[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-civil-procedure-nl-2026":3},{"detail":4,"years":209},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":155,"page":14,"limit":208},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",2026,[13,15,17,20,23,26,28,29,32,33,35,37],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":16},2,{"month":18,"count":19},3,9,{"month":21,"count":22},4,6,{"month":24,"count":25},5,7,{"month":22,"count":27},34,{"month":25,"count":19},{"month":30,"count":31},8,0,{"month":19,"count":31},{"month":34,"count":31},10,{"month":36,"count":31},11,{"month":38,"count":31},12,[40,54,63,73,81,88,95,103,111,118,126,134,142,151,160,167,175,184,193,201],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"902","ECLI:NL:RBNNE:2026:2689","ecli-nl-rbnne-2026-2689","",80,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F19\u002F154149 \u002F HA RK 25-62\n\nBeschikking van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\nadvocaat: mr. S.B.W. du Plessis,\n\ntegen\n\n1. STICHTING SANQUIN BLOEDVOORZIENING,\n\nte Amsterdam, 2.AXA XL,\n\nte Amsterdam,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: Sanquin c.s.,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 13 november 2025 met producties 1 tot en met 13;\n\n- het verweerschrift van 10 februari 2026 met producties 1 tot en met 17;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Du Plessis.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 14 december 2021 heeft [verzoekster] voor de eerste maal bloed gedoneerd en wel op de afnamelocatie van Sanquin in [plaats] . Na afloop van de donatie heeft [verzoekster] plaatsgenomen op een stoel in het donorcafé. Het donorcafé is de koffieruimte die in de hoek van de bloedafnameruimte is ingericht, op enkele meters afstand van de bloedafnamebedden. De rechtbank verwijst naar onderstaande overzichtsfoto waarop de bloedafnamebedden te zien zijn en achter een houten afscheidingswand het donorcafé.\n\n2.2.. \n\nIn het donorcafé was, naast [verzoekster] , een vrijwilligster van Sanquin aanwezig om\n\n- onder meer - eten en drinken voor de donoren te verzorgen.\n\n2.3.. \n [verzoekster] is flauwgevallen op enig moment nadat zij is gaan zitten in de donkere stoel aan de rechterkant (zie onderstaande afbeelding). Zij is vervolgens met stoel en al omgevallen. Hierbij heeft zij een incomplete dwarslaesie opgelopen.\n\n2.4.. \n [schaderegelingsbureau] heeft op verzoek van Sanquin een toedrachtsonderzoek uitgevoerd en de betrokken personen gehoord. Het rapport is verschenen op 13 juni 2022.\n\n2.5.. \n\nDe vrijwilligster heeft op 2 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd bij [schaderegelingsbureau] :\n\n“ (…)\n\nAls vrijwilligster bied ik alle donoren actief wat te drinken aan en wijs ze ook op de snacks die liggen op de koffietafel. Ik ga ervan uit dat ik ook mevrouw [verzoekster] actief wat heb aangeboden om te eten en te drinken.\n\nZeker weten doe ik het niet, maar ik vermoed van wel. Immers, op het moment dat zij viel stond ik met mijn rug naar haar toe en was bezig met de koffieautomaat. Het kan bijna niet anders dat ik toen hetgeen zij wilde hebben, heb bereid met de koffieautomaat. Ik ga er derhalve vanuit dat ik haar actief wat heb aangeboden en zij ook wat gevraagd heeft om te drinken.\n\n(…)\n\nU vraagt wat ik mij nog kan herinneren van hetgeen er gebeurd is.\n\nZoals ik u net verteld heb was ik aanwezig in het donorcafé en had ik mevrouw [verzoekster] gevraagd of zij wat wilde drinken. Zij heeft toen waarschijnlijk \"ja\" gezegd want ik was bezig met de koffieautomaat. Op het moment dat ik bezig was met de koffieautomaat, en dus met mijn rug naar haar toestond, hoorde ik een hele diepe zucht. Ik draaide mij om en zag haar toen zitten in een vreemde houding. Die houding zie ik nog wel eens voor mij (in gedachten). Zij zat op de locatie waar nu de paarse stoel staat in het donorcafé, zat met haar rechterbeen over de rechter leuning en haar beide handen voor het gezicht. Exact dezelfde houding als mijn collega nu voordoet en waarvan u de foto maakt (zie afbeelding 3, aanvulling rechter). Op hetzelfde moment dat ik omkeek en haar zo zag zitten, zag ik haar naar rechts (de kant waar zij het been over de leuning had hangen) wegzakken, ik liep\u002Frende de drie tot vier meter vanaf mijn locatie naar haar toe. In die korte periode (enkele seconden) zakte mevrouw [verzoekster] echter verder wegover haar rechterzijkant en kantelde de stoel. Op het moment dat ik bij haar was heb ik nog getracht de stoel tegen te houden door de linker leuning te grijpen maar ik was net te laat. De stoel viel op de rechterzijkant en mevrouw [verzoekster] viel mee. Zij viel echter niet op haar rechterzijkant maar doordat zij gedraaid zat in de stoel (doordat haar been over de leuning lag) viel zij op haar linkerarm\u002Flinkerschouder in dezelfde positie als dat mijn collega nu gaat liggen (zie afbeelding 4, aanvulling rechter). Ik heb geen geluid gehoord dat een stoel werd verplaatst of voor- of achteruit werd geschoven. Toen ik naar de donor toe rende heb ik direct mijn collega's geroepen. Daarop kwamen [naam 1] en [naam 2] aan rennen. [naam 1] was iets eerder hier dan [naam 2] . Beiden waren namelijk nog werkzaam in de afnameruimte met opruimwerkzaamheden na de donaties.\n\n(…)\n\nZelf ben ik hier al vijf jaar werkzaam als vrijwilliger en ik denk dat ik het in die hele periode maximaal drie- tot viermaal heb meegemaakt. Meestal, indien ik zie dat het met donoren in het donorcafé niet goed gaat, roep ik een van de donorassistenten en wordt een donor retour gebracht naar een afnamebed.”\n\n(…)”\n\nAfbeelding 3\n\nAfbeelding 4\n\n2.6.. \n\n [donorassistente 1] heeft bloed afgenomen bij [verzoekster] . Zij heeft op 2 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd.\n\n“(…)\n\nNa donatie\n\n(…)mevrouw [verzoekster] had nergens last van. Zij gaf aan dat het goed ging, had ook na de donatie “kleur”in haar gezicht en ik ben met haar naar de houten afscheidingswand gelopen. Vervolgens heeft zij het laatste deel naar de koffietafel (twee meter) zonder mij gelopen. Ik ben vervolgens verder gegaan met mijn werkzaamheden in de afnameruimte.\n\nIncident\n\nOp het moment dat ik bezig was met de opruimwerkzaamheden hoorde ik een harde “boem” en riep de vrijwilligster \u002F koffiedame om hulp.\n\n(…)”\n\n2.7.. \n\n [donorassistente 2] heeft op 2 juni 2022 het volgende verklaard:\n\n“(…)\n\nIncident\n\n(…)\n\nHet incident (de val) heb ik niet gezien. Ik was werkzaam op de afnameafdeling, hoorde een val en vrijwel direct hoorde ik dat de vrijwillgster om hulp riep. Ik ben toen snel naar de koffietafel gerend, samen met [naam 2] .\n\n(…)\n\nToedracht\n\n(…)\n\nDe donor vertelde (…) dat zij aan de koffietafel was gaan zitten, zich niet lekker voelde en met haar hoofd tussen de armen op tafel was gaan liggen. Hoe zij gevallen was, wist zij niet.\n\n(…)”\n\n2.8.. \n\n [verzoekster] heeft op 15 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd bij [schaderegelingsbureau] :\n\n“(…)\n\nNadat de naald verwijderd was heb ik even schuin wat naar de tv gekeken die hing in de afnameruimte en na ongeveer een minuutje ben ik naar de koffietafel gelopen; alleen. Tijdens dat lopen van de grote stoel naar de koffietafel, voelde ik me raar: ik had een vaag gevoel in mijn lijf. Ik ben gaan zitten op een van de stoelen die aan de koffietafel stond en keek in de richting van de uitgang van de koffiekamer (…). Er was een dame aanwezig in de koffiekamer, die stond met haar rug naar mij toe bij de koffieautomaat.\n\nU vraagt of dat een medewerkster was van Sanwuin dan wel een donor.\n\nDat weet ik niet. Ik heb geen woord met haar gewisseld.\n\n(…)\n\nCafé\n\nIn de koffiekamer\u002Fdonorcafe liggen op de tafel veel koeken. (…)\n\nVan mijn werkgever (het Rode Kruis) hadden wij, ter voorbereiding op de kerst, een grote\n\nTony's Chocolonely chocoladereep meegekregen. Ik heb die uit mijn tas gepakt, brak een stukje af en at. Ik weet nog dat het de smaak 'puur' had terwijl ik liever melkchocolade had. Ik voelde mij niet happy en steeds leger worden. Bij het Rode Kruis heb ik geleerd dat ik mij in dergelijke situaties voorover op een tafel moet gaan leggen waarbij mijn handen gekruist onder mijn hoofd. In die houding ben ik ook op de tafel gaan liggen in het donorcafé. Toen ging 'het licht uit'.\n\n(…)”\n\n2.9.. Het door Sanquin opgestelde “profiel vrijwilliger op afnamelocatie” (hierna: het profiel) luidt als volgt:\n\n“Profiel vrijwilliger op afnamelocatie\n\nWERKZAAMHEDEN\n\nDe taken van de vrijwilliger op een afnamelocatie van Sanquin zijn divers en worden per keer dat de vrijwilliger aanwezig is afgestemd met de teamleider inzameling van Sanquin en\u002Fof de vrijwilligerscoördinator (zelf ook een vrijwilliger). Het vrijwilligerswerk op de afnamelocatie omvat onder andere de volgende activiteiten:\n\n het verwelkomen van donors op de afnamelocatie\n\n het verzorgen van koffie, thee en versnaperingen voor donors\n\n het op orde houden van het donorcafé\n\n het verstrekken van schriftelijk informatiemateriaal\n\n het doorverwijzen naar een medewerker van de bloedbank als een donor\n\ninhoudelijke vragen heeft\n\n het inschakelen van een medewerker van de bloedbank als een donor onwel wordt.\n\n(…)\n\nSanquin verwacht van de vrijwilliger dat zij\u002Fhij:\n\n enthousiast, betrokken en flexibel is\n\n goede sociale vaardigheden en een servicegerichte instelling heeft\n\n verantwoordelijkheidsgevoel heeft en zorgvuldig en oplettend handelt\n\n een 'vrijwillig maar niet vrijblijvend'-mentaliteit heeft”.”\n\n2.10.. Het Handboek Domaine is de weergave van het eindresultaat van een onderzoeksproject onder bloedbanken naar donormanagement (DonorManagement in Europe). In het handboek van 2010 staat onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nDe donor observeren tijdens en na de donatie, (…) ervoor zorgen dat de donor zich helemaal goed voelt als hij de locatie verlaat. Het is belangrijk dat verpleegkundigen, donorassistenten en vrijwilligers de donor na zijn donatie goed in de gaten houden.\n\n(…)\n\n2.11.. In de ten tijde van de bloeddonatie geldende 20e editie van de WDQM Blood Guide van de Raad van Europa (hierna Blood Guide) staan geen regels opgenomen over het aanbieden of drinken van water en\u002Fof (na)zorg voor donoren.\n\n2.12.. \n [verzoekster] heeft Sanquin aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Sanquin heeft de aansprakelijkheid afgewezen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):\n\n1. voor recht te verklaren dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van de (behandel)overeenkomst (artikel 7:446 BW en\u002Fof 6:74 BW) dan wel onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld (artikel 6:162 BW) en aansprakelijk is voor het [verzoekster] overkomen ongeval en Sanquin c.s. gehouden zijn de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [verzoekster] te vergoeden;\n\n2. de kosten van [verzoekster] zoals bedoeld in artikel 1019 aa Rv te begroten op het onder V.2 (randnummer van het verzoekschrift, aanvulling rechter)begrote bedrag, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en Sanquin c.s. te veroordelen – uitvoerbaar bij voorraad – dat de begrote kosten binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking moeten worden voldaan op rekening [rekeningnummer] ten name van Du Plessis Letselschade Advocatuur B.V. en te verklaren voor recht dat de wettelijke rente zonder aanzegging verschuldigd zal zijn als niet binnen deze termijn is voldaan.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n [verzoekster] is flauwgevallen in het donorcafé waar zij plaats had genomen om aan te sterken na haar bloeddonatie. Zij is met stoel en al op de grond gevallen en heeft hierdoor een incomplete dwarslaesie opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat Sanquin aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] heeft geleden, omdat Sanquin onvoldoende (na)zorg heeft geboden. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.\n\n4.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.3.. \n [verzoekster] wenst de aansprakelijkheidsvraag bij deelgeschil voor te leggen, omdat partijen buiten rechte in staat zullen zijn de zaak verder te behandelen en de schade te begroten.\n\n4.4.. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over of Sanquin aansprakelijk is of niet. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.5.. Aan het verzoek heeft [verzoekster] - samengevat - ten grondslag gelegd dat Sanquin niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, namelijk de plicht om het risico voor donoren zo klein mogelijk te maken. Op het moment dat het ongeluk gebeurde bevonden alleen [verzoekster] en een vrijwilligster van Sanquin zich in het donorcafé. De vrijwilligster fungeerde als koffiedame en had als taak om, naast het verzorgen van eten en drinken voor de donoren, de donoren goed in de gaten te houden. Dat heeft de vrijwilligster volgens [verzoekster] niet gedaan. De vrijwilligster stond met de rug naar haar toe en daardoor heeft zij niet op tijd gezien dat [verzoekster] niet lekker werd. Ook de donorassistentes hebben niets gezien; zij hadden geen zicht op [verzoekster] door de scheidingswand. Sanquin had extra alert moeten zijn vanwege het risico op flauwvallen en verscherpt toezicht moeten houden omdat [verzoekster] een vrouw is en voor het eerst doneerde. [verzoekster] valt in de risicocategorie met een verhoogde kans op flauwvallen na meer dan 15 minuten na de donatie. Volgens [verzoekster] is haar ook geen drinken aangeboden voorafgaand en na de donatie, terwijl Sanquin op haar website donoren adviseert om water te drinken om flauwvallen te voorkomen. Dat dit helpt, blijkt ook uit een studie van Sanquin die zij op haar website heeft gepubliceeerd. Tot slot stelt [verzoekster] dat volgens het Domaine Handboek de ruimte zo moet zijn ingericht dat de veiligheid van zowel donoren als personeel gewaarborgd is. Er zijn geen relaxfauteuils geplaatst door Sanquin, danwel fauteuils die een stuk zwaarder zijn dan de stoelen op 4 hoge poten die gemakkelijk kunnen omvallen.\n\n4.6.. \n\nSanquin c.s. verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe\n\n- samengevat - het volgende aan. Volgens Sanquin c.s. is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Sanquin heeft haar zorgplicht nageleefd en heeft alles gedaan zoals het hoort. Volgens Sanquin kon zij dit ongeval redelijkerwijs niet voorzien en ook niet voorkomen. Er is gehandeld als goed hulpverlener conform de wet- en regelgeving, de professionele standaard en de kwaliteitsstandaard. Ook alle Standard Operating Procedures (hierna: sop’s) zijn nageleefd. Volgens Sanquin c.s. heeft de vrijwilligster [verzoekster] in de gaten gehouden en direct geacteerd toen de vasovagale reactie (het flauwvallen) zich aandiende. Ze stond weliswaar met haar rug naar [verzoekster] toe omdat ze drinken voor [verzoekster] aan het bereiden was, maar voordat de koffie bereid was viel [verzoekster] al op de grond. Toen de vrijwilligster haar zucht hoorde die de val inluidde, is zij meteen naar [verzoekster] toegesneld. Volgens Sanquin valt niet in te zien wat de vrijwilligster redelijkerwijs anders had kunnen doen om de val te voorkomen. Uit het opgestelde profiel blijkt dat de taak van de vrijwilligers – onder andere – is om een medewerker in te schakelen als een donor onwel wordt en dat heeft de vrijwilligster ook gedaan. Zij heeft gelijk om hulp geroepen toen zij [verzoekster] zag wegzakken. Verder is er wel degelijk actief drinken aangeboden na de bloedafname op het bed en vervolgens in het donorcafé. [verzoekster] behoorde niet tot een risicogroep.\n\n4.7.. De rechtbank oordeelt als volgt. Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of Sanquin tekort is geschoten in de zorgplicht die zij jegens [verzoekster] in acht moest nemen. De rechtbank stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat niet in geschil is dat de vrijwilligster in het donorcafé de taak heeft om de donoren iets te eten en te drinken aan te bieden zodat zij na de donatie kunnen aansterken. Evenmin is in geschil dat de kans bestaat dat een donor dan alsnog flauwvalt.\n\n4.8.. De rechtbank is van oordeel dat van Sanquin mag worden verwacht dat zij voldoende toezicht houdt op de donoren nadat de donatie heeft plaatsgevonden en dat zij voldoende maatregelen neemt om ongevallen te voorkomen, ondanks het feit dat het flauwvallen in de donorruimte minder vaak voor komt dan direct na de donatie en de gevolgen van het flauwvallen over het algemeen niet zo ernstig zijn als in deze zaak. Partijen zijn het erover eens dat de vrijwilligster de taak heeft om “op te letten”, maar het is de vraag of dat in voldoende mate is gedaan. Beoordeeld moet worden of Sanquin meer had kunnen en moeten doen dan ze nu gedaan heeft, zodat het ongeval dat heeft plaatsgevonden mogelijk voorkomen had kunnen worden.\n\n4.9.. Uit de diverse verklaringen die bij [schaderegelingsbureau] zijn afgelegd over de toedracht van het ongeval kan met voldoende mate van zekerheid het volgende worden afgeleid. [verzoekster] heeft de laatste meters vanaf de scheidingswand naar de stoel alleen afgelegd en is door de donorassistente niet bij de scheidingswand bij de vrijwilligster geïntroduceerd. [verzoekster] wist dan ook niet dat de enige andere aanwezige in de koffieruimte een vrijwilligster van Sanquin was en wat [verzoekster] van deze koffiedame kon en mocht verwachten. Volgens [verzoekster] stond de vrijwilligster met de rug naar haar toe toen zij in het donorcafé kwam en is er geen contact geweest met haar. De vrijwilligster heeft zelf ook verklaard dat ze met de rug naar [verzoekster] toe stond omdat zij met het koffiezetapparaat bezig was. De vrijwilligster ging er weliswaar vanuit gaat dat ze actief wat te drinken heeft aangeboden, maar zeker weten deed ze dat niet. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat ze dit daadwerkelijk heeft gedaan. Dat de vrijwilligster met het koffiezetapparaat “bezig was” hoeft immers nog niet te betekenen dat ze koffie aan het bereiden was voor [verzoekster] . Ze naderde het eind van haar dienst en was mogelijk bezig om alles netjes achter te laten. Uit de verklaring van [verzoekster] kan worden afgeleid dat zij nadat ze had plaatsgenomen nog een reep chocola uit haar tas heeft gepakt en dat ze één of meerder minuten later voorover is gaan zitten met haar hoofd op haar handen, omdat ze zich niet lekker voelde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] verklaard dat ze de koffiedame niet heeft benaderd toen ze zich niet lekker voelde, omdat ze niet wist wat ze van haar kon verwachten. Vaststaat dat de vrijwilligster niet heeft gezien dat [verzoekster] een reep chocolade pakte, zich vervolgens niet goed voelde, noch dat zij van houding veranderde in haar stoel. Zij heeft ook niet opgemerkt dat [verzoekster] mogelijk zou flauwvallen. De vrijwilligster heeft over de toedracht van het ongeval eerst verklaard dat zij met de rug naar het koffiezetapparaat stond op het moment dat [verzoekster] viel. Hierna heeft zij verklaard dat zij zich heeft omgedraaid op het moment dat zij een zucht hoorde en dat zij nog geprobeerd heeft om de stoel tegen te houden zodat hij niet om zou vallen. Vaststaat in ieder geval dat de vrijwilligster pas om hulp heeft geroepen nadat [verzoekster] al op de grond lag. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat van actief opletten van de vrijwilligster geen sprake is geweest. Dat Sanquin dit wel van de vrijwilligster verwachtte en de instructie heeft gegeven dat zij actief moest opletten is de rechtbank niet gebleken. In het profiel van de vrijwilliger op locatie staat slechts beschreven dat een medewerker van de bloedbank moet worden ingeschakeld als een donor onwel wordt. Er staat niet in het profiel beschreven dat een vrijwilliger moet letten op tekenen die erop kunnen wijzen dat een donor onwel wordt. Het verweer van Sanquin dat de vrijwilligster niet anders kon dan met de rug naar [verzoekster] toe staan omdat zij bezig was met het koffiezetapparaat wordt gepasseerd. Sanquin had de beschikbare ruimte voor donoren anders kunnen inrichten of thermoskannen met koffie en thee op tafel kunnen plaatsen. Daarnaast had Sanquin de vrijwilligster duidelijker kunnen en moeten wijzen op haar taak dat zij actief moest letten op de donor. De vrijwilligster was door de geplaatste scheidingswand namelijk de enige die zicht kon hebben op [verzoekster] tijdens haar herstel in het donorcafé. Dit geldt temeer omdat [verzoekster] voor de eerste maal bloed doneerde, dus onbekend was met de situatie\u002Fpersonen ter plaatse en er stoelen in de ruimte waren geplaatst die kennelijk zo instabiel waren dat ze in het geval van flauwvallen konden omvallen.\n\n4.10.. De rechtbank passeert het verweer van Sanquin dat het Domaine handboek verouderd is en dat zij alles heeft gedaan wat zij moest doen omdat zij aan alle geldende wet- en regelgeving heeft voldaan, dat zij de professionele standaard en de kwaliteitsstandaard heeft nageleefd en ook alle sop’s. Dit ontneemt haar namelijk niet de plicht om voldoende (na)zorg te bieden aan donoren die bloed geven of hebben gegeven en kans hebben om flauw te vallen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens [verzoekster] . Zij is aansprakelijk op grond van artikel 6:74 BW, omdat geen sprake is van een behandelrelatie.\n\n4.11.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.\n\n4.12.. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.13.. \n\n [verzoekster] maakt, na vermeerdering van haar vordering ter zitting, aanspraak op € 8.942,50 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht van € 320,-.\n\nSanquin c.s. hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben Sanquin c.s. in het verweerschrift aangevoerd dat 14,5 uur voor andere werkzaamheden dan het opstellen van het verzoekschrift bovenmatig is en dat de kosten voor het opstellen van het verzoekschrift niet voor vergoeding in aanmerking komen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Du Plessis de tijd voor het bestuderen van het verweerschrift verhoogd van 4 naar 16 uren, zodat er in totaal betaling van 36,5 uren wordt gevorderd. De reden voor deze vermeerdering is dat er 669 pagina’s bestudeerd moesten worden, waarvan een groot deel in het technisch Engels was. Sanquin c.s. hebben ter zitting geen verweer gevoerd tegen de vermeerdering van de vordering met 12 uren. De kosten voor het opstellen van het verzoekschrift komen volgens Sanquin ook niet voor vergoeding in aanmerking omdat het precies hetzelfde verzoekschrift is als [verzoekster] eerder heeft ingediend, maar vervolgens heeft ingetrokken.\n\n4.14.. De rechtbank overweegt als volgt. Voor een zaak met deze omvang en complexiteit is een tijdsbesteding van 36,50 uren naar het oordeel van de rechtbank redelijk. Er zijn immers diverse verslagen, omvangrijke handboeken en Standard Operating Procedures die bestudeerd moesten worden, naast de zeer omvangrijke EDQM Blood Guide die ook nog enkel in de Engelse taal is overgelegd. Ten aanzien van de 10 gevorderde uren voor het opstellen van het verzoekschrift is niet gesteld of gebleken dat Sanquin c.s. deze uren in de ingetrokken procedure reeds vergoed heeft. De procedure is ingetrokken omdat [verzoekster] verrast werd door de omvangrijke productie die door Sanquin werd ingediend en niet meer bestudeerd kon worden. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 36,5 uren × € 245,00 inclusief btw, dus op € 8.942,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 320,00.\n\n4.15.. Sanquin c.s. zullen hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld. Dit houdt in dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Ten aanzien van Axa heeft te gelden, in verband met het eigen risico van Sanquin van € 25.000,00, dat Axa alleen maar hoeft te betalen als de schade het bedrag van € 25.000,00 te boven gaat. Indien de één betaalt zal de ander zijn bevrijd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verklaart voor recht dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en aansprakelijk is voor het [verzoekster] overkomen ongeval;\n\n5.2.. verklaart voor recht dat Sanquin c.s. gehouden is de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [verzoekster] te vergoeden, met dien verstande dat Axa alleen maar gehouden is de reeds geleden en te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden indien en voor zover de schade een bedrag van € 25.000,00 te boven gaat en indien de één betaalt de ander zal zijn bevrijd;\n\n5.3.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 8.942,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 320,00 en veroordeelt Sanquin c.s. hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoekster] ;\n\n5.4.. bepaalt dat de begrote kosten binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking moeten worden voldaan op rekening [rekeningnummer] ten name van Du Plessis Letselschade Advocatuur B.V., te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der voldoening indien de kosten niet binnen deze termijn zijn voldaan;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken door mr. S.B. van Baalen op 7 juli 2026.\n\n 547\u002FTG","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2689","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.788Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":46,"fullText":59,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"1226","ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","ecli-nl-ghams-2026-1827",56,"GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.345.869\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Amsterdam : C\u002F13\u002F722547 \u002F HA ZA 22-717\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nde publieke rechtspersoon\n\nPARTICIPATIEBEDRIJF […] ,\n\nzetelend te [plaats ] ,\n\nappellante,\n\nincidenteel geïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. R.A.W.J. van Eijck te Rotterdam,\n\ntegen\n\nABN AMRO BANK N.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngeïntimeerde,\n\nincidenteel appellante,\n\nadvocaat: mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna […] en de Bank genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe Bank wordt aangesproken door […] op grond van onrechtmatige daad. […] is de (voormalig) werkgever van een (voormalige) klant van de Bank, die op een rekening bij de Bank in totaal ruim € 4,5 miljoen heeft gestort die hij via fraude bij zijn werkgever […] gedurende 12 jaar heeft ontvreemd. De gestorte bedragen werden steeds korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen. De Bank wordt verweten dat zij had moeten ontdekken dat er via haar bankrekening werd gefraudeerd en dat zij eerder had moeten ingrijpen.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. \n […] is bij dagvaarding van 30 juli 2024 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 26 april 2023 en 8 mei 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen […] als eiseres en de Bank als gedaagde.\n\n2.2.. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van […] met negen producties;\n\n- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de Bank;\n\n- memorie van antwoord in incidenteel appel van […] .\n\n2.3.. \n\nOp 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft […] een akte genomen waarbij zij haar eis heeft verminderd. De Bank heeft bij akte nog een productie in het geding gebracht. Beide aktes zijn toegevoegd aan het procesdossier.\n\n2.4.. Ten slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. Het hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. \n […] is een publiekrechtelijke rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Participatiewet en de Wet sociale werkvoorziening in de [plaats 1] Kempen. Zij ontvangt publiekrechtelijke gelden om inwoners van de Kempengemeenten te ondersteunen terug aan het werk te gaan, onder meer door exploitatie van een sociale werkplaats. […] is één van de grootste werkgevers in de regio en ontvangt jaarlijks ongeveer € 16 miljoen aan gemeentelijke bijdragen.\n\n3.3.. \n […] heeft een bankrekening bij haar huisbank BNG (hierna: de BNG-rekening).\n\n3.4.. In 1998 is de heer [naam 1] in dienst getreden bij […] als medewerker bij de financiële administratie. Zijn salaris werd betaald op een bankrekening bij Rabobank. Daarnaast had [naam 1] sinds 1988 een bankrekening bij de Bank (hierna ook: de ABN-rekening).\n\n3.5.. In 2005 heeft [naam 1] op verzoek van de Bank een kopie van zijn paspoort verstrekt.\n\n3.6.. Vanaf 2007 heeft [naam 1] in totaal meer dan € 4,5 miljoen van […] frauduleus contant gestort en giraal overgeboekt naar zijn ABN-rekening.\n\n3.7.. De fraude van [naam 1] is te verdelen in twee periodes. Van 2007 tot en met 2014 heeft [naam 1] contant geld van […] op zijn ABN-rekening gestort. Dit geld was afkomstig uit de kantine en van contant betaalde facturen. Uit het transactieoverzicht van de ABN-rekening blijkt dat er in deze periode 332 keer contant geld is gestort op de ABN-rekening, waarvan elke 2 tot 3 weken circa € 1.000,00 in muntgeld.\n\n3.8.. In 2011 hebben de beveiligingssystemen van de Bank gemeld dat er op de bankrekening van [naam 1] veel contantgeldstortingen plaatsvonden. Daar is toen verder geen gevolg aan gegeven door de Bank.\n\n3.9.. In de periode van 2014 tot en met 2019 heeft [naam 1] giraal geld van […] verduisterd door facturen van crediteuren van […] niet alleen aan de daadwerkelijke crediteuren te betalen, maar ook handmatig over te maken naar zijn ABN-rekening. In deze periode zijn er 417 betalingen gedaan vanaf de BNG-rekening naar de ABN-bankrekening voor een totaalbedrag van € 4.534.778,78. Het meeste geld is verduisterd in de periode van mei 2017 tot en met augustus 2019: ongeveer € 4 miljoen. [naam 1] heeft de fraude verhuld door administratief te sjoemelen met balansposten en door te lage btw-aangiftes te doen.\n\n3.10.. \n [naam 1] behield het geld niet zelf; hij werd afgeperst door een bekende. Via contante opnames bij geldautomaten werd het geld door [naam 1] aan deze persoon afgegeven. De afperser, diens echtgenote en diens ex-echtgenote hebben het geld opgemaakt.\n\n3.11.. Op 29 januari 2016 heeft [naam 1] telefonisch zijn dagelijkse paslimiet bij de Bank eenmalig verhoogd naar € 10.000,00 en dat bedrag ook opgenomen. Op 28 maart 2018 heeft [naam 1] twee keer een telefoongesprek gehad met de klantenservice van de Bank over het verhogen van zijn paslimiet.\n\n3.12.. De jarenlange fraude is aan het licht gekomen nadat in juni 2019 een medewerker van de afdeling Fraude Monitoring van de Bank, die een onderzoek deed naar contante geldopnames via geldautomaten (ATM’s), stuitte op de veelvuldige geldopnames door [naam 1] .\n\n3.13.. \n\nOp 20 juni 2019 heeft deze medewerker intern de volgende e-mail gestuurd:\n\n“Ik ben bezig met een onderzoekje naar de mogelijkheden om opnames via ATM in een eerder stadium te laten stoppen om fraudeschade te voorkomen, en als het voor de klant een normaal patroon is, daar niet in te grijpen. Bij dat onderzoek ben ik nu bezig met de opnames van afgelopen zondag.\n\nDaarbij vind ik ook deze rekening (…)\n\nBetreft een privérekening van klant [naam 1] in [plaats ] , die al geruime tijd bezig is om contant geld op te nemen wat zonder uitzondering afkomstig is van [X] Groep met rekeningnummer (…).\n\n [X] is volgens google info een instantie die zich ten doel voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap oid, aan het werk te zetten.\n\n [naam 1] is stukadoor. In theorie kan het zo zijn dat er mensen aan het werk worden gezet, maar ik vertrouw het voor geen meter, waarom dan al die bedragen cash opnemen. Ik vermoed fraude met gemeenschapsgeld, fiscale fraude oid…\n\nWil jij je licht hier eens over laten schijnen? Dit gaat over tonnen, als het al geen miljoen is. Is ook al lang bezig. Zou in ieder geval een AML alert moeten zijn, transacties via privérekening terwijl het zakelijk zou moeten zijn..\n\nKijk maar in klantbeeld. Het is niet eens op te tellen wat de omvang is als je een jaar terug moet.. Heb je database bij nodig.”\n\n3.14.. \n\nDaarop heeft een medewerker van de afdeling Compliance, Security & Integrity Management en Intelligence van de Bank op 24 juni 2019 geantwoord:\n\n“Heb even gekeken voor je: in ons casemanagement systeem kwam ik zo 1,2,3 niks tegen, maar op de rekeningen zag ik inderdaad wel een heel opvallend patroon: de gelden worden direct en geheel contant opgenomen, en het lijkt er op dat de ontvangen gelden een uitkering zijn.\n\nDus dit lijkt me zeker een onderzoekswaardig signaal om verder uit te zetten bij Retail-EDR team, zodat zij navraag kunnen doen bij de klant naar de bestemming (en herkomst) van deze ontvangen gelden en de vele contante opnames. (…)”\n\n3.15.. \n\nDezelfde medewerker heeft op dezelfde dag aan de KYC-desk (KYC = Know Your Customer) van de Bank gemaild:\n\n“Ik heb een verzoek aangaande bc nr (…): dhr [naam 1] uit [plaats ] ontvangt gelden afkomstig van [X] Groep (…), een overheidsinstantie die zich ten doel stelt voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap aan het werk te zetten.\n\nWe zien op de rekening echter dat al geruime tijd sprake is van (vele) contante opnames van deze gelden en dat er ook behoorlijke bedragen worden ontvangen vanuit de [X] Groep. Ook vragen we ons af of de privé-rekening zakelijk wordt gebruikt.\n\nIs er bij jullie toevallig meer bekend over deze klant, over de herkomst van de subsidies en reden achter de vele contante opnames? Indien dit niet zo is: zou een EDR opgestart kunnen worden, waarbij navraag wordt gedaan aan de klant over de herkomst van de subsidies (waarom ontvangt hij deze, kan hij dit aantonen met de benodigde documentatie), en met name de reden achter de vele contante opnames? Ook zie ik voldoende signalen om na te gaan of sprake is van zakelijk gebruik van de rekening. (…)”\n\n3.16.. Op 1 juli 2019 heeft het KYC-team van de Bank intern gemaild dat zij geen Wwft-risico ziet, maar wel mogelijk zakelijk gebruik van een privérekening.\n\n3.17.. Op 13 augustus 2019 heeft de Bank een brief gestuurd aan [naam 1] met de aankondiging dat zij contact zal opnemen met [naam 1] over onder meer de activiteiten op zijn bankrekening.\n\n3.18.. Op 22 augustus 2019 heeft de Bank telefonisch contact gehad met [naam 1] over de activiteiten op zijn ABN-rekening. [naam 1] heeft gezegd dat hij licht administratief werk verricht voor […] , dat zijn salaris van […] wordt gestort op een bankrekening bij de Rabobank en dat de bedragen op de ABN-rekening worden gebruikt om leveranciers contant te betalen. Verder heeft hij aangegeven de rekening te zullen opheffen omdat hij begrijpt dat hij dit niet via zijn privérekening kan doen.\n\n3.19.. Op 23 augustus 2019 heeft [naam 1] de bankrekening bij de Bank opgeheven. Na beëindiging had [naam 1] alleen nog een beleggingspolis bij de Bank. De fraude heeft [naam 1] vervolgens voortgezet via zijn bankrekening bij Rabobank.\n\n3.20.. Op 19 september 2019 heeft BNG haar klant […] erop gewezen dat was waargenomen dat bedragen die vanaf de BNG-rekening waren betaald aan crediteuren ook nog een keer waren betaald aan [naam 1] . De volgende dag, op 20 september 2019, is de BNG-rekening bevroren.\n\n3.21.. Op 27 september 2019 heeft […] aangifte gedaan tegen [naam 1] . [naam 1] is strafrechtelijk vervolgd voor de fraude en daarvoor ook veroordeeld. Ook zijn afperser, diens echtgenote en ex-echtgenote zijn strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld, onder meer voor witwassen en heling.\n\n3.22.. \n […] heeft haar eigen bestuurlijk handelen laten onderzoeken. In een rapport van [naam 2] van april 2021 is geconcludeerd dat het voor het bestuur niet mogelijk was de feitelijke fraude te signaleren; de accountant heeft het niet waargenomen en er waren ook geen andere indicaties van fraude. Verder is geconcludeerd dat het bestuur weinig aandacht heeft gehad voor de interne bedrijfsvoering en beheersing van risico’s, waardoor het bestuur signalen heeft gemist dat […] risico’s liep. Meer aandacht van het bestuur voor interne beheersing had volgens het rapport de risico’s op fraude verkleind.\n\n3.23.. In mei 2021 heeft […] met toestemming van [naam 1] aan de Bank verzocht om inzage in het interne klantdossier van [naam 1] bij de Bank. De Bank heeft geweigerd om het volledige interne klantdossier aan […] toe te sturen. De Bank heeft wel een aantal interne e-mails, de correspondentie met [naam 1] en een intern overzicht van de telefoongesprekken met [naam 1] aan […] gestuurd, waaronder de hiervoor geciteerde.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. \n […] heeft bij de rechtbank, samengevat, gevorderd dat de Bank wordt veroordeeld tot:\n\n- betaling van haar schade, in hoofdsom begroot op € 4.534.778,78, vermeerderd met wettelijke rente en\n\n- € 553.434,00 als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en\n\n- € 8.197,75 wegens buitengerechtelijke incassokosten en\n\n- de kosten van de procedure.\n\n4.2.. \n\nIn haar eindvonnis van 8 mei 2024 heeft de rechtbank de Bank veroordeeld tot betaling aan […] van € 54.093,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 en een bedrag van € 6.601,67 voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, met compensatie van de proceskosten.\n\nDaartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de Bank vanaf 20 juni 2019, toen zij zich bewust werd van het feit dat er sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de bankrekening van [naam 1] en het gevaar dat daarvan uitging voor […] , jegens haar aansprakelijk is wegens schending van de bancaire zorgplicht. Van de daardoor voor […] ontstane schade van in totaal € 270.466,91 blijft 80% voor rekening van […] wegens eigen schuld. De gevorderde kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid heeft de rechtbank met hetzelfde percentage verlaagd als de oorspronkelijke vordering van […] van ruim € 4,5 miljoen.\n\n5. De vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. \n\nIn principaal appelvordert […] onder aanvoering van vier grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog volledige toewijzing van haar oorspronkelijke vordering, met veroordeling van de Bank in de kosten van beide instanties.\n\nOmdat […] inmiddels van [naam 1] en van de ex-vrouw van diens afperser op 17 december 2024 en 8 april 2025 bedragen van respectievelijk € 110.900,00 en € 14.950,00 heeft geïnd en […] met haar accountant vanwege diens tekortschietend toezicht op 3 april 2025 voor een bedrag van € 975.758,00 een regeling heeft getroffen, heeft […] bij akte voorafgaand aan de mondelinge behandeling haar eis dienovereenkomstig verminderd.\n\n5.2.. In incidenteel appelvordert de Bank onder aanvoering van drie grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en afwijzing van de vorderingen van […] , met veroordeling van […] in de proceskosten van beide instanties.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. De vorderingen in het principaal appel en het incidenteel appel hangen ten nauwste met elkaar samen, zodat deze gezamenlijk zullen worden beoordeeld.