[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-criminal-law-nl-2023":3},{"detail":4,"years":126},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":31,"page":14,"limit":125},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",2023,[13,16,17,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,2,{"month":15,"count":15},{"month":18,"count":19},3,0,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":19},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":19},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":19},10,{"month":35,"count":19},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,62,72,81,91,101,109,117],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1170","ECLI:NL:GHDHA:2023:2570","ecli-nl-ghdha-2023-2570","",58,"2023-12-20T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-001647-22\n\nParketnummer: 71-148283-21\n\nDatum uitspraak: 20 december 2023\n\nTEGENSPRAAKGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,\n\nthans gedetineerd in P.I. Zwolle Zuid 2 te Zwolle.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep. Daarnaast is de maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgelegd.\n\nNamens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippen in de periode van 29 september 2013 tot en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en) in Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nheeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (JaN) (later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en\u002Fof heeft\u002Fhebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 1S7 Wetboek van Strafrecht),(te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de categorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie)\n\n 2.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en) in Nederland en\u002Fof België en\u002Fof Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens met het oogmerk om ter voorbereiding en\u002Fof ter bevordering van de\u002Fhet (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft,(te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)\n\n- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en\u002Fof\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf\n\nimmers heeft\u002Fhebben zij, verdachte, en\u002Fof haar mededader(s)\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (verder JaN) (later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) aan voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep(en), althans (een)organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan, eigen gemaakt en\u002Fof\n\nB. zich laten informeren over het afreizen naar en\u002Fof verblijven in het strijdgebied in Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof\n\nC. met [medeverdachte] de reis naar Syrië gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie (zoals JaN en IS(IS\u002FIL), althans een hieraan gelieerde strijdgroep) gecontroleerd gebied en\u002Fof\n\nD. zich samen met [medeverdachte] gevoegd bij een of meer mededader(s) en\u002Fof JaN en IS(IS\u002FIL) strijder(s), althans (telkens) perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\n(gedurende enige tijd) in het (strijd)gebied in Syrië verbleven en\u002Fof is zij, verdachte (op Islamitische wijze) een huwelijk aangegaan met [medeverdachte] en\u002Fof\n\neen gezamenlijk huishouden gevoerd met [medeverdachte] die als JaN en IS(IS\u002FIL) strijder (eveneens) deelnam aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en\u002Fof\n\nE. met één of meer mededader(s) in Syrië deelgenomen aan ideologische en\u002Fof (gevechts)trainingen en\u002Fof trainingskampen en\u002Fof opleidingen bij (een) Jihadistische strijdgroep(en) en deelgenomen en\u002Fof bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie JaN en IS, althans (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\nF. zich (middels internet\u002Fsocial mediakana(al(en)\u002Fmediaplatform(s)) geuit en\u002Fof met (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat\u002Fgecommuniceerd en\u002Fof berichten en\u002Fof afbeeldingen geplaatst en\u002Fof gedeeld, met betrekking tot en\u002Fof inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en\u002Fof (pro)IS-gerelateerde content;\n\nG. in Syrië (vuur)wapens gebruikt en\u002Fof gedragen en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof\n\nH. zich gevoegd \u002Faangesloten bij en\u002Fof deelgenomen aan de Khatiba Nusaybah (een vrouwenstrijdgroep\u002F-baltaljon binnen IS) en\u002Fof (daarbij) een of meer andere perso(o)n(en) fysieke training en\u002Fof onderricht gegeven, althans een of meer handelingen verricht voor en\u002Fof ten behoeve van die Khatiba Nusaybah;\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;\n\nwelke gedragingen en\u002Fof voorwerp(en) en\u002Fof informatie al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het in vereniging en\u002Fof alleen begaan van dat\u002Fdie misdrijf\u002Fmisdrijven.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde onderdeel E zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (periode beperkt tot 1 september 2017) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.\n\nMocht het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan vordert de advocaat-generaal daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden overeenkomstig het reclasseringsadvies van 10 november 2023, behoudens de hierna te noemen uitzondering, en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde van het contactverbod vordert de advocaat-generaal deze op te leggen zonder de in het reclasseringsadvies geadviseerde mogelijkheid dat de verdachte met toestemming van de reclassering in contact mag treden met (een van) de bij het contactverbod genoemde personen.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nInleiding\n\nDe verdachte is op 29 september 2013 met haar (latere) echtgenoot [medeverdachte] (hierna ook: [medeverdachte]) uitgereisd naar Syrië. Zij hebben in de jaren erna in Syrië op verschillende plekken verbleven.\n\n[medeverdachte] heeft zich in Syrië aangesloten bij achtereenvolgens Jahbat al Nusra en IS(IL). De verdachte en [medeverdachte] zijn in augustus 2017 gevangengenomen door de SDF. [medeverdachte] is overgebracht naar een gevangenis in Irak en verblijft daar nog steeds. De verdachte heeft geruime tijd verbleven in Koerdische kampen en is in juni 2021 in Nederland aangekomen.\n\nHet hof beoordeelt hierna de vragen of de verdachte heeft deelgenomen aan – kort gezegd - een (of meer) terroristische organisatie(s) en of zij voorbereidingshandelingen tot het plegen van terroristische misdrijven heeft gepleegd.\n\nFeit 1\n\nAan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd – kort gezegd – dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een of meer terroristische organisatie(s), te weten Jabhat al-Nusra en\u002Fof IS.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nDe raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat de verdachte heeft deelgenomen aan de onder 1 tenlastegelegde terroristische organisaties door voor hen een ondersteunende functie te vervullen. Het gedrag van de verdachte tussen 2014 en 2017 levert dan ook geen deelneming aan een terroristische organisatie op, maar hoogstens burgerschap. Voorts verzoekt de verdediging de verdachte vrij te spreken van deelneming tussen 2017 en 2021 omdat de verdachte in die tijd in detentiekampen verbleef.\n\nJuridisch kader\n\nDeelneming aan – kort gezegd - een terroristische organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140a Sr. Alvorens te beoordelen of daarvan in dit geval sprake is, zal hierna kort worden ingegaan op enkele relevante juridische kaders.\n\nTerroristische organisatie\n\nVolgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie - een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling - moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.\n\nOnder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.\n\nVoor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.\n\nHet gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.\n\nDeelneming\n\nVan deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.\n\nEen dergelijk aandeel kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid — in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.\n\nJabhat al-Nusra en IS\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad.\n\nIn de loop van 2012 wordt duidelijk dat jihadistische strijdgroepen, met zowel lokale als buitenlandse strijders in hun gelederen, in toenemende mate betrokken zijn geraakt bij de opstand in Syrië.\n\nHet gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat Jabhat al-Nusra en IS het oogmerk hadden om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van Jabhat al-Nusra en IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven.\n\nStrijdgroepen als Jabhat al-Nusra en IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nBeoordeling\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de wettige bewijsmiddelen stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe verdachte is zich in 2013 gaan verdiepen in de Islam, onder meer via internet. Tevens sprak zij met anderen in haar omgeving in Gouda. De verdachte leerde de begrippen Jihadisme, Kalifaat en Islamitische staat kennen en nam kennis van de strijd in Syrië en van het feit dat in die periode regelmatig personen uit Nederland naar Syrië uitreisden. De verdachte is de jihadistische ideologie gaan aanhangen en – zo blijkt uit de in die periode verstuurde berichten via Twitter - actief gaan uitdragen. De verdachte is, gelet op haar uitlatingen tegenover de wijkagent, een voorstander geworden van de gewapende strijd in Syrië en zag het als een plicht voor iedere moslim om te strijden voor een kalifaat, een Islamitische staat. Eind augustus 2013 leerde de verdachte via Facebook [medeverdachte] kennen, die ook bezig was met het geloof. Zij kenden beiden mensen die naar Syrië waren vertrokken en besloten dat ook te doen.\n\nDe verdachte is, zoals vermeld, op 29 september 2013 samen met [medeverdachte] via Turkije uitgereisd naar Syrië.\n\nIn Turkije gingen zij van Antalya naar Antakya waar zij door een smokkelaar werden opgehaald die hen in Syrië naar Kafr Hamra bracht, een dorp in de provincie Aleppo. Eenmaal daar aangekomen, heeft [medeverdachte] zich aangesloten bij Jabhat al-Nusra.\n\nIn november 2013 zijn de verdachte en [medeverdachte] naar islamitisch recht getrouwd. Vanaf dat moment voerden zij daar gezamenlijk een huishouden. Diezelfde maand heeft de verdachte via een chatbericht aan haar in Nederland achtergebleven nicht en vriendinnen onder meer bericht dat hijrah (het verlaten van familie en land ten behoeve van de jihad) verplicht is, dat zij dat heeft gedaan, dat zij nu in Syrië is en gelukkig getrouwd met een broeder, dat zij en haar man nu leven onder de sharia, dat er jihad qital (gewapende strijd) is, dat de broeders strijden op het slagveld en dat de jihad er zal zijn tot het einde der tijden. In dit bericht zegt de verdachte dat zij haar vriendinnen hetzelfde gunt als zichzelf, te weten het paradijs, en maant zij hen dat ze niet alleen moeten lezen maar ook moeten praktiseren en gehoorzamen.\n\nIn december 2013 zijn de verdachte en [medeverdachte] verhuisd naar Taftanaz, een stad in de provincie Idlib, waar zij tot april 2014 hebben verbleven. Vanwege een conflict tussen [medeverdachte] en Jabhat al-Nusra verhuisden de verdachte en [medeverdachte] in april 2014 naar Al Bab, waar IS de feitelijke macht had. Zij kregen daar van IS een huis toegewezen. Op 26 mei 2014 is [medeverdachte] lid geworden van IS. Uit een registratieformulier van IS volgt dat hij zich toen als strijder heeft aangemeld en dat hij eerder had meegedaan aan de jihad bij Jabhat al-Nusra. [medeverdachte] was in dienst bij de Shorta (de politie) van IS en ontving een salaris van 100 dollar per maand. De verdachte en [medeverdachte] hadden een vuurwapen in huis, dat op verscheidene plaatsen (niet in een kluis) in huis lag en eigendom was van [medeverdachte], die het gebruikte voor zijn werk voor IS.\n\nVolgens opgave van de verdachte verhuisde het gezin in 2016 naar Aktarin vanwege de onrust en vele bombardementen in Al Bab. Vervolgens zijn ze naar Manbij gegaan en in juni 2016 werd [medeverdachte] door IS overgeplaatst naar Tabqa, gelegen in de provincie Raqqa. Op 22 juni 2016 werd [naam zoon], de oudste zoon van de verdachte en [medeverdachte], geboren. Ook in Tabqa zat [medeverdachte] bij de Shorta.\n\nOp 16 juli 2016 ontving de verdachte een WhatsApp bericht van Oum Ayoub Asariah met de inhoud: “Zuster, je bent geweer bij ons vergeten.”\n\nIn de winter van 2016 ging [medeverdachte] in dienst bij de Hisba, de religieuze politie van IS.\n\nOp 30 november 2016 heeft de verdachte via een spraakbericht aan haar zus onder meer bericht dat ze ervoor heeft gekozen de Jihad bij te staan, dat ze niet ongelukkig is omdat ze weet waarom ze is gekomen, dat het verplicht is, dat ze al zo vaak tegen haar zus heeft gezegd om hiernaartoe (het hof begrijpt: naar Syrië) te komen, dat de verdachte en haar man bereid waren om geld en een smokkelweg te regelen, maar dat haar zus haar telkens heeft genegeerd en dat het in het nadeel van haar zus is als ze daar (het hof begrijpt: in Nederland) blijft. Diezelfde dag heeft de verdachte via een spraakbericht aan haar tante onder meer bericht dat ‘je voelt we helpen de ummah (de moslimgemeenschap)’ en dat zij hoopt dat haar familie zal komen.\n\nOp 14 januari 2017 heeft de verdachte in een groepsapp aan haar familie onder meer bericht dat zij en haar man onderdeel zijn van Dawla Islamia (het hof begrijpt: IS) en dat ze zich nog nooit zo gelukkig heeft gevoeld.\n\nIn maart 2017 vestigde het gezin zich in Raqqa. In Raqqa zette [medeverdachte] zijn werkzaamheden bij de Hisba voort.\n\nMedio 2017 verslechterde de situatie in Raqqa voor IS. De stad werd omsingeld door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) en op 25 april 2017 ging de SDF Tabqa binnen. Op 10 mei 2017 meldde de SDF de volledige herovering van Tabqa en de Tabqa dam op IS. De verdachte en [medeverdachte] hebben op 29 augustus 2017 Raqqa verlaten en zich overgegeven aan Koerdische troepen van de SDF, waarop zij door deze zijn gevangengenomen.\n\nTussenconclusie ten aanzien van [medeverdachte]\n\n[medeverdachte] heeft in Syrië in de tenlastegelegde periode deelgenomen aan de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en daarna IS. Hij was bij deze organisaties aangesloten en heeft gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisaties. Bij IS was [medeverdachte] werkzaam bij de politie, en later bij de religieuze politie. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat [medeverdachte] ook gedragingen heeft verricht ten behoeve van de jihad voor Jabhat al-Nusra; dit leidt het hof af uit het hiervoor genoemde registratieformulier van IS, waaruit volgt dat hij al eerder had meegedaan aan de jihad, en wel bij Jabhat al-Nusra.\n\nDeelneming door de verdachte\n\nHet hof is van oordeel dat ook de verdachte heeft deelgenomen aan deze organisaties, en zal hierna uiteenzetten waarom.\n\nUit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte, terwijl zij kennis had van de jihadistische ideologie en voorstander was van de gewapende jihadstrijd, met die overtuiging samen met [medeverdachte] is afgereisd naar Syrië en zich aldaar samen met hem onder het gezag – en de daaraan verbonden regels van de sharia - heeft gesteld van de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en (vervolgens) IS. De verdachte en [medeverdachte] zijn daar gehuwd en hebben daar een gezamenlijk huishouden gevoerd, terwijl [medeverdachte] actief heeft deelgenomen aan beide organisaties en met zijn verdiensten daaruit de kostwinner was. De verdachte heeft door haar handelen, ingegeven door haar bewuste keuze om – in haar eigen woorden - ‘de jihad bij te staan’, de invloedssfeer van deze organisaties telkens getalsmatig versterkt. Daarnaast heeft de verdachte samen met [medeverdachte] een vuurwapen voorhanden gehad. Dat ook de verdachte over dat wapen kon beschikken valt af te leiden uit het feit dat zij op enig moment erop werd gewezen dat zij het wapen bij iemand had laten liggen. Ten slotte blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte de jihadistische ideologie van deze organisaties actief heeft uitgedragen en dat zij meermalen anderen heeft aangespoord ook naar Syrië te gaan. De verdachte heeft aldus gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisaties. Dit terwijl uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte van het terroristische oogmerk van deze organisaties in zijn algemeenheid op de hoogte was. Illustratief hiervoor zijn haar hiervoor weergegeven uitlatingen over de gewapende strijd tegenover de wijkagent, het chatbericht aan nicht en vriendinnen hierover en ook heeft zij ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij tijdens haar verblijf in Syrië op de hoogte was van de onthoofdingen die plaatsvonden. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan deze terroristische organisaties heeft deelgenomen als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nMedeplegen\n\nHet hof is voorts van oordeel dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat bij het voorgaande sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte], die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, zodat ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen kan worden verklaard.\n\nConclusie feit 1\n\nHet hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de verdachte in de periode van 29 september 2013 tot\n\n29 augustus 2017 tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft deelgenomen aan twee organisaties die tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven, te weten Jabhat al-Nusra en IS, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd.\n\nFeit 2\n\nAan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en\u002Fof moord met een terroristisch oogmerk.\n\nDe raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van dit feit. Volgens de raadsvrouw ontbreekt voor het grootste deel van de onder A tot en met H tenlastegelegde gedragingen het bewijs. Voor zover de verdachte deze gedragingen wel heeft verricht, strekten deze volgens de raadsvrouw niet tot het opzettelijk met een (terroristisch) oogmerk voorbereiden of bevorderen van brandstichting, doodslag en moord.\n\nVoorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven\n\nDe in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.\n\nVoorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.\n\nBeoordeling\n\nMet de rechtbank en aansluitend op de overwegingen met betrekking tot feit 1 overweegt het hof als volgt.\n\nGelet op de hiervoor reeds weergegeven feitelijke vaststellingen in samenhang met de overige door het hof gehanteerde bewijsmiddelen acht het hof de onder A, B, C, D, F en G opgesomde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, zoals aangegeven in de bewezenverklaring.\n\nNaar het oordeel van het hof volgt bovendien uit de bewijsmiddelen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen kan worden.\n\nDoor aldus te handelen heeft de verdachte samen met [medeverdachte] zichzelf of anderen gelegenheid, middelen en inlichten verschaft tot het plegen van de in de tenlastelegging onder 2 genoemde terroristische misdrijven en – door het voorhanden hebben van een vuurwapen – een voorwerp voorhanden gehad waarvan zij wist dat deze bestemd was tot het plegen van een dergelijk misdrijf.\n\nUit de combinatie van de onder A, B, C, D, F en G bewezenverklaarde gedragingen in onderlinge samenhang beschouwd, kan tenslotte het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van deze misdrijven worden afgeleid.\n\nHet hof komt dan ook tot het oordeel dat de verdachte zich in de periode van 1 januari 2013 tot 29 augustus 2017 tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de bevordering en voorbereiding van terroristische misdrijven.\n\nDaarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.\n\nDeelvrijspraken\n\nPeriode vanaf 29 augustus 2017\n\nVrijwel overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en bepleit door de verdediging zal het hof de verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde periode vanaf 29 augustus 2017 vrijspreken, daar de verdachte zich toen heeft overgegeven aan de Koerden (SDF).\n\nHet onder 2 tenlastegelegde onderdeel E\n\nNet als de rechtbank en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal zal het hof de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde onderdeel E vrijspreken, nu er geen concreet bewijs voorhanden is betreffende deelname van de verdachte aan – kort gezegd – gevechtstrainingen en trainingskampen bij Jihadistische strijdgroepen dan wel deelname aan de gewapende Jihadstrijd.\n\nHet onder 2 tenlastegelegde onderdeel H\n\nDe verdachte wordt onder het onder 2 tenlastegelegde onderdeel H verweten – kort gezegd - dat zij zich heeft gevoegd\u002Faangesloten bij en\u002Fof heeft deelgenomen aan de IS-vrouwenstrijdgroep Khatiba Nusaybah (hierna ook: het Nusaybah bataljon).\n\nDe verdachte heeft betrokkenheid bij dit bataljon steeds ontkend.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet Amerikaanse Federal Bureau of Investigation (FBI) heeft in deze zaak verschillende keren informatie verstrekt aan het Nederlandse opsporingsteam. Dit betreft onder meer informatie over [medeverdachte] in de periode dat hij zich in gevangenschap bevond. In het eerste “informatiepakket” was te lezen dat [medeverdachte] op\n\n26 oktober 2017 tegenover het Amerikaanse Department of Defence (DOD) heeft gesproken over het Nusaybah Bataljon en de rol van de verdachte hierbij. Het tweede “informatiepakket” bevatte een memorandum van de FBI d.d. 25 april 2022 met daarin de vermelding dat [medeverdachte] op 15 februari 2018 door de FBI in Bagdad is ondervraagd en welke informatie hij daarbij heeft verstrekt. Ook hier zou hij hebben gesproken over onder meer (de rol van de verdachte bij) het Nusaybah Bataljon. [medeverdachte] is in de strafzaak tegen de verdachte niet gehoord; het in hoger beroep op verzoek van de verdediging horen van de in Irak gedetineerde [medeverdachte] is niet gelukt.\n\nDe FBI special agent, die op 15 februari 2018 met\n\n[medeverdachte] heeft gesproken, is op 14 november 2023 ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoord.\n\nHierbij heeft de special agent onder meer verklaard over hetgeen [medeverdachte] tegen hem heeft gezegd over betrokkenheid van de verdachte bij Kathiba Nusaybah.\n\nHet hof stelt vast dat de verklaring van deze getuige in zoverre een verklaring van horen zeggen (de-auditu) is. Voor een de-auditu verklaring geldt in beginsel dat deze betrekkelijke waarde heeft en met uiterste behoedzaamheid dient te worden beschouwd.\n\nIn dit geval vindt de verklaring van de getuige voor wat betreft betrokkenheid van de verdachte bij Kathiba Nusaybah geen steun in enig ander bewijs, dan de hiervoor weergegeven informatie van de FBI. Dit betreft echter niet meer dan een schriftelijke weergave van wat dezelfde FBI-agent en (kennelijk) een medewerker van de DOD\n\n[medeverdachte] heeft horen zeggen. Nader door het Openbaar Ministerie uitgevoerd onderzoek naar deelname door de verdachte aan het Nusaybah bataljon – door onderzoek in de administratie van het bataljon en het horen van een getuige over het bataljon – heeft niets opgeleverd.