tussenpersoon\n\nbepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor de vader, de moeder en de raad zullen worden opgeroepen\n\nbepaalt dat het onderzoek door de raad zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. P.B. Kamminga\n\nbepaalt dat de raad zich voor vragen of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris\n\nbepaalt dat partijen hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.L. van der Bel en L.D.M. Rubens-Snijders, leden, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 23 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Dat staat in artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Dat staat in artikel 1:377a lid 3 BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4133","2026-07-13T00:29:35.813Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":45,"courtId":89,"decisionDate":90,"fullText":98,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":53,"updatedAt":100},"923","ECLI:NL:GHARL:2026:4130","ecli-nl-gharl-2026-4130","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.364.780\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 328127\n\nbeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [Verzoeker](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats1] , [land1] ,\n\nadvocaat: mr. H. Versluis,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder), die woont in [woonplaats2] ( [gemeente1] ), advocaat: mr. P. van der Zalm.\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 13 november 2025 een zorg- en feestdagenregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld. Het hof stelt een andere zorgregeling vast dan de rechtbank en laat de feestdagenregeling in stand. Het hof legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [in] 2014.\n\n2.2.. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . Zij woont bij de moeder.\n\n2.3.. In het ouderschapsplan [van] 2017 hebben de ouders afgesproken dat [de minderjarige] een weekend in de twee weken bij de vader verblijft. [in] 2019 hebben de ouders een aanvullend ouderschapsplan ondertekend met daarin een wijziging van de zorgregeling. De zorgregeling zou worden opgebouwd van één middag per twee weken naar de ene week een dag en een nacht bij de vader en de andere week een middag bij de vader.\n\n2.4.. In het ouderschapsplan [van] 2022 hebben de ouders weer een andere zorgregeling afgesproken. [de minderjarige] heeft eens in de twee weken contact met haar vader op zaterdag van 10:30 uur tot 16:30 uur in het huis van de vader. Het overdrachtsmoment vindt plaats op de carpoolplaats in [woonplaats3] . De omgang tijdens de kerstdagen bepalen de ouders in overleg met elkaar en de omgang tijdens oud en nieuw blijft zoals het is.\n\n2.5.. In de beschikking van 6 december 2022 heeft de rechtbank het ouderschapsplan [van] 2017 gewijzigd en bepaald dat de inhoud van het door de ouders [in] 2022 ondertekende ouderschapsplan daarvoor in de plaats komt.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De vader heeft de rechtbank gevraagd de zorgregeling te wijzigen. Hij wil dat:\n\n- de rechtbank bepaalt dat de vader eens per twee weken op zaterdag contact heeft met [de minderjarige] van 8:30 uur tot na het avondeten, rond 19:00 uur. De vader brengt [de minderjarige] terug naar de moeder;\n\n- [de minderjarige] in het contactweekend bij hem mag overnachten, wanneer [de minderjarige] aangeeft dat zij dit wil. Wanneer dit twee nachten goed gaat, moet het contactweekend worden uitgebreid met een overnachting, waarbij de vader [de minderjarige] op zondag om 11:00 uur weer naar de moeder brengt;\n\n- [de minderjarige] met de kerstdagen, oud en nieuw, Pasen en Pinksteren in de oneven jaren telkens op de eerste dag bij de vader is en in de even jaren telkens op de tweede dag, van 8:30 uur tot 19:00 uur;\n\n- [de minderjarige] in de zomervakantie een aaneengesloten week contact heeft met de vader.\n\n3.2.. De rechtbank heeft op 23 april 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld. [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag contact met de vader van 9:30 uur tot 19:00 uur, waarbij het overdrachtsmoment op de carpoolplaats in [woonplaats3] plaatsvindt. De rechtbank heeft de definitieve beslissing over de zorg- en vakantieregeling aangehouden.\n\n3.3.. \n\nDe rechtbank heeft op 13 november 2025 een definitieve zorg- en feestdagenregeling vastgesteld. [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag contact met de vader van 9:30 uur tot 19:00 uur, waarbij het overdrachtsmoment op de carpoolplaats in [woonplaats3] plaatsvindt.\n\nVerder heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige] en de vader contact hebben in de oneven jaren op eerste kerstdag, oudejaarsdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag. In de even jaren hebben zij contact op tweede kerstdag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag en tweede pinsterdag. Voor de feestdagen gelden dezelfde tijden en overdrachtslocatie als voor de reguliere zorgregeling. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de ouders hun eigen proceskosten moeten betalen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. \n\nDe vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de reguliere zorgregeling. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel ongedaan maakt en bepaalt dat [de minderjarige] en de vader eens per twee weken van zaterdag 9:30 uur tot zondag 11:00 uur contact hebben.\n\nDe vader wil dat de moeder [de minderjarige] op zaterdag naar hem brengt en dat hij [de minderjarige] op zondag weer naar de moeder brengt. Verder wil de vader dat [de minderjarige] en hij in de zomervakantie een week aaneengesloten contact hebben. De vader is het wel eens met de feestdagenregeling, zoals door de rechtbank is vastgesteld.\n\n4.2.. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ontvangen op 9 februari 2026;\n\nhet verweerschrift.\n\n4.4.. \n [de minderjarige] heeft op 18 mei 2026 gesproken met een rechter en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de zorgregeling.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 26 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad).\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1.. De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de vader in [land1] woont. Het hof zal dan ook eerst moeten beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om de verzoeken te beoordelen.\n\n5.2.. Het verzoek van de vader gaat over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter (Verordening (EU) 2019\u002F1111) is de Nederlandse rechter in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd als een kind op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank zijn of haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op 30 januari 2025 heeft de vader het verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. [de minderjarige] had toen haar gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter heeft daarom rechtsmacht en is bevoegd het verzoek te beoordelen.\n\n5.3.. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. De ouders hebben daartegen geen bezwaren aangevoerd. Het hof zal daarom bij de beoordeling van de verzoeken ook het Nederlandse recht toepassen.\n\nWat in de wet staat\n\n5.4.. Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de uitoefening van het ouderlijk gezag of een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen, wanneer de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan gaan over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.\n\nDe standpunten van de vader en de moeder\n\n5.5.. \n\nDe vader voert aan dat de huidige zorgregeling te beperkt is. Uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting zal bijdragen aan de hechting tussen [de minderjarige] , de vader en zijn gezin. Dit is in het belang van [de minderjarige] . Volgens de vader wil [de minderjarige] bij hem overnachten, maar geeft de moeder haar hier geen emotionele toestemming voor. Wanneer de overdracht\n\nop de carpoolplaats wordt vervangen door een regeling waarin de ouders [de minderjarige] brengen en halen, zal [de minderjarige] die emotionele toestemming meer ervaren.5.6.. De moeder voert aan dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om de zorgregeling uit te breiden met een overnachting. De vader heeft geen echte interesse in [de minderjarige] . Hij informeert nergens naar en onderneemt niets met [de minderjarige] als ze bij hem is. [de minderjarige] moet zichzelf dan vermaken. De moeder staat niet onwelwillend tegenover een overnachting, maar alleen als dit in het belang van [de minderjarige] is. Dat is het op dit moment niet. [de minderjarige] wil niet overnachten bij de vader en haar wens moet worden gevolgd. Er is een risico dat uitbreiding van de zorgregeling leidt tot spanningen en een afnemende bereidheid tot contact, omdat uitbreiding niet aansluit bij de draagkracht van [de minderjarige] .\n\nHet advies van de raad\n\n5.7.. De raad heeft geadviseerd om de zorgregeling niet te wijzigen. De raad benadrukt dat [de minderjarige] een broos meisje is dat richting de puberteit gaat. De huidige zorgregeling loopt en lijkt het maximale te zijn dat [de minderjarige] op dit moment aankan. Wanneer zij tegen haar zin in bij de vader moet overnachten, kan zij dit haar ouders kwalijk gaan nemen.\n\nHet oordeel van het hof\n\n5.8.. Het hof is van oordeel dat uit de aangevoerde feiten volgt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het hof komt vervolgens toe aan het oordeel over de zorgregeling.\n\n5.9.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij en de vader na een korte opbouwperiode eens per twee weken van zaterdag 9:30 uur tot zondag 11:00 uur contact hebben. Het hof zal daarom op dit onderdeel de beslissing van de rechtbank vernietigen en dit verzoek van de vader alsnog toewijzen. Voor het overige laat het hof de beslissing van de rechtbank in stand.\n\n5.10.. Het hof vindt uitbreiding van deze zorgregeling met één overnachting in het belang van [de minderjarige] om de volgende redenen. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat de band met haar vader zich verder ontwikkelt. Het algemene uitgangspunt is namelijk dat het in het belang van kinderen is om met beide ouders een goede en stabiele relatie op te bouwen. De band tussen [de minderjarige] en de vader is in het verleden beschadigd. Dat komt enerzijds omdat de vader drie jaar afwezig is geweest in het leven van [de minderjarige] . Anderzijds hebben [de minderjarige] en haar vader ook weinig contact gehad, omdat het de ouders na hun scheiding niet lukte met elkaar daarover te overleggen. De ouders hebben hun communicatie, ondanks de hulpverlening, niet kunnen verbeteren. De huidige zorgregeling van één dag per twee weken is te beperkt om de band met haar vader te versterken. De uitbreiding met één overnachting biedt daartoe meer rust en tijd. Ook krijgt [de minderjarige] meer ruimte om haar plek in het gezin van haar vader te vinden. Het belang van [de minderjarige] bij het opbouwen van een goede relatie met de vader weegt zwaarder dan de reden die [de minderjarige] heeft om niet bij haar vader te overnachten, namelijk dat zij het spannend vindt en dat ze zich soms ook eenzaam voelt bij haar vader thuis. Dat geldt ook voor het advies van de raad dat de huidige zorgregeling het maximale lijkt te zijn wat [de minderjarige] op dit moment aankan. Daarbij weegt het hof mee dat onvoldoende is gebleken dat de uitbreiding van de zorgregeling, zoals deze in de bestreden beschikking is vastgesteld, negatief heeft uitgepakt voor [de minderjarige] . Verder zijn er geen signalen dat een overnachting bij de vader niet veilig is. Tot slot betrekt het hof in zijn oordeel dat [de minderjarige] het ook regelmatig leuk heeft bij haar vader, bijvoorbeeld als zij samen activiteiten ondernemen. Zo gaan zij regelmatig naar de speeltuin en soms naar de dierentuin. Het hof zal de reguliere regeling niet direct in laten gaan, zodat [de minderjarige] de tijd heeft om te wennen aan het idee van de overnachting. Daarom zal het hof bepalen dat [de minderjarige] het eerste contactweekend na deze beslissing nog niet bij haar vader overnacht, het contactweekend daarna wel, het contactweekend daarna niet en dat daarna de reguliere contactregeling zal gaan gelden.\n\n5.11.. Gelet op de draagkracht van [de minderjarige] heeft de vader een belangrijke rol en verantwoordelijkheid bij het versterken van hun band, zodat [de minderjarige] zich op haar gemak zal gaan voelen bij de overnachting en in het gezin van de vader. Daarbij is het belangrijk dat [de minderjarige] voldoende één op één tijd met de vader heeft. [de minderjarige] heeft hier behoefte aan. Het is ook belangrijk dat [de minderjarige] een eigen plek bij de vader heeft. Het helpt als de vader de slaapkamer klaarmaakt, voordat het eerste contactweekend met de overnachting plaatsvindt.\n\n5.12.. Het hof wijst het verzoek van de vader over het halen en brengen af. Dat betekent dat de carpoolplaats de haal- en brenglocatie blijft. Deze locatie is destijds afgesproken om escalatie aan de deur te vermijden. De ouders delen het halen en brengen en de carpoolplaats is een bekende plek voor [de minderjarige] . Het hof is niet gebleken dat [de minderjarige] moeite heeft met deze haal- en brenglocatie. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel.\n\n5.13.. Het hof wijst het verzoek van de vader over de aaneengesloten week contact in de zomervakantie ook af. Voor [de minderjarige] is het al een grote stap om eens per twee weken bij de vader te overnachten. Gelet op de draagkracht van [de minderjarige] is het niet in haar belang om direct een week in de zomervakantie bij de vader te overnachten, die stap is te groot. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 november 2025, voor zover de beslissing over de reguliere zorgregeling, en:\n\nstelt als zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader vast:\n\n- [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag van 9:30 uur tot zondag 11:00 uur\n\n contact met de vader;\n\nbepaalt dat de zorgregeling als volgt wordt opgebouwd:\n\n- het eerste contactweekend na deze beschikking heeft [de minderjarige] contact met de vader op\n\n zaterdag van 9:30 uur tot 19:00 uur;\n\nhet volgende contactweekend heeft [de minderjarige] contact met de vader op zaterdag van 9:30 uur tot zondag 11:00 uur;\n\nhet daarop volgende contactweekend heeft [de minderjarige] contact met de vader op zaterdag van 9:30 uur tot 19:00 uur;\n\nvervolgens geldt de reguliere zorgregeling.\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 november 2025 voor het overige;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, E. de Boer en, D.J.M. van de Voort, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4130","2026-07-13T00:28:54.700Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":45,"courtId":105,"decisionDate":106,"fullText":107,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":53,"updatedAt":110},"646","ECLI:NL:RBROT:2026:7359","ecli-nl-rbrot-2026-7359",61,"2026-06-19T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam familie\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F709337 \u002F FA RK 25-8317\n\nBeschikking van 19 juni 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht\n\nin de zaak van:\n\n [naam 1], hierna: de vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. F. Pool te Rotterdam,\n\nt e g e n\n\n [naam 2], hierna: de man,\n\nin de Basisregistratie Personen ingeschreven als niet-ingezetene.\n\nadvocaat mr. L.L. van Dijk te Enschede.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde beschikking van deze rechtbank van 22 december 2025 over de bevoegdheid;\n\nhet bericht met bijlagen van de vrouw van 26 januari 2026;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 2 juni 2026;\n\nhet bericht met bijlagen van de vrouw van 2 juni 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:\n\nde vrouw bijgestaan door haar advocaat;\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 3] .\n\n1.3.. De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.\n\n2. De vaststaande feiten\n\n2.1.. \n\nPartijen zijn de ouders van de minderjarige:\n\n [naam 4] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 augustus 2023 is de minderjarige onder toezicht gesteld van de GI voor duur van een jaar. Bij beschikking van 29 juli 2024 is de ondertoezichtstelling verlengd van 11 augustus 2024 tot 11 augustus 2025.\n\n2.3.. Bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2024 is bepaald dat onder de regie van de GI gedurende een periode van maximaal zes maanden moet worden toegewerkt naar een omgangsregeling waarbij de man en de minderjarige recht hebben op omgang gedurende eenmaal per veertien dagen van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de man de minderjarige op zaterdag ophaalt bij de vrouw en de vrouw de minderjarige op zondag ophaalt bij de man.\n\n2.4.. Tijdens de mondelinge behandeling in kort geding bij de rechtbank Oost-Brabant op 17 november 2025 hebben partijen de volgende afspraken met elkaar gemaakt:\n\nde man haalt de minderjarige om het weekend (met ingang van 29 november 2025) bij de vrouw in Schiedam op zaterdag om 10:00 uur op. De man brengt de minderjarige de volgende dag (zondag) om 17:00 uur naar treinstation Deventer Centraal, waar de vrouw de minderjarige ophaalt;\n\ndeze afspraken gelden tussen partijen totdat er in de bodemprocedure uitspraak is gedaan dan wel partijen tussentijds andere afspraken maken;\n\nhet kort geding wordt ingetrokken en partijen dragen ieder de eigen proceskosten.\n\n2.5.. De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Omgangsregeling\n\n3.1.1.. \n\nDe vrouw verzoekt de rechtbank om wijziging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2024, primair in die zin dat een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij de minderjarige eenmaal per twee weken omgang heeft met de man van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de man de minderjarige op zaterdag om 11:00 uur ophaalt bij de vrouw thuis, dan wel te Veghel indien de vrouw daar verblijft, en de minderjarige op zondag om 18:00 uur terugbrengt bij de vrouw thuis, dan wel te Veghel indien de vrouw daar verblijft.\n\nSubsidiair verzoekt de vrouw een omgangsregeling waarbij de minderjarige eenmaal per twee weken op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur omgang heeft met de man in de woonplaats van de vrouw, dan wel te Veghel indien de vrouw daar verblijft. Tevens verzoekt de vrouw te bepalen dat de man gedurende de week op een vast aantal momenten telefonisch en\u002Fof via videobellen contact kan hebben met de minderjarige.\n\nMeer subsidiair verzoekt de vrouw een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank passend acht, waarbij rekening wordt gehouden met de fysieke en financiële beperkingen van de vrouw en het belang van de minderjarige bij rust, stabiliteit en veiligheid.\n\n3.1.2.. \n\nDe man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek primair te bepalen dat de door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 11 januari 2024 vastgestelde omgangsregeling wordt nagekomen. Daarbij verzoekt de man te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 500,- per overtreding verbeurt, met een maximum van € 15.000,-, indien zij in strijd handelt met deze regeling.\n\nSubsidiair verzoekt de man te bepalen dat de vrouw de bij proces-verbaal van de rechtbank Oost-Brabant van 17 november 2025 vastgelegde omgangsregeling nakomt. Ook ten aanzien van deze regeling verzoekt de man te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 500,- per overtreding verbeurt, met een maximum van € 15.000,-.3.1.3.. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang of een door ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.\n\n3.1.4.. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die een herbeoordeling van de omgangsregeling rechtvaardigen. De vrouw heeft aangevoerd en met stukken onderbouwd dat zij voor de uitvoering van de omgangsregeling vanwege haar medische klachten afhankelijk is van derden en dat zij inmiddels geen hulp meer hierbij krijgt van haar broer en zus. De man heeft deze stellingen onvoldoende weersproken. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van partijen.\n\n3.1.5.. Partijen verschillen niet van mening over het belang van omgang tussen de man en de minderjarige. Het geschil ziet alleen op de praktische uitvoering daarvan, in het bijzonder het halen en brengen. Daarbij geldt dat de afstand tussen partijen (Schiedam – Gronau (DL)) aanzienlijk is, wat voor beide ouders maar ook voor de minderjarige belastend is. Tegelijkertijd is het van belang dat de omgang doorgang vindt en voor de minderjarige voorspelbaar is.\n\n3.1.6.. Van beide ouders mag worden verwacht dat zij zich inspannen om de omgang mogelijk te maken. Die inspanning moet wel aansluiten bij wat feitelijk haalbaar is. