[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-childcare-benefits-compensation-nl-2026":3},{"detail":4,"years":157},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":155,"page":14,"limit":156},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},117,"childcare-benefits-compensation-nl","Childcare Benefits Compensation","NL","2026-07-08T16:57:11.266Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":26},6,12,{"month":28,"count":15},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":26,"count":15},[39,53,62,69,76,83,90,97,104,113,121,131,138,147],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"448","ECLI:NL:RBROT:2026:8191","ecli-nl-rbrot-2026-8191","",61,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F1810\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),\n\nen\n\nDienst Toeslagen\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nSamenvatting\n\n1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2012 en 2013 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is de compensatie voor de periode van 1 januari 2012 tot\n\n5 oktober 2012 ten onrechte afgewezen. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met besluiten van 19 september 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2012 en 2013 afgewezen.\n\n2.1.. Met een besluit van 22 september 2022 (UHT-DC I) is aan eiseres een compensatiebedrag van € 74.729,- toegekend voor de jaren 2008, 2009 en 2011.\n\n2.2.. Met een besluit van 22 september 2022 (UHT-O OGS B) is aan eiseres een tegemoetkoming opzet\u002Fgrove schuld (O\u002FGS) van € 12.702,- toegekend voor de jaren 2012 en 2013.\n\n2.3.. Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 september 2022 (UHT-DC I) gegrond verklaard en het compensatiebedrag vastgesteld op € 77.209,- en de bezwaren van eiseres tegen de overige besluiten ongegrond verklaard.\n\n2.4.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft met brieven van\n\n10 maart 2026 en 24 maart 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.\n\n2.5.. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. J. van den Ende, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 19 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag afgewezen voor het toeslagjaar 2012. Volgens de Dienst Toeslagen is in het jaar 2012 vooringenomen gehandeld, omdat er geen rappelbrief is verzonden aan eiseres na een verzoek om informatie, maar bestaat geen recht op compensatie, omdat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. Niet zou zijn gebleken dat opvang is genoten en de toeslagpartner van eiseres zou niet voldoen aan de vereisten van artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko), zoals geldend op 1 januari 2012. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor het toeslagjaar 2012. Eiseres heeft in dat jaar wel kinderopvang afgenomen en voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van kinderopvangtoeslag. Dat uit de kinderopvanginstelling (KOI)-viewerniet blijkt dat sprake was van kinderopvang, is onvoldoende voor de conclusie dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Eiseres is op 5 oktober 2012 getrouwd met [persoon A] . Hij is ten onrechte aangemerkt als toeslagpartner voor heel 2012, nu hij pas in 2013 bij eiseres in Nederland is komen wonen.4.1.. De Dienst Toeslagen heeft erkend dat in het toeslagjaar 2012 vooringenomen is gehandeld. De rechtbank laat daarom het betoog van eiseres daarover – waaronder het betoog over de vermeende onjuiste afhandeling van een herzieningsverzoek – buiten beschouwing.\n\n4.2.. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid, waardoor geen recht bestaat op compensatie voor het toeslagjaar 2012. Eiseres heeft evident geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat haar toeslagpartner niet voldeed aan de vereisten van artikel 1.6, derde lid, van de Wko en niet is gebleken dat kinderopvang is afgenomen. Voor het eerst op de zitting heeft de Dienst Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat ook niet is gebleken dat eiseres zelf in het toeslagjaar 2012 voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.6, eerste lid, van de Wko.\n\n4.3.. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang.\n\n4.3.1.. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen.De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn.Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind in het geheel geen opvang heeft genoten.\n\n4.3.2.. Degene die voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden op het zelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.\n\n4.3.3.. Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar, kort gezegd, arbeid verricht of gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2012. De Dienst Toeslagen heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. De echtgenoot van eiseres was de toeslagpartner van eiseres vanaf het huwelijk op 5 oktober 2012.Omdat hij in de periode daarvoor niet met eiseres samenwoonde, kon hij in die periode niet als toeslagpartner worden aangemerkt.De activeringscoach van de gemeente Rotterdam heeft verklaard dat eiseres vanaf 8 april 2011 heeft deelgenomen aan ‘ [traject 1] ’ en vanaf 23 november 2012 aan ‘ [traject 2] ’. Dit zijn voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Volgens eiseres hebben deze trajecten elkaar opgevolgd, zodat zij aaneensluitend kinderopvang nodig had. Verder blijkt uit het overzicht arbeidsverleden van het UWV dat eiseres in 2012 in beperkte mate heeft gewerkt. Daarmee is het niet evident dat eiseres in het toeslagjaar 2012 niet voldeed aan de vereisten van artikel 1.6, eerste lid, van de Wko (oud). De deelname aan de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling is bovendien een aanwijzing dat eiseres wel daadwerkelijk kinderopvang heeft afgenomen, nu het bij zulke trajecten doorgaans verplicht is gebruik te maken van kinderopvang. Het feit dat in de KOI-viewergeen opvanggegevens stonden geregistreerd, legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal, omdat kinderopvanginstellingen in 2012 niet verplicht waren gegevens over de opvang aan de Dienst Toeslagen te verstrekken. Het voorgaande betekent dat het niet evident is dat eiseres geen recht had op kinderopvangtoeslag van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2.1, tweede lid, van de Wht en kan niet in stand blijven. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat de berekening van de hoogte van de eventuele compensatie te ingewikkeld is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de afwijzing van compensatie betreft over de periode van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012 en de Dienst Toeslagen opdragen ten aanzien van deze periode een nieuw besluit op het bezwaar nemen. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor een termijn van zes weken.\n\n5.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen ook in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de periode van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012;\n\ndraagt de Dienst Toeslagen op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;\n\nveroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Nieuwstraten, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nDe rechter is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wht.\n\n Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.\n\nKamerstukken II2021\u002F22, 35151, nr. 3, p. 72.\n\n Artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), zoals geldend op 1 januari 2012.\n\n Artikel 1.6, eerste lid, van de Wko, zoals geldend op 1 januari 2012.\n\n Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir (oud).\n\n Artikel 3, tweede lid, van de Awir (oud).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8191","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:30.851Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1973","ECLI:NL:RBZWB:2026:5787","ecli-nl-rbzwb-2026-5787",64,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2184\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,\n\n(gemachtigde: mr. M. Akça-Altun),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 29 augustus 2025.In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op het bezwaar van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 29 augustus 2025 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing op het bezwaar moest nemen.\n\n4. Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op het bezwaar van eiser.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n5.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n5.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n5.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n5.