[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-child-protection-nl-2026":3},{"detail":4,"years":211},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":156,"page":14,"limit":210},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},34,"child-protection-nl","Child Protection","NL","2026-07-08T16:53:25.882Z",2026,[13,16,18,20,22,25,28,31,32,34,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":24},5,50,{"month":26,"count":27},6,8,{"month":29,"count":30},7,10,{"month":27,"count":15},{"month":33,"count":15},9,{"month":30,"count":15},{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,53,62,70,78,87,94,102,111,119,126,134,144,152,161,170,178,185,194,203],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"534","ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","ecli-nl-rblim-2026-6673","",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.227940.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1997,\n\nthans verblijvende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. L.M.J. de Ruiter, advocaat kantoorhoudende te Venlo.1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 april 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Vervolgens is op 8 juli 2026 het onderzoek ter terechtzitting gesloten.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 25 augustus 2025 een kussen tegen het gezicht van haar baby heeft gedrukt en zodoende heeft geprobeerd om haar baby te doden (primair). Deze handelswijze is subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling dan wel een mishandeling\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft hierbij verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte, de aangifte van haar partner en de berichten die zijn gestuurd in de groepsapp van de familie op Whatsapp.\n\nVoorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een volledig verstoorde wil bij de verdachte, nu uit onderzoek is gebleken dat zij slechts verminderd en niet volledig ontoerekeningsvatbaar was.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat er bij de verdachte sprake was van een verstoorde wil, waardoor de wilscomponent ontbreekt, hetgeen reeds om die reden tot vrijspraak moet leiden. Daarnaast heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel niet bewust aanvaard. Haar handelen was immers een uiting van onmacht, waardoor vrijspraak moet volgen voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe bewijsmiddelen\n\n [naam 1] , de vader van [naam 2]heeft namens hem aangifte gedaan en heeft – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nIk doe aangifte van poging doodslag.\n\nOns gezin bestaat uit mijn partner [verdachte] , mijn dochter [naam 3] (2 jaar) en mijn zoontje [naam 2] die geboren is op [geboortedatum 2] 2025. Wij wonen met zijn vieren op de [adres 2] , binnen de gemeente Venlo.\n\nOp 25 augustus 2025, om 17:45 uur, kwam [verdachte] naar beneden. Ik zat op de bank. [naam 2] lag in de box. Ik zag dat [verdachte] om de box liep naar de bank. Ik zag dat [verdachte] van de rechterhoek van de bank een kussen vastpakte. Ik zag dat [verdachte] het kussen vasthad met beide handen. Ik zag dat [verdachte] terugliep naar de box. Ik zag dat [verdachte] voor de box stond. Ik zag dat [naam 2] in het midden van de box lag. Ik zag dat [verdachte] voorovergebogen bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen in een snelle beweging liet zakken. Ik zag dat [verdachte] met beide handen, het kussen tegen het gezicht van [naam 2] drukte. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard drukte op het gezicht van [naam 2] . Dit zag ik doordat [verdachte] hard kneep in het kussen. Ze had witte knokkels en ik zag dat het matras\u002Fmatje werd ingedrukt. Ik hoorde dat ze niets zei. Ik zei: “Niet doen!” Ik zag dat [naam 2] met zijn beentjes begon te spartelen. Ik hoorde dat [naam 2] geen geluid maakte. Ik ben erop gevlogen om het te stoppen. Ik denk dat ik binnen ongeveer 4 seconden bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard op het gezicht van [naam 2] bleef duwen en dat [naam 2] nog steeds spartelde met zijn benen. Ik heb [verdachte] vervolgens geslagen op haar rug, om het te stoppen. Ik zag dat [verdachte] niet stopte. Ik heb [verdachte] toen nogmaals geslagen. Ik sloeg haar tegen haar arm en of zij. Ik zag dat [verdachte] toen nog niet stopte. Ik heb toen nogmaals geslagen tegen haar arm en of zij. Daarna heb ik haar weggeduwd van de box. Ik denk dat dit ongeveer 8 tot 10 seconden heeft geduurd. Ik heb toen zelf het kussen van het gezicht van [naam 2] gehaald. Ik heb [naam 2] opgetild, want ik hoorde dat hij hard aan het huilen was. Dit klonk anders dan normaal. Ik heb dit ervaren als een paniek huil. Ik zag dat de tranen over zijn wangen rolden. Ik zag dat [naam 2] harder dan normaal ademde. Ik hoorde dat [naam 2] aan een stuk bleef huilen.\n\nIk was heel angstig dat [naam 2] iets zou overkomen. Ik kan niet inschatten of ze ermee was gestopt of dat ze het had doorgezet.\n\nVerbalisant [naam 4], die op 25 augustus 2025 aanwezig was bij de aanhouding van de verdachte, relateerde in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte:\n\nIk vroeg aan [verdachte] : \"Ik heb gehoord dat jij een kussen op het gezicht van [naam 2] had gedrukt. Klopt dat?\" Ik hoorde dat [verdachte] zei: \"Ja dat klopt.\" Ik zag dat ze dit zei zonder emotie. Ik zei: \"Wilde je hem dood maken?” Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Ja, dat kan best.”\n\nDe verdachteheeft tijdens haar eerste verhoor bij de politie onder meer het volgende verklaard:\n\nOp 25 augustus 2025 knapte er iets in mij en toen heb ik het kussen op het hoofd van mijn jongste kind, [naam 2] , geduwd. [naam 1] duwde mij weg en ik begon te schreeuwen. Ik heb het kussen een paar seconden op zijn hoofd geduwd.\n\nTijdens haar tweede verhoor bij de politie heeft de verdachtehet volgende verklaard:\n\nV: Je dochtertje zat bij je he?\n\nA: Ze zat bij mij op de schoot.\n\nV: Waarom richtte je je niet tot haar in plaats van op je zoontje?\n\nA: Omdat hij zich nog niet kan verweren, dus dan is het makkelijker.\n\nV: Wat was dan makkelijker?\n\nA: Om me daar op af te reageren omdat hij zich toch niet kan verweren.\n\nV: Wat ging er door je heen toen je naar de box liep?\n\nA: Ik weet niet meer precies, het was alsof ik dat moest doen om overal vanaf te zijn.\n\n(…)\n\nV: Gisteren kwam het ‘achter het behang plakken’ ter sprake. Dat we dit gevoel allemaal wel kennen. Wanneer heb je voor het eerst gedacht je zoontje echt wat aan te willen doen? We bedoelen dus het gevoel dat verder gaat dan 'achter het behang plakken’.\n\nA: Ik heb het wel eens gedacht, maar niet tot actie om gezet.\n\nV: Wanneer heb je dit voor het eerst gedacht?\n\nA: Een paar weken terug.\n\nV: Hoe zagen die gedachtes eruit?\n\nA: Als dit zo door blijft gaan, dan doe ik hem dadelijk iets aan.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 25 augustus 2025 in haar woning een kussen op het gezicht van haar baby heeft gedrukt en gedrukt heeft gehouden. De partner van de verdachte heeft haar moeten wegduwen en slaan om haar te laten stoppen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan deze gedraging, gelet op haar uiterlijke verschijningsvorm, worden aangemerkt als een gedraging die is gericht op het beëindigen van het leven van het slachtoffer. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het drukken van een kussen op het hoofd de ademhaling belemmert en tot verstikking kan leiden. Dit geldt in het bijzonder voor een baby van zes maanden oud, die vanwege diens fysieke kwetsbaarheid en afhankelijkheid in het geheel niet in staat is zich aan een dergelijke situatie te onttrekken.\n\nDe rechtbank leidt uit deze uiterlijke verschijningsvorm af dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de dood van haar baby. De rechtbank slaat daarbij ook acht op de uitlatingen die de verdachte tegenover de politie heeft gedaan dat het best zou kunnen dat zij haar zoontje op dat moment wilde dood maken, dat zij sinds een paar weken gedachtes had dat zij haar zoontje iets aan kon doen en dat zij zich bewust tot haar zoontje richtte, omdat hij zich nog niet kan verweren.\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte handelde vanuit een geestelijke stoornis, waardoor sprake zou zijn geweest van een verstoorde wilsvorming. De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit de onder 5 nader te noemen triple rapportage naar de persoon van de verdachte weliswaar volgt dat zij leed aan een psychische stoornis, maar dat niet is gebleken dat deze stoornis haar wilsvrijheid zodanig heeft aangetast dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of overeenkomstig die wil te handelen. Dat de verdachte nog in staat was om bewuste keuzes te maken, blijkt bovendien reeds uit de omstandigheid dat zij zich tot haar zoontje richtte omdat hij zich nog niet kan verweren. Dat de verdachte mogelijk vanuit haar stoornis heeft gehandeld, maakt niet dat haar wil volledig was uitgeschakeld.\n\nDe rechtbank verwerpt daarom het verweer en acht de poging tot doodslag zoals primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nPrimair\n\nop 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) van het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt en gedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:\n\nPrimair\n\nPoging tot doodslag.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nGZ-psycholoog dhr. T. ’t Hoen, psychiater mw. C.M.A. Matton en forensisch milieuonderzoeker dhr. D.A. de Ruiter hebben op 18 december 2025 een triple rapportage uitgebracht over de persoon van de verdachte. In genoemd rapport is vermeld dat de verdachte een zeer kwetsbare, gesloten en getraumatiseerde vrouw is, bij wie een forse scheefgroei in haar persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling wordt gezien waarvoor de basis al is gelegd in haar problematische en belaste jeugd. Er is sprake van een op de voorgrond staande borderline-persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is bij de verdachte terugkerend sprake van een mengbeeld van stemmingsklachten en trauma-gerelateerde klachten, die ook in aanloop naar het feit op de voorgrond kwamen. Tevens kan er volgens de deskundigen worden gesproken van een stoornis in het gebruik van speed (amfetamine), licht van aard en thans in remissie in de gereguleerde omgeving van detentie.\n\nVolgens de deskundigen was van bovenstaande stoornissen ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde feit en werden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde feit ook door de psychische stoornissen beïnvloed.\n\nIn aanloop naar het tenlastegelegde feit liepen de spanningen en psychische problemen bij de verdachte steeds meer op. Haar draagkracht schoot steeds meer tekort om de toenemende draaglast het hoofd te bieden, wat leidde tot een sterke toename van psychische klachten in de vorm van forse spannings- en stemmingsklachten (waaronder prikkelbaarheid). Doordat de spanningen en problemen bleven aanhouden en zelfs toenamen, lukte het haar niet langer om de afgesplitste woede en agressie te controleren. Dit kwam al tot uiting in de toenemende woede en agressie jegens zichzelf in de vorm van automutilatie en suïcidaliteit. Daarnaast lijkt de afgesplitste woede ook naar buiten te zijn geslagen in de vorm van de agressieve impulsdoorbraak jegens haar paar maanden oude zoontje. De verdachte was al met al als gevolg van haar ernstige persoonlijkheidspathologie op dat moment onvoldoende in staat om haar gedrag op een gezondere wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. De deskundigen adviseren daarom het feit in verminderde mate toe te rekenen.\n\nOp grond van dit rapport is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, omdat zij het feit heeft begaan onder invloed van een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens.\n\nGelet op het voorgaande is er géén sprake van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte voor het bewezenverklaarde in het geheel uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie gaat ervan uit dat het feit in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen. Daarnaast heeft zij in acht genomen dat het een zeer ernstig feit betreft, waar normaliter lange gevangenisstraffen tegenover staan. Zij heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Overeenkomstig het reclasseringsadvies heeft zij gevorderd om de aan de tbs te verbinden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de voorlopige hechtenis te schorsen onder dezelfde voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte gebaat is bij hulp en behandeling en acht tbs met voorwaarden een passende sanctie. Wel heeft zij verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe ernst van het feit\n\nDe verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd door een kussen op het gezicht van haar zes maanden oude baby te drukken en gedrukt te houden. Daarmee heeft zij de gezondheid en het leven van haar baby ernstig in gevaar gebracht. [naam 2] was als jonge baby compleet weerloos en volledig afhankelijk van de zorg en bescherming van zijn ouders. Door zo te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op haar ouderlijke plicht om haar baby te verzorgen en te beschermen en zich te onthouden van elk handelen dat het kind schade kan berokkenen. Dat het handelen van de verdachte geen blijvend letsel of het overlijden van de baby heeft veroorzaakt, is alleen te danken aan het ingrijpen van haar partner.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat de verdachte heeft gehandeld vanuit frustraties en onmacht die een oorzaak vinden in haar trauma’s en stoornis. Dat kan helpen verklaren hoe het tot dit handelen is gekomen, maar rechtvaardigt het gedrag niet. Juist in zulke situaties mag van een moeder worden verwacht dat zij hulp zoekt of afstand neemt, in plaats van haar kind in gevaar te brengen.\n\nZoals reeds onder 5 is uiteengezet, komt de rechtbank op basis van de daar genoemde triple rapportage wel tot de conclusie dat het bewezenverklaarde verminderd aan de verdachte moet worden toegerekend, omdat de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde feit door de psychische stoornissen van de verdachte werden beïnvloed. De rechtbank zal daar rekening mee houden bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregelen.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee, dat zij van het begin af aan openheid van zaken heeft gegeven en ook ten volle heeft meegewerkt aan het triple onderzoek. Omdat de rechtbank van oordeel is dat in deze zaak de focus op de behandeling van de verdachte dient te liggen, zal zij de gevangenisstraf beperken tot een straf gelijk aan de duur van het voorarrest en aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 268 dagen. Omdat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels al is geschorst onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd in het kader van de tbs met voorwaarden, betekent dat dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft.\n\nDe maatregel van terbeschikkingstelling\n\nIndien het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld.\n\nHet bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld en hiervoor heeft de rechtbank al geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Ten aanzien van het risico voor de algemene veiligheid van personen of goederen (het recidiverisico) en de behandelmogelijkheden, komt in de triple rapportage naar voren dat bij de verdachte een matig risico aanwezig is op herhaling van een soortgelijk feit. De deskundigen achten een langdurige, intensieve behandeling binnen een forensische kliniek noodzakelijk om dat risico terug te dringen. Deze behandeling dient zich te richten op de borderlinepersoonlijkheidsstoornis van de verdachte en de bijkomende psychische klachten en symptomen. Middels behandeling dient het inzicht van de verdachte in haar emotionele binnenwereld te worden vergroot, moet er aandacht zijn voor haar emotieregulatie en het versterken van haar copingvaardigheden. De deskundigen adviseren om aan de verdachte een tbs-maatregel op te leggen. Zij zien enkele aanknopingspunten voor het opleggen van tbs met voorwaarden, maar zien hier ook de beperkingen van. Zij hebben namelijk zorgen of de verdachte een dergelijk intensief en langdurig behandeltraject aankan. De deskundigen hebben uiteindelijk geadviseerd om de reclassering onderzoek te laten doen naar de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden.\n\nDe reclassering heeft op 12 maart 2026 advies uitgebracht. De reclassering schat het risico dat de verdachte zich zal onttrekken aan de voorwaarden in als laag, maar spreekt wel haar twijfels uit over het antwoord op de vraag in hoeverre de verdachte zich vanuit haar ernstige persoonlijkheidspathologie langdurig weet te conformeren aan een ingrijpende en intensieve behandeling. Desalniettemin acht zij een tbs met voorwaarden wel uitvoerbaar. De reclassering heeft daarom geadviseerd om in dat kader aan de verdachte onder meer de volgende voorwaarden op te leggen: meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in beschermd\u002Fbegeleid wonen, meewerken aan ambulante gezinsbegeleiding en een alcohol- en verdovende middelen verbod.\n\nDe rechtbank is op basis van de triple rapportage en het advies van de reclassering van oordeel dat adequate zorg rondom de verdachte opgezet zal moeten worden om te voorkomen dat zij niet of onvoldoende behandeld terugkeert in de maatschappij en om ervoor te zorgen dat zij langere tijd behandeld en gemonitord wordt.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de genoemde wettelijke vereisten om de maatregel van tbs met voorwaarden te kunnen opleggen en zal ter bescherming van de veiligheid van anderen de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte opleggen, zoals benoemd in het advies van de reclassering. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden. Uit de rapporten en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zij het liefst zo snel mogelijk dient te beginnen met de klinische behandeling bij de Rooyse Wissel. Daarom heeft de rechtbank op de zitting van 29 april 2026 de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van het moment dat deze behandeling is aangevangen onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd door de reclassering in het kader van de tbs met voorwaarden.\n\nDe rechtbank stelt voorts vast dat deze maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank zal bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zonder directe intensieve behandeling en begeleiding zal terugvallen in gedrag dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe gedrag beïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nMede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte, ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden, langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt daarom de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr op aan de verdachte.\n\n7. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvan268 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrestis doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\na. De veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n De veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n De veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen.\n\n De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n De veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n De veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.\n\n De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n De veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n De veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n De veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijk wonen gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\n De veroordeelde laat zich – na afloop van een klinische behandeling – behandelendoor een nader te bepalenforensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n De veroordeelde verblijft na afloop van een klinische behandeling, indien nodig, gedurende de proefperiode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een nader te bepalen begeleid of beschermd woneninstelling of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-outworden opgenomen in een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n De veroordeelde gaat niet naar het buitenlandof het Caribisch gebied van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;\n\n De veroordeelde gebruikt geen verdovende middelengenoemd in lijst I (harddrugs), en\u002Fof lijst II (softdrugs) en\u002Fof geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde werkt, zolang de reclassering dit nodig acht, mee aan ambulante gezinsbegeleiding en\u002Fof jeugdbeschermingen houdt zich aan de afspraken met de betrokken hulpverlening. In het belang van de veiligheid van de veroordeelde zelf, de partner en de kinderen van de veroordeelde, is de veroordeelde open over haar psychische gesteldheid richting hulpverlening en de reclassering. De reclassering en de hulpverlening hebben overleg met elkaar;\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\n- legt aan de veroordeelde op de maatregelstrekkende totgedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking(artikel 38z Sr).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. R.M.M. Menting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Menting is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nPrimair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk een ander, te weten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025)\n\nvan het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft\n\ngedrukt en\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf\n\nniet is voltooid;\n\nSubsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te\n\nweten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) opzettelijk zwaar lichamelijk\n\nletsel toe te brengen een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt\n\nen\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is\n\nvoltooid,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nMeer subsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\n [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) heeft mishandeld, door een kussen\n\ntegen het gezicht van die [naam 2] te drukken en\u002Fof gedrukt te houden, terwijl\n\nverdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025143771, gesloten d.d. 30 oktober 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 182.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] mede namens [naam 2] van 25 augustus 2025, pg. 15 en 16.\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 26 augustus 2025, pg. 144 en 145.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 26 augustus 2025, pg. 162 en 163.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 27 augustus 2025, pg. 166-168.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.466Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":46,"fullText":58,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"570","ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","ecli-nl-rbobr-2026-4793",72,"vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.243457.25\n\nDatum uitspraak: 08 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [2001] ,\n\nthans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025, 11 maart 2026, 01 juni 2026 en 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.\n\nNa wijziging van de tenlastelegging op 11 maart 2026 is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1hij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en\u002Fof aanhet opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende, heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenarenvan de justitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2hij op of omstreeks 15 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [2010] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende,heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenaren van dejustitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,meermalen, althans eenmaal,door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld ofeen andere feitelijkheid, te weten- door [slachtoffer 3] mee te nemen naar en\u002Fof in zijn woning en\u002Fof- door het grote leeftijdsverschil en\u002Fof het fysieke en\u002Fof mentaleoverwicht dat hij op die [slachtoffer 3] had en\u002Fof- door op dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] te praten en\u002Fof- door voorbij te gaan aan tekenen van verzet van die [slachtoffer 3] en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij geen seks (meer) methem, verdachte, zou hebben, hij, verdachte, haar familie, zou latenweten dat hij, verdachte, en die [slachtoffer 3] (eerder) seks hadden gehad en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij (tegen hem,verdachte) aangifte zou doen, hij verdachte, haar broer, althans haarfamilie, met een mes zou steken, althans iets zou aandoen,die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,vingers en\u002Fof penis;( art 242 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt,(telkens) buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die\n [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof vingers;( art 245 Wetboek van Strafrecht )De formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht feit 3 primair niet wettig en overtuigend bewezen en heeft daarvoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair omdat niet is gebleken dat hij het minderjarige meisje ( [slachtoffer 1] ) met opzet heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat zijn handelen daarop van beslissende invloed is geweest.\n\nHet onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen waaruit het verbergen dan wel onttrekken van het minderjarige meisje heeft bestaan en welke rol verdachte hierin heeft gespeeld. Verdachte dient daarom ook van dit tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte enige wetenschap had dat het minderjarige meisje ( [slachtoffer 2] )was weggelopen en zich had onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat verdachte haar bewust verborgen heeft gehouden voor haar ouders of voor politie en justitie. Daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen (p. 115-116 van het dossier) willen betrekken om tot een bewezenverklaring te komen, dan wordt door de verdediging in dat geval (en dus voorwaardelijk) bezwaar gemaakt tegen de inhoud van dit proces-verbaal en met name de stelling dat het hier om een verklaring van het vermeende slachtoffer zou gaan. De verdediging wenst in dat geval dat het onderzoek heropend wordt en dat van de door de officier van justitie ter zitting overhandigde en aan het dossier toegevoegde dvd met geluidsopnamen een transcriptie wordt opgemaakt.\n\nDe raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie wat betreft feit 3 primair gevorderde vrijspraak. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] te wisselend en daardoor ongeloofwaardig zijn. [slachtoffer 3] is voorts de enige getuige ten aanzien van dit feit. Voldoende steunbewijs voor een bewezenverklaring ontbreekt en daarom dient verdachte van feit 3 primair te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte en [slachtoffer 3] destijds een liefdesrelatie hadden en dat sprake was van een relatief gering leeftijdsgeschil. Daarom was geen sprake van ontuchtig handelen en moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nUit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het procesdossier volgt dat de dertienjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Zij heeft naar eigen zeggen in de avond van 4 september 2025 de laatste trein van Den Bosch naar haar woonplaats Oss gemist en is samen met anderen, waaronder verdachte, naar de woning van verdachte in Uden gegaan. Van verdachte mocht zij in zijn woning verblijven. Op 5 september 2025 is [slachtoffer 1] , nadat haar vader te weten was gekomen waar zij verbleef, door de politie uit de woning van verdachte gehaald en naar haar ouders teruggebracht.\n\nHet kan voorkomen dat een minderjarige zelf (actief) bijdraagt aan de onttrekking van het wettig over hem of haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem of haar uitoefent. Bijvoorbeeld door van huis of uit een instelling weg te lopen en daarna bij een ander te verblijven. Dat een minderjarige zelf hiertoe het initiatief heeft genomen staat aan een veroordeling van die ander voor strafbare onttrekking niet zonder meer in de weg.\n\nVoor een strafbaar onttrekken is volgens vaste rechtspraak in dat geval wel vereist dat komt vast te staan dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent, in dit geval de ouders van [slachtoffer 1] .\n\nVerdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk onttrokken heeft aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wetenschap had dat [slachtoffer 1] zich onttrokken had aan het over haar gestelde wettig gezag.\n\nDe door de officier van justitie gestelde omstandigheden dat door verdachte invloed is uitgeoefend op [slachtoffer 1] om haar mee naar zijn woning te krijgen en dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] pas 14 jaar oud was, vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. Ook de door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat [slachtoffer 1] van een Syrische jongen haar telefoon op vliegtuigstand moest zetten maakt dit niet anders. Er is geen bewijs dat dit een opdracht van verdachte was, of dat verdachte hier zelf van af wist.\n\nHoewel er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de situatie in het huis van verdachte (waar het een komen en gaan leek van (al dan niet) minderjarige personen, is over verdachtes handelen niet meer komen vast te staan dan dat hij [slachtoffer 1] heeft toegestaan in zijn woning te verblijven, nadat zij de laatste trein naar huis had gemist. Het enkele feit dat iemand een minderjarige, die bij hem op bezoek is gekomen, gedurende enige tijd onderdak verleent, is nog niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijke gezag’.\n\nDat verdachte door zo te handelen wetenschap had van en een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige [slachtoffer 1] en haar ouders als degenen die het wettelijk gezag over haar uitoefenen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiair\n\nHet voorgaande werkt ook door bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit.\n\nDe enige handeling van verdachte in dit verband waarvoor wettig en overtuigend bewijs bestaat is dat hij [slachtoffer 1] in zijn woning heeft laten verblijven nadat zij haar laatste trein gemist had. Dat is onvoldoende om van het verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken in de betekenis die artikel 280, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip geeft (Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1775).\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 1 subsidiair.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nUit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de vijftienjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Op 15 september 2025 – ten tijde waarvan zij woonachtig was in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp – heeft zij met toestemming van verdachte in zijn woning verbleven.\n\nIn de vroege ochtend van 15 september 2025 heeft de politie de woning van verdachte doorzocht omdat er sterke aanwijzingen waren dat [slachtoffer 1] , die als vermist was opgegeven nadat zij niet thuis gekomen was, daar verbleef. Verdachte en andere aanwezigen zijn in de woning door de politie gehoord. [slachtoffer 2] was, zo bleek later, op dat moment eveneens in de woning aanwezig, maar gaf bij de controle aan de politie een valse naam op en toonde daarbij een vals\u002Fvervalst ID-bewijs. Vlak voor de tweede doorzoeking van de woning is [slachtoffer 2] de woning ontvlucht toen zij de politie aan zag komen.\n\nUit het dossier volgt niet dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] zich onttrokken had over het over haar gestelde gezag of opzicht. Sterker nog, uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf bij de rechter-commissaris is het tegendeel af te leiden. Het was ook [slachtoffer 2] zelf die bij controle door de politie een valse naam en vals of vervalst ID-bewijs gaf. Gelet daarop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van justitie en politie heeft onttrokken.\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nBij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de verdediging verzocht om een transscriptie van op een dvd geplaatste gesprekken die gevoerd zijn met [slachtoffer 2] . Aangezien de voorwaarde (voor zover de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak komt) niet in vervulling gaat, komt de rechtbank aan behandeling van dat verzoek niet meer toe.\n\nTen aanzien van feit 3 primair\n\nDe rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de verkrachting(en) waarvan verdachte wordt beschuldigd.\n\nIn zaken over zedendelicten in de relationele sfeer is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte het feit ontkent.\n\nOver het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning, buiten aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast kan volgens de wet een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt; het zogenaamde steunbewijs. Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.\n\nGelet op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 3] staat het niet ter discussie dat er (in ieder geval éénmaal) seksueel contact heeft plaatsgevonden.\n\nVoor een bewezenverklaring van “verkrachting” (zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold in de ten laste gelegde pleegperiode) is echter een mate van dwang vereist.\n\nVerdachte ontkent dat sprake was van dwang. Volgens verdachte vond de seks plaats met wederzijdse toestemming en was sprake van een liefdesrelatie.\n\nDe rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over het feit dat er sprake was van seksueel contact in de kern voldoende consistent zijn geweest, maar over het aspect ‘dwang’ kan dat niet gezegd worden. Mede gelet op het feit dat de dwang niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund en verdachte dit stellig ontkent, acht de rechtbank de ‘dwang’ niet bewezen.\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair onder 3 ten laste is gelegd.\n\nTen aanzien van feit 3 subsidiair\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de subsidiair ten laste gelegde ontuchtige handelingen, te weten het seksueel binnendringen bij een persoon die nog geen zestien jaar oud is, bewezen kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nIn artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is bepaald dat het niet is toegestaan om met iemand tussen de twaalf en zestien jaar ontuchtige handelingen te plegen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Onder het begrip ‘ontuchtig handelen’ heeft de wetgever begrepen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, welke maatstaf ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het – bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt – in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar de inhoud van het dossier.\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd. Verdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd.\n\nVerdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] is zwanger geraakt van verdachte. Haar moeder ontdekte op enig moment dat zij niet meer menstrueerde. [slachtoffer 3] heeft gekozen tot abortus over te gaan, die plaatsvond op 26 september 2024. Zij was toen ongeveer 20 weken zwanger. Dat betekent dat de conceptie dan begin mei 2024 zou moeten hebben plaatsgevonden.\n\nVerdachte wist dat [slachtoffer 3] minderjarig was toen hij seks met haar had. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in zijn telefoon de password\u002Fkeychain-notitie “ [naam] ” had staan en dat hij wist dat “2009” stond voor het geboortejaar van [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] zou hem, aldus haar verklaring bij de rechter-commissaris, ook gezegd hebben dat zij vijftien jaar was.\n\nDe rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar is en in voldoende mate steun vindt in andere, van haar verklaring onafhankelijke, bewijsmiddelen, waaronder de (deels) bekennende verklaring van verdachte en het feit dat zij zwanger is geraakt. De conclusie is dat er sprake is geweest van meermalen seksueel binnendringen door verdachte van het lichaam van een persoon tussen de twaalf en de zestien jaar.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of voornoemde seksuele handelingen moeten worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud), anders gezegd: of de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm of dat in dit geval het ontuchtige karakter ontbreekt.\n\nVerdachte was bij aanvang van de tenlastegelegde periode 22,5 jaar oud en [slachtoffer 3] vijftien jaar oud. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een kalenderleeftijdsverschil van zeven en een half jaar oud in die leeftijdscategorie geen gering leeftijdsverschil is. Verdachte en [slachtoffer 3] bevonden zich in totaal andere levensfasen. Zo was verdachte getrouwd en woonde hij op zichzelf, terwijl [slachtoffer 3] schoolgaand was en nog bij haar ouders woonde. Dit maakt dat sprake was van een volkomen ongelijke verhouding tussen hen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] in deze omstandigheden niet aan de sociaal-ethische norm voldoen. De seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] zijn als ontuchtig aan te merken in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud).\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.\n\nDe beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bewijsbijlage bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair\n\nop tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt,\n\nontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten\n\n-het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en\n\n-het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en vingers.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.Oplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 8 juni 2026.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen die onder verdachte in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven zijn aan hem geretourneerd kunnen worden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de in de pleitnota genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal tien maanden op te leggen met daarbij een forse voorwaardelijk gevangenisstraf van bijvoorbeeld acht maanden. Verdachte is bereid om zich gedurende een proeftijd van 3 jaren te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals opgesteld in het reclasseringsadvies.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een destijds vijftienjarig meisje. Verdachte wist ook dat zij zo jong was. Vanwege het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer en het feit dat zij zich in andere levensfasen bevonden , had verdachte moeten inzien dat er sprake was van een volkomen ongelijke verhouding. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het slachtoffer is ongewenst zwanger geraakt en heeft een abortus ondergaan. Dat moet, zeker ook binnen de context van haar familiesituatie, grote indruk op haar hebben gemaakt. Verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer en heeft kennelijk enkel gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.\n\nDe rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van negen maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAan deze (deels) voorwaardelijke straf worden na te noemen bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank acht de geadviseerde proeftijd van 3 jaren noodzakelijk om risicomanagement te kunnen toepassen en om verdachte de tijd te geven om echt aan een gedragsverandering te werken.\n\nHet advies van de reclassering om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren neemt de rechtbank niet over, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid. Het ontbreekt de rechtbank aan argumenten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe rechtbank legt met de genoemde straf een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2, terwijl de officier van justitie die feiten wel in haar eis betrok. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nBij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank reeds het bevel voorlopige hechtenis opgeheven, vanwege het ontbreken van gronden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair, subsidiair)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij (deels) toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe benadeelde partij dient, aldus de raadsman, vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.\n\nSubsidiair wordt enige vorm van schade en aantasting in de persoon op andere wijze betwist en ook ontbreekt daarvoor iedere vorm van onderbouwing. Het is te ingewikkeld om de opgelopen psychische schade in deze strafzaak te beoordelen, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.\n\nMeer subsidiair is gesteld dat niet op de juiste wijze aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse schaal. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:RBOBR:2026:2759 en ECLI:NL:RBOBR:2026:2798 waarin duidelijk andere bedragen zijn toegewezen. Daarom wordt verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag.\n\nBeoordeling.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een bedrag van 15.000,- euro aan immateriële schade.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106, sub b, van het BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn\u002Fhaar eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn\u002Fhaar persoon is aangetast.​\n\nNaar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit geldt temeer nu uit het dossier en het onderzoek op de zitting bovendien is gebleken dat de destijds vijftienjarige benadeelde partij zwanger is geraakt van verdachte en dat zij deze zwangerschap na ongeveer 4,5 maand middels een abortus heeft afgebroken.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.\n\nVerder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nNaast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nDe rechtbank zoekt aansluiting bij categorie C onder 15.2 met bandbreedte 12.500,- euro en 32.000,- euro nu sprake is geweest van ontucht met binnendringen waarbij sprake is geweest van ernstige gevolgen voor de benadeelde, namelijk een afgebroken zwangerschap.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 1 januari 2024, de aanvangsdatum van de tenlastegelegde periode.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 (oud) Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart niet bewezen de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 primair aan verdachte tenlastegelegde feiten en spreekt hem daarvan vrij;\n\n- verklaart het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd\n\nDe rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nEn stelt als bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht bij reclassering\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.\n\nVoor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils, reclassering op het adres Dr. Cuyperslaan 80 te Eindhoven.\n\nAmbulante behandeling\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door een nog nader te bepalen Forensische GGz-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na de intake procedure. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en de daaruit\n\nvoortvloeiende problematiek. Gelet op de vastgestelde problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nVerblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na aanmelding en opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\nVerbod verdovende middelen\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit geschied middels Urineonderzoek.\n\nDe reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\nContactverbod\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:\n\n [slachtoffer 3] , geboren op [2009]\n\nDagbesteding\n\nVerdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, nader te bepalen in overleg met de reclassering. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.\n\nAflossing schulden\n\nVerdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nVermijden contact met minderjarigen\n\nVerdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nT.a.v. feit 1 primair en subsidiair:\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een maatregel tot schadevergoeding.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro.\n\nBepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nVoormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:\n\nDe rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.\n\nVerdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C.A. Mandemakers, voorzitter,\n\nmr. E.L. Traag en mr. I.C. Meuris, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,\n\nen is uitgesproken op 08 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.269Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":44,"courtId":66,"decisionDate":60,"fullText":67,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"677","ECLI:NL:RBMNE:2026:4029","ecli-nl-rbmne-2026-4029",63,"RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F268999-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1989] in [plaats 1] ,\n\nverblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats 2] ,\n\nhierna: de verdachte.1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M. Landsman (hierna: de advocaat);\n\nde officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;\n\nmr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nin de periode van 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken.