[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-data-protection-nl-2026":3},{"detail":4,"years":118},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":29,"page":14,"limit":117},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},116,"data-protection-nl","Data Protection","NL","2026-07-08T16:57:11.243Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":21},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63,73,82,90,99,109],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"962","ECLI:NL:CBB:2026:310","ecli-nl-cbb-2026-310","",58,"2026-06-29T00:00:00.000Z","beslissing\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F957\n\nbeslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen\n [naam] , te [vestigingsplaats] (stichting)\n\nen\n\nde minister (nu: de staatssecretaris) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur\n\n(gemachtigde: mr. W.J.C. Goorden)\n\nProcesverloop\n\nDe stichting heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 24 november 2025.\n\nDe minister heeft de vertrouwelijke versie van een gedingstuk ingezonden en meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van een aantal gegevens in dit stuk.\n\nHet betreft (delen van) het volgende stuk:\n\n- het rapport van bevindingen van 28 maart 2025 en de daarbij behorende bijlagen (rapport van bevindingen).\n\nDe stichting heeft bij brief van 18 juni 2026 gereageerd op het verzoek van de minister.\n\nOverwegingen\n\n1. Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van de Awb heeft het College mr. W.J.A.M. van Brussel opgedragen om als rechter-commissaris deze beslissing te nemen. De minister heeft vermeld dat in de ongelakte versie van het rapport van bevindingen de namen en woonadressen van kopers van honden zijn opgenomen. Daarnaast bevat de ongelakte versie volgens de minister onder meer namen van de honden, de nummers van de certificaten van deze honden, de chipnummers van deze honden en de data van vertrek van deze honden. Op basis van deze informatie over de hond kan de identiteit van de koper eenvoudig worden achterhaald. De minister doet wat deze gegevens betreft een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de kopers. De vertrouwelijkheid van de gegevens dient volgens hem te worden geëerbiedigd, omdat openbaarmaking van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor de koper zal kunnen leiden en ook een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer\n\n van de koper tot gevolg zal kunnen hebben, terwijl kennisneming van deze informatie door de stichting niet noodzakelijk is om haar belangen naar behoren te kunnen bepleiten.\n\n2 De stichting heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen het verzoek van de minister om alleen de gelakte documenten aan de stichting te verstrekken.\n\n3 Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een betrokkene onevenredig schaden.\n\n4 De rechter-commissaris heeft kennisgenomen van het, door de minister als vertrouwelijk ingediende, rapport van bevindingen, de daarbij gegeven motivering van zijn verzoek en de reactie daarop van de stichting. De rechter-commissaris is van oordeel dat de door de minister aangevoerde gronden in dit geval voldoende gewichtige redenen bevatten om de door haar verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd te achten en overweegt daartoe het volgende.\n\n5 Het rapport van bevindingen bevat persoonsgegevens en gegevens die herleidbaar zijn tot personen. Deze gegevens moeten in dit geval vertrouwelijk blijven, omdat onbeperkte kennisneming van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor betrokkenen zal kunnen leiden en een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer tot gevolg zal kunnen hebben. Daarnaast wordt de stichting door de beperkte kennisneming van het rapport van bevindingen niet beperkt in haar mogelijkheden om haar standpunten toereikend te kunnen bepleiten. De rechter-commissaris weegt daarbij mee dat de stichting heeft laten weten er geen bezwaar tegen te hebben dat deze (persoons)gegevens voor haar niet inzichtelijk zijn.\n\n6 Het College kan alleen met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van het rapport van bevindingen uitspraak doen. De Stichting heeft wel laten weten geen bezwaar te hebben tegen het verzoek van de minister, maar dat is iets anders dan het geven van toestemming. De stichting wordt daarom verzocht om binnen twee weken na heden schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van het rapport van bevindingen uitspraak doet op het beroep.\n\nBeslissing\n\nDe rechter-commissaris:\n\n- beslist dat de gevraagde beperking van de kennisneming van het rapport van bevindingen gerechtvaardigd is.\n\n- verzoekt de stichting om binnen twee weken na de verzending van deze beslissing schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van het rapport van bevindingen uitspraak doet op het beroep.\n\nDeze beslissing is genomen op 29 juni 2026 door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier.\n\nw.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. F.J.J. van West de Veer","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:310","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:56.702Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1699","ECLI:NL:RBROT:2026:7263","ecli-nl-rbrot-2026-7263",61,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F7371\n uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers\n\nen\n\nde Autoriteit Persoonsgegevens, de AP\n\n(gemachtigden: mr. A. Karimi en mr. J.M.A. Koster).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een klacht die eisers hebben ingediend bij de AP over de verwerking van persoonsgegevens door ING Bank N.V. (ING) bij contactloos betalen. De AP heeft, na vernietiging van een eerdere beslissing door de rechtbank, in een nieuwe beslissing op bezwaar geconcludeerd dat geen overtreding door ING van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) kan worden vastgesteld. Eisers zijn het met die conclusie oneens en stellen zich op het standpunt dat de AP nader onderzoek had moeten doen, zo nodig samen met andere toezichthouders.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de AP de klacht van eisers in passende mate heeft onderzocht en geen nader onderzoek heeft hoeven doen. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eisers hebben betaalrekeningen bij ING en zijn in het bezit van aan die rekeningen gekoppelde betaalpassen. In die betaalpassen zit een Near Field Communication-chip(NFC-chip) waardoor contactloos betalen mogelijk is. Eisers hebben ING verzocht om betaalpassen zonder NFC-chip te verstrekken, zodat ongeoorloofde betalingen en de uitwisseling van privacygevoelige gegevens kunnen worden tegengegaan. In een reactie heeft ING gesteld dat het verstrekken van betaalpassen zonder NFC-chip niet mogelijk is, maar dat de functie contactloos betalen op de betaalpassen van eisers is uitgeschakeld.\n\n2.1.. Eisers hebben in december 2022 een klacht ingediend bij de AP met betrekking tot de gegevensverwerking bij contactloos betalen door ING. Volgens eisers handelt ING in strijd met de AVG doordat NFC-chips in hun betaalpassen zitten die contactloos betalen mogelijk maken, ook als deze functie uitgeschakeld is. Eisers hebben hun klacht na indiening meerdere malen aangevuld, voor het laatst in december 2023.\n\n2.2.. De AP heeft bij besluit van 14 februari 2024 (primaire besluit) een beslissing genomen op de klacht van eisers. Daarin heeft de AP overwogen dat het verstrekken van betaalpassen met een NFC-chip door ING geen AVG-kwestie is. Ten aanzien van het standpunt van eisers dat ING met de gegevensverwerking bij het contactloos betalen in strijd handelt met de AVG, heeft de AP geconcludeerd dat op basis van de klacht nog geen overtreding kan worden vastgesteld of uitgesloten. Daarvoor is verder onderzoek nodig. De AP heeft als toezichthouder de taak om klachten te onderzoeken in de mate waarin dat gepast is. Als de AP niet direct kan vaststellen of een organisatie de AVG heeft overtreden, dan kijkt de AP aan de hand van bepaalde criteriaof zij de klacht verder gaat onderzoeken. De AP heeft ervoor gekozen om dat niet te doen, omdat zij onvoldoende efficiënt en effectief kan optreden. De AP zou om een overtreding van de AVG te kunnen vaststellen of uitsluiten moeten onderzoeken of en welke persoonsgegevens worden verwerkt bij het contactloos betalen, de rechtmatigheid van de eventuele verwerking van persoonsgegevens moeten onderzoeken en hiervoor informatie moeten vorderen bij ING en mogelijk onderzoek ter plaatse moeten doen. Dit onderzoek vraagt veel van de beperkte capaciteit en middelen die de AP tot haar beschikking heeft. Daarom heeft de AP besloten om geen verder onderzoek te doen. Bij besluit van 29 augustus 2024 op het bezwaar van eisers is de AP bij deze afdoening van de klacht gebleven.\n\n2.3.. Bij uitspraak van 23 april 2025heeft de rechtbank het besluit van 29 augustus 2024 vernietigd omdat de AP eisers ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase.\n\n2.4.. Met het bestreden besluit van 2 september 2025 heeft de AP een nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers genomen, na eisers eerst te hebben gehoord op de hoorzitting van 12 juni 2025. In het bestreden besluit komt de AP tot de conclusie dat zij de klacht in gepaste mate heeft onderzocht, maar dat op basis van het dossier geen overtreding door ING van de AVG kan worden vastgesteld.\n\n2.5.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De AP heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van de AP.\n\nStandpunt eisers\n\n3. Eisers stellen zich op het standpunt dat de AP hun AVG-klacht niet in gepaste mate heeft onderzocht. Op basis van wat eisers hebben aangevoerd blijkt al dat sprake is van overtreding van de AVG. De AP had nader onderzoek moeten doen op basis van de bewijzen en argumenten die eisers hebben aangevoerd en daarbij technische deskundigheid moeten betrekken. Eisers stellen daarnaast dat voor zover de klacht ziet op overtreding van wetten waarvoor de AP niet bevoegd is, zij verplicht was om afstemming te zoeken met andere toezichthouders of de zaak over te dragen.\n\nRelevante wet- en regelgeving\n\n4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHeeft de AP de AVG-klacht van eisers in passende mate onderzocht?\n\n5. Eisers dragen voor hun beroepsgrond dat de AP hun klacht niet in passende mate heeft onderzocht een aantal argumenten aan.\n\n5.1.. Eisers voeren in de eerste plaats aan dat zij hebben aangetoond, door middel van diverse tests, dat de NFC-chip niet veilig is. Zo kan er met geblokkeerde of verlopen passen worden betaald en bestaat er een risico van onbedoeld contactloos betalen. Volgens eisers heeft de AP die onveiligheid niet onderkend, waarbij eisers wijzen op onvoldoende technische deskundigheid bij de AP. Daarbij wijzen eisers erop dat de maatregelen, die ING neemt zoals autorisatie achteraf, niet altijd werken en dat ook blijkt uit daadwerkelijke afschrijvingen bij eisers. De informatie die ING daarover heeft gegeven is volgens eisers frauduleus, waarbij zij onder meer wijzen op onjuiste betaalkenmerken en pasnummers. Volgens eisers gaat de AP eraan voorbij dat het probleem zit bij de NFC-chip zelf. Het alternatief dat ING heeft geboden, namelijk kosteloos overstappen naar een andere bank, geeft eisers geen echte keuzevrijheid en neemt de onveiligheid daarmee niet weg.\n\n5.2.. Eisers voeren daarnaast aan dat er geen grondslag is voor de verwerking van hun persoonsgegevens en daarmee de verwerking in strijd is met artikel 6 van de AVG. Volgens eisers is bij een actieve betaalrelatie “uitvoering van een overeenkomst” de aangewezen grondslag. Zodra de pas echter is geblokkeerd, verlopen of de contactloosfunctie is uitgeschakeld, is de overeenkomst volgens eisers feitelijk geschorst of beëindigd. Evenmin geldt dan volgens eisers toestemming als grondslag. Daarmee vervalt volgens eisers de grondslag voor verwerking en is die verwerking onrechtmatig.5.3.. In het bestreden besluit heeft de AP toegelicht dat zij als toezichthouder de taak heeft de klacht van eisers te onderzoeken in de mate waarin dat gepast is. De AP wijst erop dat zij jaarlijks een groot aantal signalen en klachten ontvangt. Wat de beste aanpak is en hoeveel onderzoek er nodig is, verschilt per klacht. Kan de AP niet direct vaststellen of de organisatie de AVG heeft overtreden, dan kijkt de AP of zij de klacht verder gaat onderzoeken. De AP gebruikt daarvoor de hierboven genoemde criteria. Met het hanteren van deze werkwijze geeft de AP inzicht in de manier waarop bij klachten toezicht wordt gehouden op de naleving van voorschriften en op welke wijze zij de omvang van het onderzoek in gepaste mate bepaalt. De AP wijst er daarbij op dat haar werkwijze door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk is geacht.\n\n5.4.. Op basis van het bezwaarschrift van eisers, alle overgelegde stukken en wat is verhandeld tijdens de eerdere beroepsprocedure heeft de AP de zaak opnieuw beoordeeld en heeft zij het primaire besluit van 14 februari 2024 (opnieuw) heroverwogen. De AP concludeert in het bestreden besluit dat zij de AVG-klacht van eisers in gepaste mate heeft onderzocht en dat op basis van het dossier en de gevallen van gebruik van de betaalpas die eisers beschrijven geen overtreding van de AVG kan worden vastgesteld.\n\n5.5.. De rechtbank is van oordeel dat de AP de klacht in gepaste mate heeft onderzocht en dat zij zich in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat op basis van dat onderzoek geen overtreding door ING van de AVG kan worden vastgesteld. De rechtbank licht dit hierna toe.\n\n5.6.. Bij het gebruik van de betaalpassen worden de persoonsgegevens van eisers verwerkt door ING als verwerkingsverantwoordelijke. Artikel 32 AVG eist van verwerkingsverantwoordelijken om technische en organisatorische maatregelen af te stemmen op de risico’s met passende beveiligingsniveaus en daarbij rekening te houden met de beoordelingscriteria uit het eerste lid van die bepaling. De AP heeft de naleving van deze bepaling door ING getoetst aan de hand van de klacht en wat eisers naar voren hebben gebracht over gebruik van hun betaalpassen, afschrijvingen (bankafschriften en tijdlijnen) en de technische werking en risico’s van gebruik van NFC-chips. Daarnaast heeft de AP stukken en verklaringen van ING hierover beoordeeld en eisers in de gelegenheid gesteld om op de informatie van ING te reageren. Op basis van die informatie acht de AP niet onderbouwd dat sprake is geweest van per ongeluk contactloos betalen of een fout daaromtrent en leiden de gevallen van gebruik van hun betaalpassen die eisers hebben aangevoerd volgens de AP niet tot de conclusie dat ING artikel 32 van de AVG heeft overtreden.