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 29 februari 2024 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n6. In gevallen als deze, waarin voornoemde 60 weken al zijn verstreken, wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 5.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n BRE 25\u002F2997, ECLI:NL:RBZWB:2025:5860.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5787","2026-07-13T00:29:47.994Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":68},"1968","ECLI:NL:RBZWB:2026:5788","ecli-nl-rbzwb-2026-5788","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2253\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. G. Kaya),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 30 december 2024, door verweerder ontvangen op 2 januari 2025, tegen de definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 tot en met 2013 van 27 juni 2023.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 30 december 2024 en verweerder heeft het bezwaarschrift op 2 januari 2025 ontvangen. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 27 maart 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 19 augustus 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 22 augustus 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 27 maart 2025 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. In gevallen als deze, waarin voornoemde 60 weken al zijn verstreken, wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5788","2026-07-13T00:29:47.775Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":73,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":75},"1972","ECLI:NL:RBZWB:2026:5784","ecli-nl-rbzwb-2026-5784","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2173\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 16 december 2025, door verweerder ontvangen op 17 december 2025, tegen de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van 27 augustus 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 16 december 2025 en verweerder heeft het bezwaarschrift op 17 december 2025 ontvangen. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 11 maart 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 12 maart 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 11 maart 2026 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 5 mei 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op uiterlijk 5 mei 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5784","2026-07-13T00:29:47.948Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":80,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":82},"1974","ECLI:NL:RBZWB:2026:5785","ecli-nl-rbzwb-2026-5785","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2180\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 14 november 2025 tegen de beschikking aanvullende schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van 23 juli 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 14 november 2025. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 6 februari 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 13 maart 2026 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 18 maart 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 9 februari 2026 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 2 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op uiterlijk 2 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5785","2026-07-13T00:29:48.036Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":87,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":89},"1976","ECLI:NL:RBZWB:2026:5783","ecli-nl-rbzwb-2026-5783","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2118\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,\n\n(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 15 november 2025 tegen de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van 29 juli 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 15 november 2025. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 7 februari 2026 moeten beslissen, maar omdat dit een zaterdag is, had verweerder uiterlijk op 9 februari 2026 moeten beslissen.De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 10 maart 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 9 februari 2026 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 5 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op uiterlijk 5 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n Artikel 1, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5783","2026-07-13T00:29:48.101Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":94,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":96},"1977","ECLI:NL:RBZWB:2026:5789","ecli-nl-rbzwb-2026-5789","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2254\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,\n\n(gemachtigde: mr. G. Kaya),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 30 december 2024, door verweerder ontvangen op 2 januari 2025, tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 van 20 augustus 2021.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 30 december 2024 en verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 2 januari 2025. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 27 maart 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 7 augustus 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 11 augustus 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 27 maart 2025 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. In gevallen als deze, waarin voornoemde 60 weken al zijn verstreken, wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5789","2026-07-13T00:29:48.142Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":101,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":103},"1978","ECLI:NL:RBZWB:2026:5786","ecli-nl-rbzwb-2026-5786","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2182\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 19 november 2025 tegen de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van 4 augustus 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 19 november 2025. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 11 februari 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 25 februari 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 11 februari 2026 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 7 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op binnen uiterlijk 7 april 2027 weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5786","2026-07-13T00:29:48.182Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":109,"fullText":110,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":112},"1921","ECLI:NL:RBMNE:2026:3705","ecli-nl-rbmne-2026-3705",63,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F595361 \u002F HA ZA 25-314\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij sub 1] ,\n\n2. [eisende partij sub 2],\n\n3. [eisende partij sub 3],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nadvocaten: mrs. C.L.J.A. Spiertz en M. Jans\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nDE STAAT DER NEDERLANDEN\n\n(Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Toeslagen),\n\nte ’s-Gravenhage,\n\ngedaagde partij,\n\nadvocaten: mrs. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]\n\nPartijen worden hierna de kinderen en de Staat genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 6 juni 2025 met 5 producties; - de conclusie van antwoord van 6 augustus 2025 met 8 producties;\n\n- de oproep voor de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025;\n\n- de brief van 19 maart 2026 van de Staat met productie 9;\n\n- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Jans, voorgelezen tijdens de mondelinge behandeling;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. [gemachtigde 1] , voorgelezen tijdens de mondelinge behandeling;\n\n- het overzicht (uit)betalingen en\u002Fof verrekeningen Toeslagen 2006\u002F2007, tijdens de mondelinge behandeling overhandigd door de Staat.\n\n1.2.. \n\nTen slotte is bepaald dat op 27 mei 2026 uitspraak wordt gedaan. Door organisatorische redenen is die datum niet gehaald en wordt uitspraak gedaan op 24 juni 2026.\n\n2. De kern van de zaak\n\nDe moeder van de kinderen (hierna: de moeder) is erkend gedupeerde van de Toeslagenaffaire. De kinderen vinden dat de Staat ook tegenover hen onrechtmatig heeft gehandeld. Zij hebben de Staat aansprakelijk gesteld. De Staat meent dat hij niet aansprakelijk is tegenover de kinderen. In deze procedure vorderen de kinderen een verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen tegenover hen in het kader van de toeslagenaffaire. Het gaat hier om de besluiten over de kinderopvangtoeslag van de moeder over de jaren 2006 tot en met 2009 en de daaruit voortvloeiende handelingen van de Belastingdienst\u002FToeslagen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Staat niet aansprakelijk is tegenover de kinderen en zal de vorderingen van de kinderen daarom afwijzen.