[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-commercial-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":211},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":209,"page":14,"limit":210},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},59,"commercial-law-nl","Commercial Law","NL","2026-07-08T16:54:05.553Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":26},6,24,{"month":28,"count":21},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,54,63,72,81,90,97,104,112,119,127,136,144,151,159,167,175,184,192,202],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"1521","ECLI:NL:RBLIM:2026:6522","ecli-nl-rblim-2026-6522","",66,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12258659 \\ HA VERZ 26-3\n\nBeschikking van 2 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nJULIAN MAESEN,\n\nte Venlo,\n\nhierna te noemen: Julian,\n\nverzoekende partij.\n\nDe kantonrechter merkt als belanghebbenden aan: [moeder],\n\nen\n\n [vader],\n\nbeiden wonende te [plaatsnaam] ,\n\nhierna gezamenlijk te noemen: de ouders.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Julian is geboren op 10 april 2009 te Venlo. Op dit moment is hij 17 jaar oud. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over Julian.\n\n2.2.. De vennootschap onder firma JTecom, een onderneming in detailhandel (via internet) in kleding en kledingaccessoires, is sinds 1 juni 2026 opgericht en geregistreerd in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 42067555.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Julian heeft de kantonrechter verzocht om verkrijging van een handlichting als bedoeld in artikel 1:235 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het verzoek is mede ondertekend door de wettelijke vertegenwoordigers van Julian, de ouders.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Op verzoek van een minderjarige kan op grond van artikel 1:235 lid 1 BW een handlichting door de kantonrechter worden verleend. Handlichting betekent dat aan een minderjarige bepaalde bevoegdheden van een meerderjarige worden toegekend. Een verzoek tot handlichting kan worden ingediend wanneer de minderjarige de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. Bij de beoordeling van het verzoek moet de kantonrechter zich laten leiden door het belang van de minderjarige en beoordelen of de gevraagde handlichting verantwoord is. Op grond van het tweede lid van artikel 1:235 BW wordt de handlichting niet verleend tegen de wil van de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen.\n\n4.2.. De kantonrechter heeft vastgesteld dat Julian 17 jaar is, dat de ouders met zijn verzoek instemmen en dat zij als de handlichting wordt verleend toezicht zullen uitoefenen op de manier waarop Julian hieraan uitoefening geeft.\n\n4.3.. De kantonrechter is van oordeel dat Julian goed heeft uitgelegd waarom hij de handlichting nodig heeft. Julian heeft samen met een meerderjarige vennoot, [vennoot] , een vennootschap onder firma (VOF) opgericht. Om deze VOF verder op te richten \u002Fvoort te zetten, het openen en beheren van een zakelijke bankrekening, het verrichten van betalingen ten behoeve van de VOF en het aangaan van overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van de VOF is handlichting nodig.\n\n4.4.. Gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting, is de kantonrechter van oordeel dat de verlening van handlichting in het belang is van Julian en dat dit verantwoord is. Het verzoek zal daarom worden toegewezen op de manier zoals hierna onder het kopje “De beslissing” is vermeld.\n\n4.5.. In artikel 1:237 lid 1 BW is bepaald dat een beschikking waarbij handlichting is verleend, bekend moet worden gemaakt in de Staatscourant. De bedoeling van de wetgever is daarbij geweest dat op die manier zoveel mogelijk personen kennis kunnen nemen van de handlichting. Daarnaast zal de beschikking (niet geanonimiseerd) door de griffier worden gepubliceerd op de internetpagina www.rechtspraak.nl, zodat de inhoud daarvan ook via die weg kenbaar is. Julian moet er rekening mee houden dat de verleende handlichting niet eerder geldt dan wanneer de publicatie in de Staatscourant een feit is.\n\n4.6.. Op grond van artikel 36 Handelsregisterbesluit 2008 dienen gegevens met betrekking tot de handlichting, te worden ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dit betekent dat de datum waarop de handlichting is verkregen en de bevoegdheden die daarbij zijn toegekend aan Julian moeten worden ingeschreven. Bij de opgave ter inschrijving wordt de datum van uitgave en het nummer van de Staatscourant overgelegd waarin de rechterlijke beschikking inzake de handlichting is openbaar gemaakt, of een authentiek afschrift van de beschikking met vermelding van de dagtekening en het nummer van die Staatscourant. Julian moet hier zelf voor zorgen.\n\n4.7.. \n\nDe kantonrechter wijst voor de goede orde en volledigheidshalve nog op het bepaalde in het derde lid van artikel 1:235 BW, waarin is bepaald dat Julian door de verleende handlichting niet bekwaam wordt tot het beschikken over registergoederen, effecten of door hypotheek gedekte vorderingen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verleent aan Julian handlichting tot het zelfstandig uitoefenen van de onderneming VOF JTecom en aldus de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn om samen met [vennoot] de onderneming uit te oefenen (zoals het aangaan van de VOF), en waaronder het openen en beheren van een zakelijke bankrekening, het verrichten van betalingen ten behoeve van de onderneming, het aangaan van overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van de VOF,\n\n5.2.. bepaalt dat de publicatie van deze beschikking tot handlichting in de Staatscourant en (niet geanonimiseerd) op www.rechtspraak.nl dient te worden gepubliceerd en dat de griffier hiervoor zorg dient te dragen,\n\n5.3.. verstaat dat Julian zal zorgen voor inschrijving van de gegevens met betrekking tot de handlichting in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\n FK","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6522","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:25.239Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":46,"fullText":59,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"412","ECLI:NL:RBAMS:2026:6793","ecli-nl-rbams-2026-6793",56,"RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F785698 \u002F KG RK 26-520 MK\u002FJT\n\nBeschikking van 2 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nGLENCORE INTERNATIONAL AG,\n\nte Baar (Zwitserland),\n\nverzoekster,\n\nhierna te noemen: Glencore,\n\nadvocaten: mr. F.J.L. Kaptein en mr. W.J.E. Nijnens,\n\ntegen\n\nGLOBAL CAPITAL MERCHANTS LIMITED,\n\nte Tortola (Britse Maagdeneilanden), verweerster, hierna te noemen: GCM,\n\nadvocaten: mr. J.R. Gal en mr. S. el Baroudi,\n\nen\n\n1. ACCESS WORLD GROUP HOLDINGS B.V.,\n\nte Rotterdam, hierna te noemen: AWG,\n\nadvocaat: mr. T.M. Munnik, 2. TIRONIMUS AG,\n\nte Baar (Zwitserland), hierna te noemen: Tironimus, 3. [verweerder 3],\n\nte [plaats] , hierna te noemen: [verweerder 3] , 4. [verweerder 4],\n\nte [plaats] , hierna te noemen: [verweerder 4] , 5. SILTECH PMR PTY LIMITED,\n\nte Sydney (Australië), hierna te noemen: Siltech, advocaten: mr. M. Deckers en mr. S. Martina Palacio, 6. PERFECT HEXAGON LIMITED (IN LIQUIDATIE),\n\nte Hong Kong (China), hierna te noemen: PHL, advocaten: mr. M. Deckers en mr. S. Martina Palacio, belanghebbenden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Glencore heeft op 31 maart 2026 een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met producties ingediend, welk verzoekschrift aan deze beschikking is gehecht. Vervolgens is een mondelinge behandeling bepaald op 21 mei 2026.\n\n1.2.. Op 13 mei 2026 hebben Siltech en PHL een verweerschrift met producties ingediend. Op 15 mei 2026 heeft GCM een verweerschrift met producties ingediend. Op 18 mei 2026 heeft AWG een productie ingediend en meegedeeld het verzoek van Glencore te ondersteunen. Op 20 mei 2026 heeft Glencore een aanvullende productie ingediend.1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 mei 2026 hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Glencore, GCM en Siltech en PHL mede aan de hand van een pleitnota. Na verder debat is deze procedure pro forma aangehouden tot en met 4 juni 2026 voor overleg tussen partijen over een mogelijke regeling.1.4.. Bij de mondelinge behandeling waren voor zover van belang aanwezig: - aan de zijde van Glencore: [naam 1] (legal counsel; via een videoverbinding), [naam 2] (finance manager; via een videoverbinding), [naam 3] (legal counsel), [naam 4] (juridisch adviseur), [naam 5] (juridisch adviseur), H.T. Haanappel (waarderingsdeskundige bij Vantage Valuation), met mr. Kaptein en mr. Nijnens, alsmede J.M. Steur en M.C. Tol (tolken Engels); - aan de zijde van GCM: [naam 7] (bestuurder) en M. van Heugten (waarderingsdeskundige bij Eight Advisory), met mr. Gal; - aan de zijde van AWG: [naam 8] (CFO; via een videoverbinding) en [naam 9] (CLO), met mr. Munnik, alsmede I. Huigens (tolk Engels); - aan de zijde van Siltech en PHL: [naam 10] (bestuurder van Siltech) en [naam 11] (vereffenaar\u002Fliquidator van PHL; via een videoverbinding), met mr. Deckers.\n\n1.5.. Tironimus en [verweerder 3] (belanghebbenden sub 2 en 3) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen. [verweerder 4] (belanghebbende sub 4) was bij de mondelinge behandeling aanwezig in hoedanigheid van bestuurder van GCM, maar heeft zich niet gesteld in hoedanigheid van garantsteller.\n\n1.6.. Bij e-mail van 4 juni 2026 heeft de advocaat van Glencore meegedeeld dat partijen geen schikking hebben bereikt en verzocht om een datum voor het geven van de beschikking te bepalen.\n\n1.7.. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de advocaat van GCM [**] verzocht om de beslissing in deze procedure aan te houden [**].\n\n1.8.. Bij e-mails van 5 en 8 juni 2026 hebben de advocaten van respectievelijk AWG en Glencore bezwaar gemaakt tegen de door GCM verzochte aanhouding.\n\n1.9.. Op 9 juni 2026 is aan partijen bericht de beschikking op 2 juli 2026 zal worden gegeven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Glencore is een van de grootste bedrijven ter wereld die handelt in natuurlijke hulpbronnen en is een producent en verkoper van grondstoffen. Tironimus is een dochtervennootschap van Glencore en betreft een houdstermaatschappij.\n\n2.2.. GCM houdt zich voornamelijk bezig met de overname van logistieke bedrijven en opslagbedrijven voor de grondstoffenindustrie.\n\n2.3.. AWG is de Nederlandse houdstermaatschappij van de Acces World-groep, die wereldwijd logistieke diensten aanbiedt en een uitgebreid netwerk van haven- en opslagfaciliteiten exploiteert.\n\n2.4.. \n\nOp 11 juli 2022 hebben onder meer Finges Investment B.V. (hierna: Finges; een dochteronderneming van Glencore) en GCM een koopovereenkomst (de oorspronkelijke share purchase agreement) ondertekend voor de verkoop door Finges aan GCM van alle aandelen in het kapitaal van AWG (hierna: de aandelen) tegen een koopprijs van USD 176.700.000. Op 29 december 2022 is die transactie afgerond en heeft Finges de\n\naandelen aan GCM geleverd.\n\n2.5.. Glencore heeft in dat kader aan GCM op 11 juli 2022 een verkoperslening (hierna: de vendor loan) verstrekt voor de koop van alle aandelen in AWG door middel van een vendor loan facility agreement(hierna: de VFA). Glencore heeft daarbij USD 100 miljoen aan GCM ter beschikking gesteld om een deel van de koopprijs te voldoen. [verweerder 3] en [verweerder 4] (belanghebbenden sub 3 en 4) hebben een garantie verstrekt voor de nakoming van alle verplichtingen van GCM onder de VFA. De oorspronkelijke uiterste aflossingsdatum was 29 december 2023.\n\n2.6.. Op 23 december 2022 is de VFA bij amendement gewijzigd waarbij het uitstaande hoofdbedrag onder de VFA werd verhoogd tot USD 140 miljoen en GCM werd verplicht om op 16 januari 2023 (hierna: aflossingsdatum) een aflossing te doen ter hoogte van het bedrag (indien van toepassing) waarmee de vendor loan op dat moment USD 100 miljoen zou overschrijden, verminderd met eventuele vrijwillige vooruitbetalingen (hierna: het aflossingsbedrag).\n\n2.7.. Overeenkomstig artikel 2.5 van de VFA worden de betalingsverplichtingen van GCM onder meer gedekt door een eersterangs pandrecht op alle aandelen die GCM houdt in AWG (hierna: het pandrecht). Het pandrecht is op 29 december 2022 bij notariële akte gevestigd (hierna: de pandakte) en strekt op grond van artikel 1.1 en artikel 2.1.3 van de pandakte tot zekerheid voor de voldoening van alle huidige en toekomstige betalingsverplichtingen van GCM jegens Glencore uit hoofde van de VFA en de overige financieringsdocumenten (gedefinieerd als de Secured Obligations).\n\n2.8.. \n\nGCM liet na op de aflossingsdatum het aflossingsbedrag aan Glencore te betalen. Op grond van artikel 15.2 (Non-payment) van de VFA was GCM als gevolg daarvan in verzuim. Dit verzuim duurt nog steeds voort. Vanwege dit verzuim en in overeenstemming met artikel 15.21 (Acceleration) van de VFA, heeft Glencore op 2 februari 2023 met een notice of accelerationde vendor loan, de opgelopen rente en alle overige bedragen onder de\n\nfinancieringsdocumentatie opeisbaar gemaakt en onmiddellijke betaling van het totale uitstaande bedrag van USD 140.956.712,33 gevorderd. GCM heeft dit bedrag niet betaald. Dat geldt ook voor de rente over de vendor loan voor twee renteperiodes tot aan 4 augustus 2023. GCM is in verzuim ten aanzien van het doen van deze rentebetalingen. Ook dit verzuim duurt tot op heden.2.9.. Vervolgens heeft Glencore GCM meer tijd gegund om te betalen en hebben partijen nadere afspraken gemaakt, hetgeen niet tot betaling door GCM heeft geleid.\n\n2.10.. Op 28 november 2025 hebben de curatoren van PHL ter zekerheid van het verhaal van een vordering van € 38.189.786,80 op GCM ten laste van GCM conservatoir beslag gelegd op de aandelen in AWG. De curatoren van PHL hebben GCM vervolgens gedagvaard in een procedure voor de High Court of the Hong Kong Special Administrative Region.\n\n2.11.. Op 11 december 2025 heeft Siltech ter zekerheid van het verhaal van een vordering van € 4.693.174,40 op GCM eveneens ten laste van GCM conservatoir beslag gelegd op de aandelen in AWG. Siltech had voor die vordering reeds op 19 november 2024 een procedure tegen GCM aanhangig gemaakt bij de Supreme Court van Sydney te Australië.\n\n2.12.. Op verzoek van Glencore heeft Vantage Valuation B.V. (hierna: Vantage) een beoordeling van de going concern-waarde van AWG uitgevoerd. In het door Vantage op 11 maart 2026 opgeleverde waarderingsrapport – waarin zij gebruik maakt van eendiscounted cash flow-waarderingsmethode – concludeert zij dat de huidige reële marktwaarde(fair market value)van de aandelen in AWG (per waarderingsdatum 31 december 2025) USD [**] bedraagt.\n\n2.13.. Op 31 maart 2026 heeft Glencore een enforcement noticeaan GCM gestuurd. Per die datum bedroeg het volledige uitstaande en opgeëiste bedrag onder de VFA een totaal van USD 108.888.875 (inclusief USD 20.342.874 aan rente).\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoekschrift strekt ertoe om, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking:\n\nI. aan Glencore, als pandhouder, op grond van artikel 3:251 lid 1 BW verlof te verlenen om de aandelen in het kapitaal van AWG over te dragen aan Tironimus onder de voorwaarden zoals beschreven in de Sale and Purchase Agreement van 31 maart 2026 (SPA) (waarin onder meer is beschreven dat de koopsom USD [**] bedraagt, dat de koopsom wordt voldaan op grond van verrekening en dat een opschortende voorwaarde is dat de relevantie merger control authoritiesalle documenten en goedkeuringen hebben afgegeven die partijen noodzakelijk achten voor voltooiing van de verkoop) en Glencore te machtigen om alle daarvoor benodigde of nuttige handelingen te verrichten;\n\nII. indien de voorzieningen dat nodig acht: te bepalen dat de onderhandse verkoop binnen vier maanden dient plaats te vinden;\n\nIII. GCM te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Glencore stelt daartoe – samengevat – het volgende.\n\n3.2.1.. GCM is in verzuim met de nakoming van haar betalingsverplichtingen onder de VFA. Glencore heeft GCM verschillende keren uitstel van betaling verleend en zich uiterst coulant opgesteld, maar GCM voldoet consequent niet aan de gemaakte betalingsafspraken. De vordering van Glencore op GCM wordt onder meer gedekt door een eersterangs pandrecht op 100% van de aandelen die GCM houdt in AWG. Glencore wenst dit pandrecht te executeren. Aangezien een openbare verkoop blijkens een eerder verkoopproces tot onvoldoende opbrengst leidt, wenst Glencore de aandelen via een onderhandse verkoop te verkopen aan haar dochteronderneming Tironimus. Deze onderhandse verkoop leidt tot de hoogste executieopbrengst. De koopsom van UDS [**] weerspiegelt de reële marktwaarde en is aanzienlijk hoger dan de prijs die op korte termijn op een executieverkoop zou kunnen worden verkregen. Er is geen beter alternatief en er zijn geen geïnteresseerde bieders in de markt die bereid zijn het bod van Tironimus te evenaren of te overtreffen. De voorgenomen verkoop is in het belang van alle betrokken partijen. De schuld van GCM aan Glencore verminderd hierdoor maximaal (met USD [**]).\n\n3.2.2.. In oktober 2024 heeft MJM Advisory LTD (hierna: MJM) op verzoek van Glencore 29 afzonderlijk potentieel geïnteresseerde partijen benaderd op basis van hun veronderstelde financiële capaciteit om AWG over te nemen en hun expertise in de sector. Van deze 29 partijen hebben 16 partijen een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend, waarna zij biedingsinstructies en een vertrouwelijk informatiememorandum van het managementteam van AWG ontvingen (met daarin gecontroleerde financiële jaarrekeningen over 2022 en 2023 alsmede een vooruitzicht tot 2029). Nadat geïnteresseerde een vrijblijvend bod zouden hebben uitgebracht, zouden zij toegang krijgen tot nadere informatie. Vervolgens hebben van die 16 partijen er drie een vrijblijvende bieding gedaan. Bieder 1 deed een bod van USD [**] op kas- en schuldenvrije basis. Bieder 1 is verzocht dat bod te verhogen, maar dat werd geweigerd, waarna zelf een verlaging van het bod volgde. Bieder 2 deed een bod van USD [**] in contanten, maar heeft dat bod vervolgens niet doorgezet. Bieder 3 deed een bod van USD [**] in contanten en werd geselecteerd om door te gaan naar de volgende fase en werd van aanvullende informatie voorzien. Na verschillende locatiebezoeken voor bieder 3 en een vier uur durende presentatie bracht bieder 3 een herzien bod uit van USD [**] op kas- en schuldenvrije basis. In oktober 2025 heeft bieder 3 zich teruggetrokken. Ondertussen is wederom met bieder 1 gesproken en heeft bieder 1 een herzien bod gedaan met een contante verhouding van USD [**] en een earn out van USD [**] plus een minderheidsbelang in bieder 1. Omdat de totale waarde van dat bod zich niet met zekerheid liet vaststellen is besloten niet met bieder 1 verder te gaan. Het eerdere zorgvuldig doorlopen verkoopproces heeft aldus niet tot realistische biedingen geleid. Er is bij partijen in de markt weinig interesse voor de aandelen in AWG. Een openbare verkoop van de aandelen zou tot een koopprijs leiden die niet in verhouding staat tot de waarde van de aandelen.\n\n3.2.3.. \n\nVantage heeft de operating enterprise valueop basis van dediscounted cash flow-methode vastgesteld op USD [**] per devaluation dateop 31 december 2025. Op dat bedrag is vervolgens eencross checkuitgevoerd op basis van de drie biedingen die zijn\n\nontvangen tijdens het eerdere verkoopproces. Daaruit volgt dat de door Vantage vastgestelde operating enterprise value van USD [**] zelfs boven de range is van\n\nUSD [**] die kan worden afgeleid uit de drie biedingen die eerder zijn gedaan. Daarbij geldt dat die biedingen tot stand zijn gekomen op basis van een vooruitzicht van het management van AWG op de financiële jaren lopend van 2024 tot 2029. De vooruitzichten voor 2024 en 2025 zijn te optimistisch gebleken, nu de EBITDA aanzienlijk lager is uitgevallen dan voorspeld. Als de bieders dit hadden geweten, is het aannemelijk dat hun biedingen lager zouden zijn geweest. Ook is de vastgestelde operating enterprise value gecontroleerd op basis van tien vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen. Daaruit blijkt dat de vastgestelde operating enterprise value van AWG van USD [**] binnen de range is van USD [**] die volgt uit de multiples van de tien vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen. Vervolgens is de operating enterprise valueomgerekend naar de marktwaarde van de aandelen (fair market value) door (i) de waarde van deelnemingen in en leningen aan joint ventures op te tellen, (ii) schulden aan banken en langlopendeemployee benefitsaf te trekken, (iii)non-controlling interestaf te trekken, en (iv) de aandeelhouderslening van GCM af te trekken. Vantage komt uit op een waarde van de aandelen van USD [**]. Gelet op onder meer het eerdere verkoopproces en de\n\ntijd die het kostte om AWG in 2022 aan GCM te verkopen, verwacht Vantage dat de prijs voor de aandelen die bij een executieverkoop op korte termijn zou kunnen worden gerealiseerd, ongeveer 25-35% onder de waarde van USD [**] zou liggen, aldus steeds Glencore.\n\n3.3.. AWG heeft het volgende aangevoerd. Zij ondersteunt het verzoek van Glencore. Haar senior managementteam is van mening dat Glencore in haar hoedanigheid van (indirect) aandeelhouder (mocht de verkoop aan Tironimus worden goedgekeurd) voor de nodige stabiliteit en rust zal kunnen zorgen en meent dat snelheid geboden is. Zij wenst zich verder niet te mengen in de discussie over de waardering van de aandelen, aldus AWG.\n\n4. Het verweer\n\n4.1.. GCM voert – samengevat – het volgende verweer.\n\n4.1.1.. Glencore heeft het eerdere verkoopproces in 2025 volledig naar zich toe getrokken en GCM daar geheel buiten gehouden. Het verloop daarvan en dat er drie vrijblijvende biedingen zouden zijn gedaan heeft GCM voor het eerst vernomen vanuit het verzoekschrift in deze procedure. GCM heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken, verder geen inzage gekregen in de identiteit van de benaderde partijen, de inhoud van hun biedingen, de daaraan verbonden voor waarden, de redenen waarom partijen zijn afgevallen of de wijze waarop Glencore en MJM het proces hebben ingericht. Aldus was het GCM volstrekt onduidelijk of het verkoopproces gestructureerd was verlopen, of er reële biedingen waren ontvangen en of het verkoopproces daadwerkelijk gericht was op het realiseren van de hoogst mogelijke opbrengst.\n\n4.1.2.. Ook nu is voor GCM nog altijd veel onduidelijk over dat proces. Zo vermeldt Glencore in haar verzoekschrift niet: (a) welke partijen zij in het verkoopproces heeft benaderd, (b) met welke concrete propositie zij die partijen heeft benaderd, (c) welke inschrijfvoorwaarden zij daarbij heeft gehanteerd, of (d) welke verkoopinformatie zij ten aanzien van AWG heeft verstrekt. Daardoor is voor GCM niet te reconstrueren waarom slechts 16 van de benaderde partijen een geheimhoudingsovereenkomst hebben getekend, en waarom slechts drie daarvan een bieding hebben gedaan. Evenmin is duidelijk wat die biedingen uiteindelijk inhielden. Onduidelijk is hoe groot het gat is tussen de uiteindelijk door Glencore ontvangen biedingen en de prijs waarvoor zij de aandelen thans aan Tironimus wenst te verkopen. Glencore biedt geen bewijs dat de biedingen commercieel gevoelige informatie bevatten en evenmin dat de biedingen zijn onderworpen aan geheimhoudingsverplichtingen op basis waarvan de biedingen niet in deze procedure kunnen worden ingebracht. Bovendien kan MJM niet als onafhankelijk adviseur worden beschouwd nu haar werknemer die zich met het verkoopproces heeft beziggehouden eerder in dienst was bij ING Corporate Finance die Glencore had geadviseerd bij de oorspronkelijke verkoop van AWG aan GCM.\n\n4.1.3.. Het door Glencore overgelegde (uittrekstel van het) waarderingsrapport van Vantage kan niet serieus genomen worden. Onduidelijk is hoe Vantage precies tot de door haar bepaalde waarde is gekomen. Niet in geschil is dat de aandelen in AWG op 11 juli 2022 een waarde van USD 176,7 miljoen vertegenwoordigden. AWG is nog altijd een goed lopende onderneming met waardevaste activa. Een taxateur in Mauritius taxeerde de waarde van de aandelen in 2024 op een bedrag van USD [**]. Ook indien daaraan voorbij wordt gegaan is er geen enkele reden om aan te nemen dat de aandelen nu nog maar [**] van de waarde hebben die zij in 2022 hadden toen GCM AWG kocht van Glencore.\n\n4.1.4.. Glencore heeft niet onderbouwd dat de beoogde onderhandse verkoop een meer geschiktere wijze van executie is dan een openbare verkoop en evenmin dat met de beoogde onderhandse verkoop een maximale opbrengst zal worden behaald. Het verzoek moet daarom worden afgewezen. Subsidiair verzoekt GCM om aanhouding van de procedure en volledige inzage in het eerdere verkoopproces en in het waarderingsrapport van Vantage en de daaraan ten grondslag liggende financiële stukken. Meer subsidiair verzoekt GCM om het verlof niet eerder dan na zes maanden in werking te laten treden en te bepalen dat het verlof zal vervallen indien GCM de aandelen in AWG weet te verkopen voor een koopprijs hoger van USD [**], aldus steeds GCM.\n\n4.2.. Siltech en PHL voeren – samengevat – het volgende verweer.\n\n4.2.1.. Hoe hoger de opbrengst van de verkoop van de aandelen, hoe groter de kans dat na voldoening van Glencore een surplus resteert waarop Siltech en PHL zich kunnen verhalen. Bij de door Glencore thans voorgestelde verkoopprijs van USD [**] staat vast dat er voor Siltech en PHL niets overblijft waarop zij zich kunnen verhalen. Siltech en PHL hebben er belang bij dat bij de verkoop een zo hoog mogelijke opbrengst wordt gerealiseerd. Het verzoek van Glencore voldoet niet aan de vereisten om te kunnen worden toegewezen.\n\n4.2.2.. Uit het eerdere verkoopproces blijkt niet dat openbare verkoop van de aandelen niet tot realistische biedingen leidt. Dat Glencore ervoor heeft gekozen om de kring van gegadigden in de praktijk te beperken strookt niet met het uitgangspunt van maximale opbrengstrealisatie dat bij een openbare verkoop dient te gelden. Uit het door MJM opgezette verkoopproces blijkt dat er wel degelijk serieuze marktinteresse bestond en bestaat voor de aandelen. Waarom bieder 3 zich heeft teruggetrokken blijft onduidelijk evenmin is duidelijk waarom bieder 1 heeft geboden zoals zij heeft gedaan. Daarnaast blijkt uit de door Siltech en PHL ingediende producties dat er wel degelijk andere geïnteresseerde partijen waren, waaronder Capevest Equity Partners (hierna: Capevest) dat ondanks getoonde interesse niet bij het verkoopproces werd betrokken. Glencore heeft het verkoopproces zelf gestuurd. Zij heeft bijvoorbeeld niet verklaard waarom het eerste bod van bieder 1 onvoldoende was om (zonder verhoging van dat bod) door te mogen naar de volgende fase. Kennelijk zocht Glencore niet serieus naar een potentiële koper.4.2.3.. De voorgenomen verkoop aan Tironimus leidt niet tot de hoogste executieopbrengst. De waardering van de aandelen in AWG door Vantage is ondeugdelijk voor het bepalen van de prijs van de aandelen. De waardering door Vantage sluit niet aan bij de realiteit, hetgeen blijkt uit de door Siltech en PHL ingebrachte stukken. Zeven vergelijkbare transacties in de periode 2022-2025 hanteren multiplesdie variëren van [**] x tot [**] x EBIDTA. De meest vergelijkbare transactie is Glencore’s eigen verkoop van AWG in 2022 voor een koopprijs van USD 180 miljoen. Dit komt neer op een multiple van [**] x EBIDTA op het resultaat over boekjaar 2021. De door Glencore voorgestelde prijs van USD [**] komt neer op een multiple van ongeveer [**] x EBIDTA en ligt daarmee ruim onder elk gepubliceerd sectorgemiddelde en ver onder haar eigen verkoopprijs voor dezelfde aandelen in 2022. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat USD [**] de maximaal mogelijke executieopbrengst zou zijn.\n\n4.2.4.. Anders dan Glencore meent is een executie op korte termijn niet noodzakelijk. AWG staat niet op omvallen en een faillissement is niet onvermijdelijk als de voorgestelde onderhandse verkoop niet doorgaat. Het argument van een verdisconteerde executiekorting van 25-35% gaat dus niet op. Bij de voorgestelde onderhandse verkoop blijft er voor Siltech en PHL niets over, maar anders dan Glencore meent staat niet vast dat een openbare verkoop voor Siltech en PHL niets zou kunnen opleveren. Voor zover het verzoek toch wordt toegewezen verzoeken Siltech en PHL dat aan het verlof de voorwaarde wordt verbonden dat het Tironimus wordt verboden om gedurende drie jaren de aandelen in AWG aan een derde te verkopen voor een hoger bedrag dan het bedrag waarvoor deze aan haar zijn verkocht, aldus steeds Siltech en PHL.5. De beoordeling\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.1.. Allereerst moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en welk nationaal recht van toepassing is. Alleen AWG is in Nederland gevestigd en het geschil heeft een internationaal karakter.\n\n5.2.. GCM, Glencore en AWG zijn in de pandakte een forumkeuze als bedoeld in artikel 25 lid 1 van de Brussel I-bis-Verordening overeengekomen. Artikel 10.2 van de pandakte bepaalt dat deze rechtbank exclusief bevoegd is om kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit of verband houden met de pandakte. De voorzieningenrechter van deze rechtbank is daarom internationaal en relatief bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. Bovendien vindt de executie van de aandelen plaats in het arrondissement Amsterdam.\n\n5.3.. Het pandrecht op de aandelen in AWG en de executie daarvan worden beheerst door Nederlands recht. Het betreft aandelen in een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap die in Nederland is gevestigd. Daarnaast geldt dat Nederlands recht ook als toepasselijk recht is aangewezen in artikel 10.1 van de pandakte.\n\njuridisch kader5.4.. Uitgangspunt is dat een recht van pand wordt uitgeoefend door middel van een openbare verkoop. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 3:251 lid 1 BW echter op verzoek van de pandhouder of de pandgever bepalen dat het pand op een andere wijze zal worden verkocht. De voorzieningenrechter dient daarbij onder meer te onderzoeken of bij die andere dan openbare verkoop een hogere opbrengst valt te verwachten dan bij een openbare verkoop, een en ander in het belang van de schuldenaar, en mede rekening houdend met de belangen van andere schuldeisers.\n\n5.5.. Verder geldt als uitgangspunt dat de pandhouder bepaalt of, en zo ja wanneer, hij gaat executeren nadat hij de bevoegdheid heeft gekregen zijn recht van parate executie uit te oefenen. Daarbij wordt opgemerkt dat een procedure als de onderhavige er niet voor is bedoeld om de hoogte van een vordering van de pandhouder en de rang van een pandrecht vast te stellen. Deze procedure is dus beperkt tot de wijze van executie.\n\ninhoudelijke beoordeling\n\n5.6.. Het pandrecht van Glencore op de AWG-aandelen en haar recht om een verzoek als het onderhavige in te dienen is tussen partijen niet in geschil. GCM betwist verder niet de omvang van de vordering van Glencore op GCM en ook niet dat zij in verzuim is met de nakoming van haar (betalings)verplichtingen. Uitgangspunt is dus dat de executiebevoegdheid van Glencore ten aanzien van de AWG-aandelen bestaat en dat deze via een verzoek als hier aan de orde kan worden uitgeoefend.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het verzoek van Glencore niet kan worden toegewezen en licht dit oordeel hierna toe.\n\n5.8.. Door GCM en Siltech en PHL is niet aangevoerd en evenmin is gebleken dat er een concrete koper is die de aandelen in AWG wenst over te nemen voor een bedrag dat hoger is dan USD [**]. Die omstandigheid vormt op zichzelf een argument voor toewijzing van het verzoek van Glencore. Daartegenover staan echter de volgende zwaarder wegende omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.\n\n5.8.1.. De beoogd koper van de verpande aandelen in AWG, Tironimus, is een dochtervennootschap van Glencore. AWG was eerder onderdeel van Glencore en is in 2022 verkocht aan GCM omdat, naar de voorzieningenrechter begrijpt, destijds de combinatie van handel in en opslag van metalen gevoelig lag. Desgevraagd heeft Glencore ter zitting bevestigd dat deze gevoeligheid niet langer bestaat. Deze voorgeschiedenis en het feit dat de koper dochteronderneming van de schuldeiser is wiens pandrecht wordt geëxecuteerd maakt de kans op belangenverstrengeling reëel. Zo ligt het voor de hand dat er voor Glencore bij de voorgestelde onderhandse verkoop meer belangen spelen dan enkel opbrengstmaximalisatie.\n\n5.8.2.. Met GCM en Siltech en PHL is de voorzieningenrechter van oordeel dat het eerdere verkoopproces dat Glencore vanaf oktober 2024 door MJM heeft laten uitvoeren niet voldoende is voor de conclusie dat er geen belangstelling in de markt is voor de aandelen in AWG om een hogere waarde dan USD [**] te betalen. Dat zou mogelijk anders kunnen zijn indien Glencore volledig openheid van zaken zou hebben geboden over dat eerdere verkoopproces, maar dat heeft zij niet gedaan. De hoogte van de door Glencore genoemde vrijblijvende biedingen laten zien dat er wel degelijk serieuze belangstelling was. Tot slot speelt de omstandigheid dat de kring van gegadigden kennelijk door MJM beperkt is gehouden en dat er kennelijk ook een geïnteresseerde partij als Capevest niet bij het verkoopproces is betrokken. Dit alles maakt dat het eerdere verkoopproces niet richtinggevend is voor de vraag of er bij openbare verkoop een hogere opbrengst te verwachten valt.\n\n5.8.3.. Gelet op hetgeen GCM en Siltech en PHL (zie 4.1.3 en 4.2.3) hebben aangevoerd (waaronder taxatie van de waarde van de aandelen in 2024 voor USD [**] en de mate waarin de voorgestelde prijs van USD [**] zich verhoudt tot vergelijkbare transacties) is het heel wel mogelijk dat het waarderingsrapport van Vantage uitgaat van een te lage marktwaarde van de aandelen in AWG.\n\n5.8.4.. Niet aannemelijk is tot slot dat Glencore nadeel ondervindt indien de aandelen worden aangeboden op een openbare veiling, waarbij de aandelen eventueel tegen een minimumprijs van USD [**] kunnen worden aangeboden en waarbij ook Tironimus kan meebieden. De door Glencore tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting waarom een openbare veiling nadelig zou zijn overtuigt niet. Een openbare veiling van aandelen kan, zoals Glencore terecht stelt, tijdrovend en kostbaar zijn, maar dat de executie op een korte termijn moet plaats te vinden is door Glencore niet aannemelijk gemaakt en daarnaast geldt dat de kosten van een openbare veiling in dit geval vermoedelijk beperkt zijn in verhouding tot de waarde van de aandelen. Ten slotte heeft Glencore nog gesteld dat aandelen zich in het algemeen niet gemakkelijk laten veilen en in het algemeen tot een lagere opbrengst zullen leiden dan bij een onderhandse verkoop, maar dat is als algemene stelling onvoldoende. Mogelijk dat juist met een openbare veiling geïnteresseerde bieders zichtbaar worden die daarvoor niet bekend waren. Mocht uiteindelijk geen hogere waarde dan van USD [**] gerealiseerd worden dan heeft een openbare veiling voor transparantie gezorgd en binnen dat kader ook voor opbrengstmaximalisatie.\n\nslotsom\n\n5.9.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek zal worden afgewezen. Aan de door GCM en Siltech en PHL gedane tegenverzoeken wordt niet toegekomen.\n\nproceskosten\n\n5.10.. Glencore is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van GCM, Siltech en PHL betalen. AWG dient de eigen kosten te dragen nu zij het standpunt van de in het ongelijk gestelde partij heeft ondersteund. De proceskosten van GCM enerzijds en Siltech en PHL anderzijds worden ieder afzonderlijk begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306\n\n- nakosten\n\n€\n\n189\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.230\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n6.1.. weigert het verzoek,\n\n6.2.. veroordeelt Glencore in de proceskosten van GCM, tot op heden begroot op € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt Glencore in de proceskosten van Siltech en PHL, tot op heden begroot op € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,\n\n6.4.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\ntype: JT","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6793","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.619Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":71},"520","ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","ecli-nl-rbams-2026-6625","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F788058 \u002F KG ZA 26-413 NB\u002FMV\n\nVonnis in kort geding van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. MANYA HOLDING B.V.,\n\nte Amsterdam, 2. MANYA II B.V.,\n\nte Amsterdam, 3. MANYA MIP B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partijen bij dagvaarding van 21 mei 2026,\n\nhierna samen en in enkelvoud ook te noemen: Manya,\n\nadvocaten: mr. J.L. Snijders en mr. J.X.J. Cremers,\n\ntegen\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nSITUS DEUTSCHLAND GMBH,\n\nte Frankfurt am Main (Duitsland), 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nINFINITY HOLDCO PD I S.Á.R.L.,\n\nte Munsbach (Luxemburg),\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: Situs en Infinity,\n\nadvocaten: mr. Th.P.J. Hanssen en mr. E.C. Kruisifikx.\n\n1. De procedure\n\nTijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 17 juni 2026 heeft Manya de dagvaarding toegelicht. Situs en Infinity hebben mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:\n\naan de zijde van Manya: [naam 1] en [naam 2] met mr. Snijders en mr. Cremers;\n\naan de zijde van Situs en Infinity: [naam 3] , bijgestaan door E.A. Roest, tolk Nederlands\u002FDuits, met mr. Hanssen en mr. Kruisifikx. Na verder debat is vonnis bepaald op 1 juli 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Manya Holding B.V., Manya II B.V. en Manya MIP B.V. houden gezamenlijk alle aandelen in Upforce Holding B.V. (hierna Upforce). Upforce houdt op haar beurt de aandelen in een aantal dochtervennootschappen, die actief zijn in de uitzendbranche.\n\n2.2.. VEP Fund 4 Coöperatief U.A. (hierna VEP) houdt (indirect) de meerderheid van de aandelen in Manya. VEP is een private equityinvesteerder.\n\n2.3.. Op 21 juni 2023 heeft Infinity een financiering van € 23.500.000 verstrekt aan de Upforce-groep op grond van een zogenoemde senior facilities agreeement(SFA). Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA heeft de Upforce-groep pandrechten gevestigd op roerende zaken, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten. Tevens heeft Manya ten behoeve van Infinity derdenzekerheid verstrekt in de vorm van een pandrecht op de aandelen die zij houdt in Upforce (hierna het Pandrecht).\n\n2.4.. Situs treedt op als agentensecurity agentvoor Infinity en houdt de op grond van de SFA gevestigde zekerheidsrechten, waaronder het Pandrecht.\n\n2.5.. Op 22 juni 2023 is het Pandrecht opgenomen in een pandakte. In artikel 8 van die akte staat onder meer dat Manya afstand doet van de beschermende wettelijke regelingen die voor derdenpandgevers gelden, waaronder artikel 3:234 BW. In artikel 15 staat onder meer dat Manya afstand doet van haar rechten op regres en subrogatie jegens Upforce.\n\n2.6.. Sinds het eerste half jaar van 2024 schiet Upforce tekort in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. Naar aanleiding hiervan zijn gesprekken gevoerd tussen Infinity enerzijds en de (indirect) aandeelhouders van Upforce (Manya en VEP) anderzijds. Er is onder meer gesproken over het verstrekken van aanvullende financiering aan Upforce door haar aandeelhouders. Die gesprekken hebben niet tot een definitieve oplossing geleid.\n\n2.7.. Bij brief van 9 december 2025 hebben Infinity en Situs aan Manya bericht dat vanwege het voortdurende verzuim van Upforce onder de SFA de stemrechten verbonden aan de verpande aandelen in Upforce zijn overgegaan op Situs.\n\n2.8.. Nadien zijn de gesprekken over een oplossing van de betalingsachterstand voortgezet. In dit kader heeft VEP bij brief van 19 december 2025 onder meer bericht dat Upforce meer dan € 4.000.000 in kas heeft en dat dit bedrag kan worden aangewend om de schuld aan Infinity af te lossen. Daarnaast heeft VEP een voorstel gedaan dat onder meer inhield dat zij bereid was een garantie af te geven.\n\n2.9.. Op 21 januari 2026 hebben Upforce, Infinity en Situs een amendment and standstill agreementgesloten. Hieruit blijkt onder meer dat de betalingsachterstand van Upforce per die datum ongeveer € 3.400.000 bedroeg. In deze overeenkomst verplicht Infinity zich – kort gezegd – om de financiering tot 1 januari 2027 niet versneld bij Upforce op te eisen op basis van de bestaande achterstanden. In artikel 2.2 van die overeenkomst staat – kort gezegd – dat Infinity te allen tijde wèl bevoegd blijft, dus ook vóór 1 januari 2027, om het Pandrecht uit te winnen.