\n\nDe advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt daarom de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024.\n\nDaarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken van het slaan met een koekenplan en het slaan met de vuist, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.\n\nTot slot verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de armen meeslepen en\u002Fof armen verdraaien, door urine heen trekken, afplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nOp 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres 2] in [plaats 3] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar [verdachte] (hierna: de verdachte) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1 (voornaam)] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2 (voornaam)] ). [slachtoffer 1 (voornaam)] is volledig naakt en [slachtoffer 2 (voornaam)] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood. De kinderen zijn vervolgens gehoord door de politie.\n\nGedragingen\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de advocaat van verdachte dat er onvoldoende en wettig bewijs is voor het slaan met de koekenpan. Het is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.\n\nOp grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, het stelselmatig mishandelen van haar kinderen [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en\u002Fof douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [medeverdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [medeverdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt.\n\nAls ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten ze in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en dat zij werden opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nPartiele vrijspraak\n\nSlaan met de vuist van [slachtoffer 1 (voornaam)] en\u002Fof [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1 (voornaam)] en\u002Fof [slachtoffer 2 (voornaam)] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.\n\nGedragingen ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\nDaarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de handen\u002Farmen meeslepen en\u002Fof armen (ver)draaien, door eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank volgt dit verweer. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs nu [slachtoffer 2 (voornaam)] zelf hier niets over verklaart en dit ook niet uit enige andere verklaring blijkt. De rechtbank zal de verdachte hiervan dan ook vrijspreken.\n\nPeriode\n\nDe advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\n [slachtoffer 1 (voornaam)] is op 21 augustus 2024 verhoord. Tijdens dit verhoor verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] onder meer dat zijn moeder vroeger als ze boos was wel eens sloeg met een koekenpan of hen onder de koude douche zette. Wanneer de politie vraagt wanneer ‘vroeger’ was, verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] dat dit wel een jaar geleden was en dat hij toen 9 jaar was. Ook verklaart hij dat dit allemaal thuis gebeurt sinds zijn vader gescheiden is in 2023 en dat het eigenlijk al een jaar zo is.\n\nDe verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] wordt ondersteund door de verklaringen van de juffen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in het schooljaar 2023\u002F2024. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 2 (voornaam)] blijkt namelijk dat zij al vanaf oktober 2023 zorgen hadden over [slachtoffer 2 (voornaam)] . Zo was er sprake van veranderend gedrag. [slachtoffer 2 (voornaam)] was onrustig en was snel bozig. Ook had [slachtoffer 2 (voornaam)] vaak dezelfde kleren aan. [slachtoffer 2 (voornaam)] begon er vermoeid uit te zien en haar juf had de indruk dat ze wat vermagerde. Na de meivakantie in 2024 gaf [slachtoffer 2 (voornaam)] ook aan dat ze geen ontbijt kreeg naar school. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 1 (voornaam)] volgt ook dat er zorgen waren in het schooljaar 23\u002F24. Zo viel aan het begin van het schooljaar externaliserend gedrag op en zag hij er vanaf september onverzorgd en niet schoon uit. Hij had vieze nagels en zijn haar zat niet in model. Ook verklaart zijn juf dat [slachtoffer 1 (voornaam)] vergeleken met 5 september 2024 (de dag waarop zij haar verklaring bij de politie aflegt) echt wel mager was en kringen onder zijn ogen had. Ook verklaart zij dat [slachtoffer 1 (voornaam)] dat schooljaar vaak dezelfde kleren aan. Begin maart 2024 heeft de juf ook gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] brood uit de tas van andere kinderen pakte en gaf [slachtoffer 1 (voornaam)] aan af en toe trek te hebben.\n\nGelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar kinderen stelselmatig heeft mishandeld vanaf 1 augustus 2023, zoals ten laste gelegd.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nin of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te\n\n [plaats 3] , tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,\n\nhaar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)]\n\n- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en\n\n- te schoppen en\n\n- aan zijn handen\u002Farmen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- zijn eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door zijn eigen urine\n\nheen te trekken en\n\n- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (zijn pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken en\n\n- hem te onthouden van schoolgang;\n\nen\n\nhaar kind, [slachtoffer 2] , geboren op [2017] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\n- met vlakke hand te slaan en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- haar eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (haar pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nMedeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf en maatregel\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 11 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met haar kinderen. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).\n\nDe officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die niet langer is dan de duur van het voorarrest, aangevuld met een fors voorwaardelijk strafdeel. Indien noodzakelijk zou dit aangevuld kunnen worden met een onvoorwaardelijke taakstraf.\n\nDaartoe voert de advocaat aan dat indien de rechtbank de verdediging volgt, de rechtbank tot een bewezenverklaring komt over een kortere periode dan ten laste is gelegd en één of meer feitelijkheden niet bewezen worden verklaard.\n\nTer onderbouwing van zijn verzoek wijst de advocaat ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is een first offender en heeft vanaf het moment dat de politie heeft ingegrepen haar verantwoordelijkheid genomen. Ze heeft openheid van zaken gegeven en is met zichzelf aan de slag gegaan. Zo werkt de verdachte onder meer mee aan een behandeling bij [instelling 2] . Ook merkt de advocaat op dat verdachtes kinderen niet meer onder haar gezag vallen en dat hier ook geen omgang of contact mee is. De verdachte heeft een sociale huurwoning die zij bij een langdurige detentie zal kwijtraken. Hetzelfde geldt voor haar baan.\n\nTot slot merkt de advocaat op dat er geen bezwaar is tegen een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] . Ten aanzien van de kinderen stelt de advocaat zich op het standpunt dat er geen aanleiding is die een dergelijk verbod noodzakelijk maakt nu contact altijd met tussenkomst van de instanties moet gebeuren.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft gedurende ongeveer één jaar stelselmatig haar kinderen mishandeld. De rechtbank acht bovendien bewezen dat sprake was van medeplegen van die mishandeling, in ieder geval gedurende de periode vanaf 22 januari 2024 tot 19 augustus 2024.\n\nDe mishandeling van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2 (voornaam)] en [slachtoffer 1 (voornaam)] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1 (voornaam)] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan, waarna zij vervolgens in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilde kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nDe verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geborgen hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.\n\nDe gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog iedere dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1 (voornaam)] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2 (voornaam)] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook iedere dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen, moet nog blijken.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nWat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 21 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog [A] . Uit het onderzoeksrapport van de psycholoog blijkt onder meer dat bij de verdachte tekortkomingen zijn geconstateerd, maar geen psychische stoornis aanwezig is en ook niet was ten tijde van het tenlastegelegde feit. De psycholoog acht de verdachte geheel toerekeningsvatbaar en adviseert haar het tenlastegelegde, indien bewezen verklaard, toe te rekenen. Tot slot wordt er geen advies voor behandeling gegeven.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van [instelling 1] van 11 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] . Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico op korte termijn als laag inschat. Als delictgerelateerd en als risicofactoren die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit vergroten, ziet de reclassering het psychosociale functioneren van de verdachte, het contact met de medeverdachte en de zorgtaak over haar kinderen. De verdachte is inmiddels uit het ouderlijk gezag gezet. Dit verlaagt de recidivekans aanzienlijk. Daarnaast heeft de verdachte haar leven in praktische zin op orde en werkt zij mee aan de bijzondere voorwaarden die haar in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis zijn opgelegd, waaronder de behandelverplichting. Hoewel de risico's vanwege haar huidige persoonlijke omstandigheden op dit moment laag lijken, kan de reclassering het risico op de langere termijn niet inschatten, omdat het afhangt van hoe de verdachte haar persoonlijke omstandigheden er dan uitzien. Zoals of er (stief)kinderen in haar leven zijn en hoe het met haar beïnvloedbaarheid en met haar vaardigheden gesteld is na de behandeling bij [instelling 2] .\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht;\n\nAmbulante behandeling;\n\nContactverbod met haar kinderen.\n\nDe reclassering schat in dat er een langer dan gebruikelijk toezicht nodig is om de behandeling af te kunnen ronden en om eventuele risico’s op de langere termijn te monitoren. Gelet hierop adviseert de reclassering een langer dan gebruikelijke proeftijd.\n\nStrafkader\n\nVanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte en haar slachtoffers als de maatschappij.\n\nNaast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het\n\nbewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van veertien (14) maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van vier (4) maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling en zich houdt aan een contactverbod met haar kinderen.\n\nDeze straf is langer dan de gevangenisstraf die aan de medeverdachte wordt opgelegd. De reden hiervoor is onder meer dat bij de medeverdachte een aanzienlijk kortere periode bewezen is verklaard dan bij de verdachte en het feit in verminderde mate kan worden toegerekend aan de medeverdachte.\n\nDadelijk uitvoerbaar\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n38v-maatregel\n\nDe rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.\n\nDe rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.6. Vordering benadeelde partij6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nNamens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;\n\nToekomstige kosten bijles: € 5.400,-;\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nBasisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\nOpslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nNamens [slachtoffer 2] heeft haar vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\n Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\n Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, omdat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting is van het strafproces. Het gaat om omvangrijke vorderingen, die slechts twee werkdagen voorafgaand aan de zitting zijn ingediend. De verdediging heeft onvoldoende voorbereidingstijd gehad.\n\nSubsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de posten ‘toekomstige kosten bijles’ en ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’. Dit zijn posten die een mogelijk deskundigenoordeel of externe informatie behoeven om juist te kunnen beoordelen.\n\nTen aanzien van de immateriële deel stelt de advocaat zich op het standpunt dat bij toewijzing de pleegperiode die bewezen wordt verklaard, verdisconteerd moet worden in de gevorderde bedragen, die van een andere begindatum uitgaan.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert in verband met de late indiening van de vorderingen. De wet biedt de mogelijkheid aan een benadeelde partij om zich tot het moment van het requisitoir te voegen. De vorderingen zijn op 19 juni 2026 ingediend voor de inhoudelijke behandeling op 23 juni 2026. De vorderingen zijn in die zin tijdig ingediend.\n\nDit betekent dat de benadeelde partijen ontvangen kunnen worden in hun vorderingen\n\nDe rechtbank zal bij de verdere beoordeling van de verschillende onderdelen van de vordering voor ogen houden dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, en dat dat meebrengt dat de rechtbank zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan zijde van verdachte niet zo is, of eigen onderzoek van rechter naar toewijsbaarheid van vordering daarvoor voldoende compensatie biedt. (HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644).\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.\n\nReeds gemaakte kosten bijles;\n\nToekomstige kosten bijles;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaardendat de verdachte:\n\n zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat de verdachte:\n\n Meldplicht Reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [instelling 1] op het adres [adres 3] in [plaats 3] ;\n\n Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en de beïnvloedbaarheid. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n Contactverbod\n\nDe verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n38v-maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;\n\nbeveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1983] ;\n\nbeveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris;\n\nbeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum vanzes maanden;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.559,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 92 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\n- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 13.790,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling aan te vullen met 93 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij in of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te\n\nUtrecht, althans in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,\n\nhaar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] ,\n\ngeboren op [2017]\n\nstelselmatig\n\nheeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\n- met een koekenpan en\u002Fof met vlakke hand en\u002Fof vuisten te slaan (zie o.a. p. 228,\n\n239, 965) en\u002Fof\n\n- te schoppen (zie o.a. p. 240) en\u002Fof\n\n- aan hun handen\u002Farmen mee te slepen en\u002Fof hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p.\n\n239) en\u002Fof\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en\u002Fof (vervolgens) in hun\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en\u002Fof\n\n- hun eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door hun eigen urine\n\nheen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en\u002Fof\n\n- met grijze ducttape hun mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen (zie o.a.\n\np. 47, 142, 922) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p.\n\n500, 507) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en\u002Fof\n\n- als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en\u002Fof\n\n- te kleineren en\u002Fof (hun pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken (zie o.a. p. 228, 500) en\u002Fof\n\n- hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\nDe verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:\n\nIk had intensief contact met [medeverdachte (voornaam)] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]). We hadden appcontact maar ook contact via Face time. Het was onze afspraak dat ik alles zou zeggen wat de kinderen zeiden en deden. Ik heb haar om advies gevraagd, vooral over het straffen van de kinderen. Ik luisterde naar het advies van [medeverdachte (voornaam)] . We gingen steeds meer straffen geven en de straffen werden steeds erger tot 19 augustus 2024.\n\nHet klopt dat de kinderen niet naar de wc mochten en dat zij als zij op de grond plasten of poepten dit zelf moesten opruimen. Er zat een slot op de slaapkamerdeuren van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . De kinderen hebben maximaal één of twee dagen geen eten gekregen. Ze gingen wel eens zonder ontbijt naar school. Ik ben de kinderen gaan uitschelden.\n\nEen proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nA: [medeverdachte (voornaam)] heb ook weleens gezegd, geef [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] een tik. V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook? A: Ja.\n\nV: Waar moesten ze zich uitkleden en naakt zitten? A: Op de grond, thuis. V: En waarom moesten ze dat? A: Omdat ze straf hadden.\n\nV: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou? A: De laatste tijd niet vaak.\n\nV: Nee, maar wat is dat ongeveer? A: Nou, bijna niet.Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht.\n\nO: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] eten uit de tassen pakte.\n\nA: Ja.\n\nV: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1 (voornaam)] honger had. En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1 (voornaam)] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1 (voornaam)] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen?\n\nA: Ook. Maar dat was ook haar idee.\n\nV: Wat was haar idee?\n\nA: Om hem te straffen, zodat. Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres 2] in [plaats 3] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.\n\nIk zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [verdachte] .\n\nIk zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.\n\nUit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn: [slachtoffer 1]\n\nGeboren [2014] te [plaats 3] [slachtoffer 2]\n\nGeboren op [2017] .\n\nToen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.\n\nIk zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1 (voornaam)] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1 (voornaam)] zeggen: \"Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft\". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen. A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen.\n\nV: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\n A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche. V: En wat deed ze dan? A: Op mijn hoofd slaan. A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder. V: En je zei aan het begin dat was vroeger. A: Ja.V: En wat is vroeger dan? A: Best wel een jaar geleden. V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde? A: 9. V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker? A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak. V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband? A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen. A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten. V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt? A: Ja. V: En is dat een keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\nV: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat? A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen. V: Schoppen? A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug. V: En wat voel je dan? A: Pijn alleen. V: En hoe ze dat slaat dan? A: Zo. V: Met haar hand. A: Ja.V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee? A: Met d'r voet.\n\nV: Vertel me eens alles over het arm draaien. A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo. V: Wat voel je dan? A: Dan doet het heel erg pijn.\n\nV: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen? A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt. V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou? A: Mijn hand. V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen? A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.\n\nV: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen? A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.\n\nV: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over? A: En niet plassen. V: Vertel daar eens over? A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond. V: En is dat een keer gebeurd of vaker. A: Heel vaak. Bijna elke dag.V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag? A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag. A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.\n\nV: En vertel eens over welke deur heb je het dan? A: Mijn slaapkamerdeur.\n\nV: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder? A: Ja, dan kregen we geen eten. V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders? A: Hele week geen eten. V: En drinken? A: Ook niet. V: Geen water ook niet? A: Nee. V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan? A: Mogen we ook niet. V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch? A: Dan doen we het op de grond. V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet? A: Dan moeten we het schoonmaken. V: En hoe doe je dat schoonmaken dan? A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje. V: En hoe zit dat bij je zusje dan? A: Ook. V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna? A: Dan moet ze het ook schoonmaken. V: En hoe zit het dan met poep? A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond.\n\n V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast. A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed. V: Moest je zo naar bed, in je nakie? A: Ja. V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast? A: Eén (1) keer.\n\n V: En hoelang is dit al zo? A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2 (voornaam)] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama (de rechtbank begrijpt: de verdachte)jullie ging slaan? A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond. V: En verder? A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets.V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd? A: Wel vaker. V: En waar is dat dan gebeurd? A: Bij ons thuis.\n\nV: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd? A: Ook vaker.\n\n V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he. A: Ja. V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan? A: Zo. V: Op je hoofd. A: Ja zo. V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders? A: Altijd hetzelfde. V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet? A: Niet leuk. V: Nee, waarom vind je dat niet leuk? A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.\n\nA: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet.\n\nV: [slachtoffer 1 (voornaam)] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1 (voornaam)] waarom hij in z'n blootje was. A: Ja V: En wat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] toen? A: Omdat hij niet mocht aankleden. V: Dat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] . A: Ja. V: En van wie mocht hij dan niet aankleden? A: Van m'n moeder niet. V: En hoe was het met jouw kleding dan? A: Die was ook nat V: En hoe kwam dat? A: Omdat ik niet naar de wc mocht. V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama? A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag. V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd? A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden. V: En wat zei mama toen? A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.\n\nV: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast? A: Daarna nee en daarvoor. A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1 (voornaam)] . V: Maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1 (voornaam)] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord? A: Dat had ik gehoord.A: Dat tik van dat slaan.\n\nV: Ok, want waarom sloeg mama jou dan? A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken. V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast? A: Ook dat.\n\nV: En hoe was dat met [slachtoffer 1 (voornaam)] ? A: Wel een paar keer\n\nV: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat? A: Ja.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [verdachte] en [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nDe telefoon (een Iphone 13) van verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [verdachte] ( [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ), hun gedragingen, hoe [verdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [verdachte] door [medeverdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [verdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [verdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [medeverdachte] .\n\nIn de chats wordt benoemd door [verdachte] dat ze [slachtoffer 1 (voornaam)] sleept. De volgende chat illustreert dat [verdachte] [slachtoffer 1 (voornaam)] door zijn eigen urine heeft getrokken.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\n22 januari 2024 [medeverdachte (voornaam)] wordt contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] .\n\nAfspraak met hulpverlening dat [medeverdachte (voornaam)] de contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] wordt. Er wordt afgesproken dat [verdachte (voornaam)] contact met [medeverdachte (voornaam)] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [medeverdachte (voornaam)] [verdachte (voornaam)] gaat helpen om afspraken na te komen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoek 31DONKER24 met proces-verbaalnummer 240917.2109.23955, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1111. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen..\n\n Pagina 965.\n\n Pagina 978.\n\n Pagina 979.\n\n Pagina 984.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 44.\n\n Pagina 238.\n\n Pagina 239.\n\n Pagina 240.\n\n Pagina 241.\n\n Pagina 242.\n\n Pagina 243.\n\n Pagina 244.\n\n Pagina 245.\n\n Pagina 226.\n\n Pagina 227.\n\n Pagina 228.\n\n Pagina 229.\n\n Pagina 230.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 514.\n\n Pagina 736.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4029","2026-07-13T00:28:42.749Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":44,"courtId":74,"decisionDate":60,"fullText":75,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":77},"1175","ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","ecli-nl-rbnne-2026-2630",65,"RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Groningen\n\nZaaknummers: C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 (vots en muhp)\n\n C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-3093 (schorsing gezag)\n\nC\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-3759 (beëindiging gezag)\n\nBeschikking van 7 juli 2026 over de beëindiging van het gezag over\n\n [Naam minderjarige],\n\ndie is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2019 in de gemeente [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna ' [de minderjarige] ' wordt genoemd,\n\nnaar aanleiding van de verzoeken van:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nregio Noord Nederland, locatie Groningen,\n\ndie hierna 'de Raad' wordt genoemd.\n\nDe kinderrechter wijst als belanghebbenden aan:\n\n [Naam van de moeder],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen die hierna 'de moeder' wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. [naam van de advocaat] , die kantoor houdt in [plaatsnaam] ,\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,\n\ndie is gevestigd in Groningen,\n\nen die hierna 'de GI' wordt genoemd.\n\n1. Het (verdere) verloop van de procedure\n\nIn de zaken met zaaknummers C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 en C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-30931.1.. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-37591.2.. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 5 juni 2026.\n\nIn alle zaken1.3.. Op 10 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, haar advocaat, drs. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , die de Raad vertegenwoordigen, en [naam 4] en [naam 5] , die de GI vertegenwoordigen.\n\n1.4.. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.\n\n1.5.. Omdat de wet bepaalt dat de “kinderrechter” het verzoek over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing behandelt en de “rechtbank” beslist over de verzoeken met betrekking tot het gezag, moet in deze beschikking onder “de kinderrechter” worden verstaan: de kinderrechter of de rechtbank, afhankelijk van het behandelde verzoek.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten die onweersproken blijken uit wat de Raad en de GI hebben gerapporteerd en wat in toelichting en reactie daarop is verteld tijdens de mondelinge behandeling van de zaken.\n\n2.2.. \n [De minderjarige] (7) is geboren uit de relatie van zijn ouders. De vader heeft hem erkend. De ouders hebben niet geregeld dat zij samen het ouderlijk gezag over hem uitoefenen: de moeder oefent daarom van rechtswege dat gezag alleen uit.\n\n2.3.. Tot voor kort woonde [de minderjarige] bij de moeder en zag hij de vader vrijwel alle weekenden, waarbij [de minderjarige] geregeld bij de vader logeerde. De moeder werkte niet en ontving een uitkering; de vader werkt in de wegenbouw en verblijft doordeweeks (maandag tot en met donderdag) in Duitsland, waarna hij op donderdag naar huis komt. De ouders hebben een zogeheten “latrelatie”.\n\n2.4.. De moeder had een intensieve vriendschapsrelatie met vriendin [voorletter 1] , die samen met haar dochter [voorletter 2] veelvuldig in de woning van de moeder verbleef.\n\n2.5.. Op 1 mei 2026 ontvangt de GI via het ouder-kind-huis waar vriendin [voorletter 1] op dat moment verblijft, onthullingen van vriendin [voorletter 1] over de aanleiding van [voorletter 2] haar ziekenhuisopname in februari 2026.\n\n2.6.. In het weekend van 2 en 3 mei 2026 vertelt vriendin [voorletter 1] in het ouder-kind-huis over ernstige strafbare kindermishandeling, door haar en de moeder gepleegd ten aanzien van [voorletter 2] Dat geeft aanleiding om een spoedrapportage op te stellen dat op 4 mei 2026 bij de Raad terechtkomt. Daarin wordt beschreven dat vriendin [voorletter 1] verklaart dat [voorletter 2] onder invloed van de moeder gedurende langere periode in de kelder van de woning van de moeder is opgesloten, met kabelbinders is vastgebonden aan een verwarmingsbuis, geen eten kreeg, werd geslagen en geschopt en alleen voor school uit de kelder mocht; deze handelingen zouden door de moeder zijn gefilmd.\n\n2.7.. Naar aanleiding van deze informatie wordt de kelder van de woning van de moeder door de Raad bekeken; het betreft een kleine, donkere kelder zonder raam, waar een volwassen persoon niet rechtop kan staan, met enkele opgeslagen spullen en een deken.\n\n2.8.. De moeder en vriendin [voorletter 1] zijn op 14 mei 2026 aangehouden en verblijven sindsdien in voorlopige hechtenis op verdenking van onder meer poging tot doodslag, vrijheidsberoving, zware mishandeling en het in hulpeloze toestand brengen en laten van [voorletter 2] De tenlastelegging ziet op de ernstige ondervoeding, het vastbinden in de kelder, het slaan en schoppen en andere mishandelingen.\n\n2.9.. Hoewel de moeder geen gezag heeft over [voorletter 2] , speelt de strafbare mishandeling zich volgens justitie hoofdzakelijk af in haar woning en heeft zij zich veelal bemoeid met de zorg en opvoeding van [voorletter 2] , zodat ook jegens haar een verantwoordelijkheid wordt aangenomen voor het leed dat door de moeder van [voorletter 2] aan [voorletter 2] is toegebracht.\n\n2.10.. Op 4 mei 2026 maakt de Raad op basis van de beschikbare informatie de inschatting dat [de minderjarige] getuige moet zijn geweest van de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] en daardoor zelf ernstig in zijn ontwikkeling en veiligheid is en wordt bedreigd. De Raad gaat op grond van zijn onderzoeksbevindingen ervan uit dat [de minderjarige] langdurig en structureel is blootgesteld aan zeer ernstige kindermishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] in zijn directe woonomgeving, waarbij de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] zich veelal in de woning van de moeder hebben afgespeeld.\n\n2.11.. De Raad heeft (nog) niet definitief vastgesteld of, en zo ja, op welke wijze en in welke mate [de minderjarige] zelf direct fysiek slachtoffer is geweest van mishandeling. De Raad constateert gelijktijdig dat de gevolgen van het getuige zijn van fysieke mishandeling van [voorletter 2] , voor de ontwikkeling van [de minderjarige] vergelijkbaar is met die van eigen fysieke mishandeling. [De minderjarige] wordt volgens de Raad daardoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd.\n\n2.12.. Gezien de ernst van de bedreiging acht de Raad direct ingrijpen noodzakelijk en hij verzoekt op 4 mei 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige] .\n\n2.13.. De kinderrechter wijst deze verzoeken toe. [De minderjarige] wordt diezelfde dag geplaatst in een gezinshuis op een geheimgehouden adres.\n\n2.14.. Op basis van aanvullende informatie verzoekt de Raad vervolgens om schorsing van het gezag van de moeder en in samenhang daarmee een voorlopige voogdijmaatregel, met benoeming van de GI als voogd. Ook deze maatregelen worden door de kinderrechter uitgesproken.\n\n2.15.. Uit wat verder wordt gerapporteerd over [de minderjarige] voor zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat hij bekend was met lichamelijke problemen, waaronder darm‑ en plasproblemen; er was contact met een kinderarts en er werden darmspoelingen voorbereid.\n\n2.16.. Uit wat wordt gerapporteerd over [de minderjarige] na zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat [de minderjarige] in het gezinshuis goed eet, voor hem nieuw eten probeert en dat hij opvallend weinig voedsel kent. Ook valt op dat zijn eerdere darm‑ en plasproblemen in het gezinshuis niet meer worden waargenomen, waardoor de geplande darmspoelingen niet nodig zijn.\n\n2.17.. Bij [de minderjarige] wordt in het gezinshuis een seksuele preoccupatie gezien die niet passend is voor zijn leeftijd: hij pakt veelvuldig zijn geslachtsdeel vast aan tafel, spreekt over “neukende mensen” en bekijkt en ‘liked’ filmpjes op sociale media waarin mensen seks hebben.\n\n2.18.. \n [De minderjarige] vertelt wisselend en vaak warrig over belastende thuissituaties, zoals het smeren met ontlasting waarin [voorletter 2] zou moeten liggen, het bonken van [voorletter 2] haar hoofd op de grond, de aanwezigheid van drugs in de woning en spinnen en slangen in de kelder. [De minderjarige] geeft aan bang te zijn voor die kelder.\n\n2.19.. \n [De minderjarige] weigert een gesprek met de politie, kan niet goed uitleggen waarom en wil ook niet met de GI in gesprek of reageert met ontwijkende antwoorden; hij is alleen naar de gezinshuismoeder opener.\n\n2.20.. Na plaatsing in het gezinshuis had [de minderjarige] aanvankelijk frequent (beeld)belcontact met de moeder, deels via zijn eigen telefoon, waarbij hij zijn locatie aan haar doorstuurde. Naar aanleiding hiervan is zijn eigen telefoon ingenomen en is een AOL op het adres van het gezinshuis geplaatst.\n\n2.21.. In het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wordt door het gezinshuis een dynamiek gezien die eerder op een gelijkwaardige partner‑interactie lijkt dan op een moeder‑kindinteractie die past bij de leeftijd van [de minderjarige] . Daarbij blijkt dat [de minderjarige] gezien zijn leeftijd veel weet van wat er speelt.\n\n2.22.. Sinds de aanhouding van de moeder op 14 mei 2026 is er geen contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders; [de minderjarige] reageert op de uitleg dat de moeder “bij de politie is om haar kant van het verhaal te vertellen” relatief passief, stelt geen nadere vragen en heeft in de daaropvolgende weken niet gevraagd wanneer hij zijn ouders weer mag zien of spreken.\n\n2.23.. In de eerste week na de uithuisplaatsing vraagt [de minderjarige] wel of hij “voor altijd” in het gezinshuis mag blijven wonen.\n\n2.24.. In gesprekken met de Raad, de GI en tijdens de mondelinge behandeling erkent de moeder dat [voorletter 2] ernstig en structureel is mishandeld door vriendin [voorletter 1] in haar woning, maar ontkent zij daaraan zelf actief deel te hebben genomen. Zij stelt dat zij soms wel wat heeft gezegd, maar geen mogelijkheden zag om in te grijpen vanwege angst en bedreiging door vriendin [voorletter 1]\n\n2.25.. De moeder ontkent dat [de minderjarige] door haar is mishandeld en stelt dat hij niet is geslagen.\n\n2.26.. De moeder is thans gedetineerd; het strafrechtelijk onderzoek zal naar verwachting veel tijd in beslag nemen en er is geen zicht op beëindiging van haar detentie binnen een afzienbare termijn.\n\n2.27.. De Raad is op grond van deze feiten en omstandigheden tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en de GI tot voogd over hem wordt benoemd.\n\n3. De (verdere) beoordeling\n\n3.1.. Het gaat in de gevoegd behandelde zaken over de nu zeven jaar oude [de minderjarige] . Ten aanzien van [de minderjarige] zijn uiteenlopende kinderbeschermingsmaatregelen verzocht en genomen. Inmiddels is de Raad tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder over hem wordt beëindigd en heeft de Raad een daarop gericht verzoek gedaan. De Raad heeft daarbij verzocht om de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen.\n\n3.2.. De kinderrechter zal beide verzoeken in deze beschikking toewijzen. Hij legt hierna uit waarom hij vindt dat de gezagsbeëindiging in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is en waarom op grond van de nu bekende feiten en omstandigheden hij vindt, net als de Raad, dat de GI (eerst) tot voogd over [de minderjarige] moet worden benoemd.\n\nWaarom vindt de Raad dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd?3.3.. De Raad acht het uitermate zorgwekkend dat de moeder een situatie van zeer ernstige en langdurige onveiligheid in haar woning heeft laten voortbestaan, zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij als primaire opvoeder van [de minderjarige] een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving.\n\n3.4.. De Raad stelt vast dat [de minderjarige] hierdoor gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met ingrijpende gevolgen voor zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling, ook op de langere termijn.\n\n3.5.. De Raad ziet geen reëel perspectief dat de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn alsnog in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding op een veilige en adequate wijze te dragen, mede gezien de ernst van de verdenkingen tegen haar, de te verwachten duur van het strafproces, haar detentie en het ontbreken van voldoende probleembesef en beschermend handelen.\n\n3.6.. Om [de minderjarige] duidelijkheid te bieden over zijn woon‑ en opvoedperspectief en zijn veiligheid duurzaam te waarborgen, acht de Raad het noodzakelijk dat dit perspectief niet langer bij de moeder wordt gezocht, maar bij een neutrale derde.\n\n3.7.. De Raad verzoekt daarom de kinderrechter het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen.\n\nWaarom wil de Raad dat de GI de voogd over [de minderjarige] wordt?3.8.. Ten aanzien van de vader acht de Raad het op dit moment, gelet op de ernst en complexiteit van de situatie en de nog bestaande zorgen over zijn veiligheidsinschatting, te vroeg om hem met het gezag te belasten. De Raad meent dat binnen de voogdijmaatregel moet worden onderzocht welke rol de vader op langere termijn in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] kan vervullen.\n\n3.9.. De Raad acht in dit verband bovendien het vrijwillige hulpverleningskader gezien de ernst van de zorgen en de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders volstrekt ontoereikend om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen.\n\n3.10.. De Raad verzoekt de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen, zodat een onafhankelijke professionele instantie zijn belangen kan behartigen, de regie kan voeren over contacten en passende hulpverlening kan inzetten.\n\nWaar vindt de Raad dat [de minderjarige] moet wonen?3.11.. Zowel de moeder als de vader geven aan dat zij kunnen instemmen met onderzoek naar plaatsing bij opa en oma vaderszijde, met [de minderjarige] in de weekenden bij de vader. De Raad acht het echter aangewezen dat de GI binnen het kader van de voogdijmaatregel onderzoekt wat het duurzame woonperspectief van [de minderjarige] is: bij zijn vader, bij zijn grootouders of elders, en welke rol de ouders nog kunnen spelen in het leven van [de minderjarige] , steeds beoordeeld vanuit het belang van [de minderjarige] .\n\nWat vindt de moeder van het verzoek?3.12.. De moeder heeft verteld, samengevat weergegeven, dat zij [de minderjarige] mist en dat zij bij de vorige mondelinge behandeling op advies van haar strafrechtadvocaat nauwelijks heeft kunnen verklaren, maar nu haar verhaal wil doen.\n\n3.13.. De moeder erkent vervolgens een aandeel in de gebeurtenissen, maar betwist dat zij [de minderjarige] zelf heeft mishandeld en ontkent ook dat hij in de kelder heeft gezeten. De moeder ervaart dat zij net als beide kinderen, zelf slachtoffer is van het geweld van vriendin [voorletter 1] , die haar sloeg, haar hand brak en tegen wie [de minderjarige] vaak moest ingrijpen.\n\n3.14.. Volgens de moeder zijn haar herhaalde zorgen over [voorletter 2] niet serieus genomen, heeft zij achteraf grote spijt dat zij [voorletter 2] niet zelf uit de situatie heeft gehaald, en werden de door haar geuite zorgen door vriendin [voorletter 1] gebagatelliseerd en door de omgeving “door de vingers gezien”.\n\n3.15.. Zij voert verder verschillende signalen aan waarin [voorletter 2] uitspraken deed over seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader van [voorletter 2] De moeder verwijst naar derden die zij ook bij naam noemt, die hierover iets zouden hebben gehoord of (bij haar) gemeld, waarmee zij de stelling van vriendin [voorletter 1] weerspreekt dat alle verhalen over seksueel misbruik zouden zijn gelogen. De moeder beschrijft ook een ernstig incident waarbij vriendin [voorletter 1] een groot mes aan [voorletter 2] gaf en haar aanspoorde haar te steken, waarna [de minderjarige] het mes afpakte, en zij schetst vriendin [voorletter 1] als iemand die plots agressief kan worden en ook fysiek geweld tegen [voorletter 2] gebruikt wanneer [voorletter 2] bijvoorbeeld verwijst naar de vader van [voorletter 2]\n\n3.16.. In haar voorstelling speelt zich rond 2024 een complex relatieverloop af tussen vriendin [voorletter 1] en de vader van [voorletter 2] en anderen, waarbij de vader van [voorletter 2] volgens haar rond augustus 2024 definitief bij vriendin [voorletter 1] is vertrokken en vriendin [voorletter 1] daarna met [voorletter 2] bij haar kwam, wat gepaard ging met geweld tegen [voorletter 2]\n\n3.17.. Ten aanzien van [de minderjarige] benadrukt de moeder dat zij hem niet heeft mishandeld en dat zijn ontlastingsproblemen al langer bestaan en samenhangen met angst sinds het overlijden van zijn opa in februari 2024. De moeder herkent het geschetste beeld van een seksuele preoccupatie en online zoekgedrag van [de minderjarige] niet, mede omdat hij thuis geen vrije toegang tot zijn telefoon had.\n\n3.18.. De moeder stelt dat zij momenteel geen contact met haar partner heeft, licht toe dat zij samen hebben afgezien van het formaliseren van zijn gezag om praktische redenen, dat zij begrijpt dat zij vanuit detentie geen gezag kan uitoefenen, maar vindt dat de vader dat wel zou kunnen. De moeder geeft tot slot aan opgelucht te zijn dat zij nu meer heeft kunnen vertellen dan bij de vorige mondelinge behandeling.\n\nWat vindt de vader van het verzoek?3.19.. De vader oefent geen gezag uit over [de minderjarige] . De verzochte maatregel die nu wordt genomen betreft uitsluitend de beëindiging van het gezag van de moeder en grijpt rechtstreeks en uitsluitend in in de rechtsbetrekking tussen de moeder en [de minderjarige] . De rechtspositie van de vader wordt hierdoor niet rechtstreeks geraakt. Zijn eventueel nog te realiseren wens om zelf met het gezag over [de minderjarige] te worden belast, kan hij desgewenst in een afzonderlijke procedure aan de orde stellen.