[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-child-protection-nl-2024":3},{"detail":4,"years":72},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":71},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},34,"child-protection-nl","Child Protection","NL","2026-07-08T16:53:25.882Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"359","ECLI:NL:RBDHA:2024:23281","ecli-nl-rbdha-2024-23281","",56,"2024-10-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL24.24861 (beroep)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , van Soedanese nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Terpstra),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).\n\nDeze uitspraak is gerectificeerd, omdat de rechtbank een onjuiste proceskostenveroordeling heeft opgenomen in de originele uitspraak. De originele uitspraak is gedaan op8 oktober 2024. De rechtbank heeft de originele uitspraak in deze gerectificeerde uitspraak aangevuld met de juiste overwegingen over de proceskostenveroordeling.Hieronder geeft de rechtbank de originele uitspraak weer met aanpassingen in cursief, vetgedrukt lettertype.\n\nProcesverloop\n\nMet het bestreden besluit van 14 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat hij niet wordt overgedragen aan Frankrijk tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraakvan deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juli 2024 toegewezen.\n\nVerweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Lotfi als tolk in de taal Arabisch-Soedanees, [de persoon 1] namens Stichting Nidos, [de persoon 2] namens het COaen de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze regelgeving staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een verzoek om internationale bescherming (een asielaanvraag) niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n4. Eiser heeft op 17 december 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Uit Eurodacis gebleken dat eiser op 15 november 2023 is aangehouden in Italië en dat hij op 29 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Frankrijk. Verweerder heeft daarom op 11 februari 2024 de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Op 19 februari 2024 zijn de autoriteiten van Frankrijk hiermee akkoord gegaan.\n\n5. De rechtbank gaat verder uit van het volgende. Bij zijn aanvraag heeft eiser als geboortedatum [geboortedatum 1] 2007 opgegeven. Daarvan uitgaande was eiser ten tijde van zijn asielaanvraag zestien jaar, en dus minderjarig. Eiser is geschouwd door de AVIMen door verweerder. De AVIM heeft geconcludeerd tot evidente minderjarigheid. Verweerder heeft geconcludeerd tot twijfel over de minderjarigheid van eiser. Die twijfel is ingegeven doordat uit Eurodac en ook uit eisers eigen verklaringen volgt dat hij in Italië [geboortedatum 2] 2004 als geboortedatum heeft opgegeven, en dat hij in Frankrijk [geboortedatum 3] 2003 als geboortedatum heeft opgegeven. Verweerder heeft de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum 2] 2004 aangehouden en eiser dus aangemerkt als meerderjarig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMocht verweerder de leeftijdsregistratie uit Italië overnemen?\n\n6. Eiser stelt zich ten eerste op het standpunt dat verweerder niet van de leeftijdsregistratie in Italië mocht uitgaan. Hiertoe voert eiser aan dat hij bij zijn eerste gehoor met de AVIM en ook tijdens het aanmeldgehoor met verweerder direct heeft gezegd dat hij in Italië en Frankrijk bewust onjuiste geboortedata heeft opgegeven, om de autoriteiten daar te laten denken dat hij meerderjarig was. Dit heeft eiser gedaan om te voorkomen dat hij daar als minderjarige vastgehouden zou worden en in een opvang zou worden geplaatst. Verweerder heeft deze verklaringen ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Bovendien is niet inzichtelijk geworden welk onderzoek de Italiaanse en Franse autoriteiten, los van eisers eigen onjuiste verklaringen, aan hun leeftijdsvaststelling ten grondslag hebben gelegd.\n\n6.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij wel mocht uitgaan van de in Italië opgegeven geboortedatum. Verweer wijst in dit kader op vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaruit volgt dat hij bij twijfel over de opgegeven minderjarigheid in beginsel uit mag gaan van de leeftijdsregistratie in andere lidstaten.Uit de verklaringen van eiser volgen ook geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder hier in zijn geval niet vanuit zou mogen gaan.\n\n6.2.. Uit Werkinstructie 2023\u002F6 volgt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum. Een vreemdeling heeft op grond van de werkinstructie echter de mogelijkheid om door middel van adequate en onderbouwde verklaringen aannemelijk te maken dat de in de andere lidstaat geregistreerde leeftijd niet de juiste is. Ook kan hij kan op grond van, bij voorkeur identificerende maar in voorkomende gevallen ook indicatieve documenten, alsnog aannemelijk maken dat de geregistreerde leeftijd onjuist is.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit specifieke geval niet zonder meer heeft mogen aansluiten bij de geregistreerde geboortedatum in Italië. Er zijn namelijk genoeg aanwijzingen dat deze geboortedatum niet de juiste is. Ten eerste hebben de Italiaanse autoriteiten over eisers registratie in Italië aan verweerder het volgende gestuurd: “Following your request concerning the above named person, this is to inform you, that: (…) He did not submit any documents. No age testing.” De rechtbank leidt hieruit af dat eisers leeftijdsregistratie in Italië enkel tot stand is gekomen op basis van zijn eigen verklaringen. In dit kader acht de rechtbank ook van belang dat eiser zelf direct bij zijn aanmelding bij de AVIM alsook in het aanmeldgehoor bij verweerder heeft toegelicht dat hij bewust een onjuiste, meerderjarige leeftijd heeft opgegeven in Italië en Frankrijk. Ten tweede heeft de AVIM eiser als evident minderjarig heeft geschouwd. Ten slotte heeft eiser ook een foto van een geboorteakte heeft ingebracht, waarop hij staat vermeld als minderjarig. Verweerder merkt weliswaar terecht op dat deze foto niet op echtheid onderzocht kan worden, maar dat betekent niet zonder meer dat hieraan geen enkele bewijswaarde kan worden gehecht. Ook met indicatieve documenten kan een vreemdeling immers aannemelijk maken dat de in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum niet juist is.Gelet op deze omstandigheden, in onderling verband bezien, mocht verweerder niet zonder meer uitgaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Het bestreden besluit is op dit punt gebrekkig gemotiveerd en daarom in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n6.4.. Verder komt in dit kader naar het oordeel van de rechtbank ook waarde toe aan de verklaring van [de persoon 1] die eiser in beroep heeft overgelegd. In haar verklaring schrijft zij dat zij eiser sinds [datum] 2024 als jeugdbeschermer begeleidt en vanuit die rol regelmatig contact met hem heeft. Zij schrijft over eiser dat hij hulp nodig heeft bij zowel dagelijkse taken als bij emotionele gebeurtenissen en dat hij gedrag vertoont dat passend is voor een puber in zowel het contact met zijn begeleiders als zijn medebewoners. Zij kwalificeert zijn gedrag als passend bij de opgegeven minderjarige leeftijd van eiser en benadrukt dat voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling van belang is dat hij op een minderjarigenlocatie kan verblijven.’ De rechtbank begrijpt dat verweerder deze verklaring niet heeft kunnen betrekken bij het bestreden besluit, nu deze pas in beroep is overgelegd. Gelet op de ex nunc-toetsingdie in het asielrecht geldt voor zowel de feitelijke als de juridische gronden, acht de rechtbank deze verklaring echter wel relevant.\n\n6.5.. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nHeeft verweerder eisers aanmeldgehoor en leeftijdsschouw zorgvuldig uitgevoerd?\n\n7. Eiser voert verder aan dat de leeftijdsschouw tijdens het aanmeldgehoor door verweerder onzorgvuldig is geweest. Voorafgaand aan het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw heeft eiser namelijk geen enkele vorm van voorbereiding met of begeleiding door een wettelijk vertegenwoordiger gehad. Ook was er tijdens het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw zelf geen wettelijk vertegenwoordiger aanwezig. Eiser is ook niet zorgvuldig geïnformeerd over de wijze waarop zijn verklaringen meegewogen zouden worden bij de leeftijdsschouw. Volgens eiser is de leeftijdsschouw daarom in strijd met artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.Ook heeft verweerder zich bij het afnemen van de leeftijdsschouw niet laten leiden door de belangen van het kind als eerste overweging, zodat deze schouw ook in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn. Het op de leeftijdsschouw gebaseerde bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen.\n\n7.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de leeftijdsschouw tijdens het aanmeldgehoor wel zorgvuldig is geweest. Deze is namelijk conform werkinstructie 2023\u002F6 uitgevoerd. Het in deze werkinstructie neergelegde beleid verschilt niet wezenlijk van het beleid zoals neergelegd in de voorgaande werkinstructie 2018\u002F19. Dat beleid heeft de Afdeling bij uitspraak van 2 november 2022 niet onredelijk geacht.