\n\n3. De achtergrond van het geschil\n\nKinderopvangtoeslag\n\n3.1.. Kinderopvangtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling, vastgelegd in de Wet kinderopvang. De Belastingdienst\u002FToeslagen is het aangewezen bestuursorgaan dat besluit over de toekenning, vaststelling en eventueel terugvordering van kinderopvangtoeslag. De moeder heeft in de jaren 2006 t\u002Fm 2009 kinderopvangtoeslag ontvangen als tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De moeder heeft daarna te maken gekregen met substantiële terugvorderingen van de Belastingdienst\u002FToeslagen.\n\nDe toeslagenaffaire en hersteloperatie\n\n3.2.. Voor een goed begrip van deze uitspraak, wordt eerst geschetst welke herstelregelingen in het leven zijn geroepen en welke voorwaarden daarvoor gelden.\n\n3.3.. Naar aanleiding van signalen van ouders over misstanden bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, heeft de staatssecretaris van Financiën in 2019 de Adviescommissie uitvoering toeslagen (hierna: AUT) ingesteld. Het advies van de AUT heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De hersteloperatie is gebaseerd op de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht). De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT) voert deze regelingen uit.\n\n3.4.. De procedure bij de herstelregelingen begint ermee dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets, waarbij wordt beoordeeld of iemand recht heeft op een eerste uitkering van € 30.000,00. Daarbij wordt bekeken of de aanvrager aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldeed, of de aanvrager ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen en of de kinderopvangtoeslag ten onrechte is stopgezet. Deze regeling staat ook wel bekend als de Catshuisregeling.\n\n3.5.. Na deze eerste toets kan een gedupeerde een aanvraag doen voor een hogere vergoeding. In deze zogenoemde ‘integrale beoordeling’ wordt bekeken of de gedupeerde recht heeft op een vergoeding voor materiële en immateriële schade (de compensatievergoeding). Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald.\n\nAanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade\n\n3.6.. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen via de Commissie Werkelijke Schade, de Stichting (Gelijk)waardig Herstel of via de Regieroute Vaststellingsovereenkomst.\n\nHet toetsingskader van de Wht\n\n3.7.. \n\nOp grond van de Wht kent de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem of haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag:\n\na) sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de\n\nDienst Toeslagen, of\n\nb) de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.\n\n3.8.. Of sprake is van institutionele vooringenomenheid (a) moet worden beoordeeld op basis van de volgende kenmerken:\n\ncollectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde;\n\nbreed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren;\n\ngevolgd door een ‘zero tolerance’-onderzoek (…);\n\nhet niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming daarin;\n\nhet afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in stukken.\n\nBij de beoordeling of institutionele vooringenomenheid aanwezig is, gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier.\n\n3.9.. \n\nVan hardheid van het stelsel (b) is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato, namelijk op basis van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager heeft aangetoond dat deze (wél) tijdig zijn betaald aan de kinderopvanginstelling. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandighedenwaarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.\n\nRuimhartige beoordeling\n\n3.10.. Ouders hoeven in het kader van de hersteloperatie niet aan te tonen dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst\u002FToeslagen. Bij het vaststellen van de compensatie, en zo ook bij de beoordeling of sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid, hanteert de UHT een ruimhartige maatstaf. Dat betekent dat het verhaal van de ouder leidend is en dat beschikbare gegevens in de systemen in het voordeel van de ouder worden uitgelegd.\n\nDe compensatie die de ouders en de kinderen al hebben ontvangen\n\n3.11.. De UHT heeft aan de moeder compensatie toegekend op grond van de Catshuisregeling waarna de moeder om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade heeft verzocht. Uiteindelijk heeft zij op 7 maart 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de UHT. In totaal heeft de moeder een bedrag van € 430.250,00 ontvangen van de Staat, bestaande uit de compensatievergoeding en de vergoeding van haar werkelijke schade. Ook de vader van de kinderen heeft een schikking getroffen met de Staat. Via de ‘regieroute VSO’ is aan hem ruim € 260.000,00 uitgekeerd.\n\n3.12.. Kinderen van gedupeerde ouders ontvangen via de ‘Kindregeling’ van de Wht ook een tegemoetkoming. De hoogte van die tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind en ligt tussen € 2.000,00 en € 10.000,00.Op basis van de Kindregeling hebben de oudste twee kinderen bedragen van € 10.000,00 en het jongste kind een bedrag van € 8.000,00 ontvangen.\n\nDe vordering van de kinderen in deze civiele procedure\n\n3.13.. Het gezin heeft in de periode van de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag meerdere jaren ernstige financiële problemen gehad. [eisende partij sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling namens de kinderen uitgelegd dat – en hoe – de financiële problemen en de bijkomende stress van hun ouders het dagelijks leven van hen als kinderen raakte. Ook heeft [eisende partij sub 1] verteld dat haar ouders door de financiële zorgen uit elkaar gingen, wat veel impact had op het gezin, maar ook op de kinderen individueel. De kinderen hebben daar veel last van gehad en ervaren dat de gevolgen daarvan nog steeds aanwezig zijn in hun leven.\n\n3.14.. De kinderen stellen dat zij materiële en immateriële schade hebben geleden als gevolg van het handelen van de Staat. Er is voor de kinderen, buiten de Kindregeling, geen bestuursrechtelijke mogelijkheid om vergoeding te krijgen voor de geleden schade. Daarom mogen zij hun vordering aan de civiele rechter voorleggen.\n\n3.15.. De kinderen vorderen in deze procedure een verklaring voor recht dat de Staat ten opzichte van hen aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen in het kader van de toeslagenaffaire. Zij willen daarnaast dat de rechtbank de Staat veroordeelt om de schade te vergoeden die zij als gevolg van het onrechtmatig handelen hebben geleden. De kinderen baseren zich daarbij onder meer op de (erkenning van) aansprakelijkheid door de Staat tegenover hun moeder voor besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de UHT compensatie is toegekend.\n\n3.16.. Dat de kinderen een zware periode achter de rug hebben, staat vast. De rechtbank is onder de indruk van het verhaal van [eisende partij sub 1] , en de wijze waarop zij dat, ook namens haar broer en zus, naar voren heeft gebracht. Ook is het bijzonder hoe de kinderen zijn doorgegaan en zich hebben ontwikkeld onder moeilijke omstandigheden.\n\n3.17.. Hoe moeilijk hun situatie echter ook was (en is), dat betekent niet automatisch dat daarmee de aansprakelijkheid van de Staat tegenover de kinderen vaststaat. In de procedure bij de civiele rechter geldt namelijk een andere toets voor aansprakelijkheid dan de (ruimhartige) toets die de UHT hanteert. Bovendien gaat het hier niet om de moeder maar om de kinderen. De rechtbank zal daarom zelfstandig moeten beoordelen of de Staat in dit geval, ten opzichte van de kinderen, een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Daarnaast gelden in deze procedure de regels van het civiele bewijsrecht.\n\n4. De beoordeling\n\nNiet voldaan aan de vereisten voor een onrechtmatige daad\n\n4.1.. De rechtbank zal de door de kinderen gevraagde verklaring voor recht dat de Staat tegenover hen aansprakelijk is, niet geven.\n\n4.2.. In de civiele procedure geldt dat de kinderen, als eisende partij, de feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen, waaruit volgt dat aan alle vereisten is voldaan die de wet aan een onrechtmatige daad stelt.Het eerste vereiste voor een onrechtmatige daad is dat sprake moet zijn van onrechtmatig handelen of nalaten door de Staat (de normschending).De vordering van de kinderen loopt al op dit onderdeel stuk, omdat niet is gebleken dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de kinderen. De rechtbank legt dat hieronder uit.