[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-criminal-law-nl-2024":3},{"detail":4,"years":192},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":190,"page":14,"limit":191},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":19},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":19},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,53,62,71,78,87,95,103,110,119,129,137,145,154,163,172,181],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"852","ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","ecli-nl-ghshe-2024-4140","",72,"2024-12-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH\n\nParketnummer : 20-002537-19\n\nUitspraak : 17 december 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 juli 2019, in de strafzaak met parketnummer 02-996007-10 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1961,\n\nvolgens opgave ter terechtzitting in hoger beroep wonende te:\n\n [woonplaats] (Spanje, provincie [provincie] ), [woonadres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de dagvaarding partieel nietig verklaard, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’, het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, de verdachte ter zake van het onder feit 4 sub A bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging, de overige bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als:\n\n‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, van welke organisatie hij leider is’ (feit 1);\n\n‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (feit 3) en\n\n‘medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen’ (feit 4),\n\nde verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van het in de tenlastelegging onder feit 3 impliciet cumulatief opgenomen strafbare verwijt met betrekking tot het onjuist doen van aangifte omzetbelasting over september 2006. Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.\n\nTegen het vonnis is bij akte van 7 augustus 2019 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.\n\nIngevolge artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken.\n\nHet hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat tegen de beschermde vrijspraak is gericht.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, gemeente Aalburg en\u002Fof in de gemeente(n) Heusden en\u002Fof Veghel en\u002Fof Zundert en\u002Fof Vianen en\u002Fof Hardinxveld-Giessendam en\u002Fof Oud-Beijerland en\u002Fof Sliedrecht en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof Duitsland en\u002Fof België en\u002Fof Spanje (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem verdachte, en\u002Fof - [medeverdachte 1] en\u002Fof - [medeverdachte 2] en\u002Fof - [medeverdachte 3] en\u002Fof - [medeverdachte 4] en\u002Fof - [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 5] en\u002Fof - [autobedrijf 2] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 6] en\u002Fof - [autobedrijf 3] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 7] en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 2) en\u002Fof [autobedrijf 4] B.V. (per 22-01-2009) en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 3) en\u002Fof - [medeverdachte 8] en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het plegen van valsheid in geschrift (art. 225, lid 1 WvSr) en\u002Fof - het opzettelijk doen van onjuiste en\u002Fof onvolledige aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 2 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet doen van aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 1 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen en\u002Fof het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers (art. 68, lid 1 sub d en sub e jo. art. 69 lid 1 AWR) en\u002Fof - witwassen van (een) geldbedrag(en) (art. 420ter, art. 420bis Sr), zulks terwijl hij, verdachte, van bedoelde organisatie oprichter en\u002Fof leider en\u002Fof bestuurder was;\n\n2. hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een deel van) de (bedrijfs)administratie van zijn, verdachtes, onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde (dat deel van) de (bedrijfs)administratie voornoemd, (telkens) een (samenstel van) geschrift(en) die\u002Fdat bestemd waren\u002Fwas om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), (telkens) opzettelijk valselijk en\u002Fof in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie voornoemd opgenomen en\u002Fof verwerkt en\u002Fof doen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof verwerken, (circa) 1475 valse of vervalste inkoopfacturen en\u002Fof (circa) 1184 valse en\u002Fof vervalste verkoopfacturen, althans een (groot) aantal valse of vervalste (inkoop- en\u002Fof verkoop)facturen, waaronder * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006 (te weten: F\u002F2527, F\u002F2528 en\u002Fof F-2536), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 1] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 4, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de maand oktober 2006 (waaronder F\u002F2529 en\u002Fof F\u002F2530), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 2] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode maart 2006 tot en met maart 2007 (waaronder F\u002F2511, F\u002F2503 en\u002Fof F\u002F1512), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 3] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 6, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van januari 2007 tot en met juli 2007 (waaronder F\u002F2062, F\u002F2082, F\u002F2104, F\u002F2139, F\u002F2137 en\u002Fof F\u002F2155), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 4] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode juli 2007 tot en met april 2008 (waaronder F\u002F1708, F\u002F1976, F\u002F1898 , F\u002F1670, F\u002F1827, F\u002F1787, F\u002F1924 en\u002Fof F\u002F1869), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 5] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 2, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode april 2008 tot en met mei 2008 (waaronder F\u002F2431 en\u002Fof F\u002F2441), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 6] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode mei 2008 tot en met februari 2009 (waaronder F\u002F1488, F\u002F1494, F\u002F1502, F\u002F1530, F\u002F1577, F\u002F1573, F\u002F1558 en\u002Fof 1599), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van (ZAP) [onderneming 7] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van februari 2009 tot en met september 2009 (waaronder F\u002F1344, F\u002F1375, F\u002F1399, F\u002F1401, F\u002F1414, F\u002F1425, F\u002F1440 en\u002Fof F\u002F1460), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 8] B.V. (h.o.d.n. [onderneming 8] ) en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van juli 2009 tot en met december 2009 (waaronder F\u002F1244, F\u002F1307, F\u002F1316 en\u002Fof F\u002F2335), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 9] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van december 2009 tot en met november 2010 (waaronder F\u002F0969, F\u002F0902, F\u002F1093, F\u002F1146, F\u002F1165, F\u002F1202, F\u002F1237 en\u002Fof F\u002F2266), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 10] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode van augustus 2006 tot en met november 2008 (waaronder F\u002F3391, F\u002F3389, F\u002F3416, F\u002F3400, F\u002F3570, F\u002F4012, F\u002F4464 en\u002Fof F\u002F4560), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof * 10, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode januari 2009 tot en met december 2010 (waaronder F\u002F3731, F\u002F4960, F\u002F5249, F\u002F5322, F\u002F5420, F\u002F5439, F\u002F6782, F\u002F6855, F\u002F6889 en\u002Fof F\u002F7006), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 2] B.V., terwijl een inkoop van auto's en\u002Fof een verkoop van auto's zoals op die facturen vermeld, in werkelijkheid (telkens) niet tussen die voornoemde onderneming(en) heeft\u002Fhebben plaatsgevonden en\u002Fof terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en\u002Fof terwijl in werkelijkheid sprake was van door die onderneming(en) opgezette (schijn)transacties met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een internationale BTW-fraude) de Nederlandse Staat financieel te benadelen (op het terrein van omzetbelasting) en\u002Fof zichzelf\u002Fhenzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om die\u002Fdat (samenstel van) geschrift(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2010 in de gemeente(n) Sprang-Capelle en\u002Fof Breda en\u002Fof Apeldoorn en\u002Fof (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), te weten aangifte(n) voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) over het\u002Fde (maandelijkse) aangiftetijdvak(ken) - maanden oktober 2006 tot en met december 2006 en\u002Fof - maanden januari 2007 tot en met december 2007 en\u002Fof - maanden januari 2008 tot en met december 2008 en\u002Fof - maanden januari 2009 tot en met december 2009 en\u002Fof - maanden januari 2010 tot en met oktober 2010, onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan, althans doen of laten doen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), toen aldaar (telkens) opzettelijk op\u002Fin het\u002Fde bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (langs elektronische weg) ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) – zakelijk weergegeven – - (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, en\u002Fof - (telkens) een te laag belastbaar bedrag en\u002Fof een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl die\u002Fdat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 2 april 2006 tot en met 22 oktober 2010 te Veen, gemeente Aalburg, en\u002Fof in de gemeente(n) Veghel en\u002Fof in Vianen en\u002Fof Zundert en\u002Fof (elders) in Nederland, en\u002Fof in Duitsland en\u002Fof in Spanje en\u002Fof in België, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt, althans zich schuldig heeft\u002Fhebben gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn mededader(s), (uit hoofde van die gewoonte) (telkens) in voornoemde periode van (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de\u002Fhet navolgende geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, en\u002Fof (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de navolgende geldbedrag(en), (telkens) verworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof overgedragen en\u002Fof omgezet en\u002Fof gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) dat die\u002Fdat voorwerp(en) en\u002Fof dat\u002Fdie geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf, door:\n\nA) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een (totaal)bedrag groot (circa) € 702.098,00, althans enig(e) geldbedrag(en), in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening en\u002Fof\n\n B) (een of meer van) de navolgende geldbedrag(en) als kasopname\u002Fkasuitgave in het kasboek van (het [autobedrijf verdachte] ) [verdachte] jaar 2008 te boeken en\u002Fof te laten boeken met als verantwoording \" [onderneming 6] BV\" en\u002Fof \" [onderneming 6] \", terwijl die \" [onderneming 6] BV \"en\u002Fof \" [onderneming 6] \" als onderneming(en) rechtens niet bestond(en), (het betrof(fen) het\u002Fde navolgende geboekte geldbedrag(en) (in euro's): - april 24 58.000,00 en\u002Fof - april 25 110.500,00 en\u002Fof - april 29 158.250,00 en\u002Fof - mei 6 55.050,00 en\u002Fof - mei 7 39.000, - mei 8 62.500,00 en\u002Fof\n\nC) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een of meer van de navolgende geldbedrag(en) over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen bankrekening(en) ten name gesteld van het\u002Fde navolgende (plof)bedrijf\u002Fbedrijven, te weten: - in het jaar 2007 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 12.035.500,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in het jaar 2008 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.304.200,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 naar [onderneming 10] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 13.816.350,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 naar [onderneming 12] , een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.804.600,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof\n\nJ) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 2] ) ten name gesteld van [onderneming 10] B.V. in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.896.670,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Belgische) bankrekening(en) ( [rekeningnummer 3] ) (DEXIA) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA en\u002Fof ( [rekeningnummer 4] (ING) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA, en\u002Fof\n\nL) vanaf de\u002Feen bankrekening ( [rekeningnummer 5] ) ten name gesteld van [onderneming 12] in de periode van 1 februari 2009 tot en met 30 juni 2010: - een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.630.700,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 6] ) ten name gesteld van, althans in gebruik bij, [onderneming 14] (GmbH & Co KG) en\u002Fof - een (totaal)bedrag groot (circa) € 59.500,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 7] ) ten name gesteld van [onderneming 15] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nPartiële nietigheid van de dagvaarding\n\nHet onder feit 1 tenlastegelegde, voor zover het de zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’ betreft, behelst naar het oordeel van het hof, gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, een onduidelijkheid, aangezien niet duidelijk is op welke (rechts)personen de steller der tenlastelegging doelt. De tenlastelegging is op dit punt in hoger beroep niet anders komen te luiden.\n\nNu in zoverre niet is voldaan aan de aan een dagvaarding te stellen eisen voor wat betreft duidelijkheid, is het hof mitsdien van oordeel dat de tenlastelegging, zoals vervat in de inleidende dagvaarding, voor wat betreft voormelde zinsnede, niet voldoet aan de daaraan in artikel 261, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Het hof zal derhalve, evenals de rechtbank, de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.\n\nVrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde\n\nDe verdachte staat ingevolge hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd terecht ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrift, belastingfraude en witwassen, terwijl de verdachte daarvan leider was.\n\nHet hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast dat er meer dan voldoende bewijs voorhanden is dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een grootschalige BTW-fraude in de autohandel. Die fraude heeft niet anders dan binnen een crimineel samenwerkingsverband kunnen plaatsvinden. Uit de heden eveneens uitgesproken en ten laste van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] gewezen arresten komt naar voren dat zij een rol binnen dat samenwerkingsverband hebben gehad, welke rol in strafrechtelijke zin als deelneming aan een criminele organisatie moet worden aangemerkt. Uit het procesdossier komt verder naar voren dat medeverdachte [medeverdachte 1] een leidende rol binnen de gepleegde BTW-fraude heeft vervuld.\n\nIn de onderhavige zaak dient het hof evenwel de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze criminele organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is dienaangaande het volgende naar voren gekomen. Medeverdachte [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij onder meer voor de verdachte rechtstreeks auto’s heeft opgehaald bij [onderneming 15] in Duitsland. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij eveneens voor de verdachte auto’s bij dat Duitse bedrijf heeft opgehaald, meestal met een transporter van de verdachte, waarvoor hij door de verdachte contant werd betaald.\n\nDe directeur van [onderneming 15] , [directeur onderneming 15] , heeft als getuige verklaard dat de verdachte telefonisch contact met zijn [autobedrijf verdachte] had om te informeren naar bepaalde voertuigen. De verdachte zou ook voertuigen hebben besteld en hebben gemeld welke firma de voertuigen kwam afhalen en op welke firma de voertuigen moesten worden gefactureerd. De verdachte zou volgens [directeur onderneming 15] de auto’s zelf hebben uitgezocht. Medeverdachte [medeverdachte 1] kocht ook vaak bij hem in, aldus getuige [directeur onderneming 15] .\n\nDe verdachte heeft de verklaring van [directeur onderneming 15] waaruit zijn betrokkenheid bij het inkopen van auto’s in Duitsland ten overstaan van het hof ten stelligste bestreden. De verdachte stelt dat hij nimmer zelf voertuigen bij [onderneming 15] heeft ingekocht, maar dat hijzelf zijn voertuigen alleen inkocht via medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte voelt zich misbruikt door medeverdachte [medeverdachte 1] en stelt dat [medeverdachte 1] en [directeur onderneming 15] de schuld op hem proberen af te schuiven, nadat zij zijn geconfronteerd met belastingcontroles. In dat verband heeft de verdachte aangevoerd dat [directeur onderneming 15] in 2010, nadat de FIOD bij de verdachte een inval had gedaan en [onderneming 15] onderzocht werd door de Duitse fiscus, bij hem op zijn bedrijf is geweest met een stapel door [medeverdachte 1] te tekenen koopcontracten om zijn administratie kloppend te maken. Bij die gelegenheid zou [directeur onderneming 15] de verdachte een beloning van € 25.000,00 in het vooruitzicht hebben gesteld als hij hem in contact zou kunnen brengen met [medeverdachte 1] om dit te bewerkstelligen.\n\nHet hof stelt vast dat getuige [directeur onderneming 15] pas in zijn tweede verhoor en in vrij algemene zin heeft verklaard over de rol van de verdachte en dat die verklaring geen nadere steun vindt in andere bewijsmiddelen. Weliswaar lijken de in 2010 aangetroffen voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] met daarop handgeschreven (inkoop)bedragen op het eerste gezicht steun te bieden aan de verklaring van [directeur onderneming 15] , doch het hof heeft geconstateerd dat de daarop vermelde auto’s afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en niet van [onderneming 15] . Daarbij komt dat [directeur onderneming 14] van [onderneming 14] als getuige niet heeft verklaard over de verdachte als zijnde de persoon die bij [onderneming 14] de auto’s inkocht. Dat was immers steeds medeverdachte [medeverdachte 1] . In de getuigenverklaring van [directeur onderneming 14] is aldus veeleer ondersteuning te vinden voor de verklaring van de verdachte, dan dat deze getuigenverklaring de verklaring van [directeur onderneming 15] ondersteunt.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de getuigenverklaring van [getuige 1] , echtgenote van [echtgenoot getuige 1] , die heeft verklaard dat [directeur onderneming 15] haar – bij afwezigheid van haar echtgenoot omdat hij in de gevangenis zat – thuis onder druk heeft gezet om papieren met betrekking tot auto’s (onder meer afhaalverklaringen) te tekenen.\n\nHet voorgaande maakt dat er bij het hof twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [directeur onderneming 15] . Om die reden kan niet zonder meer, zonder nadere ondersteuning, van de juistheid van zijn belastende getuigenverklaring met betrekking tot de rol van de verdachte uit worden gegaan, zodat die verklaring naar ’s hofs oordeel niet in doorslaggevende zin tot het bewijs in deze zaak kan bijdragen.\n\nMet betrekking tot een mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de gebruikte plofbedrijven die in de constructie van de BTW-fraude een essentiële rol hebben gespeeld heeft medeverdachte [medeverdachte 4] verklaard dat zij de bankrekening van [onderneming 10] B.V. op haar naam heeft laten zetten op verzoek van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte. Het procesdossier ontbeert verdere concrete aanknopingspunten op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verdachte gedragingen heeft verricht in relatie tot de plofbedrijven die bij de BTW-fraude zijn gebruikt.\n\nHet hof is van oordeel dat aan de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte niet het wettige bewijs kan worden ontleend dat die gedragingen strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Dat maakt dat het bewijs ervoor tekort schiet om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde te kunnen komen. Het hof zal de verdachte derhalve daarvan vrijspreken.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er met betrekking tot de in- en verkoop van auto’s, waarop de onder feit 2 bedoelde facturen zien, grootschalige BTW-fraude is gepleegd. Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde te kunnen komen is onder meer vereist dat in rechte kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de valsheid van de facturen betreffende de transactie(s) met betrekking tot een bepaalde auto. Daarvoor is noodzakelijk dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de valsheid van die betreffende facturen. Indien blijkt dat de verdachte wist dat in een opeenvolging van transacties met betrekking tot een bepaalde auto bij een transactie met betrekking tot die auto (in betrekkelijk korte tijd) sprake was van een prijsval ten opzichte van een eerdere transactie met betrekking tot diezelfde auto, dan draagt dat bij tot het bewijs daarvoor. In het handelsverkeer is immers een prijsdaling bij opvolgende verkooptransacties met betrekking tot hetzelfde voorwerp (auto) zonder dat concreet sprake is van een (aanwijsbare oorzaak voor een) waardedaling van dat voorwerp, zeer ongewoon. Het hof heeft daarom bij de in verband met de in de tenlastelegging opgenomen facturen aan de orde zijnde in- of verkooptransacties ten aanzien van desbetreffende voertuigen afzonderlijk beoordeeld of sprake is geweest van een dergelijke prijsval.\n\nHet hof is allereerst met de rechtbank van oordeel dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde verkoopfacturen (laatste twee gedachtestreepjes) niet als vals kunnen worden aangemerkt. De met [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen waren voor de verdachte een middel om financiering te verkrijgen voor de aankopen die hij deed. Welke vennootschappen hem in dat kader financierden en op welke wijze zij die financiering regelden, was voor de verdachte niet belangrijk. [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. zijn bij de litigieuze autotransacties betrokken geraakt door de relatie die zij hadden met [medeverdachte 8] , met wie de verdachte zaken deed. In de onherroepelijke vonnissen, door de rechtbank gewezen in de zaken tegen [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V., heeft de rechtbank geconcludeerd dat deze beide vennootschappen geacht moeten worden de beschikkingsmacht te hebben gehad over de door hen bij de verdachte gekochte auto’s, dat zij niet bekend waren met het bestaan van een prijsval of met de prijzen die in Duitsland werden betaald en dat zij geen wetenschap hadden van de BTW-fraude en tenslotte dat van een valselijk opgemaakte administratie bij deze vennootschappen geen sprake is. Op grond daarvan dienen de tussen de verdachte en [autobedrijf 1] B.V. respectievelijk [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen als in het handelsverkeer gebruikelijke transacties te worden beschouwd. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de in de tenlastelegging bedoelde verkoopfacturen.\n\nMet betrekking tot de inkoopfacturen geldt het volgende. Tijdens het vooronderzoek zijn voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] uit de periode van 2 maart tot en met 6 december 2010 in beslag genomen, waarop in de linkermarge met pen handgeschreven bedragen zijn vermeld. Aan de hand van die voorraadlijsten met auto’s, van welke auto’s het merendeel is ingekocht bij [onderneming 14] in Duitsland en welke auto’s via de in de tenlastelegging genoemde (plof)bedrijven zijn verkocht aan [autobedrijf verdachte] , heeft het hof onderzocht of sprake was van een prijsval en of de verdachte daar wetenschap van had. Het hof heeft, zoals hierna onder B.4 en B.5 zal worden overwogen, met betrekking tot de voorraadlijst die in de jaszak van de verdachte is aangetroffen en waarvan aldus – in combinatie met de vaststelling dat het zijn handschrift betreft – kan worden vastgesteld dat hij daar gebruik van heeft gemaakt, geconcludeerd dat ter zake van vijf transacties sprake is geweest van een prijsval aan de inkoopzijde én dat de verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad. Het hof heeft die conclusie niet kunnen trekken ten aanzien van overige tenlastegelegde inkoopfacturen. Daarvoor is het wettige bewijs namelijk niet toereikend. In zoverre zal het hof de verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde\n\nNu, behoudens de hierna te bespreken vijf inkoopfacturen, het bewijs ervoor tekort schiet om te kunnen oordelen dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde facturen vals zijn en dat met het opnemen daarvan (een deel van) de bedrijfsadministratie van [autobedrijf verdachte] valselijk is opgemaakt, kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat de aangiften omzetbelasting over de maanden oktober 2006 tot en met april 2010 en juni 2010 tot en met oktober 2010 onjuist zijn gedaan. Die facturen liggen immers aan de aangiften over de genoemde aangiftetijdvakken ten grondslag. Het hof zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde\n\nAangezien de verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het onder feit 2 en onder feit 3 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat de grondslag aan de witwasverdenking, zoals onder feit 4 in de aanhef en sub B, C, J en L aan de verdachte ten laste is gelegd, komt te ontvallen. Dat maakt dat het onder feit 4 tenlastegelegde in zoverre niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, reden waarom het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n2. hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 24 november 2010 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, een deel van de bedrijfsadministratie van zijn onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk in die bedrijfsadministratie voornoemd doen of laten opnemen en\u002Fof verwerken, 5 valse inkoopfacturen, waaronder 2 inkoopfacturen uit de periode van november 2010, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [onderneming 10] B.V. en telkens gericht aan [autobedrijf verdachte] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en terwijl in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op 25 juni 2010 in Nederland opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangifte voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten over het maandelijkse aangiftetijdvak mei 2010, onjuist heeft laten doen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk in het bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn langs elektronische weg ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan voorbelasting doen of laten opgeven en een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4.\n\nhij, verdachte, in de periode van 25 juni 2010 tot en met 22 oktober 2010 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode een voorwerp, te weten een bedrag groot € 207.371,00, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag geheel onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf, door vanaf de bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) geldbedragen in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Daarin wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD, kantoor Rotterdam, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst\u002FFIOD, dossiernummer 45590, onderzoek ‘Kameleon’, gesloten d.d. 17 januari 2012, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-6299.\n\nBewijsoverwegingen\n\nA.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.\n\nDe verdachte kocht auto’s in bij de bedrijven van medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte had geen wetenschap van de Duitse aankoopprijzen van die auto’s die [medeverdachte 1] bij de Duitse autohandelaren had betaald. Er zijn voorts in de visie van de verdediging verklaarbare legale redenen voor een prijsval in de facturenketen, waardoor de tussenverkopers (waaronder de verdachte) en de uiteindelijke afnemers van de auto’s geen argwaan hoefden te hebben dat er sprake zou zijn van fraude. Tevens is er volgens de raadsman geen bewijs voor de wetenschap aan de zijde van de verdachte dat de plofbedrijven betrokken waren bij BTW-fraude en evenmin dat hij op enigerlei wijze daarbij was betrokken. Het feit dat er uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zijn gemaakt, is wat de raadsman betreft een sterke contra-indicatie voor hetgeen de verdachte wordt verweten. Het is in de visie van de verdediging juist medeverdachte [medeverdachte 1] geweest die de kwade genius was achter de BTW-fraude, waarbij hij door de zijnen werd geholpen.\n\nDe verdachte stelt zich op het standpunt dat de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 (documentnummer D-0059-c, dossierpagina 2777) – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – niet de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, maar de inkoopprijs die de verdachte heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven. De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om de FIOD opdracht te geven om aan de hand van de chassisnummers de facturen van de betreffende transacties en de betalingen van de verdachte aan de betreffende bedrijven na te gaan om de stelling van de verdachte te kunnen verifiëren.\n\nMet betrekking tot het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de Belastingdienst bij het autobedrijf van de verdachte een boekenonderzoek heeft ingesteld en daarvoor meerdere keren bij het autobedrijf langs is geweest. De fiscus heeft echter nimmer onregelmatigheden in de facturen opgemerkt. De verdachte heeft telkens BTW teruggevraagd en teruggekregen van de Belastingdienst. Tegen die achtergrond vermag de verdediging niet in te zien waarom de verdachte het verwijt van het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting kan worden gemaakt.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nB.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier zijn met betrekking tot het onder feit 2, feit 3 en onder feit 4 tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal hierna tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.\n\nB.1Aanleiding onderzoek KameleonDe Belastingdienst heeft een controle in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme ingesteld bij [autobedrijf verdachte] , de eenmanszaak van de verdachte. Daarbij zijn in 2008 inkoopfacturen ten name van een aantal bedrijven meegenomen. Onderzoek naar deze facturen leverde het strafrechtelijke vermoeden op dat er sprake zou kunnen zijn van valse facturen en fiscale fraude. Daaropvolgend is op 3 juni 2010 onder leiding van de officier van justitie bij het Functioneel Parket door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart met de onderzoeksnaam ‘Kameleon’. Tijdens het onderzoek ontstond de verdenking dat auto’s die door [autobedrijf verdachte] werden ingekocht in Duitsland via een fictieve dan wel valse facturenstroom aan [autobedrijf verdachte] werden doorgefactureerd. Daarbij zouden de Duitse leveranciers tegen het 0% BTW-tarief – vanwege de omstandigheid dat het intracommunautaire leveringen betrof – factureren aan zogenoemde (Nederlandse) plofbedrijven, zijnde niet daadwerkelijk bestaande dan wel daadwerkelijk handelende bedrijven. Die bedrijven deden over de door hen bij verkoop van die ingekochte auto’s verkregen behaalde omzet – waarbij BTW aan de kopers in rekening werd gebracht – geen of onjuiste aangiften omzetbelasting en droegen verschuldigd geworden omzetbelasting niet op aangifte af. Op naam van deze plofbedrijven zouden de auto’s inclusief BTW worden gefactureerd aan [autobedrijf verdachte] , waarmee de plofbedrijven verlies zouden lijden aangezien deze bedrijven een netto-verkoopprijs (prijs exclusief BTW) hanteerden die lager lag dan hun inkoopprijs bij de Duitse leveranciers. Hierdoor ontstond een prijsval, omdat de plofbedrijven de verschuldigde BTW niet afdroegen, terwijl [autobedrijf verdachte] de aan hem in rekening gebrachte BTW wel als voorbelasting in aftrek bracht bij zijn aangiften omzetbelasting.\n\nB.2Voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte]\n\nDe verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat er binnen zijn autobedrijf gewerkt werd met voorraadlijsten. De lijsten met het opschrift ‘Voorrraadlijst’ komen hem bekend voor. De verdachte gebruikte die lijsten bij de verkooponderhandelingen met zijn afnemers. De verdachte was degene die steeds onderweg was om in auto’s te handelen. De broer van de verdachte, [broer verdachte] , deed op het autobedrijf van de verdachte in [plaats] de administratie en hij verwerkte de inkoopfacturen daarin. De verdachte gaf altijd aan zijn broer door welke prijs hij voor een auto had betaald. De verdachte keek ook wel eens naar een ingekomen factuur, maar heeft zich naar eigen zeggen niet met elke factuur bemoeid. De verdachte deed veel zaken met [medeverdachte 1] . De verdachte kreeg voor de auto’s die hij bij [medeverdachte 1] had gekocht van hem per fax een factuur toegestuurd. Die facturen waren volgens de verdachte afkomstig van de bedrijven van [medeverdachte 1] , waaronder [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA.\n\nUit het procesdossier komt naar voren dat er tijdens het vooronderzoek op 9 december 2010 in de woning van [zoon verdachte] , de zoon van de verdachte, aan de [adres] een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is in de jaszak van de verdachte een uitgeprinte of getypte voorraadlijst aangetroffen en in beslag genomen. Die voorraadlijst bestond uit twee pagina’s en had als opschrift ‘Voorrraadlijst 02-12-2010’.Op de voorraadlijst is per auto ‘opgetypt’ om welk merk, welk type, welke kleur, welk bouwperiode (maand en jaar), welke kilometerstand, welk chassisnummer en welke verkoopprijs c.q. vraagprijs het gaat. Bij elke auto is voorts in de linkermarge telkens handgeschreven een andere prijs vermeld. Die prijs is steeds aanmerkelijk lager dan de getypte verkoopprijs c.q. vraagprijs.\n\nB.3Voorraadlijst van 2 december 2010 en het daarop vermelde handschrift\n\nHet hof acht, gezien de locatie waar de voorraadlijst van 2 december 2010 is aangetroffen (te weten in de jaszak van de verdachte), met name die voorraadlijst van belang in relatie tot hetgeen de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. In dat verband heeft het hof zich de vraag gesteld of het handschrift waarmee de handgeschreven bedragen in de linkermarge zijn geschreven het handschrift van de verdachte betreft. Het hof acht dat aannemelijk en overweegt daartoe als volgt.\n\nAan getuige [getuige 2] is door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Middelburg, een voorraadlijst getoond die in gebruik was bij het [autobedrijf verdachte] van de verdachte.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat hij die voorraadlijsten herkende als lijsten waarmee ‘ [broer verdachte] ’ bij het [autobedrijf verdachte] waar hij werkzaam was kwam om te kijken of zij in één of meer van de op die lijst vermelde auto’s geïnteresseerd waren.Het hof stelt vast dat in plaats van [broer verdachte] de verdachte bedoeld zal zijn, gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij steeds op weg was om in auto’s te handelen en in aanmerking genomen dat zijn broer [broer verdachte] uitsluitend de administratie van het [autobedrijf verdachte] verzorgde.\n\nVoorts zijn aan de getuige [getuige 2] lijsten getoond met bijlagenummers D-04 en D-05.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat die lijsten hem bekend voorkomen. Daarop staan auto’s die van [verdachte] waren gekocht. Die lijst werd door [verdachte] gemaakt, aldus getuige [getuige 2] .\n\nHet hof heeft in raadkamer het handschrift in de tabellen op de lijsten met bijlagenummers D-04 en D-05 vergeleken met het handschrift op de voorraadlijst van 2 december 2010 en heeft geconstateerd dat daarin dusdanig grote overeenkomsten zijn te zien, dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat sprake is van hetzelfde handschrift. Daarbij heeft het hof onder meer acht geslagen op de kenmerkende wijze waarop de cijfers 7, 8 en 9 zijn geschreven. Gezien de verklaring van getuige [getuige 2] dat de verdachte deze lijsten heeft gemaakt en in aanmerking genomen dat hetzelfde handschrift te zien is op een door het [autobedrijf verdachte] van de verdachte per fax verstuurde handgeschreven notitie waarop zeven auto’s staan vermeld, is het hof van oordeel dat het steeds gaat om het handschrift van de verdachte. Het andersluidende standpunt van de verdachte, meer bepaald dat opsporingsambtenaren van de FIOD deze bedragen op de lijsten hebben bijgeschreven, welke stelling op geen enkele wijze is onderbouwd, wordt derhalve door het hof als zijnde onaannemelijk verworpen.\n\nHet voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de verdachte van de voorraadlijst van 2 december 2010 gebruik heeft gemaakt, aangezien hij de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst heeft geschreven en die lijst bij zich heeft gedragen. Dat laat naar ’s hofs oordeel geen andere conclusie toe dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de op die lijst vermelde gegevens.\n\nB.4Transacties met betrekking tot vijf op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s\n\nHet hof heeft in raadkamer een nader onderzoek ingesteld naar de inkoopzijde van de op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s en daarmee samenhangende facturenstroom. In dat kader is gebruik gemaakt van het door de FIOD opgestelde digitale Excelbestand.In het digitale bestand zijn de gegevens met betrekking tot alle tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten (onder de nummers F\u002F0001 t\u002Fm F\u002F7475) van de bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken bedrijven en personen opgenomen, waaronder de herkomst van de betreffende factuur, de meldcode van de op de factuur vermelde auto (de laatste 4 cijfers van het chassisnummer) en de op de factuur genoemde prijs (al dan niet inclusief BTW). Deze gegevens zijn overgenomen van de aan- en verkoopfacturen en koopovereenkomsten van de betrokken bedrijven en (mede)verdachte(n). Aan de hand van dit bestand zijn per auto dan wel per meldcode transacties geselecteerd en geanalyseerd, zodat telkens kon worden vastgesteld via welke facturenstroom een auto is verkocht. De tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten hebben betrekking op 1663 auto’s in de periode van 2006 tot en met 2010, bijna allemaal afkomstig uit Duitsland en voornamelijk van het merk Mercedes. De hierna te noemen auto’s die op de voorraadlijst van 2 december 2010 staan vermeld zijn ook te vinden in het digitale Excelbestand, edoch het hof heeft geconstateerd dat de facturen van de verkopen van die auto’s zelf door de officier van justitie niet aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof heeft bij vorenbedoeld onderzoek in raadkamer geconstateerd dat vijf auto’s, via [onderneming 10] B.V. dan wel via [onderneming 13] BVBA, afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en waarbij de handgeschreven bedragen in de linkermarge gelijkluidend zijn aan de prijzen waarvoor de auto door [onderneming 14] in Duitsland is verkocht. De bevindingen aangaande die auto’s zijn als volgt:\n\ni. De eerste auto is een Mercedes E 200 CDI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 04\u002F10, kilometerstand 22000, met chassisnummer [chassisnummer 1] en een vraagprijs van € 31.500,00 inclusief BTW.Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 26.500,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202590 (in het dossier aangeduid als: F-2634) op 30 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 26.500,00.\n\nii. De tweede auto is een Mercedes E 250 T CGI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 03\u002F10, kilometerstand 25500, met chassisnummer [chassisnummer 2] en een vraagprijs van € 34.750,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 30.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202570 (in het dossier aangeduid als: F-2627) op 24 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 30.600,00.\n\niii. De derde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 20000, met chassisnummer [chassisnummer 3] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 42.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202198 (in het dossier aangeduid als: F-2726) op 11 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 42.600,00.\n\niv. De vierde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 11\u002F09, kilometerstand 12000, met chassisnummer [chassisnummer 4] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 43.000,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202245 (in het dossier aangeduid als: F-2727) op 28 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 43.000,00.\n\nv. De vijfde auto is een Mercedes CL 500, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 17800, met chassisnummer [chassisnummer 5] en een vraagprijs van € 85.000,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 74.700,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 1209030 (in het dossier aangeduid als: F-2753) op 14 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 74.700,00.\n\nB.5Prijsval en valselijk opmaken van (een deel van) de bedrijfsadministratie\n\nWezenskenmerk van BTW-fraude is dat in de fraudeketen in de regel één keer een prijsdaling of prijsval plaatsvindt, waarbij door een ondernemer wordt verkocht voor een lagere nettoprijs dan waarvoor hij heeft ingekocht (exclusief BTW). De prijsval treedt veelal op bij het plofbedrijf, dat de BTW welke dat bedrijf in rekening brengt op zijn verkoop niet afdraagt aan de Belastingdienst. Door het niet afdragen van de BTW is het plofbedrijf, ondanks het verlies waarmee hij doorlevert, in staat om alsnog (een kleine) winst te maken.\n\n [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA hebben de betreffende auto’s volgens de daarvan opgemaakte facturen telkens ingekocht bij [onderneming 14] . Uit het vorenoverwogene volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte in ieder geval op de hoogte was van de inkoopprijzen van de vijf genoemde auto’s bij [onderneming 14] in Duitsland. De omstandigheid dat de door de verdachte handgeschreven bedragen met betrekking tot de vijf auto’s exact overeenkomen met de uit het dossier naar voren komende Duitse inkoopprijzen, laat immers geen andere conclusie toe dan dat de verdachte van die inkoopprijzen op de hoogte was. Het hof stelt aan de hand van de gehanteerde prijzen vast dat bij [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA een prijsval moet hebben opgetreden, omdat het verschil van de Duitse inkoopprijs en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijs steeds minder dan 19% (zijnde het toentertijd geldende BTW-tarief) bedraagt en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijzen exclusief BTW telkens lager zijn dan de Duitse inkoopprijs. Nu de verdachte wetenschap had van de Duitse inkoopprijs, kan het niet anders zijn dan dat hij – zeker als door de wol geverfde autohandelaar – moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden. Daarmee heeft hij minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken is geraakt in een BTW-fraudeketen, waarbij in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat.\n\nDe door de raadsman ten verwere aangevoerde omstandigheid dat uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat hijzelf prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zou hebben gemaakt kan aan het voorgaande niet afdoen. Voorts zijn naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten in het procesdossier te vinden die de conclusie kunnen wettigen dat sprake zou zijn van ‘legale redenen’ voor de prijsval, zoals de verdediging heeft beweerd. Nu dergelijke redenen ook overigens op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk zijn geworden, kan de conclusie geen andere zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude.\n\n De inkoopfacturen afkomstig van de plofbedrijven [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA zijn naar het oordeel van het hof als intellectueel vals in de zin der wet aan te merken. De inhoud van die facturen stemt immers niet overeen met hoe een gebruikelijke transactie in het handelsverkeer tot stand zou zijn gekomen en de opmaak van die factuur heeft mede tot doel gehad om een frauduleuze prijsval te creëren teneinde, aan de hand van die facturen, BTW-fraude te kunnen plegen.\n\nDoor onder voormelde omstandigheden de valse facturen te doen of laten opnemen in de bedrijfsadministratie, is het hof van oordeel dat een deel van die administratie opzettelijk valselijk is opgemaakt. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde, voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor aangehaalde facturen van [onderneming 10] B.V. (2 stuks) en [onderneming 13] BVBA (3 stuks).\n\nB.6Verzoek opdracht aan FIOD om de voorraadlijst van 6 december 2010 te controlerenHet verzoek om de FIOD aan de hand van de inkoopfacturen en betaalstromen te laten controleren of de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, of – zoals de verdachte beweert – de inkoopprijs die hij heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven, wordt door het hof als niet noodzakelijk zijnde afgewezen, aangezien enerzijds de op die voorraadlijst vermelde transacties geen verband houden met hetgeen onder feit 2 bewezen zal worden verklaard en anderzijds omdat het hof in raadkamer zelf in staat is geweest om de (on)juistheid van de stelling van de verdachte te onderzoeken.\n\nB.7Onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010Uit het procesdossier komt naar voren dat fiscaal adviesbureau [fiscaal adviesbureau] de administratie van [autobedrijf verdachte] over de jaren 2006 tot en met 2010 verzorgde. Uit daarnaar ingesteld onderzoek volgt dat onder meer over de maand mei 2010 op aangifte teruggave van voorbelasting is verzocht op basis van facturen afkomstig van [onderneming 10] B.V.De aangifte over dat tijdvak is op 25 juni 2010 elektronisch binnengekomen bij de centrale administratie van de Belastingdienst te Apeldoorn.\n\nGetuige [getuige 3] van het gelijknamige fiscaal adviesbureau heeft verklaard dat in opdracht van de verdachte de aangiften omzetbelasting voor [autobedrijf verdachte] werden verzorgd. Er werd maandelijks aangifte gedaan via de computer. De bescheiden werden altijd aangeleverd door zijn broer [broer verdachte] .\n\nDe broer van de verdachte, [broer verdachte] , heeft als getuige verklaard dat de administratieve gegevens door hem werden gebracht naar [fiscaal adviesbureau] . Het kwam ook voor dat de administratie werd opgehaald. [broer verdachte] legde de administratieve bescheiden op volgorde en deed de bankbetalingen en de kasadministratie. De verkoopfacturen werden door hem opgemaakt. Dit alles gebeurde volgens hem in opdracht van de verdachte.\n\nHet hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte de aangifte omzetbelasting over mei 2010 ten name van hemzelf (zijn eenmanszaak) heeft laten doen. Die aangifte is onjuist gedaan, omdat ten onrechte tegen het tarief van 19% BTW voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek is genomen met betrekking tot de facturen die afkomstig waren van [onderneming 10] B.V.Als sprake is van fraude, zoals in casu aan de orde, had de verdachte – die bovendien van die fraude af heeft geweten, althans heeft moeten weten – niet dat bedrag aan voorbelasting in aftrek mogen nemen. Immers, naar bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient aan een belastingplichtige de toepassing te worden geweigerd van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de BTW, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de BTW in het kader van een keten van leveringen. Dit geldt niet alleen wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van BTW-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was.Mutatis mutandis is eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. In aanmerking genomen dat de verdachte, zoals hiervoor onder B.5 is overwogen, wetenschap heeft gehad van de valsheid van de inkoopfacturen van [onderneming 10] B.V., kan naar ’s hofs oordeel eveneens worden vastgesteld dat de aan de hand van die facturen gedane aangifte omzetbelasting opzettelijk onjuist is gedaan. Het hof komt aldus eveneens tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de Belastingdienst in 2007 en 2008 een boekenonderzoek heeft uitgevoerd en toen geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Ter adstructie daarvan is een rapport van de fiscus overgelegd. Nog afgezien van het feit dat dit boekenonderzoek voornamelijk tot doel heeft om te controleren of de administratie aansluit op de ingediende aangiften omzetbelasting, behoeft dit verweer geen nadere bespreking omdat dit boekenonderzoek betrekking had op de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over de jaren 2003 tot en met 2006, terwijl de onjuiste aangifte ziet op het tijdvak mei 2010.\n\nB.8Witwassen van een bedrag van € 207.371,00\n\nHet hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van het onder feit 4 sub A in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. In dat verband overweegt het hof als volgt.\n\nVoor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende in rechte komt vast te staan dat het desbetreffende geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nHet hof is van oordeel dat sprake is van voldoende bewijs op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te leggen tussen (een deel van) het tenlastegelegde geldbedrag, te weten tot een bedrag van € 207.371,00, en een bepaald misdrijf. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting over mei 2010. Er is bij het doen van die aangifte op 25 juni 2010 ten onrechte voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen. Daarmee heeft de verdachte eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. Het hof stelt vast dat de verdachte aldus een besparing heeft gerealiseerd, omdat hij – na aftrek van de voorbelasting waarop hij geen recht had – slechts een bedrag een € 3.884,00 aan verschuldigde omzetbelasting aan de fiscus op aangifte heeft afgedragen, terwijl dat een bedrag van € 211.255,00 had moeten zijn.Hiermee is sprake van een gronddelict voor het witwassen.\n\nNiettegenstaande dat de Belastingdienst, naar aanleiding van de onjuist gedane aangifte omzetbelasting over mei 2010, geen gelden aan de verdachte heeft betaald omdat het saldo van de aangifte resulteerde in een positief en dus af te dragen bedrag aan omzetbelasting, is het hof van oordeel dat het niet aan de fiscus afgedragen bedrag (de hiervoor bedoelde besparing) kan worden aangemerkt als een ‘voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van artikel 420bis en artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht, welk voorwerp kan worden witgewassen. De verdachte is aldus, door het (laten) doen van onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010, over een vermogensbestanddeel ter waarde van de ontdoken omzetbelasting de beschikking blijven houden, terwijl hij daartoe niet gerechtigd was. Dat niet afgedragen vermogensbestanddeel is daarmee als ware ‘van kleur verschoten’, te weten van – verondersteld – legaal geld naar crimineel geld. Daarmee is het bedrag van € 207.371,00 naar ’s hofs oordeel onmiddellijk afkomstig uit enig misdrijf.\n\nBij de Rabobank werd door de verdachte, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , een bankrekening aangehouden met nummer [rekeningnummer 1] .Het van misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00 is vermengd geraakt met de overige geldbedragen op die rekening die door middel van (verondersteld) legale activiteiten zijn verkregen, waardoor het aldus vermengde vermogen – en nadien elke betaling en opname daaruit – kan worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.\n\nUit de bewijsmiddelen komt naar voren dat van voormelde bankrekening in 2010 contante geldopnamen zijn gedaan ten bedrage van € 195.830,00 en in datzelfde jaar betalingen bij betaalautomaten zijn gedaan ten bedrage van € 12.557,00.Voorts heeft in 2010 met betrekking tot die bankrekening tot een bedrag van € 87.500,00 aan contante kasopnamen bij de bank plaatsgevonden.Deze vaststellingen zijn gedaan aan de hand van de bankafschriften, waarvan de laatste is gedateerd op 22 oktober 2010.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voor de rechtbank verklaard dat de contante opnamen van zijn rekening werden gedaan door zijn broer, in opdracht van hemzelf. Contante betalingen werden gedaan door hemzelf of door zijn broer, in zijn opdracht.\n\nHet hof is van oordeel, gelet op de omstandigheden dat het de bankrekening betrof van de eenmanszaak van de verdachte waarover hij als gerechtigde tot die bankrekening als heer en meester kon beschikken, hij het geldbedrag van € 207.371,00 voorhanden heeft gehad. Ten minste een deel van dit bedrag is eveneens omgezet, doordat de verdachte in ieder geval geldbedragen van zijn bankrekening heeft opgenomen, althans laten opnemen, en de bedragen daarmee van chartaal naar giraal geld heeft omgezet. Voorts zijn bij betaalautomaten betalingen gedaan vanaf de bankrekening.\n\nGelet op het voorgaande zien de witwashandelingen van de verdachte naar het oordeel van het hof zowel op het voorhanden hebben, omzetten als gebruik maken van het geldbedrag van € 207.371,00, althans in ieder geval van een deel daarvan. Het onder feit 4 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.\n\nC.\n\nAldus falen alle tot vrijspraak strekkende verweren. Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nAangezien, zoals hiervoor onder B.8 is overwogen, naast het voorhanden hebben van het uit eigen misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00, eveneens sprake is geweest van omzettingshandelingen en van het gebruik maken van dat geldbedrag, vindt de kwalificatieuitsluitingsgrond ter zake van witwassen geen toepassing. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en waartoe de advocaat-generaal heeft gerequireerd, zal het hof de verdachte dan ook niet in zoverre van het onder feit 4 tenlastegelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 2 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nvalsheid in geschrift.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 4 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwitwassen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, het opzettelijk onjuist doen van een belastingaangifte en witwassen.\n\nDe verdachte was werkzaam als autohandelaar. Hij heeft vijf valse inkoopfacturen die te maken hadden met grootschalige BTW-fraude in zijn administratie laten opnemen en daarmee (een deel van) zijn bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt. Voorts heeft de verdachte een onjuiste aangifte omzetbelasting laten doen. Bij die aangifte is voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen, terwijl de verdachte daartoe niet gerechtigd was. Dat bedrag is vervolgens door de verdachte witgewassen, doordat hij dat bedrag – dat zich heeft vermengd met het overige aanwezige banksaldo – voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt.\n\nDoor de bedrijfsadministratie valselijk op te maken heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Het hof rekent het de verdachte eveneens aan dat hij een aangifte omzetbelasting onjuist heeft ingediend. Bij belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. De verdachte heeft hiervan misbruik gemaakt. Door een aangifte te doen die niet strookt met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Met het witwassen van criminele gelden, waaraan de verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt, wordt getracht om illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 september 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, zij het niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij thans samen met zijn vrouw woonachtig is in Spanje, hij vier kinderen heeft die niet meer thuis wonen, zijn autobedrijf ten onder is gegaan als gevolg van deze zaak, er naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting aan hem zijn opgelegd en nog niet zijn afgewikkeld, hij zijn eigen woning heeft moeten verkopen en dat hij met het verrichten van diverse hand- en spandiensten zijn inkomen vergaart. De verdachte stelt voorts overspannen te zijn geraakt door deze strafzaak en heeft daardoor een tijd te kampen gehad met psychische klachten.\n\nAlles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstraf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag, passend en geboden.\n\nHet hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 24 mei 2011, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer door de FIOD als verdachte is gehoord. De rechtbank heeft op 31 juli 2019 vonnis gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van 6 jaren en ruim 2 maanden. Daarnaast is het hof gebleken dat ook de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is immers op 7 augustus 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden – op 17 december 2024 en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – eindarrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ongeveer 3 jaren en iets meer dan 4 maanden overschreden. De totale overschrijding bedraagt aldus om en nabij 9 jaren en 6 maanden.\n\nBij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en\u002Fof zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak zeer omvangrijk en complex van aard is en de verdediging diverse (door de rechtbank en het hof gehonoreerde) onderzoekswensen heeft ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen niet het gehele tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Het hof zal de aanzienlijke overschrijding van de redelijk termijn mitsdien ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen taakstraf zal worden gematigd met 25 uren.\n\nHet voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 125 uren subsidiair 62 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstaf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde, namelijk voor zover dat ziet op de aangifte omzetbelasting over september 2006;\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nverklaart de dagvaarding partieel nietig, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’;\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van125 (honderdvijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door62 (tweeënzestig) dagen hechtenis;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. J. Platschorre, voorzitter,\n\nmr. J.M. van der Vegt en mr. W.F. Koolen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,\n\nen op 17 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Van der Vegt voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Proces-verbaal van aantreffen voorraadlijsten in pand [adres] AH-126-a, p. 1645; Proces-verbaal van doorzoeking [adres] , AH-18-b, p. 1136-1137; D-0059-b, p. 2775-2776; Bewijzen van inbeslaggenomen voorwerpen [adres] , AH-018-b-1, p. 1141.\n\n Voorraadlijst met documentnummer D-03-B, 49412 1\u002F2, p. 653.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven lijsten met documentnummers D-04, 49412, p. 669 en D-05, 4912, p. 670.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven notitie met zeven auto’s, per fax verstuurd vanuit [autobedrijf verdachte] , D-0140-C, p. 3184.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, welk bestand onderdeel uitmaakt van het procesdossier.\n\n De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat indien sprake was van een personenauto (zoals hier telkens aan de orde), de prijzen altijd inclusief BTW waren. Zie het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3060. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3053. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3152. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3153. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3179. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Overzichtsproces-verbaal, p. 20.\n\n Proces-verbaal van nadeelberekening [autobedrijf verdachte] , AH-171, p. 1912-1916; Jaaroverzicht omzetbelasting 2006, B-0081-aa en Aangiftenoverzicht omzetbelasting B-0081-a, p. 5392-5397.\n\n Ambtsedige verklaring omzetbelasting januari 2006 tot en met juli 2010, B-0081, p. 5388-5391.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 3] d.d. 12 juli 2011, p. 2603-2604.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [broer verdachte] d.d. 6 juli 2011, p. 2427.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395 in combinatie met het proces-verbaal inzake nadeelberekening [verdachte] , AH-171, p. 1912-1916.\n\n Vgl. Hof van Justitie van de EU 6 juli 2006, Kittel en Recolta, C-439\u002F04 en C-440\u002F04, ECLI:EU:C:2006:446, punten 45, 46, 56 en 61; Hof van Justitie van de EU 6 december 2012, Bonik, ECLI:EU:C:2012:774, punten 38‑40; Hof van Justitie van de 18 december 2014, Italmoda, ECLI:EU:C:2014:2455.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395.\n\n Vgl. Hoge Raad 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774 en de daaraan voorafgaande conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 27 mei 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD2774, i.h.b. r.o. 11, 12 en 20, alsmede de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:516, i.h.b. r.o. 40-44.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630-1631.\n\n Vgl. Hoge Raad 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar opnamen bij geldautomaat en betalingen bij betaalautomaat, AH-124-b, p. 1634-1635.