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt dat in de Nederlandse asielprocedure de rol van wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling vervuld wordt door een medewerker van Stichting Nidos, de voogdijorganisatie voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in Nederland (hierna: Nidos). De op zitting aanwezigen hebben zich uitgelaten over de wijze waarop verweerder Nidos op de hoogte stelt van de aanmelding en aanmeldgehoren van niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdelingen. Zij hebben daarover het volgende verklaard.\n\n7.2.1.. Niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdelingen worden door verweerder geregistreerd op de dag van hun aankomst (dag 1). Een dag later (dag 2) vragen zij asiel aan bij de AVIM en worden zij gehoord en geschouwd door de AVIM. Weer een dag later (dag 3) vindt een medische controle plaats bij de GZAen worden zij gehoord en geschouwd door verweerder.\n\n7.2.2.. De voogdij van Nidos over een minderjarige niet-begeleide vreemdeling vangt formeel pas aan nadat de kinderrechter in een verzoekschriftprocedure Nidos belast heeft met de (tijdelijke) voogdij. In de regel duurt dit een aantal weken. Nidos heeft met de Nederlandse overheid de werkafspraak dat de voogdij aanvangt op het moment dat Nidos contact heeft gehad met de niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdeling èn zij het verzoekschrift tot de voogdij heeft ingediend. Daarvóór heeft Nidos geen voogdij, niet in formele en ook niet in praktische zin. Het uitgangspunt is dat Nidos vanaf het moment dat de niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdeling geregistreerd wordt door verweerder (dag 1), vijf dagen de tijd heeft om de gestelde minderjarige vreemdeling te spreken, uit te zoeken of er wellicht meerderjarige familieleden in Nederland zijn die de voogdij op zich kunnen nemen, en een verzoekschrift tot voogdij in te dienen indien dit niet het geval is.\n\n7.2.3.. Verweerder legt elke dag (dag 2) een lijst over aan Nidos van alle aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen die de volgende dag (dag 3) plaats zullen gaan vinden. Nidos heeft verklaard dat het, door deze korte termijn die vaak minder dan één dag beslaat, voor haar medewerkers vrijwel onmogelijk is om de betreffende gestelde minderjarigen te spreken vóór het aanmeldgehoor door verweerder, laat staan hen op dit aanmeldgehoor voor te bereiden of het aanmeldgehoor zelf bij te wonen. Het feit dat de gestelde minderjarigen de eerste twee tot drie dagen in beslag worden genomen door hun afspraken bij de AVIM, de GZA en verweerder zelf, bemoeilijkt het tijdig inplannen van een gesprek met de minderjarigen en het verder uitzoeken van hun situatie.\n\n7.3.. De rechtbank overweegt dat tot 1 november 2020 voor minderjarige vreemdelingen gold dat zij na aankomst een kort eerste gehoor kregen. Daarna volgde een rustperiode van drie weken, waarna de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag volgde. In deze drie weken sprak Nidos met de niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdeling, regelde zij de voogdij en kon zij de (gestelde) minderjarige vreemdeling voorbereiden op zijn of haar procedure.Vanaf 1 november 2020 is een nieuwe werkwijze ingevoerd, waarbij de behandeling van minderjarige en meerderjarige vreemdelingen gelijk is getrokken. In deze nieuwe werkwijze is het eerste gehoor vervangen door het (uitgebreidere) aanmeldgehoor. Alle vreemdelingen – meerderjarigen èn minderjarigen – krijgen na aankomst in Nederland het aanmeldgehoor, gevolgd door een rustperiode van ten minste zes dagen, waarna de inhoudelijke behandeling van de asielprocedure volgt.Het aanmeldgehoor dient ertoe om in het kader van de Dublinprocedure snel vast te kunnen stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, maar ook om te bepalen of er risico’s spelen voor de nationale veiligheid en openbare orde. Anders dan bij het voormalige eerste gehoor,worden in dit aanmeldgehoor de asielmotieven kort uitgevraagd.Ook wordt tijdens het aanmeldgehoor bij de (gestelde) minderjarige vreemdeling de leeftijdsschouw uitgevoerd. Verder worden vragen gesteld over de identiteit, nationaliteit, etniciteit, religie, herkomst, reisroute, documenten, eventueel verblijf in derde landen en de personalia en verblijfplaats van familieleden.Na het aanmeldgehoor vindt het nader gehoor plaats, waarin de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zo volledig mogelijk de tot staving van zijn of haar aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren.Deze nieuwe werkwijze is geformaliseerd bij besluit van 28 mei 2021 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n7.4.. Nidos heeft zich tijdens de consultatiefase van deze wijziging kritisch uitgelaten over deze nieuwe werkwijze.Ook Vluchtelingenwerk Nederland, de UNHCR, de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken en de Kinderombudsman hebben in de consultatiefase opgemerkt dat de procedure onvoldoende rekening houdt met de kwetsbare positie van minderjarigen.In de onderhavige procedure heeft Nidos haar kritiek uit de consultatiefase herhaald. Nidos heeft daaraan toegevoegd dat in het uitgebreidere aanmeldgehoor veel meer vragen worden gesteld dan voorheen in het korte eerste gehoor, en dat de antwoorden die gestelde minderjarige vreemdelingen hierop geven meer dan voorheen betrokken worden bij het vaststellen van de leeftijd van de vreemdeling in kwestie. Hierdoor is het volgens Nidos extra kwalijk dat de huidige werkwijze van verweerder het haast onmogelijk maakt om de gestelde minderjarige vreemdelingen te spreken vóór dit uitgebreide aanmeldgehoor, hen hierop voor te bereiden en bij het gehoor aanwezig te zijn. Op de zitting hebben Nidos en de gemachtigde van eiser gepleit voor het opnieuw invoeren van het korte eerste gehoor en de drie weken rustperiode voor gestelde minderjarige vreemdelingen, zodat Nidos weer – net als voorheen het geval was – tijd heeft de (gestelde) minderjarige te spreken, de voogdij te regelen en de (gestelde) minderjarige vreemdeling voor te bereiden op zijn of haar procedure.\n\nArtikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn\n\n7.5.. De Procedurerichtlijn stelt normen voor de procedure rondom de toekenning en intrekking van internationale bescherming. In artikel 25 van de Procedurerichtlijn zijn enkele waarborgen opgenomen die lidstaten in dit kader in acht moeten nemen voor niet-begeleide minderjarigen. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn, staat dat lidstaten zo snel mogelijk maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat een niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een vertegenwoordiger zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, staan specifieke waarborgen geregeld voor het persoonlijk onderhoud van niet-begeleide minderjarigen. Volgens dit artikel moeten lidstaten er zorg voor dragen dat de aangewezen vertegenwoordiger uit lid 1, aanhef en onder a, in de gelegenheid wordt gesteld de niet-begeleide minderjarige te informeren over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het persoonlijke onderhoud en, indien nodig, over de wijze waarop hij zich op het persoonlijke onderhoud dient voor te bereiden. Ook moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een vertegenwoordiger en\u002Fof een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten, bij dat onderhoud aanwezig is en de gelegenheid heeft vragen te stellen en opmerkingen te maken.\n\n7.6.. Het persoonlijk onderhoud waarnaar verwezen wordt in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, is onder andere geregeld in de artikelen 14, 15, en 16 van de Procedurerichtlijn. Uit artikel 14, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, volgt dat een persoonlijk onderhoud gaat over de inhoud van het verzoek om internationale bescherming. Uit artikel 15, derde lid, aanhef, van de Procedurerichtlijn, volgt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in zodanige omstandigheden dat een verzoeker de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Op grond van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat, bij het afnemen van een persoonlijk onderhoud over de inhoud van een verzoek om internationale bescherming, de verzoeker voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van het verzoek noodzakelijke elementen aan te voeren.\n\n7.7.. De rechtbank overweegt dat het persoonlijk onderhoud, blijkens de hierboven genoemde artikelen uit de Procedurerichtlijn, het onderhoud is waarin een vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om zijn asielrelaas en -motieven te vertellen en toe te lichten. In de Nederlandse asielprocedure heeft het persoonlijk onderhoud een plek gekregen in de vorm van het nader gehoor. Zoals ook in overweging 7.3 uiteen is gezet, wordt de vreemdeling in dit nader gehoor immers pas inhoudelijk bevraagd over zijn asielmotieven. In het aanmeldgehoor komen de asielmotieven slechts zeer summier aan de orde. Aangezien artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, betrekking heeft op het persoonlijk onderhoud, is het niet van toepassing op het aanmeldgehoor en de tijdens dat aanmeldgehoor gehouden leeftijdsschouw. Eisers beroepsgrond, dat de wijze waarop zijn leeftijdsschouw heeft plaatsgevonden in strijd is met dit artikel, slaagt daarom niet.\n\nArtikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn\n\n7.8.. Op grond van artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, laten de lidstaten zich bij de uitvoering van de Procedurerichtlijn leiden door het belang van het kind als eerste overweging. Artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, is niet expliciet in Nederlandse wet- of regelgeving geïmplementeerd, maar is een richtlijnspecifieke evenknie van artikel 24 van het Handvesten artikel 3 van het IVRK. Uit overweging 33 van de Preambule van de Procedurerichtlijn volgt ook dat het belang van het kind bij de toepassing van deze richtlijn een eerste overweging van de lidstaten moet te zijn, overeenkomstig het Handvest en het IVRK.