\n\nGeen normschending vastgesteld\n\n4.3.. De kinderen baseren het onrechtmatig handelen van de Staat op alle besluiten en daaruit voortvloeiende juridische en feitelijke handelingen waarvoor de aansprakelijkheid van de Staat tegenover de moeder expliciet is erkend.Volgens de kinderen is de door moeder over de jaren 2006 tot en met 2009 ontvangen kinderopvangtoeslag onterecht teruggevorderd. Zij menen dat de Belastingdienst\u002FToeslagen daarbij vooringenomen en in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld.\n\n4.4.. De rechtbank is echter van oordeel dat de kinderen niet concreet hebben gesteld welke besluiten en terugvorderingen onrechtmatig zijn en op welke wijze de Belastingdienst\u002FToeslagen vooringenomen is geweest of in strijd met de evenredigheid heeft gehandeld. Daar komt bij dat de Staat gemotiveerd heeft betwist dat de besluiten onrechtmatig zijn. De Staat stelt daarnaast – met de kennis van nu– dat er geen sprake is geweest van vooringenomenheid richting de moeder of strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Staat heeft daarbij toegelicht hoe de besluiten en terugvorderingen over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 tot stand zijn gekomen. Daarbij heeft de Staat per jaar onder meer het navolgende naar voren gebracht, wat door de kinderen niet (gemotiveerd) is betwist.\n\nKinderopvangtoeslag in 2006\n\n4.5.. Vanaf mei 2006 gingen de kinderen naar de kinderopvang. De moeder heeft een bedrag van € 12.328,00 ontvangen als voorschot op de kinderopvangtoeslag over 2006. Vanwege non-responsis de kinderopvangtoeslag over dat jaar op nihil gesteld.De moeder heeft daartegen bezwaar gemaakt,waarna de Belastingdienst\u002FToeslagen de invordering heeft uitgesteld. Bij besluit van 7 april 2010 is het bezwaar ongegrond bevonden.In de beschikking staat:\n\n“Om de kinderopvangtoeslag te kunnen berekenen hebben wij een jaaropgave van de kinderopvanginstelling(en) nodig. Ik heb u hierover op 24 februari 2010 gebeld. U heeft toen toegezegd een jaaropgave te zullen sturen. Dit is tot nu toe niet in ons bezit gekomen. U ontvangt dan ook geen nieuwe beschikking.”\n\n4.6.. Omdat de moeder geen jaaropgave over 2006 heeft opgestuurd is de Belastingdienst\u002FToeslagen bij haar besluit gebleven en in 2011 begonnen met het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag over 2006. Op 27 december 2011 heeft de moeder alsnog de jaaropgaven 2006 en 2007 van de kinderopvanginstelling opgestuurd.Op basis van de jaaropgave 2006 heeft de Belastingdienst\u002FToeslagen het recht op kinderopvangtoeslag over 2006 op 11 maart 2012 vervolgens vastgesteld op € 13.128,00. Het op dat moment al teruggevorderde deel van de toeslag over 2006 heeft de moeder alsnog ontvangen.\n\nKinderopvangtoeslag in 2007\n\n4.7.. In 2007 werd de kinderopvangtoeslag automatisch voortgezet. De moeder ontving een voorschot van € 23.472,00 voor het jaar 2007. Vanwege non-respons is de kinderopvangtoeslag over 2007 bij beschikking van 12 mei 2009 op nihil gesteld. Het voorschot over 2007 is door middel van verrekening teruggevorderd in de periode juli 2009 tot en met april 2011.\n\n4.8.. Op 27 december 2011 heeft de moeder ook tegen de nihilbeschikking over 2007 bezwaar gemaakt en alsnog de jaaropgaven 2006 en 2007 van de kinderopvanginstelling opgestuurd.Uit de jaaropgave 2007 blijkt dat het oudste kind tot en met maart 2007 naar de kinderopvang ging en de jongste twee kinderen tot en met juli 2007. Op basis van deze informatie heeft de Belastingdienst\u002FToeslagen het recht op kinderopvangtoeslag over 2007 bij beschikking van 10 maart 2012 vastgesteld op een bedrag van € 12.101,00. Dit bedrag is alsnog aan de moeder uitgekeerd.\n\n4.9.. De kinderen hebben niet gesteld dat hun moeder in de tweede helft van 2007 of daarna nog kinderopvang heeft genoten.\n\nKinderopvangtoeslag in 2008 en 2009\n\n4.10.. Omdat de moeder de kinderopvangtoeslag niet heeft stopgezet, werd de kinderopvangtoeslag automatisch voortgezet in 2008. De moeder ontving over 2008 een voorschot van € 23.458,00 en over 2009 een voorschot van € 23.204,00. Vanwege non-respons is de kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 bij beschikkingen van respectievelijk 14 mei 2010 en 21 april 2011 op nihil gesteld. De Belastingdienst\u002FToeslagen heeft de uitgekeerde bedragen bij de moeder ingevorderd.\n\n4.11.. De moeder heeft tegen de nihilbeschikkingen voor de jaren 2008 en 2009 geen bezwaar gemaakt. Tussen partijen is ook niet betwist dat de moeder over de jaren 2008 en 2009 geen jaaropgaven van een kinderopvanginstelling aan de Belastingdienst\u002FToeslagen heeft verstrekt.\n\nGeen sprake van onterechte terugvorderingen of vooringenomenheid\n\n4.12.. Op basis van de door de Staat overgelegde stukken blijkt niet dat sprake is geweest van onterechte terugvorderingen van kinderopvangtoeslag van de moeder, of dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.\n\n4.13.. Weliswaar heeft de UHT in het kader van de hersteloperatie vooringenomenheid van de Belastingdienst\u002FToeslagen jegens de moeder aangenomen, maar die aanname is gedaan omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld of de Belastingdienst\u002FToeslagen de jaaropgaven daadwerkelijk bij de moeder had opgevraagd. De UHT heeft daarom aangenomen dat de moeder in de jaren 2007 tot en met 2009 kinderopvang heeft genoten en dat de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande uitvraag op nihil is gesteld. Op basis van het eerder genoemde (ruimhartige) toetsingskader heeft dit geleid tot de aanname van vooringenomenheid en vervolgens ook erkenning van aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder.\n\n4.14.. In deze procedure heeft de Staat een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat de Belastingdienst\u002FToeslagen toch (diverse) uitvraag- en rappelbrieven heeft verstuurd aan de moeder over de toeslagjaren 2007 tot en met 2009.Deze gegevens waren tijdens de integrale beoordeling door de UHT nog niet bekend, en zijn pas in 2025 door de Auditdienst Rijk onderzocht en juist en volledig bevonden.Hieruit blijkt dus dat de moeder, ondanks uitvraag van de Belastingdienst\u002FToeslagen, geen jaaropgaven heeft gestuurd over de tweede helft van 2007 tot en met 2009. Zij heeft daarmee niet aangetoond dat zij over die jaren recht had op kinderopvangtoeslag, terwijl zij wel diverse verzoeken heeft gehad om dat te doen. De Belastingdienst\u002FToeslagen is in eerste instantie ook terecht begonnen met het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007 aangezien de moeder, ondanks uitvraag, in eerste instantie geen jaaropgaven over die jaren heeft toegezonden en dit pas heeft gedaan op 27 december 2011. De Belastingdienst\u002FToeslagen mocht de door de moeder ontvangen kinderopvangtoeslag dan ook terugvorderen. Van een normschending op basis van onterechte besluiten of vooringenomenheid is daarmee niet gebleken.\n\nSchending van het evenredigheidsbeginsel is niet gebleken\n\n4.15.. De rechtbank heeft evenmin kunnen vaststellen dat de Belastingdienst\u002FToeslagen in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld bij de vaststellings- en terugvorderingsbesluiten over de kinderopvangtoeslag van de moeder en bij de daaruit volgende juridische en feitelijke handelingen. Daarvoor heeft de rechtbank afgewogen of de nadelige gevolgen van de besluiten onevenredig zijn geweest in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.Dat onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag is teruggevorderd is op zichzelf niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dat dit voor de moeder van de kinderen anders zou zijn geweest, is niet gebleken, althans daarvoor zijn door de kinderen onvoldoende concrete feiten naar voren gebracht.\n\n4.16.. Ook is niet of onvoldoende gebleken dat de wijze van invordering door de Belastingdienst\u002FToeslagen in deze zaak in strijd met het evenredigheidsbeginsel is. De kinderen hebben niet concreet gesteld op welke wijze de Belastingdienst\u002FToeslagen de kinderopvangtoeslag bij de moeder heeft teruggevorderd en waarom dit in strijd met het onevenredigheidsbeginsel zou zijn. Weliswaar heeft de Staat volgens de kinderen geweigerd een betalingsregeling met de moeder te treffen, maar uit de door de Staat overgelegde stukken blijkt dat geruime tijd is gewacht met nemen van terugvorderingsmaatregelen en dat de onterecht ontvangen bedragen over een periode van acht jaar zijn terugbetaald.