\n\n2.10.. Bij brief van 28 januari 2026 heeft Infinity Manya en VEP gesommeerd om te bevestigen dat zij meewerken aan overdracht van alle aandelen in Upforce aan Infinity voor € 1,-, met finale kwijting over en weer. Bij het uitblijven van die bevestiging zal het Pandrecht worden uitgewonnen, aldus de brief van 28 januari 2026.\n\n2.11.. Bij brief van 4 februari 2026 heeft Manya bericht niet akkoord te gaan met overdracht van de aandelen tegen € 1,-. Verder staat in die brief dat het Pandrecht niet als acquisitiemiddel mag worden gebruikt en dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert.\n\n2.12.. Bij brief van 17 februari 2026 heeft VEP namens Manya nogmaals een voorstel gedaan tot onder meer aanvullende financiering van Upforce. Dit voorstel is gedaan onder de voorwaarde dat de achtergestelde leningen bij Upforce (vendor loans en earn-out) worden kwijtgescholden.\n\n2.13.. Bij brief van 30 april 2026 heeft Infinity het hiervoor genoemde voorstel van VEP afgewezen. In diezelfde brief kondigt Infinity aan een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 BW in te dienen, tenzij VEP alsnog bevestigt de aandelen voor € 1,- over te dragen.\n\n2.14.. Bij brief van 6 mei 2026 heeft Manya bericht hiermee niet akkoord te gaan.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nManya vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. Infinity en Situs te verbieden over te gaan tot enige executiemaatregel met\n\nbetrekking tot het Pandrecht, waaronder doch niet beperkt tot (i) het indienen van een verzoekschrift ex artikel 3:251 BW en (ii) het houden van een openbare executieveiling, op straffe van een dwangsom van € 500.000 per overtreding;\n\nalthans Infinity en Situs te verbieden voornoemde executiemaatregelen te nemen tot 1 januari 2027, althans voor een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, op straffe van dezelfde dwangsom;\n\nII. Infinity en Situs te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Manya legt aan haar vordering ten grondslag dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert (artikel 3:13 BW), in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 jo artikel 6:248 BW) en in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig is (artikel 6:162 BW).\n\n3.3.. Situs en Infiinity hebben verweer gevoerd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In de SFA en pandakte is overeengekomen dat de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is om van geschillen tussen partijen kennis te nemen.\n\n4.2.. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Upforce jegens Infinity tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. De achterstand (en volgens Infinity de gehele financiering) is daardoor opeisbaar. Infinity en Situs zijn (dus) bevoegd tot uitwinning van het Pandrecht. Manya heeft in dit kort geding op vijf gronden aangevoerd dat uitwinning van het Pandrecht in haar visie misbruik van recht oplevert, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel onrechtmatig is. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat hiervan geen sprake is en licht dit als volgt toe.\n\n(1) de kaspositie van Upforce\n\n4.3.. De kaspositie van Upforce zou (ruim) voldoende zijn om de opeisbare schuld van Infinity te voldoen, aldus Manya. Upforce zou per 19 mei 2026 over een vrij beschikbare kaspositie beschikken van ongeveer € 5.100.000 (dus na aftrek van de gelden die op de G-rekening staan), terwijl de opeisbare achterstand ongeveer € 3.400.00 bedraagt. Daar komt bij dat VEP op 17 februari 2026 (zie 2.12) een voorstel heeft gedaan om € 1.250.000 aan kapitaal in te brengen in Upforce en een liquiditeitsfaciliteit van € 2.150.000 aan Upforce ter beschikking te stellen, waardoor de kaspositie van Upforce aanmerkelijk wordt versterkt. Omdat het stemrecht op de aandelen is overgegaan naar Infinity kan zij eenvoudigweg bewerkstelligen dat de achterstand uit de kaspositie wordt voldaan, dit alles aldus Manya.\n\n4.4.. Gezien het door Infinity en Situs gevoerde verweer op dit punt kan de voorzieningenrechter er voorshands niet van uitgaan dat de kaspositie van Upforce voldoende is, laat staan ruim voldoende, om de achterstand te voldoen. Overigens doet dit standpunt van Manya de vraag rijzen waarom die achterstand dan niet al (geheel of gedeeltelijk) is voldaan. Allereerst is de achterstand, aldus Infinity, per 16 juni 2026 opgelopen tot afgerond € 4.033.000. Infinity heeft verder aangevoerd en onderbouwd dat de vrij beschikbare gelden die onderdeel uitmaken van de kaspositie lager zijn en de gebonden gelden (op de G-rekening) hoger dan door VEP\u002FManya gesteld. Infinity heeft ook gewezen op een e-mail van 8 juni 2026 van de cfo van Upforce (geciteerd in de pleitnota van de advocaat van Infinity) waaruit volgt dat de vrij beschikbare gelden van de kaspositie niet in zijn geheel kunnen worden aangewend voor het voldoen van de achterstand aan Infinity omdat een bedrag van € 1.050.000 (exclusief de gelden op de G-rekening) beschikbaar moet blijven voor Upforce om haar activiteiten te kunnen ontplooien. Tot slot is van belang dat Upforce per 30 juni 2026 nog eens € 1.238.438 aan Infinity moet voldoen (rente over het tweede kwartaal 2026 en aflossingen), per 30 september 2026 € 340.130 (rente over het derde kwartaal 2026) en per 31 december 2026 € 1.210.592 (rente over het vierde kwartaal 2026 en aflossingen). Niet aannemelijk is dat Upforce uit haar kaspositie aan deze verplichtingen kan voldoen. Ook VEP gaat hier al langere tijd vanuit. In dit verband heeft Infinity verwezen naar een door haar in het geding gebrachte prognose van [naam 4] (Financial and Risk Advisory Solutions) waaruit kan worden afgeleid dat Upforce niet in staat is aan haar verplichtingen onder de SFA te voldoen, zonder in ernstige liquiditeitsproblemen te geraken en zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Dat de cijfers waarop [naam 4] zich baseert achterhaald zouden zijn, zoals Manya beweert, doet niet af aan de strekking van haar prognose (die ook ziet op het verdere verloop van het jaar 2026). Dat Infinity over het stemrecht op de aandelen in Upforce beschikt en daarom kan bewerkstelligen dat de achterstand wordt voldaan, is voorshands onjuist. Gezien hetgeen Infinity hierover heeft aangevoerd kan niet worden uitgesloten dat dit leidt tot voor (de onderneming van) Upforce onaanvaardbare gevolgen. Dit druist in tegen het belang van alle betrokkenstakeholders.(2) behoorlijk aanbod van Manya tot zuivering van het verzuim\n\n4.5.. Manya stelt dat VEP, namens haar, vaker een volledig uitgewerkt voorstel tot zuivering van het verzuim heeft gedaan, voor het laatst op 17 februari 2026, en dat Infinity die voorstellen ten onrechte heeft afgewezen. Van belang hierbij is, aldus Manya, dat het verzuim niet aan haar is toe te rekenen, maar uitsluitend is ontstaan door het handelen van Upforce als hoofdschuldenaar. Bovendien moeten de voorstellen van VEP worden gezien tegen de achtergrond dat de uitwinning van het Pandrecht disproportioneel is jegens Manya omdat zij na die uitwinning geen recht heeft op regres en subrogatie jegens Upforce, aldus Manya.\n\n4.6.. De voorstellen die VEP in 2025 en voor het laatst op 17 februari 2026 heeft gedaan, waren – zoals Infinity en Situs terecht hebben aangevoerd – niet onvoorwaardelijk zodat geen sprake is van een aanbod in de zin van artikel 6:86 BW. Zo stelde VEP steeds de voorwaarden dat Infinity een deel van haar vordering moest afboeken, dat alle achtergestelde leningen (de vendor loans) zonder tegenprestatie geëlimineerd moesten worden, dat de SFA moest worden aangepast en heeft zij geen volledige vergoeding van schade en kosten aangeboden. Dat de financiële problemen enkel te wijten zouden zijn aan (het bestuur van) Upforce, maakt niet dat de door VEP (Manya) gedane voorstellen die zij als derdenpandgever heeft gedaan te gelden hebben als een volwaardig aanbod in de zin van artikel 6:86 BW.\n\n(3) Infinity kan haar vordering niet voldoen uit de opbrengst van de aandelen\n\n4.7.. Infinity meent dat de aandelen waarop het Pandrecht rust een negatieve waarde vertegenwoordigen, althans € 1,- waard zijn. Uitwinning van het Pandrecht heeft dus niet tot gevolg dat de vordering van Infinity kan worden voldaan, aldus Manya.\n\n4.8.. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan de opbrengst in geld. Het enkele feit dat de achterstand niet (geheel) zal kunnen worden voldaan uit de opbrengst van de aandelen brengt niet zonder meer mee dat sprake is van misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen.\n\n(4) Infinity wil de eigendom van de aandelen en toekomstige kasstromen naar zich toe trekken\n\n4.9.. Manya voert hierover aan dat uit de brief van Infinity van 30 april 2026 (zie 2.13) kan worden afgeleid dat het doel van Infinity met uitwinning van het Pandrecht niet is verhaal voor haar vordering, maar het verkrijgen van de eigendom van de onderneming.\n\n4.10.. Ook hier geldt, net als in 4.8 overwogen, dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan verhaal voor zijn vordering. Een pandhouder mag beogen, als aandeelhouder, vat te krijgen op de onderneming met als doel in de toekomst (een deel van) zijn financiering terug te krijgen via de opbrengst van de aandelen. Dit op zich levert geen misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen op.\n\n(5) de amendment and standstill agreement4.11. Hierover voert Manya aan dat Infinity in deamendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 heeft toegezegd de financiering niet bij de schuldenaren (de verschillende vennootschappen binnen de Upforce-groep) op te eisen, maar nu wel aanklopt bij Manya als derdenpandgever. Dit maakt destandstillvoor Manya illusoir en dit is precies de situatie die artikel 3:234 lid 1 BW probeert te voorkomen. De contractuele uitsluiting van dit artikel in de pandakte laat de werking van het misbruikverbod onverlet; het misbruikverbod heeft een universeel karakter en kan niet worden weg gecontracteerd, aldus Manya.\n\n4.12.. Allereerst heeft Infinity terecht de vraag opgeworpen of de amendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 nog wel van kracht is, aangezien die overeenkomst uitging van de toen bestaandeevents of defaulten zich na het sluiten van deze overeenkomst meerdere nieuweevents of defaulthebben voorgedaan. Zo is op 31 maart 2026 niet, zoals overeengekomen, de rente over het eerste kwartaal 2026 voldaan. Verder heeft Infinity er terecht op gewezen dat artikel 3:234 BW is uitgesloten in de pandakte. VEP heeft er dus bewust voor gekozen dat Infinity niet gehouden is eerst het pandrecht op de goederen van Upforce uit te winnen, alvorens zij het Pandrecht op de aandelen van Manya in Upforce kan uitwinnen. Van belang is dat dit een gebruikelijke afspraak is in zakelijke (acquisitie) financieringen waarmee VEP bekend is. De stelling dat artikel 3:234 BW niet kan worden weg gecontracteerd is onjuist.\n\ntot slot\n\n4.13.. Tot slot geldt dat Infinity heeft te gelden als professionele financier. Er mag van haar in die rol extra zorgvuldigheid worden verwacht alvorens zij overgaat tot uitwinning van een pandrecht op aandelen. In dit kort geding is niet gebleken van aanwijzingen dat zij in strijd met die zorgvuldigheid zou hebben gehandeld. Infinity heeft VEP ruim de tijd en de gelegenheid geboden om met oplossingen te komen. Dat niet is gekomen tot een voor beide partijen acceptabele oplossing, wil niet zeggen dat Infinity onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nconclusie en proceskosten\n\n4.14.. De conclusie is dat de vorderingen van Manya worden afgewezen. Manya is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Situs en Infinity worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. weigert de gevraagde voorzieningen,\n\n5.2.. veroordeelt Manya in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Manya niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nColl: BB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.520Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":44,"courtId":76,"decisionDate":67,"fullText":77,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":52,"updatedAt":80},"655","ECLI:NL:RBNHO:2026:7520","ecli-nl-rbnho-2026-7520",67,"RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12012968 \\ CV EXPL 25-8446\n\nVonnis van 1 juli 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Claassen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap,\n\nMOBILITY CAR LEASE B.V.,\n\nte Nieuw-Vennep,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: MCL,\n\ngemachtigde: mr. S. Aartsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties;\n\n- de conclusie van antwoord met tegenvordering en producties;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie met een productie;\n\n- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van MCL.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Op 13 september 2022 hebben partijen een leaseovereenkomst gesloten met betrekking tot een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Volkswagen). Achter contractvorm is daarin vermeld “Netto operationeel”.\n\n2.2.. In diezelfde periode heeft MCL ook een auto (Citroën C3) aan mevrouw [betrokkene 1] (de toenmalige vriendin van [eiser] ) in lease gegeven.\n\n2.3.. MCL stond op dat moment onder leiding van statutair bestuurder en aandeelhouder [betrokkene 2] .\n\n2.4.. In 2024 is [betrokkene 3] (mede)aandeelhouder en statutair bestuurder van MCL geworden. [betrokkene 2] is in het laatste kwartaal van 2024 ontslagen als statutair bestuurder van MCL.\n\n2.5.. \n [eiser] is van september 2024 tot februari 2025 gedetineerd geweest.\n\n2.6.. Op 26 november 2024 heeft MCL aangifte gedaan van verduistering van de Volkswagen om deze te kunnen traceren.\n\n2.7.. Op 12 december 2024 heeft [betrokkene 4] (de neef van [eiser] ) namens [eiser] contact opgenomen met [betrokkene 2] en gevraagd of hij de afspraken die hij met [eiser] had gemaakt over de afkoop van de Golf aan zijn compagnon [betrokkene 3] had doorgegeven. [betrokkene 2] heeft hier als volgt op gereageerd: “Hi [betrokkene 4] , hij weet dat ik dat heb besproken in augustus. Maar zal hem dit nogmaals doorgeven. Of hij het er mee eens is is een tweede maar dat kun je het best met hem bespreken. Hij is niet onredelijk. Ik werk voorlopig helemaal niet dus kan het zelf niet meer afwikkelen.”\n\n2.8.. \n [betrokkene 3] heeft vervolgens dezelfde dag aan [betrokkene 4] laten weten dat hij het niet met de gemaakte afspraken eens is:\n\n“(…) ik zie niet in waarom ik een auto voor 10k zou verkopen die 25-30k waard is en waarbij er ook nog een opstaande vordering staat van bijna 20k. in mijn ogen loop ik dan bijna 40k mis?”“ik sta voor veel open maar ben niet de Sinterklaas van MCL! Ik eis dan ook bij deze op voorhand de auto met kenteken [kenteken 1] op zodat deze bij ons in het bezit komt!”2.9.. \n [betrokkene 4] heeft daarop aan [betrokkene 3] onder meer het volgende bericht:\n\n“Volgens mij heb je genoeg autos rijden, waarin sander dubieuze zaakjes heeft gedaa. (…) Wil je het opgelost hebben of niet? Je kan mij een auto “eisen” maar ik heb je auto niet (…) In mijn ogen kan je 10k krijgen, of een rare houding naar mij hebben en dsn heb je niks.Kan je een auto gestolen gana opgeven (…) Ook zit [eiser] nog wel een aantal jaartjes vast dus denk niet dat die wakker ligt van je aangifte over een gestolen auto. (…) Dus even een toontje lager zingen makker met je sinterklaas en eisen. (…) Ik ben geen straatschooier (…) Heb jou golfje niet nodig.(…) Misschien even 3 keer nadenken voor dat je degene die iedereen helpt een houdingkje geeft”\n\n2.10.. Eind januari 2025 heeft de politie de Volkswagen in [plaats 2] (voor de deur van het huis van de vader van [eiser] ) aangetroffen. De Volkswagen is vervolgens overgebracht van de politie Rotterdam naar Arnhem.\n\n2.11.. \n [betrokkene 4] heeft op 26 januari 2025 aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Hi [betrokkene 3] Ik heb van [eiser] begrepen dat jullie er uit zijn gekomen omtrent de auto Ik ben tm donderdag in nederland , dus ik kan morgrn of woensdag even langs je rijden Kan je een contract voorbereiden?”\n\n2.12.. \n [betrokkene 3] heeft hier op 27 januari 2025 als volgt op gereageerd: “Dag [betrokkene 4]Min of meer klopt dat inderdaad. De bank is donderdag middag akkoord gegaan met een verkoop van 12500 in in. Ik heb [eiser] daar nog niet over gesproken overigens. Wel is ook afgesproken dat de auto zal worden geëxporteerd en wij de documenten krijgen om de rest bpm terug te vorderen. Kan de auto op naam van [eiser] worden uitgevoerd of een andere naam en waar kan die factuur naar toe worden gestuurd?Betaling moet op onze DFM bank (…) worden bijgeschreven en dan geeft DFM mij de voorbehoud codes en kan ik tenaamstelling maken voor jullie. Gezien vakanties is er op dit moment niemand op kantoor. Ikzelf ben er donderdag weer. Hoor graag wat mogelijk is. Daarna vervallen alle vorderingen van MCL op [eiser] . Die van zijn vriendin blijft doorgaan.”\n\n2.13.. \n [betrokkene 4] heeft daarop dezelfde dag gereageerd:\n\n“Hi [betrokkene 3]Volgens mij is dat niet wat is besproken. Maargoed succes daarmee. Bel eerst maar met [eiser] en dan hoor ik het wel. (…)Maargoed dit is nu de 2e keer dat je me ontloopt als ik in nederland ben. Ik geef het door aan [eiser] . Zo belangrijk is hij niet voor je merk ik. Overigens zie ik eerst een contract tegemoet voordat je een faktuur stuurt. Maar wacht dasr maar mee Lijkt me goed dat je eerst met [eiser] belt. Want ik weet zeker dat hij van wat je nu zegt niet vrolijk word.”\n\n2.14.. \n [betrokkene 3] heeft nog diezelfde dag aan [betrokkene 4] uitgelegd dat de bank niet akkoord ging met een bedrag lager dan € 12.500,00 en dat hij [eiser] daarover had gesproken.\n\n2.15.. \n [betrokkene 4] reageert daarop met:\n\n“Ja dan zal ik je aan advies geven; dan kan je zelf ook de rest bijleggen.Je weet hoe [eiser] is :) Dat excuusje van de bank gaat er bij niemand in ha ha..”\n\n2.16.. Op 11 februari 2025 heeft [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] bericht dat de auto terecht is en dat de volgende stap was om de status van de auto als gestolen voertuig eraf te krijgen. Hij bericht verder: “Kun jij laten regelen dat wij de sleutels van de auto Krijgen en dan naar de politie kunnen?? Hoor graag. Volgens mij waren die bij de pa van [eiser] ”En op 12 februari 2025 in antwoord op de vraag van [betrokkene 4] of hij met [eiser] een akkoord heeft omtrent de auto:“Ja 12500 vast bedrag. Maar moet de auto nu eerst vrij krijgen”.\n\n2.17.. Op 14 februari 2025 heeft de RDW de kentekenregistratie van de Volkswagen weer actief gemaakt.\n\n2.18.. Op 19 februari 2025 bericht [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] : “Ik wacht nog op de sleutels en accu via zijn pa om alles vrij te krijgen. Politie Arnhem is reeds akkoord (…)”\n\n2.19.. Op 21 februari 2025 heeft [betrokkene 3] een verklaring opgesteld en ondertekend:\n\n“Hierbij verklaart ondergetekende het volgende wat wij gezamenlijk zijn overeengekomen. Mobility Car Lease BV (MCL) verkoopt aan u de Volkswagen Golf (5-d) 2.0tsi r 221kW 4-motion dsg met kenteken [kenteken 2] voor een bedrag van € 12.500 in de BTW in de BPM. Deze verkoop wordt beoogd rond 1 maart 2025 plaats te vinden. Tevens zal door het verkopen van deze auto uw openstaande debiteuren vordering komen te vervallen conform afspraak.De vordering op debiteur mevrouw [betrokkene 1] voor het kenteken [kenteken 3] vallen buiten deze regeling en zult u zoals besproken voldoen.Indien de auto verkocht gaat worden via een onderneming in Spanje, zoals dit is besproken, zal de verkoopprijs exclusief BTW plaatsvinden. Per 1 maart 2025 gaan we uit van een rest BPM bedrag van € 2.698. hierdoor zal de verkoopprijs aan een BTW plichtig ondernemer in Spanje afgerond € 10.800 Ex BTW in BPM bedragen. Wij ontvangen nog wel graag de autosleutels en accu zoals met elkaar besproken, zodat we de auto gezamenlijk met de politie weer bij RDW kunnen vrij krijgen. Deze laatste is inmiddels op de hoogte en zal hier ook aan meewerken.”\n\n2.20.. Op 22 februari 2025 heeft [betrokkene 3] deze verklaring via WhatsApp aan [betrokkene 4] toegezonden.2.21.. Op 22 en 23 februari 2025 heeft [betrokkene 4] namens [eiser] aan [betrokkene 3] gevraagd om de verklaring op meerdere punten te verduidelijken. Daarbij heeft [betrokkene 4] aangegeven “Verhaal th Verhulp hoeft niet in onze overeenkomst want heeft er niks mee te maken”.\n\n2.22.. Op 1 maart 2025 heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“ [betrokkene 3] , zullen we deze zaak eens afronden? Je bent erg moeilijk te bereiken , en elke dag dat de auto daar staat komen er opsagkosten bij. En ik ga deze zeker niet betalen, omdat jij niet bereikbaar bent en de auto daar onnodig lang staat. Dus ik denk dat het in beide ons belang is dat we dit afronden”\n\n2.23.. Op 6 maart 2025 heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Me geduld is een beetje op aan t raken”\n\n“Ga je het nog regelen of heb je wat motivatie nodig?”\n\n2.24.. Op 7 maart 2025 heeft [eiser] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Gaan we die golf regelen of ga je fratsen hebben”\n\n2.25.. \n [betrokkene 3] heeft vervolgens op 7 maart 2025 [eiser] bericht:\n\n“Ik heb intern alles geregeld. Heb alle openstaande vorderingen van [eiser] en Verhulp afgeboekt, totaal 30k. Er zijn geen openstaande schulden en of vorderingen meer over en weer. De Golf heb ik ook als verlies geboekt voor 28k, totaal dus 58k. Hiermee is voor mij het boek gesloten en zoekt de politie maar uit wat ze verder doen. Graag zou ik wel de C3 terug willen. Graag een adres doorsturen waar Autoinspectie deze kan gaan ophalen”\n\n(…)\n\n“Ik zou sleutels krijgen vd golf ik zou betalingen ontvangen etc. Allemaal niet gebeurd. Voor mij is nu het boek gesloten, en ga verder met de business. Alle contracten, als die er al waren, zijn hierbij klaar, en jij hebt geen openstaande facturen meer bij MCL.”\n\n2.26.. \n [eiser] bericht [betrokkene 3] daarna: “Dus je zegt nu dat de deal met de Golf niet doorgaat”, waarop [betrokkene 3] antwoordt:“Ja dat klopt, heb alles nu afgeboekt. boek gesloten.”\n\n2.27.. De Volkswagen is inmiddels in eigendom overgedragen aan een derde.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n [eiser] vordert na vermindering van eis - samengevat - veroordeling van MCL tot betaling van € 24.563,00, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat MCL tekort is geschoten in haar verplichting tot levering van de Volkswagen, zoals deze uit de koopovereenkomst van 21 februari 2025 voortvloeit. Omdat nakoming van de koopovereenkomst niet langer mogelijk is, is MCL schadeplichtig.\n\n3.3.. MCL voert verweer en MCL concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .\n\n3.4.. MCL voert aan dat het afgeven van de accu en de sleutels van de Volkswagen aan MCL, alsmede het door [eiser] voldoen van de vordering(en) van MCL op Verhulp, ontbindende voorwaarden waren voor de overdracht van de Volkswagen. [eiser] heeft daaraan niet voldaan en dus heeft MCL de koopovereenkomst op 7 maart 2025 rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.6.. MCL vordert (na verduidelijking van de eis ter zitting) - samengevat - een verklaring voor recht dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van 21 februari 2025 en een veroordeling van [eiser] tot betaling van de openstaande schuld van Verhulp van € 6.220,97.\n\n3.7.. \n [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van MCL.\n\n3.8.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie\n\n4.1.. De kern van dit geschil gaat om de vraag of MCL gerechtigd was om de overeenkomst te ontbinden vanwege een tekortkoming van [eiser] , dan wel of MCL zelf tekort is geschoten door de overeenkomst niet na te komen. Daarvoor is allereerst van belang om vast te stellen wat partijen precies hebben afgesproken.\n\n4.2.. Het antwoord op de vraag wat partijen met elkaar hebben afgesproken, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg. Dit wordt ook wel de Haviltex-maatstaf genoemd.\n\n4.3.. De kantonrechter stelt voorop dat de overeenkomst niet los kan worden gezien van de voorgeschiedenis tussen partijen. [eiser] stelt dat hij met [betrokkene 2] (de voormalig statutair bestuurder van MCL en de ex-compagnon van [betrokkene 3] ) in afwijking van gesloten leaseovereenkomst nadere afspraken had gemaakt over de (af)koop van de Volkswagen. [betrokkene 3] kende deze afspraken niet en wilde daar na het vertrek van [betrokkene 2] bij MCL aanvankelijk niets van weten. Dit heeft geleid tot een lange, moeizame, onprettige en op momenten zelfs dreigende discussie tussen partijen. Tegen die achtergrond heeft [betrokkene 3] uiteindelijk ingestemd met verkoop van de Volkswagen aan [eiser] voor een bedrag van € 12.500,00 en het vervallen van alle openstaande schulden van [eiser] bij MCL, kennelijk om een einde te maken aan de ontstane situatie en verdere confrontaties te voorkomen. Vast staat dat de Volkswagen op dat moment een aanzienlijk hogere waarde had. De kantonrechter leidt uit de omstandigheid dat de bank er desondanks mee instemde om de financiering van de auto te beëindigen door verkoop aan [eiser] voor € 12.500,00 af dat (ook) de bank de noodzaak tot snelle sluiting van dit dossier inzag.\n\n4.4.. \n [betrokkene 3] heeft de gemaakte afspraken vervolgens op papier gezet en in de schriftelijke verklaring van 21 februari 2025 (2.19) aangegeven dat MCL zoals besproken de autosleutels en de accu van de Volkswagen wenste te ontvangen, zodat partijen de Volkswagen (samen met de politie) bij de RDW vrij konden krijgen. Hoewel [betrokkene 4] (namens [eiser] ) meerdere opmerkingen over de inhoud van de verklaring heeft gemaakt en verschillende wijzigingen heeft voorgesteld, heeft hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de genoemde afgifte van de sleutels en de accu, zodat MCL ervan mocht uitgaan dat hierover overeenstemming tussen partijen bestond.\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat de afspraak tot afgifte van de sleutels en de accu onlosmakelijk verbonden is met de verkoop van de Volkswagen en moest worden nagekomen voordat de auto aan [eiser] geleverd kon worden. Deze zaken waren immers noodzakelijk om de auto vrij te kunnen krijgen en vervolgens aan [eiser] te leveren. MCL heeft [eiser] daar (via [betrokkene 4] ) op 11, 12 en 19 februari 2025 ook op gewezen. Hoewel geen fatale termijn is overeengekomen, volgt uit de verklaringen van partijen dat zij de verkoop en overdracht van de Volkswagen snel, uiterlijk rond 1 maart 2025 wensten af te ronden.4.6.. Vaststaat dat [eiser] de sleutels en accu van de Volkswagen niet aan MCL heeft afgegeven. Dit levert een tekortkoming aan de zijde van [eiser] op. MCL heeft geen ingebrekestelling aan [eiser] gestuurd. In beginsel is een ingebrekestelling voor het intreden van verzuim wel vereist. De kantonrechter is echter van oordeel het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van MCL kon worden gevergd om [eiser] in gebreke te stellen. Daartoe is redengevend dat [eiser] zélf de nakoming van de koopovereenkomst heeft gefrustreerd door MCL de noodzakelijke medewerking te onthouden. MCL hoefde er, gezien de voorgeschiedenis en de toon van de herhaalde berichten van (en namens) [eiser] waarin werd aangedrongen op afronding en uitvoering van de overeenkomst, geen vertrouwen meer in te hebben dat [eiser] na ingebrekestelling alsnog tot afgifte van de sleutels en de accu van de Volkswagen zou overgaan. Ook de (dreigende) toon van de berichten van (en namens) [eiser] aan [betrokkene 3] (‘Ga je het nog regelen of heb je wat motivatie nodig?’ en‘of ga je fratsen hebben’) maakt dat van MCL naar redelijkheid en billijkheid geen ingebrekestelling kon worden verlangd. Het verzuim van [eiser] is daarom ingetreden zonder ingebrekestelling.\n\n4.7.. \n [betrokkene 3] stelt dat hij de overeenkomst op 7 maart 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden. [eiser] betwist dit weliswaar, maar de kantonrechter gaat daaraan voorbij. Het bericht van [betrokkene 3] aan [eiser] van 7 maart 2025 (2.25) moet gezien de inhoud daarvan en tegen de achtergrond van de verdere communicatie tussen partijen als een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring worden beschouwd en [eiser] had dit redelijkerwijs ook zo moeten begrijpen. Dat heeft hij ook gedaan gezien zijn reactie ‘Dus je zegt nu dat de deal met de Golf niet doorgaat’(2.26).\n\n4.8.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de tekortkoming van [eiser] ontbinding door MCL van de overeenkomst rechtvaardigde en dat MCL de overeenkomst daarmee op goede gronden buitengerechtelijk heeft ontbonden. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] in conventie dan ook af. De stelling van MCL dat [eiser] (ook) de afspraak dat hij de schuld van Verhulp aan MCL zou betalen moest nakomen voordat MCL de Volkswagen aan [eiser] zou leveren, behoeft in conventie daarom geen bespreking.\n\nin reconventie\n\n4.9.. MCL legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag dat [eiser] zich bij de overeenkomst van 21 februari 2025 heeft verplicht de openstaande schuld van Verhulp aan MCL voorafgaand aan de levering van de Volkswagen te betalen. Die verplichting is [eiser] niet nagekomen, op grond waarvan MCL de overeenkomst terecht heeft ontbonden. [eiser] is gehouden de schade die MCL daardoor heeft geleden aan haar te vergoeden. De schade van MCL bedraagt € 6.220,97, het bedrag van de nog altijd openstaande schuld van Verhulp aan MCL.\n\n4.10.. De kantonrechter stelt vast dat de aflossing van de schuld van Verhulp aan MCL door partijen buiten de ‘deal’ over de Volkswagen (waarbij [eiser] de Volkswagen mocht overnemen voor € 12.500,00 en MCL de openstaande vorderingen van MCL op [eiser] zou kwijtschelden) is gehouden. In de verklaring van 21 februari 2025 staat ook expliciet dat de vorderingen van MCL op Verhulp ‘buiten deze regeling vallen’. Dit blijkt verder uit de WhatsApp-correspondentie tussen [betrokkene 3] (17 januari 2025 (2.12): ‘Die [vordering] van zijn vriendin blijft doorgaan.’) en [betrokkene 4] (23 februari 2025 (2.21): ‘Verhaal th Verhulp (…) heeft er niks mee te maken’). De stelling van MCL dat [eiser] gehouden was eerst de schuld van Verhulp in te lossen voordat MCL de Volkswagen aan [eiser] zou (hoeven) leveren, kan de kantonrechter daarom niet volgen. De ontbinding van eerdergenoemde deal heeft dan ook voor deze afspraak geen gevolg gehad en de overeenkomst bestaat in zoverre nog. MCL vordert echter geen nakoming van de gestelde afspraak, maar schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming door [eiser] . Zonder nadere onderbouwing kan de vordering op deze grondslag niet slagen.\n\n4.11.. De vordering kan ook om andere reden niet worden toegewezen. MCL heeft bij monde van [betrokkene 3] op 7 maart 2025 immers aan [eiser] laten weten dat hij (ook) de schuld van Verhulp heeft afgeboekt en dat hij de zaak daarmee als afgesloten beschouwt. Daarmee is juridisch gezien sprake van een kwijtschelding zoals bedoeld in artikel 6:160 van het Burgerlijk Wetboek. Het vorderingsrecht van MCL op [eiser] ter zake van de schuld van Verhulp is daarmee teniet gegaan. De vordering van MCL tot betaling van € 6.220,97 wordt daarom afgewezen.\n\nde proceskosten in conventie en in reconventie\n\n4.12.. De kantonrechter ziet gelet op de omstandigheden van het geval en het feit dat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, aanleiding om de proceskosten in conventie en reconventie te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin reconventie\n\n5.4.. wijst de vorderingen van MCL af,\n\n5.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Hoge Raad 3 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7520","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.478Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":44,"courtId":85,"decisionDate":70,"fullText":86,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":52,"updatedAt":89},"648","ECLI:NL:GHARL:2026:4229","ecli-nl-gharl-2026-4229",70,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.221\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577570\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant1] LLC ( [appellant1] )\n\ndie is gevestigd te Koeweit\n\n2. [appellant2] LLC ( [appellant2] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats1] (Verenigde Arabische Emiraten)\n\nadvocaat: mr. R.J.W. Pijls\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V. ( [geïntimeerde] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats2]\n\nadvocaat: mr. S. Booij\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant1] en [appellant2] , hierna gezamenlijk: [appellanten] , hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 12 februari 2025 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met de producties 22 tot en met 26\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met productie 27\n\n• een formulier van [geïntimeerde] met productie 7\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 14 april 2026 is gehouden (het proces-verbaal). Partijen hebben het hof aan het eind van de zitting gevraagd een arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant2] heeft in maart 2022 voor een partij zogenaamde Pure Ghee Butter die zou moeten worden afgeleverd in Saoedi-Arabië een bestelling geplaatst bij [naam1] . In april 2022 heeft [appellant2] daarvoor € 126.282 betaald op een rekening van [naam1] . De levering is niet verricht. [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling geplaatst voor een bedrag van € 251.748. Zij heeft toen € 94.303,50 aan [naam1] betaald. Ook die bestelling heeft niet tot levering geleid. [appellant2] heeft daarna in december 2022 bij [geïntimeerde] een partij Ghee Butter besteld, die door [geïntimeerde] is afgeleverd in Koeweit. [appellant1] heeft daarvoor € 195.039 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n2.2. \n [appellanten] stellen zich op het standpunt dat de levering door [geïntimeerde] een vervanging was van de niet-uitgevoerde bestellingen van maart en augustus 2022 en dat de door [geïntimeerde] geleverde producten al zijn betaald met wat eerder door [appellant2] aan [naam1] voor die bestellingen is voldaan. Volgens [appellanten] is daarmee de betaling door [appellant1] voor de wel geslaagde levering door [geïntimeerde] onverschuldigd, althans is [geïntimeerde] op grond van wanprestatie of onrechtmatig handelen jegens [appellant2] aansprakelijk voor de schade als gevolg van de niet-uitgevoerde maar wel betaalde bestellingen, althans is [geïntimeerde] ten koste van [appellanten] verrijkt doordat zij van [naam1] een betaling heeft ontvangen.\n\n2.3. \n [appellanten] hebben op deze gronden bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld, primair tot betaling aan [appellant1] van € 195.039, subsidiair tot betaling aan [appellant2] van € 220.585,50, meer subsidiair tot betaling aan [appellant1] of [appellant2] van € 75.524,40 althans door de rechtbank te bepalen bedragen, in alle gevallen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 september 2023 of 4 januari 2024 of de dag van dagvaarding, en met een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 2.725,39, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.\n\n2.4. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.5. Het hof zal beslissen, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank, dat de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen en licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n3.1. Het hof moet ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft vanwege de internationale aspecten van de zaak. [appellant1] en [appellant2] zijn immers gevestigd in Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten. Omdat [geïntimeerde] in Nederland is gevestigd is de Nederlandse rechter bevoegd van de tegen [geïntimeerde] ingestelde vorderingen kennis te nemen.3.2. Het hof gaat er met partijen vanuit dat het geschil moet worden beoordeeld met toepassing van het Nederlandse recht, omdat partijen niet hebben gegriefd tegen de toepassing van dat recht door de rechtbank.\n\nDe feiten\n\n3.3. \n [appellant1] en [appellant2] maken deel uit van een groep van vennootschappen. Aan het hoofd van die groep staat [naam2] (Holding), een vennootschap die is opgericht in de Verenigde Arabische Emiraten. Naast [appellant1] en [appellant2] maakt [naam3] . ( [naam3] ), die is gevestigd in Saoedi-Arabië, deel uit van deze groep. De kernactiviteit van deze groep is de productie van en de handel in bakkerij- en banketgrondstoffen en aanverwante machines.\n\n3.4. \n [geïntimeerde] is een in Nederland gevestigde vennootschap die is gespecialiseerd in de levering van zuivelproducten. [naam1] is ook een dergelijke vennootschap. Tussen deze vennootschappen, die niet tot hetzelfde concern of groep behoren, bestond sinds ongeveer begin 2022 een samenwerkingsverband, dat er in voorzag dat [naam1] als agent potentiële klanten aanbracht bij [geïntimeerde] , die vervolgens een overeenkomst met die partij kon sluiten. In een voor deze samenwerking opgesteld intern stuk staat daarover het volgende:\n\n“- Eindklant betaalt 100% verkoopprijs aan [geïntimeerde] [ [geïntimeerde] ; verduidelijking hof], facturatie door [geïntimeerde]\n\n- [naam1] factureert [geïntimeerde] een 'agent-commissie'. Deze commissie is het verschil tussen de\n\nverkoopprijs van [geïntimeerde] aan klant en de Kostprijs\u002Finkoopprijs van [geïntimeerde] van het betreffende product. [geïntimeerde] heeft het recht bij nog resterende openstaande schuld (een deel van) de gefactureerde commissie te verrekenen met deze schuld, e.e.a. in overleg met [naam1] ”.3.5. Vertegenwoordigers van [naam2] \u002F [appellant1] \u002F [appellant2] hebben in februari 2022 kennis gemaakt met [naam1] en [geïntimeerde] tijdens een tentoonstelling in Dubai. [naam1] en [geïntimeerde] hadden op die tentoonstelling een gezamenlijke stand. 3.6 [appellant2] heeft na die kennismaking op de tentoonstelling in Dubai een bestelling geplaatst bij [naam1] voor de levering van een partij Pure Butter Ghee ‘Natour’ voor een bedrag van € 126.282 (te weten 1560 boxes voor € 80,95 per box van 9 kg). Op de (pro forma) factuur van [naam1] voor die bestelling van 22 maart 2022 staan onder meer de bankgegevens van [naam1] , het logo van [naam1] en dat van [geïntimeerde] , en een stempel van [naam1] . [appellant2] heeft het gefactureerde bedrag op 7 april 2022 aan [naam1] betaald.\n\n3.7. De levering van het bestelde product zou moeten plaatsvinden bij [naam3] in Saoedi-Arabië, maar die levering heeft vanwege het ontbreken van een voor import in dat land noodzakelijk ‘halal-certificaat’ niet plaatsgevonden. Het daarvoor betaalde bedrag is niet aan [appellant2] terugbetaald.\n\n3.8. \n [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling bij [naam1] geplaatst voor hetzelfde product (te weten 25.200 kg voor € 9,99 per kg) en met dezelfde bestemming in Saoedi-Arabië. De prijs voor die bestelling was € 251.748. [appellant2] heeft daarvoor een factuur (‘Quotation’) ontvangen, met daarop onder meer de bankgegevens van [geïntimeerde] en de logo’s van [naam1] en [geïntimeerde] . [appellant2] heeft dit bedrag niet volledig voldaan. Zij heeft 11 oktober 2022 € 94.303,50, niet op de in de Quotation genoemde bankrekening van [geïntimeerde] , maar op een rekening van [naam1] betaald.\n\nAan die betaling gingen e-mails tussen [naam1] aan [naam2] van september\u002Foktober 2022 vooraf. In een e-mail van [naam1] van 27 september 2022 staat het volgende:\n\n“Dear [naam4] ,\n\nPlease to confirm as per below: and attached the Proforma lnvoice.\n\nPARTICULAR AMOUNT ACCOUNTS PAYABLE\n\nFIRST PAYMENT € 126.282,00\n\nFINAL QUOTATION -APPROVED € 251,748.00\n\n50% - DEPOSIT € 63,141.00\n\n505 - TO BE ADJUSTMENT IN FINAL ORDER € 63,141,00\n\nTOTAL PAYABLE € 188,607,00\n\nNOTE: APPROVED PRICE FOR C\u002FF-TO SAUDI ARABIA\n\nFor now, we will be preparing for the Booking schedule and your Product is fresh - production Date is\n\nSeptember 2022.\n\nOnce again, thank you so much”\n\nDoor [naam2] is daarop op diezelfde dag de volgende betaalinstructie gegeven:\n\n“Please proceed with the 50% payment of the remaining balance € 188,607 euro from attached order”.\n\n Ook de levering op basis van deze bestelling heeft, om dezelfde reden als voor de eerste bestelling, niet plaatsgevonden. Het door [appellant2] betaalde bedrag is niet aan haar terugbetaald.\n\n3.9. In oktober 2022 hebben [naam1] en [geïntimeerde] in e-mails over het uitblijven de leveringen contact gehad met elkaar. In een e-mail van 19 oktober 2022 van [geïntimeerde] ( [naam7] ) aan [naam1] staat onder meer, met als bijlagen een aantal contracten:\n\n“Dear [naam5] good evening,\n\nAttached you will find the contracts for the below first order for [naam2] \u002F [appellant2] .