\n\nIs de Bank jegens […] aansprakelijk?\n\n6.2.. De grieven 1 en 2 in het principaal appel en de eerste grief in het incidenteel appel stellen aan de orde op welk moment er bij de Bank sprake was van subjectieve wetenschap dat via de bankrekening van [naam 1] kort gezegd werd gefraudeerd. […] stelt dat de Bank al veel eerder dan 20 juni 2019 subjectieve wetenschap had dat er mogelijk gefraudeerd werd (subjectief gevaarsbewustzijn). Daarbij wijst zij onder andere op het verzoek van [naam 1] in 2016 om de daglimiet op zijn pas te verhogen tot € 10.000,00 en het grote aantal contante opnames via geldautomaten. De Bank daarentegen stelt dat er bij haar op 20 juni 2019 pas een eerste aanwijzing was dat er mogelijk gefraudeerd werd via haar bankrekening en dat zij daarna nog intern onderzoek moest doen voordat er bij haar sprake kon zijn van subjectief gevaarsbewustzijn. Primair is zij echter van mening dat zij jegens […] in het geheel niet aansprakelijk is.\n\n6.3.. Op een bank rust, vanwege haar maatschappelijke functie, een zorgplicht ten opzichte van derden als […] met de belangen van wie zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer betaamt. Van een bank mag blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad worden verwacht dat zij, wanneer sprake is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening en de bank zich bewust is van het gevaar dat daaraan is verbonden, nader onderzoek doet. Daarbij kan gewicht toekomen aan het feit dat er – door de bank of door de klant – wettelijke regels zijn overtreden.6.4.. Vastgesteld kan worden dat vanaf 2007 gedurende meer dan tien jaar sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de ABN-rekening van [naam 1] . In de eerste periode was er de grote hoeveelheid contante stortingen, gevolgd door een grote hoeveelheid overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] . Aldoor werd het geld korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen\n\n6.5.. \n\nVooropgesteld zij dat het enkele feit dat op een bankrekening ongebruikelijk betalingsverkeer plaatsvindt, nog niet betekent dat een bank gehouden is onderzoek te doen en zo nodig in te grijpen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt niet dat een bank zonder meer verplicht is het betalingsverkeer op al haar rekeningen voortdurend te controleren of te monitoren en een onderzoek te starten zodra het een ongebruikelijk patroon kent. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat klanten van banken vrij zijn hun geld te besteden, zonder dat zij daarover verantwoording hoeven af te leggen aan hun bank.\n\nBepalend is of een bank zich ook bewust was van het gevaar dat was verbonden aan het ongebruikelijke betalingsverkeer. Pas als een bank zich bewust is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening én van het daaraan verbonden gevaar (in dit geval: fraude), is zij op grond van haar zorgplicht gehouden op te treden.\n\n6.6.. De Bank wordt tegengeworpen dat zij haar wettelijke KYC-verplichting heeft verzaakt omdat zij onvoldoende inzicht had in de persoonlijke situatie van [naam 1] , terwijl zij ook niet heeft onderkend dat de gelden afkomstig waren van een rekening bij BNG, waar in principe alleen publieke rechtspersonen bankieren. Verder zou zij signalen zoals een systeemmelding dat er sprake was van veel cashgeldstortingen (vgl. 3.8.) hebben genegeerd en verzoeken van [naam 1] om verhoging van paslimieten (vgl. 3.11.) klakkeloos hebben ingewilligd. De Bank had daarom, zo begrijpt het hof het betoog van […] , al eerder subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.7.. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3399 (Van den Berg), rov. 4.6) volgt dat bepalend is van welke feiten en omstandigheden de Bank zich bewust was. Gelet op haar specifieke positie en deskundigheid, waarvan de rechter mag uitgaan, kan dit onder omstandigheden meebrengen dat bewustheid van het gevaar kan worden verondersteld. Daarbij gaat het er dus niet om wat de Bank had kunnen weten, maar wat zij daadwerkelijk wist en of zij - gelet op haar specifieke positie en deskundigheid - op basis van wat aan haar bekend was, zich bewust moest zijn van het daaraan verbonden gevaar voor derden.\n\n6.8.1. \n\n [naam 1] had sinds 1988 een rekening bij de Bank. Niet in geschil is dat de Bank weinig wist van zijn persoonlijke omstandigheden. Kennelijk beschikte de Bank alleen over een kopie van zijn paspoort. Uit niets blijkt dat de Bank wist dat hij in loondienst was bij […] , van wiens BNG-rekening [naam 1] vanaf 2014 geld overmaakte naar zijn ABN-rekening. De Bank kende dus niet [naam 1] ’ integrale betalingsverkeer; zij had geen inzage in [naam 1] ’ inkomenspositie en evenmin is gebleken dat zij inzage had in zijn vermogenspositie.\n\nVanaf 2007 was er kennelijk vooral sprake van contante stortingen door [naam 1] . Het grote aantal stortingen op deze particuliere rekening is in 2011 ook in de systemen van de Bank opgevallen (vgl. 3.8.), maar daaraan is geen gevolg gegeven. In 2014 stopten die stortingen en begonnen de overmakingen. Steeds werd het geld kort na de storting of overmaking via opnames bij geldautomaten contant opgenomen. Van de bedragen die vanaf de BNG-rekening werden overgemaakt is tussen 2014 tot begin 2018 in totaal circa € 1 miljoen contant opgenomen. Daarna namen de geldopnames in frequentie en hoogte in rap tempo toe.\n\n6.8.2. \n […] stelt in hoger beroep dat [naam 1] zijn paslimiet in 2016 eenmalig tot € 10.000,00 heeft verhoogd en in 2018, zo begrijpt het hof haar betoog, permanent naar € 10.000,00. Dit waren volgens […] signalen waar de Bank op had moeten aanslaan. Bovendien is het [naam 1] , nadat hij in 2016 eenmalig het bedrag van € 10.000,00 had opgenomen, in 2017 regelmatig gelukt om hogere bedragen dan zijn limiet toeliet via geldautomaten contant op te nemen. Dit laatste heeft de Bank niet gemotiveerd betwist. Haar verweer komt erop neer dat het niet ongebruikelijk is dat klanten bedragen van € 10.000,00 contant opnemen en dat bij een telefonisch verzoek om verhoging van de limiet de callcentermedewerker alleen kijkt of het saldo dit toelaat. De bankrekening wordt op zo’n moment wegens tijdgebrek niet volledig doorgelicht en geanalyseerd, zo heeft de Bank onbetwist aangevoerd. De Bank betoogt daarom terecht dat deze verzoeken geen indicaties opleverden dat zij op die momenten bekend was met het verloop op de rekening, laat staan van het concrete gevaar voor […] . Zelfs als het juist is dat het systeem van de Bank in 2017 heeft gefaald en heeft toegestaan dat [naam 1] meer kon opnemen dan de voor hem geldende limiet toeliet, volgt ook daaruit naar het oordeel van het hof nog niet dat de Bank zich ervan bewust was dat er sprake was van een dreigend gevaar. Het enkele gegeven dat het ging om zeer veel contante geldopnames van telkens grote bedragen, maakt dit niet anders. Het regelmatig opnemen van cash geld was op zichzelf in de jaren 2007-2019 immers niet ongebruikelijk\n\n6.8.3. In strafrechtelijke zin was hier weliswaar sprake van witwassen, maar onvoldoende is gebleken dat er voor de Bank tot 20 juni 2019 concrete aanwijzingen waren dat door [naam 1] werd witgewassen doordat hij bij zijn werkgever geld wegnam. Ook uit de melding in 2011 dat er opvallende cash opnames waren (3.8) blijkt dat niet. De Bank heeft toegelicht dat dit een automatisch gegenereerde melding is geweest die destijds door het systeem zelf snel weer automatisch is gesloten, waarschijnlijk omdat deze zag op een bedrag onder de € 10.000,00. Verder heeft de Bank desgevraagd op de mondelinge behandeling verklaard dat deze melding nooit door een medewerker is gezien en pas bij haar bekend is geworden nadat zij na het ontvangen van de dagvaarding in deze zaak onderzoek is gaan doen naar het betalingsverkeer op de rekening. […] heeft dat niet betwist. Zelfs als de Bank zich in 2011 wel bewust was geweest van deze melding volgt uit dat enkele feit nog niet dat de Bank wist dat ongebruikelijke activiteiten plaatsvonden die aanleiding hadden moeten zijn voor onderzoek. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de Bank vanwege de herkomst van de gelden van een rekening bij BNG, zich eerder ervan bewust is geweest dat hier mogelijk sprake was van fraude.\n\n6.8.4. Bij het voorgaande kan niet uit het oog worden verloren dat [naam 1] al jarenlang klant was bij de Bank, dat de Bank geen inzicht had in zijn integrale betalingsverkeer en dat het (op zichzelf ongebruikelijke) betalingsverkeer op zijn ABN-rekening kennelijk nooit tot vragen of problemen had geleid. Er was ook geen sprake van verboden betalingsverkeer: indien een klant over voldoende middelen beschikt (hetgeen bij [naam 1] ogenschijnlijk het geval was), mag die klant zijn geld immers contant opnemen en uitgeven. De voor de Bank kenbare feiten, die jarenlang voortduurden, duidden er aldus onvoldoende op dat er via haar bankrekening mogelijk fraude plaatsvond. Tegen die achtergrond kan, anders dan […] stelt, ook niet worden geconcludeerd dat de Bank geen juiste risico-inschatting van haar klant [naam 1] heeft gemaakt en zodoende haar wettelijke KYC-verplichtingen heeft geschonden. Het moet ervoor worden gehouden dat die verplichtingen zijn nageleefd. Daarbij komt dat die verplichtingen in beginsel niet strekken tot bescherming van derden als […] tegen fraude. De gedingstukken bieden naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat er bij de Bank vóór 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.9.. Het hof is van oordeel dat er pas op 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn bij een medewerker van de Bank. Op die dag onderkende deze medewerker dat er mogelijk sprake was van een vorm van fraude (zie 3.13). De medewerker heeft vervolgens hierover aan de bel getrokken, waarna nader onderzoek is verricht (zie 3.14 e.v.). De Bank heeft terecht aangevoerd dat het gevaarsbewustzijn van de betreffende medewerker nog niet meebrengt dat dit ook onmiddellijk aan de rechtspersoon, de Bank, kan worden toegerekend. Daarvoor is ten minste nodig dat degene(n) die kunnen beslissen over het al dan niet nemen van maatregelen tegen de cliënt, op de hoogte raken van de mogelijke fraude. Dat kost enige tijd. Het subjectieve gevaarsbewustzijn bij de medewerker van de Bank kan daarom pas enige tijd na 20 juni 2019 worden toegerekend aan de Bank. Op het moment dat dit gevaarsbewustzijn bij de Bank ontstond, bracht de bancaire zorgplicht mee dat de Bank nader onderzoek zou doen, en vervolgens, als zou blijken dat sprake was van fraude, handelend zou optreden en het [naam 1] onmogelijk zou maken nog langer van de rekening gebruik te maken. In de gegeven omstandigheden kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat binnen vier weken na 20 juni 2019, dus uiterlijk op 18 juli 2019, het nodige nadere onderzoek had kunnen zijn afgerond.\n\n6.10.. Uit de stukken blijkt dat de bevindingen die de medewerker op 20 juni 2019 deed, zijn doorgesluisd en nader zijn onderzocht door de Bank. Daaraan is uiteindelijk door de Bank de conclusie verbonden dat er kort gezegd geen Wwft-risico werd gezien, maar dat mogelijk een privérekening zakelijk werd gebruikt. Daarover is in augustus 2019 contact opgenomen met [naam 1] . Het daarop volgende gesprek heeft ertoe geleid dat [naam 1] de bankrekening op 23 augustus 2019 opzegde. Volgens de Bank heeft zij pas na maart 2020 vernomen dat [naam 1] werknemersfraude had gepleegd.\n\n6.11.. Indien in de periode na 20 juni 2019 correct onderzoek was gedaan door de Bank als bedoeld in rov. 6.9, zou aan het licht zijn gekomen dat er voor het betalingsverkeer op de rekening van [naam 1] - de stortingen en de overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] naar hem privé, gevolgd door contante opnames korte tijd later gedurende een periode van twaalf jaar - geen goede verklaring was en dat alles erop wees dat er sprake was van fraude. Dan zou zijn ontdekt dat […] de werkgever van [naam 1] was (zoals [naam 1] op 22 augustus 2019 ook aan de Bank heeft verklaard, vgl. 3.18) en dat het patroon van overmakingen - zeker zoals zich dat na begin 2018 manifesteerde, toen in anderhalf jaar tijd circa € 3,5 miljoen via de ABN-rekening van [naam 1] verdween - niet duidde op salarisbetalingen aan [naam 1] , maar op illegale onttrekkingen van gelden van een overheidslichaam. Gevoeglijk kan daarom worden aangenomen dat onmiddellijk na afronding van een correct onderzoek als bedoeld in rov. 6.9 nog diezelfde dag [naam 1] in ieder geval zou zijn verhinderd nog langer van zijn bankrekening gebruik te maken en dat waarschijnlijk ook de relatie met [naam 1] zou zijn beëindigd. Dit had uiterlijk op 18 juli 2019 moeten gebeuren. De Bank is aldus te verwijten dat zij in de periode na 20 juni 2019 heeft nagelaten correct onderzoek te doen, waardoor zij [naam 1] niet voor 19 juli 2019 heeft verhinderd nog langer van de bankrekening gebruik te maken. Daarmee heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens […] . Als het onderzoek correct zou zijn uitgevoerd, zou […] vanaf 19 juli 2019 geen schade meer hebben geleden. Zodoende is de Bank aansprakelijk voor de schade die […] heeft geleden tussen 19 juli 2019 en het beëindigen van de ABN-rekening op 23 augustus 2019.\n\n6.12.. De vordering van […] is in tijd begrensd tot de laatste frauduleuze overboeking van [naam 1] vanaf de ABN-rekening op 6 augustus 2019. De vraag of de Bank na 23 augustus 2019 BNG en\u002Fof […] van haar toen aan het licht gekomen bevindingen ten aanzien van [naam 1] op de hoogte had moeten stellen (en zo meer schade voorkomen had kunnen worden), hoeft daarom niet beantwoord te worden. Ook de betwisting van de Bank van de stelling van […] dat de Bank eind augustus 2019 haar huisbank BNG heeft geïnformeerd over [naam 1] , is voor de beoordeling daarom niet relevant.\n\n6.13.. Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 in het principale appel van […] falen en dat de eerste grief in het incidentele appel van de Bank slaagt.\n\nEigen schuld\n\n6.14.. De tweede grief in het principaal appel en de tweede grief in het incidenteel appel richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat […] 80% eigen schuld heeft. Volgens […] is dat percentage te hoog, terwijl de Bank betoogt dat […] 100% eigen schuld heeft. Beide grieven falen. De fraude door [naam 1] was weliswaar enigszins verhuld, maar dat is doorgaans het geval. Dat er sprake was van een ingenieuze fraude, zoals door […] onder verwijzing naar het rapport van [naam 2] is betoogd, kan het hof niet onderschrijven. Niet goed valt in te zien waarom bij […] twaalf jaar lang niet aan het licht is gekomen dat door [naam 1] contant geld van de kantine werd weggesluisd en daarna dat door hem facturen dubbel werden betaald. Een en ander duidt erop dat de voor een correcte bedrijfsvoering vereiste interne controlemechanismen ofwel er niet waren ofwel ernstig hebben gefaald. Ook de eigen accountant heeft dit kennelijk niet ontdekt. Het feit dat deze inmiddels voor een bedrag van bijna € 1 miljoen een schikking heeft getroffen met […] (zie 5.1), duidt erop dat ook het externe toezicht, waarvoor […] richting de Bank heeft in te staan, gebrekkig was. Het is […] dan ook aan te rekenen dat er in totaal meer dan € 4,5 miljoen (dit betreft alleen de girale overschrijvingen, dus zonder de contante geldstortingen) naar een privérekening van een eigen medewerker is gevloeid, zonder dat dit kennelijk ooit tot vragen heeft geleid. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat daarom 80% van de schade voor eigen rekening van […] dient te blijven. De billijkheidscorrectie vergt in dit geval geen andere verdeling.\n\n6.15.. Het voorgaande leidt tot het volgende. Tussen 18 juli 2019 en 6 augustus 2019 is vanaf de BNG rekening door [naam 1] in drie keer een bedrag van in totaal € 71.069,04 overgeboekt (€ 18.988,52 op 2 augustus 2019, € 24.974,40 op 5 augustus 2019 en € 27.106,12 op 6 augustus 2019; vgl. productie 10 bij inleidende dagvaarding). Daarvan blijft 80% voor eigen rekening van […] , zodat de Bank haar in hoofdsom € 14.213,81 moet vergoeden. De wettelijke rente over 20% van de genoemde deelbedragen is verschuldigd vanaf respectievelijk 2 augustus 2019, 5 augustus 2019 en 6 augustus 2019.\n\nKosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid\n\n6.16.. Tot slot is er nog discussie over de kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Volgens […] hebben die meer dan € 500.000,00 bedragen. In haar vierde grief in het principaal appel stelt zij dat de rechtbank daar ten onrechte een korting op heeft toegepast. De Bank betoogt in haar derde grief in het incidenteel appel dat zij niet aansprakelijk is voor deze kosten.\n\n6.17.. \n\nUit de stukken blijkt dat de gevorderde kosten zien op:\n\n(1) het onderzoek van BDO naar de werkwijze van [naam 1] en de omvang van de door hem gepleegde fraude (€ 291.569,25);\n\n(2) de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO (€ 27.664,75 + (een deel van) € 8.250,00);\n\n(3) het herstellen van de eigen administratie (€ 81.450,00 en (een deel van) € 8.250,00) en\n\n(4) het (extra) werk van eigen werknemers (€ 144.500,00).\n\n6.18.. Voor zover de kosten zien op de omvang van de door [naam 1] gepleegde fraude, komen deze in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Tegelijkertijd heeft wat betreft de Bank te gelden dat zij alleen aansprakelijk is voor de overmakingen vanaf de BNG-rekening naar de rekening van [naam 1] bij haar. Naar mag worden aangenomen is dit betrekkelijk eenvoudig en zonder veel kosten te achterhalen. Er hoeft immers alleen geïnventariseerd te worden hoeveel geld er naar de ABN-rekening van [naam 1] is overgemaakt. In het licht hiervan zijn de hoge kosten voor het onderzoek van BDO naar de omvang van de fraude en voor de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO niet redelijkerwijs noodzakelijk en niet in die omvang aan de Bank toe te rekenen. In het licht van de betwisting door de Bank, is maar een beperkt bedrag toewijsbaar. Het hof zal dit schatten en en verdisconteren in een (totaal)bedrag als hierna onder 6.21 te melden.\n\n6.19.. Een aanzienlijk deel van de kosten van BDO ziet op het door […] geëntameerde onderzoek naar hoe de fraude (zo lang) heeft kunnen voortduren en naar waar haar interne processen hebben gefaald. Een en ander is weliswaar door de fraude aan het licht gekomen, maar is niet veroorzaakt door de fraude. Dit is dan ook geen schade die in causaal verband staat tot de fraude, zodat die reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.\n\n6.20.. Wat betreft de schade die samenhangt met het herstel van de eigen administratie en met het daaruit voortvloeiende extra werk voor eigen werknemers heeft te gelden dat deze kosten strikt genomen niet zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. Dit laat echter onverlet dat zij als gevolgschade op de voet van artikel 6:95 lid 1 BW voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Tegelijkertijd is van belang dat de Bank maar voor een fractie van de totale schade van meer dan € 4,5 miljoen (dus circa 0,33%) is aan te spreken. Weliswaar is aannemelijk dat door de lange duur en de omvang van de fraude, de reconstructie van de administratie kostbaar zal zijn geweest, maar ook hier geldt dat de Bank door […] slechts voor 20% is aan te spreken voor het verdwijnen van ruim € 70.000,00 en niet voor de reconstructie van de administratie in de periode tot 18 juli 2019. Daarbij gaat het bovendien om bedragen die zijn verdwenen net voordat in september 2019 bij […] de fraude aan het licht kwam. In een lopend boekjaar is zoiets in beginsel betrekkelijk eenvoudig administratief te herstellen. De door […] in dit kader gevorderde bedragen van € 81.450,00 voor de werkzaamheden van JPD Financiën & Advies voor het herstel van de administratie en in totaal € 144.500,00 voor extra werk van eigen werknemers, wat daar verder ook van zij, oordeelt het hof dan ook niet in verhouding staan tot het bedrag waarvoor de Bank door […] is aan te spreken. Er is geen sprake van in redelijkheid gemaakte kosten. Ook hier is maar een beperkt bedrag toewijsbaar.\n\n6.21.. Alles in ogenschouw nemend, oordeelt het hof voor het vaststellen van de omvang van de fraude en het herstel van de eigen administratie een bedrag van € 1.000,00 als schadevergoeding redelijk. Daarbij heeft het hof ermee rekening gehouden dat ook hier de Bank voor slechts 20% van de schade aansprakelijk is.\n\n6.22.. De derde grief van de Bank in het incidenteel appel slaagt aldus deels en de vierde grief van […] in het principaal appel faalt. Het hof merkt hierbij op dat tegen de afwijzing door de rechtbank van de door […] in eerste aanleg gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 8.197,75 geen grief is gericht.\n\nSlotsom, kosten en bewijsaanbod\n\n6.23.. Het hoger beroep heeft succes. De eerste en de derde grief in het incidenteel appel van de Bank slagen. Het eindvonnis wordt (gedeeltelijk) vernietigd in die zin dat de Bank zal worden veroordeeld tot betaling aan […] van in hoofdsom € 14.213,81, te vermeerderen met wettelijke rente als na te bepalen en tot € 1.000,00 wegens kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De toewijsbaarheid van deze bedragen wordt niet geraakt doordat […] in hoger beroep haar eis heeft verminderd met circa € 1,1 miljoen. Het tussenvonnis van 26 april 2023 zal worden bekrachtigd.\n\n6.24.. Het hof ziet geen aanleiding om partijen toe te laten tot bewijslevering, omdat geen bewijs is aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.\n\n6.25.. De vordering van […] wordt grotendeels afgewezen. […] zal daarom als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:\n\nVoor de eerste aanleg:\n\n- griffierecht € 8.519,00\n\n- salaris advocaat € 15.249,50tarief VIII, 3,5 punten)\n\nTotaal € 23.768,50\n\nVoor het principaal hoger beroep:\n\n- griffierecht € 13.124,00\n\n- salaris advocaat € 13.218,00 (tarief VIII, 2 punten)\n\nTotaal € 26.342,00\n\nVoor het incidenteel hoger beroep:\n\n- salaris advocaat € 6.609,00 (tarief VIII, 0,5 x 2 punten)\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. vernietigt het eindvonnis van 8 mei 2024,\n\nen doet opnieuw recht:\n\n7.2.. veroordeelt de Bank om aan […] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:\n\n- een bedrag van € 14.213,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over 20% van € 18.988,52 vanaf 2 augustus 2019, van € 24.974,40 vanaf 5 augustus 2019 en van € 27.106,12 vanaf 6 augustus 2019,\n\n- alsmede een bedrag van € 1.000,00,\n\n7.3.. bekrachtigt het tussenvonnis van 26 april 2023,\n\n7.4.. veroordeelt […] in de proceskosten in beide instanties, tot nu aan de zijde van de Bank voor de eerste aanleg vastgesteld op € 23.768,50 en voor het principaal en het incidenteel hoger beroep op respectievelijk € 26.342,00 en € 6.609,00,\n\n7.5.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n7.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, M.A.M. Vaessen en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:11.014Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":44,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":52,"updatedAt":72},"1515","ECLI:NL:RBNHO:2026:8057","ecli-nl-rbnho-2026-8057",73,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F376223 \u002F HA RK 26-68\n\nBeschikking van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: E. Donkersloot,\n\ntegen\n\nINTERNATIONAL CARD SERVICES B.V.,\n\nte Diemen,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: ICS,\n\nadvocaat: mr. C.M. Jakimowicz.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verwijzingsvonnis van de kantonrechter van 25 maart 2026,\n\n- de e-mail van [verzoeker] van 3 april 2026 met reactie op het verzoek van ICS deze zaak te voegen,\n\n- de reactie op incident van ICS van 21 april 2026 op het verzoek van [verzoeker] om inzage op grond van artikel 195 Rv,\n\n- de akte overlegging producties van [verzoeker] van 21 april 2026.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De beoordeling\n\nIn de incidenten\n\n2.1.. \n\nIn het verwijzingsvonnis van 25 maart 2026 heeft de kantonrechter de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, verwezen naar de verzoekschriftprocedure van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Deze verwijzing treft ook het\n\nincidentele verzoek tot voeging van ICS en het incidentele verzoek op grond van artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van [verzoeker] .\n\nVerzoek tot voeging\n\n2.2.. ICS verzoekt, in haar conclusie van antwoord, dat deze zaak gevoegd zal worden behandeld met de zaak die bij de rechtbank bekend is onder het nummer C\u002F15\u002F376222\u002F HA RK 26\u002F67.Ter onderbouwing van dat verzoek voert ICS aan dat de feiten en de achtergrond van de zaken gelijk zijn en dat de zaken verknocht zijn. ICS verzoekt daarom op grond van artikel 285 RV de zaken gevoegd te behandelen.\n\n2.3.. \n [verzoeker] voert verweer tegen het verzoek. Hij betwist dat er sprake is van connexiteit zoals bedoeld in artikel 222 Rv. De procedures zien volgens [verzoeker] op wezenlijk verschillende rechtsvragen namelijk enerzijds naleving van artikel 12 en 15 Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) en anderzijds de rechtmatigheid van een CAAML-registratie. Dat beide zaken raken aan hetzelfde dossier is volgens [verzoeker] onvoldoende.\n\n2.4.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nOp grond van artikel 285 lid 2 Rv kan een rechter, indien bij deze rechter meer verzoekschriften over een verknocht onderwerp zijn ingediend, voeging daarvan bevelen.\n\nVan verkochtheid, ook wel connexiteit, kan worden gesproken, indien tussen de onderwerpen van de verschillende verzoeken een zodanig samenhang bestaat dat die - om redenen van doelmatigheid - een gezamenlijke behandeling door één en dezelfde rechter rechtvaardigt.De rechtbank is van oordeel dat tussen deze zaak en de zaak bij de rechtbank bekend onder het nummer C\u002F15\u002F376222\u002F HA RK 26\u002F67 van een zodanige samenhang sprake is dat deze zaken inderdaad gezamenlijk door één en dezelfde rechter behandeld moeten worden. De rechtbank heeft bij dit oordeel acht geslagen op het feit dat beide zaken aanhangig zijn tussen dezelfde partijen, met [verzoeker] aan de ene kant als verzoeker en ICS aan de andere kant als verweerder. Ook acht de rechtbank van belang dat beide zaken in tijd gelijk lopen. Uit de inleidende dagvaardingen in beide zaken blijkt dat [verzoeker] van mening is dat beide procedures zien op de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens door ICS. In deze zaak verzoekt [verzoeker] (onder meer) voor recht te verklaren dat ICS in strijd heeft gehandeld met de AVG, waaronder, maar niet beperkt tot, de artikelen 5, 6, 10, 12, 14, 16, 22 en 35 AVG. In de zaak bij de rechtbank bekend onder nummer C\u002F15\u002F376222\u002F HA RK 26\u002F67 verzoekt [verzoeker] (onder meer) ook voor recht te verklaren dat ICS in strijd heeft gehandeld met de artikelen 5, 6, 10, 12, 14, 15 en 16 van de AVG. Op grond van deze omstandigheden zal het verzoek van ICS om de zaken gevoegd te behandelen worden toegewezen.\n\nVerzoek op grond van artikel 195 Rv\n\n2.5.. \n [verzoeker] verzoekt dat ICS stukken overlegt van een gesprek dat [verzoeker] met ICS heeft gehad. Hij verzoekt daarnaast ICS inzichtelijk te maken:\n\nop welke datum of data het gestelde gesprek met [verzoeker] heeft plaatsgevonden;\n\nwelke registraties van dit gesprek bestaan, waaronder call-logs, CRM-registraties, gespreknotities of opnames;\n\nwelke persoonsgegevens van [verzoeker] daarbij zijn verwerkt;\n\nen waarom deze gegevens niet zijn verstrekt in het kader van het inzageverzoek ex artikel 15 AVG.\n\n2.6.. ICS voert verweer en stelt dat [verzoeker] al beschikt over de stukken waarvan hij inzage wenst. ICS wijst in dat verband op de door haar overgelegde producties bij de conclusie van antwoord en die bij de reactie op het incident. Omdat het incident ongegrond is verzoekt ICS [verzoeker] te veroordelen in de kosten van het incident.\n\n2.7.. Artikel 195 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. [verzoeker] verzoekt inzage in een gesprek waaruit bleek dat een chargebackdossier betrekking had op een ING-creditcard. ICS heeft als productie 3 bij de reactie op het incident een gesprekverslag overgelegd van een gesprek dat [verzoeker] op 8 mei 2024 met ICS heeft gevoerd. Uit dat verslag blijkt dat [verzoeker] informatie wilde hebben over een kaart van ING in plaats van een creditcard van ICS. Uit het verslag blijkt ook dat [verzoeker] beaamt dat hij verkeerd zit en dat hij het ergens anders gaat proberen. Met overlegging van dit verslag heeft ICS voldaan aan het verzoek van [verzoeker] op grond van artikel 195 Rv. De rechtbank zal dit verzoek van [verzoeker] bij gebrek aan belang dan ook afwijzen.\n\n2.8.. De rechtbank wijst partijen er – volledigheidshalve – op dat het in beginsel aan een partij als ICS is om – voor zover nodig – de stukken waarop zij zich wil beroepen uit eigen beweging te overleggen. Een partij die een bepaald standpunt inneemt maar achterwege laat dat standpunt met stukken te onderbouwen, draagt de nadelige gevolgen indien de rechter dat standpunt vervolgens niet aan de hand van stukken kan verifiëren.\n\n2.9.. ICS verzoekt [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten omdat het incident ongegrond is. Hoewel ICS in haar reactie op het incident verwijst naar producties die zij bij de conclusie van antwoord heeft overgelegd, kan de rechtbank in deze producties niet de uitwerking van het gespreksverslag vinden zoals overgelegd als productie 3 bij de reactie op het incident. Gelet op deze omstandigheid en het feit dat in deze beschikking ook een beoordeling wordt gegeven op het voegingsincident ziet de rechtbank aanleiding om de beslissing over de proceskosten aan te houden in afwachting van de uitkomsten van de hoofdzaak.\n\nIn de hoofdzaak\n\n2.10.. De zaak is gereed voor het bepalen van een mondelinge behandeling. De rechtbank verzoekt partijen hun verhinderdagen op te geven over de periode van augustus 2026 tot en met januari 2027 zodat een mondelinge behandeling kan worden gepland in deze zaak en de zaak bij de rechtbank bekend onder het nummer C\u002F15\u002F376222\u002F HA RK 26-67.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de incidenten\n\n3.1.. voegt deze zaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak bekend onder het nummer C\u002F15\u002F376222\u002F HA RK 26-67,\n\n3.2.. wijst af het verzoek van [verzoeker] om inzage ex artikel 195 Rv,\n\nin de hoofdzaak\n\n3.3.. bepaalt dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden,\n\n3.4.. bepaalt dat partijen hun verhinderdagen opgeven over de periode van augustus 2026 tot en met januari 2027,\n\n3.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n Deze zaak was ook ingediend bij de kantonrechter, daar was het nummer van deze zaak 11851010 CV EXPL 25-3001.\n\n Zie Hoge Raad 27 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6384.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8057","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:24.941Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":44,"courtId":77,"decisionDate":68,"fullText":78,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":52,"updatedAt":80},"1759","ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","ecli-nl-rbdha-2026-18180",58,"Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F703871 \u002F KG ZA 26\u002F427\n\nVonnis in kort geding van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A] B.V.te [plaats 1] ,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. M.F. de Jong te Haarlem,\n\ntegen:\n\n1. [partij B sub 1] VOF te [plaats 2] ,\n\n2. [partij B sub 2], te [plaats 2] ,\n\n3. [partij B sub 3] ,te [plaats 2] ,\n\ngedaagden in conventie,\n\neisers in reconventie,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nwaarin zich aan de zijde van [partij B] c.s. heeft gevoegd:\n\nCOMMERBAS S.R.L. te Civitanova Marche Italië,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [partij A] ’, ‘ [partij B] c.s.’ en ‘Commerbas’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 30 april 2026 met producties EP01 tot en met EP22;\n\n- de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst van Commerbas van 14 mei 2026 met producties 1 tot en met 3;\n\n- de conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie van 14 mei 2026 met producties GP01 tot en met GP09;\n\n- de aanvullende producties EP23 tot en met EP28 van 18 mei 2026;\n\n- het op 18 mei 2026 overgelegde kostenoverzicht van gedaagden;\n\n- de op 18 mei 2026 om 18:03 uur ingediende aanvullende producties GP10 tot en met GP13 (worden buiten beschouwing gelaten, zie hierna onder 1.2);\n\n- de op 19 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiseres een pleitnotitie is overgelegd.\n\n1.2.. Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [partij A] bezwaar gemaakt tegen de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst, de conclusie van antwoord met producties (minder dan een week voor de mondelinge behandeling) alsmede de nagekomen producties GP10 tot en met GP13 die de avond voor de behandeling van kort geding zijn ingediend. Deze stukken zijn – gelet op de termijnen in het toepasselijke landelijke procesreglement dan wel de instructies in het dagbepalingsbericht – te laat ingediend. Hierdoor is eiseres in haar verdedigingsbelang geschaad. De incidentele conclusie alsmede de conclusie van antwoord zijn ingediend op hemelvaartsdag, waardoor het te kort dag was om met cliënt te overleggen en adequaat te kunnen reageren, aldus mr. De Jong. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat de conclusie van antwoord, de daarbij behorende producties alsmede de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst worden toegestaan. Onder randnummer 2 van het meebetekende dagbepalingsbericht wordt aangeradeneen schriftelijke reactie op de dagvaarding in te dienen, gelet op de beperkte spreektijd. Een incidentele vordering kan pas worden ingesteld als partijen in het geding zijn verschenen en dient uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling te worden toegezonden (vgl. ook artikel 3.16, 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Er zijn dan ook geen termijnen geschonden. Dat er weinig tijd was voor overleg tussen de advocaat en zijn cliënt is eigen aan een kort geding procedure en kan dus op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat eiseres in haar verdediging is geschaad. De producties GP10 tot en met GP13 die gisteravond aan de voorzieningenrechter zijn toegezonden worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze zonder goede reden buiten de daarvoor geldende termijn zijn ingedienden daarmee sprake is van strijd met de goede procesorde.\n\n1.3.. De zaak is aangehouden tot 5 juni 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te onderzoeken. In brieven van 4 juni 2026 hebben partijen de rechtbank verzocht vonnis te wijzen. Mr. Richel heeft als bijlage bij de brief een geactualiseerde kostenstaat meegezonden, waartegen mr. De Jong bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter acht het moment van indienen van de productie in strijd met de goede procesorde en zal deze dan ook buiten beschouwing laten.\n\n1.4.. De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst en voeging\n\n2.1.. Commerbas heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [partij A] en [partij B] c.s. en zich te mogen voegen aan de zijde van [partij B] c.s. Volgens Commerbas heeft zij belang bij tussenkomst en voeging, aangezien zij bij toewijzing van de vorderingen jegens [partij B] c.s. failliet zullen gaan. De materialen die zij destijds ten behoeve van de productie van de schoenen voor [partij A] heeft aangeschaft, worden nu gebruikt voor de schoenen die zij maakt voor [partij B] c.s. Door de plotselinge orderstop van [partij A] bleef Commerbas zitten met de materialen en de opslagkosten daarvoor. Dat zij vervolgens voor [partij B] c.s. schoenen kon produceren, heeft gezorgd dat de materialen alsnog konden worden gebruikt. Indien de vorderingen tegen [partij B] c.s. worden toegewezen, wil Commerbas tussenkomen om de door haar geleden schade alsnog te verhalen op [partij A] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [partij B] c.s. verklaard geen bezwaar te hebben tegen de (voorwaardelijke) tussenkomst dan wel voeging. [partij A] heeft wel verweer gevoerd tegen de tussenkomst en voeging, primair omdat in kort geding geen conclusie tot voeging dan wel tussenkomst kan worden ingediend gelet op de vereisten van artikel 218 Rven het ontbreken van roldata in een kort gedingprocedure, subsidiair omdat Commerbas geen rechtstreeks belang heeft bij het tussen [partij A] en [partij B] c.s. aanhangig geding (als vereist in artikel 217 Rv) en meer subsidiair omdat zij geen spoedeisend belang heeft bij de door haar in de voorwaardelijke tussenkomst aangekondigde vordering.\n\n2.3.. Nadat partijen hun standpunt over het incident over en weer naar voren hebben kunnen brengen, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter beslist dat de vordering van Commerbas tot voeging aan de zijde van [partij B] c.s. wordt toegewezen en de vordering van Commerbas tot tussenkomst wordt afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n2.4.. Voeging en tussenkomst zijn vormen van interventie, vrijwillige deelname aan het geding door een derde. Op de voet van art. 217 Rv kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Indien aan deze eis is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens art. 218 Rv tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Bij tussenkomst wil de partij een eigen vordering instellen tegen (een van) de andere partijen. Er moet sprake zijn van voldoende belang om zich te mengen in het aanhangige geding. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.\n\n2.5.. Anders dan betoogd, kan ook in kort geding een vordering tot tussenkomst en\u002Fof voeging worden ingesteld. Commerbas heeft haar vordering tot voeging en tussenkomst voorafgaand aan de zitting aangekondigd en heeft deze ter zitting ingesteld (vgl. ook artikel 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). De voorzieningenrechter is van oordeel dat Commerbas haar belang bij voeging aan de zijde van [partij B] c.s. voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vraag of Commerbas voldoende belang heeft bij tussenkomst kan in het midden blijven, omdat de goede procesorde er in dit geval aan in de weg staat om de tussenkomst toe te staan. Het toestaan van de gevorderde tussenkomst zou – gelet op de door Commerbas geformuleerde zelfstandige vordering, waaraan grotendeels een ander feitencomplex ten grondslag is gelegd – een uitbreiding van het kort geding tot gevolg hebben, waarbij hoor en wederhoor in de knel dreigen te komen. Dit compliceert de voortvarende beoordeling van het geschil, hetgeen niet verenigbaar is met het karakter van een kort gedingprocedure.