\n\n3.20.. De kinderrechter acht de vader daarom in deze gezagsbeëindigingsprocedure niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 798, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kinderrechter heeft wel kennisgenomen van het standpunt van de vader zoals dat kenbaar is uit het onderzoeksrapport van de Raad en de daarop door hemzelf gegeven reactie, die in het onderzoeksrapport integraal is opgenomen. Die reactie vertaalt zich echter niet in een relevant argument dat in de beoordeling kan worden betrokken, behoudens voor zover de vader opmerkt dat hij doordeweeks in Duitsland werkt en daardoor in de huidige situatie beperkt beschikbaar is voor de dagelijkse verzorging en dat hij daarom ook een optie ziet waarin zijn ouders als pleegouders fungeren, met [de minderjarige] in de weekenden bij hem.\n\nWat beslist de kinderrechter?3.21.. De kinderrechter stelt op grond van de hiervoor onder de kop “De feiten” weergegeven feiten en omstandigheden vast dat bij [de minderjarige] sprake is van een zeer ernstige en langdurige ontwikkelingsbedreiging. [de minderjarige] is gedurende langere tijd blootgesteld aan extreem geweld, ernstige mishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] , die zich grotendeels in de woning van de moeder hebben afgespeeld. [De minderjarige] is daarvan herhaaldelijk oor‑ en ooggetuige geweest en daardoor slachtoffer geworden van zeer ernstige emotionele kindermishandeling in een chronisch onveilige en traumatiserende opvoedomgeving.\n\n3.22.. De kinderrechter acht het bijzonder zorgwekkend dat de moeder, ondanks haar positie als primaire opvoeder en beschermer van [de minderjarige] , deze situatie van dermate ernstige onveiligheid gedurende langere tijd heeft laten ontstaan en\u002Fof voortbestaan zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving van [de minderjarige] .\n\n3.23.. Daarbij betrekt de kinderrechter dat de moeder thans gedetineerd is wegens verdenking van het medeplegen van zeer ernstige, stelselmatige kindermishandeling en verwaarlozing en dat het strafrechtelijk onderzoek naar verwachting nog geruime tijd zal voortduren.\n\n3.24.. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat er geen zicht is op het ontstaan van (voldoende) probleembesef en - inzicht, en daarom op verandering en beschermend handelen bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn.\n\n3.25.. Gelet op de ernst en duur van de ontwikkelingsbedreiging, het ontbreken van perspectief op herstel van voldoende opvoedingscapaciteit bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn, en de noodzaak om [de minderjarige] onmiddellijk duidelijkheid en stabiliteit te bieden ten aanzien van zijn woon‑ en opvoedperspectief, is de kinderrechter van oordeel dat beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] in zijn belang noodzakelijk is, zoals bedoeld is in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n3.26.. De kinderrechter oordeelt verder dat het gezag over [de minderjarige] (vooralsnog) moet worden belegd bij een neutrale derde, te weten de GI.\n\n3.27.. De kinderrechter ziet geen aanleiding om in het kader van deze procedure te (laten) onderzoeken of de vader gezag over [de minderjarige] kan uitoefenen. Met de Raad heeft de kinderrechter zorgen over de mate waarin de vader in staat is de volledige impact van de situatie op [de minderjarige] onder ogen te zien, eerdere signalen te herkennen en een adequate veiligheidsinschatting te maken, mede gezien zijn (aanvankelijke) nadruk op de belangen van de moeder.\n\n3.28.. De kinderrechter vindt dat de noodzaak tot beëindiging van het gezag en benoeming van de GI als voogd mede wordt bepaald door de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders, die volstrekt ontoereikend is om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. Uitgaande van de onderzoeksbevindingen van de Raad en wat tijdens de mondelinge behandeling daarover is gebleken, dringt zich het beeld op dat beide ouders denken en redeneren vanuit hun eigen of elkaars belangen, verlangens en wensen, en (nog) niet tot het inzicht en besef zijn gekomen dat onder hun verantwoordelijkheid [de minderjarige] gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met grote impact op zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling.\n\n3.29.. Gelet op de aard en ernst van de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] , de veelheid aan lopende en te verwachten strafrechtelijke en civiele trajecten rondom de moeder, de noodzaak van gespecialiseerde hulpverlening en de ingewikkelde vragen over zijn woon‑ en contactperspectief met de ouders, acht de kinderrechter het aangewezen dat de voogdij niet wordt belegd bij een persoon uit het netwerk, maar bij een professionele instantie. De GI beschikt over de noodzakelijke deskundigheid en onafhankelijkheid om als neutrale derde de regie te voeren over de zorg, behandeling, schoolgang en contactregeling. De GI is ook in staat de veiligheid van [de minderjarige] structureel te bewaken en in de verschillende procedures consistent zijn belangen te behartigen. Daarom zal de kinderrechter de GI tot voogd over [de minderjarige] benoemen.\n\n3.30.. De beëindiging van het gezag en de benoeming van de GI tot voogd over [de minderjarige] brengen met zich dat geen belang meer bestaat bij een behandeling van en beslissing op de overige verzoeken die ten aanzien van [de minderjarige] zijn gedaan.\n\nWaarom wordt deze beschikking gepubliceerd?3.31.. Deze zaak valt onder meerdere categorieën die volgens het door de Rechtspraak gehanteerde “Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2024” aanleiding geven tot publicatie.\n\n3.32.. Het gaat om een zaak waarin (een vorm van) kindermishandeling en andere ernstige feiten aan de orde zijn. Volgens de selectiecriteria komen uitspraken over ernstige strafbare feiten en zaken met groot maatschappelijk belang in aanmerking voor publicatie. Daarnaast is sprake van aanzienlijke mediabelangstelling. In het besluit en in het daarop gebaseerde beleid is opgenomen dat mediabelangstelling een zelfstandige grond vormt om een uitspraak te publiceren. In de praktijk worden uitspraken in zaken met duidelijke mediabelangstelling vaak op of kort na de dag van de uitspraak gepubliceerd. Dit verklaart waarom de eerder gegeven beschikking op de dag van de uitspraak is gepubliceerd en ook deze beschikking op de dag van de uitspraak zal worden gepubliceerd. Ten derde betreft het een maatschappelijk relevante kwestie, hetgeen eveneens als expliciet criterium in het besluit wordt genoemd.\n\n3.33.. Het besluit bevat geen bepaling die expliciet voorziet in het achterwege laten van publicatie op grond van wensen of belangen van procesdeelnemers, het Openbaar Ministerie of andere “ketenpartners”. De in het besluit genoemde criteria zijn gericht op de inhoud en betekenis van de uitspraak en niet op (institutionele) belangen van bij de zaak betrokken partijen of instanties.\n\n3.34.. De criteria die tot publicatie van uitspraken leiden, zijn in overwegende mate objectief geformuleerd en hebben betrekking op factoren als juridische relevantie, maatschappelijk belang en (eventuele) mediabelangstelling. Dit sluit aan bij de openbaarheidsfunctie van de rechtspraak: het publiekelijk toegankelijk maken van uitspraken die richtinggevend zijn, de rechtsontwikkeling verduidelijken of anderszins van belang zijn voor de samenleving.\n\n3.35.. De openbaarheid van rechtspraak is een fundamenteel beginsel van de rechtsstaat, dat zijn basis vindt in onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in nationale rechtspraak en regelgeving. Op de website van de Rechtspraak wordt vermeld dat de selectiecriteria voor publicatie zijn gebaseerd op Aanbeveling R (95) 11 van de Raad van Europa over “de selectie, verwerking, presentatie en archivering van rechterlijke uitspraken in zoeksystemen voor juridische informatie”. Deze aanbeveling benadrukt dat selectie en publicatie primair moeten worden gestuurd door juridische en maatschappelijke relevantie, niet door de belangen van uitvoerende instanties of andere actoren buiten de rechterlijke macht.\n\n3.36.. De kinderrechter neemt gelet op alles wat is overwogen de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n4.1.. beëindigt het gezag van de moeder over [de minderjarige] ;\n\n4.2.. benoemt de GI tot voogd over [de minderjarige] ;\n\n4.3.. gelast de administratie van deze rechtbank om die beslissingen over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;\n\n4.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R.C. Bernard, griffier.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.\n\n“AOL” staat voor Afspraak Op Locatie: een veiligheidsstatus waarbij op een specifiek adres extra maatregelen gelden en de politie bij een melding direct en zonder extra verificatie kan worden ingeschakeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","2026-07-13T00:29:08.124Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":44,"courtId":82,"decisionDate":60,"fullText":83,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":51,"updatedAt":86},"659","ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","ecli-nl-ghams-2026-1835",56,"GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht\n\nzaaknummers: 200.368.191\u002F01 en 200.368.191\u002F02\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F375969 \u002F JU RK 26-477\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nhierna te noemen: de raad.\n\nHet hof heeft als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ;\n\n- [de vader] , wonende in [plaats B] , hierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. E.M. Kooij te Noordwijkerhout;\n\n- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna: de GI.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.\n\n1.2. \n\nDe kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026 en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\nDe moeder is het hier niet mee eens en wil dat [minderjarige] weer bij haar thuis komt wonen. De raad en de vader zijn het wel eens met de beschikking.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 24 april 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de kinderrechter) van 30 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking). Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F01.\n\nDe moeder heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F02.\n\n2.2. De raad heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.3. De vader heeft op 2 juni 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.4. \n\nBij het hof is verder het volgende stuk ingekomen:\n\n- een bericht van de moeder van 3 juni 2026, met als bijlagen producties 9-11.\n\n2.5. Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De GI heeft het hof op 4 juni 2026 laten weten dat [minderjarige] een brief zal opstellen. De vader heeft ter zitting de brief van [minderjarige] aan het hof overhandigd. Nu de inhoud van de brief op verzoek van [minderjarige] niet met partijen is gedeeld, zal het hof bij de beoordeling de brief buiten beschouwing laten.\n\n2.6. De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de raad, vertegenwoordigd door R.N. Planting;\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\nDe advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:\n\n- [minderjarige] , geboren [in] 2014 in [plaats C] .\n\nDe ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n3.2. De moeder heeft uit een eerdere relatie een dochter, [dochter] , geboren [in] 2008.\n\n3.3. De moeder woont samen met haar partner [partner] , met wie zij [in] 2026 in het huwelijk is getreden. De vader woont samen met zijn vriendin en (deels) met haar twee kinderen uit een vorige relatie.\n\n3.4. \n\nDe kinderrechter heeft bij beschikking van 20 maart 2026, op verzoek van de raad, [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 juni 2026. Daarbij is ook een machtiging verleend om [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 tot 17 april 2026 uit huis te plaatsen bij de vader.\n\nHet overige deel van het verzoek, te weten een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een langere duur, is aangehouden tot de zitting bij de rechtbank op 30 maart 2026.\n\nDe kinderrechter heeft in de in zoverre niet bestreden beschikking de op 20 maart 2026 uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De kinderrechter heeft de op 20 maart 2026 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd en, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\n4.2. \n\nDe moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, primair de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is verleend, en te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder zal verblijven.\n\nSubsidiair verzoekt de moeder, indien het hof van oordeel is dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk blijft, te bepalen dat een minder ingrijpende maatregel wordt ingezet waarbij [minderjarige] bij de moeder kan verblijven, al dan in combinatie met concrete voorwaarden of (intensieve) hulpverlening.\n\n4.3. De raad en de vader verzoeken de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n4.4. De moeder verzoekt een voorlopige voorziening te treffen ingevolge artikel 223 Rv, inhoudende dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt geschorst voor de duur van het hoger beroep.\n\n4.5. De raad en de vader verzoeken het schorsingsverzoek af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\nDe standpunten van partijen\n\n5.1. De moeder verzet zich niet tegen de door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling, omdat zij deze maatregel in het belang van [minderjarige] acht. De kinderrechter heeft volgens haar echter ten onrechte geoordeeld dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader noodzakelijk is vanwege de zorgen over het functioneren van de moeder. De zorgen van de raad zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd en grotendeels gebaseerd op aannames. De moeder heeft een lastige periode doorgemaakt, mede doordat zij onder druk stond door het controlerende en intimiderende gedrag van de vader. Inmiddels heeft zij hulpverlening en behandeling aanvaard en is ook haar thuissituatie verbeterd. Daarnaast staat de moeder open voor opvoedondersteuning en hulp bij het zo goed mogelijk aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De omgangsmomenten van de moeder met [minderjarige] verlopen goed, zoals ook blijkt uit de overgelegde omgangsverslagen. De moeder en [minderjarige] genieten van de tijd die zij samen doorbrengen, maar de omgangsmomenten zijn kort en beperkt. De moeder maakt zich grote zorgen over [minderjarige] . Voor de uithuisplaatsing ging het beter met [minderjarige] , maar sinds zijn verblijf bij de vader is sprake van een negatieve ontwikkeling. Ook gaat het niet goed met [minderjarige] op school. Bovendien informeren de GI en de vader de moeder onvoldoende over [minderjarige] en zijn functioneren op school. De plaatsing bij de vader is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] voelt zich niet veilig bij de vader, hij ervaart stress en wordt belast met de conflicten tussen de ouders. [minderjarige] heeft aangegeven zijn vader wekelijks te willen blijven zien, maar weer bij de moeder te willen wonen. Daarnaast is onvoldoende onderzocht of met een minder ingrijpende maatregel dan een uithuisplaatsing kon worden volstaan. Daarmee is niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De noodzaak van de uithuisplaatsing ontbreekt. Tot slot heeft de kinderrechter onvoldoende gewicht toegekend aan de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en aan de mening van [minderjarige] .\n\n5.2. De raad voert het volgende verweer. De raad betwist dat het raadsonderzoek eenzijdig is gebaseerd op informatie van de vader. Alle relevante omstandigheden zijn onderzocht en betrokken bij de besluitvorming. De raad wijst op de langdurige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] waaronder zijn schoolverzuim, te laat komen op school, het feit dat hij wordt belast met volwassenproblematiek en de beperkte mate waarin hij toekomt aan zijn ontwikkelingstaken. De zorgen van de moeder over de opvoedsituatie bij de vader worden door de raad onvoldoende herkend. De GGD is op huisbezoek geweest en trof een verzorgde en veilige woonomgeving bij de vader aan. De vader staat open voor hulpverlening en werkt samen met de betrokken instanties. [minderjarige] heeft recent negatieve uitlatingen over de vader gedaan en dergelijke uitlatingen moeten serieus worden genomen, maar tegelijkertijd zorgvuldig worden geduid. Zo bevindt [minderjarige] zich in een ingewikkeld loyaliteitsconflict en hij heeft in het verleden uitspraken gedaan die aantoonbaar onjuist waren. Dat neemt niet weg dat door middel van nadere hulpverlening dient te worden onderzocht wat aan zijn uitlatingen ten grondslag ligt. De hulpverlening dient te zijn gericht op het verminderen van zijn loyaliteitsproblematiek en het creëren van ruimte voor de eigen gevoelens en behoeften van [minderjarige] . Het staat niet vast dat de recente gedragsveranderingen van [minderjarige] het gevolg zijn van zijn verblijf bij de vader, maar het is wel gebleken dat [minderjarige] al langere tijd meer hulp nodig heeft dan momenteel voor hem beschikbaar is.\n\n5.3. De vader onderschrijft het standpunt van de raad. Bij de vader thuis ervaart [minderjarige] rust en duidelijkheid, waardoor hij op dit moment redelijk stabiel is. Het gaat echter niet goed op school omdat [minderjarige] spanningen ervaart door de voortdurende procedures tussen de ouders en de wisselingen in de omgangsregeling. De vader betwist dat [minderjarige] op school is geschorst. Wel laat [minderjarige] na de omgang met de moeder meer probleemgedrag op school zien. De uitlatingen van [minderjarige] over zijn verblijf bij de vader laten vooral zien hoe belastend de huidige situatie voor hem is. [minderjarige] dient de ruimte te krijgen om zich op zijn eigen ontwikkeling te richten en de vader kan hem de benodigde rust, tijd en aandacht bieden die daarvoor nodig zijn. De vader heeft zijn werktijden aangepast om beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Daarnaast ontvangt de vader opvoedondersteuning van Levvel en zal binnenkort verdere hulpverlening worden opgestart. Ook acht de vader het van belang [minderjarige] zo min mogelijk te belasten met de procedures tussen de ouders door hem daarover geen inhoudelijke informatie te verstrekken. Omdat op dit moment directe communicatie tussen de ouders niet mogelijk is, zou ondersteuning bij de onderlinge communicatie helpend kunnen zijn volgens de vader.\n\n5.4. \n\nDe GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de (begeleide) omgang tussen de moeder en [minderjarige] positief verloopt en gefaseerd is uitgebreid. Sinds kort vindt de omgang plaats bij de moeder thuis, waarbij haar partner aanwezig is. De GI is voornemens de omgang tussen de moeder en [minderjarige] verder uit te breiden. Voorafgaand en na afloop van de omgangsmomenten ervaart [minderjarige] echter spanning. Deze spanning is ook zichtbaar op school. De GI acht het daarom van belang aanvullende hulpverlening en begeleiding voor [minderjarige] in te zetten.\n\nDe samenwerking van de GI met de vader verloopt goed, maar de samenwerking met de moeder verloopt moeizaam. [minderjarige] geeft aan dat hij terug wil naar de moeder, maar het is onduidelijk in hoeverre zijn wens voortkomt uit een loyaliteitsconflict. Het loyaliteitsconflict van [minderjarige] wordt versterkt door de moeizame communicatie tussen de ouders. De GI benadrukt dat het voor [minderjarige] van belang is dat de ouders informatie met elkaar delen en, waar mogelijk, samenwerken in zaken waar het [minderjarige] betreft.\n\nDe beoordeling door het hof\n\nHet wettelijk kader\n\n5.5. \n\nUit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De machtiging kan ingevolge het tweede lid van dit artikel ook worden verleend op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\nUit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging telkens met een jaar kan verlengen. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\n5.6. Het hof constateert dat de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is verleend inmiddels is verstreken. De moeder heeft een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging te laten toetsen gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven. Het hof dient te beoordelen of de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 aanwezig waren.\n\n5.7. \n\nHet hof overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet plotseling zijn ontstaan, maar al langere tijd bestonden. Vanaf 2024 zijn verschillende instanties betrokken geraakt vanwege zorgen over de thuissituatie bij de moeder, het schoolverzuim van [minderjarige] en zijn emotionele belasting vanwege de voortdurende strijd tussen de ouders.\n\nIn december 2024 is het gezin aangemeld bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) met als doel veiligheidsafspraken te maken met de ouders en meer structuur en voorspelbaarheid voor [minderjarige] te creëren. In februari 2025 heeft de school van [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege zijn schoolverzuim en zorgen over de thuissituatie. Vervolgens zijn in 2025 diverse vormen van hulpverlening ingezet. Zo is in juli 2025 Parent Management Training Oregon (PMTO)-begeleiding vanuit Levvel voor moeder gestart met onder meer als doel de moeder positief en met regie te leren opvoeden. In juni, augustus en oktober 2025 is multidisciplinair overleg (MDO) met alle betrokkenen gevoerd waarin de zorgen werden besproken en afspraken zijn gemaakt. In september 2025 is de vader gestart met PMTO-begeleiding met onder meer als doel te leren hoe hij [minderjarige] kan ondersteunen als [minderjarige] lastig gedrag laat zien. In september 2025 heeft [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis. Uit het daaropvolgende gesprek met het CJG bleek dat hij voortdurend belast werd met volwassenenproblematiek en de strijd tussen zijn ouders. In oktober 2025 heeft de school een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege de uitblijvende schoolgang van [minderjarige] , waarop het CJG de raad heeft verzocht een beschermingsonderzoek uit te voeren. In november 2025 is ambulante hulpverlening voor de ouders gestart vanuit Levvel. Bij de start van het traject uitte Levvel na een huisbezoek bij de moeder grote zorgen over de opvoedsituatie. De hulpverlening kwam vanuit Levvel niet goed op gang. In november 2025 heeft een beschermingstafel plaatsgevonden met de ouders, het CJG, Levvel en de school van [minderjarige] . Na de beschermingstafel zijn veiligheidsafspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat de ouders PMTO blijven volgen. Op 15 januari 2026 heeft [minderjarige] contact opgenomen met de GI na een volgens hem uit de hand gelopen ruzie met de moeder. De moeder was het er niet mee eens dat [minderjarige] op school vertelde over een incident in de thuissituatie. Op 17 februari 2026 gaf de school van [minderjarige] aan een verandering in zijn gedrag te zien. [minderjarige] vertoonde meer gedragsproblemen en de moeder bracht hem niet op de afgesproken tijden naar school.\n\nVervolgens is [minderjarige] bij beschikking van 20 maart 2026 door de kinderrechter met spoed uit huis geplaatst bij de vader. Aan deze beslissing lagen de door de raad geuite ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder ten grondslag. De acute zorg van de raad zag op de gevolgen voor [minderjarige] indien hij naar de moeder zou terugkeren, omdat de wijze van reageren door de moeder eerder tot gevoelens van onveiligheid bij [minderjarige] heeft geleid. Daarnaast bestonden zorgen over de stabiliteit van de moeder en haar vermogen om emoties te reguleren.\n\n5.8. Uit het vorenstaande is het hof gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] met name zagen op zijn emotionele belasting bij de moeder thuis, de volwassenenproblematiek waarmee hij werd belast en zijn schoolverzuim. Daarbij heeft de raad zorgen geuit over verschillende uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan en over zijn loyaliteitsconflict. Ook gaf [minderjarige] op school aan dat de moeder regelmatig tegen hem schreeuwde. [minderjarige] heeft tegenover verschillende betrokkenen en instanties verklaard dat hij voorzichtig was met het uiten van zijn gevoelens omdat hij bang was voor de reactie van zijn moeder. Ook werd [minderjarige] voortdurend belast met de strijd tussen zijn ouders. Tegen deze achtergrond acht het hof voldoende aannemelijk dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] .\n\n5.9. \n\nHet hof overweegt verder dat ondanks de inzet van (vrijwillige) hulpverlening, de hiervoor genoemde zorgen ten tijde van de bestreden beschikking onvoldoende verminderd waren. Zowel de GI, Veilig Thuis als de school van [minderjarige] gaven aan dat de moeder bepaalde afspraken niet nakwam. Zo lukte het de moeder niet om structureel uitvoering te geven aan de afspraken rondom de schoolgang van [minderjarige] . De moeder gaf hierover aan dat zij vanwege haar medicatie ’s ochtends lastig uit bed kon komen, waardoor [minderjarige] regelmatig te laat op school kwam.\n\nDe moeder brengt in hoger beroep naar voren dat zij openstaat voor hulpverlening. Het hof stelt echter vast dat de ingezette hulpverlening bij de moeder moeizaam, dan wel niet van de grond is gekomen. De ambulante hulpverlening heeft geen doorgang gevonden omdat de moeder verschillende afspraken, zoals twee huisbezoeken, om wisselende redenen heeft afgezegd. De moeder heeft één keer een gesprek gevoerd met de ambulante hulpverlening. De inzet van [X] voor [minderjarige] is vertraagd omdat de moeder niet aanwezig was bij het kennismakingsgesprek. Ook is de PMTO-begeleiding vroegtijdig beëindigd. Over de reden van de beëindiging bestaan verschillende lezingen. Volgens de moeder was het traject op dat moment ongeschikt, de betrokken hulpverlening, waaronder Levvel, gaf echter aan dat het traject stopte omdat de afspraken te vaak door de moeder werden afgezegd. Vast staat dat het traject niet tot het beoogde resultaat heeft geleid.\n\nDaar komt bij dat de moeder beperkt inzicht heeft gegeven in haar eigen problematiek. Zo heeft zij tegenover de raad en de GI geen openheid willen geven over haar eventuele behandeling binnen de GGZ. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij voor de uithuisplaatsing gedurende zeven jaar psychische hulpverlening heeft ontvangen, maar die mededeling neemt niet weg dat de moeder over de aard en resultaten van deze behandeling de raad en de hulpverlenende instanties niet heeft geïnformeerd. Door het gebrek aan openheid van de zijde van de moeder konden de betrokken instanties onvoldoende zicht krijgen op de achterliggende problematiek. Hierdoor kon passende hulpverlening niet, dan wel onvoldoende worden vormgegeven. Het ontbreken van openheid van de moeder over haar problematiek heeft eraan bijgedragen dat de bestaande zorgen niet konden worden weggenomen.\n\nBij de moeder leek verder sprake te zijn van beperkt probleembesef. Zij erkende de naar voren gebrachte zorgen niet en zij richtte zich voornamelijk op haar zorgen om de (opvoed)situatie bij de vader. Ook heeft de moeder meermaals haar wantrouwen richting de betrokken hulpverlening geuit. Zo wilde zij ten tijde van de spoeduithuisplaatsing in maart 2026 niet meewerken met de raadsonderzoekers, noch met hen communiceren, en in mei 2026 gaf zij aan geen vertrouwen te hebben in de raad. Ook ten aanzien van het CJG heeft de moeder meermaals aangegeven weinig vertrouwen te hebben in deze instantie.\n\n5.10. \n\nDe betrokken partijen, waaronder de beide ouders, de raad en de GI, zijn het erover eens dat [minderjarige] nadere hulpverlening nodig heeft. In februari 2026 is [minderjarige] gestart met gesprekken bij [X] via jeugdhulporganisatie Jij&Co. De betrokken hulpverlener ziet signalen van mogelijk traumagerelateerde problematiek bij [minderjarige] . Verder volgt [minderjarige] sinds februari 2026 cognitieve gedragstherapie gericht op stabilisatie, het leren verwoorden van gevoelens en gedachten en het versterken van zijn veerkracht. Daarnaast ontvangt [minderjarige] oplossingsgerichte psychotherapie en is hij door de GI aangemeld bij Cardea voor hulpverlening gericht op omgang en hechting.\n\nDe vader geeft aan dat de gesprekken van [minderjarige] bij [X] helpend zijn, maar dat er meer (intensievere) hulpverlening voor hem nodig is. Het hof overweegt dat [minderjarige] een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving nodig heeft om optimaal van de hulpverlening te kunnen profiteren. Het hof is van oordeel dat de vader deze rust en stabiliteit kan bieden, terwijl daarover bij de moeder thuis structureel zorgen bestaan, zoals hiervoor beschreven. Zowel de raad als de GI hebben aangegeven dat de vader openstaat voor hulpverlening, in de vorm van opvoedondersteuning, en dat hij het belang van hulpverlening voor [minderjarige] onderkent. Ook staat de vader open voor verdere hulpverlening zoals Basic Trust. De vader heeft regelmatig contact met de GI en Levvel en hij is goed bereikbaar voor school. Daarnaast blijkt uit de informatie van school dat [minderjarige] rustiger oogt sinds hij bij de vader verblijft. Ook wordt [minderjarige] door de vader op tijd naar school gebracht en hij heeft sindsdien geen afgesproken schooldag meer gemist. Hoewel [minderjarige] nog een aanzienlijke leerachterstand heeft en nadere hulpverlening noodzakelijk blijft, is er sprake van een stabiele en meer voorspelbare situatie voor hem bij de vader thuis.\n\n5.11. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat ten tijde van de beslissing van de kinderrechter minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat gedurende langere tijd verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, maar de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet werden weggenomen. De zorgen over zijn emotionele belasting, schoolgang, loyaliteitsconflict en de opvoedsituatie bij de moeder bleven bestaan. Ook kwam, zoals hiervoor beschreven, de hulpverlening onvoldoende van de grond. Onder deze omstandigheden waren minder ingrijpende maatregelen uitgeput geraakt. De uithuisplaatsing vormde daarom een ultimum remedium en was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .\n\n5.12. Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende de periode van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Voldoende is komen vast te staan dat ten tijde van de bestreden beschikking geen, althans onvoldoende alternatieve – minder ingrijpende – maatregelen bestonden voor de uithuisplaatsing. Dit leidt tot de slotsom dat het hof het primaire en subsidiaire verzoek van de moeder afwijst en de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n5.13. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het schorsingsverzoek ingetrokken. Nu het verzoek niet langer wordt gehandhaafd, zal het hof de moeder daarin niet-ontvankelijk verklaren.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01:\n\nbekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 30 maart 2026, voor zover daarin de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is gehandhaafd en verlengd tot 20 juni 2026;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02:\n\nverklaart de moeder niet-ontvankelijk in het schorsingsverzoek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, mr. J.M. van Baardewijk en\n\nmr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.621Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":44,"courtId":66,"decisionDate":60,"fullText":91,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":93},"679","ECLI:NL:RBMNE:2026:4044","ecli-nl-rbmne-2026-4044","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F277060-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1983] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\nhierna: de verdachte.1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M.P.M. Balemans (hierna: de advocaat);\n\nde officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;\n\nmr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ..\n\n2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nin de periode van 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, de kinderen van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe voert de raadsman aan dat niet is gebleken dat de verdachte strafbare handelingen heeft verricht dan wel daarbij betrokken is geweest. Volgens de verdediging ontbreekt bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn. Zelfs indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat een dergelijke samenwerking wel kan worden bewezen, stelt de advocaat dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van het voor medeplegen vereiste dubbele opzet.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nOp 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres] in [woonplaats] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) aan. [slachtoffer 1] is volledig naakt en [slachtoffer 2] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood.\n\nVervolgens zijn de kinderen verhoord en is er onder meer ook onderzoek gedaan naar de telefoon van [medeverdachte] . Hierin zijn belastende gesprekken en foto’s aangetroffen tussen [medeverdachte] en de verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ).\n\nDe advocaat van de verdachte betwist niet zozeer wat er met de kinderen is gebeurd, maar wel dat [verdachte] strafbare handelingen heeft verricht dan wel daarbij betrokken is geweest. Volgens de verdediging ontbreekt bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn.\n\nDe rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\nMedeplegen\n\nDe betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dit feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de intellectuele en\u002Fof materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\n [verdachte] en [medeverdachte] kennen elkaar van het schoolplein van de kinderen. Tijdens de zitting vertelden zij dat de kinderen het samen goed konden vinden en het tussen hen ook klikte. Zij kregen steeds meer contact. Rond de scheiding van [medeverdachte] intensiveerde dit contact, omdat [medeverdachte] advies vroeg aan [verdachte] over de opvoeding van de kinderen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 22 januari 2024 met de hulpverlening van [medeverdachte] is afgesproken dat [verdachte] als contactpersoon voor [medeverdachte] zou fungeren. Daarbij is afgesproken dat [medeverdachte] contact met [verdachte] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [verdachte] [medeverdachte] gaat helpen om afspraken na te komen. Vanaf dat moment was [verdachte] nadrukkelijk betrokken bij het gezin van [medeverdachte] .\n\nUit de analyse van de chatberichten blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] in de periode van 2 juli tot en met 18 augustus 2024 meer dan twintigduizend berichten met elkaar hebben uitgewisseld. De tijd tussen opeenvolgende berichten bedroeg soms slechts enkele seconden. De inhoud van deze berichten heeft grotendeels betrekking op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , met name het gedrag van de kinderen, de wijze waarop [medeverdachte] daarop reageert of zou moeten reageren. De hoeveelheid chats tonen aan dat er sprake was van zeer intensief contact over de opvoeding en behandeling van de kinderen. [medeverdachte] hield [verdachte] dagelijks, vanaf de vroege ochtend tot de late avond, op de hoogte van het gedrag van de kinderen en haar eigen handelen. Naast het chatten blijkt ook dat de verdachten vaak met elkaar gingen (beeld)bellen en dat [medeverdachte] regelmatig foto’s stuurde van haar kinderen naar [verdachte] .\n\nNaar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, onder meer de chats tussen de verdachten en de verklaring van [medeverdachte] , dat [verdachte] een sturende en bepalende rol had bij de beslissingen die [medeverdachte] ten aanzien van haar kinderen nam. Zo stuurt [verdachte] onder meer: ‘niks doms lopen doen nu ik niet aan de lijn ben’.Ook zegt [verdachte] ‘Geef hem niet zulke antwoorden. En zeggen bek houden anders geef ik nergens antwoord meer op tot ik jou antwoord heb. Nog uit leggen ook. Ben je gek. Niks uitleggen.’Vervolgens bedrukt [verdachte] dat [medeverdachte] het weer niet goed doet‘ja weer die fout’.\n\nUit de chats blijkt ook dat ze onderling afspraken hebben. In dat kader schrijft [medeverdachte] in een chatbericht aan [verdachte] op 1 augustus ‘wrm zou k het doen als k juist wil bewijzen dat k me aan de dingen hou die we hebben afgesproken samen’.Dit wordt ook ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte] .\n\nOok blijkt uit de analyse van de enorme hoeveelheid chatberichten dat de instructies van [verdachte] in belangrijke mate richtinggevend waren voor hetgeen zich binnen het gezin afspeelde. [medeverdachte] spreekt [verdachte] in de chats nauwelijks tegen en lijkt haar aanwijzingen en opdrachten zonder weerstand op te volgen. De communicatie laat ook zien dat [verdachte] dominant was in het contact tussen hen. Enkele voorbeelden waaruit dit onder meer volgt, zijn de berichten van [verdachte] op 29 juli 2024 ‘ja en hij moet nee laat hem nu zitten nu’ en ‘ja maar hoor je ook niet zeggen zitten mongool’.Ook schrijf [verdachte] op 14 juli 2024 ‘wakker houden slaan anders’.\n\nTegelijkertijd merkt de rechtbank op dat uit de berichten niet volgt dat [medeverdachte] geen eigen keuzevrijheid meer had ten aanzien van de wijze waarop zij haar kinderen behandelde. Wel lijkt zij zich gemakkelijk te conformeren aan de suggesties en instructies van [verdachte] .\n\nGelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, anders dan de verdediging heeft betoogd, een actieve en aansturende rol heeft gehad bij alle ten laste gelegde gedragingen en dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Het feit dat er geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, in die zin dat de verdachte fysiek in de nabijheid van [medeverdachte] was op het moment dat zij de gedragingen uitvoerde, doet daaraan niet af. De intellectuele en aansturende bijdrage van de verdachte ook via het soms langdurig beeldbellen is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.\n\nDubbel opzet\n\nEr is alleen sprake van medeplegen als wordt vastgesteld dat sprake is geweest van ‘dubbel opzet’. De verdachte moet opzet hebben op de nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] en - al dan niet in voorwaardelijke zin - op de verwezenlijking van het gronddelict, in dit geval de kindermishandeling.\n\nDoor te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, namelijk door gedurende een langere periode vrijwel dagelijks intensief met [medeverdachte] te communiceren over wat de kinderen wel of niet mochten, en of zij wel of niet gestraft moesten worden, heeft de verdachte opzet gehad op de nauwe en bewuste samenwerking met van [medeverdachte] . Gelet op de inhoud en strekking van chats tussen de verdachten komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn aan de kinderen van [medeverdachte] , dan wel op het veroorzaken van hevige onlust veroorzakende lichamelijke en\u002Fof geestelijke gewaarwording of het benadelen van hun gezondheid. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de advocaat.\n\nGedragingen\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de medeverdachte heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. Bovendien is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.\n\nOordeel\n\nDe rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] , de kinderen van de medeverdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gedurende een periode van ongeveer 8 maanden stelselmatig heeft mishandeld.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat er sprake was van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand en [slachtoffer 1] eenmaal ook geslagen is met een koekenpan. [slachtoffer 1] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en\u002Fof douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [verdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [verdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt. Als ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten de kinderen in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine ook opruimen en [slachtoffer 1] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nSlaan met de vuist van [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2]\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachten [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.\n\nGedragingen ten aanzien [slachtoffer 2]\n\nDe rechtbank zal de verdachte ook vrij spreken ten aanzien van [slachtoffer 2] van het schoppen, aan de handen\u002Farmen meeslepen en\u002Fof armen (ver)draaien, door haar eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en\u002Fof daarmee te bedreigen en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. [slachtoffer 2] zelf verklaart hier niets over en het blijkt ook niet uit enige andere verklaring in het dossier.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nin of omstreeks de periode tussen 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, het kind van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1]\n\n- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en\n\n- te schoppen en\n\n- aan zijn handen\u002Farmen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- zijn eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door zijn eigen urine\n\nheen te trekken en\n\n- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (zijn pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken en\n\n- hem te onthouden van schoolgang;\n\nen\n\nhet kind van haar mededader, [slachtoffer 2] , geboren op [2017]\n\nstelselmatig\n\nheeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2]\n\n- met vlakke hand te slaan en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- haar eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (haar pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nMedeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen een minderjarige, meermalen gepleegd.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf en maatregel\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 9 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, ambulante begeleiding en een contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachte. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).\n\nDe officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank, indien zij tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf. Indien de rechtbank daartoe aanleiding ziet, kan deze worden aangevuld met een voorwaardelijke straf waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.\n\nTer onderbouwing van dit verzoek wijst de advocaat op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de over haar opgemaakte rapportages. Daarnaast wijst de advocaat op de rol van de verdachte binnen de ten laste gelegde feiten. Een aanzienlijk deel van de in de tenlastelegging omschreven gedragingen heeft volgens de advocaat buiten medeweten en zonder betrokkenheid van de verdachte plaatsgevonden.\n\nHoewel uit de chatberichten blijkt dat de verdachte zich op momenten heftig heeft uitgelaten, moet dit volgens de advocaat worden gezien in het licht van het voortdurende spervuur aan berichten van [medeverdachte] , waardoor de verdachte haar geduld verloor. De verdachte had niet de bedoeling om de baas te zijn, maar vroeg zich af waarom de medeverdachte haar om hulp vroeg, terwijl zij zich vervolgens niet hield aan verdachtes goedbedoelde adviezen. Volgens de advocaat is de verdachte in een toxische relatie terechtgekomen.\n\nTot slot merkt de advocaat op dat het contactverbod zal worden nageleefd.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachte gedurende ongeveer 8 maanden stelselmatig de kinderen van de medeverdachte mishandeld.\n\nDe mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan waarna zij in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilden kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nHoewel de medeverdachte weliswaar de feitelijke handelingen uitvoerde en zij degene was die de kinderen sloeg of niet naar de wc liet gaan, blijkt uit de bewijsmiddelen dat alles in samenspraak ging. Dag in dag uit werd alles aangaande de kinderen door de medeverdachte en [verdachte] besproken, per chat maar ook via FaceTime. De rechtbank acht de rollen van de verdachten bij het plegen van deze schokkende feiten daarom gelijkwaardig en net zo kwalijk.\n\nDe verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geboren hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.\n\nDe gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog ieder dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook ieder dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen moet nog blijken.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nWat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 5 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog M.G.H. van Willigenburg. Uit het rapport blijkt het volgende. De rapporteur stelt vast dat bij de verdachte sprake is van een gecombineerd beeld van een licht verstandelijke beperking en een traumagerelateerde stoornis. Haar vermogen om gesproken en geschreven taal te begrijpen en zich daarin uit te drukken is verminderd. Inlevingsvermogen is zwak, gedrag van anderen kan ze niet goed inschatten door zwakke empathische vaardigheden. Relativeringsvermogen ontbreekt en ze raakt erg makkelijk overbelast als er dingen gebeuren die buiten haar normale structuur vallen. Bij oplopende stress is ze vermijdend, meer wantrouwend, meer prikkelbaar en mogelijk meer bot. Het vermogen tot signaleren van problemen bij haarzelf is zwak, haar zorgen delen en hulp vragen doet ze niet adequaat. Abstract redeneervermogen is zwak. Ze heeft geen goed overzicht van de gevolgen die haar eigen gedrag op anderen kan hebben en neigt tot concreet denken, zoals zaken letterlijk nemen. Gezien de onafgebroken aanwezigheid van de verstandelijke beperking en de psychische problematiek, acht rapporteur het onwaarschijnlijk dat de verdachte haar gedragingen in vrijheid heeft kunnen afwegen en wordt geadviseerd haar de ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring in verminderde mate toe te rekenen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van deze deskundige ten aanzien van de toerekenvatbaarheid over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.