\n\nBij deze stand van zaken ziet het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor deelname door de verdachte aan het Khatiba Nusaybah bataljon. Het hof zal de verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.\n\nTen overvloede overweegt het hof nog als volgt.\n\nDe verdediging heeft – kort gezegd - aangevoerd dat het gebruik van de verklaring van [medeverdachte] voor het bewijs in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM, omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen en dit onvoldoende compensatie vindt in het horen van de FBI-agent ter terechtzitting. Ook het Openbaar Ministerie heeft het toetsingskader van het EHRM ten aanzien van niet-ondervraagde getuigen ten grondslag gelegd aan zijn (andersluidende) opvatting dat wèl voldoende compensatie is geboden.\n\nHet door de partijen gebezigde toetsingskader geldt echter voor gevallen waarin de verdachte niet een (adequate en behoorlijke) gelegenheid heeft gehad tot het ondervragen van een getuige à charge, die een belastende verklaring heeft afgelegd. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. [medeverdachte] heeft in deze zaak geen verklaring afgelegd. Het gaat hier om de verklaring van de FBI-special agent, en die heeft (ter terechtzitting in hoger beroep) wel een verklaring afgelegd, waarbij de verdediging aanwezig was en vragen heeft kunnen stellen die ook beantwoord zijn.\n\nGelet hierop en uiteraard vanwege de hiervoor weergegeven vrijspraak overwegingen, zal het hof de door de partijen in dit verband naar voren gebrachte standpunten niet nader bespreken.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nDe raadsvrouw heeft voorwaardelijk verzocht [medeverdachte] als getuige te horen, indien het hof zijn verklaring(en) bruikbaar acht voor het bewijs.\n\nHet hof bezigt de bedoelde uitlatingen van [medeverdachte] niet voor het bewijs, zodat het verzoek geen nadere bespreking behoeft.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippenin de periode van 29 september 2013 tot29 augustus 2017en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en)in Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een)ander(en), althans alleen,\n\nheeft deelgenomen aan een (terroristische)organisaties, te weten Islamitische Staat (IS), dan welIslamic State of Iraq and Shaam (ISIS) ofIslamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (JaN)(later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s)tot oogmerkhad(den) en\u002Fof heeft\u002Fhebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 1S7 Wetboek van Strafrecht),(te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de categorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie)\n\n 2.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippenin de periode van 1 januari 2013 tot29 augustus 2017en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en)in Nederland en\u002Fof België en\u002Fof Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een)ander(en), althans alleen, telkensmet het oogmerk om ter voorbereiding en\u002Fof ter bevordering van de\u002Fhet (meermalen)te plegen misdrij(f)(ven):\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft,(te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)\n\n- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en\u002Fof\n\n- eenvoorwerpenvoorhanden heeft gehad waarvan zij wist datzijditbestemdwasrentot het plegen van het misdrijf\n\nimmers heeft\u002Fhebben zij, verdachte, en\u002Fof haar mededader(s)\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) ofIslamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (verder JaN)(later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) aan voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep(en), althans (een)organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan, eigen gemaakt en\u002Fof\n\nB. zich laten informeren over het afreizen naar en\u002Fof verblijven in het strijdgebied in Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof\n\nC. met [medeverdachte] de reis naar Syrië gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie (zoals JaN en IS(IS\u002FIL), althans een hieraan gelieerde strijdgroep) gecontroleerd gebieden\u002Fof\n\nD. zichsamen met [medeverdachte]gevoegd bij een of meer mededader(s) en\u002Fof JaN en IS(IS\u002FIL) strijder(s), althans (telkens) perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\n(gedurende enige tijd)in het(strijd)gebied in Syrië verbleven en\u002Fofis zij, verdachte (op Islamitische wijze) een huwelijk aangegaan met [medeverdachte] en\u002Fof\n\nheeft zijeen gezamenlijk huishouden gevoerd met [medeverdachte] dieals JaN en IS(IS\u002FIL) strijder (eveneens)deelnam aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en\u002Fof\n\nE. met één of meer mededader(s) in Syrië deelgenomen aan ideologische en\u002Fof (gevechts)trainingen en\u002Fof trainingskampen en\u002Fof opleidingen bij (een) Jihadistische strijdgroep(en) en deelgenomen en\u002Fof bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie JaN en IS, althans (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\nF. zich (middels internet\u002Fsocial mediakana(al(en)\u002Fmediaplatform(s)) geuit en\u002Fof met (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat\u002Fgecommuniceerd en\u002Fof berichten en\u002Fof afbeeldingen geplaatst en\u002Fof gedeeld, met betrekking tot en\u002Fof inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en\u002Fof (pro)IS-gerelateerde content en;\n\nG. in Syrië een(vuur)wapens gebruikt en\u002Fofgedragen en\u002Fof voorhanden gehaden\u002Fof\n\nH. zich gevoegd \u002Faangesloten bij en\u002Fof deelgenomen aan de Khatiba Nusaybah (een vrouwenstrijdgroep\u002F-baltaljon binnen IS) en\u002Fof (daarbij) een of meer andere perso(o)n(en) fysieke training en\u002Fof onderricht gegeven, althans een of meer handelingen verricht voor en\u002Fof ten behoeve van die Khatiba Nusaybah;\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;\n\nwelke gedragingen en\u002Fof voorwerp(en)en\u002Fof informatie al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het in vereniging en\u002Fof alleen begaan vandat\u002Fdiemisdrijf\u002Fmisdrijven.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van met het oogmerk om opzettelijk brand stichten en\u002Fof ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en\u002Fof moord en\u002Fof doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, zich of anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf verschaffen en\u002Fof een voorwerp voorhanden hebben waarvan zij weet dat het bestemd is tot het plegen van het misdrijf.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte is op 29 september 2013 samen met [medeverdachte], met wie zij in november 2013 is getrouwd, naar Syrië gereisd. In de periode van 29 september 2013 tot 29 augustus 2017 heeft de verdachte samen met [medeverdachte] in Syrië deelgenomen aan achtereenvolgens Jabhat al-Nusra en IS, organisaties die in de bewezenverklaarde periode tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven.\n\nJihadistische groeperingen als de onderhavige hebben zich structureel schuldig gemaakt aan bloedig, angstaanjagend geweld en grove mensenrechtenschendingen in Syrië. Zij hebben vele doden op hun geweten en zijn mede verantwoordelijk voor de verschrikkelijke vernietiging dan wel vernielingen van huizen, landbouw en infrastructuur. Hun terreurdaden hebben een ontwrichtende werking op de samenleving gehad, de sektarische strijd aangewakkerd en bijgedragen aan ondraaglijk lijden en angst van velen. Geterroriseerde inwoners zijn vanwege dit hiervoor beschreven geweld op de vlucht geslagen en hebben alles achter moeten laten.\n\nToen de verdachte naar Syrië reisde, was het kalifaat nog niet uitgeroepen, maar ook in die periode was er al veel bekend over de door IS en Jabhat al-Nusra gepleegde ernstige mensenrechtenschendingen en overige wandaden. De verdachte wist in het algemeen hiervan, maar is niettemin uitgereisd, hetgeen het hof de verdachte uiterst kwalijk neemt. Haar bewuste keuze hiervoor heeft niet alleen voor haar, maar ook voor haar in Syrië geboren kinderen onomkeerbare gevolgen gehad. Zij hebben de eerste jaren van hun leven moeten doorbrengen in oorlogsgebied.\n\nOok heeft de verdachte zich samen met [medeverdachte] in de bewezenverklaarde periode schuldig gemaakt aan voorbereidings- en\u002Fof bevorderingshandelingen gericht op het plegen van onder meer moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. Vanwege de inhoudelijke samenhang van dit feit met het hiervoor genoemde feit, legt dit feit voor wat betreft de op te leggen straf geen extra gewicht in de schaal.\n\nTerroristische misdrijven als hier aan de orde dienen op krachtige wijze te worden tegengegaan. Vergelding en algemene preventie moeten bij de keuze van strafsoort en - duur van de op te leggen straf voorop staan.\n\nNaar het oordeel van het hof kan dan ook niet anders gereageerd worden dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.\n\nDe hoogte van de straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar de hoogte van straffen in zaken die enigszins vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak.\n\nAls uitgangspunt voor deelneming aan een terroristische organisatie, ongeacht de bewezenverklaarde periode, geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.\n\nDe op te leggen straf zal aanzienlijk lager zijn dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Dit komt met name door het gegeven dat het hof – anders dan het Openbaar Ministerie - niet bewezen acht dat de verdachte betrokken is geweest bij de IS-vrouwenstrijdgroep Khatiba Nusaybah.\n\nIn strafmatigende zin zal het hof meewegen dat niet is bewezen dat de verdachte zelf heeft deelgenomen aan de gewapende strijd. Ook neemt het hof als strafmatigende factor in aanmerking dat zij na haar gevangenneming in Syrië tijdelijk in een Koerdische gevangenis en bijna vier jaar in detentiekampen in Syrië heeft verbleven en aldus reeds aanzienlijke negatieve gevolgen van haar handelen heeft ondervonden.\n\nHet hof houdt bij de bepaling van de op te leggen straf geen rekening met de mogelijkheid dat de Nederlandse nationaliteit van de verdachte wordt ingetrokken, nu hier nog geen voornemen toe ligt. Het hof ziet ook geen aanleiding in strafmatigende zin rekening te houden met door de verdediging genoemde gebeurtenissen die de verdachte gedurende haar voorlopige hechtenis in de PI Zwolle heeft meegemaakt, nu deze niet in verband staan met de bewezenverklaarde feiten.\n\nUittreksel Justitiële Documentatie\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d.\n\n31 oktober 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.\n\nRapportages over de persoon van de verdachte\n\nHet hof heeft kennis genomen van de zich in het dossier bevindende adviesrapporten van Reclassering Nederland van 25 april 2022 en 10 november 2023.\n\nIn het reclasseringsadvies van 25 april 2022 is onder meer het volgende vermeld.\n\nDe reclassering heeft zorgen over de leefgebieden ‘overtuiging, opvatting en ideologie’ en ‘sociale context en intentie’. Het risico op algemene en geweldsrecidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld. Deze uitkomst is hoofdzakelijk bepaald door het feit dat terugkeer naar het strijdgebied gezien de actuele situatie in Syrië en terreurgroep IS voor de verdachte geen optie is. Zij lijkt haar leven in Syrië te idealiseren en dit ideale beeld niet te willen loslaten. Ook lijkt zij selectief in haar verhaal over haar leven in de Koerdische kampen en vertelt zij opvallend weinig over haar contacten met andere vrouwen.\n\nDaarnaast scoort de verdachte hoog op de items ‘toewijding aan ideologie die geweld rechtvaardigt’. Uit onderzoek is gebleken dat er sprake is van gewelddadig salafistische concepten, standpunten en overtuigingen. Ook keurt zij de democratie af omdat het tegenstrijdig is met de sharia. Regeren met andere wetgeving staat voor de verdachte gelijk aan ongeloof. Dit komt overeen met gewelddadig salafistische opvattingen over democratie en de democratische rechtsorde. Tot slot scoort zij hoog op de items ‘zoeker, gebruiker of ontwikkelaar gewelddadig extremistische informatie, ‘persoonlijk contact met gewelddadig extremisten’ en ‘gevoeligheid voor beïnvloeding, sturing of indoctrinatie’. De reclassering adviseert bij oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen, waaronder een contactverbod.\n\nHet reclasseringsadvies van 10 november 2023 houdt, voor zover hier van belang en kort weergegeven, het volgende in.\n\nDe reclassering wijkt niet af van de eerdere inschatting van de risico’s daar de verdachte nog in detentie verblijft en er geen nieuwe ontwikkelingen bij de reclassering bekend zijn die tot een andere inschatting zou kunnen leiden.\n\nTen slotte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het Pro Justitia rapport, triple onderzoek, betreffende de verdachte, opgemaakt door M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog, A.E. Grochowska, psychiater en\n\nJ. Volders, forensisch milieuonderzoeker d.d. 14 december 2021. De rapporteurs komen tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van ernstige sociale en emotionele achterstanden bij de verdachte in de periode voorafgaand aan haar vertrek naar Syrië. De verdachte worstelde weliswaar met identiteitsproblemen en maatschappelijke problemen, maar dat is passend bij die levensfase. Er waren geen ernstige beperkingen op het gebied van het organiseren van het eigen gedrag en inschatten van situaties. Evenmin is er psychiatrische problematiek, ontwikkelings- of persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld bij de verdachte. De rapporteurs komen tot de conclusie dat het tenlastegelegde de verdachte kan worden toegerekend.\n\nJeugdstrafrecht - adolescentenstrafrecht\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verzoek gedaan om bij een veroordeling het jeugdstrafrecht toe te passen. Het jeugdstrafrecht biedt meer maatwerk dan het volwassenstrafrecht. De verdachte was 19 jaar oud toen zij naar Syrië afreisde en 23 jaar oud toen zij zich aan de Koerden overgaf. Haar leeftijd valt hiermee precies binnen de reikwijdte van het adolescentenstrafrecht, aldus de raadsvrouw.\n\nHet hof ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat een jongvolwassene, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig was, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De reclassering adviseert in het advies van 25 april 2022 toepassing van het volwassenstrafrecht omdat de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte verder is uitgerijpt, zij moeder is van twee kinderen en al lange tijd gescheiden is van haar ouders. Dit betekent dat de verdachte niet meer zal kunnen profiteren van pedagogische beïnvloeding. Ook het Pro Justitia rapport van 14 december 2021 vermeldt dat er onvoldoende argumenten zijn om tot toepassing van het jeugdstrafrecht te adviseren.\n\nHet hof zal dan ook het volwassenstrafrecht toepassen.\n\nDe op te leggen straf\n\nGezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten is het hof van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nDe ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt zonder meer dat de verdachte een onvoorwaardelijke detentie ondergaat die langer is dan de tijd die zij tot op heden in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nGelet op het advies van de reclassering en op het grote belang van het voorkomen van recidive, zal het hof een aanmerkelijk deel van de op te leggen straf voorwaardelijk opleggen. Met het voorwaardelijk strafdeel wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De proeftijd zal daarom op drie jaren worden vastgesteld.\n\nGelet op de inhoud van de adviesrapporten zal het hof aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals deze zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies d.d. 10 november 2023, met uitzondering van het contactverbod. Mede gelet op de te verwachten praktische problemen bij het nakomen en het controleren daarvan, daarbij betrekkende dat een deel van de betreffende personen familieleden van de verdachte zijn en dat van een deel van de personen (genoemd in de lijst in het reclasseringsadvies) relevante persoonsgegevens ontbreken, is het hof de effectiviteit en daarmee de toegevoegde waarde van het geadviseerde contactverbod in dit geval onvoldoende gebleken.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat zij bereid is om zich aan de op te leggen bijzondere voorwaarden te houden.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het medeplegen van deelname aan terroristische organisaties en het medeplegen van het voorbereiden en\u002Fof bevorderen van terroristische misdrijven.\n\nHet hof slaat verder acht op het radicale gedachtengoed waarmee de verdachte zich heeft ingelaten alsmede op de omstandigheid dat uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies blijkt dat de verdachte hoog scoort op het item ‘toewijding aan ideologie die geweld rechtvaardigt’. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat uit het duidingsonderzoek is gebleken dat de verdachte zaken vanuit een gewelddadig salafistisch perspectief benadert. Zo verwerpt zij de democratie; regeren met andere wetten dan de wetten van Allah staat voor de verdachte gelijk aan ongeloof. Gelet ten slotte op het feit dat terroristische misdrijven een zeer groot risico op letselschade met zich meebrengen, is het hof – alles tezamen genomen - van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen.\n\nDaarom zal het hof bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van dat artikel uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nConclusie\n\nHet hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 96, 140a, 157, 176a, 176b, 288a, en 289a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) jaren.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot\n\n1 (één) jaar,niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt\n\nof de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn\u002Fhaar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken\n\nof geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde dient op een constructieve wijze mee te werken aan gesprekken en openheid van zaken te geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden op de internationale luchthavens Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport, Eelde, Eindhoven en Maastricht, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De veroordeelde dient tevens op twee (2) kilometer afstand van de landsgrenzen te blijven en gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering. De veroordeelde werkt mee aan elektronische controle op dit locatieverbod.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen verplicht aanwezig is op het verblijfadres dat aangewezen wordt door de gemeente Gouda, zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt. De veroordeelde werkt mee aan elektronische controle op dit locatiegebod. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verplicht is mee te werken aan de gedragsinterventie SOLO Inclusion, een individuele training gegeven door de reclassering, gericht op denkpatronen en -vaardigheden en het uittreden uit een extremistisch netwerk, als en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd haar medewerking dient te verlenen aan gesprekken met een door de reclassering aan te wijzen externe theologisch deskundige.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde haar medewerking verleent aan een traject gericht op het verkrijgen en het behouden van een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nBeveelt dat bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaarzijn.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar,\n\nmr. D.M. Thierry en mr. L.C. van Walree, in bijzijn van de griffiers mr. M.J.J. van den Broek en mr. M.T. Huynh.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2023.\n\nVoor de leesbaarheid van het arrest zal het hof de tenlastegelegde organisaties Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) aanduiden met IS.\n\nZie o.a. Gerechtshof Den Haag 3 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1242; Gerechtshof Den Haag 25 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1248; Gerechtshof Den Haag 6 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3879; Gerechtshof Den Haag 18 december 2020. ECLI:NL:GHDHA:2020:2492; Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2017, ECLI:GHDHA:2017:2855; Gerechtshof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:102.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2023:2570","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:07.941Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"1754","ECLI:NL:RBAMS:2023:7980","ecli-nl-rbams-2023-7980",56,"2023-12-08T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F104210-23\n\nDatum uitspraak: 8 december 2023\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,\n\nvolgens de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres:\n\n [adres 1] , [woonplaats] ,\n\nthans gedetineerd te: [detentieadres] .\n\n1. Onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2023.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Hoekstra, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.H.B. Budde, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam [slachtoffer] , door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het afsluiten van de woning en\u002Fof het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan [adres 2] en\u002Fof het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en\u002Fof het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer] , (die [slachtoffer] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten\n\n- het tongzoenen, althans zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het zoenen in de nek en\u002Fof het zoenen van de borsten, althans het zoenen van het lichaam van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] ;\n\n(art 242 Wetboek van Strafrecht)\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, [slachtoffer] , door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het afsluiten van de woning en\u002Fof het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan [adres 2] en\u002Fof het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en\u002Fof het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer] , (die [slachtoffer] ) heeft gedwongen tot het plegen en\u002Fof dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten\n\n- het tongzoenen, althans zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het zoenen in de nek en\u002Fof het zoenen van de borsten, althans het zoenen van het lichaam van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] ;\n\n(art 246 Wetboek van Strafrecht)\n\n2. hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door, (na binnenkomst in de woning gelegen aan [adres 2] ) die woning (gelegen aan [adres 2] ) af te sluiten en\u002Fof de deur van die woning op slot te doen en\u002Fof (daarna) de sleutel van de (buiten)deur weg te halen;\n\n(art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3. hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar een pil met amfetamine toe te dienen, althans door haar te dwingen een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en\u002Fof te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt;\n\n(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en\u002Fof door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, (die [slachtoffer] ) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en\u002Fof te dulden, te weten de inname van amfetamine, althans de inname van een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, door haar een pil met (deze) amfetamine toe te dienen, althans door haar te dwingen een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en\u002Fof te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt.\n\n(art 284 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2 en 3 primair. De feiten kunnen worden bewezen op grond van de verklaring van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), die wordt ondersteund door het whatsappgesprek tussen [slachtoffer] en verdachte en de verklaringen van getuigen die kort na het feit contact met [slachtoffer] hebben gehad en beschrijven dat zij zeer geëmotioneerd was. Verdachte heeft daarnaast verklaard de deur op slot te hebben gedaan. Bij de rechter-commissaris volgens hem om te voorkomen dat vreemden binnenkomen. Nog daargelaten dat een deur van buitenaf niet geopend kan worden zonder sleutel, verklaart hij ter zitting weer anders over de reden om de deur op slot te doen. Verder is er een NFI rapport waaruit blijkt dat er in [slachtoffer] bloed amfetamine is aangetroffen.\n\n3.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1, 2 en 3 primair.\n\nVoor feit 1 is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De seks heeft op vrijwillige basis plaatsgevonden. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de ten laste gelegde feitelijkheden ervoor hebben gezorgd dat [slachtoffer] is gedwongen tot de seksuele handelingen. Opzet daarop ontbreekt. Voor seksueel binnendringen is eveneens onvoldoende wettig bewijs, nu dit slechts volgt uit de verklaring van [slachtoffer] . Uit onderzoek van de NFI volgt juist dat geen DNA van verdachte is aangetroffen op de binnenste en buitenste schaamlippen en ook niet diep vaginaal. Over feit 2 is aangevoerd dat verdachte dit feit ontkent en in ieder geval geen opzet heeft gehad op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Over feit 3 is primair aangevoerd dat [slachtoffer] daar wisselend over heeft verklaard. Op het cruciale punt, de dwang, spreekt zij zichzelf tegen. Subsidiair is ten aanzien van dit feit aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van mishandeling, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van pijn of letsel; ten aanzien van de ten laste gelegde dwang heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. Oordeel over feit 1\n\nZedenzaken kenmerken zich over het algemeen door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: de verdachte en degene bij wie de verdachte strafbare seksuele handelingen zou hebben gepleegd. Het is dan ook vaak het woord van de een tegen het woord van de ander. Indien de verdachte ontkent, is er meestal maar één getuige van de seksuele handelingen, namelijk degene bij wie de feiten zouden zijn gepleegd.\n\nIn deze zaak verklaren zowel verdachte als [slachtoffer] dat zij hadden afgesproken en dat [slachtoffer] daarvoor naar Amsterdam was afgereisd. Nadat verdachte haar bij metrostation [metrostation] had opgehaald, zijn zij naar zijn woning gegaan. Verdachte en [slachtoffer] verklaren beiden dat daar seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Volgens verdachte vond dit plaats met wederzijdse instemming; volgens [slachtoffer] is dit tegen haar wil gebeurd.\n\nBewijsminimum in zedenzaken\n\nArtikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt in dat de rechter niet uitsluitend op de verklaring van één getuige kan aannemen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Niet vereist is echter dat het bedoelde steunbewijs betrekking heeft op alle onderdelen van de tenlastelegging. Ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen geldt dat de feiten en omstandigheden die in een getuigenverklaring (aangifte) worden genoemd, ook voldoende steun kunnen vinden in het overige bewijsmateriaal als dat geen betrekking heeft op de ten laste gelegde gedragingen. Er mag evenwel geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen de verklaring en dat overige bewijsmateriaal. Het vereiste van voldoende steun wordt wel omschreven als een eis van inhoudelijk verband die er vooral toe strekt dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.\n\nBeoordeling van feit 1\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] kort na het ten laste gelegde driemaal een verklaring heeft afgelegd. [slachtoffer] heeft meteen na het ten laste gelegde contact gezocht met haar begeleiders en is met de trein van Amsterdam naar [plaats] gereisd. Als zij die nacht in [plaats] uit de trein stapt, wordt zij benaderd door de politie en haar begeleider bij [psychologisch en pedagogisch adviesbureau] , [persoon 1] . [slachtoffer] verklaart ter plaatse dat zij via datingapp [datingapp] had afgesproken met een man genaamd [voornaam verdachte] om wat in Amsterdam te gaan drinken. Zij hadden afgesproken bij metrohalte [metrostation] , waar [voornaam verdachte] haar heeft opgehaald. [slachtoffer] is met [voornaam verdachte] meegegaan naar zijn woning. Daar heeft hij de deur van zijn woning op slot gedraaid en haar gezoend en betast. Dit wilde zij niet.\n\nKort daarna is [slachtoffer] telefonisch in contact gebracht met de zedenpolitie. Tijdens dit gesprek heeft zij verklaard dat zij op 8 juli 2022 is uit gestapt bij halte [metrostation] . Zij is met [voornaam verdachte] meegegaan naar zijn woning aan [adres 2] in Amsterdam. [voornaam verdachte] deed de deur van de woning op slot. Hij heeft de kleding van [slachtoffer] uitgetrokken. [slachtoffer] verklaart dat zij heeft gezegd dat zij dit niet wilde en wilde weggaan. [voornaam verdachte] lag bovenop [slachtoffer] . Hij heeft een pilletje in haar mond gestopt en daarna gevraagd of zij haar mond wilde openen, om te controleren of zij haar pil had doorgeslikt. [voornaam verdachte] heeft haar ook overal op haar lichaam aangeraakt. Ook heeft hij haar borsten gekust, bij de vagina gevoeld en zijn vingers naar binnen gebracht. Dit wilde zij niet.\n\nDiezelfde nacht heeft een informatief gesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [slachtoffer] verklaard dat zij op 8 juli 2022 in Amsterdam had afgesproken met [voornaam verdachte] om wat te gaan drinken en daarna naar een nachtclub te gaan. Zij is afgereisd naar Amsterdam en kwam rond 21.45 uur aan. [voornaam verdachte] stelde voor om naar zijn woning te gaan. Dit voelde niet goed, maar zij is toch meegelopen. [voornaam verdachte] woont op het adres [adres 2] in Amsterdam. Eenmaal in de woning aangekomen, deed hij de deur meteen op slot. In eerste instantie liet hij de sleutel in de deur zitten, maar later zag [slachtoffer] dat de sleutels er niet meer in zaten. [voornaam verdachte] heeft de kleding van [slachtoffer] uitgetrokken en begon haar op een gegeven moment te zoenen. [slachtoffer] wilde dit niet en bevroor. Vervolgens heeft hij haar kleding uitgedaan en haar op allerlei plekken aangeraakt. Verder heeft hij haar in haar nek, op haar mond en op haar borsten gezoend. Ook heeft hij haar gebeft en gevingerd, waarbij hij met zijn vingers in haar vagina is gegaan. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat zij een pilletje moest innemen terwijl zij dit niet wilde. [voornaam verdachte] heeft vervolgens gecontroleerd of zij het pilletje had doorgeslikt. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat zij tegen [voornaam verdachte] heeft gezegd dat zij weg wilde; daarop zei hij dat zij moest blijven en dat ze over een halfuur zouden gaan. Uiteindelijk heeft [slachtoffer] voorgesteld om een rondje te lopen. Toen ze eenmaal buiten waren is zij weggerend, waarna zij een begeleider bij [psychologisch en pedagogisch adviesbureau] , [persoon 2] , heeft gebeld.\n\nDe begeleider van [slachtoffer] , [persoon 2] , is later door de politie gehoord als getuige. Zij heeft verklaard dat zij de betreffende avond werd gebeld door [slachtoffer] en direct hoorde dat zij in paniek was. [slachtoffer] vertelde dat ze in Amsterdam had afgesproken met een jongen die ze kende via datingapp [datingapp] , dat de jongen haar had opgesloten en aangeraakt en dat ze iets, vermoedelijk een pil, tegen haar wil had ingenomen. Tijdens het telefoongesprek met getuige [persoon 2] huilde [slachtoffer] en was ze aan het hyperventileren.\n\n [slachtoffer] is kort na het ten laste gelegde opgehaald op Centraal station [plaats] door een andere begeleider, [persoon 1] . Ook [persoon 1] is later de politie gehoord als getuige. [persoon 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] paniekerig was toen zij op het station aankwam en aan het hyperventileren was. Ook die nacht en nog lang daarna is [slachtoffer] paniekerig geweest. [persoon 1] heeft verklaard dat zij van [slachtoffer] heeft gehoord dat zij een date had en dat de jongen – eenmaal in de woning aangekomen – de deur op slot heeft gedaan, haar wilde aanraken en dingen wilde doen die [slachtoffer] niet wilde. De jongen is in ieder geval met zijn handen bij de vagina van [slachtoffer] geweest. Daarnaast heeft [slachtoffer] verklaard dat de jongen iets in haar drinken heeft gedaan en dat zij dit moest opdrinken. Dit was ‘een hele pil van iets’. [slachtoffer] wilde dit niet, maar heeft dit uiteindelijk wel gedaan.\n\nOp 9 juli 2022 wordt bloed afgenomen bij [slachtoffer] . Het bloed wordt onderzocht en daaruit volgt dat de aanwezigheid van amfetamine is aangetoond.\n\nTussen [slachtoffer] en verdachte zijn via Whatsapp berichten uitgewisseld. [slachtoffer] heeft deze berichten beschikbaar gesteld aan de politie. Uit de berichten die zijn uitgewisseld volgt dat verdachte voorstelt om af te spreken bij metrohalte [metrostation] in Amsterdam. [slachtoffer] vraagt vervolgens meermalen of het mogelijk is om in [plaats] af te spreken. De eerste keer antwoordt verdachte dat dit niet kan, maar dat hij een leuke plek in Amsterdam kent waar zij kunnen afspreken in de buurt van metrohalte [metrostation] . Verdachte vraagt vervolgens aan [slachtoffer] of zij al weet welke jurk ze zal aantrekken en dat ze bonuspunten krijgt als zij een rok of jurk aantrekt. Als [slachtoffer] vervolgens vraagt of het goed is als zij alleen wat gaan drinken in een café, antwoordt verdachte bevestigend. Kennelijk na afloop van de date vraagt verdachte aan [slachtoffer] of zij zijn nummer kan verwijderen uit haar contactenlijst. Ook vraagt hij haar het Whatsapp gesprek te verwijderen.\n\nVerdachte heeft op zitting verklaard dat, toen hij met [slachtoffer] in de woning was, het gesprek aanvankelijk niet soepel verliep. Hij heeft een naar zijn zeggen ‘goedlopend techniekje’ ontwikkeld dat hij vervolgens heeft toegepast. Hij heeft de hand van [slachtoffer] vastgepakt en daarna hebben zij even gepraat. Op een gegeven moment heeft [slachtoffer] haar kleding uitgetrokken. Volgens verdachte was [slachtoffer] erg geïnteresseerd in hem en is zij ingegaan op zijn voorstel om naar de slaapkamer te gaan; zij gaf hem een ‘ja’-signaal. Tegelijkertijd heeft verdachte verklaard dat hij in de woonkamer wilde blijven om nog even te praten. Over het dwingen tot het innemen van een pil heeft verdachte verklaard dat hij zijn medicatie innam en dat [slachtoffer] hem op dat moment ook om een pil vroeg. Verdachte ontkent haar te hebben gedwongen een pil in te nemen. Over het afsluiten van zijn deur verklaart hij wisselend. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte hierover verklaard dat hij niet wil dat vreemden bij hem kunnen binnenkomen. Op zitting heeft verdachte echter verklaard dat hij uit gewoonte zijn sleutels in het slot laat, zodat hij ze niet kwijtraakt. Daarnaast verklaart hij dat hij de deur nooit afsluit als hij met iemand in huis is en dat dat ook nu het geval was. Op de vraag waarom de sleutels zich volgens [slachtoffer] in tweede instantie niet meer in de deur bevonden antwoordt verdachte eerst dat hij dit niet weet en vervolgens dat de sleutels dan in zijn zak moeten hebben gezeten.\n\nOp basis van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt. De verklaringen van [slachtoffer] zijn direct afgelegd en consistent en vinden ondersteuning in andere bewijsmiddelen. De begeleiders van [slachtoffer] hebben haar kort na het ten laste gelegde aan de telefoon gesproken en gezien. Zij verklaren beiden dat [slachtoffer] in paniek was en hyperventileerde. Ook heeft bloedonderzoek uitgewezen dat in haar bloed amfetamine is aangetroffen. Deze omstandigheden sluiten aan op wat [slachtoffer] heeft verklaard over het ten laste gelegde. Daartegenover heeft verdachte een warrige en wisselende verklaring afgelegd. Zijn verklaring vindt geen steun in het overige bewijs. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring die [slachtoffer] over de situatie heeft afgelegd.\n\nGelet op de gehele gang van zaken, zoals hiervoor is omschreven, is de rechtbank van oordeel dat het kennelijk de bedoeling van verdachte is geweest om af te spreken zodat hij seks kon hebben met [slachtoffer] . Uit de berichten die voorafgaand aan de afspraak zijn uitgewisseld maakt de rechtbank op dat het de bedoeling van verdachte is geweest [slachtoffer] naar zijn woning te krijgen. Verdachte persisteerde bij het afspreken bij metrohalte [metrostation] en stuurde haar berichten over de kleding die zij zou aantrekken naar de date. Ook stuurde hij tweemaal het bericht “I know an awesome place you're going to love”. Op zitting heeft verdachte verklaard dat dit een standaardzin is die hij stuurde en dat deawesome placezijn huis was. In de woning heeft hij een gesprekstechniek toegepast naar eigen zeggen opgedaan door begeleiding van date- en\u002Fof sekscoaches. Anders dan verdachte hierover heeft verklaard ziet de rechtbank dit niet als een middel om vriendschap te sluiten, maar als middel om tot seks te komen.\n\nDoor na de aankomst in zijn woning de deur op slot te doen, de kleding van [slachtoffer] uit te trekken en haar daarna te betasten heeft verdachte haar gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen die daarna hebben plaatsgevonden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij bevroor en heeft aangegeven dat zij het niet wilde en dat verdachte toch doorging. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat verdachte haar heeft gezoend, in de nek en op de borsten. Ook heeft hij haar gebeft en is hij met zijn vingers in haar vagina geweest. Deze laatste handelingen vallen onder seksueel binnendringen.\n\nGelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verkrachting.\n\n3.3.2. Oordeel over feit 2\n\nDe rechtbank heeft hierboven al overwogen dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over het afsluiten van zijn woning. Daarnaast is onder de bespreking van feit 1 overwogen dat de rechtbank uitgaat van de verklaring van [slachtoffer] en dat haar verklaring wordt ondersteund door ander bewijs. [slachtoffer] heeft drie verklaringen afgelegd over het ten laste gelegde. Daarin heeft zij telkens verklaard dat [voornaam verdachte] de deur van zijn woning op slot heeft gedaan. [slachtoffer] heeft bovendien verklaard dat zij [voornaam verdachte] heeft gezegd dat zij weg wilde gaan, waarop hij antwoordde dat zij over een halfuur zouden vertrekken. Dit laatste sluit aan op de verklaring die verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Door op deze manier te handelen heeft verdachte willens en wetens de kans aanvaard dat hij daarmee [slachtoffer] weerhield van weggaan en zich dus schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Met andere woorden: er is sprake van voorwaardelijk opzet.\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving en beroofd houden van [slachtoffer] .\n\n3.3.3. Oordeel over feit 3\n\n [slachtoffer] heeft drie verklaringen afgelegd over het ten laste gelegde. Daarin heeft zij telkens verklaard dat zij van verdachte een pil moest innemen. Ook heeft zij verklaard dat hij daarna heeft gecontroleerd of zij de pil daadwerkelijk had ingeslikt. Het bloed van [slachtoffer] is onderzocht en daaruit volgt dat de aanwezigheid van amfetamine is aangetoond. Daarmee wordt haar verklaring ondersteund.\n\nDe vraag is of dit een strafbaar feit oplevert en zo ja, als welk strafbaar feit dit kan worden gekwalificeerd.\n\nPrimair is dit ten laste gelegd als mishandeling. Voor mishandeling is vereist dat sprake is van pijn en\u002Fof letsel. Uit het dossier volgt niet dat [slachtoffer] pijn of letsel heeft ondervonden als gevolg van het innemen van de pil. Zij heeft juist verklaard dat zij hierna geen effect opmerkte. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.\n\nSubsidiair is dit ten laste gelegd als dwang. De rechtbank overweegt dat in de gegeven omstandigheden de bovengenoemde handelingen hebben veroorzaakt dat [slachtoffer] de pil heeft ingenomen. Daarmee is sprake geweest van dwang. Het subsidiair ten laste gelegde kan daarmee worden bewezen.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 1 primair:\n\nop 8 juli 2022 te Amsterdam [slachtoffer] , door een andere feitelijkheid, te weten het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan [adres 2] en het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer] , die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten\n\n- het zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\n\n- het zoenen in de nek en het zoenen van de borsten van die [slachtoffer] en\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer];\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 8 juli 2022 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door na binnenkomst in de woning gelegen aan [adres 2] de deur van die woning op slot te doen en daarna de sleutel van de deur weg te halen;\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nop 8 juli 2022 te Amsterdam een ander, te weten [slachtoffer] , door enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, die [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt.\n\n5. Strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. Strafbaarheid van verdachte\n\n6.1. Advies van de deskundigen\n\nDe deskundigen B. Fokkink, arts in opleiding tot specialist (psychiatrie), heeft onder supervisie van psychiater S.C.J. Frehe, verdachte onderzocht. Dit geldt eveneens voor R.A. Sterk, psycholoog. Naar aanleiding daarvan hebben beide deskundigen een rapport uitgebracht.\n\nSamenvattend komen de deskundigen tot de conclusie dat verdachte lijdt aan schizofrenie, een autismespectrumstoornis en misbruik van dexamfetamine. Daarnaast wordt in het psychiatrisch rapport een alcoholstoornis vastgesteld. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het bewezen verklaarde.\n\nHet gedrag van verdachte werd ten tijde van het bewezen verklaarde rechtstreeks en vrijwel volledig bepaald door de beperkingen voortkomend uit de vastgestelde stoornissen. Daarvan kan worden gesteld dat er in ieder geval sprake is van een zeer significant doorwerken en waarschijnlijk een volledige doorwerking in het bewezen verklaarde. Als gevolg van de geconstateerde problematiek lijkt verdachte in het geheel niet in staat geweest om zijn wil in vrijheid te kunnen bepalen. Geadviseerd wordt om het bewezen verklaarde in het geheel niet toe te rekenen.\n\n6.2. Standpunten\n\nDe officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt dat het bewezen verklaarde, in overeenstemming met de over hem uitgebrachte rapporten, niet aan verdachte kan worden toegerekend. Hij dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n6.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en neemt deze op dit punt over. De rechtbank is op grond van de rapporten van oordeel dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd als gevolg van de bij hem vastgestelde schizofrenie en een autismespectrumstoornis, zodat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n7. Motivering van de maatregel\n\n7.1. Eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot oplegging van de maatregel tbs met dwangverpleging. Daarnaast is gevorderd dat de maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.\n\n7.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht te volstaan met oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden. Daartoe is aangevoerd dat tbs met dwangverpleging een contraproductieve werking zal hebben op het herstel van verdachte, zo volgt uit de rapporten van de deskundigen.\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen afdoening van de zaak is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op zitting is gebleken.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft [slachtoffer] voor een date meegenomen naar zijn woning. Hij heeft de deur van zijn woning op slot gedaan, heeft [slachtoffer] uitgekleed en haar betast. Daarmee heeft hij haar gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen die hij vervolgens heeft verricht. Dit levert verkrachting op. Een verkrachting betekent per definitie een ernstige, grove aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. In zijn algemeenheid is verkrachting een schokkende, ingrijpende en beangstigde gebeurtenis die vaak langdurig fysieke, psychische en\u002Fof emotionele gevolgen voor het slachtoffer heeft. Dat die gevolgen ook daadwerkelijk zijn ingetreden volgt uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] , die op zitting is voorgelezen.\n\nDaarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] . Verdachte heeft de woning op slot gedaan en er daarmee voor gezorgd dat [slachtoffer] niet vrij was om de woning te verlaten. Toen [slachtoffer] tegen verdachte zei dat zij weg wilde, heeft verdachte daar geen gehoor aan gegeven en heeft [slachtoffer] nog geruime tijd tegen haar zin in de woning moeten blijven. Dat aan de situatie uiteindelijk een einde is gekomen, ligt niet aan verdachte, maar komt doordat [slachtoffer] voorstelde om samen naar buiten te gaan voor een wandeling, waarna zij is weggerend.\n\nTot slot heeft hij [slachtoffer] gedwongen een pil amfetamine in te nemen. Hiermee heeft hij eveneens een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] .\n\nPersoon van de verdachte\n\nPsychische stoornis\n\nZoals hiervoor onder 6 overwogen blijkt uit de rapporten van de deskundigen dat verdachte lijdt aan schizofrenie en een autismespectrumstoornis en dat deze stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.\n\nRisico taxatie\n\nOver het risico op recidive rapporteert de psychiater – zakelijk weergegeven – onder meer dat bij het uitblijven van adequate behandeling het risico op delicten, waaronder gewelds- en zedendelicten, wordt ingeschat op hoog tot zeer hoog. De psycholoog schat deze kans in als hoog.\n\nInterventieadvies\n\nOver het interventieadvies rapporteert de psychiater – zakelijk weergegeven – onder meer dat het functioneren van verdachte in het heden en verleden moet worden gezien in het kader van de twee ernstige stoornissen die met elkaar verweven zijn en elkaar voortdurend beïnvloeden. Gezien het huidige toestandsbeeld is van belang dat als eerste stap de psychotische belevingen\u002Fwanen worden behandeld door middel van antipsychotica in een adequate dosering. Dit zal voor langere periode, en mogelijk zelfs levenslang, nodig zijn. Na de stabilisatie op medicatie is verdachte erbij gebaat om in een stabiele, veilige woonsetting te verblijven en te beschikken over een zinvolle, passende dagbesteding. Ook is verdachte erbij gebaat zijn ziekte-inzicht te vergroten. In het rapport is geadviseerd de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, aangevuld met een zorgmachtiging voor een farmacologische dwangbehandeling. In het rapport wordt omschreven dat de tbs-maatregel met dwangverpleging niet aangewezen is, omdat dat bij verdachte veel frustratie en weerstand zal oproepen, hetgeen een averechtse werking kan hebben op de behandeling.