\n\n5.7.. De rechtbank overweegt dat eisers wel twijfels hebben geuit over de bevindingen van de AP en de onderliggende verklaringen en stukken van ING, maar zij hebben niet onderbouwd dat deze bevindingen van de AP of verklaringen van ING onjuist zijn, of zijn gebaseerd op valse informatie of onvoldoende technische kennis. Ten aanzien van de stelling van eisers dat de NFC-chip nog steeds werkt bij geblokkeerde of verlopen passen of waarvoor contactloos betalen is uitgezet en dit een risico is heeft de AP in het bestreden besluit toegelicht dat de AVG niet verlangt dat risico’s volledig worden weggenomenen risico’s ook met aanvullende maatregelen (zoals autorisatie achteraf, het verlangen van een pincode boven bepaalde bedragen en compensatie in geval van fraude) kunnen worden gemitigeerd. De AP merkt op dat haar ook in bredere zin geen signalen of klachten bekend zijn van problemen rondom betalingen met NFC-chips. Eisers hebben deze uitleg, die de rechtbank aannemelijk acht, niet gemotiveerd bestreden. De AP heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op basis van het dossier geen overtreding door ING van artikel 32 AVG kan worden vastgesteld.\n\n5.8.. Uit artikel 6, eerste lid, van de AVG volgt dat de verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig is indien en voor zover er een geldige grondslag voor verwerking is. De AP heeft op basis van de klacht van eisers en de verklaringen van ING mogelijke verwerkingsgrondslagen getoetst en geconcludeerd dat ING in algemene zin een grondslag heeft voor de verwerking van betalingsgegevens, namelijk een wettelijke verplichting. Daarnaast kunnen de verwerkingen mogelijk ook noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de overeenkomst of noodzakelijk zijn voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van ING of van een derde. Ook heeft de AP toegelicht dat uitdrukkelijke toestemming voor het uitvoeren van betalingen, al dan niet contactloos, niet vereist is en benadrukt dat klanten van ING zelf bepalen of zij een betaling wel of niet verrichten met gebruikmaking van een NFC-chip, namelijk door de bankpas bij het betaalapparaat te houden. Er zijn voldoende alternatieven en de AP is niet gebleken van de door eisers geschetste situatie van het tegen de wil contactloos betalen. De AP heeft vervolgens geconcludeerd dat zij op basis van de voorliggende feiten en omstandigheden dan ook niet heeft kunnen vaststellen dat ING zonder rechtsgeldige grondslag persoonsgegevens van eisers verwerkt.\n\n5.9.. Eisers hebben in beroep alleen de contractuele grondslag gemotiveerd betwist. De rechtbank kan daarover de uitleg van de AP volgen dat het uitzetten van contactloos betalen of het blokkeren van de pas primair betekenis heeft voor het contract tussen de bank en de rekeninghouder en de grondslag voor verwerking van persoonsgegevens niet wegneemt. De AP heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op basis van het dossier geen overtreding door ING van artikel 6 AVG kan worden vastgesteld\n\n5.10.. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft AP zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op basis van het dossier geen overtreding van de AVG kan worden vastgesteld en heeft zij mogen afzien van nader onderzoek.\n\nGestelde overtredingen van andere wetten en civielrechtelijke of consumentenrechtelijke kwesties\n\n6. De rechtbank gaat niet inhoudelijk in op andere overtredingen die ING volgens eisers heeft begaan, zoals fraude en valsheid in geschrifte. De AP is de privacy-toezichthouder in Nederland. De AP heeft alleen onderzoek gedaan naar de naleving van de AVG. De AP heeft beslist op een AVG-klacht van eisers en dat is dan ook het besluit dat de rechtbank beoordeelt. Voor melding van overtredingen van andere wetten kunnen eisers bij de politie\u002Fhet OM of andere toezichthouders zoals DNB en AFM terecht. De AP is anders dan eisers stellen niet gehouden om hierover afstemming te zoeken met andere toezichthouders, of om de klacht over te dragen aan andere toezichthouders.\n\n6.1.. Of ING eisers de keuze voor een betaalpas die niet geschikt is voor contactloos betalen moest bieden en of door dat niet te doen sprake is van koppelverkoop zijn, zoals de AP heeft aangegeven, geen AVG-kwesties. Ook daarop kan de rechtbank niet inhoudelijk ingaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de AP de klacht van eisers in passende mate heeft onderzocht en de AP geen nader onderzoek hoefde te doen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Kleinhout, voorzitter, en mr. J. Fransen en mr. S.M. Goossens, leden, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene verordening gegevensbescherming\n\nArtikel 5 Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens\n\n1. Persoonsgegevens moeten:\n\na. a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”);\n\n(…)\n\nArtikel 6 Rechtmatigheid van de verwerking\n\n1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:\n\n(…)\n\nb) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;\n\nc) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;\n\n(…)\n\nf) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.\n\n(…)\n\nArtikel 32 Beveiliging van de verwerking\n\n1. Rekening houdend met de stand van de techniek, de uitvoeringskosten, alsook met de aard, de omvang, de context en de verwerkingsdoeleinden en de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden van personen, treffen de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker passende technische en organisatorische maatregelen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen, die, waar passend, onder meer het volgende omvatten:\n\na)\n\nde pseudonimisering en versleuteling van persoonsgegevens;\n\nb)\n\n het vermogen om op permanente basis de vertrouwelijkheid, integriteit, beschikbaarheid en veerkracht van de verwerkingssystemen en diensten te garanderen;\n\nc)\n\n het vermogen om bij een fysiek of technisch incident de beschikbaarheid van en de toegang tot de persoonsgegevens tijdig te herstellen;\n\nd)\n\n een procedure voor het op gezette tijdstippen testen, beoordelen en evalueren van de doeltreffendheid van de technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van de verwerking.\n\n2. Bij de beoordeling van het passende beveiligingsniveau wordt met name rekening gehouden met de verwerkingsrisico's, vooral als gevolg van de vernietiging, het verlies, de wijziging of de ongeoorloofde verstrekking van of ongeoorloofde toegang tot doorgezonden, opgeslagen of anderszins verwerkte gegevens, hetzij per ongeluk hetzij onrechtmatig.\n\n(…)\n\nArtikel 57 Taken\n\n1. Onverminderd andere uit hoofde van deze verordening vastgestelde taken, verricht elke toezichthoudende autoriteit op haar grondgebied de volgende taken:\n\n(…)\n\nf) zij behandelt klachten van betrokkenen, of van organen, organisaties of verenigingen overeenkomstig artikel 80, onderzoekt de inhoud van de klacht in de mate waarin dat gepast is en stelt de klager binnen een redelijke termijn in kennis van de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek, met name indien verder onderzoek of coördinatie met een andere toezichthoudende autoriteit noodzakelijk is;\n\n(…)\n\n De AP heeft verwezen naar: https:\u002F\u002Fwww.autoriteitpersoonsgegevens.nl\u002Fbehandeling-van-klachten-door-de-ap\n\n Rechtbank Rotterdam 23 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5290.\n\n Artikel 57, eerste lid onder f van de AVG.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1535, r.o. 5.1 en 5.2. De AP wijst ook op Rechtbank Midden-Nederland 25 april 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:2531.\n\n Onder verwijzing naar Hof van Justitie van de Europese Unie 14 december 2023, C-340\u002F21, ECLI:EU:C:2023:986.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7263","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.212Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"609","ECLI:NL:RBAMS:2026:6299","ecli-nl-rbams-2026-6299",56,"2026-06-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nafdeling privaatrecht\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F13\u002F731682 \u002F HA ZA 23-329\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 9 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nSTICHTING INITIATIEVEN COLLECTIEVE ACTIES MASSASCHADE ICAM,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nadvocaat eerst mr. D.M. Linders, vervolgens mr. K.E.L. van Haastrecht (onttrokken), thans mr. S.T.L.A. Mulders te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nSTAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),\n\nzetelend te Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. G-J. Zwenne te Den Haag,\n\n2. de vereniging\n\nPUBLIEKE GEZONDHEID EN VEILIGHEID NEDERLAND,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\n3. de stichting\n\nSTICHTING PROJECTENBUREAU PUBLIEKE GEZONDHEID EN VEILIGHEID NEDERLAND,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\n4. […],\n\n5. de stichting\n\nSTICHTING LANDELIJKE COÖRDINATIE COVID-19 BESTRIJDING,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagden,\n\nadvocaat mr. E.P.M. Thole te Amsterdam,\n\n6. […],\n\n7. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD BRABANT-ZUIDOOST,\n\nzetelend te Eindhoven,\n\n8. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nDIENST GEZONDHEID & JEUGD ZUID-HOLLAND ZUID,\n\nzetelend te Dordrecht,\n\n9. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD DRENTHE,\n\nzetelend te Assen,\n\n10. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD FLEVOLAND,\n\nzetelend te Lelystad,\n\n11. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nVEILIGHEIDSREGIO FRYSLÂN,\n\nzetelend te Leeuwarden,\n\n12. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nVEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSREGIO GELDERLAND-MIDDEN (VGGM),\n\nzetelend te Arnhem,\n\n13. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD GELDERLAND-ZUID,\n\nzetelend te Nijmegen,\n\n14. […],\n\n15. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD GRONINGEN,\n\nzetelend te Groningen,\n\n16. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENSCHAPPELIJKE REGELING GEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST EN VEILIG THUIS HAAGLANDEN,\n\nzetelend te Den Haag,\n\n17. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD HART VOOR BRABANT,\n\nzetelend te 's-Hertogenbosch,\n\n18. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nREGIONALE DIENST OPENBARE GEZONDHEIDZORG HOLLANDS MIDDEN,\n\nzetelend te Leiden,\n\n19. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST HOLLANDS NOORDEN,\n\nzetelend te Alkmaar,\n\n20. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD IJSSELLAND,\n\nzetelend te Zwolle,\n\n21. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nVEILIGHEIDSREGIO KENNEMERLAND,\n\nzetelend te Haarlem,\n\n22. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nVEILIGHEIDSREGIO LIMBURG-NOORD,\n\nzetelend te Venlo,\n\n23. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD NOORD- EN OOST-GELDERLAND,\n\nzetelend te Apeldoorn,\n\n24. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD REGIO UTRECHT,\n\nzetelend te Zeist,\n\n25. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD ROTTERDAM-RIJNMOND,\n\nzetelend te Rotterdam,\n\n26. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nSAMENTWENTE,\n\nzetelend te Enschede,\n\n27. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD WEST-BRABANT,\n\nzetelend te Breda,\n\n28. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD ZAANSTREEK-WATERLAND,\n\nzetelend te Zaandam,\n\n29. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST ZEELAND,\n\nzetelend te Goes,\n\n30. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST ZUID-LIMBURG,\n\nzetelend te Heerlen,\n\n31. […],\n\n32. […],\n\n33. […],\n\n34. […],\n\ngedaagden,\n\nadvocaat mr. B.J.P.G. Roozendaal te Breda.\n\nPartijen zullen hierna ICAM, de Staat, GGD GHOR (de van gedaagden 2 tot en met 5 resterende gedaagden) en de GGD’en c.s. (de van gedaagden 6 tot en met 34 resterende gedaagden) worden genoemd.\n\nPartijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank op de zitting in aanwezigheid van partijen de volgende mondeling uitspraak gedaan.\n\n1. Inleiding\n\n1.1.. Deze uitspraak betreft een einduitspraak in de zaak die gaat over de persoonsgegevens van de personen die zich tijdens de coronapandemie door de GGD’en hebben laten testen en\u002Fof vaccineren en over de persoonsgegevens van personen naar wie door de GGD’en tijdens de coronapandemie een bron- en contactonderzoek is ingesteld.\n\n1.2.. Zoals in het tussenvonnis van 17 juli 2024(hierna: het eerste tussenvonnis) uiteen is gezet, staat vast dat er medewerkers van de GGD’en zijn geweest die toegang hadden tot de IT-systemen en die persoonsgegevens ter beschikking hebben gesteld aan derden, wat is aangeduid als het ‘coronadatalek’.\n\n1.3.. ICAM heeft ten behoeve van de personen die zich tijdens de coronapandemie hebben laten testen en\u002Fof vaccineren en\u002Fof die onderwerp van een bron- en contactonderzoek zijn geweest, vorderingen (A. t\u002Fm Q.) ingesteld tegen een aantal gedaagden, onder wie de GGD’en. Insteek van de procedure was dat de gedaagde partijen worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, niet alleen aan de personen van wie vaststaat dat hun persoonsgegevens aan derden zijn verstrekt, maar ook aan iedereen die moet vrezen dat zijn persoonsgegevens in verkeerde handen zijn gevallen, wat volgens ICAM geldt voor iedereen die gegevens aan een GGD heeft verstrekt.\n\n2. Het eerste tussenvonnis\n\n2.1.. In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank de nauw omschreven groep van personen voor wie ICAM optreedt, vastgesteld:\n\na) alle natuurlijke personen van wie persoonsgegevens zijn verwerkt in één van of beide GGD-systemen in de periode tussen ingebruikname daarvan in verband met de bestrijding van corona en 1 februari 2021, bijvoorbeeld omdat zij een afspraak hebben gemaakt bij een GGD om te testen of vaccineren in verband met corona of omdat zij onderdeel zijn geweest van bron- en contactonderzoek in verband met corona, met uitzondering van de personen die deel uitmaken van Groep B (“Groep A”);\n\nb) alle natuurlijke personen van wie persoonsgegevens zijn verwerkt in één van of beide GGD-systemen in de periode tussen ingebruikname daarvan in verband met de bestrijding van corona en 1 februari 2021, bijvoorbeeld omdat zij een afspraak hebben gemaakt bij een GGD om te testen of vaccineren in verband met corona of omdat zij onderdeel zijn geweest van bron- en contactonderzoek in verband met corona, en waarvan vaststaat of zal worden vastgesteld dat hun persoonsgegevens als gevolg van het GGD-datalek door ongeautoriseerde personen zijn ingezien of bij ongeautoriseerde personen in handen zijn gekomen, zoals door het ongeoorloofd inzien, downloaden, exporteren, printen, kopiëren, fotograferen en\u002Fof aanbieden, verhandelen, ontvangen of op andere wijze delen van de persoonsgegevens (“Groep B”).\n\n2.2.. Daarnaast heeft de rechtbank ICAM in haar vorderingen tegen enkele gedaagden niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze gedaagden geen gegevens hebben verwerkt met de bij het coronadatalek betrokken systemen CoronIT en HPZone Lite (r.o. 5.19.3).\n\n2.3.. \n\nOok heeft de rechtbank alle vorderingen strekkende tot het verkrijgen van schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.