\n\nDe rapporteur adviseert outreachende lvb-gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie, die bijdraagt aan structuur, stabiliteit, rust, regelmaat en ondersteuning kan geven op de verschillende levensgebieden. De hulpverlening rondom de verdachte kan het beste gecoördineerd worden door een regiebehandelaar (bij voorkeur een psychotherapeut of klinisch psycholoog) die kennis heeft van lvb-problematiek en traumaproblematiek en ook enige forensische expertise heeft. Verder acht de rapporteur van belang de opvoedkundige vaardigheden van de verdachte te monitoren. Gezien haar functieniveau zou opschalen naar woonbegeleiding en\u002Fof op termijn beschermd\u002Fbegeleid wonen een geschikte route kunnen zijn. Het interventieadvies kan worden uitgevoerd door de polikliniek [naam] , onderdeel van [instelling] , waar de verdachte nu ook in behandeling is. De beschreven behandeling kan worden voortgezet (en geïntensiveerd) in het kader van een bijzondere voorwaarde met een verplicht toezicht door de reclassering, bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 9 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [A] . De reclassering heeft, doordat de verdachte zich de vermeende feiten niet kan herinneren, beperkt relatie kunnen leggen tussen het ten laste gelegde en de leefgebieden. De reclassering ziet een directe relatie tussen de vermeende feiten en het sociale netwerk van de verdachte. Volgens de reclassering zou de verdachte baat hebben bij een outreachende LVB-gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie die bijdraagt aan rust, structuur, stabiliteit, regelmaat en ondersteuning op verschillende leefgebieden. Daarnaast wordt behandeling door of met een regiebehandelaar noodzakelijk geacht. De eerder ingezette zorg in de vorm van het Buurtteam en Spoor 030 hebben niet bijgedragen aan het voorkomen of stoppen van de vermeende feiten.\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht;\n\nAmbulante behandeling;\n\nContactverbod de slachtoffers en de medeverdachte in de zaak;\n\nAmbulante begeleiding.\n\nStrafkader\n\nVanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte, haar slachtoffers als de maatschappij.\n\nNaast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, waaronder passende hulpverlening, waar de verdachte naar verwachting veel baat bij zou hebben.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het\n\nbewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling, meewerkt aan ambulante begeleiding en zich houdt aan een contactverbod met de slachtoffers in deze zaak.\n\nDadelijk uitvoerbaar\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n38v-maatregel\n\nDe rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.\n\nDe rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. Vordering van de benadeelde partijen\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nNamens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [benadeelde] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;\n\nToekomstige kosten bijles: € 5.400,-;\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nBasisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\nOpslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nNamens [slachtoffer 2] heeft haar vader [benadeelde] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\n Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\n Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert geen verweer tegen de gevorderde reiskosten en parkeerkosten voor de traumabehandeling.\n\nTen aanzien van de gevorderde bijleskosten stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat deze kosten moeten worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat deze noodzakelijk waren. Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partijen ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk te verklaren.\n\nMet betrekking tot de post ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’ stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat deze moet worden afgewezen, omdat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partij ook op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren, nu de behandeling van deze post een onevenredige belasting is van het strafproces en de kosten worden betwist.\n\nTen aanzien van de immateriële schade stelt de advocaat zich op het standpunt dat, indien en voor zover tot toewijzing wordt overgegaan, maximaal een bedrag van € 3.000,- aan de verdachte kan worden toegerekend gelet op haar ondergeschikte rol. Dit bedrag kan eventueel in mindering worden gebracht op het aan de medeverdachte toe te rekenen bedrag.\n\n6.4.. Oordeel van de rechtbank\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.\n\nReeds gemaakte kosten bijles;\n\nToekomstige kosten bijles;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald, zoals gevorderd.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk), ongeacht hun rol. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Het is gebruikelijk om voor schade die is ontstaan over een langere periode de wettelijke rente in te laten gaan halverwege de periode en dat is in dit geval 6 mei 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaardendat de verdachte:\n\n zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat de verdachte:\n\n Meldplicht Reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;\n\n Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel als mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op opmaak delict-analyse, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n Contactverbod\n\nDe verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, direct of indirect, contact met de slachtoffers [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;\n\n Ambulante begeleiding\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd begeleiden door het Forensisch Fact team of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering ambulante begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zo snel als mogelijk. Huisbezoeken zijn onderdeel van de begeleiding;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n38v-maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;\n\nbeveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1989] ;\n\nbeveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris;\n\nbeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum vanzes maanden;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van tot 18 juni 2026 de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.559,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling aan te vullen met 92 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\n- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 13.790,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nals de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 93 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij in of omstreeks de periode tussen 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, de kinderen van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - met een koekenpan en\u002Fof met vlakke hand en\u002Fof vuisten te slaan (zie o.a. p. 228, 239, 965) en\u002Fof - te schoppen (zie o.a. p. 240) en\u002Fof - aan hun handen\u002Farmen mee te slepen en\u002Fof hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p. 239) en\u002Fof - (gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond te laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en\u002Fof - gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en\u002Fof (vervolgens) in hun eigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap te laten zitten en\u002Fof hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en\u002Fof urine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en\u002Fof - hun eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door hun eigen urine heen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en\u002Fof - met grijze ducttape hun mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen (zie o.a. p. 47, 142, 922) en\u002Fof - gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p. 500, 507) en\u002Fof - gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en\u002Fof - als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en\u002Fof - te kleineren en\u002Fof (hun pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te spreken (zie o.a. p. 228, 500) en\u002Fof - hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\nDe verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:\n\nHet klopt dat er intensief contact tussen ons beide (de rechtbank begrijpt: de verdachte en [medeverdachte]) is geweest. Er was veel chatverkeer. Zij vroeg veel over de kinderen en over de opvoeding. Wij hebben via face time gebeld. Ik heb wel gescholden omdat ik boos was. Ze deed dingen anders dan we hadden besproken.\n\nEen proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nToen hebben [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) en ik samen regels bedacht van hoe ik met de kinderen om moest gaan, want ik wist het zelf niet meer. Het begon minder extreem, maar de laatste paar weken (voor de aanhouding) was het wel op het hoogtepunt. Eerst kon er meer qua eten, plassen. Maar de laatste paar weken was het extreem geworden. Dus bijvoorbeeld zoals maandag (de rechtbank begrijpt: maandag 19 augustus 2024), dat ze een tijdje in de plas zitten.\n\nDe regels waren bijvoorbeeld: - De kinderen moesten op de grond zitten; - Ze mochten alleen twee boterhammen s ochtends, 2 s middags en avondeten. Alleen wat nodig was. Als straf kregen ze geen tussendoortjes; - Ze mochten alleen plassen en poepen als het gesprek klaar was (bijvoorbeeld, gesprek over school, over familie of over het misbruik); - Ze moesten alles vragen (of ze mochten plassen, poepen, eten, drinken, schoonmaken van plas en poep); - De kinderen moesten dit aan mij vragen, en ik moest het dan vervolgens aan [verdachte] vragen en [verdachte] gaf dan toestemming (ja of nee of even wachten); - Ik moest alles overleggen met [verdachte] en overal toestemming voor vragen.\n\nEen proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nV: Als jullie dan gingen beeldbellen, want dat gebeurde wel eens, hoe ging dat dan? Want soms typte je ook wat tegelijkertijd. A: Ja, dan hoorde ze het niet. V: Wie? A: [verdachte] . Ja. Dus dan moest ik het ook typen, zeg maar. V: En wat hoorde ze dan niet? A: Wat de kinderen zeiden.\n\nV: En zij jou dan opdrachten gaf, wat je moest doen. En wat voor opdrachten hebben we het dan over? A: Hoe ik mijn kinderen aan moest pakken.\n\nV: En wat voor, hoe moest je dat doen? A: Slaan. Ze heb ook weleens gezegd, geef ze een tik. V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook? A: Ja.\n\nA: Ik moest ook overleggen, als de kinderen iets vroegen, moest ik het naar haar typen. A: En dan bepaalde zij of het mocht ja of nee. V: En waar hebben we het dan over? A: Ze vroegen altijd of ze mochten plassen, eten en drinken. V: En wat was [verdachte] 's rol dan? A: Toestemming geven daarvoor.\n\nV: Jullie hebben dan beeldbellen en typen tegelijk. Hoelang was dat op een dag? A: Van ochtends vroeg tot avonds laat.\n\nV: Waarom mocht hij niet naar de wc ‘s nachts? A: Omdat hij straf had. Volgens haar. V: Er waren nachten dat hij niet naar de wc mocht. En was dat voor [slachtoffer 1] of ook voor [slachtoffer 2] ? A: Allebei. V: En hoe vaak gebeurde het dat ze ‘s nachts niet mochten plassen? A: De laatste tijd heel vaak.\n\nV: De kinderen mochten s ‘nachts niet plassen, omdat ze dan straf hadden. En wij hebben ook gevraagd, ja, maar wat als de kinderen dan moesten plassen of poepen? Wat dan? A: Dan deden ze het gewoon in bed. V: En wat gebeurde er dan? A: En moesten we het de volgende ochtend opruimen van haar.\n\nV: Schold jij je kinderen uit? A: Niet in hun gezicht. Niet altijd.​​​​​​​ V: En niet altijd zeg je? A: Nee, ik werd wel eens opgedragen om dingen te zeggen.\n\nV: Waar moest ze zich uitkleden en naakt zitten? A: Oh, eh op de grond, thuis. V: En waarom moesten ze dat? A: Omdat ze straf hadden.\n\nV: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou?\n\nV: Nee, maar wat is dat ongeveer? A: Nou, bijna niet. A: De laatste tijd niet vaak. Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht.\n\nV: Want heb jij [slachtoffer 1] wel eens opgesloten in huis? A: Ja.\n\nO: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1] eten uit de tassen pakte.\n\nA: Ja.\n\nV: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1] honger had.\n\nV: En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen? A: Ook. Maar dat was ook haar idee. V: Wat was haar idee? A: Om hem te straffen, zodat... Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres] in [woonplaats] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.\n\nIk zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [medeverdachte] .\n\nIk zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.\n\nUit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn: [slachtoffer 1]\n\nGeboren [2014] te [geboorteplaats] [slachtoffer 2]\n\nGeboren op [2017] .\n\nToen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.\n\nIk zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen: \"Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft\". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen. A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder Omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen.\n\nV: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\n A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche. V: En wat deed ze dan? A: Op mijn hoofd slaan. A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder. V: En je zei aan het begin dat was vroeger. A: Ja.V: En wat is vroeger dan? A: Best wel een jaar geleden. V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde? A: 9. V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker? A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak. V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband? A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen. A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten. V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt? A: Ja. V: En is dat een keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\nV: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat? A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen. V: Schoppen? A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug. V: En wat voel je dan? A: Pijn alleen. V: En hoe ze dat slaat dan? A: Zo. V: Met haar hand. A: Ja.V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee? A: Met d'r voet.\n\nV: Vertel me eens alles over het arm draaien. A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo. V: Wat voel je dan? A: Dan doet het heel erg pijn.\n\nV: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen? A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt. V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou? A: Mijn hand. V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen? A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.\n\nV: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen? A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.\n\nV: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over? A: En niet plassen. V: Vertel daar eens over? A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond. V: En is dat een keer gebeurd of vaker. A: Heel vaak. Bijna elke dag.V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag? A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag. A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.\n\nV: En vertel eens over welke deur heb je het dan? A: Mijn slaapkamerdeur.\n\nV: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder? A: Ja, dan kregen we geen eten. V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders? A: Hele week geen eten. V: En drinken? A: Ook niet. V: Geen water ook niet? A: Nee. V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan? A: Mogen we ook niet. V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch? A: Dan doen we het op de grond. V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet? A: Dan moeten we het schoonmaken. V: En hoe doe je dat schoonmaken dan? A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje. V: En hoe zit dat bij je zusje dan? A: Ook. V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna? A: Dan moet ze het ook schoonmaken. V: En hoe zit het dan met poep? A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond.\n\n V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast. A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed. V: Moest je zo naar bed, in je nakie? A: Ja. V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast? A: Eén (1) keer.\n\n V: En hoelang is dit al zo? A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama(de rechtbank begrijpt: de medeverdachte)jullie ging slaan? A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond. V: En verder? A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets.V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd? A: Wel vaker. V: En waar is dat dan gebeurd? A: Bij ons thuis.\n\nV: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he? A: Ja V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd? A: Ook vaker.\n\n V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he? A: Ja. V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan? A: Zo. V: Op je hoofd. A: Ja zo. V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders? A: Altijd hetzelfde. V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet? A: Niet leuk. V: Nee, waarom vind je dat niet leuk? A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.\n\nA: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet.\n\nV: [slachtoffer 1] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1] waarom hij in z'n blootje was. A: Ja. V: En wat zei [slachtoffer 1] toen? A: Omdat hij niet mocht aankleden. V: Dat zei [slachtoffer 1] . A: Ja. V: En van wie mocht hij dan niet aankleden? A: Van m'n moeder niet. V: En hoe was het met jouw kleding dan? A: Die was ook nat. V: En hoe kwam dat? A: Omdat ik niet naar de wc mocht. V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama? A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag. V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd? A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden. V: En wat zei mama toen? A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.\n\nV: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast? A: Daarna nee en daarvoor. A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1] . V: maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord? A: Dat had ik gehoord.A: Dat tik van dat slaan.\n\nV: Ok, want waarom sloeg mama jou dan? A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken. V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast? A: Ook dat.\n\nV: En hoe was dat met [slachtoffer 1] ? A: Wel een paar keer\n\nV: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat? A: Ja.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, chat tbv verhoor [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nUit de telefoon van [medeverdachte] is een chatgesprek naar voren gekomen tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Dit betreft een gesprek wat grotendeels gaat over de kinderen van [medeverdachte] . Uit de context is op te maken dat [verdachte] en [medeverdachte] veel bellen tussendoor en [verdachte] meekijkt bij [medeverdachte] in de woning en dus ziet en hoort wat [medeverdachte] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] doen.\n\nOp 29 juli 2024 hebben [verdachte] en [medeverdachte] een gesprek waarin [verdachte] verteld wat [medeverdachte] moet doen met betrekking tot de kinderen.\n\n [verdachte] : ja laat hem zo zitten\n [medeverdachte] : Ja hy heeft gepist\n [verdachte] : Ja en hij moet nee laat hem na zitten nu\n\nOp 14 juli 2024 in de avond is er een gesprek waarin [verdachte] zegt wat [medeverdachte] bij haar kinderen moet doen.\n\n [verdachte] : Wakker houden slaan anders\n\nNiet zo op je tel zitten\n\n [verdachte] : Geef hem niet zulke antwoorden zeggen antwoord\n\nEn zeggen bek houden anders geef ik nergens antwoord meer op tot ik jou antwoord heb\n\nNog uit leggen ook\n\nBen je gek\n\nNiks uitleggen\n\n [verdachte] : Ja dat deed k idd over dat niet slapen\n\n [verdachte] : Ja weer die fout\n\nOp 29 juli 2024 is er een gesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarin onder andere het volgende werd gezegd:\n\n [verdachte] : Volgens mij moet hij zitten op z e kont en niet dit\n\n [medeverdachte] : Nee dit zkr niet\n\nMaar hy gaat ook gwn door\n\n [verdachte] : Ja maar hoorje ook niet zeggen zitten mongool\n\nGepoep zeker\n\nVal dood zeggen\n\nWat deed ie\n\n [medeverdachte] : Hy schopte de plas weg\n\nIk trok hem er door heen\n\n [verdachte] : Ja hoorde ik\n\n [medeverdachte] : Hys nu also een baby om z'n vader aan het roepen maar heel zacht\n\n [verdachte] : Ohh latenzo\n\n [medeverdachte] : Ja drm\n\nHij zit me best\n\n [verdachte] : Niet schoonmaken\n\nOp 31 juli zegt [verdachte] tegen [medeverdachte] :\n\nKlappen geven neem ik aan\n\nAls ze doorgaat\n\nNee geen nieuw water\n\nProces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [medeverdachte] en [verdachte] , voor\n\nzover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nDe telefoon van verdachte [medeverdachte] is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [medeverdachte] en medeverdachte [verdachte] . De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [medeverdachte] ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ), hun gedragingen, hoe [medeverdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [medeverdachte] door [verdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [medeverdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [medeverdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [verdachte] .\n\nIn de weergave hierna volgt een selectie van chats die door [verdachte] zijn verzonden.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\n22 januari 2024 [verdachte] wordt contactpersoon voor [medeverdachte] .\n\nAfspraak met hulpverlening dat [verdachte] de contactpersoon voor [medeverdachte] wordt. Er wordt afgesproken dat [medeverdachte] contact met [verdachte] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [verdachte] [medeverdachte] gaat helpen om afspraken na te komen.\n\n Pagina 461.\n\n Pagina 479.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 479.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoek 31DONKER24 met proces-verbaalnummer 240917.2109.23955, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1111. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 946.\n\n Pagina 947.\n\n Pagina 962.\n\n Pagina 966.\n\n Pagina 967.\n\n Pagina 969.\n\n Pagina 972.\n\n Pagina 976.\n\n Pagina 978.\n\n Pagina 979.\n\n Pagina 982.\n\n Pagina 984.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 44.\n\n Pagina 238.\n\n Pagina 239.\n\n Pagina 240.\n\n Pagina 241.\n\n Pagina 242.\n\n Pagina 243.\n\n Pagina 244.\n\n Pagina 245.\n\n Pagina 226.\n\n Pagina 227.\n\n Pagina 228.\n\n Pagina 229.\n\n Pagina 230.\n\n Pagina 477.\n\n Pagina 479.\n\n Pagina 458.\n\n Pagina 459.\n\n Pagina 461.\n\n Pagina 480.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 485.\n\n Pagina 486.\n\n Pagina 495.\n\n Pagina 500.\n\n Pagina 501.\n\n Pagina 502.\n\n Pagina 509.\n\n Pagina 511.\n\n Pagina 512.\n\n Pagina 514.\n\n Pagina 736.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4044","2026-07-13T00:28:42.896Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":44,"courtId":98,"decisionDate":85,"fullText":99,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":51,"updatedAt":101},"1637","ECLI:NL:GHARL:2026:4368","ecli-nl-gharl-2026-4368",60,"Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-004448-25\n\nUitspraakdatum: 6 juli 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\nArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep,\n\ningesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen,\n\nvan 16 oktober 2025 met parketnummer 05-281207-24 in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment verblijvende in de [locatie P.I.] te [locatie] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A. Prins, en de advocaat van de benadeelde partijen,\n\nmr. C.A. Bouw, en door en namens de benadeelde partijen is aangevoerd. Tevens heeft het hof kennisgenomen van wat de moeder, als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige slachtoffer bij de uitoefening van het spreekrecht naar voren heeft gebracht.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor een drietal feiten. Een poging tot verkrachting van iemand beneden de twaalf jaren, mishandeling van een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige door toediening van schadelijke stoffen en het bezit van kinderporno. Dit betreft de onder feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde feiten. Voor het onder feit 2 primair tenlastegelegde is verdachte vrijgesproken. Aan verdachte is opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).\n\nHet hof komt in dit arrest tot een deels andere beslissing over het bewijs, een andere strafoplegging en een deels andere beslissing op de vordering van een van de benadeelde partijen dan de rechtbank Gelderland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting bij de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:\n\n1. primair\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed heeft gezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zitten en\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen te verrichten en deze poging tot aanranding te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed heeft gezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zitten en\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. meer subsidiair hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans in Nederland,\n\n- zich en\u002Fof een ander opzettelijk gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof heeft getracht te verschaffen tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 247 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht dan wel\n\n- zich opzettelijk kennis en\u002Fof vaardigheden tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 247 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht heeft verworven en\u002Fof een ander heeft bijgebracht, door\n\n- met zijn, verdachtes, telefoon, althans (een) gegevensdrager(s) chatgesprekken te voeren met een onbekend persoon over de seksuele fantasie\u002Fgedachte om minderjarigen te drogeren en\u002Fof (vervolgens) seksueel te misbruiken en\u002Fof\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn te wekken dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem is en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] te vragen of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mag komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet te lokken, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] af te sluiten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) toe te dienen en\u002Fof te laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed te zetten en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed te zitten en\u002Fof\n\n- tijd proberen te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen;\n\n2. primair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]\n\n(geboren op [geboortedatum] 2021) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof laten innemen en\u002Fof\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland\n\nopzettelijk de gezondheid van een aan zijn zorg en\u002Fof waakzaamheid toevertrouwd kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2021) heeft benadeeld en\u002Fof [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),\n\nin elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) toe te dienen en\u002Fof in te laten nemen;\n\n3. hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans (elders) in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, waaronder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten\n\n- afbeeldingen en\u002Fof\n\n- gegevensdragers bevattende afbeeldingen te weten een telefoon (merk: Oppo) en\u002Fof\n\n- visuele weergave\u002Fgegevensdragers waarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand en\u002Fof een ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon (afbeelding(en) 01 en\u002Fof 02 van de toonmap) en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand wordt aangeraakt en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van een ander kind\u002Fpersoon met een penis en\u002Fof hand\u002Fvinger wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon en\u002Fof die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen met een vinger\u002Fhand aanraakt (afbeelding(en) 03 en\u002Fof 04 van de toonmap) en\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof in een omgeving en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding(en) 05 en\u002Fof 07 van de toonmap) en\u002Fof dat bij het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en\u002Fof bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden (afbeelding(en) 06 van de toonmap)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht tot een bewezenverklaring is gekomen van de feiten 1 primair, 2 subsidiair en 3 en het bewijs voor deze feiten uitgebreid en volledig in het vonnis heeft weergegeven en de verweren terecht en op goede gronden heeft verworpen.\n\nEnkel voor wat betreft de partiële vrijspraak door de rechtbank van het vervaardigen van kinderporno heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er wat haar betreft wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. Zij heeft daarbij gewezen op de opslaglocatie van de cache afbeeldingen, het gebruik van de camera en het tijdstip van het bewaren van de afbeeldingen op de telefoon. Volgens haar zijn de foto’s gelet op de tijdlijn precies gemaakt op het moment dat [slachtoffer] in de caravan van verdachte was en bevestigt het feit dat er een selfie van verdachte tussen zit dat hij op dat moment de camera heeft bediend.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het primaire standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.\n\nVolgens de verdediging kan niet vastgesteld worden wanneer [slachtoffer] de drugs 2MMC heeft binnengekregen en of dit door verdachte is geweest. Er staat vast dat er geen drugs in de caravan van verdachte is aangetroffen en uit het onderzoek is niet gebleken wanneer [slachtoffer] de drugs binnen heeft gekregen. Nu ook niet bekend is wat de werkingsduur van de drugs is, kan niet zonder meer worden gesteld dat [slachtoffer] de drugs niet voor of na het binnengaan in de caravan van verdachte heeft binnengekregen. Ook kan niet vastgesteld worden dat de drugs die verdachte op 23 augustus 2024 heeft besteld in de caravan van verdachte aanwezig waren op 31 augustus 2024 en bovendien betrof die bestelling poeder en kristallen, hetgeen niet overeenkomt met een snoepje of pilletje waar [slachtoffer] over heeft verklaard. Daar komt bij dat het alternatieve scenario dat [slachtoffer] de drugs in de caravan van haar moeder heeft gevonden en ingenomen niet is onderzocht.\n\nEr ontbreken volgens de verdediging concrete bewijsmiddelen waaruit volgt wat de intenties van verdachte zijn geweest. De gesprekken die verdachte die dag heeft gevoerd betroffen slechts fantasieën. Alle verifieerbare opmerkingen van verdachte in die gesprekken blijken onjuist te zijn. Ook is er, buiten de stelling van moeder, niets waaruit volgt dat de deur van de caravan van verdachte op slot was. De verdediging heeft daarbij ook op de wisselende verklaringen van moeder gewezen.\n\nVoor wat betreft de vraag of [slachtoffer] wel of niet naakt is geweest in de caravan acht de verdediging het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant die bij [slachtoffer] in het ziekenhuis was onvoldoende, nu dit een globaal en samengevat proces-verbaal betreft en de mogelijkheid bestaat dat cruciale context of nuance van wat [slachtoffer] heeft verteld verloren is gegaan. Moeder en [slachtoffer] verklaren daar zelf niets over en bovendien is [slachtoffer] maar een kleine tien minuten in de caravan van verdachte geweest, zodat de tijd om haar te ontkleden en weer aan te kleden bijzonder krap, zo niet onmogelijk is. Ook blijkt uit het dossier niet dat verdachte [slachtoffer] op bed heeft gezet en staat niet vast dat [slachtoffer] op het moment dat de foto’s zijn gemaakt in de caravan van verdachte was. Bovendien concludeert de politie dat niet kan worden gezien dat het de billen van een kind betreft, zodat niet blijkt dat deze foto’s van [slachtoffer] zijn genomen.\n\nSubsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is geweest van een poging, zodat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Er zijn geen handelingen door verdachte gepleegd die duiden op een seksuele intentie en er is geen speeksel of sperma of DNA-materiaal van verdachte of een ander aangetroffen. De verdediging heeft onder verwijzing naar twee uitspraken van andere rechterlijke colleges aangevoerd dat bij deze feitelijke omstandigheden niet gesteld kan worden dat de handelingen van verdachte kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam of aanranding van [slachtoffer] .\n\nTen aanzien van feit 3 heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken. Verdachte ontkent op de hoogte te zijn geweest van de kinderporno die op zijn telefoon is aangetroffen en volgens de verdediging moet meer acht worden geslagen op de uitgebreide verklaringen van verdachte bij de politie dan op hetgeen hij bij de rechter-commissaris zou hebben verklaard, nu dergelijke processen-verbaal doorgaans in zeer samengevatte vorm worden opgesteld.\n\nBovendien kan uit het onderzoek niet zonder meer worden aangenomen dat de bestanden vóór 2 september 2024 al op de telefoon van verdachte stonden en volgt ook niet dat de bestanden door de gebruiker van de telefoon zijn geopend. Al met al kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de bestanden in de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad.\n\nOordeel van het hof\n\nFeiten en omstandigheden\n\nOp 31 augustus 2024 omstreeks 19.40 uur zijn de [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en [verbalisant 1] naar de [straat] te [plaats] gegaan waar mogelijk sprake was van een gedrogeerd 3-jarig meisje. Het betreft [slachtoffer] ( [slachtoffer] ), geboren op [geboortedatum] 2021.\n\nAan [verbalisant 1] vertelde de moeder van [slachtoffer] , [moeder slachtoffer] (hierna: moeder), die zichtbaar overstuur was, dat haar buurman van de caravan tegenover die van haar, die ze in het latere gesprek [verdachte] noemt (hierna: verdachte), haar via Facebook een berichtje stuurde, waarin hij vroeg of haar dochter met zijn nichtje mocht spelen, want die was op bezoek. Moeder had het nichtje zelf niet gezien en had er een beetje een onderbuikgevoel bij, maar haar dochter ging wel naar verdachte toe. Toen ze meteen een naar gevoel kreeg, stuurde ze verdachte een berichtje dat ze [slachtoffer] over vijf minuten op kwam halen. Daarop reageerde hij met: \"Nee doe maar over een half uur.\" Moeder heeft toen gereageerd dat het haar kind is en dat ze haar meteen op kwam halen omdat ze gingen eten en ze liep vervolgens naar de caravan van verdachte en ze voelde dat de deur op slot zat. Verdachte deed de deur open en zij nam haar dochter mee.\n\nMoeder vroeg aan [slachtoffer] wat ze gedaan had en zij vertelde dat ze met verdachte op bed had gezeten. Toen moeder haar vroeg of ze nog iets gegeten had, zei ze dat ze een klein wit snoepje had gegeten, dat heel vies smaakte. Daarna zei [slachtoffer] dat ze heel moe was. Moeder zag dat haar pupillen heel groot waren en belde de huisartsenpost, die besloot een ambulance te sturen.\n\nToen moeder de naam van verdachte aan de verbalisant noemde en ze hem op Facebook wilde opzoeken, kwamen er geen resultaten naar boven. De vriendin van moeder kreeg het account van verdachte op Facebook wel te zien, zodat moeder concludeerde dat verdachte haar had geblokkeerd op Facebook. Buiten bij het ziekenhuis heeft moeder [verbalisant 1] de berichtjes laten zien die ze nog via Facebook met verdachte had gewisseld nadat ze haar dochter had opgehaald. In dat gesprek vroeg moeder verdachte wat voor een snoepje haar dochter had gehad, waarop verdachte antwoordde ‘een schuimpje’.\n\nUit het onderzoek naar de telefoon van moeder volgt dat ze op 31 augustus 2024 op een aantal tijdstippen contact had met verdachte.\n\nOm 17:29 uur vraagt verdachte voor het eerst of [slachtoffer] binnen in zijn caravan mag komen spelen omdat zijn nichtje er is. Als moeder aangeeft dat ze eerst even aan haar dochter zou vragen of ze het ook wilde, stuurt verdachte ‘Ze hoeft niet bang te zijn.’ Vervolgens stuurt verdachte om 17:57 uur aan moeder: ‘wil ze komen?’.\n\nMoeder stuurt op 18:09 uur een bericht aan [naam 1] dat [slachtoffer] bij die buurman is, maar dat ze het best creepy vindt.\n\nOm 18:10 uur leest verdachte het bericht van moeder: ‘Ik kom der zo weer halen want dan gaan we eten.’, waarop verdachte reageert met ‘hoelaat?’. Daarop stuurt moeder het bericht ’10 minuutjes ofzo’, waarop verdachte reageert met ‘Half uur breng ik er’.\n\n [verbalisant 2] heeft bij [slachtoffer] aan het bed gezeten in het ziekenhuis en heeft gerelateerd over wat [slachtoffer] een van de betrokken verpleegkundigen heeft verteld.\n\nVolgens [slachtoffer] was ze bij de buurman (het hof begrijpt: verdachte) geweest en heeft ze daar twee witte, vieze en zure snoepjes van hem gehad en zat ze op het bed in haar blootje.\n\n [verbalisant 2] zag dat [slachtoffer] erg druk was en niet stil kon zitten, dat ze wijde pupillen had en haar mond en tong onder het bloed zaten. Toen de verpleegkundige vroeg hoe zij hier aan kwam, zei [slachtoffer] dat ze ‘auw’ had en dat kapot had gebeten. [slachtoffer] moest ook overgeven en huilen en vertelde dat ze overal ‘auw’ had, waarbij ze wees naar haar buik, geslachtsdeel, benen en armen.\n\nUit de afdruk van het patiëntendossier van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, blijkt uit het lichamelijk onderzoek het volgende:\n\nAlgemeen: zeer onrustig, kauwend met de kaken, onderlip kapot gebeten, bloedende tong. Veel motorische onrust, spreekt onophoudelijk, stelt veel vragen.\n\nUit het rapport van het NFI van 19 december 2024 ‘Toxicologisch onderzoek in het lichaamsmateriaal van een driejarig meisje’ blijkt dat er 0,36 mg\u002F1 van de werkzame stof 2MMC in het bloed van [slachtoffer] aanwezig was. Volgens het NFI is de gemeten 2-MMC-concentratie in het serum van 0,36 mg\u002Fl waarschijnlijk een hoge concentratie, waarbij onder andere emotionele ontremming, verhoogde bloedruk, verhoogde hartslag en verhoogde lichaamstemperatuur kunnen optreden.\n\nEr is ook DNA-onderzoek verricht en uit het rapport van het NFI daaromtrent van 31 augustus 2024 blijkt dat, hoewel er geen voor vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek geschikt DNA-profiel is verkregen, er in de bemonstering van de voorhof van [slachtoffer] een aanwijzing is verkregen voor de mogelijke aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA.\n\nNamens het slachtoffer [slachtoffer] , heeft haar moeder, [moeder slachtoffer] , aangifte gedaan van seksueel misbruik van [slachtoffer] . Volgens moeder heeft verdachte [slachtoffer] gedrogeerd. Verdachte had moeder via Facebook gevraagd of [slachtoffer] kon komen spelen omdat zijn nichtje er was, waarop moeder antwoordde dat [slachtoffer] voor (bij de receptie) aan het spelen was en dat ze het haar zou vragen.\n\nVerdachte zei toen tegen moeder dat [slachtoffer] niet bang hoefde te zijn. Even later stuurde verdachte weer een berichtje of [slachtoffer] nog wilde komen en toen heeft moeder [slachtoffer] naar zijn caravan gebracht, waar ze geen ander kindje zag. Kort daarna kreeg moeder een onderbuikgevoel bij deze situatie en toen ze [slachtoffer] wilde ophalen en de deur van het chalet wilde openen, voelde ze dat deze op slot zat.\n\nPas toen het slot werd opengemaakt, ging de deur open. [slachtoffer] vertelde haar dat er geen ander kindje was om mee te spelen, ze met de buurman (het hof begrijpt: verdachte) op het bed was en dat ze een klein wit snoepje van hem had gekregen dat ze vies vond.\n\nTijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer] wederom verklaard dat ze bij de buurman was en dat ze van hem een klein wit rond snoepje kreeg dat heel vies was. Ook had ze op bed gezeten en de buurman ook en zat de buurman op zijn telefoon.\n\nVerdachte is op 31 augustus 2024 om 20.55 uur aangehouden en daarbij is ook de telefoon van verdachte in beslag genomen.\n\nUit onderzoek aan de telefoon van verdachte blijkt het volgende.\n\nOp 23 augustus 2024 heeft verdachte op de website [website] een bestelling gedaan voor 10 gram 2MMC kristal en 10 gram 2MMC poeder, welke bestelling werd bevestigd. In de bevestiging staat dat de bestelling wordt verstuurd naar [straat] te [plaats] . Dit betreft het woonadres van verdachte.\n\nUit het onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt ook dat hij op 16 augustus 2024 een gesprek voert, waarin verdachte de berichten stuurt ‘Je mag me hard neuken’ en ‘Intro chems’.En op 25 augustus 2024 wisselt verdachte berichten uit met iemand anders, waarin verdachte vraagt wat de ander gaat doen met zijn vriend die zo weer langskomt, waarop de ander antwoordt ‘tv kijken en seks’ en stuurt ‘lekker tongen, hem klaarpijpen, en hem neuken tot ik in zn kont klaar kom’ en verdachte even later stuurt ‘Intro chems’.\n\nDaarnaast blijkt uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte dat hij op 31 augustus 2024 van 14:23 uur tot 16:01 uur een gesprek voert met een gebruiker met de naam ‘ [naam 2] ’ via de [applicatie] .\n\nIn dat gesprek worden de volgende berichten verstuurd:\n\n- Verdachte: Wat bedoel je met pedo mom\n\n- [naam 2] : Pedo mom. Moeder die haar kindjes aanbiedt en zelf ook meedoet\n\n- Verdachte: Ervaring mee\n\n- [naam 2] : Ik niet, jij?\n\n- Verdachte: Ik wel\n\n(…)\n\n- [naam 2] : Hoe oud was of waren de kindjes. Girls?\n\n- Verdachte: 9\n\n(…)\n\n-Verdachte: Wat zijn jou kicks\n\n(...)\n\n- [naam 2] : Jonge kale kutjes nemen. Samen met moeder.\n\n- [naam 2] : M’n zaad er in en over spuiten\n\n- [naam 2] : Hond mee laten likken\n\n- Verdachte: Nice\n\n(...)\n\n- Verdachte: ik heb vaak rape gedaan\n\n- [naam 2] : ook met kleintjes?\n\n- Verdachte: Ja.\n\nDiezelfde dag heeft verdachte vanaf 16:00 uur tot en met 16:34 uur een gesprek gevoerd met gebruiker ‘6\u002F15mmmm’ waarin onder meer de volgende berichten zijn verstuurd:\n\n- Verdachte: Hoe jong geil jij\n\n- [gebruiker] : 7\u002F14 jij\n\n- Verdachte: Ik ook\n\n(...)\n\n- Verdachte: ik heb een zoon van 13\n\n(…)\n\n- Verdachte: ik gebruik mijn zoon vaak\n\n(...)\n\n- Verdachte: Wel eens iemand gehad die tegen stribelde\n\n- [gebruiker] : nee jij wel\n\n- Verdachte: Zeker\n\n- Verdachte: Mijn zoon vaak\n\n(…)\n\n- Verdachte: Wat is het geilate (het hof begrijpt ‘geilste’) wat je hebt gedaan\n\n- [gebruiker] : toch wel een jongen van 9 rimmen likken pijpen en laten pijpen\n\n- Verdachte: Nice\n\n- [gebruiker] : en jij\n\n- Verdachte: Rape\n\n- [gebruiker] : al heel lang geleden paar jaar wil graag weer is een jochie hard aanpakken\n\n- Verdachte: Samen doen\n\n- [gebruiker] : JA MAN GRAAG WELKE LEEFTIJD\n\n- Verdachte: Mijn zoon en zijn vriendje\n\n- Verdachte: Intro chems\n\n- [gebruiker] : je zoon kan jniet wandt ik wil echt hard dan\n\n- Verdachte: Waarom mijn zoon niet\n\n- [gebruiker] : omdat ik dan heel hard wil no limids is zielig\n\n- Verdachte: Mag van mij\n\n- Verdachte: hoe hard\n\n- [gebruiker] : all the way\n\n- Verdachte: Mag ook met mijn zoon\n\n(…)\n\n- Verdachte: Intro Chems\n\n- [gebruiker] : nee nooidt gedaan\n\n- Verdachte: Ik geef ze wel eens wat.\n\nIn de telefoon zitten ook berichten die verdachte op 31 augustus 2024 vanaf 16:15 uur met [echtgenoot verdachte] (het hof begrijpt: de echtgenoot van verdachte)wisselde. Verdachte bericht [echtgenoot verdachte] dat zijn tweede wedstrijd later zou beginnen, namelijk om 16:45 uur en dat hij om half zeven klaar zou zijn.Op de zitting van het hof heeft verdachte, daarnaar gevraagd, verklaard dat het fout van hem was om tegen zijn partner te zeggen dat de tweede wedstrijd die hij moest fluiten later zou beginnen, maar dat hij geen idee heeft waarom hij daar over gelogen heeft.\n\nDaarnaast is gebleken dat verdachte op 31 augustus 2024 tussen 6:46:58 uur en 17:45:06 uur twaalf keer naar een sekslijn belt met het nummer [nummer] . Om 17:29:27 uur belt verdachte ook met de sekslijn, terwijl hij op dat moment dus aan de moeder van [slachtoffer] vraagt of zij komt spelen.\n\nOp de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon is nader onderzoek verricht op 2 september 2024. Er zijn 20 video’s aangetroffen die volgens de criteria zijn aangemerkt als kinderpornografisch.Deze video’s stonden op een voor hem toegankelijke locatie op zijn telefoon met de data 11 augustus 2024, 16 augustus 2024, 17 augustus 2024, 24 augustus 2024 en 25 augustus 2024.