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n [partij A] , Panara B.V. en het PANARA merk\n\n3.1.. \n\n [partij A] heeft sinds begin jaren ’80 schoenen ontworpen en verkocht.\n\nHij is houder van het op 1 mei 1984 onder nummer 394494 ingeschreven Benelux woordmerk PANARA voor waren in onder meer klasse 25 (schoenen), hierna het PANARA merk. De schoenen zijn voorzien van het PANARA merk, de sinds 1984 ontworpen modellen onder voornoemd merk worden hierna gezamenlijk aangeduid als de PANARA schoencollectie.\n\n3.2.. In 1987 is [partij A] opgericht en is de productie en verkoop van de PANARA schoencollectie in die vennootschap ondergebracht. [partij A] heeft [partij A] hiertoe een licentie verstrekt, waarbij [partij A] tevens is toegestaan sublicenties te verstrekken en zelfstandig rechtsmaatregelen te nemen ter handhaving van het merkrecht.\n\n3.3.. \n [partij A] is een groothandel en verkocht de PANARA schoencollectie onder meer aan Pauw (23 winkels), aan diverse andere winkels en zogenaamde multibrandstores (winkels die meerdere schoenmerken verkochten) en webshops.\n\n3.4.. Een zustervennootschap van [partij A] , Panara B.V., exploiteerde van 1987 tot 2021 een Panara winkel in Amsterdam (waar alleen schoenen van het PANARA merk werden verkocht). Sinds 2017 heeft Panara B.V. ook een webshop onder de domeinnaam www.panaraonline.com. Deze webshop is tot op heden actief.\n\nCommerbas\n\n3.5.. De PANARA schoencollectie wordt met de hand gemaakt in Italië, laatstelijk door Commerbas.\n\n [partij B] c.s.\n\n3.6.. Op 1 oktober 2010 heeft [partij B] c.s. een schoenenzaak in Den Haag geopend onder de naam Panara Den Haag. Deze naam staat ook op de gevel van de winkel. Daarnaast heeft [partij B] c.s. een webshop onder de domeinnaam www.panaradenhaag.nl.\n\nOvereenkomst [partij A] en [partij B] c.s.\n\n3.7.. In september 2010 zijn [partij A] en [partij B] c.s. schriftelijk onder meer het volgende overeengekomen:\n\nBasis van deze overeenkomst is de verkoop van Panara in de vorm van een Panara Store.\n\n1. De naarn Panara mag uitsluitend worden gebruikt op basis van de presentatie van het volledige product, dus met uitsluiting van andere producten. Afwijkingen hierop niet anders dan met schriftelijke toestemming van [partij A] BV.\n\n5. Indien er sprake is van een of meer voornoemde situaties, dient de naam Panara onmiddellijk te worden verwijderd en zal de levering van Panara goederen eveneens met onmiddellijke ingang worden gestaakt.\n\n6. Duur van de overeenkomst geldt met ingang van seizoen winter 2010\u002F11 voor een onbepaalde periode.\n\n7. Beëindiging van de overeenkomst geschiedt door middel van een aangetekend schrijven met inachtname van twee (2) seizoenen, inbegrepen het op datum van opzegging lopende verkoopseizoen.\n\n8. Bij beëindiging van de samenwerking bestaat geen recht op enige vergoeding.\n\n3.8.. Op 14 november 2023 heeft [partij A] de Overeenkomst opgezegd.\n\nSommaties\n\n3.9.. In een aangetekende brief van 8 oktober 2025 heeft [partij A] aan [partij B] c.s. meegedeeld dat zij hebben geconstateerd dat [partij B] c.s. modellen uit de PANARA schoencollectie heeft gekocht bij Commerbas en voorzien van het naamlabel Borgesa (hierna: de Borgesa schoenen). In die brief heeft [partij A] [partij B] c.s. onder meer gesommeerd het PANARA merk te verwijderen uit de promotie voor de Borgesa schoenen.\n\n3.10.. Onder andere naar aanleiding van het hieronder opgenomen Instagram bericht schrijft [partij A] op 27 november 2025 aan [partij B] c.s. dat de overeenkomst is beëindigd en dat zij uiterlijk op 31 december 2025 de naam PANARA van de gevel dient te verwijderen alsmede de domeinnaam panaradenhaag.nl.\n\n3.11.. Op 12 februari 2026 werden onder de domeinnaam paranadenhaag.nl onder meer de Borgesa schoenen onder meer op de volgende wijze aangeboden:.\n\n3.12.. In een brief van 25 februari 2026 heeft de advocaat van [partij A] onder meer geconstateerd dat ter omschrijving en promotie van de Borgesa schoenen gebruik wordt gemaakt van het teken Panara en dat deze schoenen worden aangeboden onder de domeinnaam panaradenhaag.nl, waardoor inbreuk op het PANARA merk wordt gemaakt. In die brief wordt [partij B] c.s. onder meer gesommeerd de inbreuk op het PANARA merk te staken.\n\n3.13.. \n [partij A] heeft aan de sommaties geen gevolg gegeven.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. \n [partij A] vordert – na vermindering van eis – gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de aan [partij A] toekomende auteursrechten te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder te bevelen de openbaarmaking en verveelvoudiging van de Borgesa schoenen te staken en gestaakt te houden;\n\nII. hoofdelijk te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de merkenrechten van [partij A] in de gehele Benelux te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder gedaagden te verbieden gebruik te maken van het teken ‘Panara’ dan wel van andere tekens die overeenstemmen met dit merk;\n\nIII. hoofdelijk te bevelen aan de advocaat van [partij A] een volledig en juiste opgave te verstrekken, zowel digitaal als schriftelijk, voorzien van alle relevante documenten, waaronder mede begrepen maar niet beperkt tot facturen, prijslijsten, bestelformulieren, vervoersdocumenten, douanedocumenten, orderbevestigingen en (e mail)correspondentie, waarin de volgende informatie is vervat:\n\na. a) de fabrikant(en) en\u002Fof leverancier(s) van de Borgesa schoenen, met vermelding van volledige na(a)m(en), adres(sen), telefoon- en bankrekeningnummer(s);\n\nb) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan hen gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, vervaardigd, ingekocht, besteld en\u002Fof geleverd, zulks gerangschikt per leverancier, met vermelding van inkoopprijzen, besteldata en leverdata, tezamen met kopieën van de betreffende orderbevestigingen, facturen en correspondentie;\n\nc) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan gedaagden gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, aangeboden, verkocht en geleverd, zulks gespecificeerd per afnemer, met vermelding van verkoopprijzen en leverdata en volledige na(a)m(en), adres(sen) en telefoonnummers van (niet particuliere) klanten, tezamen met kopieën van de betreffende facturen, orderbevestigingen en correspondentie;\n\nd) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen, die door en\u002Fof ten behoeve van gedaagden dan wel aan gedaagden gelieerde ondernemingen in voorraad wordt gehouden; en (nvt want worden geen producten onder merknaam verkocht);\n\ne) de totale nettowinst die is behaald met het aanbieden en verkopen van de Borgesa schoenen, berekend vanaf het zomerseizoen 2025, waarbij gedaagden voor de berekening van deze nettowinst uitsluitend directe belastingen en directe variabele kosten zal aftrekken, en de exacte wijze waarop deze winst berekend. bestelformulieren, adres(sen);\n\nIV. te bevelen binnen veertien (14) dagen na dit vonnis een terugroepactie uit te voeren en een brief te sturen naar alle afnemers aan wie zij de Borgesa schoenen hebben verkocht en geleverd, met uitsluitend de volgende inhoud en zonder weglatingen, aanvullingen of opmerkingen, en dat zij kopieën van de verzonden brieven aan de advocaat van [partij A] zullen verstrekken: ‘RECTIFICATIE EN HERROEPING In het verleden hebben wij u (één van de) producten aangeboden en geleverd uit onze schoenencollectie ‘Borgesa’. Via deze kennisgeving informeren wij U dat deze producten inbreuk maken op de exclusieve auteursrechten van de heer [partij A] , bedenker en ontwerper van het schoenenlabel Panara. Wij vragen u de inbreukmakende producten op onze kosten aan ons te retourneren en danken u bij voorbaat voor uwmedewerking in dit verband. Ondergetekende, Panara Den Haag \u002F [partij B sub 1] v.o.f.’\n\nV. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Inbreukmakende Producten die krachtens het gestelde onder Romeinse IV aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVI. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Borgesa schoenen, die krachtens het hiervoor onder IV bepaalde aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVII. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare van EUR 10.000,- (tienduizend euro) per overtreding in geval het niet, niet volledig, niet correct of niet tijdig nakomen van een of meer van het gevorderde onder Romeinse I tot en met V, of — naar keuze van [partij A] — van EUR 1.000,- (duizend euro) voor iedere dag dat een dergelijke overtreding voortduurt, onverminderd het recht van [partij A] op volledige naleving en schadevergoeding;\n\nVIII. hoofdelijk te veroordelen, in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten op de voet van artikel 1019h Rv, en dit kort geding volgens de indicatietarieven in IE zaken, versie 1 februari 2026, in te schalen als een ‘normaal kort geding’, te betalen binnen tien (10) werkdagen na betekening van dit vonnis;\n\nIX. hoofdelijk te veroordelen om aan [partij A] de wettelijke (handels)rente over de proceskosten te betalen, wanneer deze niet binnen tien (10) werkdagen na het betekenen van het ten deze te wijzen vonnis zijn voldaan;\n\nX. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten.\n\n4.2.. \n [partij A] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [partij B] c.s. met de Borgesa schoenen inbreuk maakt op de auteursrechten van [partij A] op de PANARA schoencollectie. De schoenen koopt zijn van Commerbas en zijn identiek aan de modellen uit de PANARA schoencollectie, alleen voorzien van een andere naam. Na de beëindiging van de overeenkomst is [partij B] c.s. daarnaast het PANARA merk blijven gebruiken op de gevel van de winkel, in de domeinnaam en ter promotie van de Borgesa schoenen. Nu [partij B] c.s. na het beëindigen geen toestemming meer voor heeft, maakt zij inbreuk op het PANARA merk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n4.3.. \n [partij B] c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing. Zij betwist dat auteursrecht op de PANARA schoencollectie rust; het betreft klassieke Italiaanse schoenmodellen. Subsidiair betwist zij dat het auteursrecht bij [partij A] rust. [partij A] was de ontwerper van de schoenen en niet is gebleken dat het auteursrecht aan [partij A] is overgedragen. De overeenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd, zodat de overeenkomst nog geldt op grond waarvan [partij B] c.s. toestemming hebben het PANARA merk te gebruiken.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n4.4.. \n [partij B] c.s. vordert in reconventie, uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [partij A] te veroordelen om binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis alle door [partij B] c.s. bij [partij A] ingekochte en nog in voorraad zijnde Panara- schoenen (inclusief verpakkingen) terug te nemen op door [partij A] aan te wijzen wijze en op kosten van [partij A] ;\n\nII. [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] c.s. van de inkoopprijs van de terug te nemen schoenen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:u9 BW vanaf de datum waarop [partij B] c.s. die inkoopprijs aan [partij A] heeft betaald tot aan de datum van algehele voldoening door [partij A] , vast te stellen door de accountant van gedaagden, met een voorschot bij aflevering van € 100.000,-i\n\nIII. Subsidiair, indien een dergelijk verbod niet aan gedaagden wordt opgelegd:\n\n [partij A] te verbieden zich als detailhandelaar via internet op de markt te begeven met uitverkoopacties van Panara-schoenen, zonder overleg met en goedkeuring door gedaagden. Hierbij geldt dat gedaagden (eisers in reconventie) bereid zijn om de resterende voorraad Panara-schoenen die [partij A] en aan haar gelieerde entiteiten nog bezit(ten) over te nemen als voorschot op een schadevergoeding.\n\nIV. [partij A] te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.\n\n4.5.. Op de standpunten van partijen in voorwaardelijke reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie en voorwaardelijke reconventie\n\nBevoegdheid\n\n5.1.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gegrond op de gestelde inbreuk op het PANARA merk, is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikel 4.6 BVIE, aangezien [partij B] c.s. in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Benelux.\n\n5.2.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gebaseerd op de gestelde inbreuk op het auteursrecht is die bevoegdheid gegrond op artikel 4 Brussel I bis-Voomdat gedaagde in Nederland is gevestigd. De relatieve bevoegdheid volgt uit artikel 99 Rv.\n\n5.3.. Nu de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in conventie, is de rechtbank ook bevoegd om kennis te nemen van de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [partij B] c.s. [partij A] heeft die bevoegdheid ook niet bestreden.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.4.. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Nu [partij B] c.s. de vermeend inbreukmakende (voor wat betreft het auteursrecht) schoenen nog verkoopt en het teken PANARA nog gebruikt (hetgeen volgens de stellingen van [partij A] merkinbreuk oplevert), is daarmee het spoedeisend belang gegeven.\n\nIn conventie verder\n\nAuteursrechten modellen Panara schoencollectie\n\n5.5.. De stellingen van [partij A] waarop zij haar auteursrechtelijke vorderingen grondt, zijn toegespitst op de omstandigheid dat [partij B] c.s. door Commerbas dezelfde modellen van schoenen laat produceren als de modellen van de PANARA schoencollectie die zij voorheen inkocht bij [partij A] en verkocht in haar winkel. Daarmee is volgens [partij A] de inbreuk op de aan haar toekomende auteursrechten gegeven.\n\n5.6.. \n [partij A] heeft echter nagelaten inzichtelijk te maken op welke modellen uit de PANARA schoencollectie zij zich beroept, wanneer deze zijn ontworpen, waaruit de auteursrechtelijke beschermde kenmerken van de afzonderlijke modellen bestaan en hoe die zich weerspiegelen in het desbetreffende model.Er kan immers pas inbreuk worden gemaakt op het auteursrecht als sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. Of daarvan sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete vormgeving van (een combinatie van) kenmerken in de betreffende schoenen. Het is aan [partij A] om de feiten daarvoor naar voren te brengen.\n\n5.7.. In de dagvaarding heeft [partij A] meerdere malen geconcludeerd dat de modellen van de Panara schoencollectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn, met een eigen herkenbare signatuur van de collectie. Zo wordt gesteld dat “de ontwerpen (..) [zich] kenmerken door een consistente en herkenbare stijl, waarin vorm, pasvorm en materiaalgebruik in onderlinge samenhang werden ontwikkeld”en“deze werkwijze heeft geleid tot een eigen vormentaal, die in de loop der jaren een duidelijke plaats in de markt heeft ingenomen en waarmee de Panara Collectie zich onderscheidt van andere aanbieders”Een feitelijke uitwerking van wat per schoen de door haar ingeroepen“kenmerkende en beschermde elementen van de Panara-collectie”zijn ontbreekt. Omdat op het moment van het opstellen van de dagvaarding door [partij B] c.s. al was betwist dat de (modellen) van de Panara collectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn (omdat het klassieke schoenmodellen betreft volgens [partij B] c.s.), had het op de weg van [partij A] gelegen te onderbouwen welke creatieve keuzes zichtbaar zijn in de afzonderlijke modellen, waarop volgens [partij A] inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt. Om als auteursrechtelijk werk beschermd te kunnen zijn in de zin van artikel 10 Aw, moeten de schoenen immers uitdrukking geven aan vrije en creatieve keuzen die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen.Omdat voor auteursrechtelijke bescherming is vereist dat de persoonlijkheid van de maker wordt weerspiegeld in het voorwerp, moet bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid worden uitgegaan van het voorwerp zelf. Het scheppingsproces en de bedoelingen van de auteur kunnen slechts een rol spelen voor zover dit in het werk tot uitdrukking is gebracht.\n\n5.8.. Bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid dient dus te worden uitgegaan van de afzonderlijke modellen zelf. [partij A] verwijst in haar dagvaarding echter naar de PANARA schoencollectie, maar de afzonderlijke modellen schoenen waaruit die collectie bestaat en waarop volgens [partij A] dus auteursrechtelijke inbreuk wordt gemaakt, zijn niet omschreven en evenmin zijn hiervan afbeeldingen overgelegd. Er is wel een aantal modeltekeningen overgelegd bij de dagvaarding, waarover wordt opgemerkt dat dit de eigen herkenbare signatuur van de collectie onderstreept, maar waaruit die signatuur dan bestaat, is niet uitgewerkt. Van welke voorwerpen moet worden beoordeeld of zij een auteursrechtelijk beschermd werk zijn, is dus niet duidelijk. Verder zijn 103 pagina’s screenshot van de website van [partij B] c.s. overgelegd met de modellen, die zij thans aanbiedt onder het teken Borgesa. Zelfs als deze schoenen identiek zijn aan modellen van de Panara Collectie, dient eerst te worden vastgesteld dat de modellen van de Panara Collectie waarop inbreuk wordt gemaakt auteursrechtelijk beschermd zijn. Hiervoor zijn dus onvoldoende feiten gesteld.\n\n5.9.. Ook in de ter zitting door de advocaat van [partij A] voorgedragen spreekaantekeningen wordt niet ingegaan op het verweer dat de modellen uit de PANARA schoencollectie geen auteursrechtelijke beschermde werken zijn. De voorzieningenrechter heeft ter zitting een aantal malen gevraagd naar de specifieke kenmerken van de schoenen, die maken dat de schoenen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. In antwoord daarop zijn wederom algemene bewoordingen gebruikt, zoals strakke vormgeving, beste leer, geen stiknaden, uitstekende pasvorm, tijdloos, sober, strak, zwarte slipzool doorlopend over de neus van de schoen, zonder daarbij de vormgeving van de afzonderlijke modellen als uitgangspunt te nemen. Verder is “het samenspel van keuzes” genoemd als hetgeen dat de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en maakt dat de consument een schoen herkent als een Panara schoen.\n\n5.10.. \n\nOnder voornoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is dat de Panara schoencollectie bestaat uit voorwerpen die te kwalificeren zijn als auteursrechtelijk beschermde werken. Dat een selectie van de PANARA schoencollectie (welke modellen dat zijn, is ook weer niet gespecificeerd) is opgenomen in de collectie van het Schoenenkwartier is voor de beoordeling niet relevant, nu de beoordeling of een voorwerp een auteursrechtelijk beschermd werk is, dient plaats te vinden naar het moment waarop het werk werd ontworpen.\n\nHet onder I., III., IV. en V. gevorderde wordt dus afgewezen.\n\n5.11.. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande niet meer toe aan de bespreking van het door [partij B] c.s. subsidiair gevoerde verweer dat [partij A] niet de auteursrechthebbende zou zijn.\n\nmerkinbreuk\n\n5.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] c.s. het PANARA merk tot op vandaag in het economisch verkeer gebruikt door middel van het merk op de gevel van haar schoenenwinkel, door onder de domeinnaam panaradenhaag.nl schoenen te verkopen en op haar website en social media kanalen ter promotie van de door haar aangeboden schoenen voorzien van het teken BORGESA. Niet is betwist dat dit heeft te gelden als merkgebruik.\n\n5.13.. Volgens [partij B] c.s. geldt de Overeenkomst nog tussen, omdat deze niet rechtsgeldig is opgezegd. Zij heeft dus nog steeds toestemming om het PANARA merk te gebruiken, zodat de vordering tot het staken van het gebruik dient te worden afgewezen. Dit verweer slaagt niet en dat wordt hierna uitgelegd.\n\n5.14.. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst op 14 november 2023 (dus tijdens het winterseizoen, dat loopt van juli tot januari) door [partij A] mondeling is opgezegd tegen juli 2024 (einde zomerseizoen, dat loopt van januari tot juli). Dit is overeenkomstig de opzegtermijn van artikel 7 van de Overeenkomst. Dit betekent in beginsel dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het merk te gebruiken. Hoewel de overeenkomst conform het bepaalde in artikel 7 door middel van een aangetekende brief moet worden opgezegd, is de overeenkomst naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet blijven gelden omdat [partij A] deze mondeling heeft opgezegd. Voor [partij B] c.s. was het immers duidelijk dat de Overeenkomst werd opgezegd, dat [partij A] haar activiteiten zou gaan beëindigen en dat na het zomerseizoen dat liep tot juli 2024 geen nieuwe bestellingen meer zouden kunnen worden geplaatst. [partij B] c.s. heeft zich hiernaar ook gedragen door geen bestellingen meer bij [partij A] te plaatsen voor het laatste zomerseizoen (2024) en zich te gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Dit betekent dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het PANARA merk te gebruiken. Door het PANARA merk toch te blijven gebruiken, maakt zij inbreuk op de merkrechten van [partij A] op grond van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n5.15.. \n [partij B] c.s. heeft verder aangevoerd dat [partij A] gelet op de aard en inhoud van de Overeenkomst een langere opzegtermijn in acht had moeten nemen. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Los van de vraag of de Overeenkomst is te kwalificeren als een distributieovereenkomst – hetgeen door [partij A] wordt betwist – is de aan [partij B] c.s. gegeven toestemming om het PANARA merk te gebruiken verbonden aan de (ontbindende) voorwaarden dat zij geen andere merken mag verkopen. Tot de opzegging van 14 november 2023 heeft [partij B] c.s. dus 13 jaar lang enkel schoenen onder het PANARA merk verkocht en is haar bedrijf daardoor volledig ingericht op en afhankelijk van de verkoop van deze schoenen. Onder die omstandigheden kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, zoals een langere opzegtermijn. Dat die opzegtermijn meer dan twee jaar (sinds de opzegging op 13 november 2023) had moeten bedragen is echter gesteld noch gebleken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [partij B] c.s. geen modellen van het laatste zomerseizoen (2024) heeft ingekocht, heeft afgezien van het overnemen van de voorraad PANARA schoenen van Panara B.V. (in verband met het ontbreken van overeenstemming over de prijs) en zich – naast het verkopen van haar voorraad PANARA schoenen – is gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Zij heeft nimmer overleg gezocht met [partij A] om afspraken te maken over een langere overgangsperiode. De verkoop van de resterende voorraad Panara schoenen (thans nog 1000 paar) kan ook onder een andere winkelnaam en domeinnaam plaatsvinden. Voor het wijzigen van deze naam heeft [partij B] c.s. inmiddels meer dan voldoende tijd gehad. Het oordeel blijft dan ook dat [partij B] c.s. geen toestemming meer heeft het PANARA merk te gebruiken voor (de verkoop van) schoenen, zodat het onder II. gevorderde inbreukverbod wordt toegewezen. Aangezien dit tevens tot gevolg heeft dat de naam van de winkel (zowel op de gevel als online, domeinnaam en website) dient te worden gewijzigd zal het inbreukverbod vier weken na betekening van het vonnis ingaan. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [partij B] c.s. zeker na de brief van 27 november 2025 ervan op de hoogte was dat [partij A] niet langer toestemming gaf om het PANARA merk in de winkelnaam en de domeinnaam te gebruiken.\n\n5.16.. Als prikkel ter nakoming van het inbreukverbod acht de voorzieningenrechter een dwangsom zoals gevorderd aangewezen. Deze zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum is vermeld.\n\nProceskosten\n\n5.17.. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie worden gecompenseerd als na te melden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het inbreukverbod ten aanzien van het PANARA merk weliswaar wordt toegewezen, maar het gevorderde inbreukverbod op de vermeende auteursrechten en de daarmee samenhangende nevenvorderingen worden afgewezen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.\n\nIn voorwaardelijke reconventie verder\n\n5.18.. \n [partij B] c.s. heeft als voorwaarde aan haar reconventionele vorderingen verbonden: “uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert.”\n\n5.19.. Hoewel het in conventie gevorderde verbod is toegewezen, staat dit er niet aan in de weg om de rechtmatig ingekochte Panara schoenen, die [partij B] c.s. nog op voorraad heeft te verkopen. Deze voorraad bestaat immers uit schoenen, voorzien van het PANARA merk, die zij nog onder de Overeenkomst heeft ingekocht bij [partij A] . Los van het feit dat het recht van [partij A] om zich op grond van het merkrecht tegen de verkoop van die specifieke exemplaren te verzetten, is uitgeput, heeft [partij A] ook ter zitting benadrukt, dat het [partij B] c.s. vrij staat om rechtmatig ingekochte Panara schoenen te blijven verkopen. De aan de reconventionele vorderingen verbonden voorwaarde is dan ook niet in vervulling gegaan, zodat aan de beoordeling van de reconventionele vorderingen niet wordt toegekomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nIn conventie\n\n6.1.. beveelt gedaagden binnen vier weken na betekening van dit kort gedingvonnis iedere inbreuk op het PANARA merk in de Benelux te staken en gestaakt te houden;\n\n6.2.. veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [partij B] c.s. in strijd handelt met het onder 6.1 gegeven bevel, met een maximum van € 50.000,-;\n\n6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;\n\n6.5.. bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis;\n\n6.6.. wijst af het meer of anders gevorderde;\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n6.7.. stelt vast dat aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen is ingesteld niet is voldaan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n artikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken\n\n Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering\n\n Verordening (EU) 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.\n\n HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra)\n\n Auteurswet\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 50 en 61\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 71, 74 en 75\n\n Productie 12 bij de dagvaarding\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 77 en 81","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","2026-07-13T00:29:37.443Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":68,"fullText":85,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":52,"updatedAt":87},"503","ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","ecli-nl-rbams-2026-6701","vonnis\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 11957110 CV EXPL 25-15517\n\nvonnis van: 3 juli 2026\n\nfno.: 454\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\n [eiser] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiser,\n\nnader te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. A.E. Smink (DAS),\n\nt e g e n\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 1.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 2.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagden gezamenlijk te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 22 oktober 2025, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord van [gedaagden] met bijlagen;\n\nhet instructievonnis van 19 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde dagbepaling mondelinge behandeling.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor [gedaagden] is dhr. [naam] (bestuurder van de Stichting MOY) verschenen met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mr. Smink heeft een pleitnota voorgedragen en partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\n [gedaagde 2] is eigenaar van het pand aan de [adres] .\n\nIn het pand worden twee onzelfstandige woonruimtes en vier zelfstandige\n\nWoonruimtes verhuurd.2.2.. De [bedrijf] was beheerder van het onroerend goed van [gedaagde 2] was (middellijk) bestuurder van de Stichting, totdat hij het bestuur van de Stichting heeft overgedragen aan zijn zoon, die zich op 16 september 2024 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) heeft ingeschreven als bestuurder van de Stichting.2.3.. Tussen de Stichting als verhuurder en [eiser] als huurder is op 21 augustus 2023 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot onzelfstandige woonruimte [adres] . De overeengekomen huurprijs is € 1.375,00 per maand, exclusief € 150,00 aan voorschot voor de door de Stichting te verzorgen levering voor gas, water en elektra en € 75,00 aan servicekosten. [eiser] heeft op 30 november 2023 de huurcommissie verzocht om uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs.\n\n2.4.. De huurcommissie heeft op 19 februari 2024 uitspraak gedaan en geoordeeld dat een huurprijs van € 448,52 per maand met ingang van 21 augustus 2023 redelijk is. Verder is de huurprijs tijdelijk verlaagd tot € 179,41 per maand wegens ernstige gebreken.2.5.. De Stichting is bij dagvaarding van 25 april 2024 een procedure (met kenmerk CV EXPL 24-5715) gestart tegen [eiser] en heeft daarin vernietiging van de uitspraak van de Huurcommissie gevorderd. In reconventie heeft [eiser] terugbetaling van de onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 ter hoogte van € 12.389,51 gevorderd, alsmede € 1.195,59 per maand vanaf juli 2024, vermeerderd met rente.2.6.. \n [eiser] heeft tot en met juli 2024 de overeengekomen huur van € 1.375,00 betaald Vanaf 1 augustus 2024 heeft hij maandelijks € 179,41 aan huur betaald aan de Stichting.2.7.. Op 1 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] als bestuurder van de Stichting aan de KvK opgave gedaan van de ontbinding van de Stichting. De ontbinding is op 10 oktober 2024 geregistreerd in de KvK “omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 01-10-2024.”2.8.. Op 4 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de door de Stichting gestarte procedure met kenmerk CV EXPL 24-5715. Op 3 december 2024 heeft de kantonrechter te Amsterdam vonnis gewezen en is de vordering van de Stichting in conventie afgewezen en de vordering van [eiser] in reconventie tot betaling van € 12.389,51 aan onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 toegewezen. Voorts is de Stichting veroordeeld tot betaling van de teveel betaalde huur van € 1.195,59 vanaf 1 juli 2024 en betaling van de proceskosten van in totaal € 879,50.2.9.. Bij e-mail van 27 maart 2025 heeft [gedaagde 1] als reactie op een verzonden sommatie van de gemachtigde van [eiser] bericht dat de Stichting is geliquideerd en dat de Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden de nieuwe verhuurder van [eiser] is.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] heeft in de dagvaarding veroordeling van [gedaagden] gevorderd tot betaling van € 13.310,03, vermeerderd met rente vanaf datum verzuim en betaling van de incassokosten van € 1.089,80. Voorts vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] als formeel bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk, respectievelijk indirect formeel bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] . Ter zitting heeft [eiser] de vordering verminderd tot het bedrag € 12.054,16 (€ 13.310,03 -\u002F- € 1.255,87, te weten 7 maanden huur ad € 179,41 over de periode november 2024 tot en met mei 2025).\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering kort gezegd ten grondslag dat hij de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde huur, die door de kantonrechter bij vonnis van 3 december 2025 tegen de Stichting is toegewezen, kan verhalen op [gedaagden] omdat [gedaagde 1] als bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk\u002Findirect bestuurder van de Stichting zijn verhaalsmogelijkheden op onrechtmatige wijze hebben gefrustreerd. Volgens [eiser] bestaat de onrechtmatige daad uit het ten onrechte plegen van een turboliquidatie. De Stichting is geliquideerd terwijl er nog baten aanwezig waren. Het heeft er volgens [eiser] alle schijn van dat [gedaagde 2] door middel van ingewikkelde constructies met rechtspersonen een rookgordijn probeert op te werpen om zo zijn betalingsverplichtingen te ontlopen, aldus [eiser] .\n\n3.3.. \n [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Tussen partijen is in geschil of – zoals [eiser] stelt, maar [gedaagden] hebben betwist – [gedaagden] misbruik maken van identiteitsverschil tussen hen in persoon en verschillende rechtspersonen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van identiteitsverschil is het door de Hoge Raad op 13 oktober 2000 gewezen Rainbow-arrest richtinggevend (ECLI:NL:HR:2000:AA7480). De in dit arrest verwoorde maatstaf is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2285).\n\n4.2.. De Hoge Raad heeft in het Rainbow-arrest vooropgesteld dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet hoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal volgens de Hoge Raad in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, maar ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst, rechtens moet worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Van een dergelijk misbruik van identiteitsverschil kan ook sprake zijn indien iemand een goed waarvan hij alle voordelen geniet met gebruikmaking van dat identiteitsverschil buiten zijn vermogen brengt of houdt zonder daarmee een zelfstandig belang van de betrokken rechtspersoon of -personen te dienen, maar uitsluitend met het oogmerk dat goed aan verhaal van zijn crediteuren te onttrekken (vgl. Hoge Raad 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445, Stichting Waaldijk\u002FAerts q.q.).\n\n4.3.. Vaststaat dat [gedaagde 2] , dan wel zijn persoonlijke holding, eigenaar is van het pand, dat [gedaagde 2] (middellijk) bestuurder was van de Stichting en dat de Stichting de woning aan [eiser] heeft verhuurd. [gedaagden] voert wel aan dat de Stichting het verhuurrecht heeft, maar dit strookt niet met zijn stelling dat de Stichting geen activa heeft en daarom is geliquideerd. [gedaagde 1] heeft daarbij verwezen naar de door hem overgelegde brief van 5 oktober 2023 van de Belastingdienst (productie 1 bij de conclusie van antwoord) waarin is vermeld: “Uit uw antwoorden blijkt dat de stichting of vereniging niet meer actief is. Er is dan ook geen sprake van belastingplicht”. In 2023 was [gedaagde 2] zelf bestuurder van de Stichting. Uit deze brief wordt dan ook afgeleid dat [gedaagde 2] in 2023 niet aan de belastingdienst heeft medegedeeld dat de Stichting verhuurder is van zijn pand. [gedaagden] voert nog aan dat [gedaagde 2] de Stichting in 2002 heeft opgericht om zijn zakelijke belangen op afstand te zetten, maar gesteld noch gebleken is dat hij het verhuurrecht van het pand ook daadwerkelijk aan de Stichting heeft overgedragen. Vanaf 1 maart 2013 was het doel van de Stichting volgens het register van de Kamer van Koophandel weliswaar het exploiteren van onroerend goed, maar ook daaruit blijkt niet dat de Stichting dit op eigen naam heeft gedaan. Nu de Stichting gedurende de huurovereenkomst met [eiser] (en ook overigens met de andere huurders van het pand) is geliquideerd bij gebrek aan baten, kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat de Stichting enkel op last van [gedaagde 2] als verhuurder is opgetreden.\n\n4.4.. Door hierover niet duidelijk te communiceren en sterker, door de Stichting zich te laten voordoen als verhuurder op eigen naam en titel, heeft [gedaagde 2] misbruik gemaakt van het entiteitsverschil. [gedaagde 2] had in ieder geval bij de procedure bij de Huurcommissie duidelijk moeten maken dat niet de Stichting, maar hij de daadwerkelijke verhuurder was. Nu hij dit niet heeft gedaan, zich met terugwerkende kracht heeft laten uitschrijven als bestuurder, zijn zoon heeft laten inschrijven en vervolgens de Stichting heeft (laten) ontbinden, terwijl hij zelf al die tijd het verhuurrecht heeft gehouden en vervolgens een andere stichting (Stichting REFAM Vastgoedbeheer & Huurgelden) naar voren heeft geschoven als verhuurder, heeft [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld omdat zijn handelen kennelijk het doel had om verhaal van [eiser] op de Stichting onmogelijk te maken.\n\n4.5.. \n [gedaagde 1] was formeel bestuurder met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 en hij heeft de liquidatie daadwerkelijk uitgevoerd. Hoewel de liquidatie niet in strijd met de wet hoeft te zijn als de Stichting daadwerkelijk geen baten had (waar het op lijkt), maar dan had de Stichting zich niet ook jegens [eiser] moeten voordoen als daadwerkelijk verhuurder, wat zij wel tegelijkertijd deed in de procedure over de huurprijs. Het vonnis van 3 december 2024 is uitgesproken na de liquidatie zodat het doel van de turboliquidatie niet anders kan worden opgevat om er voor te zorgen dat [eiser] misleid werd en geen verhaal meer kon halen op de Stichting. De beslissing van de Huurcommissie was vanaf 19 februari 2024 bekend en vanaf dat moment wist [gedaagde 1] dan ook dat [eiser] een vordering tegen de Stichting had uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het doen eindigen van de ondernemingsactiviteiten van de Stichting en het doen voortzetten van dezelfde activiteiten door Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden, zonder daarbij de daadwerkelijke verhuurder, te weten [gedaagde 2] , kenbaar te maken, had ook geen ander oogmerk dan [eiser] te benadelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er van uit wordt gegaan dat [gedaagde 1] gelet op de familieband, op de hoogte was van de werkelijke constructie. Een dergelijke op benadeling van een schuldeiser gerichte handelwijze van [gedaagde 1] is, net als die van zijn vader, onrechtmatig.\n\n4.6.. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat gelet op de aard en ernst van de normschending en alle omstandigheden van het geval dat ter zake van de benadeling van [eiser] aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn dan ook beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor leidt. De gevorderde verklaringen voor recht worden daarom toegewezen. Voor wat betreft de servicekosten geldt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als feitelijk en formeel bestuurders ook voor terugbetaling van deze kosten aansprakelijk kunnen worden gehouden omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt omdat zij een rookgordijn hebben gecreëerd. De hoofdsom (inclusief servicekosten) is dan ook toewijsbaar. De gevorderde rente is gegrond op de wet en zal vanaf datum dagvaarding worden toegewezen.\n\n4.7.. \n [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.