\n\nEen deel van deze vorderingen was gegrond op de vrees dat gegevens in verkeerde handen zouden kunnen komen, zonder dat vast was komen te staan dat dit laatste het geval was (Groep A). Uit Europese rechtspraak kan echter worden afgeleid dat een (immateriële) schadevergoeding uitsluitend kan worden toegekend aan personen jegens wie niet alleen een inbreuk op de AVGis gemaakt, maar die door die inbreuk ookdaadwerkelijkschade hebben geleden. De schadevergoedingsvorderingen, voor zover die zagen op de gestelde immateriële schade en de schade van Groep A, waren in zoverre dan ook niet-ontvankelijk (r.o. 5.20.8 tot en met 5.20.17).\n\nHet overige deel van de schadevergoedingsvorderingen was gegrond op de vaststelling dat de gegevens van die personen in verkeerde handen zijn gekomen (Groep B). Aan die personen is evenwel een financiële tegemoetkoming aangeboden, die door de meeste benadeelden is geaccepteerd, waarmee zij ook afstand hebben gedaan van een vordering tot schadevergoeding. Zodoende bleef er slechts een beperkte groep van benadeelden over. Omdat ICAM niet aannemelijk had gemaakt dat zij voor die groep representatief was, is ICAM ook in haar vordering tot schadevergoeding voor deze beperkte groep niet-ontvankelijk verklaard (r.o. 5.20.18 tot en met 5.20.20).\n\n2.4.. Gelet op het voorgaande is ICAM uitsluitend in de vorderingen K. en L. ontvankelijk verklaard. De vorderingen onder K. behelzen verklaringen voor recht dat (verwerkingsverantwoordelijke) gedaagden in strijd handel(d)en met onder meer diverse bepalingen uit het EVRM, het Handvesten de AVG en jegens de gedupeerden onrechtmatig handel(d)en op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat deze gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle door het coronadatalek veroorzaakte schade. De vorderingen onder L. zijn\u002Fwaren erop gericht die strijd\u002Finbreuken te beëindigen en om de beveiligingsmaatregelen te (laten) verbeteren.\n\n2.5.. De rechtbank heeft ICAM op de voet van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevolen om bij akte toe te lichten welk belang zij nog had bij die vorderingen onder K. en om toe te lichten welke van de onder vordering L. bedoelde inbreuken thans nog aanwezig zijn en waaruit dat blijkt (r.o. 5.21.2 en 5.21.3).\n\n2.6.. In dit eerste tussenvonnis is tot slot ook een groot deel van de incidentele vorderingen afgewezen en is ICAM ten aanzien van de resterende incidentele vorderingen opgedragen toe te lichten welk van de gedaagden over de gevraagde stukken beschikt en of die stukken niet al dan niet in het kader van de Wet open overheid zijn opgevraagd of opgevraagd konden worden en, indien opgevraagd, met welk resultaat (r.o. 6.1 tot en met 6.5).\n\n2.7.. De rechtbank heeft tegen het eerste tussenvonnis tussentijds hoger beroep opengesteld (r.o. 7.1). ICAM heeft hiervan gebruik gemaakt, maar heeft het door haar ingestelde hoger beroep later weer ingetrokken.\n\n3. Het tweede tussenvonnis\n\n3.1.. Nadat de rechtbank bij rolbeslissing van 19 maart 2025, het verzoek van ICAM tot heroverweging van het eerste tussenvonnis had afgewezen, heeft de rechtbank op 18 juni 2025 een tweede tussenvonnisgewezen.\n\n3.2.. In dit tweede tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat de vraag of ICAM nog belang heeft bij het gevorderde onder K. en L. en wie er nu precies verwerkingsverantwoordelijke is, bij de inhoudelijke behandeling aan de orde zal komen (r.o. 2.6 en r.o. 2.7).\n\n3.3.. De rechtbank heeft verder bepaald wat de collectieve vordering precies inhoudt, namelijk “dat [wat] wordt gevorderd onder K.I tot en met K.III en L., voor zover deze vorderingen geen betrekking hebben op de schadelijke gevolgen van het coronadatalek.” Deze afbakening had tot gevolg dat het gevorderde onder K.IV (in het vonnis staat abusievelijk L.IV) geen onderdeel meer uitmaakte van ‘dat wat de collectieve vordering precies inhoudt’ (r.o. 2.9 en 2.10).\n\n3.4.. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het niet zinvol is om personen, behorende tot de (in het eerste tussenvonnis vastgestelde) nauw omschreven groep voor wie ICAM optreedt, in de gelegenheid te stellen zich te onttrekken aan de collectieve belangenbehartiging (‘opt-out’) en\u002Fof om personen, behorende tot de nauw omschreven groep, maar die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben, in de gelegenheid te stellen zich bij die vorderingen aan te sluiten (‘opt-in’). Hiertoe is overwogen dat leden van de nauw omschreven groep in relatie tot de vorderingen onder K. en L. geen belang bij ‘opt-in’ hebben, omdat uit de toewijzing van deze vordering voor hen geen persoonlijke aanspraak jegens een van gedaagden kan voortvloeien. Evenmin is er belang bij ‘opt-out’, omdat zij geen nadeel kunnen ondervinden van de toe- of afwijzing van het gevorderde. Het gaat hier om een algemeen belang. Er is daarom geen belang bij de nauw omschreven groep bij ‘opt-out’ dan wel ‘opt-in’. De rechtbank heeft daartoe dan ook geen gelegenheid gegeven (r.o. 2.20).\n\n3.5.. De rechtbank heeft in dit tweede tussenvonnis tot slot de resterende incidentele vorderingen afgewezen, omdat niet gebleken is dat ICAM nog enig rechtmatig belang had bij de verzochte stukken (r.o. 2.21 ev.).\n\n4. Eisvermindering\n\n4.1.. Na het tweede tussenvonnis heeft ICAM haar eis bij akte verminderd en het gevorderde onder L. ingetrokken. Zij merkt daarover het volgende op: “Deze onderdelen van de eis zijn door tijdverloop ingehaald. Inmiddels hebben gedaagden, naar eigen zeggen, maatregelen genomen om de beveiliging van overheidssystemen op een voldoende niveau te brengen en een dergelijk datalek in de toekomst te voorkomen. Daarnaast hebben gedaagden unaniem aangegeven dat de betreffende IT-systemen, CoronlT en HPZone Lite niet meer gebruikt worden en zijn vervangen door nieuwe en beter beveiligde systemen. Deze combinatie van feiten en de verdere ontwikkelingen in deze procedure hebben ICAM doen besluiten tot intrekking van voormelde eisen.”\n\n5. De beoordeling van het gevorderde onder K.I tot en met K.III\n\n5.1.. Gelet op al het voorgaande, ligt in de eerste plaats ter beoordeling voor of ICAM nog belang heeft bij het gevorderde onder K.I tot en met K.III, in welke vorderingen de antwoorden op de volgende vragen besloten liggen:\n\nWie is of zijn de verwerkingsverantwoordelijke(n) van CoronIT en HPZone Lite?\n\nZijn er door de verwerkingsverantwoordelijke(n) wettelijke of verdragsbepalingen geschonden en is door hen onrechtmatig gehandeld jegens gedupeerden?5.2.. ICAM heeft over haar belang bij de vorderingen K.I tot en met K.III (al dan niet herhaald) gesteld dat de gedupeerden, na het verkrijgen van de gevorderde verklaringen voor recht, in een eigen procedure hun materiële en immateriële schade kunnen verhalen. In die procedures is een inhoudelijk oordeel over de vraag of er sprake is van een inbreuk op (onder meer) de AVG en\u002Fof een onrechtmatige daad dan niet langer nodig. 5.3. Zowel de Staat, GGD GHOR als de GGD’en c.s. betwisten dat ICAM nog belang heeft bij deze vorderingen. GGD GHOR heeft hierbij toegelicht dat zij niet verwacht dat gegevens van personen uit Groep A als gevolg van de datadiefstal in verkeerde handen zijn gekomen, aangezien inmiddels een periode van ruim vier jaar is verstreken sinds de datadiefstal en bij diverse zoektochten op het (dark)web tot heden geen gegevens zijn aangetroffen. Bovendien hadden individuen zich intussen al lang kunnen melden indien zij schade hadden geleden als gevolg van de datadiefstal. Ruim vier jaar na dato, is nog steeds niet gebleken dat meer personen zijn betrokken bij de datadiefstal dan die een financiële tegemoetkoming aangeboden hebben gekregen, aldus GGD GHOR.\n\n5.4.. De rechtbank overweegt als volgt.\n\n5.4.1.. De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat er personen zijn die door het coronadatalek (daadwerkelijk) schade hebben geleden en die met behulp van de in dit geding uit te spreken verklaringen voor recht op eenvoudiger wijze dan zonder deze verklaringen voor recht hun schade zouden kunnen vorderen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ICAM concreet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de stelling van GGD GHOR dat er tot op heden, dus na het verstrijken van een periode van vier jaar, niet is gebleken dat er gegevens van groep A in verkeerde handen zijn gekomen en evenmin dat individuen, die niet financieel zijn gecompenseerd, inmiddels schadevergoedingsvorderingen hebben ingesteld.5.5.. \n\nICAM heeft vandaag naar voren gebracht dat er niet alleen sprake is van een datalek, maar dat zij ook heeft gewezen op de beveiligingskwetsbaarheid. Die is in het eerste tussenvonnis buiten beschouwing gelaten. Uit die beveiligingskwetsbaarheid vloeit voort dat 6,5 miljoen Nederlanders de controle over hun gegevens zijn verloren en dus moeten vrezen voor misbruik van hun gegevens.\n\nVerder heeft ICAM aangevoerd dat gedupeerden op grond van artikel 79 AVG het recht hebben een voorziening in rechte te vragen. Zij leidt daaruit af dat gedupeerden een immaterieel belang hebben bij het gevorderde onder K.I tot en met K.III.\n\n5.6.. \n\nBeide argumenten zijn in relatie tot het belang van ICAM bij de vorderingen K.I tot en met K.III niet eerder aangevoerd, terwijl de rechtbank ICAM bij akte in de gelegenheid had gesteld haar belang bij die vorderingen (en haar vordering onder L.) te onderbouwen. De rechtbank acht het in strijd met de goede procesorde dat ICAM ter onderbouwing van haar belang nu nog met deze grotendeels nieuwe juridisch inhoudelijke argumenten komt en zal deze alleen al daarom buiten beschouwing laten.\n\nBovendien komt de aangevoerde beveiligingskwetsbaarheid en het daaruit voortvloeiende verlies van controle in wezen (opnieuw) neer op de vrees voor een inbreuk en niet de vrees na een vastgestelde inbreuk. In genoemd tussenvonnis ging het om verlies van controle over persoonsgegevens door het datalek (r.o. 5.20.8); die vrees is niet anders bij verlies van controle over persoonsgegevens door een beveiligingskwetsbaarheid. De rechtbank heeft in het eerste tussenvonnis geoordeeld dat die vrees geen recht geeft op schadevergoeding, zodat ICAM in haar schadevergoedingsvordering met betrekking tot de benadeelden van groep A (6,5 miljoen Nederlanders) niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank blijft bij dat oordeel. Dat oordeel brengt met zich dat een verklaring voor recht die er op berust dat dat sprake was van een beveiligingskwetsbaarheid ook in een individuele procedure niet leidt tot toewijsbaarheid van schadevergoeding, zodat ook bij een dergelijke verklaring voor recht geen belang bestaat.\n\n5.6.1.. De conclusie is dat bij een toewijzing van het gevorderde onder K.I tot en met K.III onvoldoende is gebleken van een belang als bedoeld in artikel 3:303 BW.\n\n5.6.2.. Overigens stuit het gevorderde om dezelfde redenen ook af op het bepaalde in artikel 1018c lid 5, aanhef en onder b, Rv, waarin is bepaald dat een inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering slechts plaatsvindt “indien en nadat de rechter heeft beslist dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben.”\n\n5.6.3.. Bij de hiervoor geschetste stand van zaken kan het “aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt”onvoldoende concreet worden vastgesteld en kan overigens evenmin worden vastgesteld dat het beoordelen van de collectieve vorderingen onder K.I tot en met K.III efficiënter en effectiever zal zijn dan de eventuele individuele procedure(s) die mogelijk nog gaat\u002Fgaan worden gevoerd. Daarmee kan niet worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van die vorderingen.\n\n5.7.. Gelet op het voorgaande moeten de vorderingen K.I tot en met K.III worden afgewezen.\n\n6. Kostenveroordeling\n\n6.1.. ICAM is in deze procedure in het ongelijk gesteld; geen van haar vorderingen is toegewezen. ICAM zal daarom in de kosten worden veroordeeld.\n\n6.2.. De rechtbank merkt hierbij op dat zij geen gebruik zal maken van de in artikel 1018l Rv geregelde bevoegdheid om als summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken, de salarissen van de advocaat van de wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij maximaal te vervijfvoudigen. De belangrijkste vraag in dit geding was immers de vraag of en in welke mate immateriële schade van de benadeelden in groep A voor vergoeding in aanmerking zou komen. Dit was een vraag die ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog niet zodanig duidelijk was dat toen al de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering duidelijk kon zijn. De in het eerste tussenvonnis in de randnummers 5.20.8-5.20.17 genoemde rechtspraak van het HvJ EUdateert van na de datum van de dagvaarding.\n\n6.3.. De hiervoor onder 6.1 bedoelde kostenopgave luidt zowel voor de Staat als voor GGD GHOR als volgt.\n\nGriffierecht\n\nEUR 8.519,00\n\nConclusie van antwoord deel I\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nMondelinge behandeling van 22 april 2024\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nAkten van 12 februari 2025 en 9 april 2025\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nConclusie van antwoord deel II\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nMondelinge behandeling van 9 juni 2026\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nNakosten\n\nEUR 189,00\n\nTotaal\n\nEUR 31.863,00\n\n6.4.. De hiervoor onder 6.1 bedoelde kostenopgave luidt voor de GGD’en c.s. als volgt.\n\nGriffierecht\n\n23\u002F29ste deel van EUR 8.519,00\n\nEUR 6.756,49\n\nConclusie van antwoord deel I\n\n23\u002F29ste deel van EUR 4.631,00 (een punt, tarief VIII)\n\nEUR 3.672,86\n\nMondelinge behandeling van 22 april 2024\n\n23\u002F29ste deel van EUR 4.631,00 (een punt, tarief VIII)\n\nEUR 3.672,86\n\nAkten van 12 februari 2025 en 9 april 2025\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nConclusie van antwoord deel II\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nMondelinge behandeling van 9 juni 2026\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nNakosten\n\nEUR 189,00\n\nTotaal\n\nEUR 28.184,21\n\nBij de eerste drie posten wordt ook verwezen naar het eerste tussenvonnis, onder 5.19.4.\n\n6.5.. De verhoging van de nakosten en de gevorderde wettelijke rente zijn toewijsbaar zoals vermeld in de beslissing.\n\n7. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n7.1.. wijst het gevorderde onder K.I tot en met K.III af;\n\n7.2.. wijst (ook) het meer of anders gevorderde af;7.3.. veroordeelt ICAM in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van zowel de Staat als GGD GHOR begroot op EUR 31.863,00 en aan de zijde van de GGD’en c.s. op EUR 28.184,21, steeds te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als ICAM niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet zij EUR 98,00 extra betalen plus de kosten van betekening7.4.. veroordeelt ICAM in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n7.5.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. H.J.H. van Meegen en mr. A.J. Scheijde, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzitter.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2024:4264\n\n Algemene verordening gegevensbescherming\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie\n\n ECLI:NL:RBAMS:2025:3155\n\n ECLI:NL:RBAMS:2025:4192\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6299","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.115Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":43,"courtId":77,"decisionDate":78,"fullText":79,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":81},"1100","ECLI:NL:RBGEL:2026:5268","ecli-nl-rbgel-2026-5268",60,"2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: 12094421 \\ CV EXPL 26-1376\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde eiser] ,\n\ntegen\n\nTHUISWINKEL.ORG,\n\ngevestigd te Ede,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Thuiswinkel,\n\ngemachtigde: mr P.A.H.S. Martens en mr. V.H. Romviel (Thuiswinkel.org).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 januari 2026; - de conclusie van antwoord;\n\n- de akte uitlating betaling griffierecht van [de eiser] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. \n [de eiser] vordert - samengevat - dat Thuiswinkel wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis een volledige inzage in zijn persoonsgegevens te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en dat Thuiswinkel wordt veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 500,-, vermeerderd met rente en kosten.\n\n2.2.. \n [de eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij op 20 november 2025 een verzoek tot inzage in zijn persoonsgegevens heeft ingediend bij Thuiswinkel. Hij heeft, ondanks herhaaldelijke herinnering, geen volledige inzage gegeven. De volhoudende weigering van Thuiswinkel om volledig en juist te reageren op zijn verzoek zorgt onder andere voor onzekerheid over de verwerking van zijn persoonsgegevens, verlies van controle over zijn eigen gegevens, stress en een gevoel van rechtsongelijkheid en machteloosheid. De daardoor ontstane schade moet Thuiswinkel vergoeden.\n\n2.3.. Thuiswinkel voert verweer. Zij voert in eerste instantie aan dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 45 lid 3 sub b Rv en artikel 21 Rv nietig is en [de eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zo heeft [de eiser] niet zijn volledige voornamen vermeld in de dagvaarding, ontbreekt een machtiging van zijn gemachtigde [gemachtigde eiser] (hierna: [gemachtigde eiser] ), is het niet zeker dat [gemachtigde eiser] in onderhavige zaak de gemachtigde van [de eiser] is en zijn er twijfels of [de eiser] echt bestaat. Voor het geval het voorgaande niet slaagt voert Thuiswinkel aan de dat de vorderingen van [de eiser] moeten worden afgewezen. Hij gebruikt het recht op inzage voor andere doeleinden dan gegevensbescherming, waardoor hij misbruik maakt van zijn recht op inzage, zijn recht om een gerechtelijke procedure te starten en niet integer handelt.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling\n\nNietigheid dagvaarding\n\n3.1.. Artikel 45 Rv geeft het minimum weer waaraan de inhoud van een exploot moet voldoen. Zo dient op grond van lid 3 sub b van voornoemd artikel een exploot ten minste de naam, en in geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen, en de woonplaats van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt te vermelden. In dat kader voert Thuiswinkel aan dat [de eiser] niet zijn volledige voornamen heeft vermeld in de dagvaarding; zijn tweede voornaam ‘ [voornaam eiser] ’ ontbreekt en alleen zijn eerste naam ‘ [voornaam eiser] ’ is vermeld. De dagvaarding is daarom nietig.\n\n3.2.. De kantonrechter gaat hier in eerste instantie aan voorbij. Op grond van artikel 66 Rv leidt de niet naleving van hetgeen in afdeling 6 van titel 1 van boek 1, en dus onder andere in artikel 45 Rv, is voorgeschreven slechts tot nietigheid voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek onredelijk is benadeeld. Thuiswinkel is in het geding verschenen en gesteld nog gebleken is dat zij onredelijk is benadeeld. Daarnaast wordt ook verwezen naar hetgeen in rov. 3.13. wordt overwogen over de identiteit van [de eiser] .\n\nGriffierecht\n\n3.3.. Uit hoofde van artikel 3 lid 1 Wgbz is een eisende partij in een civiele procedure voor de kantonrechter een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel moet de eiser ervoor zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerst dienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Die termijn liep af op 11 maart 2026. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht op 23 maart 2026 is betaald.\n\n3.4.. Bij niet tijdige betaling van het griffierecht wordt Thuiswinkel van de instantie ontslagen (artikel 127a lid 2 Rv). Deze consequentie wordt buiten toepassing gelaten als de rechter van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (artikel 127a lid 3 Rv).\n\n3.5.. \n [de eiser] is in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken waarom het verschuldigde griffierecht te laat is betaald. [de eiser] stelt bij akte dat het griffierecht te laat is betaald, omdat de factuur voor het griffierecht door hem of zijn gemachtigde niet (tijdig) is ontvangen. De factuur is verstuurd naar een onjuist adres. Zijn gemachtigde heeft contact opgenomen met de financiële afdeling van de rechtbank, wegens het uitblijven van de factuur. Na ontvangst van de factuur is het griffierecht alsnog onverwijld voldaan.\n\n3.6.. De kantonrechter heeft het door [de eiser] gestelde gecontroleerd in de administratie van de griffie en daaruit blijkt dat de factuur inderdaad niet naar het adres van de gemachtigde van [de eiser] is gestuurd. De kantonrechter is van oordeel dat op grond daarvan het niet aan [de eiser] te wijten is dat het griffierecht niet tijdig is betaald. Thuiswinkel zal daarom niet van de instantie worden ontslaan.\n\nVerkeerd inleidend processtuk\n\n3.7.. Een procedure dient te worden ingeleid met een dagvaarding, tenzij uit de wet voortvloeit dat dit met een verzoekschrift moet worden gedaan. Op grond van artikel 69 Rv is de kantonrechter verplicht, ook zonder een daartoe strekkend verweer, te onderzoeken of de procedure met het juiste processtuk aanhangig is gemaakt. Indien de kantonrechter vervolgens constateert dat de zaak op het verkeerde ‘spoor’ zit, dient hij de wissel om te zetten en ervoor zorg te dragen dat de procedure wordt doorgeleid naar het juiste spoor.\n\n3.8.. De vordering van [de eiser] gaat onder andere om het verstrekken van volledige inzage in de persoonsgegevens op grond van artikel 15 AVG. Voor deze zaken is op grond van artikel 35 UAVG een verzoekschriftprocedure voorgeschreven. De kantonrechter is daarom voorlopig van oordeel dat [de eiser] deze zaak dus niet met een dagvaarding had moeten inleiden, maar met een verzoekschrift.\n\n3.9.. Op basis van het voorgaande is de kantonrechter voornemens om op grond van artikel 69 Rv een zogenoemde ‘spoorwissel’ toe te passen. Dit houdt in dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. De kantonrechter geeft partijen eerst de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over dit voornemen.\n\nDe kantonrechter is niet bevoegd\n\n3.10.. Naast dat de procedure met een verkeerd processtuk is ingeleid, is de kantonrechter voorlopig ook van oordeel dat hij niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en dat de zaak moet worden verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Op grond van artikel 42 Wet op de rechterlijke organisatie is het uitganspunt dat verzoekschriften in eerste aanleg behandeld worden door de rechtbank, tenzij in de wet is bepaald dat de kantonrechter deze mag behandelen. Dit laatste is niet het geval voor verzoeken op grond van de AVG.\n\n3.11.. De kantonrechter is daarom voornemens om deze procedure te verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, locatie Arnhem. Voordat de kantonrechter hierover beslist, worden partijen ook in de gelegenheid gesteld om zich over de voorgenomen verwijzing uit te laten.\n\n3.12.. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het op grond van artikel 35 lid 4 UAVG voor partijen, zoals normaal gesproken wel het geval is, niet verplicht is om zich bij de kamer voor andere zaken dan kantonzaken te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Partijen mogen dus, als zij dat wensen, zelf zonder bijstand van een advocaat procederen bij deze afdeling.\n\nIdentiteit [de eiser] en zijn gemachtigde\n\n3.13.. Thuiswinkel voert gemotiveerd aan dat [de eiser] niet eerlijk is over zijn identiteit en intenties en over die van zijn gemachtigde [gemachtigde eiser] . Zo ontbreekt een machtiging van [gemachtigde eiser] , heeft [de eiser] niet zijn volledige voornamen vermeld, procedeert [de eiser] in feite in persoon en worden haar leden in afwisselende constructies (indirect) met [de eiser] en zijn gemachtigde [gemachtigde eiser] geconfronteerd. Volgens Thuiswinkel moet [de eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze verweren van Thuiswinkel zien voor een heel groot deel ook op de inhoudelijke beoordeling. De kantonrechter is, zoals hiervoor voorlopig is geoordeeld, niet bevoegd om (inhoudelijk) van de zaak kennis te nemen. Als de kantonrechter de zaak verwijst, dan zal een rechter van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank hierop nader ingaan. De kantonrechter laat de stellingen hieromtrent daarom vooralsnog buiten beschouwing.\n\n3.14.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 1 juli 2026voor het nemen van een akte door beide partijen, waarbij zij (gelijktijdig) gelegenheid krijgen om te reageren op het voornemen om zaak te verwijzen naar een verzoekschriftprocedure en naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, locatie Arnhem,\n\n4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\n47414 \u002F 51588","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5268","2026-07-13T00:29:04.020Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":89},"1485","ECLI:NL:RBAMS:2026:6440","ecli-nl-rbams-2026-6440","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F755497 \u002F HA ZA 24-921\n\nVonnis van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING ONDERZOEK MARKTINFORMATIE,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partij,\n\nadvocaat: eerst mr. E.F. Vaal (onttrokken), thans mr. M. Schimmel te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap naar buitenlands recht X CORP.,\n\ngevestigd te San Francisco, Verenigde Staten van Amerika, 2. de vennootschap naar buitenlands recht X INTERNET UNLIMITED COMPANY,\n\ngevestigd te Dublin, Ierland, 3. de besloten vennootschap TWITTER NETHERLANDS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngedaagde partijen,\n\nadvocaat: mr. H.J. Pot te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna afzonderlijk SOMI, X Corp, XIUC en Twitter Netherlands worden genoemd. X Corp, XIUC en Twitter Netherlands zullen hierna gezamenlijk X Corp c.s. worden genoemd.\n\n1. De kern van de zaak en de beslissing\n\n1.1.. Deze zaak gaat over een collectieve actie. Daarin komt SOMI op voor de belangen van ongeveer acht miljoen Nederlandse gebruikers van het sociale media platform X (voorheen Twitter). Kern van het verwijt van SOMI is dat X Corp c.s. met de inrichting, exploitatie en de beveiliging van het X-platform de grondrechten van de gebruikers schenden. Daarbij gaat het SOMI in het bijzonder om datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en haatzaaiende berichten (hate speech). SOMI wil door middel van deze collectieve actie bereiken dat X Corp c.s. hiermee stoppen en dat X Corp c.s. de schade van haar achterban vergoeden. Daarbij gaat het om materiële en immateriële schade.\n\n1.2.. In deze fase van de procedure en dus in dit vonnis gaat het niet om een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van SOMI. Eerst moet de rechtbank beoordelen of SOMI de collectieve actie mag instellen (de ontvankelijkheid).\n\n1.3.. In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat onduidelijk is of SOMI over voldoende financiële middelen beschikt om de kosten van deze procedure te dragen, waarbij de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij haar ligt. De rechtbank draagt SOMI op om haar stellingen op dit punt nader toe te lichten. Voor het overige voldoet SOMI aan de ontvankelijkheidseisen (onder de WAMCA).\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de gelijkluidende dagvaardingen van 15 augustus 2024 van SOMI;\n\n- de akte overlegging producties van SOMI, met producties 1 tot en met 123; - de partiële conclusie van antwoord van X Corp c.s., met producties 1 tot en met 43; - het tussenvonnis van 17 december 2025;\n\n- de akte houdende overlegging aanvullende producties van X Corp c.s., met producties 44 tot en met 67; - de akte overlegging producties van SOMI, met producties 124 tot en met 137;\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 april 2026 en de daarin genoemde stukken;\n\n- het B-formulier van mr. Vaal van 13 mei 2026, waarmee zij zich onttrekt als advocaat van SOMI;\n\n- het B-formulier van mr. Schimmel van 13 mei 2026, waarmee hij zich stelt als de nieuwe advocaat van SOMI.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van SOMI\n\nOver SOMI\n\n3.1.. SOMI is een stichting met volledige rechtsbevoegdheid en is op 31 mei 2016 opgericht door [bedrijf 1] B.V. (thans [bedrijf 2] B.V., hierna: [bedrijf 2]). Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] is [bedrijf 3] B.V. (hierna [bedrijf 3]), waarvan [naam 1] (hierna: [naam 1]) enig aandeelhouder en bestuurder is.\n\n3.2.. Het doel van SOMI op grond van artikel 2.1 sub a van haar statuten, luidt: “het behartigen van belangen van natuurlijke personen, in het bijzonder van consumenten en minderjarigen, die gebruikmaken van onlinediensten, waarbij op enig moment een schending van de rechten van die natuurlijke personen plaatsvindt, waaronder begrepen maar niet beperkt tot inbreuken op grondrechten, zoals het recht om niet gediscrimineerd te worden en het recht op bescherming van privacy en bescherming van persoonsgegevens, alsmede inbreuken op consumentenrechten en wet- en regelgeving ter bescherming van minderjarigen”.\n\n3.3.. Sinds 31 mei 2021 heeft SOMI drie bestuurders. Dat zijn op dit moment [naam 1], [naam 2] (hierna: [naam 2]) en [naam 3].\n\n3.4.. SOMI heeft een toezichthoudend orgaan in de vorm van de raad van toezicht (zie artikel 3 van de statuten). De raad van toezicht heeft drie leden. De huidige leden zijn [naam 4], [naam 5] en [naam 6].\n\n3.5.. Op 12 december 2022 hebben SOMI, [bedrijf 3] en [bedrijf 2] een schenkingsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst is de vordering die [bedrijf 3] per 1 december 2022 op SOMI heeft, van in totaal (afgerond) € 1,7 miljoen, kwijtgescholden. Verder is afgesproken dat [bedrijf 3] SOMI met ingang van 1 december 2022 financiert door middel van schenking van alle middelen die SOMI nodig heeft voor de uitvoering van haar activiteiten, dat deze schenking (afgerond) € 4,8 miljoen bedraagt (te weten tot een totaal beloop van de schenking door [bedrijf 3] aan SOMI van (€ 1,7 + € 4,8) € 6,5 miljoen) of zoveel meer als SOMI nodig zal blijken te hebben voor haar activiteiten tot 1 januari 2028, dat [bedrijf 3] de schenkingen op eerste verzoek van SOMI beschikbaar stelt, zonder dat [bedrijf 3] daaraan nadere voorwaarden kan stellen, en dat SOMI niet verplicht is tot terugbetaling van de schenkingen.