\n\nDe psycholoog heeft in zijn rapport – zakelijk weergegeven – gesteld dat in de aanvang een klinische behandeltraject is aangewezen, waarbij expertise is van de problematiek die bij verdachte speelt. Naast medicamenteuze interventies zou ook psychoeducatie en gedragstherapie geboden moeten worden. Een verhoogd beveiligingsniveau is niet nodig, mits er voldoende expertise van de complexe psychische problematiek aanwezig is. In tweede instantie zou verdachte begeleid kunnen worden naar een beschermde woonvorm, waarbij eveneens expertise voor de geconstateerde psychische problematiek dient te zijn. Hierbij zal de nadruk liggen op de autismespectrumstoornis, omdat deze van grote invloed is op het niveau van zijn sociaal functioneren. Ook de psycholoog adviseert de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden in combinatie met een zorgmachtiging voor de dwangmedicatie.\n\nUit het rapport van de reclassering van 10 oktober 2023 volgt dat de verwachting is dat verdachte zich niet langdurig kan conformeren aan bijzondere voorwaarden. Daarom wordt negatief geadviseerd ten aanzien van de uitvoerbaarheid van een tbs-maatregel met voorwaarden.\n\nOp de zitting hebben de psychiater S.C.J. Frehe en psycholoog R.A. Sterk het uitgebrachte advies bijgesteld. Uit informatie afkomstig uit het PPC, waar verdachte op dit moment verblijft, volgt dat hij ervoor heeft gekozen om geen mediatie in te nemen. Medicatie is echter een noodzakelijk onderdeel van de behandeling. De eerdere overweging om geen tbs met dwangverpleging te adviseren, namelijk omdat dit een averechtse werking kan hebben op de behandeling, is daarmee achterhaald nu is gebleken dat verdachte niet te motiveren is tot medicatie inname. De deskundigen menen thans dat een tbs-maatregel met voorwaarden in combinatie met een zorgmachtiging onvoldoende kader biedt om het recidivegevaar tegen te gaan. Bij deze stand van zaken wordt geadviseerd een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.\n\nDe rechtbank constateert dat verdachte al een lange tijd zorgelijk gedrag vertoont. De politie heeft een proces-verbaal opgemaakt waarin melding wordt gemaakt van een grote hoeveelheid mutaties die dateren van 2013 tot en met juli 2022. Verdachte kent ook een lange geschiedenis in de geestelijke gezondheidszorg. Van oktober 2020 tot en met januari 2021 heeft een klinische opname plaatsgevonden in het kader van een zorgmachtiging. Vanuit de [GGD] is hij betrokken bij de Gemeentelijke aanpak PPPG: psychiatrische patiënten, potentieel gevaarlijk. Deze interventies hebben tot nu toe nog niet het gewenste resultaat gehad.\n\nGelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de tbs-maatregel met voorwaarden ontoereikend is vanwege het gebrek aan ziekte inzicht bij verdachte en de beoordeling dat een strenger (dwang)kader nodig zal zijn, in ieder geval voor het innemen van medicatie. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat ook op dit moment in het PPC problemen zijn ontstaan met betrekking tot de medicatie inname. De rechtbank ziet de terbeschikkingstelling met dwangverpleging als enig toereikend middel en zal dit gelasten.\n\nDe rechtbank overweegt dat voldaan wordt aan de eisen die de wet stelt aan het opleggen van de terbeschikkingstelling, te weten: bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op de gepleegde misdrijven, te weten verkrachting (feit 1 primair) en wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2) is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld. En tot slot eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die maatregel.\n\nDe rechtbank overweegt dat de terbeschikkingstelling niet in duur is beperkt, nu deze onder meer wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten verkrachting.\n\nGedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe rechtbank ziet ook aanleiding om naast de tbs-maatregel aan verdachte een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. De rechtbank acht de oplegging van deze maatregel noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen.\n\n8. Vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert €418,12 aan vergoeding van materiële schade en €7.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe officier van justitie en de raadsman stellen zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, voor zover het de materiële schade betreft. Volgens de raadsman is de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk ten aanzien van de immateriële schade. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de immateriële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.000,-.\n\nImmateriële schade\n\nVast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer] ontvankelijk is in haar vordering. Op grond van de ernst van het bewezen verklaarde, de namens de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, matigt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op €1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 8 juli 2022. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank overweegt dat vaststaat dat de benadeelde partij de gevorderde reiskosten heeft gemaakt als gevolg van het bewezen verklaarde. Bij het bepalen van de hoogte van de reiskosten is aangesloten bij artikel 11, eerste lid onder d van het Besluit tarieven in strafzaken (hierna: het Besluit), dat uitgaat van een bedrag van € 0,28 per kilometer. De rechtbank is van oordeel dat de gemaakte reiskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Anders dan is aangevoerd namens de benadeelde partij en met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet valt onder de personen genoemd onder artikel 11, eerste lid onder d van het Besluit. Wel komt zij in aanmerking voor de standaardvergoeding van € 0,19 per kilometer. Dit betekent dat een bedrag van € 15,69 wordt toegewezen; voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.\n\nHet kan worden vastgesteld dat de ondergoed van de benadeelde partij in beslag is genomen in het kader van het opsporingsonderzoek; zij heeft dit niet teruggekregen. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij daardoor schade heeft geleden en dat die schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde. De gevorderde schade wordt dan ook toegewezen.\n\nDe benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de post zorgkosten niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit bedrag ziet op toekomstige kosten en betreft daarmee geen door de benadeelde partij geleden schade. Een rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde kan daarmee niet worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.525,69,-. Gelet op de zeer beperkte financiële draagklacht van verdachte, in verband met de huidige detentie en de opgelegde tbs-maatregel, zal de rechtbank bepalen dat bij niet-betaling maximaal 1 (één) dag gijzeling kan worden bevolen.\n\n9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 242 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart het onder 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nfeit 1, primair:\n\nverkrachting;\n\nfeit 2:\n\nopzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nfeit 3, subsidiair:\n\neen ander door enige andere feitelijkheid gericht hetzij tegen die ander wederrechtelijk dwingt iets te doen.\n\nTen aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair:\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaathemvan alle rechtsvervolgingter zake daarvan.\n\nTen aanzien van de feiten 1 primair en 2:\n\nGelast dat verdachte ter beschikkingwordtgestelden beveelt dat hijvan overheidswege wordt verpleegd.\n\nLegt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nTen aanzien van de vordering benadeelde partij:\n\nWijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van €1.525,69 (duizend vijfhonderdvijfentwintig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 1.500,- (duizendvijfhonderd euro) immateriële schade en € 25,69 (vijfentwintig euro en negenenzestig cent) materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 juli 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat €1.525,69 (duizend vijfhonderdvijfentwintig euro en negenenzestig cent), bestaande uit € 1.500,- (duizendvijfhonderd euro) immateriële schade en € 25,69 (vijfentwintig euro en negenenzestig cent) materiële schade, te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 juli 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. A.S. Dogan, voorzitter,\n\nmrs. P.L.C.M. Ficq en K.M.A. van der Heijden, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2023.\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:7980","2023-12-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:37.179Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":50,"updatedAt":71},"1074","ECLI:NL:RBMNE:2023:7832","ecli-nl-rbmne-2023-7832",63,"2023-09-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummers: 16\u002F137676-23 (P); 21-004330-19 en 96-328212-20 (vord. TUL)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 20 september 2023\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende op de [adres 1] , [postcode] [woonplaats] , thans gedetineerd te Justitieel Complex [locatie] te [plaats] ,\n\nhierna: verdachte.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 september 2023.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. S. Mirshahi en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Zeist, naar voren hebben gebracht.2. TENLASTELEGGING\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nFeit 1op 23 februari 2023 te Eemnes heeft geprobeerd om goederen te stelen van [aangever 1] , [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3] in een woning aan de [adres 2] door middel van braak, verbreking, inklimming en\u002Fof valse sleutel;\n\nFeit 2primairop 13 februari 2023 te Baarn samen met (een) ander(en) in een woning aan de [adres 3] een of meerdere sieraden heeft gestolen van [aangever 4] en\u002Fof [aangever 5] door middel van braak, verbreking en\u002Fof inklimming;\n\nsubsidiairop 13 februari 2023 te Baarn opzettelijk een ruit heeft vernield van [aangever 4] en\u002Fof [aangever 5] ;\n\nFeit 3primairin de periode van 5 mei 2022 tot en met 27 februari 2023 te Baarn een hoeveelheid benzine van [bedrijf] heeft gestolen;\n\nsubsidiairin de periode van 5 mei 2022 tot en met 27 februari 2023 te Baarn een hoeveelheid benzine van [bedrijf] heeft verduisterd.3. VOORVRAGEN\n\nDe dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.4. WAARDERING VAN HET BEWIJS\n\n4.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het onder feit 1, feit 2 primair en feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie voert ten aanzien van feit 1 aan dat het verhaal van verdachte dat hij niet binnen is geweest ongeloofwaardig is, aangezien zijn DNA is aangetroffen op de binnenzijde van het raam. Over feit 3 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er sprake is van diefstal en niet van verduistering. Verdachte heeft opzet gehad op de weggenomen hoeveelheid benzine, omdat hij geen geld had ten tijde van het tanken maar ook niet binnen de 48 uur zoals voorgeschreven op het tanken zonder betalen formulier van het tankstation.\n\n4.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 3 primair ten laste gelegde. Hij voert aan dat verdachte niet de intentie heeft gehad om de benzine weg te nemen, waardoor er geen sprake is van diefstal. Verdachte is vaker bij het tankstation geweest en heeft daar zijn naam, geboortedatum, burgerservicenummer en e-mailadres achtergelaten. De raadsman refereert zich voor wat betreft de overige feiten aan het oordeel van de rechtbank.\n\n4.3. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1. Bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde\n\nBewijsmiddelen\n\nDe verklaring van verdachte ter terechtzitting\n\nOp 23 februari 2023 was ik bij de woning aan de [adres 2] te [plaats] . Ik was daar met het plan om in te breken. In de tuin heb ik een hamer gevonden.\n\nDe aangifte van [aangever 1]\n\nOp 23 februari 2023 kwam ik terug bij mijn woning aan de [adres 2] te [plaats] . Ik en mijn kleinkinderen zagen toen een man vanaf mijn woning, rechterzijde, wegrennen. Ik zag dat het badkamerraam ingeslagen was en er glas op de grond lag. In mijn slaapkamer waren laadjes opengemaakt. Ik zag dat er een hamer op mijn bed lag. Ik heb die daar niet neergelegd.\n\nEen proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] [plaats] )\n\nIk zag vanaf de oprit dat het raam rechts van de voordeur kapot was. Ik zag dat dit raam behoort bij de badkamer. Ik zag op de grond van de badkamer glasdelen liggen.Ik heb het handvat van de afsluithaak van het badkamerraam bemonsterd op de mogelijke\n\naanwezigheid van epitheel en de bemonstering veiliggesteld en gewaarmerkt (SIN: AAQD7193NL).\n\nIk zag dat in de slaapkamer, grenzend aan de badkamer, meerdere lades en kasten openstonden. Ik zag dat op het bed een hamer met houten steel lag. Ik heb de houten steel van de hamer bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van epitheel en de bemonstering veiliggesteld en gewaarmerkt (SIN: AAQD7194NL). In de sluitnaad aan de onderkant van het badkamerraam, onder het gat in het raam, zag ik een indrukspoor van een werktuig. Ik zag dat afmeting van het indrukspoor overeenkomstig was met de breedte van de kop van de hamer.\n\nEen deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek\n\nTabel 1 – Resultaat van het DNA-onderzoek\n\nBemonstering\n\nDNA-profiel\n\nMogelijke donor van celmateriaal\n\nHandvat afsluithaak binnenzijde badkamerraam AAQD7193NL\n\nDNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.\n\nHet DNA-mengprofiel is geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek met het DNA-profiel van een persoon.\n\n [verdachte]\n\nBemonstering steel hamer AAQD7194NL\n\nDNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.\n\nHet DNA-mengprofiel is geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek met het DNA-profiel van een persoon.\n\n [verdachte]\n\nTabel 2 – DNA-profiel(en) opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken\n\nSIN\n\nDatum vergelijking\n\nMogelijke donor van celmateriaal\n\nBemonstering steel hamer AAQD7194NL\n\n7 maart 2023\n\n [verdachte] RABC6826NL\n\nGeboren op [geboortedatum] 2000\n\nSKN 8962402\n\n4.3.2. Bewezenverklaring van het onder feit 2 primair ten laste gelegde\n\nVerdachte heeft het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:\n\nde verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 september 2023;\n\neen in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 20 februari 2023, genummerd PL0900-2023045632-3, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 4] namens [aangever 5] , doorgenummerde pagina 13 tot en met 16 van proces-verbaal nr. PL0900-2023126247.\n\n4.3.3. Bewezenverklaring van het onder feit 3 primair ten laste gelegde\n\nBewijsmiddelen\n\nDe verklaring van verdachte ter terechtzitting\n\nIk heb op 5 mei 2022, 25 oktober 2022 en 27 februari 2023 getankt zonder te betalen bij [bedrijf] te Baarn . Ik had op het moment van tanken geen geld. Ik kreeg meestal aan het einde van de week op vrijdag geld. Ik heb niet binnen 48 uur betaald omdat ik er niet aan dacht of geen geld had.\n\nDe aangifte van [aangever 6] namens [bedrijf]\n\nPlaats delict: Baarn\n\nPleegdatum: Op 27 februari 2023\n\nMeneer heeft getankt, komt binnen en zegt geen pas bij te hebben. Er is een formulier ingevuld en hij heeft 48 uur de tijd gehad om te betalen, maar deze meneer blijkt achteraf een notoire wanbetaler te zijn! Er staan nog meerdere facturen open bij ons incassobureau.Object: benzine.\n\nDe aangifte van [aangever 7] namens [bedrijf]\n\nDatum feit: 05-05-2022.\n\nKlant had getankt bij binnenkomst kwam hij er achter dat hij zijn portemonnee vergeten was nadat hij een uitgestelde betalingsformulier had ingevuld werd hem uitgelegd binnen 48 uur te komen betalen op het tankstation dat is niet gebeurd.\n\nMeneer is een vaste klant bij ons. Hij kwam halverwege het tanken naar binnen lopen om te zeggen dat hij weer zijn portemonnee vergeten was. Ik heb meneer ter herinnering gebeld op 9 mei 2022 op het telefoonnummer die hij heeft achtergelaten. Na een half uur tot een uur wordt ik terug gebeld door het zelfde nummer en ik krijg een geheel ander persoon aan de telefoon.\n\nDe aangifte van [aangever 8] namens [bedrijf]\n\nDatum feit: 25-10-2022.\n\nMan tankt, maar kan niet betalen. Hij heeft een formulier ingevuld en is weggegaan.\n\nBewijsoverweging\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het wederrechtelijk toe-eigenen van de brandstof, zoals onder feit 3 ten laste is gelegd, het strafbare feit diefstal of verduistering oplevert. Van diefstal is sprake als de verdachte de brandstof met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegneemt, welk oogmerk hij al ten tijde van het tanken dient te hebben. Van verduistering is sprake als de verdachte de brandstof anders dan door misdrijf onder zich heeft en hij zich deze wederrechtelijk toe-eigent. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat met name de intentie waarmee de verdachte heeft getankt van belang is. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte telkens op het moment dat hij ging tanken geen geld had om de benzine te betalen. Verdachte had bovendien 48 uur na het tanken nog steeds geen geld, terwijl hij volgens het telkens door hem ondertekende formulier van het tankstation binnen 48 uur moest betalen. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte reeds voorafgaand aan het tanken de intentie had om niet voor de benzine te betalen. Het handelen van verdachte kwalificeert daarom als diefstal, meermalen gepleegd.5. BEWEZENVERKLARING\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:\n\nFeit 1\n\nop 23 februari 2023 te Eemnes, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en\u002Fof op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, goederen van zijn gading, die geheel of ten dele aan [aangever 1] , [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3] , toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming\n\n- de tuin behorend bij die woning is ingegaan\n\n- met een hamer een ruit heeft ingeslagen\n\n- die woning is ingegaan en\n\n- meerdere kastdeuren en lades heeft geopend,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nFeit 2 (primair)\n\nop 13 februari 2023 te Baarn , tezamen en in vereniging met een ander, in een woning gelegen aan de [adres 3] , alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, meerdere sieraden die geheel of ten dele aan [aangever 4] en\u002Fof [aangever 5] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, en inklimming;\n\nFeit 3 (primair)\n\nop meer tijdstippen in de periode van 5 mei 2022 tot en met 27 februari 2023 te Baarn , telkens een hoeveelheid benzine die geheel of ten dele aan [bedrijf] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1: poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;\n\nfeit 2 primair: diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden;\n\nfeit 3 primair: diefstal, meermalen gepleegd.7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE\n\nEr is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.8. OPLEGGING VAN STRAF\n\n8.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van het voorarrest.\n\n8.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman stelt zich op het standpunt dat de geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden niet passend is. Hij voert aan dat verdachte verantwoordelijkheid heeft getoond en inmiddels een positieve weg is ingeslagen. Verdachte is bereid om mee te werken aan alle voorwaarden en de reclassering is bereid om met verdachte aan de slag te gaan. De raadsman acht een gevangenisstraf van tien maanden met een voorwaardelijke strafdeel en de geadviseerde bijzondere voorwaarden passend. Hij geeft aan dat het onvoorwaardelijke deel van de straf zo veel mogelijk gelijk aan het voorarrest moet zijn.\n\n8.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging woninginbraak en een woninginbraak met een ander. Een woninginbraak is een naar en ernstig feit, dat bij de bewoners een gevoel van onveiligheid teweegbrengt en forse inbreuk maakt op hun privacy. Het is voor slachtoffers vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning of op hun erf is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Verdachte heeft bij de voltooide inbraak onvervangbare sieraden weggenomen en de slachtoffers daarmee iets afgenomen dat niet alleen een financiële, maar ook een emotionele waarde vertegenwoordigde zoals ook is gebleken tijdens de zitting. Daarnaast heeft verdachte meerdere malen bij hetzelfde tankstation een hoeveelheid benzine getankt zonder te betalen. Diefstal veroorzaakt hinder en financiële schade voor de gedupeerde uitbater van het tankstation. Verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van het vertrouwen van de medewerkers van het tankstation door een formulier voor tanken zonder te betalen in te vullen maar vervolgens niets meer van zich te laten horen of daadwerkelijk te betalen.\n\nPersoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 8 september 2023. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Het strafblad zal dan ook in strafverzwarende zin worden meegewogen.\n\nBovendien heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 29 augustus 2023, opgemaakt door A.M. Schüle, reclasseringsmedewerker. Uit het reclasseringsrapport blijkt onder meer het volgende:\n\nOp basis van ons onderzoek wordt de kans op recidive in algemene zin ingeschat als hoog. Dit op basis van betrokkenes delictgeschiedenis, zijn psychosociaal functioneren, de invloeden vanuit zijn sociale netwerk en middelenmisbruik. Daarnaast zijn ook het ontbreken van een structurele dagbesteding en vast inkomen risicoverhogende factoren. Beschermende factoren hebben wij niet kunnen vaststellen. Wel is het positief dat betrokkene na detentie huisvesting heeft en hij voornemens is om de werkzaamheden binnen zijn onderneming te zullen voortzetten.\n\nBlijkens de rapportages van de jeugdreclassering verliep het begeleidingstraject in het kader van GBM met betrokkene enigszins positief. Betrokkene werkte mee aan de begeleiding en het lukte hem om een gestructureerde dagbesteding en een inkomen te realiseren. Daarnaast was zijn softdrugsgebruik afgenomen. Zijn gezinsmanager, de heer [A] , beschrijft in zijn rapportages dat er sprake is van een positieve ontwikkeling van betrokkene. De begeleiding bij de jeugdreclassering is naar aanleiding van de onderhavige strafzaak opgeschort.\n\nDe reclassering acht, bij een bewezenverklaring en gelet op het hoge recidiverisico, een nieuw begeleidingstraject bij de (volwassenen)reclassering geïndiceerd. Echter, de haalbaarheid van gedragsverandering wordt ingeschat als laag, omdat betrokkene een behandeling onder andere gericht op delictpreventie zelf niet nodig vindt.\n\nBij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:\n\n• meldplicht bij reclassering;\n\n• ambulante behandeling;\n\n• dagbesteding;\n\n• meewerken aan schuldhulpverlening;\n\n• meewerken aan middelencontrole.