\n\n7.9.. Uit artikel 24, tweede lid, van het Handvest, volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Hetzelfde volgt uit artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Artikel 24 van het Handvest is gebaseerd op artikel 3 van het IVRK en moet overeenkomstig worden geïnterpreteerd.\n\n7.10.. Uit artikel 22, eerste lid, van het IVRK volgt voorts dat Staten die partij zijn bij dat verdrag passende maatregelen nemen om te waarborgen dat een kind, dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen of dat in overeenstemming met het toepasselijke internationale of nationale recht en de toepasselijke procedures als vluchteling wordt beschouwd, ongeacht of het al dan niet door zijn of haar ouders of door iemand anders wordt begeleid, passende bescherming en humanitaire bijstand krijgt bij het genot van de van toepassing zijnde rechten beschreven in dit Verdrag en in andere internationale akten inzake de rechten van de mens of humanitaire akten waarbij de bedoelde Staten partij zijn.\n\n7.11.. Artikel 22, eerste lid, van het IVRK, is verder uitgewerkt in General Comment 6.General Comment 6 dient als nadere uitleg bij het IVRK en gaat specifiek over de behandeling van niet-begeleide en gescheiden kinderen buiten hun land van herkomst. General Comment 6 heeft als doelstelling om “richtsnoeren te geven voor de bescherming, zorg en correcte behandeling van niet-begeleide en van hun familie gescheiden kinderen op basis van het gehele wettelijke kader dat wordt geboden door het Verdrag inzake de rechten van het kind”en “bundelt en consolideert de normen die onder meer door middel van de monitoringsinspanningen zijn ontwikkeld en geeft aldus de Staten duidelijke aanwijzingen over de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag met betrekking tot deze specifieke kwetsbare groep kinderen.”In General Comment 6 staat het volgende over artikel 22, eerste lid, van het IVRK (onderstreping door de rechtbank):\n\n“Procedurele waarborgen en ondersteunende maatregelen (art. 3(3))\n\n68. Passende maatregelen die op grond van artikel 22(1) van het Verdrag vereist zijn, dienen rekening te houden met de bijzondere kwetsbaarheid van niet-begeleide en gescheiden kinderen en met het nationale rechtskader en de nationale voorwaarden. Dergelijke maatregelen moeten worden geleid door de onderstaande overwegingen.\n\n69. Een asielzoekend kind dient te worden vertegenwoordigd door een volwassene die bekend is met de achtergrond van het kind en die bevoegd en in staat is om zijn of haar belangen te behartigen (…). Het niet-begeleide of gescheiden kind dient tevens in alle gevallen kosteloos toegang te krijgen tot een bevoegde wettelijke vertegenwoordiger, ook wanneer het verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus volgens de normale procedures voor volwassenen wordt behandeld.(…).\n\n72. De gesprekken dienen te worden gevoerd door vertegenwoordigers van de beslissingsinstantie voor de vluchtelingenstatus, die rekening houden met de bijzondere situatie van niet-begeleide kinderen om de beoordeling van de vluchtelingenstatus uit te voeren en inzicht te krijgen in de geschiedenis, de cultuur en de achtergrond van het kind. Het beoordelingsproces dient een onderzoek per geval te omvatten van de unieke combinatie van factoren behorend bij ieder kind, met inbegrip van de persoonlijke, gezins- en culturele achtergrond van het kind. De voogd en de wettelijke vertegenwoordiger dienen aanwezig te zijn bij alle gesprekken.”\n\n7.12.. Uit het voorgaande volgt dat de voogd en wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling aanwezig moeten zijn bij alle gesprekken die hij of zij met de beslissingsautoriteit voert. Dat betekent dat een begeleider van Nidos aanwezig had moeten zijn bij eisers aanmeldgehoor en de tijdens dat gehoor gehouden leeftijdsschouw. Niet in geschil is dat bij eisers aanmeldgehoor en leeftijdsschouw geen begeleider van Nidos aanwezig is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat de wijze waarop het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw hebben plaatsgevonden in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, artikel 24, tweede lid, van het Handvest, en artikel 3, eerste en derde lid, en artikel 22, eerste lid, van het IVRK. De voorbereiding van het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig geweest. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond van eiser slaagt.\n\n7.13.. De rechtbank overweegt verder dat de wijze waarop eisers aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden niet op zichzelf staat, maar een gevolg is van de werkwijze van verweerder – zoals uiteengezet onder 7.2.1 tot en met 7.2.3 – ten aanzien van het plannen van de aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen en het op de hoogte brengen hiervan van Nidos. Deze werkwijze maakt het nagenoeg onmogelijk voor Nidos om deze kwetsbare groep bij te staan en te vertegenwoordigen. De rechtbank stelt vast dat de werkwijze van verweerder heeft geleid tot een besluit dat niet in stand kan blijven. De rechtbank geeft verweerder daarom mee om met Nidos om tafel te gaan over nieuwe werkafspraken, zodat het wel mogelijk is voor Nidos om aanwezig te zijn bij de aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen.\n\n7.14.. De rechtbank volgt verweerder niet in haar stelling dat deze werkwijze is goedgekeurd door de Afdeling in de uitspraak van 2 november 2022. In deze uitspraak heeft de Afdeling zich namelijk alleen uitgelaten over de wijze waarop (de rechtsvoorganger van) verweerder in Dublinzaken inhoudelijk invulling geeft aan het onderzoek naar de leeftijd als er twijfel bestaat over de gestelde minderjarigheid van een vreemdeling en de vreemdeling in een of meerdere andere lidstaten zowel als minderjarige als meerderjarige staat geregistreerd. De Afdeling heeft zich in deze uitspraak niet, althans niet expliciet, uitgelaten over de wijze waarop verweerder de aanmeldgehoren van gestelde minderjarigen inplant en Nidos hiervan op de hoogte brengt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 6.3, 6.4 en 7.8 tot en met 7.12, in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, artikel 24, tweede lid, van het Handvest, en artikel 3, eerste en derde lid, en artikel 22, eerste lid, van het IVRK, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers leeftijdsregistratie te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.\n\n8.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.\n\n8.2.. \n\nOmdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.\n\nVerweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Bij uitspraak van 22 juli 2024 op de door eiser gevraagde voorlopige voorziening heeft de rechtbank reeds een punt toegekend voor het deelnemen aan de zitting.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het besluit van 14 juni 2024;\n\ndraagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n zaaknummer NL24.24862.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Verordening EU\u002F604\u002F2013.\n\n European Asylum Dactyloscopy Database.\n\n Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3147.\n\n Werkinstructie 2023\u002F6, paragraaf 2.4.2.\n\n Werkinstructie 2023\u002F6, paragraaf 2.4.2.\n\n Artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:3147.\n\n GezondheidsZorg Asielzoekers.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 3; Nota van Toelichting, Staatsblad 2021, 250, paragraaf 5.5, pagina 30.\n\n Artikel 3.109, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 2;\n\n Artikel 3.108d, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Artikel 3.108d, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250.\n\n Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250, pagina 30.\n\n Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 3 tot en met 4; Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250, pagina 29 en 30.\n\nHandvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\nVerdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind.\n\n Toelichting bij het Handvest, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C305\u002F25. Ingevolge artikel 6, eerste lid, derde alinea, en artikel 52, zevende lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, moet de Toelichting bij het Handvest voor de uitlegging van het Handvest in acht worden genomen.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6, pagina 7, eerste alinea.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6, pagina 7, vierde alinea.\n\n Zaaknummer NL24.24862.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23281","2025-03-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:25.995Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1202","ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","ecli-nl-ghshe-2024-1598",72,"2024-05-13T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001573-23\n\nUitspraak : 13 mei 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208048-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Filipijnen) op [geboortedatum] ,\n\nwonende te [adres verdachte] .