\n\n4.17.. Voor zover de kinderen een verklaring voor recht beogen dat ook in meer brede zin sprake is van een onrechtmatige daad, omdat de wetgeving het handelen van de Belastingdienst\u002FToeslagen mogelijk maakte, gaat ook dit betoog niet op. De wetgeving kan namelijk in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden uitgelegd maar dat is helaas langere tijd niet gedaan.\n\nDe erkenning van aansprakelijkheid door de Staat leidt niet tot vaststelling van een normschending\n\n4.18.. De kinderen hebben zich ook beroepen op de erkenning van de aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder. Maar dat beroep gaat niet op. De erkenning van aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder heeft niet tot gevolg dat onrechtmatig handelen van de Staat tegenover de kinderen vast staat. De erkenning van aansprakelijkheid tegenover de moeder moet gezien worden in het licht van de hersteloperatie. De Staat heeft daarbij de pragmatische keuze gemaakt om een ruimhartig toetsingskader toe te passen voor compensatie, om daarmee te helpen de drempels naar compensatie zoveel mogelijk weg te nemen. Daarbij is van belang dat de kinderen niet concreet hebben gemaakt welke normschending in het specifieke geval van de moeder precies door de Staat zou zijn erkend. In elk geval hebben de kinderen daarmee niet aangetoond dat de Staat ook tegenover hen onrechtmatig heeft gehandeld.\n\nGeen normschending vastgesteld – de rechtbank komt niet toe aan de relativiteit\n\n4.19.. In deze civiele procedure is niet gebleken dat de Belastingdienst\u002FToeslagen ten opzichte van de kinderen onrechtmatig heeft gehandeld bij de besluiten en daaruit voortvloeiende handelingen over de kinderopvangtoeslag van de moeder in de periode 2006 tot en met 2009. Omdat de rechtbank geen normschending heeft vastgesteld zullen de vorderingen van de kinderen worden afgewezen.\n\n4.20.. De rechtbank merkt nog op dat een belangrijk onderdeel van het debat tussen partijen ziet op de vraag of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de kinderen die hebben geleden (de relativiteit). Maar omdat er geen geschonden norm is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of voldaan is aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\nDe kinderen moeten de proceskosten betalen\n\n4.21.. De kinderen zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n4.22.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.23.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.24.. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van de kinderen af,\n\n5.2.. veroordeelt de kinderen hoofdelijk in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de kinderen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt de kinderen hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3. en 5.4. genoemde beslissingen, uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich, mr. M.S.T. Belt en mr. A.W. Zwart en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. Mr. M.S.T. Belt is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.\n\n Zoals bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).\n\n Dit volgt uit artikel 2.1 lid 1 Wht.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, p. 70-71 en Eindadvies Adviescommissie uitvoering toeslagen “Omzien in verwondering 2” van 12 maart 2020, p. 23\u002F24.\n\n Bijzondere omstandigheden zijn bijvoorbeeld: (identiteits)fraude door een derde waar de aanvrager niet van afweet, of een geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening van aanvrager.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, p. 71.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 31 066, nr. 1025.\n\n Artikel 2.12 Wht.\n\n Zie ook Rechtbank Den Haag 11 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5088, r.o. 4.6 e.v.\n\n Productie 3 bij dagvaarding.\n\n Artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n Artikel 6:162 lid 2 BW.\n\n Dagvaarding, randnummer 6.\n\n Productie 9 van de Staat.\n\n Non-respons wil zeggen dat de Belastingdienst\u002FToeslagen geen reactie heeft geregistreerd op de uitvraagbrief aan de hand waarvan (de omvang van) het recht op kinderopvangtoeslag kon worden vastgesteld.\n\nBeschikking van 9 juni 2008.\n\nBezwaar van 18 juli 2008.\n\n Productie 1 bij conclusie van antwoord.\n\n Bezwaarschrift van 27 december 2011, productie 2 bij conclusie van antwoord.\n\n Door een wijziging van het gezamenlijk toetsingsinkomen werd de toeslag uiteindelijk hoger vastgesteld.\n\n Productie 2 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 9 bij conclusie van antwoord.\n\nKamerstukken II 2025\u002F26, 36708, nr. 63.\n\n De toets volgt uit artikel 3:4 Awb en zie ook ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3535, r.o. 8.11.\n\n Productie 5 en 6 bij conclusie van antwoord.\n\n Zie: Rechtbank Overijssel 25 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1459, r.o. 4.55.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3705","2026-07-13T00:29:45.633Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":109,"fullText":117,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":51,"updatedAt":120},"1066","ECLI:NL:RBROT:2026:8084","ecli-nl-rbrot-2026-8084","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F1343\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. J. van den Ende),\n\nen\n\nDienst Toeslagen\n\n(gemachtigde: [naam 1]).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over de toeslagjaren 2010 en 2011. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag terecht heeft afgewezen.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Met een besluit van 7 maart 2023 (UHT-DCHA) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2010 en 2011 afgewezen.\n\n1.2.. Met een besluit van 8 maart 2023 (UHT-O OGS B) heeft de Dienst Toeslagen de tegemoetkoming in verband met een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld bepaald op € 6.629,-. Omdat dit bedrag lager is dan het bedrag van € 30.000,- dat eiseres al eerder had ontvangen, heeft zij geen extra geld ontvangen.\n\n1.3.. Met het besluit van 3 januari 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen de besluiten van 7 maart 2023 en 8 maart 2023 gehandhaafd.\n\n1.4.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.1.5.. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.6.. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit, voor zover van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Over de jaren 2010 en 2011 is sprake geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen omdat eiseres voorafgaand aan de nihilstellingen van 23 juli 2010 en 9 juni 2011 niet schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om informatie toe te sturen. Eiseres heeft echter geen recht op compensatie op deze grond omdat eiseres evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Eiseres was namelijk geen zogenoemde doelgroeper, onder meer omdat de partner van eiseres destijds geen rechtmatig verblijf had en niet werkte.\n\n3. Eiseres heeft aangevoerd dat de Dienst Toeslagen haar ten onrechte geen compensatie op basis van vooringenomenheid, dan wel hardheid van het stelsel heeft toegekend. Zij is slachtoffer geworden van een derde, [naam 2] . Deze had gezegd dat eiseres het geld van de kinderopvangtoeslag naar hem moest overmaken en hij zou dan de opvang voor haar betalen. De Dienst Toeslagen had een onderzoek naar [naam 2] moeten uitvoeren, nu de kinderopvangtoeslag door hem was aangevraagd. In een zaak van een ander slachtoffer van [naam 2] heeft de Dienst Toeslagen wel compensatie toegekend, aldus eiseres.\n\n4.1.. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht volgt dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de ouder evident geen recht had op kinderopvangtoeslag in het desbetreffende jaar.\n\n4.2.. Eiseres heeft geen beroepsgronden gericht tegen het standpunt van de Dienst Toeslagen dat eiseres geen doelgroeper was omdat haar partner destijds geen rechtmatig verblijf had en niet werkte. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat eiseres zelf van mening is dat zij wel doelgroeper was maar dat die stelling niet kan worden onderbouwd. Ook ter zitting is het genoemde standpunt van de Dienst Toeslagen daarom niet voldoende gemotiveerd betwist. Nu aangenomen moet worden dat eiseres geen doelgroeper was, had eiseres om deze reden evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Dat is een ernstige onregelmatigheid. Deze kan eiseres worden toegerekend. Hierbij is van belang dat het de bedoeling van eiseres was dat kinderopvangtoeslag zou worden aangevraagd en dat de kinderopvangtoeslag ook op de rekening van eiseres is bijgeschreven. Gelet hierop heeft de Dienst Toeslagen terecht toepassing gegeven aan artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.