\n\n4.8.. \n\n [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze kosten zijn als volgt opgebouwd:\n\ndagvaardingskosten € 147,47 griffierecht € 732,00\n\nsalaris gemachtigde € 864,00 (2 punten x € 432,00)\n\nnakosten € 144,00 te vermeerderen met de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing\n\n ------------------ +\n\n € 1.887,47 in totaal\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [gedaagden] persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] ;\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan [eiser] € 12.054,16 aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 tot aan dag van voldoening alsmede € 1.098,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.887,47 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na datum van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","2026-07-13T00:28:33.787Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":71,"fullText":92,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":52,"updatedAt":94},"412","ECLI:NL:RBAMS:2026:6793","ecli-nl-rbams-2026-6793","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F785698 \u002F KG RK 26-520 MK\u002FJT\n\nBeschikking van 2 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nGLENCORE INTERNATIONAL AG,\n\nte Baar (Zwitserland),\n\nverzoekster,\n\nhierna te noemen: Glencore,\n\nadvocaten: mr. F.J.L. Kaptein en mr. W.J.E. Nijnens,\n\ntegen\n\nGLOBAL CAPITAL MERCHANTS LIMITED,\n\nte Tortola (Britse Maagdeneilanden), verweerster, hierna te noemen: GCM,\n\nadvocaten: mr. J.R. Gal en mr. S. el Baroudi,\n\nen\n\n1. ACCESS WORLD GROUP HOLDINGS B.V.,\n\nte Rotterdam, hierna te noemen: AWG,\n\nadvocaat: mr. T.M. Munnik, 2. TIRONIMUS AG,\n\nte Baar (Zwitserland), hierna te noemen: Tironimus, 3. [verweerder 3],\n\nte [plaats] , hierna te noemen: [verweerder 3] , 4. [verweerder 4],\n\nte [plaats] , hierna te noemen: [verweerder 4] , 5. SILTECH PMR PTY LIMITED,\n\nte Sydney (Australië), hierna te noemen: Siltech, advocaten: mr. M. Deckers en mr. S. Martina Palacio, 6. PERFECT HEXAGON LIMITED (IN LIQUIDATIE),\n\nte Hong Kong (China), hierna te noemen: PHL, advocaten: mr. M. Deckers en mr. S. Martina Palacio, belanghebbenden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Glencore heeft op 31 maart 2026 een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met producties ingediend, welk verzoekschrift aan deze beschikking is gehecht. Vervolgens is een mondelinge behandeling bepaald op 21 mei 2026.\n\n1.2.. Op 13 mei 2026 hebben Siltech en PHL een verweerschrift met producties ingediend. Op 15 mei 2026 heeft GCM een verweerschrift met producties ingediend. Op 18 mei 2026 heeft AWG een productie ingediend en meegedeeld het verzoek van Glencore te ondersteunen. Op 20 mei 2026 heeft Glencore een aanvullende productie ingediend.1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 mei 2026 hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Glencore, GCM en Siltech en PHL mede aan de hand van een pleitnota. Na verder debat is deze procedure pro forma aangehouden tot en met 4 juni 2026 voor overleg tussen partijen over een mogelijke regeling.1.4.. Bij de mondelinge behandeling waren voor zover van belang aanwezig: - aan de zijde van Glencore: [naam 1] (legal counsel; via een videoverbinding), [naam 2] (finance manager; via een videoverbinding), [naam 3] (legal counsel), [naam 4] (juridisch adviseur), [naam 5] (juridisch adviseur), H.T. Haanappel (waarderingsdeskundige bij Vantage Valuation), met mr. Kaptein en mr. Nijnens, alsmede J.M. Steur en M.C. Tol (tolken Engels); - aan de zijde van GCM: [naam 7] (bestuurder) en M. van Heugten (waarderingsdeskundige bij Eight Advisory), met mr. Gal; - aan de zijde van AWG: [naam 8] (CFO; via een videoverbinding) en [naam 9] (CLO), met mr. Munnik, alsmede I. Huigens (tolk Engels); - aan de zijde van Siltech en PHL: [naam 10] (bestuurder van Siltech) en [naam 11] (vereffenaar\u002Fliquidator van PHL; via een videoverbinding), met mr. Deckers.\n\n1.5.. Tironimus en [verweerder 3] (belanghebbenden sub 2 en 3) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen. [verweerder 4] (belanghebbende sub 4) was bij de mondelinge behandeling aanwezig in hoedanigheid van bestuurder van GCM, maar heeft zich niet gesteld in hoedanigheid van garantsteller.\n\n1.6.. Bij e-mail van 4 juni 2026 heeft de advocaat van Glencore meegedeeld dat partijen geen schikking hebben bereikt en verzocht om een datum voor het geven van de beschikking te bepalen.\n\n1.7.. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de advocaat van GCM [**] verzocht om de beslissing in deze procedure aan te houden [**].\n\n1.8.. Bij e-mails van 5 en 8 juni 2026 hebben de advocaten van respectievelijk AWG en Glencore bezwaar gemaakt tegen de door GCM verzochte aanhouding.\n\n1.9.. Op 9 juni 2026 is aan partijen bericht de beschikking op 2 juli 2026 zal worden gegeven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Glencore is een van de grootste bedrijven ter wereld die handelt in natuurlijke hulpbronnen en is een producent en verkoper van grondstoffen. Tironimus is een dochtervennootschap van Glencore en betreft een houdstermaatschappij.\n\n2.2.. GCM houdt zich voornamelijk bezig met de overname van logistieke bedrijven en opslagbedrijven voor de grondstoffenindustrie.\n\n2.3.. AWG is de Nederlandse houdstermaatschappij van de Acces World-groep, die wereldwijd logistieke diensten aanbiedt en een uitgebreid netwerk van haven- en opslagfaciliteiten exploiteert.\n\n2.4.. \n\nOp 11 juli 2022 hebben onder meer Finges Investment B.V. (hierna: Finges; een dochteronderneming van Glencore) en GCM een koopovereenkomst (de oorspronkelijke share purchase agreement) ondertekend voor de verkoop door Finges aan GCM van alle aandelen in het kapitaal van AWG (hierna: de aandelen) tegen een koopprijs van USD 176.700.000. Op 29 december 2022 is die transactie afgerond en heeft Finges de\n\naandelen aan GCM geleverd.\n\n2.5.. Glencore heeft in dat kader aan GCM op 11 juli 2022 een verkoperslening (hierna: de vendor loan) verstrekt voor de koop van alle aandelen in AWG door middel van een vendor loan facility agreement(hierna: de VFA). Glencore heeft daarbij USD 100 miljoen aan GCM ter beschikking gesteld om een deel van de koopprijs te voldoen. [verweerder 3] en [verweerder 4] (belanghebbenden sub 3 en 4) hebben een garantie verstrekt voor de nakoming van alle verplichtingen van GCM onder de VFA. De oorspronkelijke uiterste aflossingsdatum was 29 december 2023.\n\n2.6.. Op 23 december 2022 is de VFA bij amendement gewijzigd waarbij het uitstaande hoofdbedrag onder de VFA werd verhoogd tot USD 140 miljoen en GCM werd verplicht om op 16 januari 2023 (hierna: aflossingsdatum) een aflossing te doen ter hoogte van het bedrag (indien van toepassing) waarmee de vendor loan op dat moment USD 100 miljoen zou overschrijden, verminderd met eventuele vrijwillige vooruitbetalingen (hierna: het aflossingsbedrag).\n\n2.7.. Overeenkomstig artikel 2.5 van de VFA worden de betalingsverplichtingen van GCM onder meer gedekt door een eersterangs pandrecht op alle aandelen die GCM houdt in AWG (hierna: het pandrecht). Het pandrecht is op 29 december 2022 bij notariële akte gevestigd (hierna: de pandakte) en strekt op grond van artikel 1.1 en artikel 2.1.3 van de pandakte tot zekerheid voor de voldoening van alle huidige en toekomstige betalingsverplichtingen van GCM jegens Glencore uit hoofde van de VFA en de overige financieringsdocumenten (gedefinieerd als de Secured Obligations).\n\n2.8.. \n\nGCM liet na op de aflossingsdatum het aflossingsbedrag aan Glencore te betalen. Op grond van artikel 15.2 (Non-payment) van de VFA was GCM als gevolg daarvan in verzuim. Dit verzuim duurt nog steeds voort. Vanwege dit verzuim en in overeenstemming met artikel 15.21 (Acceleration) van de VFA, heeft Glencore op 2 februari 2023 met een notice of accelerationde vendor loan, de opgelopen rente en alle overige bedragen onder de\n\nfinancieringsdocumentatie opeisbaar gemaakt en onmiddellijke betaling van het totale uitstaande bedrag van USD 140.956.712,33 gevorderd. GCM heeft dit bedrag niet betaald. Dat geldt ook voor de rente over de vendor loan voor twee renteperiodes tot aan 4 augustus 2023. GCM is in verzuim ten aanzien van het doen van deze rentebetalingen. Ook dit verzuim duurt tot op heden.2.9.. Vervolgens heeft Glencore GCM meer tijd gegund om te betalen en hebben partijen nadere afspraken gemaakt, hetgeen niet tot betaling door GCM heeft geleid.\n\n2.10.. Op 28 november 2025 hebben de curatoren van PHL ter zekerheid van het verhaal van een vordering van € 38.189.786,80 op GCM ten laste van GCM conservatoir beslag gelegd op de aandelen in AWG. De curatoren van PHL hebben GCM vervolgens gedagvaard in een procedure voor de High Court of the Hong Kong Special Administrative Region.\n\n2.11.. Op 11 december 2025 heeft Siltech ter zekerheid van het verhaal van een vordering van € 4.693.174,40 op GCM eveneens ten laste van GCM conservatoir beslag gelegd op de aandelen in AWG. Siltech had voor die vordering reeds op 19 november 2024 een procedure tegen GCM aanhangig gemaakt bij de Supreme Court van Sydney te Australië.\n\n2.12.. Op verzoek van Glencore heeft Vantage Valuation B.V. (hierna: Vantage) een beoordeling van de going concern-waarde van AWG uitgevoerd. In het door Vantage op 11 maart 2026 opgeleverde waarderingsrapport – waarin zij gebruik maakt van eendiscounted cash flow-waarderingsmethode – concludeert zij dat de huidige reële marktwaarde(fair market value)van de aandelen in AWG (per waarderingsdatum 31 december 2025) USD [**] bedraagt.\n\n2.13.. Op 31 maart 2026 heeft Glencore een enforcement noticeaan GCM gestuurd. Per die datum bedroeg het volledige uitstaande en opgeëiste bedrag onder de VFA een totaal van USD 108.888.875 (inclusief USD 20.342.874 aan rente).\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoekschrift strekt ertoe om, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking:\n\nI. aan Glencore, als pandhouder, op grond van artikel 3:251 lid 1 BW verlof te verlenen om de aandelen in het kapitaal van AWG over te dragen aan Tironimus onder de voorwaarden zoals beschreven in de Sale and Purchase Agreement van 31 maart 2026 (SPA) (waarin onder meer is beschreven dat de koopsom USD [**] bedraagt, dat de koopsom wordt voldaan op grond van verrekening en dat een opschortende voorwaarde is dat de relevantie merger control authoritiesalle documenten en goedkeuringen hebben afgegeven die partijen noodzakelijk achten voor voltooiing van de verkoop) en Glencore te machtigen om alle daarvoor benodigde of nuttige handelingen te verrichten;\n\nII. indien de voorzieningen dat nodig acht: te bepalen dat de onderhandse verkoop binnen vier maanden dient plaats te vinden;\n\nIII. GCM te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Glencore stelt daartoe – samengevat – het volgende.\n\n3.2.1.. GCM is in verzuim met de nakoming van haar betalingsverplichtingen onder de VFA. Glencore heeft GCM verschillende keren uitstel van betaling verleend en zich uiterst coulant opgesteld, maar GCM voldoet consequent niet aan de gemaakte betalingsafspraken. De vordering van Glencore op GCM wordt onder meer gedekt door een eersterangs pandrecht op 100% van de aandelen die GCM houdt in AWG. Glencore wenst dit pandrecht te executeren. Aangezien een openbare verkoop blijkens een eerder verkoopproces tot onvoldoende opbrengst leidt, wenst Glencore de aandelen via een onderhandse verkoop te verkopen aan haar dochteronderneming Tironimus. Deze onderhandse verkoop leidt tot de hoogste executieopbrengst. De koopsom van UDS [**] weerspiegelt de reële marktwaarde en is aanzienlijk hoger dan de prijs die op korte termijn op een executieverkoop zou kunnen worden verkregen. Er is geen beter alternatief en er zijn geen geïnteresseerde bieders in de markt die bereid zijn het bod van Tironimus te evenaren of te overtreffen. De voorgenomen verkoop is in het belang van alle betrokken partijen. De schuld van GCM aan Glencore verminderd hierdoor maximaal (met USD [**]).\n\n3.2.2.. In oktober 2024 heeft MJM Advisory LTD (hierna: MJM) op verzoek van Glencore 29 afzonderlijk potentieel geïnteresseerde partijen benaderd op basis van hun veronderstelde financiële capaciteit om AWG over te nemen en hun expertise in de sector. Van deze 29 partijen hebben 16 partijen een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend, waarna zij biedingsinstructies en een vertrouwelijk informatiememorandum van het managementteam van AWG ontvingen (met daarin gecontroleerde financiële jaarrekeningen over 2022 en 2023 alsmede een vooruitzicht tot 2029). Nadat geïnteresseerde een vrijblijvend bod zouden hebben uitgebracht, zouden zij toegang krijgen tot nadere informatie. Vervolgens hebben van die 16 partijen er drie een vrijblijvende bieding gedaan. Bieder 1 deed een bod van USD [**] op kas- en schuldenvrije basis. Bieder 1 is verzocht dat bod te verhogen, maar dat werd geweigerd, waarna zelf een verlaging van het bod volgde. Bieder 2 deed een bod van USD [**] in contanten, maar heeft dat bod vervolgens niet doorgezet. Bieder 3 deed een bod van USD [**] in contanten en werd geselecteerd om door te gaan naar de volgende fase en werd van aanvullende informatie voorzien. Na verschillende locatiebezoeken voor bieder 3 en een vier uur durende presentatie bracht bieder 3 een herzien bod uit van USD [**] op kas- en schuldenvrije basis. In oktober 2025 heeft bieder 3 zich teruggetrokken. Ondertussen is wederom met bieder 1 gesproken en heeft bieder 1 een herzien bod gedaan met een contante verhouding van USD [**] en een earn out van USD [**] plus een minderheidsbelang in bieder 1. Omdat de totale waarde van dat bod zich niet met zekerheid liet vaststellen is besloten niet met bieder 1 verder te gaan. Het eerdere zorgvuldig doorlopen verkoopproces heeft aldus niet tot realistische biedingen geleid. Er is bij partijen in de markt weinig interesse voor de aandelen in AWG. Een openbare verkoop van de aandelen zou tot een koopprijs leiden die niet in verhouding staat tot de waarde van de aandelen.\n\n3.2.3.. \n\nVantage heeft de operating enterprise valueop basis van dediscounted cash flow-methode vastgesteld op USD [**] per devaluation dateop 31 december 2025. Op dat bedrag is vervolgens eencross checkuitgevoerd op basis van de drie biedingen die zijn\n\nontvangen tijdens het eerdere verkoopproces. Daaruit volgt dat de door Vantage vastgestelde operating enterprise value van USD [**] zelfs boven de range is van\n\nUSD [**] die kan worden afgeleid uit de drie biedingen die eerder zijn gedaan. Daarbij geldt dat die biedingen tot stand zijn gekomen op basis van een vooruitzicht van het management van AWG op de financiële jaren lopend van 2024 tot 2029. De vooruitzichten voor 2024 en 2025 zijn te optimistisch gebleken, nu de EBITDA aanzienlijk lager is uitgevallen dan voorspeld. Als de bieders dit hadden geweten, is het aannemelijk dat hun biedingen lager zouden zijn geweest. Ook is de vastgestelde operating enterprise value gecontroleerd op basis van tien vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen. Daaruit blijkt dat de vastgestelde operating enterprise value van AWG van USD [**] binnen de range is van USD [**] die volgt uit de multiples van de tien vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen. Vervolgens is de operating enterprise valueomgerekend naar de marktwaarde van de aandelen (fair market value) door (i) de waarde van deelnemingen in en leningen aan joint ventures op te tellen, (ii) schulden aan banken en langlopendeemployee benefitsaf te trekken, (iii)non-controlling interestaf te trekken, en (iv) de aandeelhouderslening van GCM af te trekken. Vantage komt uit op een waarde van de aandelen van USD [**]. Gelet op onder meer het eerdere verkoopproces en de\n\ntijd die het kostte om AWG in 2022 aan GCM te verkopen, verwacht Vantage dat de prijs voor de aandelen die bij een executieverkoop op korte termijn zou kunnen worden gerealiseerd, ongeveer 25-35% onder de waarde van USD [**] zou liggen, aldus steeds Glencore.\n\n3.3.. AWG heeft het volgende aangevoerd. Zij ondersteunt het verzoek van Glencore. Haar senior managementteam is van mening dat Glencore in haar hoedanigheid van (indirect) aandeelhouder (mocht de verkoop aan Tironimus worden goedgekeurd) voor de nodige stabiliteit en rust zal kunnen zorgen en meent dat snelheid geboden is. Zij wenst zich verder niet te mengen in de discussie over de waardering van de aandelen, aldus AWG.\n\n4. Het verweer\n\n4.1.. GCM voert – samengevat – het volgende verweer.\n\n4.1.1.. Glencore heeft het eerdere verkoopproces in 2025 volledig naar zich toe getrokken en GCM daar geheel buiten gehouden. Het verloop daarvan en dat er drie vrijblijvende biedingen zouden zijn gedaan heeft GCM voor het eerst vernomen vanuit het verzoekschrift in deze procedure. GCM heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken, verder geen inzage gekregen in de identiteit van de benaderde partijen, de inhoud van hun biedingen, de daaraan verbonden voor waarden, de redenen waarom partijen zijn afgevallen of de wijze waarop Glencore en MJM het proces hebben ingericht. Aldus was het GCM volstrekt onduidelijk of het verkoopproces gestructureerd was verlopen, of er reële biedingen waren ontvangen en of het verkoopproces daadwerkelijk gericht was op het realiseren van de hoogst mogelijke opbrengst.\n\n4.1.2.. Ook nu is voor GCM nog altijd veel onduidelijk over dat proces. Zo vermeldt Glencore in haar verzoekschrift niet: (a) welke partijen zij in het verkoopproces heeft benaderd, (b) met welke concrete propositie zij die partijen heeft benaderd, (c) welke inschrijfvoorwaarden zij daarbij heeft gehanteerd, of (d) welke verkoopinformatie zij ten aanzien van AWG heeft verstrekt. Daardoor is voor GCM niet te reconstrueren waarom slechts 16 van de benaderde partijen een geheimhoudingsovereenkomst hebben getekend, en waarom slechts drie daarvan een bieding hebben gedaan. Evenmin is duidelijk wat die biedingen uiteindelijk inhielden. Onduidelijk is hoe groot het gat is tussen de uiteindelijk door Glencore ontvangen biedingen en de prijs waarvoor zij de aandelen thans aan Tironimus wenst te verkopen. Glencore biedt geen bewijs dat de biedingen commercieel gevoelige informatie bevatten en evenmin dat de biedingen zijn onderworpen aan geheimhoudingsverplichtingen op basis waarvan de biedingen niet in deze procedure kunnen worden ingebracht. Bovendien kan MJM niet als onafhankelijk adviseur worden beschouwd nu haar werknemer die zich met het verkoopproces heeft beziggehouden eerder in dienst was bij ING Corporate Finance die Glencore had geadviseerd bij de oorspronkelijke verkoop van AWG aan GCM.\n\n4.1.3.. Het door Glencore overgelegde (uittrekstel van het) waarderingsrapport van Vantage kan niet serieus genomen worden. Onduidelijk is hoe Vantage precies tot de door haar bepaalde waarde is gekomen. Niet in geschil is dat de aandelen in AWG op 11 juli 2022 een waarde van USD 176,7 miljoen vertegenwoordigden. AWG is nog altijd een goed lopende onderneming met waardevaste activa. Een taxateur in Mauritius taxeerde de waarde van de aandelen in 2024 op een bedrag van USD [**]. Ook indien daaraan voorbij wordt gegaan is er geen enkele reden om aan te nemen dat de aandelen nu nog maar [**] van de waarde hebben die zij in 2022 hadden toen GCM AWG kocht van Glencore.\n\n4.1.4.. Glencore heeft niet onderbouwd dat de beoogde onderhandse verkoop een meer geschiktere wijze van executie is dan een openbare verkoop en evenmin dat met de beoogde onderhandse verkoop een maximale opbrengst zal worden behaald. Het verzoek moet daarom worden afgewezen. Subsidiair verzoekt GCM om aanhouding van de procedure en volledige inzage in het eerdere verkoopproces en in het waarderingsrapport van Vantage en de daaraan ten grondslag liggende financiële stukken. Meer subsidiair verzoekt GCM om het verlof niet eerder dan na zes maanden in werking te laten treden en te bepalen dat het verlof zal vervallen indien GCM de aandelen in AWG weet te verkopen voor een koopprijs hoger van USD [**], aldus steeds GCM.\n\n4.2.. Siltech en PHL voeren – samengevat – het volgende verweer.\n\n4.2.1.. Hoe hoger de opbrengst van de verkoop van de aandelen, hoe groter de kans dat na voldoening van Glencore een surplus resteert waarop Siltech en PHL zich kunnen verhalen. Bij de door Glencore thans voorgestelde verkoopprijs van USD [**] staat vast dat er voor Siltech en PHL niets overblijft waarop zij zich kunnen verhalen. Siltech en PHL hebben er belang bij dat bij de verkoop een zo hoog mogelijke opbrengst wordt gerealiseerd. Het verzoek van Glencore voldoet niet aan de vereisten om te kunnen worden toegewezen.\n\n4.2.2.. Uit het eerdere verkoopproces blijkt niet dat openbare verkoop van de aandelen niet tot realistische biedingen leidt. Dat Glencore ervoor heeft gekozen om de kring van gegadigden in de praktijk te beperken strookt niet met het uitgangspunt van maximale opbrengstrealisatie dat bij een openbare verkoop dient te gelden. Uit het door MJM opgezette verkoopproces blijkt dat er wel degelijk serieuze marktinteresse bestond en bestaat voor de aandelen. Waarom bieder 3 zich heeft teruggetrokken blijft onduidelijk evenmin is duidelijk waarom bieder 1 heeft geboden zoals zij heeft gedaan. Daarnaast blijkt uit de door Siltech en PHL ingediende producties dat er wel degelijk andere geïnteresseerde partijen waren, waaronder Capevest Equity Partners (hierna: Capevest) dat ondanks getoonde interesse niet bij het verkoopproces werd betrokken. Glencore heeft het verkoopproces zelf gestuurd. Zij heeft bijvoorbeeld niet verklaard waarom het eerste bod van bieder 1 onvoldoende was om (zonder verhoging van dat bod) door te mogen naar de volgende fase. Kennelijk zocht Glencore niet serieus naar een potentiële koper.4.2.3.. De voorgenomen verkoop aan Tironimus leidt niet tot de hoogste executieopbrengst. De waardering van de aandelen in AWG door Vantage is ondeugdelijk voor het bepalen van de prijs van de aandelen. De waardering door Vantage sluit niet aan bij de realiteit, hetgeen blijkt uit de door Siltech en PHL ingebrachte stukken. Zeven vergelijkbare transacties in de periode 2022-2025 hanteren multiplesdie variëren van [**] x tot [**] x EBIDTA. De meest vergelijkbare transactie is Glencore’s eigen verkoop van AWG in 2022 voor een koopprijs van USD 180 miljoen. Dit komt neer op een multiple van [**] x EBIDTA op het resultaat over boekjaar 2021. De door Glencore voorgestelde prijs van USD [**] komt neer op een multiple van ongeveer [**] x EBIDTA en ligt daarmee ruim onder elk gepubliceerd sectorgemiddelde en ver onder haar eigen verkoopprijs voor dezelfde aandelen in 2022. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat USD [**] de maximaal mogelijke executieopbrengst zou zijn.\n\n4.2.4.. Anders dan Glencore meent is een executie op korte termijn niet noodzakelijk. AWG staat niet op omvallen en een faillissement is niet onvermijdelijk als de voorgestelde onderhandse verkoop niet doorgaat. Het argument van een verdisconteerde executiekorting van 25-35% gaat dus niet op. Bij de voorgestelde onderhandse verkoop blijft er voor Siltech en PHL niets over, maar anders dan Glencore meent staat niet vast dat een openbare verkoop voor Siltech en PHL niets zou kunnen opleveren. Voor zover het verzoek toch wordt toegewezen verzoeken Siltech en PHL dat aan het verlof de voorwaarde wordt verbonden dat het Tironimus wordt verboden om gedurende drie jaren de aandelen in AWG aan een derde te verkopen voor een hoger bedrag dan het bedrag waarvoor deze aan haar zijn verkocht, aldus steeds Siltech en PHL.5. De beoordeling\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.1.. Allereerst moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en welk nationaal recht van toepassing is. Alleen AWG is in Nederland gevestigd en het geschil heeft een internationaal karakter.\n\n5.2.. GCM, Glencore en AWG zijn in de pandakte een forumkeuze als bedoeld in artikel 25 lid 1 van de Brussel I-bis-Verordening overeengekomen. Artikel 10.2 van de pandakte bepaalt dat deze rechtbank exclusief bevoegd is om kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit of verband houden met de pandakte. De voorzieningenrechter van deze rechtbank is daarom internationaal en relatief bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. Bovendien vindt de executie van de aandelen plaats in het arrondissement Amsterdam.\n\n5.3.. Het pandrecht op de aandelen in AWG en de executie daarvan worden beheerst door Nederlands recht. Het betreft aandelen in een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap die in Nederland is gevestigd. Daarnaast geldt dat Nederlands recht ook als toepasselijk recht is aangewezen in artikel 10.1 van de pandakte.\n\njuridisch kader5.4.. Uitgangspunt is dat een recht van pand wordt uitgeoefend door middel van een openbare verkoop. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 3:251 lid 1 BW echter op verzoek van de pandhouder of de pandgever bepalen dat het pand op een andere wijze zal worden verkocht. De voorzieningenrechter dient daarbij onder meer te onderzoeken of bij die andere dan openbare verkoop een hogere opbrengst valt te verwachten dan bij een openbare verkoop, een en ander in het belang van de schuldenaar, en mede rekening houdend met de belangen van andere schuldeisers.\n\n5.5.. Verder geldt als uitgangspunt dat de pandhouder bepaalt of, en zo ja wanneer, hij gaat executeren nadat hij de bevoegdheid heeft gekregen zijn recht van parate executie uit te oefenen. Daarbij wordt opgemerkt dat een procedure als de onderhavige er niet voor is bedoeld om de hoogte van een vordering van de pandhouder en de rang van een pandrecht vast te stellen. Deze procedure is dus beperkt tot de wijze van executie.\n\ninhoudelijke beoordeling\n\n5.6.. Het pandrecht van Glencore op de AWG-aandelen en haar recht om een verzoek als het onderhavige in te dienen is tussen partijen niet in geschil. GCM betwist verder niet de omvang van de vordering van Glencore op GCM en ook niet dat zij in verzuim is met de nakoming van haar (betalings)verplichtingen. Uitgangspunt is dus dat de executiebevoegdheid van Glencore ten aanzien van de AWG-aandelen bestaat en dat deze via een verzoek als hier aan de orde kan worden uitgeoefend.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het verzoek van Glencore niet kan worden toegewezen en licht dit oordeel hierna toe.\n\n5.8.. Door GCM en Siltech en PHL is niet aangevoerd en evenmin is gebleken dat er een concrete koper is die de aandelen in AWG wenst over te nemen voor een bedrag dat hoger is dan USD [**]. Die omstandigheid vormt op zichzelf een argument voor toewijzing van het verzoek van Glencore. Daartegenover staan echter de volgende zwaarder wegende omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.\n\n5.8.1.. De beoogd koper van de verpande aandelen in AWG, Tironimus, is een dochtervennootschap van Glencore. AWG was eerder onderdeel van Glencore en is in 2022 verkocht aan GCM omdat, naar de voorzieningenrechter begrijpt, destijds de combinatie van handel in en opslag van metalen gevoelig lag. Desgevraagd heeft Glencore ter zitting bevestigd dat deze gevoeligheid niet langer bestaat. Deze voorgeschiedenis en het feit dat de koper dochteronderneming van de schuldeiser is wiens pandrecht wordt geëxecuteerd maakt de kans op belangenverstrengeling reëel. Zo ligt het voor de hand dat er voor Glencore bij de voorgestelde onderhandse verkoop meer belangen spelen dan enkel opbrengstmaximalisatie.\n\n5.8.2.. Met GCM en Siltech en PHL is de voorzieningenrechter van oordeel dat het eerdere verkoopproces dat Glencore vanaf oktober 2024 door MJM heeft laten uitvoeren niet voldoende is voor de conclusie dat er geen belangstelling in de markt is voor de aandelen in AWG om een hogere waarde dan USD [**] te betalen. Dat zou mogelijk anders kunnen zijn indien Glencore volledig openheid van zaken zou hebben geboden over dat eerdere verkoopproces, maar dat heeft zij niet gedaan. De hoogte van de door Glencore genoemde vrijblijvende biedingen laten zien dat er wel degelijk serieuze belangstelling was. Tot slot speelt de omstandigheid dat de kring van gegadigden kennelijk door MJM beperkt is gehouden en dat er kennelijk ook een geïnteresseerde partij als Capevest niet bij het verkoopproces is betrokken. Dit alles maakt dat het eerdere verkoopproces niet richtinggevend is voor de vraag of er bij openbare verkoop een hogere opbrengst te verwachten valt.\n\n5.8.3.. Gelet op hetgeen GCM en Siltech en PHL (zie 4.1.3 en 4.2.3) hebben aangevoerd (waaronder taxatie van de waarde van de aandelen in 2024 voor USD [**] en de mate waarin de voorgestelde prijs van USD [**] zich verhoudt tot vergelijkbare transacties) is het heel wel mogelijk dat het waarderingsrapport van Vantage uitgaat van een te lage marktwaarde van de aandelen in AWG.\n\n5.8.4.. Niet aannemelijk is tot slot dat Glencore nadeel ondervindt indien de aandelen worden aangeboden op een openbare veiling, waarbij de aandelen eventueel tegen een minimumprijs van USD [**] kunnen worden aangeboden en waarbij ook Tironimus kan meebieden. De door Glencore tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting waarom een openbare veiling nadelig zou zijn overtuigt niet. Een openbare veiling van aandelen kan, zoals Glencore terecht stelt, tijdrovend en kostbaar zijn, maar dat de executie op een korte termijn moet plaats te vinden is door Glencore niet aannemelijk gemaakt en daarnaast geldt dat de kosten van een openbare veiling in dit geval vermoedelijk beperkt zijn in verhouding tot de waarde van de aandelen. Ten slotte heeft Glencore nog gesteld dat aandelen zich in het algemeen niet gemakkelijk laten veilen en in het algemeen tot een lagere opbrengst zullen leiden dan bij een onderhandse verkoop, maar dat is als algemene stelling onvoldoende. Mogelijk dat juist met een openbare veiling geïnteresseerde bieders zichtbaar worden die daarvoor niet bekend waren. Mocht uiteindelijk geen hogere waarde dan van USD [**] gerealiseerd worden dan heeft een openbare veiling voor transparantie gezorgd en binnen dat kader ook voor opbrengstmaximalisatie.\n\nslotsom\n\n5.9.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek zal worden afgewezen. Aan de door GCM en Siltech en PHL gedane tegenverzoeken wordt niet toegekomen.\n\nproceskosten\n\n5.10.. Glencore is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van GCM, Siltech en PHL betalen. AWG dient de eigen kosten te dragen nu zij het standpunt van de in het ongelijk gestelde partij heeft ondersteund. De proceskosten van GCM enerzijds en Siltech en PHL anderzijds worden ieder afzonderlijk begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306\n\n- nakosten\n\n€\n\n189\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.230\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n6.1.. weigert het verzoek,\n\n6.2.. veroordeelt Glencore in de proceskosten van GCM, tot op heden begroot op € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt Glencore in de proceskosten van Siltech en PHL, tot op heden begroot op € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,\n\n6.4.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\ntype: JT","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6793","2026-07-13T00:28:28.619Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":52,"updatedAt":102},"1091","ECLI:NL:RBAMS:2026:6728","ecli-nl-rbams-2026-6728","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783043 \u002F HA ZA 26-105\n\nVonnis in incident van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\n2. [eiser 2],\n\nbeiden wonende te [woonplaats 1] ,\n\neisers in de hoofdzaak,\n\nverweerders in het incident,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] en samen [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. R. van Kersbergen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde in de hoofdzaak,\n\neiser in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J.J.F. van de Voort.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 29 januari 2026, met producties,\n\nde incidentele conclusie houdende exceptio plurium litis consortium,\n\nde conclusie van antwoord in het incident.\n\n1.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis in het incident wordt uitgesproken.\n\n2. De vordering in de hoofdzaak\n\n2.1.. In de hoofdzaak vordert [eisers] kort gezegd terugbetaling van een viertal geldleningen van [gedaagde] , vermeerderd met rente en (beslag)kosten. Daaraan legt zij ten grondslag dat er vanaf 2020 drie leningen tussen [eiser 1] en [gedaagde] tot stand zijn gekomen (lening A t\u002Fm C) en één gezamenlijke lening (lening D) tussen enerzijds [eisers] en anderzijds [gedaagde] en zijn echtgenote, mevrouw [naam] (hierna: [naam] ). Volgens [eisers] zijn alle vier de leningen niet tijdig en niet volledig afgelost. [eisers] heeft in januari 2026, met verlof van de voorzieningenrechter te Amsterdam, conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen en (de onverdeelde helften van) de woning van [gedaagde] en [naam] , waarna zij [gedaagde] heeft gedagvaard.\n\n3. Het geschil in het incident\n\n3.1.. \n [gedaagde] vordert in het incident - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\n [eisers] in de gelegenheid stelt om [naam] alsnog als partij in het geding in de hoofdzaak te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv tegen een door de rechtbank te bepalen roldatum,\n\neen roldatum bepaalt op welke [gedaagde] de conclusie van antwoord dient te nemen,\n\n [eisers] veroordeelt in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [eisers] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering van [gedaagde] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder verzoekt zij de rechtbank te bepalen dat [gedaagde] zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak binnen twee weken na de datum van dit vonnis dient te nemen, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. \n [gedaagde] stelt dat [naam] alsnog bij de hoofdzaak moet worden betrokken, omdat ten aanzien van de gestelde lening D sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het is namelijk noodzakelijk dat de beslissing ten aanzien van lening D voor alle betrokkenen in dezelfde zin luidt, net zoals de op grond daarvan ingestelde vordering zoals vergoeding van de beslagkosten. Daarnaast heeft [eisers] in de dagvaarding ook stellingen ingenomen over de juridische positie van [naam] en de door haar verrichte betalingen. Verder heeft [eisers] beslag gelegd ten laste van [naam] , terwijl de eis in de hoofdzaak daarna niet tegen haar is ingesteld. Door haar niet te dagvaarden, ontneemt [eisers] [naam] de mogelijkheid om bijvoorbeeld een reconventionele vordering in te stellen tegen het gelegde beslag, aldus steeds [gedaagde] .\n\n4.2.. \n [eisers] betwist dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Zij stelt dat daarvan slechts sprake is als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle betrokkenen gelijkluidend is. In deze zaak hebben [gedaagde] en [naam] zich hoofdelijk verbonden voor het terugbetalen van lening D. Deze hoofdelijkheid maakt dat [eisers] een zelfstandig vorderingsrecht heeft jegens [gedaagde] voor het geheel, ongeacht de (eventuele) interne draagplicht tussen [gedaagde] en [naam] . Voor zover er geen sprake zou zijn van hoofdelijkheid maar van pluraliteit van schuldenaren, geldt evenmin dat er sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. In dat geval kan de vordering jegens [gedaagde] (gedeeltelijk) toe- of afgewezen worden, zonder dat daarvoor een gelijkluidende beslissing ten aanzien van [naam] vereist is.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat op de vorderingen van [eisers] beslist kan worden zonder dat [naam] bij de procedure betrokken wordt. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake is van een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle bij die rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend is.In dat geval moeten ook alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure worden opgeroepen.\n\n4.4.. In dit geval is er echter geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat [naam] (hoofdelijk) medeschuldenaar is van lening D maakt niet dat de rechtsverhouding processueel ondeelbaar is. Bij een vordering tegen meer dan één (hoofdelijk verbonden) schuldenaar hoeft namelijk niet tegen alle schuldenaren in gelijke zin te worden beslist.Ook de andere omstandigheden die [gedaagde] aanvoert maken niet dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Voor zover die omstandigheden van invloed zijn op de toewijsbaarheid van (delen van) de vordering, maakt dat niet dat het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle betrokkenen gelijkluidend is. Dat betekent dat het beroep van [gedaagde] op deexceptio plurium litis consortiumniet slaagt en [eisers] niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om [naam] op te roepen op de voet van artikel 118 Rv.\n\nkosten van het incident\n\n4.5.. \n [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. De kosten [eisers] worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n653,00\n\n(1 punt × tarief II)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n842,00\n\n4.6.. De gevorderde wettelijke rente over de kosten van het incident wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nvervolg van de hoofdzaak\n\n4.7.. De rechtbank ziet aanleiding om de termijn waarbinnen [gedaagde] zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak dient te nemen, vast te stellen op vier weken na de datum van dit vonnis.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst het gevorderde af,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de kosten van het incident als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.4.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juli 2026voor conclusie van antwoord.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5166 onder verwijzing naar HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911 en HR 18 december 2005, ECLI:NL:HR:2015:3637.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6728","2026-07-13T00:29:03.551Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":99,"fullText":107,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":52,"updatedAt":110},"520","ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","ecli-nl-rbams-2026-6625","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F788058 \u002F KG ZA 26-413 NB\u002FMV\n\nVonnis in kort geding van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. MANYA HOLDING B.V.,\n\nte Amsterdam, 2. MANYA II B.V.,\n\nte Amsterdam, 3. MANYA MIP B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partijen bij dagvaarding van 21 mei 2026,\n\nhierna samen en in enkelvoud ook te noemen: Manya,\n\nadvocaten: mr. J.L. Snijders en mr. J.X.J. Cremers,\n\ntegen\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nSITUS DEUTSCHLAND GMBH,\n\nte Frankfurt am Main (Duitsland), 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nINFINITY HOLDCO PD I S.Á.R.L.,\n\nte Munsbach (Luxemburg),\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: Situs en Infinity,\n\nadvocaten: mr. Th.P.J. Hanssen en mr. E.C. Kruisifikx.