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw medische klachten heeft, waardoor zij niet langdurig kan reizen. Daarbij heeft zij geen familie (meer) in de buurt wonen die zou kunnen helpen bij het vervoer. Het volledig bij de man neerleggen van de vervoerslast acht de rechtbank echter ook niet redelijk. De man neemt sinds het kort geding op 17 november 2025 al een aanzienlijk deel van de reistijd voor zijn rekening en heeft daarnaast een eigen kapperszaak, waardoor hij niet bijvoorbeeld op vrijdag al de minderjarige kan halen. De rechtbank weegt verder mee dat de reisafstand tussen partijen is vergroot door de verhuizing van de vrouw van Veghel naar Schiedam en dat de gevolgen daarvan niet volledig voor rekening van de man moeten komen.\n\n3.1.7.. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de vervoerstaken tussen partijen als volgt moeten worden geregeld: eenmaal per vier weken neemt de man het halen en brengen volledig voor zijn rekening, en eenmaal per vier weken haalt de man de minderjarige bij de vrouw op en haalt de vrouw de minderjarige na afloop van het omgangsweekend bij de man op. Daarbij is het aan de vrouw om, als zij niet zelf in staat is te reizen, hulp in te schakelen voor het ophalen van de minderjarige.3.1.8.. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de nakoming van de regeling een dwangsom te verbinden. Doordat de minderjarige na het omgangsweekend met de man op maandag weer naar school moet, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw, in het belang van de minderjarige, zal regelen dat hij ook daadwerkelijk bij de man wordt opgehaald.\n\n3.2.. Proceskosten\n\n3.2.1.. Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. wijzigt de bij beschikking van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 11 januari 2024 vastgestelde omgangsregeling, in die zin dat de man eenmaal per twee weken van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur omgang heeft met de minderjarige, waarbij:\n\neenmaal per vier weken de man de minderjarige op zaterdag bij de vrouw ophaalt en de minderjarige op zondag bij de vrouw terugbrengt;\n\neenmaal per vier weken de man de minderjarige op zaterdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw de minderjarige op zondag bij de man ophaalt;\n\n4.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.3.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n4.4.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Lunenberg, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van B. Bajra, griffier, op 19 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.\n\nDoor verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7359","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.904Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":45,"courtId":115,"decisionDate":116,"fullText":117,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":53,"updatedAt":120},"1402","ECLI:NL:RBNNE:2026:2355","ecli-nl-rbnne-2026-2355",65,"2026-06-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie Groningen\n\nZaak-\u002Frekestnummer: C\u002F18\u002F249514 \u002F FA RK 25-5227\n\nEchtscheidingsbeschikking van 12 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam vrouw],\n\ndie woont op een, bij de rechtbank bekend, geheim adres,\n\nen die hierna ''de vrouw'' wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. J. Sinnema, die kantoor houdt in Heerenveen,\n\nen\n\n [naam man] ,\n\ndie woont in [plaatsnaam] ,\n\nen die hierna ''de man'' wordt genoemd.\n\nIn zijn adviserende taak is in deze procedure gekend:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nregio Noord-Nederland, locatie Groningen,\n\nen die hierna ''de Raad'' wordt genoemd.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. De procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de vrouw, dat de rechtbank heeft ontvangen op 27 oktober 2025. Daarin verzoekt de vrouw de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoer bij voorraad, tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw te bepalen en geen omgang tussen de man en de kinderen vast te leggen.\n\n1.2.. Op 24 november 2025 heeft de rechtbank van de vrouw een F9-formulier met als bijlage het betekeningsexploot ontvangen.\n\n1.3.. Op 18 mei 2026 heeft de vrouw een aanvullend verzoekschrift ingediend. Daarin verzoekt de vrouw als nevenvoorziening aan haar vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een paspoort voor de minderjarige kinderen van partijen.\n\n1.4.. Op 4 juni 2026 heeft de rechtbank de zaak mondeling behandeld. De rechtbank heeft de zaak gevoegd behandeld met de zaak bekend onder zaaknummer C\u002F18\u002F257065 \u002F FA RK 26-3517 over de vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort. De rechter heeft gesproken met de vrouw die werd bijgestaan door de tolk [naam tolk] met tolknummer [tolknummer] , haar advocaat, de man, en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigt.\n\n1.5.. De minderjarige zoon van partijen, [naam kind] , is gelet op zijn leeftijd in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Op 29 mei 2026 heeft de (kinder)rechter met [naam kind] gesproken.\n\n1.6.. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.\n\n2.2.. De vrouw heeft op 27 oktober 2025 een procedure bij deze rechtbank ingeleid met een verzoek tot echtscheiding. Zij heeft daartoe gesteld dat zij op [datum] 2014 in [plaatsnaam] , Eritrea, met de man is gehuwd, dat uit dit huwelijk zijn geboren [naam kind] , die is geboren op [datum] 2015 te [plaatsnaam] (Soedan), en [naam kind] , die is geboren op [datum] 2019 te [plaatsnaam] en dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.3.. De vrouw heeft eerder ook een procedure bij de rechtbank ingeleid met een verzoek tot echtscheiding. Bij beschikking van 17 februari 2023 heeft de rechtbank overwogen, voor zover hier van belang:\n\n''Op grond van artikel 10:31 BW moet de rechter beoordelen of partijen in Eritrea\u002FSoedan zijn gehuwd en als dat komt vast te staan, of dit in Eritrea\u002FSoedan gesloten huwelijk in Nederland erkend kan worden.\n\nOp basis van de thans overgelegde stukken acht de rechter zich echter onvoldoende geïnformeerd om daarover een oordeel te geven. Daarvoor is het navolgende redengevend.\n\nIn het verzoekschrift en het aanmeldgehoor van 15 augustus 2022 geeft de vrouw aan in [plaatsnaam] Soedan te zijn gehuwd, maar in de verklaring onder ede of belofte van 7 juli 2018 heeft ze verklaard in Eritrea te zijn gehuwd. Er zijn geen aanvullende bewijsstukken, zoals een huwelijksakte, van het gesloten huwelijk. Een verklaring waarom de vrouw niet consequent maar tegenstrijdig verklaart over de sluiting van huwelijk, is niet gegeven. Voorshands komt de rechtbank tot het oordeel dat op grond van het tot zover bijgebrachte bewijs, niet kan komen vast te staan dat de vrouw is gehuwd.\n\nDe rechter ziet hierin aanleiding om de vrouw in de gelegenheid te stellen om bewijs van het door haar gestelde huwelijk bij te brengen. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld om bij akte zich uit te laten over de vraag of zij dat bewijs wil leveren en hoe zij dat bewijs wil bijbrengen. Voor zover zij schriftelijk bewijs wil leveren, dient de vrouw dat bewijs bij akte in het geding te brengen. Voor zover de vrouw bewijs wil leveren door getuigen voor te brengen, zal zij bij akte een opgave moeten geven over de persoenen die zij als getuige wil voorbrengen.''\n\n2.4.. Bij beschikking van 21 april 2023 heeft de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. In die beschikking is daartoe overwogen, voor zover van belang:\n\n''De rechter heeft in de tussenbeschikking overwogen, voor zover hier van belang, dat op basis van de overlegde stukken niet kan worden beoordeeld of partijen zijn gehuwd, in Eritrea of Soedan en, als dat komt vast te staan, of het gaat om een huwelijk dat in Nederland kan worden erkend.\n\nDe rechter heeft daarom de vrouw die verzoekt om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, in de gelegenheid gesteld om bewijs van het door haar gestelde huwelijk bij te brengen. De zaak is daartoe naar de rol verwezen om de vrouw in de gelegenheid te stellen aan akte te nemen.\n\nDie akte heeft de vrouw niet genomen. In plaats daarvan heeft haar advocaat bij brief van 5 april 2023 de rechtbank bericht, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, dat\n\nzij niet kan aantonen dat zij niet in Eritrea is gehuwd, maar ook niet dat zij in Soedan is gehuwd.\n\nDe rechter stelt vast dat de vrouw geen bewijs heeft bijgebracht van het bestaan van het door haar gestelde huwelijk. De rechtbank kan daarom niet nagaan of er in Eritrea of Soedan een huwelijk tussen partijen is gesloten en, als dat zo is, of dit buitenlandse huwelijk in Nederland kan worden erkend. De vrouw kan daarom niet in haar verzoek tot echtscheiding worden ontvangen.\n\nDe rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Indien de vrouw wil bewerkstelligen dat de BRP wordt aangepast, in die zin dat de vrouw niet meer als gehuwd geregistreerd staat, dan is niet de rechter maar het College van Burgemeesters en Wethouders verantwoordelijk voor het bijhouden van de persoonsgegevens in de BRP (artikel 1.4 van de Wet basisregistratie personen). Op grond van de Wet basisregistratie personen kan de vrouw zelf een met stukken onderbouwd verzoek tot doorhaling van de registratie van haar huwelijk indienen bij de burgerlijke stand van de gemeente Groningen. Gelet op artikel 2.8 lid 2 van de Wet basisregistratie personen is het raadzaam bij het verzoek een afschrift van de onderhavige beschikking te voegen.''\n\n3. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijke recht3.1.. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat zij, ondanks de gestelde Eritrese nationaliteit van partijen en hun kinderen, bevoegd is kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding en de daarop gegronde nevenvoorzieningen. Deze bevoegdheid volgt uit de (duur van de) gewone verblijfplaats van partijen in Nederland, binnen het arrondissement van deze rechtbank. Laatstgenoemde omstandigheid brengt met zich dat op de verzoeken het Nederlandse recht van toepassing is.\n\n3.2.. De rechtbank kan het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor de afgifte van een paspoort en\u002Fof identiteitskaart echter niet als nevenvoorziening in deze procedure behandelen. Daartoe is redengevend dat de wet in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een limitatieve opsomming bevat van nevenvoorzieningen die in het kader van een echtscheidingsprocedure kunnen worden verzocht. Het verzoek van de vrouw valt niet onder deze opsomming.\n\n3.3.. Omdat de belangen van de kinderen steeds als overweging van de eerste orde moeten worden betrokken, en zij er recht en belang bij hebben dat over het verzoek tot afgifte van een paspoort en identiteitskaart wordt beslist, heeft de rechtbank dit verzoek afgesplitst van de onderhavige echtscheidingsprocedure. Hierop zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.\n\nDe ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek3.4.. In deze zaak speelt dat de rechtbank eerder op een gelijkluidend verzoek van de vrouw een beslissing heeft genomen, tegen welke beslissing inmiddels geen hoger beroep meer kan worden ingesteld: de beschikking van 21 april 2023 is in kracht van gewijsde gegaan.\n\n3.5.. Een beroep op het in kracht van gewijsde zijn gegaan van een rechterlijke uitspraak is naar Nederlands procesrecht in beginsel voorbehouden aan partijen en wordt dus niet ambtshalve door de rechter toegepast. Dat uitgangspunt brengt mee dat de rechter een eerder afgewezen verzoek niet zonder meer uit eigen beweging buiten behandeling laat op de enkele grond dat daarover al eerder onherroepelijk is beslist. Tegelijk geldt dat in zaken waarin de rechtsverhouding niet geheel ter vrije bepaling van partijen staat en waarin belangen van openbare orde een rol spelen, kan worden betwijfeld of dit uitgangspunt onverkort behoort te gelden. Daarbij is een gezichtspunt dat de vraag of een huwelijk rechtsgeldig tot stand is gekomen en hier te lande kan worden erkend (niet in strijd is met onze openbare orde), gelet op onder meer de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.10 Wet BRP, een toetsing van openbare orde.\n\n3.6.. Juist in dergelijke zaken is het immers moeilijk te aanvaarden dat de bindende kracht van een eerdere uitspraak, die zelf raakt aan de openbare orde, geheel afhankelijk zou zijn van de processuele keuze van partijen om daarop al dan niet een beroep te doen. Onder bijzondere omstandigheden kan daarom aanleiding bestaan om het gezag van gewijsde niet ongemerkt te passeren. In dat geval dient de rechter partijen evenwel eerst uitdrukkelijk met die mogelijke betekenis van de eerdere beslissing te confronteren en hen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten, overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor. Die gelegenheid is tijdens de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek op 4 juni 2026 geboden.\n\n3.7.. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank in het onderhavige geval geen aanleiding om het eerder afgewezen verzoek tot echtscheiding opnieuw inhoudelijk te beoordelen. Daarbij weegt mee dat de vrouw op geen enkele wijze heeft toegelicht hoe het mogelijk is dat zij niet weet in welk land zij is gehuwd, dan wel waarom zij daarover tegenstrijdig heeft verklaard tijdens haar aanmeldgehoor en nadien.\n\n3.8.. De rechtbank acht bovendien ongeloofwaardig dat de vrouw niet weet in welk land haar huwelijk is gesloten.\n\n3.9.. In de eerdere procedure heeft de rechtbank de vrouw voldoende gelegenheid geboden om bewijs van het gestelde huwelijk te leveren, hetzij schriftelijk, hetzij door het doen horen van getuigen. Uit de brief van haar advocaat van 5 april 2023 blijkt dat zij daarvan welbewust heeft afgezien, onder de mededeling aan de rechtbank dat zij niet kan bewijzen in welk van de door haar genoemde landen het huwelijk is gesloten.\n\n3.10.. Onder deze omstandigheden kon en kan de rechtbank toen en nu, niet anders dan tot de slotsom komen dat het bestaan van het door de vrouw gestelde huwelijk niet is komen vast te staan. Dit leidt ertoe dat de vrouw opnieuw niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek tot echtscheiding.\n\n3.11.. Voor zover door de vrouw een beroep wordt gedaan op het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna ''het college''), neergelegd in de brief van 14 februari 2025, die weigert om de huwelijksgegevens zoals die zijn geregistreerd in de BRP te rectificeren, wordt als volgt overwogen.\n\n3.12.. Het college meent dat de rechtbank het echtscheidingsverzoek ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard door uitsluitend te verlangen dat een huwelijksakte wordt overgelegd en voorbij te gaan aan de verklaring onder ede en de daarop gebaseerde BRP-registratie van het huwelijk. Daarmee heeft de rechtbank volgens het college miskend dat de rechtsgeldigheid van het gestelde huwelijk al eerder is beoordeeld in het kader van de inschrijving in de BRP, waarbij op grond van artikel 10:31 BW en de artikelen 2.8 en 2.10 Wet BRP is geverifieerd of het huwelijk kon worden opgenomen. Het college vindt dat de rechtbank bij de ontvankelijkheidstoets had moeten betrekken dat de vrouw als erkend vluchteling in de praktijk redelijkerwijs geen huwelijksakte kan overleggen en dat artikel 815 lid 6 Rv juist voorziet in de mogelijkheid om in zulke gevallen met andere stukken – waaronder de verklaring onder ede – te volstaan.\n\n3.13.. Daarnaast acht het college het onjuist dat de rechtbank de BRP-registratie van het huwelijk en de daaraan ten grondslag liggende verklaring onder ede feitelijk terzijde heeft geschoven. Volgens het college volgt uit wetssystematiek en rechtspraak dat, nu de wetgever bewust heeft toegestaan dat een buitenlands huwelijk op basis van een enkele verklaring onder ede in de BRP wordt ingeschreven, deze verklaring ook in een echtscheidingsprocedure als voldoende basis moet worden aanvaard om het bestaan van het huwelijk aan te nemen, zolang de vrouw consistent blijft bij haar stelling dat zij gehuwd is. Door toch niet-ontvankelijk te verklaren louter wegens het ontbreken van een huwelijksakte, frustreert de rechtbank aldus de mogelijkheid om ooit van dit in de BRP geregistreerde huwelijk te scheiden, aldus het college.\n\n3.14.. Het college meent dat de rechtbank dit nu dient te herstellen door de beschikking van 21 april 2023 te verbeteren of aan te vullen, met expliciete toepassing van artikel 815 lid 6 Rv en erkenning dat de verklaring onder ede en de daarop gebaseerde BRP-registratie voldoende zijn om het huwelijk als vaststaand aan te nemen en het echtscheidingsverzoek ontvankelijk te verklaren. Mocht verbetering of aanvulling niet mogelijk blijken, dan dient de rechtbank in een nieuw echtscheidingsverzoek wél uit te gaan van het geregistreerde huwelijk en, onder verwijzing naar artikel 815 lid 6 Rv, het ontbreken van een huwelijksakte te ondervangen door de verklaring onder ede en de overige beschikbare stukken als toereikend bewijs te aanvaarden.\n\n3.15.. De rechtbank komt tot de slotsom dat het oordeel van het college berust op een onjuiste rechtsopvatting en bovendien is gebaseerd op onvolledige informatie.\n\n3.16.. Als het gaat om de onjuiste rechtsopvatting wordt als volgt overwogen. De bevoegdheid om vast te stellen of sprake is van een (voor erkenning vatbaar) huwelijk ligt uiteindelijk bij de rechter, niet bij het college of (een door het college gemandateerde) gemeentelijk ambtenaar, omdat het hier gaat om de toepassing van materieel recht op een concreet geschil – en dat is naar stelsel van de wet een rechterlijke taak.\n\n3.17.. Uit het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat vragen over het bestaan, de geldigheid en de erkenning van huwelijken (ook buitenlandse) worden beheerst door Boek 1 en Boek 10 BW; bepalend is dus of in het concrete geval aan de wettelijke voorwaarden en erkenningsregels is voldaan. De gemeentelijke ambtenaar registreert rechtsfeiten aan de hand van akten en brondocumenten, maar neemt daarmee geen bindend materieelrechtelijk oordeel over de geldigheid of erkenning van het huwelijk in de zin van het familierecht. De BRP is een basisregistratie met \"authentieke gegevens\", geen constitutief register: de vermelding van een huwelijk in de BRP is een zwaarwegende administratieve aanwijzing, maar geen rechterlijk oordeel over het bestaan of de rechtsgeldigheid van dat huwelijk.\n\n3.18.. In procedures waarin het huwelijk rechtsgevolgen heeft (echtscheiding, afstamming, gezag, verblijfsrecht, sociale zekerheids- of belastingrechtelijke vragen) is het daarom de rechter die zelfstandig moet beoordelen of van een rechtsgeldig en voor erkenning vatbaar huwelijk sprake is. Dat blijkt ook uit rechtspraak waarin hogere rechters oordelen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld het huwelijk niet te kunnen vaststellen; de rechter mag zich niet verschuilen achter het ontbreken of de inhoud van administratieve registratie, maar moet zelf, op basis van alle beschikbare gegevens, een oordeel vormen over het bestaan van het huwelijk.\n\n3.19.. Daarbij speelt de BRP-registratie wel een rol: de rechter kan die als belangrijk bewijsmiddel meewegen, zeker als het huwelijk op basis van een verklaring onder ede is ingeschreven, maar blijft vrij om tot een andere conclusie te komen als de feiten daartoe aanleiding geven. Omgekeerd mag de gemeentelijke ambtenaar ook niet \"in de plaats van de rechter\" treden door het bestaan van een huwelijk materieel te ontkennen zodra twijfel ontstaat of zodra een procedure misloopt; de ambtenaar kan slechts toetsen of de registratievoorwaarden zijn nageleefd en of er voldoende brondocumenten zijn voor de BRP, maar geen definitieve beslissing nemen over het al dan niet bestaan van een rechtsgeldig huwelijk in de zin van het BW.\n\n3.20.. De opvatting van het college is bovendien gebaseerd op onvolledige gegevens. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw desgevraagd bevestigd dat uitsluitend de eindbeschikking, waarin de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek, aan de gemeente is toegezonden.\n\n3.21.. Uit kennisneming van het volledige dossier blijkt evenwel dat de rechtbank haar beslissing weloverwogen heeft genomen, met inachtneming van zowel de verklaring van de vrouw tijdens haar eerste aanmeldgehoor als haar latere, onder ede afgelegde verklaring. Deze verklaringen zijn onderling tegenstrijdig en naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.\n\n3.22.. Juist deze omstandigheden hebben de rechtbank ertoe gebracht de vrouw de gelegenheid te bieden bewijs te leveren van het gestelde huwelijk. Van die gelegenheid heeft de vrouw echter afgezien.\n\n3.23.. Van een op grond van artikel 31 Rv voor herstel vatbare vergissing die zich leent voor eenvoudig herstel, is gelet op het voorgaande zeker geen sprake.