\n\n4.3.. Voor zover van belang, overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen destijds onderzoek had moeten doen naar [naam 2] . Niet is gebleken dat de Dienst Toeslagen had moeten vermoeden dat sprake was van oplichting. Over de verwijzing naar het besluit over een ander slachtoffer van [naam 2] , waarin de Dienst Toeslagen wel compensatie heeft toegekend, merkt de rechtbank op dat het niet gaat om vergelijkbare situaties. Uit het andere besluit blijkt namelijk dat er in dat geval geen aanknopingspunten waren om vast te stellen dat de kinderopvangtoeslag is overgemaakt naar een rekening die op naam stond van de betrokkene.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36151, nr. 3, p. 72.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8084","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.310Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":43,"courtId":125,"decisionDate":126,"fullText":127,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":51,"updatedAt":130},"1452","ECLI:NL:RBMNE:2026:3316","ecli-nl-rbmne-2026-3316",79,"2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Almere\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F3989\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, kantoor Utrecht, de Dienst\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).\n\nSamenvatting\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens dat zij over toeslagjaren 2007 en 2008 niet als gedupeerde is aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is. De reden daarvoor is dat de Dienst reguliere wijzigingen heeft verwerkt, waarmee de kinderopvangtoeslag definitief is berekend en vastgesteld en is stopgezet, zodat van vooringenomen handelen door de Dienst geen sprake is.\n\nProcesverloop\n\n1. Eiseres heeft zich op 3 juni 2021 bij de Dienst gemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire en heeft oorspronkelijk verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2003 tot en met 2008. Deze toeslagjaren zijn daarna in overleg met eiseres gewijzigd naar de jaren 2007 tot en met 2011. Met het besluit van 20 oktober 2022 (kenmerk UHT-DC I) is aan eiseres een compensatie over de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 toegekend, omdat de Dienst in die jaren fouten heeft gemaakt.\n\n2. Met de besluiten van 20 oktober 2022 (kenmerken UHT DC-I A en UHT-DH5 A) heeft de Dienst het verzoek van eiseres om compensatie over de jaren 2007 en 2008 afgewezen, omdat de Dienst bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag geen fouten heeft gemaakt en ook niet te streng is geweest bij het uitvoeren van de regels. De Dienst heeft aan de besluiten het advies van de onafhankelijke Commissie van Wijzen ten grondslag gelegd.\n\n3. Tegen de primaire besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt, omdat eiseres het niet eens is met de compensatieberekening en vindt dat zij ook gedupeerde is over de jaren 2007 en 2008.\n\n4. Met het besluit van 21 mei 2025 (het bestreden besluit) is de Dienst tegemoetgekomen aan het bezwaar, voor zover gericht tegen de compensatieberekening, en heeft de Dienst de afwijzing van compensatie over de jaren 2007 en 2008 ongewijzigd in stand gelaten.\n\n5. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n6. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe hersteloperatie toeslagen\n\n7. Vanwege de toeslagenaffaire zijn verschillende herstelregelingen tot stand gekomen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door de Dienst toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens de Dienst.\n\n8. De procedure bij de herstelregelingen houdt in dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In deze eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de zogenoemde Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet.\n\n9. Na deze eerste toets kan worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van een integrale beoordeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen.\n\nHet toetsingskader\n\n10. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.\n\n11. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.\n\n12. Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade.\n\nReikwijdte van het beroep\n\n13. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Het beroep is alleen gericht tegen de vaststelling dat eiseres geen gedupeerde is over de jaren 2007 en 2008, waardoor de rechtbank alleen deze toeslagjaren beoordeelt.\n\nToeslagjaren 2007 en 2008\n\n14. De kinderopvangtoeslag is in 2007 automatisch gecontinueerd met een voorschotbeschikking van € 16.632,-. Op 1 juni 2007 is het voorschot verlaagd naar € 6.930,- als gevolg van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag door eiseres. Op 9 juni 2007 vroeg eiseres opnieuw kinderopvangtoeslag aan, waarna op 30 juni 2007 een voorschot van € 21.122,- aan eiseres is toegekend. Met het besluit van 29 januari 2010 is de kinderopvangtoeslag voor 2007 definitief berekend en vastgesteld op € 0, omdat uit het ingevulde antwoordformulier volgens de Dienst volgt dat eiseres in 2007 geen kinderopvang heeft afgenomen. Eiseres moest daardoor een bedrag van € 21.122,- terugbetalen aan de Dienst.\n\n15. In 2008 werd de kinderopvangtoeslag automatisch gecontinueerd met een voorschotbeschikking van € 24.248,-. Omdat eiseres telefonisch zou hebben verzocht om stopzetting van de kinderopvangtoeslag, is de kinderopvangtoeslag op 25 maart 2010 door de Dienst stopgezet. Op 9 april 2010 is een nihil-beschikking afgegeven en op 1 augustus 2011 is de kinderopvangtoeslag definitief op nihil beschikt.\n\nDe standpunten van eiseres\n\n16. Eiseres voert aan dat de Dienst vooringenomen heeft gehandeld, omdat eiseres het antwoordformulier over toeslagjaar 2007 niet heeft ingevuld en de Dienst wegens het ontbreken van een handtekening van eiseres op het antwoordformulier nadere uitvraag had moeten doen om zeker te stellen dat het antwoordformulier van eiseres afkomstig was. Op de zitting heeft eiseres ook aangevoerd dat het antwoordformulier is gestuurd naar haar oude adres in [plaats 2] , terwijl eiseres omstreeks 2009, toen het antwoordformulier werd verzonden, al in [plaats 3] woonde. Voor toeslagjaar 2008 bestrijdt eiseres dat zij heeft verzocht om stopzetting van de kinderopvangtoeslag. In 2008 werkte eiseres als alleenstaande ouder en volgde zij een opleiding, waardoor haar kinderen naar de kinderopvang gingen en zij recht had op kinderopvangtoeslag.\n\nDe standpunten van de Dienst\n\n17. De Dienst stelt zich op het standpunt dat hij niet vooringenomen heeft gehandeld, omdat hij bij de definitieve berekening en vaststelling van de kinderopvangtoeslag heeft mogen uitgaan van de gegevens op het antwoordformulier. Dat eiseres het antwoordformulier niet heeft ondertekend maakt dit niet anders. Als eiseres het niet eens was met de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag, dan had zij volgens de Dienst tegen de beschikking van 29 januari 2010 bezwaar moeten maken.\n\n18. Voor toeslagjaar 2008 stelt de Dienst zich op het standpunt dat de stopzetting van de kinderopvangtoeslag op verzoek van eiseres heeft plaatsgevonden. Als gevolg van het ontbreken van loonstroken en facturen is de Dienst niet gebleken dat eiseres in 2008 heeft gewerkt en kinderopvang heeft afgenomen. Bovendien is de hersteloperatie volgens de Dienst uitdrukkelijk niet bedoeld om het recht op kinderopvangtoeslag opnieuw vast te stellen.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n19. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Dienst de aanvraag van eiseres om compensatie over 2007 en 2008 afwijzen, omdat de Dienst terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van vooringenomen handelen. Dat legt zij hierna uit.\n\nToeslagjaar 2007\n\n20. Zoals door de Dienst ter zitting is toegelicht, volgt uit het systeem van de toeslagen dat de Dienst eerst een voorschot verstrekt en daarna pas de definitieve tegemoetkoming vaststelt. Inherent aan dat systeem is dat een controle altijd achteraf plaatsvindt.Aan het einde van het toeslagjaar ontvangt een aanvrager van kinderopvangtoeslag een definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag en die berekening kan een terugvordering of nabetaling met zich meebrengen.In het geval van eiseres heeft de Dienst een antwoordformulier verstuurd om de kinderopvangtoeslag over 2007 definitief vast te stellen. Dat antwoordformulier is naar het huisadres van eiseres verzonden, omdat de Dienst mocht uitgaan van de adresgegevens in de Basisregistratie Personen. Doordat vervolgens op het antwoordformulier is ingevuld dat er 0 opvanguren zijn afgenomen, is de kinderopvangtoeslag definitief berekend en vastgesteld op € 0. De rechtbank overweegt dat er geen rechtsregel is die voorschrijft dat de Dienst slechts gevolg mag geven aan een antwoordformulier van een aanvrager om kinderopvangtoeslag als deze door de aanvrager is ondertekend. De beroepsgrond dat in 2007 vooringenomen is gehandeld doordat de Dienst heeft nagelaten om nadere uitvraag te doen slaagt niet.