\n\nHoger beroep\n\nDe rechtbank heeft de verdachte ter zake van:\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 1);\n\n‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 3),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nVoorts heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.\n\nDe verdediging heeft primair partiële vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof de anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en\u002Fof Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2022 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en\u002Fof Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borst(en) van die [slachtoffer] en\u002Fof het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof het kussen van die [slachtoffer] en\u002Fof het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] en het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\n1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 28 juni 2021 (p. 7-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant I] en [verbalisant II] :\n\nInformatie over het gesprek:\n\nInformatief gesprek met: [slachtoffer] (vrouw), geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , nationaliteit Filipijnse, [adres] .\n\nDatum gesprek: 22 juni 2021\n\nWoonsituatie:\n\n [slachtoffer] woont samen met haar vader, moeder en broer, [broer] , in de [adres]\n\n . Zij zijn ongeveer 3 jaar geleden vanuit Dubai naar Nederland verhuisd.\n\nWat is er gebeurd:\n\n [slachtoffer] is vanaf haar 9e jaar regelmatig verkracht door haar vader. Dit is begonnen in Dubai en is frequent doorgegaan ook toen zij in Nederland kwam wonen.\n\nDe verkrachting bestond uit het vaginaal penetreren. Hij gebruikte geen condooms. Tevens moest zij hem regelmatig aftrekken. Hij pakte dan haar hand met kracht vast en legde haar hand op zijn geslachtsdeel.\n\nIn Dubai vonden de seksuele handelingen plaats in een kamer waar het hele gezin bij elkaar sliep. In Nederland hebben de seksuele handelingen plaatsgevonden op de slaapkamer van [slachtoffer] .\n\n [slachtoffer] geeft aan dat zij vorig jaar voor het laatst vaginaal gepenetreerd is door haar vader. Tevens wordt [slachtoffer] dagelijks betast door haar vader. Hij wrijft met zijn handen over haar kleding, over haar vagina en billen.\n\n2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2021 (p. 10-14), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :\n\nO: opmerking verbalisant\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord aangeefster\n\nAangeefster deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] ), [adres] .\n\nO: Wij hebben begrepen dat het gezin al 3 jaar in Terneuzen woont.\n\nV: Klopt dat?\n\nA: Ja, de kinderen zijn geboren en getogen in [geboorteplaats slachtoffer] .\n\nV: Wat kun jij vertellen over het seksuele misbruik?\n\nA: [slachtoffer] vertelde dat ze vanaf haar negende (9) tot haar veertiende (14) seksueel werd misbruikt door haar vader. Zij gaf aan dat zij tot haar elfde (11) werd verkracht. Tot haar elfde (11) bestond het seksueel misbruik onder andere uit verkrachten. Na haar elfde (11) is het verkrachten gestopt en bleef vader aan haar zitten. Dit bestond uit kussen en voelen aan haar vagina en borsten. [slachtoffer] gaf tijdens het gesprek aan dat hij een dag voor de melding voor het laatst aan haar had gezeten.\n\nO: Toen [slachtoffer] het vertelde, hoe was haar gemoedstoestand toen?\n\nA: Ik zag een meisje dat erg timide en ingedoken op een stoel zat. De hoofdemotie kwam op mij over als opluchting.\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] d.d. 19 juli 2021 (p. 16-20), voor zover inhoudende:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord getuige\n\nV: [slachtoffer] , tegen wie doe je aangifte?\n\nA: Tegen mijn vader, [verdachte] . Hij is mijn biologische vader (het hof begrijpt: de verdachte).\n\nV: Wanneer heeft het feit plaats gevonden?\n\nA: Ongeveer 6 jaar geleden is het begonnen, in 2015 tot 21 juni 2021.\n\nV: Ok, [slachtoffer] kan jij ons eens alles vertellen wat er is gebeurd?\n\nA: Het is ongeveer 6 jaar geleden begonnen in Dubai, in het appartement waar ik toen woonde. Ik was toen 9 jaar. We sliepen in die tijd allemaal in dezelfde kamer en het gebeurde ook in die kamer. Mijn moeder en broer waren aan het slapen. Mijn vader liep naar mijn bed. Toen begon hij mij aan te raken en mijn pyjama uit te trekken. Ik wilde me verzetten, maar ik heb niet echt geprobeerd om hem te stoppen. Ik was slaperig en wilde hem niet boos maken. Ik wilde ook geen weerstand bieden omdat ik bang was dat hij me iets aan zou doen. Toen heeft hij mijn pyjamabroek uitgetrokken en hij zijn short, en toen heeft hij zijn penis in mijn vagina gedaan. Hij heeft me toen verkracht. Daarna heeft hij het nog vaak gedaan. Ik denk niet elke nacht, maar wel heel vaak.\n\nV: Zijn er ook nog andere dingen gebeurd?\n\nA: Ja, hij pakte me vast aan mijn borsten om mijn middel of kont en dan begon hij tegen mij aan te schuren.\n\nV: Zijn er nog andere seksuele handelingen gebeurd?\n\nA: Hij probeerde mijn borsten aan te raken, hij probeerde ook mijn borsten met zijn mond aan te raken en dan beet hij daar heel hard in. Hij raakte mijn vagina aan met zijn handen. Dat was misschien wel het ergste. Dan pakte hij mijn schaamhaar vast en trok er hard aan. Dat deed heel veel pijn. Hij probeerde ook mijn clitoris aan te raken, maar die kon hij niet vinden en duwde hij heel hard tegen het bot wat daar zit. Als hij daar beneden greep trok hij ook heel hard aan mijn schaamlippen dat ze eruit werden getrokken. Mijn schaamlippen kwamen daardoor naar buiten en dit heeft lang zo gezeten. Nu de laatste tijd is dit aan het genezen. Het was erg pijnlijk. Hij liet mij hem ook aftrekken. Hij pakte mij bij mijn polsen met twee handen, waardoor ik mijzelf niet kon lostrekken. Dit gebeurde vaak, hij deed dit altijd voordat hij me verkrachtte. Hij zat eerst met zijn mond aan mijn borsten, daarna pakte hij mijn hand om hem af te trekken en daarna verkrachtte hij mij.\n\nV: Alle keren dat je verkracht bent, wat is het hetgeen je het meest geraakt\n\nheeft?\n\nA: Er zijn twee ernstige keren geweest. Een keer dat hij heel hard aan mijn\n\nschaamhaar trok. Hij trok mijn knie opzij en begon heel hard tegen mijn clitoris te wrijven. De tweede vreselijkste keer was dat hij zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen. Ik weet niet of het hem echt gelukt is om naar binnen te brengen, maar ik weet wel dat het heel veel pijn deed. Ik heb nog nooit zoveel pijn gehad.\n\nV: En dit heeft allemaal plaatsgevonden in Dubai?\n\nA: Het ergste in Dubai, maar hier is hij ermee doorgegaan. Mij seksueel misbruiken, verkrachten.\n\nV: Kun je me vertellen over de ergste keer in Nederland?\n\nA: Hier zijn er ook twee slechtste momenten geweest. De ene keer niet echt fysiek maar meer emotioneel. In de [straat] . Mijn broer en ik hadden een kamer en mijn ouders hadden een kamer. Op een nacht kwam mijn vader naar mijn kamer. Mijn broer was in slaap gevallen. Mijn vader heeft mij verkracht vlak bij mijn broer. De tweede meest vreselijke keer was dat hij in mij klaar kwam. Vaak deed hij dit buiten mijn lichaam en moest ik het van hem schoonmaken. Die keer kwam hij in mij klaar. Ik was bang dat ik zwanger zou raken.\n\nV: Wanneer was de laatste keer dat er iets is gebeurd?\n\nA: De laatste keer was dat hij me verkrachtte. Dat was vorig jaar. Toen is hij ook in mij klaargekomen. De laatste keer dat hij me seksueel heeft aangeraakt was de dag voordat ik erover ben gaan vertellen wat hij deed.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 35-42), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Wanneer zijn jullie verhuisd naar Nederland?\n\nA: Op 30 december 2018.\n\n5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 45-54), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Je weet al langere tijd dat er aangifte tegen je is gedaan door een medewerkster\n\nvan Veilig Thuis in verband met seksueel misbruik dat door jou gepleegd zou zijn\n\nmet je dochter [slachtoffer] . Wat vind je van deze beschuldiging?\n\nA: Ik heb geen tegenwerpingen.\n\nV: Wat gebeurde er de eerste keer?\n\nA: Ze was natuurlijk jong, een kind. Ik raakte haar ‘private parts’ aan.\n\nV: Wat bedoel je met de ‘private parts’?\n\nA: Haar vagina. Ik had toen ook seks met haar.\n\nV: Waar en wanneer gebeurde dit?\n\nA: Ik weet dat het gebeurde als we in het huis waren, ik bedoel in het huis in Dubai. Het was op haar bed.\n\nV: Hoe ging het met het aanraken van [slachtoffer] (het hof begrijpt hierna telkens: [slachtoffer])?\n\nA: lk begon eerst met haar borst te strelen.\n\nV: Had dit aanraken een seksuele lading voor jou?\n\nA: Ja.\n\nV: Wanneer ging je dan verder en raakte je de vagina van [slachtoffer] aan?\n\nA: Het gebeurde gewoon. Het stapelde zich maar op. Het gebeurde een tweede, een derde keer. Het leek al een gewoonte te worden. Ik bleef het doen. Toen gebeurde het weer. In 2016.\n\nV: Op welke momenten gebeurde het?\n\nA: We sliepen met het hele gezin in dezelfde kamer. Het gebeurde ook wel daar. Iedereen sliep dan. Ook mijn vrouw sliep en dan lukte het mij om het toch te doen met [slachtoffer] . Ik stapte dan bij [slachtoffer] in bed. Ik had dan geslachtsgemeenschap met mijn dochter. Penetratie. Met mijn penis in haar vagina. Ik deed het dan langs de achterkant. Het bleef zich maar herhalen. Toen we in Nederland kwamen zei ik tegen mezelf dat het niet meer mocht gebeuren. Maar de drang blies in mijn oren.\n\nV: Wanneer had je voor het laatst geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] ?\n\nA: In 2020 in Nederland.