\n\n3.24.. Voor zover de Raad heeft gewezen op de gevolgen van de voortdurende onduidelijkheid voor de kinderen, in het bijzonder problematiek rond het niet optimaal kunnen verkrijgen van toeslagen, vertaalt hetgeen de Raad heeft aangevoerd zich niet in een relevant juridisch argument om anders te beslissen.\n\n3.25.. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat de vrouw opnieuw in haar verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om de echtscheiding uit te spreken en nevenvoorzieningen te geven.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.\n\nfn: RV\n\nPartijen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland, de man woont sinds 23 december 2016 in Nederland en de vrouw sinds 7 juli 2018. Gelet daarop is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek (artikel 3 sub a onder i van de Verordening (EU) 2019\u002F1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter)). Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing (artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2355","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:19.726Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":45,"courtId":89,"decisionDate":125,"fullText":126,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":125,"parsedAt":53,"updatedAt":128},"924","ECLI:NL:GHARL:2026:3706","ecli-nl-gharl-2026-3706","2026-06-09T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.111\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 452763)\n\nbeschikking van 9 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoekster](de moeder),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nadvocaat: mr. S.L. Fronik\n\nen\n\n [verweerder](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats2] ,\n\nadvocaat: mr. W.G.A. van Hoogstraten\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland heeft het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te krijgen voor een verhuizing met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [woonplaats1] afgewezen. De rechtbank Gelderland heeft ook de zorgregeling gewijzigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven, zij het met een uitbreiding van de zorgregeling voor de moeder op dinsdag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn [in] 2016 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Zij zijn de ouders van:\n\n- [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2016, en\n\n- [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2019,\n\nover wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen.\n\n2.2. Door de rechtbank Limburg is bij beschikking van 22 april 2022 de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van de ouders uitgesproken. In deze beschikking is ook bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan, dat door de ouders op 25 maart 2022 is ondertekend, deel uitmaakt van de beschikking.\n\n2.3.. De ouders woonden ten tijde van het uiteengaan in [woonplaats2] . De vader is daar blijven wonen. De moeder is na de breuk in eerste instantie in [woonplaats3] gaan wonen. De kinderen gaan in [woonplaats2] naar school. In het ouderschapsplan is daarvan uitgaande bepaald dat [de minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en dat [de minderjarige2] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Ook is de volgende regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vastgelegd:\n\n2.4.. \n\nDe wisselmomenten zijn als volgt:\n\n‘Oneven week: woensdag brengt moeder de kinderen naar school en haalt vader de\n\nkinderen uit school op. Even week: maandag brengt vader ze naar school,\n\nmoeder uit school. Donderdag moeder naar school, vader haalt ze op. Op zaterdag\n\nzal het wisselmoment plaats vinden om 14:00. '\n\n2.5.. In afwijking van het ouderschapsplan verblijven de kinderen elke maandag, dinsdag en woensdag voor school bij de moeder en elke woensdag na school, donderdag en vrijdag naar school bij de vader. De weekenden, vanaf vrijdag na school, worden om de week gedeeld. Hierbij haalt de moeder de kinderen op maandag van school, brengt zij ze op dinsdag en woensdag naar school en haalt zij de kinderen op de vrijdag dat de kinderen bij haar in het weekend verblijven, bij grootouders van vaderszijde op.\n\n2.6.. De moeder heeft een nieuwe partner. De partner van de moeder woont in [woonplaats1] in [gemeente1] . De moeder en haar partner hebben samen een dochter: [de minderjarige3] , die is geboren [in] 2025.\n\n2.7.. \n\nDe voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in het vonnis in kort geding van\n\n23 mei 2025 onder meer:\n\n- de vordering van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met\n\n de kinderen naar [woonplaats1] te verhuizen, afgewezen;\n\n- de primaire vordering van de vader om de moeder te verbieden met de kinderen naar\n\n [woonplaats1] te verhuizen, althans de moeder te bevelen te blijven wonen in\n\n [woonplaats3] en daar ook daadwerkelijk te verblijven, afgewezen;\n\n- de subsidiaire vordering van de vader om de moeder te bevelen in [woonplaats3] te\n\n verblijven conform de doordeweekse zorgregeling (van zondagavond tot woensdag\n\n naar school) en aldus wanneer de moeder de zorg voor de kinderen heeft,\n\n toegewezen;\n\n- de vordering van de vader om de moeder een dwangsom op te leggen per dag(deel)\n\n dat zij in gebreke blijft het vonnis na te komen, afgewezen.\n\n2.8.. Door de moeder is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 23 mei 2025. In het arrest in kort geding van 22 juli 2025 van dit hof is het vonnis van 23 mei 2025 bekrachtigd.\n\n2.9.. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft in het vonnis in kort geding van 10 juli 2025:\n\n- de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling uit het vonnis van 23 mei\n\n 2025, in die zin dat zij verplicht is om in [woonplaats3] te verblijven conform de\n\n doordeweekse zorgregeling op de dagen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar school\n\n moeten;\n\n- de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,- voor\n\n iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 1.\n\n voldoet, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt;\n\n- de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere\n\n partij de eigen kosten draagt.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De moeder heeft de rechtbank verzocht om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [woonplaats1] . Voor het geval de rechtbank de toestemming niet zou geven heeft de moeder gevraagd om een aanpassing van de zorgregeling, waarbij:\n\n- de kinderen elke week vanaf dinsdag 17.00 uur tot vrijdag naar school bij de vader en elke maandag (hele dag en nacht) en dinsdag tot 17.00 uur bij de moeder zijn, en de weekenden (vanaf vrijdag na school tot maandag naar school) om en om, of\n\n- de kinderen op de doordeweekse dagen bij de moeder zijn (en zij zullen dan in [woonplaats1] naar school gaan) en elk weekend van vrijdag na school tot maandag naar school (of tot zondagavond) bij de vader zijn, of\n\n- de kinderen op doordeweekse dagen bij de vader zijn en elk weekend van vrijdag na school tot maandag naar school bij de moeder.\n\n3.2.. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank Limburg van 22 april 2022 en het van die beschikking deel uitmakende ouderschapsplan gewijzigd en als zorgregeling vastgesteld dat de kinderen:\n\n- om de week in het weekend bij de moeder verblijven vanaf vrijdag na school waarbij de moeder de kinderen uit school ophaalt tot zondag waarbij de moeder de kinderen om 19.30 uur terugbrengt naar de vader;\n\n- tijdens de vakanties die één week duren, bij de moeder verblijven;\n\n- tijdens de overige vakanties bij de ouders zijn, bij helfte tussen de ouders te verdelen.\n\n3.3.. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 21 oktober 2025.\n\n3.4. De moeder heeft er vervolgens voor gekozen om haar woonruimte in [woonplaats3] op te zeggen en zelf te verhuizen naar [woonplaats1] , om daar te gaan samenwonen met haar nieuwe partner en [de minderjarige3] . Zij voert de zorgregeling uit vanuit [woonplaats1] .\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ter zake van de zorgregeling ongedaan maakt en bepaalt dat:\n\nPrimair:\n\nde kinderen bij de moeder zijn elke maandag van 8.30 uur tot dinsdag 17.00 uur en bij de vader elke dinsdag van 17.00 uur tot vrijdag 08.30 uur, waarbij de kinderen het ene weekend vanaf vrijdag 08.30 uur bij de vader zijn en de andere week het weekend vanaf vrijdag 08.30 uur bij de moeder en de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld;\n\nSubsidiair:\n\nde kinderen bij de vader zijn elke maandag van 08.30 uur tot vrijdag 08.30 uur en bij de moeder elke vrijdag van 08.30 uur tot maandag 08.30 uur en de vakanties bij helfte worden gedeeld, en de kinderen en de moeder twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben.\n\nMeer subsidiair (voorwaardelijk):\n\nindien het hof bepaalt dat de door de rechtbank bepaalde zorgregeling grotendeels in stand blijft, verzoekt de moeder de kinderen in haar weekend naar school te brengen (in de plaats van zondagavond), voor de schoolvakanties te bepalen dat de kinderen iedere vakantie bij de moeder zijn, met uitzondering van twee weken in de zomervakantie en voor de feestdagen te bepalen dat deze bij helfte worden verdeeld. En de kinderen en de moeder twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben.\n\n4.2.. De vaderis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 30 december 2025\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader ingediend op 28 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 7 mei 2026\n\n4.4.. \n [de minderjarige1] heeft op 11 mei 2026 gesproken met een rechter in hoger beroep en een griffier van het hof.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 12 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\nde vader met zijn advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.\n\nStandpunten\n\n5.2.. De moeder vindt de door de rechtbank bepaalde zorgregeling niet in het belang van de kinderen. De rechtbank heeft bij de regeling de reisafstand [woonplaats1] - [woonplaats2] betrokken. De moeder denkt daar anders over. Volgens de moeder is het voor de kinderen niet schadelijk om heen en terug steeds anderhalf uur in de auto te zitten. De kinderen hoeven volgens de moeder ook niet heel veel eerder op te staan om vanuit [woonplaats1] in [woonplaats2] naar school te worden gebracht. Zij staan nu om half zeven op en toen de moeder nog in [woonplaats3] woonde stonden ze om kwart voor zeven op. De moeder kan de kinderen zelf naar school brengen en in de auto hebben zij extra tijd samen. Bij de vader moeten de kinderen op de maandag en de dinsdag naar de BSO of naar de ouders van de vader. De moeder kan de kinderen zelf opvangen. De moeder vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij hun moeder maar eenmaal in de twee weken zien. Zij zijn hierdoor ook maar heel weinig bij hun halfzusje, [de minderjarige3] . Volgens de moeder weegt de lange reistijd niet op tegen het verlies aan contact en is het beter voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als zij de moeder vaker zien.\n\n5.3.. De vader vindt de reistijd van en naar de moeder belastend voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Hij vindt dat dit ten koste gaat van de rust, de hersteltijd en de regelmaat die de kinderen nodig hebben. De vader begrijpt dat de moeder de kinderen graag meer wil zien en dat de kinderen hier ook behoefte aan hebben. Volgens de vader heeft de moeder deze situatie zelf veroorzaakt door te verhuizen naar [woonplaats1] . De kinderen zijn inmiddels gewend aan de zorgregeling en de vader heeft zijn werkuren hierop afgestemd. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling is volgens de vader praktisch uitvoerbaar en duurzaam. De regeling sluit aan bij de bestaande schoolgang, het sociale leven en het dagelijkse ritme van de kinderen en vereist geen structurele lange reistijden of complexe logistiek. De vader vindt het daarom niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de zorgregeling opnieuw te wijzigen. De vader heeft ter zitting aangegeven dat de moeder doordeweeks zondermeer welkom is in [woonplaats2] om daar met de kinderen een aantal uur omgang te kunnen hebben.\n\n5.4.. De raad heeft de ouders tijdens de mondelinge behandeling bij het hof geadviseerd om te werken aan hun onderlinge communicatie. De raad begrijpt dat de moeder de kinderen vaker wil zien, maar vindt het niet in het belang van de kinderen om ze op de maandag heen en weer te laten reizen en dan dinsdag weer heen. De raad vindt de afstand daarvoor te groot. De raad stelt voor dat de weekenden die de kinderen bij de moeder verblijven worden uitgebreid met de maandagmiddag. De moeder kan de kinderen dan op maandagochtend naar school brengen en de kinderen op maandagmiddag van school ophalen. De moeder moet volgens de raad op maandagmiddag wel met de kinderen in de omgeving van [woonplaats2] blijven, zodat de kinderen niet tweemaal op een dag de lange afstand hoeven af te leggen.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.5.. \n\nHet hof vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de zorgregeling met de moeder uit te breiden met de maandag en de dinsdag. Dit zou namelijk betekenen dat de moeder de kinderen iedere maandagmorgen en dinsdagmorgen vanuit [woonplaats1] naar de school van de kinderen in [woonplaats2] moet brengen, en ze in de middag weer moet ophalen. De extra tijd die de kinderen dan doorbrengen met de moeder vindt het hof niet opwegen tegen de afstand en met name de reistijd, van anderhalf uur enkele reis, die hiermee gepaard gaat. Hierin neemt het hof ook mee dat [de minderjarige1] verteld heeft dat zij snel wagenziek wordt en hierdoor geen ontbijt kan eten in de auto. Het hof vindt het in het belang van\n\n [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij hun schooldag rustig op kunnen starten en uitgerust en met genoeg energie aan hun dag kunnen beginnen. De reisafstand die zij moeten overbruggen van de moeder naar school maakt dit voor hen onmogelijk.\n\n5.6.. Het hof begrijpt dat de moeder de kinderen mist. Ook de kinderen geven aan graag meer tijd door te brengen met de moeder. Feit is echter dat de moeder er de voorkeur aan heeft gegeven te verhuizen naar [woonplaats1] in plaats van veel dichter bij de kinderen te gaan wonen. Door deze keuze heeft de moeder een situatie gecreëerd waarbij vaker en\u002Fof langer contact met de kinderen veel van de kinderen vraagt, omdat zij dan steeds een grote afstand moeten overbruggen. Om tegemoet te komen aan de wens van de kinderen, om de moeder vaker te zien, zal het hof de zorgregeling aanvullen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook op de dinsdagmiddag na school tot 17.00 uur bij de moeder in de buurt van [woonplaats2] verblijven. De moeder kan op de dinsdagmiddag na school iets met de kinderen ondernemen in de buurt van [woonplaats2] . [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zien de moeder dan een extra middag in de week, zonder dat zij een grote afstand moeten afleggen.\n\n5.7.. \n\nHet subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de moeder, onder andere inhoudende dat de kinderen ieder weekend bij de moeder zijn, acht het hof niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Integendeel, het hof vindt het belangrijk voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij ook weekenden en vakanties bij de vader kunnen doorbrengen. Het hof betrekt daarbij wederom dat het de eigen keuze van de moeder is geweest waardoor deze situatie is ontstaan. Die keuze hoeft er niet toe te leiden dat de vader moet interen op de weekenden en vakanties. Bij toewijzing van het subsidiaire verzoek van de moeder zullen de kinderen nooit meer in de weekenden en vakanties bij de vader zijn. Dit vindt het hof niet in hun belang.\n\nHet hof zal wel bepalen dat de moeder en de kinderen twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vader verteld dat dit al een periode is gebeurd. Het hof maakt hieruit op dat de vader geen bezwaar heeft tegen toewijzing van dit deel van het verzoek van de moeder. Nu het hof het ook in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vindt dat zij kunnen videobellen met de moeder, zal het hof dit deel van het verzoek van de moeder toewijzen.\n\n5.8.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank bevestigen (bekrachtigen) en aanvullen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook op de dinsdagmiddag vanuit school tot 17.00 uur bij de moeder in de omgeving van [woonplaats2] verblijven en dat zij tweemaal in de week op een door de vader en de kinderen te bepalen moment videobelcontact met de moeder hebben.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van\n\n21 oktober 2025, waarin is bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] :\n\n- om de week in het weekend bij de moeder verblijven vanaf vrijdag na school waarbij de moeder de kinderen uit school ophaalt tot zondag waarbij de moeder de kinderen om 19.30 uur terugbrengt naar de vader;\n\n- tijdens de vakanties die één week duren, bij de moeder verblijven;\n\n- tijdens de overige vakanties bij de ouders zijn, bij helfte tussen de ouders te verdelen.\n\nen vult deze regeling als volgt aan:\n\n- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven iedere dinsdag uit school tot 17.00 uur bij de moeder in de omgeving van [woonplaats2] ;\n\n- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben tweemaal in de week videobelcontact met de moeder op een door de vader en de kinderen te bepalen moment;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en\n\nE.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op\n\n9 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3706","2026-07-13T00:28:54.764Z",{"id":130,"ecli":131,"slug":132,"caseNumber":45,"courtId":133,"decisionDate":134,"fullText":135,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":53,"updatedAt":137},"1999","ECLI:NL:RBMNE:2026:3245","ecli-nl-rbmne-2026-3245",63,"2026-06-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F609376 \u002F FA RK 26-657\n\nVoorlopige voorzieningen\n\nBeschikking van 8 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. D. Rezaie,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. A. Hashem Jawaheri.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 1 april 2026;\n\nhet verweerschrift van de moeder met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken);\n\nhet bericht (met bijlagen) van de vader van 19 mei 2026 (via F9-formulier).\n\n1.2.. De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat en S.M. Razagi als tolk;\n\nde moeder met haar advocaat en M. Abdi als tolk.\n\n2. Waar deze procedure over gaat\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar getrouwd.\n\n2.2.. Partijen hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , roepnaam: [minderjarige] .\n\n2.3.. De vader wil scheiden. Hij vraagt de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn tijdelijke maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure.2.4.. De vader verzoekt de rechtbank om:\n\n [minderjarige] aan de vader toe te vertrouwen;\n\nte beslissen dat alleen de vader de woning mag gebruiken.\n\n2.5.. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Zij wil dat de vader niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoeken of dat de verzoeken worden afgewezen, omdat er geen sprake is van een noodzaak voor het treffen van voorlopige voorzieningen. In het geval dat de rechtbank wel oordeelt dat er sprake is van een noodzaak, verzoekt de moeder de rechtbank om:\n\n [minderjarige] aan de moeder toe te vertrouwen;\n\neen voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de vader en [minderjarige] omgang met elkaar hebben op zaterdag en zondag van 12.00 uur tot 15.00 uur;\n\nte beslissen dat alleen de moeder de woning mag gebruiken.\n\n3. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht3.1.. De Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningenprocedure rechtsmacht toe en past daarbij Nederlands recht toe.\n\nDe beslissing3.2.. De rechtbank zal de verzoeken van de vader afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\nDe toelichting3.3.. De rechtbank is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat de situatie op dit moment onhoudbaar is dat de ouders niet langer gezamenlijk in één woning kunnen verblijven. De moeder heeft op de zitting toegelicht dat de ouders al jaren gescheiden van elkaar in de woning wonen en dat zij nauwelijks met elkaar communiceren. De vader heeft dit niet betwist. Voor de rechtbank staat daarom vast dat de ouders al een langere periode op de huidige manier leven. De rechtbank begrijpt dat dit geen ideale situatie is en ziet ook dat er spanningen binnen het gezin zijn. Maar volgens de rechtbank kunnen die spanningen er niet toe leiden dat één partij niet meer in de woning mag blijven. Beide ouders hebben gesteld dat zij nergens anders terecht kunnen, dus dat betekent dat één partij op straat komt te staan als de ander het uitsluitend gebruiksrecht toegewezen krijgt. Dat vindt de rechtbank niet in het belang van het gezin. Het is het belang van beide ouders dat zij ergens kunnen wonen.