\n\nDe rechtbank neemt voorgaande conclusies en bevindingen over en maakt die tot de hare.\n\nOp te leggen straf\n\nGelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank heeft voor het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS). Deze oriëntatiepunten nemen voor een voltooide woninginbraak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden als uitgangspunt wanneer sprake is van recidive. Verdachte is een recidivist en heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak in vereniging, een poging woninginbraak en meerdere diefstallen van benzine, terwijl hij in een proeftijd liep. Deze strafbare feiten rechtvaardigen in beginsel een gevangenisstraf van tien maanden.\n\nDe rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, zoals geëist door de officier van justitie, echter niet passend. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte een jongvolwassene is die gebaat is bij hulp en te kennen heeft gegeven bereid te zijn om mee te werken aan alle voorwaarden. De rechtbank weegt ook mee dat verdachte ter zitting zijn excuses heeft aangeboden aan het slachtoffer en openheid van zaken heeft gegeven.\n\nAlles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van tien maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend en geboden is.\n\n9. VORDERING TENUITVOERLEGGING\n\n9.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging dienen te worden toegewezen, omdat verdachte zich in de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.\n\n9.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging van 2 weken gevangenisstraf (parketnummer 96-328212-20) dient te worden afgewezen, omdat dit geen soortgelijk feit betreft. Over de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van 4 maanden jeugddetentie (parketnummer 21-004330-19) merkt de raadsman op dat het tegen het einde van de proeftijd is misgegaan. Hij verzoekt de rechtbank om de vordering gedeeltelijk ten uitvoer te leggen en de jeugddetentie om te zetten naar een werkstraf.\n\n9.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van 2 weken gevangenisstraf en de vordering tot tenuitvoerlegging van 4 maanden jeugddetentie toewijzen. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan (vergelijkbare) strafbare feiten. Om die reden zullen deze straffen alsnog ten uitvoer gelegd worden. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn wil om te werken ziet de rechtbank echter aanleiding om deze vrijheidsbenemende straffen om te zetten in werkstraffen.\n\nDe rechtbank zal de tenuitvoerlegging van 2 weken gevangenisstraf gelasten, te vervangen door een werkstraf van 60 uren. Bij het bepalen van de duur van de vervangende hechtenis voor het geval verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht, wordt aansluiting gezocht bij de oorspronkelijk opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf. De vervangende hechtenis mag daarbij de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf niet overstijgen. Indien verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht, wordt deze dus vervangen door 14 dagen hechtenis.\n\nDe voorwaardelijk opgelegde 4 maanden jeugddetentie moet worden tenuitvoergelegd als een gevangenisstraf, aangezien verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet meer voor jeugddetentie in aanmerking komt. Deze gevangenisstraf zal worden omgezet in een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 4 maanden hechtenis indien verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht.10. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.11. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het onder feit 1, feit 2 primair en feit 3 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;\n\n- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart het onder feit 1, feit 2 primair en feit 3 primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nOplegging straf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van tien (10) maanden;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van drie (3) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en\u002Fof bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;\n\n- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:\n\n* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n* dat verdachte zich meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\n* dat verdachte zich laat behandelen door Forensische Ambulante Zorg (FAZ Utrecht) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdiepingsdiagnostiek zal onderdeel zijn van de behandeling. De behandeling start zodra deze beschikbaar is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;\n\n* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\n* dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;\n\n* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van drugs en\u002Fof lachgas om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nVordering tenuitvoerlegging met parketnummer 21-004330-19\n\n- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden bij arrest van 2 februari 2021 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf toe;\n\n- bepaalt dat de voorwaardelijke jeugddetentie ten uitvoer moet worden gelegd als gevangenisstraf;\n\n- gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf voor de duur van 240 uren;\n\n- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 4 maanden hechtenis;\n\nVordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96-328212-20\n\n- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 22 april 2021 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf toe;\n\n- gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf voor de duur van 60 uren;\n\n- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 14 dagen hechtenis;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.C. Piet, voorzitter, mr. G.A. Bos en mr. F.H. Schormans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 september 2023.\n\nMr. G.A. Bos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 23 februari 2023 te Eemnes, althans in het arrondissement\n\nMidden-Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nin een woning en\u002Fof op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de\n\n [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de\n\nrechthebbende bevond,\n\ngoederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan\n\n [aangever 1] , [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3] , in elk geval\n\naan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk\n\nom het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en\u002Fof dat\u002Fdie weg te\n\nnemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking,\n\ninklimming en\u002Fof een valse sleutel\n\n-(via een hek) de tuin behorend bij die woning is ingegaan\n\n-met een hamer een ruit heeft ingeslagen\n\n-die woning is ingegaan en\u002Fof\n\n-één of meerdere kastdeuren en\u002Fof lades heeft geopend,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf\u002Fsub 3 Wetboek van Strafrecht, art\n\n311 lid 1 ahf\u002Fsub 5 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 2 Wetboek van Strafrecht, art\n\n45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2\n\nhij op of omstreeks 13 februari 2023 te Baarn , althans in het arrondissement\n\nMidden-Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nin een woning en\u002Fof op een besloten erf waarop een woning stond, te weten gelegen\n\naan de [adres 3] , alwaar verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich buiten\n\nweten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\néén of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [aangever 4]\n\n en\u002Fof [aangever 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn\n\nmededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich\n\nwederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het\n\nmisdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof dat\u002Fdie weg te nemen goederen onder\n\nzijn\u002Fhaar\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbreking\n\nen\u002Fof inklimming;\n\n( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf\u002Fsub 3 Wetboek van Strafrecht, art\n\n311 lid 1 ahf\u002Fsub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf\u002Fsub 5 Wetboek van\n\nStrafrecht, art 311 lid 2 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 13 februari 2023 te Baarn , althans in het arrondissement\n\nMidden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed,\n\ndat\u002Fdie geheel of ten dele aan [aangever 4] en\u002Fof [aangever 5] , in elk geval aan een\n\nander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof\n\nweggemaakt\n\n( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 mei 2022 tot en met\n\n27 februari 2023 te Baarn , althans in het arrondissement Midden-Nederland,\n\n(telkens) een hoeveelheid benzine, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n( art 310 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 mei 2022 tot en met\n\n27 februari 2023 te Baarn , althans in het arrondissement Midden-Nederland,\n\n(telkens) opzettelijk een hoeveelheid benzine, in elk geval een hoeveelheid\n\nbrandstof, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan\n\neen ander of anderen dan aan verdachte\n\nen welke benzine verdachte bij een voor zelfbediening ingerichte\n\nbenzinepompinstallatie, gelegen aan [adres 4] , had getankt, onder gehoudenheid\n\ndie benzine te betalen en welke benzine verdachte aldus en in elk geval anders dan\n\ndoor misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;\n\n( art 321 Wetboek van Strafrecht )\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 6 juni 2023, genummerd PL0900-2023126247, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 154. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 september 2023.\n\n Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , pagina 21.\n\nEen proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] [plaats] ), pagina 76.\n\n Een proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] [plaats] ), pagina 77-78.\n\n Een geschrift, te weten een TMFI-rapport van 7 maart 2023, pagina 99.\n\n Een geschrift, te weten een TMFI-rapport van 7 maart 2023, pagina 99.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 6 juni 2023, genummerd PL0900-2023126247, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 154. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 september 2023.\n\n Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] namens [bedrijf] , pagina 142.\n\n Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] namens [bedrijf] , pagina 142.\n\n Een geschrift, te weten de aangifte van [aangever 7] namens [bedrijf] , pagina 135.\n\n Een geschrift, te weten de aangifte van [aangever 7] namens [bedrijf] , pagina 130.\n\n Een geschrift, te weten de aangifte van [aangever 8] namens [bedrijf] , pagina 121.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:7832","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.733Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":50,"updatedAt":80},"1320","ECLI:NL:RBAMS:2023:5260","ecli-nl-rbams-2023-5260","2023-08-24T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13.132823.23\n\nDatum uitspraak: 24 augustus 2023\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1994,\n\nwonende op het adres [adres] (niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen),\n\nthans gedetineerd te: [plaats detentie]\n\n1. Het onderzoek op de zitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 10 augustus 2023. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.R.F. van Raab van Canstein, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.I. L’Ghdas, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Beschuldiging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\n1. een diefstal in vereniging vergezeld van geweld, waarbij van [aangever] een telefoon (Apple iPhone 11 Pro) is weggenomen;\n\n2. een poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld, waarbij is gepoogd van [aangever] een horloge (merk Tudor) weg te nemen.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\n4.1.. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich aan beide ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt.\n\n4.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van beide ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende bewijs op basis waarvan de rol van verdachte als (mede)pleger kan worden aangetoond, gelet ook op de verklaring van verdachte dat hij niets met de diefstal te maken heeft en de situatie alleen wilde de-escaleren. Hij is weggerend voor de politie, omdat hij geen legale verblijfstatus heeft. Dat kan dus niet als belastend worden aangemerkt.\n\nMocht de rechtbank vinden dat het dossier voldoende bewijs bevat om verdachte als (mede)pleger aan te merken, heeft de raadsman subsidiair aangevoerd dat ten aanzien van de diefstal van de telefoon (feit 1) niet is gebleken dat het toegepaste geweld zag op het voorbereiden of vergemakkelijken daarvan, waardoor het in dit verband vereiste oogmerk ontbreekt. Verdachte moet dus in ieder geval van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. Feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nAangever, [aangever] , wordt op 28 mei 2023 kort na 04:45 uur door drie mannen benaderd. Nadat deze mannen aan aangever vragen of hij weet waar de tram is, loopt een van de mannen het trappetje op waarop aangever zit. Aangever staat op en wordt dan bij zijn linkerarm ter hoogte van zijn elleboog vastgepakt. Nadat aangever zich weet los te rukken en wegrent, krijgt hij een trap van achteren waardoor hij op de grond terecht komt. Eenmaal op de grond voelt aangever dat de drie mannen naar zijn horloge grijpen. Aangever houdt zijn horloge stevig vast en wordt ondertussen door de mannen tegen zijn benen getrapt. Tijdens de worsteling valt de telefoon van aangever uit zijn broekzak. Zodra een fietser ter plaatse komt rennen de drie mannen weg. De telefoon van aangever blijkt dan te zijn verdwenen.\n\nNadat de drie mannen zijn weggerend komt de politie ter plaatse. Aangever vertelt hen wat er is gebeurd en laat weten dat een van de mannen een opvallend rood trainingspak droeg. De vriendin van aangever, [vriendin van aangever] , traceert de telefoon van aangever via een app op haar iPhone. De laatst bekende locatie van de telefoon van aangever, is de [straat] ter hoogte van perceel [nummer] . Verbalisant [verbalisant] treft drie personen aan die naast elkaar op hun rug in de bosjes liggen. Wanneer verbalisant [verbalisant] de drie personen toeroept dat zij zijn aangehouden, slaan zij op de vlucht. Er volgt een achtervolging. Eén van de personen die in de bosjes lag wordt uiteindelijk aangehouden. Deze persoon draagt een rood traingingspak en blijkt verdachte te zijn.\n\n4.3.2.. Verdachte is medepleger\n\nDe rechtbank vindt op basis van de bovenstaande feiten en omstandigheden bewezen dat de drie mannen nauw en bewust hebben samengewerkt bij het wegnemen van de telefoon van aangever (feit 1) en ook in hun poging om het horloge van aangever weg te nemen (feit 2). Verdachte is één van die drie mannen. De afzonderlijke rollen zijn niet precies vast te stellen, maar dat is voor de bewezenverklaring van medeplegen ook niet nodig. Dat verdachte niets met de ten laste gelegde feiten te maken heeft en enkel de situatie wilde de-escaleren, vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Deze verklaring wordt weersproken door de verklaring van aangever en ook door de verklaring van getuige [getuige] . Uit beide verklaringen volgt dat aangever door drie mannen te grazen werd genomen. Daarnaast is verdachte samen met de twee medeverdachten gevlucht en later door de politie aangetroffen, terwijl hij naast deze medeverdachten in de bosjes lag. Ook hieruit blijkt het gezamenlijk handelen van de drie mannen. Dat verdachte vluchtte voor de politie omdat hij geen verblijfstatus heeft, vindt de rechtbank in het licht van het voorgaande evenmin geloofwaardig.\n\n4.3.3.. Wel geweld bij poging diefstal horloge, maar niet bij diefstal telefoon\n\nOp grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vindt de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten met geweld hebben geprobeerd het horloge van aangever weg te nemen (feit 2). Dat het geweld ook was gericht op het wegnemen van de telefoon van aangever (feit 1), kan echter niet worden bewezen. De toepassing van het geweld door de verdachten richtte zich vanaf het begin op het voorbereiden en het vergemakkelijken van het wegnemen van het horloge van aangever. De telefoon van aangever is tijdens de worsteling uit zijn broek gevallen en is daarmee als een bijkomstig gevolg van het toegepaste geweld in het bezit van verdachte en zijn mededaders gekomen. Het oogmerk om geweld toe te passen in relatie tot de diefstal van de telefoon kan niet worden bewezen. Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.\n\n4.3.4.. Conclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal van een telefoon in vereniging gepleegd (feit 1) en aan een poging tot diefstal van een horloge in vereniging gepleegd en vergezeld van geweld (feit 2).\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 28 mei 2023 te Amsterdam omstreeks 4:55, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen, een mobiele telefoon (te weten een Apple iPhone 11 Pro) die aan [aangever] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 28 mei 2023 te Amsterdam omstreeks 4:55, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een horloge (te weten van het merk Tudor) dat aan [aangever] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld tegen voornoemde [aangever] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken\n\n- die [aangever] met kracht bij de linker arm heeft vastgepakt en - die [aangever] met kracht tegen de rug heeft getrapt, ten gevolge waarvan die [aangever] ten val kwam en - (vervolgens) terwijl die [aangever] op de grond lag, met kracht aan het voornoemde horloge aan de arm van die [aangever] heeft getrokken en - met kracht het horloge van de arm van die [aangever] heeft af\u002Flosgetrokken en - die [aangever] meermaals tegen zijn benen heeft getrapt,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\n6. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straf\n\n8.1.. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen verklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie gaat daarbij uit van een eendaadse samenloop.\n\nDe officier van justitie is verder van mening dat het gebruik van een vuurwapen door de politie bij de aanhouding van verdachte een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert, maar dat verdachte hiervan geen nadeel heeft ondervonden. Om die reden dient dit volgens haar niet te leiden tot strafvermindering.\n\n8.2.. Het standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank beide ten laste gelegde feiten bewezen verklaren, sprake is van eendaadse samenloop.\n\nDe raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier blijkt dat een van de verbalisanten betrokken bij de aanhouding van verdachte zijn vuurwapen uit zijn holster heeft gehaald en daarmee op verdachte heeft gericht. Dit vuurwapengebruik is in strijd met artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, omdat er geen sprake is van een verdenking van een strafbaar feit dat ernstig genoeg is om het trekken van een vuurwapen te rechtvaardigen. Het nadeel dat verdachte heeft ondervonden bestaat uit een schending van zijn lichamelijke integriteit, te meer nu verdachte recent het slachtoffer is geweest van een schietincident. De raadsman vindt dat er naar aanleiding van het vormverzuim strafvermindering moet volgen.\n\nBij het bepalen van de straf moet ook rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging en aan een poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit als het eigendomsrecht van het slachtoffer, [aangever] . Naast dat dit soort feiten schokkend zijn voor de samenleving in het algemeen , leert de ervaring dat slachtoffers van dit soort misdrijven nog langdurig nadelige gevolgen kunnen ondervinden van wat hen is overkomen. In deze zaak speelt daarbij ook dat het slachtoffer als gevolg van het geweld dat tegen hem is gebruikt zijn pols heeft gebroken. Het slachtoffer zal hierdoor nog vaak ongewild herinnerd zijn aan wat hem op 28 mei 2023 is overkomen. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de twee bewezen verklaarde feiten dusdanig samenhangend zijn en zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspeelden, dat er moet worden gesproken van eendaadse samenloop. De diefstal in vereniging van de telefoon (feit 1) maakte onderdeel uit van de poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld (feit 2). De rechtbank neemt daarom dit laatste bewezen verklaarde feit als vertrekpunt voor de op te leggen straf.\n\nBij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging, die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken (LOVS). De rechtbank houdt rekening met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie dat aan het dossier is toegevoegd en waaruit blijkt dat verdachte zich eerder aan vermogensdelicten schuldig heeft gemaakt. Het oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging is, in geval van recidive, een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. In het nadeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat het slachtoffer een botbreuk aan de beroving heeft overgehouden en dat verdachte de feiten samen met anderen heeft begaan. De rechtbank komt tot een lagere straf dan vermeld in de oriëntatiepunten vanwege het hierna te bespreken vormverzuim.\n\nDe rechtbank is met de raadsman en officier van justitie van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier blijkt dat een van de verbalisanten tijdens de achtervolging die uiteindelijk tot de aanhouding van verdachte heeft geleid, zijn vuurwapen heeft getrokken en dit vuurwapen kort op de benen van verdachte heeft gericht. De rechtbank is van oordeel dat het doel dat de verbalisant tijdens het trekken van zijn vuurwapen nastreefde, namelijk het tot stilstand brengen en aanhouden van een verdachte waarvan niet is gebleken dat hij tijdens zijn vlucht over verzetsmiddelen beschikte, het gebruik van een vuurwapen niet rechtvaardigt en dat dit doel op een andere wijze had kunnen worden bereikt. Daarmee heeft de verbalisant artikel 7 van de Politiewet geschonden.\n\nAnders dan de officier van justitie, is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat verdachte nadeel heeft ondervonden als gevolg van het vormverzuim zoals hierboven omschreven. De raadsman heeft op de zitting betoogd dat verdachte recent het slachtoffer is geweest van een schietincident. De rechtbank neemt zonder meer aan dat een dergelijk incident traumatisch is en dat het opnieuw worden geconfronteerd met een vuurwapen onder deze omstandigheden gevoelens van angst en psychisch leed heeft veroorzaakt. Om dit nadeel te compenseren zal de rechtbank overgaan tot strafvermindering.\n\nAlles overwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n9. Beslag\n\nNaar aanleiding van de bewezen verklaarde feiten is het volgende voorwerp in beslag genomen:\n\n1 STK Pet (G6346924)\n\nDit goed is aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane feiten. Nu niet is gebleken aan wie dit goed toebehoort, zal het worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 55, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op, ten aanzien van feiten 1 en 2:\n\neendaadse samenloop van diefstal door twee of meer verenigde personen en poging tot diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan: 1 STK Pet (G6346924).