\n\n3.6.. Op 17 juni 2024 is SOMI geplaatst op de lijst als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Richtlijn representatieve vorderingen(hierna: de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie).\n\n3.7.. Bij brief van 3 juli 2024 heeft SOMI X Corp c.s. aansprakelijk gesteld voor schendingen van verplichtingen tot gegevensbescherming en consumentenrechten op het X-platform en hen uitgenodigd om met haar in overleg te treden.\n\nOver X Corp c.s.\n\n3.8.. X Corp is het Amerikaanse techbedrijf van [naam 7] en heeft in oktober 2022 alle aandelen in Twitter Inc, een Amerikaans beursgenoteerd bedrijf dat sinds 2006 haar Twitter-dienst aanbood, overgenomen. Enig aandeelhouder van X Corp is X Holding Corp.\n\n3.9.. XIUC (tot voor kort genaamd Twitter International Unlimited Company) is een dochtermaatschappij van X Corp. Zij exploiteert binnen de Europese Unie het X-platform (voorheen de Twitterdienst). Dat is een internetplatform, bestemd voor het plaatsen van een kort bericht met een maximum van 280 tekens, een zogeheten ‘tweet’ of ‘post’. Het is toegankelijk via de website [internetsite] en via applicaties voor mobiele telefoons en tablets. Elke gebruiker met een account op X kan een tweet plaatsen op het X-platform.\n\n3.10.. Twitter Netherlands is een (Nederlandse) dochtermaatschappij van XIUC en houdt zich bezig met marketing- en marktontwikkelingsactiviteiten.\n\n4. De vordering\n\n4.1.. De volledige vorderingen van SOMI zoals opgenomen in de dagvaarding zijn weergegeven in de bijlage bij dit vonnis. Ter zitting heeft SOMI verklaard dat zij haar vorderingen onder de DSA niet langer tegen Twitter Netherlands richt maar alleen tegen X Corp en XIUC en dat zij in zoverre haar eis wijzigt.\n\n4.2.. \n\nSOMI stelt dat X Corp c.s. onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). X Corp c.s. schenden diverse verplichtingen onder de Algemene Verordening Persoonsgegevens (AVG), de Digital Services Act (DSA)en de Nederlandse implementatie van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken(Afdeling 3A van Boek 6, titel 3 van het BW). Ook beroept SOMI zich op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Samengevat komen de verwijten van SOMI erop neer dat X Corp c.s.:\n\n(i) geen passende beveiligingsmaatregelen hebben genomen ter bescherming van persoonsgegevens van X-gebruikers en hebben verzuimd datalekken te melden c.q. daarover te informeren;\n\n(ii) ongeoorloofd gebruik hebben gemaakt van bijzondere persoonsgegevens van X-gebruikers voor haar advertentiedienst (microtargeting); en\n\n(iii) niet heeft voldaan aan de zorgplicht voor grote online platforms om zogenaamde systeemrisico’s tegen te gaan, waaronder de verplichting om voldoende maatregelen te nemen tegen hate speech op het X-platform en om onderzoek naar de schadelijke effecten van systeemrisico’s voor de maatschappij mogelijk te maken.\n\n4.3.. \n\nSOMI voert ten aanzien van het verwijt onder (i) aan dat in de periode juni 2021 tot\n\n13 januari 2022 een datalek is ontstaan op het X-platform, die tot een reeks verdere datalekken heeft geleid. Volgens SOMI gaat het om vier datalekken, waarvan de laatste plaatsvond op 4 januari 2023 en waarbij accountgegevens (met e-mailadressen en telefoonnummers) van aanvankelijk 5,4 miljoen X-gebruikers en later 400 miljoen X-gebruikers zijn verkregen en te koop aangeboden op het darkweb. De datalekken zijn het gevolg van door X Corp c.s. getroffen gebrekkige beveiligingsmaatregelen en zijn door X Corp c.s. niet tijdig en volledig gemeld aan de toezichthouder en de getroffen X-gebruikers. Daarmee hebben X Corp c.s. in strijd gehandeld met (artikelen 5 lid 1 sub f, 32, 33 en 34 van) de AVG.\n\n4.4.. \n\nWat betreft het verwijt onder (ii) stelt SOMI dat X Corp c.s. gedetailleerde profielen\n\nvan X-gebruikers samenstellen door gebruikersgedrag te monitoren en deze profielen\n\nvervolgens gebruiken om gericht advertenties aan te bieden aan X-gebruikers op basis van\n\nspecifieke criteria (microtargeting). X Corp c.s. gebruiken daarbij ook bijzondere categorieën\n\nvan persoonsgegevens waaruit bijvoorbeeld de etnische afkomst, politieke opvattingen en\u002Fof\n\nreligie van X-gebruikers kunnen worden afgeleid. Dit alles vindt plaats zonder dat de X-\n\ngebruikers hiervan op de hoogte zijn en is in strijd met (artikelen 9 lid 1, 5 lid 1 onder a, 12,\n\n13 en 14 van) de AVG en (artikel 26 lid 3 van) de DSA. Ook het openbare advertentieregister\n\nis gebrekkig en onbetrouwbaar (artikel 39 DSA). Het in advertentievoorwaarden doen\n\nvoorkomen alsof microtargeting door adverteerders op het X-platform niet mag maar dit toch\n\nlaten gebeuren, is een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 6:193d lid 1 BW. Het\n\nachterwege laten van de op grond van artikel 13 en 14 AVG vereiste informatie moet worden aangemerkt als een misleidende omissie in de zin van artikel 6:193d lid 1 BW.\n\n4.5.. \n\nAan het verwijt onder (iii) legt SOMI ten grondslag dat X Corp c.s. (althans X Corp\n\nen XIUC) verplicht zijn om systeemrisico’s die voortvloeien uit (het ontwerp of de werking\n\nvan) het X-platform, waaronder het verspreiden van illegale inhoud zoals hate speech, te\n\nbeoordelen en de in kaart gebrachte systeemrisico’s te beperken door het treffen van\n\nmaatregelen. Sinds de overname van het X-platform door [naam 7] is sprake van een\n\ntoename van hate speech. X Corp c.s. (althans X Corp en XIUC) doen te weinig om de\n\nsysteemrisico’s aan te pakken op het X-platform en belemmeren onderzoek daarnaar. Zij\n\nschenden daarmee (artikelen 34, 35 en 40 van) de DSA.\n\n4.6.. \n\nSOMI stelt dat de X-gebruikers voor wie zij in deze procedure opkomt door de\n\nhandelwijze van X Corp c.s. materiële en immateriële schade hebben geleden. SOMI houdt X\n\nCorp c.s. voor de schade hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 82 lid 4 AVG en\n\nartikel 6:166 BW.\n\n5. Rechtsmacht van de Nederlandse rechter en relatieve bevoegdheid\n\n5.1.. Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat twee van de drie gedaagde partijen (X Corp en XIUC) hun woonplaats in het buitenland hebben. Daarom moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SOMI op deze partijen. Ter zitting hebben X Corp en XIUC verklaard dat zij zich op dit punt refereren aan het oordeel van de rechtbank.\n\n5.2.. Voor XIUC moet de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden beoordeeld aan de hand van de Verordening Brussel I-bis, omdat het geschil ten aanzien van haar zowel materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening valt.Voor X Corp geldt op grond van artikel 6 lid 1 Verordening Brussel I-bis dat de rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van het nationale recht van de aangezochte rechter en dus aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n5.3.. X Corp en XIUC hebben geen verweer gevoerd tegen de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen die SOMI tegen hen heeft ingesteld. Daarmee hebben zij blijkens hun proceshouding de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter stilzwijgend aanvaard.Zij zijn immers in het geding verschenen zonder zich, zoals 26 lid 1 Verordening Brussel I-bis en artikel 11 Rv vereisen, tijdig op het ontbreken van die bevoegdheid beroepen. Verder staat de rechtsbetrekking tussen partijen ter vrije bepaling (artikel 9 Rv). Dit betekent dat de Nederlandse rechter op grond van de stilzwijgende forumkeuze van partijen (artikel 26 lid 1 Verordening Brussel I-bis ten aanzien van XIUC en artikel 9 lid 1 Rv ten aanzien van X Corp) bevoegd is.\n\n5.4.. Voor de relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter is artikel 99 lid 1 Rv van belang. Hierin is bepaald dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij bevoegd is. Hieruit volgt dat deze rechtbank bevoegd is ten aanzien van de vorderingen tegen Twitter Netherlands, die immers in Amsterdam is gevestigd. Niet in geschil is dat tussen de vorderingen tegen X Corp, XIUC en Twitter Netherlands een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Gelet daarop kan Twitter Netherlands de rol van ankergedaagde vervullen en is deze rechtbank tevens bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen XIUC op grond van artikel 6 lid 1 Verordening Brussel I-bis en ten aanzien van de vorderingen tegen X Corp op grond van artikel 107 Rv.\n\n5.5.. Uit het voorgaande volgt dat deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SOMI. Welk recht van toepassing is op deze vorderingen, kan worden bepaald bij de inhoudelijke behandeling van de vorderingen.\n\n6. De beoordeling van de ontvankelijkheid van SOMI\n\nInleidende opmerkingen en verzoeken om aanhouding\n\n6.1.. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands collectief actierecht van toepassing, ongeacht het (materiële) recht dat van toepassing is op de vorderingen van SOMI. Niet in geschil is dat de vorderingen van SOMI vallen onder het collectief actieregime van Titel 14A van Boek 3 Rv (artikel 1018b e.v. Rv), zoals dat per 1 januari 2020 is ingevoerd met de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: de WAMCA) en per 25 juni 2023 is gewijzigd na implementatie van de Richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten.\n\n6.2.. Uit artikel 1018c lid 5 Rv volgt dat een inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering van SOMI slechts kan plaatsvinden indien en nadat de rechtbank heeft beslist:\n\na. dat SOMI voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW;\n\nb. dat SOMI voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen, doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben;\n\nc. dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.\n\n6.3.. SOMI heeft haar vorderingen (deels) gebaseerd op schendingen van de AVG. Ook de AVG stelt ontvankelijkheidseisen aan belangenorganisaties. Een belangenorganisatie moet (i) een orgaan, organisatie of vereniging zijn dat of die op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, (ii) zij mag geen winstoogmerk hebben, (iii) haar statutaire doelstellingen moeten het algemeen belang dienen en (iv) zij moet actief zijn op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de bescherming van diens persoonsgegevens (artikel 80 lid 1 AVG). Deze eisen gelden ook voor belangenorganisaties die onafhankelijk van een opdracht voor de betrokkenen optreden (artikel 80 lid 2 AVG).\n\n6.4.. Zowel de WAMCA als de AVG stellen dus ontvankelijkheidseisen aan organisaties die een collectieve actie willen starten. Deze vereisten lopen voor een groot deel parallel aan elkaar, maar komen niet volledig overeen. Zo moet de belangenorganisatie op grond van artikel 3:305a lid 2 BW voldoende representatief zijn, gelet op de achterban en de omvang van de vorderingen die zij vertegenwoordigt, terwijl artikel 80 lid 1 AVG op het punt van representativiteit geen eisen stelt aan de belangenorganisatie. Evenmin vereist artikel 80 lid 1 AVG dat een belangenorganisatie over voldoende financiële middelen beschikt om de collectieve actie te kunnen bekostigen. Dit betekent dat voor vorderingen op grond van de AVG voor belangenorganisaties in Nederland ingevolge de WAMCA deels nadere en strengere eisen gelden. De vraag is of de WAMCA daarmee in de weg staat aan een effectieve werking van de AVG.\n\n6.5.. De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 23 juli 2025 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU over de verhouding tussen de WAMCA en de AVG en over de uitleg van het in artikel 80 AVG opgenomen actiefvereiste en opdrachtbegrip.Een van de vragen is of de AVG toestaat dat een collectieve organisatie schadevergoeding vordert zonder een individuele opdracht van de betrokkene. X Corp c.s. menen van niet en hebben de rechtbank verzocht om de procedure aan te houden in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen. De rechtbank ziet daarvoor in deze fase van de procedure geen aanleiding. Het gaat in deze collectieve actie om drie deelonderwerpen. SOMI beroept zich niet voor ieder deelonderwerp op de AVG en, daar waar zij dat wel doet, legt zij ook de DSA en de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken aan haar vorderingen ten grondslag. Dit betekent dat de rechtbank hoe dan ook de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA moet beoordelen. Overigens is het niet uitgesloten dat de rechtbank in het vervolg van deze procedure alsnog besluit tot aanhouding, afhankelijk van de uitkomsten van de beoordeling van de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA.\n\n6.6.. X Corp c.s. hebben verder verzocht om aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de vorderingen voor zover deze gebaseerd zijn op artikelen 34, 35, 39 en 40 DSA, omdat over de schending van artikelen 34 en 35 DSA door (onder meer) XIUC nog een onderzoek van de Europese Commissie loopt en hoger beroep is ingesteld door (onder meer) XIUC tegen het boetebesluit van de Europese Commissie van 5 december 2025 op basis van artikelen 25, 39 en 40 DSA (zie ook hierna onder 6.83). Het beginsel van Unietrouw brengt volgens X Corp c.s. met zich dat de nationale rechter de procedure in beginsel moet schorsen in afwachting van de definitieve uitspraak van de EU-rechter. De rechtbank wijst ook dit verzoek af, omdat het in deze fase van de procedure alleen nog maar gaat over de ontvankelijkheid van SOMI en niet om een inhoudelijke beoordeling van de door SOMI gestelde schending van de artikelen 34, 35, 39 en 40 DSA.\n\nOntvankelijkheidseisen onder de WAMCA (artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW)\n\nWettelijk kader en uitgangspunten\n\n6.7.. Artikel 3:305a lid 1 BW bevat allereerst de ontvankelijkheidseis dat de eisende belangenorganisatie een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is. Deze belangenorganisatie kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (het gelijksoortigheidsvereiste), voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt (het statutenvereiste). Verder moet de belangenorganisatie de belangen van de benadeelden ten behoeve van wie zij een vordering instelt, voldoende waarborgen (het waarborgvereiste). Deze eis is nader ingevuld met de ontvankelijkheidseisen in lid 2 en lid 3 van artikel 3:305a BW.\n\n6.8.. Deze aanvullende ontvankelijkheidseisen richten zich op de representativiteit en kwaliteit van de belangenorganisatie. In artikel 3:305a lid 2 BW is bepaald dat de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, voldoende zijn gewaarborgd, wanneer de stichting of vereniging voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen (het representativiteitsvereiste). Daarnaast is in lid 2 van artikel 3:305a BW, onder a tot en met f, een aantal specifieke eisen op het gebied van governanceen transparantie opgesomd waaraan de belangenorganisatie moet voldoen.