\n\n3.4.. De rechtbank vindt het belangrijk dat de ouders er alles aan doen om de spanningen in de woning verminderen. Op de zitting is naar voren gekomen dat de spanningen voornamelijk zien op de opvoeding van [minderjarige] . Bij het gezin is een opvoedondersteuner betrokken. De rechtbank vindt dat de ouders zich moeten inspannen om het verschil in opvoeding aan de opvoedondersteuner voor te leggen en de adviezen daarover op te volgen. Daarnaast is het belangrijk dat de ouders met elkaar aan de slag gaan om verdere afspraken te maken over de gevolgen van de echtscheiding. Uiteindelijk zal toch iemand de woning moeten verlaten en moet er een ouderschapsplan worden opgesteld. Het is de rechtbank gebleken dat de ouders daar nog helemaal niet met elkaar, met behulp van de advocaten, over hebben gesproken.\n\n3.5.. Omdat er geen zodanige conflictsituatie is, zal de rechtbank het verzoek van de vader om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te kennen, afwijzen. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om [minderjarige] aan de vader toe te vertrouwen en wijst ook dat verzoek af.\n\n3.6.. De moeder heeft voorwaardelijke zelfstandige verzoeken ingediend. Gelet op het feit dat de rechtbank vindt dat er geen sprake is van een onhoudbare situatie, hoeft zij de verzoeken van de moeder verder niet te bespreken.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. wijst de verzoeken van de vader af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A.C. de Vaan, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3245","2026-07-13T00:29:49.378Z",{"id":139,"ecli":140,"slug":141,"caseNumber":45,"courtId":142,"decisionDate":143,"fullText":144,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":145,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":53,"updatedAt":146},"1107","ECLI:NL:RBMNE:2026:3902","ecli-nl-rbmne-2026-3902",71,"2026-06-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F612516 \u002F JL RK 26-351\n\nDatum uitspraak: 4 juni 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een spoedwijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken\n\nin de zaak van\n\nSAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,\n\ngevestigd in Almere,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),\n\nover\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [plaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 4 juni 2026, mee in de beoordeling.\n\n1.2.. De kinderrechter heeft op 4 juni 2026 telefonisch mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont met zijn broer [naam] bij de moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 januari 2027.\n\n2.4.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 juni 2019 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld: in het ouderschapsplan is vastgelegd dat [minderjarige] en [naam] elke dinsdag- en donderdagmiddag na school door vader worden opgehaald, bij hem zouden eten en om 18.30 uur weer thuis zouden zijn bij moeder. Daarnaast zouden zij om het weekend van vrijdagmiddag tot zondag 17.00 uur bij vader verblijven. Alle overige doordeweekse ochtenden, evenals de maandag- en woensdagmiddagen en om de week de vrijdagmiddag wanneer het het weekend van moeder is, verblijven de kinderen bij moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de door de kinderrechter op 17 juni 2019 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waar het [minderjarige] betreft te wijzigen, in die zin dat de reguliere zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] per direct stopgezet wordt. Ook verzoekt de GI te bepalen dat het contact tussen de vader en [minderjarige] , voor zover mogelijk, plaatsvindt onder regie van de GI, waarbij de GI in afstemming met de betrokken hulpverlening bepaalt op welke wijze en op welk moment contactherstel kan plaatsvinden. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter kan de onder 2.4. genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.De kinderrechter kan deze beslissing nemen zonder de belanghebbenden voorafgaand te horen.Het verhoor van de belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . De kinderrechter zal de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] opschorten voor de duur van vier weken en houdt het overige deel van het verzoek aan. Hierna wordt uitgelegd waarom zij deze beslissing neemt.\n\n4.2.. Er zijn al langere tijd zorgen over spanningen in het contact tussen [minderjarige] en zijn vader. Al bij beschikking van 16 december 2025 is de vastgestelde zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader opgeschort tot 26 februari 2026. Hierna heeft de vader meegewerkt aan een plan vanuit [bedrijf] voor gefaseerd contactherstel.\n\n4.3.. Hoewel het contactherstel in eerste instantie positief leek te verlopen, zijn er tijdens de speltherapie nieuwe signalen van angst vanuit [minderjarige] voor zijn vader naar voren gekomen. Daarnaast zijn de zorgen over de loyaliteitsproblematiek van [minderjarige] toegenomen. De moeder is recent getrouwd met haar nieuwe partner, waarop [minderjarige] aangaf niet meer naar zijn vader te willen, omdat hij een nieuwe vader heeft. Vanuit de hulpverlening is vervolgens een nieuw plan opgesteld zodat het voor [minderjarige] duidelijk wordt dat ook het contact met zijn eigen vader moet worden hersteld. Hoewel het belangrijk is dat [minderjarige] voor dit contactherstel emotionele toestemming van de moeder krijgt, mist de GI bij vader de wil om aan te sluiten bij wat zijn zoon nodig heeft. Naast dit alles, heeft op 20 mei 2026 een incident plaatsgevonden. [minderjarige] zou in verband met de aankomende feestdagen langer bij de vader moeten verblijven. Gezien het nieuwe plan voor contactherstel was het nog niet realistisch om [minderjarige] vier dagen bij de vader te laten verblijven, waardoor de GI de vader had verzocht om in te stemmen een pauze in de uitbreiding van de omgang. De vader heeft niet ingestemd met dit verzoek en stond bij het schoolplein om [minderjarige] op te halen. [minderjarige] is vervolgens weggerend. Daarnaast heeft de GI aangegeven dat de overdrachtsmomenten zelf ook niet altijd positief verlopen. Tijdens deze momenten ontstaat er vanwege het filmen door de vader nog meer spanning bij [minderjarige] . Daarnaast zorgt de vader er niet altijd voor dat [naam] als hij bij vader is deelneemt aan de speltherapie. Ook laat hij verstek gaan bij sportactiviteiten en is zijn huiswerk niet altijd op orde. Tot slot heeft [naam] last van de spanningen rond de contacten tussen [minderjarige] en vader. Wat op zichzelf ook reden tot zorg is.\n\n4.4.. Gezien deze zorgen is het volgens de hulpverlening noodzakelijk dat het contactherstel geborgd en gefaseerd opgebouwd zal worden. Hiervoor is het voor [minderjarige] belangrijk dat hij meer ruimte krijgt om hieraan te werken. Echter, de vader blijft vasthouden aan de zorgregeling die is vastgelegd bij beschikking van 17 juni 2019. De kinderrechter acht het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat het contactherstel op zijn tempo zal plaatsvinden. Dat lijkt op dit moment niet het tempo van de vastgelegde zorgregeling te zijn. Daarom schort de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] op tot 2 juli 2026.\n\n4.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] wordt opgeschort tot 2 juli 2026;5.2.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;\n\n5.3.. roept de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.A. Pot van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, in het gerechtsgebouw aan Stationsplein 15 te Lelystad,op 16 juni 2026 om 15:45 uur, om nader op het verzoek te worden gehoord;\n\n5.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. L.P. de Haas, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op\n\n09 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 809 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3902","2026-07-13T00:29:04.397Z",{"id":148,"ecli":149,"slug":150,"caseNumber":45,"courtId":142,"decisionDate":143,"fullText":151,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":53,"updatedAt":154},"1056","ECLI:NL:RBMNE:2026:3856","ecli-nl-rbmne-2026-3856","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Lelystad\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F607393 \u002F FL RK 26-234\n\nOmgang\n\nBeschikking van 4 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. A. Patist,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. K. Benchaïb.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 23 februari 2026;\n\nhet bericht van de vader van 19 maart 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de moeder met daarin een aantal zelfstandige verzoeken van 24 april 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de vader op de zelfstandige tegenverzoeken van de moeder met daarin een aantal tegenverzoeken van 30 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 5 mei 2026;\n\nhet bericht (met bijlage) van de vader van 6 mei 2026.\n\n1.2. \n\nDe verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van\n\n7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader en zijn advocaat;\n\nde moeder en haar advocaat;\n\n [A.] , als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\n2. Waar de procedure over gaat\n\n2.1. De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.\n\n2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .\n\n2.3. \n [minderjarige] woont bij de moeder.\n\n2.4. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem moeten nemen.\n\n2.5. Er is geen ouderschapsplan. Dat betekent dat de ouders niet samen afspraken hebben gemaakt over de zorg voor [minderjarige]\n\n2.6. Bij beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank is – voor zover van belang in deze procedure – de volgende (opbouwende) zorgregeling vastgesteld, waarbij:\n\nde zorgregeling met ingang van 20 mei 2024 voor vier weken wordt opgebouwd waarbij twee keer per week omgang plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige] . Iedere maandag heeft de vader van 13.00 tot 16.00 uur omgang met [minderjarige] in de woning van de moeder in [plaats 3] . Iedere vrijdag brengt de moeder [minderjarige] om 12.00 uur bij de vader in [plaats 1] , waarna zij [minderjarige] om 15.00 uur weer ophaalt bij de vader thuis;\n\nmet ingang van 17 juni 2024 heeft [minderjarige] elke maandag van 13.00 tot 16.00 uur omgang met de vader in of rond [plaats 3] . Omdat [minderjarige] nog erg jong is en het slecht weer kan zijn tijdens de omgang hebben de ouders afgesproken dat het in overleg mogelijk is dat de omgang bij de moeder thuis plaatsvindt. De vader dient dit tijdig met de moeder te overleggen;\n\n [minderjarige] iedere vrijdag van 10.00 tot 18.00 uur bij de vader verblijft. De moeder brengt [minderjarige] om 10.00 uur bij de vader thuis in [plaats 1] en de vader brengt [minderjarige] om 18.00 uur terug bij de moeder thuis in [plaats 3] ;\n\nde wisselmomenten op maandag en vrijdagmiddag vinden plaats bij de moeder thuis en het wisselmoment op vrijdagochtend vindt plaats bij de vader thuis.\n\n2.7. Bij vonnis in kort geding van 6 augustus 2024 van deze rechtbank is – samengevat – de moeder veroordeelt tot het nakomen van de zorgregeling zoals vastgesteld bij de hiervoor genoemde beschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,- per overtreding per dag of gedeelte van een dag, tot een maximum van € 5.000,-.\n\n2.8. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 27 maart 2025 de beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank vernietigt en de volgende zorgregeling vastgesteld:\n\nde opbouwperiode\n\n- in week 14 heeft [minderjarige] omgang met de vader op maandagmiddag 31 maart 2025 van14.00. uur tot 17.00 uur in [plaats 3] en op vrijdag 4 april 2025 van 10.00 uur tot 18.00 uur in [plaats 1] ;\n\n [minderjarige] zal drie keer in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdagochtend 9.00 uur tot zaterdagmiddag 15.00 uur; het gaat dan om de weekenden startend op vrijdag 11 april 2025, vrijdag 25 april 2025 en vrijdag 9 mei 2025;\n\ndaarna zal [minderjarige] drie keer in de weekenden in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdagochtend 9.00 uur tot zondagochtend 10.00 uur; het gaat dan om de weekenden startend op vrijdag 23 mei 2025, vrijdag 6 juni 2025 en vrijdag 20 juni 2025;\n\nvanaf week 15 heeft [minderjarige] daarnaast omgang met de vader op de maandagen in de oneven weken van 14.00 uur tot 17.00 uur, voor het eerst op 7 april 2025, waarbij de locatie ter vrije bepaling van de vader staat;\n\nde ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder;\n\nde definitieve zorgregeling\n\n [minderjarige] verblijft met ingang van het weekend dat start op vrijdag 4 juli 2025 eens in de veertien dagen een weekend bij de vader van vrijdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur;\n\ndaarnaast heeft [minderjarige] eens in de veertien dagen omgang met de vader op de maandagen van 9.00 uur tot 17.00 uur, voor het eerst op maandag 14 juli 2025, waarbij de locatie ter vrije bepaling van de vader staat;\n\nde ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt na aanvulling van zijn verzoeken – samengevat – de rechtbank te bepalen dat:\n\nZorgregeling vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat\n\n- [minderjarige] vanaf het moment dat hij naar de basisschool gaat steeds per drie weekenden, twee weekenden van vrijdag uit school tot zondag na het avondeten bij de vader is, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader toebrengt en de vader [minderjarige] naar de moeder terugbrengt;\n\n2026 (als [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat)\n\n- [minderjarige] op de volgende momenten bij de vader verblijft:\n\no van 24 april 2026 tot en met 1 mei 2026;\n\no in week 1, 3 en 4 van de zomervakantie 2026 zoals het schema schoolvakanties geldt in de gemeente [gemeente] ;\n\no of de eerste week of de tweede week van de kerstvakantie;\n\n2027 (in de periode voordat [minderjarige] naar de basisschool gaat)\n\n- [minderjarige] op de volgende momenten bij de vader verblijft:\n\no gedurende één week in de voorjaarsvakantie;\n\no week 1, 3 en 4 van de zomervakantie;\n\nvanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat (na de zomervakantie van 2027)\n\nprimairde vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld en de ouders in september van ieder jaar afspraken maken voor het dan volgende schooljaar;\n\nsubsidiairindien en voor zover het niet lukt om de schoolvakanties in september van ieder jaar in onderling overleg te verdelen:\n\no dat zal gelden dat de vader in de oneven jaren (waarmee bedoeld het jaar waarin de afspraken in september gemaakt zouden moeten worden) de eerste keuze heeft en de moeder in de even jaren, waarbij in elk geval zal gelden dat de zomervakantie wordt opgedeeld in twee perioden van drie weken;\n\no voor de tweeweekse schoolvakanties (mei en kerst), zal gelden dat elk van de ouders de gelegenheid heeft om één week met [minderjarige] door te brengen;\n\no in de schoolvakanties die één week duren de reguliere zorgregeling doorloopt, tenzij één van de ouders gedurende die week op vakantie wil met [minderjarige] ;\n\nfeestdagen\n\noud en nieuw: jaarlijks wisselend;\n\nSinterklaas (5 december): jaarlijks wisselend;\n\nKoningsdag: jaarlijks wisselend;\n\nMoederdag: bij moeder;\n\nVaderdag: bij vader;\n\nKerst: het ene jaar verblijft [minderjarige] op kerstavond en eerste kerstdag bij de ene ouder en van tweede kerstdag om 9.00 uur bij de andere ouder en dit het andere jaar andersom is;\n\nOud en Nieuw: [minderjarige] verblijft bij de ouder waar hij dat jaar op tweede kerstdag verbleef;\n\nverjaardag [minderjarige] : de reguliere zorgregeling doorloopt;\n\nOverige bijzondere dagen\n\n- te bepalen dat er te allen tijde de mogelijkheid is dat [minderjarige] op bijzondere dagen, zoals familieaangelegenheden, bruiloften, jubilea en uitvaarten, hij deze kan bijwonen en dus wordt afgeweken van de reguliere zorgregeling;\n\ndan wel een beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt;\n\nin alle gevallen de moeder te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vindt dat deze moeten worden afgewezen. De moeder wil dat de ouders naar een Parallel Solo Ouderschap traject via de gemeente [gemeente] worden doorverwezen en in dat kader de regeling zoals opgenomen in het door de moeder opgestelde concept ouderschapsplan als uitgangspunt wordt genomen voor het uitbreiden van de zorgregeling in de vakanties en feestdagen in de toekomst.\n\n3.3. Bij wijze van een zelfstandig verzoek verzoekt de moeder om:\n\nvanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat, vervalt de vrijdag 09:00–17:00 uur bij vader en zal de aanvangstijd van de weekendregeling aangepast worden naar een tijd na schooltijd, in alle redelijkheid en in overleg, rekening houdend met de te reizen afstand;\n\nmet ingang van de datum dat [minderjarige] de schoolgaande leeftijd bereikt, zullen vakantieperiodes geleidelijk ingevuld worden en worden opgebouwd in aantal overnachtingen bij vader, waarbij [minderjarige] leeftijd, ontwikkeling en gewenningsperiode in acht genomen worden;\n\nten aanzien van de feestdagen geldt dat deze worden gedeeld zoveel mogelijk aansluiting zoekende bij de weekendregeling die geldt.\n\n3.4. De vader is het niet eens met de zelfstandige verzoeken van de moeder en vindt dat deze moeten worden afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De rechtbank zal het volgende beslissen:\n\nde beslissing over de zorgregeling en de definitieve beslissing over de verdeling van de vakantie- en feestdagen zal voor de duur van negen maanden worden aangehouden in afwachting van het Parallel Solo Ouderschapstraject;\n\ner zal een voorlopige verdeling van de vakantie- en feestdagen gelden, welke luidt als volgt:\n\no verjaardag [minderjarige]: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\no zomervakantie 2026: [minderjarige] verblijft in week 1 en in week 4 van de zomervakantie van maandag tot vrijdag, aansluitend op het omgangsweekend van de vader, bij de vader;\n\no herfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\no Sinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\no kerstvakantie 2026-2027 (inclusief de feestdagen): [minderjarige] verblijft van\n\n18 december 2026 9.00 uur tot 26 december 2026 11.00 uur bij de vader en van 26 december 2026 11.00 uur tot en met 3 januari 2027 bij de moeder;\n\no voorjaarsvakantie 2027: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\n- de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder.\n\n4.2. De rechtbank legt haar beslissing hierna uit.\n\n4.3. In de wet staat dat beide ouders het recht op en de verplichting tot gelijkwaardig ouderschap hebben.Dat betekent niet dat de zorg altijd 50\u002F50 verdeeld moet worden. Wel brengt het mee dat de ouders allebei een gelijkwaardige positie hebben en een daarbij passende rol voor [minderjarige] moeten kunnen vervullen. Ook staat in de wet dat de ouders de verplichting hebben om de bang van hun kind met de andere ouder te bevorderen.Dit wettelijke kader vormt het uitgangspunt bij de beoordeling van de verzoeken van de ouders.