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,\n\nmrs. E.G.M.M. van Gessel en L. Leerkes, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. J.M. Esschendal en R.R. Eijsten, griffiers,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2023.\n\n [(...)]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:5260","2023-08-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.849Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":50,"updatedAt":90},"284","ECLI:NL:RBROT:2023:5671","ecli-nl-rbrot-2023-5671",61,"2023-06-28T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 1\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 28 juni 2023\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte01]\n,\n\ngeboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres:\n\n[adres01] , [postcode01] [plaats01],\n\nraadsvrouw mr. J. van Wingerden, advocaat te Dordrecht.1.. Onderzoek op de terechtzitting\n\nGelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2023.2.. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.3.. Eis officier van justitie\n\nDe officier van justitie mr. J. Spaans heeft gevorderd:\n\nvrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;\n\nbewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde;\n\nveroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week met aftrek van voorarrest.4.. Waardering van het bewijs\n\nInleiding:\n\nOp grond van hetgeen is besproken ter zitting en op grond van het strafdossier is het volgende komen vast te staan:\n\nTijdens de jaarwisseling van 2022\u002F2023 hebben zich in het centrum van ’s-Gravendeel ernstige ongeregeldheden voorgedaan. Politiemensen die ter plekke dienst deden werden beschoten met vuurpijlen en zwaar vuurwerk dat werd gegooid vanuit een groep in het zwart geklede jongeren. Deze jongeren trokken door het dorp terwijl zij vernielingen pleegden en ook naar nietsvermoedende burgers vuurwerk gooiden. Op de [straatnaam01] , ter hoogte van [huisnummer01] , werden glimmende voorwerpen op de weg aangetroffen ter hoogte van een wegversmalling. Politiemedewerkers ontdekten dat het zelf geproduceerde kraaienpoten waren, kennelijk opzettelijk neergelegd om de banden van (politie)voertuigen lek te laten rijden. De politiemedewerkers moesten dekking zoeken om niet geraakt te worden en vroegen om versterking, in de vorm van de Mobiele Eenheid.\n\nToen de Mobiele Eenheid (verder: ME) omstreeks 01.30 uur arriveerde werd opnieuw geweld gepleegd en zwaar vuurwerk gegooid, onder meer bestaande uit witte bollen die na ontploffing een enorme drukgolf teweeg brachten in de onmiddellijke nabijheid van politiemensen. Na verloop van tijd kon een grote groep mensen door de ME ingesloten (‘ingeboxt’) worden, met het doel de orde en rust weer te laten keren. Terwijl deze groep mensen, waaronder de verdachte, ingesloten was, bleef het gooien van vuurwerk, het gooien van voorwerpen, het beledigen en schreeuwen, het opdringen en ander geweld in de richting van de ME voortduren. Enkelen probeerden te ontsnappen. Naar de ME werd opnieuw vuurwerk en andere projectielen gegooid om dit ontsnappen te ondersteunen. Tijdens dit insluiten is zeer zwaar illegaal vuurwerk gebruikt tegen de ME. Bij de ME’ers was er reële angst voor blijvend letsel. Door twintig politieambtenaren werd aangifte gedaan.\n\nDe officier van justitiestelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, te weten de poging doodslag\u002Fzware mishandeling als ook van het onder 2 ten laste gelegde, te weten het plegen van openlijk geweld tegen de politie. Ondanks dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte01] een verwerpelijk filmpje heeft opgenomen, is dat onvoldoende zwaarwegend of dragend voor een veroordeling van openlijk geweld.\n\nDe\n\nverdachteheeft ter zitting verklaard bij deze rellen aanwezig te zijn geweest doch hieraan niet te hebben deelgenomen. De verdachte zou niets hebben gegooid zodat hij van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daarnaast zou hij geen geweld hebben gebruikt, zodat hij ook van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft weliswaar deelgenomen aan een whatsappgroep in de dagen voorafgaand aan oudejaarsnacht en hij heeft een filmpje opgenomen op zijn mobiele telefoon toen hij was ingesloten door de ME. In dat filmpje spreekt hij samen met medeverdachte [medeverdachte01] over het doodschoppen of doodslaan van een agent. Daaruit kan echter geen voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het openlijk geweld worden afgeleid. De verdachte heeft namelijk niet deelgenomen aan het appgesprek. Het filmpje was niet meer dan een misplaatste grap en een verband tussen het filmpje en het geweld dat medeverdachte [medeverdachte01] later pleegde ontbreekt.\n\nBeoordeling:\n\nDe centrale vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is de vraag of de verdachte openlijk geweld heeft gebruikt tijdens de grote ordeverstoringen in deze oudejaarsnacht, waarbij bovendien door de verdachte zou zijn geprobeerd om tezamen met anderen \u002F een ander politiemensen te doden en \u002F of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.4.1.. \n\nVrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte eens dat dit feit niet met de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen bewezen kan worden. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte al dan niet met één of meer anderen geprobeerd heeft om politiemensen te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.4.2.. \n\nBewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.\n\nArtikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) – de openlijke geweldpleging wordt hierin strafbaar gesteld – beoogt een strafrechtelijke vertaling te geven aan de aantasting van de openbare orde door geweldpleging vanuit een groep. Dit brengt mee dat de verdachte die zelf geweld pleegt geen weet hoeft te hebben gehad van (al) het geweld dat is gepleegd door andere personen die deel uitmaakten van de samengekomen menigte, laat staan dat hij aan dat andere geweld een bijdrage moet hebben geleverd. Dat zou juist bij grootschalige verstoringen van de openbare orde waaraan de wetgever oorspronkelijk dacht een onmogelijke eis zijn geweest. Voldoende voor aansprakelijkheid was en is nog steeds dat men één van de geweldplegers was. Voorts brengt het mee dat alle door de verschillende personen uit de menigte gepleegde geweldshandelingen deel uitmaken van één en dezelfde verstoring van de openbare orde. De optelsom van al die individuele geweldshandelingen vormt als het ware de openbare orde verstorende openlijke geweldpleging waarvoor de verdachte mede aansprakelijk wordt gehouden. Anders gezegd: de afzonderlijke geweldshandelingen leveren samen één overtreding van artikel 141 Sr. op. Tot slot dient te worden vermeld dat het vaste rechtspraak is dat van ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert\u002Fheeft geleverd aan het (mede door anderen gepleegde) geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.\n\nHet is vanuit dit normkader van de strafbepaling die aan de verdachte wordt verweten dat de rechtbank het gedrag van de verdachte beoordeelt en zij neemt daar bij het volgende in haar overwegingen mee.\n\nDe verdachte heeft voorafgaand aan de jaarwisseling deelgenomen aan een appgroep waaraan naast de verdachte anderen (waaronder ook medeverdachte [medeverdachte01] ) hebben meegedaan. Hierin werd in de weken\u002Fdagen voorafgaand aan oudejaarsnacht gesproken over de aankomende jaarwisseling, over de aankoop van zwaar illegaal vuurwerk, over de komst van “tuig” naar het dorp in de oudejaarsnacht, werd concreet besproken om de camera’s van de in het dorp zich bevindende torenpaal af te plakken en waar om 23:08:29 uur op 31 december 2022 wordt gezegd:\n\n\"Wij zijn sgravendeel nu weeegje gassss drop niemand is gekker dan wij.\"\n\nDe verdachte heeft – zoals hij ter zitting heeft verklaard – zich sinds kort na twaalf uur tijdens de jaarwisseling in het centrum rond de rellen bevonden.\n\nOp de telefoon van de verdachte bevindt zich een filmpje, gemaakt op 1 januari 2023 te 1:01 uur UTC, te weten 2:01 uur plaatselijke tijd. genaamd\n\n“Agent pakt”.Hierin spreken de verdachte en [medeverdachte01] met elkaar waarbij [medeverdachte01] zegt:\n\"Als ik een agent pak, sla jij hem dan dood?\"De verdachte antwoordde:\n\"Als ik.. Als jij een agent pakt schop ik hem dood.\"De verdachte [medeverdachte01] , antwoordde:\n\"Nee. Ja.\" De verdachte antwoordde:\n\"Ja, is goed\"Vervolgens werd de camera van de telefoon van de verdachte gericht op een lid van de Mobiele Eenheid en iemand zei\n: \"Hij\".Kennelijk is dit filmpje gemaakt op een moment dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte01] door de ME waren ingesloten.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte01] trapte kort daarna, omstreeks 2:15 uur, tegen het schild van agent [verbalisant01] en werd vervolgens terzake openlijke geweldpleging aangehouden.\n\nOp basis van getuigenverklaringen en processen-verbaal van bevindingen stelt de rechtbank vast dat in de periode dat een groep mensen, die overlast hadden gegeven en waaronder de verdachte en [medeverdachte01] zich bevonden werden opgehouden door de mobiele eenheid, deze ME-ers werden bestookt met vuurwerk en andere projectielen. Mensen probeerden te ontsnappen uit deze situatie door geweld tegen de politie te gebruiken.\n\nOok is vastgesteld dat nadat de gehele groep was geïdentificeerd en was vertrokken, op de grond verschillende cobra’s, boksbeugels etc. door de politie zijn aangetroffen.\n\nDe verdachte heeft, hiermee ter zitting geconfronteerd, gezegd dat hij wel lid was van de appgroep, maar dat hij de appgesprekken grotendeels niet heeft meegekregen. Het filmpje is gemaakt nadat hij ruim een uur ingesloten had gestaan door de politie. Op een gegeven moment heeft hij toen voor de grap dat filmpje gemaakt. Hij heeft verklaard dat hij het filmpje op dat moment wel grappig vond, maar toen hij het terugzag niet meer, hij noemt het een misplaatste grap.\n\nDe rechtbank schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde. Er zijn in de appgroep teveel concrete gegevens door de politie aangetroffen die rechtstreeks in verband met de rellen van die nacht gebracht kunnen worden om deze verklaring van de verdachte aan te nemen. De rechtbank stelt vast dat in de appgesprekken en het filmpje blijkt van voorbereidingen voor gevechten met de ME in de oudejaarsnacht, waarbij illegaal vuurwerk zou worden gekocht, mogelijk bewijs vergarende instrumenten (camera’s) onklaar zouden worden gemaakt en gericht ME-ers werden aangewezen om geweld tegen uit te oefenen. De verdachte heeft op 30 december 2022 een bericht van de verdachte [medeverdachte01] doorgestuurd in die groepsapp. Daaruit leidt de rechtbank af dat hij wel degelijk deelnam aan die appgroep.\n\nHet geweld tegen de politieagent [verbalisant01] , die hierdoor pijn en letsel opliep, vormt een essentieel onderdeel van het openlijk geweld ter verstoring van de openbare orde. Anders dan de verdediging heeft bepleit ziet de rechtbank gelet op het korte tijdsverloop tussen het moment dat de verdachte en [medeverdachte01] het filmpje – dat later de naam “ [bestandsnaam01] ” heeft meegekregen – hebben gemaakt en het moment dat [medeverdachte01] tegen schild van [verbalisant01] heeft getrapt, wel een voldoende oorzakelijk verband tussen het filmpje en het gepleegde geweld zodat in het verlengde daarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan dat geweld heeft geleverd.\n\nDe in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen zijn niet alle door de verdachten verricht maar vormen tezamen met zijn bijdrage deze inbreuk op de openbare orde zoals door de officier van justitie is beschreven. Feit 2 is dan ook bewezen zoals hierna is aangegeven.4.3.. \n\nBewezenverklaring zonder nadere motivering van het onder 3 ten laste gelegde\n\nHet onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.4.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nIn bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.\n\nIn bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.\n\nDe verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:\n\n2.\n\nhij op 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard,\n\nopenlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen\n\nverbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk in de richting van voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant01] te trappen;\n\n3.\n\nhij op 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een prullenbak, die aan Gemeente Hoeksche Waard toebehoorde heeft vernield.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.5.. Strafbaarheid feiten\n\nDe bewezen feiten leveren op:\n\n2.\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.\n\n3.\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.6.. Strafbaarheid verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.7.. Motivering straf7.1.. \n\nAlgemene overweging\n\nDe straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.7.2.. \n\nFeiten waarop de straf is gebaseerd\n\nZoals hierboven onder 4 vermeld, hebben zich rond de jaarwisseling 2022 \u002F 2023 zeer ernstige ongeregeldheden voorgedaan. Het heeft er alle schijn van dat er sprake was van een vooropgezet plan om politieambtenaren en ME’ers in de val te lokken en fysieke schade toe te brengen, onder meer door het bekogelen van die politiemensen met zwaar, illegaal vuurwerk. Uit de aangiften blijkt dat de politieambtenaren, die toch gewend zijn aan het optreden in stressvolle situaties, oprecht bang waren dat zij er niet zonder ernstig letsel van af zouden komen. Meerdere politiemensen spraken van een oorlogssituatie, enkelen van hen overwogen zelfs om – uit lijfsbehoud – gericht op relschoppers te schieten.\n\nDe verdachte heeft in de aanloop naar deze rellen een rol gespeeld door deel te nemen aan opruiende WhatsApp-gesprekken. Verder nam hij deel aan een gefilmd gesprek over het doodschoppen van ME’ers. Dat was kort voordat medeverdachte [medeverdachte01] agent [verbalisant01] , op dat moment in functie als ME’er, tegen haar schild schopte en daardoor pijn en letsel toebracht. Dit alles gebeurde te midden van het ‘strijdtoneel’ waarin politieambtenaren met zwaar vuurwerk werden bekogeld. De verdachte was, door zijn opruiende rol en door het van politieambtenaren, mede verantwoordelijk voor het openlijk geweld dat door de grotere groep werd gepleegd.\n \nEerder, in de avond van 31 december 2022, heeft de verdachte een vuilnisbak opgeblazen met zwaar vuurwerk. Deze vernieling staat los van wat er later die nacht is gebeurd, maar past wel in het patroon van geweldpleging met behulp van zwaar vuurwerk.7.3.. \nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte7.3.1.. \n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.7.3.2.. \n\nRapportage\n\nReclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 mei 2023. Dit rapport houdt – onder meer en voor zover van belang – het volgende in.\n\nHet alcoholgebruik van de verdachte wordt als delictgerelateerd beschouwd, en zijn sociaal netwerk mogelijk ook. Uit het onderzoek komen geen aanwijzingen voor agressieproblematiek naar voren. De verdachte komt zijn afspraken in het kader van het schorsingstoezicht na. Positief is dat de verdachte na zijn vrijlating weer aan het werk is gegaan en dat hij wordt gesteund door zijn familie. De kans op recidive en letselschade wordt laag ingeschat. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de informatie van de reclassering.7.4.. \n\nConclusies van de rechtbank\n\nGelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.\n\nGezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan het reeds ondergane voorarrest. In plaats daarvan wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank legt de verdachte een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd, omdat zij feit 2 bewezen heeft verklaard.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.8.. Vorderingen benadeelde partijen\n\nTweeëntwintig politieagenten hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partijen [benadeelde partij01] ,\n\n[benadeelde partij02] , [benadeelde partij03] , [benadeelde partij04] , [benadeelde partij05] , [benadeelde partij06] , [benadeelde partij07] , [benadeelde partij08] , [benadeelde partij09] , [benadeelde partij10] ,\n\n[benadeelde partij11] , [benadeelde partij12] , [benadeelde partij13] , [benadeelde partij14] , [benadeelde partij15] , [benadeelde partij16] , [benadeelde partij17] , [benadeelde partij18] en [benadeelde partij19] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,- aan immateriële schade, de benadeelde partijen [benadeelde partij20] en [benadeelde partij21] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,- aan immateriële schade en de benadeelde partij [benadeelde partij22] vordert een vergoeding van € 750,- aan immateriële schade.8.1.. \n\nStandpunt officier van justitie\n\nOmdat er vrijspraak is gevorderd dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.8.2.. \n\nStandpunt verdediging\n\nDe benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering omdat er vrijspraak is bepleit.8.3.. \n\nBeoordeling\n\nDe benadeelde partijen zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard omdat thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 2 primair bewezen verklaarde feit. Daarbij heeft de rechtbank ervoor gekozen om ten aanzien van de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen uit te gaan van de door de verdachte gepleegde handelingen. Die hebben wel bijgedragen aan het door medeverdachte [medeverdachte01] gepleegde geweld, maar de verdachte heeft zelf geen geweldshandelingen gepleegd.\n\nNu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.8.4.. \n\nConclusie\n\nIn deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.9.. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nGelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 141 van het Wetboek van Strafrecht.10. . Bijlagen\n\nDe in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.11.. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;\n\nstelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een\n\ngevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nbepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot\n\n73 (drieënzeventig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;\n\ntenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde:\n\nde veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht zodat thans geen onvoorwaardelijk strafdeel resteert, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;\n\nverklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij01] , [benadeelde partij02] , [benadeelde partij20] ,\n\n[benadeelde partij03] , [benadeelde partij04] , [benadeelde partij05] , [benadeelde partij06] , [benadeelde partij21] , [benadeelde partij07] , [benadeelde partij08] , [benadeelde partij09] , [benadeelde partij10] , [benadeelde partij11] , [benadeelde partij12] , [benadeelde partij13] ,\n\n[benadeelde partij22] , [benadeelde partij14] , [benadeelde partij15] , [benadeelde partij16] , [benadeelde partij17] , [benadeelde partij18] en\n\n[benadeelde partij19] niet-ontvankelijk in de vorderingen;\n\nveroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.M. Havik, voorzitter,\n\nen mrs. G.P. van de Beek en C.J.L. van Dam, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.\n\nDe voorzitter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt ten laste gelegd dat\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof diens mededader(s) voorgenomen misdrijf om\n\néén of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant21] (hoofdagent) en\u002Fof [verbalisant22] (aspirant)\n\nen\u002Fof\n\néén of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , althans een of meer (andere) verbalisanten\n\nopzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten heeft\u002Fhebben afgeschoten en\u002Fof gegooid, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten heeft\u002Fhebben gegooid,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard,\n\nopenlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen\n\neen of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant21] (hoofdagent) en\u002Fof [verbalisant22] (aspirant)\n\nen\u002Fof\n\néén of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [verbalisant22] en\u002Fof [verbalisant21] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [verbalisant22] en\u002Fof [verbalisant21] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant01] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3.\n\nhij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:5671","2023-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.607Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":43,"courtId":95,"decisionDate":96,"fullText":97,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":50,"updatedAt":100},"1317","ECLI:NL:GHARL:2023:1187","ecli-nl-gharl-2023-1187",60,"2023-02-07T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-001626-21\n\nUitspraak d.d.: 7 februari 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2021 met parketnummer\n\n08-997004-17 in de strafzaak tegen\n\n [Verdacht B.V.] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte en haar raadslieden, mr. E. van der Meer en mr. W. Sleijfer, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank heeft bij vonnis van 25 maart 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van:\n\n feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013;\n\n feit 2: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 3: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 4: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018;\n\n feit 5: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018,\n\nveroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met aanvulling van gronden, behalve voor zover het betreft de strafoplegging.\n\nTen aanzien van de op te leggen straf komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.\n\nAanvulling van gronden\n\nTen aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat er zowel binnen het bestuursrecht als het civiele recht voldoende middelen bestonden om corrigerend op te treden, zodat er geen plaats is voor een strafrechtelijke vervolging. Daarnaast is er volgens de verdediging gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat verdachte en haar bestuurder [medeverdachte] zijn vervolgd en de Staat als privaatrechtelijke partij en tevens toezichthouder, niet. Ten slotte is aangevoerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel in combinatie met een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de Staat het in eerste instantie heeft nagelaten om handhavend op te treden terwijl de controlerende instanties op de hoogte waren van de winlocaties van verdachte, en de daadwerkelijke strafvervolging vervolgens veel te lang heeft geduurd. Alles samen maakt volgens de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ingestelde strafvordering.\n\nHet hof overweegt, in aanvulling op hetgeen door de rechtbank op pagina 8 tot en met 10 van het vonnis is overwogen, dat al de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, ook in samenhang bezien, niet maken dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte.\n\nVan gelijke gevallen in de zin van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, nu de rol van verdachte en die van de overheid als eigenaar van de gronden een geheel andere is. De overheid heeft door middel van het uitgeven van vergunningen, of door het niet verlenen daarvan, in beginsel voldaan aan zijn verplichting om te verhinderen dat zonder vergunning wordt ontgrond. Dat diezelfde overheid pas laat heeft ingegrepen met betrekking tot de overtreding van het verbod van artikel 3 van de Ontgrondingenwet (hierna: Ogw) door verdachte, is in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet relevant. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan verdachte daaraan geen rechten ontlenen.\n\nVerder overweegt het hof dat de in het kader van het gelijkheidsbeginsel aangehaalde Aanwijzingen voor de regelgeving evenmin in de weg staan aan ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien zij naar inhoud en strekking niet zijn aan te merken is als recht in de zin van artikel 79 van het Wet op de Rechterlijke Organisatie, waardoor geen horizontale of verticale werking door partijen aan die bepalingen kan worden ontleend.\n\nEr is geen sprake van een situatie waarin geen redelijk denkend lid van het openbaar ministerie tot een vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte had kunnen komen. Het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.\n\nTen aanzien van artikel 3 en 3a van de Ontgrondingenwet\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is nogmaals door mr. E. van der Meer bepleit dat verdachte niet zonder vergunning heeft ontgrond, omdat zij in de periode van 2011 tot en met 2013 een ontgrondingsvergunning had voor de Noordzee. In voorschrift 1.1. is het wingebied gedefinieerd doordat is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende indicatieve tekening met nummer [nummer] . Het winnen van schelpen buiten het aangegeven gebied valt volgens de verdediging aan te merken als het handelen in strijd met voorschriften van een bestaande vergunning, welk verbod is opgenomen in artikel 3a van de Ogw, en valt niet onder het zonder een vergunning ontgronden uit artikel 3 van de Ogw.\n\nHet hof overweegt dat voor zover artikel 3a Ogw van toepassing is, in ieder geval ook artikel 3 Ogw van toepassing is, omdat vaststaat dat verdachte in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013 in de Waddenzee en Noordzeekustzone schelpen heeft gewonnen terwijl zij daarvoor in die periode geen vergunning had.\n\nDat verdachte een begrip voor de Noordzee hanteert waarin geen onderscheid bestaat tussen de Noordzee en de Noordzeekustzone, dient voor haar rekening en risico te blijven. Op grond van de diverse vergunningen die aan verdachte zijn vertrekt, moet haar dat onderscheid duidelijk zijn geweest.\n\nAanvullende overweging ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5\n\nDat de zoon van de bestuurder van verdachte de betreffende opgaven aan het Rijksvastgoedbedrijf (hierna: RVB) zou hebben gedaan, omdat de bestuurder niet met computers overweg kan, maakt het verwijt dat in de tenlastegelegde feiten besloten ligt, niet anders. Het handelen van de bestuurder van verdachte en diens zoon kunnen aan verdachte worden toegerekend, nu sprake is van het handelen van een persoon die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en daaraan dienstig is geweest, terwijl de rechtspersoon erover kon beschikken dat de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nIndien het hof toch tot een veroordeling komt, is volgens de verdediging een schuldigverklaring zonder strafoplegging een passende afdoening gezien de houding van de Staat, die door verwijtbaar nalaten medeverantwoordelijk is voor de strafrechtelijke gang van zaken.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft in de periode van medio maart 2011 tot en met 2013 meerdere malen\n\nschelpen gewonnen op een winlocatie, waarvoor zij geen vergunning had (feit 1). Zij heeft\n\nschelpen gewonnen in de Noordzeekustzone en Waddenzee, een gebied waarbinnen meerdere partijen zich kunnen inschrijven per kavel. Of er kavels worden toebedeeld en hoe veel, is afhankelijk van het bedrag dat een partij ervoor over heeft. Verdachte had in de periode van 2011 tot en met 2013 enkel een vergunning voor het winnen van schelpen in de Noordzee. Voor die periode had verdachte geen kavels in de Noordzeekustzone of in de Waddenzee, en zij mocht derhalve in dit gebied geen schelpen winnen. Door dit alsnog te doen, heeft verdachte niet alleen de doelstellingen van het vergunningensysteem ondergraven, maar zichzelf ook financieel bevoordeeld ten opzichte van haar concurrenten.\n\nHet hof heeft geconstateerd dat de onder 1 tenlastegelegde feiten zo lang geleden zijn gepleegd dat het al gedeeltelijk is verjaard - voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft – en op korte termijn in zijn geheel zal verjaren in verband met de absolute verjaringstermijn als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof voorziet dat de aankomende verjaring reeds reden voor cassatie zou kunnen zijn. Om verdere procedures te voorkomen, en omdat het karakter en de verjaringstermijn van het onder 1 ten laste gelegde delict verschillen van die van de overige tenlastegelegde feiten, zal het hof de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde geen straf of maatregel opleggen.\n\nVerder heeft verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2019, gedurende acht jaren, in meerdere elektronische opgaven vermeld dat zij schelpen had gewonnen in het wingebied Noordzee, terwijl deze schelpen in werkelijkheid waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee of de Noordzeekustzone. Vervolgens heeft zij deze valse opgaven toegestuurd aan het RVB (feiten 2, 3, 4 en 5).\n\nNaar het oordeel van het hof zijn de bewezenverklaarde feiten van dien aard, dat hierbij niet kan worden volstaan met schuldigverklaring zonder strafoplegging. Verdachte – een partij die zich al jarenlang in de wereld van het winnen van schelpen begeeft – heeft gedurende een lange periode uiterst laakbaar gehandeld. In november 2014 is zij reeds gewezen op haar onjuiste handelen, maar dit heeft geen verschil teweeg gebracht in de handelwijze van de B.V. In de periode van 2011 tot en met 2018 was de prijs voor schelpen die werden gewonnen in het wingebied de Noordzee (veel) lager dan de prijs die moest worden betaald voor schelpen die waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone en door het handelen van verdachte is het RVB dan ook financieel benadeeld. Gelet hierop acht het hof een geldboete een passende straf bij de bewezenverklaarde feiten.\n\nUit het de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 22 december 2022 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken in eerste aanleg is overschreden. De rechtbank heeft een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren opgelegd en daarin is de overschrijding van de redelijke termijn ook al meegewogen. Het hof houdt in hoger beroep ook rekening met de overschrijding en zal geen straf opleggen die hoger is dan de straf die door de rechtbank is bepaald.\n\nHet gegeven dat de bestuurder van verdachte voor dezelfde feiten als in de onderhavige zaak straffen opgelegd krijgt, maakt dat het hof reden ziet om verdachte tot een geheel voorwaardelijke geldboete te veroordelen. Aangezien verdachte nog actief is als het gaat om het winnen van schelpen, zal de voorwaardelijke geldboete wel fors zijn, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst nog verkeerde wingebieden op zal geven en valse opgaven op zal sturen aan het KVB.\n\nIndien het hof de bewezenverklaring van feit 1 had betrokken in de strafoplegging zonder rekening te houden met het punt van verjaring, zou een zelfde straf zijn opgelegd als de rechtbank heeft gedaan.\n\nAlles overziend acht het hof een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 50.000,- met een proeftijd van drie jaren voor de feiten die onder 2, 3, 4 en 5 bewezen zijn verklaard, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nBepaalt dat ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nVeroordeelt de verdachte voor het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-,.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.W. Lensing, voorzitter,\n\nmr. W.M. Weerkamp en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,\n\nen op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 februari 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. D. Visser, voorzitter,\n\nmr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,\n\nmr. G. Ladjevardi, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1187","2023-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.655Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":105,"fullText":106,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":50,"updatedAt":108},"1054","ECLI:NL:RBMNE:2023:7828","ecli-nl-rbmne-2023-7828","2023-02-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummers: 16\u002F183400-22 en 16\u002F179380-22 (gev. ttz) (P)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2023\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] (China), thans gedetineerd te P.I. [locatie] ,\n\nhierna: verdachte.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 oktober 2022 en 23 januari 2023. Op laatstgenoemde datum is de zaak inhoudelijk behandeld.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.A. Nieli en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.2. TENLASTELEGGING\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\n(16\u002F183400-22)\n\nop 20 juli 2022 te Utrecht een of meer levensmiddelen van de [aangever] heeft gestolen;\n\n(16\u002F179380-22)\n\nfeit 1\n\nop 15 juli 2022 te Utrecht zich bij zijn staande houding en\u002Fof aanhouding met geweld heeft verzet tegen een of meer politieambtenaren;\n\nfeit 2\n\nop 15 juli 2022 te Utrecht opzettelijk een of meerdere politieambtenaren heeft beledigd.\n\n3. VOORVRAGEN\n\nDe dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.4. WAARDERING VAN HET BEWIJS\n\n4.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.\n\n4.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw voert geen bewijsverweer.\n\n4.3. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1. \n\nTen aanzien van het ten laste gelegde feit met parketnummer 16\u002F183400-22\n\nVerdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:\n\neen ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte nr. PL0900-2022211341-7 d.d. 20 juli 2022, opgemaakt door [verbalisant 1] (blz. 27 tot en met 31 van proces-verbaal nr. PL0900-2022211661), inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een Aangifteformulier voor winkeliers met bijlage d.d. 20 juli 2022 (blz. 4 tot en met 8 van proces-verbaal nr. PL0900-2022211661).\n\n4.3.2. Ten aanzien van feit 1 en feit 2 met parketnummer 16\u002F179380-22\n\nBewijsmiddelen\n\nEen proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 2]\n\nOp vrijdag 15 juli 2022 bevond ik mij samen met mijn collega [verbalisant 3] te Utrecht.\n\nHierop heb ik [verdachte] staande gehouden als verdachte.\n\nIk zag dat [verdachte] op mij afliep. Ik strekte mijn arm om afstand te creëren tussen mij en [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] het volgende zei: “Kom vechten dan, kanker Marokkaan, Kanker homo.”\n\nIk zag dat de [verdachte] een slaande beweging met zijn hand richting mij maakte. Ik zag dat hij opzettelijk en met kracht in de richting van mijn gezicht sloeg.\n\nIk pakte [verdachte] beet bij zijn armen. Ik zei dat [verdachte] rustig moest blijven. Ik zag en voelde dat [verdachte] zich los rukte uit mijn greep en slaande bewegingen maakte op mijn armen en gezicht.\n\nIk zei dat [verdachte] was aangehouden. Ik pakte [verdachte] vast aan zijn linkerarm. Ik voelde dat [verdachte] kracht zette om uit mijn greep te komen. Ik zei dat [verdachte] mee moest werken omdat ik anders geweld zou gebruiken. Ik paste een polsklem toe om [verdachte] onder controle te krijgen. Ik voelde dat [verdachte] kracht zette om uit mijn polsklem te komen. Ik zag dat mijn collega, [verbalisant 3] , zijn rechterarm vast pakte. Ik voelde dat [verdachte] zich verzette aan mijn klem en ik hoorde dat [verdachte] schreeuwde dat ik een “kanker homo” en een “kanker mietje” was.\n\n Ik hoorde dat mijn collega zei dat [verdachte] niet tot antwoorden verplicht was en recht had op een advocaat. Ik hoorde dat [verdachte] het volgende zei: “Kanker hoer.”\n\nIn de auto bleef verdachte schelden en beledigen. Ik hoorde dat hij zei: “Kanker homo, kanker Marokkaan. Je bent een mietje. Je hebt een kutje zeker.”\n\nEen proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 3]\n\nOp vrijdag 15 juli bevond ik mij samen met mijn collega [verbalisant 2] te Utrecht.\n\nWe besloten de man aan te spreken en staande te houden.\n\nIk hoorde de verdachte roepen tegen mijn collega: “Wil je vechten, kankerhomo.” Daarop zag ik dat de verdachte uithaalde met zijn arm naar mijn collega.\n\nIk zag dat de verdachte met zijn rechterbeen naar mijn collega schopte. Ik probeerde de verdachte naar de grond te trekken en zijn been te haken, maar ik zag dat dit niet lukte, omdat de verdachte zich telkens in een andere richting bewoog dan dat ik hem wilde hebben.\n\nOp de grond bleef verdachte zich schrap zetten en trappen.\n\nIk zei tegen de verdachte dat hij mee moest werken. Ik zag dat hij hieraan niet voldeed. Ik zei tegen de verdachte dat hij was aangehouden en ik deelde hem mede dat hij geen antwoord hoefde te geven. Ik hoorde hem daarop meerdere malen zeggen tegen mij : “Hou je bek, Kankerhoer.” Verder hoorde ik hem meerdere malen zeggen: “kankerhoer”.\n\nOok terwijl verdachte geboeid op de grond lag, bleef hij opzettelijk in onze richting trappen.\n\nVerdachte\n\nAchternaam: [verdachte] .\n\nDe hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.\n\n5. BEWEZENVERKLARING\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:\n\n(16\u002F183400-22)\n\nop 20 juli 2022 te Utrecht levensmiddelen die geheel aan [aangever] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n(16\u002F179380-22)\n\n1\n\nop 15 juli 2022 te Utrecht zich met geweld heeft verzet tegen meerdere politieambtenaren, te weten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de staandehouding en aanhouding van verdachte, door\n\n- te slaan en te schoppen en te trappen in de richting van die ambtenaren,\n\n- zich telkens te bewegen in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren hem probeerden te bewegen, en\n\n- kracht te zetten in zijn lichaam;\n\n2\n\nop 15 juli 2022 te Utrecht opzettelijk meerdere politieambtenaren, te weten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door die Jilali de woorden toe te voegen: “kanker Marokkaan”, “kanker homo”, “kanker mietje” en “ je hebt een kutje zeker” en door die [verbalisant 3] de woorden toe te voegen: “kankerhoer”.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:\n\nten aanzien van 16\u002F183400-22:\n\ndiefstal;\n\nten aanzien van 16\u002F179380-22:\n\nfeit 1: wederspannigheid;\n\nfeit 2: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, meermalen gepleegd.7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 12 januari 2023 opgesteld door D.J. Vinkers (psychiater) inzake de winkeldiefstal (parketnummer 16-183400-22). Uit het rapport volgt dat ten tijde van de bewezen verklaarde winkeldiefstal op 20 juli 2022 sprake was van een autismespectrumstoornis bij verdachte, maar dat de winkeldiefstal niet in dusdanige mate gerelateerd is aan de stoornis van verdachte dat gesproken kan worden van een vermindering van zijn toerekeningsvatbaarheid. Geadviseerd wordt de winkeldiefstal volledig aan verdachte toe te rekenen. Ten aanzien van de overige bewezen verklaarde feiten, gepleegd vijf dagen voorafgaand aan de winkeldiefstal, is de rechtbank evenmin gebleken van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte. Nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.8. OPLEGGING VAN MAATREGEL\n\n8.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren.\n\n8.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat oplegging van de ISD-maatregel in dit geval niet proportioneel is. De raadsvrouw is van mening dat het kader van een zorgmachtiging meer aangewezen is voor de situatie van verdachte. Volgens de raadsvrouw accepteert verdachte geen zorg en is het doel van een zorgmachtiging nu juist gelegen in het aanbieden van specifieke gedwongen zorg indien iemand de nodige zorg weigert. Verdachte heeft vooralsnog weinig zorg gekregen en het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel zal leiden tot kale detentie, mede gelet op de duur van het reeds ondergane voorarrest. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Indien de rechtbank toch tot oplegging van de ISD-maatregel komt, verzoekt de raadsvrouw de duur van het reeds ondergane voorarrest in mindering te brengen op de duur van de maatregel.\n\n8.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de op te leggen maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een veelvoorkomend feit, dat doorgaans naast ergernis ook financiële schade en overlast bij de gedupeerde bedrijven veroorzaakt. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij daaraan heeft bijgedragen.\n\nVerdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan wederspannigheid en belediging van twee politieambtenaren. Verdachte heeft, doordat hij zich agressief en vervelend heeft gedragen, de politieambtenaren gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun taak en hen in hun eer en goede naam aangetast. Politieambtenaren verrichten een publieke taak die dient te worden gerespecteerd. Verdachte heeft zich daarvan geen enkele rekenschap gegeven.\n\nPersoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van het op naam van verdachte staand uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van 21 september 2022, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nUit het voornoemde rapport van psychiater Vinkers d.d. 12 januari 2023 volgt dat de psychiater adviseert een ISD-maatregel op te leggen, zodat verdachte voor langere tijd in een gestructureerde omgeving kan verblijven en in geestelijk en lichamelijk opzicht kan herstellen. De psychiater ziet geen alternatieven voor de geadviseerde ISD-maatregel, ook niet in het kader van een zorgmachtiging. Volgens de psychiater is sprake van een hoog recidiverisico op grensoverschrijdend gedrag, zoals winkeldiefstal.\n\nVerder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 januari 2023, uitgebracht door Reclassering Fivoor. Hieruit volgt dat de reclassering een delictpatroon aangaande vermogensdelicten ziet en dat eerdere reclasseringscontacten niet hebben geleid tot een gedragsverandering of afname van het recidiverisico.\n\nDe reclassering sluit zich aan bij de bevindingen van de rapporteur Pro Justitia en adviseert aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Binnen die maatregel kan worden ingezet op het herstel van verdachte en het opbouwen van een humaan bestaan. De reclassering acht een zorgmachtiging onvoldoende om te kunnen komen tot een passend risicomanagement, omdat het behandelplan geheel onduidelijk is en verdachte afhankelijk is van de geneesheer-directeur voor het continueren van zorg. De looptijd van een zorgmachtiging, wanneer deze door een rechtbank aan verdachte wordt opgelegd, is slechts zes maanden. De geneesheer-directeur beslist na die periode of de zorgmachtiging al dan niet verlengd dient te worden. Indien verdachte stabiel functioneert zal de behandeling afgeschaald worden en zal verdachte doorstromen naar de reguliere\u002Fambulante zorg, waar weinig tot geen aandacht is voor risicosignalen en de verhoogde kans op recidive. Het vangnet binnen de zorgmachtiging is daarmee (te) beperkt.\n\nISD-maatregel\n\nDe rechtbank stelt vast dat aan alle criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan, zoals die (onder meer) volgen uit artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Bewezen is verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Voorts is gebleken dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten meer dan drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel en dat de onderhavige bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van die eerdere straffen. Uit voornoemde adviezen van de reclassering en de psychiater volgt bovendien dat het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, zodat er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Tevens volgt uit de adviezen dat in het geval van verdachte geen alternatieve afdoeningsmogelijkheden bestaan, waaronder begrepen het door de verdediging genoemde kader van een (civiele) zorgmachtiging, die een voldoende vangnet bieden en waarin afdoende aandacht wordt besteed aan het hoge risico op recidive. Blijkens de adviezen en het verhandelde ter terechtzitting is het – met het oog op het recidiverisico – noodzakelijk dat verdachte langere tijd in een stabiele omgeving verblijft en wordt behandeld, waarbij het nog maar de vraag is of twee jaar toereikend zal zijn in het geval van verdachte.\n\nGelet op het voorgaande en gezien de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, eist de veiligheid van personen of goederen naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISDmaatregel. Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van de problematiek van verdachte alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van belang dat voldoende tijd beschikbaar is. Daarbij past niet dat de ISD-maatregel voor kortere duur wordt opgelegd. Daarom zal de rechtbank verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren, waarop de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, niet in mindering zal worden gebracht.9. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN\n\nDe beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 181, 266, 267 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.10. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;\n\n- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nOplegging maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee (2) jaren;\n\nverstaat dat daarbij geen rekeningwordt gehouden met de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak is doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis, in een psychiatrisch ziekenhuis of in een instelling bestemd voor klinische observatie.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A. Maas, voorzitter, mr. A.A.T. Werner en mr. C.A.J. van Yperen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 februari 2023.