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde ook dat zij je moest aftrekken en dat je daarbij haar handen pakte\n\nen naar je penis bracht.\n\nA: Ja dat klopt, dat is gebeurd.\n\nV: [slachtoffer] heeft zich een keer verdedigd door tegen je aan te stompen. Je tegen haar\n\nzei dat ze dat goed deed, maar dat je haar daarna wel weer verkrachtte. Wat kun je\n\ndaar over zeggen?\n\nA: Ik kon mezelf niet meer in de hand houden. Wat ze vertelde is waar, ik deed dat.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde dat het seksueel handelen doorging, ook na de verhuizing naar\n\nNederland. Toen sliepen [slachtoffer] en [broer] (het hof begrijpt: de broer van [slachtoffer]) op dezelfde kamer. Dat je haar hebt verkracht waar haar broer vlakbij lag. Reageer hier eens op.\n\nA: In het nieuwe huis in Nederland is er één keer een situatie geweest waarbij dit\n\ngebeurd is. [broer] was inderdaad in dezelfde kamer toen ik geslachtsgemeenschap\n\nmet [slachtoffer] had.\n\nV: De laatste periode penetreerde je [slachtoffer] niet meer, maar bleef je haar wel betasten.\n\nDe laatste keer was zelfs op de dag voor ze het meldde bij de zorg coördinator van\n\nschool, melding 22 juni 2021.\n\nA: Ja dat klopt, ik heb dat gedaan.\n\n6. Een geschrift, te weten een geboorteakte, die als bijlage achter het politiedossier is gevoegd, voor zover inhoudende:\n\nName: [slachtoffer]\n\nName of Father: [verdachte]\n\nNationality: FILIPINO\n\nName of Mother: [naam moeder slachtoffer]\n\nNationality: FILIPINO\n\nDate of Birth: [geboortedag slachtoffer]\n\nPlace of Birth: [geboorteplaats slachtoffer]\n\n7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, d.d. 17 mei 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nHet is gebeurd in Dubai en later in Nederland. Ik beken dat ik met mijn penis in haar vagina ben binnengedrongen. Het klopt dat er penetratie heeft plaatsgevonden in de periode van 2015 tot 2020. Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik haar vagina heb betast. Ik heb met mijn mond en mijn handen haar borst betast en ik heb haar gekust. U vraagt mij of ze ook mijn penis heeft moeten betasten. Dat is gebeurd ja.\n\n8. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 29 april 2024, voor zover inhoudende:\n\nHet klopt dat ik tot en met 10 april 2018 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heb gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, en Terneuzen, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] , het betasten van de vagina van die [slachtoffer] , het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van mijn penis door die [slachtoffer] .\n\nIk weet nu wat de schaamlippen zijn. Ik heb mijn vingers tussen de schaamlippen van [slachtoffer] geduwd.\n\nHet klopt dat [slachtoffer] ook [slachtoffer] werd genoemd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte partieel van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte ontkent dat hij zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd en dat hij hard aan de schaamlippen van zijn dochter heeft getrokken. Gelet op de proceshouding van de verdachte, waarbij hij direct openheid van zaken heeft gegeven, is het aannemelijk dat verdachtes verklaringen (ook) op deze punten juist zijn. Bovendien was de verdachte gericht op seksuele bevrediging en niet op het op een sadistische wijze pijn doen van [slachtoffer] . Voor wat betreft de startdatum van de onder feit 1 en onder feit 3 opgenomen pleegperiode heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nHet hof acht met de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte ‘zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen’. Tevens heeft zij verklaard ‘Ik weet niet of het hem echt gelukt is om (zijn penis)naar binnen te brengen’. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] ging en dat hij dat ‘langs de achterkant’ deed. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij daarbij zijn penis in de vagina van [slachtoffer] heeft geduwd\u002Fgebracht. Gelet op hetgeen zowel [slachtoffer] als de verdachte heeft verklaard kan naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. De verdachte zal derhalve in zoverre van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nAnders dan de verdediging acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hard aan de schaamlippen van [slachtoffer] heeft getrokken. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid en juistheid van hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard. Zij heeft consistent en consequent verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, alsmede over de voor haar pijnlijke gevolgen van die handelingen. Bovendien vinden haar verklaringen steun in de andere bewijsmiddelen. Het verweer strekkende tot partiële vrijspraak van het tenlastegelegde wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\nTen aanzien van de pleegperiode van de onder 1 en onder 3 tenlastegelegde feiten stelt het hof vast dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij negen jaar oud was toen het misbruik begon. Uit hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard blijkt dat hij zich kan herinneren dat [slachtoffer] tien jaar oud was toen het begon en niet negen jaar oud. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij niet zich niet herinnert of het misbruik op tienjarige leeftijd begon. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen antwoord kan geven op de vraag of het misbruik in 2015 of in 2016 begon. Gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het feit dat de verdachte niet meer precies weet vanaf welk moment de aan hem verweten gedragingen hebben plaatsgevonden, stelt het hof de begindatum van het onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde vast op 1 januari 2015.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – naar voren gebracht dat de tenlastegelegde feiten een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, doch dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd – te hoog is. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat hij het misbruik direct heeft erkend, dat hij zelf in therapie is gegaan en dat hij de therapie inmiddels heeft afgerond. Bovendien ondersteunt de verdachte zijn vrouw en kinderen op financieel gebied en werkt hij hard om de kosten van de studies van zijn kinderen en de studentenkamers te betalen. Indien de verdachte gedetineerd raakt, ontstaan grote financiële problemen. De verdachte vreest dat zijn kinderen hun studies dan zullen moeten staken. De verdediging heeft het hof verzocht om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan bij voorkeur 2 jaren en anders 1 jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en als bijzondere voorwaarden (betreffende het gedrag van de verdachte) een contactverbod met [slachtoffer] en dat hij contacten met minderjarigen dient te vermijden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nBij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op:\n\n- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan,\n\n- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en\n\n- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nAard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich gedurende een zeer lange periode, een periode van ruim zes jaren, met grote regelmaat schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] . De seksuele handelingen bestonden onder andere uit vaginale penetratie met zijn penis, het betasten van de borst(en) van [slachtoffer] , het trekken aan haar schaamlippen en het laten betasten van verdachtes penis door [slachtoffer] . De handelingen vonden plaats vanaf het moment dat [slachtoffer] nog maar negen jaar oud was, onder meer in de door het hele gezin gedeelde slaapkamer in Dubai. [slachtoffer] kon zich zelfs in haar eigen bed niet veilig voelen. In sommige gevallen waren de moeder en\u002Fof de broer van [slachtoffer] tijdens het misbruik in dezelfde kamer aanwezig.\n\nDe verdachte heeft met zijn handelen op een buitengewoon ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Ook heeft hij daarbij grovelijk het vertrouwen geschonden dat zij in hem als vader mocht stellen. Daar komt nog bij dat [slachtoffer] bang was voor haar vader. Zij heeft bijvoorbeeld verklaard dat de verdachte haar en haar broer regelmatig sloeg, onder meer met een riem. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat dit onderdeel uitmaakte van de opvoeding en de Filipijnse cultuur. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, kon dit geweld voor [slachtoffer] echter niet los worden gekoppeld van het seksueel misbruik, zodat er ook op deze wijze sprake is geweest van forse dwang. Het gaat bovendien om jarenlang misbruik. Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer zwaar aan dat hij zijn dochter, een klein meisje dat weerloos was ten overstaan van haar volwassen vader op de bewezenverklaarde wijze jarenlang en onder grote druk seksueel heeft misbruikt. De verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de belangen van [slachtoffer] en voor de gevolgen van zijn handelen voor zijn eigen dochter. Hij heeft slechts zijn eigen lustgevoelens vooropgesteld. Bovendien is het misbruik pas aan het licht gekomen doordat [slachtoffer] zelf op school over het misbruik heeft verteld.\n\nHet is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort delicten langdurig, mogelijk hun hele verdere leven, nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Uit de gedingstukken blijkt dat dat ook bij [slachtoffer] het geval is. Verdachtes handelen heeft niet alleen grote impact gehad op [slachtoffer] , maar eveneens op het gezin. De verdachte heeft niet alleen het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem mocht stellen geschonden, maar eveneens het vertrouwen dat de andere gezinsleden in hem als vader en partner mochten hebben.