\n\nI have put shipment in November to Jeddah (exact date to be confirmed)\n\nFollowing actions to be done now:\n\n> transfer the prepayment of [naam2] \u002F [appellant2] already received by [naam1] to [geïntimeerde] with clear description that this concerns [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer]\n\n(…)\n\nChecking the stock level, I do not think there is enough pure butter ghee with the new label to fulfill this order, so some extra production to be scheduled on short term.\n\n(…) I will check with our QA department for the Halal certification that is also needed for this shipment (was scheduled for last or this week at [naam10] , so should be confirmed and documented soon) (…)”.\n\n3.10. Op 20 oktober 2022 heeft [naam1] op dit verzoek van [geïntimeerde] € 75.524,50 aan [geïntimeerde] doorbetaald. Op het betaalbewijs daarvan is bij de omschrijving verwezen naar ‘ [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer] ’. Dat bedrag correspondeert met 30% van het door [naam1] voor de tweede bestelling ontvangen bedrag.\n\n3.11. In december 2022 is vervolgens overleg geweest tussen [geïntimeerde] en [naam2] \u002F [appellant2] \u002F [appellant1] om alsnog een levering tot stand te brengen. Tussen een vertegenwoordiger van [naam2] ( [naam6] ) en van [geïntimeerde] ( [naam7] ) is daarover in december 2022 in e-mails over en weer gecommuniceerd.\n\n3.12. \n [geïntimeerde] heeft vervolgens een factuur van 4 januari 2023 op naam van [appellant2] verstrekt. Op de factuur is [appellant1] als ontvanger aangemerkt. Daarna is de partij bij [appellant1] in Koeweit afgeleverd. Volgens de factuur gaat het om 25.005 kilogram Ghee regular voor € 7,80 per kg, voor een totaalprijs van € 195.039,-. Als ‘payment terms’ is op de factuur vermeld dat 30% ‘in advance’ betaald moet worden en 70% ‘against copy of documents’. Op de factuur wordt verwezen naar het contractnummer [contractnummer] . [appellant1] heeft deze factuur op 23 januari 2023 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n3.13. \n [naam1] is op 4 april 2023 failliet verklaard.\n\n3.14. \n\n [appellant1] en [appellant2] hebben [geïntimeerde] , voor het eerst op 25 september 2023 en daarna op\n\n11 maart 2024 en 14 maart 2024, gesommeerd tot terugbetaling van het aan haar betaalde bedrag.\n\nDe beoordeling\n\nonverschuldigde betaling\u002F wanprestatie\u002F onrechtmatig handelen?\n\n3.15. \n [appellanten] baseren hun vorderingen primair op onverschuldigde betaling: doordat [geïntimeerde] de bestellingen van maart 2022 en augustus 2022 niet had geleverd, is volgens hen de afspraak gemaakt (is overeengekomen) in december 2022 dat de levering van januari 2023 niet (nogmaals) betaald hoefde te worden omdat voor de eerdere niet-uitgevoerde leveringen al € 220.585,50 was betaald. De levering van januari 2023 verving aldus de niet-uitgevoerde maar wel betaalde eerdere bestellingen. Daarom moet [geïntimeerde] € 195.039 terugbetalen, aldus [appellanten]3.16. Op [appellanten] rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden die de op deze grondslag ingestelde vordering kunnen dragen. Zij moet de feiten en omstandigheden stellen waaruit kan volgen dat de betaling van het bedrag van € 195.039 zonder rechtsgrondis gedaan. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist: volgens haar is de door [appellant1] gedane betaling gebaseerd op de overeenkomst die in december 2022 is gesloten.\n\n3.17. Voor het antwoord op de vraag of partijen de door [appellanten] gestelde afspraak hebben gemaakt komt het aan op een uitleg en waardering van de gedragingen en verklaringen van partijen jegens elkaar om vast te stellen wat zij op basis daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waarbij ook aan de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten van maart en augustus 2022 en aan de rol en positie van [naam1] betekenis kan toekomen.\n\n3.18. Een bouwsteen in het betoog van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling is dat [geïntimeerde] partij bij de niet-uitgevoerde overeenkomsten is (geworden) en op grond daarvan jegens [appellant2] een leveringsverplichting op zich heeft genomen. Ook het antwoord op de vraag of dat zo is vergt uitleg van de verklaringen en gedragingen van partijen conform de genoemde Haviltex-maatstaf, om vast te stellen wat zij op grond daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Ook gedragingen en verklaringen van na het sluiten van die overeenkomsten kunnen bijdragen aan de vraag wie partij daarbij is geworden, en wat de inhoud van die overeenkomsten is.\n\n3.19. \n [appellanten] hebben niet gesteld dat zij over de inhoud van de overeenkomst rechtstreeks met [geïntimeerde] hebben onderhandeld of anderszins contact hebben gehad; zij hebben in eerste aanleg verklaard dat zij alleen met [naam1] via e-mail contact hebben gehad. Dat sluit aan bij wat [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. Volgens haar is zij pas in oktober 2022 door [naam1] over diens leveringsproblemen geïnformeerd en heeft zij voor het eerst in december 2022 contact gehad met de bestuurder van [naam2] , de moedermaatschappij van [appellanten] Van enige rechtstreekse betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de totstandkoming van die overeenkomsten is niet gebleken.\n\n3.20. Ook anderszins zijn noch voor het eerste contract in maart 2022 noch voor het contract van augustus 2022 voldoende concrete en overtuigende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat toen op [geïntimeerde] jegens [appellant2] een leveringsverplichting is komen te rusten, bijvoorbeeld doordat [naam1] van [geïntimeerde] de bevoegdheid had gekregen haar te binden of dat [geïntimeerde] de schijn heeft gewekt dat van een dergelijke bevoegdheid sprake was. [appellanten] hebben in dat verband overigens gesteld dat zij van de interne afspraken van [naam1] en [geïntimeerde] niet op de hoogte waren. Het feit dat [naam1] en [geïntimeerde] een gezamenlijke stand op de tentoonstelling op de beurs hadden en de wijze van facturering van de eerste twee bestellingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijke contractuele binding van [geïntimeerde] aan [appellant2] (of [appellant1] ). Dat op beide facturen voor die bestellingen het logo van [geïntimeerde] voorkomt is kennelijk te verklaren uit de samenwerking tussen die partijen, maar los daarvan, op dat logo kan als zodanig geen (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid of binding van [geïntimeerde] worden gebaseerd. Dat geldt ook voor het feit dat op de Quotation de bankgegevens van [geïntimeerde] staan. Dat gegeven is kennelijk voor [appellant2] geen reden geweest om dan ook aan [geïntimeerde] te betalen: zij betaalde het op die Quotation genoemde bedrag, dat door [naam1] en niet door [geïntimeerde] is berekend in de e-mail van 27 september 2022 (zie 3.8), aan [naam1] , net als de betaling voor de eerste bestelling. [appellant2] ging er dus kennelijk steeds vanuit dat [naam1] haar contractspartij was. Voorzover [appellant2] derhalve heeft gesteld dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [naam1] ook [geïntimeerde] tot contractspartij maakte is daarvoor in deze feiten onvoldoende steun te vinden. Dat geldt ook voor de stelling dat [appellant2] voor deze bestellingen bevrijdend aan [geïntimeerde] heeft betaald, althans dat deze betalingen kunnen worden toegerekend aan de derde bestelling.\n\n3.21. Dat wordt niet anders als hierbij de e-mailwisseling in december 2022 tussen [geïntimeerde] en [naam2] wordt betrokken. Daarin leest het hof, anders dan [appellanten] doen, niet dat [geïntimeerde] daarmee te kennen heeft gegeven dat zij (alsnog) partij was bij de eerste twee, niet uitgevoerde, overeenkomsten. [appellanten] hebben daarbij vooral gewezen op de door [naam7] gekozen woorden ‘we have a contract’ en dat sprake was van een ‘closed and prepaid contract’ waaruit dat volgens [appellanten] zou volgen. Het hof legt de e-mails anders uit.\n\nDe relevante inhoud van e-mails is als volgt:\n\nIn een e-mail van 20 december 2022 (van [naam7] namens [geïntimeerde] ):\n\n“Dear [naam8] ,\n\nOnce again thanks for the teams call this morning.\n\nLike we discussed an issue occurred by the fact there is contracted 1 full container of Pure Butter Ghee at a price of € 9.99\u002Fkg CIF Jeddah.\n\nThis container was contracted at the beginning of this year and fully prepaid by [appellant2] but has not been delivered to Saudi Arabia because of missing Halal certification.\n\nMeanwhile this container has been produced and is ready for shipping as soon as Halal certification arrives (the company providing the certificates confirmed already all is ok verbally).\n\nThe situation we (you and me) are facing now is that Ghee is offered at lower levels, and we have a contract and costs price at higher levels. This we need to solve. You informed me already that most likely you will not ship the Ghee to Saudi Arabia anymore but towards Kuwait\u002F Lebanon or UAE, but you need a better price for that.\n\nFrom my side it will be difficult to adjust the price of a closed and prepaid contract.\n\nOn the other hand, 1 want to help you and I have a responsibility for that.\n\nTo solve the situation, 1 would like to propose as follows:\n\n1. container at € 9,99\u002Fkg (the pending order)\n\n2 containers at € 7.50\u002Fkg\n\nOn average the price will be 8.33\u002Fkg CIF tor these 3 containers (Kuwait \u002F Lebanon or UAE)\n\nDelivery shipment January \u002F February (depending on your instructions)\n\nTo prevent prepayments from your side in a way we had them in 2022, 1 would suggest in future prepayments of [appellant2] will be on our account 1 week prior to shipment. In this way we avoid a big part of the issues we have had during this year.\n\n [naam8] , note the above-mentioned solution is a losing operation for us, but I really believe in the fact that we will work together in a good and professional way. Therefore, I will take this loss in order to start building our relationship and do not want to stop it before it is started.\n\nFurthermore, I will inform you as soon as our Halal certification is finished, because than we could also consider shipments to Jeddah again.\n\nI am looking forward to your confirmation (hopefully before x-mas) on the above and hope this will be a start for a fruitful co-operation between us.”\n\n [naam2] is met het voorstel in deze e-mail niet akkoord gegaan, zo blijkt uit een e-mail van 20 december 2022:\n\n“Hi [naam9] ,\n\nThanks for your prompt reply,\n\nKindly note that this order is considered a trial order, hence I can not risk buying 3 containers for a product that I didn't try yet\n\nPlease note that I can not proceed with your offer, if you can amend the offer to somewhere between 7.5-7.8 per kg, I will ship it asap to end this dilemma”\n\nNa enig onderhandelen worden partijen het eens over een prijs van € 7,80 per kg.3.22. In de e-mail van [naam7] niet wordt gerefereerd aan de eerste bestelling, maar kennelijk alleen aan de tweede gezien de verwijzing naar de prijs per kilogram; een binding aan de eerste overeenkomst ligt om die reden al niet zonder meer voor de hand. Los daarvan, de mails zijn geschreven nadat [geïntimeerde] door [naam1] in oktober 2022 was geïnformeerd over de problemen met de levering van de tweede bestelling in Saoedi-Arabië, en [geïntimeerde] dat probleem wilde oplossen in lijn met de afspraken die zij in de samenwerkingsovereenkomst met [naam1] had gemaakt (en waarvan [appellanten] niet op de hoogte waren). [appellanten] hebben ook verder onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de eerste bestelling waarvoor door [naam1] € 126.282 in rekening is gebracht.\n\n [appellant2] had over het op grond van de tweede bestelling te leveren product al prijsafspraken met [naam1] gemaakt en in verband daarmee € 94.303,50 aan [naam1] voldaan. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] van deze tweede bestelling en betaling op de hoogte was toen zij in oktober 2022 is geïnformeerd door [naam1] .\n\n [appellant2] wilde kennelijk een aanpassing van de prijs en daarover zijn onderhandelingen gevoerd. In het kader daarvan heeft [naam7] een aantal voorstellen gedaan, tegen de achtergrond dat sprake was van een contract dat ‘closed and prepaid’ was terwijl inmiddels de kostprijzen zijn veranderd. [naam7] doet daarom een voorstel voor drie verdere leveringen met als gevolg een middeling van de prijs. Het hof leest de woorden ‘we have a contract’ dan ook in het kader van deze onderhandelingen en niet zo letterlijk zoals [appellanten] dat doen en verbindt daaraan niet de conclusie dat [geïntimeerde] als contractspartij al een leveringsverplichting had jegens [appellant2] . Ook het feit dat [naam7] zich verantwoordelijk achtte (‘responsibility’) leidt niet tot die conclusie. De betaling van € 75.524,40 en het sales-contract met als datum 19 oktober 2022- een intern stuk tussen [geïntimeerde] en [naam1] - moeten eveneens worden bezien tegen de achtergrond dat [geïntimeerde] de leveringsproblemen van [naam1] wilde oplossen, en niet als een bevestiging dat [geïntimeerde] een overeenkomst met [appellant2] had. Dat [naam7] schrijft dat hij het verlies wil nemen (‘take this loss’) moet zo worden begrepen dat dit ziet op de het verschil tussen de productiekosten en dalende marktprijzen, waaraan hij in de eerste alinea van zijn e-mail refereert. Ter zitting bij het hof heeft [geïntimeerde] nader toegelicht dat zij de verzendkosten voor de levering in Koeweit voor haar rekening heeft genomen die in het algemeen voor rekening van de afnemer zouden zijn gekomen. Het verlies nemen waarover wordt gesproken moet ook tegen die achtergrond worden bezien. Uit de e-mails blijkt dat het voor [geïntimeerde] ging om het opbouw van een relatie (‘start building our relationship) en dat het voor [appellanten] . ging om een ‘trial order’. Ook dat wijst niet op een eerdere contractuele relatie.\n\n3.23. Het argument van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling voor de uitgevoerde levering vanwege de contractuele binding van [geïntimeerde] aan de eerdere overeenkomsten is dus niet valide.\n\n3.24. Dat laat echter onverlet, althans dat sluit niet uit, dat ook zonder die binding de afspraak kan zijn gemaakt dat [geïntimeerde] voor de levering niet door [appellant2] of [appellant1] betaald kreeg.\n\n3.25. Uit wat door [appellanten] is gesteld en ter onderbouwing daarvan aan schriftelijke stukken is overgelegd valt niet af te leiden dat een afspraak met de door [appellanten] gestelde inhoud is gemaakt. Door [appellanten] wordt ook daarvoor sterk geleund op de e-mail van de zijde van [geïntimeerde] van 20 december 2022, waarvan de inhoud hiervoor in 3.21 is weergegeven en waaraan het hof hiervoor een uitleg heeft gegeven in het kader van de vraag of daaruit volgt dat [geïntimeerde] contractspartij was van [appellant2] bij de eerste overeenkomsten. Die uitleg is ook relevant voor de vraag of de gestelde afspraak is gemaakt. Ook die vraag beantwoordt het hof op basis van die uitleg ontkennend. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.\n\n3.26. In de e-mail wordt niet met zoveel woorden of anderszins specifiek stil gestaan bij de vraag of voor de levering betaald moet worden of niet, omdat die al eerder zou zijn betaald, of dat een beroep werd gedaan op verrekening met wat al eerder door [appellanten] was betaald aan [naam1] , bijvoorbeeld het bedrag van € 94.303,50. Woorden met die concrete inhoud of van die strekking zijn in de e-mails van 20 december 2022 en de reactie daarop van de zijde van [naam2] (optredende namens [appellanten] ) niet te lezen. Dat van de zijde van laatstgenoemde daaraan geen woord wordt gewijd is opvallend, omdat zij daarbij het meeste belang had, gezien de eerdere betalingen. Daarbij komt dat op initiatief van die zijde over een aanpassing van de prijs is onderhandeld, zoals onweersproken door [geïntimeerde] is gesteld, en dat daarover een akkoord is bereikt. Dat roept de – onbeantwoorde – vraag op waarom [naam2] het initiatief tot die onderhandeling om tot een lagere prijs te komen heeft genomen, indien zij ervan uitging dat de levering toch niet betaald hoefde te worden. [geïntimeerde] mocht er gezien die onderhandelingen redelijkerwijs op vertrouwen dat zij conform de uitonderhandelde prijs betaald zou krijgen, althans hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd op grond waarvan [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat dit niet het geval was.\n\n3.27. \n\nDat wordt niet anders als daarbij acht wordt geslagen op de in verband met de levering in Koeweit opgemaakte stukken en dat geen aanbetaling is gevraagd, welke omstandigheden volgens [appellanten] hun standpunt ondersteunen. Volgens [appellanten] is de factuur van 4 januari 2023 slechts om administratieve redenen opgemaakt in verband met een andere prijs en bestemming en douaneformaliteiten. Dat kan uit de factuur zelf niet worden afgeleid; dat de factuur ook volgens [geïntimeerde] slechts deze functie had is ook verder onvoldoende onderbouwd; niet is gesteld of gebleken op grond waarvan ook [geïntimeerde] hiervan uitging. Dat op 19 januari 2023 in het Supplier Creation Formdat is opgemaakt om te voldoen aan invoerformaliteiten voor de levering in Koeweit als betalingsvoorwaarden ‘Prepayment’ zijn genoemd legt daarbij ook niet voldoende gewicht in de schaal, omdat door [geïntimeerde] onweersproken is gesteld dat dit formulier algemene informatie betreft en niet specifiek ziet op deze transactie. In het formulier wordt ook niet verwezen naar deze transactie.\n\nHet staat op zich vast dat geen aanbetaling is gevraagd, terwijl dat wel op de factuur van januari 2023 staat. Niet gesteld of gebleken is echter dat daarover in december 2022 is gesproken en op grond waarvan [geïntimeerde] bij [appellanten] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij door het niet vragen van een aanbetaling helemaal van betaling af zou zien.\n\n3.28. \n [appellanten] hebben ook nog een beroep gedaan op een verklaring van de bestuurder van [naam1] . Ook met de inhoud van die verklaring heeft [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de afspraak waarop [appellanten] zich beroept is gemaakt, deze verklaring zowel op zich zelf bezien als in samenhang met de andere gestelde feiten en omstandigheden. De verklaring luidt als volgt:\n\n“(…) In March\u002F April 2022, [appellant2] placed an order with [naam1] for an amount of € 126,282. That amount was prepaid by [appellant2] to [naam1] on April 7, 2022.\n\nDue to circumstances, this order was cancelled. From that moment on, [appellant2] had a credit on [naam1] of € 126,282 that would be settled with the next new order. [geïntimeerde] agreed.\n\nThe next order took a very long time due to [geïntimeerde] 's incorrect working method, but was completed through delivery and invoicing in January 2023. This resulted in an invoice from [geïntimeerde] to [appellant2] of € 195,039. [appellant2] had again paid an amount in advance to [naam1] on that invoice, i.e. € 94,303,50 on October 4, 2022. In accordance with agreement with [geïntimeerde] , € 75,524.40 of the latter advance payment was paid by [naam1] to [geïntimeerde] on 20 October 2022, on condition that delivery by [geïntimeerde] to [appellant2] would take place without [appellant2] having any payment obligation towards [geïntimeerde] .\n\nIn total, [appellant2] has therefore paid € 220,585.50 to [naam1] , [naam1] has settled with [geïntimeerde] in accordance with the agreement. The amount overpaid by [appellant2] , i.e. € 220,585.50 minus €195,039 = € 25,546.50 should have been repaid by [geïntimeerde] to [appellant2] . [naam11] has taken care of that amount without obligation by offsetting with [appellant2] and is trying to recover it from [geïntimeerde] . It now appears that [appellant2] also paid the latter invoice of € 195,039 to [geïntimeerde] , which is completely unjustified. [geïntimeerde] received that amount incorrectly. It would have been morally right for them to have returned that receipt immediately. Now that it appears that this has not happened, I advise [appellant2] to take immediate action against [geïntimeerde] , if necessary using all legal means. Where possible, I would like to support them wholeheartedly. In summary: [appellant2] paid twice, 1 time to [naam1] and 1 time to [geïntimeerde] . The payment to [naam1] has been accepted by [geïntimeerde] as payment of the delivery and has been incorporated into the current account relationship with [naam1] . After receiving that payment to [naam1] , [geïntimeerde] delivered to [appellant2] . After that, [appellant2] paid [geïntimeerde] again by mistake. [geïntimeerde] is therefore obliged to return this wrongful payment to [appellant2] .”\n\n3.29. Volgens [geïntimeerde] is deze bestuurder [geïntimeerde] niet goedgezind omdat [geïntimeerde] het faillissement van [naam1] heeft aangevraagd. Dat kan zo zijn, maar dat maakt de verklaring om die reden niet direct ongeloofwaardig. Belangrijker is dat [appellanten] niet hebben gesteld dat deze bestuurder betrokken is geweest bij de totstandkoming van de afspraken die in december 2022 zijn gemaakt, en welke rol hij daarbij heeft gespeeld en waaraan hij zijn wetenschap ontleent. Daarbij komt dat de verklaring op onderdelen in strijd is met de door [appellanten] zelf gestelde en vaststaande feiten. Zo verklaart de bestuurder dat B& F een aanbetaling op de factuur van [geïntimeerde] van januari 2023 heeft gedaan, terwijl die aanbetaling volgens [appellanten] betrekking heeft op de tweede bestelling. Verder is de verklaring een beschrijving van de gang van zaken, die in grote lijnen overeenstemt met de standpunten van partijen, en wat betreft de betaling van ruim € 75.000,- met het standpunt van [geïntimeerde] dat dat in lijn was met de afspraken tussen [naam1] en [geïntimeerde] . Maar uit de verklaring blijkt niet van enige afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellanten] , noch dat [geïntimeerde] contractueel tot levering verplicht was als het gaat om de eerste twee bestellingen. De bestuurder heeft het in dat verband over een morele verplichting.\n\n3.30. Bij gebrek aan toereikende onderbouwing ziet het hof geen grond voor het honoreren van het bewijsaanbod van [appellanten] dat slechts inhoudt dat de bestuurder van [naam1] als getuige gehoord zou moeten worden. Dat aanbod is daarvoor bovendien niet specifiek genoeg. Er is gesteld dat deze bestuurder het nodige kan verklaren, maar niet is aangeboden feiten te bewijzen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden, dan wel is het aanbod niet ter zake dienend gelet op wat het hof al heeft geoordeeld over de door [appellanten] gestelde feiten.\n\nTussenconclusie\n\n3.31. Al het voorgaande betekent i) dat niet blijkt dat sprake is van onverschuldigde betaling en ii) dat niet blijkt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die een gevolg is van het niet uitvoeren van de eerste twee bestellingen. De op die grondslagen gebaseerde primaire en subsidiaire vorderingen zijn niet toewijsbaar. De schadevergoedingsvordering is dat ook niet voorzover die is gebaseerd op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . [appellanten] heeft niet voldoende gesteld om dat onrechtmatig handelen, dat niet zonder meer uit de feiten volgt, aan te nemen. De grievendie er toe strekken dat de vordering op deze grondslagen kunnen worden toegewezen falen.\n\nongerechtvaardigde verrijking\n\n3.32. De meer subsidiaire vordering tot betaling van € 75.524,40 is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Die is toewijsbaar indien [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellant1] of [appellant2] (die zijn verarmd) zodat [geïntimeerde] , voorzover dit redelijk is, de schade die zij daardoor lijden moet vergoeden tot het bedrag van haar verrijking.\n\n3.33. \n [appellant2] (en niet [appellant1] ) heeft het genoemde bedrag aan [naam1] betaald zonder dat zij daarvoor een daarmee corresponderende tegenprestatie heeft ontvangen. Zij heeft dit bedrag niet terugontvangen. Aannemelijk is daarom dat [appellant2] door de betaling van het genoemde bedrag is verarmd. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat [appellant2] mogelijk nog een vordering op [naam1] heeft, maar dat gegeven betekent als zodanig niet dat [appellant2] niet kan zijn verarmd ( [naam1] biedt overigens geen verhaal voor die vordering, gezien de stand van zaken in dat faillissement, waarbij geen uitkering aan faillissementscrediteuren is te verwachten).\n\n3.34. \n [geïntimeerde] is er vanwege de samenwerkingsafspraken met [naam1] vanuit gegaan dat [naam1] het bedrag terug moest betalen aan [appellant2] en dat zij gehouden was het bedrag met dat doel aan [naam1] terug te betalen. Zij stelt dat te hebben gedaan doordat zij haar schuld (terugbetaling aan [naam1] ) heeft verrekend met een vordering van haar op [naam1] uit andere hoofde. Indien dat juist is betekent dat dat [geïntimeerde] is verrijkt: zij heeft daarmee immers een verrekeningsmogelijkheid gekregen en benut, die zij niet zou hebben gehad indien zij het bedrag van ruim 75.000, - niet zou hebben ontvangen. Zij heeft dit bedrag ontvangen waar volgens haar eigen stellingen geen tegenprestatie van haarzelf tegenover staat. [geïntimeerde] heeft de ruim € 75.000,- immers aan zichzelf laten overmaken als ‘prepayment’ (zie rov. 3.9), maar heeft vervolgens het volle afgesproken bedrag voor de levering van januari 2023 van [appellant1] ontvangen, zonder dat zij op die factuur het ten titel van aanbetaling van [naam1] ontvangen bedrag daarop in mindering heeft gebracht. Voor de ontvangst van de ruim € 75.000,- is dan ook geen rechtvaardiging te vinden in de met [appellant2] gesloten overeenkomsten. Tussen de verarming van [appellant2] en de verrijking van [geïntimeerde] bestaat daarmee voldoende verband. Het is in de gegeven omstandigheden redelijk dat [geïntimeerde] dit bedrag aan [appellant2] terugbetaalt; niet valt in te zien dat [appellant2] van de gang van zaken en van het faillissement van [naam1] de dupe moet worden.\n\n3.35. Het hof zal daarom de meer subsidiaire vordering toewijzen, met daarover de gevorderde en als zodanig niet bestreden wettelijke rente met ingang van 25 september 2023 tot aan de dag van algehele betaling. Met het oog daarop zal het bestreden vonnis van de rechtbank worden vernietigd.\n\n3.36. Ook de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (de vordering sub VIII in de akte vermeerdering eis van 25 november 2024) is, als zijnde niet weersproken, toewijsbaar. Naar aard en omvang voldoen deze kosten aan de dubbele redelijkheidstoets. Daarbij gaat het hof er, gelet op het vermelde in de inleidende dagvaarding onder 74 en 81, vanuit dat het in de akte genoemde bedrag van € 2.750,39 een verschrijving is en van het bedrag van € 2.725,39 moet worden uitgegaan.\n\nDe conclusie\n\n3.37. Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [geïntimeerde] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten van [appellant2] zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Daarbij gaat het hof wat betreft het salaris van de advocaat uit van het toegewezen bedrag. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.Deze uitspraak brengt mee dat [appellant2] de proceskosten voor de procedure in eerste aanleg niet meer verschuldigd zijn. Het kan zijn dat zij die inmiddels aan [geïntimeerde] heeft betaald, maar een vordering tot terugbetaling heeft zij niet ingesteld, zodat het hof [geïntimeerde] daartoe niet kan veroordelen.\n\n3.38. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 12 februari 2025 voorzover de vorderingen van [appellant2] zijn afgewezen, beslist in zoverre opnieuw, en bekrachtigt het vonnis voor het overige:\n\n4.2. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 75.524,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\n4.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 2.725,39 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;\n\n4.4. \n\nveroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 6.617 aan griffierecht\n\n€ 115,12 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 2.428 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het destijds geldende tarief in tariefgroep IV)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] in hoger beroep:\n\n€ 6.803 aan griffierecht\n\n€ 122,25 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 4.704 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het per 1 februari 2026 geldende tarief in tariefgroep IV)\n\n4.5. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.7. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. M.A.M. Essed en mr. A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Het vonnis is gepubliceerd onder RBMNE:2025:323.\n\n Artikel 4 Brussel I bis (Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Artikel 6:203 BW\n\n Conform de zogenoemde Haviltex-maatstaf\n\n In de woorden [appellanten] : is toegetreden tot die overeenkomsten\n\n Productie 27\n\n Productie 25\n\n Grieven I-III, met subgrieven bij grief II, en grief V\n\n artikel 6:212 BW\n\n Grief IV, VI en VII treffen doel\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4229","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.986Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":70,"fullText":94,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":96},"1865","ECLI:NL:GHAMS:2026:1799","ecli-nl-ghams-2026-1799","AMSTERDAM COURT OF APPEAL\n\nNetherlands Commercial Court of Appeal\n\nCase numbers Court of Appeal : 200.358.029\u002F01 and 200.358.754\u002F01\n\nCase number District Court : NCC C\u002F13\u002F768479\n\nJudgment given on 30 June 2026\n\nin the case with number 200.358.029\u002F01 of:\n\nDELTROIT DIRECTIONAL OPPORTUNITIES MASTER FUND LIMITED,\n\nGeorge Town, Cayman Islands,\n\nclaimant in appeal,\n\nclaimant in the incidental motion,\n\n(“Deltroit”),\n\nrepresented by S.C. Pepels, J.R. Berkenbosch and G. te Winkel, lawyers,\n\nagainst\n\nKROLL TRUSTEE SERVICES LIMITED,\n\nLondon, England,\n\ndefendant in appeal,\n\ndefendant in the incidental motion,\n\n(“Kroll”),\n\nrepresented by J.W. Volkers, W.N.M. Bouman and T.B. Klerks, lawyers,\n\n and\n\n1. SELECTA GROUP AG IN LIQUIDATION,\n\nCham, Switzerland,\n\n(the “Parent”),\n\n2. SELECTA GROUP B.V.,\n\nAmsterdam, the Netherlands,\n\n(the “Company”),\n\ninterested parties,\n\n(the Parent and the Company together: “Selecta”),\n\nrepresented by V.R. Vroom and B. Kemp, lawyers,\n\n3. SEAGULL BIDCO LIMITED,\n\nFolkstone, Kent, United Kingdom,\n\ninterested party,\n\n(“Seagull”),\n\nrepresented by E.R. Meerdink, F.J.L. Kaptein and R.G.A. Elkerbout-Kok, lawyers,\n\nand in the case with number 200.358.754\u002F01 of:\n\n1. CQS GLOBAL FUNDS (IRELAND) P.L.C.in respect of its sub-funds CQS Credit\n\nMulti Asset Fund, CQS Brunel Multi Asset Credit Fund and CQS Alternative Credit Fund,\n\nDublin, Ireland,\n\n2. CQS NEW CITY HIGH YIELD FUND LIMITED,\n\nSt. Helier, Jersey,\n\n3. MERCER QIF FUND P.L.C.in respect of its sub-fund Mercer Multi-Asset Credit Fund,\n\nDublin, Ireland,\n\n4. ALGEBRIS UCITS FUND P.L.C.,\n\nDublin, Ireland,\n\n5. FINECO ASSET MANAGEMENT DAC,\n\nDublin, Ireland,\n\nclaimants in appeal,\n\nclaimants in the incidental motion,\n\n(“CQS”),\n\nrepresented by C.B. Schutte, R. van den Berg and T.J.P.H. de Bekker, lawyers,\n\nagainst\n\nKROLL TRUSTEE SERVICES LIMITED,\n\nLondon, England,\n\ndefendant in appeal,\n\ndefendant in the incidental motion,\n\n(“Kroll”),\n\nrepresented by J.W. Volkers, W.N.M. Bouman and T.B. Klerks, lawyers,\n\nand\n\n1. SELECTA GROUP AG IN LIQUIDATION,\n\nCham, Switzerland,\n\n(the “Parent”),\n\n2. SELECTA GROUP B.V.,\n\nAmsterdam, the Netherlands,\n\n(the “Company”),\n\ninterested parties,\n\n(the Parent and the Company together: “Selecta”),\n\nrepresented by V.R. Vroom and B. Kemp, lawyers,\n\n3. SEAGULL BIDCO LIMITED,\n\nFolkstone, Kent, United Kingdom,\n\ninterested party,\n\n(“Seagull”),\n\nrepresented by E.R. Meerdink, F.J.L. Kaptein and R.G.A. Elkerbout-Kok, lawyers.\n\nDeltroit and CQS together: the “Appellants”.\n\nKroll, Selecta and Seagull together: the “Respondents”.\n\n1. Summary of the case\n\nBy judgment of 13 May 2025, the NCC District Court granted Kroll leave to transfer all the shares in the Company by way of a private enforcement sale pursuant to Article 3:251(1) Dutch Civil Code (DCC). The Appellants, who were not involved in the proceedings before the NCC District Court, filed an application for appeal with the NCC Court of Appeal requesting the Court to annul the judgment. Before their requests can be considered on the merits, the NCC Court of Appeal will in this interim judgment first decide (i) if Deltroit and CQS can be qualified as ‘interested parties’, and (ii) if there is ground to lift the applicable prohibition against appealing the judgment.\n\n2. The procedural history\n\n2.1.. The case file of the NCC Court of Appeal (“Court”) includes the following documents:\n\n­ the appeal against application ex Art. 3:251(1) DCC and the incidental motion to provide copies and access pursuant to Art. 195 and 195a Dutch Code of Civil Procedure (DCCP), including Exhibits nos. 1 to 40, of Deltroit, in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the appeal against application ex Art. 3:251(1) DCC and the incidental motion to provide copies and access pursuant to Art. 195 and 195a DCCP, including Exhibits nos. 1 to 41, of CQS et al, in the case with number 200.358.754\u002F01;\n\n­ the statement of defence on admissibility of Kroll in both cases;\n\n­ the statement of defence on the admissibility of the appeals and the prohibition against appeal in pledge enforcement proceedings on the basis of Article 3:251(1) DCC, of Selecta, including Exhibits nos. 1 to 13, in both cases;\n\n­ the statement of defence on the admissibility of the appeals and the prohibition against appeal in Article 3:251(1) DCC proceedings, of Seagull, including Exhibits nos. 1 and 2, in both cases;\n\n­ the statement of submission of supplemental exhibits of Seagull, including Exhibits nos. 3 and 4, in both cases;\n\n­ the brief submitting additional exhibits of Selecta, including Exhibits nos. 14 to 19, in both cases;\n\n­ the brief submitting exhibits of Deltroit, including Exhibits nos. 41 to 53in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the brief submitting exhibits of CQS, including Exhibits nos. 42 to 54, in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the letters of Kroll, Selecta and Seagull dated 9 April 2026, in both cases, requesting the Court to refuse Exhibit 46 of Deltroit and Exhibit 47 of CQS, which request was denied during the hearing;\n\n­ the letter of Deltroit of 10 April 2026, in the case with number 200.358.029\u002F01.\n\n2.2.. The cases were heard together on 16 April 2026. Deltroit was represented by S.C. Pepels and G. te Winkel mentioned above, and by Q. Rook and E.L.R. Mendes Aguiar, lawyers. CQS was represented by C.B. Schutte and T.J.P.H. de Bekker mentioned above. Kroll was represented by its lawyers mentioned above. Selecta was represented by its lawyers mentioned above and by K. de Bruijn, lawyer. Seagull was represented by E.R. Meerdink and F.J.L. Kaptein mentioned above and by P. van der Veen, lawyer. The lawyers argued their case using pleading notes that are part of the case file.\n\n2.3.. Judgment regarding the admissibility of the appeals was subsequently set for today.\n\n3. The facts\n\nThe facts, in so far as relevant for this interim judgment, are as follows.\n\n3.1.. The Company heads the “Selecta Group”, a group of companies that operates a Europe-wide food technology business, amongst other things in the field of coffee roasting and coffee vending machines throughout Europe. The Company is a holding company for the operating companies of the Selecta Group. The shares in the Company were owned by the Parent until 11 June 2025, when the shares were sold to Seagull as part of a restructuring.\n\n3.2.. Prior to the aforementioned restructuring, the Selecta Group was financed by multiple layers of secured debt, with various levels of seniority, totalling approximately EUR 1,445.5 million including accrued but unpaid interest. Until 2025, the Selecta Group’s capital structure included:\n\na EUR 150 million super senior revolving credit facility dated 15 January 2018, maturing in January 2026 (the “RCF”);\n\nfirst-lien senior secured notes, publicly traded and held by individual noteholders through clearing agencies, representing an aggregate principal amount of EUR 810.3 million, governed by the 1L Indenture, maturing in April 2026 (the “1L Notes”);\n\nsecond-lien senior secured notes, publicly traded and held by individual noteholders through clearing agencies, representing an aggregate principal amount of EUR 370.1 million, governed by the 2L Indenture, maturing in July 2026 (the “2L Notes”).\n\n3.3.. An intercreditor agreement under English law dated 31 January 2018 (the “ICA”) governed, amongst other things, the rankings of the creditors under the financing arrangement and the enforcement of the transaction security.\n\n3.4.. Under the ICA, Kroll was appointed as agent and as security agent. Kroll held the notes and the security rights on behalf of certain of the Selecta Group’s creditors who were granted certain security instruments, including a first ranking share pledge over the entire issued share capital of the Company. Pursuant to the ICA and the deeds of pledge, Kroll had the authority to enforce the security, in accordance with their terms and upon instructions of the requisite majority of the applicable creditors, in case of an ‘enforcement event’, as defined in the ICA. Broadly stated, such event includes outstanding amounts under a financing instrument becoming immediately due and payable.\n\n3.5.. In January 2025, the Company failed to meet an interest payment obligation to the 1L Noteholders. However, the contractual grace period was extended by the requisite majority of holders under the 1L Notes. To address the Selecta Group’s liquidity shortfall, a EUR 50 million super senior short-term interim facility dated 10 January 2025 maturing on 22 May 2025 (the “IFA”) was put in place, provided by a group of the Selecta Group’s creditors (the “Majority Noteholders”). To address the Selecta Group’s financial issues, the Company, Kroll and the Majority Noteholders reached an agreement for the restructuring of Selecta Group’s debt.\n\n3.6.. On 30 April 2025, Kroll received notice of an event of default under the 1L Indenture from the Company. At the instruction of the Majority Noteholders, representing more than 50% of the aggregate principal amount of the 1L Notes, Kroll issued a notice to the Company resulting in the outstanding amounts in respect of the 1L Notes becoming immediately due and payable. On that same day, the Majority Noteholders instructed Kroll to enforce the pledge over the shares in the Company.\n\n3.7.. On 30 April 2025, Kroll filed an application with the NCC District Court in Summary Proceedings (“District Court”) requesting approval to enforce the pledge by means of sale of the shares in the Company to Seagull, as laid down in a share purchase agreement. This proposed private sale involved, in essence, Seagull paying a cash consideration of EUR 1 for all shares in the Company, and Seagull releasing the Selecta Group from a portion of its outstanding debt.\n\n3.8.. \n\nLater on 30 April 2025, Kroll issued a notification via the clearing agencies to the noteholders. This notice included, insofar as relevant, the following text:\n\n“NOTICE IS HEREBY GIVEN, in accordance with Section 7.05 (Notice of Defaults) of the Indenture, that the Trustee has received a notice from the Issuer dated 30 April 2025 (the “Issuer Notice”) in which the Issuer informed the Trustee that an Event of Default has occurred and is continuing under Section 6.01(a)(1) of the Indenture. The Security Agent has subsequently filed on 30 April 2025 a petition with the court in preliminary relief proceedings (voorzieningenrechter) of the Netherlands Commercial Court requesting its approval to enforce Transaction Security (as defined in the Intercreditor Agreement) over the shares of the Issuer without a hearing”.\n\n3.9.. Also on 30 April 2025, the Selecta Group announced in a press release that it had secured a “transformative recapitalisation agreement”, explaining that “ownership of Selecta Group will transfer to a Consortium of the Group’s existing long-term institutional investors” and that this transaction was to be “implemented using a controlled enforcement process”.\n\n3.10.. The proposed private sale was approved by the District Court in a judgment dated 13 May 2025 (the judgment challenged in appeal). The pledged shares in the Company were transferred to Seagull on 11 June 2025. Seagull was established by certain members of the Majority Noteholders for the purpose of this transfer. This transfer was part of a more comprehensive restructuring of the Company.