\n\nBijlage: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\n16-183400-22\n\nhij op of omstreeks 20 juli 2022 te Utrecht\n\neen of meer levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan\n\n [aangever] , in\n\nelk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n( art 310 Wetboek van Strafrecht )\n\n16-179380-22\n\n1\n\nhij op of omstreeks 15 juli 2022 te Utrecht, althans in Nederland, zich met geweld\n\nen\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere\n\npolitieambtenaren, te weten [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] , werkzaam in\n\nde rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, te weten de\n\nstaandehouding en\u002Fof aanhouding van verdachte, door\n\n- te slaan en\u002Fof te schoppen en\u002Fof te trappen in de richting van die ambtenaren,\n\n- zich telkens te bewegen en\u002Fof te duwen in een richting tegengesteld aan die\n\nwaarin die ambtenaren hem probeerden te bewegen\u002Fbrengen, en\u002Fof\n\n- kracht te zetten in zijn lichaam;\n\n( art 180 Wetboek van Strafrecht )\n\n2\n\nhij op of omstreeks 15 juli 2022 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk een of\n\nmeerdere politieambtenaren, te weten [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] ,\n\ngedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening,\n\nin zijn\u002Fhaar\u002Fhun tegenwoordigheid,\n\nmondeling heeft beledigd, door die Jilali de woorden toe te voegen: “kanker\n\nMarokkaan”, “kanker homo”, “kanker mietje” en\u002Fof “ je hebt een kutje zeker”,\n\nalthans woorden van gelijke beledigende aard en\u002Fof strekking, en\u002Fof door die [verbalisant 3]\n\n de woorden toe te voegen: “kankerhoer”, althans woorden van\n\ngelijke beledigende aard en\u002Fof strekking;\n\n( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf\u002Fsub 2° Wetboek van\n\nStrafrecht )\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 19 juli 2022, genummerd PL0900-2022206182, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 18. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.\n\n Een proces-verbaal van bevindingen, p. 9.\n\n Een proces-verbaal van bevindingen, p. 10.\n\n Een proces-verbaal van bevindingen, p. 7.\n\n Een proces-verbaal van bevindingen, p. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:7828","2026-07-13T00:29:01.826Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":113,"fullText":114,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":50,"updatedAt":116},"992","ECLI:NL:RBMNE:2023:7824","ecli-nl-rbmne-2023-7824","2023-01-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F172283-22 (P)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2023\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren in 1990 [datum onbekend] te [geboorteplaats] , Somalië,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats,\n\nhierna: verdachte.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING\n\nDit vonnis op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 20 oktober 2022 en 12 januari 2023. Op die laatste datum is de zaak inhoudelijk behandeld.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. E. Wiersma en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.M.A.C. van de Wouw, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen benadeelde partij de heer [slachtoffer] heeft gezegd.2. TENLASTELEGGING\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte op 9 juli 2022 te Amersfoort [slachtoffer] in het gezicht en\u002Fof arm heeft gestoken met een mes of ander scherp en puntig voorwerp.\n\nDeze gedraging is in meerdere varianten ten laste gelegd: primair als een poging doodslag, subsidiair als zware mishandeling, meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling en ten slotte meest subsidiair als (eenvoudige) mishandeling.3. VOORVRAGEN\n\nDe dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om de zaak inhoudelijk te beoordelen.4. WAARDERING VAN HET BEWIJS4.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het meer subsidiaire ten laste gelegde feit – de poging zware mishandeling – wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\n4.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft betoogd dat de gedragingen van verdachte mishandeling (meest subsidiaire) opleveren. Verdachte heeft ontkend een mes of schaar te hebben gehad en daarmee te hebben gestoken. Het lijkt er sterk op dat verdachte aangever met (de gesp \u002F pin) van zijn riem heeft geslagen of geprikt. Omdat uit het dossier niet blijkt van enig zwaar lichamelijk letsel en een riem ongeschikt is om iemand zwaar letsel toe te brengen, kan alleen het meest subsidiaire (mishandeling) worden bewezen.\n\n4.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen – zakelijk weergegeven\n\nDe verklaring van verdachte ter terechtzitting\n\nOp 9 juli 2022 heb ik met [slachtoffer] gevochten voor het gemeentehuis in Amersfoort. Ik heb hem bij zijn wenkbrauw geraakt.\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 9 juli 2022\n\nOp 9 juli 2022 was ik bij het gemeentehuis in Amersfoort. (…) Toen ik nogmaals kenbaar maakte dat ik mijn powerbank terug wilde hebben, haalde de jongen een mes uit zijn tasje.(…) Ik zag en voelde vervolgens dat de jongen mij stak met het mes. Ik voelde dat de jongen mij stak bij mijn linkeroog ter hoogte van mijn wenkbrauw.(…) In het ziekenhuis is de steekwond bij mijn linkeroog gehecht. Ik bleek ook een snijwond aan mijn rechter onderarm te hebben (…).\n\nHet proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 9 juli 2022\n\nTijdens dit incident heb ik twee mannen met elkaar in gevecht gezien. (…) Ik zag dat man 1 voorop rende en dat man 2, achter man 1 aan rende. (…) De man die erachteraan rende, had een sleutelbos vast in zijn hand.\n\nIk zag dat man 1 en 2 bij dit muurtje weer bij elkaar kwamen. Ik zal dat man 2 zwaaiende bewegingen maakte met de sleutelbos hangend aan het keykoord (…). Ik zag dat man 1, zeker 3 keer tegen zijn hoofd werd geraakt door de sleutelbos.\n\nIk zag vervolgens dat man 1 het mes weer pakte wat hij eerder ook had vastgehouden. (…) Ik zag dat man 1 met het mes harde stekende bewegingen in de richting van het hoofd van man 2 maakte. Ik zag dat man 2 net boven zijn oog werd geraakt door het mes van man 1. (…) Vervolgens zag ik nog dat man 2 in zijn rechter arm door het mes werd geraakt toen hij zich probeerde af te weren.\n\nEen ander geschrift: het niet door de getuige ondertekende proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] van 9 juli 2022\n\nIk zag dat de man met het rode shirt met een sleutelbos liep te zwaaien. (…) Ik zag dat de man met het grijze vest een omtrekkende beweging maakte en weer richting het plein voor het gemeentehuis rende. Ik zag dat hij iets van een voorwerp in zijn hand had, wat leek op een lemmet of een schaar. (…) Ik zag dat beide mannen elkaar tegen kwamen bij een stenen trapje voor het gemeentehuis. Ik zag dat ze met elkaar begonnen te vechten. Ik zag dat de man met het grijze shirt de andere man in zijn oog stak met het voorwerp dat hij in zijn handen had.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2023\n\nIk, verbalisant [verbalisant] , zag dat [slachtoffer] een gapende wond boven zijn linkeroog had. Ik zag dat op zijn rechterarm ook een rond wondje zat welke open was.(…)\n\nBewijsmotivering\n\nOp grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het gezicht, vlak boven het linkeroog, alsmede in de rechter onderarm heeft gestoken. De getuigen en aangever verklaren immers allemaal over een mes, dan wel een schaar. Ook verklaren zij allemaal over een steekbeweging, en niet over een slaande beweging, zoals verdachte ter terechtzitting verklaarde. Door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in de richting van de ogen te steken ontstaat een reële, niet onwaarschijnlijke, kans op ernstig en onherstelbaar oogletsel. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en zal voor dit (meer subsidiaire ten laste gelegde) feit worden veroordeeld.5. BEWEZENVERKLARING\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:\n\nop 9 juli 2022 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] meermalen met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het gezicht en de onderarm gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.6. STRAFBAARHEID VAN HET FEIT\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:\n\n(meer subsidiair)\n\npoging tot zware mishandeling.7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE\n\n7.1. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer, dan wel uit noodweerexces. Daartoe heeft de raadsvrouw de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Aangever is de agressor geweest. Verdachte werd door aangever achterna gezeten, terwijl aangever daarbij met een riem zwaaide. Toen die achtervolging stopte, is verdachte terug naar het muurtje gelopen waar zijn telefoon nog lag. Vervolgens is het opnieuw aangever die naar verdachte is toegelopen en verdachte in ieder geval één keer met een riem heeft geslagen. Toen pas heeft verdachte geweld toegepast. Hij kon zich op dat moment niet langer onttrekken aan het handelen van aangever en heeft aldus gehandeld om zijn lijf en goederen (telefoon) te redden. Voor zover verdachte daarbij de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden, heeft hij uit noodweerexces gehandeld. Verdachte dient daarom ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.\n\n7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover al sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie, niet is voldaan aan de voor noodweer geldende vereiste van proportionaliteit. Het steken met een mes of ander scherp voorwerp stond niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.\n\n7.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de aangever worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich had mogen verdedigen. In eerste instantie werd verdachte achterna gezeten door aangever terwijl die met een riem (vermoedelijk door getuigen aangezien voor sleutelbos met keycord) zwaaide. Vervolgens, teruggekomen bij ‘het muurtje’, heeft aangever verdachte met een riem tegen zijn hoofd geslagen. Hierop heeft verdachte gereageerd door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het gezicht van aangever te steken. Een andere steekbeweging heeft aangever afgeweerd, maar heeft hem wel in de onderarm getroffen. Het door verdachte aangewende verdedigingsmiddel staat naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte heeft naar een te zwaar verdedigingsmiddel gegrepen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.\n\nOp grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank evenmin aannemelijk geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft dit standpunt niet verder onderbouwd. Uit de verklaring van verdachte op zitting kan evenmin worden afgeleid dat hij handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging. Op zitting verklaarde hij immers dat hij één keer werd geraakt door de riem van aangever en dat dat geen pijn deed. Verdachte komt aldus geen beroep op noodweer of noodweerexces toe.\n\nEr is geen andere omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.8. OPLEGGING VAN STRAF\n\n8.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n8.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat ten gunste van verdachte rekening moet worden gehouden met eigen schuld aan de zijde van aangever. Aangever is het gevecht gestart en heeft verdachte ook nog in zijn oor gebeten, als gevolg waarvan dit is gehecht. Tot slot heeft de raadsvrouw erop gewezen dat verdachte getekend is door traumatische jeugdervaringen in zijn land van herkomst en hij – net als aangever – als dak- en thuisloze in feite buiten de maatschappij staat. Van hem kan niet verwacht worden dat hij op een bedreigende situatie als deze reageert zoals een gemiddelde andere deelnemer aan de Nederlandse maatschappij zou reageren.\n\n8.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nErnst van de feiten en de omstandigheden waaronder het feit is begaan\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door aangever met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het gezicht te steken. Daarbij heeft hij aangever net boven zijn linkeroog geraakt. Dat had heel goed anders kunnen aflopen, met blijvend ernstig oogletsel of permanente blindheid aan dat oog als gevolg. Verdachte heeft daarmee een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Maar ook nadat hij aangever boven het oog en in de onderarm had gestoken, is verdachte doorgegaan met het gebruiken van geweld. Verdachte heeft aangever gestoken in zijn arm en uit de verschillende getuigenverklaringen blijkt dat verdachte aangever daarna nog meerdere malen met een riem heeft geslagen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Gelet hierop kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het reclasseringsadvies van 31 oktober 2022, uitgebracht door Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering en de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie en ter terechtzitting, maakt de rechtbank op dat verdachte al jarenlang een dak- en thuisloos is en er niet in slaagt om meer van zijn leven te maken. Hij verblijft het grootste gedeelte van zijn tijd bij [locatie] aan het [straat] in Amersfoort. Verdachte gebruikt al lange tijd drugs en kampt met angsten als gevolg van traumatische ervaringen in zijn jeugd in zijn geboorteland Somalië.\n\nUit een reclasseringsadvies ontstaat een niet eenduidig beeld van verdachte.In een eerste gesprek uit verdachte zelf een hulpvraag in de vorm van het benoemen van de 'problemen' in zijn hoofd, zijn angsten en de wens hieraan geholpen te worden. Na een tweede gesprek, waarin de reclassering met verdachte onder andere de noodzaak tot verdiepingsdiagnostiek wilde bespreken, ontstaat een volledig ander beeld. Verdachte ontkent in dat tweede gesprek namelijk de besproken problemen in zijn hoofd en zegt zich niet te kunnen herinneren dat hij in het eerdere gesprek gesproken heeft over trauma's uit het verleden. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nGelet op de wisselende bereidheid van verdachte om hulp te aanvaarden en het gegeven dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, ziet de rechtbank reclasseringstoezicht niet goed van de grond komen. Verdachte heeft op de zitting te kennen gegeven vooral hulp te willen bij praktische zaken. De rechtbank ziet net als de reclassering onvoldoende aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.\n\nUit het uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 15 december 2022 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf. De rechtbank weegt het strafblad van verdachte daarom niet in strafverzwarende en ook niet in strafmatigende wijze mee.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank heeft voor de strafoplegging aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen. Die gaan uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Omdat verdachte wordt veroordeeld voor een poging is echter een lagere straf op zijn plaats. Ook zal de rechtbank de straf enigszins matigen omdat aangever de ruzie is gestart en hij als eerste geweld heeft toegepast.\n\nAlles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend en geboden is. Omdat verdachte ten tijde van de zitting al langer vastzat is de voorlopige hechtenis al bij afzonderlijk bevel met ingang van 13 januari 2023 opgeheven.9. BESLAG9.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft verzocht te bepalen dat de volgende inbeslaggenomen goederen worden teruggegeven aan verdachte, die steeds de beslagene is:\n\nzwarte riem (G3016485);\n\nbruine riem (G3016482);\n\ngrijze kabel (G3016495);\n\nwitte kabel (G3016487);\n\ngrijze jas (G3016494).\n\nDe schaar (G3016480) en sigarettendoos (G3016481) dienen volgens de officier van justitie ten behoeve van de rechthebbende bewaard te worden.\n\n9.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over het beslag.\n\n9.2. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de zwarte riem en bruine riem de beslissing nemen dat deze kunnen worden teruggegeven aan ‘de rechthebbende’, nu uit het dossier niet duidelijk volgt wie als eigenaar van welke riem moet worden aangemerkt.\n\nTen aanzien van de schaar heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat dit het voorwerp is geweest waarmee het ten laste gelegde feit is begaan. Dat betekent dat de schaar strikt genomen terug moet naar de rechthebbende. De schaar is echter aangetroffen in een prullenbak op straat en behoort – in vermogensrechtelijke zin – dus niemand meer toe. Daarom zal de rechtbank over dit goed geen beslissing nemen.\n\nDe sigarettendoos kan terug naar de rechthebbende.\n\nDe grijze kabel, witte kabel en grijze jas kunnen worden teruggegeven aan verdachte.10. BENADEELDE PARTIJ\n\nDe heer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Hij heeft mondeling schadevergoeding gevorderd voor de immateriële schade die hij heeft opgelopen ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Daarbij heeft benadeelde partij geen geldbedrag genoemd, maar de rechtbank verzocht dat bedrag vast te stellen.\n\n10.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft verzocht de immateriële schade op een bedrag van € 1.000,- vast te stellen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n10.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat bij de vaststelling van het schadebedrag rekening moet worden gehouden met eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.\n\n10.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft benadeelde partij met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het gezicht, net boven de linkeroog, gestoken. Hoewel dat geen zwaar lichamelijk letsel of blijvend letsel heeft opgeleverd, heeft benadeelde partij, zo vertelde hij op zitting, drie dagen in het ziekenhuis moeten verblijven en ondervindt hij zo nu en dan nog pijn. De rechtbank heeft gekeken naar vergelijkbare zaken en acht een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade – zoals verzocht door de officier van justitie – in beginsel toewijsbaar. Omdat benadeelde partij degene was die de ruzie is begonnen en als eerste geweld heeft toegepast (door te slaan met een riem), is echter sprake van eigen schuld. Daarom zal een lager bedrag worden toegewezen. De rechtbank stelt de immateriële schade van benadeelde partij geschat vast op een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke vanaf 9 juli 2022 tot en met de dag van algehele betaling.\n\nVerdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,- tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.11. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 36f, 45, 63, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.12. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;\n\n- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nOplegging straf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nBeslag\n\n- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:\n\ngrijze kabel (PL0900-2022199352-G3016495);\n\nwitte kabel (PL0900-2022199352-G3016487);\n\ngrijze jas (PL0900-2022199352-G3016494);\n\n- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende voorwerpen:\n\nzwarte riem (PL0900-2022199352-G3016485);\n\nbruine riem (PL0900-2022199352-G3016482);\n\n- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van het volgende voorwerp:\n\n sigarettendoos (PL0900-2022199352-G3016481);\n\nBenadeelde partij A.U. Wasunge\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] toe en stelt de (immateriële) schade vast op een bedrag van € 500,-;\n\nveroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2022 tot en met de dag van algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij, € 500,- te betalen, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij niet op;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Spee, voorzitter, mr. L.M.M. Heppe en mr. J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 januari 2023.\n\nBijlage: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\nhij, op of omstreeks 9 juli 2022, te Amersfoort, althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]\n\nopzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer]\n\nmeermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig\n\nvoorwerp, in het gezicht, en\u002Fof de (onder)arm, althans het lichaam van die [slachtoffer]\n\n heeft gestoken en\u002Fof gesneden,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij, op of omstreeks 9 juli 2022, te Amersfoort, althans in Nederland,\n\naan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of\n\nmeerdere steek- en\u002Fof snijwond(en) in het gezicht en\u002Fof de (onder)arm, althans het\n\nlichaam, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans\n\neenmaal, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in het gezicht,\n\nen\u002Fof de (onder)arm, althans het lichaam te steken en\u002Fof te snijden;\n\n( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of\n\nzou kunnen leiden:\n\nhij, op of omstreeks 9 juli 2022, te Amersfoort, althans in Nederland, ter uitvoering\n\nvan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]\n\nopzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte,\n\nvoornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes,\n\nalthans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in het gezicht, en\u002Fof de (onder)arm,\n\nalthans het lichaam gestoken en\u002Fof gesneden,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nmeest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht\n\nof zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 9 juli 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen,\n\nalthans eenmaal, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in het\n\ngezicht, en\u002Fof de (onder)arm, althans het lichaam te steken en\u002Fof te snijden,\n\nterwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steek- en\u002Fof\n\nsnijwond(en) in het gezicht en\u002Fof de (onder)arm ten gevolge heeft gehad;\n\n( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 11 juli 2022, 18 juli 2022 en 6 oktober 2022, genummerd 20220711.0900.09015, 20220718.0900.09015 en 20221006.0900.09015, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 103. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2023.\n\n Pagina 7.\n\n Pagina 8.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 18, 20-22.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:7824","2026-07-13T00:28:57.923Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":121,"fullText":122,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":50,"updatedAt":124},"1005","ECLI:NL:RBMNE:2023:7825","ecli-nl-rbmne-2023-7825","2023-01-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F700145-12 (ontneming)\n\nVonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming\n\nin de zaak tegen\n\n [veroordeelde],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,\n\ngedetineerd te P.I. [plaats] ,\n\nhierna te noemen: veroordeelde,\n\nbijgestaan door mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING\n\nDe vordering is behandeld op de terechtzitting van 12 januari 2023. Veroordeelde en zijn raadsman zijn – zoals zij de rechtbank voorafgaande aan de zitting hadden laten weten – niet verschenen.\n\nVoorafgaand aan de behandeling is de rechtbank gebleken dat veroordeelde en het Openbaar Ministerie een schikking zijn overeengekomen. Ter zitting heeft de officier van justitie verzocht het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.2. BEOORDELING VAN DE VORDERING\n\nDe rechtbank overweegt dat veroordeelde er, na het treffen van een schikkingsovereenkomst met het Openbaar Ministerie, op mag vertrouwen dat de officier van justitie de rechtbank zal verzoeken om af te zien van een verdere behandeling van de ontnemingsvordering, indien hij aan de voorwaarden van de schikking zal voldoen.\n\nDe rechtbank zal het Openbaar Ministerie conform het standpunt van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Spee, voorzitter, mr. L.M.M. Heppe en\n\nmr. J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 januari 2023.\n\nMr. L.M.M. Heppe is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:7825","2026-07-13T00:28:58.536Z",20,[127,128,129,11,130,131,132,133],2026,2025,2024,2022,2018,2016,1993]