\n\nTijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verdachte, nadat hem is voorgehouden dat er kinderporno op zijn telefoon is aangetroffen, verklaard dat de kinderporno hem toe is gestuurd.En ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte dat verklaard.\n\nVan de 20 video’s die door de politie zijn aangemerkt als kinderpornografisch is aangegeven welke strafbare elementen en seksuele gedragingen zichtbaar zijn op de aangetroffen video’s.\n\nDe afbeeldingen 01 en 02 in de toonmap betreffen penetratie (ongeveer 65%)\n\n van het lichaam van een minderjarige:\n\no oraal met de penis;\n\no vaginaal met de penis;\n\no anaal met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\n door een minderjarige:\n\no oraal met de penis;\n\no anaal met de penis.\n\nDe afbeeldingen 03 en 04 in de toonmap betreffen ontuchtige handelingen (ongeveer 10%)\n\n betasten\u002Faanraken van een minderjarige:\n\no geslachtsdelen met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\no billen met de vinger\u002Fhand;\n\n betasten\u002Faanraken door een minderjarige:\n\no geslachtsdelen met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\n • • door een minderjarige zichzelf betasten\u002Faanraken:\n\no geslachtsdelen met de vinger\u002Fhand;\n\no billen met de vinger\u002Fhand.\n\nDe afbeeldingen 05 en 07 in de toonmap betreffen poseren door een minderjarige of minderjarige in een pose, met nadruk op geslachtsdelen\u002Fborsten en billen door:\n\ngeheel naakt;\n\ncamerastandpunt;\n\nonnatuurlijke houding.\n\nAfbeelding 06 in de toonmap betreft overige seksuele gedragingen (ongeveer 25 %)\n\nmasturbatie (dicht) bij het lichaam\u002Fgezicht van een minderjarige;\n\nspuiten van\u002Fzichtbaar maken van sperma op lichaam minderjarige;\n\nhouden van de penis dichtbij het lichaam van een minderjarige.\n\nOp de afbeeldingen zijn voornamelijk jongens te zien en een klein deel betreft meisjes of baby’s en peuters tot 2 jaar.\n\nTot slot is er gekeken naar het gebruik van de fotocamera van de telefoon van verdachte en eventuele foto’s die zijn geregistreerd op 31 augustus 2024.Daaruit blijkt dat er tussen 18:03:13 uur en 18:03:34 uur foto’s zijn geregistreerd en op deze foto’s zijn ontblote billen te zien. Uit aanvullend onderzoek naar het materiaal op de telefoon van verdachte is gebleken dat er op 31 augustus 2024 zeven foto’s zijn gemaakt en dat hier een selfie van verdachte tussen zit. De andere zes foto’s (waarvan 4 thumbnails) betroffen foto’s van dezelfde billen en deze foto’s zijn gemaakt op 31 augustus 2024 om 18:03 uur.Uit het onderzoek van [verbalisant 4] blijkt ook dat de gebruiker van de telefoon die onder verdachte in beslag genomen is, op 31 augustus 2024 om 18:02:59 uur de applicatie ‘ [applicatie] ’ heeft geopend waarmee het mogelijk is om foto’s te maken.\n\nConclusies uit het voorgaande\n\nHet toedienen\u002Fin laten nemen van 2MMC (feit 2)\n\nHet hof leidt uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden af dat [slachtoffer] op 31 augustus 2024 in de caravan van verdachte is geweest en dat ze daar van hem iets heeft gekregen wat ze in haar mond heeft gestopt en heeft doorgeslikt.\n\n [slachtoffer] heeft kort nadat moeder haar heeft opgehaald bij de caravan van verdachte tegen haar gezegd dat ze van verdachte een klein wit snoepje had gekregen, dat heel vies smaakte. Ook in het ziekenhuis heeft [slachtoffer] het over ‘witte, vieze en zure snoepjes’ en in de voorbereiding op het studioverhoor over ‘een wit snoepje dat echt ‘bah’ wasen in het studioverhoor over ‘een heel klein wit rond snoepje’.Bovendien blijkt dat [slachtoffer] al snel na terugkomst van haar bezoek aan verdachte lichamelijke klachten krijgt die wijzen op de inname van drugs. Onderzoek door het NFI wijst uit dat bij [slachtoffer] een hoeveelheid 2MMC in haar lichaam is aangetroffen.\n\nVerdachte heeft weliswaar bevestigd dat hij [slachtoffer] in de caravan iets heeft gegeven wat ze op heeft gegeten, maar volgens verdachte betrof dat een geel bananenschuimpje en geen drugs.\n\nDat iemand anders dan verdachte verantwoordelijk is voor de inname van de 2MMC door [slachtoffer] , zoals de verdediging heeft gesteld, acht het hof echter niet aannemelijk. Verdachte is degene die over de bij [slachtoffer] aangetroffen drugs heeft beschikt, aangezien hij iets meer dan een week voor 31 augustus 2024 20 gram 2MMC heeft besteld. Ook is het verdachte die in het gesprek dat hij op 31 augustus 2024 met 6\u002F15mmmm heeft gevoerd de berichten ‘Intro Chems’ en ‘Ik geef ze wel eens wat’ heeft gestuurd. Daarnaast heeft [slachtoffer] het consequent over een klein wit snoepje, hetgeen niet overeenkomt met de verklaring van verdachte dat het om een geel schuimpje zou gaan. Bovendien blijkt uit een van de verhoren van verdachte dat op de plek waar de voorraad schuimpjes volgens verdachte zou liggen, te weten onder in de kast bij de keuken waar de radio bovenop staat, deze daar niet zijn aangetroffen.\n\nHet hof komt dan ook tot de conclusie dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] 2MMC heeft toegediend en\u002Fof in heeft laten nemen en dat [slachtoffer] door de inname hiervan pijn en letsel heeft opgelopen.\n\nMet de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden\n\nvastgesteld dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat verdachte van het feit 2 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt hierbij dat het weliswaar een feit van algemene bekendheid is dat drugs de gezondheid kunnen benadelen en zeker in het geval dat deze worden toegediend aan een driejarige, maar dat over wat de gevolgen kunnen zijn van 2MMC nog te weinig bekend is, zodat onvoldoende vaststaat dat de toediening van deze drugs een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.\n\nHet vervaardigen, verwerven en in bezit hebben van kinderporno (feit 3)\n\nNiet ter discussie staat dat verdachte de video’s die op zijn telefoon zijn aangetroffen en die zijn aangemerkt als kinderpornografisch in zijn bezit heeft gehad. Verdachte heeft wel ontkend dat hij deze bestanden geopend heeft en stelt dat ze enkel naar hem toe zijn gestuurd zonder dat hij er kennis van heeft genomen. Nu verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de kinderporno naar hem is toegestuurd, is het hof van oordeel dat verdachte wist om welke bestanden het ging en dat hij deze video’s heeft verworven en in bezit heeft gehad. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte hier een gewoonte van heeft gemaakt.\n\nEchter, anders dan de rechtbank, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal door foto’s te maken van de billen van [slachtoffer] op het moment dat zij bij hem in de caravan was.\n\nTijdens het onderzoek aan de telefoon van verdachte is immers ook gebleken dat er op de datum 31 augustus 2024 zeven foto’s zijn gemaakt.Het gaat daarbij om zes foto’s (waarvan vier thumbnails) van dezelfde billen en tussen deze foto’s zat een selfie van verdachte. De foto’s waren gemaakt op 31 augustus 2024 om 18:03 uur. Hoewel de verbalisant die de foto’s heeft beoordeeld niet kan zien of het gaat om de billen van een kind, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het om de billen van [slachtoffer] gaat. Zo past het moment waarop de foto’s zijn gemaakt in de tijdslijn van het moment dat [slachtoffer] in de caravan is geweest. Bovendien blijkt uit het feit dat tussen de foto’s van de blote billen een selfie van verdachte is aangetroffen dat het verdachte is geweest die op dat moment de camera heeft bediend en daarbij is er geen enkele aanwijzing dat er nog iemand anders in de caravan van verdachte op dat moment aanwezig was. Tot slot acht het hof van belang dat [slachtoffer] in het ziekenhuis heeft verklaard dat ze bij verdachte op het bed heeft gezeten in haar blootje.\n\nDe stelling van de verdediging dat het proces-verbaal waarin dat is opgenomen slechts een globaal en samengevat proces-verbaal betreft en de mogelijkheid bestaat dat cruciale context of nuance verloren is gegaan, volgt het hof niet. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal.\n\nDe poging tot verkrachting (feit 1)\n\nVoor een strafbare poging tot verkrachting is vereist dat de dader handelingen heeft verricht die kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam. Daarnaast moeten die handelingen niet zodanig zijn dat zij ook bedoeld hadden kunnen zijn om andere misdrijven, zoals een aanranding, te plegen.\n\nIn dat verband blijkt uit het dossier dat verdachte op 31 augustus 2024 vanaf de middag (14:23 uur) met seks bezig is geweest en bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij die dag geil was.Bovendien blijkt uit voornoemde feiten en omstandigheden dat verdachte zowel op 16 augustus 2024 als op 25 augustus 2024 berichten heeft verstuurd over ‘Intro chems’ en dat hij op de bewuste dag, 31 augustus 2024, enkele uren daarvoor ook nog berichten heeft verstuurd waarin verdachte het er over heeft dat hij ‘vaak rape heeft gedaan, ook met kleintjes’. Net als de rechtbank stelt het hof vast dat ‘intro chems’ verdovende middelen zijn zoals speed en 3MMC, die gebruikt kunnen worden tijdens de seks.\n\nIn het laatste gesprek van die dag dat tot 16:01 uur heeft geduurd, is het ook gegaan over ‘rape’, hetgeen verdachte oppert, en over ‘een jochie hard aanpakken’ en stelt verdachte weer ‘Intro chems’ voor, waaruit het hof afleidt dat verdachte het heeft over verkrachting van een jongere onder invloed van drugs. Ongeveer driekwartier later (16:46 uur) heeft verdachte voor de eerste keer die dag een sekslijn gebeld en in dezelfde minuut waarin verdachte ook weer met dezelfde sekslijn heeft gebeld (17:29 uur), heeft hij de moeder van [slachtoffer] het eerste berichtje gestuurd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje wil komen spelen.\n\nToen [slachtoffer] door moeder bij verdachte werd gebracht, heeft hij de deur van de caravan op slot gedaan. De stelling van de verdediging dat de enkele stelling van moeder daarvoor onvoldoende is, volgt het hof niet.\n\nMoeder heeft immers vanaf het eerste contact met de verbalisanten verklaard dat de deur op slot zat, hetgeen ze in de aangifte namens [slachtoffer] heeft herhaald. Daartegenover staan de wisselende verklaringen van verdachte op dit punt.\n\nZo heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat de deur helemaal niet op slot kon, terwijl hij op de zitting in eerste aanleg, op het voorhouden van de voorzitter dat verdachte verklaard heeft dat het chalet niet op slot kan, heeft geantwoord dat het chalet altijd open is, behalve als verdachte op het toilet zit of als hij weg is.Daaruit leidt het hof af dat de deur van de caravan kennelijk wel op slot kon en ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat de caravan wel op slot kon.\n\nDaarnaast heeft het hof, zoals hiervoor overwogen, vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] 2MMC heeft gegeven en heeft hij [slachtoffer] , die op dat moment met een ontbloot onderlichaam op bed zat in zijn slaapkamer, foto’s van haar blote billen gemaakt. Ook betrekt het hof daarbij dat [slachtoffer] na haar bezoek aan verdachte heeft aangegeven dat ze overal aan haar lichaam ‘auw’ heeft en daarbij ook wijst op haar geslachtsdeel en er mannelijk DNA is aangetroffen op haar voorhof.\n\nDaar komt nog bij dat het gedrag van verdachte (naar anderen toe) opvallend te noemen is als uit moet worden gegaan van de verklaring van verdachte dat hij enkel de intentie had om [slachtoffer] een leuke tijd te bezorgen door haar bij hem te laten spelen.\n\nDat begint ermee dat verdachte [slachtoffer] met een smoesje over het samen spelen met een nichtje naar zijn caravan heeft gelokt. Daarnaast heeft hij tegen zijn echtgenoot gelogen over de reden waarom hij die middag later thuis zou komen en heeft verdachte geprobeerd het moment dat moeder [slachtoffer] weer kwam ophalen met een minuut of twintig te rekken. Tot slot heeft verdachte moeder geblokkeerd op Facebook toen zij hem vragen ging stellen over het nichtje van verdachte dat helemaal niet bestaat.\n\nHet hof is van oordeel dat uit de gedragingen voorafgaand en het voornoemde handelen van verdachte een onmiskenbare seksuele intentie blijkt en dat die handelingen in samenhang met de uitlatingen over ‘rape’ van minderjarigen nadat hij hen ‘wel eens wat gaf’ naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] en niet op aanranding.\n\nDat voornemen heeft zich door een begin van uitvoering geopenbaard en stopte pas nadat de moeder van [slachtoffer] de deur van de caravan probeerde te openen.\n\nHet hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van poging tot verkrachting.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1. primair\n\nhij op of omstreeks31 augustus 2024 te [plaats] ,althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen doordwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fofaan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof[slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattendeeen hoeveelheid 2MMC,althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),in elk geval(een)voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen)heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk)(naakt) op het bed heeftlaten zittengezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zittenen\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiair hij op of omstreeks31 augustus 2024 te [plaats] ,althans in Nederland\n\nopzettelijk de gezondheid van een aan zijn zorg en\u002Fofwaakzaamheid toevertrouwd kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2021) heeft benadeeld en\u002Fof[slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer]een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattendeeen hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),in elk geval(een)voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen)toe te dienen en\u002Fof in te laten nemen;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 11 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans (elders) in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,een of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fofmet onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, waaronder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeftverspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fofvervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fofverworven en\u002Fofin bezit heeft gehaden\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaftte weten\n\n- afbeeldingen en\u002Fof\n\n- gegevensdragers bevattende afbeeldingen te weteneentelefoon (merk: Oppo) en\u002Fof\n\n- visuele weergave\u002Fgegevensdragerswaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand en\u002Fof een ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon (afbeelding(en) 01 en\u002Fof 02 van de toonmap)en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand wordt aangeraakt en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van een ander kind\u002Fpersoon met een penis en\u002Fof hand\u002Fvinger wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon en\u002Fof die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen met een vinger\u002Fhand aanraakt(afbeelding(en) 03 en\u002Fof 04 van de toonmap)en\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof in een omgeving en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding(en) 05 en\u002Fof 07 van de toonmap)en\u002Fof dat bij het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en\u002Fof bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden (afbeelding(en) 06 van de toonmap)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en terwijl het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\neen visuele weergave van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en de maatregel van tbs met dwangverpleging en de maatregel ex artikel 38z Sr als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte sinds 1 september 2024 in voorlopige hechtenis verblijft en zijn detentieperiode bijzonder zwaar is gelet op de verschillende ernstige medische klachten van verdachte. Ook heeft de raadsman gewezen op de omstandigheid dat de laatste veroordeling van verdachte voor een zedendelict uit 2014 dateert en op de rapporten die over verdachte zijn opgemaakt, waaruit het advies volgt om de feiten 1 en 2 verminderd aan verdachte toe te rekenen en aan hem tbs met voorwaarden op te leggen.\n\nHet verzoek is om een op te leggen gevangenisstraf zoveel mogelijk te beperken omdat de nadruk moet liggen op behandeling in plaats van vergelding en om een tbs met voorwaarden op te leggen, zoals de deskundigen passend en haalbaar achten. Verdachte wil overal aan mee werken en een eerder opgelegd toezicht heeft hij ook positief afgesloten.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Ten eerste heeft hij contact gelegd met de moeder van een driejarig meisje, [slachtoffer] , en gevraagd of [slachtoffer] met zijn nichtje wilde komen spelen, terwijl verdachte helemaal geen nichtjes heeft. Toen moeder aangaf dat ze het zou vragen, heeft verdachte even later nogmaals gevraagd of ze wilde komen. In de tussentijd en ook voor zijn eerste verzoek heeft verdachte meermalen met een sekslijn gebeld en daarvoor gesprekken gevoerd waarbij gesproken werd over ‘rape’ en ‘hard neuken’ van minderjarigen die onder invloed waren van drugs. Toen [slachtoffer] door moeder is gebracht, heeft verdachte de caravan op slot gedaan en heeft hij [slachtoffer] gedrogeerd door haar 2MMC, een designerdrug die verdachte iets meer dan een week ervoor had besteld en afgeleverd heeft gekregen, te geven.\n\nDat is des te kwalijker nu verdachte zelf ervaring had met het innemen van deze drugs en daar de gevolgen van kende.\n\nVerdachte is met [slachtoffer] naar de slaapkamer gegaan waar [slachtoffer] bed heeft gezeten. Verdachte heeft foto’s gemaakt van de blote billen van [slachtoffer] . Toen moeder er na ongeveer tien minuten een naar gevoel bij kreeg, heeft ze verdachte een bericht gestuurd dat ze [slachtoffer] zou komen halen en heeft verdachte nog geprobeerd om dat moment uit te stellen. Toen moeder [slachtoffer] had opgehaald, zag ze vrij snel dat het niet goed ging met haar. Vervolgens is de driejarige [slachtoffer] met spoed opgenomen in het ziekenhuis. [slachtoffer] had pijn, had bloed in haar mond omdat ze haar mond en tong kapot had gebeten en ze moest meermalen overgeven. Uit alles volgt dat het de intentie van verdachte was om [slachtoffer] te verkrachten en enkel en alleen omdat moeder het toch niet vertrouwde en zij [slachtoffer] snel weer heeft opgehaald, is het bij een poging tot verkrachting gebleven.\n\nDaarnaast heeft verdachte zich met het drogeren van [slachtoffer] schuldig gemaakt aan mishandeling door haar een schadelijke stof toe te dienen terwijl zij op dat moment aan zijn zorg was toevertrouwd door moeder.\n\nHet op slinkse wijze bespelen van de moeder van een meisje van drie jaar door haar te vragen of ze met zijn nichtje wilde komen spelen, zodat verdachte de tijd en gelegenheid had om via haar aan zijn gerief te komen, is zeer kwalijk.\n\nDoor zo te handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en grof misbruik gemaakt van het feit dat zij drie jaar – en daarmee extra kwetsbaar – was.\n\nVerdachte heeft met het plegen van deze strafbare feiten ook veel leed toegebracht. Niet alleen heeft [slachtoffer] de lichamelijke gevolgen van de haar toegediende drugs moeten ervaren, maar heeft ook haar moeder angst en paniek ervaren en het zichzelf kwalijk genomen dat zij [slachtoffer] naar verdachte toe heeft gebracht.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort delicten vaak langdurig te lijden hebben door trauma’s en de daardoor veroorzaakte emotionele schade. Uit de slachtofferverklaring van moeder blijkt dat zij het zichzelf nog steeds kwalijk neemt dat zij verdachte heeft vertrouwd, dat ze het beeld van [slachtoffer] die vecht tegen de drugs die verdachte haar gegeven heeft niet kwijtraakt en dat ze nog zoveel vragen heeft die niet door verdachte beantwoord worden.\n\nDit gedrag rekent het hof verdachte zwaar aan. Daar komt bij dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. Zo zijn zijn verklaringen wisselend en geeft hij zowel bij de rechtbank als het gerechtshof nauwelijks antwoord op inhoudelijke vragen omdat hij het niet meer zou weten.\n\nTot slot zijn bij verdachte op zijn telefoon twintig video’s met kinderporno aangetroffen en de foto’s van de billen van [slachtoffer] . In de video’s zijn vergaande seksuele handelingen te zien van soms zeer jonge kinderen en zelfs baby’s, die seksuele handelingen moeten verrichten en dulden. Het gaat hier om kinderpornografisch materiaal van de ergste categorie. Net als de rechtbank houdt het hof verdachte medeverantwoordelijk voor het genoemde seksuele misbruik van kinderen, omdat hij door het verwerven, het bezit en het vervaardigen heeft bijgedragen aan het in stand houden van de vraag hiernaar. Dit is bijzonder ernstig.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die hier het slachtoffer van zijn, psychologische schade oplopen die zij jaren later en soms zelfs hun hele leven nog met zich meedragen en dat beelden op internet niet zomaar verdwijnen, zodat het misbruik in feite onbeperkt doorgaat. Verdachte heeft zijn eigen seksueel genot boven het welzijn gesteld van de kinderen die op de aangetroffen materialen zijn weergegeven.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte zowel in 2005 als 2014 is veroordeeld voor zedendelicten met een minderjarige. Dat weegt het hof in het nadeel van verdachte mee.\n\nDaarnaast heeft het hof ten behoeve van de beantwoording van de vraag of de oplegging van een maatregel in deze zaak geïndiceerd is, gekeken naar de verschillende rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.\n\nNet als de rechtbank leidt het hof uit het rapport van 4 april 2025 dat is opgesteld door [naam 3] , psychiater\u002Fpsychoanalyticus, het volgende af.\n\nBij verdachte is sprake van een parafiele stoornis, zwakbegaafdheid en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is sprake van onvoldoende sturingsvermogen bij verdachte, met name wanneer hij onder druk komt te staan door life events zoals het overlijden van een familielid. Verdachte ontkent de feiten maar heeft tijdens het psychiatrisch onderzoek aangegeven dat hij verdrietig was vanwege het overlijden van zijn zus, toen is gaan chatten om zijn verdriet een plek te geven, hij ‘iets stouts’ met het meisje van plan was, maar uit zichzelf zou zijn gestopt.\n\nNet als de rechtbank heeft het hof bij de bespreking van het bewijs geconcludeerd dat dit laatste niet het geval is, omdat verdachte voortijdig door de moeder van het meisje werd gestoord.\n\nDe klinische inschatting van het recidiverisico komt uit op matig tot hoog. Zonder behandeling blijven de risicofactoren onveranderd. Een behandeling en begeleiding zijn\n\nnoodzakelijk om de kans op herhaling te verlagen.\n\nVerdachte is in 2005 en in 2014 ook veroordeeld voor zedendelicten met kinderen. Na de\n\nveroordeling in 2014 heeft hij een behandeling voor zedendelinquenten ondergaan. De\n\npsychiater adviseert om de feiten ten aanzien van [slachtoffer] verminderd toe te rekenen en het\n\nbezit van de kinderporno volledig aan verdachte toe te rekenen.\n\nOok het hof neemt deze conclusie ten aanzien van de toerekenbaarheid over en stelt vast dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.\n\nUit het psychologisch onderzoek van GZ-psycholoog [naam 4] van 5 maart 2025 blijkt dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en dat een parafiele stoornis niet met zekerheid gesteld noch uitgesloten kan worden. Nu verdachte een volledig ontkennende houding heeft, onthoudt de onderzoeker zich van advies over de mate van toerekenen.\n\nVolgens de psycholoog is het recidiverisico bovengemiddeld. Bovendien blijkt dat als de ten laste gelegde feiten bewezen worden er sprake is van een beperkt effect van de eerdere zedenbehandeling.\n\nTot slot heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies van 26 augustus 2025 van Reclassering Nederland. Daarin staat vermeld dat betrokkene tweemaal eerder werd veroordeeld (2005 en 2014) vanwege een zedendelict en dat bij beide veroordelingen de slachtoffers minderjarige jongens waren. Betrokkene stond eenmaal eerder onder toezicht van de reclassering en doorliep in het kader van een voorwaardelijke veroordeling een ambulante behandeling bij [instelling] . De verklaringen van betrokkene over hetgeen hem ten laste gelegd wordt en gebeurtenissen in de periode die daaraan vooraf zijn gegaan, wisselen en worden bij confrontatie met dossierinformatie bijgesteld, ontkend of ontweken. Betrokkene lijkt zijn verhaal, na confrontatie, telkens aan te passen hetgeen voor verwarring zorgt en niet overeenkomt met hetgeen op is genomen in de pro Justitia rapporten.\n\nDe reclassering geeft aan dat de maatregel van tbs met voorwaarden technisch uitvoerbaar is. Ze zijn echter terughoudend dit te adviseren. De reclassering noemt het advies voorzichtig positief. Zij zien risico’s in het feit dat bij een veroordeling de eerder doorlopen behandeling klaarblijkelijk niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Verdachte laat bij confrontatie met dossierinformatie ontkennend, ontwijkend en bagatelliserend gedrag zien. Zij vragen zich bovendien af of betrokkene daadwerkelijk de impact van een tbs maatregel met voorwaarden en dagbehandeling inziet.\n\nOp te leggen straf\n\nGelet op het voorgaande is enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend. Het hof heeft bij het vaststellen van de duur van de gevangenisstraf ten eerste rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, in het bijzonder dat het hier gaat om het drogeren van een driejarige met de intentie haar te verkrachten en het bezit van kinderpornografisch materiaal waarin hele jonge kinderen en baby’s te zien zijn.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de omstandigheid dat verdachte twee keer eerder voor zedendelicten is veroordeeld, de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend en de impact die de feiten op het slachtoffer hebben gehad. Ook heeft het hof acht geslagen op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nAlles overwegende is het hof van oordeel dat de duur van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf, die in hoger beroep ook weer is gevorderd, de ernst van de bewezen verklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking brengt. Het hof zal dan ook aan verdachte een langere gevangenisstraf opleggen dan de drie jaren die door de rechtbank zijn opgelegd.\n\nHet hof legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTbs met voorwaarden of tbs met dwangverpleging?\n\nVoorts is het hof van oordeel dat oplegging van de maatregel van tbs noodzakelijk is.\n\nHet hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte de maatregel van tbs kunnen worden opgelegd.\n\nIn de eerste plaats dient bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het betreffende feit dient in de tweede plaats een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1° Sr) vermeld. In de derde plaats dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Ten slotte kan een dergelijke maatregel enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.\n\nIn de onderhavige zaak is aan deze voorwaarden voldaan en er is geen discussie over dat verdachte behandeld dient te worden binnen een tbs-kader en dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van die maatregel eist.\n\nDe vraag die het hof dient te beantwoorden is welke vorm van tbs opgelegd dient te worden: tbs met verpleging van overheidswege, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, of tbs met voorwaarden, zoals de verdediging heeft gevraagd.\n\nDe deskundigen hebben in hun rapporten opgenomen dat volstaan kan worden met oplegging van tbs met voorwaarden. Het hof volgt echter de deskundigen niet in voornoemde adviezen en acht het evenals de rechtbank en de advocaat-generaal noodzakelijk dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nTer onderbouwing van deze beslissing stelt het hof voorop dat uit de rapportages van zowel de psycholoog als de psychiater volgt dat de nadruk moet liggen op een intensieve en langdurige zedenbehandeling. Daar komt bij dat verdachte de bewezenverklaarde feiten ontkent, hij twee keer eerder voor zedendelicten is veroordeeld en daarbij eenmaal eerder een zedenbehandeling bij [instelling] heeft gevolgd. Het hof stelt, gelet op de onderhavige zaak, vast dat deze behandeling onvoldoende effect heeft gehad. Ook stelt het hof met de rechtbank vast dat uit de rapportages evenals op de zitting is gebleken dat verdachte niet beschikt over ziektebesef en ook niet begrijpt waarom hij een behandeling nodig heeft.\n\nDaar komt nog bij dat de reclassering in het rapport aan heeft gegeven dat het advies van tbs met voorwaarden slechts voorzichtig positief is omdat de reclassering door de opstelling van verdachte het risico op onttrekken aan de voorwaarden niet in kan schatten.\n\nVolgens de reclassering is het gelet op de eerdere veroordelingen van verdachte, de doorlopen behandeling en de houding van verdachte de vraag of een tbs met voorwaarden haalbaar is.\n\nNet als de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte een intensieve, klinische en langdurige behandeling nodig heeft en dat een stevig behandelkader in een beveiligde omgeving noodzakelijk is om grip op verdachte te krijgen. De duur van de behandeling van een tbs met voorwaarden is daarvoor te kort en ook het hof betrekt hierbij het hoge risico op schijnaanpassing.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat het terugdringen van voornoemd recidiverisico en de noodzakelijke bescherming van de maatschappij, niet anders kan plaatsvinden dan door middel van het opleggen van tbs met dwangverpleging. Deze maatregel biedt in het onderhavige geval de meeste waarborgen voor een optimale risicoreductie. Anders dan de verdediging heeft bepleit, kan niet worden volstaan met een minder hoog niveau van bescherming.\n\nHet hof overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten de feiten 1 primair en 2 subsidiair. De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom, gelet op artikel 38e Sr, een periode van vier jaren te boven gaan.\n\nMaatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Sr\n\nDaarnaast is het hof van oordeel dat een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr noodzakelijk is. Naar het oordeel van het hof is de oplegging van de maatregel nodig in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. Verdachte zal ter beschikking worden gesteld en worden veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tot slot hebben zowel de deskundigen als de reclassering de oplegging van deze maatregel geadviseerd. Aan de formele vereisten is voldaan.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de problematiek van verdachte met zich brengt dat langdurig toezicht nodig is om recidive te voorkomen of in ieder geval zoveel mogelijk in te perken. Het hof zal daarom, gelet op het bovenstaande, tot de oplegging van de maatregel met langdurig toezicht overgaan.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 1.777,86, bestaande uit € 277,86 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade en heeft daarnaast een bedrag van € 570,24 aan proceskosten gevorderd. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 102,96 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.\n\nNamens de benadeelde partij heeft mr. Bouw op de zitting in hoger beroep aangegeven dat het hof het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde materiële schade kan volgen, te weten toewijzing van een bedrag van € 102,96. Daarnaast heeft mr. Bouw verzocht de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren nu deze schade onvoldoende is onderbouwd vanwege het ontbreken van een diagnose van geestelijk letsel.\n\nVoor wat betreft de gevorderde proceskosten heeft mr. Bouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, maar daarbij wel gewezen op de omstandigheid dat oma en stiefopa een groot deel van de tijd voor [slachtoffer] zorgen en een zeer betrokken rol hebben in de zorgtaken van haar. Oma heeft namens de moeder van [slachtoffer] de advocaat bezocht voor een bespreking van de zaak en de zittingen bij de rechtbank bijgewoond en zij heeft geen bijstand van een advocaat. Om die reden is het verzoek om de proceskosten die oma heeft gemaakt toe te wijzen.\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de materiële schade die gevraagd wordt toegewezen dient te worden zoals de rechtbank dat heeft gedaan en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.\n\nStandpunt verdediging\n\nGelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging de standpunten die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht gehandhaafd en is het verzoek aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.\n\nOordeel van het hof\n\nVoor wat betreft de gevorderde materiële schade stelt het hof voorop dat het hof duidelijk is gebleken dat de oma en stiefopa van [slachtoffer] net zo betrokken zijn bij het welzijn van [slachtoffer] als de moeder van [slachtoffer] , maar dat het hof gebonden is aan de wet voor wat betreft de mogelijkheden om de gevraagde schade van oma toe te kennen.\n\nHet hof is met de rechtbank van oordeel dat alleen de kosten die oma heeft gemaakt om [slachtoffer] naar het ziekenhuis te brengen voor vergoeding in aanmerking komen, te weten\n\n€ 69,30. Daarnaast wijst het hof toe de gevorderde kosten die moeder heeft gemaakt op 31 augustus 2024 en 1 september 2024 voor het brengen van [slachtoffer] naar het ziekenhuis, te weten € 33,66. De benadeelde partij heeft immers rechtstreeks schade geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.\n\nVoor wat betreft de overige gevorderde materiële schade kan de benadeelde partij niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.\n\nTen aanzien van de gevorderde immateriële schade zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren nu deze schadepost, zoals op de zitting door mr. Bouw zelf ook is aangevoerd, onvoldoende is onderbouwd. Ook dit deel van de vordering kan de benadeelde partij nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nVoor wat betreft de proceskosten sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. De noodzakelijke reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt komen op grond van de artikelen 238 en 239 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet in aanmerking voor vergoeding wanneer zij zich heeft laten bij staan door een gemachtigde\n\n(Hoge Raad, 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:334). Ook de reiskosten om de advocaat van de benadeelde te bezoeken om de zaak te bespreken komen om die reden niet voor\n\nvergoeding in aanmerking (Hoge Raad, 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414). Aangevoerd is dat de kosten van oma en stief-opa voor het bezoeken van de terechtzittingen wel voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen omdat zij geen bijstand van een gemachtigde hadden. Aangezien opa en stief-opa geen benadeelde partij zijn in deze zaak, komen deze kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nHet hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering van de proceskosten.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00 ingediend bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de onderbouwing van de vordering en de Rotterdamse schaal, zij zich kan voorstellen dat het hof de immaterieel toe te wijzen vordering enigszins matigt, maar niet in de mate zoals de rechtbank dat heeft gedaan. Volgens de advocaat-generaal zou een groter deel moeten worden toegewezen dan de rechtbank heeft gedaan.\n\nStandpunt verdediging\n\nGelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging de standpunten die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht gehandhaafd en is het verzoek aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.\n\nOordeel van het hof\n\nOp de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.\n\nDe bewezen verklaarde feiten betreffen een poging tot verkrachting en een mishandeling en vastgesteld kan worden dat als gevolg van het bewezenverklaarde handelen door verdachte bij de benadeelde partij naar objectieve maatstaven sprake is van lichamelijk letsel en van een aantasting in de persoon op andere wijze (geestelijk letsel). De aard en de ernst van deze feiten brengt mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat van een aantasting in de persoon kan worden gesproken. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist.\n\nVoor wat betreft de hoogte van de immateriële schade heeft het hof gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de onderbouwing van de vordering en aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal.\n\nIn deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(c) Herstelperiode van ongeveer twee maanden’ en oppervlakkig en beperkt letsel een bedrag tot € 1.100,00 genoemd.\n\nNu de benadeelde partij als driejarige door het toedienen van de drugs door verdachte haar mond kapot heeft gebeten, pijn heeft gehad in verschillende delen van haar lichaam, ziek is geweest en met de ambulance is afgevoerd, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van oppervlakkig en beperkt letsel, maar zodanig letsel dat reeds hierom de gevorderde schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld kan worden op het gevorderde bedrag van € 2.000,00. De vordering wordt daarom in het geheel toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 57, 240b, 250, 252, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van5 (vijf) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 102,96 (honderdtwee euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVerklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de proceskosten.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 102,96 (honderdtwee euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 augustus 2024.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 augustus 2024.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.H. Garos, mr. R.D.J. Visschers en mr. D. Stikkelbroeck,\n\nin aanwezigheid van de griffier mr. H.J. Rosmalen-Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 juli 2026.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 juli 2026.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. J. Steenbrink, voorzitter,\n\nmr. V.T.R.W. van Thiel , advocaat-generaal,\n\nmr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n De hierna onder de voetnoten 2 t\u002Fm 18, 20 t\u002Fm 22, 26, 28 t\u002Fm 31 en 36 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal 08RANGER, nummer 2024407947, in de wettelijke vorm opgemaakt op 4 april 2025 door [brigadier] , brigadier.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 25 t\u002Fm 28).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 251 t\u002Fm 252) en het WhatsApp-bericht als bijlage gevoegd (pagina 310).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 249 t\u002Fm 250).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 54 en 55).\n\n Patiëntendossier [ziekenhuis] inzake [slachtoffer] , p. 126.\n\n Het rapport van het NFI (pagina’s 175 t\u002Fm 181).\n\n Het rapport van het NFI (pagina’s 104 t\u002Fm 108).\n\n Het proces-verbaal van aangifte (pagina’s 39 t\u002Fm 44).\n\n Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor (pagina’s 60 t\u002Fm 61).\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte (pagina’s 595-597) en het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 598-600).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 509 t\u002Fm 510).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 351 t\u002Fm 352).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 441 t\u002Fm 447).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 488 t\u002Fm 502).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 470 t\u002Fm 487).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 344 t\u002Fm 351).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 515 t\u002Fm 517).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 339 t\u002Fm 340).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 341).\n\n Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Gelderland op 6 september 2024 (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent, met bijlage (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 518).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 519 t\u002Fm 521).\n\n Het proces-verbaal voorbereiding studioverhoor (pagina’s 58 en 59).\n\n Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor (pagina’s 60 en 61).\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte (pagina 650).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer 148, in de wettelijke vorm opgemaakt op 29 juli 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland van 3 oktober 2025.\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 637).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4368","2026-07-13T00:29:30.894Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":44,"courtId":82,"decisionDate":106,"fullText":107,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":51,"updatedAt":110},"665","ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","ecli-nl-rbams-2026-6627","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F768717 \u002F FA RK 25-3298\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nBeschikking echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. S. Toughza uit Amsterdam,\n\nen\n\n [de man],\n\nhierna te noemen de man,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. J. Werner uit Amsterdam.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie [locatie 1] , hierna te noemen: de Raad.\n\nAls belanghebbende is aangemerkt:\n\nJeugdbescherming Regio Amsterdam,\n\ngevestigd te [locatie 2] ,\n\nhierna te noemen: JBRA.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 6 mei 2025;\n\nhet verweerschrift van de man, met daarin een zelfstandig verzoek, ontvangen op 18 september 2025;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 13 oktober 2025 met daaraan gehecht een brief van de Raad waaruit blijkt dat de Raad naar aanleiding van door Veilig Thuis gemelde zorgen een beschermingsonderzoek zal doen naar [minderjarige] ;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 29 mei 2026 met de mededeling dat een audio-opname via Zivver wordt nagestuurd;\n\neen brief van de man van 2 juni 2026 waarin zijn advocaat reageert op het door de vrouw ingediende audiobestand en het zelfstandige tegenverzoek wordt gewijzigd;\n\nhet F-9 formulier van de vrouw van 4 juni 2026 waarin zij de rechtbank verzoekt dat de gezinsvoogd graag een uitnodiging krijgt voor de mondelinge behandeling en\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 4 juni 2026 met daaraan gehecht een productie.\n\n1.2.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nPartijen en hun advocaten, mevrouw [persoon 1] van de Raad en mevrouw [persoon 2] , gezinsvoogd werkzaam voor JBRA en een collega.\n\nPartijen hebben over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is beschikking bepaald op heden.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] , België.\n\n2.2.. De vrouw heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit en de man heeft de Algerijnse nationaliteit.\n\n2.3.. Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [plaats 2] .\n\n2.4.. De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 16 september 2025 de vrouw bericht dat na aanleiding van een melding van Veilig Thuis [locatie 3] een beschermingsonderzoek zal worden verricht naar de situatie van [minderjarige] .\n\n2.5.. Op 2 februari 2026 heeft deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBRA met ingang van 2 februari 2026 tot 2 november 2026.\n\n3. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is\n\n3.1.. De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken en Nederlands recht is van toepassing.\n\nEchtscheiding\n\n3.2.. \n\nOp grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van het minderjarige kind van partijen. In dit geval ontbreekt een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan. Er is voldoende onderbouwd waarom partijen geen ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve onder toepassing van artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek tot echtscheiding inhoudelijk behandelen. De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.\n\nHoofdverblijfplaats\n\n3.3.. Beide partijen verzoeken de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen te bepalen.\n\n3.4.. De vrouw stelt dat zij altijd hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest.\n\n3.5.. De man stelt dat beide partijen gezamenlijk de zorg over [minderjarige] hebben gedragen, er was nooit één hoofdverzorger. De man betwijfelt of de vrouw wel geschikt is om (alleen) voor de zoon te zorgen. De vrouw blowt veel en er komen bij haar thuis voortdurend mensen over de vloer waarbij er ook wel sprake is van drugsgebruik, de man wil daarover verder niet in detail treden. Dit zorgt voor een onvoldoende stabiele en veilige thuissituatie. De man denkt dat het meest in het belang van [minderjarige] is als hij het hoofdverblijf bij de man zal krijgen, echter op dit moment kan er geen sprake zijn van het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem; de verhuurder staat niet toe dat [minderjarige] langer dan twee nachten elkaar bij de man verblijven. De man hoopt binnenkort een geschikte woning te krijgen waar [minderjarige] langer bij de man kan verblijven.