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar kasopnamen bij de bank, AH-124-c, p. 1636.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda van 13 mei 2019, 15 mei 2019 en 31 juli 2019, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] , p. 8.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","2024-12-20T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:51.279Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1209","ECLI:NL:GHDHA:2024:2298","ecli-nl-ghdha-2024-2298",58,"2024-12-05T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-003211-23\n\nParketnummer: 71-282563-22\n\nDatum uitspraak: 5 december 2024\n\nTEGENSPRAAKGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op\n\n[geboortedatum] 1993,\n\nBRP-adres: [adres].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nNamens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - tenlastegelegd dat:\n\n1. zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 april 2014 tot en met 2 november 2022 in één of meer plaats(en) in Nederland en\u002Fof Syrië en\u002Fof Irak,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nheeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), danwel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en\u002Fof heeft\u002Fhebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de categorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie)\n\n2. zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 2 november 2022 in één of meer plaats(en) in Nederland en\u002Fof Syrië en\u002Fof Irak,\n\nmeermalen, althans eenmaal, (telkens)\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nmet het oogmerk om (een) misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 83 en\u002Fof 157 en\u002Fof 176a en\u002Fof 176b en\u002Fof 289(a) en\u002Fof 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:\n\n- moord en\u002Fof doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n1. een ander heeft getracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen en\u002Fof om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen, en\u002Fof\n\n2. gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich en\u002Fof anderen heeft getracht te verschaffen, en\u002Fof\n\n3. een of meer voorwerpen, voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte, wist dat deze bestemd waren tot het plegen van het misdrijf,\n\ndoor,\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties zoals Islamitische Staat (IS), danwel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) eigen te maken en\u002Fof\n\nB. zich te laten informeren over het afreizen naar en\u002Fof verblijven in het strijdgebied in Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof\n\nC. de reis naar Syrië en\u002Fof Irak te maken teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie zoals IS(IS\u002FIL) gecontroleerd gebied en\u002Fof gedurende enige tijd te verblijven in het (strijd)gebied in Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof\n\nD. zich te voegen bij een of meer mededader(s) en\u002Fof IS(IS\u002FIL) strijder(s) althans (een) perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof (op Islamitische wijze) een huwelijk aan te gaan met deze IS(IS\u002FIL) strijder(s) en\u002Fof een gezamenlijk huishouding te voeren met een of meer person(en) die (eveneens) deelnam(en) aan IS(IS\u002FIL), althans (telkens) (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en\u002Fof\n\nE. met één of meer mededader(s) in Syrië en\u002Fof Irak deel te nemen en\u002Fof bij te dragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS(IS\u002FIL), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\nF. in Syrië en\u002Fof Irak (een of meer) (automatisch(e)) vuurwapen(s) te gebruiken en\u002Fof te dragen en\u002Fof voorhanden te hebben,\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, hetgeen gelijk is aan 1080 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 657 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak feiten 1 en 2\n\n1. Relevante feiten\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe verdachte is omstreeks 18 april 2014, via Turkije, afgereisd naar Syrië samen met een toenmalige vriendin van de verdachte [vriendin] (hierna: [vriendin]). Enkele dagen daarvoor, op 14 april 2014, is de verdachte via Skype naar Islamitisch recht getrouwd met de broer van [vriendin]: [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]).\n\n[echtgenoot] was begin 2014 reeds afgereisd naar Syrië.\n\nEind februari 2017 is [echtgenoot] overleden. Tot die tijd woonde de verdachte in Syrië samen met [echtgenoot].\n\nDe verdachte heeft in de periode april 2014 tot maart 2019 hoofdzakelijk in Syrië en ook in Irak verbleven. Na in april 2014 de Turkse grens te zijn overgestoken heeft de verdachte enkele weken verbleven in de stad Atme (Syrië). Nadien heeft de verdachte (onder meer) verbleven in de steden Jarablus (Syrië), Tel Abyad (Syrië), Al-Shaafah (Syrië), Deir ez-Zor (Syrië) en in Mosul (Irak).\n\nTen tijde van haar verblijf in Atme was ISIS daar ook aanwezig. Ten tijde van haar verblijf in Jarablus, Tel Abyad en Mosul stonden deze steden onder heerschappij van ISIS\u002FIS.\n\nUit het huwelijk van de verdachte met [echtgenoot], zijn twee zoons voortgekomen, geboren in oktober 2015 en in oktober 2017.\n\nVanaf maart\u002Fapril 2019 heeft de verdachte met haar kinderen verbleven in detentiekamp Al-Hol in Syrië.\n\nOp grond van onder meer de hierna te noemen dossierstukken, stelt het hof vast dat de echtgenoot van de verdachte, [echtgenoot], strijder was bij IS.\n\nBlijkens politiemutaties had de vader van [echtgenoot], [schoonvader], regelmatig contact met hem. In juli 2014 heeft [schoonvader] aan de politie laten weten dat [echtgenoot] zich bij ISIS had aangesloten. In augustus 2016 heeft [schoonvader] aan de politie gemeld dat hij heeft geweigerd om [echtgenoot] financieel te ondersteunen omdat [echtgenoot] aan zijn vader had verteld dat hij daar, in Syrië, vecht. De vader wilde zich niet schuldig maken aan het financieren van IS. Uit documenten afkomstig van IS(IS), volgt voorts dat [echtgenoot] geregistreerd stond onder nummer 1200015998 met als ‘kunya’ (bijnaam) een variatie op ‘Abu Umar Abd-al-Rahman al-Hollandi’. Bij zijn naam is op documenten afkomstig van IS(IS) administraties onder meer vermeld “Suicide Fighters’ Battalion” en “Explosieven klaarmaken”.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat zij op enig moment in Syrië wist dat [echtgenoot] lid was van IS(IS) en dat zij wist dat hij werkzaam was voor IS(IS). De verdachte heeft verder verklaard dat zij wist dat er oorlog gaande was in het gebied waarheen zij ging en dat zij is afgereisd naar Syrië omdat zij graag mensen wilde helpen.\n\n2. Feit 1: deelname terroristische organisatie\n\n2.1. Juridisch kader artikel 140a Wetboek van Strafrecht\n\nDeelneming aan – kort gezegd - een terroristische organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Alvorens te beoordelen of daarvan in dit geval sprake is, zal hierna kort worden ingegaan op enkele relevante juridische kaders.\n\n2.1.1. Terroristische organisatie\n\nVolgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie - een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling - moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.\n\nOnder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.\n\nVoor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.\n\nHet gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.\n\n2.1.2. Deelneming\n\nVan deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.\n\nDe deelnemingsgedraging behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te worden. Wel zal feitelijk moeten worden vastgesteld waaruit de deelneming precies heeft bestaan.\n\nEen aandeel als hiervoor bedoeld kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid — in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.\n\n2.2. Overwegingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat zij – kort gezegd – in de periode van 1 april 2014 tot en met 2 november 2022, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten IS\u002FISIS\u002FISIL.\n\nHet gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat IS\u002FISIS\u002FISIL (hierna ook aangeduid als IS) het oogmerk had om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven.\n\nStrijdgroepen als IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door angst, dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\n2.2.1. Standpunt Openbaar Ministerie\n\nIn zijn requisitoir heeft de advocaat-generaal uiteengezet dat de verdachte in april 2014 naar Syrië is uitgereisd om zich te voegen bij haar echtgenoot, die zich in ISIS-gebied bevond. Hij was toen aangesloten bij ISIS en later – na oprichting per 29 juni 2014 – bij IS. De verdachte voerde met haar echtgenoot een gemeenschappelijke huishouding. Zij verzorgde hun kind, kookte en maakte schoon. IS beschouwde de werkzaamheden van de vrouw in het huishouden als een wezenlijke bijdrage aan de doeleinden van deze organisatie. Deze ondersteuning geldt dan ook als deelnemingshandeling en de verdachte is daarmee aan te merken als lid van IS.\n\n2.2.2. Standpunt verdediging\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte is afgereisd naar Syrië om hulp te verlenen. Dit tegen de achtergrond dat haar ouders - met de verdachte als baby – [geboorteland] voor de oorlog waren ontvlucht. Pas enige tijd na haar aankomst in Syrië ontdekte de verdachte dat haar echtgenoot lid was van IS. De verdachte heeft toen weliswaar een gemeenschappelijke huishouding met haar echtgenoot gevoerd, maar zij heeft geen activiteiten verricht die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de terroristische organisatie. Na het overlijden van haar echtgenoot in maart 2017 eindigde de gemeenschappelijke huishouding. Zij is nadien in IS-gebied verbleven, maar heeft geen geld of goederen van IS ontvangen en als dit laatste anders zou zijn dan levert dit geen deelname op aan IS.\n\n2.3. Oordeel hof\n\nUit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte:\n\nnaar Syrië is afgereisd in de wetenschap dat daar een burgeroorlog gaande was en zich bij haar echtgenoot heeft gevoegd;\n\nmet haar echtgenoot in Syrië en in Irak in IS-gebied heeft gewoond en met hem een gemeenschappelijke huishouding voerde terwijl zij op enig moment wist dat hij zich bij IS had aangesloten en dat hij daadwerkelijk voor deze terroristische organisatie werkte;\n\nin door IS bezet gebied heeft verbleven nadat haar echtgenoot was overleden.\n\nVerder gaat het hof er veronderstellenderwijs van uit dat de verdachte na het overlijden van haar echtgenoot in IS-gebied betalingen en goederen (meel en melk) van IS heeft ontvangen.\n\nNaar het oordeel van het hof wist de verdachte dat er in Syrië een burgeroorlog gaande was, maar er is geen bewijs voorhanden dat de verdachte vanuit een jihadistische ideologie of na extremistisch gedachtengoed omarmd te hebben is afgereisd naar Syrië. De verdieping die de verdachte in aanloop naar haar uitreis in haar geloof heeft gevonden ondersteunt die veronderstelling onvoldoende. Deze vaststelling laat ook voldoende ruimte voor de mogelijkheid dat de verdachte is vertrokken naar Syrië om hulp aan burgers te verlenen en om bij haar echtgenoot te zijn van wie zij toen nog niet wist dat hij zich bij (destijds) ISIS had aangesloten. Niet is gebleken dat de verdachte wervende jihadistische uitingen heeft verspreid.\n\nDe verdachte heeft met haar verblijf in IS-gebied geen directe bijdrage aan de verwezenlijking van het oogmerk van IS geleverd. Met alleen haar aanwezigheid werd IS niet gesteund. Het hof kan dan ook niet vaststellen dat de verdachte gedurende haar verblijf in Syrië en Irak de invloedssfeer van IS getalsmatig heeft versterkt.\n\nDe vraag is vervolgens of de verdachte heeft ‘deelgenomen’ aan IS door in IS-gebied een gemeenschappelijke huishouding te voeren met haar echtgenoot die lid was van IS. De verdachte heeft thuis schoon gemaakt, gekookt en voor hun kind gezorgd. Haar echtgenoot heeft inkopen gedaan toen de verdachte ziek was, maar het hof gaat er met de advocaat-generaal en de raadsman vanuit dat de huishouding in overwegende mate door de verdachte werd gedaan.\n\nVan de bijdrage van de verdachte aan de gemeenschappelijke huishouding zal haar echtgenoot in de eerste plaats als haar huisgenoot hebben geprofiteerd. Indirect kan haar bijdrage ook dienstig zijn geweest aan zijn inzet voor IS. De uitgespaarde tijd kon hij immers elders inzetten. De vraag is of tussen de door de verdachte gegenereerde extra tijd en de werkzaamheden van de echtgenoot van de verdachte voor IS voldoende direct verband kan worden vastgesteld.\n\nVoor een bewezenverklaring dat de verdachte – kort gezegd – een aandeel heeft gehad in gedragingen dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtsreeks verband houden metde verwezenlijking van het oogmerk van IS volstaat deze bijdrage van de verdachte aan de gemeenschappelijke huishouding niet. Het verband tussen (de bijdrage van de verdachte in) de gemeenschappelijke huishouding en verwezenlijking van het oogmerk van IS acht het hof in de onderhavige zaak te ver verwijderd. Het dossier biedt geen steun voor het vaststellen van dit verband en evenmin kan daaruit worden afgeleid dat voor de verdachte voorzienbaar was dat haar dagelijkse bezigheden in huis zouden kunnen leiden tot extra inzet van haar echtgenoot voor IS.\n\nDat de verdachte betalingen en goederen van IS heeft ontvangen na het overlijden van haar echtgenoot maakt dit niet anders.Uit de daarop betrekking hebbende documenten volgt dat deze giften en betalingen verband hielden met zijn overlijden, en (dus) geen betrekking hadden op enige handeling van de verdachte in de periode dat er nog sprake was van een gezamenlijke huishouding.\n\nAnders dan de advocaat-generaal heeft aangevoerd, kan uit dergelijke verstrekkingen onder deze omstandigheden dan ook niet worden afgeleid dat de verdachte door IS werd beschouwd als lid van de organisatie.\n\nOok de hiervoor besproken feiten en omstandigheden tezamen, in onderlinge samenhang bezien, kunnen niet opleveren het vereiste aandeel van de verdachte in gedragingen dan wel het ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS.\n\nHet voorgaande betekent dat niet is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr en dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.\n\n3. Feit 2: voorbereidings- en bevorderingshandelingen\n\n3.1. Juridisch kader artikel 96 lid 2 Sr\n\nDe in artikel 96, lid 2, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Oogmerk is een hoge gradatie van opzet. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat daarom niet.\n\nHet misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, lid 2, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.\n\n3.2. Overwegingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde\n\nOnder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat zij – kort gezegd – al dan niet in vereniging met een ander of anderen, voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en\u002Fof moord met een terroristisch oogmerk.\n\n3.2.1. Standpunt Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal is van mening dat op grond van de in het schriftelijk requisitoir vermelde feiten en omstandigheden de onder 2 tenlastegelegde gedragingen zoals weergegeven onder A tot en met E bewezen kunnen worden verklaard.\n\nZo is de verdachte zich ongeveer een jaar voor haar uitreis gaan verdiepen in het geloof en heeft zij samen met [vriendin] en [echtgenoot] gesproken over het afreizen naar Syrië (A). De verdachte heeft met [vriendin] en [echtgenoot] gesproken over het afreizen naar en\u002Fof het verblijven in het strijdgebied in Syrië en\u002Fof Irak. [echtgenoot] heeft [vriendin] en de verdachte instructies gegeven hoe zij in Syrië moesten komen en zij hebben deze opgevolgd (B). De verdachte heeft zich samen met [vriendin] begeven naar het strijdgebied dat onder controle stond van IS (C). Daar heeft de verdachte zich gevoegd bij [echtgenoot], die als strijder lid was van IS, en met hem een gezamenlijke huishouding gevoerd (D). Daarmee heeft de verdachte bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door IS (E).\n\n3.2.2. Standpunt verdediging\n\nDe raadsman heeft zich overeenkomstig zijn pleitnota op het standpunt gesteld dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden bevestigd. De rechtbank heeft de verdachte van dit feit vrijgesproken en de overweging van de rechtbank komt erop neer dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode van de uitreis wist dat haar echtgenoot een strijder was en waar hij zich mee bezig hield, laat staan dat de verdachte het oogmerk had om haar echtgenoot willens en wetens te ondersteunen dan wel hem hierin te faciliteren, aldus de raadsman. Gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte in Syrië verbleef, te weten onder dwang, geweld en bedreiging, in combinatie met verdachtes verklaringen, de verklaringen van haar zus en van haar toenmalige vriendin, alsmede gelet op het vonnis in de zaak van [vriendin], meent de verdediging dat niet bewezen kan worden dat bij de verdachte het vereiste oogmerk bestond.\n\n3.3. Oordeel hof\n\nVolgens de tenlastelegging zou de verdachte het feit hebben begaan door middel van de onder A t\u002Fm F weergegeven feitelijke gedragingen.\n\nDe onder A, E en F tenlastegelegde gedragingen acht het hof niet bewezen. Uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting volgt namelijk dat de verdachte zich het radicaal extremistische gedachtengoed van de gewapende jihadstrijd met een terroristisch oogmerk eigen heeft gemaakt, zoals tenlastegelegd onder A. Uit het dossier wordt wel duidelijk dat de verdachte zich is gaan interesseren in het islamitische geloof en dat zij daar discussies over voerde met haar familie, maar dat is daartoe ontoereikend. Weliswaar heeft de familie in dit verband gemeld dat de verdachte “stilaan radicaliseerde”, maar dat dient afgezet te worden tegen het gegeven dat religie in het gezin niet gepraktiseerd werd, zodat het de vraag is wat daaronder werd verstaan.\n\nVoorts is er geen bewijs dat de verdachte heeft deelgenomen of heeft bijgedragen aan de gewapende jihadstrijd zoals tenlastegelegd onder E. Het hof verwijst op dit punt naar de overwegingen inzake de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Evenmin is er bewijs dat de verdachte in verband kan worden gebracht met automatische vuurwapens, op de wijze zoals tenlastegelegd onder F.\n\nOnder B, C en D is – verkort weergegeven – tenlastegelegd dat de verdachte zich heeft laten informeren over afreizen naar Syrië\u002F Irak (B); dat zij de reis naar het strijdgebied aldaar gemaakt heeft en\u002Fof daar heeft verbleven (C) en dat zij getrouwd is en een huishouden heeft gevoerd met een IS strijder (D).\n\nIndien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat de onderdelen B, C en D kunnen worden bewezen, dan is daarmee echter nog niet het bewijs geleverd dat de verdachte dit heeft gedaan met het oogmerk om de in de tenlastelegging genoemde terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, ook niet indien deze onderdelen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Dat de verdachte is getrouwd met iemand die IS strijder werd, naar Syrië is afgereisd, met een IS strijder een huishouding heeft gevoerd en ook na de dood van haar echtgenoot in IS strijdgebied heeft verbleven, betekent niet zonder meer dat bij de verdachte het hiervoor bedoelde oogmerk bestond. Om een dergelijke conclusie te kunnen trekken zou meer informatie nodig zijn over de beweegredenen van de verdachte, bijvoorbeeld dat zij een bepaalde versie van de jihad aanhing en\u002Fof naar Syrië vertrok om op enigerlei wijze deel te nemen aan de gewapende strijd. Het procesdossier bevat dergelijke informatie niet en dit is evenmin op grond van het verhandelde ter terechtzitting duidelijk geworden.\n\nHet hof acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het oogmerk had om een of meer van de terroristische misdrijven, bedoeld in het onder 2 tenlastegelegde, voor te bereiden of te bevorderen.\n\n4. Slotsom feiten 1 en 2\n\nNaar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nDit arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. D.M. Thierry en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 december 2024.\n\nZie o.a. Gerechtshof Den Haag 6 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3879; Gerechtshof Den Haag 18 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2492; Gerechtshof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:102.\n\n Vgl. HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:771.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:2298","2026-07-13T00:29:10.139Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"895","ECLI:NL:GHAMS:2024:3061","ecli-nl-ghams-2024-3061",56,"2024-11-06T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000328-24\n\ndatum uitspraak: 6 november 2024\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 13 februari 2024- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-730037-14 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1974,\n\nzonder vaste woon-of verblijfplaats hier te lande,\n\n(post)adres: [adres 1] .\n\nProcesgang\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nHet gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 9 december 2021 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan, de verdachte vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,00.\n\nDe advocaat-generaal heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.\n\nDe Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 13 februari 2024 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde – kort gezegd: medeplegen van mensenhandel – en de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad in hoger beroep nog aan de orde –ten laste gelegd dat:\n\n1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 te Uithoorn, in elk geval in Nederland en\u002Fof te Singapore en\u002Fof te Indonesië en\u002Fof te Frankrijk en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] door dwang en\u002Fof geweld en\u002Fof één of meer andere feitelijkheden en\u002Fof door dreiging met geweld en\u002Fof dreiging met één of meer andere feitelijkheden en\u002Fof door afpersing en\u002Fof door fraude en\u002Fof door misleiding en\u002Fof door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en\u002Fof door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en\u002Fof opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5]\n\nen\u002Fof\n\nvoornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en\u002Fof bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden)\n\ndan wel\n\nmet onder eerder genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en\u002Fof (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] \u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden)\n\nen\u002Fof\n\nopzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5]\n\nimmers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (ten aanzien van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] , terwijl hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] geen en\u002Fof weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en\u002Fof de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en\u002Fof niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en\u002Fof in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen\u002Fof de Nederlandse en\u002Fof de Engelse taal niet machtig waren en\u002Fof de weg in Nederland niet kenden\n\n- ( (al dan niet via een tussenpersoon) contact gelegd met die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gevraagd of zij bij hem en\u002Fof zijn mededader(s) in Nederland in de huishouding en\u002Fof als au pair wilde(n)\u002Fkon(den) gaan werken en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gezegd dat zij 300 euro en\u002Fof 350 euro en\u002Fof zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en\u002Fof met (lichte) hulp in de huishouden en\u002Fof dat zij eens per week en\u002Fof eens per twee weken een vrije dag zou(den) hebben en\u002Fof tegen extra betaling elke dag zou(den) moeten werken en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gezegd dat hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), de reiskosten voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] van Singapore en\u002Fof Indonesië naar Nederland en\u002Fof Frankrijk en\u002Fof België zou(den) betalen en\u002Fof (vervolgens) het visum en\u002Fof het ticket voor de reis van Singapore en\u002Fof Indonesië naar Nederland en\u002Fof Frankrijk en\u002Fof België geregeld en\u002Fof bekostigd en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] van het vliegveld in Parijs en\u002Fof België en\u002Fof Schiphol opgehaald en\u002Fof (per auto en\u002Fof per trein) naar zijn, verdachtes, en\u002Fof zijn mededaders' woning gebracht en\u002Fof (vervolgens) aldaar gehuisvest (in de woning [adres 2] ) en\u002Fof\n\n- het paspoort van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] in bewaring genomen en\u002Fof op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] zeven dagen per week, althans nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat, laten werken en die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] duidelijk gemaakt dat zij pas zonder zijn, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) naar buiten mocht(en) gaan als het werk in huis klaar was (hetgeen nooit het geval was) en\u002Fof (zodoende) belet dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] sociale contacten opbouwde(n) en\u002Fof een afhankelijkheidspositie voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gecreëerd en\u002Fof in stand gehouden en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] , geen, althans weinig, salaris betaald en\u002Fof [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] duidelijk gemaakt dat zij hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) nog een groot geldbedrag moest(en) betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zou(den) gaan en (zodoende) gedwongen en\u002Fof aangemoedigd om bij hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) te blijven wonen en\u002Fof te (blijven) werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en\u002Fof omstandigheden voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan, waaraan zij zich niet heeft\u002Fhebben kunnen onttrekken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. De verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) hebben tezamen en in vereniging door misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie de aangeefsters geworven, vervoerd en gehuisvest. De Hoge Raad heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat niet enkel de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting. Gelet op de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die aan de aangeefsters zijn opgelegd, en het economisch voordeel dat door verdachten is behaald, kan worden vastgesteld dat sprake was van arbeidsuitbuiting.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat ook zonder het vereiste van een ‘excessieve situatie’ vrijspraak dient te volgen. De aangeefsters hebben elkaar over en weer beïnvloed. Volgens de verdediging kan het oogmerk van uitbuiting niet worden bewezen. De aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor de aangeefsters meebracht, en het economisch voordeel dat de verdachten daarmee zouden hebben behaald waren niet dusdanig dat kan worden gesproken van uitbuiting. Het is de vraag of de aangeefsters daadwerkelijk vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week beschikbaar moesten zijn. Uit het dossier komt niet naar voren dat sprake was van complexe zorg voor de kinderen. Daarnaast zorgden [medeverdachte] en een andere oppas ook voor de kinderen. De aangeefsters hebben niet consistent verklaard over de beperkingen die de tewerkstelling voor hen meebracht. [medeverdachte] heeft de paspoorten van de aangeefsters niet onder zich gehouden met als doel de aangeefsters in haar macht te hebben. Daarnaast was het loon naar de maatstaven van de aangeefsters voldoende. Verder kan [verdachte] volgens de verdediging niet als medepleger worden aangemerkt.\n\nJuridisch kader mensenhandel\n\nIn artikel 273f, aanhef en eerste lid sub 1º, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is als mensenhandel strafbaar gesteld het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting door aanwending van dwangmiddelen.\n\nIngevolge sub 4º is tevens schuldig aan mensenhandel degene die een ander dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid.\n\nIn artikel 273f, aanhef en eerste lid sub 6º, Sr is als mensenhandel strafbaar gesteld het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander. Voor een bewezenverklaring ter zake van het misdrijf als bedoeld in sub 6º is vereist dat het opzet van de verdachte behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander.\n\nDwangmiddelen\n\nOm tot een bewezenverklaring van mensenhandel te komen, moet naast deze strafbaar gestelde gedragingen sprake zijn van aanwending van de in sub 1º genoemde dwangmiddelen. Deze kunnen bestaan uit ‘misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’. Deze dwangmiddelen beïnvloeden de wil en dienen te leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid.\n\nEen nadere invulling voor het begrip ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ kan worden gevonden in de memorie van toelichting bij één van de voorlopers van de huidige bepaling. Daarin schrijft de wetgever dat een dergelijk misbruik wordt verondersteld indien de prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Met deze toelichting heeft de wetgever bedoeld het bestanddeel inzake misbruik te objectiveren en daarmee de bescherming van de bepaling uit te breiden.\n\nVolgens het zesde lid van artikel 273f Sr dient onder ‘kwetsbare positie’ mede te worden verstaan: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan”. Een kwetsbare positie kan onder meer het gevolg zijn van illegale binnenkomst of illegaal verblijf of ongedocumenteerde status.\n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arresten van 5 februari 2002 en 27 oktober 2009 uiteen gezet dat uit de omstandigheid dat het slachtoffer illegaal in Nederland verblijft, volgt dat een afhankelijke positie mag worden verondersteld.\n\nUitbuiting\n\nHet in artikel 273f lid 1 Sr voorkomende bestanddeel ‘uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ratio van dit (impliciete) bestanddeel van de bepaling is gelegen in strafbaarstelling van een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij. Daarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het misbruik maken van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden.\n\nDe vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt (in een geval als dit) onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.\n\nOpzet\n\nUit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs van door ‘misbruik’-handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling.\n\nNaast dit opzetvereiste geldt een ander, zwaarder opzetvereiste ten aanzien van de uitbuiting, namelijk in de vorm van het oogmerk van uitbuiting.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte] is geboren in [geboorteland] en op haar negentiende naar Nederland geëmigreerd. Ten tijde van het tenlastegelegde woonde zij inmiddels zo’n 20 jaar in Nederland. Zij is getrouwd met de verdachte [verdachte] . Samen hebben zij drie kinderen: [naam 1] (geboren op [geboortedag 2] 2010), [naam 2] (geboren op [geboortedag 3] 2012) en [naam 3] (geboren in 2014, na de ten laste gelegde periode). [medeverdachte] heeft daarnaast nog een zoon uit een vorige relatie: [naam 4] (geboren op [geboortedag 4] 1992). In de ten laste gelegde periode was het gezin woonachtig op het adres [geboortedag 5] .\n\n [medeverdachte] en [verdachte] zochten hulp bij de verzorging van hun jonge kinderen. Vanwege de medische problemen van hun kinderen, zochten zij iemand die ook ’s nachts beschikbaar was. Omdat het in Nederland moeilijk was om dergelijke hulp te vinden, heeft [medeverdachte] daartoe contact gelegd met tussenpersonen in Indonesië. Uiteindelijk zijn de aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (hierna: de aangeefsters) allen op enig moment in de ten laste gelegde periode naar Nederland gekomen, met als doel geld te verdienen met hun werkzaamheden voor [medeverdachte] en [verdachte] . Zij leefden in hun land van herkomst in armoedige omstandigheden en waren dringend op zoek naar werk om hun families financieel te ondersteunen. De aangeefsters zijn met toeristenvisa of transitvisa naar Nederland gereisd. Er is hen geen andere verblijfsrechtelijke titel verleend en er is voor hen geen tewerkstellingsvergunning aangevraagd. [medeverdachte] en [verdachte] hebben de reis naar Nederland bekostigd.\n\nVoorafgaand aan de komst naar Nederland heeft [medeverdachte] telefonisch contact gehad met elk van de aangeefsters. Voor geen van de aangeefsters is een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Er waren geen werktijden afgesproken. Wel werden de volgende mondelinge afspraken gemaakt. De aangeefsters zouden bij een werkweek van zeven dagen twee vrije dagen per maand krijgen. Als de aangeefsters op die vrije dagen toch werkten, zouden zij extra geld krijgen. [medeverdachte] heeft met de aangeefsters afgesproken dat zij een salaris van ongeveer 350 euro per maand zouden verdienen.\n\nToen de aangeefsters ieder voor zich op enig moment in de ten laste gelegde periode aankwamen in Europa (in Parijs, België of op Schiphol), haalde [medeverdachte] , al dan niet samen met [verdachte] , de aangeefsters op en bracht hen naar hun woning in [adres 2] . De aangeefsters hebben allen vervolgens enige tijd gewoond en gewerkt in die woning van de verdachten. De kosten van eten en inwoning werden door [medeverdachte] en [verdachte] gedragen. Hun salaris -voor zover dit werd uitbetaald- werd steeds overgemaakt op rekeningen van anderen dan van aangeefsters, zodat aangeefsters er zelf niet over beschikten.\n\nDe werkzaamheden van de aangeefsters bestonden uit het zorgen voor (één van) de kinderen van [medeverdachte] en [verdachte] , en taken van huishoudelijke aard. Zoals [medeverdachte] zelf heeft verklaard, moesten de aangeefsters zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Overdag en ’s avonds verrichtten de aangeefsters huishoudelijke taken en\u002Fof pasten op de kinderen. Op grond van de verklaringen van de aangeefsters gaat het hof ervan uit dat dat minstens twaalf uur per dag het geval was. Dit aantal uur heeft de verdachte overigens ook niet betwist.\n\nHet hof sluit niet uit dat de aangeefsters, zoals door de verdediging is aangevoerd, tussendoor af en toe tijd hadden om op de bank te zitten, te eten of gebruik te maken van hun telefoon. Vaststaat echter dat de aangeefsters ook tijdens die momenten beschikbaar moesten zijn. Dit geldt ook voor het door de verdediging naar voren gebrachte rustmoment tijdens het slapen van de kinderen overdag. Op dat moment hadden de aangeefsters nog steeds niet de vrijheid om te doen wat zij wilden. Zij moesten in de kamer met de kinderen blijven en stil zijn om de kinderen niet wakker te maken.\n\nDe verdachten hielden er rekening mee dat een van de kinderen in de nacht naar het ziekenhuis gebracht moest worden en wilden voor die mogelijkheid dat er ook ’s nachts hulp van aangeefsters beschikbaar was.\n\nDe aangeefsters spraken de Nederlandse taal niet. Zij begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [medeverdachte] of met de kinderen buiten de woning.\n\nOok moesten de aangeefsters hun paspoort aan [medeverdachte] afgeven. Het hof gaat, anders dan de verdediging, ervan uit dat de aangeefsters hierna niet de beschikking hadden over hun paspoort. In dat verband acht het hof met name van belang dat [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 heeft verklaard dat het veiliger was om de paspoorten onder haar te nemen omdat de aangeefsters haar kinderen dan niet konden meenemen naar Indonesië. Met deze doelstelling van het innemen van de paspoorten ligt het, naar het oordeel van het hof, in het geheel niet voor de hand dat de aangeefsters hun paspoort tot hun eigen beschikking hadden. Daar komt nog bij dat enkele aangeefsters het gezin hebben verlaten en daarna zijn aangetroffen zonder hun paspoort. Het hof hecht daarom waarde aan de verklaringen van de aangeefsters dat zij geen beschikking hadden over hun paspoort en deze ook niet kregen wanneer zij [medeverdachte] daar om vroegen.\n\n [slachtoffer 1] was in de periode van september 2011 tot ongeveer februari 2012 werkzaam voor [medeverdachte]\n\nen [verdachte] . In die periode werkte er drie à vier dagen per week ook een andere oppas: [naam 5] . [slachtoffer 1] heeft na de eerste maand van haar dienstverband twee maandsalarissen van in totaal 700 euro\n\nuitbetaald gekregen door overmaking van dat bedrag aan haar familie in Indonesië. [medeverdachte] heeft\n\ndaarna namens haar drie keer 200 euro betaald voor [naam 6] (het hof berijpt: een soort gezamenlijk\n\nspaarsysteem), maar dit geld heeft ze nooit teruggekregen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar dienstverband één vrije dag opgenomen. In december 2011 heeft [slachtoffer 1] [medeverdachte] laten weten dat ze weg wilde. [medeverdachte] heeft tegen haar gezegd dat ze dan 3.000 euro moest betalen wegens gemaakte kosten. De verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt wordt ondersteund door sms’jes van [medeverdachte] waarin zij schrijft dat [slachtoffer 1] dit bedrag moet terugbetalen. [slachtoffer 1] is eind januari, begin februari 2012 vertrokken.\n\n [slachtoffer 2] heeft van 10 mei 2012 tot en met oktober 2012 bij [medeverdachte] en [verdachte]\n\ngewerkt. Zij heeft het salaris van drie maanden uitbetaald gekregen. Het geld is - op verzoek van [slachtoffer 2] - betaald aan een vriendin in Indonesië. De overige maanden heeft zij niet uitbetaald\n\ngekregen. Tijdens haar tewerkstelling heeft zij een maand samen met een tante voor de kinderen gezorgd.\n\n [slachtoffer 2] heeft voorts ook een periode gelijktijdig met [naam 5] gewerkt. Zij is in oktober 2012 vertrokken na een ruzie met [verdachte] . Later heeft [medeverdachte] haar gevraagd of ze weer wilde komen werken. Dat heeft ze gedaan, in december 2013. Ze werkte daar toen gelijktijdig met de hierna te noemen [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft bij [medeverdachte] en [verdachte] verbleven en gewerkt in de periode van augustus 2013 tot\n\ndecember 2013. Zij heeft ongeveer 130 euro betaald gekregen. [slachtoffer 3] heeft dit geld voor extra gewerkte dagen ontvangen. Het geld is gestort op de rekening van de ouders van [slachtoffer 3] . Verder heeft ze geen salaris ontvangen. In een gedeelte van de periode dat [slachtoffer 3] bij [medeverdachte] en [verdachte] werkte, werkte er ook een andere oppas.\n\n [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben gelijktijdig bij [medeverdachte] en [verdachte] gewoond en gewerkt. Zij zijn samen in\n\nmaart 2014 begonnen en hebben daar gewerkt tot aan het moment van de aanhouding van de verdachten\n\nop 29 april 2014. Zij hebben het salaris voor de maand maart 2014 uitbetaald gekregen op een rekening in Indonesië. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben geen vrije dagen gehad of opgenomen.\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster in hun geheel onbetrouwbaar zijn en daarom niet als bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof volgt dit standpunt niet, reeds omdat de inhoud van een zeer groot deel van de verklaringen overeenkomt met de inhoud van de verklaringen van de verdachte en door de verdediging dan ook niet wordt betwist. Waar de verklaringen wel zijn betwist en door het hof als bewijs worden gebruikt, heeft het hof hierboven gemotiveerd waarom het de verklaring op dat specifieke punt tevens betrouwbaar acht.\n\nWat de verdediging ten aanzien van de mogelijke onderlinge beïnvloeding van de aangeefsters heeft aangevoerd, doet evenmin af aan de feiten en omstandigheden zoals in het voorgaande door het hof vastgesteld. Daarbij geldt ook hier dat de hiervoor aangenomen feiten grotendeels niet worden betwist door de verdediging. Op de enkele punten waarop de feiten afwijken van het door de verdediging geschetste scenario, heeft het hof deze afwijking niet enkel gebaseerd op door de verdediging betwiste verklaringen van de aangeefsters.\n\nOordeel van het hof\n\nHandelingen en dwangmiddelen\n\nGelet op de bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] door misbruik te maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters hen hebben geworven, vervoerd en gehuisvest, en hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en au pair werkzaamheden.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de aangeefsters zich in een situatie bevonden die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. De aangeefsters verbleven illegaal in Nederland en hadden niet de beschikking over hun paspoorten. Zij spraken geen Nederlands, en waren onbekend met de Nederlandse cultuur en samenleving. Er was geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. De aangeefsters kwamen uit armoedige omstandigheden in Indonesië en hadden in Nederland geen beschikking over hun inkomen. Zij waren hierdoor voor huisvesting, eten en communicatie afhankelijk van de verdachten. Ook is een aantal aangeefsters voorgehouden dat zij een schuld moesten betalen aan verdachten als zij (voortijdig) zouden vertrekken. Met de advocaat-generaal concludeert het hof dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden en dat er sprake was van een uit de feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht.\n\nAnders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van misleiding van de aangeefsters door de verdachten.\n\nTen aanzien van de vraag of [medeverdachte] en [verdachte] zich bewust moeten zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de aangeefsters waaruit dit overwicht en deze kwetsbare positie voortvloeiden, overweegt het hof als volgt.\n\n [medeverdachte] komt uit [geboorteland] en woonde al geruime tijd in Nederland. Zij is getrouwd met [verdachte] , een Nederlandse man. Zij heeft enige tijd in Nederland gewerkt en kan dus bekend worden verondersteld met de arbeidsmarkt en werkomstandigheden die in Nederland de norm zijn. Zij wist ook dat vrouwen die in Indonesië als kinderoppas werken het niet breed hebben. Ook de overige hierboven genoemde omstandigheden waren haar bekend.\n\nOok [verdachte] wist dat de aangeefsters afkomstig waren uit Indonesië en de Nederlandse taal niet spraken. Ook moet hij kennis hebben gehad van de zeer lage bedragen die zijn uitbetaald aan de aangeefsters, zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn. [verdachte] deed immers de financiële administratie van het gezin. Daarnaast wist [verdachte] dat de paspoorten van de aangeefsters niet door henzelf werden bewaard. Over de verblijfsstatus van de aangeefsters heeft [verdachte] verklaard dat hij er vanuit ging dat [medeverdachte] dit – al dan niet met de hulp van een bureau – goed geregeld had. Het hof hecht aan deze verklaring geen waarde. Aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning worden strenge voorwaarden gesteld. Dit is een algemeen bekend feit. Daar komt bij dat [verdachte] – blijkens aangetroffen formulieren en garantstellingen – veelvuldig betrokken was bij de IND-procedures van Indonesische familieleden die op bezoek kwamen bij [medeverdachte] . Hij was bovendien de kostwinner en degene die de administratie deed. Dat [verdachte] ervan uitging dat [medeverdachte] in een periode van enkele jaren voor vijf huishoudelijke hulpen een verblijfsstatus en een tewerkstellingsvergunning had kunnen verkrijgen zonder dat [verdachte] daarbij werd betrokken (in het bijzonder voor het aanleveren voor de administratieve bescheiden), acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. In dat kader is ook nog opvallend dat [verdachte] zich ook niet heeft bekommerd om de fiscale afwikkeling van de betalingen aan de aangeefsters. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van de verblijfsstatus van de aangeefsters. Met deze kennis moet [verdachte] hebben geweten dat de aangeefsters van de verdachten afhankelijk waren.\n\nHet hof concludeert dat beide verdachten misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters.\n\n(Oogmerk van) uitbuiting\n\nVervolgens ligt de vraag voor of sprake was van (het oogmerk van) uitbuiting. Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor de aangeefsters heeft meegebracht, en het economisch voordeel dat daarmee door [medeverdachte] en [verdachte] is behaald, kan worden vastgesteld dat sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting.\n\nDe aangeefsters moesten vanaf ’s ochtens vroeg, zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Ook verwachtten de verdachten dat er ’s nachts hulp beschikbaar was voor het geval een van de kinderen ziek was of naar het ziekenhuis moest. Voor deze zeer vergaande mate van beschikbaarheid en het werk dat gedaan moest worden, ontvingen de aangeefsters een naar Nederlandse maatstaven heel laag salaris, dat bovendien niet of slechts gedeeltelijk werd uitbetaald. De aangeefsters maakten lange dagen; zij hielden zich van ’s ochtends vroeg tot in de avond bezig met de verzorging van de kinderen en huishoudelijke werkzaamheden. Vanwege de gezondheidsproblemen van de kinderen hadden zij meer zorg nodig, hetgeen het werk intensiever maakte.\n\nDe aangeefsters begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [medeverdachte] of met de kinderen buiten de woning. Alleen al omdat de aangeefsters in verregaande mate voor het gezin beschikbaar moesten zijn hadden zij weinig vrijheid. Daar komt bij dat de aangeefsters op uitnodiging van de verdachten illegaal in Nederland waren en door toedoen van de verdachten niet over hun paspoort en inkomen beschikten. Een aantal van hen is gezegd dat zij bij voortijdig vertrek een groot bedrag aan de verdachten zouden moeten terugbetalen. De aangeefsters bevonden zich bovendien in een land dat zij niet kenden en spraken geen Nederlands. Aldus werden de aangeefsters door de door de verdachten gecreëerde omstandigheden feitelijk sterk in hun bewegingsvrijheid beperkt. Dat het afgenomen paspoort drie van de aangeefsters uiteindelijk niet heeft belet bij de verdachten weg te gaan, doet daar niet aan af.\n\nDe verdachten hebben een aanzienlijk economisch voordeel behaald met de tewerkstelling van de aangeefsters. Omdat in Nederland geen specifieke en algemeen verbindende cao voor inwonend huispersoneel voor de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden en kinderverzorging bestaat, ziet het hof aanleiding om voor het bepalen van het economisch voordeel bij het minimumloon aansluiting te zoeken. Het minimumuurloon tussen 2011 en 2014 lag tussen de € 8,22 en € 8,63. [slachtoffer 1] heeft in totaal 146 dagen gewerkt, [slachtoffer 2] 174 dagen, [slachtoffer 3] 173 dagen en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] 43 dagen. Zoals reeds in het voorgaande besproken, gaat het hof ervan uit dat zij minstens twaalf uren per dag hebben gewerkt. Gelet op het aantal uren dat de aangeefsters hebben gewerkt, het minimumloon dat destijds gold, het beperkte salaris dat wel door [medeverdachte] is uitbetaald en de door de verdachten gemaakte kosten, is het hof van oordeel dat sprake was van een aanzienlijk economisch voordeel.\n\nHet hof is dan ook op grond van alle voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat sprake is van uitbuiting. Dat de verdachten hiertoe bovendien het oogmerk hebben gehad blijkt uit hun handelen. Nadat [medeverdachte] bemerkte dat een 24 uur per dag beschikbare hulp in Nederland moeilijk te verkrijgen is, ging zij daarnaar op zoek in Indonesië. Vervolgens hebben de verdachten de aangeefsters bewust de hiervoor genoemde lange dagen laten werken, hebben zij zelf in overwegende mate de beperkingen veroorzaakt en hebben zij aanzienlijk economisch voordeel behaald.\n\nOp grond van het voorgaande is het hof eveneens van oordeel dat het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van de aangeefsters bewezenverklaard kan worden.\n\nMedeplegen\n\nTen aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt het hof als volgt. Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.\n\nOok wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en\u002Fof intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.\n\nBij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\nUit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af. [medeverdachte] was degene die, al dan niet met behulp van een tussenpersoon, contact legde met de aangeefsters in Indonesië en ervoor zorgde dat zij naar Nederland konden komen. Zij sprak dezelfde taal als de aangeefsters, zij stuurde hen aan en zij was hun aanspreekpunt. [verdachte] was zich bewust van de reden waarom gebruik is gemaakt van Indonesische vrouwen. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij de kinderen niet naar een opvang in Nederland hadden gebracht. Dat had te maken met cultuurverschil en met opvattingen over hygiëne. Het inschakelen van Indonesische mensen die in Nederland woonden, werkte niet goed. Zij waren ’s nachts niet aanwezig, zo verklaarde [verdachte] , terwijl het mogelijk was dat de verdachten ’s nachts acuut naar het ziekenhuis moesten. [verdachte] heeft samen met [medeverdachte] [slachtoffer 1] opgehaald op Schiphol, en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in België. De aangeefsters woonden en werkten in het huis waar zowel [medeverdachte] als [verdachte] woonachtig waren. [verdachte] was dus dagelijks getuige van de omstandigheden waaronder de aangeefsters werkten, profiteerde van de door de aangeefsters verrichtte werkzaamheden en werkte mee aan hun huisvesting door de aangeefsters toe te staan in de woning te verblijven. Dat hij niet of nauwelijks met de aangeefsters communiceerde, doet daar niet aan af. [verdachte] deed de financiële administratie van het gezin en was kostwinner. Hij moet dus op de hoogte zijn geweest van de financiële situatie van het gezin, de kosten die ten behoeve van de aangeefsters zijn gemaakt en de salarissen die (deels) zijn uitbetaald aan de aangeefsters. Daarnaast wist [verdachte] ook waar de paspoorten van de aangeefsters werden bewaard. Dit vonden hij en [medeverdachte] naar eigen zeggen veilig.\n\n [verdachte] heeft hiermee bijgedragen aan de totstandkoming, de verdere verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuiting van de aangeefsters. Dat het initiatief voor het werven mogelijk meer uitging van [medeverdachte] , doet hier niet aan af. De verdachten vervulden ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol. Het hof is dan ook van oordeel dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] is komen vast te staan en dat het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen verklaard.\n\nLex certa\n\nSubsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring van het oogmerk van uitbuiting komt, dit leidt tot schending van het lex certa-beginsel. De verdediging heeft zich in de onderbouwing van het verweer niet zozeer verzet tegen het oordeel van de Hoge Raad dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft toegepast en evenmin gesteld dat dit oordeel redelijkerwijs niet voorzienbaar was. De verdediging stelt, zo begrijpt het hof, dat het hof op basis van het arrest van de Hoge Raad niet tot een bewezenverklaring van mensenhandel hoeft te komen en dat een bewezenverklaring daarom – in samenhang met de onduidelijkheid omtrent de strekking van de wetsbepaling – tot een onaanvaardbare mate van rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid leidt.\n\nHet hof verwerpt dit beroep. Allereerst merkt het hof op dat het beginsel niet in de weg staat aan de geleidelijke verfijning van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid langs de weg van rechterlijke uitlegging, zolang die uitlegging redelijkerwijs kan worden voorzien. De Hoge Raad heeft in zijn arrest overwogen dat het gehanteerde vereiste van een “excessieve situatie” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is een nadere invulling van de uitleg van de wetsbepaling die de Hoge Raad tot dan toe hanteerde. Er is dan ook sprake van een verfijning als hiervoor bedoeld. Dat het hof vervolgens op basis van die verfijning tot een andere weging van de feiten en omstandigheden komt, kan niet alsnog tot een schending van het beginsel leiden. Daarbij merkt het hof nog op dat de Hoge Raad niet enkel heeft overwogen dat een vereiste van een “excessieve situatie” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, maar ook dat de vrijspraak kennelijk berust op de onjuiste opvatting dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, geen bewezenverklaring van mensenhandel toelaten.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 in Nederland en\u002Fof te Indonesië en\u002Fof te Frankrijk en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en\u002Fof door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]\n\nen\n\nvoornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] telkens met één van de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden,\n\nen\n\nopzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]\n\nimmers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander ten aanzien van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en\u002Fof de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en\u002Fof in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen of de Nederlandse en\u002Fof de Engelse taal niet machtig waren en de weg in Nederland niet kenden\n\n- al dan niet via een tussenpersoon contact gelegd met die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gevraagd of zij bij hem en zijn mededader in Nederland in de huishouding en\u002Fof als au pair wilden werken en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gezegd dat zij 300 euro en\u002Fof 350 euro en\u002Fof zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en\u002Fof met (lichte) hulp in het huishouden en\u002Fof dat zij eens per twee weken een vrije dag zouden hebben en\u002Fof tegen extra betaling elke dag zouden werken en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gezegd dat hij, verdachte en zijn mededader, de reiskosten voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] van Indonesië naar Nederland zouden betalen en vervolgens het visum en het ticket voor de reis van Indonesië naar Nederland geregeld en bekostigd en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in Parijs en\u002Fof België en\u002Fof van Schiphol opgehaald en per auto of per trein naar zijn, verdachtes en zijn mededaders’ woning gebracht en vervolgens aldaar gehuisvest in de woning (aan de) [adres 2] en\n\n- het paspoort van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in bewaring genomen en op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat laten werken en een afhankelijkheidspositie voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gecreëerd en in stand gehouden en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weinig salaris betaald en [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] duidelijk gemaakt dat zij hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader nog een groot geldbedrag moesten betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zouden gaan en zodoende aangemoedigd om bij hem, verdachte en zijn mededader te blijven wonen en te blijven werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] een afhankelijkheidssituatie is ontstaan, waaraan zij zich niet hebben kunnen onttrekken.\n\nHetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nmensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van voorarrest, eventueel aangevuld met een volledig voorwaardelijke straf. Daarnaast heeft hij in strafmatigende zin verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de duur van de procedure, de overschrijding van de redelijke termijn en de beperktere rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nHet hof stelt voorop dat de Hoge Raad het arrest van het hof van 9 december 2021 heeft vernietigd wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Nu de Hoge Raad de strafoplegging in het geheel heeft vernietigd, dient het hof derhalve een straf op te leggen voor zowel het onder 1 bewezenverklaarde, als het reeds eerder door het hof onder 3 bewezenverklaarde.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel en het tewerkstellen van vijf illegaal in Nederland verblijvende vrouwen. Gedurende een langere periode heeft zijn echtgenote, de medeverdachte, op verschillende momenten vrouwen uit Indonesië laten overkomen om te laten werken in hun gezin. De vrouwen zorgden voor hun kinderen en verrichten huishoudelijke werkzaamheden. Zij maakten lange dagen en moesten zeven dagen per week beschikbaar zijn. Zij kregen niet of nauwelijks vrij en hun zeer lage salaris werd niet of slechts deels uitbetaald. De vrouwen spraken de Nederlandse taal niet en hun paspoorten waren door de verdachten ingenomen. Voor huisvesting, eten en communicatie waren de vrouwen afhankelijk van de verdachten, omdat zijzelf geen beschikking hadden over geld. Door aldus te handelen hebben de verdachten ernstig misbruik gemaakt van de afhankelijke en kwetsbare positie waarin zij de vrouwen hebben gebracht en hen in hun persoonlijke vrijheid aangetast. Als gevolg van de uitbuiting van deze goedkope arbeidskrachten waren de verdachten in staat aanzienlijk te besparen op arbeidskosten. Zij hebben kennelijk enkel oog gehad voor haar eigen financiële gewin en hebben zich niet bekommerd om de schade die hun handelen aan de vrouwen heeft toegebracht. Daarbij hebben zij bewust de garanties aan hun laars gelapt die de Nederlandse wetgeving biedt op het terrein van beloning en werktijden.\n\nHet hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, enkel een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Het hof heeft de indruk gekregen dat de verdachte het laakbare van zijn handelen niet inziet. Daarom acht het hof een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw op deze wijze au pairs of huishoudelijke hulp voor zich te laten werken. In beginsel acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend. Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de volgende omstandigheden.\n\nBij de strafoplegging houdt het hof er ten voordele van de verdachten rekening mee dat artikel 273f Sr in 2013 is gewijzigd, waarbij onder meer de maximum straf is verhoogd. Deze wijziging trad op 15 november 2013 in werking. Nu het onder 1 ten laste gelegde deels voor die datum is gepleegd, zal het hof de eerdere bepaling als richtsnoer nemen.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 oktober 2024 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. De verdachte kan daarom worden aangemerkt als first offender.\n\nVerder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht en die uit het dossier naar voren komen. De lengte van de strafprocedure heeft haar sporen nagelaten op zijn mentale welzijn. Zijn werk viel weg en er werd beslag gelegd op de rekeningen van de verdachte en zijn echtgenote, de medeverdachte. Uiteindelijk zijn zij daarom met hun gezin naar [land] verhuisd waar zij nog steeds woonachtig zijn. De verdachte probeert werk te vinden als consultant en zijn echtgenote zorgt voor hun drie kinderen. Op dit moment hebben zij het niet breed.\n\nDaarnaast stelt het hof vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte is op 29 april 2014 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 29 juni 2017 vonnis gewezen. In eerste aanleg is aldus sprake geweest van een overschrijding van de redelijk termijn. Vervolgens heeft de verdachte hoger beroep ingesteld op 4 juli 2017, waarna het hof op 9 december 2021 arrest heeft gewezen. Ook in deze fase was aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Hierna heeft het openbaar ministerie op 16 december 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 13 februari 2024 arrest gewezen, het arrest van het hof partieel vernietigd en teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam. Ook in de cassatiefase is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal deze overschrijdingen van de redelijke termijn – van in totaal 3 jaar en 9 maanden – verdisconteren in de strafmaat.\n\nHet hof acht alles afwegende, en in het bijzonder rekening houdende met de ouderdom van de feiten, de rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad, de overschrijding van de redelijke termijn, de lange duur van de strafprocedure en de nadelige gevolgen die de procedure voor het leven van de verdachte heeft gehad, een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.\n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nDe benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben zich ieder in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vorderingen zijn als volgt opgebouwd:\n\n [slachtoffer 1]:\n\nMaterieel: € 6.051,80 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 1.000,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 2]:\n\nMaterieel: € 7.119,00 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 1.000,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 3]:\n\nMaterieel: € 5.333,25 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 7.500,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.333,35, bestaande uit € 5.333,25 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.