\n\n1. De procedure\n\nTijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 17 juni 2026 heeft Manya de dagvaarding toegelicht. Situs en Infinity hebben mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:\n\naan de zijde van Manya: [naam 1] en [naam 2] met mr. Snijders en mr. Cremers;\n\naan de zijde van Situs en Infinity: [naam 3] , bijgestaan door E.A. Roest, tolk Nederlands\u002FDuits, met mr. Hanssen en mr. Kruisifikx. Na verder debat is vonnis bepaald op 1 juli 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Manya Holding B.V., Manya II B.V. en Manya MIP B.V. houden gezamenlijk alle aandelen in Upforce Holding B.V. (hierna Upforce). Upforce houdt op haar beurt de aandelen in een aantal dochtervennootschappen, die actief zijn in de uitzendbranche.\n\n2.2.. VEP Fund 4 Coöperatief U.A. (hierna VEP) houdt (indirect) de meerderheid van de aandelen in Manya. VEP is een private equityinvesteerder.\n\n2.3.. Op 21 juni 2023 heeft Infinity een financiering van € 23.500.000 verstrekt aan de Upforce-groep op grond van een zogenoemde senior facilities agreeement(SFA). Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA heeft de Upforce-groep pandrechten gevestigd op roerende zaken, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten. Tevens heeft Manya ten behoeve van Infinity derdenzekerheid verstrekt in de vorm van een pandrecht op de aandelen die zij houdt in Upforce (hierna het Pandrecht).\n\n2.4.. Situs treedt op als agentensecurity agentvoor Infinity en houdt de op grond van de SFA gevestigde zekerheidsrechten, waaronder het Pandrecht.\n\n2.5.. Op 22 juni 2023 is het Pandrecht opgenomen in een pandakte. In artikel 8 van die akte staat onder meer dat Manya afstand doet van de beschermende wettelijke regelingen die voor derdenpandgevers gelden, waaronder artikel 3:234 BW. In artikel 15 staat onder meer dat Manya afstand doet van haar rechten op regres en subrogatie jegens Upforce.\n\n2.6.. Sinds het eerste half jaar van 2024 schiet Upforce tekort in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. Naar aanleiding hiervan zijn gesprekken gevoerd tussen Infinity enerzijds en de (indirect) aandeelhouders van Upforce (Manya en VEP) anderzijds. Er is onder meer gesproken over het verstrekken van aanvullende financiering aan Upforce door haar aandeelhouders. Die gesprekken hebben niet tot een definitieve oplossing geleid.\n\n2.7.. Bij brief van 9 december 2025 hebben Infinity en Situs aan Manya bericht dat vanwege het voortdurende verzuim van Upforce onder de SFA de stemrechten verbonden aan de verpande aandelen in Upforce zijn overgegaan op Situs.\n\n2.8.. Nadien zijn de gesprekken over een oplossing van de betalingsachterstand voortgezet. In dit kader heeft VEP bij brief van 19 december 2025 onder meer bericht dat Upforce meer dan € 4.000.000 in kas heeft en dat dit bedrag kan worden aangewend om de schuld aan Infinity af te lossen. Daarnaast heeft VEP een voorstel gedaan dat onder meer inhield dat zij bereid was een garantie af te geven.\n\n2.9.. Op 21 januari 2026 hebben Upforce, Infinity en Situs een amendment and standstill agreementgesloten. Hieruit blijkt onder meer dat de betalingsachterstand van Upforce per die datum ongeveer € 3.400.000 bedroeg. In deze overeenkomst verplicht Infinity zich – kort gezegd – om de financiering tot 1 januari 2027 niet versneld bij Upforce op te eisen op basis van de bestaande achterstanden. In artikel 2.2 van die overeenkomst staat – kort gezegd – dat Infinity te allen tijde wèl bevoegd blijft, dus ook vóór 1 januari 2027, om het Pandrecht uit te winnen.\n\n2.10.. Bij brief van 28 januari 2026 heeft Infinity Manya en VEP gesommeerd om te bevestigen dat zij meewerken aan overdracht van alle aandelen in Upforce aan Infinity voor € 1,-, met finale kwijting over en weer. Bij het uitblijven van die bevestiging zal het Pandrecht worden uitgewonnen, aldus de brief van 28 januari 2026.\n\n2.11.. Bij brief van 4 februari 2026 heeft Manya bericht niet akkoord te gaan met overdracht van de aandelen tegen € 1,-. Verder staat in die brief dat het Pandrecht niet als acquisitiemiddel mag worden gebruikt en dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert.\n\n2.12.. Bij brief van 17 februari 2026 heeft VEP namens Manya nogmaals een voorstel gedaan tot onder meer aanvullende financiering van Upforce. Dit voorstel is gedaan onder de voorwaarde dat de achtergestelde leningen bij Upforce (vendor loans en earn-out) worden kwijtgescholden.\n\n2.13.. Bij brief van 30 april 2026 heeft Infinity het hiervoor genoemde voorstel van VEP afgewezen. In diezelfde brief kondigt Infinity aan een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 BW in te dienen, tenzij VEP alsnog bevestigt de aandelen voor € 1,- over te dragen.\n\n2.14.. Bij brief van 6 mei 2026 heeft Manya bericht hiermee niet akkoord te gaan.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nManya vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. Infinity en Situs te verbieden over te gaan tot enige executiemaatregel met\n\nbetrekking tot het Pandrecht, waaronder doch niet beperkt tot (i) het indienen van een verzoekschrift ex artikel 3:251 BW en (ii) het houden van een openbare executieveiling, op straffe van een dwangsom van € 500.000 per overtreding;\n\nalthans Infinity en Situs te verbieden voornoemde executiemaatregelen te nemen tot 1 januari 2027, althans voor een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, op straffe van dezelfde dwangsom;\n\nII. Infinity en Situs te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Manya legt aan haar vordering ten grondslag dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert (artikel 3:13 BW), in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 jo artikel 6:248 BW) en in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig is (artikel 6:162 BW).\n\n3.3.. Situs en Infiinity hebben verweer gevoerd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In de SFA en pandakte is overeengekomen dat de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is om van geschillen tussen partijen kennis te nemen.\n\n4.2.. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Upforce jegens Infinity tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. De achterstand (en volgens Infinity de gehele financiering) is daardoor opeisbaar. Infinity en Situs zijn (dus) bevoegd tot uitwinning van het Pandrecht. Manya heeft in dit kort geding op vijf gronden aangevoerd dat uitwinning van het Pandrecht in haar visie misbruik van recht oplevert, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel onrechtmatig is. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat hiervan geen sprake is en licht dit als volgt toe.\n\n(1) de kaspositie van Upforce\n\n4.3.. De kaspositie van Upforce zou (ruim) voldoende zijn om de opeisbare schuld van Infinity te voldoen, aldus Manya. Upforce zou per 19 mei 2026 over een vrij beschikbare kaspositie beschikken van ongeveer € 5.100.000 (dus na aftrek van de gelden die op de G-rekening staan), terwijl de opeisbare achterstand ongeveer € 3.400.00 bedraagt. Daar komt bij dat VEP op 17 februari 2026 (zie 2.12) een voorstel heeft gedaan om € 1.250.000 aan kapitaal in te brengen in Upforce en een liquiditeitsfaciliteit van € 2.150.000 aan Upforce ter beschikking te stellen, waardoor de kaspositie van Upforce aanmerkelijk wordt versterkt. Omdat het stemrecht op de aandelen is overgegaan naar Infinity kan zij eenvoudigweg bewerkstelligen dat de achterstand uit de kaspositie wordt voldaan, dit alles aldus Manya.\n\n4.4.. Gezien het door Infinity en Situs gevoerde verweer op dit punt kan de voorzieningenrechter er voorshands niet van uitgaan dat de kaspositie van Upforce voldoende is, laat staan ruim voldoende, om de achterstand te voldoen. Overigens doet dit standpunt van Manya de vraag rijzen waarom die achterstand dan niet al (geheel of gedeeltelijk) is voldaan. Allereerst is de achterstand, aldus Infinity, per 16 juni 2026 opgelopen tot afgerond € 4.033.000. Infinity heeft verder aangevoerd en onderbouwd dat de vrij beschikbare gelden die onderdeel uitmaken van de kaspositie lager zijn en de gebonden gelden (op de G-rekening) hoger dan door VEP\u002FManya gesteld. Infinity heeft ook gewezen op een e-mail van 8 juni 2026 van de cfo van Upforce (geciteerd in de pleitnota van de advocaat van Infinity) waaruit volgt dat de vrij beschikbare gelden van de kaspositie niet in zijn geheel kunnen worden aangewend voor het voldoen van de achterstand aan Infinity omdat een bedrag van € 1.050.000 (exclusief de gelden op de G-rekening) beschikbaar moet blijven voor Upforce om haar activiteiten te kunnen ontplooien. Tot slot is van belang dat Upforce per 30 juni 2026 nog eens € 1.238.438 aan Infinity moet voldoen (rente over het tweede kwartaal 2026 en aflossingen), per 30 september 2026 € 340.130 (rente over het derde kwartaal 2026) en per 31 december 2026 € 1.210.592 (rente over het vierde kwartaal 2026 en aflossingen). Niet aannemelijk is dat Upforce uit haar kaspositie aan deze verplichtingen kan voldoen. Ook VEP gaat hier al langere tijd vanuit. In dit verband heeft Infinity verwezen naar een door haar in het geding gebrachte prognose van [naam 4] (Financial and Risk Advisory Solutions) waaruit kan worden afgeleid dat Upforce niet in staat is aan haar verplichtingen onder de SFA te voldoen, zonder in ernstige liquiditeitsproblemen te geraken en zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Dat de cijfers waarop [naam 4] zich baseert achterhaald zouden zijn, zoals Manya beweert, doet niet af aan de strekking van haar prognose (die ook ziet op het verdere verloop van het jaar 2026). Dat Infinity over het stemrecht op de aandelen in Upforce beschikt en daarom kan bewerkstelligen dat de achterstand wordt voldaan, is voorshands onjuist. Gezien hetgeen Infinity hierover heeft aangevoerd kan niet worden uitgesloten dat dit leidt tot voor (de onderneming van) Upforce onaanvaardbare gevolgen. Dit druist in tegen het belang van alle betrokkenstakeholders.(2) behoorlijk aanbod van Manya tot zuivering van het verzuim\n\n4.5.. Manya stelt dat VEP, namens haar, vaker een volledig uitgewerkt voorstel tot zuivering van het verzuim heeft gedaan, voor het laatst op 17 februari 2026, en dat Infinity die voorstellen ten onrechte heeft afgewezen. Van belang hierbij is, aldus Manya, dat het verzuim niet aan haar is toe te rekenen, maar uitsluitend is ontstaan door het handelen van Upforce als hoofdschuldenaar. Bovendien moeten de voorstellen van VEP worden gezien tegen de achtergrond dat de uitwinning van het Pandrecht disproportioneel is jegens Manya omdat zij na die uitwinning geen recht heeft op regres en subrogatie jegens Upforce, aldus Manya.\n\n4.6.. De voorstellen die VEP in 2025 en voor het laatst op 17 februari 2026 heeft gedaan, waren – zoals Infinity en Situs terecht hebben aangevoerd – niet onvoorwaardelijk zodat geen sprake is van een aanbod in de zin van artikel 6:86 BW. Zo stelde VEP steeds de voorwaarden dat Infinity een deel van haar vordering moest afboeken, dat alle achtergestelde leningen (de vendor loans) zonder tegenprestatie geëlimineerd moesten worden, dat de SFA moest worden aangepast en heeft zij geen volledige vergoeding van schade en kosten aangeboden. Dat de financiële problemen enkel te wijten zouden zijn aan (het bestuur van) Upforce, maakt niet dat de door VEP (Manya) gedane voorstellen die zij als derdenpandgever heeft gedaan te gelden hebben als een volwaardig aanbod in de zin van artikel 6:86 BW.\n\n(3) Infinity kan haar vordering niet voldoen uit de opbrengst van de aandelen\n\n4.7.. Infinity meent dat de aandelen waarop het Pandrecht rust een negatieve waarde vertegenwoordigen, althans € 1,- waard zijn. Uitwinning van het Pandrecht heeft dus niet tot gevolg dat de vordering van Infinity kan worden voldaan, aldus Manya.\n\n4.8.. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan de opbrengst in geld. Het enkele feit dat de achterstand niet (geheel) zal kunnen worden voldaan uit de opbrengst van de aandelen brengt niet zonder meer mee dat sprake is van misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen.\n\n(4) Infinity wil de eigendom van de aandelen en toekomstige kasstromen naar zich toe trekken\n\n4.9.. Manya voert hierover aan dat uit de brief van Infinity van 30 april 2026 (zie 2.13) kan worden afgeleid dat het doel van Infinity met uitwinning van het Pandrecht niet is verhaal voor haar vordering, maar het verkrijgen van de eigendom van de onderneming.\n\n4.10.. Ook hier geldt, net als in 4.8 overwogen, dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan verhaal voor zijn vordering. Een pandhouder mag beogen, als aandeelhouder, vat te krijgen op de onderneming met als doel in de toekomst (een deel van) zijn financiering terug te krijgen via de opbrengst van de aandelen. Dit op zich levert geen misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen op.\n\n(5) de amendment and standstill agreement4.11. Hierover voert Manya aan dat Infinity in deamendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 heeft toegezegd de financiering niet bij de schuldenaren (de verschillende vennootschappen binnen de Upforce-groep) op te eisen, maar nu wel aanklopt bij Manya als derdenpandgever. Dit maakt destandstillvoor Manya illusoir en dit is precies de situatie die artikel 3:234 lid 1 BW probeert te voorkomen. De contractuele uitsluiting van dit artikel in de pandakte laat de werking van het misbruikverbod onverlet; het misbruikverbod heeft een universeel karakter en kan niet worden weg gecontracteerd, aldus Manya.\n\n4.12.. Allereerst heeft Infinity terecht de vraag opgeworpen of de amendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 nog wel van kracht is, aangezien die overeenkomst uitging van de toen bestaandeevents of defaulten zich na het sluiten van deze overeenkomst meerdere nieuweevents of defaulthebben voorgedaan. Zo is op 31 maart 2026 niet, zoals overeengekomen, de rente over het eerste kwartaal 2026 voldaan. Verder heeft Infinity er terecht op gewezen dat artikel 3:234 BW is uitgesloten in de pandakte. VEP heeft er dus bewust voor gekozen dat Infinity niet gehouden is eerst het pandrecht op de goederen van Upforce uit te winnen, alvorens zij het Pandrecht op de aandelen van Manya in Upforce kan uitwinnen. Van belang is dat dit een gebruikelijke afspraak is in zakelijke (acquisitie) financieringen waarmee VEP bekend is. De stelling dat artikel 3:234 BW niet kan worden weg gecontracteerd is onjuist.\n\ntot slot\n\n4.13.. Tot slot geldt dat Infinity heeft te gelden als professionele financier. Er mag van haar in die rol extra zorgvuldigheid worden verwacht alvorens zij overgaat tot uitwinning van een pandrecht op aandelen. In dit kort geding is niet gebleken van aanwijzingen dat zij in strijd met die zorgvuldigheid zou hebben gehandeld. Infinity heeft VEP ruim de tijd en de gelegenheid geboden om met oplossingen te komen. Dat niet is gekomen tot een voor beide partijen acceptabele oplossing, wil niet zeggen dat Infinity onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nconclusie en proceskosten\n\n4.14.. De conclusie is dat de vorderingen van Manya worden afgewezen. Manya is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Situs en Infinity worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. weigert de gevraagde voorzieningen,\n\n5.2.. veroordeelt Manya in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Manya niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nColl: BB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.520Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":44,"courtId":67,"decisionDate":99,"fullText":115,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":52,"updatedAt":117},"1513","ECLI:NL:RBNHO:2026:8056","ecli-nl-rbnho-2026-8056","beslissingRECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nWrakingskamer\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F379601 KG RK 26-478\n\nBeslissing van 1 juli 2026\n\nOp het verzoek tot wraking ingediend door:\n\n [verzoekster], te [woonplaats]\n\nverzoekster.\n\nHet verzoek is gericht tegen:\n\nmr. J.H. Gisolf\n\nhierna te noemen: mr. Gisolf.\n\n1. Procesverloop\n\n1.1. Verzoekster heeft op 30 juni 2026 om 13:57 uur schriftelijk de wraking verzocht van mr. Gisolf in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Bewind, locatie Alkmaar aanhangige wrakingsprocedure met als zaaknummer C\u002F15\u002F378781 \u002F KG RK 26\u002F423, hierna te noemen: de eerste wrakingsprocedure.\n\n1.2. De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.\n\n2. De uitgangspunten\n\n2.1.. \n\nTussen verzoekster en [verweerder] , wonende te [woonplaats] , is een verzoekschriftprocedure aanhangig waarbij verzoekster de kantonrechter – onder meer - heeft verzocht om [verweerder] te ontslaan uit zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] , geboren op [geboortedatum] 1931, overleden op 29 juni 2015. Deze procedure wordt hierna aangeduid als de verzoekschriftprocedure.\n\nDe verzoekschriftprocedure is onder behandeling van mr. J.S. Reid (hierna: de kantonrechter).\n\n2.2.. Op 2 juni 2026 heeft in de verzoekschriftprocedure een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat op 30 juni 2026 uitspraak zou worden gedaan in de verzoekschriftprocedure.\n\n2.3.. Op 5 juni 2026 heeft verzoekster de wrakingskamer schriftelijk verzocht om de kantonrechter te wraken (de eerste wrakingsprocedure). De wrakingskamer heeft hierop bepaald dat de mondelinge behandeling van dat verzoek zal plaatsvinden op 1 juli 2026 om 14:30 uur. De eerste wrakingsprocedure is onder behandeling van mr. Gisolf als voorzitter en mrs. H. Bakker en C.H. De Jonge van Ellemeet als leden van de wrakingskamer.2.4.. Op 30 juni 2026 om 13:57 uur heeft verzoekster schriftelijk de wraking van mr. Gisolf verzocht (de tweede wrakingsprocedure).\n\n3. Het standpunt van verzoekster3.1.. \n\nVerzoekster heeft onder verwijzing naar verschillende bijgevoegde bijlages ter onderbouwing van het tweede wrakingsverzoek – kort gezegd – het volgende aangevoerd.\n\nMr. Gisolf is niet als kantonrechter werkzaam en is de laatste jaren evenmin als kantonrechter werkzaam geweest. Nog afgezien daarvan heeft hij geen kennis van het erfrecht. Dit alles brengt mee dat mr. Gisolf niet beschikt over de volgens het Wrakingsprotocol vereiste expertise om de eerste wrakingsprocedure te behandelen. Dit geldt ook voor de andere rechters die de eerste wrakingsprocedure behandelen.\n\nDaarnaast heeft verzoekster in 2024 tijdens de mondelinge behandeling van een kort geding al aanvaringen met mr. Gisolf gehad. De onderlinge relatie tussen hen is slecht. Het in 2024 gevoerde kort geding en de verzoekschriftprocedure gaan allebei over hetzelfde onderwerp: de executele van de nalatenschap van [erflater] . Verzoekster heeft bij de mondelinge behandeling in kort geding geen gelegenheid gekregen om haar standpunt naar voren te brengen. Mr. Gisolf vond dat verzoekster haar mond moest houden. Mr. Gisolf legde de in het kort geding neergelegde eis van verzoekster uit als een weigerachtige houding van haar kant. Verzoekster heeft in de kortgedingprocedure van mr. Gisolf ongelijk gekregen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan een partij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Beslissend daarvoor is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is.\n\n4.2.. Verzoekster stelt dat mr. Gisolf niet werkzaam is (geweest) als kantonrechter en verbindt daaraan de conclusie dat hij niet kan worden belast met de behandeling als voorzitter van het eerste - tegen een kantonrechter gericht – wrakingsverzoek. De wrakingskamer stelt vast dat deze grond niet ziet op de eventuele (vrees voor) het ontbreken van de rechterlijke onpartijdigheid van mr. Gisolf. Reeds daarom kan dit niet met succes aan het wrakingsverzoek ten grondslag worden gelegd.\n\n4.3.. Daarbij komt dat, anders dan verzoekster aanvoert, het Wrakingsprotocol rechtbank Noord-Holland niet vereist dat de voorzitter (of een lid) van de wrakingskamer die is belast met de behandeling van een wrakingsverzoek, in dezelfde afdeling werkzaam is (geweest) als de rechter tegen wie een wrakingsverzoek zich richt. Dat mr. Gisolf de laatste jaren niet als kantonrechter werkzaam is of is geweest, brengt dan ook niet mee dat hij niet kan worden belast met de behandeling als voorzitter van het eerste - tegen een kantonrechter gericht - wrakingsverzoek. Datzelfde geldt ook voor het gegeven dat mr. Gisolf geen kennis van of ervaring met zaken op het gebied van erfrecht zou hebben.4.4.. De door verzoekster aangedragen feiten en omstandigheden over de in 2024 ten overstaan van mr. Gisolf gevoerde kortgedingprocedure, kunnen evenmin met succes aan het wrakingsverzoek ten grondslag worden gelegd. Een onwelgevallig oordeel van een rechter in een eerdere juridische procedure is op zichzelf geen grond voor wraking. Een dergelijk oordeel doet namelijk niet af aan het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat zowel de kortgedingprocedure als de verzoekschriftprocedure waarin de wraking van de kantonrechter is verzocht betrekking zouden hebben op de executele van dezelfde nalatenschap, maakt hiervoor geen verschil.\n\n4.5.. Over de door verzoekster gestelde gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling van de in 2024 gevoerde kortgedingprocedure overweegt de wrakingskamer als volgt. De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter die een zaak behandelt, de regie voert en verantwoordelijk is voor de orde in de zittingszaal. De rechter bepaalt het verloop en de voortgang van de procedure en de zitting en de wijze van behandeling. De rechter heeft in deze regierol een aanzienlijke vrijheid. Een voor verzoekster onwelgevallige vraag of opmerking van de rechter in dat verband leidt daarom in beginsel niet tot (een gerechtvaardigde vrees voor) het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de stijl of de toon van de rechter bij het stellen van vragen voor verzoekster (in haar beleving) onaangenaam is geweest.\n\n4.5.. Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat de over de mondelinge behandeling in 2024 aangedragen feiten en omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzing vormen dat mr. Gisolf jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert. Evenmin kan uit deze feiten en omstandigheden worden afgeleid dat de bij verzoekster bestaande vrees voor partijdigheid van mr. Gisolf objectief gerechtvaardigd is.4.6.. De door verzoekster aangedragen gronden kunnen niet leiden tot wraking van mr. Gisolf. De wrakingskamer zal het verzoek afwijzen.\n\n5. Beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. wijst het verzoek af,\n\n5.2. beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, mr. Gisolf, de kantonrechter en de wederpartij in de verzoekschriftenprocedure een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,\n\n5.3. beveelt dat het eerste wrakingsverzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het tweede wrakingsverzoek.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. N. Boots, voorzitter, mr. F.J. Lourens en mr. A.E. Merkus, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8056","2026-07-13T00:29:24.858Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":44,"courtId":122,"decisionDate":109,"fullText":123,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":52,"updatedAt":125},"894","ECLI:NL:RBNNE:2026:2550","ecli-nl-rbnne-2026-2550",65,"RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Groningen\n\nZaaknummer: 12236683 \\ VV EXPL 26-60\n\nVonnis in kort geding van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap\n\n [eiser] B.V.,\n\ngevestigd te [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. E.T. van Dalen,\n\ntegen\n\n [gedaagde]handelend onder de naam [bedrijf],\n\nwonende te [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarbij de heer [naam 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde, en de heer [naam 2] namens [gedaagde] zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling een overzicht van de actuele huurachterstand overgelegd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] huurt van [eiser] met ingang van 1 juli 2015 een pand aan het adres [adres] . Het pand is in eigendom van een derde partij, die het pand verhuurt aan [eiser] . Tussen [eiser] en [gedaagde] is een onderhuurovereenkomst gesloten.\n\n2.2.. De totale huurprijs bedraagt op dit moment € 3.719,62 per maand.2.3.. Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing verklaard. In de algemene voorwaarden is een boeteclausule opgenomen. Daarin is bepaald, voor zover hier van belang:\n\n“25.3 Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300 per maand. (…)”\n\n2.4.. \n [gedaagde] heeft sinds februari 2026 een huurachterstand laten ontstaan. [eiser] heeft daarin aanleiding gezien om dit kort geding te starten.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert, samengevat weergegeven en nadat zij haar eis tijdens de mondelinge behandeling heeft verminderd:\n\nontruiming van het pand aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening,\n\nbetaling van een bedrag van € 12.221,86 (huurachterstand tot en met juni 2026),\n\nbetaling van de huur van € 3.719,62 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het pand nog in gebruik mocht hebben,\n\nbetaling van een bedrag van € 1.200,00 (contractuele boete),\n\n [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Mede gelet op de aard van de door haar ingestelde vorderingen en de aangevoerde omstandigheden, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening.\n\nHuurachterstand\n\n4.2.. Partijen zijn het erover eens dat de huidige huurachterstand, berekend tot en met de maand juni 2026, € 12.221,86 bedraagt. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag.\n\nOntruiming\n\n4.3.. \n [eiser] vordert ontruiming van het pand vanwege de huurachterstand die [gedaagde] heeft laten ontstaan. De kantonrechter stelt bij de beoordeling van deze vordering voorop dat een vordering tot ontruiming van een verhuurd pand in kort geding slechts toewijsbaar is indien met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden, terwijl niet van de verhuurder kan worden gevergd dat hij de beslissing in een bodemprocedure afwacht.\n\n4.4.. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan van ruim drie maanden. Gelet daarop is ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure met voldoende mate van waarschijnlijkheid te verwachten. Dat er sprake is van betalingsonmacht doet daaraan niet af. Dit is namelijk een omstandigheid die, hoe zwaarwegend die voor [gedaagde] ook is, hem niet ontslaat van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Daarbij komt dat [eiser] heeft toegelicht dat zij op haar beurt het pand ook huurt en iedere maand zelf ook de huur aan de eigenaar van het pand is verschuldigd. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [eiser] afhankelijk is van de huurinkomsten van [gedaagde] om aan haar eigen betalingsverplichting te voldoen. Verder weegt mee dat namens [gedaagde] ter zitting is toegelicht dat er momenteel te weinig omzet wordt gegenereerd om de lopende kosten van de onderneming te voldoen en dat er meerdere dingen moeten gebeuren om de omzet weer te verhogen, zoals het lanceren van nieuwe marketing en het opknappen van het interieur. Daarmee zullen de nodige tijd en ook kosten gemoeid zijn. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat van [eiser] niet kan worden gevergd dat zij een beslissing in een bodemprocedure afwacht. De kantonrechter wijst de gevorderde ontruiming daarom toe.\n\n4.5.. Ten aanzien van de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden, overweegt de kantonrechter het volgende. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling besproken dat [gedaagde] aan [eiser] binnen één week na de mondelinge behandeling een betalingsvoorstel doet om de huurachterstand alsnog (in termijnen) te betalen, in een ultieme poging om te bezien of partijen hierover nadere afspraken kunnen maken om zo een ontruiming te voorkomen. Voor het geval die poging geen effect zal hebben en dit vonnis ten uitvoer wordt gelegd, heeft [eiser] aangegeven in te kunnen stemmen met een ontruimingstermijn van een maand. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn daarom bepalen op 30 dagen na betekening van het vonnis.\n\nContractuele boete\n\n4.6.. \n [eiser] vordert betaling van de contractuele boete die is opgenomen in artikel 25.3 van de algemene voorwaarden, vanwege het niet tijdig betalen van de huur.\n\n4.7.. De kantonrechter overweegt dat het voor toewijzing van een geldvordering in kort geding nodig is dat deze vordering in voldoende mate vaststaat. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval, omdat vaststaat dat partijen de boeteclausule zijn overeengekomen en [gedaagde] de huur gedurende (in ieder geval) vier maanden niet op tijd heeft betaald. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van de gevorderde contractuele boete van € 1.200,00.\n\nHuurtermijnen tot de ontruiming\n\n4.8.. \n\n [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de huurprijs van € 3.719,62 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het pand nog in gebruik mocht hebben. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. De kantonrechter wijst de vordering daarom toe.\n\nProceskosten\n\n4.9.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n130,16\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1504,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.355,16\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.221,86 aan achterstallige huur tot en met juni 2026,\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van\n\n€ 1.200,00 aan contractuele boete,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.719,62 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het pand aan de [adres] nog in gebruik mocht hebben,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.355,16, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n66449\u002FRG","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2550","2026-07-13T00:28:53.337Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":44,"courtId":77,"decisionDate":109,"fullText":130,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":52,"updatedAt":133},"1000","ECLI:NL:GHDHA:2026:1981","ecli-nl-ghdha-2026-1981","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.354.523\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F526115 \u002F HA ZA 17-440\n\nArrest van 30 juni 2026 in het incident\n\nin de zaak van\n\nStichting Petrobras Compensation Foundation,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\nappellante in principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nverweerster in het incident,\n\nadvocaat: mr. W.P. Wijers, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. Petrobras International Braspetro B.V.,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\n2. Petrobras Global Finance B.V.,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\ngeïntimeerden in principaal hoger beroep,\n\nappellanten in incidenteel hoger beroep,\n\neiseressen in het incident,\n\nadvocaat: mr. P. Sluijter, kantoorhoudend in Rotterdam.\n\nHet hof noemt eiseressen sub 1 en 2 in het incident hierna respectievelijk PIB en PGF en verweerster in het incident de Stichting.1. De zaak in het kort1.1. PIB en PGF vorderen in dit incident dat de Stichting niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar tegen hen gerichte hoger beroep. Het hof wijst deze vordering toe, nu de Stichting haar hoger beroep tegen PIB en PGF heeft ingetrokken.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep – voor zover van belang voor de beoordeling van dit incident – blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaardingsexploten van 29 januari 2025, waarmee de Stichting in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2024;\n\nde memorie van grieven van de Stichting, met bijlagen;\n\nde incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring tevens voorwaardelijke memorie van antwoord van PIB en PGF, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord in de incidenten tot niet-ontvankelijkverklaring en voeging van de Stichting, met bijlagen.3. De vordering in het incident3.1. In het incident vorderen PIB en PGF dat de Stichting niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep tegen PIB en PGF, met veroordeling van de Stichting in de kosten. Daaraan leggen PIB en PGF ten grondslag dat de Stichting geen grieven richt tegen oordelen uit de procedure in eerste aanleg die betrekking hebben op de vorderingen van de Stichting jegens PIB en PGF.4. Beoordeling van de vordering in het incident4.1. De Stichting heeft op 28 juli 2025, een week nadat zij haar memorie van grieven in het principaal hoger beroep heeft genomen, het hof in reactie op een brief van PIB en PGF laten weten dat zij (i) afziet van het vervolgen van het principaal hoger beroep jegens PIB en PGF en (ii) de intrekking van het principaal hoger beroep tegen PIB en PGF bij de eerstvolgende proceshandeling zou formaliseren. De Stichting heeft vervolgens op 9 december 2025 via een H16-formulier aan het hof gemeld dat zij haar hoger beroep tegen PIB en PGF intrekt.4.2. Hieruit volgt dat de Stichting in hoger beroep haar rechtsvordering tegen PIB en PGF prijsgeeft. De Stichting zal daarom in haar hoger beroep tegen PIB en PGF niet-ontvankelijk worden verklaard.4.3. De Stichting verzet zich tegen de door PIB en PGF gevorderde kostenveroordeling. Volgens de Stichting zijn de proceskosten onnodig gemaakt, omdat zij reeds op 28 juli 2025 heeft gemeld dat zij haar principaal hoger beroep tegen PIB en PGF niet wilde vervolgen en de intrekking zou formaliseren bij de volgende proceshandeling.4.4. Consequentie van het door de Stichting prijsgeven van haar rechtsvordering tegen PIB en PGF is dat de Stichting de door PIB en PGF gemaakte kosten moet vergoeden. Mede gelet op de omstandigheid dat PIB en PGF in de hoofdzaak niet afzonderlijk processtukken hebben ingediend en dus niet voldoende is aangevoerd om te veronderstellen dat zij zelf proceskosten hebben gemaakt, zal het hof de proceskosten in de hoofdzaak aan de zijde van PIB en PGF begroten op nihil.4.5. Het hof zal de Stichting, als de in dit incident in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van de procedure in het incident.5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin het incident\n\nverklaart de Stichting niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen PIB en PGF;\n\nveroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure in het incident, aan de zijde van PIB en PGF tot op heden begroot op € 607,- (0,5 punt x tarief II), vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als de Stichting niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Stichting de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de Stichting deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;\n\nverklaart de veroordeling tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders gevorderde af;in de hoofdzaak\n\n- verwijst de zaak naar de rol van 11 augustus 2026 voor memorie van antwoord in incidenteel appel;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, A.J.P. Schild en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1981","2026-06-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.277Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":44,"courtId":138,"decisionDate":109,"fullText":139,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":140,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":52,"updatedAt":141},"297","ECLI:NL:GHARL:2026:4281","ecli-nl-gharl-2026-4281",60,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.368.921\n\nrekestnummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, [zaaknummer]\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [appellant] ( [appellant] )\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. J.A.M. Kuijlaars\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\nDe rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij vonnis van 7 mei 2026 het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp) afgewezen.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Bij op 13 mei 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. [appellant] verzoekt het hof het vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toelating tot de wsnp toe te wijzen.\n\n2.2.. Het hof heeft kennisgenomen van:\n\nhet tijdig ingediend beroepschrift met producties;\n\nde brief van 19 juni 2026 van mr. Kuijlaars met producties.\n\n2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Kuijlaars.\n\n3. De feiten, het oordeel van de rechtbank en het standpunt van [appellant]\n\nDe feiten\n\n3.1.. Als gevolg van psychische en lichamelijke klachten ontvangt [appellant] een (oude) Wajong-uitkering van het UWV. Zij heeft schulden laten ontstaan die in mei 2023 zijn opgelost door een (eerder, minnelijk) schuldsaneringstraject. In dat kader stond zij tot 1 september 2023 onder beschermingsbewind. In deze periode is [appellant] , met toestemming van het UWV en met behoud van haar Wajong-uitkering, gestart met de (online) opleiding tot fitnesstrainer A en voedingsdeskundige. Het UWV heeft met [appellant] afgesproken dat zij deze opleiding op haar eigen tempo kan volgen zonder dat zij hiernaast betaald werk hoeft te verrichten.\n\n3.2.. Niet alle schulden waren in het schuldsaneringstraject van mei 2023 in de schuldenlijst opgenomen, waardoor een aanzienlijke schuld (op dit moment de grootste) is blijven bestaan en [appellant] het overzicht over haar financiën kwijtraakte en nieuwe schulden zijn ontstaan. [appellant] heeft zich daarvoor bij de gemeentelijke schuldhulpverlening gemeld. [appellant] heeft geprobeerd om met haar schuldeisers een minnelijke schuldregeling overeen te komen, maar niet alle schuldeisers zijn akkoord gegaan. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Aangezien [appellant] over onvoldoende middelen beschikt om haar schuldeisers te voldoen, heeft zij op 19 januari 2026 een verzoek om toelating tot de wsnp ingediend bij de rechtbank.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.3.. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle verplichtingen die horen bij de wsnp naar behoren zal nakomen. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat één van die verplichtingen de arbeids- en sollicitatieplicht is die meebrengt dat een schuldenaar fulltime beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt. Doordat [appellant] een voltijdopleiding volgt is zij naar verwachting voor een jaar niet beschikbaar voor betaalde arbeid en kan zij niet voldoen aan deze inspanningsverplichting. Het feit dat [appellant] door het UWV is ontheven van haar arbeidsverplichting betekent niet dat vooraf vaststaat dat zij van de arbeidsverplichting in de wsnp zal worden ontheven. Indien de schuldenaar niet in staat is om te werken, bestaat de inspanningsverplichting erin dat de schuldenaar zich dient in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden.\n\nHet standpunt van [appellant]\n\n3.4.. \n [appellant] kan zich niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank. Zij is van mening dat zij wel aan haar inspanningsverplichting kan voldoen. Doordat haar opleiding een flexibele thuisopleiding is, betekent het volgen daarvan niet dat zij niet kan werken. Volgens de Recofa-richtlijnen is het toegestaan om een opleiding te volgen gedurende de wsnp en het is zeer waarschijnlijk dat [appellant] in de wsnp zal worden ontheven van de sollicitatieverplichting. Bovendien geldt voor haar Wajong-uitkering dat, om ervoor in aanmerking te komen, er nooit meer gewerkt kan worden vanwege een ziekte of handicap en er een re-integratieplicht bestaat die niet specifiek beschikbaarheid voor betaald werken impliceert. Door het volgen van een opleiding spant [appellant] zich maximaal in om haar arbeidsperspectief te verbeteren. Tot slot zou het verrichten van betaalde arbeid verrekend worden met haar Wajong-uitkering, waardoor betaalde arbeid niet leidt tot een hogere uitdeling aan de schuldeisers. Het gaat bij de inspanningsverplichting niet om het financiële resultaat, maar om de mate van inspanning, aldus [appellant] .\n\n4. Motivering van de beslissing in hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n4.1.. Een verzoek om toelating tot de wsnp wordt op grond van artikel 288 lid 1 Fw slechts toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk maakt dat de schuldenaar:\n\nniet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;\n\nten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest; en\n\nde uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.\n\nNiet kunnen voortgaan met betalen\n\n4.2.. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Zij ontvangt een Wajong-uitkering van ongeveer € 1.350 netto per maand. Naar het oordeel van het hof is het voldoende aannemelijk dat [appellant] met deze uitkering niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden.\n\nTe goeder trouw\n\n4.3.. Het hof stelt vast dat de grootste schuld van [appellant] (€ 9.576,94) is ontstaan op 1 januari 2015 en dus meer dan drie jaar voorafgaand aan de dag waarop [appellant] haar verzoekschrift tot toepassing van de wsnp heeft ingediend. Dit betekent dat het ontstaan van deze schuld niet in de weg staat aan toelating van [appellant] tot de wsnp. Bovendien heeft [appellant] voldoende toegelicht dat deze schuld in mei 2023 al gesaneerd zou zijn als die toen door de beschermingsbewindvoerder was meegenomen in dat schuldsaneringstraject. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat zij door het feit dat deze schuld nog bestond en door het begin van haar opleiding veel stress heeft ervaren en het overzicht over haar financiële situatie heeft verloren. De overige schulden die binnen de driejaarstermijn zijn ontstaan zijn gelet op de beperkte omvang en de aard van deze schulden niet zodanig aan [appellant] te verwijten dat die aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan. [appellant] heeft hulp gezocht bij het oplossen van haar financiële situatie door zich te melden bij de gemeentelijke schuldhulpverlening en gebruik te maken van een budgetbeheerder en een budgetcoach. Deze hulp heeft ertoe geleid dat [appellant] sinds 30 juni 2025 heeft gespaard voor haar schuldeisers en dat de afgelopen zestien maanden geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Voor het inlopen van haar huurachterstand is een betaalplan gemaakt, dat [appellant] nakomt. De schuld aan haar zorgverzekeraar wordt betaald via beslag op haar Wajong-uitkering, waardoor die ook wordt ingelopen. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden.\n\nNakoming wsnp-verplichtingen\n\n4.4.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] in staat zal zijn de uit de wsnp voorvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen en dat zij zich voldoende zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ten aanzien van de inspanningsverplichting oordeelt het hof als volgt. [appellant] volgt momenteel een thuisopleiding. Deze opleiding mag er niet aan de in weg staan dat zij voldoet aan haar arbeids- en sollicitatieplicht. [appellant] heeft er in dat kader terecht op gewezen dat het volgen van deze opleiding geen nadelige gevolgen heeft voor haar Wajong-uitkering. Het UWV heeft haar opleiding bekostigd en [appellant] behoudt haar volledige uitkering gedurende de opleiding. Dat volgt ook uit het werkplan dat [appellant] heeft overgelegd en op de mondelinge behandeling bij het hof heeft toegelicht. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat de (oude) Wajong-uitkering van [appellant] in beginsel een levenslange uitkering is waarbij het UWV geen mogelijkheden ziet voor betaalde arbeid. Het hof heeft op de mondelinge behandeling benadrukt dat het oordeel van het UWV dat zij geen arbeid kan verrichten niet per definitie wil zeggen dat zij een ontheffing krijgt van haar sollicitatieplicht in het kader van de wsnp. [appellant] heeft daarop verklaard bereid te zijn om gedurende de wsnp een nieuwe arbeidsgeschiktheidskeuring te ondergaan en te solliciteren, zolang de rechter-commissaris geen ontheffing verleent van de sollicitatieplicht.\n\n4.5.. Op de mondelinge behandeling heeft [appellant] op de vraag van het hof ook verklaard dat zij alle relevante informatie aan de bewindvoerder zal verstrekken. Zij heeft daarbij verklaard dat zij nu ook steeds alle relevante informatie aan de betrokken hulpverleners verstrekt en dat zij dit ook logisch vindt om te doen. Ook heeft zij toegelicht dat zij gebruik zal blijven maken van de budgetcoach om te voorkomen dat er nieuwe schulden ontstaan. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zal doen wat binnen haar vermogen ligt om aan haar verplichtingen uit de wsnp te voldoen.\n\nHet alternatieve aanvangsmoment\n\n4.6.. De termijn van de wsnp bedraagt anderhalf jaar (artikel 349a lid 1 Fw). Die termijn begint (a) op de dag van de uitspraak tot toepassing van de wsnp of (b) de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de minnelijke schuldregeling (het alternatieve aanvangsmoment). Het gaat bij het bepalen van het alternatieve aanvangsmoment om de dag waarop de eerste aflossing is gedaan tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening. Als ‘eerste aflossing’ is onder andere aan te merken een aflossing die ten goede is gekomen aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan ook als een eerste aflossing worden aangemerkt. Dat geldt ook voor een eerste bedrag dat wordt gespaard tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening.\n\n4.7.. Om in aanmerking te komen voor het alternatieve aanvangsmoment, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Als aan de geldende voorwaarden is voldaan moet de rechter het alternatieve aanvangsmoment ambtshalve toepassen, aldus de Hoge Raad.\n\n4.8.. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [appellant] tussen 30 juni 2025 en 30 november 2025 op basis van het vrij te laten bedrag maximaal heeft gespaard voor haar schuldeisers. Op 30 januari 2026 kon [appellant] niet meer sparen voor de schuldeisers, omdat op die datum beslag gelegd is op haar Wajong-uitkering inzake haar schuld aan de zorgverzekeraar. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat de door haar ontvangen belastingteruggave ook volledig is gespaard. Het hof kan op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, vaststellen dat [appellant] vanaf 30 juni 2025 begon met sparen voor haar schuldeisers en dat zij vervolgens de aflossing heeft voortgezet via het beslag. Het hof is van oordeel dat [appellant] zich daarmee maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor haar schuldeisers te verwerven en dat [appellant] tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening heeft voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien.\n\n4.9.. Het voorgaande brengt mee dat [appellant] zal worden toegelaten tot de wsnp. Het aanvangsmoment wordt vastgesteld op 30 juni 2025.\n\nConclusie\n\n4.10.. Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 mei 2026 en beslist als volgt:\n\n5.2.. verklaart de wsnp van toepassing ten aanzien van [appellant] , met 30 juni 2025 als aanvangsmoment;\n\n5.3.. verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, ter uitvoering van die regeling.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, G.P. Oosterhoff en J.G.B. Pikkemaat en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.\n\n Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4281","2026-07-13T00:28:23.225Z",{"id":143,"ecli":144,"slug":145,"caseNumber":44,"courtId":146,"decisionDate":147,"fullText":148,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":149,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":52,"updatedAt":150},"904","ECLI:NL:RBOVE:2026:3710","ecli-nl-rbove-2026-3710",78,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer: 12215064 \\ CV EXPL 26-1307\n\nVonnis in kort geding van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING DE WOONPLAATS,\n\nte Enschede,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: De Woonplaats,\n\ngemachtigde: mr. M. Douwenga,\n\ntegen\n\nSTICHTING HUMANITAS INKOMENSBEHEER,\n\nte Purmerend,\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder van alle goederen van\n\n [betrokkene],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Stichting Humanitas,\n\ngemachtigde: mr. A. aan het Rot.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties; - de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Woningstichting De Woonplaats verhuurt met ingang van 9 februari 2021 aan [betrokkene] de woning aan de [adres]. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Huurvoorwaarden van De Woonplaats, maar ook andere met [betrokkene] gemaakte specifieke afspraken die kort gezegd zien op het goed moeten onderhouden van de woning, op geen overlast veroorzaken en op het accepteren van hulpverlening. Dit nadat [betrokkene] in een vorige woning van De Woonplaats aanzienlijke overlast veroorzaakte.\n\n2.2.. Vanaf 2025 ontvangt De Woonplaats veel meldingen van diverse omwonenden. De meldingen gaan kort gezegd over geluidsoverlast, schelden, alcohol en\u002Fof drugsgebruik, drugshandel\u002F drugsverkeer en vernieling.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nDe Woonplaats vordert samengevat- ontruiming van de woning. In de dagvaarding bespreekt De Woonplaats onder meer de vele meldingen van omwonenden en de contacten die zij heeft gehad met de Politie. Al kort na het ingaan van de huurovereenkomst komt [betrokkene] de overeengekomen voorwaarden niet na. Zij komt afspraken voor huisbezoeken niet na, de woning wordt niet goed onderhouden en schoongemaakt, het raam van de voordeur wordt door haar ex-partner ingeslagen maar zij maakt hiervan geen melding etc.\n\nVanaf 2026 ging het snel bergafwaarts. Sommige omwonenden ervaren dagelijks overlast. De Woonplaats heeft gepoogd om een huisbezoek met [betrokkene] af te spreken maar dit werd twee keer afgezegd. Er is sprake van drugsgebruik door haar en de staat van de woning is ook zorgelijk. Volgens de Politie, die in mei 2026 in de woning is geweest naar aanleiding van één van de vele meldingen, ligt de hele woning in puin. De Woonplaats heeft [betrokkene] verzocht zelf de huurovereenkomst op te zeggen maar hierop is niet gereageerd. De Woonplaats vordert ontruiming van de woning vooruitlopend op ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure. Het is vaste jurisprudentie dat het veroorzaken van overlast als hier aan de orde en het verwaarlozen van het gehuurde een tekortkoming oplevert die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.\n\n3.2.. \n\nStichting Humanitas voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Woonplaats, met veroordeling van De Woonplaats in de kosten van deze procedure.\n\nStichting Humanitas betwist het spoedeisend belang. Het is al anderhalve maand rustig, twee overlastmelders zijn inmiddels verhuisd, en het feit dat De Woonplaats de woning aan een ander wil verhuren is niet valide. De zaak is ook niet geschikt voor behandeling in kort geding. De Woonplaats onderbouwt de overlast met anonieme meldingen en die meldingen kunnen niet worden nagegaan. Stichting Humanitas betwist de overlastsituatie en de zorgelijke staat van het gehuurde. Stichting Humanitas wijst er op dat [betrokkene] stelt uitgezaaide kanker te hebben. Als tot ontruiming moet worden overgegaan dan dient de termijn verlengd te worden tot minimaal vier weken.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n\nDe goederen van [betrokkene] staan onder bewind van Stichting Humanitas.\n\nDe uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten van de rechthebbende ([betrokkene]) zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde (ontbinding van de huurovereenkomst en) ontruiming van het gehuurde (Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525).\n\n4.2.. De kantonrechter overweegt dat de onderhavige vordering slechts toegewezen kan worden als het zeer waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat de ontruiming zal worden toegewezen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dit gelet op het definitieve karakter van de beslissing. Bij de beoordeling dienen alle omstandigheden van het geval meegewogen te worden.\n\n4.3.. De kantonrechter is, anders dan Stichting Humanitas, van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang van De Woonplaats bij haar vorderingen. De Woonplaats heeft met de overgelegde meldingen en videobeelden voldoende aannemelijk gemaakt dat omwonenden ernstige overlast ervaren en dat twee omwonenden zelfs al hierom zijn verhuisd. Van De Woonplaats kan onder deze omstandigheden niet worden gevergd een bodemprocedure af te wachten.\n\n4.4.. De vele meldingen en videobeelden zijn inhoudelijk ook niet dan wel onvoldoende door Stichting Humanitas betwist. [betrokkene] zelf is door de bewindvoerder dan wel de gemachtigde uitgenodigd voor de zitting, om hierop een toelichting te geven, maar zij is niet verschenen. De op de foto’s zichtbare beschadigingen aan het gehuurde en de melding van de Politie afgelopen mei dat de woning binnen “in puin ligt” doet het ergste vermoeden qua staat van het gehuurde. De kantonrechter neemt in de beoordeling ook mee dat het hier al om een tweede kans gaat, om in een woning van De Woonplaats te wonen zonder de woning te verwaarlozen en overlast te veroorzaken.\n\n4.5.. De kantonrechter is er voldoende van overtuigd dat de tekortkomingen van [betrokkene]\u002FStichting Humanitas zullen leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure. Daarop vooruitlopend kan in dit kort geding vast de ontruiming worden bevolen. De situatie is daarvoor ernstig genoeg. Dat [betrokkene] uitgezaaide kanker heeft is wel gesteld maar niet onderbouwd, terwijl De Woonplaats ook al eens om die onderbouwing heeft gevraagd (en deze niet heeft gekregen). Er is evenmin aanleiding af te wijken van de standaard ontruimingstermijn van twee weken.\n\n4.6.. De vordering van De Woonplaats zal daarom als volgt worden toegewezen. Stichting Humanitas is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting de Woonplaats worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,51\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.303,51\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Stichting Humanitas om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, in goede staat op te leveren en deze ontruimd te houden, en de sleutels af te geven aan De Woonplaats,\n\n5.2.. veroordeelt Stichting Humanitas in de proceskosten van € 1.303,51, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op\n\n26 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3710","2026-07-13T00:28:53.890Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":44,"courtId":155,"decisionDate":156,"fullText":157,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":158,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":52,"updatedAt":159},"1829","ECLI:NL:RBGEL:2026:5156","ecli-nl-rbgel-2026-5156",68,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 12216454 \\ VV EXPL 26-26\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING TORENSTAD MONUMENTENBEHEER,\n\nte Zutphen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Torenstad,\n\ngemachtigde: mr. S. Goriya,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding,\n\n- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van Torenstad.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Tussen partijen is een huurovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan Torenstad per 1 februari 2024 de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde) aan [de gedaagde] heeft verhuurd. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar.\n\n2.2.. Bij brief van 7 november 2024 heeft Torenstad aan [de gedaagde] bericht dat de huurovereenkomst eindigt op 31 januari 2025.\n\n2.3.. Op 18 december 2024 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [de gedaagde] het gehuurde van Torenstad heeft gekocht onder voorbehoud van financiering. In de koopovereenkomst is de leveringsdatum bepaald op 31 januari 2025.\n\n2.4.. In het voorjaar van 2025 heeft [de gedaagde] Torenstad diverse malen verzocht de leveringsdatum uit te stellen en de termijn voor het financieringsvoorbehoud te verlengen omdat [de gedaagde] op dat moment geen hypothecaire geldlening kon verkrijgen voor de financiering van het gehuurde. Torenstad heeft met deze verzoeken ingestemd.\n\n2.5.. In juli 2025 hebben partijen afgesproken dat Torenstad de verkoop van het gehuurde weer openbaar kon opstarten en dat [de gedaagde] het gehuurde uiterlijk 31 januari 2026 zou opleveren aan Torenstad, alsmede dat [de gedaagde] een vergoeding van € 1.482,85 aan Torenstad zou betalen voor iedere maand dat hij het gehuurde niet zou opleveren.\n\n2.6.. Op 30 januari 2026 heeft [de gedaagde] geen medewerking verleend aan de door Torenstad aangekondigde eindinspectie en oplevering van het gehuurde.\n\n2.7.. Bij brief van 13 maart 2026 heeft de gemachtigde van Torenstad de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Torenstad vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. [de gedaagde] zal veroordelen om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan Torenstad,\n\n2. [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.323,20, vermeerderd met een bedrag van € 1.482,85 per maand, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [de gedaagde] het gehuurde na 1 april 2026 onder zich houdt tot aan de dag van de feitelijke ontruiming en oplevering, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\n3. althans een zodanige beslissing zal nemen als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren,\n\nen [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van Torenstad.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Vooropgesteld wordt dat een vordering tot ontruiming in kort geding een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n4.2.. Torenstad legt primair aan de vordering tot ontruiming van het gehuurde ten grondslag dat partijen de huurovereenkomst zijn aangegaan voor bepaalde tijd en dat de huurovereenkomst daarom is geëindigd per 1 februari 2025.\n\n4.3.. Op grond van artikel 7:228 lid 1 BW (oud) eindigen huurovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 juli 2024 en waarin een maximale looptijd van twee jaar is bepaald, wanneer de looptijd is verstreken en het einde van de huurovereenkomst tijdig en correct door de verhuurder is aangezegd.\n\n4.4.. In onderhavig geval hebben partijen een huurovereenkomst gesloten voor de duur van één jaar. Bij brief van 7 november 2024 heeft Torenstad het einde van de huurovereenkomst tijdig en correct aangezegd. Voldoende aannemelijk is dan ook dat de huurovereenkomst door het verstrijken van de looptijd is geëindigd per 1 februari 2025.\n\n4.5.. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat [de gedaagde] voor het eindigen van de huurovereenkomst het gehuurde van Torenstad heeft gekocht onder voorbehoud van financiering. Partijen zijn in dit kader overeengekomen dat [de gedaagde] in afwachting van de levering het gehuurde mocht blijven gebruiken tot uiterlijk 31 januari 2026 tegen een door [de gedaagde] te betalen vergoeding van € 1.482,85 per maand. Uiteindelijk is de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden omdat [de gedaagde] geen hypothecaire geldlening heeft kunnen verkrijgen voor de financiering van de woning. Naar voorshands oordeel van de kantonrechter heeft [de gedaagde] gelet op deze feiten en omstandigheden vanaf 1 februari 2026 geen recht of titel meer om het gehuurde te gebruiken.\n\n4.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een gevorderde ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure met grote mate van waarschijnlijkheid zal worden toegewezen omdat [de gedaagde] geen recht of titel meer heeft om het gehuurde te gebruiken. De in dit kort geding gevorderde ontruiming van het gehuurde zal daarom worden toegewezen. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.\n\n4.7.. Torenstad vordert voorts betaling van een bedrag van € 10.323,20. Torenstad stelt daartoe dat [de gedaagde] de maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 over de periode van oktober 2025 tot en met april 2026 niet (volledig) heeft betaald. [de gedaagde] heeft deze stelling en de hoogte van de gestelde betalingsachterstand niet betwist.\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt dat [de gedaagde] over de maanden oktober tot en met januari 2026 een maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 is verschuldigd op grond van de afspraken die partijen in juli 2025 met elkaar hebben gemaakt (zie hiervoor 2.5.). Vanaf 1 februari 2026 gebruikt [de gedaagde] het gehuurde zonder recht of titel. [de gedaagde] moet ook voor het gebruik vanaf deze datum een vergoeding aan Torenstad betalen omdat hij anders ongerechtvaardigd zou worden verrijkt. Deze vergoeding is gelijk aan de daarvoor door [de gedaagde] verschuldigde maandelijkse vergoeding van € 1.482,85. De vorderingen die strekken tot betaling van het bedrag van € 10.323,20 en de maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 vanaf 1 mei 2026 tot aan de datum van de ontruiming zullen dan ook worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke rente over het bedrag van € 10.323,20 is als op de wet gegrond eveneens toewijsbaar op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld.\n\n4.9.. \n [de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Torenstad worden vastgesteld en begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n559,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.721,02\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [de gedaagde] om het gehuurde aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan Torenstad,\n\n5.2.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Torenstad te betalen een bedrag van € 10.323,20, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van de verschuldigde vergoedingen tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Torenstad te betalen € 1.482,85 voor iedere maand vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag der algehele ontruiming,\n\n5.4.. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.721,02, te vermeerderen met de kosten van betekening en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nlt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5156","2026-07-13T00:29:40.840Z",{"id":161,"ecli":162,"slug":163,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":156,"fullText":164,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":165,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":52,"updatedAt":166},"1330","ECLI:NL:RBAMS:2026:6779","ecli-nl-rbams-2026-6779","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nWrakingskamer\n\nBeslissing van 25 juni 2026 op het onder rekestnummer C\u002F13\u002F790017 HA RK 26\u002F241 ingeschreven verzoek tot verschoning ingediend door:\n\nmr. V. Zuiderbaan, rechter bij de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.\n\n1. Verloop van de procedure\n\nBij de afdeling privaatrecht van de Rechtbank te Amsterdam zijn twee zaken aanhangig met het kenmerk C\u002F13\u002F786217 en C\u002F13\u002F786187 die zijn toegewezen aan de rechter. Partijen in beide zaken zijn [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door respectievelijk mr. V.W.J.M. Kuit en mr. F. Brouwer.\n\n2. Het verzoek\n\nAan het verzoek is ten grondslag gelegd dat het de rechter bij de voorbereiding van de behandeling is gebleken dat een procespartij of procesdeelnemer deel uitmaakt van de persoonlijke of zakelijke kennissenkring van de rechter.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van het bepaalde in artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. De behandeling van een verschoningsverzoek behoeft niet ter terechtzitting plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.\n\n3.2.. Verschoning is een middel ter verzekering van (het vertrouwen in) de rechterlijke onpartijdigheid.\n\n3.3.. De rechtbank oordeelt dat de geobjectiveerde vrees kan ontstaan dat de rechter de zaak niet onpartijdig kan behandelen, gelet op hetgeen de rechter aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd en voorts mede gelet op aanbeveling 2 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak (de rechter behandelt geen zaak waarbij iemand uit zijn familiekring als procespartij is betrokken). Gelet daarop wordt het verzoek toegewezen.\n\nDe rechtbank:\n\n wijst het verzoek tot verschoning toe en bepaalt dat de behandeling van de zaken met kenmerk C\u002F13\u002F786217 en C\u002F13\u002F786187 worden voortgezet voor een andere rechter;\n\n beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing wordt toegezonden aan:\n\n de gemachtigden van partijen; en\n\n de rechter.\n\n Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mr. P.B. Martens en mr. I.M. Bilderbeek, leden, op 25 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6779","2026-07-13T00:29:16.278Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":44,"courtId":155,"decisionDate":171,"fullText":172,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":52,"updatedAt":174},"1834","ECLI:NL:RBGEL:2026:5160","ecli-nl-rbgel-2026-5160","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 12018926 \\ CV EXPL 25-3465\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. K. Colakoglu,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. M.H. Hogeman.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 4 maart 2026,\n\n- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door mr. Hogeman overgelegde aanvullende productie,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de gedaagde] is eigenaar van een bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] . [de gedaagde] heeft in het verleden een winkel in deze bedrijfsruimte geëxploiteerd.\n\n2.2.. Partijen hebben een huurovereenkomst met elkaar gesloten op grond waarvan [de gedaagde] met ingang van 1 januari 2024 voormelde bedrijfsruimte (hierna: het gehuurde) casco verhuurt aan [de eiser] voor een periode van tien jaar voor een huurprijs van € 15.000,00 per jaar.\n\n2.3.. \n\nOp de huurovereenkomst zijn de ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST WINKELRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. Artikel 13.3 van de algemene bepalingen luidt als volgt:\n\n“Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van een gebrek en huurder kan in geval van een gebrek geen aanspraak maken op huurprijsvermindering en verrekening, behoudens de bevoegdheid tot verrekening als bedoeld in artikel 7:206 lid 3 Burgerlijk Wetboek.”\n\n2.4.. Het gehuurde heeft een kelder onder de gehele begane grond. De kelder bestaat uit twee ruimtes, een grote ruimte waar de trap op uitkomt en een kleine ruimte. In de kleine ruimte staat een compressor voor de waterafvalscheiding en is een professionele afzuiginstallatie aanwezig.\n\n2.5.. Op 2 of 3 januari 2024 is de kelder onder water komen te staan. Kort hierna heeft [vochtweringsbedrijf] Vochtbestrijding B.V. (hierna: [vochtweringsbedrijf] ) in opdracht van [de gedaagde] de kelder met een waterstofzuiger en bouwdrogers droog gemaakt.\n\n2.6.. Begin 2024 heeft [de gedaagde] het gehuurde met toestemming van [de eiser] verbouwd tot een tandartspraktijk.\n\n2.7.. In maart 2024 heeft [vochtweringsbedrijf] de kelder gesaneerd. Daarbij heeft zij een bekuiping, vochtwerende mortel, aquastuc op de wanden en een vloeistofdichte vloer in de kelder aangebracht.\n\n2.8.. In april en mei 2024 is tussen partijen discussie ontstaan over de uitvoering van de verdere herstelwerkzaamheden in de kelder, bestaande uit het sauzen, het aanleggen van extra ventilatie en het aanbrengen van twee radiatoren in de kelder. [de eiser] heeft aangegeven eerst de kelder te willen laten beoordelen door een deskundige voordat in deze ruimte verdere werkzaamheden worden verricht.\n\n2.9.. \n\nOp 1 oktober 2024 heeft Bureau voor Bouwpathologie in opdracht van [de eiser] de kelder van het gehuurde onderzocht. In de daarvan opgestelde rapportage van 27 november 2024 is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nWAARNEMINGEN\n\n(…)\n\nKleine kelderruimte\n\n6. De vloer is zichtbaar verkleurd door vocht (…)\n\n7. De wanden hebben vochtschade (…)\n\n8. De wanden zijn over verschillende plekken aan de onderzijde nat gemeten (…)\n\n9. De vloer is nat gemeten (…)\n\n10. Aan de bovenzijde is zichtbaar dat de aangebrachte stuclaag stopt (…)\n\n11. De aangebrachte stuclaag is ook niet aangebracht bij de riolerings- en verwarmingsbuizen (…)\n\n12. De wand waar geen laag stucwerk is aangebracht meet nat tot zeer nat (…)\n\n(…)\n\n14. De relatieve luchtvochtigheid in de kleine ruimte is 84,8 % gemeten (…)\n\n(…)\n\nGrote kelderruimte\n\n18. De wanden hebben vochtschade (…)\n\n19. De vloer heeft zoutuitslag (…)\n\n(…)\n\n21. De wanden zijn over verschillende plekken aan de onderzijde vochtig tot nat gemeten en verder naar boven droog tot vochtig (…)\n\n22. Het kalkzandsteen buitenspouwblad is nat (…)\n\n24. Er zijn voldoende ventilatieopeningen in de gevel (…)\n\n25. Aan de bovenzijde is zichtbaar dat de aangebrachte stuclaag stopt (…)\n\n26. De relatieve luchtvochtigheid in de grote ruimte is 84,0% gemeten (…)\n\nBuitenzijde\n\n27. Aan de buitenzijde zijn de ventilatieopeningen van de kelder zichtbaar afgedekt met een rooster (…)\n\nVRAAGBEANTWOORDING\n\n(…)\n\nVraag 1:\n\nWaardoor is de waterschade ontstaan, waardoor er lekkages zijn en er zich ook vocht en schimmel vorm?\n\nAntwoord:\n\nUit de bouwaanvraag d.d. 13 april 1987 blijkt dat er oorspronkelijk geen kelder onder de winkelruimte was bedoelt. Er zijn geen gegevens over de kelder op de bouwaanvraagtekeningen bekent. In Advies konstructie van [naam] d.d. 2 maart 1987 staat een doorsnede en berekening van de kelder (bijlage 2). Tijdens het onderzoek was zichtbaar dat de kelderwand opgebouwd is uit twee kalkzandsteenwanden met een ps isolatie strak ertussen. Uit de doorsnede is op te maken dat de kelder gebouwd is op een betonnen plaat met massief gemetselde wanden tot een bepaalde hoogte, wat overgaat in een spouwmuurconstructie. Op het binnenspouwblad ligt de begane grond vloer. Het grondwater zit op 1,6 meter onder maaiveld. De kelderwanden zijn aan de binnenzijde waterdicht gemaakt met cementstuc.\n\nEr zijn op twee plekken lekkages te herleiden in de kelder:\n\nOp maaiveldhoogte zijn er aan de buitenzijde gevelopeningen welke uitkomen in de spouw en bij openingen in het binnenspouwblad welke zorgen voor de ventilatie in de kelder. Op de ontvangen foto’s is de toestand te zien voor de werkzaamheden. Hierop is duidelijk een lijn te zien met natte wanden onder de lijn en droge wanden boven de lijn. De lijn is de overgang van de massief gemetselde wand op de spouwconstructie. Het hemelwater kan via de ventilatieopeningen de spouwconstructie in, maar ook door vochtdoorslag. Het hemelwater kan niet de spouw uit en hoopt zich aan de onderzijde op in de spouw. Het hemelwater trekt in en door het massief gemetselde wanden als een spons. De cementstuc moet voor de waterdichting zorgen. Dit functioneert niet naar behoren, waardoor de kelderwanden vochtig zijn en er schimmel kan ontstaan. Tijdens de herstelwerkzaamheden is AquaStuc gipspleister op de cementstuc aangebracht. AquaStuc pleister is speciaal voor natte ruimtes en is waterafstotend, maar zorgt niet voor de waterdichting.\n\nDe kim is niet waterdicht, waardoor het grondwater tussen de kelderplaat en de massief gemetselde wand door kan. Dit zorgt voor de natte kelderplaat tegen en rondom de wanden en de zoutafzetting op de kelderplaat.\n\nVraag 2:\n\nWat zijn de kosten voor herstel en\u002F of eventueel hersteladvies is?\n\nAntwoord:\n\nDoor de aanwezige PS isolatie in de spouw kan er geen waterdichte kering en spouwlood op maaiveldhoogte gemaakt worden. Een vlakafdichting aan de buitenzijde is niet mogelijk, omdat de kelder niet volledig vrij gegraven kan worden. Daarom is de mogelijke hersteloptie alleen een gietafdichting aan de binnenzijde. Deze methode wordt gekozen bij kalkzandsteen. Kalkzandsteen is niet of nauwelijks geschikt om een afdichtingslaag op aan te brengen. Deze steen accepteert geen primers. Er wordt bij deze methode een muur aan de binnenzijde tegen de wand gemetseld. De ruimte tussen de twee muren wordt gevuld met waterdichte gietmortel. De kelderruimte wordt hierdoor welk kleiner. De nieuwe kelderwanden moeten na de werkzaamheden worden gestuct en gesausd.\n\nDe kosten voor bovenstaande werkzaamheden worden geraamd op€ 73.500,- excl. B.T.W..\n\n2.10.. \n\nIn maart 2025 hebben [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) een onderzoek uitgevoerd naar de door [de eiser] gestelde vochtproblemen in de kelder. Bij brief van 10 april 2025 heeft [vochtweringsbedrijf] daarover aan [de gedaagde] bericht:\n\n“(…)\n\n1. Algemeen\n\n(…) De kelder is in mei 2024 opgeleverd zonder vochtproblemen. Tijdens dit onderzoek zijn uitgebreide vochtmetingen en thermografische inspecties verricht. De toegestane vochtwaarde van 12,8% is alleen overschreden in de kleine ruimte waar tandarts apparatuur staat die veel vocht uitstoot.\n\n2. Bevindingen\n\n Kimnaden zijn visueel onderzocht en met thermovisuele apparatuur. Er is géén lekkage waargenomen. De kimnaden zijn droog.\n\n De muren zijn blok voor blok gemeten met een vochtmeter en gescand met thermovisuele apparatuur. Ook hier is géén vocht vastgesteld. De muren zijn droog en daarmee is de conclusie dat de schimmelvorming het gevolg zou zijn van optrekkend vocht niet houdbaar.\n\n Vloer is eveneens over een langere periode middels een datalog stabiel gemeten, zonder signalen van optrekkend vocht.\n\n Ventilatie en verwarming zijn cruciale factoren: meetapparatuur (…) registreerde tussen 3 en 17 maart een gemiddelde temperatuur van 14,8 °C en een relatieve luchtvochtigheid van ca. 65%. Dit zijn suboptimale waarden voor een kelderruimte. Volgens de richtlijnen dient de temperatuur minimaal 18°C à 19°C te bedragen, ook is de luchtvochtigheid te hoog, deze zou rond de 50 tot max 55% mogen liggen.\n\n De vloerverwarming is aanwezig, maar wordt niet gebruikt door de huurder.\n\n De professionele ventilatie is uitgeschakeld door huurder. Hierdoor kan vochtige lucht niet worden afgevoerd, wat schimmelgroei in de hand werkt.\n\n In de ruimte met de tandartsmachine stijgt de luchtvochtigheid bij gebruik zelfs naar 74% (…) – wederom zonder afvoermechanisme vanwege de niet-functionerende ventilatie.\n\n3. Toelichting op de conclusies in het rapporthet rapport van Bureau voor Bouwpathologie, toevoeging kantonrechter]\n\nHet rapport stelt dat de kelderwand vocht doorlaat vanwege een gebrekkige binnenafdichting. Echter:\n\n Er is geen sprake van lekkage of optrekkend vocht zoals het rapport beweert.\n\n De schade die zichtbaar is, is veroorzaakt door interne factoren zoals onvoldoende ventilatie en verwarming.\n\n De aangebracht stuclaag en kitnaden zijn correct uitgevoerd en functioneren naar behoren. Er is geen visuele of meetbare schade aan deze afdichting.\n\n Het loslatende schilderwerk wordt veroorzaakt door schimmelvorming. Deze is mogelijk door de lage temperatuur, gebrekkige ventilatie en hoge luchtvochtigheid.\n\n4. Verantwoording en hersteladvies\n\nDe huidige situatie is het gevolg van het gedrag van de huurder:\n\n Het uitzetten van de ventilatie\n\n Het niet activeren van de vloerverwarming\n\n Het structureel niet openen van de trapdeur, waardoor luchtcirculatie wordt belemmerd\n\nOnder de huidige omstandigheden is sprake van gebruiksschade en achterstallig onderhoud door de huurder. Er is geen sprake van constructieve gebreken of gebrekkige waterafdichting.\n\n(…)”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. [de gedaagde] zal veroordelen om de gebreken aan\u002Fin het gehuurde zoals omschreven in het rapport van Bureau voor Bouwpathologie d.d. 27 november 2024 volledig en duurzaam te herstellen, uiterlijk binnen een termijn van één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis,\n\n2. de huurprijs van het gehuurde met ingang van 1 januari 2024, of een nader door de kantonrechter te bepalen datum, te verminderen met 25% of een nader door de kantonrechter vast te stellen percentage, tot en met het daadwerkelijk herstel van de genoemde gebreken,\n\n3. [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.524,62, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf de respectievelijke vervaldata, 4. [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [de eiser] stelt zich op het standpunt dat het gehuurde diverse gebreken heeft en vordert in deze procedure herstel van die gebreken (artikel 7:206 BW), een vermindering van de huurprijs tot het moment dat de gestelde gebreken door [de gedaagde] zijn verholpen (artikel 7:207 BW) en vergoeding van de schade die [de eiser] stelt te hebben geleden (7:208 BW).\n\n4.2.. Allereerst moet worden beoordeeld of sprake is van één of meerdere gebreken aan het gehuurde als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. In dit artikel is een gebrek omschreven als een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. De vraag of sprake is van een gebrek moet aan de hand van objectieve verifieerbare feitelijke gegevens worden vastgesteld.\n\n4.3.. \n [de eiser] stelt dat de kelder van het gehuurde ernstige gebreken heeft, namelijk vochtproblemen, lekkages en schimmelvorming. [de gedaagde] betwist dit en voert daartoe aan dat de muren van de kelder droog zijn en dat de hoge luchtvochtigheid in de kelder wordt veroorzaakt omdat [de eiser] het gehuurde onvoldoende verwarmt en ventileert.\n\n4.4.. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder, rusten op [de eiser] omdat zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. [de eiser] heeft ter onderbouwing van de gestelde gebreken de rapportage van 27 november 2024 van Bureau voor Bouwpathologie (zie hiervoor 2.9.) overgelegd. Daarin is, kort gezegd, vermeld dat tijdens het onderzoek ter plaatse op 1 oktober 2024 de wanden en vloer in de kelder vochtig tot nat zijn gemeten en dat waterschade in de kelder is ontstaan omdat enerzijds hemelwater via de ventilatieopeningen in de spouwconstructie van de kelder terechtkomt en anderzijds hemelwater door de buitenmuren naar binnen trekt (optrekkend vocht).