\n\n6.9.. Verder mogen de bestuurders betrokken bij de oprichting van de belangenorganisatie, en hun opvolgers, geen winstoogmerk hebben (artikel 3:305a lid 3 onder a BW), moet de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer hebben (artikel 3:305a lid 3 onder b BW) en moet de belangenorganisatie voldoende hebben getracht het gevorderde door het voeren van minnelijk overleg te bereiken (het overlegvereiste; artikel 3:305a lid 3 onder c BW).\n\n6.10.. De rechtbank moet zo nodig ambtshalve toetsen of aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW is voldaan.\n\n6.11.. Bij de beoordeling van de vraag of SOMI aan alle ontvankelijkheidseisen voldoet, is van belang dat zij op 17 juni 2024 is geplaatst op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie (zie 3.6). Ten behoeve van de aanwijzing is door de Minister voor Rechtsbescherming vastgesteld dat SOMI voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3:305a lid 2 onderdelen a, b en d, lid 3, onderdeel a en lid 5 BW (zie artikel 3:305e lid 2 BW). Dit betekent dat, wanneer SOMI in de Europese Unie een collectieve actie start, de rechter van die lidstaat de inrichting van SOMI (op deze onderdelen) niet mag beoordelen.Uit onderdeel 12 van de considerans van de Richtlijn representatieve vorderingen volgt dat de eisen voor grensoverschrijdende representatieve vorderingen niet mogen afwijken van de eisen voor binnenlandse representatieve vorderingen. In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat bij de aanwijzing de inrichting van de belangenorganisatie is gecontroleerd, maar dat tussen het moment van de aanwijzing en het instellen van de collectieve actie de situatie kan zijn veranderd.De rechtbank neemt daarom tot uitgangspunt dat SOMI voldoet aan de hiervoor genoemde eisen met betrekking tot de inrichting van haar organisatie, tenzij zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die niet in aanmerking genomen konden worden bij de aanwijzing omdat zij zich pas daarna hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat dit niet langer het geval is.Dit uitgangspunt is, anders dan X Corp c.s. stellen, niet in strijd met de Richtlijn representatieve vorderingen en evenmin met het leerstuk van de formele rechtskracht. Artikel 5 lid 4 van deze richtlijn biedt X Corp c.s. de ruimte om in een civiele procedure gerechtvaardigde twijfels te uiten over denalevingdoor SOMI van voormelde artikelen. Dit impliceert niet alleen dat X Corp c.s. nieuwe feiten en omstandigheden naar voren moeten brengen, maar ook dat zij het besluit van de Minister wel degelijk bij de rechtbank ter discussie kunnen stellen en in zoverre dus niet in hun recht op verdediging worden geschaad.\n\nStatutenvereiste\n\n6.12.. SOMI is een stichting naar Nederlands recht. Uit haar statuten blijkt dat zij tot doel heeft de behartiging van belangen van consumenten die gebruik maken van onlinediensten en wiens rechten worden geschonden (zie 3.2). In deze procedure komt SOMI op voor deze belangen. Dat is ook niet door X Corp c.s. betwist. Dit betekent dat is voldaan aan het statutenvereiste (van artikel 3:305a lid 1 BW).\n\nRepresentativiteitsvereiste\n\nMoment van toetsing\n\n6.13.. Het is vaste rechtspraak dat de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA moeten worden getoetst op het moment dat de rechter hierover een beslissing neemt (ex nunc-toets). X Corp c.s. betwisten dit op zichzelf niet, maar stellen dat een uitzondering geldt voor het representativiteitsvereiste. Dit vereiste moet volgens X Corp beoordeeld worden op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding (ex tunc-toets). Anders kan, zo stellen X Corp c.s., een stichting of vereniging op elk moment een rechtsvordering instellen, waardoor de aangesproken partij wordt gedwongen tot het maken van het kosten, ook wanneer achteraf blijkt dat er geen steun voor de actie bestaat. Eenex nunc-toetsing leidt er ook toe dat de andere ontvankelijkheidsvereisten onder de WAMCA, zoals het overlegvereiste, zinledig zijn en dat de aangesproken partij zich niet behoorlijk kan verdedigen wanneer pas op zitting concrete stellingen over representativiteit worden ingenomen. X Corp c.s. beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt op een passage in de wetsgeschiedenis, waarin is overwogen dat “op voorhand” duidelijk moet zijn dat de eisende partij representatief is.\n\n6.14.. De rechtbank volgt X Corp c.s. hierin niet. De representativiteit van een eisende partij in een collectieve actie is een dynamisch gegeven dat gedurende de aanhangige procedure kan veranderen. Het ligt daarom voor de hand om de representativiteit van de eisende partij (in dit geval SOMI) te toetsen op het moment dat in de procedure wordt beslist op de ontvankelijkheid van de eisende partij op grond van artikel 1018c lid 5 Rv. Noch uit de tekst van de wet noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de toets van de representativiteit dient plaats te vinden aan de hand van het aantal aanmeldingen bij de eisende partij op het moment van de dagvaarding. De door X Corp c.s. aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis biedt hiervoor onvoldoende steun, mede in het licht van de overweging van de wetgever dat de rechter “een doorlopende toets moet uitvoeren op de ontvankelijkheid van de Exclusieve Belangenbehartiger en het machtsevenwicht tegenover de personen wier belangen in de procedure worden behartigd”.Dit pleit voor een toetsingex nuncvan alle ontvankelijkheidseisen. Een andersluidende opvatting zou betekenen dat de rechter ook in de spiegelbeeldige situatie dat de eisende partij aanvankelijk wél maar later niet voldoende representatief is, niet mag ingrijpen en dan de procedure moet laten voortduren. Uit artikel 1018f lid 1 Rv kan worden afgeleid dat dit niet de bedoeling van de wetgever is. Dit artikel biedt de rechter de mogelijkheid om te beslissen dat de collectieve vordering niet wordt voortgezet indien het aantal personen dat verklaart niet te willen meedoen aan de collectieve actie te groot is om voortzetting te rechtvaardigen.\n\n6.15.. Het argument van X Corp c.s. dat toetsing ex nuncorganisaties aanmoedigt om een collectieve vordering in te stellen zonder zich ervan te vergewissen of daarvoor voldoende steun bestaat en de aangesproken partij daardoor het risico loopt onnodig hoge kosten te maken, overtuigt niet. De eisen van een goede procesorde gelden onverkort. Bovendien kan het instellen van een kansloze vordering misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen opleveren. Verder neemt toetsingex nuncniet weg dat ook feiten en\u002Fof omstandigheden uit het verleden kunnen meewegen. Toetsingex nuncmaakt het echter mogelijk om ook rekening te houden met de actuele stand van zaken en daarmee met de materiële werkelijkheid op het moment van het nemen van de rechterlijke beslissing op de vorderingen. De stelling van X Corp c.s. dat een toetsingex nuncde aangesproken partij kan schaden in diens mogelijkheden om zich goed te verdedigen, stuit af op de eisen van de goede procesorde. Ook valt niet goed in te zien waarom de andere ontvankelijkheidseisen, zoals het overlegvereiste (van artikel 3:305a lid 3 onder c BW), bij eenex nunctoetsing zinledig zouden zijn. Het overlegvereiste is in de wet opgenomen om zelfregulering door marktpartijen te bevorderen en om te voorkomen dat een belangenorganisatie onverhoeds een vordering instelt waarmee de wederpartij – die de belangenorganisatie soms nog niet kende – wordt overvallen.Daarvoor is niet nodig en ook niet vereist dat de belangenorganisatie precies weet wie achter haar actie staan. Hetzelfde geldt voor de andere ontvankelijkheidsvereisten van de WAMCA.\n\n6.16.. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ex nuncbeoordeelt of SOMI voldoet aan het representativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 3:305a lid 2 BW.\n\nBeoordeling representativiteitsvereiste\n\n6.17.. Het representativiteitsvereiste geeft invulling aan de in artikel 3:305a lid 1 BW neergelegde voorwaarde dat de belangen die een stichting of vereniging behartigt voldoende zijn gewaarborgd. Bij representativiteit gaat het om de mate waarin een belangenorganisatie, gelet op haar achterban, als representatief voor de groep gedupeerden kan worden gezien.Indicaties hiervoor zijn het aantal aangesloten gedupeerden en de omvang van hun vorderingen ten opzichte van het totaal aantal gedupeerden van een massagebeurtenis en de door hen gevorderde schadevergoeding. Een belangenorganisatie zal duidelijk moeten maken voor wie zij opkomt. Dit betekent niet dat een lijst met namen en andere gegevens van de achterban hoeft te worden overgelegd. Voldoende is dat de belangenorganisatie nauwkeurig omschrijft voor welke groep van personen zij opkomt. Het representativiteitsvereiste voorkomt dat een belangenbehartiger kan procederen zonder de ondersteuning van een achterban en strekt vooral ter bescherming van de belangen van de belanghebbenden. Daarom moet duidelijk zijn dat een belangenbehartiger kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep opkomt. Wat genoeg is, verschilt per geval en kan alleen bepaald worden in relatie tot het totaal aantal gedupeerden. Dit kan bijvoorbeeld worden getoetst op basis van de bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de vordering heeft aangemeld. De representativiteit van een belangenorganisatie kan ook worden afgeleid uit de overige werkzaamheden die de organisatie verricht heeft om zich voor de belangen van de gedupeerden in te zetten.\n\n6.18.. De collectieve kernvraag die SOMI in deze procedure aan de orde stelt, is of X Corp c.s. gelet op de inrichting van het X-platform en hun beleid op het gebied van beveiliging, (ads)profileringen content moderatie in strijd hebben gehandeld met de AVG en de DSA. SOMI heeft deze kernvraag uitgesplitst in drie subonderdelen – datalekken, verboden microtargeting en hate speech (of breder: systeemrisico’s) – met elk een nauw omschreven subgroep. SOMI onderscheidt de volgende subgroepen:\n\n- voor de vorderingen die zien op datalekken en gebrekkige beveiliging: alle in Nederland\n\n woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 1 juni 2021 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform en van wie zich persoonsgegevens bevinden in de gelekte datasets (door SOMI aangeduid als Achterban A);\n\n- voor de vorderingen die zien op ongeoorloofde microtargeting en gebrekkige transparantie: alle in Nederland woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform en die behoorden tot het doelpubliek van de advertenties die zijn getoond als gevolg van ongeoorloofde microtargeting door X Corp c.s., waaronder een vijftal in de dagvaarding genoemde advertenties (door SOMI aangeduid als Achterban B);\n\n- voor de vorderingen die zien op schending van de DSA-verplichtingen rondom systeemrisico’s voor grote online platforms, waaronder het tegengaan van hate speech: alle in Nederland woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform (door SOMI aangeduid als Achterban C).\n\n6.19.. SOMI heeft een rapport, gedateerd op 20 maart 2026, van DigiJuris in het geding gebracht. DigiJuris heeft in opdracht van SOMI onderzoek gedaan naar de inrichting van het aanmeldproces op de (twee) websites van SOMI en de door SOMI ontwikkelde app en de vaststelling van het aantal in Nederland woonachtige personen dat zich heeft aangemeld voor de collectieve actie tegen X Corp c.s. DigiJuris heeft in aanwezigheid van een deurwaarder, die een proces-verbaal van constateringen heeft opgemaakt, verschillende testaanmeldingen gedaan en de door SOMI overgedragen gegevens in de databases met aanmeldingsgegevens onderzocht. DigiJuris is tot de conclusie gekomen dat zich in totaal 51.546 unieke deelnemers hebben aangemeld voor de collectieve actie van SOMI tegen X Corp c.s.\n\n6.20.. X Corp c.s. betwisten dat het door DigiJuris genoemde aantal deelnemers kan bijdragen aan de representativiteit van SOMI. Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat de aanmelders geen juist en eerlijk beeld van de zaak hebben gehad, zodat niet kan worden aangenomen dat zij SOMI en haar vorderingen daadwerkelijk ondersteunen. Dit argument slaagt niet. Uit het proces-verbaal van de deurwaarder volgt dat op de websites van SOMI en in de SOMI-app meerdere stappen en schermen moeten worden doorlopen voordat iemand zich kan aanmelden voor de collectieve actie en (als sluitstuk) het registratieformulier kan invullen. Weliswaar wordt op het eerste scherm een mogelijkecompensatie van € 2.500,- in het vooruitzicht gesteld, maar daarna volgen schermen met een toelichting op de collectieve actie van SOMI, zoals ‘wat SOMI eist’, ‘hoe werkt het’, ‘waar gaat de claim over?’ en ‘waarom deelnemen aan deze claim?’. Hierbij worden de drie deelonderwerpen van de collectieve actie – datalekken, microtargeting en haatzaaiende uitlatingen – besproken. In de daarop volgende schermen wordt kort toegelicht wat SOMI is en wat zij doet, waarbij links zijn opgenomen naar (onder meer) de dagvaarding, de statuten en de meest recente jaarverslagen van SOMI. Op geen enkel scherm staat vermeld dat SOMI al ontvankelijk is en dat deelnemers een vergoeding ontvangen voor het aandragen van nieuwe deelnemers. Onderdeel van het aanmeldproces is dat de deelnemer zich akkoord verklaart met de deelnemersovereenkomst. In artikel 2.3 van deze overeenkomst is vastgelegd dat SOMI maximaal 15 procent zal inhouden op de schadevergoeding in verband met haar kosten. SOMI heeft gemotiveerd betwist dat dit ooit 2 procent was en dat het inmiddels 17 procent is, zoals X Corp c.s. stellen. Gelet op al deze informatie kan niet worden aangenomen dat SOMI op haar websites en in haar app geen duidelijk en eerlijk beeld geeft van de collectieve actie en dat de deelnemers geen geïnformeerde en weloverwogen keuze hebben gemaakt.\n\n6.21.. In de tweede plaats stellen X Corp c.s. dat het door DigiJuris vastgestelde aantal aanmeldingen onvoldoende betrouwbaar is, omdat DigiJuris de aanmeldingen alleen heeft gecontroleerd op dubbele e-mailadressen en niet is uitgesloten dat één persoon zich met meerdere e-mailadressen heeft aangemeld. Ook deze stelling slaagt niet. Nergens uit blijkt dat dit is gebeurd. Bovendien, zo volgt uit het proces-verbaal van de deurwaarder en de daarin opgenomen schermafbeeldingen van het aanmeldproces, moet bij aanmelding niet alleen het e-mailadres worden opgegeven maar ook unieke persoonsgegevens, zoals de voor- en achternaam en, bij aanmelding via de websites van SOMI, ook nog de geboortedatum (zie schermafbeeldingen 21, 47 en 64). Iedere aanwijzing dat een of meerdere personen zich moedwillig meerdere keren hebben aangemeld, ontbreekt.\n\n6.22.. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat 51.456 personen zich hebben aangemeld voor de collectieve actie van SOMI en dat zij SOMI en haar vorderingen ondersteunen.