\n\nOp 3 juli 2017 en 13 juli 2017 is onderscheidenlijk door de verdachte en het openbaar ministerie tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De benadeelde partij heeft zich in die fase van het proces niet opnieuw gevoegd. Op 20 juni 2020 is de benadeelde partij overleden. De advocaat van de benadeelde partij heeft namens de erfgenaam ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 te kennen gegeven dat de oorspronkelijke vordering wordt gehandhaafd. Na terugwijzing heeft de advocaat zich namens de erfgenaam opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering door middel van een wensenformulier van 3 april 2024.\n\nHet hof overweegt dat de vordering op de voet van artikel 6:106, tweede lid, tweede volzin, BW vatbaar is voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam, maar dat het strafgeding niet voorziet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dat brengt met zich dat, nu de vordering bij vonnis niet in haar geheel is toegewezen, deze voor het gedeelte dat in eerste aanleg is toegewezen kan worden beoordeeld, omdat deze op grond van het bepaalde in artikel 421, tweede lid, Sv in hoger beroep van rechtswege voortduurt.\n\n [slachtoffer 4]:\n\n- Materieel: € 1.807,10 aan gederfde inkomsten.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 5]:\n\n- Materieel: € 1.807,10 aan gederfde inkomsten.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de advocaat-generaal gevorderd deze toe te wijzen tot een bedrag van € 7.833,25, bestaande uit € 5.333,25 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nOordeel van het hof\n\nMaterieel\n\nHet hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachten rechtstreeks materiële schade hebben geleden, bestaande uit gederfde inkomsten. De verdediging heeft de vorderingen inhoudelijk niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen tot de gevorderde bedragen aan materiële schade zullen worden toegewezen.\n\nImmaterieel\n\nDe benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben naast materiële schade ook vergoeding van immateriële schade gevorderd.\n\nVoor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast.\n\nIndien geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in de eer of goede naam, is het de vraag of een benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van voornoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.\n\nOok als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\nDe benadeelde partijen hebben in hun vordering ieder voor zich - kort gezegd - aangevoerd dat zij hebben geleden doordat de situatie die hen van tevoren was voorgespiegeld, in werkelijkheid anders bleek te zijn. Zij moesten lange dagen maken, hadden weinig vrij en kregen niet of te weinig betaald. Zij hadden geen enkele privacy, voelden zich minderwaardig en de verstandhouding met de verdachten was slecht. [slachtoffer 3] heeft daarnaast aangevoerd dat zij gezondheidsklachten heeft gekregen door de omstandigheden waarin zij terecht is gekomen.\n\nDat [slachtoffer 3] lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het onder 1 tenlastegelegde, acht het hof onvoldoende onderbouwd. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben niet aangevoerd dat zij door het onder 1 tenlastegelegde lichamelijk letsel hebben opgelopen. Nu evenmin sprake is van schade in de eer of goede naam, ligt de vraag voor of de benadeelde partijen ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast. Gelet op het bovenstaande juridisch kader acht het hof hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van voornoemd artikel. Zo zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid en doet zich hier niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan reeds volgt dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat in de onderhavige zaak geen wettelijke grondslag bestaat voor vergoeding van de gevorderde immateriële schade. De vorderingen zullen dan ook in zoverre worden afgewezen.\n\nConclusie\n\nHet voorgaande houdt in dat het hof als volgt beslist op de vorderingen.\n\n [slachtoffer 1]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.051,80, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 2]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.119,00, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 3]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.333,25, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 4]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.807,10, bestaande uit materiële schade.\n\n [slachtoffer 5]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.807,10, bestaande uit materiële schade.\n\nHet hof zal de vorderingen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen data en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 197c en 273f van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.051,80 (zesduizend eenenvijftig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.051,80 (zesduizend eenenvijftig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 januari 2012.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.119,00 (zevenduizend honderdnegentien euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.119,00 (zevenduizend honderdnegentien euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 oktober 2012.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.333,25 (vijfduizend driehonderddrieëndertig euro en vijfentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.333,25 (vijfduizend driehonderddrieëndertig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 december 2013.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2014.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2014.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.I.M. van Bergen, mr. E. de Greeve en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2024.\n\nDe jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]\n\n […]\n\nKamerstukken II, vergaderjaar 1988\u002F89, 21 027, nr. 3, p. 3 en 4 (MvT). Het dwangmiddel ‘misbruik van uit feitelijkeverhoudingenvoortvloeiend overwicht’ vindt zijn oorsprong in artikel 250a (oud) Sr, dat is geïncorporeerd in artikel 273a (oud) Sr; het huidige artikel 273f Sr, met dien verstande dat dit dwangmiddel in artikel 273f Sr als ‘misbruik van uit feitelijkeomstandighedenvoortvloeiend overwicht’ is terechtgekomen.\n\n Deze voorbeelden volgen uit: Kamerstukken II, vergaderjaar 2011\u002F12, 33 309, nr. 3, p. 16 (MvT).\n\nKamerstukken II, vergaderjaar 2003\u002F04, 29 291, nr. 3, p. 18 (MvT). Memorie van Toelichting bij artikel 273a (oud) Sr.\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, r.o. 2.6.1 (Chinese horeca); herhaald in HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:534\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, r.o. 2.5.1. (Chinese horeca)\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 (Chinese horeca)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3061","2026-07-13T00:28:53.418Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":51,"updatedAt":77},"1218","ECLI:NL:GHAMS:2024:3060","ecli-nl-ghams-2024-3060","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000329-24\n\ndatum uitspraak: 6 november 2024\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadslieden)\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 13 februari 2024- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-730038-14 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1973,\n\nzonder vaste woon-of verblijfplaats hier te lande,\n\n(post)adres: [adres 1] .\n\nProcesgang\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nHet gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 9 december 2021 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan, de verdachte vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 2.500,00.\n\nDe advocaat-generaal heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.\n\nDe Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 13 februari 2024 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde – kort gezegd: medeplegen van mensenhandel – en de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadslieden en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad in hoger beroep nog aan de orde –ten laste gelegd dat:\n\n1. zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 te Uithoorn, in elk geval in Nederland en\u002Fof te Singapore en\u002Fof te Indonesië en\u002Fof te Frankrijk en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] door dwang en\u002Fof geweld en\u002Fof één of meer andere feitelijkheden en\u002Fof door dreiging met geweld en\u002Fof dreiging met één of meer andere feitelijkheden en\u002Fof door afpersing en\u002Fof door fraude en\u002Fof door misleiding en\u002Fof door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en\u002Fof door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en\u002Fof opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5]\n\nen\u002Fof\n\nvoornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en\u002Fof bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden)\n\ndan wel\n\nmet onder eerder genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan zij, verdachte\n\nen\u002Fof (één of meer van) haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] \u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden)\n\nen\u002Fof\n\nopzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5]\n\nimmers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (ten aanzien van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] , terwijl zij, verdachte en\u002Fof haar mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] geen en\u002Fof weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en\u002Fof de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en\u002Fof niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en\u002Fof in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen\u002Fof de Nederlandse en\u002Fof de Engelse taal niet machtig waren en\u002Fof de weg in Nederland niet kenden\n\n- ( (al dan niet via een tussenpersoon) contact gelegd met die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gevraagd of zij bij haar en\u002Fof haar mededader(s) in Nederland in de huishouding en\u002Fof als au pair wilde(n)\u002Fkon(den) gaan werken en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gezegd dat zij 300 euro en\u002Fof 350 euro en\u002Fof zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en\u002Fof met (lichte) hulp in de huishouden en\u002Fof dat zij eens per week en\u002Fof eens per twee weken een vrije dag zou(den) hebben en\u002Fof tegen extra betaling elke dag zou(den) moeten werken en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gezegd dat zij, verdachte en\u002Fof haar mededader(s), de reiskosten voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] van Singapore en\u002Fof Indonesië naar Nederland en\u002Fof Frankrijk en\u002Fof België zou(den) betalen en\u002Fof (vervolgens) het visum en\u002Fof het ticket voor de reis van Singapore en\u002Fof Indonesië naar Nederland en\u002Fof Frankrijk en\u002Fof België geregeld en\u002Fof bekostigd en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] van het vliegveld in Parijs en\u002Fof België en\u002Fof Schiphol opgehaald en\u002Fof (per auto en\u002Fof per trein) naar haar, verdachtes, en\u002Fof haar mededaders’ woning gebracht en\u002Fof (vervolgens) aldaar gehuisvest (in de woning [adres 2] ) en\u002Fof\n\n- het paspoort van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] in bewaring genomen en\u002Fof op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] zeven dagen per week, althans nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat, laten werken en die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] duidelijk gemaakt dat zij pas zonder haar, verdachte en\u002Fof haar mededader(s) naar buiten mocht(en) gaan als het werk in huis klaar was (hetgeen nooit het geval was) en\u002Fof (zodoende) belet dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] sociale contacten opbouwde(n) en\u002Fof een afhankelijkheidspositie voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gecreëerd en\u002Fof in stand gehouden en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] geen, geen, althans weinig, salaris betaald en\u002Fof [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] duidelijk gemaakt dat zij haar, verdachte en\u002Fof haar mededader(s) nog eengroot geldbedrag moest(en) betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zou(den) gaan en (zodoende) gedwongen en\u002Fof aangemoedigd om bij haar, verdachte en\u002Fof haar mededader(s) te blijven wonen en\u002Fof te (blijven) werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en\u002Fof omstandigheden voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan, waaraan zij zich niet heeft\u002Fhebben kunnen onttrekken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. De verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) hebben tezamen en in vereniging door misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie de aangeefsters geworven, vervoerd en gehuisvest. De Hoge Raad heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat niet enkel de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting. Gelet op de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die aan de aangeefsters zijn opgelegd, en het economisch voordeel dat door verdachten is behaald, kan worden vastgesteld dat sprake was van arbeidsuitbuiting.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat ook zonder het vereiste van een ‘excessieve situatie’ vrijspraak dient te volgen. De aangeefsters hebben elkaar over en weer beïnvloed. Volgens de verdediging kan het oogmerk van uitbuiting niet worden bewezen. De aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor de aangeefsters meebracht, en het economisch voordeel dat de verdachten daarmee zouden hebben behaald waren niet dusdanig dat kan worden gesproken van uitbuiting. Het is de vraag of de aangeefsters daadwerkelijk vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week beschikbaar moesten zijn. Uit het dossier komt niet naar voren dat sprake was van complexe zorg voor de kinderen. Daarnaast zorgden [verdachte] en een andere oppas ook voor de kinderen. De aangeefsters hebben niet consistent verklaard over de beperkingen die de tewerkstelling voor hen meebracht. [verdachte] heeft de paspoorten van de aangeefsters niet onder zich gehouden met als doel de aangeefsters in haar macht te hebben. Daarnaast was het loon naar de maatstaven van de aangeefsters voldoende. Verder kan [medeverdachte] volgens de verdediging niet als medepleger worden aangemerkt.\n\nJuridisch kader mensenhandel\n\nIn artikel 273f, aanhef en eerste lid sub 1º, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is als mensenhandel strafbaar gesteld het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting door aanwending van dwangmiddelen.\n\nIngevolge sub 4º is tevens schuldig aan mensenhandel degene die een ander dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid.\n\nIn artikel 273f, aanhef en eerste lid sub 6º, Sr is als mensenhandel strafbaar gesteld het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander. Voor een bewezenverklaring ter zake van het misdrijf als bedoeld in sub 6º is vereist dat het opzet van de verdachte behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander.\n\nDwangmiddelen\n\nOm tot een bewezenverklaring van mensenhandel te komen, moet naast deze strafbaar gestelde gedragingen sprake zijn van aanwending van de in sub 1º genoemde dwangmiddelen. Deze kunnen bestaan uit ‘misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’. Deze dwangmiddelen beïnvloeden de wil en dienen te leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid.\n\nEen nadere invulling voor het begrip ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ kan worden gevonden in de memorie van toelichting bij één van de voorlopers van de huidige bepaling. Daarin schrijft de wetgever dat een dergelijk misbruik wordt verondersteld indien de prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Met deze toelichting heeft de wetgever bedoeld het bestanddeel inzake misbruik te objectiveren en daarmee de bescherming van de bepaling uit te breiden.\n\nVolgens het zesde lid van artikel 273f Sr dient onder ‘kwetsbare positie’ mede te worden verstaan: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan”. Een kwetsbare positie kan onder meer het gevolg zijn van illegale binnenkomst of illegaal verblijf of ongedocumenteerde status.\n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arresten van 5 februari 2002 en 27 oktober 2009 uiteen gezet dat uit de omstandigheid dat het slachtoffer illegaal in Nederland verblijft, volgt dat een afhankelijke positie mag worden verondersteld.\n\nUitbuiting\n\nHet in artikel 273f lid 1 Sr voorkomende bestanddeel ‘uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ratio van dit (impliciete) bestanddeel van de bepaling is gelegen in strafbaarstelling van een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij. Daarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het misbruik maken van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden.\n\nDe vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt (in een geval als dit) onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.\n\nOpzet\n\nUit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs van door ‘misbruik’-handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling.\n\nNaast dit opzetvereiste geldt een ander, zwaarder opzetvereiste ten aanzien van de uitbuiting, namelijk in de vorm van het oogmerk van uitbuiting.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe verdachte [verdachte] is geboren in [geboorteland] en op haar negentiende naar Nederland geëmigreerd. Ten tijde van het tenlastegelegde woonde zij inmiddels zo’n 20 jaar in Nederland. Zij is getrouwd met de medeverdachte [medeverdachte] . Samen hebben zij drie kinderen: [naam 1] (geboren op [geboortedag 2] 2010), [naam 2] (geboren op [geboortedag 3] 2012) en [naam 3] (geboren in 2014, na de ten laste gelegde periode). [verdachte] heeft daarnaast nog een zoon uit een vorige relatie: [naam 4] (geboren op [geboortedag 4] 1992). In de ten laste gelegde periode was het gezin woonachtig op het adres [adres 2] .\n\n [verdachte] en [medeverdachte] zochten hulp bij de verzorging van hun jonge kinderen. Vanwege de medische problemen van hun kinderen, zochten zij iemand die ook ’s nachts beschikbaar was. Omdat het in Nederland moeilijk was om dergelijke hulp te vinden, heeft [verdachte] daartoe contact gelegd met tussenpersonen in Indonesië. Uiteindelijk zijn de aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (hierna: de aangeefsters) allen op enig moment in de ten laste gelegde periode naar Nederland gekomen, met als doel geld te verdienen met hun werkzaamheden voor [verdachte] en [medeverdachte] . Zij leefden in hun land van herkomst in armoedige omstandigheden en waren dringend op zoek naar werk om hun families financieel te ondersteunen. De aangeefsters zijn met toeristenvisa of transitvisa naar Nederland gereisd. Er is hen geen andere verblijfsrechtelijke titel verleend en er is voor hen geen tewerkstellingsvergunning aangevraagd. [verdachte] en [medeverdachte] hebben de reis naar Nederland bekostigd.\n\nVoorafgaand aan de komst naar Nederland heeft [verdachte] telefonisch contact gehad met elk van de aangeefsters. Voor geen van de aangeefsters is een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Er waren geen werktijden afgesproken. Wel werden de volgende mondelinge afspraken gemaakt. De aangeefsters zouden bij een werkweek van zeven dagen twee vrije dagen per maand krijgen. Als de aangeefsters op die vrije dagen toch werkten, zouden zij extra geld krijgen. [verdachte] heeft met de aangeefsters afgesproken dat zij een salaris van ongeveer 350 euro per maand zouden verdienen.\n\nToen de aangeefsters ieder voor zich op enig moment in de ten laste gelegde periode aankwamen in Europa (in Parijs, België of op Schiphol), haalde [verdachte] , al dan niet samen met [medeverdachte] , de aangeefsters op en bracht hen naar hun woning in [adres 2]. De aangeefsters hebben allen vervolgens enige tijd gewoond en gewerkt in die woning van de verdachten. De kosten van eten en inwoning werden door [verdachte] en [medeverdachte] gedragen. Hun salaris -voor zover dit werd uitbetaald- werd steeds overgemaakt op rekeningen van anderen dan van aangeefsters, zodat aangeefsters er zelf niet over beschikten.\n\nDe werkzaamheden van de aangeefsters bestonden uit het zorgen voor (één van) de kinderen van [verdachte] en [medeverdachte] , en taken van huishoudelijke aard. Zoals de verdachte zelf heeft verklaard, moesten de aangeefsters zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Overdag en ’s avonds verrichtten de aangeefsters huishoudelijke taken en\u002Fof pasten op de kinderen. Op grond van de verklaringen van de aangeefsters gaat het hof ervan uit dat dat minstens twaalf uur per dag het geval was. Dit aantal uur heeft de verdachte overigens ook niet betwist.\n\nHet hof sluit niet uit dat de aangeefsters, zoals door de verdediging is aangevoerd, tussendoor af en toe tijd hadden om op de bank te zitten, te eten of gebruik te maken van hun telefoon. Vaststaat echter dat de aangeefsters ook tijdens die momenten beschikbaar moesten zijn. Dit geldt ook voor het door de verdediging naar voren gebrachte rustmoment tijdens het slapen van de kinderen overdag. Op dat moment hadden de aangeefsters nog steeds niet de vrijheid om te doen wat zij wilden. Zij moesten in de kamer met de kinderen blijven en stil zijn om de kinderen niet wakker te maken.\n\nDe verdachten hielden er rekening mee dat een van de kinderen in de nacht naar het ziekenhuis gebracht moest worden en wilden voor die mogelijkheid dat er ook ’s nachts hulp van aangeefsters beschikbaar was.\n\nDe aangeefsters spraken de Nederlandse taal niet. Zij begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [verdachte] of met de kinderen buiten de woning.\n\nOok moesten de aangeefsters hun paspoort aan [verdachte] afgeven. Het hof gaat, anders dan de verdediging, ervan uit dat de aangeefsters hierna niet de beschikking hadden over hun paspoort. In dat verband acht het hof met name van belang dat [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 heeft verklaard dat het veiliger was om de paspoorten onder haar te nemen omdat de aangeefsters haar kinderen dan niet konden meenemen naar Indonesië. Met deze doelstelling van het innemen van de paspoorten ligt het, naar het oordeel van het hof, in het geheel niet voor de hand dat de aangeefsters hun paspoort tot hun eigen beschikking hadden. Daar komt nog bij dat enkele aangeefsters het gezin hebben verlaten en daarna zijn aangetroffen zonder hun paspoort. Het hof hecht daarom waarde aan de verklaringen van de aangeefsters dat zij geen beschikking hadden over hun paspoort en deze ook niet kregen wanneer zij [verdachte] daar om vroegen.\n\n [slachtoffer 1] was in de periode van september 2011 tot ongeveer februari 2012 werkzaam voor [verdachte]\n\nen [medeverdachte] . In die periode werkte er drie à vier dagen per week ook een andere oppas: [naam 5] . [slachtoffer 1] heeft na de eerste maand van haar dienstverband twee maandsalarissen van in totaal 700 euro\n\nuitbetaald gekregen door overmaking van dat bedrag aan haar familie in Indonesië. [verdachte] heeft\n\ndaarna namens haar drie keer 200 euro betaald voor [naam 6] (het hof berijpt: een soort gezamenlijk\n\nspaarsysteem), maar dit geld heeft ze nooit teruggekregen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar dienstverband één vrije dag opgenomen. In december 2011 heeft [slachtoffer 1] [verdachte] laten weten dat ze weg wilde. [verdachte] heeft tegen haar gezegd dat ze dan 3.000 euro moest betalen wegens gemaakte kosten. De verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt wordt ondersteund door sms’jes van [verdachte] waarin zij schrijft dat [slachtoffer 1] dit bedrag moet terugbetalen. [slachtoffer 1] is eind januari, begin februari 2012 vertrokken.\n\n [slachtoffer 2] heeft van 10 mei 2012 tot en met oktober 2012 bij [verdachte] en [medeverdachte]\n\ngewerkt. Zij heeft het salaris van drie maanden uitbetaald gekregen. Het geld is - op verzoek van [slachtoffer 2] - betaald aan een vriendin in Indonesië. De overige maanden heeft zij niet uitbetaald\n\ngekregen. Tijdens haar tewerkstelling heeft zij een maand samen met een tante voor de kinderen gezorgd.\n\n [slachtoffer 2] heeft voorts ook een periode gelijktijdig met [naam 5] gewerkt. Zij is in oktober 2012 vertrokken na een ruzie met [medeverdachte] . Later heeft [verdachte] haar gevraagd of ze weer wilde komen werken. Dat heeft ze gedaan, in december 2013. Ze werkte daar toen gelijktijdig met de hierna te noemen [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft bij [verdachte] en [medeverdachte] verbleven en gewerkt in de periode van augustus 2013 tot\n\ndecember 2013. Zij heeft ongeveer 130 euro betaald gekregen. [slachtoffer 3] heeft dit geld voor extra gewerkte dagen ontvangen. Het geld is gestort op de rekening van de ouders van [slachtoffer 3] . Verder heeft ze geen salaris ontvangen. In een gedeelte van de periode dat [slachtoffer 3] bij [verdachte] en [medeverdachte] werkte, werkte er ook een andere oppas.\n\n [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben gelijktijdig bij [verdachte] en [medeverdachte] gewoond en gewerkt. Zij zijn samen in\n\nmaart 2014 begonnen en hebben daar gewerkt tot aan het moment van de aanhouding van de verdachten\n\nop 29 april 2014. Zij hebben het salaris voor de maand maart 2014 uitbetaald gekregen op een rekening in Indonesië. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben geen vrije dagen gehad of opgenomen.\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster in hun geheel onbetrouwbaar zijn en daarom niet als bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof volgt dit standpunt niet, reeds omdat de inhoud van een zeer groot deel van de verklaringen overeenkomt met de inhoud van de verklaringen van de verdachte en door de verdediging dan ook niet wordt betwist. Waar de verklaringen wel zijn betwist en door het hof als bewijs worden gebruikt, heeft het hof hierboven gemotiveerd waarom het de verklaring op dat specifieke punt tevens betrouwbaar acht.\n\nWat de verdediging ten aanzien van de mogelijke onderlinge beïnvloeding van de aangeefsters heeft aangevoerd, doet evenmin af aan de feiten en omstandigheden zoals in het voorgaande door het hof vastgesteld. Daarbij geldt ook hier dat de hiervoor aangenomen feiten grotendeels niet worden betwist door de verdediging. Op de enkele punten waarop de feiten afwijken van het door de verdediging geschetste scenario, heeft het hof deze afwijking niet enkel gebaseerd op door de verdediging betwiste verklaringen van de aangeefsters.\n\nOordeel van het hof\n\nHandelingen en dwangmiddelen\n\nGelet op de bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] door misbruik te maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters hen hebben geworven, vervoerd en gehuisvest, en hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en au pair werkzaamheden.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de aangeefsters zich in een situatie bevonden die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. De aangeefsters verbleven illegaal in Nederland en hadden niet de beschikking over hun paspoorten. Zij spraken geen Nederlands, en waren onbekend met de Nederlandse cultuur en samenleving. Er was geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. De aangeefsters kwamen uit armoedige omstandigheden in Indonesië en hadden in Nederland geen beschikking over hun inkomen. Zij waren hierdoor voor huisvesting, eten en communicatie afhankelijk van de verdachten. Ook is een aantal aangeefsters voorgehouden dat zij een schuld moesten betalen aan verdachten als zij (voortijdig) zouden vertrekken. Met de advocaat-generaal concludeert het hof dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden en dat er sprake was van een uit de feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht.\n\nAnders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van misleiding van de aangeefsters door de verdachten.\n\nTen aanzien van de vraag of [verdachte] en [medeverdachte] zich bewust moeten zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de aangeefsters waaruit dit overwicht en deze kwetsbare positie voortvloeiden, overweegt het hof als volgt.\n\n [verdachte] komt uit [geboorteland] en woonde al geruime tijd in Nederland. Zij is getrouwd met [medeverdachte] , een Nederlandse man. Zij heeft enige tijd in Nederland gewerkt en kan dus bekend worden verondersteld met de arbeidsmarkt en werkomstandigheden die in Nederland de norm zijn. Zij wist ook dat vrouwen die in Indonesië als kinderoppas werken het niet breed hebben. Ook de overige hierboven genoemde omstandigheden waren haar bekend.\n\nOok [medeverdachte] wist dat de aangeefsters afkomstig waren uit Indonesië en de Nederlandse taal niet spraken. Ook moet hij kennis hebben gehad van de zeer lage bedragen die zijn uitbetaald aan de aangeefsters, zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn. [medeverdachte] deed immers de financiële administratie van het gezin. Daarnaast wist [medeverdachte] dat de paspoorten van de aangeefsters niet door henzelf werden bewaard. Over de verblijfsstatus van de aangeefsters heeft [medeverdachte] verklaard dat hij er vanuit ging dat [verdachte] dit – al dan niet met de hulp van een bureau – goed geregeld had. Het hof hecht aan deze verklaring geen waarde. Aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning worden strenge voorwaarden gesteld. Dit is een algemeen bekend feit. Daar komt bij dat [medeverdachte] – blijkens aangetroffen formulieren en garantstellingen – veelvuldig betrokken was bij de IND-procedures van Indonesische familieleden die op bezoek kwamen bij [verdachte] . Hij was bovendien de kostwinner en degene die de administratie deed. Dat [medeverdachte] ervan uitging dat [verdachte] in een periode van enkele jaren voor vijf huishoudelijke hulpen een verblijfsstatus en een tewerkstellingsvergunning had kunnen verkrijgen zonder dat [medeverdachte] daarbij werd betrokken (in het bijzonder voor het aanleveren voor de administratieve bescheiden), acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. In dat kader is ook nog opvallend dat [medeverdachte] zich ook niet heeft bekommerd om de fiscale afwikkeling van de betalingen aan de aangeefsters. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat [medeverdachte] zich bewust is geweest van de verblijfsstatus van de aangeefsters. Met deze kennis moet [medeverdachte] hebben geweten dat de aangeefsters van de verdachten afhankelijk waren.\n\nHet hof concludeert dat beide verdachten misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters.\n\n(Oogmerk van) uitbuiting\n\nVervolgens ligt de vraag voor of sprake was van (het oogmerk van) uitbuiting. Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor de aangeefsters heeft meegebracht, en het economisch voordeel dat daarmee door [verdachte] en [medeverdachte] is behaald, kan worden vastgesteld dat sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting.\n\nDe aangeefsters moesten vanaf ’s ochtens vroeg, zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Ook verwachtten de verdachten dat er ’s nachts hulp beschikbaar was voor het geval een van de kinderen ziek was of naar het ziekenhuis moest. Voor deze zeer vergaande mate van beschikbaarheid en het werk dat gedaan moest worden, ontvingen de aangeefsters een naar Nederlandse maatstaven heel laag salaris, dat bovendien niet of slechts gedeeltelijk werd uitbetaald. De aangeefsters maakten lange dagen; zij hielden zich van ’s ochtends vroeg tot in de avond bezig met de verzorging van de kinderen en huishoudelijke werkzaamheden. Vanwege de gezondheidsproblemen van de kinderen hadden zij meer zorg nodig, hetgeen het werk intensiever maakte.\n\nDe aangeefsters begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [verdachte] of met de kinderen buiten de woning. Alleen al omdat de aangeefsters in verregaande mate voor het gezin beschikbaar moesten zijn hadden zij weinig vrijheid. Daar komt bij dat de aangeefsters op uitnodiging van de verdachten illegaal in Nederland waren en door toedoen van de verdachten niet over hun paspoort en inkomen beschikten. Een aantal van hen is gezegd dat zij bij voortijdig vertrek een groot bedrag aan de verdachten zouden moeten terugbetalen. De aangeefsters bevonden zich bovendien in een land dat zij niet kenden en spraken geen Nederlands. Aldus werden de aangeefsters door de door de verdachten gecreëerde omstandigheden feitelijk sterk in hun bewegingsvrijheid beperkt. Dat het afgenomen paspoort drie van de aangeefsters uiteindelijk niet heeft belet bij de verdachten weg te gaan, doet daar niet aan af.\n\nDe verdachten hebben een aanzienlijk economisch voordeel behaald met de tewerkstelling van de aangeefsters. Omdat in Nederland geen specifieke en algemeen verbindende cao voor inwonend huispersoneel voor de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden en kinderverzorging bestaat, ziet het hof aanleiding om voor het bepalen van het economisch voordeel bij het minimumloon aansluiting te zoeken. Het minimumuurloon tussen 2011 en 2014 lag tussen de € 8,22 en € 8,63. [slachtoffer 1] heeft in totaal 146 dagen gewerkt, [slachtoffer 2] 174 dagen, [slachtoffer 3] 173 dagen en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] 43 dagen. Zoals reeds in het voorgaande besproken, gaat het hof ervan uit dat zij minstens twaalf uren per dag hebben gewerkt. Gelet op het aantal uren dat de aangeefsters hebben gewerkt, het minimumloon dat destijds gold, het beperkte salaris dat wel door [verdachte] is uitbetaald en de door de verdachten gemaakte kosten, is het hof van oordeel dat sprake was van een aanzienlijk economisch voordeel.\n\nHet hof is dan ook op grond van alle voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat sprake is van uitbuiting. Dat de verdachten hiertoe bovendien het oogmerk hebben gehad blijkt uit hun handelen. Nadat [verdachte] bemerkte dat een 24 uur per dag beschikbare hulp in Nederland moeilijk te verkrijgen is, ging zij daarnaar op zoek in Indonesië. Vervolgens hebben de verdachten de aangeefsters bewust de hiervoor genoemde lange dagen laten werken, hebben zij zelf in overwegende mate de beperkingen veroorzaakt en hebben zij aanzienlijk economisch voordeel behaald.\n\nOp grond van het voorgaande is het hof eveneens van oordeel dat het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van de aangeefsters bewezenverklaard kan worden.\n\nMedeplegen\n\nTen aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt het hof als volgt. Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.\n\nOok wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en\u002Fof intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.\n\nBij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\nUit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af. [verdachte] was degene die, al dan niet met behulp van een tussenpersoon, contact legde met de aangeefsters in Indonesië en ervoor zorgde dat zij naar Nederland konden komen. Zij sprak dezelfde taal als de aangeefsters, zij stuurde hen aan en zij was hun aanspreekpunt. [medeverdachte] was zich bewust van de reden waarom gebruik is gemaakt van Indonesische vrouwen. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij de kinderen niet naar een opvang in Nederland hadden gebracht. Dat had te maken met cultuurverschil en met opvattingen over hygiëne. Het inschakelen van Indonesische mensen die in Nederland woonden, werkte niet goed. Zij waren ’s nachts niet aanwezig, zo verklaarde [medeverdachte] , terwijl het mogelijk was dat de verdachten ’s nachts acuut naar het ziekenhuis moesten. [medeverdachte] heeft samen met [verdachte] [slachtoffer 1] opgehaald op Schiphol, en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in België. De aangeefsters woonden en werkten in het huis waar zowel [verdachte] als [medeverdachte] woonachtig waren. [medeverdachte] was dus dagelijks getuige van de omstandigheden waaronder de aangeefsters werkten, profiteerde van de door de aangeefsters verrichtte werkzaamheden en werkte mee aan hun huisvesting door de aangeefsters toe te staan in de woning te verblijven. Dat hij niet of nauwelijks met de aangeefsters communiceerde, doet daar niet aan af. [medeverdachte] deed de financiële administratie van het gezin en was kostwinner. Hij moet dus op de hoogte zijn geweest van de financiële situatie van het gezin, de kosten die ten behoeve van de aangeefsters zijn gemaakt en de salarissen die (deels) zijn uitbetaald aan de aangeefsters. Daarnaast wist [medeverdachte] ook waar de paspoorten van de aangeefsters werden bewaard. Dit vonden hij en [verdachte] naar eigen zeggen veilig.\n\n [medeverdachte] heeft hiermee bijgedragen aan de totstandkoming, de verdere verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuiting van de aangeefsters. Dat het initiatief voor het werven mogelijk meer uitging van [verdachte] , doet hier niet aan af. De verdachten vervulden ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol. Het hof is dan ook van oordeel dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] is komen vast te staan en dat het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen verklaard.\n\nLex certa\n\nSubsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring van het oogmerk van uitbuiting komt, dit leidt tot schending van het lex certa-beginsel. De verdediging heeft zich in de onderbouwing van het verweer niet zozeer verzet tegen het oordeel van de Hoge Raad dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft toegepast en evenmin gesteld dat dit oordeel redelijkerwijs niet voorzienbaar was. De verdediging stelt, zo begrijpt het hof, dat het hof op basis van het arrest van de Hoge Raad niet tot een bewezenverklaring van mensenhandel hoeft te komen en dat een bewezenverklaring daarom – in samenhang met de onduidelijkheid omtrent de strekking van de wetsbepaling – tot een onaanvaardbare mate van rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid leidt.\n\nHet hof verwerpt dit beroep. Allereerst merkt het hof op dat het beginsel niet in de weg staat aan de geleidelijke verfijning van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid langs de weg van rechterlijke uitlegging, zolang die uitlegging redelijkerwijs kan worden voorzien. De Hoge Raad heeft in zijn arrest overwogen dat het gehanteerde vereiste van een “excessieve situatie” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is een nadere invulling van de uitleg van de wetsbepaling die de Hoge Raad tot dan toe hanteerde. Er is dan ook sprake van een verfijning als hiervoor bedoeld. Dat het hof vervolgens op basis van die verfijning tot een andere weging van de feiten en omstandigheden komt, kan niet alsnog tot een schending van het beginsel leiden. Daarbij merkt het hof nog op dat de Hoge Raad niet enkel heeft overwogen dat een vereiste van een “excessieve situatie” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, maar ook dat de vrijspraak kennelijk berust op de onjuiste opvatting dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, geen bewezenverklaring van mensenhandel toelaten.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. zij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 in Nederland en\u002Fof te Indonesië en\u002Fof te Frankrijk en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en\u002Fof door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]\n\nen\n\nvoornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] telkens met één van de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden,\n\nen\n\nopzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]\n\nimmers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander ten aanzien van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , terwijl zij, verdachte en haar mededader wisten dat die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en\u002Fof de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en\u002Fof in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen of de Nederlandse en\u002Fof de Engelse taal niet machtig waren en de weg in Nederland niet kenden\n\n- al dan niet via een tussenpersoon contact gelegd met die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gevraagd of zij bij haar en haar mededader in Nederland in de huishouding en\u002Fof als au pair wilden werken en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gezegd dat zij 300 euro en\u002Fof 350 euro en\u002Fof zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en\u002Fof met (lichte) hulp in het huishouden en\u002Fof dat zij eens per twee weken een vrije dag zouden hebben en\u002Fof tegen extra betaling elke dag zouden werken en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gezegd dat zij, verdachte en haar mededader, de reiskosten voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] van Indonesië naar Nederland zouden betalen en vervolgens het visum en het ticket voor de reis van Indonesië naar Nederland geregeld en bekostigd en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in Parijs en\u002Fof België en\u002Fof van Schiphol opgehaald en per auto of per trein naar haar, verdachtes en haar mededaders’ woning gebracht en vervolgens aldaar gehuisvest in de woning (aan de) [adres 2] en\n\n- het paspoort van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in bewaring genomen en op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat laten werken en een afhankelijkheidspositie voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gecreëerd en in stand gehouden en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weinig salaris betaald en [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] duidelijk gemaakt dat zij haar, verdachte en\u002Fof haar mededader nog een groot geldbedrag moesten betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zouden gaan en zodoende aangemoedigd om bij haar, verdachte en haar mededader te blijven wonen en te blijven werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] een afhankelijkheidssituatie is ontstaan, waaraan zij zich niet hebben kunnen onttrekken.\n\nHetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nmensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van voorarrest, eventueel aangevuld met een volledig voorwaardelijke straf. Daarnaast heeft hij in strafmatigende zin verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de duur van de procedure en de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof stelt voorop dat de Hoge Raad het arrest van het hof van 9 december 2021 heeft vernietigd wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Nu de Hoge Raad de strafoplegging in het geheel heeft vernietigd, dient het hof derhalve een straf op te leggen voor zowel het onder 1 bewezenverklaarde, als het reeds eerder door het hof onder 2 en 3 bewezenverklaarde.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel, mensensmokkel en het tewerkstellen van vijf illegaal in Nederland verblijvende vrouwen. Gedurende een langere periode heeft zij op verschillende momenten vrouwen uit Indonesië laten overkomen om te laten werken in het gezin van haar en haar echtgenoot, de medeverdachte. De vrouwen zorgden voor hun kinderen en verrichten huishoudelijke werkzaamheden. Zij maakten lange dagen en moesten zeven dagen per week beschikbaar zijn. Zij kregen niet of nauwelijks vrij en hun zeer lage salaris werd niet of slechts deels uitbetaald. De vrouwen spraken de Nederlandse taal niet en hun paspoorten waren door de verdachten ingenomen. Voor huisvesting, eten en communicatie waren de vrouwen afhankelijk van de verdachten, omdat zijzelf geen beschikking hadden over geld. Door aldus te handelen hebben de verdachten ernstig misbruik gemaakt van de afhankelijke en kwetsbare positie waarin zij de vrouwen hebben gebracht en hen in hun persoonlijke vrijheid aangetast. Als gevolg van de uitbuiting van deze goedkope arbeidskrachten waren de verdachten in staat aanzienlijk te besparen op arbeidskosten. Zij hebben kennelijk enkel oog gehad voor hun eigen financiële gewin en hebben zich niet bekommerd om de schade die hun handelen aan de vrouwen heeft toegebracht. Daarbij hebben zij bewust de garanties aan hun laars gelapt die de Nederlandse wetgeving biedt op het terrein van beloning en werktijden.\n\nHet hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, enkel een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Het hof heeft de indruk gekregen dat de verdachte het laakbare van haar handelen niet inziet. Daarom acht het hof een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw op deze wijze au pairs of huishoudelijke hulp voor zich te laten werken. In beginsel acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend. Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de volgende omstandigheden.\n\nBij de strafoplegging houdt het hof er ten voordele van de verdachten rekening mee dat artikel 273f Sr in 2013 is gewijzigd, waarbij onder meer de maximum straf is verhoogd. Deze wijziging trad op 15 november 2013 in werking. Nu het onder 1 ten laste gelegde deels voor die datum is gepleegd, zal het hof de eerdere bepaling als richtsnoer nemen.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 oktober 2024 is zij niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. De verdachte kan daarom worden aangemerkt als first offender.\n\nVerder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht en die uit het dossier naar voren komen. De lengte van de strafprocedure heeft haar sporen nagelaten op haar mentale welzijn. Het werk van haar echtgenoot viel weg en er werd beslag gelegd op hun rekeningen. Uiteindelijk zijn zij daarom met hun gezin naar [land] verhuisd waar zij nog steeds woonachtig zijn. Haar echtgenoot probeert werk te vinden als [werk] en de verdachte zorgt voor hun drie kinderen. Op dit moment hebben zij het niet breed.\n\nDaarnaast stelt het hof vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte is op 29 april 2014 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 29 juni 2017 vonnis gewezen. In eerste aanleg is aldus sprake geweest van een overschrijding van de redelijke termijn. Vervolgens heeft de verdachte hoger beroep ingesteld op 4 juli 2017, waarna het hof op 9 december 2021 arrest heeft gewezen. Ook in deze fase was aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Hierna heeft het openbaar ministerie op 16 december 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 13 februari 2024 arrest gewezen, het arrest van het hof partieel vernietigd en teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam. Ook in de cassatiefase is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal deze overschrijdingen van de redelijke termijn – van in totaal 3 jaar en 9 maanden – verdisconteren in de strafmaat.\n\nHet hof acht alles afwegende, en in het bijzonder rekening houdende met de ouderdom van de feiten, de overschrijding van de redelijke termijn, de lange duur van de strafprocedure en de nadelige gevolgen die de procedure voor het leven van de verdachte heeft gehad, een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.\n\nBeslag\n\nHet hof zal gelasten dat de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden teruggegeven aan de verdachte:\n\neen sealbag met daarin documenten (beslagnummer 4749382);\n\neen telefoonabonnement, Lycamobile (beslagnummer 4749653);\n\n21 aparte reisbescheiden omtrent Parijs (beslagnummer 4748511).\n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nDe benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben zich ieder in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vorderingen zijn als volgt opgebouwd:\n\n [slachtoffer 1]:\n\nMaterieel: € 6.051,80 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 1.000,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 2]:\n\nMaterieel: € 7.119,00 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 1.000,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 3]:\n\nMaterieel: € 5.333,25 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 7.500,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.333,35, bestaande uit € 5.333,25 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.\n\nOp 3 juli 2017 en 13 juli 2017 is onderscheidenlijk door de verdachte en het openbaar ministerie tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De benadeelde partij heeft zich in die fase van het proces niet opnieuw gevoegd. Op 20 juni 2020 is de benadeelde partij overleden. De advocaat van de benadeelde partij heeft namens de erfgenaam ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 te kennen gegeven dat de oorspronkelijke vordering wordt gehandhaafd. Na terugwijzing heeft de advocaat zich namens de erfgenaam opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering door middel van een wensenformulier van 3 april 2024.\n\nHet hof overweegt dat de vordering op de voet van artikel 6:106, tweede lid, tweede volzin, BW vatbaar is voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam, maar dat het strafgeding niet voorziet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dat brengt met zich dat, nu de vordering bij vonnis niet in haar geheel is toegewezen, deze voor het gedeelte dat in eerste aanleg is toegewezen kan worden beoordeeld, omdat deze op grond van het bepaalde in artikel 421, tweede lid, Sv in hoger beroep van rechtswege voortduurt.\n\n [slachtoffer 4]:\n\n- Materieel: € 1.807,10 aan gederfde inkomsten.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 5]:\n\n- Materieel: € 1.807,10 aan gederfde inkomsten.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de advocaat-generaal gevorderd deze toe te wijzen tot een bedrag van € 7.833,25, bestaande uit € 5.333,25 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nOordeel van het hof\n\nMaterieel\n\nHet hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachten rechtstreeks materiële schade hebben geleden, bestaande uit gederfde inkomsten. De verdediging heeft de vorderingen inhoudelijk niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen tot de gevorderde bedragen aan materiële schade zullen worden toegewezen.\n\nImmaterieel\n\nDe benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben naast materiële schade ook vergoeding van immateriële schade gevorderd.\n\nVoor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast.\n\nIndien geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in de eer of goede naam, is het de vraag of een benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van voornoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.\n\nOok als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\nDe benadeelde partijen hebben in hun vordering ieder voor zich - kort gezegd - aangevoerd dat zij hebben geleden doordat de situatie die hen van tevoren was voorgespiegeld, in werkelijkheid anders bleek te zijn. Zij moesten lange dagen maken, hadden weinig vrij en kregen niet of te weinig betaald. Zij hadden geen enkele privacy, voelden zich minderwaardig en de verstandhouding met de verdachten was slecht. [slachtoffer 3] heeft daarnaast aangevoerd dat zij gezondheidsklachten heeft gekregen door de omstandigheden waarin zij terecht is gekomen.\n\nDat [slachtoffer 3] lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het onder 1 tenlastegelegde, acht het hof onvoldoende onderbouwd. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben niet aangevoerd dat zij door het onder 1 tenlastegelegde lichamelijk letsel hebben opgelopen. Nu evenmin sprake is van schade in de eer of goede naam, ligt de vraag voor of de benadeelde partijen ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast. Gelet op het bovenstaande juridisch kader acht het hof hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van voornoemd artikel. Zo zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid en doet zich hier niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan reeds volgt dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat in de onderhavige zaak geen wettelijke grondslag bestaat voor vergoeding van de gevorderde immateriële schade. De vorderingen zullen dan ook in zoverre worden afgewezen.\n\nConclusie\n\nHet voorgaande houdt in dat het hof als volgt beslist op de vorderingen.\n\n [slachtoffer 1]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.051,80, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 2]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.119,00, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 3]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.333,25, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 4]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.807,10, bestaande uit materiële schade.\n\n [slachtoffer 5]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.807,10, bestaande uit materiële schade.\n\nHet hof zal de vorderingen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen data en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 197a, 197c en 273f van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. een sealbag met daarin documenten (beslagnummer 4749382);\n\n2. een telefoonabonnement, Lycamobile (beslagnummer 4749653);\n\n3. 21 aparte reisbescheiden omtrent Parijs (beslagnummer 4748511).\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.051,80 (zesduizend eenenvijftig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.051,80 (zesduizend eenenvijftig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 januari 2012.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.119,00 (zevenduizend honderdnegentien euro) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.119,00 (zevenduizend honderdnegentien euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 oktober 2012.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.333,25 (vijfduizend driehonderddrieëndertig euro en vijfentwintig cent) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.333,25 (vijfduizend driehonderddrieëndertig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 december 2013.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2014.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2014.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.I.M. van Bergen, mr. E. de Greeve en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2024.\n\nDe jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]\n\n […]\n\nKamerstukken II, vergaderjaar 1988\u002F89, 21 027, nr. 3, p. 3 en 4 (MvT). Het dwangmiddel ‘misbruik van uit feitelijkeverhoudingenvoortvloeiend overwicht’ vindt zijn oorsprong in artikel 250a (oud) Sr, dat is geïncorporeerd in artikel 273a (oud) Sr; het huidige artikel 273f Sr, met dien verstande dat dit dwangmiddel in artikel 273f Sr als ‘misbruik van uit feitelijkeomstandighedenvoortvloeiend overwicht’ is terechtgekomen.\n\n Deze voorbeelden volgen uit: Kamerstukken II, vergaderjaar 2011\u002F12, 33 309, nr. 3, p. 16 (MvT).\n\nKamerstukken II, vergaderjaar 2003\u002F04, 29 291, nr. 3, p. 18 (MvT). Memorie van Toelichting bij artikel 273a (oud) Sr.\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, r.o. 2.6.1 (Chinese horeca); herhaald in HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:534\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, r.o. 2.5.1. (Chinese horeca)\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 (Chinese horeca)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3060","2026-07-13T00:29:10.609Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":51,"updatedAt":86},"777","ECLI:NL:GHSHE:2024:3585","ecli-nl-ghshe-2024-3585","2024-09-18T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-003285-23\n\nUitspraak : 18 september 2024\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208912-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde en ter zake van ‘opzetheling’ (feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en heeft de politierechter bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte in zoverre, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van voorarrest.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de politierechter van het onder feit 2 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met aanvulling en verbetering van gronden, en met uitzondering van de opgelegde straf.\n\nAanvulling bewijsmiddelen\n\nHet hof ziet aanleiding om het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel 3.1.2., te weten het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 34 en 35, aan te vullen door na de zin “Zij hadden (…) fiets getroffen” in te voegen:\n\nOmstreeks 08:20 uur waren wij ter plaatse. Wij (het hof begrijpt: verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] )hoorden van de boa’s dat zij met een actie bezig waren tegen fietsendiefstallen. Zij hadden een man weg zien fietsen bij de [supermarkt] aan de Van Beethovenlaan. De boa’s waren achter de man aangefietst en controleerden hem. De man had geen identiteitsbewijs bij zich. Zij controleerden het chassisnummer van de fiets via de STOP heling app. Hieruit kwam naar voren dat de fiets gestolen was. De boa’s hebben toen via het operationele centrum de politie ter plaatse gevraagd.\n\nVerbetering van de bewijsoverwegingen\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake lijkt te zijn van een willekeurige staande houding van de verdachte door de verbalisanten, waarbij niet naar het identiteitsbewijs is gevraagd en vragen aan de verdachte zijn gesteld zonder dat de cautie is gegeven.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nGelet op hetgeen daaromtrent is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , concludeert het hof dat de boa’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de verdachte, nadat zij hem hadden gestopt, hebben gevraagd naar zijn identiteitsbewijs. Op grond van de Wet op de identificatieplicht was de verdachte verplicht aan hun bevel gehoor te geven. Van een staandehouding op de voet van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering was, anders dan de raadsman heeft betoogd, derhalve geen sprake. Toen de boa’s vervolgens evenwel waarnamen dat het slot van de (elektrische) fiets waarop de verdachte reed was doorgeslepen en achter op de bagagedrager hing, hebben zij hem bevraagd over de fiets. Omdat op dat moment wel een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bij de boa’s moet zijn gerezen, hadden ze de verdachte, alvorens hem naar aanleiding van hun verdenking te bevragen, de cautie moeten geven. Aan de omstandigheid dat zij dit hebben nagelaten verbindt het hof in het onderhavige geval evenwel geen consequenties omdat de verdachte, gelet op het door hem gegeven antwoord op de vraag van wie de fiets was, te weten dat hij de fiets had geleend van een vriend, niet in zijn belangen is geschaad.\n\nHet verweer van de verdediging wordt verworpen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, op te leggen.\n\nIndien het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman van de verdachte bepleit aan te sluiten bij de straf zoals is gevorderd door de advocaat-generaal.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte meegewerkt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor goederen die van misdrijf afkomstig zijn. Heling van gestolen goederen leidt ertoe dat plegers van diefstallen geldelijk voordeel kunnen trekken uit de door hen gepleegde strafbare feiten, terwijl deze feiten leiden tot financiële schade en overlast voor de eigenaren van de weggenomen goederen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 juli 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nNaar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van2 (twee) weken;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,\n\nmr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 18 september 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:3585","2024-11-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.586Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":82,"fullText":91,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":51,"updatedAt":94},"776","ECLI:NL:GHDHA:2024:1681","ecli-nl-ghdha-2024-1681","Rolnummer: 22-000992-20\n\nParketnummers: 10-996716-17 en 10-993044-19\n\nDatum uitspraak: 18 september 2024\n\nTEGENSPRAAKGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de recht Rotterdam van 6 maart 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,\n\nadres: [woonadres], [woonplaats].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder parketnummer 10-996716-17 1, 2 subsidiair en 3 en het onder parketnummer 10-993044-19 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\n1. [bedrijf 1] in de periode van 1 april 2011 tot en met 1 mei 2013 te Rotterdam en\u002Fof Venlo en\u002Fof Apeldoorn en\u002Fof elders in Nederland (in haar hoedanigheid van algemeen fiscaal vertegenwoordiger) meermalen [bedrijf 2] (gevestigd te Hong Kong met BTW-nummer [BTWnummer]) heeft doen plegen het opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,te weten kwartaalaangiften omzetbelasting over de jaren 2011 en\u002Fof 2012 en\u002Fof het eerste kwartaal 2013, onjuist en\u002Fof onvolledig doen (DOC-050, 6 tot en met 14),\n\nimmers heeft [bedrijf 1] (in haar hoedanigheid van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [bedrijf 2]) telkens opzettelijk in die (digitale) aangiften ten name van [bedrijf 2] een te laag bedrag aan belaste prestaties (rubriek 1a) en\u002Fof een te laag bedrag aan (af te dragen) omzetbelasting (AMB-013 en AMB-004, tabel 11, dossier p. 424) opgegeven,\n\nterwijl dat feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n2.