\n\n4.5.. \n [de gedaagde] betwist de juistheid van de bevindingen van Bureau voor Bouwpathologie. Ter onderbouwing van die betwisting verwijst zij naar de brief van 10 april 2025 van [vochtweringsbedrijf] (zie hiervoor 2.10.). In deze brief is, kort gezegd, vermeld dat [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] tijdens een verrichte contra-expertise in maart 2025 geen lekkages en vocht in de wanden of vloer hebben waargenomen en dat de zichtbare waterschade in de kelder wordt veroorzaakt door onvoldoende ventilatie en verwarming door [de eiser] .\n\n4.6.. De kantonrechter is van oordeel dat [de gedaagde] de juistheid van de bevindingen van Bureau voor Bouwpathologie voldoende gemotiveerd heeft weersproken door het laten uitvoeren van een contra-expertise door [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] . Het bewijs van de stelling dat in de kelder van het gehuurde sprake is van lekkages en optrekkend vocht, is daarom niet reeds op voorhand geleverd op grond van de door [de eiser] overgelegde rapportage van Bureau voor Bouwpathologie. Omdat evenmin uit de overige door [de eiser] overgelegde stukken voldoende bewijs is te putten, zal zij conform het door haar gedane aanbod tot bewijslevering worden toegelaten van haar stelling dat sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder.\n\n4.7.. Het ligt in de rede dat, gelet op de aard van het door [de eiser] te leveren bewijs, een deskundigenbericht wordt ingewonnen. Een onafhankelijke deskundige kan beoordelen of en in hoeverre sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder en zo ja, op welke wijze en tegen welke kosten deze gebreken hersteld kunnen worden. Alvorens tot benoeming van een deskundige wordt overgegaan, zal de kantonrechter de zaak naar de hierna te melden rol verwijzen opdat partijen zich kunnen uitlaten over de wenselijkheid van het deskundigenonderzoek, de persoon\u002Fpersonen van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon\u002Fpersonen van de te benoemen deskundige(n), wordt van partijen verwacht dat zij daarover met elkaar zullen overleggen en dat zij zoveel mogelijk een met elkaar overeenstemmend voorstel zullen voorleggen.\n\n4.8.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 22 juli 2026voor het nemen van een akte door beide partijen als bedoeld in r.o. 4.7.,\n\n5.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nlt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5160","2026-07-13T00:29:41.097Z",{"id":176,"ecli":177,"slug":178,"caseNumber":44,"courtId":179,"decisionDate":171,"fullText":180,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":181,"sourceTimestamp":182,"parsedAt":52,"updatedAt":183},"898","ECLI:NL:RBOVE:2026:3809","ecli-nl-rbove-2026-3809",57,"RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F338475 \u002F HA ZA 25-310\n\nVonnis van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiseres],\n\nte [woonplaats 1], 2. [eiser],\n\nte [woonplaats 2],\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: eisers of [eisers],\n\nadvocaat: mr. F.A. van den Heuvel,\n\ntegen\n\n [gedaagde] in haar hoedanigheid van executeur en erfgenaam,\n\nte [woonplaats 3],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. D.P.M. Buysrogge.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 8 september 2025 met producties 1 t\u002Fm 6, - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het bericht van 25 maart 2026 met producties 7 t\u002Fm 9 van [eisers], - de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Buysrogge.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Waar de zaak over gaat\n\n2.1. Deze zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van eisers. Gedaagde was de partner van erflater en is executeur en erfgenaam in die nalatenschap. Volgens eisers heeft hun vader destijds in het echtscheidingsconvenant met hun moeder een vorderingsrecht ten behoeve van hen opgenomen. Eisers stellen dat zij op grond van het echtscheidingsconvenant recht hebben op de overwaarde van de woning van hun vader\u002Ferflater op het moment dat hun vader zou overlijden. Eisers spreken nu de executeur van de nalatenschap aan. Zij willen vaststelling van de overwaarde van de woning en betaling van het bedrag daarvan.\n\n2.2. De rechtbank wijst de vordering af en legt in dit vonnis uit waar die beslissing op gebaseerd is.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Eisers zijn broer en zus van elkaar. Hun vader, [erflater] (hierna te noemen erflater), is op [overlijdensdatum] 2025 overleden.\n\n3.2. Erflater woonde op het moment van overlijden samen met [gedaagde], met wie hij een affectieve relatie had. [gedaagde] heeft zelf vier kinderen.\n\n3.3. \n\nErflater is eerder gehuwd geweest met de moeder van eisers, mevrouw [naam 1], en dit huwelijk is in 2008 geëindigd door echtscheiding. In het echtscheidingsconvenant zijn afspraken opgenomen over de verdeling van de echtelijke woning. Daarbij is onder 2.3 van het convenant bepaald:\n\n“De man bepaalt hierbij dat hij, bij zijn overlijden, zal zorgdragen voor een positief saldo voortvloeiende uit de woning in zijn eigendom. Hiermee wordt bedoeld dat, na aftrek van de hypotheekkosten en andere kosten aangaande de woning, een positief saldo zal overblijven. Dit saldo komt bij helfte toe aan de twee kinderen van partijen. Voor de financiële afwikkeling hiervan zal de oudste dochter, [naam 2] (…), als aanspreekpunt gelden”.\n\n3.4. Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Het testament is opgemaakt op 2 december 2011. Daarin is [gedaagde] benoemd tot enig erfgename en tot executeur. In het testament is een tweetrapsmaking opgenomen ten behoeve van de kinderen van erflater en de kinderen van [gedaagde]. Onder het kopje “Duur van de tweetrapsmaking” zijn acht situaties beschreven waarin het recht van de bezwaarde eindigt.\n\n3.5. \n\nOp 17 maart 2025 heeft erflater een aanvulling op zijn testament vastgelegd in een aanvullend testament. Daarin is, onder verwijzing naar bepaling 2.3 uit het hiervoor genoemde echtscheidingsconvenant, opgenomen: “(…) Middels voormeld testament en deze aanvulling wil ik mijn partner zo verzorgd mogelijk achter laten. Tegelijkertijd wil ik uitvoering geven aan voorgaande bepaling in voormeld convenant. (…)”\n\nEn verder:\n\n“(…) Om toe te komen aan de betreffende bepaling in voormeld convenant vul ik middels dit aanvullend testament de bepalingen opgenomen onder het kopje “Duur van de tweetrapsmaking” aan, zodat mijn twee (2) kinderen bij de verkoop van mijn woning door mijn partnerieder recht hebben op één\u002Fderde (1\u002F3) deel van de netto-verkoopopbrengst. Mijn partner heeft recht op het restant van de netto-verkoopopbrengst nu wij al meer dan achttien (18) jaar samenwonen en mijn partner heeft bijgedragen aan de lasten, onderhoudskosten en dergelijke met betrekking tot mijn woning. De ontbindende voorwaarden blijven van kracht. Indien een van de ontbindende voorwaarden in mijn voormelde testament zich voordoet, voordat er sprake is van de ontbindende voorwaarde hierna onder II genoemd inzake de verkoop van de woning, verkrijgen mijn kinderen en de kinderen van mijn partner, hetgeen mijn partner, zijnde de bezwaarde 1, uit mijn nalatenschap aan haar nagelatene bij haar overlijden onverteerd heeft nagelaten, ieder voor het één\u002Fzesde (1\u002F6) gedeelte en zal de verdeling van de netto-verkoopopbrengst niet plaatsvinden conform onderstaande. (…)”\n\n3.6. De toenmalige gemachtigde van [eisers] heeft op 7 mei 2025 een brief gestuurd aan [gedaagde]. Daarin wordt namens [eisers] - naast een verzoek om een boedelbeschrijving - aanspraak gemaakt op betaling aan [eisers] van een vordering uit de nalatenschap van erflater bestaande uit de overwaarde van de woning. In de brief beroepen zij zich op artikel 2.3 uit het echtscheidingsconvenant uit 2008. Zij vragen in de brief aan [gedaagde] om voor 23 mei 2025 per post of per mail te bevestigen dat zij aan het betalingsverzoek zal voldoen.\n\n3.7. De advocaat van [gedaagde] heeft op 16 juni 2025 per e-mail gereageerd en heeft in dat bericht samengevat meegedeeld dat [gedaagde] de vordering van [eisers] niet zal voldoen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. \n [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nzal bepalen dat de woning aan de [adres] getaxeerd moet worden door een onafhankelijke taxateur,\n\nzal vaststellen dat de vordering van eisers bedraagt het verschil van de getaxeerde waarde van de woning minus de hypotheekschuld,\n\n [gedaagde] zal veroordelen om deze vordering te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 mei 2025.\n\n4.2. \n [eisers] stellen dat zij een vordering hebben op de nalatenschap van hun vader die voortvloeit uit het echtscheidingsconvenant dat destijds in 2008 tussen hun ouders is overeengekomen. Het gaat om artikel 2.3 van dat convenant (zoals hiervoor weergegeven onder 3.3.) en de vordering betreft de toedeling aan hen van de overwaarde van de woning van erflater. Volgens [eisers] is in bedoelde bepaling van het convenant een vorderingsrecht onder opschortende voorwaarde opgenomen ten behoeve van hen. Die opschortende voorwaarde betreft het overlijden van hun vader en die voorwaarde is op [overlijdensdatum] 2025 in vervulling gegaan. Volgens [eisers] heeft erflater het vorderingsrecht uit het convenant niet eenzijdig kunnen wijzigen in zijn testament.\n\n4.3. \n [gedaagde] voert verweer. Zij wil dat de vordering van [eisers] wordt afgewezen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n4.4. \n [gedaagde] voert aan dat – hoewel bedoelde bepaling in het echtscheidingsconvenant is opgenomen – op basis van die bepaling geen vordering van [eisers] op de nalatenschap is ontstaan. Volgens [gedaagde] moet bij de afwikkeling van de nalatenschap het testament van erflater worden gevolgd en daarin is iets anders bepaald. Zij voert daarbij aan dat erflater bij leven met zijn kinderen heeft gesproken over de overwaarde van de woning en dat hij de inhoud van dat gesprek in een schriftelijk stuk heeft vastgelegd. Een afschrift van dat stuk heeft zij overgelegd. Het stuk heeft als datumvermelding “december 2024” en is volgens [gedaagde] ondertekend door erflater en door zijn beide kinderen.\n\n4.5. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5 De beoordeling\n\nJuridische beoordeling\n\n5.1. \n [eisers] stellen dat zij pas na het overlijden van hun vader kennis hebben genomen van het convenant en het testament met tweetrapsmaking. Zij hebben zich daardoor overvallen gevoeld omdat enerzijds een bedrag aan hen is toegekend in het convenant en anderzijds de tweetrapsmaking tot gevolg heeft dat zij nu nog geen erfgenaam zijn. In deze procedure vorderen zij impliciet nakoming van het derdenbeding in het convenant van [gedaagde] als executeur. Concreet willen zij vaststelling van de overwaarde van de woning uit de nalatenschap en betaling van het bedrag daarvan aan hen beiden. Om de vordering te kunnen beoordelen moet worden vastgesteld wat de juridische waarde is van het derdenbeding ten opzichte van het convenant en ten opzichte van het testament (uiterste wil) van erflater. Dat is een juridische beoordeling.\n\n5.2. \n [eisers] hebben een beroep gedaan op het beding in het convenant als een derdenbeding (artikel 6:253 BW). Zij stellen dat erflater niet mocht afwijken van dit beding in zijn testament en aanvullende testament. De rechtbank volgt [eisers] hierin niet en motiveert dat oordeel als volgt.\n\n5.3. Ook als [eisers] worden gevolgd in hun standpunt dat de bepaling uit het convenant een derdenbeding is ten behoeve van [eisers], kunnen zij daar ten aanzien van de nalatenschap geen rechten aan ontlenen. De bepaling uit het convenant lijkt weliswaar op een testamentaire beschikking, maar is dat niet. Een testamentaire beschikking (uiterste wil) moet immers worden vastgelegd in een notariële akteen de bepaling uit het convenant voldoet daar niet aan. De bepaling in het convenant moet gelet op de stellingen van partijen worden begrepen als een schenking aan [eisers], die pas na het overlijden van de schenker (hun vader) zou worden uitgevoerd. In het convenant is namelijk bepaald dat eisers bij het overlijden van erflater ieder recht hebben op de helft van het positieve saldo van de woning. Hiermee is sprake van een beding om niet met de strekking om pas na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd. Dit volgt ook uit de stellingen van [eisers]. Zij stellen dat ze op grond van het echtscheidingsconvenant een vordering onder opschortende voorwaarde op hun vader hebben gekregen. De opschortende voorwaarde is volgens [eisers] komen te vervallen met het overlijden van hun vader. Dat het derdenbeding volgens [eisers] samenhing met het feit dat hun moeder te weinig heeft gekregen in de onderlinge verdeling bij de echtscheiding, is niet genoeg voor een ander oordeel. Als sprake is van een derdenbeding, komt dat beding in de verhouding tussen erflater en [eisers] namelijk feitelijk neer op een schenking die pas na het overlijden van de schenker (hun vader) zou worden uitgevoerd. [eisers] hebben geen feiten gesteld die tot een andere uitleg van het beding leiden. Een dergelijke schenking vervaltbij het overlijden van de schenker als van de schenking geen notariële akte is opgemaakt. In dit geval is van de schenking geen notariële akte opgemaakt. Aangenomen moet dan ook worden dat de gestelde schenking is komen te vervallen. Het beroep van [eisers] op de bepaling in het convenant als derdenbeding (artikel 6:253 BW) gaat ten aanzien van de nalatenschap dus niet op.5.4. Erflater heeft bovendien over zijn nalatenschap beschikt in zijn testament zoals dat is opgemaakt in 2011 en is aangevuld op 17 maart 2025. Erflater is daarbij ook expliciet ingegaan op het convenant en de manier waarop hij de gevolgen daarvan erfrechtelijk wilde regelen (r.o. 3.5. hiervoor). Dit stond erflater vrij, nu de gestelde schenking niet notarieel is vastgelegd. De rechtbank zal dan ook uitgaan van hetgeen in het testament en de aanvulling is vastgelegd.\n\n5.5. In het testament en de daarbij behorende aanvulling is bepaald dat [eisers] pas aanspraak kunnen maken op een deel van de overwaarde van de woning, namelijk een derde of een zesde deel daarvan, als [gedaagde] bij leven de woning gaat verkopen of als [gedaagde] overlijdt. Geen van die situaties doen zich nu voor, zodat [eisers] op dit moment niets kunnen vorderen van [gedaagde]. De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat de vordering van [eisers] niet toewijsbaar is.\n\nDe handtekeningen onder het stuk uit december 2024\n\n5.6. Zoals hiervoor onder 4.2 genoemd, heeft [gedaagde] een stuk overgelegd ter onderbouwing van haar verweer dat [eisers] bekend waren met de wens van hun vader ten aanzien van zijn woning. [eisers] betwisten de authenticiteit van dit document en voeren aan dat zij dit document niet hebben ondertekend. Ter onderbouwing hiervan hebben zij een rapport overgelegd van een deskundige die de handtekeningen onder het document heeft onderzocht. [gedaagde] heeft vervolgens weersproken dat de handtekeningen vervalst zijn. Volgens [gedaagde] blijkt dit niet uit het rapport.\n\n5.7. Om te kunnen vaststellen of de handtekeningen zijn vervalst, zou nadere bewijslevering nodig zijn. Aan die bewijslevering komt de rechtbank niet toe nu de vorderingen van [eisers] gelet op het voorgaande vanwege de aard van de schenking niet toewijsbaar zijn. Aan een nadere beoordeling van het verweer van [gedaagde] en het in dat kader overgelegde document komt de rechtbank dan ook niet toe.\n\nProceskosten\n\n5.8. Gelet op de verhoudingen tussen partijen en de aard van de zaak zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n6.1. wijst de vordering(en) van [eisers] af,\n\n6.2. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026. (ap)\n\n Zie artikel 4:94 BW (artikel 94 uit Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek)\n\n Zie artikel 7:177 lid 1 BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3809","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.606Z",{"id":185,"ecli":186,"slug":187,"caseNumber":44,"courtId":188,"decisionDate":171,"fullText":189,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":190,"sourceTimestamp":191,"parsedAt":52,"updatedAt":192},"1928","ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","ecli-nl-rbnho-2026-7505",67,"RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377432 \u002F KG ZA 26-238\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. E. Bongers,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 1],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. S.R. Baetens.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n\n [eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus en hebben samen een recreatiewoning van hun moeder geërfd. De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juni 2025 (het vonnis) geoordeeld dat de woning te koop moet worden aangeboden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid krijgt de woning over te nemen tegen een waarde die gelijk is aan het hoogst uitgebrachte bod.\n\n [eiser] meent dat de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst heeft geleid en wil dat [gedaagde] meewerkt aan verkoop voor een zo hoog mogelijke opbrengst en op zo’n kort mogelijke termijn, waarbij zij eventueel het hoogste bod mag evenaren. Ook vordert [eiser] staking\u002Fschorsing van de uitvoering van de veroordeling tot betaling van dwangsommen aan haar. [gedaagde] meent dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Omdat [eiser] daar niet aan meewerkt, vordert zij een veroordeling ex artikel 3:300 BW, althans om haar vervangende toestemming te verlenen om tot verdeling te komen. Er is volgens haar geen aanleiding om de executie van dwangsommen te staken of schorsen. Zij vordert juist een verhoging van de dwangsommen om [eiser] mee te laten werken aan de uitvoering van het vonnis.\n\n1.2.. \n\nGelet op de omstandigheden tijdens de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling en op het feit dat in het vonnis is overwogen dat [eiser] er belang bij had dat de waarde van de woning werd bepaald door de woning (aan derden) te koop aan te bieden, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat het verkoopproces niet heeft geleid tot vaststelling van een marktprijs, waartegen [gedaagde] de woning over zou mogen nemen. [gedaagde] zal daarom, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring, worden veroordeeld om de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten, totdat in rechte is vastgesteld dat zij recht heeft op toedeling van de woning.\n\nOmdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning overeenkomstig 5.2. en 5.3. van het vonnis. Ook zal [gedaagde] worden veroordeeld om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, op straffe van een dwangsom. Deze twee veroordelingen zullen geclausuleerd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, om aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen recht te doen. De vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 35 producties\n\n- de conclusie van antwoord in kort geding tevens houdende eis in reconventie met 12 producties\n\n- de akte in het geding brengen productie tevens aanvulling eis van de kant van [eiser]\n\n- de aanvullende productie 36 van de kant van [eiser]\n\n- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de pleitnota van de kant van [eiser].\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen zijn de kinderen en de (enige) twee erfgenamen van de op 12 januari 2024 overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster.\n\n3.2.. Tot de nalatenschap van erflaatster behoort (onder meer) een recreatiewoning, gelegen aan de [adres 1] [plaats 2] (hierna: de woning).\n\n3.3.. Aan de woning is een hypothecaire geldlening verbonden van circa € 144.000,-.\n\n3.4.. De WOZ-waarde van de woning op peildatum 1 januari 2023 is (na bezwaar) € 310.000,-, op peildatum 1 januari 2024 € 300.000,- en op peildatum 1 januari 2025 € 395.000,-.\n\n3.5.. In februari 2025 is een vergelijkbare woning, aan de [adres 2], verkocht voor een koopprijs van € 400.000,-. De vraagprijs bedroeg € 395.000,-. De woning heeft maar kort te koop gestaan.\n\n3.6.. Bij vonnis van 11 juni 2025 (hierna: het vonnis) heeft deze rechtbank de volgende veroordeling tussen partijen uitgesproken:\n\nin conventie\n\n5.1.. gelast de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap van erflaatster behorende woning op de wijze zoals in het navolgende vermeld;\n\nin reconventie\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht aan makelaar [bedrijf] om de woning te koop te zetten conform de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid heeft om binnen vijf werkdagen na de dag van kennisneming van de biedingen mede te delen dat zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde die gelijk is aan de hoogste bieding, waarbij de overdracht aan dient plaats vinden binnen een termijn die niet meer is dan één maand langer dan die waartegen de hoogste bieder de woning zou kunnen afnemen;\n\n5.3.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.2 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie, verder\n\n5.4.. veroordeelt , binnen twee weken na het verstrekken van de opdracht aan de makelaar in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis, om:\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de door de makelaar gestelde verkoopvoorwaarden, zoals het openstellen van de woning voor bezichtigingen, het hanteren van een vraag- en laatprijs, zoals door de makelaar wordt geadviseerd, en alle overige activiteiten die door de makelaar zinvol worden geacht om tot een verkoop van de woning te komen, waarbij voorts kan worden gedacht aan het in schone, opgeruimde, verzorgde en representatieve staat te laten bevinden van de woning, een en ander volgens de aanwijzingen van de makelaar;\n\nmedewerking te verlenen aan alle verkoopduidingen die op het perceel en\u002Fof de woning door de makelaar zullen worden aangebracht;\n\n5.5.. veroordeelt - voor het geval (in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van , zijn medewerking te verlenen aan het notarieel transport van zijn aandeel in de woning aan , mits de akte in overeenstemming is met hetgeen in dit vonnis is bepaald en geen bepalingen inhoudt die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de notaris ten overstaan van wie de akte gepasseerd wordt;\n\n5.6.. veroordeelt - voor het geval niet (in overeenstemming met het bepaalde in van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om, steeds binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van :\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een verkoopovereenkomst;\n\nuiterlijk twee dagen voor de dag waarop de woning aan de kopende partij moet worden geleverd, de in zijn bezit zijnde sleutels ter vrije beschikking aan de kopende partij, althans de passerend notaris te stellen;\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen akte van levering op het overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nen bepaalt dat de netto verkoopopbrengst (na aflossing van de hypothecaire geldlening en na voldoening van de met de verkoop gepaard gaande kosten, zoals de makelaarskosten) bij helfte aan partijen wordt overgemaakt;\n\n5.7.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.4, 5.5 en\u002Fof 5.6 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. Met het oog op de verkoop van de woning hebben partijen een opdracht tot dienstverlening verstrekt aan [bedrijf] B.V (hierna: de makelaar) voor een vraagprijs van € 449.500,- kosten koper, waarin is opgenomen dat de verkoop zal plaatsvinden conform vonnis en volgens de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden verkoop bij inschrijving. Ook is vermeld dat inschrijfformulieren in gesloten envelop afgegeven kunnen worden op het kantoor van de makelaar of per e-mail aan de makelaar, waarbij beide verkopers pas na sluiting inschrijvingstermijn tegelijkertijd op de hoogte worden gebracht van alle biedingen.\n\n3.8.. Bij brief van 4 september 2025 hebben de advocaten van partijen een gezamenlijk verkoopvoorstel aan de makelaar voorgelegd. Dit hield onder meer in dat de makelaar het sluitingstijdstip (voor de biedingen) zou bepalen en dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Verder is in het voorstel – voor zover relevant – opgenomen:\n\nBiedingen worden door geïnteresseerden in een gesloten enveloppe bij u op kantoor ingediend, zodat de biedingen voor zowel verkopers als u niet transparant zijn gedurende het biedingsproces. Dit om beïnvloeding te voorkomen;\n\nDe enveloppen worden in het bijzijn van beide partijen geopend;\n\n [gedaagde] wordt daarna in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen te laten weten of zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding;\n\nBesluit [gedaagde] de woning niet aan zich te laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding, dan zal de woning worden verkocht aan de hoogste bieder;\n\n3.9.. De woning is vervolgens in verkoop gebracht. Op de website van de makelaar en op Funda was vermeld dat biedingen tot uiterlijk 31 oktober 2025 uitgebracht konden worden.\n\n3.10.. De enveloppen met biedingen zouden in eerste instantie op dinsdag 4 november 2025 worden geopend, maar op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen zijn de datum en het tijdstip gewijzigd in vrijdag 31 oktober om 12.00.\n\n3.11.. Bij het openen van de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 bleken er twee biedingen te zijn gedaan. Eén door [gedaagde] voor € 300.000,- en één door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), een vriendin van [gedaagde], voor € 302.500,-.\n\n3.12.. De makelaar heeft partijen diezelfde dag om 23.00 uur via whatsapp geïnformeerd dat hij ‘s avonds op zijn kantoor een nieuwe envelop met een biedingsformulier had aangetroffen. Het was een bieding van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) voor € 400.016,-.\n\n3.13.. De makelaar heeft op 3 november 2025 per email aan partijen onder meer het volgende geschreven:\n\nIk vermoed dat het volgende is gebeurd. Wij hebben op de website en verstrekte\n\nbiedingsformulieren gemeld dat de uiterlijke termijn om een eenmalig voorstel te doen per gesloten enveloppe op 31 oktober zou zijn. In de week voorafgaand aan 31 oktober hebben wij alle kandidaten die een bezichtiging in de agenda hebben gehad per email benaderd dat de inschrijving 31 oktober 12 uur sloot. Begin oktober hebben jullie ook mee gedaan aan de NVW open huizenroute. De derde bieder zal hoogstwaarschijnlijk een bezoeker van het open huis zijn geweest en daarom later het bod hebben bezorgd aan ons kantoor.\n\n(…).\n\nIk wil van jullie allebei per email bevestigd zien hoe we met de 3 biedingen omgaan en of [gedaagde] eventueel de woning zelf afneemt en tegen welke prijs. Ik ga er niet tussen zitten. Ik heb er ook geen mening over, jullie moeten dit zelf bepalen middels het vonnis van de rechtbank.\n\n3.14.. \n [gedaagde] heeft via haar advocaat het standpunt ingenomen dat de bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven, omdat die te laat is binnengekomen. In de email van 6 november 2025 heeft de advocaat bevestigd dat [gedaagde] de toedeling van de woning verlangt tegen het hoogste bod van € 302.500,- en onder dezelfde voorwaarden als door de hoogste bieder zijn gedaan. In de email is een financieringsvoorbehoud van 12 weken genoemd en dat de levering zo spoedig mogelijk plaatsvindt, doch niet later dan 1 april 2026.\n\n3.15.. Op 18 november 2025 heeft [eiser] via zijn advocaat aan [gedaagde] laten weten dat het bod van [betrokkene 2] wel tijdig, namelijk voor 31 oktober 2025 24.00 uur, is uitgebracht. Hij constateert dat [gedaagde] de gelegenheid heeft gehad die bieding te evenaren, maar die ongebruikt heeft gelaten, zodat de makelaar geïnstrueerd moet worden om een koopovereenkomst op te stellen tussen [betrokkene 2] en partijen.\n\n3.16.. Nader overleg tussen partijen heeft er toe geleid dat zij op 30 december 2025 de makelaar hebben verzocht om [betrokkene 2] te vragen of hij nog bereid was de woning voor het door hem geboden bedrag af te nemen. [betrokkene 2] heeft de makelaar daarop bericht dat hij al had besloten om van de koop af te zien.\n\n3.17.. \n [gedaagde] heeft bij een notaris een concept akte van verdeling op laten maken en heeft via haar advocaat op 26 februari 2026 [eiser] gevraagd om zijn medewerking te verlenen aan het passeren daarvan op 12 maart 2026. De advocaat schrijft ook dat het vonnis al eerder is betekend en [eiser] vanaf 13 maart € 250,- per dag aan dwangsom verschuldigd is als hij geen medewerking verleent. [eiser] heeft zijn medewerking niet verleend.\n\n3.18.. \n [eiser] heeft op 12 maart 2026 [gedaagde] via zijn advocaat gesommeerd om akkoord te gaan met verkoop van de woning op zo’n kort mogelijke termijn tegen een zo hoog mogelijke opbrengst. Daarbij is aangegeven dat een clausule kan worden toegevoegd die [gedaagde] het recht geeft om binnen 24 uur na het uitbrengen van een bieding die door de makelaar acceptabel wordt geacht, bedoelde bieding qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden te evenaren. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd.\n\n3.19.. Op 22 april 2026 is [eiser] bij deurwaardersexploot aangezegd dat hij dwangsommen heeft verbeurd van 13 maart 2026 tot en met 21 april 2026 tot een maximum van € 10.000,00, met bevel tot betaling en aankondiging van beslaglegging.\n\n3.20.. \n [eiser] heeft [gedaagde] op 24 april 2026 gesommeerd te verklaren dat zij de aangekondigde executie zal staken\u002Fopschorten totdat tussen partijen in rechte vast staat dat zij op basis van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde biedprocedure recht heeft op toedeling van de woning aan haar en op de dwangsommen. [gedaagde] heeft niet op de sommatie gereageerd.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n [gedaagde] te veroordelen om haar medewerking te verstrekken aan een (standaard) opdracht tot dienstverlening aan makelaar [bedrijf], althans een andere door de voorzieningenrechter aan te wijzen NVM-makelaar in de regio [naam], gericht op verkoop van de woning, waarbij partijen zich verplichten de instructies van de makelaar gericht op het bereiken van een zo hoog mogelijke opbrengst op zo’n kort mogelijke termijn te volgen, (subsidiair) met dien verstande dat [gedaagde] het recht heeft om binnen 24 uur na ontvangst van een kennisgeving van de makelaar van een door een derde uitgebrachte bieding die door hem qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden acceptabel wordt geacht, middels een schriftelijk bericht aan de makelaar en [eiser] kenbaar te maken dat zij die bieding wil evenaren en de woning toegedeeld wil krijgen tegen dezelfde prijs of dezelfde of betere voorwaarden als bedoelde bieder aan zijn bod verbonden had;\n\n [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, te voltooien of af te ronden;\n\n [gedaagde] te veroordelen na totstandkoming van een koopovereenkomst (met een derde) alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het notarieel transport, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen leveringsakte op het met de koper overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nstaking of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2025, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis,\n\neen en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke keer dat zij na betekening van het te wijzen vonnis nalaat aan één van de verzochte veroordelingen onder 1 tot en met 4 te voldoen;\n\n5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] legt aan de vordering het ten grondslag dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om de bieding van [betrokkene 2] te evenaren. Omdat [betrokkene 2] door toedoen en tegenwerking van [gedaagde] is afgehaakt en zijn bod niet meer gestand wil doen, heeft de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Dat is ook het geval als aangenomen zou worden dat het bod van [betrokkene 2] te laat was uitgebracht, gelet op de samenspanning tussen [gedaagde] en [betrokkene 1], aldus [eiser]. Aangezien [gedaagde] al tijdens de rechtbankprocedure in 2025 heeft laten weten dat als de woning aanmerkelijk meer waard zou zijn dan uit de toen door haar in het geding gebrachte taxaties zou blijken, zij deze niet wil overnemen. Partijen kunnen daarom slechts één ding doen: de woning via de gebruikelijke route verkopen, met als doel op zo’n kort mogelijke termijn een zo hoog mogelijke opbrengst te bereiken, aldus nog steeds [eiser].\n\n4.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, omdat deze volgens haar overbodig zijn gemaakt. Als de voorzieningenrechter één of meer vorderingen toewijst, verzoekt zij om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat dit zal leiden tot een onomkeerbaar resultaat, namelijk verkoop van de woning aan een derde. Het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze voorlopige voorziening te kunnen procederen, weegt zwaarder dan het niet door [eiser] onderbouwde spoedeisende belang om direct na een te wijzen vonnis tot een gedwongen verkoop te kunnen komen, aldus nog steeds [gedaagde].\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert onder meer aan dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Er is daarom geen aanleiding om de executie van dwangsommen (jegens [eiser]) te staken of schorsen. Het is niet [gedaagde], maar [eiser] die tekortschiet in de nakoming van het door de rechtbank gewezen vonnis, aldus [gedaagde].\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.6.. \n [gedaagde] vordert om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte verstaan dat het maximum van € 10.000,- aan verbeurde dwangsommen ter zake van de veroordeling, als opgelegd aan [eiser] bij vonnis van 11 juni 2025 is bereikt;\n\n [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat hij, na betekening van het te wijzen vonnis, niet aan de nakoming van een onderdeel van het vonnis van 11 juni 2025 voldoet en daarbij te bepalen dat daaraan een maximum wordt verbonden van € 150.000,-, althans, een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht;\n\nte bepalen dat, wanneer het maximum van het in dit vonnis opgelegde dwangsommen is bereikt zonder tijdige nakoming door [eiser] van het vonnis van 11 juni 2025, dit vonnis op grond van art. 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering (productie 6), die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de recreatiewoning aan [gedaagde] te komen;\n\nalthans aan [gedaagde] vervangende toestemming te verlenen om namens [eiser] over te gaan tot de ondertekening van de verdelingsakte, die is overgelegd als productie 5, die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de woning aan [gedaagde] te komen;\n\n [eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding in reconventie, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening.\n\n4.7.. \n [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat de rechtbank in het vonnis een wijze van verdeling heeft gelast waar uitvoering aan is gegeven. [eiser] werkt echter niet mee aan de laatste stap: medewerking aan de notariële akte van verdeling van woning aan haar. Het dwangmiddel dat de rechtbank heeft opgelegd is niet voldoende om [eiser] te bewegen aan de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling te voldoen. Zij vordert daarom verhoging van de dwangsommen. Voor het geval [eiser] ook dan niet nakomt, vordert zij dat het vonnis in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering en meer subsidiair vervangende toestemming om namens [eiser] over te gaan tot ondertekenen van de verdelingsakte.\n\n4.8.. \n [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert dat toewijzing van het in conventie gevorderde impliceert dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie niet toewijsbaar zijn.\n\n4.9.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nSpoedeisend belang\n\n5.1.. Tussen partijen is sprake van een geschil over de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling van de woning. Een verschil van inzicht over de uitkomst van het biedingsproces heeft tot een impasse geleid. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij de offerte die zij heeft liggen voor het overnemen van de woning maar een beperkte geldigheidsduur heeft, en haar mogelijk daarna niet nogmaals een aanbod wordt gedaan of tegen ongunstiger voorwaarden. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven van zowel de vorderingen van [eiser] in conventie als die van [gedaagde] in reconventie.\n\nin conventie en in reconventie\n\nStaking \u002F schorsing executie dwangsommen\n\n5.2.. In dit geding gaat het in de kern om de vraag of, zoals [gedaagde] stelt, zij conform het vonnis heeft gehandeld en de voorwaarden waaronder de dwangsom door [eiser] is verschuldigd, zijn vervuld. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst beoordeeld worden of [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet aan die voorwaarden is voldaan, en dat, gelet op bij de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis aan het licht gekomen feiten, niet van hem gevergd kan worden dat hij zijn medewerking verleent aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\nIs conform vonnis gehandeld?\n\n5.3.. \n [eiser] stelt dat niet het bod van [betrokkene 1], maar het bod van [betrokkene 2] het hoogste bod was dat is uitgebracht en dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om dat bod te evenaren. Daarom is volgens hem niet aan de voorwaarden voldaan om de woning aan [gedaagde] toe te delen. [gedaagde] betwist dat en voert aan dat het bod van [betrokkene 2] niet als een bieding kan worden gezien, omdat het biedingstraject al was geëindigd.\n\n5.4.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] niet kan volhouden dat het biedingsproces na op 31 oktober 2025 12.00 nog doorliep. Partijen hebben de makelaar in hun brief van 4 september 2025 (3.8) de opdracht gegeven om het sluitingstijdstip te bepalen en slechts aangegeven dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen is besloten om de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 te openen (3.10). Daarmee is het biedingstraject die dag om 12.00 gesloten. Dat vervroeging van het tijdstip mogelijk voor [betrokkene 2] niet kenbaar is geweest, doet daar niet aan af. Het gaat immers om de tussen partijen in onderling overleg ter uitvoering van het vonnis gemaakte afspraken. Dat brengt mee dat die bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven en voorshands uitgangspunt is dat het bod van [betrokkene 1] van € 302.500,- het hoogste bod is dat is uitgebracht. Daarmee is aan de orde de vraag of [gedaagde] door tijdig mee te delen dat zij de woning tegen die waarde aan zich wil laten toedelen, aan de voorwaarden heeft voldaan waaronder [eiser] medewerking aan toedeling moet verlenen.