\n\n4.4. De achtergrond van deze wettelijke bepalingen is dat het in zijn algemeenheid in het belang van de identiteitsontwikkeling van een kind is dat het met beide ouders goed contact heeft. Dat geldt ook voor [minderjarige] . Het lukt de ouders op dit moment echter niet om op een goede manier aan hun wettelijke verplichting te voldoen. Zij houden allebei veel van hun zoon, maar blijven – tegen het belang van [minderjarige] in – verwikkeld in een voortdurende strijd over wanneer [minderjarige] bij welke ouder verblijft. De oorzaak hiervoor lijkt te zijn dat er veel tussen de ouders is gebeurd in het verleden en dat dit hen in de weg blijft staan. Allebei hebben ze hier in de processtukken en tijdens de zitting over verteld. De grootste zorg van de vader is daarbij dat de moeder hem uit het leven van [minderjarige] duwt. Hij heeft het gevoel dat hij ieder extra moment met [minderjarige] moet bevechten, omdat de moeder hem geen ruimte gunt in het leven van [minderjarige] . De moeder maakt zich op haar beurt ook zorgen. Zij voelt zicht door de vader geïntimideerd omdat hij zich dwingend en bepalend opstelt, en geen enkel oog heeft voor haar zorgen over [minderjarige] . De zorgen komen er, verkort weergegeven, op neer dat de moeder betwijfelt of de vader wel rekening houdt met wat voor [minderjarige] het beste is.4.5. Deze strijd tussen de ouders is niet goed voor [minderjarige] . Hij is nu nog jong, maar krijgt al veel mee, en dat zal als hij ouder wordt alleen maar meer worden. Het is belangrijk dat de ouders alles op alles zetten om dit anders te gaan doen en zich daarbij te richten op wat zijzelf – niet de ander, maar zijzelf – kunnen doen. De ouders hebben tijdens de zitting verteld dat zij allebei nog altijd bereid om aan de slag te gaan met het Parallel Solo Ouderschapstraject. De rechtbank wil de ouders de kans geven om dit hulpverleningstraject aan te gaan, zodat zij kunnen werken aan de onderliggende problematiek en zij zich – los van elkaar – kunnen ontwikkelen en zij weer gaan handelen in het belang van [minderjarige] . Om deze reden zal de rechtbank nu nog geen beslissing nemen over de definitieve zorgregeling en verdeling van de vakantie- en feestdagen, maar deze beslissing nog negen maanden uitstellen. In de tussentijd blijft de reguliere zorgregeling gelden zoals deze nu is. De rechtbank ziet namelijk geen aanleiding om hier nu – in het belang van [minderjarige] – een wijziging in aan te brengen. De strijd tussen de ouders is, zoals toegelicht, op zichzelf heel zorgelijk en gaat ten koste van de (emotionele) veiligheid van [minderjarige] , maar het is niet gebleken dat het bij één van de ouders los hiervan onveilig is of dat één van hen niet goed voor [minderjarige] kan zorgen. De rechtbank wil van de ouders over uiterlijk negen maanden bericht krijgen over hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.\n\nVoorlopige vakantie- en feestdagenregeling4.6. In de tussentijd zal de rechtbank wel een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vaststellen (tot en met de voorjaarsvakantie 2027), zodat hier de komende periode – terwijl ouders met hulpverlening aan de slag gaan – in ieder geval duidelijkheid over is en dit de strijd hierover hopelijk vermindert. De rechtbank heeft hiervoor geschetst hoe deze voorlopige vakantie- en feestdagenregeling eruit zal zien. De rechtbank is tot de hiervoor genoemde regeling gekomen, omdat zij het in het belang vindt van [minderjarige] dat hij meer (en kwalitatieve) tijd met zijn vader kan doorbrengen. Om die reden vindt de rechtbank het goed dat [minderjarige] ook naast de reguliere zorgregeling tijd met zijn vader heeft, end at daar een concrete opbouw in plaatsvindt. De moeder heeft verteld dat zij op zichzelf niet tegen een opbouw is, maar zij wil wel dat deze in (hele) kleine stappen plaatsvindt. De rechtbank vindt een geleidelijke opbouw ook belangrijk, maar vindt tegelijkertijd dat het nu wel tijd is voor iets langere periodes van [minderjarige] bij zijn vader. Een 50\u002F50 verdeling zou daarbij een duidelijk en logisch doel zijn – de moeder heeft ook gezegd dat zij daar uiteindelijk ook wel naartoe zou willen. Op dit moment is dat nog een te grote stap. Feit blijft dat dit voor grote weerstand zorgt bij de moeder en dat [minderjarige] hier – al dan niet bewust – het nodige van meekrijgt, terwijl het juist zo belangrijk is dat de moeder [minderjarige] emotionele toestemming geeft in het contact met de vader. Hier kan de hulpverlening bij gaan helpen. Omdat [minderjarige] nog jong is, is in de zomervakantie een ‘pauze’ ingebouwd. Hij is twee keer 5 dagen bij zijn vader, zodat hij op die manier kan wennen aan het idee om langere tijd aaneengesloten bij de vader door te brengen.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. stelt de volgende voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vast:\n\nverjaardag [minderjarige]: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\nzomervakantie 2026: [minderjarige] verblijft in week 1 en in week 4 van de zomervakantie van maandag tot vrijdag, aansluitend op het omgangsweekend van de vader, bij de vader;\n\nherfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\nSinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\nkerstvakantie 2026-2027 (inclusief de feestdagen): [minderjarige] verblijft van\n\n18 december 2026 9.00 uur tot 26 december 2026 11.00 uur bij de vader en van\n\n26 december 2026 11.00 uur tot en met 3 januari 2027 bij de moeder;\n\n- voorjaarsvakantie 2027: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\n- de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder;\n\n5.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3. houdt de (verdere) beslissing over de definitieve zorgregeling, vakantie- en feestdagenregeling aan voor de duur van negen maanden, in afwachting van de uitkomst van het Parallel Solo Ouderschapstraject, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:\n\nof meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;\n\nof een nieuwe zitting nodig is;\n\nof de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Art. 1:247 lid 4 BW.\n\n Art. 1:247 lid 3 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3856","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:01.899Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":45,"courtId":142,"decisionDate":143,"fullText":159,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":53,"updatedAt":161},"1043","ECLI:NL:RBMNE:2026:3854","ecli-nl-rbmne-2026-3854","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Lelystad\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F607887 \u002F FL RK 26-280\n\nZorgregeling\n\nBeschikking van 4 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. J.B. Streefkerk,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. M. Falkena.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 2 maart 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de vader van 12 maart 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 12 maart 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de moeder van 2 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlage) van de vader van 9 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 28 april 2026.\n\n1.2. \n\nDe verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van\n\n7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader en zijn advocaat;\n\nde moeder en haar advocaat;\n\n [A.] , een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\n1.3. De moeder heeft tijdens de zitting een persoonlijke brief voorgelezen, welke – zoals tijdens de zitting is afgesproken – op 7 mei 2026 namens de moeder door mr. Falkena is ingediend.\n\n1.4. De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige] , de zoon van de ouders, gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige] heeft daar op 4 mei 2026 met de rechter over gesproken.\n\n2. Waar de procedure over gaat\n\n2.1. De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.\n\n2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .\n\n2.3. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen.\n\n2.4. De ouders hebben in het ouderschapsplan van 15 februari 2019, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 5 april 2019, afgesproken dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.\n\n2.5. \n [minderjarige] verblijft sinds 2 februari 2026 feitelijk bij de vader.\n\n2.6. \n\nBij beschikking van 12 mei 2021 van deze rechtbank is het ouderschapsplan van\n\n15 februari 2019 en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2019 – ten aanzien van de zorg-, vakantie- en feestdagenregeling – gewijzigd in die zin dat:\n\nmet ingang van 30 april 2021 zal tussen [minderjarige] en vader een zorgregeling gelden waarbij [minderjarige] één keer in de veertien dagen een weekend bij vader verblijft van vrijdag uit school (14:00 uur) tot en met dinsdagochtend naar school. In de week erop zal vader [minderjarige] op maandag op school halen en dan blijft hij bij hem tot dinsdagochtend naar school;\n\nde vakanties worden als volgt verdeeld: de vakanties van één week worden niet\n\nverdeeld, de overeengekomen zorgregeling loopt dan door. Voor vakanties die twee weken duren, geldt dat deze bij helfte verdeeld worden. Indien [minderjarige] in een vakantie van twee weken de eerste week bij vader is, dan is dat vanaf vrijdag om 14.00 uur uit school. Deze eerste week eindigt derhalve op de vrijdag erna om 14.00 uur. Vader brengt [minderjarige] alsdan naar moeder zodat [minderjarige] om 14.00 uur bij de moeder is;\n\nvoor de meivakantie 2021 is afgesproken dat [minderjarige] de eerste week bij vader is en de tweede week bij moeder;\n\nten aanzien van de zomervakantie en kerstvakantie geldt dat deze eveneens bij helfte worden verdeeld, met dien verstande dat ieder jaar [minderjarige] wisselend eerste kerstdag bij de ene ouder is, tweede kerstdag bij de andere ouder, ongeacht de week waarin de zorgregeling plaatsvindt. De jaarwisseling zal [minderjarige] doorbrengen bij de ouder waarbij hij eerste kerstdag heeft doorgebracht. Voor 2020 geldt dat [minderjarige] van 21 tot en met 27 december bij vader zal zijn, tweede kerstdag bij moeder, waarbij [minderjarige] om 11:00 uur bij de moeder zal zijn en op 27 december 12:00 uur weer bij de vader. De tweede week van de kerstvakantie (28 december tot en met 3 januari) zal [minderjarige] bij de moeder zijn, maar op Oudejaarsdag om 11:00 uur naar de vader gaan en op Nieuwjaarsdag om 12.00 uur weer bij de moeder zijn. Voor 2021 geldt het tegenovergestelde: [minderjarige] zal eerste kerstdag en de jaarwisseling bij moeder zijn en tweede kerstdag bij vader. De zomervakantie 2021 zal bij helfte verdeeld worden waarbij [minderjarige] de eerste drie weken bij moeder is in de laatste drie weken bij vader, het wisselmoment is vrijdag 14.00 uur. Als locatie voor de overdracht wordt de woning van moeder aangehouden;\n\ntijdens de vakanties die twee of meer weken duren, zal de ouder waar [minderjarige] verblijft hem in de gelegenheid stellen in ieder geval twee maal per week met de andere ouder te telefoneren. Die andere ouder zal de telefoon correct opnemen en als het moment van telefoneren niet uitkomt dat direct uitleggen. De oproep zal niet beëindigd worden zonder dat er verbinding lot stand is gekomen;\n\nten aanzien van de vorderingen van [minderjarige] op school of op sport, zijn de vader en de\n\nmoeder zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van deze informatie. Zij zullen dus\n\nniet bij elkaar die informatie vragen. Gesprekken op school worden niet gezamenlijk\n\nbezocht. Ieder zal een eigen afspraak met school maken;\n\nhet is ouders niet toegestaan zonder nader overleg dan wel zonder gegronde reden eenzijdig de zorgregeling stop te zetten.\n\n2.7. De ouders hebben geprobeerd om samen afspraken te maken tijdens een mediationtraject. Het mediationtraject is echter vroegtijdig beëindigd.\n\n2.8. \n\nBij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van\n\n30 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vader.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt om:\n\nprimair\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;\n\nte bepalen dat [minderjarige] – nadat contactherstelgesprekken tussen moeder en [minderjarige] hebben plaatsgevonden –één keer in de twee weken vanaf vrijdag 19:30 uur tot maandag 19:30 uur bij de moeder verblijft en de vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld;\n\nde kinderalimentatie op nihil wordt gesteld;\n\nsubsidiair\n\n- te bepalen dat [minderjarige] de ene helft van de tijd bij de vader verblijft en de andere helft van de tijd bij de moeder verblijft met als wisselmoment vrijdag 19.30 uur;\n\nmeer subsidiair\n\neen beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt.\n\n3.2. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vindt dat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\nZorgregeling4.1. De rechtbank zal de volgende zorgregeling vaststellen:\n\nopbouwperiode:[minderjarige] verblijft voorlopig om de week van vrijdag na school tot dinsdag 19.30 uur bij de moeder en de overige tijd bij de vader;\n\ndefinitieve zorgregeling:[minderjarige] verblijft vanaf 16 augustus 2026 (dus: na de zomervakantie) voortaan in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag om 19.30 uur plaatsvindt.\n\nDe rechtbank legt haar beslissing hierna uit.\n\n4.2. Waar [minderjarige] eerder het grootste deel van de tijd bij de moeder verbleef, verblijft hij sinds februari bij de vader en is hij in een kortgeding procedure voorlopig aan de vader toevertrouwd. Ondanks verschillende pogingen van de ouders om samen afspraken te maken, is dit nog niet gelukt. Binnenkort zullen de ouders gaan werken aan hun onderlinge communicatie met systeemtherapie bij [naam] . De rechtbank vindt dit verstandig, omdat de communicatie nu regelmatig via [minderjarige] verloopt en daar heeft hij last van. In de tussentijd hebben zowel [minderjarige] als de ouders al wel behoefte aan duidelijkheid over de zorgregeling. De rechtbank zal om die reden een definitieve zorgregeling vaststellen.\n\n4.3. De rechtbank is van oordeel dat een co-ouderschapsregeling – waarbij [minderjarige] de ene helft van de tijd bij de moeder en de andere helft van de tijd bij de vader verblijft – het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarmee sluit de rechtbank zich aan bij de Raad, die dit tijdens de zitting ook heeft geadviseerd. Een co-ouderschap past goed bij het uitgangspunt in de wet dat er sprake moet zijn van ‘gelijkwaardig ouderschap’.Gelijkwaardig ouderschap betekent dat beide ouders een rol van betekenis in [minderjarige] ’s leven spelen, en zorg- en opvoedtaken verrichten. Dat is belangrijk voor [minderjarige] identiteitsontwikkeling.. Het is niet gebleken dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] is. Dat de ouders allebei een andere opvoedstijl hebben, is geen reden om van een co-ouderschap af te zien. Verschillende opvoedstijlen kunnen elkaar namelijk ook aanvullen en daarmee juist van meerwaarde zijn voor een kind. Een mooi voorbeeld is huiswerk; dit is tijdens de zitting besproken. De moeder houdt, zo heeft ze verteld, meer in de gaten of [minderjarige] wel zijn huiswerk doet. Ze zit hem achter zijn broek aan als dat nodig is. De vader laat dit meer los; hij vindt dat [minderjarige] moet leren dat er gevolgen zijn als hij zijn huiswerk niet maakt, en dat leert hij het beste door het gewoon maar eens te ervaren. Dat zijn allebei manieren om [minderjarige] te helpen: het is juist goed als [minderjarige] van allebei een stukje meekrijgt. De ouders kunnen bovendien tijdens het hulpverleningstraject afspraken maken over hoe zij hier het beste mee om kunnen gaan en elkaar hierbij én in hun waarde laten, én ondersteunen waar nodig. Wanneer dit lukt, kan er op termijn hopelijk ook meer flexibiliteit in de zorgregeling komen. Een voorbeeld hiervan is dat [minderjarige] bijvoorbeeld een keer in de week dat hij bij de vader is bij de moeder kan avondeten of andersom. Dat past ook bij de leeftijd van [minderjarige] , waarbij steeds wat meer autonomie voor hem fijn is.\n\n4.4. De zorgregeling zal in de periode tot en met de zomervakantie van dit jaar worden opgebouwd, zodat [minderjarige] kan wennen aan de nieuwe situatie en de ouders in de tussentijd kunnen werken aan de communicatie. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vakantieregeling ongewijzigd blijft. De vakantie van [minderjarige] en de moeder naar Indonesië zal dus gewoon kunnen doorgaan en [minderjarige] zal ook tijd met de vader kunnen doorbrengen. De wisselmomenten van de week-op-week-afregeling zullen plaatsvinden op vrijdag om19.30. uur, zoals door de vader is verzocht.\n\nHoofdverblijfplaats4.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en zal daarom het verzoek van de vader afwijzen. Er wordt de komende periode toegewerkt naar co-ouderschap, waardoor [minderjarige] evenveel tijd bij de moeder als bij de vader doorbrengt. Een wijziging is daarom niet nodig, wat betekent dat [minderjarige] bij de moeder ingeschreven kan blijven staan.\n\nKinderalimentatie4.6. De rechtbank zal een beslissing op het verzoek over de kinderalimentatie aanhouden in afwachting van de verweertermijn. De reden daarvoor is dat toen de zitting werd gepland, de verweertermijn nog niet was verstreken, zodat dit verzoek niet inhoudelijk op de zitting kon worden behandeld. De rechtbank wil over uiterlijk zes weken van de ouders bericht krijgen hoe het verder moet in deze procedure en of voor de kinderalimentatie een nieuwe zitting nodig is of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. stelt de volgende zorgregeling vast:\n\nopbouwperiode:[minderjarige] verblijft voorlopig om de week van vrijdag na school tot dinsdag 19.30 uur bij de moeder en de overige tijd bij de vader;\n\ndefinitieve zorgregeling:[minderjarige] verblijft vanaf 16 augustus 2026 (dus na de zomervakantie) voortaan in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag om 19.30 uur plaatsvindt;\n\n5.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3. houdt de beslissing over kinderalimentatie aan voor de duur van zes weken, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:\n\nof een nieuwe zitting nodig is;\n\nof de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;\n\n5.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Art. 1:247 lid 4 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3854","2026-07-13T00:29:00.929Z",{"id":163,"ecli":164,"slug":165,"caseNumber":45,"courtId":166,"decisionDate":167,"fullText":168,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":169,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":53,"updatedAt":171},"408","ECLI:NL:RBDHA:2026:17440","ecli-nl-rbdha-2026-17440",58,"2026-05-28T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 23-5949\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F652435\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag, zorg-\u002Fomgangsregeling, informatie en consultatieregeling\n\nBeschikking op het op 10 augustus 2024 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M.J.W. Jongenelen te Roosendaal.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 12 april 2024 van deze rechtbank is een beslissing ter zake van het gezag, de zorg-\u002Fomgangsregeling en de informatieregeling aangehouden zodat de ouders op eigen aanmelding een hulpverleningstraject konden gaan starten om aan hun verstoorde communicatie te werken.\n\nDe rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:\n\nhet bericht van 7 oktober 2024 van de moeder;\n\nhet bericht van 8 oktober 2024 van de vader;\n\nde brief van 27 mei 2025 van de moeder;\n\nde brief van 3 juni 2025 van de vader;\n\nde brief van 30 september 2025 van de moeder;\n\nde brief van 3 oktober 2025 van de vader;\n\nhet bericht van 6 januari 2026 van de moeder met bijlagen;\n\nde brief van 20 april 2026 van de moeder met bijlagen.\n\nDe kinderen hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.\n\nOp 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en de moeder met haar advocaat.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.\n\nGezag\n\nVoor de vader is het belangrijkste dat er een goede omgangsregeling tussen hem en de kinderen wordt vastgesteld en hij gaat ervan uit dat een beslissing over het gezag door de rechtbank juist wordt genomen.\n\nVolgens de moeder is het niet in het belang van de kinderen dat de moeder samen met de vader het gezamenlijk gezag uitoefent gelet op het feit er geen enkel constructief overleg tussen hen mogelijk is.\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting gebleken dat de verhoudingen tussen de ouders nog steeds zodanig verstoord zijn dat de kinderen klem en verloren dreigen te raken wanneer de vader en de moeder het gezag gezamenlijk zouden uitvoeren. De ouders zijn anderhalf jaar verder en de inzet van verschillende hulptrajecten, zoals mediation en parallel solo ouderschap, bleek hen niet verder te brengen in het verbeteren van het contact. De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen dat de vader en de moeder het gezamenlijk gezag uitoefenen en wijst het verzoek van de vader daarom af.\n\nOmgangsregeling\n\nHet is de hulpverlening niet gelukt om de ouders met elkaar in contact te brengen. Er is door het UHA-traject een advies opgesteld om een omgangsregeling vast te stellen zodat er duidelijkheid voor de kinderen komt. Daarbij is het van belang dat hun wensen en behoeften leidend zijn in het contact met de vader.\n\nDe vader heeft op de zitting aangegeven zich neer te leggen bij de voorgestelde omgangsregeling uit het advies vanuit het UHA-traject. Het is voor de vader het belangrijkste dat het contact met de kinderen weer wordt opgestart, omdat hij ze graag weer zou willen zien.\n\nDe moeder wenst geen vastlegging van een omgangsregeling, omdat het contact tussen de vader en de kinderen al enige tijd stilligt en de vader zich daarnaast tegenover [minderjarige 1] negatief uitlaat over de moeder.