\n\nPersoon van de verdachte\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 maart 2024. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van een ander strafbaar feit met politie en\u002Fof justitie in aanraking is gekomen. In zijn justitieel verleden is daarmee geen strafverzwarende omstandigheid gelegen.\n\nVoorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 17 april 2023. Door de reclassering wordt het risico op recidive ingeschat als laag-gemiddeld.\n\nDe heimelijkheid van het delict, het ontbreken van een sociaal netwerk dat de verdachte kan steunen en het feit dat hij zijn seksualiteit onderdrukt, vindt de reclassering aandachtspunten en risico's. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan als bijzondere voorwaarden onder andere een meldplicht en een contactverbod met [slachtoffer] worden verbonden.\n\nStrafoplegging\n\nGelet op de hierboven beschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van een aanzienlijke duur met zich brengt. Naar het oordeel van het hof kan gelet daarop evenmin worden volstaan met een straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen daarin onvoldoende tot uitdrukking komen. In dit verband heeft het hof in het bijzonder nog de zeer lange duur van het ingrijpende misbruik in aanmerking genomen, alsmede de ernstige wijze waarop inbreuk is gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] als het vertrouwen dat [slachtoffer] bij uitstek in de verdachte, als haar vader, mocht stellen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nIn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen grond om tot een andere beslissing te komen. Ook de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep genoemde uitspraken brengen het hof niet tot een ander oordeel.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 6, 7, 57, 244, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,\n\nmr. J.F. Dekking en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,\n\nen op 13 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Midden- en West-Brabant, Unit Zeden, onderzoek Marine, onderzoeksnummer ZBRBC21119, proces-verbaalnummer PL2000-2021161821, p. 1 tot en met pagina 56, met daarachter bijlagen. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","2026-07-13T00:29:09.704Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"769","ECLI:NL:GHSHE:2024:1420","ecli-nl-ghshe-2024-1420","2024-04-22T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001821-18\n\nUitspraak : 22 april 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 mei 2018, in de strafzaak met parketnummer 03-866365-13 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1972,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte partieel vrijgesproken van het tweede gedeelte van de tenlastelegging en ter zake van ‘een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe rechtbank heeft de verdachte partieel vrijgesproken, te weten van het tweede gedeelte van de tenlastelegging, ziende op de afbeeldingen met bestandsnamen LC-351751 en LC-351752 en LC-351753 (de foto’s 6,7 en 8 in proces-verbaal PL2300-2016228368-4).\n\nDe verdachte heeft aanvankelijk onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar heeft bij akte van 31 januari 2022 – tijdig, immers voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting – het hoger beroep ingetrokken voor zover het tegen deze vrijspraak was gericht.\n\nHet hof heeft ter terechtzitting van 31 januari 2022 geoordeeld dat voornoemde partiële vrijspraak dient te worden aangemerkt als een beschermde vrijspraak. Voorts heeft het hof bepaald dat dit deel van het beroep partieel namens de verdachte kon worden ingetrokken en dat dit deel van de tenlastelegging derhalve niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte voor het tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering van gronden en met uitzondering van de kwalificatie en de opgelegde straf. Voorts zal het hof de door de rechtbank opgenomen wettelijke voorschriften vervangen op de wijze zoals hierna is vermeld.\n\nHet hof zal de overwegingen van de rechtbank onder de kopjes inleiding, bewijs en overwegingen in het geheel verbeteren en vervangen op na te melden wijze. Het hof heeft daarbij deels aansluiting gezocht bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen.\n\nVerbetering van de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman, overeenkomstig de overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de tenlastegelegde afbeeldingen niet kunnen worden aangemerkt als kinderporno; de tenlastegelegde afbeeldingen bevatten op zichzelf geen seksuele gedraging. Ook uit de wijze van het tot stand komen van de tenlastegelegde afbeeldingen kan niet worden geconcludeerd dat deze onmiskenbaar strekken tot het opwekken van een seksuele prikkeling. Verder stelt de verdediging dat uit het dossier volgt dat [medeverdachte] de foto’s heeft genomen en dat medeplegen niet kan worden bewezen, hetgeen wel nodig is om tot een veroordeling van de verdachte te komen. Uit het enkele feit dat de verdachte (mede) op de afbeeldingen is te zien, kan niet volgen dat er van samenwerking ten aanzien van de totstandkoming van de foto’s sprake is.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nInleiding\n\nIn maart 2012 ontving het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de nationale recherche (hierna: TBKK) afbeeldingen van de Deense politie, waarop onder andere een man, een vrouw, drie jongens en twee meisjes in wisselende samenstellingen te zien waren. Een aantal van die afbeeldingen werd aangemerkt als kinderporno. Op de afbeeldingen waren aanwijzingen te zien dat deze in Nederland zouden zijn gemaakt. Door het TBKK werd een onderzoek ingesteld naar de herkomst van die foto’s. Op de foto’s werden onder andere de verdachte, haar dochter [slachtoffer] en haar partner [medeverdachte] , herkend.Op 17 juni 2013 werden de verdachte en [medeverdachte] aangehouden.\n\nBewijsmiddelen\n\nTijdens het onderzoek werden de foto’s bekeken. Een aantal zijn genoemd respectievelijk beschreven met volgnummers 1 tot en met 34 in de proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 respectievelijk -5. De afbeeldingen met de bestandsnamen HH Public Sample 001.jpg (het hof begrijpt: volgnummer 16),LC-351904 (het hof begrijpt: volgnummer 3)en LC-351905(het hof begrijpt: volgnummer 2)werden door verbalisant [verbalisant 1] , destijds werkzaam als gecertificeerd kinderpornorechercheur, als kinderpornografisch aangemerkt. Op deze afbeeldingen zijn te zien de verdachte en [slachtoffer] . [slachtoffer] ligt rechts van de verdachte en [slachtoffer] heeft de tepel van de rechterborst van de verdachte in haar mond. De verdachte heeft met haar rechterhand het hoofd van haar dochter vast. [slachtoffer] ’s bovenlichaam is ontbloot. Deze foto met volgnummer 3 is nagenoeg identiek aan de foto met volgnummer 2.Verder is de foto met volgnummer 16 identiek aan de foto met volgnummer 2.\n\nUit onderzoek op basis van zogenaamde exif-informatie is gebleken dat de afbeeldingen LC-351904 (volgnummer 3) en LC-351905 (volgnummer 2) werden gemaakt op – respectievelijk – 2004-01-09 om 07:35:15 uur en 2004-01-09 om 07:35:28 uur.Uit de exif-informatie volgt verder dat op 2004-01-09 tussen 07:15:40 uur en 07:50:54 uur in totaal 14 foto’s werden gemaakt.Al deze foto’s werden in het politieonderzoek als kinderpornografisch aangemerkt.Hieronder volgt, met uitzondering van de hiervoor beschreven foto’s met volgnummers 2 en 3, een beschrijving van die foto’s:\n\n- Foto met volgnummer 28: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een zitbank. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar rechterhand onder haar hoofd, de linkerhand in haar zij, heeft haar linkerbeen opgetrokken en draagt een wit onderbroekje met een roze bies en een afbeelding van een blauw bloemetje. Het camerastandpunt is gericht op de borsten en het kruis van het meisje.Volgens de exif-informatie is de foto gemaakt op 2004-01-09 om 07:15:40 uur.\n\n- Foto met volgnummer 34: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje zit geheel ontkleed op een speelkleed. Het meisje betast met haar rechterhand haar vagina en houdt met haar linkerhand haar blauwe onderbroekje vast.Deze foto is volgens de exif-informatie gemaakt op 2004-01-09 om 07:29:27 uur.\n\n- Foto met volgnummer 4: afgebeeld zijn de verdachte en [slachtoffer] . Beiden liggen op hun rug in een tweepersoonsbed. Het meisje ligt rechts van haar moeder, heeft haar hoofd naar links, reikt met haar rechterhand naar de rechterborst van haar moeder. Het meisje heeft haar benen opgetrokken en draagt een blauw onderbroekje. Het camerastandpunt is gericht op het kruis van het meisje.Blijkens de exif-informatie is deze foto gemaakt op 2004-01-09 om 7:35:05.\n\n- Foto met volgnummer 1: afgebeeld zijn de verdachte en [slachtoffer] . Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar benen opgetrokken, houdt met beide handen haar voeten vast en kijkt tussen haar benen door in de camera. Ze draagt een blauw onderbroekje en heeft een ontbloot bovenlichaam. Het camerastandpunt is gericht op het kruis van het meisje. Naast haar ligt haar moeder, de verdachte. Zij heeft dezelfde houding als haar dochter [slachtoffer] .Uit de exif-informatie volgt dat de foto is genomen op 2004-01-09 om 7:36:17 uur.