\n\n3.6.. De rechtbank begrijpt het standpunt van de man aldus dat hij zijn verzoek op dit moment in feite niet langer handhaaft en dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek van de vrouw. Omdat [minderjarige] zijn feitelijke hoofdverblijf bij de vrouw heeft en de rechtbank het in zijn belang acht dat deze situatie ook juridisch wordt vastgelegd en de man daartegen niet langer verweer voert, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe. De Raad heeft het verzoek van de vrouw gesteund omdat [minderjarige] bij de vrouw woont.\n\nZorgregeling\n\n3.7.. Beide partijen hebben verzocht een zorgregeling vast te stellen.\n\n3.8.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] bij de man is elke dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt voor de Lidl bij [locatie 4] .\n\n3.9.. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld, waar [minderjarige] ook getuige van is geweest. De vrouw onderschrijft het belang van contact tussen de man en [minderjarige] en heeft dit ondanks het verleden van partijen ook nooit geweigerd, maar zij maakt zich wel zorgen en wil dat er voorzichtig wordt omgegaan met [minderjarige] . [minderjarige] ziet zijn vader nu elke dinsdag. Inmiddels verloopt de regeling steeds beter. [minderjarige] had in het begin veel moeite om naar zijn vader toe te gaan. De vrouw wil dat de regeling rustig wordt uitgebreid, in afstemming op [minderjarige] . Op dit moment vindt na overleg met de gezinsvoogd de overdracht plaats in het appartementencomplex waar de vrouw en [minderjarige] wonen. [minderjarige] loopt de trap af en de man vangt hem daar op. De vrouw heeft niet het idee dat de man werkelijk naar een co-ouderschap wil toewerken. Zij vermoedt dat de man denkt dat een co-ouderschap de kansen van de man op een verblijfsvergunning verhoogt. De vrouw vindt het fijn dat JBRA en Sipi, de betrokken hulpverleningsorganisatie, meekijken. Zij hoopt dat er ook de mogelijkheid zal zijn dat [minderjarige] met een psycholoog kan praten. [minderjarige] slaapt heel erg onrustig end dat baart de vrouw zorgen. De vrouw is niet tegen een uitbreiding op termijn met overnachtingen, maar vindt dat de uitbreiding in het tempo moet gaan van [minderjarige] . Omdat de vrouw doordeweeks werkt na kantoortijden en in het weekend moet er in de regeling ruimte zijn voor haar om [minderjarige] op haar vrije momenten te zien. Als de man in het weekend de zorg niet kan dragen dan moet er een manier gevonden worden om de vrije momenten te delen. De vrouw zou de dinsdag willen aanhouden en daarbij een regeling in het weekend.\n\n3.10.. De man heeft verzocht om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, van vrijdagmiddag tot zondagavond (na het eten) en waarbij de overdracht plaatsvindt op [locaties] .\n\n3.11.. Voor de man is het essentieel dat [minderjarige] en hij met grotere regelmaat en voor een langere tijd per keer omgang hebben. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij is blij en vrolijk bij de man. De man kan goed voor [minderjarige] zorgen en het gaat steeds beter. De man wil een uitbreiding ook stap voor stap doen in het belang van [minderjarige] . De man wil zijn rol als vader serieus oppakken. De man wil wel graag duidelijkheid over wat er op termijn mogelijk zal zijn. De man heeft werk dat zich in het weekend concentreert. Daarom moet er een compromis gevonden worden waarin beide partijen tijd met [minderjarige] kunnen doorbrengen op hun vrije momenten. Overdag kan de man de zorg dragen in het weekend, maar hij werkt in het weekend ’s avonds. De man betwist dat hij enkel een co-ouderschap op papier zou willen om een verblijfsvergunning te kunnen krijgen. Zijn diepste wens is om meer tijd door te brengen met [minderjarige] .\n\n3.12.. De gezinsvoogd heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat sinds de afgelopen maanden dat JBRA betrokken is de situatie is verbeterd. Er is veel gebeurd in het verleden. Beide ouders werken nu goed mee met de hulpverlening. Op dit moment is Sipi betrokken die helpt bij de omgang. JBRA vindt het belangrijk dat uitbreiding van de zorgregeling veilig gebeurt. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat er wordt uitgebreid door vaker kortere momenten te organiseren. Het zou fijn zijn voor [minderjarige] als er meer duidelijkheid komt.\n\n3.13.. De raadsmedewerker heeft op de mondeling behandeling het volgende naar voren gebracht. De overdracht zoals die nu plaats vindt van [minderjarige] van de ene naar de andere ouder is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is twee jaar en daarmee veel te jong om alleen de oversteek in het trappenhuis te moeten maken van moeder naar vader. Door de overdracht op deze manier te doen heeft [minderjarige] geen support van zijn ouders, geen toestemming om naar de andere ouder te gaan, en dat moet echt anders. Het is fijn dat Sipi helpt bij het organiseren van een goed veilige omgang. De vrouw moet vragen kunnen stellen over de omgang van [minderjarige] bij vader en vader andersom ook. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat beide ouders betrokken zijn, ook als [minderjarige] op dat moment niet bij hen is. Het is dus ook belangrijk dat informatie over het adres waar [minderjarige] met de man verblijft, kenbaar wordt gemaakt aan de vrouw. Ouders dienen zich te allen tijde af te vragen wat zij zelf kunnen doen om het voor [minderjarige] gemakkelijker te maken. Het is voor alle betrokkenen fijn om een stip op de horizon te hebben naar de toekomstige situatie waarin de zorgregeling verder is uitgebreid. Maar het voorstel van de man geeft te veel onrust. [minderjarige] is nog erg klein en de zorgregeling moet worden opgebouwd. Er zit nu teveel spanning op. De Raad wil meegeven dat er voorzichtig en langzaam naar uitbreiding met eerst een nachtje moet worden toegewerkt. Naar de vrouw toe geeft de Raad mee dat kinderen onrustiger gaan slapen als er spanningen zijn, maar dit ook past bij de leeftijd. [minderjarige] bevindt zich midden in de fase van het opbouwen van hechting met de man. Daar hoeft de vrouw zich nu geen zorgen over te maken. Het is belangrijk dat [minderjarige] terugkijkt op deze periode later en vindt dat zijn ouders dit best wel goed voor hem hebben geregeld. Omdat [minderjarige] nog heel klein is, is het extra belangrijk dat er goed naar [minderjarige] wordt gekeken. Als het een keer niet zo goed gaat, breng hem dan terug. Vader gaat steeds belangrijker worden. De Raad adviseert om in overleg met Sipi en JBRA op termijn uit te breiden naar contact op bijvoorbeeld maandag en van donderdag op vrijdag, dan is er iets meer ruimte tussen de contactmomenten. Toewerken naar twee nachtjes op termijn is een mogelijkheid. Maar het is afwachten hoe [minderjarige] daarop zal reageren. Kan hij met toestemming van beide ouders en onbelast toewerken aan een uitgebreidere zorgregeling? Het zal waarschijnlijk een stuk sneller gaan als de spanningen tussen partijen eindigen. Misschien kunnen partijen in overleg met hun advocaten kijken naar de werktijden van beide ouders en komen tot een plan.\n\n3.14.. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal de huidige zorgregeling vastleggen en daarbij bepalen dat deze regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA plaatsvindt, die zich terzake laat informeren en adviseren door Sipi. Deze zorgregeling wordt op termijn uitgebreid naar een regeling waarbij [minderjarige] ook bij zijn vader zal overnachten. Dat zal eerst een nacht per week zijn en, indien dit goed gaat en JBRA daartoe aanleiding ziet, naar twee nachten per week. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de voorgeschiedenis van partijen moet deze uitbreiding behoedzaam en in afstemming op [minderjarige] plaatsvinden. Met betrekking tot de overdracht van [minderjarige] tussen de ouders is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de huidige regeling, waarbij de twee-jarige [minderjarige] zelf het trappenhuis van de flat alleen naar boven en naar beneden moet lopen, niet in het belang van de minderjarige is. De overdracht dient bij de vrouw voor de deur plaats te vinden zodat [minderjarige] de toestemming voelt om naar de andere ouder te gaan. Van de ouders mag verwacht worden dat zij zich ervoor inspannen dat de overdracht voor [minderjarige] rustig en prettig verloopt. De man dient [minderjarige] bij de vrouw op te halen en weer terug te brengen.\n\nMitsdien wordt beslist als volgt.\n\n4. De beslissing\n\n4.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] (België);4.2.. stelt vast dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;4.3.. \n\nstelt vast dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man is:\n\n- iedere dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt,\n\nwelke regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA wordt uitgebreid met een nacht per week en in de verdere toekomst twee nachten per week, in afstemming op [minderjarige] ;\n\n4.4.. deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van de echtscheiding;\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.B. Sluijs, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. van den Berg, griffier op 3 juli 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.\n\n Echtscheiding: art. 3 Brussel II-ter en art. 10:56 BW. Ouderlijke verantwoordelijkheid: art. 7 Brussel II-ter en art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.987Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":44,"courtId":82,"decisionDate":115,"fullText":116,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":51,"updatedAt":118},"1350","ECLI:NL:RBDHA:2026:18165","ecli-nl-rbdha-2026-18165","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.40183 T\n\n V-nummers: [v-nummer 1]\n\n [v-nummer 2]\n\n [v-nummer 3]\n\ntussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , eiseres,\n\ngeboren op [geboortedag 1] 1984, staatloos,\n\nmede namens haar minderjarige kinderen:\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2010,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 3] 2016,\n\nbeiden van Tunesische nationaliteit,\n\nhierna samen te noemen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. R.E. van Deijck).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit waarbij de afwijzing van hun asielaanvraag is ingetrokken. Ook beoordeelt de rechtbank of eisers nog belang hebben bij een beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van hun asielaanvraag.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft mede namens haar minderjarige kinderen op 13 april 2022 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 18 augustus 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.2.. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n2.3.. Met de brief van 8 juni 2026 (hierna: het intrekkingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken. Eisers hebben hun beroep gehandhaafd.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de kinderen in de gelegenheid gesteld hun mening over de zaak kenbaar te maken. Op 18 juni 2026 heeft de voorzitter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek met hen gehouden. Een verslag van dit kindgesprek is aan het dossier toegevoegd.\n\n2.5.. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, A. Belkassem als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\nHet intrekkingsbesluit\n\n3.1.. Eisers hebben de rechtbank verzocht het intrekkingsbesluit te vernietigen, onder andere omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eisers hebben er geen vertrouwen in dat de minister, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft gesteld, binnen acht weken opnieuw zal beslissen op de aanvraag. Zij verzoeken de rechtbank daarom om de geschilpunten te beslechten en een termijn van vier weken te stellen waarbinnen de minister opnieuw dient te beslissen.\n\n3.2.. De rechtbank overweegt dat het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege ook betrekking heeft op het intrekkingsbesluit.\n\n3.3.. Uit het intrekkingsbesluit volgt dat de minister het bestreden besluit heeft ingetrokken vanwege het besluit- en vertrekmoratorium Libanon. Ter zitting heeft de minister de motivering van het intrekkingsbesluit aangevuld in die zin dat de minister nader wil onderzoeken of Tunesië als veilig derde land kan worden aangemerkt. In dat kader dient de minister nog het zogenoemde ‘bandencriterium’ te toetsen. Ook dient de situatie in de VAEnader onderzocht te worden, omdat de VAE staatloze Palestijnen uitzet naar Libanon. Tot slot wenst de minister eiseres en mogelijk ook haar kinderen te horen voordat hij een nieuw besluit neemt.\n\n3.4.. De rechtbank is gelet op de nadere motivering van de minister ter zitting van oordeel dat het intrekkingsbesluit voldoende is gemotiveerd. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om tot vernietiging van het intrekkingsbesluit over te gaan. Het beroep voor zover zich dat richt tegen het intrekkingsbesluit is daarmee ongegrond.\n\n3.5.. De rechtbank constateert echter wel een gebrek in de besluitvorming van de minister. De uiterste termijn om te beslissen op een asielaanvraag is 21 maanden. Door het intrekken van het bestreden besluit heeft de minister deze termijn ruimschoots overschreden, namelijk met meer dan 29 maanden. In dit geval had de minister dan ook direct een nieuw besluit op de aanvraag in de plaats dienen te stellen.\n\n3.6.. De rechtbank zal de minister opdragen om binnen de toegezegde termijn van acht weken te beslissen op de aanvraag en daarmee het geconstateerde gebrek te herstellen. Hoewel de minister al heeft toegezegd een nieuw besluit te nemen, zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid stellen om aan te geven of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.\n\nHet bestreden besluit\n\n4.1.. Voor de volledigheid gaat de rechtbank hierna in op het verzoek van eisers om het bestreden besluit te beoordelen, ondanks dat het besluit is ingetrokken. Volgens eisers kan een inhoudelijk oordeel over verschillende geschilpunten de minister helpen bij het nieuw te nemen besluit op hun aanvraag. Dat het bestreden besluit is ingetrokken, staat niet in de weg aan een vernietiging van dat besluit, aldus eisers.\n\n4.2.. In artikel 6:19, zesde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit als de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.\n\n4.3.. Het is de rechtbank niet gebleken dat eisers nog een belang hebben, als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid van de Awb, bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Anders dan eisers betogen, is dit belang niet gelegen in de gestelde onrechtmatigheid van het besluit, maar in wat zij kunnen bereiken bij de eventuele vaststelling daarvan. Door de intrekking van het bestreden besluit hebben eisers in dit geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit. Het besluit geldt immers al niet meer. De rechtbank verwijst naar de door de minister genoemde uitspraak van de Afdelingvan 9 december 2024.\n\nConclusie5.1.. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat aan het intrekkingsbesluit een gebrek kleeft, omdat de minister niet direct een nieuw besluit op de aanvraag in de plaats heeft gesteld. Het intrekkingsbesluit is dus onvolledig. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moet de minister binnen acht weken een besluit op de aanvraag van eisers nemen met inachtneming van deze tussenuitspraak. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb binnen één week meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als er een besluit is genomen, dan zal de rechtbank eisers vragen of zij het eens zijn met het besluit en of zij het beroep willen voorzetten. Eisers krijgen dan vier weken de tijd om te reageren.5.2.. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.\n\n5.3.. De rechtbank heeft voor de kinderen een aparte terugkoppeling van deze tussenuitspraak gemaakt. Deze terugkoppeling, in de vorm van een brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is gelijktijdig met de tussenuitspraak verstuurd en als bijlage aan deze tussenuitspraak gehecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- draagt de minister op binnen één week de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;\n\n- stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.\n\nBeste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\nOp 18 juni 2026 hebben wij met elkaar gepraat op de rechtbank. Supergoed van jullie dat jullie zijn gekomen en mij hebben verteld wat jullie van de zaak vinden.\n\nJullie hebben mij verteld dat jullie zaak al zo lang duurt en dat jullie hier in Nederland helemaal geïntegreerd zijn en hier willen blijven. Jullie spreken de taal, doen het heel goed op school en hebben leuke vrienden. Het leven in het AZC voor zo een lange tijd valt jullie zwaar. Het liefst zouden jullie een eigen plek willen samen met jullie moeder, zodat jullie jullie vrienden kunnen laten komen. Jullie moeder is jullie steun en toeverlaat. Jullie maken je zorgen dat jullie terug moeten naar Libanon, Dubai of Tunesië. Dat maakt jullie verdrietig en boos. Jullie hele leven is sinds 2018 in Nederland.\n\nIk heb jullie tijdens ons gesprek laten weten dat ik samen met twee andere rechters ga nadenken over jullie zaak.\n\nOp 22 juni 2026 was de zitting over jullie zaak. Toen zaten jullie ook in de zaal en hebben wij vooral gepraat met jullie moeder, de advocaat van jullie moeder en de advocaat van de minister.\n\nVandaag hebben wij een tussenuitspraak gedaan in jullie zaak. In deze brief leg ik uit wat wij hebben besloten.\n\nIn onze uitspraak hebben wij als eerste gezegd dat wij begrijpen waarom de minister het besluit op jullie aanvraag heeft ingetrokken. Hij kan jullie namelijk op dit moment niet naar Libanon sturen, omdat het daar onveilig is. Verder wil de minister kijken of Tunesië voor jullie veilig is. Ook gaat de minister de situatie in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) onderzoeken, omdat de VAE staatloze Palestijnen (zoals jullie moeder) uitzet naar Libanon.\n\nWij hebben in onze uitspraak gezegd dat jullie zaak erg lang duurt en dat wij het fout vinden dat de minister het besluit in jullie zaak zo kort voor de zitting heeft ingetrokken maar daar geen nieuw besluit voor in de plaats heeft genomen. Jullie wachten namelijk al meer dan 29 maanden op de beslissing op jullie aanvraag en dat is veel te lang.\n\nDe minister heeft nu gezegd dat hij binnen acht weken een besluit gaat nemen op jullie aanvraag. Dat hebben wij hem in onze uitspraak opgedragen te doen. Wij snappen dat het voor jullie vervelend is dat jullie nog langer moeten wachten, maar omdat de minister nog een onderzoek moet doen en jullie eventueel wil horen, is die acht weken tijd niet onredelijk. Tot die tijd houden wij jullie zaak wel aan ons zodat wij, als de minister straks een besluit heeft genomen, kunnen beoordelen of dat een goed besluit is.\n\nIk hoop dat het voor jullie zo duidelijk is wat wij hebben beslist, en waarom wij die beslissing hebben genomen. Verder hopen wij dat het goed met jullie zal gaan.\n\nGroetjes,\n\nDe rechter: M.B. de Boer.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\n Zaaknummer: NL25.40184.\n\n Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Kamerstukken II 2025\u002F2026, 19637, nr. 3563; Stcrt. 2026, 14240.\n\n Verenigde Arabische Emiraten.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:5043.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18165","2026-07-13T00:29:17.256Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":44,"courtId":74,"decisionDate":115,"fullText":123,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":125},"887","ECLI:NL:RBNNE:2026:2653","ecli-nl-rbnne-2026-2653","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie Groningen\n\nzaak-\u002Frekestnummer: C\u002F18\u002F258592 \u002F FA RK 26-4412\n\nbeschikking van 2 juli 2026 naar aanleiding van de informele rechtsingang\n\nin de zaak van\n\n [Naam minderjarige],\n\ndie is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2011 in [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna \"de minderjarige\" wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. [naam advocaat] , die kantoor houdt in [plaats 1] .\n\nDe rechter merkt als belanghebbende aan:\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,\n\ndie gevestigd is in Groningen,\n\nen die hierna \"de voorlopige voogd\" wordt genoemd.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Deze procedure is ingeleid met schriftelijk verzoek van de (de advocaat van de) minderjarige, dat de rechtbank heeft ontvangen op 2 juli 2026.\n\n1.2.. De rechtbank heeft met uitdrukkelijke instemming van (de advocaat van) de minderjarige telefonisch de voogd gehoord op 2 juli 2026.\n\n1.3.. De rechtbank heeft vervolgens met instemming van de belanghebbenden zonder verdere mondelinge behandeling direct uitspraak gedaan en aangekondigd dat de uitspraak schriftelijk wordt uitgewerkt in deze beschikking.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.\n\n2.2.. De minderjarige staat onder voorlopige voogdij, nadat de met het gezag belaste ouders zijn overleden en daardoor onverwijld in het gezag over de minderjarige moest worden voorzien.\n\n2.3.. De minderjarige en de voogd hebben schriftelijk en telefonisch feiten en omstandigheden aangevoerd die het noodzakelijk maken dat onverwijld een bijzondere curator wordt benoemd.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Het verzoek heeft een uitzonderlijke en ingrijpende achtergrond, omdat sprake is van parenticide: het (vermoedelijk) opzettelijk doden van de ouders door een eigen kind. Dit feit heeft niet alleen strafrechtelijke consequenties, maar werkt ook door in de civielrechtelijke verhoudingen, in het bijzonder waar het de positie en belangen van de minderjarige betreft. In een dergelijk krachtenveld van rouw, loyaliteitsconflicten, mogelijke stigmatisering en complexe familierechtelijke en erfrechtelijke kwesties, bestaat een reëel risico dat de belangen van de minderjarige niet, niet voldoende of niet onbevangen tot hun recht komen.\n\n3.2.. Uit de ter onderbouwing van het verzoek gestelde feiten, bezien in samenhang met de achtergrond van parenticide, volgt dat de minderjarige zich in een uitermate kwetsbare positie bevindt. Enerzijds is sprake van het verlies van de ouders door een gewelddadige dood, anderzijds van ingrijpende erfrechtelijke gevolgen die moeten worden geregeld. Deze combinatie maakt dat het voor de minderjarige feitelijk onmogelijk is om eigen belangen kenbaar te maken, laat staan daarover zelfstandig een standpunt in te nemen.\n\n3.3.. De voorlopige voogd heeft toegelicht dat er bovendien bijzondere feiten en omstandigheden zijn die meebrengen dat het noodzakelijk is dat een bijzondere curator wordt benoemd met ter zake dienende kennis van het erfrecht, mede gelet op de rechtsvragen die rijzen over bijvoorbeeld de onwaardigheid om te erven en wat dit betekent voor de wijze van afwikkeling van de nalatenschap. In samenhang hiermee spelen er urgente contractuele kwesties die nu niet of niet voortvarend genoeg kunnen worden geadresseerd. De rechtsvragen overstijgen de mogelijkheden van de voorlopige voogd om zelfstandig te beoordelen wat in het belang van de minderjarige is aangewezen en welke stappen moeten worden gezet.\n\n3.4.. De rechtbank stelt vast dat hiermee sprake is van een vermogensrechtelijk spanningsveld dat de objectieve en onafhankelijke behartiging van de belangen van de minderjarige door de voorlopige voogd onder druk kan zetten. Onder deze omstandigheden is sprake van een zodanig risico dat de belangen van de minderjarige onvoldoende tot hun recht komen, dat benoeming van een bijzondere curator aangewezen is voor zover het de erfrechtelijke positie van de minderjarige betreft. De bijzondere curator zal de vermogensrechtelijke belangen van de minderjarige in en buiten rechte behartigen, de voorlopige voogd daarover adviseren en daarover aan de rechtbank rapporteren.\n\n3.5.. De rechtbank geeft hierbij een aantal gezichtspunten ten aanzien van de taak van de bijzondere curator en daarmee responderend op wat schriftelijk en mondeling is aangevoerd:\n\nEr lijkt sprake te zijn van wat wel een onbeheerde boedel wordt genoemd;\n\nHet laat zich aanzien er niet bij testament een executeur of afwikkelingsbewindvoerder is benoemd;\n\nDe nalatenschap door of namens de minderjarige kan slechts beneficiair worden aanvaard, hetgeen meebrengt dat de nalatenschap overeenkomstig de wettelijke regels moet worden vereffend;\n\nIn beginsel rust de taak tot vereffening op de erfgenamen en, voor zover het de minderjarige betreft, op diens wettelijk vertegenwoordiger, thans de voorlopige voogd;\n\nDe voorlopige voogdij geldt in beginsel voor een duur van maximaal drie maanden; binnen die periode moet door de Raad voor de Kinderbescherming worden verzocht een definitieve gezagsvoorziening, anders vervalt de maatregel;\n\nGezien de complexiteit en ontwrichting van de situatie lijkt het niet reëel dat de voorlopige voogd de nalatenschap zelf afwikkelt, noch dat een eventueel later in tijd uit het netwerk van de minderjarige te benoemen voogd met deze taak wordt belast.\n\nDe wet biedt de mogelijkheid om op verzoek van een belanghebbende een professionele vereffenaar te laten benoemen;\n\nNu hiervan tot op heden geen gebruik is gemaakt, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat de bijzondere curator de taak heeft te signaleren of benoeming van een vereffenaar geboden is en, indien dat het geval is, een daartoe strekkend verzoek te (doen) initiëren;\n\nEr zijn contractuele verplichtingen van de boedel die onverwijld moeten worden geadresseerd om financieel nadeel te voorkomen;\n\nIemand is in het Nederlandse recht alleen onwaardig is om te erven als hij onder één van de in artikel 4:3 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) limitatief opgesomde gevallen valt. De wet vereist onder meer een onherroepelijke rechterlijke veroordeling voor de in het artikel genoemde misdrijven; zolang hoger beroep of cassatie nog openstaat, is er nog geen wettelijke onwaardigheid. De mogelijke onwaardigheid speelt daarom ten aanzien van de minderjarige vooralsnog geen rol.\n\n3.6.. Mede gelet op de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan de regeling omtrent minderjarige erfgenamen en beneficiaire aanvaarding, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat de bijzondere curator deze actieve rol vervult. Van de bijzondere curator mag in een situatie als de onderhavige worden verwacht dat zij niet afwacht totdat andere betrokkenen het initiatief nemen, maar dat zij zelfstandig beoordeelt of een formele vereffening onder leiding van een door de rechtbank te benoemen vereffenaar noodzakelijk of wenselijk is om de vermogensrechtelijke positie van de minderjarige veilig te stellen, en dat hij daaraan vervolgens de geëigende juridische stappen verbindt.\n\n3.7.. Op grond van de voorgaande overwegingen zal de rechtbank mr. [achternaam bijzondere curator] benoemen tot bijzondere curator, die zich bereid heeft verklaard deze benoeming te aanvaarden.\n\n3.8.. Deze bijzondere curator kan vanwege inschrijvingsvereisten bij de Raad voor de Rechtsbijstand niet door de rechtbank worden toegevoegd. Dit doet echter niet af aan de wettelijke bevoegdheid van de rechtbank om mr. [achternaam bijzondere curator] te benoemen als bijzondere curator. Voor de benoeming van een advocaat die niet aan de inschrijvingsvereisten voldoet is redengevend dat de wel op de lijst beschikbare advocaten niet de erfrechtelijke expertise nodig hebben om de hier voorliggende taak te kunnen vervullen. De rechtbank is van oordeel dat de te benoemen bijzondere curator ervaren en deskundig is in het familie- en jeugdrecht en ter zake het erfrecht voldoende gespecialiseerd is om haar taak naar behoren te vervullen.\n\n3.9.. Betaling gaat om bovenstaande reden op basis van het uurtarief. De rechtbank begroot de kosten van de bijzondere curator vooreerst op een tiental uren tegen het opgegeven uurtarief ter grootte van € 305,- exclusief BTW. De rechtbank zal het aldus begrote voorschot ter grootte van € 3.690 inclusief21% BTW voorlopig ten laste van ’s Rijkskas brengen. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator wanneer het voorschot niet toereikend is om zo spoedig mogelijk een begroting te maken van de kosten van haar bijstand.\n\n3.10.. De rechtbank is voornemens te bepalen dat de kosten van de bijzondere curator ten laste van de boedel behoren te komen en zal te zijner tijd verlangen dat de boedelbeschrijving wordt overgelegd ter beoordeling van de mogelijkheden om de kosten ten laste van de boedel te brengen.\n\n3.11.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. benoemt met ingang van 2 juli 2026 tot bijzondere curator over de minderjarige, mr. [voorletter en achternaam bijzondere curator] , die kantoor houdt in [plaats 2] , ten einde de minderjarige te vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 1:250 BW;\n\n4.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.3.. gelast de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking onverwijld aan de (advocaat van de) minderjarige, de voorlopige voogd en de bijzondere curator te zenden;\n\n4.4.. verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op de rolzitting van vrijdag 2 oktober 2026, of zoveel eerder als mogelijk, het verslag van bevindingen aan de rechtbank, de voorlopige voogd en (de advocaat van) de minderjarige uit te brengen;\n\n4.5.. begroot de kosten van de deskundige voorlopig op € 3.690 inclusief 21% BTW en bepaalt dat de kosten van de bijzondere curator voorlopigten laste komen van 's-Rijks kas.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026. De beschikking is schriftelijk uitgewerkt in deze beschikking en ondertekend op 3 juli 2026.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2653","2026-07-13T00:28:53.026Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":44,"courtId":98,"decisionDate":130,"fullText":131,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":51,"updatedAt":133},"1911","ECLI:NL:GHARL:2026:4193","ecli-nl-gharl-2026-4193","2026-06-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.365.414\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland 452145\n\nbeschikking van 25 juni 2026\n\nover de beëindiging van het gezag over [de minderjarige1]\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.E.M. Messink\n\nen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\nregio Gelderland, locatie Arnhem\n\nen\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)\n\ndie is gevestigd in Arnhem\n\nen\n\n [belanghebbende1](de pleegmoeder)\n\ndie woont in [woonplaats2] .\n\nHet hof merkt als informant aan:\n\n [informant1](de vader)\n\ndie woont in [woonplaats3] , gemeente [gemeentenaam] .\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe ouders hebben een kind: [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), die is geboren [in]\n\n 2019.\n\n2.2.. De moeder heeft het gezag over [de minderjarige1] .2.3.. \n [de minderjarige1] verblijft sinds [datum1] 2022 bij de pleegmoeder in een netwerkpleeggezin.\n\n2.4. \n [de minderjarige1] is op 13 januari 2023 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd tot 13 januari 2027.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.\n\n3.2.. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 19 november 2025. De beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing zijn blijven doorlopen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.\n\n4.2.. De raadwil dat de beslissing in stand blijft.\n\n4.3.. De GIwil dat de beslissing in stand blijft. Ook de pleegmoeder wil dat de beslissing in stand blijft.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.4.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 9 februari 2026\n\nde spreekaantekeningen van de raad\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad\n\neen vertegenwoordiger van de GI\n\nde dochter van de pleegmoeder, als informant\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.\n\nWat vinden partijen?\n\n5.3.. Volgens de moeder is de zogenoemde ‘aanvaardbare termijn’ nog niet verstreken. De moeder vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat zij een traject bij [naam1] is gestart om aan haar persoonlijke problematiek te werken. De moeder heeft goede hoop dat zij op enig moment weer zelf voor [de minderjarige1] kan zorgen. Voor de moeder werkt het niet om meerdere therapieën en trajecten tegelijk te volgen. Zij wil eerst focussen op haar therapie bij [naam1] , daarom heeft zij niet meegewerkt aan het NIKA-traject en de begeleide omgang. Inmiddels is er volgens de moeder wel een intakegesprek ingepland met een instantie die de omgang gaat begeleiden. Volgens de moeder ontvangt zij niet altijd alle informatie over [de minderjarige1] en verloopt de communicatie met de pleegmoeder niet goed. Hierdoor is het voor haar lastig om toestemming te geven voor gezagsbeslissingen. De moeder heeft geen toestemming gegeven voor speltherapie van [de minderjarige1] , omdat zij vindt dat de problemen van [de minderjarige1] voortkomen uit het feit dat [de minderjarige1] niet meer bij haar woont. Het uitbreiden van het contact is volgens de moeder de oplossing voor de problemen van [de minderjarige1] .\n\n5.4.. De raad vindt dat is voldaan aan de voorwaarden voor het beëindigen van het gezag. De raad benadrukt dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling veel hulpverlening is ingezet, gericht op de behandeling van de moeder, het versterken van de opvoedvaardigheden van de moeder en het onderzoeken van een terugplaatsing. Veel van de ingezette hulpverlening heeft de moeder vroegtijdig stopgezet. Volgens de raad ontwikkelt [de minderjarige1] zich goed in het gezin van de pleegmoeder en ligt zijn perspectief daar. Dat de moeder weigert toestemming te geven voor de speltherapie van [de minderjarige1] baart de raad zorgen. Volgens de raad laat de moeder hiermee zien dat zij geen inzicht heeft in wat [de minderjarige1] nodig heeft. De raad vindt het positief dat de moeder hulpverlening bij [naam1] is aangegaan, maar dit traject is niet meer van invloed op het perspectief van [de minderjarige1] . [de minderjarige1] heeft een instabiel verleden en er is sprake van hechtingsproblematiek. Hij heeft daardoor extra behoefte aan stabiliteit, structuur en duidelijkheid. Volgens de raad is het daarom ook in het belang van [de minderjarige1] dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en dat duidelijk is dat zijn perspectief binnen het pleeggezin ligt.\n\n5.5.. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] heel belangrijk is. Hier heeft de GI twee jaar lang op ingezet, maar dit komt nog niet goed van de grond. Volgens de GI is het een terugkerend patroon dat de moeder de hulpverlening en de omgang stopt op het moment dat het te dichtbij komt. Dit is volgens de GI heel moeilijk voor [de minderjarige1] . Volgens de GI is het belangrijk dat de moeder de hulpverlening afrondt.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.6.. De rechtbank heeft het gezag van de moeder op goede gronden beëindigd. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen). Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.\n\n5.7.. Het hof overweegt, zoals de rechtbank dat ook heeft gedaan, dat het voor [de minderjarige1] , voor de pleegmoeder, maar ook voor de moeder belangrijk is dat er duidelijkheid komt over het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] . Dit is vooral belangrijk, omdat bij de moeder de - heel begrijpelijke - wens blijft bestaan dat zij zelf voor [de minderjarige1] zal zorgen. Het hof vindt dat echter niet in het belang van [de minderjarige1] , omdat de aanvaardbare termijnruimschoots is verstreken. [de minderjarige1] woont immers al sinds hij drie maanden oud is (eerst in het kader van een vrijwillige plaatsing) bij de pleegmoeder en hij kan daar ook blijven wonen. De pleegmoeder biedt [de minderjarige1] een stabiele en veilige opvoedomgeving. Aan de zijde van de moeder is - ook nu nog - geen sprake van een stabiele leefsituatie. De moeder heeft het traject bij [naam1] nog niet volledig doorlopen, zij heeft geen ruimte om mee te werken aan het NIKA-traject en tot voor kort wilde de moeder niet deelnemen aan de begeleide omgang met [de minderjarige1] . Er is hierdoor al langere tijd geen contact meer tussen [de minderjarige1] en de moeder. Ook de belafspraken tussen [de minderjarige1] en de moeder verlopen nog niet goed. De moeder kan [de minderjarige1] iedere dinsdag bellen, maar het lukt de moeder niet om die afspraak iedere week na te komen.\n\n5.8.. Het hof vindt het een positieve ontwikkeling dat de moeder gestart is met haar behandeling bij [naam1] en dat zij inmiddels openstaat voor begeleide omgang. Het hof hoopt dat de moeder de opgaande lijn kan vasthouden zodat ook het NIKA-traject in de toekomst opgestart kan worden. De moeder speelt een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] . Zij blijft altijd zijn moeder. De raad en de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat zij het heel belangrijk vinden dat de moeder in het leven van [de minderjarige1] betrokken blijft. Het hof sluit zich daarbij aan. Het hof gunt het de moeder dat zij de opgaande lijn doorzet, zodat zij een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] kan (blijven) spelen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van\n\n19 november 2025.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW\n\n Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind\n\n De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4193","2026-07-13T00:29:45.056Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":44,"courtId":138,"decisionDate":139,"fullText":140,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":141,"sourceTimestamp":142,"parsedAt":51,"updatedAt":143},"1715","ECLI:NL:RBOVE:2026:3807","ecli-nl-rbove-2026-3807",69,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer : 12206774 \\ EJ VERZ 26-76\n\nBeschikking van de kantonrechter van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verzoekster] , wonende te [woonplaats 1] ,\n\n2. [verzoeker], wonende te [woonplaats 2] ,\n\nsamen te noemen verzoekers,\n\ngemachtigde: mr. M.A. Stokroos, notaris te Rijssen.\n\nBelanghebbende is:\n\n [belanghebbende], geboren op [geboortedatum] 2009, dochter van verzoekers,\n\nwonende te [woonplaats 3] .\n\n1. De procedure1.1. \n [verzoekers] hebben een verzoekschrift ingediend, ontvangen op 29 april 2026, ingevolge artikel 1:345 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n1.2.. Het verzoek is behandeld op 17 juni 2026 waar verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Ook belanghebbende is verschenen.\n\n2. De beoordeling2.1. Op grond van artikel 1:345 BW behoeft de voogd machtiging van de kantonrechter om een overeenkomst strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige aan te gaan. Op grond van artikel 1:356 BW geeft de kantonrechter de machtiging slechts, indien dit hem in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging geven en daaraan zodanige voorwaarden verbinden, als hij dienstig oordeelt. Op grond van artikel 1:253k BW zijn deze artikelen ook van toepassing op het bewind van de ouders.\n\n2.2. Bij de beoordeling van de vraag of het verlenen van de machtiging in het belang van de minderjarige is kunnen de volgende omstandigheden een rol spelen:\n\n- gewaarborgde continuïteit in de leefsituatie van de minderjarige;\n\n- de mening van de minderjarige, en\n\n- het doel van de transactie en het te verwachten resultaat voor de minderjarige.\n\n2.3. Het verzoek betreft de oprichting van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met de naam [bedrijf] B.V., met zetel te [vestigingsplaats] . Het betreft een persoonlijke holding.\n\n2.4. De moeder van [belanghebbende] heeft de eenmanszaak [eenmanszaak] . De vader van [belanghebbende] heeft een dakdekkersbedrijf.\n\n2.5. In het verzoek staat vermeld dat [bedrijf] B.V. zal toetreden tot de eenmanszaak [eenmanszaak] , die na deze toetreding zal worden gewijzigd in een VOF.\n\n2.6. Opzet is dat [belanghebbende] gaat participeren in zowel het ondernemingsvermogen, via haar personal holding bv, alsmede het oprichten van een werkmaatschappij, samen met de holding van haar vader. In de gezamenlijke werkmaatschappij zullen jonge paarden worden getraind door [belanghebbende] en weer worden doorverkocht.\n\n2.7. Tijdens de mondelinge behandeling hebben verzoekers en hun gemachtigde toegelicht dat het feitelijk nu al zo is dat [belanghebbende] paarden opleidt en deze worden doorverkocht en dat het goed is om deze situatie formeel te regelen. [belanghebbende] rijdt paarden voor anderen en brengt de paarden op een hoger niveau.. Zij doet een BBL opleiding paardenhouderij bij het [college] in [plaats] .\n\n2.8. Tijdens de mondelinge behandeling is door de ouders en [belanghebbende] opgemerkt dat zij alles in onderling overleg doen. De ouders houden daarbij ook rekening met de belangen van hun andere twee kinderen. Ook willen zij het eerlijk doen tussen de kinderen.\n\n2.9. \n\nHun gemachtigde heeft tijdens de mondelinge behandeling in antwoord op vragen van de kantonrechter opgemerkt dat [belanghebbende] geen reële financiële risico’s loopt. Er is gekozen voor een bv structuur. [belanghebbende] is daarom niet als persoon aansprakelijk. [belanghebbende] is niet bestuurder. Er kan dus geen sprake zijn van bestuurdersaansprakelijkheid van [belanghebbende] .\n\nDe gemachtigde heeft daarnaast opgemerkt dat het niet de voorkeur heeft dat [belanghebbende] als minderjarige en vennoot zou gaan participeren in een VOF. Dit mede in verband met een eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid van een vennoot. In de gekozen constructie zal de bv toetreden tot de eenmanszaak die na toetreding zal worden gewijzigd in een VOF. [belanghebbende] zal dus niet als persoon toetreden. Er is bewust voor gekozen om de aandelen niet te certificeren. Het is de bedoeling dat [belanghebbende] in de toekomst ook zeggenschap zal krijgen.\n\n2.10. De kantonrechter kan zich vinden in de wens van verzoekers om de feitelijke situatie een juridische structuur te geven. Verzoekers hebben toegelicht dat daarmee tevens een juridische basis wordt gelegd voor de toekomst. Ook heeft [belanghebbende] tijdens de mondelinge behandeling verklaard achter het verzoek te staan. Het verzoek is dus in het belang van de minderjarige en kan worden toegewezen.\n\n3. De beslissing3.1. Wijst het verzoek om een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op te richten met de naam [bedrijf] B.V., met zetel te [vestigingsplaats] , toe.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n(JHd(O)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3807","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.445Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":44,"courtId":74,"decisionDate":148,"fullText":149,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":148,"parsedAt":51,"updatedAt":151},"1463","ECLI:NL:RBNNE:2026:2420","ecli-nl-rbnne-2026-2420","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie Groningen\n\nZaaknummers: C\u002F18\u002F239726 \u002F FA RK 24-6000 (gezagsbeëindiging)\n\nC\u002F18\u002F235781 \u002F JE RK 24-382 (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)\n\nC\u002F18\u002F248721 \u002F JE RK 25-557 (wijziging verblijfplaats)\n\nC\u002F18\u002F255823 \u002F JE RK 26-783 (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)\n\nBeschikking van 19 juni 2026 over het gezag, de ondertoezichtstelling, de machtiging tot uithuisplaatsing en de wijziging van de verblijfsplaats van\n\n [naam kind],\n\ndie is geboren op [datum] 2021 in [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna “ [naam kind] ” wordt genoemd,\n\nop verzoek van\n\nde gecertificeerde instelling\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,\n\ndie gevestigd is in Amsterdam,\n\nen die hierna “de GI” wordt genoemd,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nregio Noord-Nederland, locatie Groningen,\n\nen die hierna “de Raad” wordt genoemd.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [naam ouder 1]en[naam ouder 2],\n\ndie wonen in [plaatsnaam] ,\n\nen die hierna “de ouders” worden genoemd,\n\nadvocaat: mr. J.S. Özsaran, die kantoor houdt in Groningen,\n\n [naam pleegmoeder],\n\nwonende in [plaatsnaam] ,\n\nhierna te noemen “de pleegmoeder”,\n\nadvocaat: mr. N. Groeneveld, die kantoor houdt in Groningen.\n\n1. Het (verdere) procesverloop\n\nIn de zaken C\u002F18\u002F239726 \u002F FA RK 24-6000 en C\u002F18\u002F235781 \u002F JE RK 24-3821.1.. Bij beschikking van 6 december 2024 heeft de kinderrechter iedere beslissing aangehouden en de Hoge Raad der Nederlanden (hierna “de Hoge Raad”) verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing de omschreven rechtsvragen te beantwoorden.\n\n1.2.. Op 19 december 2026 heeft de Hoge Raad zijn prejudiciële beslissing genomen.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft de ouders, de oma, de GI en de Raad bij brief van 10 maart 2026 de gelegenheid gegeven om zich schriftelijk uit te laten over de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad.\n\n1.4.. Op 11 maart 2026 heeft de rechtbank de schriftelijke reactie van de oma ontvangen.\n\nIn de zaak C\u002F18\u002F248721 \u002F JE RK 25-5571.5.. Bij beschikking van 18 december 2025 heeft de kinderrechter zijn beslissing aangehouden. In die beschikking is overwogen dat het van belang is dat er onderzoek wordt gedaan om de oorzaak van [naam kind] gedragsproblemen beter te begrijpen en te bepalen wat hij nodig heeft voor een voor hem zo gezond en optimaal mogelijke ontwikkeling. De GI heeft een deskundige gevonden die bereid en in staat is het onderzoek uit te voeren. De kinderrechter is ervan uitgegaan dat de GI aan de deskundige de onderzoeksopdracht zou verstrekken en heeft de GI verzocht het definitieve rapport van de deskundige en de daarop gegeven reacties van alle betrokken aan de rechtbank toe te sturen.