\n\n4. The case in first instance\n\n4.1.. By application of 30 April 2025, Kroll, in its capacity as security agent and as pledgee, requested the District Court, by means of an immediately enforceable decision, to grant Kroll leave pursuant to Article 3:251(1) DCC to transfer the Shares (as defined in the application) to Seagull. In these proceedings, Selecta and Seagull were involved as interested parties.\n\n4.2.. The District Court granted the requested leave by judgment of 13 May 2025. The District Court considered that, under the circumstances, the proposed sale of the shares in the Company to Seagull is the best possible outcome and will deliver maximum value for the shares.\n\n5. The cases in appeal\n\n5.1.. The applications in appeal of Deltroit and CQS are virtually identical. Both parties request the Court to annul the judgment of the District Court and to re-adjudicate Kroll’s application, denying the request to enforce the share pledge over the shares in the Company, and to order that Kroll pay the costs of the proceedings in appeal.\n\n5.2.. Deltroit and CQS further request the Court, by incidental motion, to order the Respondents to provide them with a copy of the information listed in their application for appeal. As follows from the Court notice dated 17 September 2025, this incidental motion will not be decided on in this interim judgment.\n\n5.3.. The Respondents each request – in summary – that the Court declare Deltroit and CQS inadmissible or dismiss their appeals, and order Deltroit and CQS to pay the costs of the proceedings.\n\n6. The issues: “interested party” and prohibition against appeal\n\n6.1.. In this first phase of the proceedings, the Court will rule on the admissibility of the appeals, more specifically on the qualification of ‘interested party’ and the prohibition against appeal, based on statutory provisions of the DCC and related Supreme Court case law. These matters are governed by Dutch civil procedural law.\n\n6.2.. The Respondents each argue that the Appellants should be declared inadmissible or, alternatively, their appeal should be dismissed. They come to this conclusion because (i) the Appellants are not ‘interested parties’ and therefore not competent to lodge an appeal pursuant to Article 358(2) DCCP, and (ii) there are no grounds for lifting the prohibition against appeal judgments in proceedings based on Article 3:251 DCC.\n\nInterested party\n\n6.3.. Article 358(2) DCCP stipulates that an appeal against a judgment is open to the parties to the proceedings and to interested parties who appeared in the proceedings, as well as to other interested parties (belanghebbenden). As Deltroit and CQS were not parties to the proceedings before the District Court, it must be assessed whether they qualify as interested parties within the meaning of Article 282(1) DCCP.\n\n6.4.. It must first be noted that Article 282(1) DCCP does not specify who qualifies as an interested party in application proceedings. Whether or not the Appellants are interested parties must be derived from the nature of the proceedings and the related statutory provisions (Supreme Court 25 October 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387). In determining whether a person is an interested party, the extent to which that party may be affected in its own interest by the outcome of the proceedings must be considered, or the extent to which they are otherwise so closely involved, or have been involved, with the subject matter being dealt with that there is an interest in appearing in the proceedings (Supreme Court 6 June 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440).\n\n6.5.. The Court will therefore assess in light of the objective and the scope of the relevant proceedings, i.e. the proceedings pursuant to Article 3:251(1) DCC, whether the Appellants qualify as interested parties. These proceedings concern the execution of pledged assets by means other than a public auction, as regulated in Article 3:250 DCC. The objective of a public auction (Article 3:250 DCC) is to yield the highest possible proceeds and to minimise the risk that the enforcing pledgee might collude with the purchaser of the secured assets to the detriment of the pledgor and the other creditors. There may exist valid reasons, however, to sell the pledged shares by another procedure than a public auction, such as a private sale. Such other procedure is provided for in Article 3:251(1) DCC, for which leave from the court in summary proceedings is required. The underlying purpose of both Article 3:250 and 3:251(1) DCC is that the interests of the pledgor and the other creditors are safeguarded as much as possible. If leave for a private sale is requested pursuant to Article 3:251(1) DCC, it is for the court in summary proceedings to assess if their interests are sufficiently safeguarded in that private sale (Supreme Court 22 June 2018, ECLI:NL:HR:2018:972).\n\n6.6.. Considering the aforementioned rationale of Article 3:251(1) DCC, the Court sees no ground for limiting the concept of ‘interested parties’ to the formal parties to the share pledge and formal holders of a security right, attachment or other limited right, as argued by the Respondents.\n\n6.7.. The Respondents point out that Deltroit and CQS as individual beneficial noteholders do not hold the notes themselves, as these are legally held by the registered holder. The Court finds that this does not necessarily entail that they are not to be considered interested parties. The Court considers that the position of Deltroit and CQS in relation to the enforcement sale proceedings, under the circumstances outlined by the Appellants, is comparable to the position of creditors whose interests have to be safeguarded (as mentioned in Supreme Court 22 June 2018, ECLI:NL:HR:2018:972) and that they have a right to be heard as interested parties. Moreover, the Appellants have extensively and rightly argued that their legal and economic interests are directly affected by the outcome of the proceedings before the District Court.\n\n6.8.. In short, the Appellants state the following. The Appellants were both 1L Noteholders, in an aggregate amount of approximately EUR 31 million. They argue that whilst prior to restructuring all holders of 1L Notes had the same rights and interests, the Majority Noteholders after the restructuring held the highest ranking, most secured and first repaid notes, while the Appellants only held 3O Notes. This was effectuated by first exchanging all 1L Notes for new lower value third priority notes (“3O Notes”) issued by Seagull. After this exchange, the Majority Noteholders were able to exchange their own 3O Notes for more valuable first priority notes (“1O Notes”). The other noteholders holding the minority of the shares, including Deltroit and CQS, were later also offered to exchange their 3O Notes for 1O Notes. This offer, however, included unacceptable non-market conditions that could only further benefit the Majority Noteholders. The result of this restructuring, that was engineered and effectuated behind the backs of the minority noteholders, is that the recovery position of the minority noteholders vis-à-vis the Company has decreased substantively. It was only in mid-June 2025 that the minority noteholders including the Appellants were confronted with a fait accompli. According to the Appellants, the Respondents did not properly inform the District Court of this unreasonable and discriminatory result of the proposed sale, as the District Court would not have allowed such result without hearing the prejudiced parties, i.e. the minority noteholders including Deltroit and CQS.\n\n6.9.. The Respondents contest the various allegations made by the Appellants. However, they do not dispute the outlined general restructuring method as such, pursuant to which the Appellants as holders of 1L Notes, amongst others, were to receive notes issued by a third party on substantially different terms and that hence the economic position of the Appellants was affected by the proposed restructuring in respect of which the District Court’s permission was sought. Nor do the Respondents dispute that the leave granted by the District Court played an indispensable role in the restructuring process. Given these circumstances, the Appellants clearly may be affected in their own interest by the outcome of the proceedings, even though: (i) they are individual beneficial noteholders and the notes are legally held by the registered holder, and (ii) the share pledges were granted in favour of Kroll as Security Agent under the ICA. Therefore, the Appellants are to be considered interested parties, who may express their view on the arguments of the Respondents in the request pursuant to Article 3:251(1) DCC. Their specific interests as beneficial noteholders are sufficient to warrant their participation in the proceedings to protect that interest, given the impact of the resulting judgment.\n\n6.10.. The Court acknowledges that Article 3:251(1) DCC aims to achieve definitive legal certainty about the sale of the pledged assets within a short term, as the Respondents argue. This – legitimate – objective however does not relieve the court in summary proceedings of its responsibility to identify who the interested parties are and to summon these parties to appear in the proceedings pursuant to Article 279(1) DCCP.\n\n6.11.. \n\nThe Respondents further argue that the terms of the relevant contractual documentation lead to the conclusion that the Appellants cannot be qualified as interested parties. They refer in this context to the ICA, which restricts individual creditors to pursue enforcement action, and the 1L Indenture, which contains a ‘no action’ clause.\n\nThis argument has no merit in this phase of the proceedings. Leaving aside that the Appellants dispute that these clauses prevent them from participating in the present proceedings as interested parties, the contractual restrictions in the ICA and the 1L Indenture cannot set aside the obligation of the court in summary proceedings to consider the interests of the Appellants (as interested parties) pursuant to Article 3:251 DCC. Consequently, the Court will uphold the protection of the interests of Appellants resulting from this statutory obligation.\n\nProhibition against appeal\n\n6.12.. In principle, a judgment granting leave pursuant to Article 3:251(1) DCC is not open to appeal (Supreme Court 17 June 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, Rabobank\u002FSporting Connection, par. 3.2). However, according to settled case law, the prohibition against appeal may be lifted under certain conditions (doorbrekingsgronden). The prohibition can be lifted if the relevant lower court: (i) acted beyond the scope of the relevant statutory provision, i.e. Article 3:251(1) DCC, (ii) wrongly failed to apply that provision, or (iii) disregarded such fundamental procedural forms that the proceedings cannot be considered fair and impartial (Supreme Court 29 March 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989).\n\n6.13.. The Appellants argue that two of the grounds for lifting the prohibition against appeal are applicable in the present proceedings. Firstly, they argue that their fundamental right to be heard has been breached, and secondly, that the District Court acted outside the scope of Article 3:251(1) DCC. Given that the Appellants have invoked these grounds, they are admissible in their appeal (Supreme Court 17 June 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, Rabobank\u002FSporting Connection, par. 3.4).\n\n6.14.. The Court finds that the first ground brought forward by the Appellants is well-founded. It is undisputed that the Appellants were not summoned by the District Court as interested parties in accordance with the requirements of the DCCP. By not summoning the Appellants and ruling on Kroll’s application without giving them the opportunity to express their views, the District Court failed to observe the Appellants’ rights as interested parties.\n\n6.15.. Even if the Appellants had knowledge of the District Court’s share pledge proceedings through the notice by Kroll of 30 April 2025 sent via the clearing agencies, as the Respondents argue and as Deltroit disputes, this knowledge would not change the findings of the Court since this notice does not qualify as a notice to appear within the meaning of Article 272 DCCP. This equally applies to the press release of the same date, which does not mention the District Court, and to any correspondence between the Appellants and Selecta’s advisors regarding the Company’s financial situation. The Appellants were allowed to await formal notice from the District Court regarding the application and the course of the proceedings. Therefore, not taking immediate action in response to the notice of 30 April 2025 does not impair their entitlement to invoke this ground to lift the prohibition against appeal.\n\nConclusion and next steps\n\n6.16.. The considerations above lead to the conclusions that Deltroit and CQS are to be regarded as interested parties and that the prohibition against appeal is to be lifted.\n\n6.17.. The Court notes that Article 290(1) DCCP stipulates that the Appellants, as interested parties, are entitled to inspect and receive copies of the documents in the case file. As this right follows from the law, a request to that end, or the grant of such request, appears to be unnecessary. The Court assumes that the Respondents will provide a copy of the case file to the Appellants.\n\n6.18.. Following this interim judgment, the cases may be dealt with on the merits in the next phase. The next step would be for the Respondents to submit a statement of defence on the merits. However, it may be useful to first hold a case management conference in order to discuss the further course of the proceedings. The Court suggests that the parties consult each other and – if possible – provide the Court with a joint proposal. Each party may inform the Court in this respect by submitting a brief, simultaneously, of no more than 5 pages.\n\n6.19.. At the hearing of 16 April 2026, the possible wish to lodge an interim Supreme Court appeal was discussed. Based on what the parties have brought forward, the Court will allow an interim Supreme Court appeal against this judgment.\n\n6.20.. All further decisions, including those regarding the cost orders, will be stayed.\n\n7. The decision\n\nThe NCC Court of Appeal:\n\n7.1.. declares Deltroit and CQS admissible in their appeals against the judgment of the District Court of 13 May 2025;\n\n7.2.. rules that an interim Supreme Court appeal may be lodged against this judgment;\n\n7.3.. directs the parties to submit the briefs as set out in paragraph 6.19, via eNCC, no later than 28 July 2026.\n\nDone by C.A. Joustra, P.M. Arnoldus-Smit and A.C. Metzelaar, appeal judges, assisted by the Clerk of the Court.\n\nIssued in public on 30 June 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1799","2026-07-13T00:29:42.723Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":44,"courtId":85,"decisionDate":70,"fullText":101,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":52,"updatedAt":103},"664","ECLI:NL:GHARL:2026:4226","ecli-nl-gharl-2026-4226","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.547\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 513216\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. J.A.I. Verheul te Amsterdam\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde\n\nen2. Wiflo Holding B.V.3. Extreme Tenders Holding B.V.4. Extreme Tenders B.V.5. Xtenders Shipyard B.V.6. Xtenders Custom B.V.7. Xtenders Yard B.V.8. Xtenders Carbon Solutions B.V.9. Extreme Tenders Shipyard B.V.10. Extreme Tenders Yard B.V.11. Xtenders Design B.V.12. Xtenders Production B.V.13. Xtenders Superyacht Solutions B.V.14. Xtenders Services B.V.15. Extreme Electric B.V.\n\ndie allen zaken doen in Almere en die bij de rechtbank optraden als gedaagden\n\nhierna samen: [geïntimeerden]en ieder afzonderlijk[geïntimeerde1]enXtenders c.s.\n\nadvocaat: mr. L.M. Noordzij te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 11 oktober 2023tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis\n\n• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• de akte overlegging producties van [geïntimeerden]\n\n• de akte overlegging producties van [appellant]\n\n• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 mei 2026 is gehouden.\n\nNa de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] had een overeenkomst tot de bouw van een schip op maat. Die overeenkomst is ontbonden en zijn vordering tot terugbetaling van het al betaalde bedrag is toegewezen. Omdat de bouwende vennootschap geen verhaal meer bood, is [appellant] een aansprakelijkheidsprocedure gestart tegen [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt treft en hem veroordeeld tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag. De rechtbank heeft de vordering tegen Xtenders c.s. afgewezen. [appellant] wil dat zijn vordering alsnog volledig wordt toegewezen, zowel tegen [geïntimeerde1] als tegen Xtenders c.s. [geïntimeerde1] wil dat de tegen hem toegewezen vordering alsnog volledig wordt afgewezen. Dit alles zal hierna worden beoordeeld. Eerst zal worden beschreven wat de relevante feiten zijn en wat bij de rechtbank aan de orde was en door haar is beslist.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1. Extreme Tenders Custom B.V. (hierna: ETC) richt zich op het (op maat) bouwen en verkopen van vaartuigen, tenders geheten. Deze tenders worden gewoonlijk gebruikt door bezitters van (super)jachten om van en naar hun jacht te komen.\n\n3.2. \n [geïntimeerde1] is (enig) statutair bestuurder van ETC. Enig aandeelhouder van ETC is Extreme Tenders Holding. Enig aandeelhouder van Extreme Tenders Holding is Wiflo Holding. [geïntimeerde1] is enig aandeelhouder van Wiflo Holding en enig bestuurder van zowel Wiflo Holding als Extreme Tenders Holding.\n\n3.3. \n\nDe partijen 4. t\u002Fm 15. zijn zustervennootschappen van ETC. Ook van deze\n\nvennootschappen is [geïntimeerde1] enig bestuurder en, via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding, enig aandeelhouder.\n\n3.4. Op 18 maart 2018 heeft [appellant] met ETC een koopovereenkomst (hierna: ‘de koopovereenkomst’) gesloten. Daarbij heeft [appellant] van ETC gekocht een op maat te bouwen carbon vaartuig, de Custom XTender 12.3M, building [nummer] (hierna ‘het vaartuig’ te noemen). De koopprijs bedroeg € 800.013. ETC had op dat moment geen activiteiten.\n\n3.5. ETC was een ‘special purpose vehicle’ dat wil zeggen dat alleen de bouw van dit vaartuig daarin werd uitgevoerd. Alle betalingen door de klant zijn bestemd voor die bouw en alles wat wordt gebouwd, is bestemd voor de klant.\n\n3.6. In de koopovereenkomst (artikel A-4) is bepaald dat het vaartuig zal worden geleverd twaalf maanden nadat de eerste betaling is ontvangen. In artikel A-7 is een betaalschema opgenomen voor de termijnbetalingen die verschuldigd worden nadat een bepaalde fase in de bouw van het vaartuig is aangevangen of afgerond. De betreffende termijn moet betaald worden tien dagen na ontvangst van de factuur. Als tijdige betaling uitblijft, zo bepaalt dit artikel verder, mag ETC verdere werkzaamheden opschorten.\n\n3.7. \n\nHet eerste bedrag van € 80.000, dat na het tekenen van de koopovereenkomst\n\nverschuldigd werd, is door [appellant] betaald (betaling i.) en op 22 maart 2018 in goede orde door ETC ontvangen. De leverdatum van het vaartuig was daarmee aanvankelijk 22 maart 2019.\n\n3.8. Na de eerste betaling heeft [appellant] in de periode tot en met 11 februari 2019 nog vijf facturen van ETC betaald, in totaal € 520.000, te weten:\n\n 12 oktober 2018 t.b.v. ‘acceptance final design’ ad € 80.000\n\n 30 oktober 2018 t.b.v. ‘start carbon production’ ad € 160.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘order engine’ ad € 80.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘start paintjob hull’ ad € 120.000 en\n\n 11 februari 2019 t.b.v. ‘delivery engine’ ad € 80.000.\n\nIn totaal heeft [appellant] vanaf maart 2018 tot en met februari 2019 € 600.000 betaald.\n\n3.9. ETC heeft de door haar van [appellant] ontvangen bedragen – op € 1.026 na – vrijwel onmiddellijk overgemaakt aan Extreme Tenders Holding (partij 3.) en Extreme Tenders (partij 4.), te weten:\n\n€ 40.000 op 29 maart 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 39.974 op 3 april 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 80.000 op 12 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling ii.)\n\n€ 159.000 op 31 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling iii.)\n\n€ 200.000 op 6 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betalingen iv. en v.)\n\n€ 50.000 op 28 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.) en\n\n€ 30.000 op 1 maart 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.).\n\n3.10. In februari en maart 2019 heeft [appellant] viermaal bij [geïntimeerde1] geïnformeerd naar de voortgang van de bouw van het vaartuig.\n\n3.11. Op 26 april 2019 heeft [appellant] bij [geïntimeerde1] aangedrongen om de huidige situatie toe te lichten. Op 29 april 2019 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] geantwoord dat aflevering in juli 2019 niet mogelijk is, dat de planning is aangepast en dat het vaartuig in december 2019 zal worden geleverd. [geïntimeerde1] stelt vervolgens voor dat [appellant] in het seizoen 2019 een ander vaartuig van hen gaat gebruiken.\n\n3.12. \n [appellant] heeft de koopovereenkomst in een e-mail aan [geïntimeerde1] van 1 mei 2019 ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van het al betaalde bedrag.\n\n3.13. Op 4 juni 2019 heeft [appellant] rechterlijk verlof verkregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC, waarop [appellant] de termijnbetalingen van in totaal € 600.000 had overgemaakt. Het beslag heeft geen doel getroffen omdat de bankrekening geen saldo had.\n\n3.14. Op 14 juni 2019 heeft [appellant] ETC gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, en onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat hij de koopovereenkomst terecht heeft ontbonden, en daarnaast veroordeling van ETC tot (terug)betaling van € 600.000 alsmede tot vergoeding van de door hem geleden schade.\n\n3.15. \n\nOp 23 januari 2020 heeft [appellant] rechterlijk verlof gekregen voor het (opnieuw) leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC en voor het leggen van conservatoire beslagen op het vaartuig, de daarbij horende bootmotoren en een drietal “pre-owned” vaartuigen. Op 27 januari 2020 is het conservatoir derdenbeslag gelegd op de\n\nbankrekening van ETC. Wederom heeft het beslag geen doel getroffen omdat er geen saldo was. Op 27 januari 2020 heeft de deurwaarder in de werkplaats van ETC conservatoir beslag gelegd op het in aanbouw zijnde vaartuig, type Xtenders 12.3M, waarop [nummer] was geschreven. De deurwaarder is er niet in geslaagd beslag te leggen op twee bootmotoren, omdat het hem niet duidelijk werd (gemaakt) waar deze zich bevonden. Op 29 januari 2020 heeft de deurwaarder in de Jachthaven [plaats1] conservatoir beslag gelegd op twee schepen (hierna: ‘de schepen’) die eerder door ETC op haar website te koop waren aangeboden. Het gaat om twee ‘pre-owned’ tenders, één type Xtenders 12.3m met [registratienummer1] , en één type Xtenders 8.3m, met [registratienummer2] . Op 6 maart 2020 heeft de deurwaarder geconstateerd dat de twee schepen waarop op 29 januari 2020 beslag was gelegd, uit de jachthaven waren verdwenen.\n\n3.16. Het onafgebouwde vaartuig met opschrift ‘ [nummer] ’ is door ETC op enig moment verkocht aan Xtenders Production B.V. (partij 12.) die daarbij een beroep heeft gedaan op verrekening van de koopprijs met een vordering op ETC. Het vaartuig is afgebouwd en vervolgens door Xtenders Yard B.V. (partij 7.) aan een ander verkocht.\n\n3.17. Op 21 juli 2020 heeft [appellant] verlof gekregen voor het leggen van conservatoir beslag onder ETC op roerende zaken. Op 30 juli 2020 heeft de deurwaarder beslag gelegd ten laste van ETC op in het proces-verbaal omschreven roerende zaken, waaronder gereedschappen, een tweetal tenders in aanbouw, drie voltooide tenders en boottrailers.\n\n3.18. Op 3 juli 2020 heeft [appellant] , na daartoe op 2 juli 2020 verkregen rechterlijk verlof, conservatoir derdenbeslag gelegd onder [geïntimeerde1] ten laste van Wiflo Holding.\n\n3.19. In een vonnisvan 23 oktober 2020 heeft de kantonrechter in Amsterdam de in rov. 3.14 weergegeven vorderingen toegewezen, onder veroordeling van ETC in de beslagkosten van € 1.104,46 en de proceskosten van € 5.989,51, te vermeerderen met nakosten van € 131 en € 68. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. ETC biedt geen verhaal.\n\n4. Het geschil en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat:\n\ni) [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden, primair tot een bedrag van € 600.000, te vermeerderen met rente vanaf de dag der dagvaarding en subsidiair nader op te maken bij staat;\n\nii) [geïntimeerde1] wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\niii) Wiflo Holding wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\nmet hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] en Wiflo Holding in de kosten van de procedure, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n4.2. De rechtbank heeft op 11 oktober 2023 de vordering (i) tot een beloop van € 415.619,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2020, tegen [geïntimeerde1] toegewezen. [geïntimeerde1] is verder veroordeeld in de beslagkosten en de proceskosten. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen. [geïntimeerde1] heeft op 28 maart 2024 aan dit vonnis voldaan.\n\n4.3. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat wat van zijn vorderingen is afgewezen, alsnog wordt toegewezen. [appellant] heeft daarbij zijn vordering gewijzigd en vermeerderd als het gaat om sub (i) de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente en daarnaast (iv) gevorderd dat [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de ten laste van ETC toegewezen vergoeding van beslag- en proceskosten van € 1.104,46, € 5.989,51, € 131 en € 68.\n\n4.4. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde1] is dat de tegen hem toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [appellant] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat [geïntimeerde1] op basis van het vonnis van 11 oktober 2023 aan hem heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 maart 2024.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nInleiding\n\n5.1. Het hof zal oordelen dat het hoger beroep van [appellant] grotendeels slaagt en dat het gehele door hem aanbetaalde bedrag moet worden vergoed, maar niet door alle partijen die hij daarvoor aansprakelijk houdt. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) van partijen zullen daarbij thematisch worden behandeld.\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.2. Omdat [appellant] in [land1] woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. De internationale bevoegdheidsregels zijn in procesrechtelijke zin van openbare orde. Het hof dient daarom eerst ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. Aangezien de verwerende partijen [geïntimeerden] in een EU-land (Nederland) zijn gevestigd \u002F wonen, moet de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, worden beantwoord aan de hand van de Verordening Brussel I-bis.Deze bevoegdheid kan in dit geval (onder meer) worden gebaseerd op artikel 4 Verordening Brussel I-bis. Partijen hebben ook niet iets anders gesteld. De Nederlandse rechter is daarmee bevoegd.\n\n5.3. Tegen de impliciete vaststelling van de rechtbank dat op dit geschil Nederlands recht van toepassing is, hebben de partijen geen bezwaar gericht. Partijen hebben ook zelf Nederlandse wetsartikelen ingeroepen. Het hof is met partijen van oordeel dat het Nederlands recht hier van toepassing isen het zal de zaak dan ook naar Nederlands recht beoordelen.\n\nWijziging van eis\n\n5.4. De in rov. 4.3 bedoelde eisvermeerdering heeft processueel op het juiste moment plaatsgevonden en [geïntimeerden] hebben daartegen als zodanig geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten.\n\nBestuurdersaansprakelijkheid [geïntimeerde1]\n\n5.5. \n [appellant] stelt allereerst dat [geïntimeerde1] als bestuurder van onder meer ETC op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor het door de ETC onbetaald laten van de onherroepelijk door de kantonrechter toegewezen terugbetaling van € 600.000.\n\nMaatstaf aansprakelijkheid\n\n5.6. De vordering van [appellant] betreft een vordering jegens [geïntimeerde1] als bestuurder van ETC, omdat [appellant] benadeeld is door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering op ETC.\n\n5.7. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijtkan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.8. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. [appellant] heeft zijn vordering niet gebaseerd op schending van deze zogenoemde ‘Beklamel-norm’, zodat het hof die verder buiten beschouwing zal laten.\n\n5.9. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.In de onder (ii) bedoelde gevallen draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.\n\nStelplicht en bewijslast\n\n5.10. De stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast voor de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd, rusten in beginsel op [appellant] als partij die zich op deze grondslag beroept (artikel 150 Rv). In geval als dit, waarin een partij die schade lijdt door wanprestatie van een vennootschap daarom verhaal zoekt op de bestuurder tevens (middellijk) enig aandeelhouder van die vennootschap, geldt niet een bijzondere regel van bewijslastverdeling, die meebrengt dat degene die volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, wordt belast met het bewijs.\n\nUitgangspunt\n\n5.11. De betalingsverplichting van ETC staat definitief vast. Die is in een vonnis van 23 oktober 2020 (zie rov. 3.19) vastgesteld en die beslissing is onherroepelijk geworden. Daarmee moet in deze procedure worden uitgegaan van de verschuldigdheid door ETC van het in dat vonnis toegewezen bedrag van € 600.000. [geïntimeerden] . kunnen in deze procedure niet opnieuw discussie voeren over de verschuldigdheid van dat bedrag omdat zij niet worden aangesproken voor dat verschuldigde bedrag als zodanig, maar voor de schade die [appellant] door hun handelen heeft geleden. Tegen dat laatste, op een onrechtmatig handelen gebaseerd verwijt kunnen en mogen zij zich ook ten volle verweren. Voor zover [geïntimeerden] menen dat niet van een betalingsverplichting van ETC kan worden uitgegaan en daarom al het verwijt van [appellant] onjuist is, faalt dat. Dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 23 oktober 2020 tegenover [geïntimeerden] geen gezag van gewijsde heeft, maakt een en ander niet anders.\n\nOnrechtmatig handelen van [geïntimeerde1]\n\n5.12. Voorop staat dat het Xtender-concern in wezen een eenpersoonsconcern is. [geïntimeerde1] is van alle vennootschappen de enig bestuurder en via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding de enig aandeelhouder. Uit het navolgende blijkt ook dat de onderneming van [geïntimeerde1] om een ‘custom made’-vaartuig te bouwen, hoewel ingericht over meerdere vennootschappen, feitelijk één geheel is. Al deze vennootschappen treden naar buiten onder dezelfde handelsnaam en zijn gevestigd op hetzelfde adres en zijn bereikbaar via hetzelfde mailadres en telefoonnummer. Naar verklaring van [geïntimeerde1] tijdens de mondelinge behandeling wordt het terrein met bedrijfsgebouwen gehuurd door Extreme Tenders Holding die dat ter beschikking stelt aan de andere vennootschappen. Deze vennootschap heeft naar zeggen van [geïntimeerde1] ook de machines en de gereedschappen van de Xtenders-onderneming in eigendom. Het personeel van de onderneming is per 1 juni 2018 overgeheveld van Extreme Tenders (verwerende partij 4.) naar Xtenders Design (verwerende partij 11.). Via Xtenders Production (verwerende partij 12.) wordt de inkoop van al het benodigde materiaal gedaan en extern personeel ingeleend. De administratie van een en ander wordt op holding-niveau gedaan, waarna periodiek – zo blijkt ook uit de door [geïntimeerde1] overgelegde rapportages van de accountant – de doorbelasting van kosten e.d. via rekening-courantverhoudingen tussen de verschillende vennootschappen plaatsvindt. Alle hier niet-benoemde vennootschappen zijn volgens [geïntimeerde1] dan de ‘special purpose vehicles’, waarbinnen conform specifieke wensen van een klant een vaartuig wordt gebouwd.\n\n5.13. \n [appellant] heeft zijn overeenkomst gesloten met ETC, die is ingezet als zo’n ‘special purpose vehicle’ oftewel een projectvennootschap. In dat verband is overeengekomen dat [appellant] in termijnen de bouw van het vaartuig voorfinanciert. Hoewel geen bankgaranties of zekerheden zijn verstrekt, is, zo staat tussen partijen vast, met deze handelwijze bedoeld [appellant] te beschermen: zijn betalingen zijn alleen bedoeld voor de bouw van het vaartuig en alles wat gebouwd wordt, is voor hem bestemd. Dit betekent dat alles wat door [appellant] wordt betaald, aan de bouw van het vaartuig moet worden besteed. Het gegeven dat ETC een projectvennootschap was met bijhorende specifieke besteding van de ter beschikking gestelde gelden, die afhankelijk waren van de voortgang van de bouw (vgl. rov. 3.6) brengt mee dat verwacht mocht worden dat ETC een projectadministratie zou voeren en dienovereenkomstig verantwoording zou kunnen afleggen.\n\n5.14. In dit geval moet worden vastgesteld dat van meet af aan anders is gehandeld dan met [appellant] is afgesproken en hij redelijkerwijs mocht verwachten. De van [appellant] ontvangen gelden zijn onmiddellijk doorbetaald aan andere vennootschappen van de Xtender-onderneming. Uit de overgelegde rapportages van de accountant blijkt dat dit is gedaan om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van andere onderdelen van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [geïntimeerde1] verklaard dat ETC ten behoeve van de bouw geen projectadministratie bijhield. De administratie van de gehele onderneming werd op holding-niveau gedaan, waarna achteraf via de tussen de vennootschappen bestaande rekening-courantverhoudingen gemaakte kosten e.d. werd toe- en\u002Fof afgerekend. Op basis waarvan dat plaatsvond, is niet duidelijk geworden.\n\n5.15. Immers, niet kenbaar zijn vóóraf met de andere vennootschappen van de Xtender-onderneming die bij de bouw van het vaartuig betrokken werden, afspraken gemaakt over kosten, uren en tarieven e.d. Er is ook niet kenbaar vooraf een kostprijscalculatie van de bouw van het vaartuig gemaakt. Verder is de financiële verantwoording van een en ander zoals die blijkt uit de verkorte balansen van ETC aangaande 2018 en 2019 ondoorzichtig; op de balans 2018 staat in essentie niet meer dan dat ETC (aan actiefzijde) een voorraad had van € 319.211 en (aan passiefzijde) een schuld van € 320.000. Hoe zich dit per einde 2018 verhoudt tot de voortgang van de bouw van het vaartuig (zo werd de romp van carbon op dat moment geproduceerd bij een derde) en tot de omvang van wat [appellant] al had aanbetaald, is onduidelijk gebleven. Uit de balans 2018 blijkt verder dat ETC voorafgaand aan het sluiten met de overeenkomst met [appellant] op 18 maart 2018 een schuld\u002Fnegatief eigen vermogen had van € 13.285. Hoe zich dit verhoudt met de met [appellant] overeengekomen bescherming van alles wat hij zou aanbetalen zoals hiervoor in rov. 5.13 is uiteengezet, is niet door [geïntimeerde1] uitgelegd.\n\n5.16. Het voorgaande verklaart waarom de besteding van de door [appellant] aanbetaalde bedragen niet helder is geworden en dat [geïntimeerde1] (ook) daarover tegenstrijdige stellingen heeft ingenomen. In eerste instantie heeft [geïntimeerde1] met beroep op een op 10 februari 2021 opgestelde proef- en saldibalans betoogd dat (zeker) € 680.990,50 is besteed aan de bouw van het vaartuig, waarna de door hem ingeschakelde accountant heeft gesteld, na onder meer toerekening van uren en kosten – al dan niet op basis van schatting, dat uitgegaan moet worden van € 576.989 in totaal. In dat bedrag zijn begrepen, zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd, ook alle uren die volgens [geïntimeerde1] zijn besteed ter wijziging van het ontwerp nadat de overeenkomst met [appellant] was opgesteld. Over die extra uren is [geïntimeerde1] verder weinig helder geweest; eerst is gesteld dat die uren een waarde hadden van tenminste de omvang van de koopsom van € 139.128 voor de romp en de twee motoren, terwijl in zijn memorie van antwoord die extra kosten op € 113.000 worden gesteld. Volgens [geïntimeerde1] gaven die extra kosten\u002Furen hem het recht om bedoelde koopsom te verrekenen in plaats van feitelijk aan ETC te betalen. Volgens de opgaaf van zijn eigen accountant dekten de aanbetalingen van [appellant] van € 600.000 in totaal echter alles al wat aan materiaal, inkoop en uren was besteed aan de bouw van het vaartuig. Hierop komt het hof hierna in rov. 5.19 nog terug. Hoe dan ook zijn de stellingen over wat is besteed aan de bouw van het vaartuig, zo al niet tegenstrijdig, niet sluitend.\n\n5.17. Het onmiddellijk doorbetalen van de van [appellant] ontvangen bedragen maakt – naast de kennelijk ongestructureerde bouw van het vaartuig – in voldoende mate aannemelijk dat daardoor ook onmiddellijk vertraging in de voortgang van de bouw ontstond. Daardoor was van meet af aan voorzienbaar dat ETC niet op het afgesproken moment zou kunnen leveren. [geïntimeerde1] had er dus al vanaf de eerste doorbetaling serieus rekening mee moeten houden dat [appellant] de vertraging in de levering van het vaartuig niet zou accepteren en conform wat daarover in de overeenkomst was afgesproken, de overeenkomst zou ontbinden.\n\n5.18. Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert, is de vertraging niet in relevante mate terug te voeren op door hem gestelde en door [appellant] bestreden (substantiële) wijzigingen in het ontwerp van het vaartuig. Allereerst geldt dat in het vonnis van 23 oktober 2020, dat ook op dit aspect het hof tot uitgangspunt dient, is beslist dat ETC nog in mails van 8 en 18 mei 2028 heeft bevestigd dat op 19 maart 2018 zou worden geleverd (rov. 19) en dat als onvoldoende onderbouwd moet worden voorbijgegaan aan de stelling van ETC dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de levering tot juli 2019 werd uitgesteld (rov. 21). Verder is in dat vonnis vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat ETC naar aanleiding van gestelde wijzigingen in het ontwerp [appellant] (schriftelijk) erop heeft gewezen dat de overeengekomen leverdatum hierdoor zou worden vertraagd en evenmin dat ETC voor de gestelde wijzigingen aan [appellant] extra kosten in rekening heeft gebracht en dat [appellant] in dat verband onbetwist heeft gesteld dat, in het geval ETC naar aanleiding van een verzochte wijziging heeft gezegd dat die wijziging tot extra kosten leidde, hij daarvan heeft afgezien (rov. 32). Het hof heeft, gezien het voorgaande, geen reden om in de aansprakelijkheidsprocedure tegen [geïntimeerde1] van iets anders uit te gaan. Het hof voegt daaraan nog toe dat uit de overeenkomst zelf volgt dat ná het sluiten daarvan per 18 maart 2018 nog ontwerpwerk verricht zou worden. In het in artikel A-7 van de overeenkomst opgenomen betaalschema is immers bepaald dat de tweede termijn van 10% van de koopsom ofwel € 80.000 moet worden betaald bij ‘acceptance final design’. Dat de wijzigingen in – en daarmee het finaliseren van – het ontwerp meer hebben omvat dan waarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst werd uitgegaan, is onvoldoende toegelicht. Daaraan gaat het hof dan ook voorbij.