\n\n- Foto met volgnummer 27: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar benen opgetrokken en kijkt daar tussendoor in de camera. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij in de knieholte heeft zitten. Het camerastandpunt is gericht op de anus en vagina van het meisje.Volgens de exif-informatie is deze foto genomen op 2004-01-09 om 7:41:09.\n\n- Foto met volgnummer 29: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug en heeft haar benen gespreid. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij met beide handjes omlaag brengt. Het camerastandpunt is gerecht op de vagina van het meisje.De foto is volgens de exif-informatie genomen op 2004-01-09 op 7:41:25.\n\n- Foto met volgnummer 14: het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, met haar benen gespreid. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij op haar enkels heeft zitten. Het camerastandpunt is gericht op de vagina van het meisje. Het meisje is [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] .Volgens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 07:42:22.\n\n- Foto met volgnummer 11: op deze foto staat [slachtoffer] , Op de afbeelding is ingezoomd op de vagina van [slachtoffer] welke alleen zichtbaar is. Het meisje heeft het rechterpijpje van haar blauwkleurige onderbroekje naar links geschoven en trekt met haar vingers haar grote schaamlipjes uit elkaar waardoor er zicht is op haar kleine schaamlipjes.De foto is volgens exif-informatie genomen op 2004-01-09 om 07:43:38.\n\n- Foto met volgnummer 13: het meisje staat met de rug naar de camera, er is ingezoomd op haar billen en de bovenkant van haar lichtblauwe onderbroekje zit ter hoogte van haar knieën. Met haar handen steunt ze op de achterkant van een bed. Het afgebeelde meisje is [slachtoffer] .Volgens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 7:42:42.\n\n- Foto met volgnummer 12: op de afbeelding is ingezoomd op de vagina van [slachtoffer] welke alleen zichtbaar is. Het meisje heeft het rechterpijpje van haar blauwkleurig onderbroekje naar links geschoven en trekt met haar vingers de grote schaamlipjes uit elkaar waardoor er zicht is op haar kleine schaamlipjes.De foto is volgens exif-informatie genomen op 2004-01-09 om 07:43:14.\n\n- Foto met volgnummer 9: het is een afbeelding van de vagina van [slachtoffer] . Het meisje ligt op haar rug met opgetrokken benen. Het meisje trekt met haar vingers haar vagina open.Blijkens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 7:44:12 uur.\n\n- Foto met volgnummer 30: op deze foto afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje zit met haar knieën op een bed. Het meisje heeft haar bovenlichaam ontbloot en draagt een roze onderbroekje. Het camerastandpunt is gericht op de borstjes van het meisje. Het meisje steekt haar tong uit en houdt deze in de linker mondhoek.Volgens exif-informatie is de foto gemaakt op 2004-01-09 om 7:50:54.\n\n [slachtoffer] is, zoals hiervoor al is vermeld, geboren op [geboortedatum] .\n\nIn het herziene rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 mei 2023 is onderzoek gedaan naar de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de metadata, en in het bijzonder de tijdstempels, aanwezig in de aangeleverde fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004. Op 10 oktober 2022 is volgens opgaaf de meest origineel beschikbare versie van het onderzoeksmateriaal, als collectie van 353 fotobestanden [AAPT7154NL] waarvan het grootste deel ook exif-metadata bevat, bij het Nederlands Forensisch Instituut aangeleverd. Deze collectie bevat 110 bestanden met een tijdstempel van 9 januari 2004. In het onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende hypothesen:\n\nHypothese B1: De tijdstempels in de fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004, komen (ongeveer) overeen met het moment van opname van foto’s.\n\nHypothese B2: De tijdstempels in de fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004, komen niet overeen met het moment van opname van de foto’s.\n\nUit het onderzoek volgt dat de bevindingen van het onderzoek van de aangeleverde fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004 zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese B2 waar is, dan wanneer hypothese B1 waar is.\n\nVerder volgt samenvattend uit het onderzoek dat de metadata eruit zien zoals je zou verwachten bij originele, niet aangepaste metabestanden die zijn gemaakt met een Kodak DX7630. Er zijn binnen het onderzoek geen aanwijzingen gevonden die wijzen op manipulatie van de tijdstempels en metadata in de fotobestanden met exif-tijdstempeldatum 9 januari 2004.\n\nAan de verdachte zijn in haar verhoor bij de politie op 18 juni 2013 16 foto’s getoond. De getoonde foto’s komen overeen met de nummers in het proces-verbaal beeldmateriaal van het KLPD.In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018 is nader uitgewerkt welke foto’s aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn getoond. Dat betreffen de foto’s 1 tot en met 16 uit dit proces-verbaal waarbij de nummering in de tabellen is bijgevoegd.De verdachte heeft in haar verhoor bij de politie verklaard dat zij vanaf mei 2006 tot januari 2007 woonde aan de [adres 2] . Haar partner [medeverdachte](het hof begrijpt: [medeverdachte] )kwam daar geregeld. Zij heeft verder verklaard dat de foto’s met nummering 1 tot en met 6 zijn gemaakt op de [straatnaam 1] en dat zij zich deze foto’s kan herinneren omdat zij daar zelf bij was. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de foto’s met nummering 1 tot en met 6 de foto’s uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 met respectievelijk volgnummers 3, 1, 4, 2, 15 en 13 betreffen.De foto’s waar de verdachte zelf op staat, zijn volgens haar gemaakt in 2006.In haar verhoor bij de politie op 20 maart 2023 heeft de verdachte met betrekking tot de foto’s met volgnummers 17-34 verklaard dat zij geen manipulatie ziet.\n\nMedeverdachte [medeverdachte] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de foto’s 1, 2, 3 en 4 heeft gemaakt.Dat zijn blijkens het proces-verbaal van bevindingen de foto’s met respectievelijk volgnummers 3, 1, 4 en 2.Verder heeft hij verklaard dat hij een onderbroekenfetisj had en een dwangmatige verzamelaar is van afbeeldingen van meisjes en vrouwen in onderbroeken.\n\n Op 24 oktober 2023 is [slachtoffer] gehoord bij de raadsheer-commissaris. Daar heeft zij onder meer verklaard dat zij zich kan herinneren dat er naaktfoto’s van haar zijn gemaakt als kind zijnde, dat [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] )deze foto’s maakte en dat [verdachte](het hof begrijpt: de verdachte)hierbij stond. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij zich de situatie kan herinneren dat zij op een bed ligt met haar knieën omhoog waarbij haar onderlichaam is ontkleed. Verder heeft zij verklaard dat zij zich kan herinneren dat er foto’s van haar vagina zijn gemaakt. Ze lag dan op bed en er werden foto’s gemaakt. [medeverdachte] spreidde haar schaamlippen, en maakte dan met één hand de foto. Haar moeder(het hof begrijpt: de verdachte)was er ook bij als er zo’n foto van haar vagina werd gemaakt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nSeksuele gedraging\n\nHet hof heeft de tenlastegelegde afbeeldingen, mede op verzoek van de verdediging, in raadkamer bekeken. Daarbij heeft het hof waargenomen dat de afbeeldingen van onderaf in een ongebruikelijk camerastandpunt zijn genomen. Op de afbeeldingen zijn de ontblote bovenlichamen van de verdachte en [slachtoffer] te zien. De verdachte heeft haar hand op het achterhoofd van [slachtoffer] en duwt\u002Fhoudt [slachtoffer] hiermee in de gefotografeerde positie. Het hof neemt verder waar dat de verdachte haar mond gedeeltelijk open heeft, dat zij haar hoofd (deels) heeft weggedraaid en dat haar ogen (op een van de twee afbeeldingen) naar boven zijn gedraaid. Verder heeft het hof waargenomen, gelijk de verbalisanten hebben gerelateerd, dat [slachtoffer] de tepel van de verdachte in haar mond heeft. Het hof is gelet op het voorgaande, in tegenstelling tot de verdediging, maar met gecertificeerd kinderpornorechercheur [verbalisant 1] , van oordeel dat de tenlastegelegde afbeeldingen wel degelijk afbeeldingen zijn met daarop een gedraging die van expliciet seksuele aard is en derhalve als kinderpornografisch kunnen worden aangemerkt. Dat de afbeeldingen van kinderpornografische aard zijn, vindt bovendien bevestiging in het feit dat deze afbeeldingen onderdeel uitmaken van een reeks van 14 afbeeldingen welke in een tijdsbestek van ongeveer 35 minuten zijn gemaakt en welke overige afbeeldingen eveneens als kinderpornografisch zijn aangemerkt. Met betrekking tot het moment waarop en de locatie waar de afbeeldingen zijn gemaakt, gaat het hof weliswaar uit van de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat de foto’s waarop zij zelf is te zien, zijn gemaakt aan de [adres 2] en dat zij daar woonachtig was in de periode van mei 2006 tot januari 2007. Daarmee wordt bevestigd hetgeen is gerelateerd in voormeld rapport van het NFI van 11 mei 2023, te weten dat de tijdstempels van de afbeeldingen (zeer veel waarschijnlijker) niet overeenkomen met het moment van het maken van de foto’s. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof echter van oordeel dat die afbeeldingen wel zijn gemaakt in een tijdsbestek van 35 minuten. Het hof wijst daarbij op de conclusie van het NFI daaromtrent, namelijk dat de metadata eruit zien zoals je zou verwachten bij originele, niet aangepaste metadata van fotobestanden en er geen aanwijzingen zijn gevonden die wijzen op manipulatie van de tijdstempels en metadata in de fotobestanden met exif-tijdstempeldatum 9 januari 2004. Dat de verdachte niet alleen aanwezig was bij de tenlastegelegde afbeeldingen, maar ook bij het maken van voormelde overige (kinderpornografische) afbeeldingen, vindt zijn bevestiging in de hiervoor bij het bewijs opgenomen verklaring van [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris. Het verweer van de verdediging, voor zover inhoudende dat die verklaring van [slachtoffer] ziet op een later moment en aldus niet op de overige hiervoor genoemde afbeeldingen, wordt door het hof niet gevolgd. [slachtoffer] heeft in haar verhoor bij de raadsheer-commissaris immers verklaard dat zij zich een situatie zoals afgebeeld op een van de foto’s kon herinneren, maar dat zij dacht dat ze op dat moment ouder was. Ook heeft zij verklaard dat zij niet zeker weet hoe oud ze was en dat ze eerder in het verhoor gokte dat ze toen ongeveer 12 jaar moet zijn geweest. Ten slotte maakt de door [slachtoffer] geschetste context waarin het maken van de foto’s plaatsvond – welke context overeenkomt met de inhoud van de hiervoor omschreven pornografische afbeeldingen – dat het hof van oordeel is dat [slachtoffer] in haar verhoor voormelde afbeeldingen, waarbij zij ongeveer 8\u002F9 jaar oud was, heeft bedoeld.\n\nMedeplegen\n\nMet betrekking tot het door de verdediging gevoerde verweer omtrent het medeplegen, overweegt het hof nog als volgt. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat medeverdachte [medeverdachte] de tenlastegelegde afbeeldingen, waarop zowel de verdachte als [slachtoffer] zijn te zien, heeft genomen. Het hof is van oordeel dat er op die afbeeldingen doelbewust is geposeerd en dat er geen sprake was van een spontaan ‘grappig’ moment, zoals de verdediging heeft betoogd. Daarbij wijst het hof onder meer op de setting waarin de afbeeldingen zijn genomen, namelijk op een bed, waarbij zowel het bovenlijf van [slachtoffer] als van de verdachte is ontbloot, maar ook op de (seksuele) pose die door zowel de verdachte als [slachtoffer] daarop zijn aangenomen. Naar ‘s hofs oordeel kan het de verdachte niet zijn ontgaan dat deze afbeeldingen door medeverdachte [medeverdachte] zijn genomen, mede gelet op haar aanwezigheid bij de andere 12 in een totaal tijdsbestek van 35 minuten genomen kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer] . Dat maakt dat het hof van oordeel is dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het bewezenverklaarde feit, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.\n\nHet hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals in de bewezenverklaring van de rechtbank is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmedeplegen van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, op te leggen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met haar partner medeplegen van het vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van haar destijds minderjarige dochter [slachtoffer] . De afbeeldingen zijn onderdeel van een reeks van afbeeldingen waarin [slachtoffer] poseerde in seksueel prikkelende houdingen en die zijn ontdekt tijdens een onderzoek naar kinderporno op het internet door de Deense autoriteiten. Uit dat onderzoek is gebleken dat de afbeeldingen van [slachtoffer] via het internet zijn verspreid en door verzamelaars van kinderporno worden gedeeld. Het hof is van oordeel dat de verdachte haar zeer jonge dochter heeft misbruikt ten behoeve van de perverse seksuele behoeften van haar toenmalige maar ook nog huidige partner. Hierbij merkt het hof op dat [slachtoffer] kennelijk om aan de fetisj van de medeverdachte tegemoet te komen, heeft geposeerd in verschillende onderbroeken. Het is weerzinwekkend dat de verdachte eraan heeft meegewerkt dat haar dochter, in alle onschuld en totaal onwetend, op deze wijze is gefotografeerd en geëxploiteerd. Zij heeft daarmee het vertrouwen dat een kind in een ouder moet kunnen hebben op zeer ernstige wijze misbruikt en heeft slechts oog gehad voor haar eigen seksuele verlangens en\u002Fof die van haar partner. Daar komt bij dat het een feit van algemene bekendheid is dat slachtoffers van een feit als het onderhavige gedurende lange tijd de negatieve psychische gevolgen kunnen ervaren. [slachtoffer] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat haar moeder haar heeft bedreigd dat ze niks over de zaak mocht vertellen en dat haar leven een hel zou worden als ze dat wel zou doen. Het hof neemt dit de verdachte bijzonder kwalijk.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het haar betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 februari 2024, waaruit volgt dat zij niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld.\n\nTevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nHet hof heeft daarnaast acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gaan bij het vervaardigen van kinderporno uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.\n\nNaar het oordeel van het hof kan – gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte naar ’s hofs oordeel geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen – niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.\n\nHet hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder mee toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.\n\nHet hof stelt vast dat in eerste aanleg en in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden, te weten een overschrijding van in totaal ongeveer 7 jaren. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de op te leggen straf.\n\nZoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. In hetgeen de raadsman heeft bepleit, ziet het hof geen redenen om anderszins te beslissen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;\n\nkwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. drs. M.C.C. van de Schepop en mr. R. Lonterman, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 22 april 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , hoofdagent van politie-eenheid Limburg en [verbalisant 2] , brigadier van politie-eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2012085827, gesloten d.d. 27 juni 2013, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met doorgenummerde dossierpagina’s 1-307. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming ex artikel 110 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 23 januari 2013, proces-verbaalnummer 2012085827.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 2\u002F8 en pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4 niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 2 en 3.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4 niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeeldingen 28, 34, 4, 3, 2, 1, 27, 29, 14, 13, 12, 11, 9 en 30.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 1\u002F8 (afbeelding 1), 2\u002F8 (afbeelding 2, 3 en 4), 3\u002F8 (afbeelding 9, 11 en 12), 4\u002F8 (afbeelding 13 en 14), 6\u002F8 (afbeeldingen 27, 28 en 29) en 7\u002F8 (afbeelding 30 en 34).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 28.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 7\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 34.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 2\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 4.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 1\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 1\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 1\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 1.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 27.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 29.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 14.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 3\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 11.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 13.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 12.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 3\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 9.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 7\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 30.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juli 2012, p. 71.\n\n Het herzien rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 11 mei 2023, nummer 2022.05.13.109, opgemaakt door de NFI-deskundige ir. R. Zoun.\n\n Het proces-verbaal van zaakgericht verhoor van verdachte [verdachte] , dossierpagina 293; het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2015, proces-verbaalnummer 20122085827, pagina 2\u002F2, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] .\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, steeds kolom 5, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina’s 291 en 293.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 20 maart 2023, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-toonmapB\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina 258.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina’s 262-263.\n\n Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [slachtoffer] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 24 oktober 2023, pagina’s 2 en 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1420","2024-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.232Z",20,[73,74,11],2026,2025]