\n\nUit de stukken en op de zitting is de rechtbank het volgende gebleken. De kinderen ervaren de omgang met hun vader als beladen, niet onbelast en regelmatig oppervlakkig. Uit het UHA rapport blijkt daarnaast dat de kinderen het als lastig ervaren als de vader hen vragen stelt over een uitbreiding van de omgang. De kinderen vonden de eerder afgesproken regeling voldoende, maar de vader vond dit moeilijk te accepteren. Het is in het belang van de kinderen om tijdens contactmomenten een leuke dag te hebben met de vader waarbij de focus door de vader niet – alsmaar – verlegd wordt naar de mogelijkheden tot een uitbreiding van de omgangsregeling. Omdat het wel in het belang van de kinderen is om met beide ouders contact te hebben, zal de rechtbank de volgende omgangsregeling vastleggen voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Een zondag per vier weken zullen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar de vader gaan van 11:00 uur tot 19:00 uur waarbij de moeder de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wegbrengt naar de vader en de vader de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder. Voor [minderjarige 3] komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 3] acht de rechtbank hem zelfstandig genoeg om in onderling overleg met de vader afspraken te maken over contactmomenten. Het is des te meer ook aan de vader om zich voor dit contact met [minderjarige 3] in te zetten. Het is de rechtbank gebleken dat de vader moeite heeft om het strijdkader los te laten. Het lukt de vader niet om de wensen en behoeften van de kinderen los te zien van zijn boosheid richting de moeder. Het is echter in het belang van de kinderen dat de vader hier verandering in brengt en zijn aandacht meer gaat richten op zijn band met de kinderen en minder op hetgeen waar hij recht op meent te hebben met betrekking tot de kinderen. De vader zal oprechte belangstelling in de kinderen moeten tonen en zo met hen in gesprek kunnen gaan om erachter te komen wat zij willen en wat er in hen omgaat. In het kader van oprechte belangstelling kan het de vader helpen om, ondanks zijn financiële problemen, toch bij de voetbal van de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te gaan kijken, mede omdat zij hebben aangegeven dit heel leuk te vinden. Het is in het belang van de kinderen om zich gezien en gehoord te voelen door hun vader. Hiervoor zal eerst het contact met de vader en de kinderen hersteld moeten worden en daarvoor acht de rechtbank de vader aan zet. Het zal een wat langere adem vragen om de relatie tussen de vader en de kinderen te herstellen en de rechtbank hoopt dat de vader zichzelf en vooral de kinderen deze tijd gunt.\n\nInformatie-\u002Fconsultatieregeling\n\nDe vader verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de moeder de vader bij voorkeur één keer per maand per mail informeert over de ontwikkeling van de kinderen. Voorts verzoekt de vader dat de moeder haar medewerking verleent dat de school van de kinderen informatie verstrekt aan de vader over de ontwikkeling van de kinderen op school.\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting gebleken dat de vader niet altijd geheel op de hoogte is van de ontwikkelingen omtrent de kinderen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader toewijzen. Hiermee hoopt de rechtbank de vader handvatten te bieden voor gesprekken met de kinderen zodat hij belangstelling voor hen kan tonen. De moeder zal daarom de vader eens per maand per mail informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de de kinderen. Daarbij valt te denken aan hun gezondheid, hoe zij het op school doen, hun sport en wat er in hun leven verder speelt. Deze verplichting ziet uitdrukkelijk slechts op informatie-uitwisseling en het is niet de bedoeling dat de vader enige reactie op het bericht van de moeder zal geven. Mocht dat wel voorkomen, is het aan de moeder om deze reactie naast zich neer te leggen. Door het toewijzen van het verzoek van de vader en het vastleggen van de informatieregeling, zal de vader zich kunnen inzetten om meer interesse te tonen in de kinderen. Mede gelet op het feit dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt, acht de rechtbank het niet noodzakelijk dat de moeder haar medewerking verleent aan de vader zodat de school van de kinderen informatie over hen aan de vader verstrekt. De voorgaande informatieregeling houdt voor de moeder ook in om de vader te informeren over de ontwikkelingen van de kinderen op school.\n\nKindbrief\n\nTot slot heeft de rechtbank besloten om in een aparte brief aan [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit te leggen wat de uitkomst van de procedure is. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap zij hebben ontvangen.\n\n“Beste [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1],\n\nOp 29 april 2026 hebben wij elkaar gesproken. Jullie hebben mij veel verteld over het contact met jullie vader. De dag erna heb ik met jullie ouders gesproken. Zij vinden het allebei belangrijk dat jullie contact houden met jullie vader, maar komen er niet goed uit hoe dat dan moet. Ik heb goed naar jullie en naar jullie ouders geluisterd en heb een beslissing genomen. Die leg ik jullie hier uit.\n\nJullie moeder is degene die de belangrijke beslissingen over jullie blijft nemen en dus het gezag over jullie houdt. Jullie vader krijgt niet het gezag. Jullie ouders willen allebei het allerbeste voor jullie, maar het lukt hen niet goed genoeg om samen met elkaar te beslissen. Dat ligt niet aan jullie, zo loopt het soms nou eenmaal tussen gescheiden ouders. Omdat ik me zorgen maak of er nog wel beslissingen genomen kunnen worden als jullie ouders allebei het gezag hebben, lijkt het me beter dat jullie moeder alleen beslist.\n\nDaarbij zal jullie moeder dan wel elke maand informatie over jullie aan jullie vader geven. Dat gaat dan over school, over sport, over jullie gezondheid, en wat er verder nog aan de hand is. Zo blijft jullie vader op de hoogte van wat er speelt in jullie leven. Dat geeft hem ook de kans om gericht met jullie te praten over wat er belangrijk is voor jullie, zoals een operatie of een voetbalwedstrijd.\n\nVoor de omgang heb ik beslist dat jij, [minderjarige 3], zelf moet bekijken wat handig is. Je hebt je vrienden, je werk, school en wat er verder allemaal belangrijk voor je is. Ik heb gezien dat jij prima in staat bent om zelf met je vader afspraken te maken over wanneer je hem spreekt of ziet. Die ruimte geef ik jou dan ook.\n\n [minderjarige 2] en [minderjarige 1], jullie gaan één keer per maand op zondag van 11:00u tot 19:00u naar jullie vader. Samen. Als de ene niet kan, gaat de ander ook niet. Dan kunnen jullie misschien de zondag erna samen gaan om de dag in te halen. Ik schrijf ook een brief (dat heet dan een beschikking) aan jullie ouders. Daarin vraag ik jullie vader om zich op die zondag vooral te richten op jullie. Het is de bedoeling dat hij er met jullie een leuke dag van maakt en wat minder focust op meer contact of op overnachtingen. Hij heeft verteld dat hij het leuk vindt om met jullie milkshakes te maken en het park in te gaan. Dat is een goed begin. Ik heb hem ook laten weten dat het voor jullie belangrijk is dat hij de moeite neemt om bijvoorbeeld eens bij jullie voetbal te gaan kijken. Ik hoop dat hij dat doet, maar dat is aan jullie vader om te regelen.\n\nIk beslis niets over vakanties of feestdagen voor jullie alle drie. Wat hiervoor over de omgang staat, blijft dan gewoon gelden. Ik beslis ook niks over uitbreiding van deze regeling. Ik vind het belangrijk dat jullie elkaar weer vinden in een gezellige en fijne omgang, zonder dat er druk op ligt van uitbreiding of extra dagen in een vakantie.\n\nIk hoop dat jullie je hier een beetje in kunnen vinden. Ik hoop ook dat jullie vader er een gezellige boel van gaat maken en dat jullie je weer fijn bij hem gaan voelen. Daar wens ik jullie het allerbeste, en ook veel plezier bij!\n\nHartelijke groetjes,\n\nde kinderrechter”\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 12 april 2024 –:\n\nwijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af;\n\nstelt de volgende omgangsregeling vast:\n\n [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zullen een zondag per vier weken naar de vader gaan van 11:00 uur tot 19:00 uur waarbij de moeder de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wegbrengt naar de vader en de vader [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder;\n\n [minderjarige 3] regelt in onderling overleg met de vader wanneer zij elkaar zien;\n\nbepaalt dat de moeder eens per maand de vader per mail informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen;\n\nwijst af het meer of anders verzochte;\n\nen verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17440","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.207Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":45,"courtId":166,"decisionDate":167,"fullText":176,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":177,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":53,"updatedAt":178},"407","ECLI:NL:RBDHA:2026:17449","ecli-nl-rbdha-2026-17449","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-7613\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F692764\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 7 oktober 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.G. Nagel in Almere.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nAls informant wordt aangemerkt:\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, zich onbevoegd verklaard van het verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin die zich op dat moment bevond, verwezen naar deze rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift.\n\nOp 19 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam 1] namens William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (de jeugdbeschermer);\n\n [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nDe minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] .\n\nDe vader heeft [de minderjarige] erkend.\n\nDe ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 9 mei 2019.\n\n [de minderjarige] is in juli 2023 uit huis geplaatst. Tot zijn uithuisplaatsing verbleef hij bij de vader en ging hij om de week gedurende het weekend naar de moeder.\n\nBij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, bepaald:\n\ndat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] wordt verlengd tot 13 juli 2026;\n\ndat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt verlengd tot 13 juli 2026, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;\n\ndat het gezag over [de minderjarige] , voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling, gedurende de periode van de machtiging tot uithuisplaatsing, te weten tot 13 juli 2026, wordt uitgeoefend door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nBevoegdheid\n\nArtikel 265 Rv bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd is. Een minderjarige volgt op grond van artikel 1:12 lid 1 BW de woonplaats van de persoon die het gezag over hem uitoefent. Als beide ouders tezamen het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. De ouders van [de minderjarige] hebben niet dezelfde woonplaats. [de minderjarige] verblijft feitelijk bij geen van hen, omdat hij uithuisgeplaatst is. Daarvoor verbleef hij feitelijk bij zijn vader. De woonplaats van de vader van [de minderjarige] bevindt zich in het arrondissement van de rechtbank Den Haag, die daarom bevoegd is.\n\nEenhoofdig gezag\n\nWettelijk kader\n\nDe rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder stelt dat er geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Ondanks de pogingen van de gecertificeerde instelling lukt het niet om de vader te bewegen tot onderhouden van contact met [de minderjarige] . Daarnaast komt de vader zijn verplichtingen niet na als gezaghebbende ouder, zodat er wordt voldaan aan het klem en verloren-criterium. De vader ondertekende de formulieren voor het onderwijs van [de minderjarige] niet, waardoor de gecertificeerde instelling genoodzaakt was om gedeeltelijke gezagsuitoefening te verzoeken. Nu het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wel goed is en er gekeken wordt of er toegewerkt kan worden naar thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, acht de moeder het van belang dat haar alleen het ouderlijk gezag toekomt. Het is immers noodzakelijk dat alle benodigde hulpverlening kan worden aangevraagd indien dit nodig is vanwege problematiek van [de minderjarige] en voorts dat ook overschrijvingen naar bijvoorbeeld een andere school kunnen worden gerealiseerd, zonder dat de minderjarige klem en verloren dreigt te raken, omdat de vader daartoe niet zijn benodigde medewerking verleent.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat er sinds de uithuisplaatsing in 2023 geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] , ondanks meerdere pogingen tot contactherstel van de gecertificeerde instelling. De vader geeft dus geen invulling aan zijn ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat beeld wordt versterkt door het feit dat de vader in deze procedure geen verweer heeft gevoerd en dat hij niet op de zitting is verschenen. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat gezagsbeslissingen over [de minderjarige] niet genomen kunnen worden vanwege het ontbreken van de toestemming van de vader. De moeder en de jeugdbeschermer hebben op de zitting toegelicht dat er eerder vervangende toestemming nodig is geweest voor inschrijving van [de minderjarige] op school en dat de vader al twee jaar lang weigert om de inschrijving van [de minderjarige] in de Basisregistratie Personen (BRP) te wijzigen ondanks dat de gecertificeerde instelling dit heeft verzocht. Gelet op de onbereikbaarheid van de vader voorziet de rechtbank, net als de moeder en de gecertificeerde instelling, problemen als er in de toekomst gezagsbeslissingen over [de minderjarige] genomen moeten worden, met name met betrekking tot de hulpverlening voor [de minderjarige] . De rechtbank acht het gelet op voorgaande in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] zal uitoefenen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.\n\nBrief aan [de minderjarige]\n\nDe rechter heeft in een aparte brief aan [de minderjarige] de beslissing uitgelegd. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [de minderjarige] heeft ontvangen.\n\nBeste [de minderjarige] ,\n\nIk ben de kinderrechter met wie je een tijdje terug gepraat hebt. Ik vond het erg knap van je dat je alleen naar binnen durfde. Je vond het namelijk best wel spannend, zei je.\n\nVoor jou is het allerbelangrijkste dat je bij mama mag wonen. Daar kan ik helaas niet over beslissen. Ik weet dat je dat erg jammer vindt. Je moeder vindt dat ook erg jammer.\n\nIk heb besloten dat je vader geen gezag meer over jou heeft. Dat betekent dat hij bijvoorbeeld niet mag meebeslissen als je naar de dokter toe moet.\n\nIk vond het erg leuk om met je te praten, [de minderjarige] . Je lijkt me een aardige jongen. En je kunt goed nadenken over wat je wil en dat vertellen. Ik wens je veel succes met alles!\n\nMet vriendelijke groet,\n\nErik Boot\n\nKinderrechter\n\nBeslissing De rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan aan de moeder het eenhoofdig gezag toekomt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17449","2026-07-13T00:28:28.165Z",{"id":180,"ecli":181,"slug":182,"caseNumber":45,"courtId":166,"decisionDate":167,"fullText":183,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":184,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":53,"updatedAt":185},"480","ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","ecli-nl-rbdha-2026-17445","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-2231\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F682424\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 25 maart 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. K. Moene te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Bhulai te ’s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 28 maart 2025, met bijlagen namens de vrouw;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het bericht van 10 februari 2026 namens de vrouw;\n\n- de brief van 24 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw inhoudende\n\n een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- de brief van 17 april 2026, met bijlagen, namens de vrouw, tevens\n\n inhoudende een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- het bericht van 21 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te Leidschendam-Voorburg in beperkte gemeenschap\n\n van goederen.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 24 maart 2025\n\n –voor zover hier van belang– bepaald dat:\n\nde vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekomt met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nde kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\nde man aan de vrouw, met ingang van 10 maart 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 250,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 19 maart 2026 –\n\n met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2025 –\n\n bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 11 maart 2026, een kinderalimentatie\n\n ten behoeve van de kinderen van € 167,- per kind per maand zal betalen, telkens bij\n\n vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet gewijzigde verzoek van de vrouw zoals dat nu luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat:\n\n de kinderen gedurende de schoolweken en onder de voorwaarde dat in dat\n\nweekend geen feestdagen vallen in het weekend van de oneven weken bij\n\nde man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur;\n\n invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 167,- per maand per kind, bij\n\n vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de beschikking;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen,\n\n -waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:\n\n in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur;\n\n in de zomervakantie 1 week in overleg;\n\n met Vaderdag;\n\n -te bepalen dat de kinderen 2 video belmomenten op dinsdag en donderdag om\n\n 19:00 uur hebben met de man of elk ander moment dat de kinderen hun vader\n\n missen;\n\n- vaststelling van een regeling inzake de informatie over de kinderen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de\n\n kinderen;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 166,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van indiening van het verweerschrift althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht;\n\n- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform\n\n het voorstel van de man inhoudende dat de goederen opgenoemd in de inboedellijst (productie 3) aan de man zullen toekomen, zonder verrekening.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntbreken ouderschapsplan\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. Partijen hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het partijen niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank toch het verzoek tot echtscheiding.\n\nOmdat aan de overige wettelijke formaliteiten wel is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man voert hiertegen geen verweer. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nUit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank het volgende gebleken. Op 25 februari 2025 is aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd, omdat er een incident van huiselijk geweld in de echtelijke woning heeft plaatsgevonden. Dit huisverbod is ook nog verlengd tot 25 maart 2025. De vrouw is met de kinderen in de echtelijke woning gebleven. In de voorlopige voorzieningenprocedure (beschikking van\n\n24 maart 2025) is vervolgens het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend alsmede zijn de kinderen aan haar toevertrouwd. Er is diverse hulpverlening bij het gezin betrokken geraakt, onder meer het Veilig Verder Team (VVT). Doel van dit team is het opstellen van veiligheidsafspraken en het maken van passende omgangsafspraken voor de kinderen. Op 20 januari 2026 heeft het VVT advies uitgebracht, waarbij is gebleken dat er nog geen definitieve veiligheids- en omgangsafspraken zijn vastgesteld.\n\nBeide ouders willen een vaste zorgregeling, maar zij verschillen van mening over de exacte invulling van deze regeling. Daarbij is het werkrooster van de man een complicerende factor.\n\nDe vrouw stelt een zorgregeling voor, waarbij de kinderen in de oneven weken bij de man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur. De vrouw hecht aan een vaste regeling die de man altijd kan nakomen. Om deze reden verzoekt zij zaterdag 10 uur, omdat vrijdag na school volgens de vrouw niet altijd voor de man haalbaar is. Daarnaast vindt de vrouw het van belang dat de kinderen op tijd naar bed gaan. Dit klemt temeer op de zondagen nadat de kinderen een weekend bij de man zijn geweest.\n\nDe man verzet zich tegen de verzochte invulling van de vrouw en verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur bij hem verblijven.