\n\n6.23.. X Corp c.s. hebben verder nog aangevoerd dat SOMI representatief dient te zijn voor elke afzonderlijke nauw omschreven groep en dat, nu SOMI in het aanmeldproces geen onderscheid maakt tussen de groepen A, B en C (door SOMI genoemd Achterban A, B en C, zie hiervoor onder 6.18) en de deelnemer ook niet vraagt om te bevestigen of hij of zij onder één of meerdere van deze groepen valt, SOMI niet heeft aangetoond dat dit het geval is. De rechtbank volgt X Corp c.s. ook hierin niet. SOMI stelt in deze collectieve actie drie typen onrechtmatige handelingen van X Corp c.s. – datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech – aan de orde die volgens haar allemaal manifestaties zijn van één en dezelfde wijze waarop het X-platform wordt ingericht, geëxploiteerd en beveiligd. Volgens SOMI bevinden de gegevens van ongeveer 3,1 miljoen Nederlandse X-gebruikers zich in de gelekte datasets. X Corp c.s. betwisten dat dit aantal juist is, maar onderbouwen dit niet, althans onvoldoende. Dit had wel op hun weg gelegen, omdat zij bij uitstek degenen zijn die dit kunnen nagaan. Ook als X Corp c.s. gevolgd zouden worden in hun stelling dat SOMI van de verkeerde gelekte dataset uitgaat (de dataset van 200 miljoen X-gebruikers wereldwijd in de plaats van de dataset van 5,4 miljoen X-gebruikers), dan staat vast dat het nog altijd gaat om een grote groep Nederlandse X-gebruikers van wie de gegevens zouden zijn gelekt. Volgens SOMI worden alle actieve Nederlands X-gebruikers geraakt door (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech. Dat zijn er volgens SOMI ongeveer 7,8 miljoen. X Corp c.s. hebben ook dat aantal niet betwist, althans niet gemotiveerd. Dit betekent dat elk van de groepen van belanghebbenden voor wie SOMI in deze collectieve actie opkomt, groot of zeer groot is. Daarmee onderscheidt deze zaak zich van de door X Corp c.s. aangehaalde zaken van Stichting Sinti, Roma en Reizers\u002Fde gemeente Den HaagenStichting Initiatieven Collectieve Acties Massaschade\u002Fde Staat der Nederlanden, waarin het ging om (zeer) kleine groepen van belanghebbenden. Om die reden is het niet bezwaarlijk dat SOMI bij de aanmelding niet heeft gevraagd of de betrokkene tot groep A, B en\u002Fof C behoort. Voldoende is dat er een ruime en plausibel omschreven groep is die waarschijnlijk wordt geraakt door het gestelde onrechtmatig handelen van X Corp c.s. én dat een substantieel deel daarvan de collectieve actie van SOMI ondersteunt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier voor elk van de subgroepen het geval, zowel in absolute als in relatieve aantallen, ook gezien de aard van de claim (in belangrijke mate een privacyclaim gericht op minder- en meerderjarigen met betrekking tot een digitaal product dat zonder betaling kan worden gebruikt) en de omstandigheid dat het initiatief tot het werven van een achterban van SOMI moet uitgaan (die daarvoor beperkte middelen heeft).\n\n6.24.. Bij de beoordeling van de vraag of SOMI voldoende representatief is, betrekt de rechtbank verder dat acht verschillende Nederlandse en buitenlandse maatschappelijke organisaties (met een track record, zoals Stichting Privacy First) op het gebied van (digitale) grondrechten en privacywetgeving hun steun hebben uitgesproken voor de collectieve actie van SOMI. De rechtbank volgt X Corp c.s. niet in hun stelling dat de steunverklaringen te beperkt en te algemeen zijn. De organisaties hebben uiteengezet dat en waarom het van belang is dat het X-platform in lijn wordt gebracht met de wettelijke en ethische normen die in Europa gelden en de rol die de collectieve actie van SOMI hierbij speelt. Hieruit blijkt dat in het bijzonder hate speech op het X-platform als problematisch wordt ervaren in Nederland.\n\n6.25.. Ook spelen de feitelijke werkzaamheden van SOMI in het kader van de representativiteit een rol. Uit de door SOMI overgelegde stukken blijkt dat zij actief is op het gebied van privacy- en consumentenrecht. Zij neemt deel aan bredere (Europese) initiatieven en evenementen waar zij haar ervaringen deelt, doet onderzoek (naar bijvoorbeeld de gevaren van online media), voert meerdere procedures tegen Big Tech bedrijven en informeert geïnteresseerden in haar activiteiten via haar website, social media, nieuwsbrieven en app. Hieruit blijkt dat zij zich inzet voor de belangen van haar achterban.\n\nConclusie\n\n6.26.. Uit het voorgaande volgt dat SOMI representatief is te achten.\n\n6.27.. Dat SOMI drie verschillende nauw omschreven groepen onderscheidt, is voor het (eventuele) vervolg van de procedure, met name de opt-out fase, niet bezwaarlijk. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat praktisch kan worden ingeregeld dat iemand zich per soort van onrechtmatig handelen van X Corp c.s. (datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech) kan bevrijden. In de op de voet van artikel 1018f lid 3 Rv vereiste aankondiging van de collectieve vordering in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen kan vervolgens melding worden gemaakt van de wijze waarop dat moet gebeuren.\n\nGelijksoortigheidsvereiste\n\n6.28.. De door artikel 3:305a lid 1 BW vereiste gelijksoortigheid houdt in dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering zich strekt, zich lenen voor bundeling zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden.Het gaat er bij toetsing aan het gelijksoortigheidsvereiste niet om of de positie van alle belanghebbenden in alle opzichten precies gelijk of vergelijkbaar is, in die zin dat de belanghebbenden zich in dezelfde rechtspositie bevinden, dezelfde belangen hebben en dezelfde schade hebben geleden. Het gaat erom of de feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenisin voldoende mate vergelijkbaarzijn.Die vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van het doel van de WAMCA, het bevorderen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming voor de afwikkeling van massaschade. Daarmee kan ook relevant zijn of het voeren van individuele rechtszaken een reële en haalbare mogelijkheid is, zo blijkt uit de tekst van artikel 1018c lid 5 onder b Rv (het meerwaardevereiste). Een belangenorganisatie moet aannemelijk maken dat het voeren van een collectieve actie efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering (het meerwaardevereiste) en dus is nodig dat (i) de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, (ii) het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en (iii) indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat de belanghebbenden alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben.\n\n6.29.. Uit het feit dat het gelijksoortigheidsvereiste is opgenomen in de beoordeling van de ontvankelijkheid (die voorafgaat aan de inhoudelijke beoordeling), volgt dat nog geen definitief antwoord hoeft te worden gegeven op de vraag of de belangen van belanghebbenden gelijksoortig zijn. Dat definitieve oordeel zal worden gegeven in de inhoudelijke fase. In de fase van de schadevaststelling kan nader worden bekeken of en in hoeverre daadwerkelijk sprake is van gelijksoortigheid en kunnen zo nodig categorieën van belanghebbenden worden vastgesteld. De rechter hoeft in de ontvankelijkheidsfase slechts een inschattingte maken van de gelijksoortigheid van de belangen.\n\n6.30.. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de collectieve actie gekenmerkt wordt door drie typen van onrechtmatig handelen niet reeds maakt dat niet aan het gelijksoortigheidsvereiste wordt voldaan, zoals X Corp c.s. stellen. Zij hebben alle drie betrekking op de door SOMI geformuleerde kernvraag of X Corp c.s., gelet op de inrichting van het X-platform en hun beleid op het gebied van beveiliging, adsprofilering en content-moderatie, in strijd hebben gehandeld met de wet (in het bijzonder de AVG en de DSA). Uit de wet noch de wetsgeschiedenis volgt dat in één collectieve actie niet verschillende massagebeurtenissen aan de orde kunnen worden gesteld die steeds andere groepen personen raken. Wel moet het efficiënt en effectief zijn om dit alles in één collectieve actie voor te leggen aan de rechter.\n\n6.31.. De vorderingen van SOMI vallen uiteen in vier categorieën: ten eerste formele kwesties die samenhangen met de inrichting van de WAMCA-procedure (i, ii, iii, iv, v), ten tweede verklaringen voor recht (dat, kort gezegd, X Corp c.s. onrechtmatig hebben gehandeld of ongerechtvaardigd zijn verrijkt) en verwijzing naar de schadestaat en\u002Fof veroordeling tot betaling van een vergoeding voor geleden immateriële schade (door Achterban C als gevolg van hate speech) (vi), ten derde geboden (vii en viii) en ten vierde het verstrekken van informatie (ix). Bij de eerste en vierde categorie behoeft de gelijksoortigheid van de belangen geen bijzondere beschouwing, gelet op de aard daarvan.\n\nVerklaringen voor recht en geboden\n\n6.32.. Bij het oordeel dat bepaald handelen onrechtmatig is (vanwege schending van de AVG, de DSA of de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken), dat de aangesproken partij daarvoor aansprakelijk is en dat dergelijk gedrag voor de toekomst verboden wordt, hebben alle personen die geconfronteerd worden met een dergelijk gedrag hetzelfde of tenminste een gelijksoortig belang, dat in beginsel los staat van hun individuele positie. Die vorderingen vragen immers slechts dat de rechter zich een oordeel velt over de onrechtmatigheid van het gedrag. Een dergelijk oordeel strekt tot duidelijkheid over en erkenning van het geschonden rechtsbelang en het is efficiënt en effectief om dat in één procedure voor alle potentieel belanghebbenden te verkrijgen, in plaats van telkens een individuele procedure te entameren. De te beantwoorden vragen in die individuele procedures zullen immers, waar het gaat om deze aspecten steeds dezelfde zijn. Relevante feitelijke vragen zijn bijvoorbeeld of de (door SOMI aangehaalde) op het darkweb aangeboden datasets van X-gebruikers zijn te herleiden tot een kwetsbaarheid op het X-platform, en of X Corp c.s. adverteerders de mogelijkheid heeft geboden om advertenties te richten op Nederlandse X-gebruikers op basis van specifieke voorkeuren die bijzondere categorieën van persoonsgegevens kunnen omvatten en of dit ook is gebeurd met de in de dagvaarding genoemde vijf advertenties. Als het gaat om het verweten onrechtmatig handelen met betrekking tot hate speech is van belang of X Corp c.s. een beroep kunnen doen op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 6 DSA. Die juridische vraag is voor alle betrokkenen hetzelfde. Dit geldt ook voor de vraag of X Corp c.s. voldoende maatregelen nemen om te voorkomen dat er advertenties op het X-platform worden getoond op basis van microtargeting met gebruik van bijzondere persoonsgegevens.\n\n6.33.. Met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking hebben X Corp c.s. aangevoerd dat een dergelijke vordering een beoordeling op individueel niveau vergt. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op ongerechtvaardigde verrijking in beginsel individuele omstandigheden in ogenschouw worden genomen. SOMI heeft in deze zaak echter gemotiveerd gesteld dat de mate van verrijking en de mate van verarming ten aanzien van alle belanghebbende hetzelfde is, omdat de verarming eruit heeft bestaan dat de benadeelden (onder meer) de controle over hun persoonsgegevens hebben verloren, terwijl X Corp c.s. (ongerechtvaardigd) zijn verrijkt doordat zij die persoonsgegevens hebben kunnen aanwenden voor het genereren van inkomsten uit advertentieverkoop. Ook de omstandigheid dat X Corp c.s. de X-gebruikers niet op passende wijze hebben geïnformeerd over de datalekken, waardoor zij op het X-platform bleven, en dat zij hate speech ruim baan laten, leidt volgens SOMI tot een stijging van de advertentie-inkomsten. De juistheid van deze stellingen laat zich naar het oordeel van de rechtbank beantwoorden zonder toetsing van individuele omstandigheden.\n\n6.34.. \n\nDe rechtbank is daarom van oordeel dat elk van de nauw te beschrijven groep personen bij de gevorderde verklaringen voor recht en geboden gelijksoortige belangen hebben.\n\nMateriële en immateriële schade\n\n6.35.. De collectieve actie van SOMI strekt tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die Nederlandse X-gebruikers lijden en hebben geleden als gevolg van de door SOMI gestelde datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech. SOMI vordert een symbolisch bedrag van € 1,- per lid van achterban C aan immateriële schadevergoeding als gevolg van hate speech. X Corp c.s. betwisten dat de schade steeds gelijk is. Volgens X Corp c.s. zal de gestelde materiële en immateriële schade van ieder persoon uit de nauw omschreven groepen concreet moeten worden aangetoond en is de verscheidenheid in individuele posities groot. Zo zal een X-gebruiker die er zelf voor heeft gekozen om aan de hand van zijn of haar e-mailadres of telefoonnummer vindbaar te zijn op het X-platform, geen schade ondervinden als gevolg van de gestelde datalekken. Ook heeft niet iedere X-gebruiker volgens X Corp c.s. te maken met microtargeting. Dit hangt ervan af of de gebruiker is in- of uitgelogd, een X-account heeft en of hij of zij betaalt om geen advertenties te zien. X-gebruikers die kiezen voor het tabblad ‘Following’ lopen volgens X Corp c.s. aanzienlijk minder risico om geconfronteerd te worden met hate speech.\n\n6.36.. SOMI legt aan haar vorderingen (onder meer) ten grondslag dat X Corp c.s. onrechtmatig hebben gehandeld. Uit de aard van het Nederlandse schadevergoedingsrecht, mede gelet op de uitleg daarvan door de Hoge Raad, volgt dat voor het toekennen van schadevergoeding noodzakelijk is dat daadwerkelijk schade is geleden. De enkele omstandigheid dat onrechtmatig is gehandeld is niet voldoende om een recht op materiële of immateriële schadevergoeding te doen ontstaan; de constatering dat onrechtmatig is gehandeld houdt een erkenning in dat een norm is geschonden, maar die schending is iets anders dan schade en schade vloeit daaruit niet noodzakelijkerwijs voort. Weliswaar kunnen in voorkomend geval de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, maar dat is niet de regel. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1, onder b, BW, is voorts niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\n6.37.. SOMI baseert haar vorderingen ook op artikel 82 AVG dat eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden als gevolg van een inbreuk op de AVG het recht geeft om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade. Voor het ontstaan van dit Unierechtelijke recht op materiële of immateriële schadevergoeding is eveneens vereist dat daadwerkelijk schade is ontstaan; een enkele inbreuk op de AVG volstaat niet.Het gaat om compensatie van schade en niet ompunitive damages. Ook de (gegronde) vrees voor misbruik van de gegevens door een derde kan immateriële schade opleveren, maar de enkele omstandigheid dat een persoon niet langer de volledige controle over zijn of haar persoonsgegevens heeft, betekent niet dat deze persoon schade lijdt.SOMI doet verder een beroep op artikel 54 DSA. Hierin is bepaald dat afnemers van tussenhandeldiensten, zoals een online platform, op grond van het Unierecht en het nationale recht het recht hebben om aanbieders van tussenhandeldiensten te verzoeken om schadevergoeding voor alle schade of verliezen geleden als gevolg van een schending van de DSA door die aanbieders. Die schadevergoeding moet stroken met de in het nationale recht uiteengezette regels en procedures en mag geen afbreuk doen aan andere op grond van de consumentenbeschermingsregels beschikbare verhaalsmogelijkheden (overweging 121 van de considerans bij de DSA). Dit betekent dat ook voor het toekennen van een schadevergoeding op grond van de DSA vereist is dat daadwerkelijk schade is geleden.