\n\n21. De rechtbank vindt hierbij van belang dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 29 januari 2010, waarin het recht op kinderopvangtoeslag over 2007 definitief is berekend en op € 0 is vastgesteld. Dit terwijl eiseres ter zitting heeft bevestigd dat zij die brief op haar (correcte) adres in [plaats 3] heeft ontvangen. Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat zij (telefonisch) hulp heeft gezocht bij de Belastingdienst, maar dat zij zich niet geholpen voelde. De rechtbank heeft echter geen aanknopingspunten in het dossier gevonden waaruit blijkt dat eiseres naar aanleiding van het besluit van 29 januari 2010 contact met de Belastingdienst heeft opgenomen, en eiseres heeft ook zelf geen nadere onderbouwing gegeven. Het is dan ook niet gebleken dat het aan de Dienst te wijten is dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt.\n\nToeslagjaar 2008\n\n22. Ook ten aanzien van het toeslagjaar 2008 heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de kinderopvangtoeslag niet op verzoek van eiseres is stopgezet. Uit de door de Dienst overgelegde uitdraai van het RKT-bestand, volgt dat de Dienst de kinderopvangtoeslag op 25 maart 2010 na een verzoek van eiseres heeft stopgezet. Andere bewijsstukken heeft de Dienst in het systeem niet aangetroffen. De rechtbank kan de Dienst dan ook volgen in het standpunt dat de beschikking van 9 april 2010, waarin de kinderopvangtoeslag op nihil is beschikt, een reguliere correctie betreft binnen de systematiek van de kinderopvangtoeslag en van vooringenomen handelen door de Dienst geen sprake is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat eiseres contact met de Belastingdienst heeft opgenomen over de beschikking van 9 april 2010 of daartegen bezwaar heeft gemaakt. Dat had wel op haar weg gelegen als zij het niet eens was met die beschikking. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst het verzoek om compensatie over 2007 en 2008 terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.\n\n Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.\n\nKamerstukken II2021\u002F22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3087, rechtsoverweging 10.\n\n Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7857, rechtsoverweging 7.3.\n\n Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1055, rechtsoverweging 14.\n\n Dit is het systeem dat de Belastingdienst tot 2012 gebruikte om kinderopvangtoeslag te berekenen en vast te stellen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3316","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:21.820Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":126,"fullText":135,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":51,"updatedAt":137},"1457","ECLI:NL:RBMNE:2026:3318","ecli-nl-rbmne-2026-3318","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Almere\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F4595\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, kantoor Utrecht, de Dienst\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).\n\nSamenvatting\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eisers voert aan dat zij gedupeerde is over toeslagjaren 2012 en 2019, omdat de kinderopvangtoeslag is stopgezet zonder haar instemming, althans dat zij gedwongen werd om de kinderopvangtoeslag stop te zetten. De Dienst paste volgens eiseres de regels te streng toe, waardoor zij slachtoffer is van de hardheid waarmee het toeslagensysteem werd toegepast. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is, omdat in haar geval van hardheid van het stelsel niet is gebleken.\n\nProcesverloop\n\n1. Eiseres heeft zich op 7 juni 2021 gemeld bij de Dienst voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2011, 2012 en 2017 tot en met 2019. Na de lichte toets (Catshuisregeling) is de Dienst tot de conclusie gekomen dat eiseres op dat moment geen recht had op € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarna volgde een integrale beoordeling, waarbij per toeslagjaar is bekeken of de Dienst fouten heeft gemaakt of de regels van de kinderopvangtoeslag te streng heeft toegepast. Met het besluit van 27 februari 2024 heeft de Dienst beslist dat eiseres over alle onderzochte toeslagjaren geen gedupeerde is. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het besluit van 7 augustus 2025 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n2. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door [naam] (dochter), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nEerdere gronden\n\n4. De rechtbank stelt voorop dat zij voorbij gaat aan het verzoek van eiseres om de aanvullende beroepsgronden uit een andere zaak in deze procedure als herhaald en ingelast te beschouwen. Het gaat om de zaak UTR 24\u002F6240, met betrekking tot de lichte toets in het kader van de Catshuisregeling. Die beroepsgronden zien echter op een ander bestreden besluit dan in deze procedure voorligt, zodat daaruit niet valt op te maken waarom het in deze procedure bestreden besluit volgens eiseres onjuist is. De rechtbank gaat ook niet mee in het verzoek van eiseres om al hetgeen zij in de bezwaarfase heeft aangevoerd in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen. De Dienst is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op de stellingen van eiseres ingegaan. Het is dan aan eiseres om aan te geven op welke punten het bestreden besluit volgens haar geen stand kan houden. Voor zover zij dat in beroep wel heeft gedaan, wordt daar hieronder op ingegaan.\n\nOntbrekende stukken\n\n5. Eiseres voert aan dat de Dienst niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft toegezonden. De Dienst had telefoonnotities c.q. TVS-stukkenvan de telefoongesprekken tussen eiseres en de betreffende medewerker(s) van de Dienst, gegevens over hoe eiseres met gebruikmaking van DigiD in juni\u002Fjuli 2019 heeft ingelogd in het systeem van de Dienst, een tijdlijn, zoals die vroeger in de afhandeling van de kinderopvangtoeslagenaffaire in dossiers werd verstrekt, en de terugvorderingsbeslissing op basis waarvan eiseres iedere maand € 26,- betaalde in het geding moeten brengen.\n\n6. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de Dienst slechts verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te verstrekken. Dat zijn de stukken die de Dienst aan de in het geding zijnde besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. De Dienst heeft aangegeven dat alle telefoonnotities uit het TVS-systeem reeds in de bezwaarfase zijn verstrekt en in het dossier zitten. Voor zover eiseres stelt dat er nog telefoonnotities missen, heeft de Dienst op de zitting toegelicht dat hij geen telefoonnotities van gesprekken tussen eiseres en de Dienst in 2012 en 2019 heeft aangetroffen. Die notities heeft de Dienst dus niet als op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen toezenden. Ook de gevraagde tijdlijn is al in de bezwaarfase overgelegd. Voor zover eiseres vindt dat een andere of meer uitgebreide tijdlijn had moeten worden overgelegd, merkt de rechtbank op dat artikel 8:42 van de Awb daarvoor geen basis biedt. Voor wat betreft de gegevens over gebruikmaking van DigiD geldt dat niet valt in te zien dat dat op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, nu de Dienst daarover onbetwist heeft aangegeven dat die stukken niet aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd. Los daarvan merkt de rechtbank nog op dat eiseres ook niet duidelijk heeft gemaakt hoe deze gegevens relevant zouden kunnen zijn voor de beoordeling of de Dienst de regels van de kinderopvangtoeslag in haar geval te hard heeft toegepast. Hetzelfde geldt voor de terugvorderingsbeslissing, nu die niet aan de besluitvorming in deze ten grondslag heeft gelegen, en de Dienst ook heeft aangegeven niet over een terugvorderingsbeslissing als door eiseres genoemd te beschikken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHet toetsingskader\n\n7. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem of haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.\n\n8. Van hardheid van het stelsel is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:\n\neen derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;\n\neen derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of\n\neen door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van de Belastingdienst\u002FToeslagen de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.