\n\nOp de zitting is naar voren gekomen dat de man op dit moment bij zijn huidige werkgever een werkrooster heeft, waarbij hij eenmaal in de drie weken een vrij weekend heeft. Mogelijk krijgt de man op korte termijn een nieuwe werkgever en wil hij gaan bespreken dat hij om de week een vrij weekend heeft.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank nu bepalen dat de kinderen bij de man zijn eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school (15:00 uur) tot zondag 17 uur. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de man in de weken dat hij de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel dagdeel omgang zal hebben met de kinderen. Daarbij is het van belang dat de man de vrouw tijdig op de hoogte zal brengen van zijn vrije (doordeweekse) dagen in zijn werkrooster, waarna ze in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – voor de weken daarop, indien mogelijk, de doordeweekse contactmomenten kunnen vastleggen.\n\nDe ouders zijn het er verder over eens dat de invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden bepaald, maar dat de kinderen in ieder geval op vaderdag en in de zomervakantie één week bij de man zullen zijn. Ook hiervoor geldt dat de man de vrouw tijdig van zijn werkrooster op de hoogte zal moeten brengen, zodat deze vakantie(s) en feestdagen in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – kunnen worden bepaald.\n\nDe rechtbank geeft de ouders mee dat zij samen met VVT dan wel andere hulpverleners verdere afspraken moeten maken over de nadere invulling en uitbreiding van de zorgregeling, mede afhankelijk van de (nieuwe) werkroosters van de man en van het werkrooster van de vrouw voor zover zij erin slaagt te gaan werken zoals zij voornemens is. Daarbij moet ernaar worden gestreefd dat de kinderen in ieder geval om de week een weekend bij de man zullen verblijven, zoals beide ouders nu hebben verzocht.\n\nOp de zitting zijn de ouders verder overeengekomen dat de man twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment met de kinderen zal hebben. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, omdat dit ook in het belang van de kinderen is.\n\nInformatieregeling\n\nDe man verzoekt een informatieregeling vast te stellen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de kinderen. De vrouw verzet zich hiertegen en stelt dat het verzoek van de man buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het niet binnen de gegeven verweertermijn en dus te laat is ingediend.\n\nWat er ook zij van het standpunt van de vrouw, de rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen, toe te wijzen. De ouders zijn immers gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast. Uit gezamenlijk gezag vloeit voort dat de ouders elkaar over en weer moeten informeren en consulteren over zaken die de kinderen aangaan. Daarnaast kan de man als gezaghebbende ouder ook zelf alle informatie over de kinderen opvragen bij betrokken instanties. Verder zal de man ook regelmatig contact met de kinderen hebben, zodat hij op basis hiervan ook al goed op de hoogte is van onder andere hun ontwikkeling. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nOp de zitting is gebleken dat de vrouw haar verzoek wijzigt en nu verzoekt een kinderalimentatie vast te stellen van € 167,- per maand per kind, zoals is bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2026 betreffende de wijziging van de voorlopige voorzieningen. Gelet op het zelfstandige verzoek van de man, waarin hij een bedrag van € 166,- per maand per kind aan kinderalimentatie verzoekt, concludeert de rechtbank dat de ouders over de kinderalimentatie overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij zal de rechtbank de datum van beschikking als ingangsdatum bepalen, zoals de vrouw verzoekt, mede omdat er al een voorlopige kinderalimentatie in voorlopige voorzieningen is bepaald.\n\nVerdeling beperkte huwelijksgemeenschap\n\nDe man verzoekt te bepalen dat de inboedelgoederen opgenoemd in de als productie 3 overgelegde inboedellijst aan de man zullen toekomen, zonder verrekening. De vrouw verweert zich hiertegen en stelt dat de inboedel al tussen partijen is verdeeld. Mede gelet op wat op de zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat de huwelijksgoederengemeenschap feitelijk al tussen partijen is verdeeld en dat de rechtbank op dit punt geen beslissing meer behoeft te nemen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 te [plaats] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen zijn:\n\n- eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school\n\n (15:00 uur) tot zondag 17 uur;\n\n- in de weken dat de man de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel\n\n dagdeel, in onderling overleg te bepalen en afhankelijk van het werkrooster van de\n\n man;\n\n- de invulling van de vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden\n\n bepaald, waarbij de kinderen in ieder geval op vaderdag en één week in de\n\n zomervakantie bij de man zullen zijn;\n\n*\n\nbepaalt dat er twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van vandaag, een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 167,- per maand per kind zal betalen, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking – tot zover en met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","2026-07-13T00:28:32.552Z",{"id":187,"ecli":188,"slug":189,"caseNumber":45,"courtId":166,"decisionDate":167,"fullText":190,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":191,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":53,"updatedAt":192},"387","ECLI:NL:RBDHA:2026:17436","ecli-nl-rbdha-2026-17436","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-7121\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F691898\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 29 september 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende te op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.J.M. Vélu te Rotterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.\n\n Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .\n\n De vader heeft [de minderjarige] met toestemming van de moeder op 23 juni 2023 erkend.\n\n De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.\n\n [de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden sinds oktober 2024 zijn gewijzigd.\n\nBeoordeling\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over het kind blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien\n\nb) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nDe moeder stelt dat de vader niet goed voor [de minderjarige] zorgt wanneer zij bij hem is. Zij heeft autisme en is op extra hulp aangewezen. Volgens de moeder is het te druk bij de vader thuis voor [de minderjarige] , gelet op de aanwezigheid van de andere kinderen van de vader. De moeder heeft in oktober 2024 de omgangsregeling stopgezet, omdat zij aan [de minderjarige] merkte dat deze vorm van contact haar geen goed deed. Daarnaast geeft zij aan geen contact te hebben met de vader en als er wel contact is, dat dit slecht verloopt. De moeder stelt dat de vader een eigen leven heeft met een nieuw gezin en dat [de minderjarige] daar niet tussen past. Momenteel ondervindt de moeder geen problemen met de gezamenlijke gezagsuitoefening, maar zij geeft aan graag problemen in de toekomst voor te blijven.\n\nOp de zitting heeft de vader aangegeven dat hij [de minderjarige] sinds oktober 2024 niet meer gezien heeft. Wel hebben de vader en [de minderjarige] wekelijks contact waarbij zij elkaar berichten sturen via de telefoon. De vader heeft aangegeven dat hij niet uit het gedrag van [de minderjarige] heeft kunnen afleiden dat het haar te druk was bij hem thuis, hij dacht dat zij het juist leuk bij hem had. De vader heeft zich neergelegd bij het verbreken van het contact, omdat hij ervan uitgaat dat de moeder het beste weet wat goed is voor [de minderjarige] . Nooit heeft de vader de gezamenlijke gezagsuitoefening dwars willen zitten en hij heeft daarom dan ook altijd de benodigde documenten ondertekend. Op die manier bleef hij ook op de hoogte omtrent huidige ontwikkelingen van [de minderjarige] .\n\nOp de zitting is gebleken dat de vader [de minderjarige] graag zou willen zien en beide ouders hebben de bereidheid uitgesproken om zich hiervoor in te gaan zetten. Op aanraden van de Raad zal de moeder zal hiervoor een aanmelding doen bij het wijkteam of Family Supporters. Het doel hiervan is dat de vader handvatten krijgt zodat hij kan leren om te gaan met het autisme van [de minderjarige] en er gewerkt kan worden aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] .\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting daarnaast gebleken dat er een aantal misverstanden tussen de ouders zijn geweest waardoor er nu een gebrek aan contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Om het gezamenlijk gezag te beëindigen moet de rechtbank toetsen of [de minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders. De rechtbank concludeert dat hier geen sprake van is, nu de vader vooralsnog altijd de benodigde documenten heeft ondertekend binnen een redelijke termijn. Ook is niet gebleken dat het anderszins in het belang van [de minderjarige] is dat de moede het eenhoofdig gezag verkrijgt. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag daarom afwijzen.\n\nBeslissing De rechtbank:\n\nwijst het verzoek van de moeder af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17436","2026-07-13T00:28:27.211Z",{"id":194,"ecli":195,"slug":196,"caseNumber":45,"courtId":166,"decisionDate":167,"fullText":197,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":198,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":53,"updatedAt":199},"579","ECLI:NL:RBDHA:2026:17446","ecli-nl-rbdha-2026-17446","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2553\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701353\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Voogdij\n\nBeschikking op het op 4 februari 2026 ingekomen verzoekschrift van:\n\n [de verzoekster] ,\n\nde verzoekster,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.J. Zeilstra in Amsterdam,\n\nen\n\n [de verzoeker] ,\n\nde verzoeker,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.J. Zeilstra in Amsterdam.\n\nAls belanghebbenden worden aangemerkt:\n\n [de biologische moeder] ,\n\nde biologische moeder,\n\nverblijvende in Mongolië,\n\nen\n\n [de biologische vader] ,\n\nde biologische vader,\n\nverblijvende in Mongolië.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 12 maart 2026 van de verzoekers;\n\nhet bericht van 25 maart 2026 van de verzoekers;\n\nhet bericht van 26 maart 2026 met bijlage van de verzoekers;\n\nhet bericht van 16 april 2026 met bijlagen van de verzoekers.\n\nOp 12 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde verzoekers bijgestaan door hun advocaat en een tolk in de Mongoolse taal, S. Surenjav;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n- Uit het huwelijk van de biologische ouders is het volgende nog minderjarige kind geboren:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , Mongolië; dit is de naam zoals opgenomen in de eerste in Mongolië opgemaakte geboorteakte.\n\nDe verzoeker is de broer van de biologische moeder.\n\nDe verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit. [de minderjarige] , de verzoeker en de biologische ouders hebben de nationaliteit van Mongolië.\n\nOp 24 augustus 2021 heeft de Ordenance of the Governor van het Metropolitan Khan-Uul District van Ulaanbaataar City toestemming gegeven voor de adoptie van [de minderjarige] door de verzoekers. Hierna is een nieuwe geboorteakte opgemaakt in Mongolië. [de minderjarige] woonde in Mongolië ten tijde van deze beslissing.\n\nOp de eerst opgemaakte geboorteakte van [de minderjarige] zijn de biologische ouders als ouders vermeld. Op de huidige in Mongolië afgegeven geboorteakte van [de minderjarige] , opgemaakt op 31 augustus 2021 en voorzien van een apostille, staan de verzoekers als de ouders van [de minderjarige] vermeld.\n\nDe verzoekers zijn sinds 2018 woonachtig in [plaats 1] . De verzoekers zijn gehuwd op [datum] 2021 in [plaats 2] , Mongolië.\n\nOp 14 juli 2025 zijn de verzoekers samen met [de minderjarige] naar Nederland afgereisd. Sindsdien verblijft [de minderjarige] in Nederland bij de verzoekers.\n\n [de minderjarige] beschikt niet over een verblijfsvergunning. Hij is niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).\n\nOp 4 februari 2026 is een door de verzoekers ingediend adoptieverzoek bij deze rechtbank binnengekomen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer 699887 FA RK 26-1671.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek strekt ertoe de verzoekers in het kader van een voorlopige voorziening ex 223 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) voor de duur van de procedure in de hiervoor genoemde adoptiezaak (699887 FA RK 26-61) op grond van artikel 1:299 Burgerlijk Wetboek (BW) (voorlopig) te belasten met de voogdij over de minderjarige [de minderjarige] .\n\nDe biologische ouders hebben geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n [de minderjarige] , de verzoeker en de biologische ouders hebben de nationaliteit van Mongolïe, waardoor deze zaak een internationaal karakter heeft. Dit vereist een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.\n\nHet verzoek betreft een geschil over de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 2019\u002F1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter). Op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel-II ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is een feitelijk begrip waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind ten tijde van het verzoek maatschappelijk de nauwste binding heeft. De rechtbank gaat er bij de beoordeling van dit verzoek van uit dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] Nederland is, nu is gebleken dat [de minderjarige] sinds 2025 bij de verzoekers in Nederland feitelijk verblijft en hier ook al enige tijd naar school gaat. Aangezien [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats bij de verzoekers in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\nNu de rechtsmacht gebaseerd is op Brussel II-ter dienen voor het toepasselijk recht de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV ’96 ) te worden toegepast. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is Nederlands recht van toepassing.\n\nVoogdij\n\nWettelijk kader\n\nUit artikel 1:295 BW volgt dat de rechtbank een voogd benoemt over een minderjarige, als die niet onder ouderlijk gezag staat en in de voogdij over de minderjarige niet op wettige wijze is voorzien. Op grond van artikel 1:299 BW kan de rechtbank een voogd ambtshalve en op verzoek benoemen. De te treffen voorziening moet het meest in het belang van de minderjarige worden geacht.\n\nStandpunt verzoekers\n\nDe verzoekers, woonachtig in Nederland, hadden al geruime tijd een grote kinderwens en konden zelf wegens medische redenen geen kinderen krijgen. In 2020 raakte de (schoon)zus van de verzoekers, woonachtig in Mongolië, ongewenst zwanger en er ontstond de mogelijkheid tot adoptie. Dit heeft geleid tot de adoptie van [de minderjarige] door de verzoekers in Mongolië. Toen de biologische moeder van [de minderjarige] zwanger raakte, hebben de verzoekers een adoptieverzoek gedaan bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid in Nederland. Dit verzoek werd in februari 2021 afgewezen gelet op de schorsing van het Nederlandse adoptiebeleid. Aanvankelijk werd [de minderjarige] in Mongolië door een familielid verzorgd vanwege het feit dat de verzoekers hem niet konden meekrijgen naar Nederland. Ondertussen gingen verzoekers zoveel mogelijk naar Mongolië, maar zij konden door visum restricties niet langer dan 90 dagen blijven. Als zij niet naar Mongolië konden, videobelden zij [de minderjarige] elke dag en ook op afstand bleven zij zorg voor hem dragen. Het familielid dat [de minderjarige] feitelijk opvoedde, deed dit alleen in lijn met de opvoeding van verzoekers. Op 14 juli 2025 zijn verzoekers met [de minderjarige] afgereisd naar Nederland op een Duits Schengenvisum. Sindsdien woont hij bij de verzoekers in Nederland en gaat hij sinds oktober 2025 naar school. Het is voor de verzoekers van groot belang dat [de minderjarige] zonder belemmeringen kan opgroeien en zekerheid verkrijgt over zijn positie in Nederland.\n\nDe Raad\n\nTer zitting heeft de zittingsvertegenwoordiger van de Raad - kort weergegeven - aangegeven dat het maar de vraag is of er voldoende spoedeisendheid is bij een nu al, zonder nader onderzoek, te nemen – al dan niet tijdelijke - voogdijmaatregel. Zij heeft erop gewezen dat een tijdelijke voogdijregel mogelijk consequenties zal hebben, al dan niet verblijfsrechtelijk, die op dit moment niet te overzien zijn. Zij heeft aangegeven dat de Raad een onderzoek gaat doen maar dat nog niet te zeggen is wanneer dat onderzoek gereed zal zijn.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank stelt voorop dat in deze procedure niet voorligt de vraag of de adoptiebeslissing uit Mongolië in Nederland kan worden erkend. Ook ligt niet voor de vraag of [de minderjarige] in aanmerking zou komen voor adoptie naar Nederlands recht. Deze verzoeken worden behandeld in de zaak met zaaknummer 699887 FA RK 26-1671.\n\nDe rechtbank richt zich bij de beoordeling van dit verzoek uitsluitend op de vraag of er sprake is van openstaand gezag en zo ja, of en hoe daarin moet worden voorzien.\n\nDe rechtbank komt op basis van de stukken en stellingen van verzoekers tot de conclusie dat er sprake is van openstaand gezag ten aanzien van [de minderjarige] . De rechtbank komt daartoe op grond van het volgende. De biologische ouders hebben naar Mongools recht bij de geboorte van [de minderjarige] het gezag over hem verkregen. Er is vervolgens een uitspraak in Mongolië geweest waarbij naar Mongools recht de adoptie door verzoekers van [de minderjarige] is uitgesproken. De vorm van gezag die verzoekers ingevolge deze in Mongolië uitgesproken adoptiebeschikking naar Mongools recht hebben verkregen, komt weliswaar overeen met het gezag over minderjarigen zoals het Nederlands recht dat kent, echter slechts in het geval dat de adoptie (- en daarmee de gezags)beslissing in Nederland voor erkenning in aanmerking komt, kan de rechtbank aannemen dat verzoekers met het gezag zijn belast. Het komt de rechtbank voorlopig voor dat dit niet het geval is en de rechtbank overweegt daartoe als volgt. Mongolië is sinds 2000 aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag 1993 (hierna: HAV) en was dit dus ook ten tijde van de adoptiebeslissing uit 2021. Dit betekent dat het HAV in deze zaak van toepassing was en is. Een adoptiebeslissing wordt op grond van het verdrag in andere verdragslanden van rechtswege erkend, wanneer de staat van herkomst schriftelijk heeft verklaard (artikel 23 HAV) dat de adoptie in overeenstemming met het verdrag tot stand is gekomen. Een dergelijke verklaring is er niet. Namens verzoekers is ter zitting verklaard dat een dergelijke verklaring niet is afgegeven en ook niet zal worden afgegeven. Er is door verzoekers ook geen beginseltoestemming verkregen. Het ontbreken van deze verklaring en de beginseltoestemming heeft tot gevolg dat de rechtbank het er in deze procedure voor moet houden dat de in Mongolië uitgesproken adoptie niet van rechtswege in Nederland wordt erkend. Dit betekent dat de rechtbank het er voor houdt dat verzoekers niet door de adoptiebeslissing van rechtswege het gezag over [de minderjarige] hebben verkregen.\n\nNu de rechtbank niet kan vaststellen dat verzoekers bekleed zijn met het gezag over [de minderjarige] , terwijl zijn biologische ouders in Mongolië verblijven (en daar naar Mongools recht ook niet meer met het gezag zijn bekleed) is de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van openstaand gezag ten aanzien van [de minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat daarin in het belang van [de minderjarige] moet worden voorzien. Er is op dit moment niemand die beslissingen over [de minderjarige] kan nemen. Dat is wel nodig. De verzoekers hebben op de zitting aangegeven dat [de minderjarige] van school moet wisselen en dat [de minderjarige] ingeënt moet worden volgens het Rijksvaccinatieprogramma. Zij lopen bij dit soort in het belang van [de minderjarige] te nemen beslissingen ertegen aan dat zij niet beslisbevoegd zijn. Voorts is gebleken dat het raadsonderzoek en de behandeling van de overige verzoeken in deze zaak nog enige tijd op zich zullen laten wachten. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat er in afwachting van het raadsonderzoek en de bodemprocedure gezagsbeslissingen inzake [de minderjarige] genomen zullen moeten worden. De rechtbank volgt de Raad dus niet, dat er geen belang is bij een nu al te geven voorziening in het gezag. De rechtbank acht een voorziening in het gezag in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk.\n\nBeoordeeld moet worden op welke wijze in het gezag moet worden voorzien. De rechtbank kan de Raad volgen, dat een raadsonderzoek nodig is om meer zicht te krijgen op de opvoedsituatie van [de minderjarige] , voordat een definitieve beslissing over de adoptie kan worden genomen. De rechtbank is echter van oordeel dat het in het belang is van [de minderjarige] dat verzoekers voor nu, totdat een eventueel andere gezagsbeslissing wordt genomen, met de voogdij worden belast. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.\n\nUit de stukken en uit wat op de zitting naar voren is gebracht, is het de rechtbank gebleken dat de verzoekers de verzorging en opvoeding sinds juli 2025 in Nederland op zich nemen en dat zij ook daarvóór zeer betrokken waren bij zijn verzorging en opvoeding. De rechtbank ziet voldoende aanknopingspunten waaruit blijkt dat de verzoekers het belang van [de minderjarige] daarbij centraal stellen. De rechtbank baseert zich daarbij mede op de verklaringen van de verzoekers op de zitting waaruit blijkt dat ze de hulpverlening van Centrum Jeugd en Gezin hebben ingeschakeld en meerdere gesprekken met de school van [de minderjarige] hebben gehad.\n\nDe rechtbank heeft in overweging genomen en ter zitting aan de Raad voorgehouden of Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden met de voogdij over [de minderjarige] zou moeten worden belast. De Raad heeft echter op de zitting aangegeven dat dit niet in de rede ligt omdat er geen sprake is van een acute situatie die een voorlopige voogdij maatregel (1:241 BW) in deze zaak noodzakelijk maakt.\n\nGelet hierop, alsmede gelet op het feit dat de verzoekers [de minderjarige] al geruime tijd verzorgen en opvoeden, ziet de rechtbank aanleiding om de verzoekers met de voogdij over [de minderjarige] te belasten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbenoemt de verzoekers tot voogden over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , Mongolië;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17446","2026-07-13T00:28:37.822Z",{"id":201,"ecli":202,"slug":203,"caseNumber":45,"courtId":166,"decisionDate":167,"fullText":204,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":205,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":53,"updatedAt":206},"459","ECLI:NL:RBDHA:2026:17438","ecli-nl-rbdha-2026-17438","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-1055\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F680135\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026\n\nGezag, vervangende toestemming, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, informatieregelingBeschikking op het op 5 februari 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Schuerman te [geboorteplaats 1] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.V. Paniagua te [geboorteplaats 1] .\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet aanvullend verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoeken;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 14 februari 2025;\n\n-het F9-bericht met de brief d.d. 12 januari 2026 van de zijde van de moeder;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 3 februari 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht met de brief d.d. 5 februari 2026 van de zijde van de moeder;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 6 februari 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 13 april 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 27 april 2026 met bijlagen.\n\nDe minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben op 2 februari 2026 in een gesprek met de rechter hun mening gegeven.\n\nOp 5 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde advocaat van de moeder;\n\n [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nOp de zitting heeft de advocaat van de moeder een wrakingsverzoek gedaan en ter onderbouwing daarvan een pleitnota overgelegd. Na het voordragen van de pleitnota door de advocaat van de moeder is de zitting gesloten.\n\nHet wrakingsverzoek is afgewezen door de wrakingskamer.\n\nOp 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam 2] namens de Raad.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2015 tot [datum 2] 2023.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] .\n\n- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de vader.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2023, die is hersteld bij beschikking van 16 maart 2023, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is – voor zover hier van belang – een co-ouderschapsregeling bepaald waarbij de kinderen de ene week bij de vader zijn en de andere week bij de moeder met een wisselmoment op maandag om 19.00 uur, waarbij de ouders in onderling overleg in het traject ouderschapsbemiddeling nadere afspraken kunnen maken.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] voortaan bij de vader zal zijn en zijn de ouders verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding, met voorkeur voor het Wilmahuis en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe vader verzoekt:\n\nte bepalen dat hij alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per datum indiening verzoekschrift;\n\nvervangende toestemming te verlenen voor de bijschrijving van de minderjarige kinderen op de zorgverzekering van de vader;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nDaarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:\n\nindien de verzoeken van de vader niet direct worden afgewezen, doorverwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer;\n\nde Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar de verzoeken van de vader en de rechtbank te adviseren;\n\nde minderjarigen (voorlopig) onder toezicht te stellen van een GI;\n\nde zorgregeling\u002Fomgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen te wijzigen naar een zorgregeling waarbij de kinderen om de 14 dagen een weekend van vrijdag tot zondag bij de moeder zijn en alle vakanties bij helfte worden verdeeld;\n\neen informatieregeling vast te stellen waarbij de vader de moeder eens per vier weken dient te informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarige en dat de vader de moeder telkens informeert onder meer met toezending van een recente foto van de minderjarige, althans een informatieregeling te treffen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;\n\nBij wijze van voorlopige voorziening:\n\neen voorlopige zorgregeling\u002Fomgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen en de moeder middels begeleide bezoeken naar de uitbreiding van een zorgregeling werken;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vader heeft op de zitting verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nVoorlopige voorziening\n\nOp grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp dat in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige zorgregeling\u002Fomgangsregeling afwijzen bij gebrek aan belang.\n\nVerwijzing naar de meervoudige kamer\n\nJuridisch kader\n\nAls een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer, bestaande uit drie leden. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen (artikel 15 lid 2 Rv).\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt om een verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer, omdat het de zoveelste rechtszaak is tussen de ouders na een langlopende en ingewikkelde echtscheiding en de beslissing over het verzoek van de vader over het eenhoofdig gezag een zo vergaande beslissing is dat deze volgens haar meervoudig genomen moet worden.\n\nDe vader ziet geen reden om de zaak meervoudig te behandelen en is van mening dat de kinderrechter de zaak in een eindbeschikking kan afdoen op basis van de stukken en de zitting.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is de zaak geschikt voor behandeling en beslissing door één rechter. Daarom wijst zij dit verzoek van de moeder af.\n\nOnderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming\n\nDe rechtbank acht zich op grond van de stukken en de zitting voldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen in het belang van de kinderen en ziet ook verder geen redenen om een raadsonderzoek te gelasten. Daartoe overweegt de rechtbank dat er al veel hulpverlening betrokken is geweest bij partijen, waaronder een bijzondere curator. De kinderen hebben aangegeven rust te willen; ze hebben al heel veel gesprekken met hulpverleners gevoerd en ze hopen dat daar een einde aan komt. Zoals ook door de Raad op de zitting naar voren gebracht, is het de vraag of het in het belang van de kinderen is om ze aan nog een onderzoek bloot te stellen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat een raadsonderzoek tot nieuwe inzichten zal leiden. Daarbij komt, zoals ook door de vader aangevoerd, dat de kinderen behoefte hebben aan rust en duidelijkheid. Een raadsonderzoek gaat lang duren en brengt ook weer onzekerheid met zich mee. Dit alles overwegende zal de rechtbank het verzoek van de moeder om een raadsonderzoek afwijzen.\n\nGezag\n\nWettelijk kader\n\nUitgangspunt is dat de ouders, ook na een scheiding, gezamenlijk het gezag over hun kinderen blijven uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er al geruime tijd geen contact meer is tussen de moeder en de kinderen, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vader verzoekt hem te belasten met het éénhoofdig gezag over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , omdat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. Voor het nemen van gezagsbeslissingen moet een ouder voldoende betrokken zijn en ook weten hoe het staat met het welzijn en de behoefte van de kinderen. De moeder is al jaren niet betrokken bij het leven van de kinderen en heeft geen zicht op hun ontwikkeling. Met [de minderjarige 2] is er vanaf juni 2022 geen contact en met [de minderjarige 1] vanaf medio 2023. De kinderen verzetten zich tegen het contact met de moeder. De vader ervaart bovendien moeilijkheden in de communicatie met de moeder. De moeder werkt onvoldoende mee bij te nemen gezagsbeslissingen, zoals vakanties, het aanvragen van identiteitsbewijzen voor de kinderen en de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dat geeft de vader en kinderen spanning en stress. Als de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag dan sluit dat aan bij de feitelijke situatie. Ook geeft dat de kinderen rust, stabiliteit en duidelijkheid.\n\nDe moeder stelt zich op het standpunt dat er niet is voldaan aan de wettelijke vereisten om het gezamenlijke gezag te kunnen beëindigen. Het klopt dat er geen contact is tussen haar en de kinderen, zij wordt structureel buitengesloten door de vader. Desondanks blijft zij zoveel mogelijk actief betrokken bij de kinderen. De moeder is gestart met het documenteren van de ontwikkelingen van de kinderen. Op deze manier heeft zij zicht op het leven van de kinderen en is zij in staat samen met de vader gezagsbeslissingen te nemen. Hoewel er al geruime tijd geen constructief overleg tussen de ouders heeft plaatsgevonden is er geen sprake van een gezagsvacuüm, volgens de moeder. De vader heeft gezagsbeslissingen zelfstandig kunnen nemen. Zij heeft geen gezagsbeslissingen tegengewerkt. De moeder is bang dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt als de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast. Het ouderlijk gezag is op dit moment het enige wat haar verbindt met de kinderen.\n\nDe rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de kinderen het gezag aan één van de ouders moet toekomen.\n\nDe rechtbank ziet zich in dit geval gesteld voor een keuze tussen twee kwaden. In stand houden van het gezamenlijk gezag betekent dat partijen gezamenlijk beslissingen moeten nemen over de kinderen terwijl de verstandhouding tussen hen heel slecht is en de communicatie feitelijk niet bestaand. Dat maakt het samen nemen van beslissingen voor de kinderen heel lastig zo niet onmogelijk. Dit levert voor de kinderen veel onzekerheid en onrust op. Daar staat tegenover dat wanneer de moeder geen gezag meer heeft, het risico bestaat dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt. Het gezag is op dit moment het laatste lijntje van de moeder met de kinderen. Beide situaties zijn niet goed voor de kinderen en de rechtbank moet daarin een belangafweging maken.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de moeder aangegeven niet aan gezagsbeslissingen in de weg te willen staan. Tegelijkertijd is het de rechtbank uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken gebleken dat het partijen vaker niet dan wel lukt om samen gezagsbeslissingen te nemen. Er is steeds tussenkomst van een derde nodig, zoals de bijzondere curator, de advocaten of de rechtbank zoals in deze procedure waar het gaat om de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat partijen niet in staat zijn samen beslissingen te nemen. Gelet op de al jaren ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders, ligt het niet in de lijn der verwachting dat dit (in de nabije toekomst) zal veranderen. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben hier last van, het levert voor hen steeds stress en onzekerheid op. Daarbij komt dat er bij de kinderen door gebeurtenissen uit het verleden grote weerstand is tegen contact met de moeder, waardoor het voor hen extra belastend is als gezagsbeslissingen niet kunnen worden genomen. De rechtbank weegt ook mee dat de moeder op dit moment geen rol speelt in het leven van de kinderen. Ook daar is niet de verwachting dat dit (op korte termijn) zal veranderen. Zij kan daarom niet een sparring partner voor de vader zijn waar het gaat om gezagsbeslissingen die in het belang van de kinderen moeten worden genomen. De rechtbank ziet een moeder die van haar kinderen houdt en niets liever wil dan betrokken worden in het leven van haar kinderen, maar door alles wat er is gebeurd niet altijd in staat lijkt mee te werken in het belang van de kinderen.\n\nDit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat het in het belang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] noodzakelijk is dat de vader alleen de beslissingen over hen kan nemen en dat hij met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen. Anders dan de vader verzoekt zal de rechtbank bepalen dat dit geldt vanaf de datum van deze beschikking.\n\nVervangende toestemming zorgverzekering\n\nNu de rechtbank de vader met het eenhoofdig gezag zal belasten, kan hij zelfstandig de kinderen bijschrijven op zijn zorgverzekering en heeft hij de toestemming van de moeder niet meer nodig. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen wegens een gebrek aan belang.\n\n(Voorlopige) ondertoezichtstelling\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en: (a) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en (b) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen. Op grond van het tweede lid is een ouder bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat.\n\nOp grond van artikel 1:257 lid 1 BW kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Op grond van artikel 1:257 lid 2 BW is artikel 1:255 lid 2 BW overeenkomstig van toepassing. De kinderrechter bepaalt de duur van dit toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.\n\nOntvankelijkheid\n\nDe rechtbank overweegt dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek op grond van artikel 1:255, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu de Raad op de zitting heeft laten weten niet over te gaan tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat er gewerkt moet worden aan het negatieve en vertekende beeld dat de kinderen van haar hebben. Volgens de moeder is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en zijn de ouders tot op heden niet in staat gebleken om hulp te regelen die nodig is om deze zorgen weg te nemen.\n\nDe vader is het hier niet mee eens. De kinderen worden volgens hem helemaal niet in hun ontwikkeling en veiligheid bedreigd, zodat er niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten.\n\nOp basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor een (spoed) ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op een eerdere zitting is er ook al gesproken over een mogelijke ondertoezichtstelling. In de beschikking van 8 augustus 2024 is hierover het volgende opgenomen: “Op de zitting is nog gesproken over een mogelijk raadsonderzoek naar een eventuele kinderbeschermingsmaatregel, zodat een jeugdbeschermer met de ouders mee kan kijken. De Raad vindt dit echter niet in het belang van de kinderen is. Een jeugdbeschermer wordt dan verantwoordelijk gemaakt voor het probleem dat de ouders niet lijken te kunnen oplossen.”Dat is naar het oordeel van de rechtbank nog altijd de situatie. Daarbij komt dat de Raad op deze zitting wederom heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor een ondertoezichtstelling.\n\nOmgang\n\nJuridisch kader\n\nNu de rechtbank de vader zal belasten met het eenhoofdig gezag, zal de rechtbank hierna daar waar van toepassing de term omgang gebruiken.\n\nOp grond van artikel 1:377e lid 1 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders, van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt, als de kinderen niet onder toezicht gesteld worden, om een regeling waarbij de kinderen, al dan niet met een opbouwregeling, om de veertien dagen één weekend van vrijdag tot zondag en de vakanties bij helfte bij haar verblijven. Op de zitting heeft de advocaat van de moeder aangegeven dat de moeder begrijpt dat dit verzoek niet volledig kan worden toegewezen. Zij zet echter hoog in, in de hoop dat er op deze manier contactherstel tussen de moeder en de kinderen tot stand komt. Het is aan de rechtbank om hierin een afweging te maken.\n\nDe vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij te allen tijde het contact van de kinderen met de moeder heeft aangemoedigd en gestimuleerd. Op enig moment hebben de kinderen aangegeven dat zij zich dusdanig gepusht voelden terwijl ze niet naar de moeder wilden, dat ze het vertrouwen in hem aan het verliezen waren. Daar heeft de vader de grens getrokken in het stimuleren. Als de kinderen contact willen met hun moeder dan zal de vader dat ondersteunen. De kinderen weten wie hun moeder is en ze hebben een leeftijd waarop ze hierin zelfstandig een keuze kunnen maken. Voor contactherstel en het opstarten van de zorgregeling is al veel hulpverlening ingezet, zonder resultaat. De kinderen verzetten zich steeds. Gelet op de leeftijd van de kinderen moet er rekening worden gehouden met hun mening.\n\nHet is de rechtbank duidelijk geworden dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er zijn meerdere procedures gevoerd en verschillende hulpverleningstrajecten opgestart. Het laatste traject, begeleide omgang via ’t Zorghuisje, is vastgelopen omdat de weerstand bij de kinderen te groot was. ‘t Zorghuisje heeft geconcludeerd dat herstel van het contact een beladen thema is en dat verdere stappen in het tempo van de kinderen moeten gebeuren. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de kinderen consequent zijn in hun verhalen. Hun ervaringen zijn heftig. De rechtbank constateert dat dit voor de moeder moeilijk is om te horen. Zij herkent de door de kinderen aangehaalde ervaringen niet en kan dit ook niet begrijpen. Zoals ook eerder door de bijzondere curator opgemerkt, is voor een mogelijk contactherstel nodig dat de kinderen zich gezien en gehoord voelen. Zij hebben het nodig om serieus genomen te worden. Dit is voor de moeder (op dit moment) niet haalbaar. De rechtbank ziet, evenals in eerdere procedures, geen draagvlak bij de kinderen en partijen om een omgangsregeling te bepalen. Het verzoek van de moeder zal de rechtbank dan ook afwijzen.\n\nInformatieregeling\n\nJuridisch kader\n\nOp grond van artikel 1:377b, lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen. Over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt een informatieregeling, waarbij de vader de moeder eens per vier weken moet informeren over de kinderen. De vader kan zich hierin vinden, maar wil mede gelet op de leeftijd van de kinderen ééns per kwartaal de moeder informeren.\n\nDe rechtbank acht het gelet de leeftijd op de kinderen niet nodig dat de vader de moeder elke vier weken op de hoogte houdt. De rechtbank gaat mee in de voorgestelde frequentie door de vader en stelt vast dat de vader de moeder eens per kwartaal informeert over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarigen met toezending van een recente foto van de minderjarigen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ;\n\n*\n\nbepaalt een informatieregeling waarbij de vader de moeder eens per kwartaal moet informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de kinderen met toezending van een recente foto van de kinderen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17438","2026-07-13T00:28:31.378Z",57,20,[11,210],2025]