\n\n5.5.. \n [eiser] heeft dat betwist met de stelling dat (hem) is gebleken dat er tussen [gedaagde] en [betrokkene 1] onderlinge afstemming heeft plaatsgehad over de door beide uitgebrachte biedingen. Volgens hem heeft de verkoop daarom niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Het ging immers om de vaststelling van een marktprijs door derden te vragen een bieding uit te brengen en daar is – zo begrijpt de voorzieningenrechter zijn stelling – geen sprake van wanneer biedingen met de belanghebbende bij de uitkomst van dat proces zijn beïnvloed. [gedaagde] heeft betwist dat daarvan sprake is geweest.\n\n5.6.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat er afstemming tussen haar en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft immers niet betwist dat zij met betrekking tot de biedingsmogelijkheid en het biedproces contact met [betrokkene 1] heeft gehad, die een vriendin van haar is en peettante van haar dochter. Daarnaast heeft [eiser] erop gewezen dat zij beide dezelfde versie van het biedingsformulier hebben gebruikt, een versie die qua lay-out afwijkt van het biedingsformulier dat de makelaar gebruikt. Wat er ook zij van dat laatste, uit een verklaring van [betrokkene 1] van 1 mei 2026 blijkt dat zij het formulier voor zichzelf en [gedaagde] heeft uitgeprint. Ook heeft zij verklaard dat [gedaagde] haar erop heeft gewezen dat de woning beschikbaar was voor aankoop en dat het haar bekend was dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen. De verklaring luidt als volgt:\n\nHierbij verklaar ik. [betrokkene 1] dat ik interesse had in de recreatiewoning [adres 1] te [plaats 2]. Ik heb de woning op 29 september 2025 bezichtigd met de makelaar. Hierna heb ik op 13 oktober 2025 een bod van € 302.500, uitgebracht in een gesloten envelop.\n\nIk ben enige tijd daarvoor door [gedaagde] op de hoogte gebracht van de beschikbaarheid van de woning. Ik zag de aankoop van de recreatiewoning als een mooie investering. Ik heb zelf de hoogte van mijn bod bepaald: ik heb deze gebaseerd op de WOZ-waarde die € 300.000.- bedroeg. Ik wist dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen en heb haar daarvoor een biedingsformulier gegeven. Ik heb het biedingsformulier van de makelaar op 29 september ontvangen en uitgeprint vanuit Outlook.live.com: het was een docx document; mogelijk is de lay out daardoor bij het printen wat versprongen. Ik heb niets aan de inhoud of tekst gewijzigd.\n\nOp 27 oktober vernam ik van de makelaar dat de inschrijving sloot op 31 oktober 12.00 uur en ik heb mijn bod uiterlijk die dag nog tot 12.00 kon inleveren, waarna de enveloppen samen met de verkopers geopend zouden worden.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter acht het bod van [betrokkene 1] gelet op de vraagprijs van € 449.500,- opvallend laag, namelijk € 2.500,- boven de WOZ-waarde van € 300.000,-. Ook is opmerkelijk dat [gedaagde] de WOZ-waarde heeft geboden, terwijl zij in de eerder gevoerde bodemprocedure nog bereid was de woning op basis van taxaties voor € 310.000,- respectievelijk € 322.500,- over te nemen en een gelijksoortige woning inmiddels voor € 400.000,- was verkocht (3.5). De voorzieningenrechter acht in dat verband de verklaring van [gedaagde] niet geloofwaardig dat als zij [betrokkene 1] had laten weten dat ze zelf zou meebieden, zij een nog veel lager bedrag zou hebben genoemd. Daarbij komt dat [gedaagde] in de voorbereiding van het verkoopproces veel belang hechtte aan een gesloten proces met geheimhouding en onbekendheid van alle betrokkenen met de biedingen. Dat verhoudt zich niet met het feit dat zij zelf informatie heeft uitgewisseld met iemand van wie ze wist dat zij zou gaan bieden. Als uitleg voor het contact met [betrokkene 1], heeft [gedaagde] verklaard dat zij bang was dat [eiser] misbruik zou maken door een kennis ook mee te laten bieden. Feitelijk heeft [gedaagde] dat zelf gedaan en daarmee de door haar zelf overeengekomen nadere procedureafspraken geschonden. Het vonnis van 11 juni 2025 strekt er evidentelijk toe om een zuiver proces van marktconsultatie in te richten. Aan het proces zoals dat feitelijk is gevoerd kleven voldoende smetten om te oordelen dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling. Onder die omstandigheden kan [gedaagde] niet van [eiser] vergen dat hij meewerkt aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\n5.8.. Dit brengt mee dat de vordering van [eiser] in conventie onder 4, om [gedaagde] te veroordelen de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] recht heeft op toedeling van de woning toewijsbaar is. Deze zal uitvoerbaar bij voorraad worden toegewezen.\n\n5.9.. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd, maar wordt beperkt zoals in de beslissing vermeld.\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.10.. Gelet op het oordeel in conventie, dat erop neerkomt dat [gedaagde] toedeling van de woning aan zichzelf voor een waarde van € 302.500,- vooralsnog niet kan afdwingen, zullen alle vorderingen in reconventie worden afgewezen.\n\nin conventie verder\n\n5.11.. Omdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld om mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning, echter overeenkomstig het vonnis van 11 juni 2025. De vordering onder 1 van [eiser] zal in die zin worden toegewezen. Dat betekent dat [eiser] zich ook ditmaal zal moeten houden aan de in het vonnis aan hem opgelegde verplichtingen. Partijen kunnen het elkaar makkelijker maken door in overleg met de makelaar een vraagprijs vast te stellen die ertoe kan leiden dat de belangstelling in de markt voor de woning wat groter wordt zonder dat [gedaagde]’s kansen op succesvol matchen geheel verdwijnen. (Uiteraard staat het hen ook overigens vrij om afspraken te maken die zonder verder gedoe tot afwikkeling van deze kwestie kunnen leiden.)\n\n5.12.. De vordering onder 2, dat [gedaagde] zich zal onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, zal ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht toewijzing van deze vordering met dwangsom gepast, gelet op de niet weersproken feiten dat [gedaagde] Funda met succes heeft gesommeerd de woning van de site te halen en briefjes op de ramen van de woning heeft geplakt en na verwijdering is blijven plakken met daarop teksten dat de woning niet te koop is en verwijzing naar het vonnis van 11 juni 2025. De dwangsom wordt beperkt tot € 500,- per dag met een maximum van € 20.000,-.\n\n5.13.. De voorzieningenrechter zal de toewijzing van vordering 1 en 2 ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen zal recht worden gedaan door te bepalen dat [eiser] aan deze uitvoerbaar bij voorraad verklaring geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt.\n\n5.14.. De vordering onder 3, die ziet op medewerking van [gedaagde] aan alle handelingen die nodig zijn voor de levering van de woning na totstandkoming van een koopovereenkomst, zal worden afgewezen. Gelet op de inhoud van het vonnis van 11 juni 2025 heeft [eiser] bij die vordering geen belang.\n\nin conventie en in reconventie\n\nProceskosten\n\n5.15.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen in conventie en reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om de op 22 april 2026 aangekondigde executie op te schorten, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis, en de deurwaarder dienovereenkomstig te instrueren, totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] als uitkomst van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde inschrijvingsprocedure recht heeft op toedeling van de onverdeelde helft van de woning,\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer of elke dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.1 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om medewerking te verlenen aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2], overeenkomstig het hiervoor sub 3.6 aangehaalde vonnis,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2] belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde], na betekening van dit vonnis, nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 20.000,-,\n\n6.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n6.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en bepaalt dat [eiser] aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de onder 6.3 en 6.4 genoemde beslissing geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt,\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.8.. wijst de vorderingen van [gedaagde] af,\n\n6.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n1621","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.957Z",{"id":194,"ecli":195,"slug":196,"caseNumber":44,"courtId":197,"decisionDate":191,"fullText":198,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":199,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":52,"updatedAt":200},"897","ECLI:NL:RBROT:2026:7465","ecli-nl-rbrot-2026-7465",61,"RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\ndatum uitspraak: 23 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\nvan\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\ngevestigd in [plaats] ,\n\nverzoekster,\n\nvoormalig gemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en D.H.P. Groen,\n\nhuidige gemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en K.H.M Brackel,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGemeente Rotterdam,\n\nzetelend in Rotterdam ,\n\nverweerder,\n\ngemachtigde: mr. N.C. van Eck,\n\nen in de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\nvan\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\ngevestigd in [plaats] ,\n\nverzoekster,\n\ngemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en K.H.M Brackel,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGemeente Rotterdam,\n\nzetelend in Rotterdam ,\n\nverweerder,\n\ngemachtigde: mr. N.C. van Eck.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.\n\n1. De procedures1.1.. Het verloop van de procedures blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen (ontvangen op 28 februari 2025), geregistreerd onder zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262;\n\nhet verweerschrift met bijlagen in reactie op dat verzoekschrift;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Brackel met bijlage voor de zitting van 9 juli 2025;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Van Eck met bijlage voor de zitting van 9 juli 2025;\n\nhet verzoekschrift met bijlagen (ontvangen op 28 november 2025), geregistreerd onder zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082;\n\nhet verweerschrift met bijlagen (ontvangen op 28 november 2025) in reactie op dat verzoekschrift;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Brackel voor de zitting van 18 mei 2026;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Van Eck voor de zitting van 18 mei 2026.\n\n1.2.. Op 9 juli 2025 is de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262 tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\nvan [verzoekster] [persoon A] ( [functie 1] ) en [persoon B] ( [functie 2] ) met mrs. Bäcker en Brackel;\n\nvan [verweerder] [persoon C] ( [functie 3] ) en [persoon D] ( [functie 4] ) met mr. Van Eck en verder van vastgoedbeheerder [naam vastgoedbeheerder] [persoon E] ( [functie 5] ).\n\n1.3.. De zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262 is vervolgens op verzoek van de partijen aangehouden voor onderling overleg.\n\n1.4.. Op 18 mei 2026 zijn beide zaken tegelijk op een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\nvan [verzoekster] [persoon A] ( [functie 1] ) en [persoon B] ( [functie 2] ) met mrs. Bäcker en Brackel;\n\nvan [verweerder] [persoon C] ( [functie 3] ) en [persoon D] ( [functie 4] ) met mr. Van Eck.\n\n1.5.. Gelet op het hiervoor geschetste verloop van de procedures, beschouwt de kantonrechter de processtukken in zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082 mede als een aanvulling op de processtukken in zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaan de zaken over?\n\n2.1.. Tussen (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] en [verweerder] is een huurovereenkomst tot stand gekomen voor de bedrijfsruimte aan [adres] in [plaats] ( [naam bedrijfsruimte] ), een en ander zoals omschreven in die overeenkomst. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 januari 2013. [verweerder] heeft in een brief van 20 december 2023 de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2024 en aan [verzoekster] de ontruiming aangezegd per die datum. [verweerder] stelt zich in dat verband op het standpunt dat de huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW. [verzoekster] is het daar niet mee eens en stemt niet in met de opzegging, maar stelt wel voorwaardelijk een verzoek in om haar rechten met betrekking tot ontruimingsbescherming veilig te stellen.\n\n2.2.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter primair haar niet-ontvankelijk te verklaren omdat sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW en een verklaring voor recht te geven dat de huurovereenkomst wordt beheerst door de artikelen 7:290 t\u002Fm 7:300 BW. Subsidiair en voorwaardelijk, namelijk voor het geval de kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst wordt beheerst door artikel 7:230a BW, verzoekt [verzoekster] om de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden te verlengen. [verzoekster] meent namelijk dat haar belangen ernstiger worden geschaad door de ontruiming dan die van [verweerder] bij voortzetting van het gebruik door [verzoekster] . [verweerder] is het niet eens met de verzoeken en wil dat die worden afgewezen. [verweerder] vindt dat sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW en dat haar belangen bij ontruiming zwaarder wegen dan die van [verzoekster] bij voortgezet gebruik.\n\nWat is de kern?\n\n2.3.. \n [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, omdat de huurovereenkomst onder het huurregime van artikel 7:230a BW valt en de huurovereenkomst is geëindigd. De beoordeling van het eerste verlengingsverzoek is niet meer relevant gelet op de verstreken tijd. Het tweede verlengingsverzoek wordt wel inhoudelijk beoordeeld en toegewezen: de ontruimingstermijn wordt verlengd tot en met 31 december 2026. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\nDe huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW\n\n2.4.. De huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW. Daartoe wordt als volgt overwogen.\n\n2.5.. Om het primaire verzoek te beoordelen moet worden vastgesteld of het gehuurde valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW of onder het huurregime van artikel 7:290 BW. Een huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:290 BW als sprake is van huur en verhuur van bedrijfsruimte (artikel 7:290 lid 1 BW). Onder bedrijfsruimte wordt verstaan een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is (artikel 7:290 lid 2 onder a BW). Bij de beantwoording van de vraag voor welk doel of met welke bestemming de ruimte is verhuurd, is beslissend wat partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, omtrent het gebruik daarvan voor ogen heeft gestaan.\n\n2.5.1.. De partijen betrekken de voorgeschiedenis van de totstandkoming van de huurovereenkomst bij de kwalificatie. Die voorgeschiedenis is – kort samengevat – dat sinds 1997 (een vennootschap van) [bedrijf 2] (via rechtsvoorgangers) van [verweerder] circa 5.238 m2 ruimte aan de [adres] huurde. Over de contractuele bestemming van de oude huurovereenkomst zijn de partijen het niet helemaal eens, omdat zij uitgaan van twee verschillende versies van de oude huurovereenkomst. Volgens [verzoekster] is de contractuele bestemming “terminal, lounge, feestzaal annex cafe-restaurant”. [verweerder] wijst op een andere versie en stelt dat de bestemming verschillend is voor twee gedeeltes van de gehuurde ruimte: gedeelte A van in totaal 925 m2 is bestemd als café-restaurant en keuken met kantoorruimte, opslagruimte en toiletten en gedeelte B van in totaal 4.338 m2 heeft de bestemming entreehal met balie, terminal lounge\u002Ffeestzaal, kofferopstelruimte\u002Ffeestzaal en toiletten. De kantonrechter acht dit verschil evenwel niet relevant, omdat uit beide versies kan worden afgeleid dat slechts een deel van de ruimte is bestemd als café-restaurant. Wel relevant is dat de oude huurovereenkomst met ingang van 2013 is ‘gesplitst’ in twee huurovereenkomsten in die zin dat 578 m2 van de bovenverdieping wordt verhuurd aan (de rechtsvoorganger van) [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) en de benedenverdieping en een deel van de bovenverdieping (in totaal 4.174 m2) wordt verhuurd aan (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] . Rondom de splitsing zijn wijzigingen aangebracht, waardoor de bovenverdieping – het deel dat nu door [bedrijf 3] wordt gehuurd – via een trap aan de buitenzijde een aparte ingang heeft gekregen. Die wijziging is ook vastgelegd in de nieuwe huurovereenkomst met [bedrijf 3] . Die huurovereenkomst is vormgegeven naar het model voor 290-bedrijfsruimte en daarin is als bestemming opgenomen: horecavoorziening met keuken, opslag en kantoorruimten.\n\n2.5.2.. Bovenaan de huurovereenkomst met [verzoekster] staat “huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW” en de hierbij horende algemene bepalingen zijn van toepassing verklaard. Het gehuurde heeft als contractuele bestemming: evenementenlocatie. Vóór de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst en ook nu wordt het (onderhavige) gehuurde (deel) ook als zodanig gebruikt door [verzoekster] . Daar is geen discussie over. De bedrijfsruimte is een lege hal en wordt alleen daadwerkelijk gebruikt als er een evenement is. Sommige van deze evenementen zijn periodiek terugkerende evenementen en worden niet alleen in het gehuurde georganiseerd, maar ook op locaties elders in Nederland. Van reguliere openingstijden of van even binnenlopen voor een hapje of drankje in het gehuurde is geen sprake. Er moet een evenement plaatsvinden en voor toegang tot het gehuurde tijdens een evenement moeten bezoekers een toegangskaart kopen. Ook externen kunnen gebruik maken van het gehuurde om een (besloten) evenement te organiseren. Het gehuurde beschikt zelf niet over horecafaciliteiten. Voor het verzorgen van eten en drinken tijdens evenementen maakte en maakt [verzoekster] gebruik van de faciliteiten van de ruimte die nu door [bedrijf 3] wordt gehuurd. Als dat niet meer mogelijk zou zijn, moet [verzoekster] externe catering inhuren, aldus [verzoekster] . Verder is van belang dat met [verzoekster] geen vaste huurprijs is afgesproken, maar afhankelijk van het aantal zogenoemde callsper jaar (eventueel) een basishuur en in ieder geval een vaste vergoeding per evenement. Deze afspraak houdt verband met de omstandigheid dat [verweerder] [naam bedrijfsruimte] voor een deel van de tijd verhuurt aan [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) als aankomst- en vertrekhal voor cruiseschepen. In de huurovereenkomst met [verzoekster] is vastgelegd dat het gebruik van de ruimte door [bedrijf 4] voorrang heeft. Als er eencallis en de ruimte moet door [bedrijf 4] worden gebruikt als aankomst- en vertrekhal, kan [verzoekster] op haar beurt geen gebruik maken van het gehuurde. Maar ook als er geencallszijn en [naam bedrijfsruimte] wel ter beschikking staat aan [verzoekster] , wordt het gehuurde uitsluitend geëxploiteerd als er een evenement plaatsvindt. Gelet op deze kenmerken kunnen de activiteiten van [verzoekster] niet worden gelijkgesteld met het uitoefenen van een restaurant- of cafébedrijf in een voor het algemeen publiek toegankelijk lokaal zoals bedoeld in artikel 7:290 BW. De door [verzoekster] aangevoerde omstandigheid dat een horecavergunning is afgegeven, brengt ook niet mee dat het gehuurde als restaurant- of cafébedrijf moet worden aangemerkt. Ook in het geval van een 230a-bedrijfsruimte kan een horecavergunning nodig zijn.\n\n2.5.3.. Dat [verzoekster] na de splitsing van de oude huurovereenkomst haar activiteiten op dezelfde manier heeft voortgezet als zij eerst deed – namelijk gebruik maken van de horecafaciliteiten van het nu door [bedrijf 3] gehuurde deel – overtuigt de kantonrechter niet van de stelling dat de partijen bij de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst voor ogen hebben gehad dat het door [verzoekster] gehuurde wordt gebruikt als restaurant-, café- of daarmee gelijk te stellen bedrijf in de zin van artikel 7:290 BW. De contractueel afgesproken bestemming, de voorgeschiedenis van de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst waarbij het horecagedeelte is afgesplitst van de evenementenlocatie en de wijzigingen in de feitelijke situatie duiden juist op het tegenovergestelde.\n\n2.5.4.. De kantonrechter volgt [verzoekster] ook niet in de stelling, die door [verweerder] wordt betwist, dat uit een aantal bepalingen uit de huurovereenkomst moet worden afgeleid dat de partijen het gehuurde als 290-bedrijfsruimte hebben willen kwalificeren. Een aantal bepalingen uit de huurovereenkomst vertoont inderdaad enige gelijkenis met het huurregime van artikel 7:290 BW, maar dat betekent nog niet dat het gehuurde moet worden gekwalificeerd als 290-bedrijfsruimte. De toepasselijkheid van artikel 7:230a BW laat namelijk onverlet dat de partijen zelf afspreken dat zij (bepaalde regels van) het dwingendrechtelijke huurregime van artikel 7:290 BW van overeenkomstige toepassing (kunnen) verklaren op de huurovereenkomst.\n\nDe huurovereenkomst is geëindigd\n\n2.6.. Voordat aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt toegekomen, moet de voorvraag worden beantwoord of de huurovereenkomst is geëindigd. De partijen denken daar namelijk allebei anders over. De kantonrechter beantwoordt de vraag bevestigend.\n\n2.6.1.. De kantonrechter volgt [verzoekster] niet in haar stelling dat de opzegging van de huurovereenkomst tegen 31 december 2024 geen effect sorteert. [verzoekster] is die mening toegedaan, omdat in de huurovereenkomst is bepaald dat de wettelijke opzeggingsgronden in acht moeten worden genomen en [verweerder] in strijd daarmee geen wettelijke opzeggingsgronden heeft genoemd in de opzeggingsbrief. De kantonrechter stelt vast dat er geen discussie is over hoe de betreffende bepaling in de huurovereenkomst (artikel 3.4) moet worden begrepen. De partijen gaan allebei ervan uit dat met ‘de wettelijke opzeggingsgronden’ de opzeggingsgronden zoals genoemd in artikel 7:296 BW worden bedoeld. In de opzeggingsbrief wordt weliswaar niet uitdrukkelijk benoemd dat de huurovereenkomst wordt opgezegd op grond van de belangenafweging zoals bedoeld in artikel 7:296 lid 3 BW, maar de kantonrechter is met [verweerder] eens dat [verzoekster] dit wel uit de motivering van de opzegging in die brief heeft moeten begrijpen.\n\n2.6.2.. \n [verzoekster] meent dat de huurovereenkomst niet door opzegging is geëindigd, omdat zij niet heeft ingestemd met de opzegging. Echter, instemming met de opzegging is niet nodig. Dat is wel zo als de regels van het huurregime van artikel 7:290 BW van toepassing zouden zijn, maar dat is niet het geval.\n\n [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn\n\n2.7.. Het primair verzochte wordt afgewezen. [verzoekster] is wél ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, omdat de huurovereenkomst onder het huurregime van artikel 7:230a BW valt.\n\nHet (eerste) verlengingsverzoek wordt niet inhoudelijk beoordeeld\n\n2.8.. Hoewel [verzoekster] ontvankelijk is in het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, beoordeelt de kantonrechter het (eerste) verlengingsverzoek niet inhoudelijk. De beoordeling van dat verzoek is niet meer relevant, omdat de (eerste) verlengingstermijn al is verstreken en de verplichting om te ontruimen geschorst is gebleven tot voorbij de maximale verlengingstermijn vanwege het tijdsverloop van de procedure (artikel 7:230a lid 3 BW).\n\nin de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\nAlleen het (tweede) verlengingsverzoek wordt beoordeeld\n\n2.9.. De kantonrechter beoordeelt het primair verzochte niet, omdat dat verzoek al in de eerste zaak is beoordeeld. Omdat [verzoekster] ontvankelijk is in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, wordt hierna wel het (tweede) verlengingsverzoek beoordeeld.\n\nDe ontruimingstermijn wordt verlengd tot en met 31 december 2026\n\n2.10.. Het verlengingsverzoek wordt toegewezen en de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden wordt verlengd met een jaar, tot en met 31 december 2026. Het oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n2.11.. Vooropgesteld wordt dat een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn slechts wordt toegewezen als de belangen van de huurder door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door de huurder (artikel 7:230a lid 4 BW). In de wet is ook een aantal verplichte afwijzingsgronden bepaald, maar die doen zich hier niet voor. In deze zaak staat de belangenafweging centraal.\n\n2.11.1.. \n [verweerder] voert als belang bij ontruiming van het gehuurde aan dat de bestaande constructie niet meer wenselijk en houdbaar is. De bestaande constructie houdt zoals gezegd in dat de ruimte voor een deel van de tijd in gebruik is bij [verzoekster] , namelijk voor dat deel van de tijd dat de ruimte niet wordt gebruikt door [bedrijf 4] als aankomst- en vertrekhal voor cruiseschepen. Volgens [verweerder] was bij aanvang van de huurovereenkomst met [verzoekster] in 2013 niet voorzien dat het aantal callsmet de jaren enorm zou toenemen, wat wel het geval is. Het aantalcallsis de afgelopen jaren vrijwel verdubbeld. Door de sterke toename van het aantalcallsen de afspraken in de huurovereenkomst is de vergoeding die [verzoekster] aan [verweerder] betaalt afhankelijk van diens bedrijfsvoering en niet kostendekkend; dat past niet langer binnen haar beleid, aldus [verweerder] . [verzoekster] betwist het voorgaande niet, maar voert aan dat het pijnpunt niet zit in de huurrelatie tussen haar en [verweerder] , maar in de huurrelatie tussen [bedrijf 4] en [verweerder] en de inhoud van de afspraken die [bedrijf 4] en [verweerder] hebben over vergoeding voor het gebruik van het gehuurde en de kosten ( [verzoekster] noemt dit een ‘all-in’ huurovereenkomst). [verweerder] heeft dat niet bestreden, dus de kantonrechter gaat uit van de juistheid hiervan.\n\n2.11.2.. De kantonrechter is met [verzoekster] eens dat ontruiming door [verzoekster] niet tegemoet komt aan het (financiële) belang dat [verweerder] stelt. Door ontruiming zal [verweerder] juist inkomsten (namelijk de huur van [verzoekster] ) mislopen en niet de financiële moeilijkheden oplossen. Er zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die dit anders maken. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom voortgezet gebruik van het gehuurde door [verzoekster] de belangen van [verweerder] schaadt.\n\n2.11.3.. \n [verzoekster] heeft wel belang bij voortgezet gebruik van het gehuurde en dat belang wordt geschaad als zij moet ontruimen. Zij licht toe dat er geen vervangende locaties zijn in [plaats] , dat het verlies van [naam bedrijfsruimte] als evenementenlocatie tot verlies van haar klantenkring zal leiden en dat zij haar onderneming zal moeten beëindigen omdat die dan niet langer levensvatbaar is. [verweerder] heeft nog wel andere locaties in [plaats] benoemd, maar [verzoekster] heeft gemotiveerd bestreden dat dat (beschikbare) alternatieven zijn.2.11.4.. Gelet op het voorgaande worden de belangen van [verzoekster] door ontruiming ernstiger geschaad dan de belangen van [verweerder] bij voortgezet gebruik door [verzoekster] . Dat leidt tot toewijzing van het verlengingsverzoek.\n\nin beide zaken\n\nProceskosten\n\n2.12.. De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\n3.1.. wijst het primair verzochte af;\n\n3.2.. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;\n\nin de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\n3.3.. verlengt de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden met een jaar, tot en met 31 december 2026;\n\n3.4.. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7465","2026-07-13T00:28:53.564Z",{"id":202,"ecli":203,"slug":204,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":191,"fullText":205,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":206,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":52,"updatedAt":207},"717","ECLI:NL:RBAMS:2026:6601","ecli-nl-rbams-2026-6601","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12162456 \\ EA VERZ 26-386\n\nBeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap GOOGLE NETHERLANDS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Google,\n\ngemachtigde: mr. K. van Kranenburg-Hanspians.\n\nVERLOOP VAN DE PROCEDURE\n\nOp verzoek van [verzoeker] is op 24 maart 2026 een verzoekschrift, met producties, ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 196 en 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\nOp 28 mei 2026 is door Google een verweerschrift, met producties, ingediend.\n\n De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. [verzoeker] is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Namens Google zijn [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verschenen, vergezeld van de gemachtigde en mr. M.M.J. van Vliet. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn namens [verzoeker] nog aanvullende stukken in het geding gebracht. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities, zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\nTen slotte is een datum voor beschikking bepaald.\n\nGRONDEN VAN DE BESLISSING\n\nFeiten\n\n1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:1.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1989, is in oktober 2016 in dienst getreden bij Google Inc in de Verenigde Staten en vervolgens op 26 augustus 2019 in dienst getreden bij Google in de functie [functie] . Zijn salaris bedraagt € 9.666,67 bruto per maand.1.2.. Op 20 februari 2026 heeft Google een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ingediend bij de kantonrechter te Amsterdam. Op 6 maart 2026 is de mondelinge behandeling hiervoor bepaald op 3 juni 2026.1.3.. \n\nIn het verzoekschrift wordt door Google een samenvatting gegeven van de feiten en omstandigheden die volgens Google leiden tot een onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie tussen haar en [verzoeker] op grond waarvan de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Dit zijn:\n\n- Werkrelatie onder druk;\n\n- Interactie tussen [verzoeker] en zijn manager: lastig en teleurstellend;\n\n- Het functioneren van [verzoeker] leidt tot het einde van zijn inzet voor het klantaccount;\n\n- Frictie over het “hoe en wat”;\n\n- [verzoeker] staat niet open voor feedback;\n\n- Geen werkzaamheden sinds 22 oktober 2024: frequent ziekteverzuim wegens werkconflict;\n\n- [verzoeker] onderzoekt andere functies binnen Google in de VS.\n\n- [verzoeker] klaagt over prestatiebeoordelingen en verbeterplan.1.4.. In het daar namens [verzoeker] tegen ingediende verweerschrift van 26 mei 2026 is door [verzoeker] verweer gevoerd en is verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen.1.5.. In het verweerschrift heeft [verzoeker] vermeld dat hij op 15 oktober 2025 door het Huis voor Klokkenluiders formeel erkend is als klokkenluider en op 23 juli door de Autoriteit Consument en Markt is erkend als klokkenluider, zodat hij een beschermde status heeft in de ontbindingsprocedure. Verder voert hij aan dat het door Google uitgevoerde onderzoek door het Employee Relations ernstig gebrekkig is geweest. [verzoeker] betwist in het verweerschrift dat sprake is van niet goed presteren en bestrijdt dat hij niet open stond voor feedback. Ook voert [verzoeker] aan dat Google niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en betoogt hij dat Google in strijd heeft gehandeld met de Wet Gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Ten slotte heeft [verzoeker] een algemeen bewijsaanbod gedaan.1.6.. In de ontbindingsprocedure heeft [verzoeker] een verzoek tot een billijke vergoeding ingediend.\n\nVerzoek\n\n2. [verzoeker] verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te bepalen. [verzoeker] voert daarvoor de volgende juridische grondslagen aan. Allereerst is volgens hem sprake van schending van het benadelingsverbod ex artikel 17 e van de Wet Bescherming Klokkenluiders (hierna WBK), een melder mag niet benadeeld worden gedurende en na de behandeling van een melding van een vermoeden van een misstand. [verzoeker] is door twee overheidsinstanties erkend als klokkenluider. Indien een melder wordt benadeeld is sprake van een bewijslastomkering en wordt vermoed dat de benadeling het gevolg daarvan is en ligt het op de weg van de werkgever om het tegendeel te bewijzen. Verder is Google haar verplichtingen als goed werkgever als bedoeld in 7:611 BW niet nagekomen door een gebrekkig onderzoek, nalevingsconflicten te herformuleren als samenwerkingsproblemen, vergeldingsmaatregelen te nemen tijdens ziekteverlof en een werknemer met een beschermde status te confronteren met een ultimatum. Daarnaast heeft Google de re-integratie van [verzoeker] niet tijdig en adequaat bevorderd, hetgeen door het UWV formeel is vastgesteld, aldus [verzoeker] . Voorts is sprake van schending van artikel 15 van de AVG. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft geoordeeld dat de opschorting van het inzageverzoek van [verzoeker] onwettig was. Google heeft documenten retroactief verwijderd uit latere producties en wisselende rechtvaardigingen daarvoor gehanteerd. Ten slotte is sprake geweest van schending van gelijke behandeling ex artikel 2 en 4 WGBH\u002FCZ door het systematisch weigeren van redelijke aanpassingen voor een gediagnosticeerde neurodivergente werknemer, gevolgd door nadelige maatregelen op basis van daaruit voortvloeiende prestatiedwang, een vorm van verboden onderscheid, aldus [verzoeker] . Hij overweegt een bodemprocedure te starten. De mogelijke vorderingen zijn, aldus [verzoeker] :\n\nVerklaring voor recht dat Google het benadelingsverbod van de WBK heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google de re-integratieverplichtingen ex artikel 7:658a BW heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google de AVG heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google heeft gediscrimineerd op grond van handicap;\n\nSchadevergoeding wegens de geleden materiële en immateriële schade;\n\nRectificatie van het interne personeelsdossier.\n\nVerweer\n\n3. Google verweert zich tegen het verzoek en voert daartoe het volgende aan, kort weergegeven. [verzoeker] is te laat met zijn verzoek. Via dit verzoek probeert [verzoeker] bewijs te verzamelen ten behoeve van de ontbindingsprocedure die al aanhangig is. Er is ook geen onderscheid tussen de kernonderwerpen van de beide procedures. Elk onderwerp dat [verzoeker] in het onderhavige verzoek aan de orde stelt, speelt ook in de ontbindingsprocedure. Subsidiair voert Google aan dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen op grond van strijd met de goede procesorde, onvoldoende belang, dan wel misbruik van procesrecht.\n\nBeoordeling\n\n4. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter verzoeken één of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, zoals het horen van getuigen. Het doel van een voorlopig getuigenverhoor is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering over omstreden of onbekende feiten en te voorkomen dat bewijs verloren gaat. Ook kan de verzoekende partij aan de hand van de getuigenverklaringen haar positie in een mogelijke procedure of in de onderhandelingen beter inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een procedure te beginnen. Van aanhangig zijn van een procedure geldt dat hiervan sprake is indien, zoals in het onderhavige geval, een verzoekschrift ter griffie is ingediend.\n\n5. Niet in geschil is dat de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door Google op 20 februari 2026 is gestart voordat [verzoeker] dit verzoek tot het horen van de getuigen heeft ingediend. Het ligt tegen die achtergrond dan ook op zijn weg om in deze proceure aannemelijk te maken dat het gevraagde voorlopig getuigenverhoor geen verband houdt met de kwesties die in de ontbindingsprocedure (de bodemprocedure) aan de orde gebracht zullen worden of daar behandeld kunnen worden. In dat geval zou er immers geen bodemprocedure zijn waarin die kwesties aanhangig zijn. [verzoeker] is niet geslaagd dat aannemelijk te maken. Alle door [verzoeker] aangevoerde gronden voor het houden van het voorlopig getuigenverhoor zijn ook in de ontbindingsprocedure aan de orde. De vraag of [verzoeker] als klokkenluider moet worden aangemerkt ligt ter beoordeling voor in de ontbindingsproceure, nu [verzoeker] daarin betoogt dat de bewijslast op grond van de WBK moet worden omgekeerd. De vraag of Google als goed werkgever heeft gehandeld en de gronden die daarvoor door [verzoeker] naar voren zijn gebracht, het gebrekkige onderzoek, de beoordelingkwesties en de samenwerking, zullen bij de beoordeling of het dienstverband moet voortduren aan de orde komen. Zo nodig kunnen daar de getuigen over gehoord worden, ook de vraag of alle documenten daarvoor beschikbaar zijn. Datzelfde geldt voor het verwijt dat Google niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Of Google discriminatoir heeft gehandeld, is door [verzoeker] ook ingebracht in de ontbindingsprocedure, zodat ook daar in de bodemprocedure een oordeel zal moeten worden gevormd en zo nodig getuigen gehoord kunnen worden. In aanvulling is ter terechtzitting gebleken dat [verzoeker] in de ontbindingsprocedure een billijke vergoeding heeft gevorerd, zodat het verzoek tot het vaststellen van een schadevergoeding geen zelfstandige grond voor een voorlopig getuigenverhoor oplevert. Voor zover namens [verzoeker] ter terechtzitting nog is betoogd dat in de ontbindingsprocedure slechts beperkt ruimte is voor een dergelijk onderzoek en hij graag de onderste steen boven wil krijgen, brengt dat enkele betoog – wat daarvan ook zij- niet mee dat daarmee de verplichting dat de voorlopige bewijsverrichting eerder gestart moet zijn dan de bodemprocedure, kan worden ontlopen.\n\n6. Het past niet (meer) in het wettelijk systeem om de door [verzoeker] in deze procedure opgeworpen kwesties in een afzonderlijke getuigenverhoor op te helderen. Daarvoor biedt de ontbindingsprocedure alle mogelijkheden.\n\n7. [verzoeker] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, aan de zijde van Google begroot als na te melden,\n\nBESLISSING\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek;\n\nveroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 577,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening van € 72,00 als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\nverklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6601","2026-07-13T00:28:44.529Z",20,[11,210,211,212,213],2025,2024,2023,1915]