\n\n1.6.. Op 11 juni 2026 heeft de rechtbank van de GI het rapport van het onderzoek ontvangen.\n\nIn de zaak C\u002F18\u002F255823 \u002F JE RK 26-7831.7.. Bij beschikking van 22 mei 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de oma verlengd tot 22 juni 2026. Hij heeft de betrokkenen opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 en heeft iedere verdere beslissing aangehouden.\n\nIn alle zaken1.8.. Op 16 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gevoegd en mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, de oma, hun advocaten, [naam vertegenwoordiger] , die de GI vertegenwoordigt en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigt.\n\n1.9.. Ten slotte is bepaald dat deze beschikking vandaag wordt gegeven.\n\n1.10.. De rechter wijst erop dat wanneer hij in deze beschikking “de kinderrechter” schrijft, dit moet worden gelezen als de kinderrechter voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing of de rechtbank voor de gezagsbeëindiging, afhankelijk van de zaak die wordt behandeld.\n\n2. De (verdere) beoordeling\n\nWaar gaat het (nog) om in deze zaken?2.1.. Het gaat in de gevoegd behandelde zaken om de nu vierjarige [naam kind] . [naam kind] verblijft vrijwel zijn gehele leven bij zijn oma, omdat de ouders onvoldoende in staat zijn gebleken in zijn opvoedingsbehoeften te voorzien. Er bestaan zorgen over de opvoedsituatie bij de oma en over haar draagkracht. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming hebben verzoeken ingediend met betrekking tot de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] , alsmede ten aanzien van het gezag van de ouders. De kinderrechter heeft de beslissing op deze verzoeken aangehouden en prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De Hoge Raad heeft deze vragen inmiddels beantwoord.\n\n2.2.. De kinderrechter dient nu te beoordelen of een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de ouders noodzakelijk is, dan wel of de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] dienen te worden verlengd, en zo ja, op welke wijze uitvoering aan deze maatregelen dient te worden gegeven.\n\n2.3.. Gelet op de feiten, de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad en het uitgebrachte deskundigenrapport komt de kinderrechter tot de conclusie dat voor [naam kind] dient te worden toegewerkt naar een plaatsing in een pleegzorgvoorziening die kan voorzien in zijn blijvend intensieve zorg- en begeleidingsbehoefte, mede nu reële en juridisch aanvaardbare alternatieven ontbreken.\n\n2.4.. Hierna zal de kinderrechter uiteenzetten waarom hij tot deze conclusie komt en welke gevolgen dit heeft voor de te nemen beslissingen op de verschillende verzoeken.\n\nSamenvattende terugblik op de feiten en de huidige situatie van [naam kind]2.5.. is een vierjarige jongen die sinds hij ongeveer twaalf weken oud was bij zijn oma woont, omdat de ouders mede door middelengebruik, huiselijk geweld en beperkte opvoedvaardigheden, niet in staat waren in zijn (verzwaarde) opvoedbehoeften te voorzien. Bij [naam kind] is FASD vastgesteld, een verzamelnaam voor blijvende lichamelijke, cognitieve en gedragsproblemen die ontstaan door alcoholgebruik van de moeder tijdens de zwangerschap, met een blijvende ontwikkelingsachterstand en een structureel beperkingspatroon, waardoor hij niet zonder toezicht kan zijn, maar aangewezen is op voortdurende nabijheid van volwassenen, voorspelbaarheid en strakke structuur.\n\n2.6.. Uit het rapport van deskundigenrapport blijkt dat [naam kind] snel overprikkeld raakt, de omgeving kan ontregelen, andere personen pijn doet (bijten, knijpen, spugen) en de oma sterk opeist, zodat haar draagkracht en sociale steun ernstig onder druk staan. Tegelijkertijd laat het rapport zien dat hij, mits er sprake is van vaste routines, consequente begeleiding en positieve communicatie in een voldoende bemenste en deskundige omgeving, wel tot enige ontwikkeling en “successen” kan komen.\n\n2.7.. De oma biedt [naam kind] feitelijk al jarenlang de dagelijkse verzorging en opvoeding en hij ervaart haar woning als zijn vertrouwde leefomgeving. De begeleiding aan huis signaleert op dit moment geen acute, directe onveiligheid, maar wel dat de zorgvraag van [naam kind] toeneemt en de belasting voor oma nu al de grenzen van haar draagkracht nadert. Inmiddels is een logeerplek bij het [naam logeerplek] gerealiseerd, maar de GI heeft juist moeten constateren dat een duurzame, passende “ontlasting” in het vrijwillige en\u002Fof beperkte logeer­kader onvoldoende van de grond komt.\n\nDe positie van de ouders en oma en de rol van de GI2.8.. De ouders hebben een belast verleden met middelengebruik en huiselijk geweld; bij de moeder is een ernstige cognitieve beperking vastgesteld. Volgens de GI zijn de verslavingsproblemen thans weliswaar gestabiliseerd en staan de ouders meer open voor hulp, maar blijven er wezenlijke zorgen over hun psychische gesteldheid, medicatiegebruik en beperkte opvoedvaardigheden, in het bijzonder in relatie tot de verzwaarde opvoedvraag van [naam kind] .\n\n2.9.. De Raad en de GI achten het, mede in het licht van de aanvaardbare termijn, niet reëel dat de ouders binnen een voor [naam kind] verantwoorde termijn in staat zullen zijn de volledige opvoeding van hem op zich te nemen. Daarbij weegt mee dat de ouders het specifieke karakter van zijn beperkingen en de daaruit voortvloeiende opvoedvraag onvoldoende onderkennen en geneigd zijn hun opvoedcapaciteiten af te meten aan de zorg voor zijn zusje, terwijl dat, gezien zijn andere profiel, geen valide referentie is.\n\n2.10.. Wat de oma betreft, is gebleken dat de pleegzorgplaatsing via het Leger des Heils is beëindigd omdat niet meer aan de pleegzorgcriteria werd voldaan, onder meer wegens het niet naleven van afspraken, een wisselende en conflictueuze relatie met de moeder en beschuldigingen over en weer, waaronder mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag door de partner van oma.\n\n2.11.. Hoewel hierop geen strafrechtelijk of anderszins hard bewijs ligt, heeft deze voorgeschiedenis geleid tot het oordeel van de GI en eerder ook van de pleegzorgaanbieder dat de situatie bij oma, mede door haar beperkte draagkracht, onvoldoende bestendig en onvoldoende transparant is om de verzwaarde zorgvraag van [naam kind] op lange termijn te kunnen dragen.\n\n2.12.. De GI blijft, tegen deze achtergrond, actieve regievoering noodzakelijk achten en heeft de rechtbank om toestemming gevraagd om [naam kind] – zo nodig – op een andere plek dan bij oma te laten wonen, in een setting die beter kan voorzien in zijn complexe zorgbehoeften.\n\nRichtinggevend kader van de Hoge Raad2.13.. In de door de kinderrechter gestarte prejudiciële procedure heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de (rechts)bescherming van het kind en de ouders in situaties waarin een minderjarige in een pleeggezin wordt geplaatst, de pleegzorgaanbieder of GI de plaatsing niet (meer) wil continueren, en tevens een gezagsbeëindiging aan de orde is. De Hoge Raad heeft in het beantwoorden van de vragen vooropgesteld dat het recht van het kind op veiligheid en bescherming meebrengt dat wanneer de GI een pleeggezin als onvoldoende veilig acht, zij van (voortzetting van) die plaatsing moet afzien en de kinderrechter dienovereenkomstig moet beslissen als hij dat oordeel deelt.\n\n2.14.. Daarbij heeft de Hoge Raad benadrukt dat beslissingen over ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging steeds moeten worden beoordeeld in het licht van artikel 8 EVRM: de inmenging in het gezinsleven moet bij wet zijn voorzien, een legitiem doel dienen én noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, hetgeen mede inhoudt dat het doel niet met een minder ingrijpende maatregel kan worden bereikt en dat een zorgvuldige “fair balance” tussen de betrokken belangen wordt gemaakt. Ook heeft de Hoge Raad, in aansluiting op de jurisprudentie van het EHRM, nogmaals benadrukt dat het doel van gezinshereniging niet te snel mag worden losgelaten en dat beslissingen over gezagsbeëindiging moeten worden gebaseerd op een actuele, grondige beoordeling van de oudercapaciteiten en de concrete ontwikkelingsbehoeften van het kind binnen diens aanvaardbare termijn.\n\n2.15.. Voor pleegzorg specifiek volgt uit de prejudiciële beslissing dat de kinderrechter, ondanks een (negatieve) screening of het beëindigen van pleegzorg door de aanbieder, de plaatsing in een pleeggezin niet uitsluitend op basis daarvan mag beëindigen, maar dat hij alle beschikbare informatie, waaronder rapportages van de Raad en recente deskundigenonderzoeken, integraal moet meewegen. In het bijzonder geldt dat, als de kinderrechter tot het oordeel komt dat de veiligheid in het pleeggezin structureel onvoldoende kan worden gewaarborgd, hij zodanig moet beslissen dat (verdere) plaatsing in dat pleeggezin wordt voorkomen of beëindigd en dat wordt toegewerkt naar een setting die wél in staat is de minderjarige de benodigde bescherming en ontwikkelingskansen te bieden.\n\nNoodzaak van gezagsbeëindiging en verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing2.16.. In het licht van dit kader en de beschikbare informatie moet worden beoordeeld of voortzetting van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, dan wel een gezagsbeëindiging, noodzakelijk en proportioneel zijn. Gegeven de ernst en het permanente karakter van de beperkingen van [naam kind] , zijn behoefte aan intensieve en deskundige begeleiding, en de beperkte opvoedcapaciteiten van de ouders, is niet te verwachten dat de bedreiging van zijn ontwikkeling binnen een voor hem aanvaardbare termijn onder hun gezag zal worden weggenomen.\n\n2.17.. Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat de huidige plaatsing bij de oma, ondanks haar inzet en de gehechtheid van [naam kind] , op termijn niet in staat is de toenemende zorgvraag en de noodzakelijke continuïteit en voorspelbaarheid te waarborgen, mede gezien de draagkracht van de oma, de voorgeschiedenis met de pleegzorginstantie en de voortdurende noodzaak van intensieve professionele ondersteuning.\n\n2.18.. Het zijn de feiten en omstandigheden die het begrijpelijk maken dat de Raad het verzoek heeft gedaan om het gezag van de ouders te beëindigen. De rechter gaat hierin op de vraag of een beëindiging van het gezag in het belang van [naam kind] , op dit moment, noodzakelijk is of kan worden volstaan met het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing.\n\n2.19.. De verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing volstaat, in deze overgangsfase, om de juridische basis te bieden voor het zoeken naar en realiseren van een passende voorziening van pleegzorg of een daarmee vergelijkbare residentiële voorziening die specifiek toegesneden is op kinderen met FASD en een blijvend hoge begeleidingsbehoefte. Daarbij geldt dat met het oog op de positieve verplichtingen onder artikel 8 EVRM, de GI gehouden blijft de band tussen [naam kind] , de ouders en de oma, waar mogelijk en verantwoord, in stand te houden en contact te faciliteren, zonder hem bloot te stellen aan onevenredige hardheid. De kinderrechter zal daarom aan de GI een algemene machtiging tot uithuisplaatsing verlenen.\n\nNaar welke voorziening moet worden toegewerkt en waarom ontbreken alternatieven?2.20.. Alles afwegend, komt de kinderrechter tot het oordeel dat het in het zwaarwegende belang van [naam kind] is dat doelgericht wordt toegewerkt naar een plaatsing in een voorziening van pleegzorg of een kleinschalige, pleegzorg-achtige voorziening die:\n\n specifieke deskundigheid heeft op het gebied van FASD en vergelijkbare neurobiologische ontwikkelingsstoornissen;\n\n24-uurs toezicht en begeleiding kan bieden, met vaste, op elkaar ingespeelde opvoeders;\n\n in staat is [naam kind] ’s agressie, impulsiviteit en behoefte aan nabijheid binnen duidelijke grenzen en voorspelbare routines te hanteren;\n\n voldoende bemensing heeft om de zorgbelasting te dragen en de opvoeding niet op één (ouder wordende) pleegverzorger neer te laten komen.\n\n2.21.. De alternatieven worden in deze zaak als onvoldoende of onrealistisch beoordeeld. Een terugplaatsing bij de ouders is, gelet op hun structureel beperkte capaciteiten, de ernst van [naam kind] ’s problematiek en de aanvaardbare termijn, geen reële optie. Voortzetting van de plaatsing bij oma in het huidige format is, mede in het licht van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, niet verantwoord nu de pleegzorgaanbieder heeft afgehaakt, de GI de emotionele veiligheid en de draagkracht van oma op langere termijn betwijfelt, en geen effectieve, minder ingrijpende maatregel is gebleken die deze bezwaren kan ondervangen.\n\n2.22.. Ook een constructie waarin de plaatsing bij de oma wordt voortgezet met enkel intensivering van ambulante hulp wordt als onvoldoende gezien, omdat daarmee de kernproblemen, de structureel te hoge zorgbelasting en de kwetsbare veiligheid en voorspelbaarheid op lange termijn, niet worden weggenomen. In dat licht resteert als enig passend en juridisch aanvaardbaar perspectief dat [naam kind] op termijn wordt geplaatst in een voor hem geschikte voorziening van pleegzorg, waarbij de GI verantwoordelijk wordt voor het zorgvuldig voorbereiden van deze overgang en het borgen van passende contactregelingen met de ouders en de oma.\n\n2.23.. Gelet op de uitzonderlijke complexiteit van de problematiek van [naam kind] en de hiervoor uiteengezette onder artikel 8 EVRM beschermde rechten, betekent als het voorgaande dat er vooralsnog onvoldoende noodzaak is om het gezag van de ouders te beëindigen. Het daarop gerichte verzoek van de Raad wordt daarom afgewezen. De kinderrechter vindt dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing volstaat en een juridisch kader biedt om de regie te voeren op het doelgericht toewerken naar een plaatsing in een voorziening van pleegzorg of een kleinschalige, pleegzorg-achtige voorziening die beantwoordt aan de hiervoor gestelde eisen. Gelet op de richting die met deze uitspraak is gegeven en de machtiging zoals die hierna wordt verleend, rest geen belang meer bij een afzonderlijke beslissing op het verzoek voor toestemming tot het wijzigen van de verblijfplaats van [naam kind] .\n\n2.24.. Dit betekent dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengd en wat meer of anders is verzocht zal afwijzen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n3.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 25 mei 2027;\n\n3.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] tot 25 mei 2027;\n\n3.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Oostra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\nAls u het niet eens bent met de beslissing die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2420","2026-07-13T00:29:22.270Z",{"id":153,"ecli":154,"slug":155,"caseNumber":44,"courtId":156,"decisionDate":157,"fullText":158,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":160},"419","ECLI:NL:RBNNE:2026:2695","ecli-nl-rbnne-2026-2695",70,"2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F254912 \u002F JE RK 26-620\n\nDatum uitspraak: 16 juni 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nhet Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, gevestigd in Leeuwarden,\n\nhierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),\n\nover\n\n [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [naam],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [naam],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 16 mei 2027. Daarnaast heeft de kinderrechter bij die beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd voor de duur van zes weken, te weten tot 29 juni 2026. De beslissing op het overige deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting met gesloten deuren op 16 juni 2026.\n\n1.2.. Daarna heeft de kinderrechter op 8 juni 2026 een brief van de GI ontvangen.1.3.. Op 16 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder;\n\nde vader;\n\n [naam jeugdbeschermer] , namens de GI.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Voor de vaststaande feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 12 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI handhaaft het verzoek om - uitvoerbaar bij voorraad - de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI onder meer het volgende naar voren gebracht.\n\n3.2.. Na de beschikking van 12 mei 2026, is de GI gelijk aan de slag gegaan met de opdrachten van de kinderrechter gericht op het onderzoeken of een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk is. De GI heeft hiervoor meerdere hulpverleningsorganisaties benaderd. Op 26 mei 2026 heeft de GI te horen gekregen dat Feel Jeugd en Gezin (Feel) op korte termijn kan starten met zowel omgangsbegeleiding als een opvoedonderzoek bij de vader. Vervolgens heeft op 3 juni 2026 een startgesprek plaatsgevonden tussen de vader, een medewerker van Feel en de jeugdbeschermer. Tijdens dit gesprek zijn direct afspraken gemaakt over een huisbezoek bij de vader en is gekeken naar de mogelijkheden voor contactuitbreiding tussen de vader en [minderjarige] . De GI heeft begrepen dat de vader de voorkeur gaf aan twee omgangsmomenten in de week in plaats van de voorgestelde drie keer in de week. De GI weet niet waarom Feel ervoor kiest om de omgangsmomenten gedurende één uur te laten plaatsvinden en niet in tijdsduur uit te breiden.\n\n3.3.. De GI vindt het te vroeg om definitief te concluderen of een thuisplaatsing bij de vader duurzaam haalbaar is. De reden hiervan is niet een gebrek aan vertrouwen in de opvoedvaardigheden van de vader, maar dat de GI haar conclusies op een gedegen onderzoek wil en moet baseren. De bij de GI bekende zorgen over de vader zien op dat hij in het verleden pedagogische tikken uitdeelde aan [minderjarige] en dat [minderjarige] bang voor hem was. De GI heeft hierover met de vader gesproken en hij geeft aan dit niet meer te zullen doen. Daarnaast ziet de GI al vanaf het eerste omgangsmoment tussen [minderjarige] en de vader geen angst bij [minderjarige] . [minderjarige] ervaarde alleen bij het eerste omgangsmoment gezonde spanning omdat hij de vader een tijd niet had gezien, maar deze spanning verdween snel. De GI ziet een ontspannen [minderjarige] bij de omgang. Ook is de interactie tussen de vader en [minderjarige] goed. Bij de GI zijn verder geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader bekend. De GI heeft daardoor vertrouwen in een positieve uitslag van het onderzoek. De GI heeft Feel meegegeven dat het onderzoek versneld moet plaatsvinden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige] vertelt dat het goed met hem gaat. Hij ziet zijn vader nu één à twee keer in de week en dat vindt hij leuk. Hij heeft gehoord dat wordt onderzocht of hij bij zijn vader kan wonen en dat hij misschien voor 2027 bij zijn vader zal gaan wonen. Hij ziet zijn moeder ook wekelijks en dat vindt hij fijn. Hij zou ook graag zijn moeder vaker willen zien. Daarnaast wil [minderjarige] heel graag in de zomervakantie met zijn vader mee op vakantie naar Frankrijk en Marokko. Daar woont zijn familie die hij al twee jaar niet meer heeft gezien. Hij kijkt er daarom naar uit om zijn familie weer te zien.4.2.. De vader is blij dat onderzocht wordt of [minderjarige] bij hem thuis kan wonen. Hij voelt zich meer gehoord en gezien in zijn vaderrol. Wat de vader betreft kan [minderjarige] per direct bij hem komen wonen. De band tussen hem en [minderjarige] is sterker geworden. De vader zou in ieder geval graag zien dat de omgangsmomenten tussen hem en [minderjarige] in duur worden uitgebreid en dat zij samen tijd kunnen doorbrengen buiten de omgangslocatie. De vader gaat in de zomervakantie voor drie weken naar Frankrijk en Marokko en merkt dat [minderjarige] heel graag met hem mee wil daarheen.4.3.. De moeder vindt dat de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader niet snel genoeg gaat. Zij had - na de beschikking van 12 mei 2026 - verwacht dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader veel sneller zouden worden uitgebreid. De moeder wil het liefst dat [minderjarige] zo snel mogelijk bij de vader gaat wonen. Zij heeft er vertrouwen in dat de vader hem de opvoedsituatie biedt die hij nodig heeft. Ook vindt zij het belangrijk dat [minderjarige] zijn normale dagritme weer oppakt en na de zomervakantie naar het voortgezet onderwijs gaat vanuit de situatie bij de vader. Om dit proces te bevorderen is de moeder bereid om zelf een stap terug te zetten. Zij vindt het op dit moment het belangrijkste dat de plaatsing van [minderjarige] bij de vader goed gaat. Ook zou zij graag zien dat [minderjarige] met de vader mee gaat op vakantie naar Frankrijk en Marokko. [minderjarige] is in goede handen bij zijn vader en zijn familie.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog voor een hele korte periode noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.De kinderrechter zal de machtiging verlengen voor de duur van vier dagen, te weten tot de start van de zomervakantie op 4 juli 2026. Het meer of anders gevraagde zal worden afgewezen. De kinderrechter zal hieronder uitleggen waarom deze beslissing is genomen.\n\n5.2.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 mei 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toegewezen voor de duur van zes weken. De GI heeft daarbij de opdracht gekregen om het contact tussen de vader en [minderjarige] fors uit te breiden, hulpverlening bij de vader in te zetten en een gedegen plan van aanpak op te stellen gericht op een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.\n\n5.3.. \n\nDe kinderrechter stelt vast dat de GI Feel heeft ingezet om te onderzoeken of een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk is. Dit is conform wat de kinderrechter de GI had opgedragen. Tegelijkertijd had de kinderrechter net als de ouders verwacht dat het contact tussen de vader en [minderjarige] fors uitgebreid zou worden en inmiddels uitgebreid zou zijn, nu de kinderrechter ook hiertoe opdracht had gegeven. Toch is dit niet het geval.\n\nDe kinderechter begrijpt dat de GI geen belemmeringen voor een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader ziet, behoudens de wens voor een gedegen onderzoek door Feel. Ondanks dat de kinderrechter deze wens vanuit de GI begrijpt, vindt de kinderrechter niet dat de thuisplaatsing bij de vader moet worden uitgesteld totdat dit onderzoek is afgerond. Er zijn geen omstandigheden gebleken die maken dat [minderjarige] niet (per direct) bij de vader zou kunnen wonen. [minderjarige] is destijds vanwege grote zorgen bij de moeder uit huis geplaatst. Over de opvoedvaardigheden van de vader zijn geen zorgen bekend, afgezien van dat hij [minderjarige] in het verleden corrigerende tikken uitdeelde. Met de vader is gesproken over dat dit niet mag en dat dit schadelijk is voor [minderjarige] . De vader staat open voor de opvoedadviezen en geeft aan te begrijpen dat hij dit niet meer mag doen. Hiernaast verlopen de omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] tot dusver positief. Er wordt gezien dat [minderjarige] zich prettig voelt bij de vader.\n\nDe kinderrechter ziet daarom mogelijkheden voor een plaatsing van [minderjarige] bij de vader en oordeelt dat deze minder ingrijpende mogelijkheid voorliggend is en daardoor de noodzaak voor een langere uithuisplaatsing ontbreekt. Ook acht de kinderrechter het meer in het belang van [minderjarige] dat hij vanuit de opvoedingsomgeving van de vader in het nieuwe schooljaar start op zijn nieuwe school en niet eerst vanuit het gezinshuis [naam gezinshuis] . Daarom verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] slechts voor de duur van vier dagen, te weten tot de start van de zomervakantie op 4 juli 2026. In deze periode kunnen de (begeleide) omgangsmomenten fors uitgebreid worden met overnachtingen, zodat [minderjarige] zich kan voorbereiden op de zomervakantie met zijn vader en de thuisplaatsing bij de vader.\n\nDe beslissing geldt direct5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht omdat het in het belang van [minderjarige] is dat hij zo snel mogelijk bij zijn vader kan gaan wonen. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 4 juli 2026;6.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;6.3.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door\n\nmr. J. Teertstra, kinderrechter, in aanwezigheid van E. Massink als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 29 juni 2026.\n\n [-]\n\n [-]\n\n [-]\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2695","2026-07-13T00:28:28.970Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":165,"fullText":166,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":167,"sourceTimestamp":168,"parsedAt":51,"updatedAt":169},"616","ECLI:NL:RBLIM:2026:5981","ecli-nl-rblim-2026-5981","2026-06-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F352443 \u002F JE RK 26-890\n\nDatum uitspraak: 9 juni 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over vervangende toestemming medische behandeling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, kantoorhoudend in Venlo,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [de minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonend op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonend in [plaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2026.\n\n1.2.. \n\nDe zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij was aanwezig:\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\nBeide ouders hebben zich via de GI afgemeld voor de zitting.\n\n1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld.Deze beschikking is de schriftelijke uitwerking van die uitspraak.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .\n\n2.2.. \n [de minderjarige] woont bij de moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 12 juni 2026.\n\n2.4.. De vader heeft toestemming geweigerd voor de medische behandeling van [de minderjarige] bij [zorgverlener] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt vervangende toestemming te verlenen voor de medische behande-ling van [de minderjarige] . Deze medische behandeling betreft de plaatsing binnen de vroegbehandelgroep van [zorgverlener] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De GI onderbouwt het verzoek als volgt. [de minderjarige] heeft een ernstige taal- en spraak-achterstand in combinatie met een gehoorbeperking. [de minderjarige] is pas op een latere leeftijd gestart met het dragen van gehoorapparatuur, wat een negatieve invloed heeft gehad op zijn taalontwikkeling. [de minderjarige] verblijft op dit moment binnen de reguliere [kinderopvang] . Deze opvang heeft meerdere keren aangegeven dat zij niet de specialistische ondersteuning kunnen bieden die passend is bij zijn ontwikkelingsbehoeften, waardoor zijn taalontwikkeling fors achter blijft. Ondanks dat er enige vooruitgang zichtbaar is in de concentratie en deelname aan activiteiten, blijft er sprake van beperkte communicatie, imitatiegedrag en onvoldoende taalverwerking. Het is noodzakelijk dat [de minderjarige] geplaatst wordt binnen een gespecialiseerde vroegbehandelgroep. Deze behandelgroep is specifiek gericht op kinderen met ernstige taal- en spraakproblematiek en biedt intensieve specialistische begeleiding die [de minderjarige] op dit moment nodig heeft. Uitstel van passende behandeling vergroot de kans op ontwikkelingsschade, terwijl juist op een jonge leeftijd specialistische stimule-ring van taal en communicatie essentieel is. De moeder stemt in met de voorgenomen plaatsing, de vader weigert echter toestemming te verlenen. De vader heeft herhaaldelijk aangegeven niet akkoord te gaan met een plaatsing binnen een gespecialiseerde setting, zonder een duidelijk argument te geven waarom hij niet akkoord gaat. Dit past binnen een breder patroon, waarbij de vader vaker noodzakelijke beslissingen rondom de kinderen belemmerd heeft. De vader is beperkt betrokken bij de dagelijkse opvoeding van de kinderen. De kinderen wonen volledig bij de moeder en de vader heeft sporadisch en onregelmatig contact met de kinderen. De vader is formeel gezaghebbende ouder, maar levert in de praktijk nauwelijks een bijdrage aan de dagelijkse verzorging en opvoeding. De weigering van de vader leidt tot stagnatie van de noodzakelijke hulpverlening en brengt risico’s mee voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . De GI is van mening dat noodzakelijke behandeling niet kan worden uitgesteld totdat de ouders mogelijk alsnog een overeenstem-ming bereiken, nu eerdere ervaringen hebben laten zien dat dit een langdurige vertraging oplevert. Het belang van [de minderjarige] dient hierbij voorop te staan.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De moeder is niet naar de zitting gekomen en heeft geen verweer gevoerd.\n\n4.2.. De vader is niet naar de zitting gekomen en heeft geen verweer gevoerd.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit. Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De kinderrechter is van oordeel, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland ligt. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op de verzoeken van toepassing.\n\n5.2.. De kinderrechter kan, gelet op artikel 265h van het Burgerlijk Wetboek, vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert.\n\n5.3.. De kinderrechter is van oordeel dat een plaatsing op de gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] , zoals de GI heeft verzocht, in het belang van [de minderjarige] is. [de minderjarige] heeft een gehoorbeperking en hij kan niet goed mee bij de huidige kinderopvang, omdat hij de juf niet begrijpt of verstaat. Ook anderen verstaat en begrijpt hij niet goed. De huidige kinderopvang kan [de minderjarige] niet bieden wat hij nodig heeft. Daardoor blijft hij achter in zijn ontwikkeling en komt hij niet toe aan zijn ontwikkeltaken. De gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] is specifiek ingesteld op kinderen van [de minderjarige] leeftijd met een ontwikkelingsachterstand en ernstige gehoorbeperking. Het gaat om een medische behandeling. Gelet op [de minderjarige] beperkingen en om hem in zijn ontwikkeling te kunnen ondersteunen, is het noodzakelijk dat [de minderjarige] gaat deelnemen aan deze behandelgroep. De vader weigert – ten nadele van [de minderjarige] – hier toestemming voor te geven. Daarom zal de kinderrechter de vervangende toestemming verlenen die in plaats treedt van de toestemming van de vader.\n\n5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verleent vervangende toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, voor de medische behandeling van [de minderjarige] , inhoudende: een plaatsing binnen de gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] ;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. dr. Van Binnebeke, kinderrechter, in aanwezigheid van Kock als griffier, en op schrift gesteld op 23 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5981","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.449Z",{"id":171,"ecli":172,"slug":173,"caseNumber":44,"courtId":66,"decisionDate":174,"fullText":175,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":176,"sourceTimestamp":115,"parsedAt":51,"updatedAt":177},"1662","ECLI:NL:RBMNE:2026:3853","ecli-nl-rbmne-2026-3853","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F599247 \u002F FO RK 25-1114\n\nMeerderjarigverklaring\n\nBeschikking van 3 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder],\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de moeder\n\nadvocaat mr. N.J. Hos,\n\nbetreffende het kind: [minderjarige].\n\nmet als belanghebbenden\n\n [grootouder1],\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de opa\n\nen\n\n [grootouder2],\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de oma,\n\nhierna samen genoemd: de grootouders van moederszijde,\n\nmet als informant\n\n [de vader],\n\nwonende in [woonplaats 3] ,\n\nhierna te noemen: de vader.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De kinderrechter heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift van de moeder met bijlagen, binnengekomen op [geboortedatum 2] 2025;\n\nhet bericht met bijlage van de moeder van 6 november 2025;\n\nhet bericht met bijlage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 9 december 2025;\n\nhet bericht van de moeder van 28 januari 2026;\n\nhet bericht van de opa van 4 mei 2026.\n\n1.2. Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling gehouden op 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde oma;\n\nde vader;\n\nmevrouw [A.] namens de Raad.\n\n1.3. De opa is (na afmelding) niet naar de zitting gekomen.\n\n2. De belangrijke feiten\n\n2.1. De grootouders zijn de ouders van: [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] (hierna: de moeder).\n\n2.2. De grootouders hebben samen het ouderlijk gezag over de moeder.\n\n2.3. De moeder is bevallen van een dochter: [minderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [woonplaats 1] .\n\n2.4. De vader heeft [minderjarige] erkend. Omdat de moeder minderjarig is, is de vader niet belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n2.5. De moeder woont bij haar vader (de opa) in [woonplaats 1] . De vader woont bij zijn ouders in [woonplaats 3] .\n\n2.6. Partijen hebben allen de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. De moeder verzoekt de kinderrechter om haar meerderjarig te verklaren.\n\n3.2. De grootouders en de vader zijn het eens met het verzoek.\n\n4. De beoordeling\n\nConclusie4.1. De kinderrechter wijst het verzoek toe en verklaart de moeder meerderjarig. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\nWettelijk kader4.2. Zoals vermeld, is de moeder minderjarig. Dit heeft tot gevolg dat zij onbevoegd is om het gezag over haar kind uit te oefenen.Dit betekent dat de moeder geen beslissingen mag nemen over [minderjarige] . In dit soort gevallen kan de kinderrechter een voogd over het kind benoemen.\n\n4.3. De kinderrechter kan ook een minderjarige vrouw van zestien of zeventien jaar meerderjarig verklaren als de vrouw haar kind wil verzorgen en opvoeden als degene die het gezag heeft. Dit verzoek wordt alleen toegewezen als de kinderrechter dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk vindt.\n\nToelichting4.4. De kinderrechter is net als de Raad van oordeel dat het in het belang van de moeder en [minderjarige] is dat de moeder meerderjarig wordt verklaard en het gezag over [minderjarige] krijgt. Uit het onderzoek van de Raad blijkt dat de moeder goed in staat is om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. De moeder is nog jong en haar zwangerschap was onverwacht, maar zij toont desondanks haar verantwoordelijkheid als moeder. Daarnaast is er een warm en betrokken netwerk. De vader is ook veel betrokken en ondersteunt de moeder in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ook de ouders van de moeder zijn betrokken en ondersteunen haar waar nodig. Alle betrokkenen staan bovendien achter de meerderjarigverklaring van de moeder. Tot slot staat de moeder open voor hulpverlening indien nodig. De kinderrechter is dan ook voldoende op toegerust dat moeder (en vader) op het moment dat zij wel een hulpvraag hebben hiervoor contact zullen opnemen met het wijkteam.\n\nGezag en ingangsdatum4.5. De meerderjarigverklaring kan niet eerder ingaan dan per de datum van deze beschikking. Door de meerderjarigverklaring krijgt de moeder van rechtswege het gezag over [minderjarige] .\n\nUitvoerbaar bij voorraad4.6. De moeder heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De kinderrechter zal dit verzoek toewijzen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1. verklaart [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] , meerderjarig;\n\n5.2. stelt vast dat [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] , door haar meerderjarigverklaring het ouderlijk gezag krijgt over haar dochter:[minderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [woonplaats 1] ;\n\n5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Artikel 1:246 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 1:253q lid 2 BW\n\n Artikel 1:253ha BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3853","2026-07-13T00:29:32.257Z",{"id":179,"ecli":180,"slug":181,"caseNumber":44,"courtId":66,"decisionDate":174,"fullText":182,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":183,"sourceTimestamp":115,"parsedAt":51,"updatedAt":184},"1670","ECLI:NL:RBMNE:2026:3855","ecli-nl-rbmne-2026-3855","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F590851 \u002F FO RK 25-347\n\nBeschikking van 3 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming Regio Noord-Holland,\n\ngevestigd in Haarlem,\n\nhierna te noemen: de Raad\n\nmet als belanghebbende\n\nSamen Veilig Midden-Nederland,\n\ngevestigd in Utrecht,\n\ngecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft eerder in deze zaak een beschikking gegeven op 15 oktober 2025. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst de rechtbank naar de vorige beschikking.\n\n1.2. Daarna heeft de rechtbank nog de volgende stukken ontvangen:\n\nhet SAVE Evaluatie & Vervolgplan van de GI van 12 maart 2026;\n\nde brief van de GI van 13 april 2026;\n\nhet rapport van de Raad van 16 april 2026.\n\n1.3. Het verzoek is verder behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nmevrouw [A.] namens de Raad;\n\nmevrouw [B.] namens de GI (die digitaal bij de zitting aanwezig was).\n\n2. Waar gaat deze procedure over?\n\n2.1. \n\nMet behulp van Stichting De Beschermde Wieg is geboren:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] .\n\n2.2. Bij de rechtbank zijn geen gegevens bekend over de moeder. Op de geboorteakte van [minderjarige] staan ook geen persoonsgegevens van de moeder. De burgemeester heeft de geboorte aangegeven.\n\n2.3. Uit de informatie van de melder van de geboorte bij de Raad blijkt dat de moeder minderjarig is en onder toezicht staat van de GI.2.4. De biologische vader van [minderjarige] is onbekend.\n\n2.5. \n [minderjarige] verblijft in een pleeggezin.\n\n2.6. In de beschikking van [datum] 2025 heeft de rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .\n\n2.7. De Raad verzoekt om de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n2.8. De GI heeft zich bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.\n\n3. De verdere beoordeling\n\nConclusie3.1. De rechtbank wijst het verzoek toe en belast de GI met de voogdij over [minderjarige] . De beslissing wordt hierna toegelicht.\n\nWettelijk kader3.2. Zoals vermeld zijn er geen gegevens van de moeder vermeld op de geboorteakte. Er is dus geen ouder bekend die het gezag kan uitoefenen.\n\nToelichting3.3. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat de GI wordt belast met de voogdij over hem. Er moet namelijk iemand zijn die de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen omdat hij minderjarig is. De Raad adviseert de rechtbank om de GI met de voogdij te belasten. Evenals de Raad vindt ook de rechtbank het belangrijk dat de GI als neutrale partij wordt belast met de voogdij. Een neutrale partij zal in het belang van [minderjarige] handelen en niet met conflicterende belangen te maken hebben. De Raad heeft ook een bereidverklaring van de GI overgelegd.\n\nGegevens van de moeder3.4. De rechtbank heeft in de vorige beschikking aan de GI de opdracht gegeven om te onderzoeken of het mogelijk is om de naam van de biologische moeder op te nemen op de geboorteakte van [minderjarige] . Vervolgens heeft de GI in samenwerking met de Raad een moreel beraad georganiseerd onder begeleiding van een externe ethicus. Bij het moreel beraad waren aanwezig twee juristen (één van de GI en één van de Raad), drie gedragswetenschappers (van verschillende SAVE-locaties, waaronder één onafhankelijk deelnemer), de voogd, twee gezinsvoogden van de moeder, de betrokken medewerker van de Raad en een vertegenwoordiger van pleegzorg. Tijdens het moreel beraad zijn risico’s en zorgen naar voren gekomen waardoor de GI heeft besloten om de naam van de biologische moeder op dit moment niet bekend te maken en deze niet in de geboorteakte van [minderjarige] op te laten nemen. De reden hiervoor is dat openbaarmaking van deze informatie niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Integendeel, het delen van deze informatie kan ernstige negatieve gevolgen hebben voor het welzijn en de veiligheid van de biologische moeder, hetgeen indirect ook het belang van [minderjarige] schaadt.\n\n3.5. De rechtbank begrijpt dat niet op korte termijn gegevens van de moeder op de akte van geboorte vermeld zullen worden en dat het gezagsvacuüm zal blijven bestaan. De rechtbank acht het daarom in het belang dat de voorlopige maatregel wordt vervangen door benoeming van SAVE als voogd. Tijdens de zitting is besproken dat de GI het besluit rondom het ontbreken van oudergegevens regelmatig zal herzien en evalueren. Mocht het op termijn wel mogelijk zijn om de gegevens van de moeder op te nemen op de geboorteakte, is de GI op de hoogte hoe een dergelijk verzoek ingediend moet worden. De rechtbank heeft er dan ook voldoende vertrouwen in dat de GI haar taak serieus neemt en zorgvuldig uitvoert.\n\nAchterhalen identiteit moeder op latere leeftijd [minderjarige]3.6. Tijdens de zitting zijn ook de mogelijkheden besproken over hoe [minderjarige] op een latere leeftijd informatie kan krijgen over zijn afkomst en de identiteit van de moeder. Zowel de Raad als de GI hebben de gegevens van de moeder in het dossier van [minderjarige] opgeslagen en hebben verklaard dat [minderjarige] later zijn dossier kan opvragen. De rechter heeft de GI ook gewezen op de mogelijkheid om de persoonsgegevens van de moeder op te laten nemen in een akte bij de notaris.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad3.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing meteen geldt, ook als er hoger beroep tegen de beslissing wordt ingesteld.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1. belast stichting Samen Veilig Midden-Nederland, locatie Utrecht, met de voogdij over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ;\n\n4.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3855","2026-07-13T00:29:32.640Z",{"id":186,"ecli":187,"slug":188,"caseNumber":44,"courtId":98,"decisionDate":189,"fullText":190,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":191,"sourceTimestamp":192,"parsedAt":51,"updatedAt":193},"1655","ECLI:NL:RBGEL:2026:4272","ecli-nl-rbgel-2026-4272","2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05.245487.25\n\nDatum uitspraak : 1 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geb. datum] 1979 in [geboorteplaats] (Polen),\n\nwonende aan de [adres] [woonplaats] .\n\nRaadsman: mr. B.G.M. Frencken, advocaat in 's-Hertogenbosch.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 7 september 2016 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, [slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), heeft mishandeld, door: meermalen, althans eenmaal, - die voornoemde [slachtoffer 1] te duwen en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 1] aan de haren te trekken en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 1] op\u002Ftegen het hoofd, het been en\u002Fof knie, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een kabel, stok en\u002Fof de platte hand en\u002Fof - (met) boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van die voornoemde [slachtoffer 1] te gooien en\u002Fof te duwen en\u002Fof - aan de kleren en\u002Fof het lichaam van die voornoemde [slachtoffer 1] te trekken en\u002Fof - (met kracht) die voornoemde [slachtoffer 1] bij de keel vast te pakken en\u002Fof te grijpen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 2zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 16 augustus 2020 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, [slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door: meermalen, althans eenmaal, - die voornoemde [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] aan de haren te trekken en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Ftegen de rug en\u002Fof been, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een stok en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Fin\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof de wang, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een platte hand, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 3zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 7 september 2014 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) haar kind(eren), te weten a) [slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), en\u002Fof b) [slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] , meermalen, althans eenmaal, - uit te schelden, te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken met ‘rotkind’, ‘kurva’, ‘japig’, ‘je doet niks goed’, ‘je gaat niks bereiken’ en\u002Fof ‘je krijgt later een slechte baan’, althans woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof - getuige te doen zijn van huiselijk geweld (gericht tegen zijn broer(tje) en\u002Fof zijn\u002Fhun vader) en\u002Fof - zorg te onthouden door het niet en\u002Fof onvoldoende aanbieden van voedsel en\u002Fof door het (in de winterperiode) zonder en\u002Fof onvoldoende warme kleding (verplicht als straf) buiten te laten verblijven en\u002Fof voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] (ondanks hun verzoek) niet de woning in te laten en\u002Fof - bloot te stellen aan verbaal agressief gedrag door tegen hem\u002Fhen te schreeuwen en\u002Fof - vrees en\u002Fof angst aan te jagen door een Bobo(k) masker op te zetten en\u002Fof te dreigen die voornoemde [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in een zak te steken\u002Fduwen en\u002Fof (een van) hen mee te nemen en\u002Fof - bloot te stellen aan (school)prestatiedruk door voornoemde [slachtoffer 1] dagelijks om 06:00 (zes) uur te wekken teneinde te leren, althans (school)prestatiedruk op voornoemde [slachtoffer 1] uit te oefenen, - een mes en\u002Fof tuinschaar in de handen te nemen en\u002Fof te dreigen de handen en\u002Fof tenen van voornoemde [slachtoffer 2] af te knippen en\u002Fof te dreigen de vingers van [slachtoffer 2] op het fornuis te leggen, althans woorden en\u002Fof gedragingen van gelijke dreigende aard, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] psychisch letsel heeft\u002Fhebben bekomen en\u002Fof een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en\u002Fof geestelijke gewaarwording bij hem\u002Fhen is veroorzaakt en\u002Fof waardoor opzettelijk de (geestelijke) gezondheid van voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] werd benadeeld.