\n\nprimair hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2013 te Rotterdam en\u002Fof Venlo en\u002Fof elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,meermalen opzettelijk een hoeveelheid geld (tot een totaal van ongeveer 4,7 miljoen euro), die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 2] en\u002Fof [bedrijf 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem,verdachte, en\u002Fof [bedrijf 1] en\u002Fof [bedrijf 4] en\u002Fof [bedrijf 5] en\u002Fof [bedrijf 6],\n\nen welke hoeveelheid geld hij, verdachte, en\u002Fof [bedrijf 1] (telkens) uit hoofde van het beroep van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [bedrijf 2] en\u002Fof tegen geldelijke vergoeding (in het kader van de fiscale en financiële dienstverlening) onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;\n\n subsidiair [bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2013 te Rotterdam en\u002Fof Venlo en\u002Fof elders in Nederland meermalen opzettelijk\n\neen hoeveelheid geld (tot een totaal van ongeveer 4,7 miljoen euro), die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 2] en\u002Fof [bedrijf 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en\u002Fof [bedrijf 1]en\u002Fof [bedrijf 4] en\u002Fof [bedrijf 5] en\u002Fof [bedrijf 6],\n\nen welke hoeveelheid geld [bedrijf 1] (telkens) uit hoofde van het beroep van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [bedrijf 2] en\u002Fof tegen geldelijke vergoeding (in het kader van haar fiscale en financiële dienstverlening), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,\n\naan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n3. [bedrijf 1] op verschillende tijdstippen in de periode 1 februari 2015 tot en met 31 mei 2017 te Rotterdam en\u002Fof elders in Nederland (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken en\u002Fof bescheiden en\u002Fof ander gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze (telkens) in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, immers heeft [bedrijf 1]\n\n(op of omstreeks 25 februari 2015) rekeningafschriften op naam van [bedrijf 1](betreffende de rekening-courant bij de [bank] met nummer [bankrekeningnummer 1]) (DOC-027-01, DOC-063, DOC-027-02 en DOC-064) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 12 en 13 september 2016) (digitale bestanden met) Excel spreadsheets betrekking hebbende op de (Nederlandse) omzet\u002Fverkoopfacturen van [bedrijf 2] over de jaren 2011 en\u002Fof 2012 (DOC-004-D) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 20 september 2016) een drietal sets bescheiden met betrekking tot de currentnummers [currentnummer 1], [currentnummer 2] en [currentnummer 3]\n\nen\u002Fof de verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] met nummer [factuurnummr 1] d.d. 8 september 2011 (DOC-010-01 blad 5, blz. 1024) en\u002Fof [factuurnummer 2] d.d. 28 september 2011 (DOC-010-02 blad 6, blz. 1031) en\u002Fof [factuurnummer 3] d.d. 9 september 2011 (DOC-010-03 blad 5, blz. 1037) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 22 september 2016) de verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] betreffende currentnummers [currentnummer 4], [currentnummer 5], [currentnummer 6] en [currentnummer 7](DOC-014-01, 02, 03 en 04) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 17 maart 2017) (28) verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7]] (H14\u002F1; DOC-037-D) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 10 april 2017) (3 enveloppen met) verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] (H15\u002F1 tot en met H15\u002F4; DOC-042-01 tot en met 04) en\u002Fof(in mei 2017) (17) verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] (H15\u002F5; DOC-044-D)\n\nbeschikbaar gesteld en\u002Fof verstrekt aan de controlerende belastingambtenaren ([belastingambtenaar 1] en\u002Fof [belastingambtenaar 2]) (nadat op 22 april 2014 de eindcontrole omzetbelasting van [bedrijf 2] was aangezegd aan de vennootschap als fiscaal vertegenwoordiger en de Belastingdienst in de tussenliggende periode van ruim twee jaren op de voet van de artikelen 47 en 48 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en\u002Fof artikel 31a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 bij herhaling verzocht heeft om de administratie in te zien of beschikbaar te krijgen en\u002Fof om overlegging van spreadsheets en\u002Fof facturen en\u002Fof bankrekeningafschriften in samenhang met de omzetbelastingaangiften namens [bedrijf 2]),\n\nbestaande die valsheid of vervalsing uit - zakelijk weergegeven:\n\n-(onder meer) de wijziging van de naam [naam 1] in [bedrijf 2] op die rekeningafschriften en\u002Fof -(onder meer) de weglating en\u002Fof wijziging van verkoopomzet op de Excel spreadsheets en\u002Fof\n\n-(onder meer) de wijziging van factuurbedragen en\u002Fof in rekening gebrachte omzetbelasting op die verkoopfacturen,\n\nterwijl dat feit er (telkens) toe strekte dat er te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nParketnummer 101993044-19\n\nPrimair:\n\nhij in of omstreeks de periode van 7 november 2017 tot en met 8 januari 2018 te Venlo en\u002Fof Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),\n\nmet het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fof door een of meer listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels,\n\n[bedrijf 8] en\u002Fof [bedrijf 9] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld (te weten het aangaan van een kredietovereenkomst ter hoogte van 50.000,- euro), en\u002Fof tot afgifte van een\n\ngeldbedrag (van 50.000; euro) door overmaking naar de bankrekening (met nummer [bankrekeningnummer 2]) ten name van hem, verdachte, hebbende hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk\n\n- zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en\u002Fof listiglijk en\u002Fof bedrieglijk in strijd met de waarheid via de website van [bedrijf 9] een kredietaanvraag voor een persoonlijke lening (ter grootte van 50.000,- euro)\n\ningediend en ter onderbouwing van deze aanvraag een (vals) pensioenoverzicht van mijnpensioenoverzicht.nl op naam van hem, verdachte, inhoudende een pensioen van 55.857,- euro per jaar (dossier p. 31) en\u002Fof een (vals)\n\nrekeningafschrift van rekeningnummer [bankrekeningnummer 2], inhoudende een\n\ncreditsaldo (van 9.012,29 euro op 30 november 2017) en\u002Fof een salarisbetaling van [bedrijf 10] aan hem, verdachte, over de maand november (dossier p. 39 - 46) ingediend, waardoor [bedrijf 8] en\u002Fof [bedrijf 9] werd(en) bewogen tot het aangaan van bovengenoemde schuld en\u002Fof afgifte;\n\nSubsidiair:\n\nhij in of omstreeks de periode van 7 november 2017 tot en met 8 januari 2018 te Venlo en\u002Fof Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),\n\nopzettelijk\n\n- een pensioenoverzicht op naam van hem, verdachte, van\n\nmijnpensioenoverzicht.nl, gedateerd 22 december 2017 (dossier p. 31) en\u002Fof\n\n- een rekeningafschrift (8 pagina's) van de [bank] op naam van hem, verdachte, en\u002Fof [naam 2] met rekeningnummer [bankrekeningnummer 3] (dossier p. 39-46),\n\n- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het\n\noogmerk om die\u002Fdat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken en\u002Fof dat vervalsen (telkens) hierin bestaan dat\n\n- op genoemd pensioenoverzicht was opgenomen dat hij, verdachte, een bedrag\n\nvan 44.743,00 euro bruto per jaar ontvangt van [levensverzekering] en\u002Fof een\n\ngezamenlijk pensioen van 55.857,- euro bruto per jaar ontvangt en\u002Fof\n\n- op genoemd rekeningafschrift was vermeld dat hij, verdachte, een salarisbetaling van [bedrijf 10] ten bedrage van 4.068,38 euro had\n\nontvangen over de maand november en\u002Fof de bankrekening een creditsaldo (van 9.012,29 euro op 30 november 2017) had.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van de gronden en behoudens de straf. De advocaat-generaal vordert dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf- en de motivering daarvan.\n\nHet vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.\n\nProcesverloop\n\nOp 22 maart 2023 heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden en verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde een deskundige te benoemen om onderzoek te doen naar – samengevat – de vraag of een tumor gedragsverandering kon veroorzaken bij de verdachte.\n\nDit heeft geresulteerd in een deskundigenrapport van dr. A.J.A. de Louw d.d. 12 oktober 2023 (hierna: het rapport De Louw).\n\nVerweren verdediging\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd – samengevat - dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verminderd toerekeningsvatbaarheid was ten gevolge van (het groeien van) een tumor in zijn hoofd. Het gedrag van de verdachte zou daardoor de afgelopen jaren veranderd zijn en hierdoor zou hij niet de keuzes hebben gemaakt die hij anders waarschijnlijk wel gemaakt zou hebben. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het rapport van De Louw.\n\nDe verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte detentieongeschikt is. In dit verband heeft de verdediging de rapportages van arts en medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen [medisch adviseur] d.d. 27 maart 2024 en 23 augustus 2024, waarin deze concludeert dat de verdachte detentiegeschikt is, betwist. De verdediging heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat de medische situatie van de verdachte achteruitgaat, dat hij veel nazorg nodig heeft, dat er snel gereageerd moet kunnen worden bij een zeer wel te verwachten medisch incident en dat de verdachte regelmatig medische controles moet ondergaan. Volgens de verdediging is het medisch gezien een onacceptabel risico om de verdachte te detineren.\n\nVerder heeft de verdediging aangevoerd dat er geen strafdoel mee is gediend als de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd.\n\nOordeel inzake verminderde toerekeningsvatbaarheid\n\nIn diens rapport concludeert De Louw dat de medische aandoening van de verdachte geleid zou kunnen hebben tot gedragsveranderingen, maar hij merkt ook op dat de gedragsmatige problematiek pas evident werd na de operatieve ingreep die de verdachte in augustus 2020 heeft ondergaan. Bovendien overweegt De Louw dat ‘Op basis van de ter beschikking gestelde medische gegevens het niet mogelijk [is] om vast te stellen dat de tumor bij verdachte heeft geleid tot aantasting van zijn mogelijkheden om weloverwogen besluiten te nemen.’\n\nHet hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport De Louw dat op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en het hof is voorts van oordeel dat de bevindingen van deze deskundige worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.\n\nMede gelet op hetgeen De Louw, heeft geconcludeerd is het hof van oordeel dat hetgeen door en namens de verdachte ter onderbouwing van het beroep op verminderde toerekenbaarheid naar voren is gebracht onvoldoende aanknopingspunten bevat om te komen tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was. Het procesdossier en ook het onderzoek ter terechtzitting nopen evenmin tot een dergelijk oordeel. Het beroep op de verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt daarom verworpen.\n\nOordeel hof inzake detentiegeschiktheid\n\n[Medisch adviseur], arts en medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen heeft twee rapportages uitgebracht (27 maart 2024 en 23 augustus 2024) en heeft, na raadpleging van een specialist ouderengeneeskunde, in beide rapportages – samengevat - geconcludeerd dat er in detentie voldoende mogelijkheden zijn om de verdachte de medische zorg te bieden die hij nodig heeft en dat de verdachte detentiegeschikt is.\n\nOok ten aanzien van deze rapportages geldt dat het hof geen aanleiding heeft om eraan te twijfelen dat deze op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De conclusies van de rapportages zijn voldoende gemotiveerd en navolgbaar.\n\nHet hof neemt deze conclusies over en is van oordeel dat de verdachte detentiegeschikt is. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte niet detentiegeschikt is, leidt het hof niet tot een ander oordeel.\n\nHet voorgaande betekent dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte ten tijde van de feiten volledig toerekeningsvatbaar was en voorts dat de verdachte detentiegeschikt is.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting.\n\nJustitiële documentatie\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Dit is echter langer geleden en het hof stelt vast dat verdachte geen thans relevante eerdere veroordelingen heeft.\n\nPersoonlijke omstandigheden, redelijke termijn en tijdsverloop\n\nUit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte met serieuze medische omstandigheden te kampen heeft. Het hof zal daarmee rekening houden in de bepaling van de hoogte van de straf in zoverre dat het hof 6 maanden minder zal opleggen dan de in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met ruim 2,5 jaar is overschreden, nu op 16 maart 2020 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en het hof eindarrest wijst op 18 september 2024.\n\nHet hof zal deze overschrijding – alsmede het forse tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten - verdisconteren in de straf in die zin dat het hof op de in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden andermaal 6 maanden in mindering zal brengen.\n\nHet voorgaande betekent dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf van (48 maanden minus tweemaal 6 maanden) 36 maanden zal opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 47, 51, 57 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van36 (zesendertig) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A. de Lange, mr. F.W. Pieters en mr. M. Pheijffer, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 september 2024.\n\nMr. M. Pheiffer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1681","2024-09-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.551Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":51,"updatedAt":102},"775","ECLI:NL:GHAMS:2024:2335","ecli-nl-ghams-2024-2335","2024-08-22T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 23-003365-23 (ontneming)\n\nDatum uitspraak: 22 augustus 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer\n\n13-086634-22 tegen de betrokkene\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,\n\nadres: [adres].\n\nProcesgang\n\nHet openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 151.215,96, welk bedrag ter terechtzitting in eerste aanleg is verlaagd tot een bedrag van € 108.165,72.\n\nDe betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het telen van hennep (feit 1) en de diefstal van elektriciteit (feit 2).\n\nDe politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 14 december 2023 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 69.615,48 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nDe betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.\n\nDe betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 augustus 2024 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het telen van hennep (feit 1) en de diefstal van elektriciteit (feit 2).\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe vordering\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 150.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal heeft zich gebaseerd op de inhoud van het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel en is van mening dat sprake is geweest van vier oogsten.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft het hof primair verzocht bij vrijspraak de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vordering tot ontneming en subsidiair (bij een veroordeling) de vordering af te wijzen. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat aannemelijk is dat één oogst is gestolen en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor vier oogsten. Meer subsidiair is verzocht de vordering af te wijzen omdat, aannemende dat betrokkene de woning verhuurde ten behoeve van de hennepteelt, tegenover de contante stortingen en de huurinkomsten de door betrokkene betaalde huur en de kosten van Liander staan.\n\nIn geval het hof de ontnemingsmaatregel toewijst, heeft de raadsman verzocht uit te gaan van één eerdere oogst van 93 planten, met een opbrengst van € 10.673,98 en aftrek van kosten (onder meer € 1.567,50 aan huurkosten en € 1.483,15 aan kosten Liander netverlies), met een voordeel van in totaal € 6.758,16.\n\nDe grondslag\n\nDe betrokkene is veroordeeld bij arrest van het gerechtshof voor het telen van hennep in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit dat feit en uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene die heeft begaan.\n\nIn het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel(hierna: het rapport) zijn onder meer de volgende aanwijzingen opgenomen:\n\neen (grote) hoeveelheid potten met potgrond, in ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen, gedroogde resten van hennepplanten in een droognet, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen, wortelresten van hennepplanten aangetroffen in de plantenpotten, productiedatum op gipsplaten (24 februari 2017), productiedatum trafo (27 november 2016) en lege verpakkingen van hennepstekken.\n\nUit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten.\n\nOp de ING bankrekening op naam van de verdachte heeft hij in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,00.\n\nVoor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van het volgende:\n\nAantal oogsten\n\nVoor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof uitgaan van 3 oogsten. In de kwekerij zijn (na een inbraak) geen hennepplanten meer aangetroffen; de vierde en dus laatste oogst wordt daarom niet meegenomen in de berekening.\n\nAantal planten\n\nDe aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De stelling van de raadsman, dat gelet op de foto’s in het dossier niet meer dan 93 planten zijn gekweekt per oogst, is niet aannemelijk. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel.De hierin opgenomen uitgangspunten zijn gebaseerd op gegevens die jarenlang zijn verzameld. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken omdat niet aannemelijk is dat in dit geval (substantieel) meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Aannemelijk is dat 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2 zijn gekweekt, dat wil zeggen in totaal 360 hennepplanten.\n\nOpbrengst per oogst in grammen\n\nRuimte 1: uitgaande van een opbrengst van 28,20 gram per plant is de opbrengst per oogst:\n\n195 planten x 28,20 gram = 5.499 gram.\n\nRuimte 2: 165 planten x 28,20 gram = 4.653 gram.\n\nOpbrengst in geld\n\nUitgaande van een opbrengst van € 4,07 per gram is de totale opbrengst:\n\nRuimte 1: 5.499 gram x 4,07 = € 22.380,93 per oogst.\n\nRuimte 2: 4.653 gram x 4,07 = € 18.937,71 per oogst.\n\nKosten\n\nRuimte 1\n\nKosten investering € 150,00\n\nVariabele kosten € 1.499,55\n\nTotaal: € 1.649,55.\n\nOpbrengst € 22.380,93 minus kosten á € 1.649,55 = € 20.731,38 per oogst in ruimte 1.\n\nRuimte 2\n\nKosten investering € 150,00\n\nVariabele kosten € 1.268,85\n\nTotaal: € 1.418,85.\n\nOpbrengst € 18.937,71 minus kosten á € 1.418,85 = € 17.518,86 per oogst in ruimte 2.\n\nTotale opbrengst minus kosten per oogst\n\n€ 20.731,38 + € 17.518,86 = € 38.250,24 aan voordeel uit één oogst.\n\nUitgaande van drie oogsten is het voordeel in totaal:\n\n3x € 38.250,24 = € 114.750,72.\n\nAftrek energiekosten\n\nGezien het rapport op pagina 8, is op de nota van Liander een bedrag van € 5.932,61 genoemd als de totale kosten aan netverlies. Volgens een mededeling van de advocaat-generaal heeft betrokkene de volledige nota van Liander inmiddels voldaan. Anders dan in het rapport zal het hof daarom voor drie oogsten een bedrag van € 4.449,45 (3\u002F4 van € 5.932,61) aftrekken van het voordeel.\n\nAftrek huurkosten\n\nNiet aannemelijk is dat de woning, naast het telen van hennep, is gebruikt voor bewoning. De huur van de woning is betaald en het hof zal daarom de huurkosten van € 441,51 per maand voor een periode van 30 weken (3 oogsten; 3x (2,5 x 441,51=) € 1.103,77 = € 3.311,32) aftrekken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\n€ 114.750,72 minus € 4.449,45 (energiekosten) minus € 3.311,32 (huurkosten) = afgerond € 106.989,00.\n\nVerplichting tot betaling aan de Staat\n\nRedelijke termijn\n\nDe betrokkene is op 4 maart 2019 aangehouden en gehoord, het ontnemingsvonnis is uitgesproken op\n\n14 december 2023 en het hof wijst thans op 22 augustus 2024 arrest. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak als de onderhavige dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie. Daarom is in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg overschreden met twee jaar en 9 maanden. Aangezien in de strafzaak rekening is gehouden met de overschrijding van de termijn, zal het hof in de ontnemingszaak volstaan met de constatering daarvan.\n\nAan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 106.989,00.\n\nToepasselijk wettelijk voorschrift\n\nDe op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €106.989,00. (honderdzesduizend negenhonderdnegenentachtig euro).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€106.989,00. (honderdzesduizend negenhonderdnegenentachtig euro).\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.A. Groenendijk, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van\n\nmr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n22 augustus 2024.\n\nMr. I.A. Groenendijk en mr. A.P.M. van Rijn zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina 1 tot en met 11.\n\n Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 30 tot en met 34 en het Rapport, pagina 4.\n\n Een geschrift, te weten een aangifte door fraudespecialist [naam] van Liander NV van 19 maart 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3], dossierpagina 1 tot en met 16.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisant [verbalisant 1], dossierpagina 28 tot en met 40.\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina 1 tot en met 11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2335","2026-07-13T00:28:47.514Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":99,"fullText":107,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":51,"updatedAt":109},"774","ECLI:NL:GHAMS:2024:2334","ecli-nl-ghams-2024-2334","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 23-003364-23\n\nDatum uitspraak: 22 augustus 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 in de strafzaak onder parketnummer\n\n13-086634-22 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,\n\nadres: [adres 1] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een of meer, althans een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\neen of meer (onbekend gebleven) personen in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft\u002Fhebben geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft\u002Fhebben gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een of meer, althans een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en\u002Fof bij het plegen van welk(e) misdrijf\u002Fmisdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon\u002Fpersonen voornoemd pand voor het telen\u002Fbereiden\u002Fbewerken\u002Fverwerken van hennepplanten ter beschikking te stellen;\n\n2. hij, in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (uit een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot die\u002Fdat weg te nemen elektriciteit heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof die\u002Fdat weg te nemen elektriciteit onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbreking en\u002Fof een valse sleutel (te weten een gemaakte extra en\u002Fof illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om);\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\neen of meer (onbekend gebleven) personen in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (uit een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die (onbekend gebleven) personen en\u002Fof hun mededader(s) en\u002Fof aan verdachte toebehoorde, te weten aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die (onbekend gebleven) personen en\u002Fof hun mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof dat\u002Fdie weg te nemen goed\u002Fgoederen onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak en\u002Fof verbreking en\u002Fof een valse sleutel (te weten een gemaakte extra en\u002Fof illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om) bij en\u002Fof tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en\u002Fof opzettelijk gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft, door aan die (onbekend gebleven) personen voornoemd pand en\u002Fof de aldaar aanwezige elektriciteitsvoorziening(en) (voor de teelt\u002Fhet kweken en\u002Fof het bereiden en\u002Fof bewerken en\u002Fof verwerken van hennepplanten) ter beschikking te stellen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof anders overweegt en tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.\n\nStandpunten\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de feiten zoals onder 1 en 2 tenlastegelegd.\n\nDe verdediging heeft het hof primair verzocht de verdachte integraal vrij te spreken. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte direct heeft verklaard dat hij de woning onderverhuurde aan [naam 1] , een Aziatische man. In dit geval is amper onderzoek gedaan ter controle van de verklaring van de verdachte. De contante stortingen die de verdachte op zijn bankrekening heeft gedaan, kunnen worden verklaard uit de huuropbrengsten en zijn spaargeld. Aangezien alleen de gegevens zijn gevorderd van na 24 mei 2018, is niet onderzocht hoe de financiële situatie van de verdachte was vóór die datum.\n\nSubsidiair heeft de verdediging gesteld, dat niet kan worden bewezen verklaard dat sprake was van een ‘grote hoeveelheid’ hennepplanten. De raadsman heeft de op de foto’s in het dossier zichtbare potten die gevuld waren met aarde geteld en is tot een aantal van 93 hennepplanten gekomen.\n\nBewijsoverwegingen\n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nUit de inhoud van het dossier kan worden afgeleid dat op 4 maart 2019 een hennepkwekerij met twee kweekruimtes is aangetroffen in een woning aan de [adres 2] , die werd gehuurd door de verdachte. In de kwekerij werd een (grote) hoeveelheid potten met potgrond aangetroffen; de planten waren geoogst. In ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen. Geconstateerd is dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen; vanuit de hoofdverzekeringenkast is een kabel aangebracht buiten de meter om. De verbalisant trof omstandigheden aan die wijzen op één of meerdere opbrengsten uit de hennepkwekerij, zoals gedroogde resten van hennepplanten, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen. Er zijn wortelresten van hennepplanten aangetroffen (in de plantenpotten) en lege verpakkingen van hennepstekken.\n\nLiander NV heeft aangifte gedaan van diefstal van stroom. De fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Na het verwijderen van het deksel zag hij dat aan de onderzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag dat deze aansluiting buiten de meter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten. \n\nOp de ING bankrekening op naam van de verdachte zijn in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,- \n\nVerklaringen verdachte\n\nDe verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard, dat hij staat ingeschreven op het adres [adres 2] en dat hij zijn woning sinds juni 2018 onderverhuurde aan een Aziatische man, die hij via zijn werkgever bij een project had ontmoet. In een huurovereenkomst die de verdachte bij zich had toen hij op 4 maart 2019 naar de politie ging, is de naam van [naam 1] , een geboortedatum en telefoonnummer vermeld.De verdachte heeft verklaard dat hij de gegevens van de identiteitskaart van de onderhuurder heeft overgenomen, maar daar geen kopie van heeft gemaakt. Als huurprijs is vermeld € 627,- per maand. Verdachte heeft verklaard dat hij in die tijd bij zijn toenmalige vriendin woonde.\n\nDe verdachte heeft 5 jaar gewerkt bij [bedrijf] en heeft verklaard uit die periode een bedrag van € 6.000,- te hebben gespaard. Hij bewaarde dat geldbedrag contant in huis. Als zijn bankrekening moest worden aangevuld, stortte hij daar contant geld op, afkomstig van spaargeld en van de huuropbrengsten.\n\nSinds 1 juli 2018 is de verdachte gestopt met werken.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zich een jaar voor 1 juli 2018 ziek heeft gemeld bij [bedrijf] . Ter zitting verklaarde hij dat hij in de tenlastegelegde periode schulden had van tenminste € 45.000,- en BKR geregistreerd stond. Er was ook sprake van loonbeslag. Hij nam zijn salaris op van zijn bankrekening, bewaarde dat in huis en stortte bij op zijn rekening als dat nodig was.\n\nDe verdachte heeft verder verklaard, dat hij tot september 2018 nog af en toe in de woning is geweest; toen zag het er nog normaal uit. De huur ontving hij aanvankelijk contant van de huurder, daarna legde de huurder het geld in de brievenbus in het portiek waar de verdachte het dan uithaalde. Het contact werd steeds minder en op enig moment ontdekte de verdachte dat het slot van de woning was veranderd. De laatste keer dat hij huur heeft ontvangen was eind januari 2019.\n\nOverwegingen\n\nDe verdachte, die huurder was van de woning aan de [adres 2] in Amsterdam en die als enige in de Basisregistratie Personen op dit adres stond ingeschreven, had over deze woning de beschikking. De verdachte heeft evenwel betrokkenheid bij de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij ontkend en heeft daartoe een alternatief scenario gegeven, namelijk dat een Aziatische man, aan wie hij de woning heeft onderverhuurd, de kwekerij heeft opgezet.\n\nHet hof is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is. De summiere informatie die de verdachte over de onderhuurder heeft verstrekt, is door de politie opgezocht in de beschikbare politiesystemen. Deze persoon, alsmede het telefoonnummer dat op het huurcontract stond, kwamen hier niet in voor. Het telefoonnummer is door de politie gebeld, maar werd niet beantwoord en uit onderzoek bleek dat het nummer niet geregistreerd stond op naam en een prepaid nummer was.Een buurtbewoner heeft desgevraagd verklaard, dat hij geen Aziatische mensen in het trapportaal heeft gezien.\n\nOver de ontmoeting met de Aziatische man heeft de verdachte verklaard, dat hij met hem in contact is gekomen door zijn vorige werkgever. Hij werkte volgens de verdachte op hetzelfde terrein als waar hij werkte voor [bedrijf] .De politie heeft navraag gedaan bij [bedrijf] , maar dat heeft niets opgeleverd. Voor welk bedrijf de man werkte of waar hij woonde, wist de verdachte niet. Het hof acht deze verklaring van de verdachte over de manier waarop hij in contact zou zijn gekomen met de onderhuurder, ongeloofwaardig. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte namelijk verklaard, dat hij een jaar voordat hij ontslag nam bij [bedrijf] , in juli 2018, was ziekgemeld vanwege rugklachten. Daarom is niet aannemelijk, dat hij de man via zijn werk heeft ontmoet. Verder zou de verdachte niets hebben ondernomen toen hij ontdekte dat het slot van zijn woning was veranderd en de huur na eind januari niet meer werd betaald. Verder is in de periode van 25 juni 2018 tot en met 3 januari 2019 in totaal een bedrag van € 10.660,- contant gestort op de rekening van de verdachte.Deze stortingen zijn onregelmatig en meermaals betreft dit een bedrag van € 1.000,- ineens. Hierin ziet het hof een belangrijke aanwijzing dat de verdachte, die in die periode volgens zijn eigen verklaring schulden had en leefde van een uitkering, inkomen kreeg uit de hennepkwekerij. Een andere verklaring voor de contante stortingen is niet aannemelijk geworden.\n\nNaar het oordeel van het hof is de verdachte, die als enige stond ingeschreven in de woning en daarover de beschikkingsmacht had, degene geweest die de hennepplanten heeft gekweekt. Dat hij de woning zou hebben onderverhuurd aan een Aziatische man, is niet aannemelijk. Het door hem overgelegde huurcontract is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, volstrekt onvoldoende. Het alternatieve scenario kan daarom niet worden gevolgd.\n\nBij het kweken van de hennep is gebruik gemaakt van illegaal afgetapte elektriciteit. Het hof is op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden van oordeel, dat de conclusie voor de hand ligt dat het eveneens de verdachte is geweest die de elektriciteit heeft weggenomen en daartoe door middel van verbreking een illegale aansluiting heeft geplaatst. Een verklaring die een aanknopingspunt zou kunnen bieden voor de gedachte dat deze voor de hand liggende conclusie niet juist is, ontbreekt. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de hiervoor genoemde voor de hand liggende conclusie de juiste is. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het telen dan wel de diefstal van elektriciteit heeft samengewerkt met één of meer anderen.\n\nHoeveelheid hennepplanten\n\nIn de kwekerij zijn geen hennepplanten aangetroffen en de aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De raadsman stelt dat op de foto’s in het dossier 93 potten met aarde kunnen worden geteld. De raadsman gaat er bij deze manier om het aantal potten te tellen aan voorbij, dat niet kan worden aangenomen dat op de foto’s alle in de woning aanwezige potten te zien zijn. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich daarom op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeelin de gelijktijdig behandelde ontnemingszaak tegen de verdachte. Hierin is het aantal hennepplanten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken, omdat niet aannemelijk is dat meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Daarom wordt uitgegaan van 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2. In totaal komt dat op 360 hennepplanten en het hof zal, gelet op dit aantal, het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten bewezen verklaren.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. primair hij, in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019 te Amsterdam, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres 2] een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep;\n\n2. primair hij, in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019 te Amsterdam, uit een pand aan de [adres 2] een hoeveelheid elektriciteit, die toebehoorde aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot die weg te nemen elektriciteit heeft verschaft en die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, te weten een illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om.\n\nHetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de voetnoten onder het kopje Bewijsoverwegingen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straffen\n\nDe politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uur, te vervangen door hechtenis van 30 dagen.\n\nDe raadsman heeft in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat de verdachte als zelfstandige werkt in de wegenbouw en zijn leven en inkomen goed op de rit heeft. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft in een woonwijk in een kleine bovenwoning een hennepkwekerij in werking gehad met een groot aantal planten. Hij heeft voor de kwekerij stroom gestolen door het aanleggen van een illegale elektriciteitsaansluiting. De verdachte is voorbijgegaan aan de risico’s (van brand en overlast door bijvoorbeeld lekkage van water) voor de omwonenden van een hennepkwekerij. De verdachte heeft alleen gehandeld om financieel voordeel te behalen. Daarbij komt dat het telen van hennep en de handel daarin vaak gepaard gaat met andere vormen van strafbaar gedrag. Het hof acht dit twee ernstige feiten en is daarom van oordeel dat een straf zoals opgelegd door de politierechter niet passend is.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2024 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.\n\nHet hof heeft aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nHet hof ziet in hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geen aanleiding tot matiging van de straf.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren passend en geboden. Het hof zal de verdachte daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren opleggen, om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en teneinde te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw strafbare feiten begaat.\n\nHet hof heeft tenslotte acht geslagen op de omstandigheid dat in dit geval in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De verdachte is op 4 maart 2019 aangehouden en gehoord, het vonnis dateert van 14 december 2023 en het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is op 27 december 2023 ingesteld. Het hof doet uitspraak op 22 augustus 2024. Bij de behandeling in eerste aanleg is de redelijke termijn overschreden met twee jaar en 9 maanden. Dit is reden om een korting op de taakstraf toe te passen van 20 uren.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, passend en geboden.\n\nBeslag\n\nDe in beslag genomen ruimlijst zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van1 (één) maand.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door50 (vijftig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een ruimlijst.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.A. Groenendijk, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van\n\nmr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n22 augustus 2024.\n\n mr. A.P.M. van Rijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 30 tot en met 34.\n\n Een geschrift, te weten een aangifte door fraudespecialist [naam 2] van Liander NV van 19 maart 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , dossierpagina 1 tot en met 16.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisant [verbalisant 2] , dossierpagina 28 tot en met 40 (aanvullend procesdossier).\n\n Dossierpagina 37.\n\n Dossierpagina 45 (aanvullend dossier).\n\n Dossierpagina 42.\n\n Dossierpagina 45.\n\n Dossierpagina 28 (aanvullend dossier).\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , dossierpagina 1 tot en met 11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2334","2026-07-13T00:28:47.475Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":114,"fullText":115,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":51,"updatedAt":118},"1172","ECLI:NL:GHSHE:2024:2467","ecli-nl-ghshe-2024-2467","2024-07-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000534-22\n\nUitspraak : 26 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 82-205241-21 tegen:\n\n [verdachte]\n\nStatutair gevestigd te [adres] ,\n\nopgeroepen als:\n\n [verdachte] ,\n\nstatutair gevestigd te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel toegewezen, het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 9.000,00 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag.\n\nNamens van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2024 alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe verdediging heeft primair afwijzing van de vordering bepleit. Subsidiair heeft de verdediging – gelijk aan hetgeen in eerste aanleg aangevoerd – het hof verzocht de in verband met het verhuren van de stallen gemaakte kosten, e weten de\n\nwaterschapslasten (€ 708,- : 2 = € 359,-),\n\nverzekeringskosten (€ 4.341,60 : 2 = € 2.170,80) en,\n\nonroerendezaakbelasting (€ 1199,- : 2 = € 599,50)\n\nop het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen, zodat een bedrag van € 5.870,70 aan wederrechtelijk verkregen voordeel resteert, en vervolgens dat bedrag te matigen zodat recht wordt gedaan aan de feitelijke situatie waarbij het grootste deel van de door de betrokkene verhuurde stallen legaal in gebruik waren.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust en zal daarom het vonnis integraal bevestigen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.J. Henzen, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,\n\nen op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2467","2024-07-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:08.020Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":43,"courtId":123,"decisionDate":124,"fullText":125,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":126,"sourceTimestamp":127,"parsedAt":51,"updatedAt":128},"1008","ECLI:NL:RBLIM:2024:4808","ecli-nl-rblim-2024-4808",66,"2024-07-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.206787.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2024\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1988,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. S.C.H. Rutjens, advocaat kantoorhoudende te Roermond.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 juli 2024. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nHet slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. J. Rensen. De benadeelde partij [slachtoffer] zelf is niet op de zitting verschenen. Haar moeder was wel aanwezig. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1: in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), bestaande uit onder meer het seksueel binnendringen van haar lichaam;\n\nFeit 2: in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 opzettelijk de minderjarige [slachtoffer] aan het wettig over haar gesteld gezag heeft onttrokken;\n\nFeit 3: in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 seksuele afbeeldingen via chats aan de eerder genoemde [slachtoffer] heeft verzonden, hetgeen primair ten laste is gelegd als het aanbieden van pornografie aan minderjarigen en subsidiair als het ongevraagd toezenden van pornografie;\n\nFeit 4: in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer] heeft verworven en deze in bezit heeft gehad.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 3 acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging refereert zich ten aanzien van feit 1 aan het oordeel van de rechtbank. Datzelfde geldt voor feit 4, met dien verstande dat de verdediging erop wijst dat er geen afbeeldingen in het dossier zitten. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Zij voert daartoe ten aanzien van feit 2 aan dat de verdachte in de eerste plaats niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was en in de tweede plaats verdachte geen beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding tussen haar en degene die het gezag over haar uitoefent. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder feit 3 geldt ook dat de verdachte niet op de hoogte was van de minderjarigheid van [slachtoffer] . Wat betreft het subsidiair tenlastegelegde onder feit 3 geldt dat [slachtoffer] zelf om “dingen” heeft gevraagd.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nInleiding\n\nOp 29 juli 2023 rond 19.30 uur heeft de toen 14-jarige [slachtoffer] de woning van haar moeder in [plaatsnaam] verlaten met de mededeling dat zij naar een vriendin zou gaan en hier zou overnachten. De moeder vertrouwde het niet en probeerde de hele avond contact met haar dochter te krijgen. Dat lukte niet. Moeder heeft de vader van [slachtoffer] ingelicht (die elders woont) en ze zijn op onderzoek uitgegaan. Via de app “find my phone” kwamen ze erachter dat hun dochter ergens in Weert zou moeten verblijven. Ze zijn naar Weert gegaan en hebben daar naar haar gezocht, maar konden haar niet vinden. Ze hebben zich gemeld bij het politiebureau in Weert. Ook de politie heeft gezocht, maar zonder resultaat.\n\nDe volgende ochtend, op 30 juli 2023, kwamen ze er achter dat [slachtoffer] via een tikkie geld had gekregen van ene [verdachte] . Ze meldden dit aan de politie in Weert. Uit onderzoek van de politie komt vervolgens onder die naam de verdachte naar voren, die woonachtig is in Weert, in de straat waar [slachtoffer] volgens de “find my phone”-app zou moeten verblijven. De politie gaat naar de woning van de verdachte. Daar treffen ze [slachtoffer] aan, in haar ondergoed en ze lijkt onder invloed van verdovende middelen te zijn. [slachtoffer] wordt herenigd met haar ouders. Zij doen aangifte tegen de verdachte van seksueel misbruik en onttrekking aan het ouderlijk gezag.\n\nBewijsmiddelen\n\nFeit 1\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 ontucht heeft gepleegd met de toen 14-jarige [slachtoffer] . De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en door of namens hem met betrekking tot dit feit geen vrijspraak is bepleit:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2024;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden.\n\nFeiten 2, 3 en 4\n\nDe aangifte van [naam 1]vermeldt – zakelijk weergegeven – onder meer:\n\nIk doe aangifte van onttrekken aan het ouderlijk gezag van mijn minderjarige dochter [slachtoffer] . [slachtoffer] is 14 jaar oud en is geboren op [geboortedatum] .\n\nGister, zaterdag 29 juli 2023, is [slachtoffer] omstreeks 19.30 uur vertrokken met de fiets. Zij zou bij een vriendin, [naam 2] , gaan logeren. Ik belde [slachtoffer] om 20.20 uur, maar ze nam niet op. Om 20.25 uur zag ik dat ik een bericht van [slachtoffer] kreeg waarin ze zei: 'Ik ben ff bezig, ik bel je zo wel'. Ik gaf aan dat ik nu meteen gebeld wilde worden. Ik zag dat [slachtoffer] enkele minuten later schreef: 'Mam wacht ff' . Ik bleef [slachtoffer] bellen en appen, maar kreeg geen contact met haar. Om 20.49 uur zag ik dat [slachtoffer] stuurde dat ze bij [naam 2] was en dat ik haar moest vertrouwen. Ik stuurde weer terug: 'Bel me nu'. Hierna kreeg ik helemaal geen contact meer. Ik ging vervolgens naar het politiebureau in Weert. We zijn blijven zoeken in Weert, samen met de politie, maar konden [slachtoffer] niet vinden.\n\nVanochtend, zondag 30 juli 2023, zag [naam 3] op de rekening van [slachtoffer] dat zij een Tikkie had gestuurd en dat er 18 euro op haar rekening was bijgeschreven, gestort door [verdachte] . [naam 3] heeft de politie gebeld en ik heb de naam [verdachte] en het rekeningnummer ook doorgegeven aan de politie in Weert. De politie is naar een adres gegaan en even later kwamen zij met [slachtoffer] terug.\n\nIn een informatief gesprek zeden heeft het slachtoffer [slachtoffer] , d.d. 3 augustus 2023– zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\n [slachtoffer] is 14 jaar en woont in [plaatsnaam] .\n\n [verdachte] en [slachtoffer] hebben 2 keer eerder afgesproken, het ging goed, ze hadden een relatie en ze wilden een stapje verder gaan. Ze hebben elkaar via Snapchat leren kennen ongeveer 2 maanden geleden.\n\nOngeveer een week geleden heeft ze foto’s van de lul van [verdachte] ontvangen. [slachtoffer] heeft meerdere bikinifoto’s gestuurd naar [verdachte] . Ze heeft ook een foto van zichzelf naakt onder de douche gestuurd. Hierop is alles te zien.\n\n [verdachte] weet dat [slachtoffer] 14 jaar oud is. Dit hebben ze online al met elkaar besproken. [verdachte] had [slachtoffer] ouder ingeschat. [verdachte] is 35 volgens [slachtoffer] .\n\n [verdachte] heeft [slachtoffer] op zaterdag 29 juli 2023 om 19:30 uur opgehaald op het station in [plaatsnaam] . Hierna zijn ze met de trein terug naar Weert gegaan.\n\nVerbalisant [naam 4]heeft onderzoek gedaan naar de telefoon van het slachtoffer en relateert – zakelijk weergegeven – als volgt:\n\nOp zondag 30 juli 2023 heeft om 13.30 uur te Weert een informatief gesprek plaatsgevonden met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum] ). In dit gesprek gaf [slachtoffer] aan dat de gesprekken met de verdachte [verdachte] (geboortedatum [geboortegegevens] ) hebben plaatsgevonden via Snapchat.\n\nIk zag dat er in de chat gesproken wordt over het kopen van een treinticket. Ik zag dat [verdachte] om 17.37 uur vroeg ‘Heb je ticket’ en dat [slachtoffer] om 17.37 uur antwoordde met ‘Thanksss’.\n\n [verdachte] :\n\nKoop nu wel. Welke e-mail moet die heen, je ticket\n\nIk ( [slachtoffer] )\n\n [e-mail]\n\nTijdens het studioverhoor heeft het slachtoffer [slachtoffer]– zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nV: Wat had jij [verdachte] over jezelf verteld voordat jullie elkaar ontmoet hadden?\n\nG: Dat ik veertien was. (…) Hij weet ook dat ik een zus heb. Dat m’n ouders zijn gescheiden. Dat ik op Mavo zit, in de toen, volgens mij nog tweede. (…)\n\nV: Toen jij op zaterdag 29 juli 2023 van huis vertrok, dacht je moeder dat je naar je vriendin [naam 2] ging.\n\nG: Ja\n\nV: Wat had jij daarover tegen [verdachte] gezegd?\n\nG: Hij wist wel dat ik tegen m’n ouders had gezegd dat ik had gezegd dat ik bij [naam 2] ging slapen.\n\nV: Heb je wel eens filmpjes van jezelf gestuurd naar [verdachte] , waarop seksuele handelingen te zien zijn?\n\nG: Ja\n\nDe verdachte verklaartin een verhoor bij de politie – zakelijk weergegeven – onder meer;\n\nV: Wat voor soort foto’s heb jij van haar ontvangen?\n\nA: Naaktfoto’s. (…)Toen kreeg ik een kort filmpje waarin ze met een haarborstel tekeer ging. Ze deed die in haar vagina. Toen zei ik al: doe eens rustig aan, straks maak je dingen kapot daar.\n\nV: Hoe weet je dat zij het was op dat filmpje?\n\nA: Ze had het echt constant over die borstel.\n\nV: Waarop je haar later kon herkennen?\n\nA: Ik herkende haar wel toen ik haar eenmaal zag afgelopen zaterdag.\n\nV: Welke foto’s heb jij naar haar gestuurd?\n\nA: Gewoon, mijn lul.\n\nV: Heb je ook video’s gestuurd?\n\nA: Korte video’s ja.\n\nV: Wat is daarop te zien?\n\nA: Video’s van mezelf en met mijn ex heb ik weleens een keer een video gemaakt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nMinderjarigheid\n\nUit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer] ten tijde van de ten laste gelegde feiten 14 jaar oud was en derhalve minderjarig.\n\nDe rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit wist. [slachtoffer] heeft bij de politie in het informatief gesprek zeden verklaard dat zij haar leeftijd aan de verdachte heeft verteld en daarna tijdens het studioverhoor heeft zij deze verklaring herhaald. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] . Daar komt bij dat de rechtbank de verklaring van de verdachte, dat hij niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was en dat zij had gezegd 18 jaar te zijn, juist niet geloofwaardig acht. De rechtbank betrekt hierbij dat in het e-mailadres van [slachtoffer] dat in het bezit van de verdachte was het getal [geboortejaar] staat vermeld, zijnde het geboortejaar van [slachtoffer] . Ook wist de verdachte dat [slachtoffer] op de mavo zat en tegen haar moeder een smoesje had verzonnen, omdat zij anders geen toestemming zou krijgen elders te overnachten.\n\nT.a.v. feit 2: Opzettelijk onttrekken aan wettig gezag\n\nZoals gezegd volgt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer] minderjarig was en dat de verdachte dit wist. Uit de bovengenoemde bewijsmiddelen volgt bovendien dat de ouders van [slachtoffer] in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 geruime tijd niet op de hoogte waren van haar verblijfplaats, geen contact met haar konden krijgen en haar niet konden vinden, terwijl [slachtoffer] (naar achteraf bleek) gedurende die tijd in gezelschap van de verdachte was en in zijn woning heeft verbleven. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of de verdachte [slachtoffer] hierdoor heeft onttrokken aan het wettig gezag. De rechtbank overweegt dat in het geval een minderjarige zelf het initiatief neemt om de ouderlijke woning te verlaten, het niet van belang is of degene die de minderjarige opvangt \u002F of waar de minderjarige daarna verblijft, heeft bijgedragen aan de besluitvorming van de minderjarige om weg te lopen. Het is in die situatie vervolgens wel vereist dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag uitoefent.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een beslissende invloed door de verdachte. De verdachte is [slachtoffer] vanuit Weert in [plaatsnaam] gaan ophalen, heeft haar treinkaartje betaald en wist dat zij continu gebeld werd door haar bezorgde ouders en zus. De verdachte moet dus hebben geweten dat haar familie zich zorgen maakte. Van een volwassen man (zoals verdachte is) mag dan worden verwacht dat hij zelf de ouders van [slachtoffer] belt om de situatie te bespreken. De verdachte heeft dit echter niet gedaan. Integendeel. Hij heeft haar gedurende de nacht bij zich gehouden, seks met haar gehad, met haar drugs gebruikt en ook de volgende ochtend geen aanstalten gemaakt haar te overreden terug naar huis te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan, [slachtoffer] met (voorwaardelijk) opzet heeft onttrokken aan het wettig gezag.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\nT.a.v. feit 3: Aanbieden pornografische afbeeldingen aan minderjarigen\n\nDe verdachte heeft bekend dat hij foto’s van zijn ontblote penis en een korte video waar hij seksuele handelingen verricht met zijn ex naar [slachtoffer] heeft gestuurd. [slachtoffer] was op dat moment 14 jaar oud. Zoals hiervoor reeds overwogen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte wist dat ze pas 14 was. De afbeeldingen zijn bovendien van zodanig expliciet seksuele aard, dat vertoning daarvan aan personen beneden de leeftijd van 16 jaar een risico op schade met zich brengt.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\nT.a.v. feit 4: Bezitten en verwerven van kinderpornografie\n\nDe rechtbank overweegt dat de door [slachtoffer] verstuurde foto en filmpje binnen de context waarin zij zijn gestuurd een onmiskenbare seksuele strekking hadden. Het feit dat de beelden zich niet in het dossier bevinden acht de rechtbank in dit geval niet relevant, nu het slechts om een zeer geringe hoeveelheid gaat, duidelijk is wat hier op te zien is en met name om welke persoon het gaat. Doordat duidelijk is dat [slachtoffer] de persoon op de afbeeldingen is, is duidelijk dat het om een minderjarige gaat en dat de verdachte dit wist.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nT.a.v. feit 1:\n\nin de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, meermalen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\nT.a.v. feit 2:\n\nin de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag;\n\nT.a.v. feit 3 primair:\n\nin de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in Nederland afbeeldingen, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten foto's en video's waarop zijn, verdachtes, ontblote penis te zien is en waarop te zien is dat hij, verdachte, seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, via Snapchat, althans via een chatprogramma heeft verstrekt aan een minderjarige van wie hij wist dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] );\n\nT.a.v. feit 4:\n\nop één of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert afbeeldingen, te weten een foto en een video van seksuele gedragingen, waarbij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) is betrokken heeft verworven en in bezit gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met een borstel vaginaal penetreren van het eigen lichaam door die [slachtoffer] en\n\nhet geheel naakt poseren door die [slachtoffer] , waarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nT.a.v. feit 1:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam\n\nT.a.v. feit 2:\n\nopzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag\n\nT.a.v. feit 3 primair:\n\neen afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet dat deze jonger is dan zestien jaar\n\nT.a.v. feit 4:\n\neen afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken verwerven en in bezit hebben\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf en\u002Fof de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een locatieverbod voor het adres van de moeder, de vader, het werk en de school van [slachtoffer] .\n\nDe officier van justitie heeft bij de formulering van zijn strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten, de impact van het handelen op [slachtoffer] en haar omgeving en de persoonlijke omstandigheden en proceshouding van de verdachte. De officier van justitie acht als strafverzwarende omstandigheden het aanbieden van cocaïne aan [slachtoffer] en dat de verdachte haar heeft ontmaagd. Strafverminderend acht de officier van justitie dat de seks consensueel is geweest en de verdachte op eigen initiatief hulp heeft gezocht.\n\n6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest gecombineerd met een voorwaardelijk deel, waar de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd aan verbonden kunnen worden en daarnaast een taakstraf. Zij benadrukt dat het van groot belang is dat de verdachte niet naar de gevangenis gaat.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij de toentertijd 14-jarige [slachtoffer] , welke tevens bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De verdachte was op dat moment 35 jaar oud. Hij heeft haar meegenomen naar zijn huis om met haar seks te hebben en heeft haar daarbij cocaïne aangeboden. Zij heeft dit aanvankelijk geweigerd, maar nadat hij bleef aandringen heeft zij het toch gebruikt. Om seks met haar te kunnen hebben, heeft hij [slachtoffer] in [plaatsnaam] opgehaald en heeft haar treinkaartje naar Weert betaald. [slachtoffer] is vervolgens een hele avond, nacht en ochtend onbereikbaar geweest voor haar familie. De verdachte wist dit ook, omdat zij veelvuldig door hen gebeld werd. Dit heeft bij de ouders (en zus) enorme onrust en spanningen veroorzaakt. Daarnaast heeft hij als volwassen man foto’s van zijn ontblote penis en filmpjes waarop seksuele handelingen te zien zijn naar de minderjarige [slachtoffer] gestuurd. Confrontatie met dergelijke afbeeldingen en filmpjes kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van jeugdigen en zij dienen hiertegen beschermd te worden. Tot slot heeft de verdachte een naaktfoto en -filmpje van [slachtoffer] verworven en in zijn bezit gehad.\n\nDe bewezenverklaarde ontucht bestond onder meer uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Hoewel van dwang niet is gebleken, dient een meisje op die leeftijd beschermd te worden. De wetgever heeft er juist voor gekozen om seks met personen onder de 16 jaar ongeclausuleerd strafbaar te stellen, omdat deze jongeren zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en zij vaak onvoldoende in staat zijn om hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag te overzien.\n\nDoor zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat veel slachtoffers van dit soort feiten zich, vanwege hun jonge leeftijd, pas op latere leeftijd realiseren wat er daadwerkelijk is gebeurd en daarvan nog lang nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Dat de handelingen consensueel waren, doet daar niet aan af.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de soort en hoogte van de straf kennis genomen van het strafblad van 11 juni 2024 en rekening gehouden met het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 1 maart 2024. In dit rapport komt naar voren dat de verdachte een slecht sociaal ingebedde, eenzame, man is, die een problematische relatie heeft met zijn moeder en hoge behoefte heeft aan genegenheid. Het niet hebben van een relatie ervaart hij als een gemis. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.\n\nStraf\n\nDe eis van de officier van justitie begrijpt de rechtbank in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat een lagere straf dient te worden opgelegd, met name omdat van dwang geen sprake is geweest, het initiatief tot afspreken van beide kanten lijkt te zijn gekomen, er sprake was van een emotionele band tussen [slachtoffer] en de verdachte en mede gelet op de persoonlijke omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden volstaan met een straf zoals door de verdediging is bepleit. De bewezenverklaarde feiten zijn daarvoor te ernstig, waarbij de rechtbank in strafverzwarende zin met name meeweegt het forse leeftijdsverschil, dat de verdachte de 14-jarige [slachtoffer] meermaals cocaïne heeft aangeboden en samen met haar heeft gebruikt, alsmede het feit dat hij de familie van [slachtoffer] al die tijd in onzekerheid heeft gelaten over waar zij was.\n\nAlles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar passend en geboden is. De rechtbank zal daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. De rechtbank zal geen locatieverbod opleggen, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte [slachtoffer] heeft opgezocht of zal gaan opzoeken en de verdachte middels het contactverbod al op geen enkele wijze direct of indirect contact met [slachtoffer] mag opnemen.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.\n\n7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 117.045,78 euro. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:\n\nreis- en parkeerkosten voor de moeder van [slachtoffer] : 544,22 euro\n\nreis- en parkeerkosten voor de vader van [slachtoffer] : 490,07 euro\n\nmorning-after pil: 11,49 euro\n\nimmateriële schade: 16.000,- euro\n\nverhoging immateriële en materiële schade: 100.000,- euro.\n\nDe benadeelde partij heeft verzocht de post ‘verhoging immateriële en materiële schade’ niet ontvankelijk te verklaren omdat dit is opgenomen met het oog op een eventueel hoger beroep en nog niet voorziene schade.\n\nDe benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de vordering ten aanzien van de onderbouwde materiële en immateriële schade geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts heeft hij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nTen aanzien van het voorschot, de verhoging immateriële en materiële schade voor een bedrag van 100.000,- euro, heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade, gelet op de onvoldoende onderbouwing, dient te worden afgewezen. Niet is gebleken welke afspraken voor [slachtoffer] noodzakelijk waren, met bijvoorbeeld afspraakbevestigingen. De vordering ten aanzien van de immateriële schade wordt tot een bedrag van 10.000,- euro niet door de verdediging betwist.\n\nTen aanzien van de verhoging van de vordering met een bedrag van 100.000,- euro stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat door [slachtoffer] schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde.\n\nDe rechtbank acht een bedrag van 365,58 euro ten aanzien van de materiële schade toewijsbaar. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor de morning-after pil en de reiskosten die de ouders van [slachtoffer] hebben gemaakt door op 29 en 30 juli van [plaatsnaam] naar Weert en terug te rijden. De rechtbank acht deze kosten aannemelijk en in zoverre voldoende onderbouwd. De verder opgegeven reiskosten zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, wanneer de benadeelde partij nu in de gelegenheid zou worden gesteld de vordering op dat onderdeel nader te onderbouwen.\n\nVoor het nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding omdat zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank stelt de door de benadeelde partij geleden immateriële schade vast op een bedrag van 10.000,- euro. De vordering is in zoverre niet betwist en komt de rechtbank niet onredelijk of ongegrond voor. De rechtbank ziet in de onderbouwing van de vordering en gelet op de toegewezen schadebedragen in vergelijkbare zaken op dit moment geen aanleiding tot toewijzing van het meerdere en zal de benadeelde partij derhalve voor het overige niet ontvankelijk verklaren. Zij zal de benadeelde partij eveneens niet ontvankelijk verklaren in haar vordering voor zover deze ziet op de verhoging van de materiële en immateriële schade van een bedrag van 100.000,- euro nu dit deel van de vordering niet is onderbouwd.\n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling van de wettelijke rente over de toegewezen bedragen, te rekenen vanaf 30 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank zal hiervoor tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 240a, 240b, 245, 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van3 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\nstelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:\n\nMeldplicht bij de reclassering\n\na. de veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ reclassering Limburg op het adres [adres 2] (telefoonnummer [telefoonnummer] ). De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nAmbulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)\n\nde veroordeelde laat zich behandelen door De Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.\n\nBij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;\n\nContactverbod\n\nde veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;\n\nMiddelencontrole\n\nde veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van cocaïne om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.\n\ngeeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\nBenadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel\n\nwijst gedeeltelijk toede vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van10.365,58 euro, bestaande uit 365,58 euro materiële schade en 10.000,- euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met dewettelijke rentevanaf30 juli 2023tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaaltdat [slachtoffer] voor de overige gevorderde schade niet-ontvankelijk is en zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 10.365,58 euro, te vermeerderen met dewettelijke renteover dat bedrag vanaf30 juli 2023tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair86 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nde verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. H.E.G. Peters en mr. L. Bastiaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.N.F. Roelofs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juli 2024.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\n1 hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ; ( art 245 Wetboek van Strafrecht )\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende; ( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3 hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) afbeelding(en), een voorwerp of een gegevensdrager, bevattende (een) afbeelding(en), waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten een of meer foto('s) en\u002Fof video('s) waarop zijn, verdachtes, althans een ontblote (stijve) penis te zien is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man aan het masturberen is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man, seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, (via Snapchat, althans via een chatprogramma) heeft verstrekt en\u002Fof aangeboden en\u002Fof vertoond aan een minderjarige van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ); ( art 240a Wetboek van Strafrecht)\n\nsubsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer afbeelding(en), waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die afbeelding(en) aanstotelijk is\u002Fzijn voor de eerbaarheid, te weten een of meer foto('s) en\u002Fof video('s) waarop zijn, verdachtes, althans een ontblote (stijve) penis te zien is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man, aan het masturberen is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, anders dan op diens verzoek heeft toegezonden aan een persoon genaamd [slachtoffer] ; ( art 240 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht )\n\n4 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto's en\u002Fof video's en\u002Fof films - en\u002Fof een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen, te weten een telefoon - van seksuele gedragingen, waarbij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), althans iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven en\u002Fof in bezit gehad en\u002Fof zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en\u002Fof met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof een borstel, althans (een) voorwerp(en) oraal, vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van het eigen lichaam door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\u002Fof het met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof (een) voorwerp(en) betasten en\u002Fof aanraken van het eigen geslachtsdeel, de eigen anus, de eigen billen en\u002Fof borsten door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\u002Fof het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van\u002Fdoor die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij die [slachtoffer] , althans deze persoon gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof met (een) voorwerp(en) en\u002Fof in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past\u002Fpassen en\u002Fof waarbij die [slachtoffer] , althans deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van haar kleding ontdoet en\u002Fof (waarna) door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die [slachtoffer] , althans deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die [slachtoffer] , althans deze persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling (één of meer foto('s) en \u002Fof video('s), omschreven en\u002Fof waarover verklaard door [slachtoffer] op p. 12 van het pv en\u002Fof door getuige [naam 1] op p. 17 van het pv en\u002Fof door verdachte op p. 60 van het pv en\u002Fof in het pv bevindingen op p. 23 van het pv); ( art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023119700, gesloten d.d. 4 augustus, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 62.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – informatief gesprek zeden d.d. 3 augustus 2023, pg. 12-14.\n\n Proces-verbaal van aangifte [naam 1] d.d. 3 juli 2023, pg. 7-10.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – informatief gesprek zeden d.d. 3 augustus 2023, pg. 12-14.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – onderzoek telefoon d.d. 31 juli 2023, pg. 22-26.\n\n (Aanvullend) proces-verbaal van studioverhoor met VRH-nummer 2024-05-661067 d.d. 15 mei 2024, pg. 1-18.\n\n Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 31 juli 2023, pg. 52-62.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:4808","2024-07-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.711Z",{"id":130,"ecli":131,"slug":132,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":133,"fullText":134,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":135,"sourceTimestamp":133,"parsedAt":51,"updatedAt":136},"1195","ECLI:NL:GHDHA:2024:1219","ecli-nl-ghdha-2024-1219","2024-07-16T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-002973-22\n\nParketnummer: 10-180764-21\n\nDatum uitspraak: 16 juli 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\nthans gedetineerd in P.I. Middelburg te Middelburg.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, op of omstreeks 7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals bestuurder van een vrachtauto (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), rijdende op de Waalhavenweg, een motoragent van de politie eenheid Rotterdam, genaamd [het slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door op de openbare weg,\n\n- nadat die [het slachtoffer], rijdend op een als zodanig herkenbare politiemotorfiets, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, aan hem, verdachte, een aanwijzing\u002Fteken had gegeven om hem, verbalisant [het slachtoffer], te volgen,\n\n- vervolgens (achter die [het slachtoffer]) een rijstrook voor rechtsafslaand verkeer op te rijden, waarbij die [het slachtoffer] voor hem, verdachte, voldoende zichtbaar, op de voornoemde motorfiets reed en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) te accelereren en\u002Fof gas bij te geven, althans met onverminderde snelheid door te rijden en\u002Fof\n\n- ( daarna) in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend (driekleurig) verkeerslicht door te rijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) die [het slachtoffer] met zijn vrachtwagen aan te rijden en\u002Fof te overrijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) door te rijden en\u002Fof te blijven te accelereren en\u002Fof gas bij te geven waarbij\u002Fwaardoor (het aangereden\u002Foverreden lichaam van) die [het slachtoffer] door de vrachtwagen honderden meters werd meegesleurd, als gevolg waarvan die [het slachtoffer] is overleden;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij, op of omstreeks 7 juli 2021 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), daarmede rijdende over de (openbare) weg, te weten de Waalhavenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten een dodelijk verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend te rijden, door\n\n- nadat die [het slachtoffer], rijdend op een als zodanig herkenbare politiemotorfiets, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, aan hem, verdachte, een aanwijzing\u002Fteken had gegeven om hem, verbalisant [het slachtoffer], te volgen, en\u002Fof\n\n- vervolgens (achter die [het slachtoffer]) een rijstrook voor rechtsafslaand verkeer op te rijden, waarbij die [het slachtoffer] voor hem, verdachte, voldoende zichtbaar, op de voornoemde motorfiets reed en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) te accelereren en\u002Fof gas bij te geven, althans met onverminderde snelheid door te rijden en\u002Fof\n\n- ( daarna) in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend (driekleurig) verkeerslicht door te rijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) die [het slachtoffer] met zijn vrachtwagen aan te rijden en\u002Fof te overrijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) door te rijden en\u002Fof te blijven te accelereren en\u002Fof gas bij te geven waarbij\u002Fwaardoor (het aangereden\u002Foverreden lichaam van) die [het slachtoffer] door de vrachtwagen honderden meters werd meegesleurd, waardoor die [het slachtoffer] werd gedood;\n\n2. hij, op of omstreeks 7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals degene die als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op\u002Faan de Waalhavenweg, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [het slachtoffer]) levensgevaarlijk gewond was geraakt en\u002Fof was gedood.\n\nVordering van de advocaten-generaal\n\nDe advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet primair zal worden vrijgesproken (moord) en ter zake het onder 1 primair impliciet subsidiair (doodslag) en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest en dat aan de verdachte daarnaast een tbs-maatregel met dwangverpleging zal worden opgelegd. Voorts hebben de advocaten-generaal gevorderd dat aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de WVW, zal worden opgelegd en dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd. Tot slot hebben de advocaten-generaal gevorderd dat een beroepsverbod wordt opgelegd waarbij de verdachte gedurende 5 jaren het beroep als beroepschauffeur niet mag uitoefenen.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nHet hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair (moord) tenlastegelegde heeft begaan, en zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij, op of omstreeks7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals bestuurder van een vrachtauto (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), rijdende op de Waalhavenweg, een motoragent van de politie eenheid Rotterdam, genaamd [het slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk,van het leven heeft beroofd, door op de openbare weg,\n\n- nadat die [het slachtoffer], rijdend op een als zodanig herkenbare politiemotorfiets, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, aan hem, verdachte, een aanwijzing\u002Fteken had gegeven om hem, verbalisant [het slachtoffer], te volgen,\n\n- vervolgens (achter die [het slachtoffer]) een rijstrook voor rechtsafslaand verkeer op te rijden, waarbij die [het slachtoffer] voor hem, verdachte, voldoende zichtbaar, op de voornoemde motorfiets reed en\u002Fof\n\n- (vervolgens) te accelereren en\u002Fof gas bij te geven, althansmet onverminderde snelheid door te rijden en\u002Fof\n\n- (daarna)in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend (driekleurig) verkeerslicht door te rijden en\u002Fof\n\n- (vervolgens)die [het slachtoffer] met zijn vrachtwagen aan te rijden en\u002Fofte overrijden en\u002Fof\n\n- (vervolgens)door te rijden en\u002Fof te blijvente accelereren en\u002Fofgas bij te gevenwaarbij\u002Fwaardoor(het aangereden\u002Foverreden lichaam van)die [het slachtoffer] door de vrachtwagen honderden meters werd meegesleurd, als gevolg waarvan die [het slachtoffer] is overleden;\n\n 2. hij, op of omstreeks7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals degene die als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op\u002Faande Waalhavenweg, de(voornoemde)plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander,(te weten [het slachtoffer]), levensgevaarlijk gewond was geraakt en\u002Fof was gedood.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nBewijsoverweging feit 1\n\nI.Inleiding\n\nHet hof dient te beoordelen op welke wijze de gedragingen van de verdachte moeten worden geduid zoals die hebben plaatsgevonden op 7 juli 2021 in de haven van Rotterdam. Hierbij kwam, door toedoen van de verdachte, motoragent [het slachtoffer] (hierna ook: de motoragent) op 47-jarige leeftijd om het leven. De verdachte heeft hem op het einde van een uitrit voor afslaand verkeer naar rechts – en in plaats daarvan ineens rechtdoor gaand - in volle vaart aangereden met zijn vrachtwagen en daarna nog honderden meters onder zijn vrachtwagen meegesleurd. Verdachte is vervolgens doorgereden, zonder zich te melden bij de instanties. In de loop van het hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst met zoveel woorden uitdrukkelijk bekend dat hij wel had gemerkt dat hij de motoragent had aangereden.\n\nDoor en namens de verdachte is aangevoerd dat bij deze aanrijding sprake is geweest van een noodlottig ongeval; de verdachte heeft daarbij niet opzettelijk gehandeld, in welke vorm dan ook. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de verdachte gesteld dat hij het eerdere volgteken van de motoragent niet had gezien, hem pas op of vlak voor de uitvoegstrook naar rechts heeft waargenomen, en daardoor verrast werd, waarbij de motoragent hem vervolgens “de remweg heeft ontnomen”. Om de motoragent te ontwijken heeft de verdachte zijn vrachtwagen op het laatst naar links gestuurd, naar de rijbaan bedoeld voor het rechtdoor gaande verkeer. Daardoor is naar stelling van de verdachte de botsing ontstaan. Mentale problemen, waarover hierna meer, speelden hierin mede een rol omdat de verdachte bij het begin van de uitvoegstrook naar rechts op het moment dat hij zag dat de motoragent voor hem reed “het overzicht” op de uitrit “kwijt was geraakt”.\n\nDoor de advocaten-generaal is gesteld dat de verdachte het eerder al gegeven volgteken van de motoragent wel moet hebben gezien en dat het daarop volgende handelen van de verdachte niet anders kan worden beschouwd dan in de sleutel van boos opzet bij de verdachte om motoragent [het slachtoffer] van het leven te beroven.\n\nOm deze uiteenlopende stellingen goed te kunnen wegen moet het hof zich eerst buigen over de vraag wat er allemaal precies is voorgevallen op die 7de juli 2021, kort voorafgaande aan de noodlottige aanrijding.\n\nII. Feiten en omstandigheden\n\nContextuele omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op 7 juli 2021 met de door hem bereden vrachtauto allereerst een container met big bags met meel opgehaald in Amsterdam, waarna hij rond de klok van 09:00 uur bijna was gearriveerd op het afleveradres in de Waalhaven in Rotterdam. Rijdend op de Waalhavenweg en komend uit de richting van de A15\u002FReeweg, was hij al van plan om op de na te noemen kruising rechtsaf te slaan, via een voorsorteerstrook, om zo de Ophemertstraat in te rijden. De plaats van bestemming was het Barge Center Waalhaven in Rotterdam. Verdachte heeft steeds verklaard dat de route op 7 juli 2021 naar het desbetreffende afleveradres een voor hem gebruikelijke route was. Op de kruising Waalhavenweg\u002FOphemertstraat bevinden zich verkeerslichten. Deze verkeerslichten waren ook die dag in werking. Het verkeerslicht voor de afslag naar rechts stond op rood. De afslag naar rechts aan het eind van de voorsorteerstrook op de genoemde kruising is een haakse bocht.\n\nEerste visuele contact\n\nVerdachtes eerste visuele contact met de motoragent vond plaats op de kruising Reeweg – Anthonie Bodaanweg, ter hoogte van het Douanekantoor, in de Waalhaven in Rotterdam. Verdachte zag op die plek een motoragent staan. Even later zag de verdachte de motoragent op het daar gelegen fietspad draaien, en verder in beweging komen.Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hier desgevraagd nog aan toegevoegd dat hij zich op dat moment realiseerde dat de motoragent wanneer het een beetje tegen zou zitten achterhemaan zou komen en dat dat angst bij hem veroorzaakte. De verdachte heeft ten gevolge van zijn verleden - een zeer zwaar ongeval met een motoragent in 2015 en een dodelijk ongeval met een oude dame in 2020, beide veroorzaakt met zijn vrachtwagen - een preoccupatie met de politie opgelopen. Hij vervolgt daarop zijn weg richting het Barge Centre Waalhaven.\n\nVolgteken motoragent\n\nTerwijl de verdachte verder reed op de Waalhavenweg heeft hij – op nog ruime afstand voor de eerder genoemde kruising en voorsorteerstrook naar rechts - ter hoogte van het bedrijf Frigocare een volgteken gekregen van dezelfde motoragent, zo blijkt uit camerabeelden van Frigocare. Deskundige [naam deskundige 1] plaatst in hoger beroep het volgteken en de inhaalactie van de motoragent voor Frigocare (op grond van de luchtfoto) op zo’n 210 meter voor aanvang van de uitvoegstrook Waalhavenweg-Ophemertstraat.De in eerste aanleg gehoorde deskundige ir. [naam deskundige 2] geeft aan dat het volgteken over een afstand van 90 meter heeft plaatsgevonden. Dat teken duurde 5 seconden. De gemiddelde snelheid van de vrachtwagen van de verdachte bedroeg met het oog op de tachograafgegevens voorafgaande aan het volgteken 64 km\u002Fu, vanaf het begin van het volgteken 61 km\u002Fu, en vanaf het einde van het volgteken 57 km\u002Fu.De motoragent reed tijdens en na het geven van dit volgteken op een zodanige afstand naast en voor de vrachtwagen dat hij zeer goed zichtbaar moet zijn geweest voor verdachte vanuit de cabine, aldus nader onderzoek in hoger beroep. Bij specifiek daarnaar verricht (zicht)onderzoek bleek dat vanaf een onderlinge afstand tussen beide voertuigen van 2 meter en meer, de (bestuurder van de) motorfiets vanaf de bestuurderszitplaats duidelijk zichtbaar was door de voorruit van de vrachtauto. Voor het benodigde zicht vanaf de zijkant van de vrachtwagen gold een afstand van 1 meter en meer.\n\nBepaalde getuigen hebben over dit volgteken specifiek het volgende verklaard. Getuige [getuige 1], die alles heeft gezien vanaf een afstand van zo’n 20 meter, heeft hierover het volgende gesteld. De getuige zag dat de motoragent de vrachtwagen inhaalde en voor de vrachtwagen kwam. De motoragent had eerst twee handen aan het stuur, draaide zijn hele torso, om nog met maar 1 hand aan het stuur naar de vrachtwagenchauffeur te wijzen. Daarbij gebaarde hij “jij, in zijn gezicht zo, met 1 hand, jij mee”. De motoragent keek in de cabine en wees de chauffeur echt aan, aldus getuige [getuige 1].Getuige [getuige 2] die als vrachtwagenchauffeur op de kruising Ophemertweg-Waalhavenweg reed zag dat het hoofd van de motoragent ter hoogte van de positie van de bestuurder van de vrachtwagen was, dat de motoragent zijn rechter hand opstak toen hij naast de vrachtwagen reed, waarna hij zijn motor vervolgens voor de vrachtwagen positioneerde.\n\nDe verdachte heeft van meet af aan stellig ontkend dat hij dit volgteken op deze plaats(tegenover de Frigocare) heeft waargenomen. De verdachte heeft evenwel benoemd in zijn eerste inhoudelijke (vierde) verhoor bij de politie dat hij de motoragent een beweging heeft zien maken, een mogelijke armbeweging, waaruit hij, verdachte, begreep dat hij “moest volgen mee naar rechts, want daar moest ik toch naar toe”.De verdachte heeft dit door hemzelf aangeduide volgteken ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd geplaatst (kort) “voorafgaande aan de uitvoegstrook”, maar dus niet al op het eerdere moment bij Frigocare, waar een volgteken te zien is op de beelden getuige het gememoreerde deskundigenonderzoek in hoger beroep en de locatie waarover de getuigen spreken. Opmerking verdient nog dat op de beelden geen volgteken te zien is van de motoragent op de door de verdachte geduide plaats kort voor de uitvoegstrook. In dit licht beschouwd verdient tot slot nog opmerking dat de verdachte in de Penitentiaire Inrichting waar hij verbleef al in een vroeg stadium tegen een (anonieme) verbalisant [kenmerknummer verbalisant] heeft gezegd “dat de motoragent hem voorbij reed om hem te controleren”.\n\nSituatie uitvoegstrook\n\nDe totale lengte van de genoemde voorsorteerstrook\u002Fuitvoegstrook naar rechts waarover een vrachtwagen kan rijden bedraagt 92,18 meter, zo is in hoger beroep gebleken.Na het insturen op de uitvoegstrook heeft de verdachte daarvan nog ongeveer 65 meter om te anticiperen op de feitelijke afslag naar rechts met zijn voertuig.Op het moment dat de beide voertuigen op deze uitvoegstrook arriveren, straalde het voor de desbetreffende rijrichting geldende verkeerslicht reeds gedurende minimaal 70,6 seconden rood licht uit.Tussen verdachtes voertuig en een andere vrachtautocombinatie die schuin achter hem reed en bleef rijden op het rijvak voor het rechtdoor gaande verkeer op de Waalhavenweg, was een afstand van tenminste 25,42 meter op het moment dat verdachtes vrachtwagen op de uitvoegstrook naar rechts over de middelste pijl reed. De verdachte had, zo luidt de conclusie van de politie, derhalve desgewenst al op een eerder moment op de uitvoegstrook kunnen uitwijken naar links (het hof begrijpt: om een aanrijding met motoragent [het slachtoffer] te voorkomen).\n\nOver de onderlinge posities tussen de motoragent en de verdachte is in hoger beroep nog meer vast komen te staan. De onderlinge posities halverwege de uitvoegstrook bedroegen 15 – 20 meter, en nabij het einde van de uitvoegstrook 10 – 15 meter onderlinge ruimte, zo luidt nader deskundigenonderzoek van ir. [naam deskundige 1]. Die onderlinge afstand wordt uiteindelijk nog versneld korter tot het moment van botsing. In deze fase was de snelheid van de vrachtwagen dus hoger dan die van de motoragent. De snelheid van de vrachtwagen over de uitvoegstrook tot aan de botsing was nagenoeg een gelijke snelheid van 43 a 44 km\u002Fu (politiedossier). Naar overtuiging van de deskundige [naam deskundige 1] is de bots-plaats van de vrachtwagen van de verdachte met de motoragent nog voorde stopstreep van deze uitvoegstrook gelegen.\n\n[Naam deskundige 1] heeft in zijn rapport verder als volgt verklaard. In het politie-onderzoek is vastgesteld dat de motorfiets aan de achterzijde in botsing is geweest met de linker-voorzijde van de vrachtauto van de verdachte. Hierbij kwam de politiemotor ten val op de rechterzijde en is de bestuurder van de motor op de rijbaan voor de vrachtauto beland. Gelijktijdig met de botsing accelereerde en wisselde de vrachtauto van de verdachte van rijstrook. De botsing vond plaats voor de stopstreep, in beeld op 09.11.24.776. Bij de volgafstand tussen beide voertuigen geldt voorts nog dat deze uiteindelijke korte volgafstand niet plotseling en eerst op dat moment is ontstaan en in wezen door de vrachtautobestuurder is gekozen; er wordt een locatie genaderd waarin het voor de hand ligt dat de motoragent zal afremmen, hetzij voor het rode verkeerslicht, hetzij om veilig de bocht naar rechts te kunnen nemen, aldus de deskundige mede op basis van het politie-onderzoek.\n\nNog meer ingezoomd is de remtijd en remweg van verdachtes vrachtwagen van belang. Met de voor de verdachte vereiste remvertraging bedraagt de remtijd vanuit 45 km\u002Fu precies 2.5 seconden en bedraagt de remweg 15,6 meter (uitgaande van een remvertraging van 5.0 m\u002Fs2). Ook belading kan van invloed zijn op de remvertraging, aldus de deskundige. Uitgaande van een gemiddelde remvertraging van 4.0 m\u002Fs2 zou de remtijd vanuit 45 km\u002Fu ca 3.1 seconden bedragen en de remweg ca 19.5 meter zijn. Bij (comfortabele) remming vanuit 44 km\u002Fu tot 5 km\u002Fu met de vertraging van 3,5\u002Fs2 wordt nog een afstand afgelegd van circa 21 meter.De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij – zoals ook volgt uit de tachograaf-gegevens van zijn voertuig - niet heeft geremd op de uitvoegstrook.\n\nTot zover de feiten zoals die in hoger beroep zijn komen vast te staan voor het hof, over welke feiten in hoger beroep overigens geen discussie heeft plaatsgevonden, noch van de zijde van de verdediging, noch van de zijde van het openbaar ministerie.\n\nIII. Standpunten verdachte en verweer zijdens de verdediging\n\nDe verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - anders dan in eerste aanleg - op het standpunt gesteld dat hij kort voor en op de uitvoegstrook de motoragent weliswaar voor zich heeft gezien, maar dat hij toen en daar niet heeft geremd omdat hij beelden op zijn netvlies kreeg van het eerdere noodlottig ongeval met zijn vrachtwagen en de oudere dame in 2020, waarbij het ook geen zin meer had om te remmen, aldus de verdachte. Door die verschrikkelijke beelden “raakte hij vervolgens het overzicht kwijt”, zo luidt de conclusie van de verdachte in appel.\n\nIn relatie hiermee heeft de verdediging in hoger beroep de volgende stellingen betrokken. Van (voorwaardelijk) opzet op de dood van de motorrijder is geen sprake, (a) omdat de verdachte van meet af aan heeft verklaard dat hij “juist de motoragent [heeft] willen ontwijken”. Aldus is niet voldaan aan het voor voorwaardelijk opzet noodzakelijk (wils)element dat de verdachte “de gevolgen van zijn handelen op de koop toe moet hebben genomen”. Verdachte was daarnaast (b) niet in staat op adequate wijze te handelen vanwege zijn psychopathologie, te weten de in hoger beroep door de deskundigen vastgestelde PTSS vanwege het nare ongeval in 2020 en verdachtes overspannenheid vanwege een en ander. De verdachte heeft op dit punt immers ook zelf aangegeven dat hij door zijn herbeleving van het noodlottige ongeval in 2020 eenmaal aangekomen op de uitvoegstrook naar rechts “het overzicht op dat moment niet meer had” om anders en\u002Fof adequater te reageren dan hij heeft gedaan, aldus de raadsman van de verdachte.\n\nIV. Beoordeling hof\n\nHet hof overweegt hiertoe als volgt.\n\nHet hof acht op de eerste plaats niet aannemelijk geworden dat de verdachte het volgteken van motoragent [het slachtoffer] niet heeft gezien al op de locatie van de Frigocare omdat zijn focus elders op zou zijn gericht. Ten eerste houdt dit verband met de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uiteengezette verwachting dat hij al na de allereerste blik op de motoragent bij de Reeweg niet uitsloot dat de motoragent achter hem aan zou komen. Het hof acht deze gedachte in verdachtes situatie ook voorstelbaar bezien in relatie met de door verdachte opgebouwde grote mentale weerstand tegen de politie sinds zijn eerdere zware en fatale ongelukken uit 2015 en 2020. Het ligt dan juist niet in de lijn van verwachtingen dat de verdachte de motoragent in het geheel niet meer zou hebben gevolgd via zijn spiegels en vanuit zijn vrachtwagen, zoals verdachte steeds heeft geïmpliceerd. Zwaarwegender acht het hof evenwel verder in dit opzicht nog dat het volgteken is gegeven over een – op de rijbaan rijdende - afstand van 90 meter over de weg, waarin dit volgteken gedurende 5 seconden achtereen is gegeven, op de door de getuigen beschreven nadrukkelijke en niet mis te verstane wijze, klaarblijkelijk ook nog eens ongeveer ter hoogte van de cabine van verdachtes vrachtwagen. Bovendien schrijft de procedure van het geven van een volgteken voor dat een motoragent visueel contact zoekt met de bestuurder alvorens een volgteken te geven. In dit geval heeft de verdachte gedurende de loop van het volgteken ook daadwerkelijk zijn snelheid verminderd. Tot slot gaat het hof voorbij aan verdachtes stelling dat hij het volgteken niet al eerder zou hebben gezien op basis van de uitlatingen van de verdachte zelf over het “inhalen” van de motoragent om hem aan te houden, en vanwege de beschrijving van het volgteken “naar rechts” door de verdachte, dat hij erkent wel te hebben gezien. Naar ’s hofs oordeel kan het op grond van deze overwegingen niet anders zijn dan dat de verdachte het door hem beschreven volgteken van de motoragent niet alleen heeft gezien, maar ook dat dat al op de locatie tegenover de Frigocare heeft plaatsgevonden. Een ander, tweede, volgteken is immers in het geheel niet gegeven door de motoragent. Noch de beelden, noch de getuigen, maken hiervan gewag. Ook overigens is een tweede volgteken niet komen vast te staan. Weliswaar is op basis van de beschouwing van de beelden ter terechtzitting in eerste aanleg door deskundige [naam deskundige 2] gesproken over de potentiële mogelijkheid dat de motoragent uiterst kort voorafgaande aan of gelijktijdig met de fatale botsing nog een laatste stopteken met zijn hand heeft willen geven, maar dit maakt hetgeen hiervoor is overwogen door het hof niet anders. Het hof wijst hiervoor slechts op de tijds- en plaatsaanduiding van dat eventuele laatste stopteken, dat ten zeerste afwijkt van de locatie waar de verdachte het door hem beschreven volgteken heeft geplaatst. Vanaf het moment dat verdachte het volgteken kreeg, had zijn aandacht dus eens te meer gericht moeten zijn en blijven op de motoragent die zijn weg voor hem vervolgde. De verdachte had in die situatie vervolgens gedurende langere tijd goed zicht op de motoragent en al die tijd alle tijd en gelegenheid om zijn verkeersgedrag - zoals zijn snelheid en in relatie daarmee de onderlinge afstand - aan te passen aan dat van de motoragent en het naar rechts rood uitstralende verkeerslicht, om te anticiperen op de naderende uitvoegstrook en de afslag naar rechts. Een afslag welke verdachte bovenal ook zelf al voornemens was te nemen.\n\nOp de tweede plaats is het hof van oordeel dat - ook indien de verdachte het volgteken van de motoragent niet al eerder zou hebben gezien bij de Frigocare, maar pas op een later moment, zoals hij steeds zelf heeft aangegeven - dit de beoordeling van het daarop volgende handelen van de verdachte voor het hof niet anders zou maken. Immers, de verdachte had in concreto beschouwd voor hem op de uitvoegstrook met een lengte van 65 meter, met de door de verdachte gereden snelheid van 45 km\u002Fu, met een remvertraging van 4.0 m\u002Fs2, een remtijd van 3.1 seconden en een remweg van 19,5 meter. Zelfs bij comfortabele remming zou de remafstand circa 21 meter hebben bedragen. De verdachte had met andere woorden ruimschoots de tijd om zijn voertuig met lading tot stilstand te brengen, voordat hij in aanraking zou komen met de motoragent, nu hiervan pas ter hoogte van de stopstreep sprake was. De stellingen van de verdachte dat de aanrijding is ontstaan doordat de politiemotor “zijn remweg had ingepikt” en\u002Fof dat het “ook geen zin meer had om te remmen zoals in 2020”, snijden daarmee geen hout. Zou de verdachte hebben geremd, dan was een aanrijding voorkomen.\n\nDe verdachte had dit als ervaren vrachtwagenchauffeur kunnen en moeten weten. De stelling van en namens de verdachte rond zijn psychopathologie - de door deskundigen vastgestelde PTSS, zijn overspannenheid, maar ook diens stoornis vanuit het autisme spectrum en diens angst voor aanhouding door de politie - maken dit in het onderhavige geval niet anders. De slotconclusie van de deskundigen luidt immers dat het tenlastegelegde de verdachte bij bewezenverklaring tenminste in verminderde mate kan worden toegerekend. In het bijzonder bereiken de oordeel- en kritiekstoornissen van de verdachte niet het niveau van een waanstoornis; hooguit kleuren deze het denken van de verdachte. Verdachtes psychopathologie ten tijde van het tenlastegelegde - ook uitgelegd in de voor verdachte meest gunstige zin - disculpeert hem met andere woorden niet, althans niet volledig, voor zijn daden dat niet meer van (voorwaardelijk) opzet gesproken zou kunnen worden.\n\nTot slot en veeleer acht het hof het volgende van belang om te bezien of van opzet bij de verdachte sprake is geweest. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van motoragent [het slachtoffer] – aanwezig is als de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, maar op dit punt is geen verweer gevoerd. Voor de wel door de raadsman geopperde vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden – hetgeen verder buiten beschouwing kan blijven vanwege zijn eerdere fatale ongeval - niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.\n\nUit het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting, en ’s hofs vaststellingen volgt dat de verdachte het volgteken van de motoragent heeft gezien op ruime afstand voor het begin van de voorsorteerstrook naar rechts. Vanaf dat moment heeft de verdachte qua afstand en tijdsverloop ruim voldoende tijd gehad om zijn rijgedrag en snelheid te verminderen, om daarmee de onderlinge afstand tussen hem en de motoragent te vergroten en in elk geval niet onnodig klein te maken. Ook nog op de uitvoegstrook naar rechts heeft de verdachte met een snelheid van 44 a 45 km\u002Fu zijn snelheid niet verder verminderd en\u002Fof zijn verkeersgedrag aangepast aan de voor hem rijdende en voor hem goed zichtbare motoragent, aan het onverminderd rood uitstralende verkeerslicht en de ras naderende (haakse) bocht naar rechts. Verdachte had daartoe moeten remmen, of had op een eerder moment naar links moeten uitwijken via de strook voor het rechtdoor gaande verkeer. Verdachte heeft dat evenwel beide niet gedaan. Integendeel, de verdachte heeft vervolgens zijn vrachtauto met onverminderde vaart op het laatste fatale moment naar links gestuurd en daarbij nog geaccelereerd. Dit handelen was naar zijn uiterlijke verschijningsvorm onmiskenbaar gericht op het aanrijden van en het daarmee toebrengen van fataal letsel aan [het slachtoffer]. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het aanrijden en daardoor op de dood van motoragent [het slachtoffer] gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken. De niet nader met feiten en omstandigheden onderbouwde stelling van de verdediging dat de verdachte juist de motoragent heeft willen ontwijken acht het hof niet aannemelijk geworden. Hetzelfde geldt voor de stelling van de verdachte dat hij er juist alles aan heeft gedaan om een aanrijding te vermijden. Het tegenovergestelde is veeleer het geval. Het hof acht dan ook – minst genomen – bewezen dat de verdachte aldus met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld.\n\nHet hof acht het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde (de doodslag) ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStraffen en maatregelen\n\nHet hof heeft de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft als beroepsmatig vrachtwagenchauffeur op 7 juli 2021 op een kruising op de Waalhavenweg in Rotterdam een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan een motoragent - het slachtoffer - is komen te overlijden. Door het handelen van de verdachte heeft het slachtoffer tijdens de uitoefening van zijn werk als motoragent op een mensonterende en brute manier zijn leven verloren. De verdachte heeft met zijn vrachtauto het slachtoffer, dat reed op zijn politiemotor, in grote vaart van achteren aangereden en vervolgens honderden meters meegesleurd onder de vrachtauto van de verdachte en uiteindelijk zwaar verminkt en dood achtergelaten op het wegdek. De verdachte is vervolgens ook nog eens – met verhoogde snelheid – doorgereden van het ongeval zonder zijn identiteit te laten vaststellen, terwijl hij tot twee keer toe zonder te stoppen langs de plaats van het ongeval was gereden waar inmiddels meerdere omstanders en hulpdiensten ter plaatse waren gekomen. De verdachte heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om het slachtoffer.\n\nHet slachtoffer was een ambitieuze, gewaardeerde en geliefde man van slechts 47 jaar oud. De verdachte heeft het meest fundamentele recht – het recht op leven – aan het slachtoffer ontnomen. Aan de nabestaanden is een niet in woorden te vatten en onherstelbaar leed aangedaan. Leed dat zonder twijfel hun verdere bestaan zal blijven overschaduwen. Blijkens de slachtofferverklaringen zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep heeft het gebeurde nog altijd een enorme impact op het leven van de nabestaanden, alsook op ambtenaren van de Nationale Politie. Dagelijks worden zij geconfronteerd met het feit dat hun levenspartner, zoon, broer, oom, of collega er niet meer is. De nabestaanden hebben aangegeven dat zij dit ervaren alsof zij levenslang gestraft zijn. Het hof realiseert zich dat geen enkele straf die aan de verdachte zal worden opgelegd recht kan doen aan dit onherstelbare leed bij de nabestaanden. Daarnaast is volstrekt helder dat het ongeval ook grote impact heeft gehad op degenen die daarvan ongewild getuige zijn geweest.\n\nPersoon van de verdachte\n\nHet hof heeft in de eerste plaats acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 12 juni 2024 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder in 2018 terzake een ernstig verkeersdelict (artikel 6 WVW), waarbij een politieambtenaar zwaar gewond is geraakt. Ook dit verkeersongeval is veroorzaakt binnen de beroepsuitoefening van de verdachte als vrachtwagenchauffeur.\n\nVoorts zijn omtrent de persoon van de verdachte een aantal pro-Justitiarapporten en reclasseringsadviezen opgemaakt. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan, in het bijzonder van:\n\neen aanvullende rapportage pro Justitia van 3 januari 2024, opgemaakt en ondertekend door H.T.J. Boerboom (psychiater), T.W. van de Kant (klinisch psycholoog) en R.L.F. de Kooter (forensisch milieuonderzoeker);\n\neen reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van 21 mei 2024, opgemaakt door P.M.E. Pieterse, (reclasseringswerker);\n\neen rapportage pro Justitia van 25 februari 2022, opgemaakt door H.T.J. Boerboom (psychiater), T.W. van de Kant (klinisch psycholoog) en M.C.F. Hoes (GZ psycholoog) en\n\neen reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van 22 april 2022, opgemaakt door E. Blokland (reclasseringswerker).\n\nDe deskundigen Boerboom, Van de Kant en Pieterse, de laatste bijgestaan door haar collega Van den Dries, zijn ter terechtzitting in hoger beroep gehoord en hebben hun recente rapportages daarbij desgevraagd nader toegelicht.\n\nIn het meest recente aanvullende pro Justitia rapport, opgemaakt na het vonnis in eerste aanleg, hebben de gedragsdeskundigen – kort gezegd - geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten lijdende was aan een psychische stoornis in de vorm van een autisme spectrumstoornis en een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Deze bevindingen onderschrijven de conclusies uit het rapport van 2022. Daarnaast is sprake van een posttraumatische stressstoornis, waarvan ook al kenmerken zichtbaar waren vóór de ten laste gelegde feiten. Er was sprake van een ernstige overbelasting van de verdachte met gevolgen voor zijn stemming, cognities en gedrag. Gezien de ernst en massaliteit van de psychopathologie en de evidente doorwerking daarvan in de feiten, adviseren de deskundigen - net als in de eerste pro Justitia rapportage - de ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet recidiverisico wordt door de gedragsdeskundigen – zonder nadere interventies – als hoog ingeschat. Het voornaamste risico is gelegen in de ernst en massaliteit van de psychopathologie en het gebrek aan inzicht van de verdachte. De gedragsdeskundigen achten, gelet op de met de psychopathologie gepaard gaande risicofactoren, een psychotherapeutisch behandeltraject (aanvankelijk) binnen een klinische setting geïndiceerd. Geadviseerd wordt om de behandeling, gelet op de ernst van de ten laste gelegde feiten, de forse psychopathologie en de kans op recidive, plaats te laten vinden binnen het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling. Vanuit gedragskundig oogpunt zien de deskundigen mogelijkheden de verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden te behandelen, mits dat juridisch haalbaar zou zijn (het hof begrijpt: mits de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf bij een bewezenverklaring dit zou toelaten). Mocht een tbs met voorwaarden praktisch niet mogelijk zijn en\u002Fof juridisch niet haalbaar, dan rest een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege, aldus de deskundigen.\n\nP.M.E. Pieterse, reclasseringswerker, heeft zich in het meest recente advies van de reclassering en ter terechtzitting in hoger beroep - in tegenstelling tot het eerdere advies van de reclassering - thans (voorzichtig) positief uitgelaten over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden, omdat de verdachte inmiddels openstaat voor een behandeling en bereid is daaraan zijn medewerking te verlenen. In het advies wordt het recidiverisico als gemiddeld tot hoog ingeschat. Wel wordt in haar advies benadrukt dat de motivatie van de verdachte om mee te werken sterk extern is ingegeven - waarbij het de vraag is of hij zijn medewerking op de lange duur zal kunnen blijven volhouden - en op de lange termijn niet voldoende zal zijn om de recidivekans te verkleinen. Zijn hulpvragen zijn momenteel enkel gericht op het verwerken van zijn eigen trauma en niet op het voorkomen en verminderen van recidive. Een hogere responsiviteit en meer zelfinzicht zijn nodig om hieraan daadwerkelijk te kunnen werken.\n\nMaatregel terbeschikkingstelling\n\nNu de conclusies van de psychiater en de psycholoog met betrekking tot de toerekenbaarheid van de ten laste gelegde feiten gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen het hof ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt het hof die conclusies over en maakt die tot de zijne. Op grond van deze conclusies is het hof van oordeel dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bestond.\n\nDe bewezenverklaarde feiten worden de verdachte om die reden in verminderde mate toegerekend.\n\nHet hof is van oordeel dat gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, alsmede hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte is overwogen en de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling ook eist.\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde (doodslag) betreft voorts een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.\n\nHet hof constateert dat aldus aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan.\n\nDe vraag of de behandeling van de verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden of een tbs met dwangverpleging dient plaats te vinden, is in de eerste plaats afhankelijk van de hoogte van de op te leggen vrijheidsstraf. Immers, op grond van artikel 38, derde lid, Sr kan de maatregel van tbs met voorwaarden slechts worden uitgesproken indien de op te leggen vrijheidsstraf ten hoogste vijf jaar bedraagt.\n\nHet hof is evenwel – conform het standpunt van de advocaten-generaal – van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de eerdere onherroepelijke veroordeling, het recidiverisico en hetgeen het hof ook overigens uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon en de persoonlijkheid van de verdachte nopen tot oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Hoewel de verdachte anders dan in eerste aanleg meer inzicht toont in zijn problematiek en hij inmiddels openstaat voor een behandeling en bereid is daaraan zijn medewerking te verlenen, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar. Gelet op de hierna te noemen duur van de op te leggen gevangenisstraf is de mogelijkheid van een tbs met voorwaarden dan ook in casu niet aan de orde. Het hof zal gelet op de noodzakelijke behandeling van de verdachte daarom een tbs met dwangverpleging opleggen.\n\nHet hof acht het daarbij - in navolging van de ter terechtzitting gehoorde deskundigen - van het grootste belang dat de behandeling van de verdachte zo spoedig mogelijk en bij voorkeur direct aansluitend aan de hem op te leggen duur van de gevangenisstraf een aanvang neemt. Het hof realiseert zich hierbij terdege dat dit betekent dat de verdachte ruimschoots eerder voor het einde van de duur van de op te leggen gevangenisstraf moet worden aangemeld om op de wachtlijst te worden geplaatst van de instelling waar de voorkeur van de selecteurs en behandelaars naar uitgaat en adviseert de betrokken instanties dit te bewerkstelligen.\n\nOp de voet van het bepaalde in artikel 359, zevende lid, Sv jo 38e, eerste lid, Sr stelt het hof vast dat de bewezenverklaarde doodslag gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De totale duur van de tbs met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan (artikel 38e, eerste lid, Sr).\n\nGevangenisstraf\n\nGelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van het hof - zoals hiervoor vermeld - niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij zijn oordeel omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf betrekt het hof voorts dat de maatschappij van politiemedewerkers verwacht dat zij optreden in gevaarlijke en risicovolle situaties, waarbij hoort dat dit optreden door de individuele leden van de maatschappij wordt getolereerd en gerespecteerd. Deze politiemedewerkers (en andere hulpdiensten) verdienen (mede) om die reden bijzondere bescherming, om zoveel mogelijk te voorkomen dat zij bij de uitoefening van hun functie van enig strafbaar handelen het slachtoffer worden. Naar het oordeel van het hof dient dit tot uitdrukking te komen in de op te leggen straf. Tevens houdt het hof in het nadeel van de verdachte rekening met het hierboven genoemde uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens het begaan van een zeer ernstig verkeersdelict (artikel 6 WVW). Het hof houdt bij de op te leggen gevangenisstraf ten gunste van de verdachte voorts rekening met het hiervoor overwogene omtrent de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.\n\nAlles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nOntzegging bevoegdheid motorrijtuigen te besturen\n\nHet opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen is daarnaast geboden om enerzijds recht te doen aan de ernst van het bewezenverklaarde feit (doodslag, begaan in het wegverkeer) en anderzijds om de veiligheid van overige verkeersdeelnemers voor een zo lang mogelijke periode te beschermen tegen de verdachte. Derhalve zal het hof aan de verdachte opleggen de maximale ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, te weten een ontzegging voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs van verdachte al ingevorderd en ingehouden is geweest.\n\nDe gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nHet hof acht het opportuun om naast de ongemaximeerde tbs met dwangverpleging tevens de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.\n\nBeroepsverbod\n\nMet de rechtbank is het hof van oordeel dat het opleggen van een verbod om als vrachtwagenchauffeur werkzaam te zijn in onderhavig geval niet noodzakelijk is. Gelet op het bepaalde in artikel 31 Sr gaat de duur van de ontzegging van rechten bij een veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf de duur van de hoofdstraf ten hoogste vijf jaren te boven. Hetzelfde artikel bepaalt dat het verbod ingaat op de dag dat de veroordeling onherroepelijk is geworden. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf in combinatie met de niet gemaximeerde tbs met dwangverpleging en de maximale ontzegging van de rijbevoegdheid ziet het hof met andere woorden in dit geval geen materiële meerwaarde in het opleggen van een beroepsverbod.\n\nSchending redelijke termijn\n\nTot slot constateert het hof dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in hoger beroep is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een termijn van 16 maanden, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 25 oktober 2022 en het eindvonnis op 16 juli 2024 is gewezen. De redelijke termijn is derhalve met ruim 4 maanden overschreden. Naar het oordeel van het hof is deze overschrijding onder meer het gevolg van omstandigheden die (deels) voor rekening van de verdediging komen. Het hof is van oordeel dat gelet op de relatief geringe overschrijding in hoger beroep kan worden volstaan met de enkele constatering van deze overschrijding.\n\nConclusie\n\nHet hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur in combinatie met de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging en de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel een passende en geboden reactie vormen.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen\n\n[Benadeelde partij 1] (de moeder van het slachtoffer), de heer [benadeelde partij 2] (de broer van het slachtoffer), mevrouw [benadeelde partij 3] (de schoonzus van het slachtoffer), mevrouw [benadeelde partij 4] (een nicht van het slachtoffer) en haar partner, de heer [benadeelde partij 5], mevrouw [benadeelde partij 6] (de partner van het slachtoffer) en de Nationale Politie Eenheid Rotterdam hebben zich in het onderhavige strafproces ieder gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en\u002Fof immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde.\n\nDe rechtbank heeft de vorderingen van de benadeelde partijen vrijwel integraal toegewezen - mede op de grond dat de materiële posten van de gevorderde schadevergoedingen onvoldoende gemotiveerd waren weersproken - met uitzondering van de vorderingen tot vergoeding van toekomstschade. Voorts zijn onderdelen van alle individuele vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen. De benadeelde partijen hebben hun vorderingen in hoger beroep gehandhaafd, zodat deze thans opnieuw aan de orde zijn.\n\nDe advocaten-generaal hebben het hof verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, gelijk de rechtbank heeft gedaan, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.\n\nDe verdediging heeft – anders dan de verdediging in eerste aanleg - op de verschillende vorderingen verweer gevoerd.\n\nHet hof zal de vorderingen waar mogelijk gezamenlijk behandelen. Voor de overblijvende posten, zal het hof deze per benadeelde partij behandelen.\n\nAffectieschade\n\n[Benadeelde partij 1] heeft een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade gevorderd en [benadeelde partij 6] een bedrag van\n\n€ 20.000,- subsidiair € 17.500,-.\n\nOp grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.\n\nTen aanzien van mevrouw [benadeelde partij 1], de moeder van het slachtoffer, dient in dat verband het gevorderde bedrag van € 17.500,- te worden toegewezen.\n\nMevrouw [benadeelde partij 6] kan niet als ‘levensgezel’ in de zin van artikel 6:108, lid 4 sub b BW worden beschouwd, nu zij niet duurzaam met het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde. Wel staat vast dat zij in een LAT-relatie met het slachtoffer stond. Zij heeft daarmee in voldoende mate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108, lid 4 BW onder g kan worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden dient het hof in haar geval het voor deze categorie forfaitaire bedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toe te wijzen.\n\nSchokschade\n\n[Benadeelde partij 1] (€ 40.000,-), [benadeelde partij 2]\n\n(€ 25.000,-), [benadeelde partij 3] (€ 20.000,-), [benadeelde partij 4](€ 15.000,-) en [benadeelde partij 6] (€ 30.000,-) hebben ieder een vordering wegens schokschade ingediend.\n\nBij de beoordeling van deze vorderingen stelt het hof het volgende voorop.\n\nIemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel.\n\nGezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:\n\n- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.\n\n- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.\n\n- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.\n\nDe feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.\n\nHet recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.\n\nAls sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.\n\nNaast een aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door een hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, kan een secundair slachtoffer ook, als naaste van het primaire slachtoffer, een aanspraak hebben op een vaste vergoeding op grond van de artikelen 6:107 lid 1, aanhef en onder b BW en 6:108 lid 1 in verbinding met artikel 6:108 lid 3 BW (‘affectieschade’). In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade (zie ECLI:HR:2022:958)\n\nUit de toelichting op de vorderingen is het hof gebleken dat de hierboven genoemde benadeelde partijen zijn geconfronteerd met het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer en dat zij kort na het ongeval de plek hebben bezocht waar het incident zich heeft voorgedaan. Voor mevrouw [benadeelde partij 6] geldt zelfs dat zij als één van de eerste politieambtenaren haar partner zwaar verminkt op die plek heeft aangetroffen. Zij hebben ook de zeer confronterende beelden gezien waarop te zien is hoe het slachtoffer is aangereden en is meegesleurd door de vrachtwagen van de verdachte. In alle gevallen is sprake van een zeer hechte relatie tussen het primaire en het secundaire slachtoffer. Ook in alle gevallen is sprake van een naaste tussen het primaire en het secundaire slachtoffer. Voldoende aannemelijk is geworden dat de genoemde confronterende gebeurtenissen bij al deze personen een hevige emotionele schok teweeg hebben gebracht. Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de benadeelde partijen aan de hand van verklaringen van hun behandelend psycholoog voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij als gevolg van de confronterende gebeurtenissen geestelijk letsel (in de vorm van PTSS) hebben opgelopen.\n\nGelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de hierboven genoemde benadeelde partijen onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij ieder van hen is ontstaan.\n\nTen aanzien van de hoogte van de toe te wijzen bedragen overweegt het hof het volgende.\n\nBij mevrouw [benadeelde partij 1] en mevrouw [benadeelde partij 6] is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Met name voor mevrouw [benadeelde partij 6] die als één van de eerste politieambtenaren het gruwelijk verminkte lichaam van het slachtoffer op de weg heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde medische stukken kan in beide gevallen lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met de beelden van het ongeval en met het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Het hof dient dan ook schattenderwijs vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partijen en de gevolgen daarvan voor hen. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van mevrouw [benadeelde partij 1] op\n\n€ 20.000,- en die van mevrouw [benadeelde partij 6] op\n\n€ 25.000,-.\n\nOp dezelfde wijze, doch zonder rekening te moeten houden met de samenloop met geleden affectieschade, schat het hof de hoogte van de geleden schokschade van de overige benadeelde partijen als volgt in: voor de heer [benadeelde partij 2] op een bedrag van € 17.500,- en voor mevrouw [benadeelde partij 4] en mevrouw [benadeelde partij 3] – wegens het iets verder verwijderde familieverband – op € 15.000,- elk.\n\nVoor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kunnen de benadeelde partijen daarom thans niet in hun vordering worden ontvangen en kunnen zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nHet hof zal hierna overgaan tot de bespreking van de afzonderlijke vorderingen, voor zover zij hierboven nog niet aan de orde zijn geweest.\n\nHet hof stelt daarbij voorop dat, ingevolge artikel 51f, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) de benadeelde partij in haar hoedanigheid van nabestaande van het slachtoffer naast affectieschade en schokschade enkel de kosten van het gederfde levensonderhoud en de kosten van lijkbezorging in het strafgeding van de verdachte kan vorderen.\n\nDe vordering van [benadeelde partij 1]\n\n[Benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 60.472,04 waarvan, zoals gezegd, een deel van\n\n€ 57.500,- aan immateriële schade (affectie- en shockschade) en een deel van € 2.972,04 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit een bedrag van\n\n€ 734,52 wegens het plaatsen van een rouwadvertentie, een bedrag van € 237,52 aan medicatie en een bedrag van\n\n€ 2.000,- als toekomstschade.\n\nDe kosten van de medicatie ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen.\n\nDe kosten van het plaatsen van een rouwadvertentie schaart het hof onder de kosten van lijkbezorging, zodat dit onderdeel van de vordering eveneens kan worden toegewezen.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 38.472,04 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 2]\n\n[benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot\n\n€ 35.100,67 waarvan, zoals gezegd, een deel van € 25.000,- aan immateriële schade (schokschade) en een deel van € 10.100,67 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:\n\nKosten van lijkbezorging:\n\n€ 309,- urn\n\n€ 500,- sieraden met as\n\n€ 200,- rouwboeket\n\n€ 350,- kleding\n\n€ 122,36 grastrimmer\n\nVoorts:\n\n€ 15,25 medicatie\n\n€ 600,- tatoeage\n\n€ 750,- isoleren schuur motor [naam slachtoffer]\n\n€ 82,90 vignet\n\n€ 2.171,16 verlofdagen\n\n€ 5.000,- toekomstschade\n\nBehalve de urn en het rouwboeket, kunnen naar het oordeel van het hof de gemaakte sieraden, de gekochte uitvaartkleding en de grastrimmer niet als kosten van lijkbezorging worden aangemerkt; zij staan daartoe in een te ver verwijderd verband. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nDe kosten van de medicatie ad € 15,25 ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde partij gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen.\n\nTen aanzien van de kosten voor het zetten van een tatoeage, het isoleren van de schuur voor de motor van [naam slachtoffer], het kopen van een vignet en het opnemen van verlofdagen, kan niet worden gezegd dat artikel 6:108 BW voor vergoeding van deze kosten een grondslag biedt. Dat betekent dat de benadeelde partij in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 18.024,25 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]\n\nDe vordering van [benadeelde partij 3]\n\n[benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 29.502,99 waarvan, zoals gezegd, een deel van\n\n€ 20.000,- aan immateriële schade (schokschade) en een deel van € 9.502,99 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:\n\nKosten van lijkbezorging:\n\n€ 2.500,- steen monument\n\n€ 208,12 graveren monument\n\n€ 363,- plaatsen monument\n\n€ 440,94 reiskosten\n\n€ 67,60 parkeerkosten\n\nVoorts:\n\n€ 900,58 opgenomen verlofdagen\n\n€ 22,75 medicatie\n\n€ 5.000,- toekomstschade\n\nHet hof heeft begrip voor de wens van de nabestaanden om een monument op de Heijplaat voor het slachtoffer op te richten, echter, de kosten van het monument, het graveren en het plaatsen daarvan staan in te ver verwijderd verband om als kosten van lijkbezorging te kunnen worden aangemerkt. Het hof zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.\n\nTen aanzien van de reis- en parkeerkosten overweegt het hof het volgende.\n\nDe gevorderde reiskosten, voor zover betrekking hebbend op de uitvaart, kunnen worden geschaard onder de kosten van lijkbezorging, zijn redelijk en kunnen derhalve worden toegewezen tot een bedrag van (300 x 0,30 =)\n\n€ 90,-.\n\nDe gevorderde reiskosten ten behoeve van bezoek aan een psycholoog acht het hof redelijk en ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen tot een bedrag van (14 x 0,30 =) € 4,20. Hetzelfde geldt voor de medicatie ad € 22,75.\n\nTen aanzien van de overige gevorderde reiskosten is het hof van oordeel dat deze niet in zodanig samenhangend verband met de door de benadeelde gevorderde schokschade kunnen worden beschouwd. In zoverre verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nDe reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de zittingen kunnen ook niet als proceskosten worden aangemerkt, nu de benadeelde partij met een gemachtigde procedeert. Het hof begrijpt dat deze kosten desondanks wel degelijk zijn gemaakt, maar ziet op grond van bestendige rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt geen ruimte de gevraagde vergoeding toe te kennen. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nVoor wat betreft de gevorderde loonderving is het hof van oordeel dat deze, voor zover betrekking hebbende op de kosten van het bezoeken van een psycholoog, kunnen worden toegewezen tot een bedrag van (6 x 12,17 =) € 73,02, nu deze nauw samenhangen met de door de benadeelde partij gevorderde schokschade. Voor vergoeding van het overige gederfde loon biedt de wet geen grondslag, zodat de benadeelde partij ook op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 15.189,97 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 6]\n\n[benadeelde partij 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 52.068,19 waarvan zoals gezegd een deel van € 50.000,- althans € 47.500,00 aan immateriële schade (affectie- en schokschade) en een deel van € 2.068,19 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit een bedrag van\n\n€ 68,19 wegens reis- en parkeerkosten en een bedrag van\n\n€ 2.000,- als toekomstschade.\n\nDe gevorderde reis- en parkeerkosten ten behoeve van bezoek aan een psycholoog acht het hof redelijk en ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 42.568,19 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 6].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 4]\n\n[benadeelde partij 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 24.987,52 waarvan zoals gezegd een deel van\n\n€ 15.000,- aan immateriële schade (schokschade) en een deel van € 9.987,52 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:\n\nKosten lijkbezorging:\n\n€ 84,95 kleine urn\n\n€ 514,- ketting met vingerafdruk\n\n€ 75,- tatoeage\n\n€ 33,14 fotoboek oma\n\n€ 730,40 reiskosten\n\n€ 65,72 parkeerkosten\n\nVoorts\n\n€ 18,27 medicatie\n\n€ 90,- ontspanning\n\n€ 82,90 vignet\n\n€ 490,- Memori toekomst\n\n€ 823,14 fotoboek herinneringen Memori\n\n€ 1.980,- verlies aan verdienvermogen door verlofdagen\n\n€ 5.000,- toekomstschade\n\nBehalve de urn, kunnen de kosten van de ketting met vingerafdruk, de tatoeage en het fotoboek oma niet als kosten van lijkbezorging worden aangemerkt; zij staan daartoe in een te ver verwijderd verband. De benadeelde partij zal op deze onderdelen niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.\n\nDe gevorderde reiskosten voor zover betrekking hebbend op de uitvaart kunnen worden geschaard onder de kosten van lijkbezorging, zijn redelijk en kunnen derhalve worden toegewezen tot een bedrag van (180,4 x 0,30 =) € 54,12.\n\nDe gevorderde reiskosten ten behoeve van bezoek aan een psycholoog acht het hof redelijk en ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen tot een bedrag van (950,6 x 0,30 =) € 285,18. Hetzelfde geldt voor de medicatie ad\n\n€ 18,27.\n\nTen aanzien van de overige gevorderde reis- en parkeerkosten is het hof van oordeel dat deze niet als zodanig samenhangend met de door de benadeelde partij gevorderde schokschade en kosten van lijkbezorging kunnen worden beschouwd. In zoverre verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nDe reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de zittingen kunnen niet als proceskosten worden aangemerkt, nu de benadeelde partij met een gemachtigde procedeert. Het hof verwijst hiervoor naar zijn overweging op hetzelfde onderdeel bij de bespreking van de vordering van [benadeelde partij 3]. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nTen aanzien van de kosten van ontspanning, het vignet en het digitale fotoboek en een daarop betrekking hebbend abonnement is het hof van oordeel dat deze niet vallen onder de kosten van lijkbezorging zodat de vordering op deze onderdelen niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nVoor vergoeding van gederfde inkomsten als nabestaande biedt de wet geen grondslag, zodat de benadeelde partij ook op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 15.442,52 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 5]\n\n[benadeelde partij 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 8.011,- aan materiële schade. Deze schade bestaat uit een bedrag van € 539,- wegens een zogenaamd Memori abonnement en een bedrag van € 2.472,- wegens verlies aan verdienvermogen. Ten slotte vordert de benadeelde partij een bedrag van € 5.000,- aan toekomstschade.\n\nHet hof heeft reeds beslist dat de kosten van het abonnement op Memori niet vallen onder de kosten van lijkbezorging, zodat de vordering van de benadeelde partij op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nVoor vergoeding van gederfde inkomsten in het kader van het strafgeding komen alleen in aanmerking de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt in verband met de uitvaart. Deze kosten kunnen worden geschaard onder de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 BW. De benadeelde partij heeft zijn vordering op dit punt genoegzaam onderbouwd en het hof schat die kosten op een bedrag van (3 x € 290,- - 40% =) € 522,-. Voor vergoeding van de overige gederfde inkomsten biedt de wet geen grondslag, zodat de benadeelde partij op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 522,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5].\n\nDe vordering van de Nationale Politie Eenheid Rotterdam\n\nDe Nationale Politie Eenheid Rotterdam heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 194.979,75 aan materiële schade.\n\nHet betreft de schade aan de motor waarop het slachtoffer reed ten tijde van de aanrijding ad € 8.820,- en een bedrag ad € 186.159,75 wegens het betalen van de kosten van de uitvaart van het slachtoffer. Deze kosten heeft de benadeelde partij als werkgever van het slachtoffer voldaan.\n\nHet hof is van oordeel dat de schade aan de motor als een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde feit kan worden aangemerkt, nu deze het gevolg is van het handelen van de verdachte dat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde feit staat. De vernieling van de motorfiets ligt immers besloten in de ten laste gelegde en bewezenverklaarde aanrijding van een motoragent die tot diens dood heeft geleid.\n\nDe schade aan de motor is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en kan derhalve worden toegewezen.\n\nDe kosten van de uitvaart kunnen als kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108 BW worden beschouwd en komen daarmee in beginsel voor vergoeding in aanmerking, mits zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Bij de beoordeling wat in een concreet geval redelijk is komt onder andere gewicht toe aan de maatschappelijke stand en de inkomens- en vermogenspositie van de overledene en zijn (culturele en religieuze) achtergrond.\n\nVan belang is dat het slachtoffer een goed functionerend motoragent was en geliefd was binnen de Nationale Politie en dat de – alleszins begrijpelijke - wens bij de nabestaanden en de werkgever bestond om, gelet op de gruwelijke manier waarop het slachtoffer tijdens de uitoefening van zijn werk is overleden, op indrukwekkende wijze afscheid van hem te nemen. Dat is, zo blijkt uit de uitgebreide onderbouwing van de vordering, ook gebeurd. Het hof acht het redelijk dat in dat verband de kosten van de uitvaart die voor vergoeding in aanmerking komen hoger uitvallen dan een gemiddelde uitvaart (die grosso modo tussen de € 8.000,- en € 11.000,- kost). Het hof acht, gelet op alle omstandigheden van het geval, in dit verband een bedrag van € 35.000,- redelijk en billijk, meer in het bijzonder kosten die in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene terwijl die kosten op de voet van artikel 6:108, tweede lid, BW kunnen worden aangemerkt als kosten die in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Nu de Nationale Politie reeds een bedrag van in totaal € 15.021,66 aan verzekeringsuitkeringen heeft ontvangen, resteert een bedrag van € 19.978,34. Dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 28.798,34 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Politie Eenheid Rotterdam.\n\nResumerend\n\nHet hof wijst de volgende bedragen toe:\n\n[benadeelde partij 1]: € 37.500,- aan immateriële schade en € 972,04 aan materiële schade;\n\n[benadeelde partij 2]: € 17.500,- aan immateriële schade en\n\n€ 524,25 aan materiële schade;\n\n- [ [benadeelde partij 3]: € 15.000,- aan immateriële schade en € 189,97 aan materiële schade;\n\n- [ [benadeelde partij 6]: € 42.500,- aan immateriële schade en\n\n€ 68,19 aan materiële schade;\n\n- [ [benadeelde partij 4]: € 15.000,- aan immateriële schade en\n\n€ 442,52 aan materiële schade;\n\n[benadeelde partij 5]: € 522,- aan materiële schade;\n\nNationale Politie Eenheid Rotterdam: € 8.820,- (motor) en € 19.978,34 (uitvaart) aan materiële schade.\n\nWettelijke rente\n\nVoor zover de vorderingen tot schadevergoeding door het hof zullen worden toegewezen, zullen deze worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van het overlijden van het slachtoffer, 7 juli 2021, tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit geldt niet ten aanzien van de toegewezen schadepost uitvaartkosten van de Nationale Politie Eenheid Rotterdam. Hiervoor geldt de factuurdatum van 10 november 2021.\n\nBurgerlijke rechter\n\nVoor zover de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, kunnen zij deze vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nDaar waar de verdachte wordt veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen tot schadevergoeding hebben gemaakt, wordt hij tevens veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nNu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 159.017,31 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partijen.\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, zal het hof daarbij niet bepalen dat de duur van de gijzeling die kan worden toegepast maximaal één dag bedraagt. De stelling van de verdediging dat de verdachte niet in staat is om binnen redelijke termijn op dit punt aan zijn verplichtingen te voldoen, is in dit verband niet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan. De enkele omstandigheid dat aan de verdachte een tbs-maatregel die mogelijk lang kan duren wordt opgelegd, acht het hof daarvoor in ieder geval niet redengevend.\n\nBeslag\n\nDe advocaten-generaal hebben zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen vrachtauto (merk\u002Ftype [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]) verbeurd verklaard moet worden. Subsidiair vorderen de advocaten-generaal de vrachtauto te onttrekken aan het verkeer wegens strijd met het algemeen belang.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen vrachtauto aan de rechtmatige eigenaar [naam broer verdachte] (de broer van de verdachte) dient te worden teruggegeven. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat aan de vereisten voor verbeurdverklaring uit artikel 33a lid 2 Sr niet wordt voldaan, nu de eigenaar van de vrachtauto – [broer verdachte] – niet redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat met deze vrachtauto strafbare feiten begaan zouden worden. Voorts stelt de raadsman zich op het standpunt dat het ongecontroleerde bezit van de vrachtwagen niet in strijd is met de wet of het algemeen belang en dat de vrachtauto derhalve niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.\n\nMet betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven vrachtauto overweegt het hof als volgt.\n\nVast staat dat de bewezenverklaarde strafbare feiten met behulp van de inbeslaggenomen vrachtauto zijn begaan. Omdat de verdachte niet de eigenaar is van de vrachtauto kan deze enkel verbeurd worden verklaard indien aan de vereisten van artikel 33 lid 2 sub a Sr wordt voldaan. Echter, aan deze vereisten wordt naar het oordeel van het hof niet voldaan. De eigenaar van de vrachtauto, had immers niet redelijkerwijs kunnen vermoeden dat – toen hij als werkgever de verdachte na een eerder ernstig verkeersongeval weer in de vrachtauto liet rijden – de verdachte met die vrachtauto opzettelijk een motoragent zou doodrijden en\u002Fof een overtreding van artikel 7 WVW zou begaan. Aan de vereisten van artikel 33a lid 2 sub a Sr wordt dan ook niet voldaan, waardoor de vrachtauto niet vatbaar is voor verbeurdverklaring.\n\nAnders dan de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat de vrachtauto evenmin vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Niet is gebleken dat de vrachtauto van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.\n\nGelet op het vorenstaande zal het hof de teruggave gelasten aan de rechthebbende van de vrachtauto, te weten [broer verdachte].\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176 en 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nOntzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van10 (tien) jaren.\n\nBepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteldenbeveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nGelast de teruggaveaan [broer verdachte] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- vrachtauto merk [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken].\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 38.472,04 (achtendertigduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) bestaande uit € 972,04 (negenhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 38.472,04 (achtendertigduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) bestaande uit € 972,04 (negenhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 87 (zevenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 18.024,25 (achttienduizend vierentwintig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 524,25 (vijfhonderdvierentwintig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en\n\n€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 18.024,25 (achttienduizend vierentwintig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 524,25 (vijfhonderdvierentwintig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 41 (eenenveertig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.442,52 (vijftienduizend vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 442,52 (vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 15.442,52 (vijftienduizend vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 442,52 (vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 522,00 (vijfhonderdtweeëntwintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 522,00 (vijfhonderdtweeëntwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.189,97 (vijftienduizend honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 189,97 (honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.189,97 (vijftienduizend honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 189,97 (honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 34 (vierendertig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.568,19 (tweeënveertigduizend vijfhonderdachtenzestig euro en negentien cent) bestaande uit € 68,19 (achtenzestig euro en negentien cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 6], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 42.568,19 (tweeënveertigduizend vijfhonderdachtenzestig euro en negentien cent) bestaande uit € 68,19 (achtenzestig euro en negentien cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij Politie Eenheid Rotterdam\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Politie Eenheid Rotterdam ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 28.798,34 (achtentwintigduizend zevenhonderdachtennegentig euro en vierendertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Politie Eenheid Rotterdam, ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 28.798,34 (achtentwintigduizend zevenhonderdachtennegentig euro en vierendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 juli 2021, met uitzondering van de toegewezen uitvaartkosten, waarvoor de wettelijke rente op 10 november 2021 een aanvang neemt.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,\n\nmr. H.C. Plugge en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juli 2024.\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de politie d.d. 19 juli 2021, blz. 97 e.v..\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024.\n\n Gerechtelijk deskundige ir. [naam deskundige 1], MVOA, d.d. 24 januari 2024.\n\n E-mail deskundig ir. [naam deskundige 2] d.d. 6 september 2022, gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Verhoor getuige [getuige 1], proces-verbaal van politie, blz. 393 e.v.\n\n Verhoor getuige [getuige 2], proces-verbaal van politie, blz. 441 e.v.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de politie d.d. 19 juli 2021, blz. 97 e.v..\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024. De verdachte heeft hieraan ter zitting toegevoegd dat dat “kort” voorafgaande aan de uitvoegstrook was, waarover hierna meer.\n\n Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2021, politiedossier blz. 1551, welke uiting van de verdachte dus al plaatsvond voordat de videocompilatie aan hem is getoond ten tijde van zijn verhoren van in het bijzonder op 19 juli 2021 en 31 augustus 2021.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal camerabeelden d.d. 20 juni 2022, blz. 4 en bijlage 9 bij het Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Gerechtelijk deskundige ir. [naam deskundige 1], MVOA, d.d. 24 januari 2024.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Schriftelijke reactie deskundige ir [naam deskundige 2] naar aanleiding van vragen van het openbaar ministerie in eerste aanleg d.d. 3 september 2022, gevoegd bij het Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1219","2026-07-13T00:29:09.297Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":141,"fullText":142,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":143,"sourceTimestamp":141,"parsedAt":51,"updatedAt":144},"1202","ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","ecli-nl-ghshe-2024-1598","2024-05-13T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001573-23\n\nUitspraak : 13 mei 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208048-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Filipijnen) op [geboortedatum] ,\n\nwonende te [adres verdachte] .\n\nHoger beroep\n\nDe rechtbank heeft de verdachte ter zake van:\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 1);\n\n‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 3),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nVoorts heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.\n\nDe verdediging heeft primair partiële vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof de anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en\u002Fof Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2022 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en\u002Fof Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borst(en) van die [slachtoffer] en\u002Fof het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof het kussen van die [slachtoffer] en\u002Fof het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] en het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\n1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 28 juni 2021 (p. 7-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant I] en [verbalisant II] :\n\nInformatie over het gesprek:\n\nInformatief gesprek met: [slachtoffer] (vrouw), geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , nationaliteit Filipijnse, [adres] .\n\nDatum gesprek: 22 juni 2021\n\nWoonsituatie:\n\n [slachtoffer] woont samen met haar vader, moeder en broer, [broer] , in de [adres]\n\n . Zij zijn ongeveer 3 jaar geleden vanuit Dubai naar Nederland verhuisd.\n\nWat is er gebeurd:\n\n [slachtoffer] is vanaf haar 9e jaar regelmatig verkracht door haar vader. Dit is begonnen in Dubai en is frequent doorgegaan ook toen zij in Nederland kwam wonen.\n\nDe verkrachting bestond uit het vaginaal penetreren. Hij gebruikte geen condooms. Tevens moest zij hem regelmatig aftrekken. Hij pakte dan haar hand met kracht vast en legde haar hand op zijn geslachtsdeel.\n\nIn Dubai vonden de seksuele handelingen plaats in een kamer waar het hele gezin bij elkaar sliep. In Nederland hebben de seksuele handelingen plaatsgevonden op de slaapkamer van [slachtoffer] .\n\n [slachtoffer] geeft aan dat zij vorig jaar voor het laatst vaginaal gepenetreerd is door haar vader. Tevens wordt [slachtoffer] dagelijks betast door haar vader. Hij wrijft met zijn handen over haar kleding, over haar vagina en billen.\n\n2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2021 (p. 10-14), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :\n\nO: opmerking verbalisant\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord aangeefster\n\nAangeefster deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] ), [adres] .\n\nO: Wij hebben begrepen dat het gezin al 3 jaar in Terneuzen woont.\n\nV: Klopt dat?\n\nA: Ja, de kinderen zijn geboren en getogen in [geboorteplaats slachtoffer] .\n\nV: Wat kun jij vertellen over het seksuele misbruik?\n\nA: [slachtoffer] vertelde dat ze vanaf haar negende (9) tot haar veertiende (14) seksueel werd misbruikt door haar vader. Zij gaf aan dat zij tot haar elfde (11) werd verkracht. Tot haar elfde (11) bestond het seksueel misbruik onder andere uit verkrachten. Na haar elfde (11) is het verkrachten gestopt en bleef vader aan haar zitten. Dit bestond uit kussen en voelen aan haar vagina en borsten. [slachtoffer] gaf tijdens het gesprek aan dat hij een dag voor de melding voor het laatst aan haar had gezeten.\n\nO: Toen [slachtoffer] het vertelde, hoe was haar gemoedstoestand toen?\n\nA: Ik zag een meisje dat erg timide en ingedoken op een stoel zat. De hoofdemotie kwam op mij over als opluchting.\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] d.d. 19 juli 2021 (p. 16-20), voor zover inhoudende:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord getuige\n\nV: [slachtoffer] , tegen wie doe je aangifte?\n\nA: Tegen mijn vader, [verdachte] . Hij is mijn biologische vader (het hof begrijpt: de verdachte).\n\nV: Wanneer heeft het feit plaats gevonden?\n\nA: Ongeveer 6 jaar geleden is het begonnen, in 2015 tot 21 juni 2021.\n\nV: Ok, [slachtoffer] kan jij ons eens alles vertellen wat er is gebeurd?\n\nA: Het is ongeveer 6 jaar geleden begonnen in Dubai, in het appartement waar ik toen woonde. Ik was toen 9 jaar. We sliepen in die tijd allemaal in dezelfde kamer en het gebeurde ook in die kamer. Mijn moeder en broer waren aan het slapen. Mijn vader liep naar mijn bed. Toen begon hij mij aan te raken en mijn pyjama uit te trekken. Ik wilde me verzetten, maar ik heb niet echt geprobeerd om hem te stoppen. Ik was slaperig en wilde hem niet boos maken. Ik wilde ook geen weerstand bieden omdat ik bang was dat hij me iets aan zou doen. Toen heeft hij mijn pyjamabroek uitgetrokken en hij zijn short, en toen heeft hij zijn penis in mijn vagina gedaan. Hij heeft me toen verkracht. Daarna heeft hij het nog vaak gedaan. Ik denk niet elke nacht, maar wel heel vaak.\n\nV: Zijn er ook nog andere dingen gebeurd?\n\nA: Ja, hij pakte me vast aan mijn borsten om mijn middel of kont en dan begon hij tegen mij aan te schuren.\n\nV: Zijn er nog andere seksuele handelingen gebeurd?\n\nA: Hij probeerde mijn borsten aan te raken, hij probeerde ook mijn borsten met zijn mond aan te raken en dan beet hij daar heel hard in. Hij raakte mijn vagina aan met zijn handen. Dat was misschien wel het ergste. Dan pakte hij mijn schaamhaar vast en trok er hard aan. Dat deed heel veel pijn. Hij probeerde ook mijn clitoris aan te raken, maar die kon hij niet vinden en duwde hij heel hard tegen het bot wat daar zit. Als hij daar beneden greep trok hij ook heel hard aan mijn schaamlippen dat ze eruit werden getrokken. Mijn schaamlippen kwamen daardoor naar buiten en dit heeft lang zo gezeten. Nu de laatste tijd is dit aan het genezen. Het was erg pijnlijk. Hij liet mij hem ook aftrekken. Hij pakte mij bij mijn polsen met twee handen, waardoor ik mijzelf niet kon lostrekken. Dit gebeurde vaak, hij deed dit altijd voordat hij me verkrachtte. Hij zat eerst met zijn mond aan mijn borsten, daarna pakte hij mijn hand om hem af te trekken en daarna verkrachtte hij mij.\n\nV: Alle keren dat je verkracht bent, wat is het hetgeen je het meest geraakt\n\nheeft?\n\nA: Er zijn twee ernstige keren geweest. Een keer dat hij heel hard aan mijn\n\nschaamhaar trok. Hij trok mijn knie opzij en begon heel hard tegen mijn clitoris te wrijven. De tweede vreselijkste keer was dat hij zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen. Ik weet niet of het hem echt gelukt is om naar binnen te brengen, maar ik weet wel dat het heel veel pijn deed. Ik heb nog nooit zoveel pijn gehad.\n\nV: En dit heeft allemaal plaatsgevonden in Dubai?\n\nA: Het ergste in Dubai, maar hier is hij ermee doorgegaan. Mij seksueel misbruiken, verkrachten.\n\nV: Kun je me vertellen over de ergste keer in Nederland?\n\nA: Hier zijn er ook twee slechtste momenten geweest. De ene keer niet echt fysiek maar meer emotioneel. In de [straat] . Mijn broer en ik hadden een kamer en mijn ouders hadden een kamer. Op een nacht kwam mijn vader naar mijn kamer. Mijn broer was in slaap gevallen. Mijn vader heeft mij verkracht vlak bij mijn broer. De tweede meest vreselijke keer was dat hij in mij klaar kwam. Vaak deed hij dit buiten mijn lichaam en moest ik het van hem schoonmaken. Die keer kwam hij in mij klaar. Ik was bang dat ik zwanger zou raken.\n\nV: Wanneer was de laatste keer dat er iets is gebeurd?\n\nA: De laatste keer was dat hij me verkrachtte. Dat was vorig jaar. Toen is hij ook in mij klaargekomen. De laatste keer dat hij me seksueel heeft aangeraakt was de dag voordat ik erover ben gaan vertellen wat hij deed.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 35-42), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Wanneer zijn jullie verhuisd naar Nederland?\n\nA: Op 30 december 2018.\n\n5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 45-54), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Je weet al langere tijd dat er aangifte tegen je is gedaan door een medewerkster\n\nvan Veilig Thuis in verband met seksueel misbruik dat door jou gepleegd zou zijn\n\nmet je dochter [slachtoffer] . Wat vind je van deze beschuldiging?\n\nA: Ik heb geen tegenwerpingen.\n\nV: Wat gebeurde er de eerste keer?\n\nA: Ze was natuurlijk jong, een kind. Ik raakte haar ‘private parts’ aan.\n\nV: Wat bedoel je met de ‘private parts’?\n\nA: Haar vagina. Ik had toen ook seks met haar.\n\nV: Waar en wanneer gebeurde dit?\n\nA: Ik weet dat het gebeurde als we in het huis waren, ik bedoel in het huis in Dubai. Het was op haar bed.\n\nV: Hoe ging het met het aanraken van [slachtoffer] (het hof begrijpt hierna telkens: [slachtoffer])?\n\nA: lk begon eerst met haar borst te strelen.\n\nV: Had dit aanraken een seksuele lading voor jou?\n\nA: Ja.\n\nV: Wanneer ging je dan verder en raakte je de vagina van [slachtoffer] aan?\n\nA: Het gebeurde gewoon. Het stapelde zich maar op. Het gebeurde een tweede, een derde keer. Het leek al een gewoonte te worden. Ik bleef het doen. Toen gebeurde het weer. In 2016.\n\nV: Op welke momenten gebeurde het?\n\nA: We sliepen met het hele gezin in dezelfde kamer. Het gebeurde ook wel daar. Iedereen sliep dan. Ook mijn vrouw sliep en dan lukte het mij om het toch te doen met [slachtoffer] . Ik stapte dan bij [slachtoffer] in bed. Ik had dan geslachtsgemeenschap met mijn dochter. Penetratie. Met mijn penis in haar vagina. Ik deed het dan langs de achterkant. Het bleef zich maar herhalen. Toen we in Nederland kwamen zei ik tegen mezelf dat het niet meer mocht gebeuren. Maar de drang blies in mijn oren.\n\nV: Wanneer had je voor het laatst geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] ?\n\nA: In 2020 in Nederland.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde ook dat zij je moest aftrekken en dat je daarbij haar handen pakte\n\nen naar je penis bracht.\n\nA: Ja dat klopt, dat is gebeurd.\n\nV: [slachtoffer] heeft zich een keer verdedigd door tegen je aan te stompen. Je tegen haar\n\nzei dat ze dat goed deed, maar dat je haar daarna wel weer verkrachtte. Wat kun je\n\ndaar over zeggen?\n\nA: Ik kon mezelf niet meer in de hand houden. Wat ze vertelde is waar, ik deed dat.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde dat het seksueel handelen doorging, ook na de verhuizing naar\n\nNederland. Toen sliepen [slachtoffer] en [broer] (het hof begrijpt: de broer van [slachtoffer]) op dezelfde kamer. Dat je haar hebt verkracht waar haar broer vlakbij lag. Reageer hier eens op.\n\nA: In het nieuwe huis in Nederland is er één keer een situatie geweest waarbij dit\n\ngebeurd is. [broer] was inderdaad in dezelfde kamer toen ik geslachtsgemeenschap\n\nmet [slachtoffer] had.\n\nV: De laatste periode penetreerde je [slachtoffer] niet meer, maar bleef je haar wel betasten.\n\nDe laatste keer was zelfs op de dag voor ze het meldde bij de zorg coördinator van\n\nschool, melding 22 juni 2021.\n\nA: Ja dat klopt, ik heb dat gedaan.\n\n6. Een geschrift, te weten een geboorteakte, die als bijlage achter het politiedossier is gevoegd, voor zover inhoudende:\n\nName: [slachtoffer]\n\nName of Father: [verdachte]\n\nNationality: FILIPINO\n\nName of Mother: [naam moeder slachtoffer]\n\nNationality: FILIPINO\n\nDate of Birth: [geboortedag slachtoffer]\n\nPlace of Birth: [geboorteplaats slachtoffer]\n\n7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, d.d. 17 mei 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nHet is gebeurd in Dubai en later in Nederland. Ik beken dat ik met mijn penis in haar vagina ben binnengedrongen. Het klopt dat er penetratie heeft plaatsgevonden in de periode van 2015 tot 2020. Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik haar vagina heb betast. Ik heb met mijn mond en mijn handen haar borst betast en ik heb haar gekust. U vraagt mij of ze ook mijn penis heeft moeten betasten. Dat is gebeurd ja.\n\n8. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 29 april 2024, voor zover inhoudende:\n\nHet klopt dat ik tot en met 10 april 2018 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heb gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, en Terneuzen, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] , het betasten van de vagina van die [slachtoffer] , het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van mijn penis door die [slachtoffer] .\n\nIk weet nu wat de schaamlippen zijn. Ik heb mijn vingers tussen de schaamlippen van [slachtoffer] geduwd.\n\nHet klopt dat [slachtoffer] ook [slachtoffer] werd genoemd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte partieel van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte ontkent dat hij zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd en dat hij hard aan de schaamlippen van zijn dochter heeft getrokken. Gelet op de proceshouding van de verdachte, waarbij hij direct openheid van zaken heeft gegeven, is het aannemelijk dat verdachtes verklaringen (ook) op deze punten juist zijn. Bovendien was de verdachte gericht op seksuele bevrediging en niet op het op een sadistische wijze pijn doen van [slachtoffer] . Voor wat betreft de startdatum van de onder feit 1 en onder feit 3 opgenomen pleegperiode heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nHet hof acht met de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte ‘zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen’. Tevens heeft zij verklaard ‘Ik weet niet of het hem echt gelukt is om (zijn penis)naar binnen te brengen’. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] ging en dat hij dat ‘langs de achterkant’ deed. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij daarbij zijn penis in de vagina van [slachtoffer] heeft geduwd\u002Fgebracht. Gelet op hetgeen zowel [slachtoffer] als de verdachte heeft verklaard kan naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. De verdachte zal derhalve in zoverre van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nAnders dan de verdediging acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hard aan de schaamlippen van [slachtoffer] heeft getrokken. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid en juistheid van hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard. Zij heeft consistent en consequent verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, alsmede over de voor haar pijnlijke gevolgen van die handelingen. Bovendien vinden haar verklaringen steun in de andere bewijsmiddelen. Het verweer strekkende tot partiële vrijspraak van het tenlastegelegde wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\nTen aanzien van de pleegperiode van de onder 1 en onder 3 tenlastegelegde feiten stelt het hof vast dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij negen jaar oud was toen het misbruik begon. Uit hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard blijkt dat hij zich kan herinneren dat [slachtoffer] tien jaar oud was toen het begon en niet negen jaar oud. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij niet zich niet herinnert of het misbruik op tienjarige leeftijd begon. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen antwoord kan geven op de vraag of het misbruik in 2015 of in 2016 begon. Gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het feit dat de verdachte niet meer precies weet vanaf welk moment de aan hem verweten gedragingen hebben plaatsgevonden, stelt het hof de begindatum van het onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde vast op 1 januari 2015.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – naar voren gebracht dat de tenlastegelegde feiten een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, doch dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd – te hoog is. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat hij het misbruik direct heeft erkend, dat hij zelf in therapie is gegaan en dat hij de therapie inmiddels heeft afgerond. Bovendien ondersteunt de verdachte zijn vrouw en kinderen op financieel gebied en werkt hij hard om de kosten van de studies van zijn kinderen en de studentenkamers te betalen. Indien de verdachte gedetineerd raakt, ontstaan grote financiële problemen. De verdachte vreest dat zijn kinderen hun studies dan zullen moeten staken. De verdediging heeft het hof verzocht om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan bij voorkeur 2 jaren en anders 1 jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en als bijzondere voorwaarden (betreffende het gedrag van de verdachte) een contactverbod met [slachtoffer] en dat hij contacten met minderjarigen dient te vermijden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nBij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op:\n\n- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan,\n\n- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en\n\n- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nAard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich gedurende een zeer lange periode, een periode van ruim zes jaren, met grote regelmaat schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] . De seksuele handelingen bestonden onder andere uit vaginale penetratie met zijn penis, het betasten van de borst(en) van [slachtoffer] , het trekken aan haar schaamlippen en het laten betasten van verdachtes penis door [slachtoffer] . De handelingen vonden plaats vanaf het moment dat [slachtoffer] nog maar negen jaar oud was, onder meer in de door het hele gezin gedeelde slaapkamer in Dubai. [slachtoffer] kon zich zelfs in haar eigen bed niet veilig voelen. In sommige gevallen waren de moeder en\u002Fof de broer van [slachtoffer] tijdens het misbruik in dezelfde kamer aanwezig.\n\nDe verdachte heeft met zijn handelen op een buitengewoon ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Ook heeft hij daarbij grovelijk het vertrouwen geschonden dat zij in hem als vader mocht stellen. Daar komt nog bij dat [slachtoffer] bang was voor haar vader. Zij heeft bijvoorbeeld verklaard dat de verdachte haar en haar broer regelmatig sloeg, onder meer met een riem. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat dit onderdeel uitmaakte van de opvoeding en de Filipijnse cultuur. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, kon dit geweld voor [slachtoffer] echter niet los worden gekoppeld van het seksueel misbruik, zodat er ook op deze wijze sprake is geweest van forse dwang. Het gaat bovendien om jarenlang misbruik. Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer zwaar aan dat hij zijn dochter, een klein meisje dat weerloos was ten overstaan van haar volwassen vader op de bewezenverklaarde wijze jarenlang en onder grote druk seksueel heeft misbruikt. De verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de belangen van [slachtoffer] en voor de gevolgen van zijn handelen voor zijn eigen dochter. Hij heeft slechts zijn eigen lustgevoelens vooropgesteld. Bovendien is het misbruik pas aan het licht gekomen doordat [slachtoffer] zelf op school over het misbruik heeft verteld.\n\nHet is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort delicten langdurig, mogelijk hun hele verdere leven, nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Uit de gedingstukken blijkt dat dat ook bij [slachtoffer] het geval is. Verdachtes handelen heeft niet alleen grote impact gehad op [slachtoffer] , maar eveneens op het gezin. De verdachte heeft niet alleen het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem mocht stellen geschonden, maar eveneens het vertrouwen dat de andere gezinsleden in hem als vader en partner mochten hebben.\n\nPersoon van de verdachte\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 maart 2024. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van een ander strafbaar feit met politie en\u002Fof justitie in aanraking is gekomen. In zijn justitieel verleden is daarmee geen strafverzwarende omstandigheid gelegen.\n\nVoorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 17 april 2023. Door de reclassering wordt het risico op recidive ingeschat als laag-gemiddeld.\n\nDe heimelijkheid van het delict, het ontbreken van een sociaal netwerk dat de verdachte kan steunen en het feit dat hij zijn seksualiteit onderdrukt, vindt de reclassering aandachtspunten en risico's. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan als bijzondere voorwaarden onder andere een meldplicht en een contactverbod met [slachtoffer] worden verbonden.\n\nStrafoplegging\n\nGelet op de hierboven beschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van een aanzienlijke duur met zich brengt. Naar het oordeel van het hof kan gelet daarop evenmin worden volstaan met een straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen daarin onvoldoende tot uitdrukking komen. In dit verband heeft het hof in het bijzonder nog de zeer lange duur van het ingrijpende misbruik in aanmerking genomen, alsmede de ernstige wijze waarop inbreuk is gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] als het vertrouwen dat [slachtoffer] bij uitstek in de verdachte, als haar vader, mocht stellen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nIn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen grond om tot een andere beslissing te komen. Ook de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep genoemde uitspraken brengen het hof niet tot een ander oordeel.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 6, 7, 57, 244, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,\n\nmr. J.F. Dekking en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,\n\nen op 13 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Midden- en West-Brabant, Unit Zeden, onderzoek Marine, onderzoeksnummer ZBRBC21119, proces-verbaalnummer PL2000-2021161821, p. 1 tot en met pagina 56, met daarachter bijlagen. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","2026-07-13T00:29:09.704Z",{"id":146,"ecli":147,"slug":148,"caseNumber":43,"courtId":149,"decisionDate":150,"fullText":151,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":141,"parsedAt":51,"updatedAt":153},"772","ECLI:NL:GHARL:2024:3277","ecli-nl-gharl-2024-3277",70,"2024-05-08T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000613-22\n\nUitspraak d.d.: 8 mei 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2022 met parketnummer 16-289945-21 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,\n\nwonende te [woonplaats]\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte voor het tenlastegelegde feit tot een taakstraf van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. F.N. Dijkers, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft verdachte bij vonnis van 25 januari 2022, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld voor het tenlastegelegde feit - mishandeling - tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 15 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen en\u002Fof door een nekklem aan te leggen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft verzocht om het beroep op noodweer te verwerpen. Indien al uitgegaan zou worden van een noodweersituatie, dan is er volgens de advocaat-generaal geen sprake van een rechtmatige verdediging. De advocaat-generaal heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte kon en moest weglopen en dat niet heeft gedaan, waardoor verdachte is meegegaan in een fysieke confrontatie met aangever.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer en heeft in dat kader vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Volgens de raadsman moest verdachte zich verdedigen tegen de aanval van aangever en heeft verdachte gehandeld binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De raadsman heeft naar voren gebracht dat aangever begon met slaan, waardoor verdachte aangever bij zijn keel heeft gepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn spullen uit de auto wilde halen en handelde uit zelfverdediging nadat aangever begon te slaan. Verdachte erkent dat hij aangever bij zijn keel heeft gepakt, maar ontkent dat hij daarin heeft geknepen. Verdachte betwist ook dat het letsel in de nek van aangever door zijn handelen is ontstaan.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nWettelijk kader noodweer\n\nVooropgesteld dient te worden dat van noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, sprake is indien het strafbare handelen van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Voor de beoordeling daarvan is onder meer van belang of de aan het verweer strekkende tot noodweer ten grondslag liggende feiten en omstandigheden voor het hof aannemelijk zijn geworden.\n\nWat betreft culpa in causa en noodweer(exces) moet het volgende worden vooropgesteld. Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel bij voorbeeld van een wapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456)\n\nFeiten en omstandigheden\n\nIn het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2021, waarin de camerabeelden van dit incident in stills zijn weergegeven en beschreven. Bij de beoordeling van het verweer van de verdediging gaat het hof, op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden en stelt deze vast.\n\nOp 15 oktober 2021 is verdachte, samen met zijn broer - [naam broer] - en een vriend - [naam vriend] - bij het bergingsbedrijf [naam bergingsbedrijf] in [plaats] , omdat de auto van verdachte daar naartoe is gebracht. Verdachte is naar het bergingsbedrijf gekomen om spullen uit zijn auto te halen. Aangever [slachtoffer] is autoberger bij dat bedrijf en geeft aan dat zij even moeten wachten, omdat hij eerst andere klanten moet helpen. Verdachte en de twee anderen zijn het daar niet mee eens en willen direct de spullen uit de auto gaan halen. Vervolgens besluiten zij - tegen de regels van het bedrijf in - om achter aangever aan te lopen richting de loods waar de auto staat. Aangever is met het oog daarop voornemens om de politie te bellen en staat op dat moment in een halletje, waarvan hij de deur sluit. De broer van verdachte - [naam broer] - wil voorkomen dat de deur wordt gesloten, waardoor er bij die deur tussen aangever en [naam broer] een worsteling ontstaat. Door die worsteling is het raam van die deur gebarsten. Verdachte mengt zich vervolgens in die worsteling en op een gegeven moment staat de deur naar buiten weer open. Ondanks dat de deur weer openstaat, blijven verdachte en zijn broer in het halletje staan. Tussendoor is de tevens aanwezige [naam vriend] meerdere keren naar een andere ruimte gelopen. Opnieuw ontstaat er in het halletje een (verhitte) discussie tussen aangever, verdachte en diens broer [naam broer] . Verdachte pakt dan zijn telefoon erbij en besluit deze op aangever te richten om hem te filmen en\u002Fof te fotograferen. In reactie daarop pakt aangever de telefoon uit verdachtes hand en gooit deze weg. Daarna ontstaat er een handgemeen tussen verdachte en aangever, waarbij verdachte aangever bij zijn keel pakt en deze heeft dichtgeknepen. Aangever pakt verdachte vervolgens vast aan zijn kleding bij zijn hals en daarna hebben beiden elkaar vast bij de nek en geeft aangever verdachte een klap. Terwijl aangever slaat, blijft verdachte hem bij zijn nek vasthouden. Verdachte en aangever blijven in een worsteling, totdat [naam vriend] erbij komt en ingrijpt. Vervolgens is verdachte met zijn gezelschap alsnog - tegen de regels en instructies in - de spullen uit de auto gaan pakken en zijn ze vertrokken.\n\nAangever heeft van dit incident aangifte gedaan en had ten gevolge van dit incident last van zijn adamsappel en zichtbaar letsel aan zijn nek, waarvan foto’s zijn opgenomen in het dossier. Ten aanzien van het letsel stelt het hof vast dat het letsel dat aangever heeft opgelopen past bij de hiervoor beschreven handeling van verdachte, waarbij hij aangever bij zijn nek vast pakt. Het hof acht het, mede gelet op de beschrijving van de camerabeelden, niet aannemelijk geworden dat dit letsel door de eerdere worsteling of anderszins is ontstaan.\n\nBeoordeling beroep op noodweer\n\nUit voorgaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat er, nadat een worsteling heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte, een kort moment van relatieve rust is zonder uitoefening van geweld. Vervolgens is het aangever geweest die de telefoon van verdachte afpakt en weggooit. In zoverre is er sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van een goed van verdachte.\n\nVerdachte heeft als reactie op deze gedraging vervolgens aangever bij zijn keel gepakt en deze dichtgeknepen.\n\nMet betrekking tot de vraag of verdachte ten aanzien van deze gedragingen succesvol een beroep kan doen op noodweer overweegt het hof als volgt. Verdachte, zijn broer en vriend luisterden niet naar aangever en hebben zich niet gehouden aan de algemene regels die golden binnen het bedrijf. Op het moment dat verdachtes auto - na berging daarvan - op dat bedrijf staat, is het bedrijf daarvoor verantwoordelijk. Bovendien heeft aangever aanwijzingen gegeven en verdachte en zijn gezelschap gevraagd om even te wachten, waaraan door hen geen gehoor is gegeven. Verdachte wilde zijn spullen uit de auto halen en was niet bereid om daarvoor te wachten. Vervolgens volgden zij aangever naar de andere ruimte en ontstaat er in de hal uiteindelijk een worsteling. Uit het dossier valt af te leiden dat verdachte, samen met de twee anderen, dwingend was in zijn wens om zijn spullen uit zijn auto te halen en ook dat hij weinig boodschap had aan de binnen het bedrijf van aangever geldende regels en de door aangever gegeven instructies. Verdachte had tussendoor ook steeds de gelegenheid om naar buiten te gaan en te wachten maar heeft er desondanks bewust voor gekozen om in het halletje te blijven staan. Op een gegeven moment besluit verdachte dan om aangever - zonder diens toestemming en terwijl aangever in de uitoefening van zijn functie is - met zijn telefoon visueel vast te leggen. Verdachte heeft dat gedaan met de kennelijke wens om aangevers gedrag te sturen en heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook erkend dat hij dat heeft ingezet als een in zijn ogen “legitiem wapen”. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen escalerende handelingen van verdachte zijn geweest, tijdens een al gespannen situatie en nadat er eerder al een worsteling bij de deur heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte. Verdachte heeft daarmee naar het oordeel van het hof willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer ten aanzien van de telefoon uitgelokt.\n\nGelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden, de uiterlijke verschijningsvorm en in het bijzonder de wijze van handelen en het provocerende gedrag van verdachte, is het hof van oordeel dat verdachte zelf een prominent aandeel heeft gehad in zowel het ontstaan als in het laten escaleren van de situatie. Het hof merkt daarbij op dat verdachte de confrontatie eenvoudig had kunnen vermijden door naar de aanwijzingen van aangever te luisteren en rustig (buiten) te wachten totdat hij aan de beurt was, zelfs nog nadat de deur naar buiten weer opnieuw open stond. Verdachte was echter niet bereid om te wachten, luisterde niet en is direct de discussie met aangever aangegaan. Bovendien is verdachte bewust binnen blijven staan en heeft hij - tijdens de al gespannen situatie - zijn telefoon doelbewust als middel ingezet om zijn zin te krijgen en daarmee zelf (en opnieuw) de confrontatie met aangever opgezocht. Naar het oordeel van het hof is er daarom in het onderhavige geval sprake van bijzondere omstandigheden, waarbij de gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het kunnen slagen van een beroep op noodweer. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt en zal dit daarom verwerpen.\n\nConclusie\n\nGelet op voorgaande overwegingen, acht het hof het tenlastegelegde feit - mishandeling - wettig en overtuigend bewezen. Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 15 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer] , door hem bij zijn keel vast te pakken en deze dicht te knijpen. Door aldus te handelen heeft verdachte het slachtoffer pijn en letsel bezorgd. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien versterkt dergelijk handelen de in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid. Het hof merkt daarbij op dat dit feit heeft plaatsgevonden bij een bedrijf, waar aangever - terwijl hij in de uitoefening was van zijn functie - door verdachte is mishandeld. Verdachte had in plaats daarvan naar de aanwijzingen van aangever moeten luisteren en niet zijn zin moeten doordrukken.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 25 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (onder meer) mishandelingen. Dat heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij momenteel fulltime werkzaam is als kok en bezig is met een overstap naar de zorg om als persoonlijk begeleider met jongeren te gaan werken. Verdachte heeft hiervoor een opleiding afgerond en heeft voor de uitoefening van die functie onlangs een ‘Verklaring Omtrent het Gedrag’ (VOG) ontvangen. Verder heeft verdachte naar voren gebracht dat hij een relatie heeft, dat hij geen schulden heeft en dat er geen bijzonderheden zijn met betrekking tot middelengebruik.\n\nTen aanzien van de strafoplegging heeft de raadsman verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, de LOVS-oriëntatiepunten te volgen. De raadsman heeft primair verzocht om een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en subsidiair om aan verdachte een voorwaardelijke geldboete op te leggen.\n\nMet betrekking tot het verzoek van de raadsman om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht overweegt het hof als volgt. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht in deze situatie geen recht doet aan de aard en de ernst van het feit. Het hof zal dat verzoek daarom niet volgen.\n\nVoorts stelt het hof vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is, mede gelet op de op te leggen straf, van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.\n\nAlles afwegende, acht het hof voor dit feit het opleggen van een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door20 (twintig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. G.A. Versteeg, voorzitter,\n\nmr. P.S. Bakker en mr. M.C. van Linde, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.F. Bijlsma, griffier,\n\nen op 8 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:3277","2026-07-13T00:28:47.369Z",{"id":155,"ecli":156,"slug":157,"caseNumber":43,"courtId":158,"decisionDate":159,"fullText":160,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":51,"updatedAt":162},"298","ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","ecli-nl-rbgel-2024-2693",60,"2024-05-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-337531-23; 20-000823-21 (tul)\n\nDatum uitspraak : 3 mei 2024\n\nTegenspraak (art. 279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. T. van Nimwegen, advocaat in Tilburg\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 april 2024.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 310 flessen van 3,3 liter\u002F2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid\n\ndistikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, nu voor de aanwezigheid en het vervoeren van lachgas wettig bewijs ontbreekt. Daartoe voert de officier van justitie aan dat niet kan worden vastgesteld dat het om lachgas gaat nu niet door het NFI is onderzocht welke stof zich in de in het voertuig van verdachte aangetroffen cilinders bevond.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van cocaïne\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten. Daartoe is aangevoerd dat de doorzoeking in het voertuig en de kennisname van de pallets met cilinders en het boterhamzakje met wit poeder onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Bewijsuitsluiting moet daarop volgen, waardoor niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 in ieder geval vrijspraak moet volgen omdat niet kan worden vastgesteld dat in de cilinders lachgas zat, nu geen onderzoek is gedaan naar de daadwerkelijke inhoud van de cilinders.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nRechtmatigheid onderzoekshandelingen\n\nOp 23 september 2023 kwam een melding binnen van een eenzijdig ongeval op de A12 ter hoogte van hectometerpaal 125.0 in Arnhem. Ter plaatse bleek dat een bestelbusje tegen de vangrail stond en dat de bestuurder met gesloten ogen op zijn stoel zat en nergens op reageerde. Toen hij later de ogen opende, kon hij geen antwoord geven op vragen, waarop ambulancepersoneel de verzorging overnam en hem meenam naar het ziekenhuis.\n\nDe verbalisant zag op de bus geen enkele naam aanduiding of een andere indicatie met betrekking tot wat er in de bus vervoerd zou kunnen worden. Vervolgens heeft hij de achterkant van de bus geopend om te kijken of er goederen aanwezig waren en zo ja welke goederen. Vervolgens zag hij twee pallets staan, waarvan de inhoud was ingepakt met zwart plastic met daaromheen witte spanbanden. De pallets waren voorzien van meerdere stickers met daarop een gevarendiamant. Doordat het de verbalisant vanwege zijn ervaring meteen duidelijk was dat het hoogst waarschijnlijk zou gaan om pallets met lachgas flessen, is het vermoeden ontstaan dat zich in de bus verdovende middelen bevonden.\n\nDe vraag is of het openen van de achterdeur van het voertuig en de kennisname van de daarin aangetroffen cilinders en harddrugs rechtmatig is geweest.\n\nIn artikel 3 Politiewet is bepaald dat de politie tot taak heeft de rechtsorde te handhaven en hulp te verlenen aan hen die deze nodig hebben. Nu de bestuurder van het voertuig met de ambulance was afgevoerd, had de politie de zorg over het voertuig. Ter handhaving van de openbare orde kan het voor de politie van belang zijn te weten wat er in het voertuig werd vervoerd. Nu dat aan de buitenkant niet zichtbaar was, heeft de verbalisant de achterdeur geopend. Op het moment van het openen van de achterdeur was nog geen sprake van een doorzoeking, maar het openen van de achterkant van het voertuig valt onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet. Mocht immers blijken dat er gevaarlijke chemicaliën of explosieve stoffen vervoerd zouden worden, moeten direct adequate maatregelen worden genomen om allerlei onheil te voorkomen. Dat is ook de taak van de politie. Na het aantreffen van de twee pallets met een gevarendiamant en de ervaring van de verbalisant is volgens de rechtbank een verdenking ontstaan en heeft men het voertuig kunnen doorzoeken op basis van artikel 96b Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank zal het verweer van de verdediging dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting dan ook afwijzen.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe verbalisant heeft na het aantreffen van de twee pallets een stukje van het plastic opengescheurd en zag de hem ambtshalve bekende kartonnen dozen waarin ‘wegwerp’ lachgas flessen worden verpakt. Ook zag hij twee kartonnen dozen met zwarte ballonnen, die hij herkende als ballonnen die worden gebruikt om met lachgas te vullen. In totaal zijn er 310 cilinders met vermoedelijk lachgas in het voertuig aangetroffen.\n\nDe inhoud van de cilinders is niet onderzocht door het NFI en verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de in zijn voertuig aangetroffen cilinders. Noch is onderzoek gedaan naar de fabrikant van de cilinders\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een enkele ambtshalve herkenning van de cilinders als lachgascilinders door verbalisant, zonder enig nader onderzoek en zonder een verklaring van verdachte dat het lachgas betreft, onvoldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs te komen dat zich in de cilinders lachgas bevond. De cilinders kunnen immers ook leeg zijn of op een later moment gevuld met een andere substantie.\n\nDe rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 11-12;\n\n- het rapport NFiDENT van 13 november 2023, p. 20;\n\n- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 41-42;\n\nNadere bewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken nu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in die zin dat de doorzoeking onrechtmatig heeft plaatsgevonden.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat het openen van de achterkant van het voertuig in onderhavig geval onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet valt. Door het zoekend rondkijken in het voertuig is vervolgens een verdenking ontstaan dat zich in het voertuig verdovende middelen bevonden. Daartoe is het hele voertuig doorzocht en is in de linker portier een boterhamzakje met wit poeder aangetroffen.\n\nDe rechtbank is – mede gelet op het hiervoor overwogene – van oordeel dat de doorzoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden en verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nDe rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van 6,05 gram van een materiaal bevattende cocaïne.\n\nDe rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n2.\n\nhij op of omstreeks23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fofheeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nEr is sprake van eendaadse samenloop, nu het vervoeren en aanwezig hebben dezelfde cocaïne betreft, op dezelfde plaats en tijd is geschied en hetgeen is strafbaar gesteld in artikel 2, onder B en C van de Opiumwet dezelfde strekking heeft.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\neendaadse samenloop van\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod\n\nen\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van 6,05 gram cocaïne. Ook heeft hij verklaard dat hij sinds kort cocaïne gebruikt. Het is algemeen bekend dat harddrugs in het algemeen zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door in het bezit te raken van harddrugs.\n\nDe rechtbank heeft gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor delicten van de Opiumwet. De rechtbank merkt op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 18 maart 2024. Het is de reclassering niet gelukt om met verdachte in contact te komen. De reclassering maakt op basis van de beschikbare gegevens de inschatting dat verdachte gebaat zou kunnen zijn bij begeleiding\u002Fbehandeling van een forensisch FACT-team van Fivoor. Tijdens het traject dient er aandacht te zijn voor het middelengebruik en het stabiliseren van criminogene leefgebieden. De reclassering adviseert daarom een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling\u002Fbegeleiding.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het vervoeren van 0 tot 10 gram harddrugs wordt doorgaans een taakstraf voor de duur van 30 uren opgelegd.\n\nGelet op het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf niet passend is. Verdachte liep nog in een proeftijd toen hij het feit pleegde en de reclassering heeft geen contact met hem kunnen krijgen. Zij adviseren bijzondere voorwaarden, maar verdachte heeft via zijn raadsman te kennen gegeven daar niet aan mee te willen werken. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en zal dat aan verdachte opleggen.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 20-000823-21)\n\nHet gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 17 juni 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van deze straf.\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. Er zijn geen redenen om dat niet te doen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstrafvoor de duur vanéén (1) maand;\n\nVordering na voorwaardelijke veroordeling\n\n beveelt de tenuitvoerlegging van de op 17 juni 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand(parketnummer 20-000823-21).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2024.