\n\n5.19. Ten tijde van de ontbindingsverklaring door [appellant] per 1 mei 2019 behoorden in ieder geval de onafgebouwde, inmiddels wel gespoten romp van het vaartuig (met dekplaat, zwemplatform, achterbankdelen en console) en de twee daarvoor aangeschafte motoren tot het vermogen van ETC, zoals beschreven in het taxatierapport van [naam1] van 5 september 2019. De waarde van een en ander is daarbij getaxeerd op € 95.000 excl. btw voor de romp met componenten en € 44.128 excl. btw voor de zich nog in de originele verpakking bevindende motoren, in totaal € 139.128. Van welk waardebegrip daarbij is uitgegaan, blijkt niet uit het rapport, maar evident is dat een en ander voor [geïntimeerde1] als kort gezegd bouwer van tenders een grotere waarde had dan voor een willekeurige derde. Voor alleen al de productie van de carbon romp en het zwemplatform is door de Zweedse leverancier Marstrom € 180.000 en € 20.000 berekend, terwijl de leverancier voor de motoren kort voordien € 51.486 excl. btw heeft gefactureerd. [geïntimeerde1] heeft genoemde zaken door een andere vennootschap (Xtenders Production) van zijn eenpersoonssconcern laten overnemen voor de hiervoor genoemde lagere taxatiewaarde, en het vaartuig afgebouwd. [geïntimeerde1] heeft geen inzicht gegeven in die verdere afbouw, daaronder begrepen de verdere kosten daarvan en de uiteindelijke daarmee gerealiseerde opbrengst. Gelet op de voor Xtenders Production gehanteerde koopsom moet het er echter voor gehouden worden dat [geïntimeerde1] met deze transactie een aanzienlijke besparing op de bouwkosten van die andere tender heeft gerealiseerd, die hij anders – dus als [appellant] niet om reden van het tekortschieten van ETC de overeenkomst had ontbonden – niet had gerealiseerd. Het laten toevallen van dat voordeel aan een andere vennootschap van zijn onderneming in plaats van aan [appellant] aan wie hij – via ETC – had terug te betalen, maakt dat ook deze handelwijze verwijtbaar onzorgvuldig is geweest tegenover [appellant] . Daarbij komt dat [geïntimeerde1] de tot uitgangspunt genomen koopsom van € 139.128 niet aan ETC heeft betaald maar met een beroep op een tegenvordering door Xtenders Production heeft doen behouden. Die tegenvordering is echter gefingeerd. In rov. 5.16 is immers al vastgesteld dat [appellant] al meer ter voorfinanciering had aanbetaald dan wat door de accountant van [geïntimeerde1] aan kosten van materiaal, inkoop en bestede uren aan de bouw van het vaartuig is toegerekend, zodat geen tegenvordering bestond, nog daargelaten de wisselende bedragen die daarvoor zijn gesteld. Daarbij komt dat ETC een eventuele vergoeding voor meer bestede uren aan design en engineering in beginsel verschuldigd zou zijn aan Xtenders Design omdat naar [geïntimeerde1] zelf heeft verklaard zijn personeel in dienst is bij die vennootschap. Dat Xtenders Production dan toch daarvoor een vordering zou hebben, is van iedere uitleg verstoken gebleven. Een en ander kan naar het oordeel van het hof geen andere conclusie dragen dan dat [geïntimeerde1] welbewust zijn eigen belang voorop heeft gesteld door een andere vennootschap van hem te bevoordelen en ETC ten koste van [appellant] te ontdoen van voor verhaal vatbare goederen en\u002Fof middelen. [geïntimeerde1] heeft ook in dat opzicht hoogst onzorgvuldig en verwijtbaar gehandeld.\n\n5.20. In de gegeven omstandigheden wist [geïntimeerde1] al onmiddellijk na de ontvangst van de (eerste) betaling(en) van [appellant] , dan wel moest hij begrijpen, dat bij een ontbinding van de overeenkomst ETC een verplichting tot terugbetaling van alles wat [appellant] ter voorfinanciering van de bouw van het vaartuig ter beschikking had gesteld, niet zou kunnen nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden. Ook na de ontbindingsverklaring heeft [geïntimeerde1] hoogst onzorgvuldig gehandeld door ETC te ontdoen van haar laatste vermogensbestanddelen en door te handelen zoals hierna wordt omschreven in rov. 5.37 met betrekking tot frustratie van verhaal op hem persoonlijk. [geïntimeerde1] kan daarom in zijn hoedanigheid van bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij heeft geen feiten aangevoerd die – indien bewezen – alsnog kunnen leiden tot het oordeel dat het aan hem te maken verwijt niet voldoende ernstig is. [geïntimeerde1] heeft aldus ernstig verwijtbaar onrechtmatig tegenover [appellant] gehandeld en is aansprakelijk voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden.\n\nRelativiteit\u002Fcausaal verband\u002Fschade\n\n5.21. Wat betreft de schade die [appellant] heeft geleden die aan [geïntimeerde1] moet worden toegerekend, geldt het volgende. De norm die door [geïntimeerde1] is geschonden, strekte bij uitstek tot bescherming van de (financiële) belangen van [appellant] . Doordat de voor de bouw van [appellant] ’s vaartuig betaalde bedragen onmiddellijk zijn doorgeleid naar andere vennootschappen om te voorzien in hun liquiditeitsbehoefte, konden die bedragen niet, zoals afgesproken, worden aangewend voor die bouw, zodat vertraging daarin voorzienbaar was en daarmee het niet halen van de afgesproken leverdatum en bijgevolg een ontbinding van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot terugbetaling. Daarmee is voldaan aan het zogeheten relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\n5.22. Het hof verwerpt verder het verweer van [geïntimeerde1] dat geen causaal verband bestaat tussen zijn onrechtmatig handelen en de door [appellant] gestelde schade. Als het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] niet zou hebben plaatsgevonden, zou de bouw van het vaartuig niet zijn vertraagd en had ETC het vaartuig op de afgesproken leverdatum kunnen leveren. [appellant] zou daardoor niet de ontbinding van de overeenkomst hebben kunnen inroepen en dus was dan geen terugbetalingsverplichting ontstaan. Daarmee is het causaal verband aanwezig. [geïntimeerde1] heeft ook geen zodanige feiten of omstandigheden gesteld die dit causale verband zouden doorbreken.\n\n5.23. Doordat ETC – op € 1.026 na – alle van [appellant] ontvangen bedragen onmiddellijk heeft doorbetaald aan andere vennootschappen van de eenpersoons-onderneming van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde1] ETC – na de op goede grond ingeroepen ontbinding van de overeenkomst – de romp van het vaartuig, de twee motoren en de overige onderdelen heeft laten overdragen aan een zustervennootschap, onder verrekening van de bepaalde koopsom met, zoals hiervoor is vastgesteld, een fictieve tegenvordering, was daarmee gegeven dat ETC haar verplichting tot terugbetaling van alles wat ter voorfinanciering door [appellant] was betaald (zie rov. 3.7 en 3.8) niet kon nakomen. Dat uitblijvende bedrag is daarmee de omvang van de door [appellant] geleden schade.\n\nEigen schuld\n\n5.24. \n [geïntimeerden] beroepen zich op ‘eigen schuld’ (in de zin artikel 6:101 BW) van [appellant] , kennelijk met als doel dat de schade van [appellant] voor zijn eigen rekening moet worden gelaten. Op [geïntimeerden] rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten die zo’n beroep kunnen dragen.\n\n5.25. \n [geïntimeerden] beroepen zich daartoe op het niet door [appellant] accepteren van een volwaardig en redelijk alternatief voor de te late levering van het vaartuig in de vorm van een leen van een andere tender voor de zomer van 2019. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] zelf schuld aan het intreden van zijn schade en heeft hij daarmee bovendien zijn plicht geschonden om zijn schade te beperken.\n\n5.26. [geïntimeerden] miskennen hiermee dat in het vonnis in de procedure tegen ETC onherroepelijk is vastgesteld dat [appellant] het recht had om de ontbinding van de overeenkomst met ETC in te roepen en dat [appellant] redelijkerwijs niet valt te verwijten dat hij niet alsnog is ingegaan op een aanbod tot tijdelijke bruikleen van een ander vaartuig (rov. 38. e.v.). Belangrijker is nog dat het hier gaat om een vanaf begin af aan ten onrechte negeren van de ter bescherming van [appellant] overeengekomen constructie om de bouw van het vaartuig onder te brengen in ETC als een ‘special purpose vehicle’. Van dat negeren is [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Ook bij een aanbod als gesteld, had [geïntimeerde1] , zoals hiervoor is vastgesteld, niet mogen handelen zoals hij heeft gedaan, waarbij niet valt in te zien hoe [appellant] een verwijt van dát handelen valt te maken. Daarmee faalt het beroep op eigen schuld van [appellant] .\n\n5.27. Voor zover [geïntimeerden] met dit verweer ook het oog hebben op de omstandigheid dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot voorfinanciering van de bouw van het vaartuig, geen zekerheden heeft bedongen, faalt dat eveneens. [appellant] mocht immers verwachten dat ETC de aanbetaalde bedragen alleen zou gebruiken voor de bouw van het vaartuig. Hij mocht verder verwachten dat [geïntimeerde1] bij zijn onmiddellijk negeren van de overeengekomen specifieke besteding van de aanbetalingen ernstig rekening zou houden met het mogelijk ontstaan van vertraging in de bouw van het vaartuig met als gevolg een ingeroepen ontbinding en het ontstaan van een terugbetalings-verplichting. Dat [appellant] geen zekerheden voor terugbetaling heeft verkregen, doet daarom niets af van wat hij mocht verwachten en wat van [geïntimeerde1] mocht worden gevergd.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.28. Daar waar geen eigen schuld van [appellant] kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:101 BW en dus geen vergoedingsplicht wordt verminderd ofwel schade wordt verdeeld tussen [geïntimeerden] en [appellant] , bestaat er evenmin ruimte voor een billijkheidscorrectie op een verdeling van die schade. Ook dat beroep van [geïntimeerden] . faalt.\n\nMatiging\n\n5.29. Wat betreft het beroep van [geïntimeerden] op matiging van de schadevergoeding, geldt dat niet is onderbouwd dat zij hun vermogen zullen kwijtraken en zij hun zakelijke activiteiten zullen hebben te beëindigen bij toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. De omstandigheid dat [appellant] vermogend is, acht het hof geen zelfstandige grond voor matiging. Het gevorderde bedrag komt het hof in de gegeven omstandigheden niet bovenmatig of onevenredig voor, in welk verband geldt dat het niet aannemelijk is (geworden) dat er oorzaken zijn voor de non-betaling door ETC die buiten de invloedsfeer van [geïntimeerde1] liggen. Het is wel aannemelijk dat de non-betaling is veroorzaakt door het handelen van [geïntimeerde1] als hiervoor is vastgesteld. Een en ander leidt ertoe dat het beroep op matiging van de schadevergoeding faalt.\n\nGroepsaansprakelijkheid\n\n5.30. \n [appellant] heeft aangevoerd dat naast [geïntimeerde1] ook Wiflo (als grootmoeder-vennootschap), Extreme Tenders Holding (als moedervennootschap) en de sub 4. tot en met 15. genoemde entiteiten als zustervennootschappen aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade. In de kern voert [appellant] daartoe onder meer aan dat die vennootschappen hebben meegewerkt aan het onttrekken van alle middelen aan ETC.\n\n5.31. In de rechtspraak is aanvaarddat aansprakelijkheid bestaat voor schade die het gevolg is van in groepsverband verrichte handelingen. Daarvoor bestaat grond als de aangesproken groepsleden zich bewust moeten zijn geweest van de kans op schade als gevolg van het onrechtmatige groepsoptreden, wat hen van verdere deelname daaraan had moeten weerhouden. In dit verband is relevant dat wetenschap van een bestuurder van een rechtspersoon in beginsel wordt toegerekend aan die vennootschap.Voor handelingen van een bestuurder is dit niet anders.\n\n5.32. Zoals hiervoor in rov. 5.12 is vastgesteld, handelt [geïntimeerden] met zijn groep vennootschappen als een eenpersoonsconcern. In dat verband zijn door of op instructie van [geïntimeerde1] de door ETC ontvangen bedragen overgeheveld aan Extreme Tenders Holding en Extreme Tenders; dat gebeurde om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van die en andere vennootschappen van dat eenpersoonsconcern. Die vennootschappen profiteerden daarmee van voormelde schending van de aan [appellant] toegezegde bescherming. Hetzelfde geldt voor de overdracht van de romp van het vaartuig, de motoren en diverse onderdelen, aan Xtenders Production en de daaropvolgende doorlevering van een en ander (al dan niet in (geheel of gedeeltelijk) afgebouwde staat aan Xtenders Yard. Deze ook door [geïntimeerde1] geleide vennootschappen hebben geprofiteerd van het gegeven dat de romp en de motoren met diverse onderdelen tegen een lagere waarde zijn overgedragen dan zij ten behoeve van ETC zijn geproduceerd of ingekocht, waarbij de koopsom daarvoor niet feitelijk is betaald aan ETC maar is verrekend met een niet-bestaande tegenvordering. Ook op die wijze heeft [geïntimeerde1] met de niet anders dan als instrumenteel aan te merken inzet van Xtenders Production en Xtenders Yard, geprofiteerd van de ontstane situatie ter zake waarvan hem, zoals vastgesteld, een ernstig persoonlijk verwijt treft. Ook op die wijze is sprake geweest van een gezamenlijk optreden van genoemde vennootschappen via steeds [geïntimeerde1] , wier kennis en handelen aan hen moet worden toegerekend, dat heeft geresulteerd in het ontstaan en blijven voortbestaan van schade bij [appellant] .\n\n5.33. Met een en ander is er voldoende grond om ook de vennootschappen Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 3., 4., 7. en 12.) aansprakelijk te houden voor de bij [appellant] veroorzaakte schade.\n\n5.34. Behoudens ten aanzien van grootmoedervennootschap Wiflo Holding heeft [appellant] geen steekhoudende reden aangevoerd om de andere zustervennootschappen (verwerende partijen 5., 6., 8 t\u002Fm 11., 13. t\u002Fm 15.) aansprakelijk te houden voor voormelde schade. Gesteld noch gebleken is dat die vennootschappen in enig opzicht hebben geprofiteerd en\u002Fof instrumenteel zijn ingezet als hiervoor is beschreven. In zoverre is de tegen hen gerichte vordering niet toewijsbaar en faalt het hoger beroep van [appellant] .\n\n5.35. Voor zover [appellant] zich richt tegen Wiflo Holding in verband met de onttrekking aan ETC van de door hem ontvangen gelden en\u002Fof van de romp van het vaartuig, de motoren en andere onderdelen, is dat vergeefs. Gesteld noch gebleken is dat deze vennootschap door toedoen van [geïntimeerde1] daarvan heeft geprofiteerd en\u002Fof daarvoor instrumenteel is ingezet.\n\n5.36. Voor zover [appellant] Wiflo Holding aansprakelijk houdt vanwege een schending van een bijzondere zorgplicht, erin bestaande dat zij gehouden was nieuwe opdrachten onder te brengen in ETC en\u002Fof ETC aanvullend had moeten financieren en\u002Fof ten behoeve van ETC kredietruimte had moeten benutten, kan hij daarin niet worden gevolgd. Wiflo Holding is immers (via Extreme Tenders Holding) alleen aandeelhouder en niet ook bestuurder van ETC. Gesteld noch gebleken is dat Wiflo Holding betrokken of ingezet is geweest bij de aan [geïntimeerde1] te verwijten handelwijze, daaronder begrepen de met [appellant] overgekomen inzet van ETC als hem te beschermen ‘special purpose vehicle’. Zonder bijkomende omstandigheden is dan het enkele feit dat Wiflo Holding concernleiding moet worden toegedicht onvoldoende om het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] ook aan haar toe te rekenen. Daarnaast blijkt uit niets dat Wiflo Holding tegenover [appellant] instond voor kredietwaardigheid van ETC en\u002Fof voor terugbetaling van wat ETC eventueel aan hem verschuldigd zou worden. Ook zo bezien is er geen reden om Wiflo Holding (mede) aansprakelijk te houden voor de omstandigheid dat ETC – door verwijtbaar toedoen van [geïntimeerde1] – niet in staat is [appellant] terug te betalen.\n\n5.37. \n\nDat [geïntimeerde1] in verband met het in rov. 3.18 bedoelde conservatoir beslag een hypothecaire vordering van Wiflo Holding op hem, heeft overgedragen aan de oorspronkelijke geldschieter en die vordering, en daarmee ook de hypothecaire zekerheid met terugwerkende kracht uit het vermogen (van de vennootschap) van [geïntimeerde1] verdween – waarvoor [geïntimeerde1] inmiddels wegens valsheid in geschrift en onttrekken aan beslag strafrechtelijk is veroordeeld – moet Wiflo Holding wel worden aangerekend. De strafkamer van de rechtbank van Midden-Nederland heeft in dat verband in een vonnis van 14 november 2025 ( [parketnummer] )overwogen, waarbij voor verdachte [geïntimeerde1] moet worden gelezen:\n\n“De vordering van Wiflo op de verdachte was een vordering binnen het vermogen van de verdachte omdat hijzelf aandeelhouder\u002Fbestuurder van Wiflo was. Doordat aangever beslag had gelegd op het woonhuis ten laste van de verdachte en beslag op vorderingen van Wiflo op de verdachte bestond de kans dat de aangever bij winst van de civiele procedures tegen de verdachte en zijn vennootschappen, verhaal zou kunnen nemen op de woning van de verdachte. Door inschrijving van de akte van cessie later diezelfde dag, werd ervoor gezorgd dat de vordering van Wiflo op de verdachte met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de verdachte verdween, en overging naar CRD; en dat ook de hypothecaire rechten met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de (vennootschappen\n\nvan de) verdachte verdwenen. Beslag op de woning van de verdachte kwam toen dus na het recht van hypotheek, dat zich niet meer in het vermogen van de verdachte bevond.\n\nIn de akte van cessie van 3 juli 2020 staat dat al op 18 april 2019 zou zijn afgesproken om de lening van Wiflo aan CRD te cederen. Dat gelooft de rechtbank niet. Dat staat niet in de driepartijen-lening-overeenkomst, terwijl daarin wel een zogenaamde ‘entire agreement clause’ is opgenomen. Kortom: wat er niet staat, is niet afgesproken. Dat het niet was afgesproken wordt ook ondersteund door de hypothecaire inschrijving in december 2019 ten gunste van Wiflo en de verlenging van de driepartijen-overeenkomst in december 2019. Dat is allemaal totaal onlogisch als al in april 2018, althans uiterlijk in september 2019 cessie van de lening en de hypotheek zou zijn overeengekomen en met de notaris zou zijn gecommuniceerd.\n\nDe gang van zaken op 3 juli 2020 en de tekst van de akte van cessie van 3 juli 2020 vallen niet anders uit te leggen dan dat de notaris opdracht kreeg van de verdachte om het nodige te doen om de lening van Wiflo aan de verdachte en de rechten van hypotheek op de woning van de verdachte aan het beslag te onttrekken. De verdachte heeft daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het valselijk opmaken van de akte cessie en inschrijving daarvan.\n\nDe verklaring van de verdachte dat hij de notaris geen opdracht zou hebben gegeven en dat hij alleen heeft gebeld om te vragen wat hij in de verklaring derdenbeslag moest opnemen, gelooft de rechtbank niet. (…)”\n\nHet hof heeft, gelet op wat door partijen is aangevoerd, geen reden om er anders over te denken. Dit betekent dat als [geïntimeerde1] (als enig aandeelhouder en bestuurder van Wiflo Holding) die overdracht had nagelaten, [appellant] in dit verband een verhaalsmogelijkheid had gehad. Door (ook) deze verhaalsmogelijkheid te frustreren en Wiflo Holding daarvoor in te zetten, heeft [geïntimeerde1] ook in dat opzicht onzorgvuldig gehandeld. Er is, kortom, sprake van samenwerkende oorzakenvoor de onmogelijkheid bij [appellant] om verhaal te nemen. Een en ander leidt ertoe dat, omdat kennis en handelen van [geïntimeerde1] aan Wiflo Holding wordt toegerekend, ook Wiflo Holding aansprakelijk is.\n\n5.38. Gezien het voorgaande is de vordering van [appellant] ook tegen Wiflo Holding toewijsbaar en slaagt zijn hoger beroep.\n\nWettelijke rente\n\n5.39. De rechtbank heeft de door [appellant] gevorderde wettelijke rente toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding van 7 augustus 2020. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt en gesteld dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de data dat ETC de van [appellant] ontvangen bedragen heeft doorbetaald, dan wel vanaf het moment van ontbinding van de koop\u002Faanneemovereenkomst per vanaf 1 mei 2019.\n\n5.40. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 mei 2019. Hoewel het onrechtmatig handelen zich eerder heeft voorgedaan, is de schade daardoor pas ontstaan op het moment dat [appellant] – terecht, zoals onherroepelijk is vastgesteld – de overeenkomst met ETC ontbond en vergeefs aanspraak maakte op terugbetaling van wat hij had aanbetaald.\n\nBeslag- en executiekosten\n\n5.41. De rechtbank heeft aan beslagkosten € 5.790,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020, aan [appellant] toegewezen. Dit gaat om kosten die [appellant] heeft gemaakt ter verzekering van zijn vordering op [geïntimeerden] In de formulering van zijn vordering aan het slot van zijn memorie van grieven komt deze vergoeding niet meer voor, maar het hof neemt aan dat dit op een vergissing berust. In die memorie zijn immers geen aanknopingspunten te vinden voor een aanname dat [appellant] geen aanspraak meer maakt of wil maken op deze vergoeding. Integendeel, [appellant] vordert in hoger beroep als vermeerdering van eis (ook) de vergoeding van de in de procedure tegen ETC gemaakte beslag- en proceskosten. Uit de memorie van antwoord is niet af te leiden dat [geïntimeerden] ervan uit zijn gegaan dat [appellant] zijn aanspraak op vergoeding van die kosten heeft laten varen. Tegen de toewijzing van deze kosten is door [geïntimeerden] ook geen afzonderlijk bezwaar gericht. Met deze post zal het hof dan ook rekening houden.\n\n5.42. \n [appellant] heeft in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis een vergoeding gevorderd voor de in de procedure tegen ETC toegewezen beslag- en proceskosten (inclusief nakosten) van € 7.297,97 in totaal. [geïntimeerden] hebben deze vordering in hun memorie van antwoord niet besproken en daarmee niet bestreden. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen, daaronder begrepen de vanaf 4 juni 2019 over de beslagkosten van € 1.104,46 gevorderde wettelijke rente.\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.43. Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk voor het aan [appellant] verschuldigde bedrag. Deze (hoofdelijke) aansprakelijkheid is gebaseerd op het volgende. [geïntimeerde1] is aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW wegens onrechtmatig handelen zoals hiervoor omschreven (zie rov. 5.20). Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production hebben dit onrechtmatig handelen mede mogelijk gemaakt. Het hof kwalificeert hun handelen zoals beschreven in rov. 5.32, 5.33 en 5.37 als een bijdrage in de zin van artikel 6:166 BW (groepsaansprake-lijkheid). Zij zijn daarom op die grond aansprakelijk. Omdat het gaat om dezelfde schade worden zij daarom hoofdelijk veroordeeld.\n\nGeen bewijslevering\n\n5.44. \n [geïntimeerden] hebben nog bewijs aangeboden van hun stellingen. Voor zover dat ziet op het alsnog overleggen van stukken uit de administratie van de Xtenders-groep of het (laten) geven van toelichting daarop, wordt dat gepasseerd omdat [geïntimeerden] dat al eerder hadden kunnen en moeten doen. Dat aanbod wordt voor het overige gepasseerd. Enerzijds omdat die stellingen (m.b.t. tot wat aan het vaartuig is besteed en de getaxeerde waarde van de romp van het vaartuig en de motoren) al wegens een onvoldoende gemotiveerde betwisting zijn komen vast te staan. Anderzijds omdat die stellingen (m.b.t. de onbereidwilligheid van een kredietverschaffer om andere afspraken te maken of een aanvullend krediet te verlenen en\u002Fof de bereidheid van andere klanten om aanvullende kosten te betalen of een alternatief te accepteren bij vertraging van de bouw) niet relevant zijn voor de beoordeling.\n\nAndere gronden en verweren\n\n5.45. Wat partijen voor het overige hebben aangevoerd, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.\n\nDe conclusie\n\n5.46. Het hoger beroep van [appellant] slaagt (deels) wel en dat van [geïntimeerden] niet. De vordering tot volledige vergoeding van de schade wordt toegewezen tegen [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) en afgewezen voor zover het de andere verwerende partijen betreft.5.47. Omdat in hoger beroep meer partijen worden veroordeeld om aan [appellant] een hoger bedrag aan schadevergoeding te betalen, zal voor alle duidelijkheid het bestreden vonnis in haar geheel worden vernietigd en zal het hof zijn beslissing daarvoor in de plaats stellen. Voor zich spreekt dat voor zover aan het bestreden vonnis is voldaan, niet opnieuw hoeft te worden betaald.\n\n5.48. Omdat [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten veroordelen, zowel in die van beide hoger beroepen als in die bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.49. Omdat gesteld noch gebleken is dat de andere verwerende partijen meer of andere proceskosten hebben gemaakt dan die partijen waartegen de vordering van [appellant] wordt toegewezen, zal een veroordeling van [appellant] in de proceskosten van die andere verwerende partijen achterwege worden gelaten.\n\n5.50. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 11 oktober 2023 en beslist opnieuw als volgt:\n\n6.2. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van:\n\n€ 600.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2019 tot de dag van betaling;\n\n€ 5.790,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020 tot de dag van betaling;\n\n€ 7.297,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.104,46 vanaf 4 juni 2019 tot de dag van betaling;\n\n6.3. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.639,- aan griffierecht\n\n€ 83,38 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 15.358,50 aan salaris van de advocaat van [appellant] (4,5 procespunten × tarief VII à € 3.413)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:\n\n€ 2.053 aan griffierecht\n\n€ 112,37 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 12.880 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten × appeltarief VII à € 5.152)\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n6.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.F Boele, M. Aksu en M.L. Lennarts, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351\u002F1 (Verordening Brussel I-bis).\n\n Conform artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).\n\n Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ).\n\n Vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (New Holland).\n\n Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air).\n\n HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, laatstelijk geduid in genoemd arrest van 5 september 2014.\n\n HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ) en vergelijk laatstelijk de conclusie van de AG van 28 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1304).\n\n HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1393 ( [naam3] \u002F [naam4] ).\n\n Vgl. HR 6 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914 (TVM).\n\n HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413 (HDI\u002FTreston).\n\n HR 6 april 1979, NJ 1980\u002F34( [naam5] ), bevestigd in HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7344 (P&F Project Furniture).\n\n Vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033 (Comsys).\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Vgl. HR 24 december 1999, NJ 2000, 351.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4226","2026-07-13T00:28:41.943Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":44,"courtId":108,"decisionDate":88,"fullText":109,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":52,"updatedAt":111},"819","ECLI:NL:RBROT:2026:7461","ecli-nl-rbrot-2026-7461",61,"RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11426273 CV EXPL 24-29911\n\ndatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\nvestigingsplaats: [plaats 1] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. G.H. Kroon,\n\ntegen\n\n [bedrijf 2] B.V., tevens handelend onder de naam[handelsnaam],\n\nvestigingsplaats: [plaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\nvoormalig gemachtigde: mr. I. Rhodes.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 7 november 2024, met bijlagen 1 t\u002Fm 9;\n\nhet antwoord;\n\nde brief van 18 februari 2026 van mr. Rhodes, waarbij hij zich als gemachtigde van [gedaagde] onttrekt;\n\nde brief van 15 mei 2026 met bijlage 10 van de kant van [eiseres] .\n\n1.2.. Op 28 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [persoon A] (directeur van [eiseres] ) en mr. Kroon aanwezig. Ook [gedaagde] was voor de zitting uitgenodigd, maar van haar kant is niemand verschenen zonder enig bericht.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [eiseres] eist € 12.500,00 van [gedaagde] . [eiseres] baseert die eis op een contract dat zij heeft gesloten op 19 januari 2024. Volgens [eiseres] is [gedaagde] gebonden aan het in dat contract opgenomen relatiebeding en dient zij op grond daarvan te worden veroordeeld tot betaling van een boete en bijkomende kosten. [gedaagde] betwist dat. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk en wijst de eis af.\n\n [gedaagde] is niet gebonden aan het contract van [eiseres]\n\n2.2.. \n [eiseres] kan [gedaagde] niet aanspreken op basis van het contract. In de weg staat dat het contract niet door [gedaagde] is gesloten en, voor zover het contract zou zijn gesloten in naam van [gedaagde] , er geen sprake is van de schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid. Dat wordt hierna uitgelegd.\n\n2.3.. Het contract waar [eiseres] de eis op baseert, is volgens de tekst die in de kop van het contract staat, gesloten met:\n\n“ [opdrachtnemer] , kantoorhoudende te [plaats 2] ( [postcode] ) aan de\n\n [adres] ,dezen handelend onder de naam [handelsnaam]\n\ningeschreven in het handelsregister onder nummer KVK : [kvk-nummer] hierna te noemen ‘opdrachtnemer’.”\n\nHet KvK-nummer is van [gedaagde] , maar de handelsnaam is onjuist. De geregistreerde handelsnaam van [gedaagde] is ‘ [bedrijf 2] ’. Ook het adres dat wordt genoemd, is niet het adres van [gedaagde] dat in het handelsregister staat geregistreerd. Uit het handelsregister blijkt evenmin dat [opdrachtnemer] bevoegd was [gedaagde] te vertegenwoordigen.\n\nDe bepalingen van het contract duiden er daarnaast op dat [opdrachtnemer] werkzaam is als zelfstandige op het gebied van beveiliging en dat [eiseres] hem inhuurt om als zelfstandige beveiligingswerkzaamheden te doen. De directeur van [eiseres] heeft tijdens de zitting ook bevestigd dat hij [opdrachtnemer] als zelfstandige wilde inhuren. Weliswaar stelt [eiseres] dat zij [opdrachtnemer] heeft willen inhuren als zelfstandige onder zijn bedrijfsnaam – daarmee kennelijk doelend op “ [handelsnaam] ” – maar die bedrijfsnaam is niet dezelfde als de handelsnaam van [gedaagde] . De kantonrechter houdt het er daarom voor dat het contract is gesloten door [opdrachtnemer] en niet door [gedaagde] .\n\n2.4.. Voor zover aan het voorgaande voorbij zou moeten worden gegaan en het ervoor zou moeten worden gehouden dat het contract in naam van [gedaagde] is gesloten door [opdrachtnemer] , is [gedaagde] niet gebonden aan het contract. Er is namelijk geen sprake van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW). Enig handelen van [gedaagde] als pseudo-volmachtgever op basis waarvan [eiseres] erop heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen, ontbreekt namelijk. [eiseres] stelt weliswaar terecht dat ook in een niet-doen van de pseudo-volmachtgever een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid besloten kan liggen, maar in dit geval is dat niet voldoende. Nergens blijkt namelijk uit dat [gedaagde] ervan op de hoogte was, laat staan dat zij ermee instemde, dat [opdrachtnemer] een contract met [eiseres] sloot in haar naam. [eiseres] heeft het in de dagvaarding wel over mailberichten van [eiseres] aan [gedaagde] waarop [gedaagde] geen rectificatie of reactie heeft gestuurd, maar die mails zitten niet in het dossier en ook heeft [eiseres] niet uitgelegd wat voor mails het betreft. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om die mails in de procedure te overleggen, maar dat is niet gebeurd. Dat [opdrachtnemer] een mailadres van [gedaagde] heeft gebruikt om een mail te sturen naar een opdrachtgever van [eiseres] is ook onvoldoende voor het aannemen van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Niet alleen betreft het slechts een handelen van de pseudo-gevolmachtigde zelf en niet van de pseudo-volmachtgever, ook betreft het geen mail aan [eiseres] . Dat [opdrachtnemer] het mailadres heeft gebruikt, laat zich mogelijk verklaren door de stelling van [eiseres] dat [opdrachtnemer] een relatie heeft (gehad) met de eigenaar van [gedaagde] , maar ook dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [eiseres] er op heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen.\n\nDe eisen worden afgewezen\n\n2.5.. De gevorderde contractuele boete is niet toewijsbaar, omdat [eiseres] [gedaagde] niet kan aanspreken op basis van het contract. De daarbij gevorderde rente en incassokosten zijn daarom ook niet toewijsbaar.\n\n [eiseres] moet de proceskosten betalen\n\n2.6.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 432,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 432,00), omdat de voormalige gemachtigde van [gedaagde] het antwoord heeft ingediend voordat die zich heeft onttrokken. Bij deze kosten kan nog een bedrag komen als dit vonnis wordt betekend.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de eis af;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 432,00;\n\n3.3.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7461","2026-07-13T00:28:49.636Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":88,"fullText":116,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":118},"1572","ECLI:NL:RBAMS:2026:6589","ecli-nl-rbams-2026-6589","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12024959 \\ CV EXPL 25-17715\n\nVonnis van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nDE REGIEBEHANDELAARS B.V.,\n\ngevestigd te Waardenburg,\n\neiseres,\n\nhierna te noemen: De Regiebehandelaars,\n\ngemachtigde: In-Kas Intermediair BV,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats], 2. [gedaagde 2] ,\n\nwonende te [woonplaats 1], 3. [gedaagde 3],\n\nwonende te [woonplaats 2], 4. [gedaagde 4],\n\nwonende te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en samen [gedaagden],\n\ngemachtigde: mr. O. Planten.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 25 november 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord,\n\n- het tussenvonnis van 5 maart 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de akte houdende wijziging van eis en overlegging producties van De Regiebehandelaars,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan de zittingsaantekeningen en de spreekaantekeningen van [gedaagden] zich in het dossier bevinden.\n\n1.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De Regiebehandelaars is een werving- en selectiebureau voor personeel in de zorgsector.\n\n2.2.. \n [gedaagde 1] is een instelling die zich bezighoudt met psychiatrische zorg en verslavingszorg. [gedaagde 2] is samen met [gedaagde 3] en [gedaagde 4] bestuurder van [gedaagde 1].\n\n2.3.. Op 14 juni 2023 hebben [gedaagde 2] en (een medewerker van) De Regiebehandelaars een kennismakingsgesprek gevoerd. Nadat De Regiebehandelaars haar algemene voorwaarden had toegestuurd, heeft [gedaagde 2] gevraagd om de rest van de documenten, zodat hij die met zijn partners kon bespreken. Dezelfde dag heeft [gedaagde 2] per e-mail vacatureteksten toegestuurd aan De Regiebehandelaars, waarbij hij zijn mail heeft afgesloten met ‘Bestuurder [gedaagde 1]’.\n\n2.4.. Op 16 juni 2023 heeft [gedaagde 2] de door hem getekende samenwerkingsovereenkomst inclusief algemene voorwaarden (hierna: de overeenkomst) toegestuurd aan De Regiebehandelaars met als onderwerp ‘[gedaagde 1] [gedaagde 2]’. Op basis van de overeenkomst zou De Regiebehandelaars personeel gaan werven voor de opdrachtgever, die wordt omschreven als ‘nieuw op te starten organisatie ([gedaagde 2] )’.\n\n2.5.. In artikel 4 van de overeenkomst staat dat de opdrachtgever een ‘completion fee’ verschuldigd is aan De Regiebehandelaars als er een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht tussen een kandidaat en de opdrachtgever tot stand komt. De fee bij een arbeidsovereenkomst bedraagt drie maal het salaris van de kandidaat conform de bijpassende functieschaal van de actuele cao GGZ, exclusief btw. Verder bepaalt artikel 7.2 van de overeenkomst voor zover relevant het volgende:\n\n“Indien de Opdrachtgever een door De Regiebehandelaars geïntroduceerde Kandidaat afwijst of de Kandidaat een aanbod van de Opdrachtgever voor het sluiten van een arbeidsovereenkomst afwijst, waarna de Opdrachtgever vervolgens binnen 18 maanden na de introductie van de Kandidaat door De Regiebehandelaars alsnog een arbeidsovereenkomst dan wel andere contractuele relatie met de Kandidaat aangaat, (…) zal de Opdrachtgever gehouden zijn tot betaling van de totale kosten conform het in artikel 4 van deze Algemene Wervingsvoorwaarden bepaalde.”\n\n2.6.. De Regiebehandelaars heeft in de periode na het sluiten van de overeenkomst verschillende kandidaten geïntroduceerd bij [gedaagde 2], waarmee hij ook kennismakingsgesprekken heeft gevoerd.\n\n2.7.. \n\nIn een e-mail van 25 augustus 2023 heeft De Regiebehandelaars [gedaagde 2] gevraagd of zij twee kandidaten officieel kon bevestigen. In de e-mail staat verder voor zover relevant:\n\n“Dan zullen wij een margecontract met hen opstellen. Zij krijgen dan een overeenkomst van opdracht met [gedaagde 1] waarin het all-in tarief staat vermeld. (…)”\n\n2.8.. Op 29 augustus 2023 is [gedaagde 1] opgericht en op 31 augustus 2023 is zij ingeschreven in het handelsregister.\n\n2.9.. Op 14 september 2023 heeft De Regiebehandelaars het curriculum vitae van [naam] (hierna: [naam]) aan [gedaagde 2] gemaild. De week erna heeft er een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde 2] en [naam].\n\n2.10.. Op 4 oktober 2023 heeft [gedaagde 2] aan De Regiebehandelaars gemaild dat de inhuur van twee van de aangedragen kandidaten niet door kan gaan omdat zijn partners – na een bestuursvergadering – ervan afzagen in verband met de kosten. Ook [naam] is uiteindelijk afgewezen.\n\n2.11.. De Regiebehandelaars heeft [gedaagde 2] dezelfde dag per e-mail laten weten dat zij niet blij was met de gang van zaken en stappen zal ondernemen als [gedaagde 1] buiten haar om zaken ging doen met kandidaten.\n\n2.12.. Op 29 december 2023 hebben [gedaagde 1] en [naam] een arbeidsovereenkomst getekend op grond waarvan [naam] in dienst trad als basispsycholoog voor een salaris van € 4.785 bruto per maand volgens cao GGZ schaal 60 trede 5\u002F42.\n\n2.13.. Op 24 september 2025 is De Regiebehandelaars bekend geraakt met de indiensttreding van [naam] bij [gedaagde 1]. Daarop heeft zij een factuur gestuurd aan [gedaagde 1] voor de fee voor [naam] ter hoogte van € 17.369,55 inclusief btw.\n\n2.14.. In reactie op een betaalherinnering van De Regiebehandelaars heeft [gedaagde 2] op 17 oktober 2025 per e-mail laten weten dat [gedaagde 1] in financieel zwaar weer verkeert en dat er geen middelen beschikbaar zijn om de fee te voldoen.\n\n2.15.. Vanaf 5 november 2025 heeft de gemachtigde van De Regiebehandelaars [gedaagde 1] meerdere keren gesommeerd om de factuur met rente en incassokosten te voldoen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De Regiebehandelaars vordert na eiswijziging – samengevat – dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:\n\n€ 17.369,55 aan hoofdsom;\n\n€ 253,24 aan wettelijke handelsrente tot aan de dag van de dagvaarding;\n\n€ 948,70 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\nde proceskosten.\n\n3.2.. De Regiebehandelaars legt aan haar vorderingen op [gedaagde 1] ten grondslag dat zij op grond van artikel 7.2 van de overeenkomt recht heeft op betaling van de fee. Tegenover [gedaagde 2] beroept zij zich op aansprakelijkheid op grond van artikel 2:203 lid 2 en 3 BW en bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Bij dagvaarding had De Regiebehandelaars ook [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aansprakelijk gesteld, maar deze vorderingen heeft zij bij eiswijziging ingetrokken.\n\n3.3.. \n [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Regiebehandelaars in de proceskosten. Zij voert daartoe kort gezegd aan dat [gedaagde 1] niet gebonden is aan de overeenkomst en dat uit artikel 7.2 in dit geval geen vergoedingsplicht volgt. Verder is van (bestuurders)aansprakelijkheid van [gedaagde 2] geen sprake, aldus [gedaagden]\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nde vorderingen op [gedaagde 1]\n\n4.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 2] de overeenkomst heeft getekend vóór dat [gedaagde 1] eind augustus 2023 werd opgericht. De vraag is dus of [gedaagde 1] gebonden is aan de overeenkomst.\n\n4.2.. Artikel 2:203 lid 1 BW bepaalt dat uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten vennootschap, slechts rechten en verplichtingen voor de vennootschap ontstaan wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt. Alleen de vennootschap die partijen op het oog hadden bij het aangaan van de rechtshandeling is bevoegd om deze rechtshandeling te bekrachtigen.\n\n4.3.. Partijen zijn het erover eens dat van een uitdrukkelijke bekrachtiging van de overeenkomst geen sprake is geweest. De Regiebehandelaars stelt dat [gedaagde 1] de overeenkomst stilzwijgend heeft bekrachtigd door uitvoering te geven aan de overeenkomst, en dat uit e-mails blijkt dat [gedaagde 2] steeds namens [gedaagde 1] handelde. [gedaagden] betwist dat [gedaagde 1] de overeenkomst heeft bekrachtigd en voert aan dat [gedaagde 2] de overeenkomst namens zichzelf heeft getekend.\n\n [gedaagde 1] heeft de overeenkomst stilzwijgend bekrachtigd\n\n4.4.. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] gebonden is aan de overeenkomst omdat zij die na haar oprichting stilzwijgend heeft bekrachtigd. [gedaagde 2] heeft zowel voor als na de oprichting verwezen naar overleg met de andere bestuurders van [gedaagde 1] over de overeenkomst en het al dan niet accepteren van kandidaten (zie onder 2.3 en 2.10). Dat wijst erop dat niet [gedaagde 2] persoonlijk de ‘opdrachtgever’ was uit de overeenkomst, maar [gedaagde 1]. Uit de mail van 4 oktober 2023 blijkt immers dat het bestuur van [gedaagde 1] – kennelijk – de bevoegdheid had om kandidaten van De Regiebehandelaars af te wijzen, en niet alleen [gedaagde 2]. Bovendien volgt uit de overeenkomst en de e-mail genoemd onder 2.7 dat de kandidaten die De Regiebehandelaars had geworven in dienst zouden treden bij (of in opdracht zouden werken voor) [gedaagde 1], zodat De Regiebehandelaars ervan uit mocht gaan [gedaagde 1] ook de opdrachtgever was voor de werving en selectie van die kandidaten. Tot slot heeft [gedaagde 2] in zijn onder 2.14 genoemde e-mail namens [gedaagde 1] geschreven dat de vennootschap – en niet hijzelf – geen middelen had om de fee te voldoen.\n\n4.5.. Verder was [gedaagde 1] de vennootschap die partijen op het oog hadden bij het aangaan van de overeenkomst. [gedaagde 2] heeft de e-mail waarin hij de vacatureteksten heeft verstuurd namelijk ondertekend met ‘[gedaagde 2] , Bestuurder [gedaagde 1]’, een naam die sterk lijkt op de statutaire naam van het (later opgerichte) [gedaagde 1]. Ook staat in de vacatureteksten zelf dat het gaat om een baan in een nieuwe [gedaagde 1]-instelling die gespecialiseerd is in psychiatrie- en verslavingsproblematiek, wat overeenkomt met de activiteiten die [gedaagde 1] uitvoert. Tot slot heeft ook de e-mail waarmee [gedaagde 2] de getekende versie van de overeenkomst stuurde als onderwerp ‘[gedaagde 1] [gedaagde 2]’.\n\n4.6.. Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde 2] de overeenkomst namens [gedaagde 1] heeft gesloten en [gedaagde 1] de overeenkomst daarna stilzwijgend heeft bekrachtigd, zodat zij daaraan gebonden is. Hierna wordt beoordeeld of er ook een betalingsverplichting voor [gedaagde 1] volgt uit de overeenkomst.\n\n [gedaagde 1] moet de fee betalen met rente en kosten\n\n4.7.. Niet in geschil is dat [gedaagde 1] en [naam] op 29 december 2023 een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan en dat dit binnen de in artikel 7.2 van de overeenkomst genoemde termijn van 18 maanden valt. Dat betekent in beginsel dat [gedaagde 1] de fee moet betalen aan De Regiebehandelaars.\n\n4.8.. \n [gedaagden] voert nog aan dat de aanstelling van [naam] niet leidt tot een fee, omdat er onvoldoende verband is tussen de introductie van [naam] en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Dat verweer gaat niet op, omdat de overeenkomst een dergelijk (causaal) verband niet vereist. Voor de verschuldigdheid van de fee is immers alleen vereist dat een afgewezen kandidaat binnen 18 maanden alsnog in dienst treedt bij de opdrachtgever, wat hier is gebeurd.\n\n4.9.. \n [gedaagden] voert verder aan dat De Regiebehandelaars weinig heeft bijgedragen aan de arbeidsovereenkomst, zodat de betaling van de (volledige) fee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter gaat hier niet in mee. De Regiebehandelaars heeft ter zitting voldoende toegelicht dat er (veel) werk zit in de werving en selectie van kandidaten. Als een in eerste instantie afgewezen kandidaat alsnog binnen 5 maanden aangenomen blijkt te zijn, is het dan ook niet onredelijk dat De Regiebehandelaars voor dat werk een vergoeding wil. Exclusiviteitsbedingen als artikel 7.2 zijn dan ook niet ongebruikelijk bij werving- en selectiebureaus en [gedaagde 2] is bovendien gewaarschuwd om niet buiten De Regiebehandelaars om zaken te doen met kandidaten. Onder die omstandigheden is betaling van de fee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.\n\n4.10.. Het voorgaande betekent dat op [gedaagde 1] onverkort de verplichting rust om de fee te betalen aan De Regiebehandelaars. De kantonrechter gaat voorbij aan de betwisting van de hoogte van de factuur, nu De Regiebehandelaars heeft onderbouwd dat de hoogte van de factuur overeenkomt met driemaal het salaris van [naam] conform de destijds geldende cao GGZ, en [gedaagden] daar niets tegenover heeft gesteld. Daarom wordt een bedrag van € 17.369,55 toegewezen.\n\nwettelijke handelsrente\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke handelsrente van € 253,24 zal worden toegewezen. [gedaagde 1] heeft de factuur namelijk niet binnen de vervaltermijn betaald en is daarom in verzuim geraakt.\n\nbuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.12.. De Regiebehandelaars vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De Regiebehandelaars heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De Regiebehandelaars heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 948,70 worden toegewezen.\n\nde vorderingen op [gedaagde 2]\n\n4.13.. De Regiehandelaars houdt (ook) [gedaagde 2] aansprakelijk voor betaling van de factuur, op grond van artikel 2:203 lid 2 en 3 BW en artikel 6:162 BW. De vorderingen tegenover [gedaagde 2] zullen worden afgewezen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n [gedaagde 2] is niet aansprakelijk op grond van artikel 2:203 lid 2 BW\n\n4.14.. Artikel 2:203 lid 2 BW bepaalt dat degene die een rechtshandeling namens een op te richten vennootschap verricht daaraan is verbonden, totdat de vennootschap na haar oprichting de rechtshandeling heeft bekrachtigd. Nu in het voorgaande is geoordeeld dat [gedaagde 1] de overeenkomst heeft bekrachtigd, betekent dit het einde van de persoonlijke verbondenheid van [gedaagde 2] aan de overeenkomst. Hij hoeft de overeenkomst dus niet na te komen.\n\n [gedaagde 2] is niet aansprakelijk op grond van artikel 2:203 lid 3 BW of artikel 6:162 BW\n\n4.15.. De Regiebehandelaars stelt dat [gedaagde 2] op het moment dat hij de arbeidsovereenkomst met [naam] ondertekende, wist dat [gedaagde 1] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en daarom aansprakelijk is op grond van artikel 2:203 lid 3 BW. Bovendien is sprake van verhaalsfrustratie omdat [gedaagde 2] bewust betaling heeft achtergehouden, zodat hij ook op grond van 6:162 BW aansprakelijk is, aldus De Regiebehandelaars.\n\n4.16.. De kantonrechter stelt voorop dat indien de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt, de bestuurder of degene die namens de op te richten vennootschap handelde aansprakelijk kan zijn voor de schade die een derde daardoor lijdt. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:203 lid 3 BW is vereist dat degene die handelde namens de vennootschap wist of redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van verhaalsfrustratie is vereist dat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.\n\n4.17.. De Regiebehandelaars heeft voor beide vormen van aansprakelijkheid onvoldoende feiten aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] tijdens het sluiten van de overeenkomst of het aangaan van de arbeidsovereenkomst geen middelen had. De e-mail van [gedaagde 2] genoemd onder 2.14 is daarbij niet relevant, omdat die pas op 17 oktober 2025 is verstuurd. Ook is het enkele feit dat [gedaagde 2] de factuur niet heeft betaald onvoldoende voor verhaalsfrustratie.\n\n4.18.. Nu [gedaagde 2] niet gebonden is aan de overeenkomst en niet persoonlijk aansprakelijk is tegenover De Regiebehandelaars, hoeft hij de factuur niet te betalen. De vorderingen op [gedaagde 2] worden dus afgewezen.\n\nproceskosten\n\n4.19.. \n [gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom hoofdelijk de proceskosten van De Regiebehandelaars betalen. De proceskosten van De Regiebehandelaars worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n244,18\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.504,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n864,00\n\n(2 punten × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.756,18\n\nhoofdelijkheid\n\n4.20.. De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan De Regiebehandelaars te betalen een bedrag van € 17.622,79,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan De Regiebehandelaars te betalen een bedrag van € 948,70 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.756,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, kantonrechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6589","2026-07-13T00:29:27.658Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":44,"courtId":6,"decisionDate":123,"fullText":124,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":52,"updatedAt":126},"280","ECLI:NL:RBROT:2026:7475","ecli-nl-rbrot-2026-7475","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nLocatie Dordrecht\n\nzaaknummer: 11971922 CV EXPL 25-4569\n\ndatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf 1] B.V,\n\nvestigingsplaats: [plaats 1] ,\n\neiseres,\n\ndie zelf procedeert,\n\ntegen\n\n1. [bedrijf 2] V.O.F en haar vennoten2. [bedrijf 3] B.V.,3. [bedrijf 4] B.V.,4. [bedrijf 5] B.V.,\n\nvestigingsplaatsen: (1-3) [plaats 2] , [gemeente 1] ,\n\n (4) [plaats 3] , [gemeente 2] gedaagden,\n\n die zelf procederen,5. [bedrijf 6] B.V.\n\nvestigingsplaats: [plaats] [gemeente 3] ,\n\n gemachtigde: mr. drs. P.J.M. Veuger,\n\ngedaagden.\n\nDe partijen worden hierna [eiseres] , [gedaagden 1-4] (ook voor de vennoten) en [gedaagden 5] genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaardingen van 3 en 4 november 2025, met (aanvullende) bijlagen;\n\nde conclusies van antwoord van [gedaagden 1-4] , met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord van [gedaagden 5] , met bijlagen.\n\n1.2.. \n\nOp 27 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig\n\n [persoon A] , [persoon B] en namens [gedaagden 5] [persoon C] en haar gemachtigde. [gedaagden 5] heeft tijdens de zitting nog een bijlage overgelegd, te weten een e-mail bericht van [bedrijf 7] van 24 maart 2026.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?\n\n2.1.. \n [eiseres] heeft van [gedaagden 1-4] een Opel Vivaro, bouwjaar [bouwjaar] (hierna: de auto) voor een bedrag van € 16.940,- gekocht die op [datum] is geleverd. [gedaagden 5] heeft de auto gefinancierd; zij is juridisch eigenaar en zij heeft de auto aan [eiseres] ter beschikking gesteld en een deel van de koopprijs, te weten een bedrag van € 11.900,-, aan [gedaagden 1-4] betaald. [eiseres] heeft de resterende € 5.040,- aan [gedaagden 1-4] betaald. Als [eiseres] alle leasetermijnen aan [gedaagden 5] heeft betaald is de financiering afgelost en wordt zij eigenaar van de auto.\n\n2.2.. \n [eiseres] is niet tevreden over de auto en zij eist in deze procedure ontbinding van de koop-\u002Fleaseovereenkomst, terugbetaling van de koopprijs en leasetermijnen en een schadevergoeding. Gedaagden zijn het niet met deze eisen eens. [gedaagden 5] betwist dat de auto bij levering niet voldeed aan de overeenkomst en dat zij is tekortgekomen. [gedaagden 1-4] stelt dat de auto (opnieuw) volledig is hersteld.\n\n2.3.. \n [eiseres] krijgt van de kantonrechter ongelijk, dat betekent dat al haar eisen worden afgewezen. Deze beslissing wordt hieronder uitgelegd.\n\nWettelijk kader met betrekking tot non-conformiteit\n\n2.4.. Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW mag een koper verwachten dat de gekochte zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en over de aanwezigheid van die eigenschappen niet hoeft te twijfelen. In het geval van de koop van een (tweedehands) auto geldt kort gezegd als regel dat de auto niet voldoet aan de overeenkomst als het gebruik van de auto door een gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden hersteld een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert.\n\nDe auto voldoet niet aan de koopovereenkomst\n\n2.5.. \n [gedaagden 1-4] en [gedaagden 5] erkennen dat de auto vrij snel na het in gebruik nemen door [eiseres] gebreken vertoonde waaronder het naar links trekken onder het rijden en het verschijnen van storingsmeldingen op het dashboard. [gedaagden 1-4] heeft daarom de auto teruggenomen en laten repareren bij [bedrijf 7] . In de daarop volgende maanden is de auto nog een aantal keren teruggenomen voor soortgelijke reparaties aan het motorische gedeelte. De auto voldeed dus niet aan de overeenkomst ten tijde van de levering. De verkopende partij is dan ook, zoals [eiseres] aanvoert, tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting een auto te leveren die conform de overeenkomst is.\n\nMogelijkheden koper bij non-conformiteit\n\n2.6.. Artikel 7:21 lid 1 BW bepaalt dat de koper in geval van non-conformiteit kan eisen: a) aflevering van het ontbrekende, b) herstel van de afgeleverde zaak of c) vervanging van de afgeleverde zaak. Een vierde mogelijkheid is ontbinding van de koopovereenkomst, voor niet consumenten zoals [eiseres] is dat geregeld in artikel 6:265 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden, behalve als de tekortkoming, gelet op haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt, kunnen, naast de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming, alle omstandigheden van het geval van belang zijn.\n\n2.7.. \n\n [eiseres] eist in deze procedure ontbinding van de koopovereenkomst; zij wil van de auto af. [eiseres] is echter steeds akkoord gegaan met herstel van de autoen de auto is ook steeds hersteld. Pas nadat de auto op 18 september 2025 onder het rijden uitvalt laat [eiseres] [gedaagden 1-4] voor het eerst weten dat zij van de overeenkomst af wil of over wil gaan tot een kosteloze omruil (de enige twee voor haar nog aanvaardbare uitkomsten).\n\n [gedaagden 1-4] biedt aan de auto toch nog een keer te repareren nadat deze is bekeken door een derde partij, te weten [bedrijf 8] . [eiseres] gaat hiermee akkoord en de auto wordt conform de bevindingen van [bedrijf 8] door [bedrijf 7] hersteld. [eiseres] haalt de auto op 27 januari 2026 op maar deze valt weer uit op 6 februari 2026. Daarna besluiten partijen blijkbaar tot een nieuwe reparatie na een inspectie van de auto door\n\n [bedrijf 9] . De auto wordt gerepareerd, APK gekeurd en goed bevonden door [bedrijf 7]en staat tot op heden klaar om te worden opgehaald.\n\n [eiseres] heeft dus niet vastgehouden aan haar wens tot ontbinding van de overeenkomst of een kosteloze omruil maar is meegegaan in de reparatievoorstellen waardoor er op dit moment een volledig herstelde auto klaar staat voor haar. Dat maakt dat er op dit moment geen sprake meer is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst die zo ernstig is dat ontbinding is gerechtvaardigd. De koopovereenkomst wordt dan ook niet ontbonden. Omdat er nu niet ontbonden wordt, blijft de overeenkomst bestaan. [eiseres] kan de bus ophalen.\n\n2.8.. Bij een volgende uitval met betrekking tot dezelfde problemen die van het begin af aan tot reparaties hebben geleid, hoeft [eiseres] geen reparatie meer de accepteren en kan zij de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden door een brief te sturen aan [gedaagden 1-4] dat zij de overeenkomst ontbindt omdat de auto weer dezelfde gebreken vertoont.\n\n2.9.. \n\n [eiseres] heeft nog een beroep gedaan op dwaling. Volgens haar zijn er bij de aankoop gebreken en mogelijke schade aan de auto verzwegen. Zij stelt echter niet dat\n\n [gedaagden 1-4] en [gedaagden 5] wisten van de problemen die zich hebben voorgedaan en dat blijkt ook nergens uit. Daarom slaagt dit beroep op dwaling niet.\n\nSchadevergoeding\n\n2.10.. \n [eiseres] maakt aanspraak op schadevergoeding. Volgens [eiseres] lijdt zij schade doordat zij maanden niet over een bus heeft kunnen beschikken. [eiseres] heeft niet betwist dat zij steeds een leenbus heeft gekregen tijdens de reparaties. Daarom heeft zij niet voldoende uitgelegd dat zij toch schade heeft geleden. Bovendien noemt zij geen bedrag. Er wordt dus geen schadevergoeding toegewezen.\n\nIeder moet de eigen proceskosten dragen\n\n2.11.. Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld moeten zij hun eigen proceskosten dragen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst af de vorderingen van [eiseres] ;\n\n3.2.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.\n\n gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019: 4180\n\n zie haar e-mails van 2 en 9 mei 2025, 16 juli 2025 en 14 september 2025\n\n zie haar e-mail van 19 september 2025\n\n Zie haar e-mail van 24 maart 2026","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7475","2026-07-13T00:28:22.354Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":44,"courtId":131,"decisionDate":79,"fullText":132,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":134,"parsedAt":52,"updatedAt":135},"1715","ECLI:NL:RBOVE:2026:3807","ecli-nl-rbove-2026-3807",69,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer : 12206774 \\ EJ VERZ 26-76\n\nBeschikking van de kantonrechter van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verzoekster] , wonende te [woonplaats 1] ,\n\n2. [verzoeker], wonende te [woonplaats 2] ,\n\nsamen te noemen verzoekers,\n\ngemachtigde: mr. M.A. Stokroos, notaris te Rijssen.\n\nBelanghebbende is:\n\n [belanghebbende], geboren op [geboortedatum] 2009, dochter van verzoekers,\n\nwonende te [woonplaats 3] .\n\n1. De procedure1.1. \n [verzoekers] hebben een verzoekschrift ingediend, ontvangen op 29 april 2026, ingevolge artikel 1:345 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n1.2.. Het verzoek is behandeld op 17 juni 2026 waar verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Ook belanghebbende is verschenen.\n\n2. De beoordeling2.1. Op grond van artikel 1:345 BW behoeft de voogd machtiging van de kantonrechter om een overeenkomst strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige aan te gaan. Op grond van artikel 1:356 BW geeft de kantonrechter de machtiging slechts, indien dit hem in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging geven en daaraan zodanige voorwaarden verbinden, als hij dienstig oordeelt. Op grond van artikel 1:253k BW zijn deze artikelen ook van toepassing op het bewind van de ouders.\n\n2.2. Bij de beoordeling van de vraag of het verlenen van de machtiging in het belang van de minderjarige is kunnen de volgende omstandigheden een rol spelen:\n\n- gewaarborgde continuïteit in de leefsituatie van de minderjarige;\n\n- de mening van de minderjarige, en\n\n- het doel van de transactie en het te verwachten resultaat voor de minderjarige.\n\n2.3. Het verzoek betreft de oprichting van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met de naam [bedrijf] B.V., met zetel te [vestigingsplaats] . Het betreft een persoonlijke holding.\n\n2.4. De moeder van [belanghebbende] heeft de eenmanszaak [eenmanszaak] . De vader van [belanghebbende] heeft een dakdekkersbedrijf.\n\n2.5. In het verzoek staat vermeld dat [bedrijf] B.V. zal toetreden tot de eenmanszaak [eenmanszaak] , die na deze toetreding zal worden gewijzigd in een VOF.\n\n2.6. Opzet is dat [belanghebbende] gaat participeren in zowel het ondernemingsvermogen, via haar personal holding bv, alsmede het oprichten van een werkmaatschappij, samen met de holding van haar vader. In de gezamenlijke werkmaatschappij zullen jonge paarden worden getraind door [belanghebbende] en weer worden doorverkocht.\n\n2.7. Tijdens de mondelinge behandeling hebben verzoekers en hun gemachtigde toegelicht dat het feitelijk nu al zo is dat [belanghebbende] paarden opleidt en deze worden doorverkocht en dat het goed is om deze situatie formeel te regelen. [belanghebbende] rijdt paarden voor anderen en brengt de paarden op een hoger niveau.. Zij doet een BBL opleiding paardenhouderij bij het [college] in [plaats] .\n\n2.8. Tijdens de mondelinge behandeling is door de ouders en [belanghebbende] opgemerkt dat zij alles in onderling overleg doen. De ouders houden daarbij ook rekening met de belangen van hun andere twee kinderen. Ook willen zij het eerlijk doen tussen de kinderen.\n\n2.9. \n\nHun gemachtigde heeft tijdens de mondelinge behandeling in antwoord op vragen van de kantonrechter opgemerkt dat [belanghebbende] geen reële financiële risico’s loopt. Er is gekozen voor een bv structuur. [belanghebbende] is daarom niet als persoon aansprakelijk. [belanghebbende] is niet bestuurder. Er kan dus geen sprake zijn van bestuurdersaansprakelijkheid van [belanghebbende] .\n\nDe gemachtigde heeft daarnaast opgemerkt dat het niet de voorkeur heeft dat [belanghebbende] als minderjarige en vennoot zou gaan participeren in een VOF. Dit mede in verband met een eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid van een vennoot. In de gekozen constructie zal de bv toetreden tot de eenmanszaak die na toetreding zal worden gewijzigd in een VOF. [belanghebbende] zal dus niet als persoon toetreden. Er is bewust voor gekozen om de aandelen niet te certificeren. Het is de bedoeling dat [belanghebbende] in de toekomst ook zeggenschap zal krijgen.\n\n2.10. De kantonrechter kan zich vinden in de wens van verzoekers om de feitelijke situatie een juridische structuur te geven. Verzoekers hebben toegelicht dat daarmee tevens een juridische basis wordt gelegd voor de toekomst. Ook heeft [belanghebbende] tijdens de mondelinge behandeling verklaard achter het verzoek te staan. Het verzoek is dus in het belang van de minderjarige en kan worden toegewezen.\n\n3. De beslissing3.1. Wijst het verzoek om een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op te richten met de naam [bedrijf] B.V., met zetel te [vestigingsplaats] , toe.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n(JHd(O)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3807","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.445Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":79,"fullText":140,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":141,"sourceTimestamp":142,"parsedAt":52,"updatedAt":143},"1524","ECLI:NL:RBAMS:2026:6574","ecli-nl-rbams-2026-6574","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F780127 \u002F HA ZA 25-1810\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nJT INTERNATIONAL COMPANY NETHERLANDS B.V.,\n\nte Amstelveen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: JT International,\n\nadvocaat: mr. I.A. van Rooij,\n\ntegen\n\n [gedaagde] h.o.d.n. [bedrijf],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. S.J. de Vries.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 11 maart 2026;\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en in het dossier zijn gevoegd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 20 november 2024 zijn JT International en [gedaagde] een overeenkomst aangegaan voor de koop en levering van tabakswaren. Bijlage D van die overeenkomst zijn de toepasselijke algemene voorwaarden van JT International (hierna: de Algemene Voorwaarden).\n\n2.2.. In de Algemene Voorwaarden is, voor zover relevant, bepaald:\n\n“6.4. Betaling dient te geschieden binnen acht dagen (8) na factuurdatum op door JTI aangegeven wijze. Bij overschrijding van de betalingstermijn of onjuiste betaling is Afnemer steeds onmiddellijk in verzuim en een vertragingsrente van 2% per maand verschuldigd, waarbij elk gedeelte van een maand als gehele maand wordt gerekend.\n\n(…)6.6.. Indien JTI genoodzaakt is om haar vorderingen op Afnemer te incasseren omdat Afnemer in de nakoming van deze verplichting in gebreke blijft, dan is Afnemer tevens, naast de schadevergoeding op grond van de wet en overeenkomst, een boete verschuldigd van 15% van het openstaande factuurbedrag te vermeerderen met eventuele overige heffingen en de reeds vervallen vertragingsrente. De Afnemer is gehouden om JTI zowel de buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden als de kosten van juridische bijstand die JTI daadwerkelijk heeft gemaakt in de incassoprocedure.”\n\n2.3.. In januari en februari 2025 heeft [gedaagde] meerdere malen tabaksgoederen bij JT International besteld, die door JT International aan [gedaagde] zijn geleverd.\n\n2.4.. Op 22 januari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 15.646,56, met als vervaldatum 30 januari 2025.\n\n2.5.. Op 29 januari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 5.859,17, met als vervaldatum 6 februari 2025.\n\n2.6.. Op 5 februari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 8.840,88, met als vervaldatum 13 februari 2025.\n\n2.7.. Op 4 maart 2025 heeft er een overval plaatsgevonden in de tabakszaak van [gedaagde] in [plaats]. De tabakszaak is daarna een aantal maanden gesloten geweest, tot in oktober 2025.\n\n2.8.. Op 14 juli 2025 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van JT International een sommatiebrief gestuurd aan [gedaagde] . Op diezelfde datum heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.714,17 aan JT International betaald.\n\n2.9.. Op 9 oktober 2025 heeft de advocaat van JT International opnieuw een sommatiebrief gestuurd aan [gedaagde] . Daarna heeft er nog correspondentie plaatsgevonden tussen [gedaagde] en de advocaat van JT International over een eventuele betalingsregeling, maar dat heeft niet geleid tot een regeling tussen partijen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. JT International vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 39.229,16 (bestaande uit € 28.632,44 aan hoofdsom, € 6.301,86 aan rente tot en met 13 november 2025 en € 4.294,86 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en proceskosten.\n\n3.2.. JT International legt aan de vordering het volgende ten grondslag. JT International heeft meerdere keren goederen aan [gedaagde] geleverd in januari en februari 2025. Per saldo is [gedaagde] voor die leveringen nog een bedrag van € 28.632,44 aan JT International verschuldigd. Op grond van de Algemene Voorwaarden is [gedaagde] een rente van 2% per maand en buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van 15% van het openstaande bedrag verschuldigd.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van JT International voor zover het gaat om de gevorderde contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van JT International in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. [gedaagde] verzoekt de rechtbank daarbij om bij toewijzing van (een deel van) de vorderingen van JT International te bepalen dat door [gedaagde] in maandelijkse termijnen van € 2.000 mag worden betaald.\n\n3.4.. \n [gedaagde] voert het volgende aan. De gevorderde contractuele rente van 2% per maand komt neer op een jaarlijkse rente van 24% per jaar. Dat is een exorbitante rente waarover partijen niet apart hebben onderhandeld. Het rentebeding dient daarom te worden vernietigd omdat het onredelijk bezwarend is dan wel buiten toepassing te blijven nu een beroep op de contractuele rente in de gegeven situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten heeft JT International niet aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt tot het gevorderde bedrag en zijn de opgegeven werkzaamheden kosten waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden. [gedaagde] vordert primair om deze integraal af te wijzen en subsidiair om deze te matigen tot het wettelijke tarief.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [gedaagde] heeft erkend dat hij het openstaande factuurbedrag van € 28.632,44 nog aan JT International moet betalen. Dat bedrag zal daarom worden toegewezen.\n\n4.2.. De vraag die resteert is of de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar zijn. De rechtbank overweegt daarover als volgt.\n\nRente\n\n4.3.. De rechtbank stelt voorop dat het partijen in beginsel vrijstaat om een bepaalde contractuele rente overeen te komen. Een te hoge rente kan, onder omstandigheden, buiten toepassing blijven omdat het onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:233 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 6:248 lid 2 BW.\n\n4.4.. In dit geval is van dergelijke bijzondere omstandigheden niet gebleken. Hoewel een rente van 2% per maand (gelijk aan een rente van 24% per jaar) aan de hoge kant is, is geen sprake van een dusdanig hoge rente dat deze in de gegeven omstandigheden als onredelijk bezwarend of strijdig met de redelijkheid en billijkheid is aan te merken. JT International heeft dit, anders dan in de door [gedaagde] aangehaalde uitspraak van de het gerechtshof Den Haag,ter zitting gemotiveerd betwist door aan te geven dat de handelsrente op dit moment boven de 10% per jaar ligt en een rente van 2% per maand in deze zakelijke context niet buitensporig is. [gedaagde] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht. Aan overige omstandigheden heeft [gedaagde] slechts aangevoerd dat de overeengekomen rente is opgenomen in de Algemene Voorwaarden en dat partijen daar niet apart over hebben onderhandeld. Die omstandigheden zijn in dit geval ook niet dusdanig bijzonder of zwaarwegend dat het overeengekomen rentebeding om die reden moet worden vernietigd of buiten toepassing moet blijven. De rechtbank wijst de gevorderde rente van € 6.301,86 tot en met 13 november 2025 en de rente vanaf een dag na die datum daarom toe.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.5.. JT International vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.\n\n4.6.. De door JT International gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In het onderhavige geval acht de rechtbank echter redenen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te matigen, nu de gestelde werkzaamheden grotendeels zien op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden, zoals een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen, het doen van onderzoek naar verhaalsmogelijkheden en het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Niet is gebleken dat de werkelijke kosten van JT International voor de overige gestelde incassowerkzaamheden hoger zijn dan het toepasselijke tarief van het Besluit. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal dan ook gematigd worden toegewezen, en wel tot het forfaitaire tarief van € 1.061,32, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht.\n\nProceskosten\n\n4.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van JT International worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n123,73\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.995\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.672\n\n(2 punten × € 836)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.979,73\n\nBetaling in termijnen\n\n4.8.. \n [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht om bij een toewijzing van de vordering(en) van JT International te bepalen dat [gedaagde] deze in termijnen mag van € 2.000 per maand aan JT International mag betalen. Of [gedaagde] de toegewezen vordering in termijnen mag betalen, is echter iets wat tussen partijen afgesproken dient te worden. De rechtbank kan dat niet bepalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan JT International te betalen een bedrag van € 34.934,30, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 2% per maand over een bedrag van € 28.632,44, met ingang van 14 november 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan JT International te betalen een bedrag van € 1.061,32 aan buitengerechtelijke incassokosten,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.979,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n Gerechtshof Den Haag 15 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6574","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.352Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":79,"fullText":148,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":149,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":52,"updatedAt":150},"718","ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","ecli-nl-rbams-2026-6434","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F787825 \u002F KG ZA 26-398 MdV\u002FKH\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nGRAND RELOCATION B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partij bij gelijkluidende dagvaardingen van 22 mei 2026,\n\nhierna te noemen: Grand Relocation,\n\nadvocaten: mr. I.A. Hoedemaeker en mr. G.T. Poolman,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] , handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [gedaagde 2],handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 2],\n\nte [plaats 2] , 3. [gedaagde 3], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 3],\n\nte [plaats 3] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nadvocaat: mr. Y. Moszkowicz.\n\n1. De procedure\n\nTer zitting van 10 juni 2026 heeft Grand Relocation de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Namens gedaagden is verweer gevoerd. Grand Relocation heeft producties ingediend en beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag. Ter zitting waren, voor zover relevant, aanwezig:\n\nnamens Grand Relocation: [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ) met mr. Hoedemaeker en mr. Poolman,\n\nnamens gedaagden: mr. Moszkowicz.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Grand Relocation is een onderneming die zich richt op beheersactiviteiten, exploitatie van onroerend goed, bemiddeling bij de (ver)huur van woonruimte en verwerving, restauratie en instandhouding van beschermde monumenten.\n\n2.2.. Gedaagden zijn voormalig medewerkers van Grand Relocation. [gedaagde 3] heeft er vijf jaar gewerkt, [gedaagde 1] acht jaar en [gedaagde 2] meer dan tien jaar.\n\n2.3.. De eenmanszaak van [gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 1] , is opgericht op 4 oktober 2020. De eenmanszaak van [gedaagde 3] , [handelsnaam gedaagde 3] , op 26 oktober 2023 en de eenmanszaak van [gedaagde 2] , [handelsnaam gedaagde 2] , op 1 januari 2024.\n\n2.4.. \n [gedaagde 3] is per 1 november 2024 uit dienst getreden. [gedaagde 2] is op 11 juni 2025 op staande voet ontslagen. [gedaagde 1] is op diezelfde datum op non-actief gesteld en na onderzoek is op 13 juni 2025 ook hij op staande voet ontslagen. In de ontslagbrieven aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] staat in het kort dat Grand Relocation documenten heeft aangetroffen op een aan haar toebehorende computer, waaruit zij heeft opgemaakt dat vanuit ongelieerde eenmanszaken ( [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] ) facturen zijn verzonden aan klanten van Grand Relocation, die vanuit Grand Relocation verzonden hadden moeten worden. Het zou gaan om een bedrag van ten minste € 26.266,24. In de brief aan [gedaagde 1] staat verder dat is gebleken dat zijn naam meerdere keren terugkomt in relatie tot de operaties van [handelsnaam gedaagde 3] .\n\n2.5.. Op 29 oktober 2025 stuurt Grand Relocation een brief aan gedaagden. Daarin staat samengevat dat zij zich gezamenlijk schuldig hebben gemaakt aan het wegsluizen van klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken. Zij stelt hen aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Om de volledige schade te kunnen vaststellen verzoekt zij hun uiterlijk binnen 14 dagen verschillende stukken met betrekking tot de administratie van [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 3] en [handelsnaam gedaagde 2] te verstrekken. Tot op heden zijn de gevraagde stukken niet aangeleverd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nGrand Relocation vordert, na eiswijziging, om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:\n\nI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, te verbieden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken;\n\nPrimair\n\nII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. De Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2022 (de voorzieningenrechter begrijpt: 2021, zie verderop) tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen;\n\nb. De bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten;\n\nc. De overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden;\n\nd. De (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation;\n\ne. De aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden.\n\nIII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om, binnen voormelde termijn, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis;\n\nSubsidiair\n\nIV. ieder van de gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van de onder II. genoemde Stukken ten aanzien van de ándere in deze dagvaarding genoemde entiteiten, voor zover zij daarover uit hoofde van hun samenwerking feitelijk beschikken dan wel de beschikkingsmacht hebben;\n\nMeer subsidiair\n\nV. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd (voorzien van bewijsstukken) op te geven over welke van de onder II genoemde Stukken zij wél en niet beschikken, waar deze zich bevinden en via welke (cloud\u002Fmail\u002Fboekhoud) omgevingen deze toegankelijk zijn;\n\nIn alle gevallen\n\nVI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation, op straffe van een dwangsom;\n\nVII. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer, op straffe van een dwangsom;\n\nVIII. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. Grand Relocation licht haar vordering als volgt toe. Zij heeft op 10 juni 2025 op een van haar computers documenten aangetroffen. Daaruit blijkt dat gedaagden ten tijde van hun dienstverband, naar het lijkt al sinds 2021, in georganiseerd verband een schaduwonderneming hebben opgezet en die meerdere jaren hebben geëxploiteerd. Zij hebben klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken en privérekeningen weggesluisd. In de aangetroffen documenten is een taakverdeling tussen gedaagden aangetroffen, zijn facturen gezien die vanuit de verschillende eenmanszaken werden verzonden, is een overzicht gevonden van hoe de winst werd verdeeld (en grotendeels cash werd uitbetaald), en is gezien dat voor een email-account van een van de eenmanszaken een wachtwoord werd gebruikt dat bestaat uit de drie voornamen van gedaagden. Ook zijn er e-mails aangetroffen waaruit blijkt dat klanten van Grand Relocation werden doorverwezen naar [handelsnaam gedaagde 3] . Dit is in strijd met het met gedaagden overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding en geheimhoudingsbeding. Ook los daarvan is het handelen van gedaagden onrechtmatig. Hierdoor heeft Grand Relocation schade geleden. Om te kunnen zien om hoeveel schade het gaat en om die schade op gedaagden te kunnen verhalen in een bodemprocedure, heeft zij de opgevraagde stukken nodig. Verder zijn de vorderingen erop gericht dat het onrechtmatig handelen stopt.\n\n3.3.. Gedaagden voeren verweer. Er is geen sprake van een spoedeisend belang, nu Grand Relocation pas een jaar na het laatste contact een kort geding start. Daarnaast is artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geschonden door te stellen dat ‘tot op heden geen inhoudelijk verweer is gevoerd’, terwijl dat wel het geval was, en doordat mr. Moszkowicz niet is betrokken als advocaat van gedaagden, maar de stukken rechtstreeks aan gedaagden verzonden zijn. Ook zijn de aangetroffen documenten op de werkcomputer van [gedaagde 2] onrechtmatig verkregen, nu deze beveiligd was met een persoonlijk wachtwoord dat uitsluitend bij haar bekend was. Toegang is verkregen door dat persoonlijke account te omzeilen en vervolgens haar persoonlijke cloudopslag en zelfs privémail te openen. Daar is geen toestemming voor verleend. Dit is in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook levert dit een strafbaar feit op in de zin van artikel 138ab, 350a Sr en 272 Wetboek van Strafrecht. Dit verkregen bewijs dient daarom buiten beschouwing te blijven. Tot slot is nakoming van de vorderingen onmogelijk, nu de door Grand Relocation gevorderde stukken niet bestaan. Grand Relocation baseert dat ook slechts op een vermoeden. Voor zover wel wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, geldt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 194 en 195 Rv. Ook een belangenafweging zou tot afwijzing moeten leiden.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In dit kort geding gaat het in het kort om de vraag of gedaagden gehouden zijn om de opgevraagde stukken beschikbaar te houden en over te leggen. Gedaagden hebben daartegen vooral formele bezwaren opgeworpen. Die zullen hierna eerst worden besproken, waarna een inhoudelijke beoordeling volgt.\n\n4.2.. Grand Relocation heeft haar eis gewijzigd in een door haar ter zitting deels voorgedragen pleitnota. Gedaagden hebben daartegen bezwaar gemaakt omdat wijziging van eis volgens hen per akte moet plaatsvinden. De eiswijziging wordt toegestaan, nu deze voldoet aan artikel 10.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, waarin staat dat eiswijziging schriftelijk moet (en ook nog ter zitting mag worden gedaan met pen en papier, zonder dat ondertekening vereist is). Inhoudelijk worden gedaagden door de eiswijziging niet in hun belangen geschaad. Bij de beoordeling wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde eis.