\n\n9. Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid of hardheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade.\n\nDe inhoudelijke beroepsgronden\n\n10. Eiseres voert aan dat zij slachtoffer is van te streng optreden door de Dienst. In 2012 heeft eiseres de Dienst gebeld, omdat zij verder wilde met haar studie en daarom kinderopvangtoeslag nodig had. Tijdens het gesprek heeft de betreffende medewerker van de Dienst de kinderopvangtoeslag van eiseres ongewenst stopgezet. In 2019 is eiseres tijdens een telefoongesprek met een medewerker van de Dienst in sterke mate beïnvloed, waarna zij onder toepassing van de nodige dwang de kinderopvangtoeslag digitaal heeft stopgezet, zo stelt eiseres. Gelet hierop, vindt eiseres dat zij gedupeerde is.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n11. De hoogte van de kinderopvangtoeslag van eiseres is bij beschikking van\n\n21 januari 2012 op € 0,- vastgesteld naar aanleiding van een verzoek van eiseres om stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 1 januari 2012. Dat eiseres heeft verzocht om stopzetting van de kinderopvangtoeslag volgt uit de ‘melding stopzetting ouder 2012’ in het dossier. De stopzetting is dus het gevolg geweest van een verzoek van eiseres, om welke reden geen sprake kan zijn van een te streng optreden door de Dienst. De Dienst heeft conform de systematiek van de kinderopvangtoeslag het voorschotbedrag herzien met de beschikking van 21 januari 2012.Als eiseres het niet eens was met die beschikking, dan had zij daartegen bezwaar moeten maken.\n\n12. Ook voor toeslagjaar 2019 is de rechtbank niet gebleken dat eiseres slachtoffer is van de hardheid waarmee het wettelijk systeem in sommige gevallen werd toegepast. Op 11 juni 2019 is om 00:08 via het burgerportaal een stopzetting van de kinderopvangtoeslag doorgegeven, zo blijkt uit het Xml-bestand. De stopzetting heeft geresulteerd in de herziene voorschotbeschikking van 23 juli 2019, waarmee het voorschotbedrag van € 4.393,- is verlaagd naar € 1.952,-. Dat eiseres zich naar eigen zeggen gedwongen voelde om de kinderopvangtoeslag stop te zetten, kan niet wegnemen dat eiseres zelf heeft verzocht om stopzetting. Als zij het achteraf (toch) niet eens was met de stopzetting had zij daartegen bezwaar kunnen maken of een nieuwe aanvraag om kinderopvangtoeslag kunnen doen. Dat heeft zij echter niet gedaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen compensatie krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Het Toeslagen Verstrekkingen Systeem.\n\n Artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen.\n\nKamerstukken II2021\u002F22, 36 151, nr. 3, p. 71.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3087, rechtsoverweging 10.\n\n Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1055, rechtsoverweging 14.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3318","2026-07-13T00:29:22.035Z",{"id":139,"ecli":140,"slug":141,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":142,"fullText":143,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":145,"parsedAt":51,"updatedAt":146},"1952","ECLI:NL:RBROT:2026:7681","ecli-nl-rbrot-2026-7681","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F9486\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen\n \n [naam 1] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nDe minister van Financiën, de minister\n\n(gemachtigde: [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de vergoeding van betaalde schulden. Deze aanvraag is met het besluit van 1 mei 2024 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\n1.2.. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Eiser is slachtoffer in de toeslagenaffaire. Hij heeft op 30 december 2023 een aanvraag gedaan voor compensatie van vijf schulden bij de ABN AMRO en een schuld BMW Financial Services Nederland. Eiser is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.\n\n3. Eiser betoogt dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar zijn schulden en verwijst hiervoor naar artikel 3:2 Awb. Door dit na te laten is het bestreden besluit volgens eiser onzorgvuldig voorbereid.\n\n3.1. De rechtbank is van oordeel dat het niet op de weg van de minister lag om bij schuldeisers zoals ABN AMRO te informeren naar de schulden van eiser. Dat zou ook niet zomaar kunnen. De minister heeft aan eiser bij brief van 20 juni 2024 (de ontvangstbevestiging van het bezwaar van eiser) aan eiser aangegeven wat hij nodig heeft om te beoordelen of een schuld voor compensatie in aanmerking komt. Daarmee heeft de minister eiser geholpen om de vereiste informatie aan te leveren. Eiser heeft ter zitting ook bevestigd dat deze brief hem heeft geholpen om de informatie op te vragen. De minister heeft daarmee zorgvuldig gehandeld.\n\n4. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij vervolgens ook contact heeft opgenomen met ABN AMRO en dat de bank heeft aangegeven dat eiser een schuld heeft bij hen, maar dat die schuld niet opeisbaar is. ABN AMRO kon daarom geen verklaring van de opeisbaarheid afgeven, aldus eiser.\n\n4.1. \n\nOm voor compensatie van een afgeloste schuld in aanmerking te komen, bestaan er kort gezegd drie voorwaarden en een van die voorwaarden is dat een schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was.Dat was bij eisers schulden bij ABN AMRO niet het geval en ook van eisers schuld bij BMW is dat niet gebleken.\n\nOmdat niet aan alle voorwaarden is voldaan voor de compensatie voor afbetaalde schulden, heeft de minister een juiste beslissing genomen. De regeling waar het hier om gaat, is niet bedoeld als compensatie voor schade, maar is bedoeld om mensen te helpen die te maken hebben met invorderingsmaatregelen door schuldeisers. Dat is bij eiser niet het geval.\n\nHet bestreden besluit is daarom begrijpelijk en voldoende gemotiveerd.\n\n5. Eiser voert verder aan dat het onevenredig is om aan hem geen compensatie toe te kennen voor de afgeloste schulden. In het geval van eiser is er geen sprake van onevenredigheid. Het gaat (gelukkig) goed met eiser en er is voor eiser geen schrijnende situatie. Er daarom geen disbalans tussen het doel dat wordt nagestreefd met de regeling die aan de orde is in deze zaak en de gevolgen van het bestreden besluit voor eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Omdat de beroepsgronden niet slagen, is het beroep ongegrond.\n\n7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.\n\n Dit staat in artikel 4.1 lid 2 onderdeel a van de Wet hersteloperatie toeslagen","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7681","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:47.060Z",{"id":148,"ecli":149,"slug":150,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":151,"fullText":152,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":51,"updatedAt":154},"1383","ECLI:NL:RBMNE:2026:3352","ecli-nl-rbmne-2026-3352","2026-02-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F6248\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] , uit [plaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. N. Idrissi),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 10 februari 2025 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.\n\nVerweerder heeft op 6 november 2025 een verweerschrift ingediend.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiseres heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.\n\n2. Iemand die in beroep gaat moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 53,-.\n\n3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelt. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.\n\n4. De rechtbank heeft eiseres op 1 november 2025 per aangetekende post een brief gestuurd, waarin staat dat eiseres het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank. Ook staat in deze brief dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als eiseres het griffierecht niet of niet op tijd betaalt. Volgens de track & trace van PostNL is de brief op 4 november 2025 door eiseres bij een PostNL-punt afgehaald, waarbij is getekend voor ontvangst.\n\n5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Eiseres heeft daar geen reden voor gegeven.\n\n6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb). Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zal behandelen.\n\n7. Van een proceskostenvergoeding is geen sprake.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van J.B Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.\n\nde griffier is verhinderd deze uitspraak\n\nte ondertekenen\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3352","2026-07-13T00:29:19.034Z",14,20,[11,158,159],2025,2024]