\n\nmrs. W. Bruins en A.J.H. Steenweg zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023440563, gesloten op 5 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","2026-07-13T00:28:23.279Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":167,"fullText":168,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":169,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":51,"updatedAt":171},"797","ECLI:NL:RBDHA:2024:6009","ecli-nl-rbdha-2024-6009","2024-04-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 71\u002F098061-22\n\nDatum uitspraak: 26 april 2024\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte] ,\n\n geboren op [geboortedag 1] 1993 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nInhoud\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting22. De tenlastelegging23. Inleiding en opsporingsonderzoek54. Bevoegdheid van de rechtbank en rechtsmacht55 De beoordeling van de tenlastelegging65.1.. Het standpunt van de officier van justitie 65.2.. Het standpunt van de verdediging 65.3.. Feitelijke vaststellingen en tussenconclusies 65.4.. Ten aanzien van feit 1 – plundering 125.5.. Ten aanzien van feit 2 – deelname aan terroristische organisatie 145.6.. Ten aanzien van feit 3 – voorbereidingshandelingen 175.7.. Ten aanzien van feiten 4 en 5 – bedreiging met terroristisch misdrijf 185.8.. De bewezenverklaring 216. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde237. De strafbaarheid van de verdachte238 De strafoplegging238.1.. De vordering van de officier van justitie 238.2.. Het standpunt van de verdediging 248.3.. Het oordeel van de rechtbank 249 De vorderingen van de benadeelde partijen299.1.. Het standpunt van de officier van justitie 309.2.. Het standpunt van de verdediging 309.3.. Het oordeel van de rechtbank 3010. De toepasselijke wetsartikelen3111 De beslissing33\n\nBijlage37\n\nBewijsmiddelenoverzicht 37\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 juli 2022 (pro forma), 1 maart 2024 (inhoudelijke behandeling) en 12 april 2024 (sluiting van het onderzoek).\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie\n\nmr. G. Sannes en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouwen mr. M.C. Levy en mr. A.M.S. Jumelet naar voren is gebracht.\n\nVoorts heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en hun raadsman mr. R.A. Korver naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 maart 2024 - ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nzij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 april\n\n2014 tot en met 30 november 2016 te Atme en\u002Fof Tallabyad en\u002Fof Raqqa, althans (op\n\néén of meer plaatsen) in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nin verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van\n\nSyrië, een stad of plaats heeft geplunderd,\n\ndoor in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 30 april 2014 in Atme het toe-eigenen van een huis en andere eigendommen, zoals matrassen, pannen en een kookplaat, zonder toestemming van de eigenaar(s), met de intentie deze voor zichzelf en\u002Fof voor anderen te gebruiken en met de intentie de eigenaar(s) te onteigenen,\n\nen\u002Fof\n\ndoor in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 januari 2015 in Tallabyad, het toe-eigenen van een huis met dakterras, en andere eigendommen, waaronder bankstellen, matjes en een koelkast, zonder toestemming van de eigenaar(s), met de intentie deze voor zichzelf en\u002Fof voor anderen te gebruiken en met de intentie de eigenaar(s) te onteigenen, en\u002Fof\n\ndoor in of omstreeks de periode van 1 februari 2015 tot en met 30 november 2016 in Raqqa het toe-eigenen van huizen, zoals het zogenaamde ‘verfhuisje’, de flatwoning bij het grote blauwe ziekenhuis en de woning in de villawijk, en andere eigendommen, zoals een bank, stoelen en kastjes, zonder toestemming van de eigenaar(s), met de intentie deze voor zichzelf en\u002Fof voor anderen te gebruiken en met de intentie de eigenaar(s) te onteigenen;\n\n2.\n\nzij in of omstreeks de periode van 16 maart 2014 tot en met 5 januari 2018 in een of\n\nmeer plaats(en) in Syrië en\u002Fof Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie, te weten Islamitische Staat\n\n(IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and\n\nLevant (ISIL), althans (telkens) een aan IS gelieerde organisatie, althans (een)\n\norganisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie tot oogmerk\n\nhad en\u002Fof heeft het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijke brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl\n\ndaarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel\n\nen\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten\n\ngevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met\n\neen terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel\n\n289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot\n\neerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof 96 lid 2\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de\n\ncategorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en\n\nmunitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een\n\nterroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in\n\nartikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie);\n\n3.\n\nzij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2013 tot en met 5 januari 2018 in een\n\nof meer plaats(en) in Nederland, en\u002Fof in Syrië en\u002Fof in Irak, tezamen en in vereniging met een of andere, althans alleen, met het oogmerk om ter voorbereiding en\u002Fof ter bevordering van de\u002Fhet (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl\n\ndaarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel\n\nen\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten\n\ngevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met\n\neen terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\n- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel\n\n289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht)\n\n- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of\n\nmede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid,\n\nmiddelen of inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich\n\nof aan anderen heeft verschaft en\u002Fof\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd zijn tot het\n\nplegen van het misdrijf,\n\nimmers heeft\u002Fhebben zij, verdachte, en\u002Fof haar mededader(s)\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met\n\neen terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals\n\nIslamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of\n\nIslamic State of Iraq and Levant (ISIL) althans een aan voornoemde organisatie(s)\n\ngelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een) organisatie die de gewapende\n\nJihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en\u002Fof\n\nB. zich laten informeren over het afreizen naar Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof het aansluiten\n\nbij de terroristische organisatie IS\u002FISIS\u002FISIL en\u002Fof\n\nC. de reis gemaakt naar Syrië en\u002Fof Irak ten behoeve van het zich begeven naar het\n\nstrijdgebied aldaar en\u002Fof zich te voegen bij de terroristische organisatie IS\u002FISIS\u002FISIL\n\nen\u002Fof\n\nD. deelgenomen aan ideologische en gevechtstrainingen van de terroristische\n\norganisatie IS\u002FISIS\u002FISIL ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd in Syrië en\u002Fof\n\nIrak en\u002Fof\n\nE. zich gevoegd bij één of meer mededader(s) en\u002Fof IS\u002FISIS\u002FISIL strijder(s), althans\n\nperso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie die de gewapende\n\nJihadstrijd voorstaat en\u002Fof is zij (op Islamitische wijze) (een) huwelijk(en)\n\naangegaan met een of meer IS\u002FISIS\u002FISIL strijder(s), althans (een) perso(o)n(en) die\n\n(eveneens) deelnam(en) aan een terroristische organisatie die de gewapende\n\nJihadstrijd voorstaat en\u002Fof\n\nF. in Syrië en\u002Fof Irak deelgenomen en\u002Fof bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd\n\ngevoerd door de terroristische organisatie IS\u002FISIS\u002FISIL, althans aan IS\u002FISIS\u002FISIL\n\ngelieerde terroristische organisaties, althans (een) terroristische organisatie die de\n\ngewapende Jihadstrijd voorstaat,\n\nG. zich (middels internet\u002Fsocial mediakana(al(en)\u002Fmediaplatform(s)) geuit en\u002Fof\n\nmet (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat\u002Fgecommuniceerd en\u002Fof berichten en\u002Fof\n\nafbeeldingen geplaatst en\u002Fof gedeeld, met betrekking tot en\u002Fof inhoudende (onder\n\nmeer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en\u002Fof (pro)IS-gerelateerde content,\n\nH. (vuur)wapens en\u002Fof een bomgordel gebruikt en\u002Fof gedragen en\u002Fof voorhanden gehad,\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof\n\nhet teweegbrengen van ontploffingen wordt gepleegd, telkens met een terroristisch\n\noogmerk;\n\n4.\n\nzij op of omstreeks 9 januari 2015 te Syrië en\u002Fof Nederland [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door op\u002Fvia het (openbaar toegankelijke Twitteraccount ‘ [account 1] ’ een bericht (tweet) te plaatsen, welk bericht een foto van een AK 47, althans een (semi)automatisch vuurwapen bevat en waarbij de tekst vermeld staat: “Voorbereidingen treffen om @ [naam 9] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”;\n\n5.\n\nzij in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 mei 2015 te Syrië en\u002Fof\n\nNederland [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans enig\n\nmisdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door met het Facebookaccount [account 2] een bericht (post) op de openbare tijdlijn van de\n\nFacebookpagina van [benadeelde partij 2] te plaatsen, welk bericht een foto van\n\neen AK 47, althans een (semi)automatisch vuurwapen bevat en waarbij de volgende\n\ntekst(en) vermeld staan: - “Hoe kom je aan onze profielen? Aan alle info? Het is dat je niet om de hoek bent, anders kwam ik wel eventjes met mijn ak-47 op je af lopen. Ja en dit is een dreigement lelijke nakomeling van de apen en zwijnen. Jou kop zou ik ook maar al\n\nte graag willen laten rollen. Lelijk wijf bah.”; - “Staat met smart op jou te wachten. Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account En verwijder je uit onze lijsten”.3. Inleiding en opsporingsonderzoek\n\nOp 16 maart 2014 heeft de stiefmoeder van de verdachte haar bij de politie als vermist opgegeven, omdat zij vermoedde dat zij naar Syrië was vertrokken. De politie is vervolgens een opsporingsonderzoek gestart, hetgeen geresulteerd heeft in het onderzoek 26Chico.\n\nVaststaat dat de verdachte van 17 maart 2014 tot 1 januari 2018 in Syrië heeft verbleven, waarna zij naar Turkije is gereisd. In Turkije is de verdachte aangehouden en in eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie. Deze veroordeling is niet onherroepelijk. De verdachte heeft in Turkije in detentie gezeten. Enige tijd nadat zij in vrijheid is gesteld is zij in Turkije in vreemdelingendetentie geplaatst en op 19 november 2019 onder begeleiding van de Koninklijke Marechaussee van Istanbul naar Nederland gevlogen en aangehouden.\n\nDeze strafzaak, gebaseerd op het onderzoek 26Chico, is op 27 februari 2020 aangebracht bij de rechtbank Rotterdam. Na een wijziging van de tenlastelegging – de tenlastelegging werd uitgebreid met het oorlogsmisdrijf ‘plundering’ – heeft de rechtbank Rotterdam zich, gelet op artikel 15 Wet internationale misdrijven (hierna ook: Wim), onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de ten laste gelegde feiten. De zaak is vervolgens op 8 juli 2022 aangebracht bij de rechtbank Den Haag.\n\n4. Bevoegdheid van de rechtbank en rechtsmacht\n\nDe rechtbank Den Haag is ingevolge artikel 15 Wim bevoegd kennis te nemen van de ten laste gelegde misdrijven.\n\nDe verdachte wordt onder meer verweten dat zij in de periode van 2014 tot en met 2016 betrokken is geweest bij het oorlogsmisdrijf plundering in Syrië. Dit feit is strafbaar gesteld in de Wim. Krachtens artikel 2, eerste lid, onder c, Wim is de Nederlandse strafwet van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan misdrijven uit die wet. Nu de verdachte gedurende de gehele ten laste legde periode de Nederlandse nationaliteit bezat, berust de rechtsmacht voor dit feit op de hiervoor genoemde bepaling.\n\nDe verdachte wordt ook, kort gezegd en voor zover thans van belang, verweten - onder feit 2 - dat zij in de periode van 16 maart 2014 tot 5 januari 2018 in Syrië en\u002Fof Irak heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie met het oogmerk om terroristische misdrijven te plegen. De verdenking beslaat vijf onderdelen (A t\u002Fm E).\n\nAnders dan voor onderdelen A-D volgt voor onderdeel E de rechtsmacht niet uit een verdragsverplichting tot het vestigen van rechtsmacht ex artikel 6 Sr. Ten aanzien van de rechtsmacht voor onderdeel E overweegt de rechtbank het volgende.\n\nOp grond van artikel 7 en artikel 5 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) is de Nederlandse strafwet van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.\n\nDe rechtbank kan niet vaststellen of de Irakese wetgeving straf stelt op de aan de verdachte, die de Nederlandse nationaliteit heeft, in de tenlastelegging verweten gedraging onder E. In zoverre is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 7, onder 1, Sr en ontbreekt de rechtsmacht op grond van deze bepaling.\n\n5. De beoordeling van de tenlastelegging\n\n5.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde en met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde tot vrijspraak van de onder D ten laste gelegde gedragingen.\n\nOp specifieke standpunten zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.\n\n5.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het de periode betreft dat de verdachte met [naam 1] (hierna ook: [naam 1] ) getrouwd was. Voor de overige periode dient zij te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde dient de verdachte te worden vrijgesproken van de onder D en F ten laste gelegde gedragingen.\n\nOp specifieke standpunten zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.\n\n5.3.. Feitelijke vaststellingen en tussenconclusies\n\nDe rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengegeven feiten en omstandigheden. Op grond van deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.\n\n5.3.1.. \n\nVoorbereiding uitreis naar Syrië\n\nIn augustus 2013 is de verdachte bekeerd tot de Islam en heeft zij ‘Imane’ als islamitische naam aangenomen. Vlak voor en na haar bekering heeft de verdachte om informatie te vergaren verschillende zoekslagen gedaan op Google, waaronder:\n\n\"trouwen met een broeder\" op 15-08-2013,\n\n\"leden van de sharia 4 belgium\" op 12-10-2013,\n\n\"mujahideen\" op 17-11 -2013,\n\n\"women muhajideen\" op 17-11-2013,\n\n\"Mufti lsmail Menk\" op 26-11-2013,\n\n\"hadith over trouwen\" op 01-12-2013,\n\n\"niqaab sisters\" op 04-01-2014,\n\n\"who is Abu Al-Yazeed\" op 20-01-2014,\n\n\"salifi moskee den haag\" op 20-01-2014,\n\n\"hadith over huwelijk\" op 21-01-2014,\n\n\"landen waar sharia wordt toegepast\" op 26-01-2014,\n\n\"jezelf opblazen\" op 09-02-2014,\n\n\"anwar al awlaki lectures\" op 06-02-1014,\n\n\"kalashnikov\" op 10-02-1014,\n\n\"sjiieten ontmaskerd\" op 11-02-2014.\n\nOp de computer van de verdachte zijn bij de “Facebook pictures” verschillende foto’s aangetroffen, waaronder een foto van de vlag van IS (afkorting voor Islamitische Staat), een foto van een groep vrouwen in een zwarte boerka met geweren in hun hand en een foto van een groep vrouwen in een zwarte boerka met vlaggen van IS. De verdachte heeft verklaard dat zij op YouTube meerdere lezingen van Mufti Ismail Menk, een salafistische prediker, heeft bekeken.\n\nDe verdachte heeft haar bekering in augustus 2013 op Facebook bekendgemaakt waarna zij veel nieuwe Facebookcontacten heeft gekregen. Eén van deze contacten betrof [naam 2] . De verdachte en [naam 2] hebben na hun kennismaking via Facebook meermalen afgesproken. De verdachte en [naam 2] spraken tijdens hun ontmoetingen onder meer over de Islam en de verschillende stromingen daarbinnen. Zo had [naam 2] de verdachte verteld over een overlevering die inhoudt dat de overwinnaars op de dag des oordeels in Syrië samenkomen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat deze overlevering haar aansprak. [naam 2] heeft de verdachte op het idee gebracht om naar Syrië uit te reizen en heeft de verdachte in contact gebracht met [naam 1] , omdat een ongetrouwde vrouw niet alleen zou mogen (uit)reizen. De verdachte en [naam 1] hebben vervolgens via Skype contact gehad en zijn drie dagen na hun kennismaking via Skype islamitisch getrouwd. De verdachte had [naam 1] toen zij trouwde enkel op een foto gezien. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij met [naam 1] was getrouwd zonder hem verder te leren kennen, omdat het in de islam zo werkt, zij zich op haar geloof had gericht en daar vertrouwen in had.\n\nTer voorbereiding op haar reis naar Syrië heeft de verdachte een soort actielijst gemaakt waarop stond ‘wachten op pasje bank’, ‘geld opzetten’, ‘vertrekken zsm’, ‘spullen inpakken’ en ‘spiraaltje bellen eruit’. In ditzelfde schriftje staan ook de teksten ‘woensdag vertrek ik’, ‘ [naam 1] lekkerding van me’ en ‘ [naam 14] & [naam 11] ’. Om haar uitreis te betalen heeft de verdachte haar camera verkocht. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij haar spiraaltje heeft laten verwijderen, omdat [naam 1] tegen haar had gezegd dat hij kinderen wilde en dat dit een verplichting was.\n\nDe verdachte is vervolgens op woensdag 12 maart 2014 naar Syrië vertrokken, waar zij op 17 maart 2014 aankwam. [naam 1] heeft de verdachte met de auto bij de Turks-Syrische grens opgehaald. Op de achterbank van de auto lag een kalasjnikov.\n\n5.3.2.. \n\nVerblijf in Syrië\n\nDe verdachte heeft verklaard dat zij zich gedurende haar huwelijk met [naam 1] hield aan de regels die gesteld werden. Zij accepteerde alles wat er over IS werd gezegd en stond achter de shariaregels die IS handhaafde. De verdachte zag iedereen die niet tot IS behoorde als haar vijand en vond het terecht dat mensen die zich niet aan de regels hielden werden gestraft. Haar taak was het zorgen voor [naam 1] en het krijgen van kinderen. De verdachte heeft verklaard dat zij in de tijd dat zij samen met [naam 1] in IS-gebied woonde, werden gefinancierd door IS. [naam 1] kreeg maandelijks geld en daar onderhield hij haar en zijn andere vrouwen van. In Tallabyad kreeg [naam 1] honderd euro per persoon en in Raqqa vijftig euro per persoon. De verdachte heeft, nadat [naam 1] was overleden, in haar rouwperiode ook geld ontvangen van IS.\n\nDe verdachte heeft in Syrië in verschillende plaatsen gewoond. [naam 1] heeft de verdachte na aankomst meegenomen naar zijn huis in Teftenaz, waar zij twee à drie weken heeft verbleven. Vervolgens is de verdachte verhuisd naar Atme waar zij van april 2014 tot mei 2014 heeft gewoond. Daarna heeft de verdachte van mei 2014 tot februari 2015 in Tallabyad gewoond. In de periode dat de verdachte in Tallabyad verbleef is [naam 1] getrouwd met zijn tweede vrouw, [naam 3] (hierna ook: [naam 3] ). [naam 3] is in november 2014 bij de verdachte en [naam 1] komen wonen. Vervolgens zijn de verdachte, [naam 1] en [naam 3] in Raqqa gaan wonen. De verdachte heeft tot december 2016 in Raqqa in verschillende huizen gewoond. [naam 1] is in de tijd dat zij in Raqqa woonden ook getrouwd met [naam 4] en [naam 5] . [naam 1] is in december 2016 omgekomen door een door hem uitgevoerde zelfmoordaanslag.\n\nNa het overlijden van [naam 1] en het doormaken van de iddah (de rouwperiode) is de verdachte op 29 april 2017 islamitisch getrouwd met [naam 6] , ook bekend onder de naam [naam 7] , (hierna ook: [naam 6] ). De verdachte is via het IS-trouwkantoor in contact gekomen met [naam 6] . [naam 6] stond in een trouwboek met beschikbare mannen. De verdachte heeft met [naam 6] in Raqqa en Mayadeen gewoond. De verdachte is met [naam 6] naar Turkije gevlucht en is daar op 1 januari 2018 aangekomen. Vervolgens is zij op 5 januari 2018 aangehouden door de Turkse autoriteiten.\n\nDat de verdachte ook gedurende haar huwelijk met [naam 6] achter de denkwijze van IS stond, volgt uit het whatsappgesprek dat zij op 26 mei 2017 met haar moeder [moeder] had. In dit whatsappgesprek zegt de verdachte immers dat zij als moslima verplicht is om onder een Islamitische Staat te leven en dat deze er in Syrië is.\n\n5.3.3.. \n\nT.a.v. de partners van de verdachte\n\n [naam 1]\n\n is op 10 december 2015 door de rechtbank Den Haag bij verstek veroordeeld wegens het voorbereiden\u002Fbevorderen\u002Fdeelnemen aan misdrijven met een terroristisch oogmerk. De rechtbank overwoog dat [naam 1] was afgereisd naar Syrië en zich aldaar had aangesloten bij ISIL\u002FISIS, Jahbat al-Nusra en later – na de naamswijziging van ISIL op 29 juni 2014 – bij IS.\n\nAnders en eerder dan de verdachte heeft verklaard ten aanzien van het lidmaatschap van [naam 1] van IS, heeft [naam 3] op 17 november 2014 in een whatsapp-gesprek gezegd dat zij verblijft in IS-gebied en dat haar man elke maand geld krijgt. Ook is alles gratis volgens [naam 3] omdat [naam 1] vecht voor IS. De ouders van [naam 3] hebben op 4 maart 2015 tegen de politie gezegd dat [naam 3] getrouwd is met [naam 1] en dat [naam 1] reeds twee jaar bij IS zou zitten. [naam 3] had tegen haar familie gezegd dat zij in Raqqa woonde en dat [naam 1] vanaf daar als strijder telkens voor een paar dagen naar het slagveld ging om te vechten.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [naam 1] binnen IS emir was, hij was verantwoordelijk voor een groep mannen die vochten voor IS. Nadat [naam 1] gewond was geraakt, heeft hij zich bezig gehouden met het plannen van droneaanvallen. [naam 1] had aanvankelijk één vuurwapen, maar had er uiteindelijk twee. Een van deze vuurwapens betrof een kalasjnikov met een witte cirkel en zwarte strepen erop, aldus de verdachte. In de tijd dat de verdachte samen met [naam 1] woonde, had [naam 1] op enig moment ook een bomgordel in hun woning liggen. Deze bomgordel had de verdachte samen met een kalasjnikov van [naam 1] na zijn dood geërfd.\n\n [naam 6]\n\nBlijkens een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna ook: AIVD) is [naam 6] omstreeks juli 2015 uitgereisd naar door IS gecontroleerd gebied. [naam 6] heeft zich volgens de AIVD aangesloten bij IS en deelgenomen aan de gewapende strijd.\n\nDe politie heeft onderzoek gedaan naar [naam 6] op Facebook. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2019 waren er op 5 februari 2017 op de tijdlijn van het Facebookaccount Abou Khataab Zizo verschillende foto’s van [naam 6] geplaatst. Ook betrof de profielfoto een foto van [naam 6] . De verbalisant herkende [naam 6] aan zijn uiterlijk. Op deze foto’s zag de verbalisant [naam 6] met twee kalasjnikovs en om zijn lichaam hingen munitiegordels. Op twee andere foto’s was [naam 6] te zien in gevechtskleding, waaronder een zogenaamd combatvest. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de kunya van [naam 6] [naam 14] was.\n\nOok heeft de politie vastgesteld dat [naam 6] te zien is in de documentaire “De Lokroep”. [naam 6] is geïnterviewd en dit interview is in de derde aflevering van bovengenoemde documentaire te zien. De politie heeft deze aflevering bekeken en beschrijft in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 april 2020 dat in de aflevering meerdere foto’s worden getoond. Op één van deze foto’s staat [naam 6] afgebeeld met een automatisch vuurwapen en poseert hij voor een IS-vlag. Ook wordt blijkens het proces-verbaal een foto van [naam 6] getoond waarop hij gekleed is in een blauwe overal en hij te midden van een groep mannen zit die allemaal in een groen “uniform” waren gekleed. Een aantal van deze mannen maakt het “Tahweed-gebaar” met hun wijsvinger. De verbalisant verklaart dat dit gebaar veelvuldig wordt gebruikt door poserende IS-strijders. Verder verklaart de verbalisant dat uit de positie van [naam 6] en de afwijkende kleding die hij draagt ten opzichte van de overige groepsleden valt af te leiden dat hij mogelijk een leidinggevende rol had binnen deze groep.\n\nOp 26 januari 2018 is door het Turkse nieuwsbureau YeniKapiHaber6 een artikel geplaatst. Blijkens dit artikel heeft [naam 6] in zijn verklaring bij de Afdeling Terrorismebestrijding verklaard dat hij gedurende de twee jaren die hij bij IS had doorgebracht de codenaam [codenaam] had gebruikt.\n\nGelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat [naam 6] in ieder geval in de periode vóór zijn huwelijk met de verdachte streed voor IS.\n\n5.3.4.. \n\nKennisvergaring gedurende verblijf in Syrië\n\nTijdens haar verblijf in Syrië heeft de verdachte zich onder andere beziggehouden met het vergaren van kennis over haar geloof en over het gewelddadig salafisme en de jihad. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij in Syrië heeft geleerd dat bloedvergieten is toegestaan als het gaat om ongelovigen, geweld tegen sjiieten legitiem is, takfir is toegestaan, aanslagen plegen is toegestaan, en dat de regels enkel moeten worden afgeleid uit de koran en de soenna. Deze kennis heeft de verdachte onder andere verkregen van de vrouwen die de verdachte in Syrië had ontmoet, waaronder [naam 5] (de vierde vrouw van [naam 1] ) en [naam 6] . Ook heeft de verdachte kennis opgedaan via de laptop van [naam 1] . De verdachte heeft blijkens haar verklaring het volgende op de laptop bestudeerd:\n\nde tenietdoeners van Abdul Wahhab;\n\nlezingen over de Tahwid van Ahmed Jibril;\n\nde Tawhid ur-Roeboebiyyah, Tawhid ul-Oeloehiyyah en Tawhid ul-Asmaa was Sifaat;\n\nde drie fundamenten van Abdulwahhab;\n\nlezingen van de salafistische predikers Al-Fawzaan en Aboe Ismail.\n\n5.3.5.. \n\nBedreiging [benadeelde partij 1]\n\nOp 9 januari 2015 heeft een persoon die zich op Twitter uitgeeft als [account 1] de volgende tweet geplaatst: “Voorbereidingen treffen om @ [naam 9] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”. Aan deze tweet was een foto toegevoegd waarop een vuurwapen en meerdere reisdocumenten te zien zijn. [naam 9] is het Twitteraccount van de journalist [benadeelde partij 1] (hierna ook: [benadeelde partij 1] ). [benadeelde partij 1] heeft op 30 juni 2020 aangifte gedaan van bedreiging. In haar aangifte heeft zij verklaard dat zij de tweet direct had gezien en zich toen zeer bewust was van de ernst van de situatie en van de vrees dat iemand haar van het leven zou willen beroven.\n\nDe politie heeft vastgesteld dat het vuurwapen dat op de foto staat afgebeeld een\n\n(semi-)automatisch vuurwapen betreft, namelijk een AK47. De houten kolf van het vuurwapen is voorzien van een witte stip met twee zwarte tekens. De verdachte heeft verklaard dat zij het afgebeelde vuurwapen herkent als het vuurwapen van [naam 1] .\n\n5.3.6.. \n\nBedreiging [benadeelde partij 2]\n\n (hierna ook: [benadeelde partij 2] ) heeft op 17 juli 2020 aangifte gedaan van bedreiging. [benadeelde partij 2] is journalist en heeft verklaard dat zij een artikel heeft geschreven waarin zij de kunya van een Nederlandse jihadist genaamd [naam 10] , de broer van [naam 1] , heeft genoemd. De betreffende jihadist was hierover kwaad geworden en daarna heeft de aangeefster onder andere berichten van [account 2] ontvangen. Eind 2014\u002Fbegin 2015 heeft een persoon die zich op Facebook uitgeeft als [account 2] meerdere berichten geplaatst op de openbare tijdlijn van [benadeelde partij 2] , namelijk:\n\n“Hoe kom je aan onze profielen? Aan alle info? Het is dat je niet om de hoek bent, anders kwam ik wel eventjes met mijn ak-47 op je af lopen. Ja en dit is een dreigement lelijke nakomeling van de apen en zwijnen. Jou kop zou ik ook maar al te graag willen laten rollen. Lelijk wijf bah”;\n\n“Eerst contacteer je me familie voor interview dit dat, en dan ga je undercover te werk”;\n\n“Staat met smart op jou te wachten Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account”;\n\n“En verwijder je uit onze lijsten.”\n\nNaast bovenstaande berichten had de gebruiker van het Facebookaccount [account 2] op de tijdlijn van [benadeelde partij 2] een foto geplaatst van een vuurwapen. De politie heeft vastgesteld dat het vuurwapen dat op de foto staat afgebeeld het uiterlijke voorkomen heeft van een (semi-)automatisch vuurwapen, namelijk een AK47.\n\n [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij door de berichten bang en angstig was geworden, nu in diezelfde periode - te weten eind 2014 - veel journalisten door IS werden onthoofd.\n\n5.3.7.. \n\nSociale media\n\nDe AIVD heeft een ambtsbericht opgesteld met betrekking tot de verdachte. In dit ambtsbericht is opgenomen dat de verdachte in ieder geval in het begin van 2015 gebruik maakte van de Twitteraccounts @ [account 3] en @ [account 4] . De rechtbank stelt aan de hand van de bijlage bij het ambtsbericht vast dat de profielnaam van het account @ [account 3] [naam 11] is en dat de profielnaam van het account @ [account 4] The Real [naam 11] betreft. Ook is opgenomen dat de verdachte eind 2014 en begin 2015 gebruikmaakte van het Facebookaccount [naam 12] en eind 2014 zeer waarschijnlijk van het Facebookaccount [naam 11] .\n\nDe verdachte heeft verklaard dat het Twitteraccount [naam 11] van haar is. Op het Twitteraccount zijn de volgende tweets geplaatst:\n\n“The love of Jihad, till martyrdom do us part zawji”; en\n\n“Van een leuk leventje onder de Islamitische Staat thee drinken met moi, kennis opdoen. Naar daarul kufar in de cel o.O.”\n\nOok heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat het Twitteraccount [account 1] van haar is.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verdachte de gebruiker is van het Facebookaccount [naam 11] . Tot dit oordeel komt de rechtbank op grond van het volgende. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij in Syrië [naam 11] heette. Blijkens de informatie die bij het Facebookaccount staat vermeld woont de gebruiker van het account in Raqqa en komt die persoon uit Apeldoorn. De verdachte heeft in Raqqa en Apeldoorn gewoond. Uit het proces-verbaal Onderzoek Facebook d.d. 10 juli 2014 volgt verder dat iemand met dezelfde achternaam als de verdachte heeft gereageerd op een foto.\n\nOp de tijdlijn is blijkens een screenshot van het Facebookaccount [naam 11] op 6 juli 2014 het volgende bericht geplaatst:\n\n“Abu Bakr radi Allahu 'anhu zei bij zijn eerste toespraak als khalief: \"Oh mensen, mij werd gezag over jullie gegeven, maar ik ben niet de beste van jullie. Als ik het goed doe, ondersteun me dan en als ik iets verkeerd doe, verbeter me dan. Waarheid is trouw en liegen is bedriegerij. De zwakke onder jullie, zal sterk in mijn ogen zijn totdat ik zijn rechten verzeker, In Shaa Allah; en de sterke onder jullie, zal zwak in mijn ogen zijn totdat ik de rechten van anderen van hem afpers, In Shaa Allah. Als een volk de Djihaad voor de zaak van Allah opgeeft, zal Allah hen met vernedering straffen. En als de vuile woorden doordringen tot een volk, zal Allah hun met rampen bezoeken. Gehoorzaam mij zolang ik Allah gehoorzaam en als ik ongehoorzaam ben aan Allah en Zijn boodschapper dan ben je me geen gehoorzaamheid verschuldigd. Sta op voor de Salaat, moge Allah medelijden met jullie hebben.\"\n\nDe rechtbank stelt voorts vast dat de verdachte de gebruiker is van het Facebookaccount [naam 12] . Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De AIVD heeft in het hierboven genoemde ambtsbericht vermeld dat de verdachte eind 2014 en begin 2015 gebruikmaakte van het Facebookaccount [naam 12] . De politie heeft nader onderzoek gedaan naar dit account, waaruit volgt dat de geboortedatum van de gebruiker van het account overeenkomt met de geboortedatum van de verdachte. Voorts heeft de moeder van de verdachte op 27 januari 2015 berichten geplaatst op de tijdlijn van dit account, namelijk “Hou van jou dikke kusssssssss mamma xxx” en “Kind van mij in je tuin groeit onkruid kind van mij ik ik heb dit niet geplant.”\n\nOp de tijdlijn van het Facebookaccount [naam 12] zijn blijkens het relaas van de politie d.d. 18 januari 2022 op 23 november 2014 en 5 januari 2015 de volgende berichten geplaatst:\n\n\"Wij van #IS wensen de NL soldaten van harte welkom in 2015!\". De politie heeft beschreven dat bij dit bericht een foto van een vermoedelijke executie wordt getoond;\n\n\"Dawlah heeft helicopters uit de lucht geschoten!! Takbier!!!!! Dawlatul Islam Baqiyah Bi lndi Allah ...\" De zinssnede “Dawlatul Islam Baqiyah Bi lndi Allah” is vertaald en betekent \"De Islamitische Staat zal blijven bestaan met de toestemming van Allah\".\n\nEen spotprent waarin IS als 'mujahidin defending ummah' vermanend worden toegesproken en wordt aangeduid als 'takfiri's';\n\nEen afbeelding van een colonne van IS voertuigen met de tekst \"the dogs bark, but the caravan moves on\" met als bijschrift \"Baqiyah Baqiyah Baqiyah Bi lndi Allah\".\n\n5.4.. Ten aanzien van feit 1 – plundering\n\nInleiding\n\nOnder feit 1 wordt de verdachte verweten zich, al dan niet in vereniging met anderen, te hebben schuldig gemaakt aan plundering. Zij zou in de periode 1 april 2014 tot en met 30 november 2016 in de Syrische plaatsen Atme, Tallabyad en Raqqa woningen en andere eigendommen (i.c. huisraad) hebben geplunderd.\n\nDe tenlastelegging is toegesneden op artikel 6, derde lid, onder e, Wim dat het plunderen van een stad of plaats strafbaar stelt. Deze bepaling weerspiegelt artikel 8, tweede lid, onder e (v), van het Statuut van Rome. In dat artikel wordt plundering (‘pillaging’) aangemerkt als oorlogsmisdrijf.\n\nJuridisch kader\n\nIn de Wim is plundering niet nader omschreven. De rechtbank heeft acht geslagen op uitspraken van de internationale straftribunalen en het Internationaal Strafhof. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Elementen van Misdrijven (in het Engels aangeduid als ‘Elements of Crimes’) met betrekking tot artikel 8, tweede lid, onder e (v), van het Statuut van Rome. Voor een bewezenverklaring van ‘pillaging’ is vereist dat:\n\n1. The perpetrator appropriated certain property.\n\n2. The perpetrator intended to deprive the owner of the property and to appropriate it for private or personal use.\n\n3. The appropriation was without the consent of the owner.\n\n4. The conduct took place in the context of and was associated with an armed conflict not of an international character.\n\n5. The perpetrator was aware of the factual circumstances that established the existence of an armed conflict.\n\nBeoordeling\n\nAldus dient de rechtbank onder meer vast te stellen of er sprake is geweest van het toe-eigenen van eigendom zonder toestemming van de eigenaar.\n\nAtme\n\nDe verdachte heeft verklaard dat [naam 1] de woningen regelde en dat ze gedurende de periode april-mei 2014 heeft verbleven in een woning in Atme. Gedurende die periode was Atme onder controle van Jabhat al-Nusra, nadat ISIL zich in januari 2014 uit Atme had teruggetrokken. De verdachte heeft over de woning in Atme verklaard dat er spullen van andere mensen in de woning aanwezig waren, dat er nog eten in de pannen zat en dat zij de indruk had dat de eigenlijke bewoners nog wel terug hadden kunnen komen. De spullen werden weggegooid en [naam 1] heeft nieuwe spullen gekocht, aldus de verdachte. De verdachte heeft voorts verklaard dat zij er verder niet over nadacht dat de eigenaren van het huis gevlucht waren, omdat ze dacht dat die mensen zich niet aan de regels gehouden hadden en het er dan bij hoorde.\n\nUit het dossier, noch uit de verklaring van de verdachte ter zitting volgt aan wie de woning in eigendom toebehoorde. Evenmin is het duidelijk geworden op welke wijze de verdachte en [naam 1] de woning hebben verkregen: de verdachte heeft hier niet meer over verklaard dan dat [naam 1] die woning ‘geregeld’ had. Ook bevat het dossier geen informatie over de plaats Atme nadat ISIL daar is weggetrokken in januari 2014, in de periode dat de verdachte daar verbleef.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verdachte gedurende een maand gebruik heeft gemaakt van de woning in Atme. Hoewel er ten aanzien van deze woning wel omstandigheden zijn die kunnen duiden op gevluchte eigenaren, zijn er geen gegevens in het dossier waaruit afgeleid kan worden aan wie de woning toebehoorde of onder welke omstandigheden zij vertrokken zijn. Nu het niet evident duidelijk is dat de woning van plundering afkomstig is, is bij die stand van zaken meer informatie nodig over de herkomst van de woning om tot een dergelijke vaststelling te komen. Daarom kan niet gezegd worden dat de verdachte, al dan niet samen met anderen, zich de woning heeft toegeëigend zonder toestemming van de eigenaren.\n\nTallabyad en Raqqa\n\nDe verdachte heeft na haar verblijf in Atme verbleven in een woning in Tallabyad, gedurende de periode mei 2014 tot februari 2015. Tallabyad stond sinds 2013 onder controle van IS. Over deze woning heeft de verdachte verklaard dat de woning mooier was dan de woning in Atme en dat de woning gemeubileerd was. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat [naam 1] deze woning had geregeld en dat zij verder geen vragen heeft gesteld.\n\nNa Tallabyad heeft de verdachte vanaf februari 2015 tot december 2016 verbleven in meerdere woningen in Raqqa. De stad Raqqa kwam in het begin van 2014 geheel onder controle van IS en werd beschouwd als de hoofdstad van het in juni 2014 uitgeroepen kalifaat.\n\nOok over de woningen in Tallabyad en Raqqa heeft de verdachte verklaard dat [naam 1] de woningen regelde. Uit het dossier blijkt niet wie de eigenaren waren van de woningen (inclusief de inboedel) waar de verdachte verbleef, op welke wijze [naam 1] de woningen heeft geregeld en onder welke omstandigheden de eigenaar het huis heeft verlaten. Dat maakt dat de enkele omstandigheid dat de eigenaar niet aanwezig is onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat de toe-eigening zonder de toestemming van de eigenaar heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan net zomin als bij de woning in Atme van de woningen in Tallabyad en Raqqa worden gezegd dat de verdachte deze, al dan niet in vereniging, heeft toegeëigend zonder toestemming van de eigenaar.\n\nDe rechtbank merkt verder op dat het zich in het dossier bevindende kennisdocument ‘De Islamitische Staat: (Oorlogs)buit en plundering’ en de verklaring van de getuige Moussa die conclusie niet anders maken. Uit het kennisdocument en de getuigenverklaring volgt weliswaar dat IS op grote en systematische schaal plunderde, maar daaruit kan niet zonder meer volgen dat de woningen in Tallabyad en Raqqa waarin de verdachte heeft verbleven van plundering afkomstig zijn. Dit geldt nog minder voor de woning in Atme, omdat IS daar in de periode dat de verdachte daar verbleef niet aan de macht was.\n\nConcluderend is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte, al dan niet in vereniging met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan het oorlogsmisdrijf plundering. De verdachte zal van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.\n\nVoorwaardelijk verzoek horen getuige [getuige]\n\nDe verdediging heeft verzocht om de getuige [getuige] te horen indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het onder 1 ten laste gelegde voor zover dit betrekking heeft op de periode dat de verdachte in Tallabyad verbleef. Nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde behoeft dit voorwaardelijk verzoek geen bespreking. De voorwaarde is immers niet vervuld.\n\n5.5.. Ten aanzien van feit 2 – deelname aan terroristische organisatie\n\nInleiding\n\nAan de verdachte is onder 2 – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij, in de periode van 16 maart 2014 tot en met 5 januari 2018 in Syrië, al dan niet tezamen en in vereniging, heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS.\n\nJuridisch kader\n\nTerroristische organisatie\n\nVolgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie – een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling – moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.\n\nOnder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.\n\nVoor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.\n\nHet gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.\n\nDeelneming\n\nVan deelneming aan een terroristische organisatie kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven of als de verdachte vorenbedoelde gedragingen ondersteunt.\n\nEen dergelijk aandeel kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de terroristische organisatie. Voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid — in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat de verdachte zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.\n\nBeoordeling\n\nIS als terroristische organisatie\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad. In de loop van 2012 wordt duidelijk dat jihadistische strijdgroepen zoals IS, met zowel lokale als buitenlandse strijders in hun gelederen, in toenemende mate betrokken zijn geraakt bij de opstand in Syrië.\n\nHet is inmiddels bestendige jurisprudentie dat IS in de ten laste gelegde periode het oogmerk had om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van IS het plegen van terroristische misdrijven met zich brengt.IS bereikte in de ten laste gelegde periode haar doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. IS kan aldus worden aangemerkt als een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nDeelneming verdachte aan IS\n\nDe rechtbank is op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de wettige bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan IS, en zal hierna uiteenzetten waarom.\n\nOp grond van de voorgaande vastgestelde feiten staat niet ter discussie dat [naam 1] , de eerste echtgenoot van de verdachte, in de ten laste gelegde periode in Syrië als strijder heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS. Hij was bij deze organisatie aangesloten en heeft gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisatie. Hij was strijder, leidinggevende en deed de planning van aanvallen met drones. Door een zelfmoordaanslag te doen in naam van IS is hij eind 2016 om het leven gekomen.\n\nOp grond van de voorgaande vastgestelde feiten staat niet ter discussie dat de tweede echtgenoot van de verdachte [naam 6] (of: [naam 7] ) tijdens de periode vóór hun huwelijk streed voor IS. Ter discussie staat of hij tijdens hun huwelijk ook nog strijder was voor IS. Volgens de verdachte was hij niet meer bij IS, maar werkte hij enkel als bakker. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig. Het door verdachte alternatief geschetste scenario vindt ook geen enkele steun in het dossier. Het is op voorhand al volstrekt onaannemelijk dat in het strijdgebied van IS [naam 6] als IS-strijder uit de strijd kon stappen om enkel bakker te worden. De verdachte heeft verder bij de politie verklaard dat zij met [naam 6] in contact is gekomen via een IS-trouwkantoor alwaar hij stond ingeschreven als potentiële huwelijkskandidaat. Uit het kennisdocument ‘Vrouwen van de Islamitische Staat’ blijkt dat bij dergelijke kantoren alleenstaande vrouwen en weduwen werden geregistreerd om te kunnen trouwen met een IS-strijder. Ook daaruit leidt de rechtbank af dat [naam 6] een IS-strijder was. Dat [naam 6] ook tijdens hun huwelijk IS-strijder is gebleven vindt naar het oordeel van de rechtbank bovendien bevestiging in een bericht dat verdachte op 3 juni 2017 schrijft aan haar moeder als zij Raqqa is ontvlucht. Zij vertelt dan immers dat haar man daar is achtergebleven omdat hij ‘de stad moet beschermen’. Op 23 juli 2017 stuurt de verdachte een whatsapp-bericht naar haar moeder waarin zij aangeeft dat zij op 24 januari 2018 is uitgerekend, waarna zij op 30 juli 2017 naar haar moeder stuurt dat zij maandelijks nog maar vijfendertig dollar ontvangt. De rechtbank leidt daaruit af dat de verdachte ten tijde van haar huwelijk met [naam 6] ook gefinancierd werd door IS. De rechtbank gaat er gelet op al het voorgaande vanuit dat [naam 6] , de tweede echtgenoot van de verdachte, ook ten tijde van hun huwelijk een IS-strijder was.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, terwijl zij al enige kennis had van de jihadistische ideologie, islamitisch is getrouwd en vervolgens is afgereisd naar Syrië alwaar zij zich eerst met haar eerste echtgenoot en later haar tweede echtgenoot onder het gezag en de daaraan verbonden regels van de sharia heeft gesteld van de terroristische organisatie IS. De verdachte heeft met haar echtgenoten een gezamenlijk huishouden gevoerd, terwijl [naam 1] en [naam 6] actief hebben deelgenomen als strijders voor IS en daartoe salaris hebben ontvangen van IS. De verdachte heeft ten tijde van haar verblijf in Syrië de jihadistische ideologie van IS bestudeerd en stond hier destijds volledig achter. Zij plaatste ook berichten op social media die het leven onder de vlag van IS verheerlijkten. De verdachte heeft door zo te handelen de invloedssfeer van IS getalsmatig versterkt en anderen mogelijk op het idee gebracht om zich ook bij IS aan te sluiten. Daarnaast heeft de verdachte samen met haar eerste echtgenoot vuurwapens en een bomgordel voorhanden gehad. De verdachte heeft aldus gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristisch oogmerk van IS. De verdachte was blijkens haar verklaring ter terechtzitting van het terroristisch oogmerk van IS in zijn algemeenheid op de hoogte. Zo heeft zij verklaard dat zij tijdens haar verblijf in Syrië op de hoogte was van de executies die plaatsvonden in Raqqa. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan de terroristische organisatie heeft deelgenomen als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nVanaf 6 juli 2014\n\nDe rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte in ieder geval vanaf 6 juli 2014 heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS, de dag waarop de verdachte via haar Facebookaccount [naam 11] de woorden van Abu Bakr Al Baghdadi citeert die op 29 juni 2014 het kalifaat had uitgeroepen en zichzelf als kalief had gepresenteerd.\n\nPartiële vrijspraak\n\nMet de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gehandeld. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde medeplegen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de verdachte in de periode van 6 juli 2014 tot en met 1 januari 2018 in Syrië heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten IS.\n\n5.6.. Ten aanzien van feit 3 – voorbereidingshandelingen\n\nInleiding\n\nAan de verdachte is onder feit 3 – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij, in de periode van 4 augustus 2013 tot en met 5 januari 2018 in Nederland, Syrië en\u002Fof Irak alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en\u002Fof moord met een terroristisch oogmerk.\n\nJuridisch kader\n\nDe in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.\n\nVoorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank overweegt onder verwijzing naar de overwegingen met betrekking tot feit 2 als volgt.\n\nGelet op de hiervoor weergegeven feitelijke vaststellingen in samenhang met de overige door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen acht de rechtbank de onder A, B, C, E, F, G en H ten laste gelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, zoals aangegeven in de bewezenverklaring. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat dit niet geldt voor de gedragingen die onder D ten laste zijn gelegd. De verdachte zal van dit onderdeel worden vrijgesproken.\n\nAnders dan de raadsvrouw komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van de onder F ten laste gelegde gedragingen. De verdachte heeft zich bij IS aangesloten, haar echtgenoten gefaciliteerd bij hun bijdrage aan de gewapende jihadstrijd van IS en via social media uitgedragen dat het leven onder de vlag van IS goed is. Door zo te handelen heeft de verdachte deelgenomen en een bijdrage geleverd aan de gewapende jihadstrijd gevoerd door IS.\n\nDoor aldus te handelen heeft de verdachte zichzelf of anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaft tot het plegen van de in de tenlastelegging onder 3 genoemde terroristische misdrijven en – door het voorhanden hebben van een vuurwapen en een bomgordel – voorwerpen voorhanden gehad waarvan zij wist dat deze bestemd waren tot het plegen van een dergelijk misdrijf.\n\nUit de combinatie van de onder A, B, C, E, F, G en H bewezen verklaarde gedragingen in onderlinge samenhang beschouwd, kan tenslotte het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van deze misdrijven worden afgeleid.\n\nPartiële vrijspraak\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gehandeld. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde medeplegen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de verdachte in de periode van 15 augustus 2013 tot 1 januari 2018 voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en\u002Fof moord met een terroristisch oogmerk.\n\n5.7.. Ten aanzien van feiten 4 en 5 – bedreiging met terroristisch misdrijf\n\nInleiding\n\nAan de verdachte is onder 4 en 5 – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in Syrië en\u002Fof Nederland heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf dan wel met een misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling.\n\nBedreiging [benadeelde partij 1]\n\nOp 9 januari 2015 heeft een persoon die zich op Twitter uitgeeft als [account 1] de volgende tweet geplaatst: “Voorbereidingen treffen om @ [naam 9] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”. Aan deze dreigtweet was een foto toegevoegd waarop een vuurwapen en meerdere reisdocumenten te zien zijn. “ [naam 9] ” is het twitteraccount van de journalist [benadeelde partij 1] (hierna ook: [benadeelde partij 1] ).\n\nDe verdachte die in Syrië [naam 11] heette, had een twitteraccount genaamd [account 1] . Zij woonde van mei 2014 tot februari 2015 in Tallabyad waar zij, zo heeft zij verklaard, toegang tot internet en social media had. De zus van de verdachte, [zus verdachte] , heeft ook verklaard dat zij op een bepaald moment toegang had tot internet en dat zij via Whatsapp contact hadden.\n\nDe vraag is of de verdachte zelf de dreigtweet aan [benadeelde partij 1] heeft geplaatst of iemand anders, zoals de verdachte heeft verklaard daarbij verwijzend naar haar echtgenoot [naam 1] die ook gebruik maakte van haar social media accounts.\n\nOp 9 januari 2015 heeft de verdachte zelf, zo heeft zij verklaard, met het account [account 1] de volgende tweet geplaatst: “Krijg nog steeds brieven DUO of ik even van een halfjaar stufi wil terugbetalen +- €7200, jullie kunnen de boom in #jihadbruid#IS”. Deze tweet volgt direct op 9 januari 2015 onder het artikel van geenstijl.nl genaamd “Kalifaatbruid kondigt aanslag op [benadeelde partij 1] aan” en de betreffende dreigtweet aan [benadeelde partij 1] . Direct daarna zijn nog twee andere tweets geplaatst waarbij [benadeelde partij 1] is getagged: “@ [account 5] @ [naam 9] nee hoor, dan kan ik het in de praktijk brengen om vanuit het khalifaat haar even op te zoeken en terug te keren” en “@ [account 5] @ [naam 9] ze zijn nog niet ingenomen dus klaar voor gebruik”. De rechtbank begrijpt de zinssnede “ze zijn nog niet ingenomen dus klaar voor gebruik” aldus dat wordt gedoeld dat de afgebeelde reisdocumenten feitelijk niet zijn ingenomen en kunnen worden gebruikt om te reizen.\n\nNu de tweet inzake DUO en de tweets inzake het opzoeken van [benadeelde partij 1] persoonlijke informatie over de verdachte bevatten, immers had de verdachte een studieschuld bij DUO en was haar paspoort op 18 februari 2014 ingenomen, en deze tweets direct geplaatst zijn na de dreigtweet aan [benadeelde partij 1] is het niet aannemelijk geworden dat een ander dan de verdachte de dreigtweet heeft geplaatst. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het de verdachte was die dat heeft gedaan.\n\nDe vraag is voorts of de dreigtweet aan [benadeelde partij 1] kan worden aangemerkt als een bedreiging met een terroristisch misdrijf.\n\nJuridisch kader – bedreiging met een terroristisch misdrijf\n\nBedreiging met een terroristisch misdrijf is strafbaar gesteld in artikel 285, derde lid, Sr. Dit artikel stelt de eis dat wordt gedreigd met een terroristisch misdrijf. Daaruit volgt dat het bij dit dreigen om een van de in artikel 83 Sr genoemde misdrijven moet gaan. Voor zover uit artikel 83 Sr volgt dat dit terroristisch misdrijf het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk vereist, brengt die omstandigheid echter niet mee dat de verdachte van de in artikel 285, derde lid, Sr bedoelde bedreiging met een terroristisch misdrijf zelf ook met dit terroristische oogmerk moet hebben gehandeld. Wel is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan (a) dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd een terroristisch misdrijf betreft en (b) dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Gelet op de omschrijving van een terroristisch oogmerk in artikel 83a Sr brengt dit voor de terroristische misdrijven die dit oogmerk vereisen mee dat voor een veroordeling wegens bedreiging met zo een terroristisch misdrijf is vereist dat uit de bewijsvoering blijkt dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht (i) de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel (ii) een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel (iii) de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen. Daarnaast is voor zo een veroordeling vereist dat het - tenminste voorwaardelijke - opzet van de verdachte erop was gericht deze vrees te laten ontstaan.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank overweegt dat het misdrijf waarmee door de verdachte werd gedreigd – het om het leven brengen van [benadeelde partij 1] (moord) – is opgenomen in artikel 83, sub 1, Sr. Dit betekent dat het misdrijf kan worden gekwalificeerd als een terroristisch misdrijf als het wordt begaan met een terroristisch oogmerk in de zin van artikel 83a Sr. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt hiertoe als volgt.\n\nDe dreigtweet is geplaatst in een tijd waarin IS journalisten gijzelde, executeerde en beelden van deze executies via internet verspreidde. Gebeurtenissen en beelden die ook Nederland hebben bereikt en uitgebreid zijn besproken in het nieuws, zoals de onthoofding van de persfotograaf James Foley in augustus 2014. De verdachte heeft zich door de dreigtweet af te sluiten met “met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat” en door de IS vlag als profielfoto te gebruiken voorgedaan als een IS-deelnemer, hetgeen zij destijds ook was. Dit in samenhang bezien met het feit dat de verdachte de uitlating heeft geplaatst op Twitter, een openbaar social media platform, maakt dat het misdrijf “het om het leven brengen van [benadeelde partij 1] ” naar objectieve maatstaven kan worden aangemerkt als een misdrijf dat tot oogmerk heeft om de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kon bij de bedreigde ook in redelijkheid de vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd erop was gericht de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen en dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd.\n\nTot slot is de rechtbank ook van oordeel dat de verdachte gelet op de aard en bewoordingen van de uitlating en de omstandigheden waaronder de verdachte deze woorden heeft gebruikt op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze vrees bij de bedreigde zou ontstaan.\n\nBedreiging [benadeelde partij 2]\n\nEind 2014\u002Fbegin 2015 heeft een persoon die zich op Facebook uitgeeft als [account 2] meerdere berichten geplaatst op de openbare tijdlijn van [benadeelde partij 2] , namelijk:\n\n“Hoe kom je aan onze profielen? Aan alle info? Het is dat je niet om de hoek bent, anders kwam ik wel eventjes met mijn ak-47 op je af lopen. Ja en dit is een dreigement lelijke nakomeling van de apen en zwijnen. Jou kop zou ik ook maar al te graag willen laten rollen. Lelijk wijf bah”;\n\n“Eerst contacteer je me familie voor interview dit dat, en dan ga je undercover te werk”;\n\n“Staat met smart op jou te wachten Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account”;\n\n“En verwijder je uit onze lijsten.”\n\nNaast bovenstaande berichten had de gebruiker van het Facebookaccount [account 2] op de tijdlijn van [benadeelde partij 2] een foto geplaatst van een vuurwapen waarvan de politie heeft vastgesteld dat het een AK47 betreft.\n\nDe vraag is eerst of de verdachte de gebruiker is van het Facebookaccount [account 2] . De verdachte ontkent dit.\n\nZoals hiervoor al vastgesteld woonde de verdachte van mei 2014 tot februari 2015 in Tallabyad en had zij toen toegang tot internet en sociale media. Een onderdeel van de berichten die op de tijdlijn van [benadeelde partij 2] zijn geplaatst, namelijk die met de tekst “Eerst contacteer je me familie voor interview dit dat, en dan ga je undercover te werk” kan in verband worden gebracht met de verdachte zelf. Immers, de verdachte en haar stiefmoeder hebben verklaard dat [benadeelde partij 2] zich bij de woning van de moeder van de verdachte heeft voorgedaan alsof ze van de politie was om informatie in te winnen, in andere woorden: ‘undercover te werk is gegaan’. Dat [benadeelde partij 2] informatie wilde inwinnen blijkt ook uit een whatsappgesprek op 4 augustus 2019 tussen de verdachte en haar moeder, waarin haar moeder schrijft “dat is wat ze wil… dat jij of ik reageer…ze heeft nooit gelregen wat ze wilde want ze belde mij zelfs op werk vroeger en ik wou haar nooit te woord staan”. Ook volgt uit dit whatsappgesprek dat beiden boos op haar zijn. In dit verband is nog opvallend dat de verdachte in één van de berichten het woord “zwijnen” gebruikt en de verdachte in een whatsappgesprek met haar moeder op 4 augustus 2019 het volgende over [benadeelde partij 2] heeft gezegd “Dat zwijn wil alleen maar geld verdienen”.\n\nTot slot acht de rechtbank van belang dat de AIVD heeft vastgesteld dat de verdachte eind 2014 zeer waarschijnlijk gebruik heeft gemaakt van het Facebookaccount [account 2] .\n\nGelet op dit alles en in onderlinge samenhang bezien stelt de rechtbank vast dat de verdachte de gebruiker was van het Facebookaccount [account 2] en dat zij de bedreigende teksten op de openbare tijdlijn van [benadeelde partij 2] heeft geplaatst.\n\nOok hier is de vraag aan de orde of de ten laste gelegde teksten in combinatie met de foto van de AK47 kunnen worden aangemerkt als een bedreiging met een terroristisch misdrijf.\n\nDe rechtbank overweegt dat het misdrijf waarmee door de verdachte werd gedreigd – het neerschieten van [benadeelde partij 2] (moord) – is opgenomen in artikel 83, sub 1, Sr. Dit betekent dat het misdrijf kan worden gekwalificeerd als een terroristisch misdrijf als het wordt begaan met een terroristisch oogmerk in de zin van artikel 83a Sr. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hiervan wel sprake is en overweegt hiertoe als volgt.\n\nZoals hierboven ook is overwogen, zijn de berichten op Facebook geplaatst in een tijd waarin IS journalisten gijzelde, executeerde en beelden van deze executies via internet verspreidde. De verdachte verbleef ten tijde van het plaatsen van de berichten in Syrië en was IS-deelnemer. Dit in samenhang bezien met het feit dat de verdachte de uitlating heeft geplaatst op de openbare tijdlijn van de aangeefster, die journalist is en heeft geschreven over het Midden-Oosten, maakt dat het dreigen met een AK47 neerschieten van [benadeelde partij 2] naar objectieve maatstaven kan worden aangemerkt als een misdrijf dat tot oogmerk heeft om de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen. Verder is de rechtbank van oordeel dat dit maakt dat bij de bedreigde ook in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd erop was gericht de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen en dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Des te meer nu de aangeefster door de verdachte is benaderd, nadat zij heeft geschreven over een Nederlandse jihadist en deze jihadist hier niet van gediend was. Tot slot is de rechtbank ook van oordeel dat de verdachte gelet op de aard en bewoordingen van de uitlating en de omstandigheden waaronder de verdachte deze woorden heeft gebruikt op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze vrees bij de bedreigde zou ontstaan.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de verdachte op 9 januari 2015 [benadeelde partij 1] en eind 2014\u002Fbegin 2015 [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf.\n\n5.8.