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 tot en met 3.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn. De raadsman heeft betoogd dat de wijze waarop de kinderen zijn verhoord, sturend en suggestief is geweest en dat niet is uit te sluiten dat de kinderen werden beïnvloed omdat zij werden verhoord door voor hen bekende hulpverleners van Veilig Thuis. De raadsman heeft daarnaast gesteld dat niet is uit te sluiten dat de kinderen in de tijd vanaf de melding bij de grootouders tot aan de verhoren zijn beïnvloed door derden. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn niet betrouwbaar en dienen te worden uitgesloten van het bewijs, hetgeen zou moeten leiden tot vrijspraak van feit 1 tot en met 3 aldus de raadsman.\n\nSubsidiair heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 erop gewezen dat verdachte ontkent dat er meer is gebeurd dan dat zij bij de politie en ter terechtzitting heeft erkend. Verdachte bestrijdt de verklaringen van haar kinderen die spreken over elke dag slaag en het meerdere keren slaan met stokken en kabels op de rug, benen of het hoofd. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman erop gewezen dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zijn broertje [slachtoffer 2] erg veel fantasie heeft. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat de dagvaarding met betrekking tot gedachtestreepje 6 partieel nietig dient te worden verklaard, nu onvoldoende duidelijk is wat verdachte wordt verweten. Ten aanzien van gedachtestreepje 1, 3, 5 en 6 van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat deze handelingen geen psychische mishandeling opleveren. Tot slot heeft de raadsman betoogd dat de ten laste gelegde handelingen onder feit 3 niet kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOverwegingen over de betrouwbaarheid van de verklaringen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]\n\nDe raadsman heeft gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) niet betrouwbaar zijn en niet als bewijsmiddelen kunnen worden gebruikt. De rechtbank deelt dit standpunt niet en zal dit eerst toelichten voordat zij overgaat tot de bespreking van de verwijten.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren, ten tijde van het afleggen van hun verklaringen, respectievelijk 13 en 10 jaar oud. De rechtbank stelt voorop dat verklaringen van kinderen in het algemeen met behoedzaamheid dienen te worden beoordeeld, gelet op hun leeftijd en de daarmee samenhangende beïnvloedbaarheid en wijze van herinneren en het verwoorden van herinneringen. Dat brengt echter niet zonder meer mee dat dergelijke verklaringen onbetrouwbaar zijn.\n\nDe rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitgebreid, consistent en gedetailleerd zijn. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de broers elkaar grotendeels ondersteunen en ook ondersteuning vinden in overige processtukken in het dossier. De verklaringen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in februari 2025 hebben afgelegd, komen bovendien op belangrijke punten overeen met de inhoud van de eerste melding bij Veilig Thuis.\n\nDe rechtbank ziet geen concrete aanwijzingen dat de verklaringen van de kinderen door sturing, suggestie of anderszins zijn beïnvloed. De rechtbank wijst erop dat de kinderen zijn verhoord door medewerkers van Veilig Thuis, die zijn opgeleid voor het voeren van dergelijke gesprekken met kinderen. De verhoren van de kinderen hebben plaatsgevonden volgens een wetenschappelijk erkende methode, de zogeheten NICHD-methode. De rechtbank is van oordeel dat de vraagstelling en de manier van doorvragen in de verhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voldoen aan de eisen die worden gesteld aan het verhoren van kinderen. Dat de kinderen niet zijn gewezen op hun verschoningsrecht, acht de rechtbank niet opvallend of onrechtmatig nu de medewerkers van Veilig Thuis geen opsporingsambtenaren zijn. De raadsman heeft in het pleidooi enkele vragen aangehaald die volgens hem niet voldoende open zijn gesteld en daarmee suggestief zijn. De rechtbank overweegt hierover dat de voorbeelden die de raadsman heeft aangehaald, niet in strijd zijn met de genoemde methode en steeds moeten worden gelezen in de context van de direct voorafgaande vragen en antwoorden eerder tijdens de verhoren.\n\nDe rechtbank overweegt dat enige beïnvloeding van de kinderen in de periode dat zij bij hun grootouders woonden door de grootouders, medewerkers van Veilig Thuis of derden, zoals door de raadsman is gesteld, niet concreet is geworden. Dat de kinderen (mogelijk) met anderen over de verwijten hebben gesproken, zou kunnen betekenen dat sprake is van enige mate van beïnvloeding. De rechtbank is van oordeel dat dit niet wil zeggen dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn. De rechtbank wijst erop dat er door Veilig Thuis voortvarend is gehandeld. Immers was er op 6 januari 2025 voor het eerst contact tussen de grootouders en Veilig Thuis naar aanleiding van de melding door de huisarts, en werden de kinderen reeds op 3 februari 2025 door de medewerkers gehoord. Hierdoor is het tijdsverloop tussen de eerste melding en het afleggen van de verklaringen door de kinderen minimaal en is de kans op beïnvloeding door derden zo beperkt als mogelijk gehouden.\n\nGelet op het bovenstaande acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar en zal zij deze voor het bewijs gebruiken. Wel zal de rechtbank bij de waardering van deze verklaringen de nodige behoedzaamheid betrachten vanwege de leeftijd van de kinderen.\n\nBewezenverklaring\n\nBewijsmiddelen\n\nOp 7 februari 2025 werd door Veilig Thuis een melding bij de politie gedaan van het vermoeden van kindermishandeling van [slachtoffer 1] (geb. [geb. datum] 2011) en [slachtoffer 2] (geb. [geb. datum] 2014), kinderen van [verdachte] (hierna: verdachte), wonende te [woonplaats] .\n\nOp 2 januari 2025 zijn de grootvader en de oom van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar de huisarts geweest om zorgen te melden. Op 22 december 2024 waren de kinderen naar opa en oma gekomen. De dag ervoor wilde verdachte een filmpje sturen naar haar familie in Polen en vroeg zij aan de kinderen of zij wilden vertellen hoe fijn hun jaar was geweest. De oudste zoon (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) zei toen dat het helemaal geen fijn jaar was.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben op 22 december 2024 afzonderlijk van elkaar bij opa en oma verteld dat zij werden mishandeld door hun moeder. De kinderen vertelden dat zij werden geslagen door hun moeder met een kabel en een stok en dat zij aan de haren werden getrokken. Opa en oma hebben vage blauwe striemen gezien op het been van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] gaf aan dat hij tussen het fysieke geweld tussen zijn moeder en broertje is gesprongen en de klappen heeft opgevangen. [slachtoffer 1] is twee keer met bloed in zijn nek naar school gekomen. Af en toe kreeg hij kaartjes mee naar huis van school als hij niet goed naar de juf had geluisterd. Moeder werd dan erg boos op hem en sloeg hem. Moeder zou een keer naar de buren zijn gelopen om aan te geven dat zij [slachtoffer 2] horen schreeuwen, maar dat er niets aan de hand was. [slachtoffer 1] vertelde dat [slachtoffer 2] toen met een stok is geslagen. Vader, moeder, opa, oma en de kinderen hebben een gezamenlijk gesprek gevoerd. [slachtoffer 1] zei toen tegen zijn moeder dat hij de laatste week al vier keer is geslagen door haar.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting onder andere verklaard dat zij tikjes heeft gegeven op de schouders en oren van haar kinderen.\n\nfeit 1\n\nOp 3 februari 2025 is [slachtoffer 1] (hieronder weergegeven als [slachtoffer 1] ) gehoord door twee medewerkers van Veilig Thuis, [medewerker 1] (hieronder weergegeven als [medewerker 1] ) en [medewerker 2] (hieronder weergegeven als [medewerker 2] ). [slachtoffer 1] verklaarde, onder meer, het volgende:\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Ja. En dat slaan met de kabels. Vertel daar eens wat over.[slachtoffer 1] : Ja, ze had de kabel uit de tv gehaald. En dan sloeg ze ons zo hard. Dat is een rubberen kabel. (…)[medewerker 1] : Waar slaat ze dan met de kabels?[slachtoffer 1] : Op mijn been. Ze heeft bijna mijn gezicht geraakt en ze heeft mij in hoekjes geduwd en ze heeft mij geslagen. (…)[medewerker 1] : Nee. Je vertelde over dat bloed in je nek. Vertel eens over die gebeurtenis. Wat er gebeurd is.[slachtoffer 1] : (...) Toen (…) wou ze mijn kleren uittrekken. Want ik deed het weer verkeerd natuurlijk want ik wilde mijn telefoon niet afgeven dus ze wou mijn kleren eraf trekken. En ze heeft mij in een hoekje geduwd en ze heeft mij, ze pakte me bij mijn keel en ze heeft mij zo gepakt waardoor ik hier bloedde. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 1] wijst met zijn rechterhand op de rechterkant van zijn hoofd.) (…)\n\n [medewerker 1] : En welke kleren trok ze uit? Wat deed ze toen?[slachtoffer 1] : Ze trok mij gewoon aan mijn kleren. Want ik had een pak gekregen van mijn opa en oma en die heeft ze ook helemaal kapot gescheurd omdat ze zo boos op mij was. Ze trok het zo kapot en zulke dingen heeft ze wel eens bij mij gedaan. (…)[medewerker 1] : Ja. Waar deed het het meeste pijn als je werd geslagen?[slachtoffer 1] : (…) Vooral bij mijn hoofd. En dan bij mijn wangen. Want ik krijg altijd de platte hand van mijn moeder. Vroeger was dat met de platte hand, maar het is alleen maar erger geworden. (...)[medewerker 1] : Ja. En hoe vaak gebeurde het de laatste tijd dat je geslagen werd?[slachtoffer 1] : Elke dag. (...)[medewerker 1] : En wat was dan de aanleiding bijvoorbeeld?[slachtoffer 1] : Leren. Mama vond dat ik het niet goed deed met leren. En toen werd ze boos op me. (…)\n\n [medewerker 1] : En vertel eens over de laatste keer specifiek wat er toen gebeurde.[slachtoffer 1] : (…) Ja, dat weet ik nog wel, dat was ook die zaterdag. Want toen wilde mijn moeder mijn broertje ook slaan maar toen ging ik voor hem staan. Dan heb ik liever dat ze mij slaat dan dat ze hem slaat. Dan ging ik voor hem staan en dan sloeg ze mij maar. Maar toen heeft ze mij geslagen. Ja, prima.[medewerker 1] : Hoe sloeg ze jou?[slachtoffer 1] : Met de platte hand. En ook met de kabel. Maar met de kabel heeft ze de laatste tijd veel vaker gedaan. Want er heeft ook een paar weken een kabel op tafel gelegen waarmee ze mij een paar keer mee heeft geslagen. En dat heeft mij ook veel pijn gedaan. Er hebben ook strepen op mijn benen gezeten. (…)\n\n [slachtoffer 1] : (…) Ze heeft me met de platte hand geslagen. Ze heeft me bij mijn kleren getrokken. Aan mijn haren. Ze heeft me haren van mijn kop af getrokken. En ja zulke dingen. Er vielen ook allemaal haren uit. En dat deed behoorlijk veel pijn.\n\n(…)\n\n [medewerker 2] : Nou, ik ben nog wel benieuwd. Je vertelde dat jouw mama jou bij de keel had gegrepen. Wat gebeurde er precies?[slachtoffer 1] : Ja, dan duwt ze mij in een hoekje wat ik net vertelde en dan pakt ze je zo vast zeg maar en dan laat ze je gewoon niet los. En dan, ze stopt alleen als ik bijna stik. Want dan stopt ze pas, want ze blijft door gaan. Want mijn moeder weet niet waar haar grens zit zeg maar.(…)\n\n [medewerker 2] : Je zei: Dan pakt ze mij bij mijn keel totdat ik bijna stik. Waar sta jij dan?[slachtoffer 1] : Ja dan sta ik. Mama heeft ook meerdere keren achter mij aangelopen en dan pakt ze mij zo vast en dan wordt ze zo boos op me en dan gaat ze helemaal tekeer en dan scheld ze je uit en dan wil ze je niet meer los laten. Dan gaat ze door tot ze niet meer kan. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 1] legt zijn hand rond zijn keel.)[medewerker 2] : Hoe merk je dan dat je bijna stikt?[slachtoffer 1] : Ja, ik kan dan gewoon niet meer ademen. Want mama pakt mij dan zo hard. Mama heeft mij echt harde klappen gegeven. (…)\n\n [slachtoffer 2] is ook door de twee medewerkers van Veilig Thuis gehoord.[slachtoffer 2] verklaarde onder andere het volgende:\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Okay. En je begon met; thuis werd er geslagen.(...) [slachtoffer 2] : Bijvoorbeeld als [slachtoffer 1] , [slachtoffer 1] is niet zo goed in leren en als [slachtoffer 1] een paar dingen fout deed dan werd soms heel vaak heel hard geslagen. (…)\n\n [medewerker 1] : Waar was jij toen [slachtoffer 1] geslagen werd?[slachtoffer 2] : Daar was ik bij.[medewerker 1] : Wat zag je?[slachtoffer 2] : Dat [slachtoffer 1] heel veel pijn had.[medewerker 1] : En hoe sloeg jouw moeder [slachtoffer 1] ?[slachtoffer 2] : Ook met de platte hand.[medewerker 1] : Waar sloeg ze [slachtoffer 1] ?[slachtoffer 2] : Op zijn gezicht. (...)[medewerker 1] : Vertel er eens over wat jij gezien hebt. [slachtoffer 2] : Hij werd heel hard aan zijn haren getrokken. Ik zag een keer dat mama zo boos was geworden. Mama duwde [slachtoffer 1] op de bank en ze pakte [slachtoffer 1] bij de keel. En toen had ze een wondje op haar duim en toen werd ze helemaal boos op [slachtoffer 1] dat het allemaal door [slachtoffer 1] komt.[medewerker 1] : Hoe ging dat dan? Bij de keel pakken?[slachtoffer 2] : Zo of zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] legt zijn linkerhand rond de keel.)[medewerker 1] : Hoe lang duurde dat?[slachtoffer 2] : Een paar seconden.[medewerker 1] : Waar was jij toen?[slachtoffer 2] : Ik stond in de hal.[medewerker 1] : En jij kon het zien?[slachtoffer 2] : Ja.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij [slachtoffer 1] met een kabel had gepatst. Ze heeft [slachtoffer 1] een paar tikjes gegeven, met de platte hand op zijn oor en op zijn schouder. Op 21 december 2025 wilde verdachte samen met de kinderen de kerstboom opzetten. Toen de jongens door bleven gaan met een telefoon en de Playstation, heeft verdachte de kabel van de Playstation gepakt. [slachtoffer 1] wilde de telefoon niet afgeven. Verdachte verklaarde dat de emotie hoog bij haar opliep en dat zij [slachtoffer 1] met de kabel van de Playstation op zijn been patste. Vóór de kerst had verdachte de telefoon van [slachtoffer 1] proberen af te pakken. Toen [slachtoffer 1] weigerde, pakte verdachte hem bij zijn pak en trok. [slachtoffer 1] had hierdoor bloed.\n\nDe rechtbank concludeert dat uit de voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, blijkt dat verdachte haar kind [slachtoffer 1] heeft mishandeld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\n [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte hem met de platte hand in zijn gezicht en op zijn wangen heeft geslagen. Ook verklaarde hij dat zijn moeder hem een keer met een kabel op zijn benen sloeg. Hierdoor hadden er strepen op zijn benen gezeten. Blijkens de melding van Veilig Thuis zijn deze strepen ook waargenomen door de opa en oma van [slachtoffer 1] . De verklaring van [slachtoffer 1] vindt op de voorgaande punten steun in de verklaring van verdachte en door de verklaring van zijn broertje [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hard werd geslagen als hij een paar dingen fout deed. Dit was dan ook met de platte hand in het gezicht. [slachtoffer 1] heeft daarnaast verklaard dat zijn moeder hem aan zijn kleding heeft getrokken. Hierdoor is een pak dat hij van zijn opa en oma had gekregen, gescheurd. Dit wordt ondersteund door de verklaring van verdachte, namelijk dat zij [slachtoffer 1] aan zijn pak heeft getrokken. De verklaring van [slachtoffer 1] , dat hij aan zijn haren werd getrokken en bij zijn keel werd gepakt, wordt ten slotte ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] . De rechtbank merkt daarbij op dat beide jongens tijdens hun verklaring over het bij de keel pakken van [slachtoffer 1] een gebaar maakten waarbij zij een hand om hun keel legden.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar kind [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem te slaan met een kabel en de platte hand, hem aan zijn haren te trekken, hem aan zijn kleren te trekken en hem bij de keel vast te pakken. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het duwen van [slachtoffer 1] , nu uit het dossier niet is gebleken dat dit pijn of letsel heeft opgeleverd. De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het gooien met boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van [slachtoffer 1] , nu niet is gebleken dat [slachtoffer 1] hierdoor werd geraakt en hij pijn of letsel heeft gehad. Tot slot zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van het slaan van [slachtoffer 1] met een stok. Hoewel [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en verdachte verklaren over het slaan van [slachtoffer 1] met een stok, gebeurde dit verklaren vaak in de context dat ‘we’ of ‘ze’ met stokken werden geslagen, om vervolgens meer gedetailleerd te verklaren over de keren dat [slachtoffer 2] met een stok werd geslagen. Over het slaan van [slachtoffer 1] met een stok wordt niets concreets verklaard, ook niet door [slachtoffer 1] zelf.\n\nfeit 2\n\n [slachtoffer 2] heeft op 3 februari 2025 het volgende verklaard aan de medewerkers van Veilig Thuis.\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Vertel daar eens over wat je zelf gevoeld hebt.[slachtoffer 2] : Ja ik vroeg: mama mag ik je telefoon lenen. Toen zei ze: Ja. En toen had ik hem gepakt en toen ging ik hem gebruiken en toen sloeg ze mij in ene keer en toen zei ze; Hoezo gebruik je mijn telefoon? Dus dat vond ik wel heel raar. En toen die dag had mama ze ook uit huis gegooid.[medewerker 1] : Hoe ging dat slaan? Waarmee of hoe slaat mama dan? Of hoe slaat ze jou?[slachtoffer 2] : Hard met de platte hand.[medewerker 1] : Waar komt die hand dan?[slachtoffer 2] : Hier (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] legt zijn opengevouwen hand op zijn linkerwang.) Of gewoon op mijn gezicht.[medewerker 1] : En deed dat pijn?[slachtoffer 2] : Ja. (…)\n\n [medewerker 1] : Vertel eens meer als mama jou sloeg. Was dat altijd met de platte hand of ook wel eens anders.[slachtoffer 2] : Soms aan de haren trekken.[medewerker 1] : Hoe deed ze dat dan?[slachtoffer 2] : Echt zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] pakt met zijn rechterhand een pluk haar op zijn hoofd vast).[medewerker 1] : Hoe deed ze dat precies?[slachtoffer 2] : Wegtrekken en duwen.[medewerker 1] : Terwijl ze jouw haren vast had?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Dus dan gaat jouw hoofd heen en weer.[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : En hoe voelde dat?[slachtoffer 2] : Heel veel pijn. (…)\n\n [slachtoffer 2] : Mmm. Mama had mij een keer met een stok geslagen. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] houdt met beide handen zijn hoofd vast.) [medewerker 1] : Kan je aangeven wat voor een stok dat was of hoe dik die was.[slachtoffer 2] : (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] geeft met duim en wijsvinger ongeveer 7 centimeter aan en een lengte van 60 centimeter). En dan heel hard.[medewerker 1] : Waar was jij toen?[slachtoffer 2] : Op mijn kamer. En toen sloeg ze mij in ene keer met de stok.[medewerker 1] : En deed ze dat met een hand of met twee handen? Hoe hield ze die vast?[slachtoffer 2] : Ja, met twee handen.[medewerker 1] : Waar was je in jouw kamer?[slachtoffer 2] : Op mijn bed. (...)[medewerker 1] : En kan je bij [medewerker 2] aangeven waar ze jou dan ongeveer sloeg met de stok?[slachtoffer 2] : Hier zo ongeveer. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn rechterhand naar onder bij zijn rug.)[medewerker 2] : In het midden?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : En hoe vaak sloeg ze jou toen?[slachtoffer 2] : Twee of drie keer.[medewerker 1] : Had je daar ook plekken van gehad? Of heb je iets anders gezien op je rug?[slachtoffer 2] : Nee.[medewerker 1] : En is dat de enige keer dat ze jou met een stok heeft geslagen of is dat vaker gebeurd?[slachtoffer 2] : Vaker.[medewerker 1] : Vertel nog eens over een andere keer dat je je herinnert.[slachtoffer 2] : Dat was volgens mij op mijn been. Toen had ik heel veel last van mijn been. Ik kon bijna niet meer lopen toen. [medewerker 1] : En waar was jij toen dat gebeurde? [slachtoffer 2] : Toen was mijn oma uit Polen in mijn kamer want ze was een paar weken op bezoek dus ik was bij de zonnebankkamer en toen sloeg ze mij. (...)[medewerker 1] : En waar op jouw been was dat gebeurt?[slachtoffer 2] : Hier zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn rechterhand op zijn rechterbovenbeen\u002F-dijbeen).[medewerker 1] : En hoe vaak sloeg zij?[slachtoffer 2] : Een of twee keer.[medewerker 1] : Had ze toen die stok in een of twee handen?[slachtoffer 2] : Volgens mij een hand toen.[medewerker 1] : Ja. En waar was jij op dat moment in die kamer?[slachtoffer 2] : Op een matras. (…)\n\n [medewerker 1] : Wanneer was de ergste keer? Vertel daar eens over.[slachtoffer 2] : Op mijn rug.[medewerker 1] : Kan je dat helemaal vertellen hoe dat ging? Alle details.[slachtoffer 2] : Ik had een paar dingen stiekem gepakt uit de kast en toen werd ze heel boos op mij. En toen had ze mij volgens mij met de stok geslagen.[medewerker 1] : En jij zei; ik was in mijn kamer. Kwam ze jouw kamer binnen of liepen jullie samen naar jouw kamer toe?[slachtoffer 2] : Nee. Ze liep naar mijn kamer. Want bij mij heb ik nog een zolder boven op mijn kamer daar heeft mama oude spullen liggen. En daar ligt die stok. Want die heb je nodig om die open te maken. (…) En die stok is heel hard en als je die, want die stok is helemaal van hout en als je daar door wordt geraakt, dan doet dat heel veel pijn.[medewerker 1] : Ja. En toen had zij geslagen. Hoe vaak had zij geslagen daarmee op dat moment?[slachtoffer 2] : Twee keer.\n\n(…) [medewerker 1] : Je zei net het gebeurde heel vaak met de hand, met de vlakke hand.[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : In je gezicht. Kan je voordoen hoe ze dan precies sloeg met haar arm? Wat deed ze dan precies?[slachtoffer 2] : Dan deed ze zo. Zo. En dan eigenlijk op z’n allerhardst. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] zwaait zijn rechter arm naar achteren en slaat naar voren. Hij doet dit twee keer voor.) Daarom heb ik hier volgens mij nog een litteken of zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn linker wijsvinger op zijn wang.)[medewerker 1] : Mag ik dat eens zien. Ik zie een streepje en een rondje. Was het een streepje of een rondje?[slachtoffer 2] : Een rondje. En toen het weg was heeft mama mij nog heel vaak geslagen op die kant, dus toen is dat litteken heel lang gebleven.[medewerker 1] : Als zij zo sloeg vanaf hier. Dan ging dat met best veel kracht toch?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Maar had jij nog lang daarna pijn?[slachtoffer 2] : Vaak wel. Maar na tien minuutjes was het wel weer over.[medewerker 1] : En waar deed het dan pijn?[slachtoffer 2] : Nou, op mijn gezicht vooral. (…)\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Wat vindt je het ergste wat er thuis is gebeurd? Waar heb je het meeste last van?[slachtoffer 2] : De stok.[medewerker 1] : Ja. En dat was twee keer gebeurd zei je he?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Een keer op je rug en een keer op je been.[slachtoffer 2] : Ja. (...)\n\n [slachtoffer 1] heeft op 3 februari 2025 het volgende verklaard over de mishandeling van zijn broertje [slachtoffer 2] :\n\n(…)\n\n [slachtoffer 1] : Stokken, want wij zo, ja, wij hebben een zolder en daar zit een soort van ladder aan en die moet je naar beneden trekken en daar hebben ze een stok voor en die ligt op mijn broertjes kamer. Hij is heel hard geslagen. Hij had mijn schoenen vies gemaakt, mijn nieuwe schoenen. En toen werd mama zo boos en werd hij geslagen met een stok. [medewerker 1] : En waar was jij op dat moment?[slachtoffer 1] : Ik was beneden en ik hoorde hem in een keer keihard schreeuwen en hij had een blauwe plek op zijn benen. Dat was echt niet normaal. (…)\n\n [medewerker 1] : Ja. Jij zegt een paar keer. Ik heb mijn broertje beschermd of proberen te beschermen. Vertel eens over de laatste keer dat dat was. Wat gebeurde er toen?[slachtoffer 1] : Ja, ik heb altijd voor mijn broertje, mijn broertje is tien en ik ben dertien. Dus ik neem dan mijn verantwoordelijkheid voor hem. Want ik wil niet dat mijn broertje geslagen wordt door iemand. (…) En dan zie ik ook dat mijn moeder hem slaat, ja, dan denk ik, mooi niet. En dan ga ik voor hem staan, want dan slaat ze mij maar. Maar ik laat niet mijn broertje slaan. (…)\n\nVerdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 2] met de stok van de vlizotrap op zijn benen had geslagen. Verdachte had gezien dat er weer fikkie was gestookt. Zij vroeg [slachtoffer 2] of hij weer bezig was geweest met een aansteker. [slachtoffer 2] bleef ontkennen en verdachte zei hem dat hij niet moest liegen. De emotie liep zo hoog op en zij had de stok in haar handen.\n\nDe rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte haar kind [slachtoffer 2] heeft mishandeld. [slachtoffer 2] heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard dat zijn moeder hem op zijn rug en benen heeft geslagen met een stok, dat zij hem met de platte hand in zijn gezicht heeft geslagen en dat zij hem aan zijn haren heeft getrokken. De verklaring van verdachte, dat zij tikjes heeft gegeven op de oren van haar kinderen en dat zij [slachtoffer 2] met een stok heeft geslagen, en de verklaring van [slachtoffer 1] , dat hij voor zijn broertje ging staan als zijn moeder zijn broertje sloeg en dat zijn moeder [slachtoffer 2] met een stok sloeg, ondersteunen de verklaring van [slachtoffer 2] .\n\nDe rechtbank acht daarmee feit 2 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het duwen van [slachtoffer 2] , nu uit het dossier niet is gebleken dat dit pijn of letsel heeft opgeleverd.\n\nPeriode feit 1 en 2\n\nDe rechtbank acht een kortere periode bewezen dan ten laste is gelegd, te weten de periode van 1 januari 2024 tot en met 21 december 2024. De rechtbank ziet dat er in het dossier concrete aanknopingspunten zitten dat in 2024 de mishandelingen van beide kinderen hebben plaatsgevonden. De rechtbank wijst er in dat verband op dat [slachtoffer 1] tegen verdachte zou hebben opgemerkt dat het een verschrikkelijk jaar was geweest toen zij op 21 december 2024 een filmpje voor familie wilde maken. Concrete aanknopingspunten voor mishandelingen die eerder dan 2024 zouden hebben plaatsgevonden, heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen. De rechtbank zal daarom voor feit 1 en 2 uitgaan van een kortere bewezen verklaarde periode, van 1 januari 2024 tot en met 21 december 2024, en verdachte voor de overige ten laste gelegde periode vrijspreken.\n\nVrijspraak feit 3\n\nJuridisch kader\n\nOnder feit 3 is een aantal gedragingen als mishandeling ten laste gelegd. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat de onder feit 3 ten laste gelegde gedragingen door het openbaar ministerie als psychische mishandeling worden gezien.\n\nDe rechtbank zal verdachte geheel vrijspreken van feit 3. De rechtbank zal om die reden niet toekomen aan het verweer dat ziet op partiële nietigheid.\n\nDe rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede – onder omstandigheden – het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677).\n\nMet betrekking tot psychische mishandeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Naar geldend recht moet het bestanddeel ‘mishandeling’ zo worden uitgelegd, dat psychische mishandeling alleen strafbaar kan zijn als sprake is van gedragingen met enig betekenisvol fysiek aspect of gevolg. Voorbeelden in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn het in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht brengen (ECLI:NL:HR:2012:BX5468) en het verergeren van iemands ziektebeeld door verkeerd medisch handelingen (ECLI:NL:HR:2013:BY4858). Het gaat hier om gevallen waarin het handelen van de verdachte een lichamelijke uitwerking op het slachtoffer had. Het binnen de reikwijdte van artikel 300 Sr brengen van psychische mishandeling zónder fysiek aspect of gevolg is onwenselijk – met name in het licht van het zogenoemde bepaaldheidsgebod – omdat de betekenis van de term mishandeling daarmee minder scherp zou worden omlijnd dan zij nu op grond van de wetsgeschiedenis is. Daarmee zou ook de rechtszekerheid in het geding kunnen komen: het is voor de burger dan niet goed te voorzien welk gedrag onder de strafbaarstelling van mishandeling kan worden geschaard (vgl. de conclusie van A-G Van Kempen van 10 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:238).\n\nDe rechtbank zal aan de hand van het bovenstaande juridisch kader beoordelen of de ten laste gelegde gedragingen kunnen worden aangemerkt als mishandeling en dus kunnen worden bewezenverklaard.\n\nCategorie A: geen betekenisvol fysiek aspect of gevolg\n\nDe rechtbank is, gelet op het bovenstaande juridisch kader, van oordeel dat ten aanzien van de gedachtestreepjes 1, 2 en 4 tot en met 7 niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring, omdat het niet gaat om gedragingen met enig betekenisvol fysiek aspect of gevolg. De gedragingen kunnen daarom niet worden aangemerkt als mishandeling als bedoeld in artikel 300 Sr. Verdachte zal om die reden van de gedachtestreepjes 1, 2 en 4 tot en met 7 worden vrijgesproken.\n\nCategorie B: fysiek aspect, maar geen sprake van strafbare mishandeling\n\nTen aanzien van beide kinderen is onder gedachtestreepje 3 van feit 3 het onthouden van zorg door niet en\u002Fof onvoldoende aanbieden van voedsel en\u002Fof het (in de winterperiode) zonder en\u002Fof onvoldoende warme kleding als straf buiten laten verblijven en hen niet in de woning te laten, ten laste gelegd.\n\nDe rechtbank overweegt dat de gedragingen, zoals deze uit het dossier naar voren komen, niet een dusdanig fysiek aspect of gevolg hebben, dat deze kunnen worden aangemerkt als mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet afdoende is gebleken dat de kinderen gedurende een langere periode honger, kou of een gebrek aan zorg hebben ervaren. Er kan in de gegeven omstandigheden niet worden gezegd dat dergelijk gedrag mishandeling als bedoeld in artikel 300 Sr oplevert. Verdachte zal dan ook van dit gedachtestreepje van feit 3 worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank zal verdachte, concluderend, geheel vrijspreken van feit 3.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nfeit 1zij opeen ofmeerdere tijdstippen inof omstreeks de periode van 1 januari 2024tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel ,en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland,[slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), heeft mishandeld, door: meermalen,althans eenmaal,- die voornoemde [slachtoffer 1] te duwen en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 1] aan de haren te trekken en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 1] op\u002Ftegen het hoofd, het beenen\u002Fof knie,althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een kabel,stoken\u002Fofde platte hand en\u002Fof- (met) boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van die voornoemde [slachtoffer 1] te gooien en\u002Fof te duwen en\u002Fof- aan de klerenen\u002Fof het lichaamvan die voornoemde [slachtoffer 1] te trekken en\u002Fof-(met kracht)die voornoemde [slachtoffer 1] bij de keel vast te pakkenen\u002Fof te grijpen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 2zij opeen ofmeerdere tijdstippen inof omstreeksde periode van 1 januari 2024tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel ,en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland,[slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door: meermalen,althans eenmaal,- die voornoemde [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2] aan de haren te trekken en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Ftegen de rug en\u002Fofbeen,althans op\u002Ftegen het lichaam,te slaan met een stok en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2]op\u002Fin\u002Ftegen het gezicht en\u002Fofde wang, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een platte hand,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1 en feit 2, telkens:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen haar kind, meermalen gepleegd\n\n5. De strafbaarheid van het de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 120 uren zal worden opgelegd, bij niet uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening houdt met het blanco strafblad van verdachte en de beperktere bewezenverklaring zoals de raadsman die heeft bepleit. Daarnaast heeft de raadsman gevraagd dat de rechtbank rekening houdt met het feit dat verdachte langdurig niet thuis heeft gewoond en dat zij hulp heeft gezocht bij Kairos en Entrea-Lindenhout. De raadsman heeft betoogd dat er zijns inziens geen ruimte is voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is bereid een geldboete te betalen en een voorwaardelijke straf zal door haar worden geaccepteerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het fysiek mishandelen van haar zoons. Verdachte heeft daarmee de lichamelijke integriteit van haar kinderen ernstig geschonden. De mishandelingen vonden thuis plaats, terwijl een kind zich juist op deze plek bij zijn ouder(s) geborgen en veilig moet kunnen voelen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat de mishandelingen pas stopten toen haar kinderen zelf de moedige stap namen om hun verhaal te doen bij hun grootouders.\n\nDe rechtbank neemt in strafverminderende zin mee dat verdachte na de melding bij Veilig Thuis de hulpverlening heeft geaccepteerd en heeft aangegrepen en de hulpverleningstrajecten positief heeft doorlopen.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van de Reclassering Nederland van 9 april 2026. De reclassering heeft in de rapportage beschreven dat er na de melding van Veilig Thuis verschillende interventies in werking zijn gezet, en Veilig Thuis de kinderen tot en met april 2025 bij de grootouders heeft geplaatst. Verdachte startte in april 2025 een behandeltraject bij Kairos. Op dat moment gingen de kinderen weer in het ouderlijk huis wonen en trok verdachte, in goed overleg met Veilig Thuis, tijdelijk bij vrienden in. In juni 2025 werd Entrea-Lindenhout actief betrokken bij het gezin, en vond begeleiding plaats bij het gezin. In september 2025 werd besloten dat verdachte weer thuis kon wonen. De reclassering beschrijft dat er een aantal beschermende factoren is. Verdachte heeft een stabiele baan en heeft een vaste woonplek in [woonplaats] . Verdachte heeft een goede vriendin waarmee ze alles kan bespreken. Verder heeft verdachte wekelijks contact met haar moeder. Verdachte heeft door haar behandeling genoeg handvatten gekregen waardoor ze nu goed kan omgaan met dagelijkse triggers. Haar kinderen zijn, op het moment van het opstellen van de rapportage, 11 en 14 jaar oud. De kinderen zijn nu pubers en zoeken vaak de grenzen op. Verdachte heeft aangegeven zich in te zetten wanneer toezicht of behandeling nog gewenst is. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdere interventies of toezicht worden niet nodig geacht. De rechtbank neemt dit advies over.\n\n De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank een kortere periode en minder bewezen verklaart dan door de officier van justitie is gesteld. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden is, bij niet (naar behoren) uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis. De rechtbank zal geen voorwaardelijk strafdeel opleggen, nu zij uit de reclasseringsrapportage opmaakt dat verdachte en haar gezin voldoende zijn ingebed in hulpverlening en zij het goed acht als na het uitvoeren van de taakstraf een voor de kinderen nare periode in het gezin definitief kan worden afgesloten.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R .M.H. Pennings (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.\n\nmr. R .M. Pennings is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ON5R025012, gesloten op 21 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Melding Veilig Thuis d.d. 7 februari 2025, p. 14-16.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2025.\n\n Dit verhoor is opgenomen en vervolgens uitgekeken en uitgewerkt door verbalisanten van de politie van de eenheid Oost-Nederland.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 34, 37-38 en 41-44.\n\n Dit verhoor is opgenomen en vervolgens uitgekeken en uitgewerkt door verbalisanten van de politie van de eenheid Oost-Nederland.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 51, 56 en 59.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 51-53, 55-56, 60 en 65-66.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 36 en 41.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4272","2026-05-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.860Z",{"id":195,"ecli":196,"slug":197,"caseNumber":44,"courtId":198,"decisionDate":192,"fullText":199,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":200,"sourceTimestamp":201,"parsedAt":51,"updatedAt":202},"1938","ECLI:NL:RBDHA:2026:17507","ecli-nl-rbdha-2026-17507",58,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705561 \u002F FA RK 26-5048\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter\n\nWijziging voorlopige voogdij\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),\n\nhierna te noemen: [minderjarige].\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nin het BRP geregistreerd als geëmigreerd,\n\nStichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,\n\nzijnde de voorlopige voogdes.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nLeger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,\n\nzijnde de beoogde voogdes.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 21 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank – met wijziging van de beschikking van 9 april 2026 met zaaknummer C\u002F09\u002F702234 \u002F FA RK 26-3043 – het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] in plaats van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.1.2.. De kinderrechter neemt nu ook de voornoemde beschikking van 21 mei 2026 mee in de beoordeling.\n\n1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n [naam 1] namens de Raad;\n\n [naam 2] namens Stichting Jeugdbescherming west Zuid Holland;\n\n [naam 3] namens Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering.\n\n1.4.. De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen.\n\n1.5.. De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoek strekt tot wijziging van de voorlopige voogdij over [minderjarige], in die zin dat wordt verzocht het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] in plaats van Stichting Jeugdbescherming West Zuid Holland en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Bij beschikking van 9 april 2026 is Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] (zaaknummer C\u002F09\u002F702234 \u002F FA RK 26-3043). Op grond van artikel 1:241 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de maatregel worden ingetrokken of gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft bevolen, tenzij een verzoek om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht. In dat geval beslist de rechter bij wie dit verzoek aanhangig is. De kinderrechter stelt vast dat de Raad op 28 april 2026 heeft verzocht om een voorziening in het gezag over [minderjarige]. Dat verzoek zal worden behandeld bij door een rechter van team Familie van de rechtbank Den Haag. Het is in het belang van [minderjarige] dat er zo spoedig mogelijk inhoudelijk op het verzoek wordt beslist, omdat er op dit moment feitelijk niet tot nauwelijks invulling wordt gegeven aan de voorlopige voogdijmaatregel. Aangezien het bij team Familie niet mogelijk is om verzoekschriften op zeer korte termijn inhoudelijk te behandelen en de aard van dit verzoek geen uitstel duldt, heeft de kinderrechter noodzaak gezien alsnog op dit verzoek te beslissen.\n\n4.2.. Uit het verzoekschrift en de mondelinge toelichting ter zitting volgt dat Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland de afgelopen periode niet tot nauwelijks betrokken is geweest bij [minderjarige] vanwege personeelstekort. Het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering is bereid en heeft iemand beschikbaar om de voorlopige voogdij uit te voeren. Aangezien het dringend en onmiddellijk noodzakelijk is dat de belangen van [minderjarige] worden behartigd en de noodzakelijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] kunnen worden genomen, is de kinderrechter van oordeel dat de voorlopige voogdij beter belegd kan worden bij het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad dan ook toewijzen.\n\n4.3.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.4.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nmet wijziging van de beschikking van 9 april 2026 met zaaknummer C\u002F09\u002F702234 \u002F FA RK 26-3043:\n\n5.1.. belast het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met de voorlopige voogdij over [minderjarige] in plaats van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;5.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door\n\nmr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2025.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17507","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.367Z",{"id":204,"ecli":205,"slug":206,"caseNumber":44,"courtId":198,"decisionDate":192,"fullText":207,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":208,"sourceTimestamp":201,"parsedAt":51,"updatedAt":209},"1936","ECLI:NL:RBDHA:2026:17504","ecli-nl-rbdha-2026-17504","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F706017 \u002F JE RK 26-926\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] ,\n\nhierna tezamen ook te noemen: de kinderen.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\nStichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Op 29 mei 2026 heeft mr. S. van der Harg, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de gecertificeerde instelling tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;\n\nde gecertificeerde instelling gemachtigd is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;\n\nde behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nhet mondelinge verzoek van de Raad op 29 mei 2026;\n\nhet schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.\n\n2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.\n\n2.3.. De kinderen wonen bij de moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.\n\n4.2.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daartoe overweegt de kinderrechter dat er grote zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen. De kinderen zijn gisteren (28 mei 2026) van huis weggelopen en naar de basisschool van [minderjarige 2] gegaan, waarna ze hebben aangegeven zich thuis niet veilig te voelen. De kinderen zijn vervolgens op het politiebureau gesproken door medewerkers van Veilig Thuis en het Crisis Interventie Team (CIT). Beide kinderen hebben aangegeven mishandeld en bedreigd (onder andere met de dood) te worden door de vader. Zij durven niet terug naar huis (bij de moeder), omdat zij zich ook onveilig voelen in het netwerk. De vader zit op dit moment vast voor verhoor vanwege een aangifte van mishandeling door de meerderjarige zus van de kinderen. Gelet op de forse zorgen die er zijn over de veiligheid van de kinderen, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat er met spoed een jeugdbeschermer betrokken raakt bij het gezin. Ook is een langere uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk, zodat goed kan worden onderzocht hoe de opvoedsituatie van de kinderen eruit ziet en wat er nodig is om de kinderen veilig terug te laten keren naar huis. De kinderrechter zal het spoedverzoek daarom toewijzen.4.3.. De beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n4.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;\n\n5.2.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;5.3.. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. \n\nhoudt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van\n\n8 juni 2026om09.00 uur;\n\n5.5.. gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:\n\nde Raad;\n\nde moeder en de aan haar toe te wijzen advocaat;\n\nde vader;\n\nde gecertificeerde instelling;\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een kindgesprek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17504","2026-07-13T00:29:46.301Z",20,[11,212,213],2025,2024]