\n\n4.3.. Volgens gedaagden is daarnaast geen sprake van een spoedeisend belang omdat Grand Relocation zelf pas een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomsten actie onderneemt door dit kort geding te starten. Daarin worden gedaagden niet gevolgd. Grand Relocation heeft ter zitting toegelicht dat zij in dat jaar bezig is geweest om de benodigde informatie van gedaagden te krijgen, een dossier op te bouwen en heeft geprobeerd om de kwestie zonder rechterlijke tussenkomst op te lossen. Dat zij een jaar heeft stilgezeten voordat zij actie ondernam, is dus feitelijk niet juist. Voor het overige volgt de spoedeisendheid voldoende uit de vorderingen zelf.\n\n4.4.. Verder voeren gedaagden aan dat artikel 21 Rv is geschonden, omdat hun advocaat niet (tijdig) is betrokken bij dit kort geding, terwijl duidelijk was dat mr. Moszkowicz hen bijstaat gelet op eerdere correspondentie. Dat levert geen schending op van artikel 21 Rv, maar zou hooguit kunnen resulteren in een aanhouding van de zaak om mr. Moszkowicz in de gelegenheid te stellen om zich in te lezen. Aanhouding is echter niet gevraagd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat gedaagden zich voldoende hebben kunnen voorbereiden.\n\n4.5.. Daarnaast zijn de stukken waarop Grand Relocation haar vorderingen baseert volgens gedaagden onrechtmatig verkregen, reden waarom die volgens hen buiten beschouwing zouden moeten blijven. Deze (betwiste) stelling wordt niet gevolgd. De documenten zijn aangetroffen op een computer die eigendom is van Grand Relocation. Als het bewijs al onrechtmatig verkregen zou zijn, betekent dat in het civiele recht niet zonder meer dat de (voorzieningen)rechter dit bewijs niet aan haar oordeel ten grondslag mag leggen. Dat geldt te meer in dit geval nu uit de stukken vrij evident volgt dat gedaagden zich ten tijde van hun dienstverband hebben beziggehouden met concurrerende werkzaamheden, wat op zichzelf ook niet gemotiveerd door gedaagden wordt betwist. De stelling van gedaagden dat zij toestemming hadden, is op geen enkele manier onderbouwd en is niet geloofwaardig.\n\n4.6.. Ten aanzien van [gedaagde 2] stellen gedaagden dat geen ondertekende arbeidsovereenkomst is overgelegd waaruit blijkt dat een nevenwerkzaamhedenbeding en\u002Fof een geheimhoudingsbeding met haar is overeengekomen. Ook dat baat gedaagden niet, nu Grand Relocation haar vorderingen niet uitsluitend baseert op de stelling dat in strijd met de arbeidsovereenkomst nevenwerkzaamheden zijn verricht of bedrijfsgevoelige informatie is gebruikt, maar ook op de stelling dat gedaagden in algemene zin onrechtmatig hebben gehandeld.\n\n4.7.. Op grond van de overgelegde stukken die Grand Relocation heeft achterhaald, is voorshands aannemelijk dat gedaagden zich hebben beziggehouden met onrechtmatig concurrerende activiteiten. De stukken waarvan afgifte wordt gevorderd zijn van belang voor het in kaart brengen van de omvang daarvan en de schade die als gevolg daarvan is geleden. Dat gedaagden de stukken niet hebben, is niet aannemelijk gelet op de administratieplicht die voor de eenmanszaken geldt, en strookt overigens ook niet met hun andere stelling dat de vorderingen moeten worden afgewezen vanwege privacy-redenen. Daarbij hebben gedaagden ook niet onderbouwd welke stukken niet zouden kunnen worden overgelegd gelet op de AVG. De stukken zijn verder voldoende bepaald; van een fishing expedition zoals gedaagden stellen is geen sprake.\n\n4.8.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van Grand Relocation bij het achterhalen van de omvang van de concurrerende werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende schade weegt zwaarder dan het belang van gedaagden om die informatie voor zichzelf te houden vanwege het feit dat dit hun persoonlijke levenssfeer in vergaande mate zou raken, zoals zij menen.\n\n4.9.. \n\nGelet op voorgaande worden de (primaire) vorderingen I tot en met III en de vorderingen VI tot en met VIII toegewezen. In haar eiswijziging heeft Grand Relocation beschreven dat in vordering II onder b, c en d en vordering III overal waar 1 januari 2022 staat, 1 januari 2021 moet worden gelezen omdat de concurrerende werkzaamheden volgens haar begonnen in 2021. Die eiswijziging heeft geen betrekking op vordering II sub a, maar dat wordt – gelet op de motivering dat de werkzaamheden in 2021 zijn gestart – als een kennelijke verschrijving gezien. Dat onderdeel van vordering II wordt daarom ook toegewezen over de periode 1 januari 2021 tot aan de dag van het vonnis.\n\nVerder wordt bij vordering II en III een termijn van vijf dagen gehanteerd. Aan de toegewezen vorderingen zal ook een dwangsom worden verbonden, nu er gelet op de houding van gedaagden niet op kan worden vertrouwd dat zij daaraan vrijwillig zullen voldoen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd zoals hierna bij de beslissing bepaald .\n\n4.10.. Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Grand Relocation worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n388,62\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.489,62\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.12.. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verbiedt gedaagden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken,\n\n5.2.. \n\nveroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. de Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen,\n\nb. de bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten,\n\nc. de overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden,\n\nd. de (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation,\n\ne. de aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden,\n\n5.3.. veroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis,\n\n5.4.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation,\n\n5.5.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer,\n\n5.6.. veroordeelt gedaagden om aan Grand Relocation een dwangsom te betalen van € 250 per persoon, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij\u002Fzij niet aan de veroordelingen onder 5.1 tot en met 5.5 voldoet, tot een maximum van € 50.000 per persoon is bereikt,\n\n5.7.. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 2.489,62,\n\n5.8.. veroordeelt gedaagden, als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en het vonnis vervolgens wordt betekend, in de extra proceskosten van € 98 plus de kosten van betekening,\n\n5.9.. veroordeelt gedaagden tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,\n\n5.10.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nColl: EB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","2026-07-13T00:28:44.583Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":44,"courtId":76,"decisionDate":79,"fullText":155,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":157,"parsedAt":52,"updatedAt":158},"1479","ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","ecli-nl-rbnho-2026-7457","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 12055610 \\ CV EXPL 26-209\n\nUitspraakdatum: 24 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\nde stichting\n\nStichting voor Educatie en Beroepsonderwijs (ook genoemd ROC Nova College)\n\ngevestigd te Haarlem\n\neiseres\n\nverder te noemen: Nova College\n\ngemachtigde: [gemachtigde] B.V.\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1], wonende te [plaats 1], 2. [gedaagde 2], wonende te [plaats 2],\n\ngedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden]\n\ngedaagde sub 1 procederend in persoon, mede namens gedaagde sub 2.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - het mondelinge antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [gedaagden] zijn vennoten in de vennootschap onder firma “[bedrijf]” (hierna: de vof).2.2.. Gedaagde sub 1 heeft zich via de website van het Nova College aangemeld voor de VAVO voor het studiejaar 2024-2025 (hierna: de opleiding).2.3.. Op 15 oktober 2024 heeft gedaagde sub 1 verzocht om de factuur met betrekking tot de studiekosten op naam van de vof te laten stellen. In dat verband heeft hij namens de vof een ‘machtiging voor de betaling van cursusgeld door werkgever of instantie’ ondertekend.2.4.. De vof heeft de factuur onbetaald gelaten.2.5.. De vof is per 21 mei 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.3. Het geschil\n\n3.1.. Nova College vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt tot betaling van € 833,92, vermeerderd met de (verdere) rente en de proceskosten.3.2.. Nova College legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de vof tekort is geschoten in haar betalingsverplichting.3.3.. Gedaagde sub 1 erkent de hoofdsom, maar betwist dat zijn broer (gedaagde sub 2) de vordering moet betalen. Ook betwist hij de verschuldigdheid van de bijkomende kosten.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.4. De beoordeling\n\nDe ambtshalve toetsing van het consumentenrecht\n\n4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat de onderwijsovereenkomst tussen Nova College en gedaagde sub 1 in beginsel onder het toepassingsbereik van de Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) en Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU (betreffende consumentenrechten) valt. Met de beslissing tot inschrijving ontstaat tussen instelling en student een overeenkomst waarbij voor beide partijen rechten en plichten ontstaan, zoals die in onder andere de onderwijs- en examenregeling (OER) van de opleiding en het studentenstatuut zijn vermeld. Dit betekent dat de bepalingen van het overeenkomstenrecht van toepassing zijn. Dat de overeenkomst op grond van de Les- en cursusgeldwet verplicht tot inschrijving maakt dit niet anders. Nova College is een handelaar in de zin van artikel 6:230g sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voornoemde richtlijnen zijn van toepassing op alle handelaren, ongeacht of zij publiek of privaat zijn.\n\n4.2.. Op de onderhavige overeenkomst zijn dus consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of die zijn nageleefd. Zo niet, dan moet de kantonrechter daar, ook ambtshalve, consequenties aan verbinden.\n\nAmbtshalve toetsing van informatieplichten\n\n4.3.. De kantonrechter moet allereerst ambtshalve beoordelen of Nova College de nodige informatie aan [gedaagde 1] heeft verstrekt. In dit geval, waarin de overeenkomst online is gesloten, zijn de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW van toepassing.\n\n4.4.. Uit de aard van de overeenkomst vloeit voort dat Nova College heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.\n\nAmbtshalve toetsing van algemene voorwaarden:Algemene verkoopvoorwaarden Nova\n\n4.5.. De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of in de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen, die onredelijk bezwarend zijn voor consumenten als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW. In artikel 3.2 van de algemene voorwaarden staat een rente- en incassobeding opgenomen:\n\n“3.2. Indien een Opdrachtgever in verzuim is, is deze de wettelijke rente (ex art. 6:119 BW) over het openstaande bedrag verschuldigd. Daarnaast is Nova bij verzuim van de Opdrachtgever gerechtigd buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen volgens het “Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten”.\n\n4.6.. Uit de formulering van dit beding volgt dat dit beding suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Hiervan mag niet worden afgeweken. De conclusie is dat sprake is van een oneerlijk beding en daarom wordt dit beding vernietigd.\n\nDe verdere beoordeling\n\n4.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde sub 1 op 11 november 2024 namens de vof een derdenmachtiging heeft ondertekend. Daarmee heeft hij rechtsgeldig verklaard dat de vof het cursusgeld voor de opleiding van gedaagde sub 1 zal betalen. Bij een vof zijn alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor alle bedrijfsschulden. Dat blijft ook zo na opheffing van de vof.\n\n4.8.. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2 volledig bevoegde vennoten van de vof zijn. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagden] dat gedaagde sub 2 slechts als ‘stille vennoot’ aan de onderneming zou zijn verbonden. Dat betekent dat niet alleen gedaagde sub 1, maar ook zijn broer (gedaagde sub 2) kan worden aangesproken voor de volledige schuld van de vof aan Nova College. De conclusie is dan ook dat de vordering tot betaling van de hoofdsom (en de wettelijke rente daarover) toewijsbaar is.\n\n4.9.. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden (gelet op hetgeen hiervoor is overwogen) afgewezen.4.10.. De veroordelingen uit dit vonnis worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan Nova College van € 711,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 672,00 vanaf 17 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;5.2.. \n\nveroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Nova College tot en met vandaag vaststelt op:\n\ndagvaarding € 146,14\n\ngriffierecht € 350,00\n\nsalaris gemachtigde € 288,00 ;\n\n5.3.. \n\nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Zie artikel 2 sub c van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG overweging 16 van Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU\n\n Artikel 17 Wetboek van Koophandel.\n\n Artikel 18 Wetboek van Koophandel.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:23.013Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":44,"courtId":163,"decisionDate":79,"fullText":164,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":165,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":166},"1834","ECLI:NL:RBGEL:2026:5160","ecli-nl-rbgel-2026-5160",68,"RECHTBANK GELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 12018926 \\ CV EXPL 25-3465\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. K. Colakoglu,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. M.H. Hogeman.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 4 maart 2026,\n\n- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door mr. Hogeman overgelegde aanvullende productie,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de gedaagde] is eigenaar van een bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] . [de gedaagde] heeft in het verleden een winkel in deze bedrijfsruimte geëxploiteerd.\n\n2.2.. Partijen hebben een huurovereenkomst met elkaar gesloten op grond waarvan [de gedaagde] met ingang van 1 januari 2024 voormelde bedrijfsruimte (hierna: het gehuurde) casco verhuurt aan [de eiser] voor een periode van tien jaar voor een huurprijs van € 15.000,00 per jaar.\n\n2.3.. \n\nOp de huurovereenkomst zijn de ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST WINKELRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. Artikel 13.3 van de algemene bepalingen luidt als volgt:\n\n“Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van een gebrek en huurder kan in geval van een gebrek geen aanspraak maken op huurprijsvermindering en verrekening, behoudens de bevoegdheid tot verrekening als bedoeld in artikel 7:206 lid 3 Burgerlijk Wetboek.”\n\n2.4.. Het gehuurde heeft een kelder onder de gehele begane grond. De kelder bestaat uit twee ruimtes, een grote ruimte waar de trap op uitkomt en een kleine ruimte. In de kleine ruimte staat een compressor voor de waterafvalscheiding en is een professionele afzuiginstallatie aanwezig.\n\n2.5.. Op 2 of 3 januari 2024 is de kelder onder water komen te staan. Kort hierna heeft [vochtweringsbedrijf] Vochtbestrijding B.V. (hierna: [vochtweringsbedrijf] ) in opdracht van [de gedaagde] de kelder met een waterstofzuiger en bouwdrogers droog gemaakt.\n\n2.6.. Begin 2024 heeft [de gedaagde] het gehuurde met toestemming van [de eiser] verbouwd tot een tandartspraktijk.\n\n2.7.. In maart 2024 heeft [vochtweringsbedrijf] de kelder gesaneerd. Daarbij heeft zij een bekuiping, vochtwerende mortel, aquastuc op de wanden en een vloeistofdichte vloer in de kelder aangebracht.\n\n2.8.. In april en mei 2024 is tussen partijen discussie ontstaan over de uitvoering van de verdere herstelwerkzaamheden in de kelder, bestaande uit het sauzen, het aanleggen van extra ventilatie en het aanbrengen van twee radiatoren in de kelder. [de eiser] heeft aangegeven eerst de kelder te willen laten beoordelen door een deskundige voordat in deze ruimte verdere werkzaamheden worden verricht.\n\n2.9.. \n\nOp 1 oktober 2024 heeft Bureau voor Bouwpathologie in opdracht van [de eiser] de kelder van het gehuurde onderzocht. In de daarvan opgestelde rapportage van 27 november 2024 is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nWAARNEMINGEN\n\n(…)\n\nKleine kelderruimte\n\n6. De vloer is zichtbaar verkleurd door vocht (…)\n\n7. De wanden hebben vochtschade (…)\n\n8. De wanden zijn over verschillende plekken aan de onderzijde nat gemeten (…)\n\n9. De vloer is nat gemeten (…)\n\n10. Aan de bovenzijde is zichtbaar dat de aangebrachte stuclaag stopt (…)\n\n11. De aangebrachte stuclaag is ook niet aangebracht bij de riolerings- en verwarmingsbuizen (…)\n\n12. De wand waar geen laag stucwerk is aangebracht meet nat tot zeer nat (…)\n\n(…)\n\n14. De relatieve luchtvochtigheid in de kleine ruimte is 84,8 % gemeten (…)\n\n(…)\n\nGrote kelderruimte\n\n18. De wanden hebben vochtschade (…)\n\n19. De vloer heeft zoutuitslag (…)\n\n(…)\n\n21. De wanden zijn over verschillende plekken aan de onderzijde vochtig tot nat gemeten en verder naar boven droog tot vochtig (…)\n\n22. Het kalkzandsteen buitenspouwblad is nat (…)\n\n24. Er zijn voldoende ventilatieopeningen in de gevel (…)\n\n25. Aan de bovenzijde is zichtbaar dat de aangebrachte stuclaag stopt (…)\n\n26. De relatieve luchtvochtigheid in de grote ruimte is 84,0% gemeten (…)\n\nBuitenzijde\n\n27. Aan de buitenzijde zijn de ventilatieopeningen van de kelder zichtbaar afgedekt met een rooster (…)\n\nVRAAGBEANTWOORDING\n\n(…)\n\nVraag 1:\n\nWaardoor is de waterschade ontstaan, waardoor er lekkages zijn en er zich ook vocht en schimmel vorm?\n\nAntwoord:\n\nUit de bouwaanvraag d.d. 13 april 1987 blijkt dat er oorspronkelijk geen kelder onder de winkelruimte was bedoelt. Er zijn geen gegevens over de kelder op de bouwaanvraagtekeningen bekent. In Advies konstructie van [naam] d.d. 2 maart 1987 staat een doorsnede en berekening van de kelder (bijlage 2). Tijdens het onderzoek was zichtbaar dat de kelderwand opgebouwd is uit twee kalkzandsteenwanden met een ps isolatie strak ertussen. Uit de doorsnede is op te maken dat de kelder gebouwd is op een betonnen plaat met massief gemetselde wanden tot een bepaalde hoogte, wat overgaat in een spouwmuurconstructie. Op het binnenspouwblad ligt de begane grond vloer. Het grondwater zit op 1,6 meter onder maaiveld. De kelderwanden zijn aan de binnenzijde waterdicht gemaakt met cementstuc.\n\nEr zijn op twee plekken lekkages te herleiden in de kelder:\n\nOp maaiveldhoogte zijn er aan de buitenzijde gevelopeningen welke uitkomen in de spouw en bij openingen in het binnenspouwblad welke zorgen voor de ventilatie in de kelder. Op de ontvangen foto’s is de toestand te zien voor de werkzaamheden. Hierop is duidelijk een lijn te zien met natte wanden onder de lijn en droge wanden boven de lijn. De lijn is de overgang van de massief gemetselde wand op de spouwconstructie. Het hemelwater kan via de ventilatieopeningen de spouwconstructie in, maar ook door vochtdoorslag. Het hemelwater kan niet de spouw uit en hoopt zich aan de onderzijde op in de spouw. Het hemelwater trekt in en door het massief gemetselde wanden als een spons. De cementstuc moet voor de waterdichting zorgen. Dit functioneert niet naar behoren, waardoor de kelderwanden vochtig zijn en er schimmel kan ontstaan. Tijdens de herstelwerkzaamheden is AquaStuc gipspleister op de cementstuc aangebracht. AquaStuc pleister is speciaal voor natte ruimtes en is waterafstotend, maar zorgt niet voor de waterdichting.\n\nDe kim is niet waterdicht, waardoor het grondwater tussen de kelderplaat en de massief gemetselde wand door kan. Dit zorgt voor de natte kelderplaat tegen en rondom de wanden en de zoutafzetting op de kelderplaat.\n\nVraag 2:\n\nWat zijn de kosten voor herstel en\u002F of eventueel hersteladvies is?\n\nAntwoord:\n\nDoor de aanwezige PS isolatie in de spouw kan er geen waterdichte kering en spouwlood op maaiveldhoogte gemaakt worden. Een vlakafdichting aan de buitenzijde is niet mogelijk, omdat de kelder niet volledig vrij gegraven kan worden. Daarom is de mogelijke hersteloptie alleen een gietafdichting aan de binnenzijde. Deze methode wordt gekozen bij kalkzandsteen. Kalkzandsteen is niet of nauwelijks geschikt om een afdichtingslaag op aan te brengen. Deze steen accepteert geen primers. Er wordt bij deze methode een muur aan de binnenzijde tegen de wand gemetseld. De ruimte tussen de twee muren wordt gevuld met waterdichte gietmortel. De kelderruimte wordt hierdoor welk kleiner. De nieuwe kelderwanden moeten na de werkzaamheden worden gestuct en gesausd.\n\nDe kosten voor bovenstaande werkzaamheden worden geraamd op€ 73.500,- excl. B.T.W..\n\n2.10.. \n\nIn maart 2025 hebben [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) een onderzoek uitgevoerd naar de door [de eiser] gestelde vochtproblemen in de kelder. Bij brief van 10 april 2025 heeft [vochtweringsbedrijf] daarover aan [de gedaagde] bericht:\n\n“(…)\n\n1. Algemeen\n\n(…) De kelder is in mei 2024 opgeleverd zonder vochtproblemen. Tijdens dit onderzoek zijn uitgebreide vochtmetingen en thermografische inspecties verricht. De toegestane vochtwaarde van 12,8% is alleen overschreden in de kleine ruimte waar tandarts apparatuur staat die veel vocht uitstoot.\n\n2. Bevindingen\n\n Kimnaden zijn visueel onderzocht en met thermovisuele apparatuur. Er is géén lekkage waargenomen. De kimnaden zijn droog.\n\n De muren zijn blok voor blok gemeten met een vochtmeter en gescand met thermovisuele apparatuur. Ook hier is géén vocht vastgesteld. De muren zijn droog en daarmee is de conclusie dat de schimmelvorming het gevolg zou zijn van optrekkend vocht niet houdbaar.\n\n Vloer is eveneens over een langere periode middels een datalog stabiel gemeten, zonder signalen van optrekkend vocht.\n\n Ventilatie en verwarming zijn cruciale factoren: meetapparatuur (…) registreerde tussen 3 en 17 maart een gemiddelde temperatuur van 14,8 °C en een relatieve luchtvochtigheid van ca. 65%. Dit zijn suboptimale waarden voor een kelderruimte. Volgens de richtlijnen dient de temperatuur minimaal 18°C à 19°C te bedragen, ook is de luchtvochtigheid te hoog, deze zou rond de 50 tot max 55% mogen liggen.\n\n De vloerverwarming is aanwezig, maar wordt niet gebruikt door de huurder.\n\n De professionele ventilatie is uitgeschakeld door huurder. Hierdoor kan vochtige lucht niet worden afgevoerd, wat schimmelgroei in de hand werkt.\n\n In de ruimte met de tandartsmachine stijgt de luchtvochtigheid bij gebruik zelfs naar 74% (…) – wederom zonder afvoermechanisme vanwege de niet-functionerende ventilatie.\n\n3. Toelichting op de conclusies in het rapporthet rapport van Bureau voor Bouwpathologie, toevoeging kantonrechter]\n\nHet rapport stelt dat de kelderwand vocht doorlaat vanwege een gebrekkige binnenafdichting. Echter:\n\n Er is geen sprake van lekkage of optrekkend vocht zoals het rapport beweert.\n\n De schade die zichtbaar is, is veroorzaakt door interne factoren zoals onvoldoende ventilatie en verwarming.\n\n De aangebracht stuclaag en kitnaden zijn correct uitgevoerd en functioneren naar behoren. Er is geen visuele of meetbare schade aan deze afdichting.\n\n Het loslatende schilderwerk wordt veroorzaakt door schimmelvorming. Deze is mogelijk door de lage temperatuur, gebrekkige ventilatie en hoge luchtvochtigheid.\n\n4. Verantwoording en hersteladvies\n\nDe huidige situatie is het gevolg van het gedrag van de huurder:\n\n Het uitzetten van de ventilatie\n\n Het niet activeren van de vloerverwarming\n\n Het structureel niet openen van de trapdeur, waardoor luchtcirculatie wordt belemmerd\n\nOnder de huidige omstandigheden is sprake van gebruiksschade en achterstallig onderhoud door de huurder. Er is geen sprake van constructieve gebreken of gebrekkige waterafdichting.\n\n(…)”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. [de gedaagde] zal veroordelen om de gebreken aan\u002Fin het gehuurde zoals omschreven in het rapport van Bureau voor Bouwpathologie d.d. 27 november 2024 volledig en duurzaam te herstellen, uiterlijk binnen een termijn van één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis,\n\n2. de huurprijs van het gehuurde met ingang van 1 januari 2024, of een nader door de kantonrechter te bepalen datum, te verminderen met 25% of een nader door de kantonrechter vast te stellen percentage, tot en met het daadwerkelijk herstel van de genoemde gebreken,\n\n3. [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.524,62, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf de respectievelijke vervaldata, 4. [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [de eiser] stelt zich op het standpunt dat het gehuurde diverse gebreken heeft en vordert in deze procedure herstel van die gebreken (artikel 7:206 BW), een vermindering van de huurprijs tot het moment dat de gestelde gebreken door [de gedaagde] zijn verholpen (artikel 7:207 BW) en vergoeding van de schade die [de eiser] stelt te hebben geleden (7:208 BW).\n\n4.2.. Allereerst moet worden beoordeeld of sprake is van één of meerdere gebreken aan het gehuurde als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. In dit artikel is een gebrek omschreven als een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. De vraag of sprake is van een gebrek moet aan de hand van objectieve verifieerbare feitelijke gegevens worden vastgesteld.\n\n4.3.. \n [de eiser] stelt dat de kelder van het gehuurde ernstige gebreken heeft, namelijk vochtproblemen, lekkages en schimmelvorming. [de gedaagde] betwist dit en voert daartoe aan dat de muren van de kelder droog zijn en dat de hoge luchtvochtigheid in de kelder wordt veroorzaakt omdat [de eiser] het gehuurde onvoldoende verwarmt en ventileert.\n\n4.4.. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder, rusten op [de eiser] omdat zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. [de eiser] heeft ter onderbouwing van de gestelde gebreken de rapportage van 27 november 2024 van Bureau voor Bouwpathologie (zie hiervoor 2.9.) overgelegd. Daarin is, kort gezegd, vermeld dat tijdens het onderzoek ter plaatse op 1 oktober 2024 de wanden en vloer in de kelder vochtig tot nat zijn gemeten en dat waterschade in de kelder is ontstaan omdat enerzijds hemelwater via de ventilatieopeningen in de spouwconstructie van de kelder terechtkomt en anderzijds hemelwater door de buitenmuren naar binnen trekt (optrekkend vocht).\n\n4.5.. \n [de gedaagde] betwist de juistheid van de bevindingen van Bureau voor Bouwpathologie. Ter onderbouwing van die betwisting verwijst zij naar de brief van 10 april 2025 van [vochtweringsbedrijf] (zie hiervoor 2.10.). In deze brief is, kort gezegd, vermeld dat [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] tijdens een verrichte contra-expertise in maart 2025 geen lekkages en vocht in de wanden of vloer hebben waargenomen en dat de zichtbare waterschade in de kelder wordt veroorzaakt door onvoldoende ventilatie en verwarming door [de eiser] .\n\n4.6.. De kantonrechter is van oordeel dat [de gedaagde] de juistheid van de bevindingen van Bureau voor Bouwpathologie voldoende gemotiveerd heeft weersproken door het laten uitvoeren van een contra-expertise door [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] . Het bewijs van de stelling dat in de kelder van het gehuurde sprake is van lekkages en optrekkend vocht, is daarom niet reeds op voorhand geleverd op grond van de door [de eiser] overgelegde rapportage van Bureau voor Bouwpathologie. Omdat evenmin uit de overige door [de eiser] overgelegde stukken voldoende bewijs is te putten, zal zij conform het door haar gedane aanbod tot bewijslevering worden toegelaten van haar stelling dat sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder.\n\n4.7.. Het ligt in de rede dat, gelet op de aard van het door [de eiser] te leveren bewijs, een deskundigenbericht wordt ingewonnen. Een onafhankelijke deskundige kan beoordelen of en in hoeverre sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder en zo ja, op welke wijze en tegen welke kosten deze gebreken hersteld kunnen worden. Alvorens tot benoeming van een deskundige wordt overgegaan, zal de kantonrechter de zaak naar de hierna te melden rol verwijzen opdat partijen zich kunnen uitlaten over de wenselijkheid van het deskundigenonderzoek, de persoon\u002Fpersonen van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon\u002Fpersonen van de te benoemen deskundige(n), wordt van partijen verwacht dat zij daarover met elkaar zullen overleggen en dat zij zoveel mogelijk een met elkaar overeenstemmend voorstel zullen voorleggen.\n\n4.8.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 22 juli 2026voor het nemen van een akte door beide partijen als bedoeld in r.o. 4.7.,\n\n5.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nlt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5160","2026-07-13T00:29:41.097Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":44,"courtId":131,"decisionDate":157,"fullText":171,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":172,"sourceTimestamp":173,"parsedAt":52,"updatedAt":174},"1067","ECLI:NL:RBOVE:2026:3797","ecli-nl-rbove-2026-3797","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: 12055948 \\ CV EXPL 26-41\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nTINQ NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Harderwijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: TinQ,\n\ngemachtigde: mr. F.B.A.M. van Oss,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nstatutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. D. Teeuwsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties, - de conclusie van antwoord met producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het bericht van 1 mei 2026 met aanvullende producties van TinQ, - de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\nDeze zaak gaat over de beëindiging van de huurovereenkomst van een onbemand tankstation. TinQ stelt dat in juni 2019 de huurovereenkomst is doorgelopen voor een nieuwe 5-jaarsperiode. Volgens TinQ heeft [gedaagde] de huurovereenkomst op onrechtmatige wijze beëindigd en zij vordert in deze procedure een schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst niet op onrechtmatige wijze is beëindigd en wijst de vorderingen van TinQ af.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nTussen [gedaagde] als verhuurder en TinQ als huurder is een huurovereenkomst voor een verkooppunt van motorbrandstoffen gesloten op 14 juni 2009 (hierna: de huurovereenkomst). In de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:\n\n(..) Artikel 3 Huurtermijn\n\nDeze huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van 5 + 5 optiejaren, ingaande op de dag waarop de verkoop van TinQ-motorbrandstoffen in het verbouwde en heringerichte verkooppunt een aanvang zal hebben genomen, doch niet later dan 1 juli 2009. Indien huurder niet uiterlijk 12 maanden voor afloop van de huurperiode, per aangetekende brief, aan verhuurder heeft aangegeven dat hij van verlenging geen gebruik wilt maken, zal deze overeenkomst stilzwijgend worden verlengd met een zelfde periode en zo vervolgens van periode tot periode tegen de alsdan geldende marktconforme condities.(..)\n\n3.2. \n [gedaagde] heeft op 20 september 2016 een brief gestuurd aan TinQ waarin hij heeft aangekondigd dat de bedrijfsbestemming van het gehuurde perceel gewijzigd zou worden en aan TinQ de gelegenheid geboden om het gehele bedrijfsperceel te kopen.\n\n3.3. Per brief van 27 december 2018 heeft [gedaagde] aan TinQ medegedeeld de huurovereenkomst op te zeggen per 31 december 2019, waarbij in onderling overleg de mogelijkheid voor verlenging van telkens twee jaar zou bestaan.\n\n3.4. Op 26 juni 2019 heeft [gedaagde] per brief aan TinQ gevraagd of zij gebruik wenste te maken van het voorkeursrecht van koop. Vervolgens heeft [gedaagde] per brief van 5 juli 2019 medegedeeld dat dit de verkoop van het gehele bedrijf inclusief de bedrijfswoning zou betreffen.\n\n3.5. \n\nOp 20 augustus 2019 heeft [gedaagde] een brief gestuurd aan TinQ. Hierin staat, voor zover van belang:\n\n(..)” Op 20-09-2016 hebben wij Tinq B.V. een schrijven gestuurd, waarin wij gevraagd hebben of Tinq gebruik wenste te maken van het voorkeursrecht van koop van ons perceel\u002Fbedrijf en het verzoek ons binnen 30 dagen te antwoorden.\n\nWij hebben hierop geen antwoord c.q. reactie van Tinq ontvangen.(..)\n\nDit is ook met de heer [naam 1] besproken tijdens zijn laatste bezoek aan ons, ca. 4 weken geleden, waarin hij heeft aangegeven, dat Tinq Nederland B.V. niet geïnteresseerd is in de aankoop van het totale bedrijf\u002Fperceel. Mede door deze uitspraak en het niet tijdig schriftelijk reageren binnen de op ons verzoek gestelde termijn, verklaren wij middels dit schrijven het voorkeursrecht van eerste koopa ls vervallen.\n\nVerder is er een geïnteresseerde, die mogelijk verder wil met het autobedrijf en tankstation. Dit hangt ook samen met de huuropbrengst voor een 10-jarig kontract, ingaande 01 januari 2020. Dit is eveneens in het gesprek met de heer [naam 1] aan de orde geweest. Wij zouden hiervoor graag vrijblijvend een antwoord van u ontvangen.(..)\n\n3.6. Per brief van 27 december 2019 heeft [gedaagde] aan TinQ een nieuwe huurovereenkomst toegestuurd, welke zou ingaan op 1 januari 2020 met een looptijd van twee jaar (dus tot en met31 december 2021).\n\n3.7. \n\nOp 4 december 2020 heeft TinQ een brief van [gedaagde] ontvangen. Hierin staat voor zover van belang, het navolgende:\n\n“Middels dit schrijven, welke wij u aangetekend toesturen, delen wij u mede dat de huurovereenkomst beëindigt wordt per 31-12-2021, conform huurovereenkomst, welke wij u op 27-12-2019 hebben toegestuurd. (..)\n\n3.8. \n\n [gedaagde] heeft op 17 december 2021 een brief gestuurd aan TinQ. Hierin laat hij weten:\n\n(..)Hiermede refereren wij aan ons schrijven d.d. 04 december 2020, waarin wij u nogmaals berichten, dat de huurovereenkomst voor het tankstation [adres] te [vestigingsplaats 2] per 31-12-2021 beëindigt wordt wegens verkoop van ons bedrijf conform de huurovereenkomst d.d. 01-01-2020, opgesteld door [bedrijf] , welke u aangetekend toegestuurd is.\n\nWij hebben dit ook in een persoonlijk gesprek met u doorgenomen.\n\nNaar nu blijkt, laat een deel van de vergunningen, welke door de koper zijn aangevraagd bij de gemeente, langer op zich wachten dan verwacht.\n\nHet tankstation zou hierdoor in ieder geval nog t\u002Fm eind juni 2022 operationeel kunnen zijn.\n\nIndien u hiervan gebruik zou willen maken, verzoeken wij u ons dit binnen 10 dagen schriftelijk te laten weten. (..)\n\n3.9. Op 24 mei 2022 heeft [gedaagde] per brief aan TinQ laten weten dat er een mogelijkheid is om de verkoop van brandstoffen tot 1 november 2022 te continueren via TinQ te [vestigingsplaats 2] .\n\n3.10. \n\nOp 3 juni 2022 heeft [gedaagde] wederom een brief aan TinQ gestuurd. Hierin staat, voor zover van belang, het volgende:\n\n(..)Naar aanleiding van onze brief van 24 mei 2022, mochten wij geen tegenbericht hierop van u ontvangen.\n\nWij gaan er derhalve van uit dat u akkoord gaat met de inhoud van de brief, betreffende het feit dat de verkoop van TinQ brandstoffen doorgang zal vinden t\u002Fm oktober 2022.\n\n3.11. \n\nPer brief van 6 maart 2023 heeft [gedaagde] aan TinQ het volgende bericht:\n\n(..)Thans zijn de benodigde vergunningen door de Gemeente [vestigingsplaats 1] afgegeven voor afbraak van het pand.\n\nDit houdt in dat wij het panden het grondstuk schoon moeten opleveren.\n\nZoals mondeling met u besproken op 20 december 2022 bij ons aan het bedrijf, heeft u ons gevraagd dit tijdig mede te delen, i.v.m. met het leeg halen van de brandstoftanks.\n\nDit moet plaats vinden einde week 26, zie bijlage.\n\nWij danken u voor de prettige samenwerking de afgelopen jaren.(..)\n\n3.12. TinQ heeft niet schriftelijk gereageerd op de hierboven genoemde brieven van [gedaagde] .\n\n3.13. Op 26 juli 2023 is [gedaagde] overgegaan tot afsluiting van de elektriciteit in het gehuurde. TinQ is met ingang van juni 2023 opgehouden met het betalen van huur.\n\n3.14. Per brief van 21 augustus 2023 heeft TinQ [gedaagde] gesommeerd om de elektriciteitsvoorziening per direct te herstellen. Verder heeft TinQ medegedeeld dat de huurovereenkomst nog van kracht was en dat zij niet heeft ingestemd met een eerdere beëindigingc.q. opzegging. Ten slotte heeft TinQ [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door TinQ gestelde schade.\n\n3.15. Op 11 december 2023 heeft [gedaagde] TinQ schriftelijk gewezen op het ledigen van de brandstoftanks en TinQ gewaarschuwd om de overige zaken waaraan TinQ belang hecht weg te halen in verband met de sloopwerkzaamheden.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. \n\nTinQ vordert – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis over te gaan tot betaling van een bedrag van € 637.587,96;\n\nII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.\n\n4.2. TinQ legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst na 19 juni 2019 dan wel 30 juni 2019 met vijf jaar is verlengd. Zij stelt dat [gedaagde] de schade moet vergoeden die zij lijdt als gevolg van de onregelmatige opzegging.\n\n4.3. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van TinQ dan wel tot afwijzing van de vorderingen van TinQ, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van TinQ in de kosten van deze procedure.\n\n4.4. \n [gedaagde] betwist dat sprake is van een onrechtmatige opzegging van de huur. In dat verband voert [gedaagde] aan dat TinQ door haar (feitelijke) gedragingen zelf heeft ingestemd met het einde van de huur.\n\n4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nKwalificatie\n\n5.1. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2026 het gehuurde niet kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 7:230a BW of artikel 7:290 BW. Dit betekent dat de huurder geen huurbescherming geniet en het eindigen van de huurovereenkomst wordt beheerst door artikel 7:228 BW.\n\nWat is er afgesproken?\n\n5.2. Vervolgens is de vraag wat partijen hebben afgesproken. Tussen partijen is niet in geschil dat zij in juni 2009 een schriftelijke huurovereenkomst hebben gesloten voor een periode van 5 jaar + 5 optiejaren. Verder is niet in geschil dat deze huurovereenkomst tenminste één keer (in 2014) stilzwijgend is verlengd. TinQ stelt dat in 2019 opnieuw sprake was van stilzwijgende verlenging, maar dit gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op.\n\n5.3. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW), waarbij de wijze van aanbod en de aanvaarding vormvrij is. Een aanvaarding kan daarom ook in één of meer gedragingen besloten liggen (artikel 3:37 lid 1 BW). Een akkoord met een handtekening is dus niet noodzakelijk.\n\n5.4. In deze zaak staat vast dat [gedaagde] al in 2016 aan TinQ heeft medegedeeld dat het bestemmingsplan van het gehuurde perceel (door de gemeente) gewijzigd zou worden en bij die gelegenheid is aan TinQ, in het kader van het geldende voorkeursrecht, het gehele bedrijfsperceel te koop aangeboden. Als verhuurder heeft [gedaagde] TinQ daarmee tijdig geïnformeerd over de voorgenomen wijziging, waarbij TinQ geen tegenbericht heeft gegeven. Uit niets blijkt dat TinQ heeft geprotesteerd. Ook in 2019 heeft [gedaagde] meerdere brieven gestuurd aan TinQ waaruit volgt dat TinQ en haar medewerker [naam 1] op de hoogte waren van de aanstaande veranderingen die tot beëindiging van het bedrijf zouden gaan leiden. In deze omstandigheden had TinQ tijdig haar standpunt kenbaar moeten maken en gemotiveerd moeten reageren op de mededeling van [gedaagde] , althans kenbaar moeten maken dat zij uitging van een huurovereenkomst tot 2024. Dit is niet gebeurd. De door TinQ middels productie 36 ingebrachte verklaring van de heer [naam 2] leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaring volgt enkel dat [naam 2] eind 2022 [gedaagde] heeft bezocht en dat hij kennelijk niet heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst.\n\n5.5. Verder is van belang dat [gedaagde] ook daarna in 2020, 2021, 2022 en 2023 brieven heeft gestuurd waarin hij TinQ heeft geïnformeerd over de voorgenomen verkoop van zijn bedrijf, de vergunningen en de gevolgen voor het tankstation. Op geen enkel moment heeft TinQ geprotesteerd tegen deze gang van zaken. Ten slotte heeft [gedaagde] op 6 maart 2023 aan TinQ medegedeeld dat de vergunningen zijn afgegeven en dat het pand schoon moet worden opgeleverd. Verder refereert [gedaagde] in deze brief aan een gesprek met TinQ op 20 december 2022 waarin TinQ heeft gevraagd om dit tijdig mede te delen i.v.m. het leeg halen van de brandstoftanks. TinQ heeft deze gang van zaken onvoldoende gemotiveerd weersproken. TinQ is in juni 2023 ook opgehouden met het betalen van de huur. De kantonrechter concludeert op grond van het voorgaande dat TinQ door deze gedragingen stilzwijgend heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst. Zonder nadere toelichting van TinQ valt dit niet te rijmen met het voor het eerst in haar brief van 21 augustus 2023 ingenomen standpunt dat de huuropzegging onrechtmatig is. De stelling van [gedaagde] is aannemelijk en komt overeen met de wijze waarop partijen vanaf 2016 zijn omgegaan met de situatie. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat partijen vanaf 2019 hun huurovereenkomst hebben voortgezet in de wetenschap dat deze op enig moment zou eindigen, hoewel geen concrete einddatum is vastgesteld. Dat er door [gedaagde] een concept huurovereenkomst is opgesteld met als einddatum 31 december 2021 maakt dit niet anders.\n\nConclusie\n\n5.6. Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van TinQ afgewezen.\n\nProceskosten\n\n5.7. TinQ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n2.882,00\n\n(2 punten × € 1.441,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n3.026,00\n\n5.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. wijst de vorderingen van TinQ af,\n\n6.2. veroordeelt TinQ in de proceskosten van € 3.026,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TinQ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3. veroordeelt TinQ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3797","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.360Z",{"id":176,"ecli":177,"slug":178,"caseNumber":44,"courtId":179,"decisionDate":180,"fullText":181,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":182,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":183},"1090","ECLI:NL:RBDHA:2026:18518","ecli-nl-rbdha-2026-18518",58,"2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F699338 \u002F HA ZA 26-156\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 16 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\nZORGBOODSCHAP B.V.te Sassenheim,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in voorwaardelijke reconventie,\n\nhierna: Zorgboodschap,\n\nadvocaat: mr. M. Teekens,\n\ntegen\n\nEETGEMAK B.V.te Katwijk,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiseres in voorwaardelijke reconventie,\n\nhierna: Eetgemak,\n\nadvocaten: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté en mr. T. Minovic.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 16 december 2025, met producties 1 tot en met 22;\n\nde conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 1 tot en met 3;\n\nde conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met producties 23 t\u002Fm 32;\n\nhet tussenvonnis van 29 april 2026, waarin een mondelinge behandeling is bevolen.\n\n1.2.. Op 16 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen:\n\nde heer [naam 1] (gevolmachtigde) namens Zorgboodschap, bijgestaan door mr. Teekens voornoemd en mr. D.I. Klein Hesseling;\n\nde heren [naam 2] (bestuurder), [naam 3] (commissaris) en [naam 4] (oud-CEO) namens Eetgemak, bijgestaan door mr. I.M. Brafine en mr. D.H. Tilanus (waarnemend voor de advocaten voornoemd).\n\n1.3.. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling, mede aan de hand van de overgelegde pleitnota’s, hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank, na een schorsing, in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan op grond van artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het ter zitting verhandelde.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. \n\nPartijen werken sinds langere tijd met elkaar samen. Deze samenwerking houdt, in de kern genomen, in dat Eetgemak maaltijden of maaltijdcomponenten produceert en levert aan Zorgboodschap en dat Zorgboodschap deze distribueert aan haar eindklanten (zorginstellingen). Zorgboodschap treedt daarbij op als contracthouder met de eindklant. Een uitzondering vormt de samenwerking met Florence, in die zin dat Eetgemak met Florence wel een rechtstreekse contractuele relatie heeft en maaltijden rechtstreeks produceert voor Florence. Voorheen verzorgde Zorgboodschap in opdracht van Eetgemak in dit kader wel nog diverse diensten, zoals de orderverwerking, logistiek en facturering. Medio 2025 heeft Eetgemak aan Zorgboodschap echter laten weten dat zij per\n\n29 september 2025 overgaat tot directe levering aan Florence, dus zonder verdere afname van de diensten van Zorgboodschap. Ook heeft Eetgemak aan Zorgboodschap laten weten dat zij overgaat tot een productiestop aan een aantal klanten. Zorgboodschap heeft tegen deze wijzigingen in de samenwerking bezwaar gemaakt. Nadat overleg tussen partijen niet tot een oplossing heeft geleid, heeft Zorgboodschap Eetgemak eind september 2025 aansprakelijk gesteld voor haar schade op grond van (opzettelijk) toerekenbaar tekortschieten en daaruit voortvloeiend onrechtmatig handelen. In deze procedure is in dit verband een verklaring voor recht gevraagd met verwijzing naar de schadestaatprocedure.\n\n2.2.. Vast staat dat tussen partijen geen mondelinge of schriftelijke samenwerkingsovereenkomst bestaat waarin de verplichtingen van partijen over en weer zijn vastgelegd. Ook staat vast dat de samenwerking tussen partijen niet exclusief is. Partijen hebben hierover op enig moment wel gesproken, maar deze gesprekken hebben niet tot een overeenkomst geleid. De samenwerking tussen partijen heeft dus een flexibel karakter en tussen partijen gelden alleen de ‘day-to-day’ afspraken.\n\n2.3.. Tussen partijen is in geschil of hun samenwerkingsrelatie kwalificeert als een duurovereenkomst. Het antwoord op deze vraag kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Ook als ervan wordt uitgegaan dat sprake is van een duurovereenkomst, gaat het om de vraag wat er tussen partijen is afgesproken. Dat er gedurende een bepaalde termijn door Eetgemak zou worden geleverd en\u002Fof dat er een volumeafspraak is gemaakt, is door Eetgemak betwist en in het licht daarvan onvoldoende door Zorgboodschap onderbouwd. Dit betekent dat, ook als sprake zou zijn van een duuroverkomst, die overeenkomst volgens vaste rechtspraak kan worden opgezegd. Dat is hier ook gebeurd. Het feit dat dit slechts een gedeeltelijke opzegging betrof maakt dit niet anders. Een overeenkomst kan namelijk ook gedeeltelijk worden beëindigd. Of de overeenkomst tussen partijen al dan niet moet worden aangemerkt als een aannemingsovereenkomst maakt daarbij niet uit. Ook als sprake zou zijn van aanneming van werk, volgt uit die overeenkomst niet dat partijen hebben afgesproken dat een bepaald volume zou worden geleverd. Ook dan geldt dat tussen partijen slechts is geregeld dat door Eetgemak van tijd tot tijd maaltijden zouden worden geleverd en dat niet is gebleken dat er verdere afspraken tussen partijen gelden.\n\n2.4.. Zoals gezegd kan een duurovereenkomst worden opgezegd. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat, zoals hier ook is gevorderd, een schadevergoeding moet worden betaald. Zorgboodschap heeft in dit geval echter onvoldoende onderbouwd dat er aanleiding is voor het voldoen van een schadevergoeding door Eetgemak. Voor de stelling van Zorgboodschap dat er tussen partijen ‘back-to-back’ afspraken zijn gemaakt op grond waarvan voor Eetgemak wel een leveringsverplichting of volumeafspraak gold voor de duur van de verplichtingen van Zorgboodschap richting haar eindklanten, zijn in het dossier onvoldoende aanknopingspunten te vinden en Eetgemak heeft dit betwist, zodat van dergelijke afspraken niet kan worden uitgegaan. Dit betekent dat Eetgemak, voor zover er sprake is van een duurovereenkomst, de samenwerking (tussentijds) heeft mogen opzeggen zonder daarbij schadeplichtig te zijn.\n\n2.5.. In het voorgaande is er veronderstellenderwijs van uitgegaan dat er een duurovereenkomst tussen partijen bestaat. Als van een dergelijke overeenkomst geen sprake zou zijn, mocht Eetgemak de samenwerking (gedeeltelijk) sowieso eenzijdig beëindigen.\n\n2.6.. Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen sprake is van een tekortkoming onder een (duur)overeenkomst, aangezien die overeenkomst rechtmatig is beëindigd.\n\n2.7.. Zorgboodschap heeft zich ook beroepen op zorgvuldigheidsverplichtingen die in het kader van de bestendige samenwerkingsrelatie op Eetgemak zouden rusten. Onduidelijk is echter op welke concrete verplichtingen Zorgboodschap hiermee doelt, buiten de eisen van redelijkheid en billijkheid die hiervoor al zijn meegenomen. Dat daarnaast nog een andere zorgvuldigheidsverplichting voor Eetgemak geldt, is door Eetgemak betwist en onvoldoende door Zorgboodschap onderbouwd. Er kan dus ook geen tekortkoming onder een zorgverplichting worden aangenomen.\n\n2.8.. Omdat Eetgemak niet is tekortgeschoten, is ook geen sprake van een onrechtmatige daad. Voor zover Zorgboodschap heeft betoogd dat ook buiten het gestelde toerekenbaar tekortschieten sprake is van een onrechtmatige daad is dat betoog onvoldoende onderbouwd. Hierbij overweegt de rechtbank dat Zorgboodschap haar stelling dat Eetgemak de samenwerking niet (gedeeltelijk) had mogen beëindigen onvoldoende handen en voeten heeft gegeven. Daarbij speelt mee dat partijen bewust geen exclusiviteit hebben afgesproken. Dat Zorgboodschap onder deze omstandigheden niet kon verwachten dat Eetgemak tot beëindiging zou overgaan is onvoldoende toegelicht.\n\n2.9.. Met betrekking tot Florence geldt dat het bestaan van de door Zorgboodschap gestelde compensatieafspraak (in die zin dat Zorgboodschap hoe dan ook aanspraak kon maken op 25% van de door Eetgemak behaalde omzet) door Eetgemak gemotiveerd is betwist. Volgens haar betrof deze vergoeding slechts een vergoeding voor de door Zorgboodschap in het kader van de relatie met Florence geleverde diensten. In het licht van deze betwisting heeft Zorgboodschap onvoldoende onderbouwd dat Eetgemak op andere wijze, dus los van de geleverde diensten, nog een vergoeding aan haar verschuldigd is. Nu de diensten die in dit kader van Zorgboodschap werden afgenomen zijn gestopt, is Eetgemak niet langer gehouden de voorheen voor die diensten afgesproken vergoeding aan Zorgboodschap te betalen. Dat de compensatievergoeding een andere regeling inhield, is de rechtbank niet duidelijk geworden.\n\n2.10.. De slotsom is dat alle vorderingen in conventie worden afgewezen. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de vordering in reconventie. Die vordering is namelijk ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank tot toewijzing van de vorderingen in conventie zou komen.\n\n2.11.. Zorgboodschap is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Eetgemak worden begroot op een bedrag van € 2.209 (€ 714 aan griffierecht en € 1.306 (2 punten x € 653) aan salaris advocaat en € 189 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n2.12.. Aangezien de rechtbank niet toekomt aan de reconventie, is er geen aanleiding om een proceskostenveroordeling in reconventie uit te spreken.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. wijst de vorderingen van Zorgboodschap af;\n\n3.2.. veroordeelt Zorgboodschap in de proceskosten van € 2.209, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als Zorgboodschap niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n3.3.. veroordeelt Zorgboodschap tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n3.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze mondelinge uitspraak is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 29 juni 2026.\n\nWAARVAN PROCES-VERBAAL","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18518","2026-07-13T00:29:03.507Z",{"id":185,"ecli":186,"slug":187,"caseNumber":44,"courtId":179,"decisionDate":188,"fullText":189,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":190,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":191},"959","ECLI:NL:CBB:2026:308","ecli-nl-cbb-2026-308","2026-06-15T00:00:00.000Z","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F526\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam 1] , te [woonplaats]\n\nen\n\nde Kamer van Koophandel (KvK), vertegenwoordigd door mr. J.P.M. van der Ende\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart zich onbevoegd;\n\ndraagt de griffier op om het griffierecht tot een bedrag van € 194,- aan [naam 1] terug te betalen.\n\nOverwegingen\n\n1. [naam 1] heeft aan de KvK gevraagd om ambtshalve over te gaan tot ontbinding van [naam 2] , maar hij is daarbij als schuldeiser geen belanghebbende. Zoals op de zitting is besproken, is artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek tot stand gekomen om misbruik van lege vennootschappen tegen te gaan en het handelsregister op te schonen. Dat zijn geen belangen die [naam 1] specifiek raken. De bepaling is niet opgenomen, zodat schuldeisers een verzoek tot ontbinding kunnen doen om via die weg vereffening af te dwingen en mogelijk alsnog betaald worden.\n\n2 Sterker nog, de wetsgeschiedenis maakt er juist melding van dat schuldeisers niet de gelegenheid krijgen om op te komen tegen een voornemen tot ontbinding, omdat zij in de vereffeningsfase positie kunnen innemen.Dat betekent dat [naam 1] geen rechtstreeks belang heeft bij deze procedure. Hij is daarom geen belanghebbende die een verzoek heeft gedaan als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om die reden zijn de brieven van de KvK hierover geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld.\n\n3 Dit leidt tot de conclusie dat het College niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Kamerstukken II 1991\u002F92, 22 482, nr. 3, blz. 6.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:308","2026-07-13T00:28:56.602Z",{"id":193,"ecli":194,"slug":195,"caseNumber":44,"courtId":196,"decisionDate":197,"fullText":198,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":199,"sourceTimestamp":200,"parsedAt":52,"updatedAt":201},"1909","ECLI:NL:RBMNE:2026:3567","ecli-nl-rbmne-2026-3567",79,"2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 12081065 \\ MC EXPL 26-570\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V.,\n\ngevestigd te [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: mr. J.J.L. Boudewijn en mr. R.G. Matti (Van der Hoeden | Mulder gerechtsdeurwaarders en juristen),\n\ntegen\n\n [gedaagde] ,handelend onder de naam [handelsnaam],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 29 januari 2026; - de conclusie van antwoord.\n\n1.2. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Namens [eiseres] is verschenen mr. R.G. Matti. [gedaagde] is in persoon verschenen.\n\nPartijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\nDe griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.\n\n1.3. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [gedaagde] huurt van [eiseres] de bedrijfsruimte aan de [adres] , unit [unit] , te [plaats 2] (hierna: het gehuurde). [gedaagde] heeft een huurachterstand, die een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. De kantonrechter ziet echter aanleiding om een terme de graçete verlenen: als [gedaagde] de onder de beslissing genoemde bedragen binnen twee weken volledig betaald, zal de huurovereenkomst in stand blijven en hoeft zij het gehuurde niet te ontruimen.\n\n3. De beoordeling\n\nHuurachterstand\n\n3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een substantiële huurachterstand. Ten tijde van de dagvaarding bedroeg de huurachterstand € 6.920,50 (berekend tot en met januari 2026). Dit is een huurachterstand van circa zes maanden (gelet op de huurprijs van € 1.840,20 per maand).\n\n3.2. \n\nOp de mondelinge behandeling heeft [eiseres] een nadere specificatie overgelegd. Hieruit blijkt dat de huurachterstand alleen maar verder is opgelopen tot maar liefst tien maanden (€ 11.657,30 berekend tot en met 1 mei 2026). Aangezien [gedaagde] dit niet heeft betwist, is de gevorderde huurachterstand toewijsbaar.\n\nOok de wettelijke rente, die alleen is gevorderd over de huurachterstand tot en met januari 2026 vanaf datum dagvaarding, is toewijsbaar.\n\nOntbinding en ontruiming\n\n3.3. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van haar (betalings)verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Een huurachterstand van drie maanden rechtvaardigt in beginsel namelijk al de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangegeven dat zij “100% zeker weten” over twee weken de huurachterstand met boete, rente en kosten kan betalen. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om gebruik te maken van de wettelijke bevoegdheid om [gedaagde] nog een termijn toe te staan om deze bedragen aan [eiseres] te voldoen (een zogenoemde terme de grâceals bedoeld in artikel 7:280 BW). Deze termijn zal worden bepaald op twee weken na dit vonnis. Dat betekent dat de ontbinding en de ontruiming worden uitgesproken onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen voornoemde termijn de bedragen zoals onder de beslissing genoemd heeft betaald. Als zij wel op tijd en volledig betaalt, dan sorteren de ontbinding en de veroordeling tot ontruiming geen effect.\n\n3.4. Als [gedaagde] de genoemde bedragen niet betaald binnen de gestelde termijn, zal de huurovereenkomst eindigen. In dat geval moet zij vanaf dat moment geen huur maar een gebruiksvergoeding van € 1.184,20 per maand betalen tot en met de dag waarop zij het gehuurde daadwerkelijk heeft verlaten. [gedaagde] moet het gehuurde dan ook ontruimen. [gedaagde] krijgt hiervoor dan 14 dagen de tijd. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan haar door de deurwaarder is bezorgd (en de genoemde termijn van twee weken is verstreken).\n\nSchadevergoeding\n\n3.5. \n [eiseres] vordert verder een voorschot op de schadevergoeding gelijk aan drie huurtermijnen, zijnde € 3.522,60.\n\n3.6. Ingeval van ontbinding kan [eiseres] in beginsel aanspraak maken op een bedrag gelijk aan de huurprijs over de periode vanaf de datum ontbinding van de huurovereenkomst tot en met de datum waarop de huurovereenkomst normaal gesproken zou zijn geëindigd. Als de huurovereenkomst had voortgeduurd, had [eiseres] in deze periode namelijk huurinkomsten ontvangen van [gedaagde] . [eiseres] is wel verplicht om haar schade te beperken en dus waar mogelijk het gehuurde te verhuren aan een ander. Op dit moment is het nog onzeker of de voorwaardelijke ontbinding effect sorteert en is het onduidelijk of [eiseres] dan haar schade kan beperken door verhuur aan een ander.3.7. De kantonrechter schat in dat de kans klein is dat [eiseres] in staat zal zijn om binnen drie maanden na de daadwerkelijke ontruiming inkomsten te verkrijgen door verhuur aan een ander. Daarom zal het gevorderde bedrag aan voorschot op de schadevergoeding worden toegewezen. Voor het geval [eiseres] het gehuurde binnen die drie maanden tegen betaling toch kan verhuren aan een ander bepaalt de kantonrechter dat de inkomsten die [eiseres] hierdoor verkrijgt, van de toe te wijzen schadevergoeding moeten worden afgetrokken.\n\nIncassokosten en boete\n\n3.8. \n [eiseres] vordert verder een bedrag van € 706,52 aan buitengerechtelijke incassokosten die zowel op grond van de toepasselijke Algemene Bepalingen (AB) als op grond van de wet voor vergoeding in aanmerking komen. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en is daarom toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.\n\n3.9. Daarnaast vordert [eiseres] verbeurde contractuele boetes op grond van artikel 14.2 AB. Daarin is bepaald dat, als niet prompt op de vervaldag de huur is betaald, de huurder aan de verhuurder een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand verschuldigd is met een minimum van 250 gulden (omgerekend € 113,45 per maand). [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met betaling van zes huurtermijnen en daarom 6 x € 113,45 = € 680,70 verschuldigd is. De boetes zijn dan ook toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente hierover wordt echter afgewezen omdat die pas na schriftelijke aanmaning op de voet van 6:82 BW is verschuldigd.\n\nProceskosten\n\n3.10. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n559,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.578,67\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiseres] :\n\n€ 11.657,30 aan huurachterstand, berekend tot en met 1 mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.920,50 vanaf de dag van dagvaarding (29 januari 2026) tot de dag van volledige betaling;\n\n€ 706,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2026 tot de dag van betaling;\n\n€ 680,70 aan contractuele boetes;\n\nen bovendien, maar alléén voor het geval [gedaagde] de hierboven genoemde bedragen niet binnen twee weken na vandaag aan [eiseres] heeft betaald:\n\n4.2. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] unit [unit] te [plaats 2] met ingang van de dag na afloop van hiervoor genoemde termijn van twee weken;\n\n4.3. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagenna betekening van dit vonnis (en de hiervoor genoemde termijn van twee weken is verstreken) het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ;\n\n4.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van:\n\n€ 1.184,20 aan huur voor de maand juni 2026 ingeval die nog niet is betaald;\n\n€ 1.184,20 voor iedere maand vanaf juli 2026 tot de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;\n\n4.5. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.552,60 aan voorschot op de schadevergoeding gelijk aan de huur van drie kalendermaanden na de daadwerkelijke ontruiming, met dien verstande dat ingeval van voortijdige wederverhuur de ontvangen huurpenningen door [eiseres] in mindering moeten worden gebracht op deze schadevergoeding;\n\nen voorts in beide gevallen:\n\n4.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.578,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;4.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n4578","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3567","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.970Z",{"id":203,"ecli":204,"slug":205,"caseNumber":44,"courtId":108,"decisionDate":197,"fullText":206,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":207,"sourceTimestamp":188,"parsedAt":52,"updatedAt":208},"1216","ECLI:NL:RBROT:2026:6834","ecli-nl-rbrot-2026-6834","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F707012 \u002F HA ZA 25-825\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonend in [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\nadvocaat: mr. C. Havelaar-Langereis,\n\ntegen\n\n1. DWW HOLDING B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. J.A.Th. van den Berg,\n\n2. [gedaagde sub 2],\n\nwonend in [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. J.A.Th. van den Berg,\n\n3. [gedaagde sub 3],\n\nwonend in [woonplaats 3] , [land] ,\n\ngedaagde,\n\nniet verschenen.\n\nPartijen worden hierna [eiser] en DWW c.s. genoemd. DWW c.s. worden afzonderlijk DWW, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [eiser] heeft werkzaamheden verricht in opdracht van De Woningwachter. Een deel van zijn facturen is onbetaald gebleven. De Woningwachter is in staat van faillissement verklaard en biedt geen verhaal voor de vordering van [eiser] .\n\n1.2.. In deze procedure spreekt [eiser] de (middellijk) bestuurders van De Woningwachter aan op grond van schending van de Beklamel-norm. De hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijk is in dit geval niet behaald. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Dat geldt zowel voor de verschenen bestuurders (DWW en [gedaagde sub 2] ) als voor de niet verschenen bestuurder ( [gedaagde sub 3] ).\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaardingen van 4, 7 en 14 augustus 2025, met producties 1 tot en met 7;\n\nde conclusie van antwoord van DWW en [gedaagde sub 2] , met producties 1 en 2;\n\nde brief van 16 december 2025 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;\n\nhet bericht van 16 maart 2026 van de rechtbank, met een zittingsagenda waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;\n\nde akte overlegging aanvullende productie 8 van [eiser] ;\n\nde mondelinge behandeling van 24 april 2026 en de door [eiser] overgelegde spreekaantekeningen.\n\n2.2.. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een datum bepaald waarop er vonnis wordt gewezen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] is ondernemer. Hij heeft, handelend onder de naam [naam bedrijf] , van november 2019 tot maart 2020 aannemingswerkzaamheden verricht in opdracht van Projectmanagement & Adviesbureau Langer Zelfstandig Thuiswonen Rotterdam B.V. (voorheen genaamd De Woningwachter Ledenservices B.V. en hierna te noemen: De Woningwachter).\n\n3.2.. DWW is bestuurder van De Woningwachter. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn (via hun houdstervennootschappen) bestuurders van DWW.\n\n3.3.. De facturen van [eiser] zijn voor een deel onbetaald gebleven.\n\n3.4.. Op 7 april 2020 is De Woningwachter in staat van faillissement verklaard. [eiser] heeft een vordering ingediend in het faillissement. De curator heeft deze vordering voor een totaalbedrag van € 27.439,52 op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen geplaatst.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert (samengevat) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, DWW c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:\n\n€ 27.439,52, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;\n\n€ 1.049,39 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nde proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met de nakosten.\n\n4.2.. DWW en [gedaagde sub 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.\n\n4.3.. De relevante stellingen van partijen worden hierna verder besproken.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Voor aansprakelijkheid van bestuurders van een vennootschap geldt een hoge drempel. Die drempel is in dit geval niet behaald. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen, zowel tegen de verschenen gedaagden (DWW en [gedaagde sub 2] ) als tegen de niet verschenen gedaagde ( [gedaagde sub 3] ). De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.\n\nDe vorderingen tegen DWW en [gedaagde sub 2]\n\nHet verjaringsverweer slaagt niet\n\n5.2.. DWW en [gedaagde sub 2] doen een beroep op verjaring. Als dat beroep slaagt, stranden de vorderingen van [eiser] tegen DWW en [gedaagde sub 2] daar op. De rechtbank behandelt dit verweer daarom als eerste.\n\n5.3.. DWW en [gedaagde sub 2] voeren aan dat zij op 6 maart 2025 voor het eerst aansprakelijk zijn gesteld door [eiser] . Omdat op dat moment al meer dan vijf jaar was verstreken na het aangaan van de overeenkomsten tussen [eiser] en De Woningwachter, is volgens DWW en [gedaagde sub 2] een eventuele vordering van [eiser] op hen verjaard.\n\n5.4.. De rechtbank licht hierna toe waarom het verjaringsverweer niet slaagt.\n\n5.5.. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.\n\n5.6.. Anders van DWW en [gedaagde sub 2] betogen, is de verjaringstermijn niet gaan lopen op het moment dat de overeenkomsten tussen [eiser] en De Woningwachter werden gesloten. Op dat moment wist [eiser] immers nog niet dat De Woningwachter zijn facturen onbetaald zou laten en dat hij daarvoor de bestuurders van De Woningwachter zou (kunnen of moeten) aanspreken.\n\n5.7.. De rechtbank gaat ervan uit dat de verjaringstermijn in dit geval is gaan lopen op 20 maart 2020. Op die dag heeft [eiser] De Woningwachter, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in een deurwaardersexploot gesommeerd om de openstaande facturen te betalen. Daaruit volgt dat hij op dat moment bekend was met de schade en met de (door hem gestelde) aansprakelijkheid van de bestuurders van De Woningwachter voor die schade. Dat hij daarmee al eerder bekend was, is niet door DWW en [gedaagde sub 2] gesteld en ook niet gebleken.\n\n5.8.. Dat het exploot van 20 maart 2020 niet ook gericht is aan DWW, is niet relevant. [eiser] was op 20 maart 2020 bekend met de (mogelijke) aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als indirect bestuurders van De Woningwachter en kan daarom op dat moment ook bekend worden geacht met de (mogelijke) aansprakelijkheid van DWW als direct bestuurder.\n\n5.9.. De vanaf 20 maart 2020 lopende verjaringstermijn van vijf jaar is op 6 maart 2025 (en dus tijdig) gestuit door de aansprakelijkstellingen van DWW en [gedaagde sub 2] van die datum. DWW en [gedaagde sub 2] komt daarom geen beroep op verjaring toe.\n\nDe Beklamel-norm is niet geschonden\n\n5.10.. Partijen hebben op de zitting toegelicht dat het faillissement van De Woningwachter zal worden opgeheven wegens een gebrek aan baten. Dat betekent dat de vordering van [eiser] op De Woningwachter onbetaald blijft.\n\n5.11.. Uitgangspunt is dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook aanleiding bestaan voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap. Voor het aannemen van deze aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder van de benadeling persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen gelden dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Het is daarbij aan de benadeelde crediteur om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de betreffende bestuurder persoonlijk ten opzichte van hem onrechtmatig heeft gehandeld.\n\n5.12.. Van een persoonlijk ernstig verwijt is in beginsel sprake indien, voor zover in deze zaak relevant, de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade. Met andere woorden, de bestuurder is in beginsel aansprakelijk als hij tegen beter weten in verbintenissen aangaat namens de vennootschap.\n\n5.13.. Volgens [eiser] kan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt aan de bestuurders van De Woningwachter, omdat zij in de gegeven omstandigheden geen verplichtingen tegenover hem hadden mogen aangaan. [eiser] voert daartoe het volgende aan.\n\n5.13.1.. Het is tweemaal mislukt om externe financiering voor De Woningwachter te verkrijgen. Begin 2019 werd een grote investering gedaan in softwareontwikkeling, vooruitlopend op een verwachte investering van een derde partij. Deze investeerder trok zich in april 2019 echter terug. Het bestuur probeerde vervolgens zonder succes een nieuwe financier aan te trekken. Eind 2019 werd exclusiviteit overeengekomen met een tweede investeerder, maar die trok zich in maart 2020 ook terug.\n\n5.13.2.. Het bestuur bleef desondanks verplichtingen aangaan. Na het afhaken van de eerste investeerder in april 2019 had het bestuur zich moeten realiseren dat de financiële positie van De Woningwachter precair was. Het voortzetten van de bedrijfsvoering en het aangaan van nieuwe verplichtingen zonder zekere dekking, terwijl de vennootschap afhankelijk was van een tweede investeerder, bracht een verhoogde zorgplicht mee. Deze tweede investeerder was immers nog niet gecommitteerd en het risico op opnieuw afhaken was reëel. Het bestuur had in deze omstandigheden geen nieuwe verplichtingen mogen aangaan zonder voorafgaande zekerheidstelling van financiering. Dat geldt temeer als, zoals hier vanaf eind 2019 aan de orde was, vertraagd en ad hoc-betalingsgedrag ontstaat. Daarnaast had het bestuur [eiser] moeten informeren over de afhankelijkheid van externe financiering en hadden de bedrijfsactiviteiten moeten worden beperkt tot wat financieel verantwoord was. Door dit na te laten hebben DWW en [gedaagde sub 2] willens en wetens het risico genomen dat schuldeisers onbetaald zouden blijven, aldus [eiser] .\n\n5.14.. DWW en [gedaagde sub 2] betwisten dat zij persoonlijk ernstig verwijtbaar hebben gehandeld. Zij voeren daartoe aan dat de problemen pas ontstonden toen op 13 maart 2020 de beoogde investeerder afhaakte. Eerder wisten zij niet en behoorden zij ook niet te weten dat De Woningwachter niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. De verplichtingen tegenover [eiser] zijn daarom verantwoord aangegaan, aldus DWW en [gedaagde sub 2] .\n\n5.15.. Uit de door [eiser] overgelegde debiteurenkaart blijkt dat zijn vordering is gebaseerd op onbetaald gebleven facturen die zijn gedateerd op 25 januari 2020, 1 februari 2020, 3 februari 2020, 4 februari 2020, 8 februari 2020, 11 februari 2020, 12 februari 2020, 16 februari 2020 en 29 februari 2020. De offertes die aan deze facturen ten grondslag liggen zijn uitgebracht in de periode tussen 2 januari 2020 en 11 februari 2020.\n\n5.16.. In deze procedure is relevant op welk moment DWW en [gedaagde sub 2] wisten of behoorden te begrijpen dat De Woningwachter haar verplichtingen niet meer kon nakomen. [eiser] heeft dat in de dagvaarding niet concreet onderbouwd. Op de zitting heeft hij desgevraagd toegelicht dat het peilmoment eind januari\u002Fbegin februari 2020 was.\n\n5.17.. Uit de debiteurenkaart kan niet worden afgeleid dat eind januari\u002Fbegin februari 2020 geen nieuwe verplichtingen namens De Woningwachter meer mochten worden aangegaan. Op 7 februari 2020 was de situatie bijvoorbeeld zo, dat twee facturen van [eiser] , die als vervaldatum 2 februari 2020 hadden, niet volledig waren betaald (er stonden bedragen van € 496,49 en € 1.143,35 open, die op 8 maart 2020 alsnog zijn voldaan). Een dag later, op 8 februari 2020, kwam daar een vervallen bedrag van € 1.820,00 bij. Dat is ook het eerste bedrag dat onbetaald is gebleven. Vervolgens zijn er, los van de hiervoor vermelde betalingen op 8 maart 2020, op 9 en 14 februari 2020 nog twee betalingen van € 4.000,00 gedaan, die in mindering strekten op facturen die vervielen op 14 en 17 februari 2020. Pas half\u002Feind februari 2020 liep de betalingsachterstand verder op. De opdrachten aan [eiser] waren op dat moment al (grotendeels) verstrekt. Op de zitting heeft [eiser] bevestigd dat hij de laatste opdracht medio of in de loop van februari 2020 kreeg.\n\n5.18.. Het enkele feit dat, toen nog opdrachten aan [eiser] werden verstrekt, niet al zijn facturen volledig waren voldaan binnen de vervaltermijn, rechtvaardigt geen aansprakelijkheid van DWW en [gedaagde sub 2] op grond van de Beklamel-norm. Dat geldt ook voor de door [eiser] aangevoerde omstandigheid dat eerder, in november 2019, al twee facturen te laat en in termijnen zijn voldaan. Daarmee is nog niet gezegd dat, toen De Woningwachter de onbetaald gebleven opdrachten aan [eiser] verstrekte, zij haar daaruit voortvloeiende verplichtingen niet meer kon nakomen en DWW en [gedaagde sub 2] dat wisten of behoorden te begrijpen.\n\n5.19.. Dat De Woningwachter al sinds begin 2019 op zoek was naar externe financiering, maakt het voorgaande niet anders. Het afhaken van een eerste investeerder in april 2019 is zonder nadere toelichting die ontbreekt niet relevant in het kader van de vraag of De Woningwachter eind januari\u002Fbegin februari 2020 nog opdrachten mocht verstrekken aan [eiser] .\n\n5.20.. Dat De Woningwachter begin 2020 opnieuw bezig was met het verkrijgen van externe financiering, betekent ook niet dat zij op dat moment geen nieuwe verplichtingen mocht aangaan. De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat DWW en [gedaagde sub 2] [eiser] (nader) hadden moeten informeren over de financiële stand van zaken bij De Woningwachter. Uit de door DWW en [gedaagde sub 2] overgelegde term sheetvan 15 januari 2020, waarin de voorwaarden van de voorgenomen investering zijn samengevat, blijkt dat deze investering een serieuze optie leek. Dat het aan de bestuurders van De Woningwachter zou zijn te wijten dat de investering niet is doorgegaan, is niet gesteld en ook niet gebleken. In de e-mail van de beoogde investeerder aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] van 13 maart 2020 staat het volgende:\n\n“Hierbij bevestig ik dat ik afzie van de investering van mij in jullie bedrijf.\n\nIk verwacht dat het bedrag waarmee ik in zou stappen onvoldoende is om het bedrijf op het level te krijgen waar ik deze zou willen krijgen met jullie\n\nDaarnaast verwacht ik dat de economische omstandigheden ivm Corona flink onzeker zullen zijn, misschien wel bovengemiddeld in jullie doelgroep”\n\n5.21.. \n [eiser] heeft verder nog aangevoerd dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in een gerelateerd faillissement (van DWW Wonen Nederland B.V.) door de curator zijn aangesproken in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurders, waarna een minnelijke regeling is getroffen. Voor de onderhavige procedure is dat echter niet relevant. Dat geldt ook voor de door [eiser] ingenomen (en door DWW en [gedaagde sub 2] betwiste) stelling dat de curator in het faillissement van De Woningwachter van oordeel was dat sprake was van onbehoorlijk bestuur, maar het niet in het belang van de boedel achtte om vervolgstappen te ondernemen. Deze stellingen kunnen geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of DWW en [gedaagde sub 2] in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurder aansprakelijk zijn tegenover een schuldeiser van De Woningwachter wegens schending van de Beklamel-norm.\n\n5.22.. Op de zitting heeft [eiser] toegelicht dat het faillissement van De Woningwachter nare gevolgen voor hem en zijn gezin heeft gehad. De rechtbank begrijpt heel goed dat het vervelend is dat [eiser] door het faillissement van De Woningwachter achterblijft met een onbetaalde vordering. Dat kan er echter niet aan afdoen dat de drempel voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap hoog is en dat die in dit geval niet is behaald.\n\nProceskosten\n\n5.23.. \n [eiser] krijgt geen gelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DWW en [gedaagde sub 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.995,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.672,00\n\n(2 punten × € 836,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.856,00\n\n5.24.. DWW en [gedaagde sub 2] maken aanspraak op de wettelijke rente over (alleen) de nakosten. Deze wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde sub 3]\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.25.. \n [gedaagde sub 3] woont in België. Daarom moet ambtshalve worden beoordeeld of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] en zo ja, welk recht toepasselijk is.\n\n5.26.. De internationale bevoegdheid van de rechtbank moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Verordening, die zowel materieel, formeel als temporeel van toepassing is. Tussen de vorderingen tegen iedere gedaagde bestaat een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Gelet daarop kunnen DWW en [gedaagde sub 2] de rol van ankergedaagden vervullen en is deze rechtbank op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Verordening ook bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] .\n\n5.27.. De vraag welk recht van toepassing is moet worden beantwoord aan de hand van de Rome II-Verordening, die materieel, formeel en temporeel van toepassing is. Omdat de gevorderde schade zich voordoet in Nederland, is op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening Nederlands recht van toepassing.\n\nVerstek\n\n5.28.. \n [gedaagde sub 3] is niet in de procedure verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Omdat door [eiser] , DWW en [gedaagde sub 2] verder is geprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 Rv één vonnis tussen alle partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.\n\n5.29.. In een geval waarin de rechtsbetrekking tussen partijen niet noopt tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing, strekt een door de verschenen gedaagden gevoerd en door de rechter aanvaard verweer niet mede ten gunste van de andere, niet verschenen gedaagde(n). Die situatie is hier aan de orde. Er is geen sprake van een ondeelbare rechtsverhouding. Op grond van artikel 139 Rv moet de rechtbank de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] daarom in beginsel toewijzen, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomen.\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde sub 3] komen ongegrond voor\n\n5.30.. De rechtbank is ook ten aanzien van [gedaagde sub 3] van oordeel dat de vordering onvoldoende onderbouwd is. In de dagvaarding is niet geconcretiseerd wanneer [gedaagde sub 3] wist of behoorde te begrijpen dat De Woningwachter haar verplichtingen niet meer kon nakomen en dus geen nieuwe verplichtingen meer mocht aangaan namens De Woningwachter. Daarmee is onvoldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagde sub 3] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid geldt ook als tegen de betreffende bestuurder verstek is verleend. Ook voor zover het de positie van [gedaagde sub 3] betreft is die drempel in dit geval niet behaald.\n\nProceskosten\n\n5.31.. \n [eiser] moet als de partij die geen gelijk krijgt ook in de zaak tegen [gedaagde sub 3] de proceskosten betalen. Omdat [gedaagde sub 3] niet in de procedure is verschenen en dus geen proceskosten heeft gemaakt, kan een veroordeling in dit kader achterwege blijven.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van DWW en [gedaagde sub 2] van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. 1977\u002F1918\n\n Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012\n\n Verordening (EG) nr. 864\u002F2007\n\n Hoge Raad 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6834","2026-07-13T00:29:10.488Z",34,20,[11,212,213],2025,2024]