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n2\n\nzij in de periode van 6 juli 2014tot en met1januari 2018 in plaatsen in Syrië, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl\n\ndaarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel\n\nen\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten\n\ngevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met\n\neen terroristisch oogmerk en\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel\n\n289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot\n\neerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof 96 lid 2\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de\n\ncategorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en\n\nmunitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een\n\nterroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in\n\nartikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie);\n\n3\n\nzij in de periode van 15augustus 2013 tot en met1januari 2018 in een\n\nof meer plaatsen in Nederland, en in Syrië, met het oogmerk om ter voorbereiding en\u002Fof ter bevordering van de\u002Fhet (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl\n\ndaarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel\n\nen\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten\n\ngevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met\n\neen terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\n- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel\n\n289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht)\n\n- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of\n\nmede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid,\n\nmiddelen of inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich\n\nof aan anderen heeft verschaft en\u002Fof\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd zijn tot het\n\nplegen van het misdrijf,\n\nimmers heeft zij, verdachte,\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de terroristische organisatie Islamitische Staat (verder IS), eigen gemaakt;\n\nB. zich laten informeren over het afreizen naar Syrië en\u002F het aansluiten bij de terroristische organisatie IS;\n\nC. de reis gemaakt naar Syrië ten behoeve van het zich begeven naar het strijdgebied aldaar en zich te voegen bij de terroristische organisatie IS;\n\nE. zich gevoegd bij IS strijders, en is zij (op Islamitische wijze) huwelijken aangegaan met IS strijders;\n\nF. in Syrië deelgenomen en bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS;\n\nG. zich (middels internet\u002Fsocial mediakanalen\u002Fmediaplatforms) geuit en\n\nmet (een) ander(en) perso(o)n(en) gecommuniceerd en berichten en afbeeldingen geplaatst en gedeeld, met betrekking tot en\u002Fof inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en\u002Fof (pro)IS-gerelateerde content;\n\nH. vuurwapens en een bomgordel voorhanden gehad,\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof\n\nhet teweegbrengen van ontploffingen wordt gepleegd, telkens met een terroristisch\n\noogmerk;\n\n4\n\nzij op 9 januari 2015 te Nederland [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf door via het openbaar toegankelijke twitteraccount [account 1] een bericht (tweet) te plaatsen, welk bericht een foto van een AK 47, bevat en waarbij de tekst vermeld staat: “Voorbereidingen treffen om @ [naam 9] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”;\n\n5\n\nzij in de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 mei 2015 te Nederland [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf door met het Facebookaccount [account 2] een bericht (post) op de openbare tijdlijn van de Facebookpagina van [benadeelde partij 2] te plaatsen, welk bericht een foto van een AK 47, bevat en waarbij de volgende\n\nteksten vermeld staan:\n\n- “ Hoe kom je aan onze profielen? Aan alle info? Het is dat je niet om de hoek bent,\n\nanders kwam ik wel eventjes met mijn ak-47 op je af lopen. Ja en dit is een\n\ndreigement lelijke nakomeling van de apen en zwijnen. Jou kop zou ik ook maar al\n\nte graag willen laten rollen. Lelijk wijf bah.”;\n\n- “ Staat met smart op jou te wachten. Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account En verwijder je uit onze lijsten”.\n\n6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n7. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.\n\n8. De strafoplegging\n\n8.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 860 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 720 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, wonen bij forensisch beschermd wonen Transfore, een ambulante behandeling, begeleiding bij zelfstandig wonen, andere voorwaarden het gedrag betreffende en een contactverbod met [naam 13] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft namens de verdachte de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de reeds lange duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis, de forse overschrijding van de redelijke termijn, de reeds ondergane hechtenis in zowel Nederland als Turkije en de vrijheidsbeperkende maatregelen die de afgelopen vier jaren zijn opgelegd. Voorts heeft de verdediging de rechtbank verzocht om rekening te houden met de conclusies van de Pro Justitia-rapportages ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Verder is aangevoerd dat de verdachte zich kan vinden in de voorwaarden zoals die thans door de reclassering zijn omschreven, met uitzondering van de geadviseerde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte is in maart 2014 uitgereisd naar Syrië waar zij zich heeft aangesloten bij haar eerste man met wie zij enkele dagen voor haar vertrek islamitisch was getrouwd. Op 6 juli 2014 heeft de verdachte zich vervolgens aangesloten bij de terroristische organisatie IS. Na het overlijden van haar eerste man is zij korte tijd later opnieuw islamitisch getrouwd met een andere IS-strijder. Zij heeft beide mannen gedurende haar huwelijk gefaciliteerd door het gezamenlijke huishouden te doen en voor haar echtgenoten te zorgen. Tot het einde van haar verblijf in Syrië heeft de verdachte deelgenomen aan IS. Daarnaast heeft de verdachte ter voorbereiding en bevordering van misdrijven met een terroristisch oogmerk zich het gedachtegoed van IS eigen gemaakt, is zij afgereisd naar het strijdgebied in Syrië, is zij islamitisch getrouwd met IS-strijders, heeft zij bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd van IS, heeft zij propaganda gevoerd voor IS via internet dan wel socialfter media, en heeft zij vuurwapens en een bomgordel voorhanden gehad.\n\nStrijdgroepen als IS hebben tot doel het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van andersdenkenden op systematische en zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan zoals standrechtelijke executies, moord, marteling en verminking van krijgsgevangenen en burgers. Veel van die misdrijven worden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen en zijn daarmee ontegenzeggelijk terroristische misdrijven.\n\nTerrorisme wordt internationaal gezien als één van de ernstigste misdrijven. De verdachte is aan dit alles geheel voorbij gegaan en heeft geen oog gehad voor het onbeschrijfelijke leed dat velen in het strijdgebied en daarbuiten treft.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een terroristisch misdrijf door – kort gezegd – via social media aan te kondigen dat zij twee journalisten om het leven gaat brengen. Deze berichten waren gericht aan de twee journalisten, maar konden door iedereen gelezen worden aangezien ze geplaatst waren op de openbare platforms Twitter en Facebook. De verdachte verbleef ten tijde van het sturen van de berichten in Syrië en heeft deze uitlatingen gedaan terwijl kort daarvoor onder andere de persfotograaf James Foley was geëxecuteerd door IS. De berichten die de verdachte heeft gestuurd, hebben – hetgeen blijkt uit de aangiftes en de slachtofferverklaringen – gevoelens van angst veroorzaakt bij de aangeefsters. Een angst die ze niet alleen voelden ten tijde van het ontvangen van de berichten, maar ook juist jaren na dato toen bekend was dat de verdachte in Nederland teruggekeerd was. Bedreiging met een terroristisch misdrijf is een ernstig en buitengewoon angstaanjagend delict, al helemaal in een tijdsgewricht waarin (ook) andere landen worden geconfronteerd met terroristische aanslagen of de dreiging daarvan. De verdachte heeft miskend wat haar daden hebben aangericht bij de slachtoffers en bij de rest van de maatschappij. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 januari 2024. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht geslagen op de volgende stukken:\n\nhet triple onderzoek Pro Justitia betreffende [verdachte] d.d. 25 oktober 2020;\n\nde brief Aanvullende vragen inzake [verdachte] ;\n\nhet psychologisch en psychiatrisch aanvullend onderzoek Pro Justitia betreffende [verdachte] d.d. 21 december 2022;\n\nhet reclasseringsadvies TBS met voorwaarden d.d. 5 juli 2023;\n\nhet reclasseringsadvies Rechtszitting d.d. 26 februari 2024.\n\nStoornissen en\u002Fof gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens\n\nDe deskundigen Grochowska en Van Casteren komen in de Pro Justitia rapportage van 25 oktober 2020 tot de conclusie dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de onder 2 en 3 ten laste gelegde misdrijven sprake was van een borderline persoonlijkheidsstoornis. De deskundigen concluderen dat deze psychiatrische stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde hebben beïnvloed.\n\nDe borderline persoonlijkheidsstoornis manifesteerde zich bij de verdachte in een instabiel zelfbeeld, instabiele persoonlijke relaties en een weinig geïntegreerd gevoelsleven. Dit heeft geleid tot een weinig uitgerijpte identiteit en een beperkte autonomie. Vanuit de behoefte van de verdachte aan veiligheid, rust, stabiliteit en houvast is de verdachte op zoek gegaan naar iets wat haar dat kan bieden. De islam bood de verdachte een houvast, een duidelijke richtlijn in haar leven. Met name de fundamentalistische versie die IS propageert met zijn eenduidige regels waar geen discussie over mogelijk is en waar niet van af geweken kan worden sprak de verdachte aan. De verdachte heeft zich gestort op alle geboden en verboden en is razendsnel geradicaliseerd. Toen jeugdzorg haar zoontje bij haar weghaalde, stortte de wereld van de verdachte in. Ze leek zich in haar eenzaamheid en wanhoop nog meer aan het geloof vast te klampen en zag als enige oplossing een leven in Syrië, waar ze ongestoord als moslima kon leven zonder dat jeugdzorg en andere instanties iets over haar te zeggen hadden. Dat ze dan haar zoontje in Nederland moest achterlaten, nam ze op de koop toe. De verdachte was hem in haar beleving al kwijt. De deskundigen concluderen dat dit haar wanhoop tekent.\n\nIn het aanvullend psychologisch en psychiatrisch rapport van 21 december 2022 concluderen de deskundigen ten aanzien van het onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde dat gesteld kan worden dat haar gedrag gedeeltelijk is voortgekomen uit haar borderline persoonlijkheidsstoornis. Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde is het standpunt van de deskundigen niet gewijzigd.\n\nToerekeningsvatbaarheid\n\nDe deskundigen Grochowska en Van Casteren adviseren de rechtbank om de verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. De persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte heeft haar denken, voelen en handelen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde in grote mate beïnvloed. Er was echter geen sprake van een volledig gebrek aan wilsvrijheid en een dermate verstoord oordeelsvermogen dat gesproken kan worden van volledige ontoerekeningsvatbaarheid.\n\nRecidivegevaar\n\nIn de Pro Justitia rapportage van 25 oktober 2020 schatten de deskundigen Grochowska en Van Casteren het risico op gewelddadig extremistisch geweld in als matig tot hoog. Op de korte termijn schatten de deskundigen het risico, gelet op het toezicht dat wordt uitgeoefend en de beperkingen die zijn opgelegd, in als laag, maar dit kan op de lange termijn oplopen tot hoog. Ter onderbouwing hebben de deskundigen aangevoerd dat de verdachte door haar persoonlijkheidsstoornis en haar weinig uitgerijpte identiteit zeer veel moeite heeft om afstand te nemen van oude denkkaders. De verdachte is zeer beïnvloedbaar en zeer bevattelijk voor met name moslimextremistische opvattingen. Ook identificeert zij zich volgens de deskundigen sterk met de IS-versie van de islam. De verdachte is door haar weinig kritische houding geneigd om klakkeloos over te nemen wat men haar vertelt. Ook heeft zij een sterkte behoefte om geaccepteerd te worden, erbij te horen en goedgekeurd te worden. De deskundigen concluderen verder dat de kans groot wordt geacht dat de verdachte opnieuw geen weerstand kan bieden als zij in de toekomst opnieuw onder de invloed van moslimextremistische personen\u002Fgroeperingen komt.\n\nIn het aanvullend psychologisch en psychiatrisch onderzoek van 21 december 2022, ruim twee jaar later, schatten de deskundigen het risico op herhaling in als matig tot laag. Bij het huidige onderzoek wordt door de deskundigen gezien dat de verdachte zich heeft afgewend van de IS-ideologie en ook in haar geloofsbeleving een grote verandering heeft doorgemaakt. De verdachte is door de behandeling die ze de afgelopen twee jaar heeft doorlopen veel minder star in haar opvattingen en staat meer open voor andere meningen en overtuigingen. Ook kan de verdachte meer op zichzelf reflecteren, heeft meer oog voor de ander en diens rechten en behoeften en toont empathie voor de ander. Daarnaast zijn er ten tijde van het opstellen van het rapport veel protectieve factoren aan te wijzen. Naast de persoonlijke groei die de verdachte heeft doorgemaakt, die haar identiteit heeft versterkt en haar beter bestand heeft gemaakt tegen negatieve beïnvloeding door mensen met extreem gedachtengoed, is er sprake van een goed lopend intensief behandelkader binnen een juridisch kader, beschermd wonen en veel toezicht en begeleiding vanuit de reclassering. De verdachte staat open voor behandeling en zet zich goed in en er is duidelijk sprake van een positieve ontwikkeling. Daarnaast is er een steunend sociaal netwerk, met name met haar familie. Ook is het contact met haar kinderen goed. De verdachte is vooral bezig in het hier en nu en gericht op haar behandeling en haar kinderen, maar ze is al wel voorzichtig bezig met het vormgeven van haar toekomst.\n\nBehandelmogelijkheden\n\nDe deskundigen Grochowska en Van Casteren komen in de Pro Justitia rapportage van 25 oktober 2020 tot de conclusie dat gezien de ernstige persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte en matig tot hoge recidivegevaar een intensieve en langdurige klinische behandeling geïndiceerd is. Daarnaast achten de deskundigen een deradicaliseringstraject noodzakelijk om de extremistische denkbeelden van de verdachte te veranderen. De deskundigen adviseren om terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen, opdat de noodzakelijk geachte behandeling van de verdachte wordt veiliggesteld mocht de verdachte onvoldoende meewerken of een behandeling voortijdig afbreken. Als de verdachte geen bereidheid of motivatie toont om een behandeling aan te gaan, dan zou het kader van terbeschikkingstelling met dwangverpleging overwogen kunnen worden, aldus de deskundigen. Voorts ontraden de deskundigen met klem om een eventuele gevangenisstraf ten uitvoer te leggen binnen een speciale afdeling voor mensen met een geschiedenis van moslimextremistisch geweld\u002Fgedachtengoed nu de verdachte zeer beïnvloedbaar is en sterk vasthoudt aan een moslimextremistisch denkkader.\n\nIn het aanvullend psychologisch en psychiatrisch onderzoek van 21 december 2022 concluderen de deskundigen dat de borderline problematiek van de verdachte een langdurige behandeling noodzakelijk maakt. De deskundigen adviseren om de huidige ambulante behandeling bij Transfore en het beschermd woontraject te continueren. De (ambulante) behandeling kan opgelegd worden binnen het juridisch kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel of binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De deskundigen hebben een voorkeur voor een terbeschikkingstelling met voorwaarden, omdat – hoewel de verdachte in een beschermde omgeving goed functioneert – pas in het verdere resocialisatietraject duidelijk zal worden in hoeverre de veroordeelde daadwerkelijk bestand is tegen radicale netwerken waar zij eerder onderdeel van was. De achtergrond van de verdachte als Syriëgangster en de daarmee samenhangende strafzaak kunnen belemmerend werken bij haar maatschappelijke integratie in Nederland waardoor zij gefrustreerd kan raken en terug kan vallen in oude gedragspatronen en haar heil kan gaan zoeken in oude netwerken. Een zo langdurig mogelijk juridisch behandelkader is daarom aangewezen, waarbij zij nog langere tijd ambulante behandeling kan ontvangen, goed gevolgd kan worden en er bij terugval in oude patronen onmiddellijk ingegrepen kan worden. Verder achten de deskundigen een plaatsing in een penitentiaire inrichting, en zeker een plaatsing op een Terroristenafdeling, risicoverhogend, omdat de protectieve factoren dan wegvallen en ook haar behandeling zou stagneren, waardoor zij terug zou kunnen vallen in oude (denk)patronen en risicofactoren die nu meer op de achtergrond zijn komen te staan.\n\nDe reclassering heeft in het advies van 26 februari 2024 het standpunt ten opzichte van het reclasseringsrapport van 5 juli 2023 gewijzigd. Gelet op de houding, inzet en positieve ontwikkeling van de verdachte over de gehele duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis, vanaf 8 mei 2020 tot heden, adviseert de reclassering om een voorwaardelijke straf op te leggen in plaats van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Geadviseerd wordt om, net als de eerder voorgestelde terbeschikkingstelling met voorwaarden, de bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke straf gekoppeld dienen te worden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dit omdat in hun ogen de kans op een misdrijf met schade voor personen aanwezig wordt geacht. De reclassering concludeert dat zonder forensisch kader het huidige woon- en begeleidingstraject vervalt wat zeer onwenselijk zou zijn aangezien de kans op een terugval en recidive dan, mede gelet op de kwetsbaarheid van de verdachte, wordt verhoogd. Verder wordt geadviseerd om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nDe reclassering deelt de visie van de deskundigen dat plaatsing in een penitentiaire inrichting, en zeker een plaatsing op een Terroristenafdeling, risico verhogend is. De protectieve factoren die thans wel aanwezig zijn vallen weg bij detentie en de persoonlijke ontwikkeling van de verdachte zal stagneren. Het valt volgens de reclassering niet uit te sluiten dat dan het ongewenste effect optreedt dat de verdachte terug zou kunnen vallen in oude (denk)patronen, zoals haar beïnvloedbaarheid en haar sub assertiviteit, die nu door de behandeling meer op de achtergrond zijn komen te staan.\n\nConclusie\n\nNaar het oordeel van de rechtbank zijn de rapportages van bovengenoemde deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over en maakt deze tot de hare.\n\nGezien het vorenstaande overweegt de rechtbank dat haar voldoende is gebleken dat verdachte ten tijde van de feiten leed aan een borderline persoonlijkheidsstoornis, dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en dat het recidivegevaar met het huidige kader aan schorsingsvoorwaarden matig tot laag is.\n\nStrafmodaliteit en strafmaat\n\nBij het bepalen van de strafmodaliteit en strafmaat heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd. De rechtbank hanteert voor de overtreding van de artikelen 140a en 96 Sr als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en voor de overtreding van artikel 285, derde lid, Sr per bedreiging een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.\n\nBij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het volgende. De verdachte heeft in Turkije achttien maanden in detentie gezeten en heeft in Nederland vijf maanden in voorlopige hechtenis verbleven. Ook heeft zij met veel inzet en goed gevolg een langdurige klinische behandeling gevolgd. Voorts staat de verdachte sinds de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis op 2 april 2020 onder ambulante behandeling. De verdachte heeft gedurende de schorsing meegewerkt aan alle opgelegde bijzondere voorwaarden, waaronder het gedurende een periode dragen van een enkelband, en heeft zij een positieve ontwikkeling laten zien. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat het recidivegevaar met het huidige kader aan schorsingsvoorwaarden matig tot laag is en dat het ten laste gelegde verminderd aan de verdachte kan worden toegerekend.\n\nDe rechtbank kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Gelet echter op de positieve ontwikkeling die de verdachte blijkens bovengenoemde rapporten heeft doorgemaakt acht de rechtbank het niet passend om de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die het aantal dagen dat de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten overschrijdt. Uit de over de verdachte opgemaakte rapportages volgt dat de positieve ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt ernstig wordt verstoord indien de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. De rechtbank hecht in dit verband veel waarde aan het speciaal-preventieve effect van de op te leggen straf: door de verdachte een straf op te leggen waarvan een groot deel bestaat uit een voorwaardelijk deel met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, beoogt de rechtbank de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Zoals uit de overgelegde rapportages blijkt, zou het speciaal-preventieve karakter van de straf teniet worden gedaan indien de verdachte opnieuw gedetineerd raakt.\n\nDe rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden met een proeftijd van vijf jaren. De rechtbank acht een proeftijd van vijf jaren passend en geboden, zodat de verdachte voor langere tijd wordt begeleid in het behouden van een stabiele en veilige leefomgeving. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, zoals geadviseerd door de reclassering, niet mogelijk is: deze maatregel is per 1 januari 2018 ingevoerd en het legaliteitsbeginsel verzet zich tegen oplegging van deze maatregel voor feiten die zijn gepleegd voor die datum.\n\nDe rechtbank zal daarnaast om uitdrukking te geven aan de ernst van de feiten voor het onder 4 en 5 bewezenverklaarde de maximale taakstraf per feit opleggen.\n\nTot slot houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Die termijn is aangevangen op 20 november 2019, de datum van inverzekeringstelling van de verdachte. Als uitgangspunt geldt in gevallen als het onderhavige dat de berechting in eerste aanleg in beginsel binnen twee jaar dient te zijn afgerond met een eindvonnis. Dit betekent dat de redelijke termijn ongeveer twee jaar en vijf maanden is overschreden. Deze overschrijding is niet aan de verdediging te wijten en kan ook niet worden gerechtvaardigd door de ingewikkeldheid van de zaak.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden\n\nDe verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen, te weten deelname een terroristische organisatie en – kort gezegd – voorbereiding en\u002Fof bevordering van misdrijven met een terroristisch oogmerk. Gelet op het verhoogde recidivegevaar bij het wegvallen van de schorsingsvoorwaarden is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\n9. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\n [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]\n\n [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vorderen elk voor zich een schadevergoeding van € 2.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Voorts wordt een vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand gevorderd tot een bedrag van € 1.210,00.\n\nOnderbouwing van de vorderingen\n\nDe raadsman heeft namens de benadeelde partijen ter onderbouwing van de vorderingen aangevoerd dat de benadeelde partijen “op andere wijze” in hun persoon zijn aangetast ex artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna ook: BW). Deze aantasting bestaat uit de schending van het recht op vrijheid van meningsuiting in de zin van artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna ook: EVRM). De raadsman heeft bepleit dat een schending van een dergelijk fundamenteel mensenrecht, met name voor een journalist, van rechtswege een recht op immateriële schadevergoeding oplevert. Verder is aangevoerd dat voor de toekenning van immateriële schadevergoeding voldoende is dat door die schending een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde. De raadsman heeft bepleit dat gelet op de gedane bedreigingen en de gevolgen hiervan voor de benadeelde partijen aan dit vereiste is voldaan.\n\nTen aanzien van de gevorderde kosten voor rechtsbijstand heeft de raadsman de rechtbank verzocht om af te wijken van het liquidatietarief aangezien deze zaak veel dieper ingrijpt dan een gewone bedreiging, de benadeelde partijen moeite hebben moeten doen om in beeld te komen bij de autoriteiten, en het gaat om een bedreiging van journalisten met een terroristische achtergrond.\n\n9.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de kosten voor rechtsbijstand.\n\n9.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft – voor zover van belang – bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen, omdat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. Het bestaan van psychische schade is onvoldoende met concrete gegevens onderbouwd. Ook betwist de verdediging het causale verband. Verder zijn onvoldoende concrete gegevens aangedragen waaruit anderszins een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden afgeleid. Bovendien is er in onderhavige zaak geen sprake van een dermate evident geval dat een dergelijke onderbouwing niet is vereist.\n\nVerder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat indien het vaststellen van de causaliteit te ingewikkeld is voor de strafrechtelijke procedure moet worden geoordeeld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.\n\nDe verdediging heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de hoogte van de vordering niet is onderbouwd en dat de verzochte bedragen, gelet op de bedragen die normaliter in bedreigingszaken worden toegekend, bovenmatig is. De verdediging verzoekt de rechtbank om de vorderingen te matigen tot een bedrag tussen de € 400,- en € 500,-. Bij toewijzing van de vordering moet de vergoeding rechtsbijstand worden gematigd en aansluiting worden gezocht bij de “liquidatietarieven kantonzaken”.\n\n9.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank overweegt dat in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna ook: BW) een limitatieve opsomming van gevallen wordt gegeven waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Blijkens artikel 6:106, aanhef en onder b, BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In onderhavige zaak ligt de vraag voor of de benadeelde partijen “op een andere wijze” in hun persoon zijn aangetast.\n\nDe Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest van 28 mei 2019 ten aanzien van de aantasting in de persoon “op andere wijze” het navolgende overwogen:\n\n“Van de [in artikel 6:106, aanhef en onder B] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”\n\nDe rechtbank is op grond hiervan, en anders dan de raadsman van de benadeelde partijen heeft bepleit, van oordeel dat de enkele schending van het recht op vrijheid van meningsuiting onvoldoende is om te spreken van een aantasting in de persoon “op andere wijze”. De benadeelde partijen dienen daarom aan te tonen aan de hand van concrete gegevens dat sprake is van psychische schade of de aard en de ernst van de normschending moet meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen voor de hand liggen. De rechtbank overweegt, indachtig de korte termijn waarin de benadeelde partijen een vordering hebben kunnen indienen, dat de benadeelde partijen hun vorderingen op dit moment onvoldoende hebben kunnen onderbouwen om een aantasting in de persoon door het handelen van deze verdachte “op andere wijze” vast te kunnen stellen. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan niet zo evident zijn dat een zodanige aantasting kan worden aangenomen. De benadeelde partijen de gelegenheid geven om hun vorderingen nader te onderbouwen zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren mede gelet op het feit dat in deze zaak de redelijke termijn ook al ruimschoots is overschreden. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. De benadeelde partijen kunnen hun vordering nog wel aanbrengen bij de burgerlijke rechter.\n\nNu de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaart in hun vorderingen komt zij niet toe aan de beoordeling van de gevorderde kosten voor rechtsbijstand.\n\n10. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 96, 140a en 285 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de officier van justitie met betrekking tot de onder 2 onder E ten laste gelegde gedragingen, voor zover deze gedragingen hebben plaatsgevonden in Irak, niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte;\n\nverklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.8. bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 2:\n\ndeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nmet het oogmerk om opzettelijk brand stichten en\u002Fof ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en\u002Fof moord en\u002Fof doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, zich en een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen tot het plegen van het misdrijf en voorwerpen voorhanden te hebben waarvan zij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf.\n\nten aanzien van feiten 4 en 5, telkens:\n\nbedreiging met een terroristisch misdrijf;\n\nverklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 860 (ACHTHONDERDZESTIG) DAGEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 720 (ZEVENHONDERDTWINTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op5 (VIJF) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nen onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich meldt bij Reclassering Nederland en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Hieronder valt het meewerken aan huisbezoeken. De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisico’s, waarbij de privacy van de veroordeelde zoveel mogelijk gerespecteerd zal worden;\n\n- blijft wonen bij Forensisch Beschermd Wonen Transfore. De veroordeelde laat zich hierin begeleiden en houdt zich aan de afspraken en regels van Transfore. Deze bijzondere voorwaarde dient ter overbrugging naar zelfstandig wonen en duurt tot het moment dat de veroordeelde een zelfstandige woonruimte krijgt;\n\n- zich ambulant laat behandelen door Transfore, of een soortgelijke zorgverlener. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering en\u002Fof het openbaar ministerie dat nodig vindt;\n\n- meewerkt aan de indicatiestelling en de plaatsing indien de reclassering de overgang naar ambulante begeleiding bij zelfstandig wonen gewenst\u002Fnoodzakelijk vindt. Ook werkt de veroordeelde mee aan de betreffende begeleiding en houdt zij zich aan de aanwijzingen van de betreffende instantie. Deze begeleiding vindt plaats door een nader te bepalen instantie en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\n- de reclassering inzicht geeft in de voortgang van de begeleiding en\u002Fof de behandeling van andere betrokken instellingen of hulpverleners;\n\n- zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering. Wanneer de veroordeelde van Forensisch Beschermd Wonen Transfore uitstroomt naar een andere woonruimte dan wel een zelfstandige woonruimte zal zij hierbij, indien en voor zolang de reclassering dat nodig acht, samenwerken met de gemeente en\u002Fof met andere instanties;\n\n- meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die met haar contact hebben, wanneer dat van belang is voor het toezicht;\n\n- geen – direct of indirect – contact legt of laat leggen, zoekt en\u002Fof heeft met onderstaande personen, zolang het openbaar ministerie dit noodzakelijk acht:\n\n [naam 13] , ook bekend als [naam 6] , geboren op [geboortedag 2] 1981 te [geboorteplaats 2] (Algerije);\n\n [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 3] 1970 te [geboorteplaats 3] ;\n\n [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedag 4] 1984 te [geboorteplaats 4] ;\n\ngeeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.\n\nbeveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;\n\nveroordeelt de verdachte voorts tot:\n\neen taakstraf voor de tijd van 480 (VIERHONDERDTACHTIG) UREN;\n\nbeveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) DAGEN;\n\nde voorlopige hechtenis\n\nheft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nbepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nbepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E.C. Kole, voorzitter,\n\nmr. J. Holleman, rechter,\n\nmr. K.C.J. Vriend, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. F. Kok en mr. K. Muijsert, griffiers,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2024.\n\nZie onder andere gerechtshof Den Haag 25 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1249 en rechtbank Rotterdam 29 oktober 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:9659.\n\n ECLI:NL:HR:2019:1890.\n\n ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:6009","2024-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:48.710Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":176,"fullText":177,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":179,"parsedAt":51,"updatedAt":180},"1171","ECLI:NL:GHAMS:2024:990","ecli-nl-ghams-2024-990","2024-04-08T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000695-21 (ontneming)\n\ndatum uitspraak: 8 april 2024\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 15-741295-11 tegen de betrokkene:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1974,\n\nadres: [adres].\n\nProcesgang\n\nHet openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 134.671,28.\n\nDe betrokkene is bij vonnis in de strafzaak van de rechtbank Noord-Holland van 31 mei 2013 – kort gezegd – onherroepelijk veroordeeld ter zake van telkens mensenhandel terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.\n\nDe rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis in de ontnemingsprocedure van 16 maart 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 134.671,28 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nTegen het vonnis in de ontnemingszaak is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de\n\nrechtbank.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op een bedrag van € 117.971,00.\n\nTer onderbouwing heeft zij aangevoerd dat de betrokkene en [naam 1] een economische eenheid vormden. Het totale bedrag aan contante opbrengsten van de betrokkene en [naam 1] bedraagt, overeenkomstig het ontnemingsrapport, € 332.510,00. Dit bedrag is opgebouwd uit contante stortingen op de rekeningen van de betrokkene en [naam 1], money transfers en het contante geldbedrag dat bij [naam 1] is aangetroffen. Het totale bedrag aan verdiensten van [naam 1] bedraagt, overeenkomstig het ontnemingsrapport, € 63.167,43. De onherroepelijk toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen bedragen, voor zover het materiële schade betreft en zij betrekking hebben op de verdiensten van de slachtoffers, in totaal € 33.400,00.\n\nUit het voorgaande volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en [naam 1] tezamen (332.510,00 - 63.167,43 - 33.400,00 =) (afgerond) € 235.942,00 bedraagt. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene uitkomt op (235.942,00 \u002F 2 =) (afgerond) € 117.971,00.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op een bedrag van € 22.010,00.\n\nTer onderbouwing heeft hij aangevoerd dat de betrokkene en [naam 1] geen economische eenheid vormden. De berekening van het openbaar ministerie kan niet worden gevolgd. Uit het procesdossier en het vonnis in de strafzaak van 31 mei 2013 kan worden afgeleid wat de betrokkene en [naam 1] hebben verdiend aan de uitbuiting van slachtoffers. Hiervoor moet worden gekeken naar de vorderingen van de benadeelde partijen die in de strafzaak zijn toegewezen, te weten: € 24.400,00 aan [benadeelde 1], € 7.620,00 aan [benadeelde 2], € 10.000,00 aan [benadeelde 3] en € 2.000,00 aan [benadeelde 4], in totaal € 44.020,00. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene uitkomt op (44.020,00 \u002F 2 =) € 22.010,00.\n\nSubsidiair dient het bedrag aan legale inkomsten van [naam 1] hoger te worden vastgesteld. De onderbouwing hiervoor is tweeledig. In de eerste plaats verdiende zij als topprostituee meer dan € 50,00 per klant en kan voor het (totaal) aantal klanten (per dag) niet worden uitgegaan van de inbeslaggenomen aantekeningen. In de tweede plaats heeft zij bedragen en sierraden van [naam 2] gekregen waar in het ontnemingsrapport ten onrechte geen acht op is geslagen.\n\nOordeel van het hof\n\nGrondslag van de vordering\n\nHet hof is van oordeel dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld (artikel 36e, tweede lid, Sr).\n\nBerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nBij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof acht geslagen op de bevindingen uit het ontnemingsrapporten op hetgeen de advocaat-generaal en de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht.\n\nIn het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van de periode van 26 mei 2008 tot 24 april 2012.Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel inzake de betrokkene en [naam 1] worden de contante opbrengsten afgezet tegen de legale inkomsten van zowel de betrokkene als [naam 1]. Hierbij zij opgemerkt dat de legale inkomsten van de betrokkene worden vastgesteld op nihil.\n\nContante opbrengsten\n\nHet hof gaat – evenals het ontnemingsrapport – wat betreft het bedrag dat de betrokkene en [naam 1] aan contante opbrengsten hebben gegenereerd uit van in totaal € 332.510,00.\n\nDit bedrag is opgebouwd uit twee bedragen. Ten eerste het bedrag van € 331.490,00 dat is vermeld in onderstaande tabel uit het ontnemingsrapport. Hierbij gaat het om de contante stortingen op de bankrekening van de betrokkene in Nederland, de contante stortingen op de bankrekening van de betrokkene in Duitsland, de contante stortingen op de bankrekeningen van [naam 1] en de money transfers via Moneygram en Western Union. In deze tabel uit het ontnemingsrapport staat in welke jaren contante geldbedragen zijn gestort dan wel er een money transfer heeft plaatsgevonden.\n\nTevens was [naam 1] op de dag van haar aanhouding nog in het bezit van € 1.020,00 aan contant geld.\n\nDit maakt dat het totale bedrag aan contante opbrengsten uitkomt op (331.490,00 + 1.020,00 =) € 332.510,00.\n\nDe raadsman heeft deze contante stortingen op de bankrekeningen van de betrokkene en [naam 1] niet betwist noch heeft hij betwist dat deze money transfers hebben plaatsgevonden. Dat [naam 1] op de dag van haar aanhouding in het bezit was van een contant geldbedrag is evenmin door hem weersproken.\n\nLegale inkomsten van [naam 1]\n\nHet hof gaat – evenals het ontnemingsrapport – wat betreft het bedrag dat [naam 1] en de betrokkene aan legale inkomsten hebben gegenereerd uit van in totaal € 63.167,43.\n\n [naam 1] heeft legale inkomsten gehad uit prostitutiewerkzaamheden in Nederland. Voor een berekening van deze inkomsten worden de tijdens de doorzoeking in beslaggenomen aantekeningen van maart\u002Fapril 2012 en 18 mei tot en met 3 november 2011 als uitgangspunt genomen. Uit de aantekeningen, die op het woonadres van [naam 1] zijn aangetroffen, bleek dat [naam 1] in 28 dagen 185 klanten (is gemiddeld 6,6 klanten per dag) heeft ontvangen en in de tweede periode in 14 dagen 39 klanten (is gemiddeld 2,8 klanten per dag) heeft ontvangen. Gezien het grote verschil in aantal klanten tussen beide periodes wordt een gemiddelde als aanname genomen, dus ((6,6 + 2,8) \u002F 2 =) gemiddeld 4,7 (afgerond 5) klanten per dag. Tijdens de doorzoeking in de woning van [naam 1] werden aantekeningen aangetroffen die van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bleken te zijn. Uit deze aantekeningen bleek het gemiddelde aantal klanten van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] 5,4 klanten (14 dagen) en 7,3 klanten (71 dagen) per dag te zijn.\n\nVoor [naam 1], [benadeelde 1] en [benadeelde 2] betekent dit een gemiddeld aantal van (4,7 + 5,4 + 7,3 =) 17,4 \u002F 3 = 5,8 (afgerond 6) klanten per dag. Uitgaande van een verdienste van € 50,00 per klant betekent dit een bruto verdienste van (6 x 50,00 =) € 300,00 per dag.Aan de hand van deze aanwijzingen is een berekening gemaakt van het mogelijk door [naam 1] verdiende geld als prostituee. Daartoe werd in de plaatsen Haarlem, Utrecht en Eindhoven bij kamerverhuurbedrijven informatie betreffende de huur en de daaraan verbonden kosten van een kamer door [naam 1] opgevraagd.\n\nUit de opgevraagde informatie bleek het volgende.\n\nBij de weekhuur te Utrecht wordt ervan uitgegaan dat [naam 1] 6 dagen per week werkt. Met persoonlijke verzorging per dag wordt bedoeld de uitgaven voor bijvoorbeeld kleding, make-up, condooms en glijmiddel ten behoeve van haar werkzaamheden als prostituee. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat deze kosten ongeveer € 20,00 per dag bedragen. Hierbij zijn ook de kosten van het eten en drinken tijdens haar werk mee verrekend.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is dat de totale legale inkomsten van [naam 1] uitkomen op € 63.167,43 en zal dit bedrag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aftrek brengen op de hiervoor genoemde contante opbrengsten.\n\nHet verweer van de raadsman dat het bedrag aan legale inkomsten van [naam 1] hoger moet worden vastgesteld, wordt verworpen. Het aantal dagen waarop [naam 1] heeft gewerkt en het aantal klanten dat zij per dag heeft gehad, is gebaseerd op in haar eigen woning aangetroffen aantekeningen. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd waarom [naam 1] als prostituee méér klanten heeft gehad dan uit haar eigen aantekeningen blijkt en\u002Fof méér heeft verdiend per klant dan het gebruikelijke tarief van € 50,00. Ook is onvoldoende onderbouwd dat [naam 1] bedragen en sierraden van [naam 2] heeft gekregen.\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\nHet hof is van oordeel dat de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in de strafzaak – voor zover het materiële schade betreft en deze schade voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten – in mindering moeten worden gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat hierbij om een bedrag van in totaal (22.400 + 9.000 + 2.000 =) € 33.400,00. De bewezenverklaarde feiten in de strafzaak zijn voorafgaand aan de wetswijziging van 1 januari 2014 gepleegd, waardoor de voorwaarde dat de vorderingen door de betrokkene moeten zijn voldaan nog niet van toepassing is. Dit betekent dat het gezamenlijke wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en [naam 1] uitkomt op (269.342,57 - 33.400,00 =) € 235.942,57.\n\nToerekening\n\nDe betrokkene heeft met een ander, [naam 1], van strafbare feiten geprofiteerd. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. De betrokkene heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel en ook overigens zijn er geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de betrokkene en [naam 1] dan op basis van gelijke verdeling. Dit zou slechts anders zijn indien de betrokkene aannemelijk zou hebben gemaakt dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. Het hof zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen. Dit betekent dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene schat op (235.942,57 \u002F 2 =) € 117.971,28.\n\nVerplichting tot betaling aan de Staat\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat aan de\n\nbetrokkene de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 112.971,00.\n\nTer onderbouwing heeft zij aangevoerd dat in verband met de overschrijding van de redelijke termijn een bedrag van € 5.000,00 op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht bij de oplegging van de betalingsverplichting rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en daarom een korting toe te passen van 10 procent op het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene beschikt over onvoldoende draagkracht om aan de betalingsverplichting te kunnen voldoen en daarom verzoekt de raadsman tevens om een betalingsregeling van € 25,00 per maand.\n\nOordeel van het hof\n\nIn artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van 2 jaren per instantie als redelijk is aan te merken.\n\nIn eerste aanleg geldt als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in dit geval\n\nhet moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 25 februari 2015. De rechtbank heeft na ruim 6 jaren – namelijk op 16 maart 2021 – vonnis gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 4 jaren is overschreden.\n\nOp 19 maart 2021 is hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 8 april 2024 arrest, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 1 jaar is overschreden.\n\nGelet op de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep zal voor de betalingsverplichting een bedrag van € 5.000,00 in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof verwerpt het draagkrachtverweer. Op grond van hetgeen door de raadsman is aangevoerd en ook overigens is niet aanstonds aannemelijk geworden dat de betrokkene thans, noch naar redelijke verwachting in de toekomst, in het geheel niet in staat is en zal zijn aan de betalingsverplichting te voldoen.\n\nAan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (117.971,28 - 5.000 =) € 112.971,28.\n\nToepasselijk wettelijk voorschrift\n\nDe op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 117.971,28 (honderdzeventienduizend negenhonderdeenenzeventig euro en achtentwintig cent).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€ 112.971,28 (honderdtwaalfduizend negenhonderdeenenzeventig euro en achtentwintig cent).\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P. Greve en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 april 2024.\n\n=========================================================================\n\n […]\n\n Een proces-verbaal strafrechtelijk financieel onderzoek van 5 november 2014, inclusief bijlagen, door verbalisant [verbalisant] (hierna: het ontnemingsrapport).\n\n Ontnemingsrapport, par. 2.1 (pagina 2).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.6 (pagina 14).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.6 (pagina 14).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.6 (pagina 14).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 11).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 11).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 11).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 12). In deze tabel in het ontnemingsrapport wordt voor de periode van 18 november tot en met 7 december 2011 uitgegaan van 12 hele dagen en 4 halve dagen. Dit betekent een totaal van 14 (hele) dagen. In de tabel wordt dan ook ten onrechte uitgegaan van 16 (hele) dagen. Het aantal van 16 (hele) dagen leidt tot een bruto inkomen van (16 x € 300,00 =) € 4.800,00 (zoals vermeld in de tabel), terwijl het aantal van 14 (hele) dagen zou leiden tot een bruto inkomen van (slechts) (14 x € 300,00 =) € 4.200,00. In het voordeel van de betrokkene zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van 16 (hele) dagen.\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 13).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:990","2024-04-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.983Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":43,"courtId":185,"decisionDate":186,"fullText":187,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":188,"sourceTimestamp":186,"parsedAt":51,"updatedAt":189},"1516","ECLI:NL:RBZWB:2024:2165","ecli-nl-rbzwb-2024-2165",64,"2024-04-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nparketnummer: 02\u002F111820-23, 02\u002F252905-22 (tul)\n\nvonnis van de meervoudige kamer van 4 april 2024\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag 1] 1990 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [woonadres] ,\n\nraadsman mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 maart 2024. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie,\n\nmr. G. Smid, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I bij dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk, weergegeven op neer dat verdachte\n\nfeit 1: [slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd;\n\nfeit 2: [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel dat hij haar heeft mishandeld.\n\n3. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.\n\n4. De beoordeling van het bewijs4.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert vrijspraak voor feit 1, omdat in het dossier onvoldoende ondersteuning zit voor de aangifte van [slachtoffer] . De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde onder feit 2 bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] , haar letsel en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] .4.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging bepleit vrijspraak voor beide feiten, omdat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel.4.3. Het oordeel van de rechtbank4.3.1. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe bewijsmiddelen zijn in bijlage II bij dit vonnis opgenomen.4.3.2. \n\nDe bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nFeit 1\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat hij op 3 en 4 maart 2023 [slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] op die data bij verdachte in de auto heeft gezeten en dat zij enige tijd hebben rondgereden. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat dit tegen de wil van [slachtoffer] was. De verklaring van [slachtoffer] wordt weersproken door verdachte en op dit punt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van feit 1.\n\nFeit 2\n\n [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op 4 maart 2023 met verdachte in een auto zat op een parkeerplaats in Rotterdam. Verdachte heeft toen meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd geslagen. Vervolgens is [slachtoffer] uit de auto gestapt en is naar een geparkeerd busje gelopen, waar getuigen [getuige 2] en [getuige 1] in zaten. Getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben gezien dat verdachte en [slachtoffer] ruzie hadden in de auto en dat [slachtoffer] uit de auto is gestapt. Ze zagen dat er bloed uit het oor van [slachtoffer] kwam en dat er bloed boven haar oor en op haar hand zat. [getuige 2] heeft verder gezien dat [slachtoffer] haar hoofd vasthield toen ze uit de auto stapte. Getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben haar vervolgens afgezet bij [naam] , een vriendin van [slachtoffer] . [naam] heeft toen gezien dat het rechteroor van [slachtoffer] onder het bloed zat, dat er bloed op haar slaap en kleding zat en op haar voorhoofd een grote bult. [naam] heeft foto’s gemaakt van het letsel en heeft [slachtoffer] na ongeveer twee uur naar huis gebracht. De foto’s zijn niet pas twaalf uur later gemaakt, zoals door de verdediging naar voren is gebracht. Daarnaast past het letsel ook niet bij de verklaring van verdachte, dat [slachtoffer] bij het uit de auto stappen is gevallen. Dit is ook niet door de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] gezien, terwijl [getuige 2] verklaard dat hij haar zag uitstappen.\n\nUit de geneeskundige verklaring van 15 maart 2023 blijkt dat [slachtoffer] een bult op haar voorhoofd en een piep in haar oor heeft. Voor de piep in haar oor is ze verwezen naar een KNO-arts. [slachtoffer] is op 18 april 2023 in het Bravis ziekenhuis geweest. Daar is gebleken dat [slachtoffer] ernstige traumatische tinnitus en gehoorvermindering heeft. Voor dit letsel is het plaatsen van een hoortoestel noodzakelijk geweest.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is. De rechtbank is echter van oordeel dat haar verklaring door drie getuigen en de foto’s van het letsel wordt ondersteund. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meerdere keren op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde op zitting kan niet worden afgeleid dat [slachtoffer] een verleden kent met tinnitus en gehoorverlies. De rechtbank stelt vast dat het letsel is ontstaan doordat verdachte meerdere keren op haar hoofd heeft geslagen. Dat de geneeskundige verklaringen van enige tijd na het toebrengen van het letsel zijn, zoals door de verdediging naar voren gebracht, doet aan dat oordeel niets af. Het door de artsen geconstateerde letsel past bij de door verdachte verrichte geweldshandelingen en ook bij het letsel dat te zien is op de foto’s die [naam] kort na het incident heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of sprake is van zwaar lichamelijk letsel en vervolgens of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] .\n\nZwaar lichamelijk letsel\n\n [slachtoffer] heeft ernstige traumatische tinnitus en gehoorverlies opgelopen en daarvoor was het plaatsen van een hoortoestel noodzakelijk. Tinnitus heeft naar algemene ervaringsregels een beperkende en storende invloed op het gehoor, wat zijn weerslag heeft op het (beroepsmatig) functioneren en op het algehele welbevinden. Daarnaast is er geen uitzicht op (volledig) herstel. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Daarnaast is er voor wat betreft het gehoorverlies volgens de verklaringen het gebruik van een gehoorapparaat nodig en is er geen melding van mogelijkheid tot verbetering. Ook dit gehoorverlies wordt aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.\n\n(voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel\n\nUit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Er kan echter ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet.\n\n De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte meermalen met de vuist op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en het hoofd kwetsbare onderdelen zijn van het lichaam, door de zich daar bevindende (vitale) onderdelen zoals de slaap en de hersenen. Ook aan ogen en oren kan eenvoudig blijvend letsel worden toegebracht. De kans dat iemand die meermalen met de vuist op het hoofd wordt geslagen zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De handelingen van verdachte moeten naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden geacht daarop gericht te zijn geweest, aangezien verdachte meermalen met zijn vuist op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] en dat verdachte hier voorwaardelijk opzet op heeft gehad. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan zware mishandeling, zoals onder feit 2 primair ten laste is gelegd.4.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\n2\n\nop 4 maart 2023 te Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten perceptief gehoorverlies en traumatische tinnitus, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen met de vuist op\u002Ftegen het hoofd te stompen.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n5. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.\n\n6. De strafoplegging6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert hij aan verdachte op te leggen een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] voor twee jaar.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt rekening te houden met de toepassing van artikel 63 Sr en de omstandigheid dat verdachte werk heeft.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft zich op 4 maart 2023 schuldig gemaakt aan zware mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer] . Terwijl zij samen in de auto zaten, heeft hij meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd gestompt. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] tinnitus en gehoorverlies opgelopen. Zij draagt daarom inmiddels een hoortoestel. Uit het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat [slachtoffer] nog dagelijks last heeft van hoofdpijn, oorsuizen en dat zij moeite heeft met focussen. Daarnaast kan ze slecht slapen, heeft ze last van depressieve gevoelens en voelt zich onveilig. Volgens de GZ-psycholoog is sprake van een posttraumatische stressreactie en wordt er EMDR-therapie ingezet.\n\nDe rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de houding van verdachte. Hij heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Daarnaast blijkt uit zijn strafblad dat hij na deze mishandeling is veroordeeld voor een eerder gepleegd geweldsincident met een andere ex-partner. Hoewel van recidive strikt genomen geen sprake is, houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte vaker gewelddadig is geweest richting (ex-)partners en niet leert van optreden door politie en justitie. Artikel 63 Sr is voorts van toepassing.\n\nOok heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 12 maart 2024, waarin wordt geadviseerd aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd en een contactverbod met [slachtoffer] . Uit het rapport volgt dat de reclassering bij verdachte een patroon ziet ontstaan, waarbij hij gewelddadig gedrag laat zien richting ex-partners na het verbreken van een relatie. Het risico op geweldsrecidive wordt dan ook als gemiddeld tot hoog ingeschat. Volgens de reclassering is verdachte van mening dat het goed gaat in zijn leven en dat hij geen hulp nodig heeft. Zo heeft verdachte verteld dat hij met succes twee jaar onder schorsingstoezicht heeft gestaan en er geen problemen zijn op het gebied van middelengebruik. Na onderzoek van de reclassering blijkt echter dat het toezicht maar zeven maanden heeft geduurd, waarbij er in de laatste maanden zorgen waren over een terugval in alcohol- en drugsgebruik. Ook raakte verdachte uit beeld bij de reclassering en gaf hij slechts beperkt openheid over zijn sociaal netwerk en financiën. De afspraken rondom het inzetten van hulpverlening werden door verdachte afgehouden. Door de houding van verdachte ziet de reclassering geen mogelijkheid om met reclasseringstoezicht te werken aan gedragsverandering of verlaging van recidive. Het voortzetten van het contactverbod met [slachtoffer] is wenselijk.\n\nGelet op de aard en de ernst van het feit en de straffen die hiervoor in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Alles overziend acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Zij zal als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] opleggen.\n\nDe rechtbank zal niet overgaan tot de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] . Deze maatregel strekt ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten. Vereist is dat er sprake is van herhalingsgevaar. Nu uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte zich al een geruime tijd aan het contactverbod met [slachtoffer] heeft gehouden, is de rechtbank van oordeel dat het herhalingsgevaar als in dit wetsartikel vereist niet kan worden vastgesteld. Omdat een contactverbod wel nodig is voor de rust van [slachtoffer] wordt het contactverbod wel als bijzondere voorwaarde, als hiervoor vermeld, opgelegd.\n\n7. De benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 8.964,59, bestaande uit € 964,59 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit:\n\nreiskosten: € 459,69;\n\nkosten fysiotherapie: € 295,00;\n\ntoekomstige kosten fysiotherapie: € 200,00;\n\ntoekomstige reiskosten: € 9,90.\n\nMateriële schade\n\nDe gevorderde kosten voor de fysiotherapie en de reiskosten zijn voldoende onderbouwd en een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal het bedrag van\n\n€ 754,69 dan ook toewijzen.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige fysiokosten en reiskosten niet-ontvankelijk verklaren, nu dit onzekere toekomstige schade zou betreffen en beoordeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij zwaar is mishandeld door haar ex-partner. Hij heeft meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd geslagen. Hierdoor heeft de benadeelde partij ernstige tinnitus en gehoorverlies opgelopen en moet zij inmiddels een hoortoestel dragen. Tinnitus is een hinderlijke aandoening. Het heeft een beperkende en storende invloed op het gehoor, waardoor deze aandoening grote gevolgen heeft voor het dagelijks leven en het algehele welbevinden. Er is bij deze aandoening geen zicht op volledig herstel. Ook de afhankelijkheid van een gehoorapparaat is ingrijpend. Dit alles terwijl de benadeelde partij pas 29 jaar oud is.\n\nNaast lichamelijk letsel heeft de benadeelde partij ook geestelijk letsel. Er is sprake van een posttraumatische stressreactie, waarvoor EMDR wordt ingezet. De aard en de ernst van de normschending door verdachte brengt mee dat de relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in de eer of goede naam. Dit betekent dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt.\n\nGelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank de gevorderde vergoeding van een bedrag van € 8.000,00 billijk. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.\n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal € 8.754,69) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 4 maart 2023. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging\n\nDe officier van justitie heeft bij vordering van 20 februari 2024 gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van 12 juni 2023, ten uitvoer zal worden gelegd.\n\nOp zitting heeft de officier van justitie gevorderd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat deze voorwaardelijke straf al ten uitvoer is gelegd.\n\nDe rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie en zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt verdachte vrijvan het onder 1 tenlastegelegde feit;\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde feit 2 primair bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:\n\nfeit 2 primair:zware mishandeling;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;\n\n- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt als algemene voorwaarden:\n\n* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1995 te [geboorteplaats] , zo lang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nVordering tenuitvoerlegging (02\u002F252905-22)\n\n- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 02\u002F252905-22;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer]\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van\n\n€ 8.754,69, waarvan € 754,69 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;\n\n- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;\n\n- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\n- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 8.754,69 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;\n\n- bepaalt dat bij niet betaling 78 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;\n\n- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.E. de Boer, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en\n\nmr. L.H. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 april 2024.\n\nDe voorzitter en oudste rechter zijn niet in staat dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:2165","2026-07-13T00:29:24.977Z",17,20,[193,194,11,195,196,197,198,199],2026,2025,2023,2022,2018,2016,1993]