\n\n6.38.. De rechtbank stelt voorop dat er zeer grote verschillen kunnen zijn tussen de personen die deel uitmaken van de achterban van SOMI; niet alleen tussen de door SOMI aangemerkte drie nauw omschreven groepen maar ook daarbinnen. Op dit moment valt in het kader van onrechtmatige daad, artikel 82 AVG of artikel 54 DSA nog niet vast te stellen dat personen die behoren tot de achterban schade hebben geleden. In het bijzonder immateriële schade is sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden, zodat het zeer wel mogelijk is dat sommige leden van de achterban in het geheel geen immateriële schade hebben geleden. Zo kan meewegen dat zij geen bezwaar hebben tegen het aan X Corp c.s. verweten gedrag en wellicht per saldo de resulterende geïndividualiseerde advertenties juist op prijs stellen of hate speech niet aanstootgevend achten. Ook de door X Corp c.s. genoemde verschillen tussen de leden van de achterban (zie 6.35) kunnen met zich brengen dat niet iedereen schade lijdt.\n\n6.39.. Uit de wetsgeschiedenis van de WAMCA blijkt dat de wetgever heeft voorzien dat niet elk lid van de achterban gelijke schade heeft geleden. In dat kader is, met gebruikmaking van de ervaringen die zijn opgedaan met de WCAM (artikel 7:907 BW), de mogelijkheid van het werken met diverse categorieën opgenomen (zie artikel 1018i lid 2 Rv). Daaruit volgt dat niet noodzakelijk is dat de schade voor iedereen gelijk is. SOMI heeft voor de materiële schade en immateriële schade die niet het gevolg is van hate speech ook verwijzing naar de schadestaat gevorderd en subsidiair voor de hate speech gevorderd de als gevolg daarvan geleden schade nader op te maken bij staat.\n\n6.40.. Ook de schadevorderingen (uit hoofde van onrechtmatige daad) voldoen daarmee aan het gelijksoortigheidsvereiste. De gestelde schade vloeit voort uit gelijke normschendingen en kan – voor zover toewijsbaar – in hoogte verschillen, waarbij een indeling in categorieën binnen iedere nauw verbonden subgroep voor de hand ligt.\n\n6.41.. Dat is voor de door SOMI op grond van ongerechtvaardigde verrijking gevorderde schade niet anders. De gestelde verrijking – (gestegen) advertentie-inkomsten – en de gestelde verarming (schade) – vermindering van de economische waarde van de persoonsgegevens vanwege het verlies van controle daarover – stoelen op dezelfde normschendingen en hetzelfde feitencomplex en daarmee is de (mogelijke) schade voldoende gelijksoortig.\n\n6.42.. Naar het oordeel van de rechtbank is een collectieve actie waarin ook wordt beslist op een eventuele schadevergoeding efficiënt, omdat het in het voordeel van alle partijen is dat kan worden volstaan met één procedure (zie 6.32). Het niet reeds in de ontvankelijkheidsfase laten stranden van het schadevergoedingsonderdeel past bij de ratio van de huidige WAMCA.\n\n6.43.. Dit betekent dat de onduidelijkheid over de gestelde schade op dit moment niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van SOMI. Het debat daarover dient nader te worden uitgediept in de inhoudelijke fase van het geschil, voor zover komt vast te staan dat en in hoeverre van de gestelde normschendingen sprake is geweest. Dit oordeel loopt dus op geen enkele wijze vooruit op de toewijsbaarheid van de vordering van SOMI.\n\nWaarborgvereiste\n\n6.44.. Een belangenorganisatie moet op de voet van artikel 3:305a BW aan verschillende vereisten voldoen op het gebied van transparantie en governance. Deze vereisten zijn opgenomen in artikel 3:305a lid 2 onderdelen a tot en met f BW. De belangenhartiger dient te beschikken over:\n\na. een toezichthoudend orgaan;\n\nb. passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt;\n\nc. voldoende financiële middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de rechtspersoon ligt;\n\nd. een algemeen toegankelijke internetpagina;\n\ne. voldoende ervaring en deskundigheid ten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering; en\n\nf. een financiering van de rechtsvordering die niet afkomstig is van een financier die een concurrent is van degene tegen wie de rechtsvordering zich richt of van een financier die afhankelijk is van degene tegen wie de rechtsvordering zich richt, indien het gaat om een rechtsvordering zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Richtlijn representatieve vorderingen.\n\n6.45.. In artikel 3:305a lid 3 onder a BW wordt nog als eis gesteld dat de bestuurders die betrokken zijn bij de oprichting van de rechtspersoon, en hun opvolgers, geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk hebben dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd.\n\n6.46.. Deze vereisten vormen, samen met het representativiteitsvereiste, een uitwerking van het vereiste in artikel 3:305a lid 1 BW, dat de belangen van de gedupeerden voldoende moeten zijn gewaarborgd.\n\n6.47.. De WAMCA biedt uitdrukkelijk ruimte voor ad hoc organisaties en commerciële organisaties, die veelal als stichting zijn georganiseerd. Doel van het waarborgvereiste is om te voorkomen dat belangenorganisaties het collectief actierecht gebruiken om hun eigen commercieel gedreven motieven na te streven en de belangen van de personen voor wie zij opkomen op de tweede plaats hebben staan.\n\n6.48.. X Corp c.s. betwisten dat SOMI aan het waarborgvereiste voldoet. Zij stellen dat (i) SOMI niet over voldoende middelen beschikt om de procedure te bekostigen, (ii) de voorzitter van SOMI een winstoogmerk heeft dat hij via SOMI realiseert en (iii) de belangen van de achterban van SOMI ook op andere wijzen niet voldoende zijn gewaarborgd.\n\nAd i: Financiële middelen\n\n6.49.. Artikel 3:305a lid 2 onder c BW vereist dat de belangenorganisatie beschikt over voldoende middelen voor het instellen van de collectieve actie. Voldoende is dat SOMI kan aangeven dat zij, op het moment van de toetsing, over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de procedure te kunnen voeren.\n\n6.50.. SOMI vraagt geen eigen bijdrage van de X-gebruikers die zich bij haar hebben aangesloten en is daarom voor haar financiering volledig afhankelijk van derden. SOMI wordt allereerst gefinancierd door [bedrijf 3]. [bedrijf 3] heeft op 12 december 2022 een schenking van € 6,5 miljoen toegezegd aan SOMI (zie 3.5), waarvan de aflossing van de bestaande vordering van [bedrijf 3] op SOMI van € 1,7 deel uitmaakte. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat zij onder de schenking tot op heden € 3,9 miljoen heeft ontvangen, zodat nog circa € 2,6 miljoen beschikbaar is. Ter zitting is gebleken dat SOMI met deze schenking niet alleen deze collectieve actie moet bekostigen, maar ook al haar andere collectieve acties. SOMI heeft op dit moment meerdere (14 volgens X Corp c.s.) collectieve acties, in Nederland en in Europa, lopen tegen Big Tech bedrijven. Uit onderzoek is gebleken dat de kosten voor het voeren van een collectieve schadevergoedingsactie al snel enkele miljoenen euro’s bedragen.Ook de kosten van marketing en IT (het ontwikkelen en beheren van de websites van SOMI en de SOMI-app) en de vergoedingen voor de leden van het bestuur en de raad van toezicht moeten worden betaald uit het schenkingsbedrag. X Corp c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat SOMI volgens haar jaarverslagen tussen 2021en 2024 bijna € 1,7 miljoen heeft geïnvesteerd in marketing en IT. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat zij een maximale jaarlijkse vergoeding van € 20.000,- per bestuurder en € 5.000,- per commissaris aanhoudt en dat deze vergoedingen in de jaarrekening zijn verwerkt in de post ‘Remuneration Board of Advice’ (in de jaarrekening 2024 vastgesteld op € 15.126,-). Volgens SOMI heeft het in de jaarrekening van 2024 genoemde bedrag van meer dan € 168.480,- aan “management fees” betrekking op andere kosten. Ook indien dit juist is, dan is SOMI nog altijd ieder jaar duizenden euro’s kwijt aan haar bestuurders en commissarissen. Kortom, de activiteiten van SOMI en deze collectieve actie zijn kostbaar.\n\n6.51.. Volgens X Corp c.s. is onzeker of [bedrijf 3] zelfstandig in staat is om de toegezegde (restant) schenking (van circa € 2,6 miljoen) te dragen. [bedrijf 3] staat aan het hoofd van een groep van acht ondernemingen, waaronder DotSwan B.V. (DotSwan) en Leadmind B.V. (Leadmind). Uit de jaarverslagen leiden X Corp c.s. af dat [bedrijf 3] een negatief eigen vermogen van € 2,7 miljoen heeft en de [bedrijf 3]-groep als geheel een negatief eigen vermogen van circa € 24 miljoen. Ook blijkt volgens X Corp c.s. uit de jaarverslagen dat de liquiditeitspositie zeer beperkt is: in 2024 beschikte [bedrijf 3] over € 38.422,- aan liquide middelen en de [bedrijf 3]-groep over € 628.894,- aan liquide middelen, waarvan het overgrote deel zich ook nog eens bevindt in de vastgoedtak die met circa € 16 miljoen aan schulden is belast. Verder gaat de schenkingsovereenkomst uit van een (aan [bedrijf 3] overgedragen) vordering van [bedrijf 2] op SOMI van € 768.087,98, maar zien X Corp c.s. die vordering niet terug in de jaarrekeningen van [bedrijf 2]. Tegelijkertijd, zo stellen X Corp c.s., blijft [bedrijf 2] na de gestelde overdracht van die vordering op [bedrijf 3] zitten met een structureel negatief eigen vermogen van bijna € 1 miljoen. Dit wijst er volgens X Corp c.s. op dat er geen tegenprestatie is geweest voor de overdracht van de vordering. Vervolgens is [bedrijf 2] geturboliquideerd waardoor de schuldeisers met niets achterbleven. SOMI heeft tegen deze stellingen van X Corp c.s. aangevoerd dat zij voldoet aan al haar verplichtingen, keurig haar schuldeisers betaalt en de kosten voor het vervolg van de procedure kan betalen. [bedrijf 3] is een gezonde onderneming die al 25 jaar bestaat en al een substantieel van de schenking heeft voldaan en het overige deel ook kan voldoen. De jaarcijfers zijn slechts een momentopname. Zo nodig kan SOMI haar claim op X Corp c.s. ook laten herfinancieren, aldus steeds SOMI.\n\n6.52.. SOMI heeft naast de schenking nieuwe, aanvullende vormen van financiering onderzocht. Zij biedt certificaten aan en wel in twee vormen. Uit de stukken, waaronder een presentatie van SOMI aan potentiële investeerders en brochures van SOMI, blijkt dat tegen een minimale deelname van € 1.000,- een procescertificaat kan worden verkregen. De looptijd hiervan bedraagt 1 tot 10 jaar en bij een positief vonnis of een schikking heeft de certificaathouder recht op een rendementsvergoeding van 500 procent. Daarnaast kan een warranty- of kapitaalcertificaat worden verkregen. Hiervoor geldt een minimale deelname van € 100.000,-, een looptijd van 1 jaar tot 10 jaar en een rendementsvergoeding van 600 procent. Verder wordt, anders dan bij procescertificaten, de hoofdsom beschermd. Dit houdt in dat SOMI het ingelegde bedrag moet terugbetalen, ongeacht de uitkomst van de procedure. Volgens SOMI heeft zij in de periode december 2023-maart 2025 de eerste ronde aan certificaten (bekend als de ‘serie 2024’) uitgegeven en vanaf april 2025 tot en met maart 2026 de tweede ronde (bekend als de ‘serie 2025’).\n\n6.53.. In het jaarverslag 2024 van SOMI staat dat zij € 247.362,- heeft ontvangen aan procescertificaten (serie 2024) en € 800.000,- aan kapitaalcertificaten (serie 2024) en ter zake hiervan een langlopende schuld van € 1.047.362,- aan [bedrijf 3] heeft. [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat de uitgegeven certificaten overwegend door [bedrijf 3] zijn gekocht. Naar zijn zeggen zijn alle kapitaalcertificaten door [bedrijf 3] gekocht en is daarbuiten slechts voor € 37.000,- aan procescertificaten gekocht door particulieren. Ook heeft hij verklaard dat hij met het bestuur van SOMI heeft afgesproken dat de hoofdsombescherming voor [bedrijf 3] niet geldt en dat [bedrijf 3] geen recht heeft op een rendementsvergoeding. Iedere onderbouwing van die stelling ontbreekt echter, zodat de rechtbank niet kan uitgaan van de juistheid daarvan. Dit betekent dat de mogelijkheid bestaat dat SOMI € 800.000,- moet terugbetalen aan [bedrijf 3] en daar bovenop € 4,8 miljoen (600% x € 800.000,-) aan rendement. Daar komt dan wellicht nog ruim € 1 miljoen (500% x € 247.362,-) aan rendementsvergoeding voor de uitgegeven procescertificaten bij. De uitgifte van de certificaten brengt in potentie daarom grote financiële risico’s voor SOMI met zich mee.\n\n6.54.. Uit het voorgaande volgt dat de financiering van SOMI de nodige vragen oproept. Niet alleen is onzeker of de (restant) schenking toereikend is om de kosten van deze collectieve actie te bekostigen, maar ook of [bedrijf 3] in staat is dit restant bedrag op te brengen. [bedrijf 3] heeft SOMI ook geen zekerheid, in de vorm van een bankgarantie of andere zekerheidstelling, gegeven dat zij haar verplichtingen uit de schenkingsovereenkomst zal nakomen. Weliswaar heeft SOMI door de uitgifte van certificaten extra financiële middelen verkregen voor deze collectieve actie (en haar andere collectieve acties en andere activiteiten), maar daar staan mogelijk zware financiële verplichtingen van SOMI tegenover. Voor zover SOMI (een deel van) die opbrengst wil gebruiken om deze collectieve actie te bekostigen, is het maar zeer de vraag of dat voldoende is, ook rekening houdend met haar andere (doorlopende) hoge kosten (voor management, marketing en IT). Dat anderen dan [bedrijf 3] bereid zijn om substantiële financiering aan SOMI te verstrekken is verder niet gebleken. Ter zitting heeft [naam 1] verklaard dat hij, althans [bedrijf 3], bereid is om nog meer kapitaalcertificaten (zonder rendementsvergoeding en hoofdsombescherming) te kopen als dat nodig is om de collectieve actie tegen X Corp c.s. te kunnen bekostigen. Echter, uit niets blijkt dat hij en\u002Fof [bedrijf 3] daartoe in staat is. De rechtbank kan daarom op dit moment niet vaststellen dat SOMI beschikt over voldoende middelen om de collectieve actie te bekostigen.\n\n6.55.. Artikel 3:305a lid 2 onder c BW vereist verder dat de zeggenschap over de vordering (in voldoende mate) bij SOMI ligt. [naam 1] is zowel voorzitter van SOMI als bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] die SOMI financiert via de schenkingen en de certificaten. Vanwege die dubbele rol zou [naam 1] op zichzelf een sterke mate van invloed kunnen hebben op de beslissingen in het kader van de collectieve actie van SOMI. De rechtbank ziet in de schenkingsovereenkomst en de statuten echter voldoende waarborgen om eventuele beïnvloeding als gevolg van tegengestelde belangen te voorkomen. [naam 1] maakt deel uit van een driehoofdig bestuur van SOMI dat wordt benoemd en ontslagen door de raad van toezicht (artikelen 4.1 en 4.2 van de statuten). In de schenkingsovereenkomst is vastgelegd dat (i) [naam 1] zich onthoudt van iedere bemoeienis indien bij de besluitvorming een conflicterend belang zou kunnen ontstaan ten opzichte van [bedrijf 3] en dat de overige bestuursleden, met goedkeuring van de raad van toezicht, besluiten kunnen nemen (artikel 3.1), (ii) SOMI de volledige zeggenschap heeft over de collectieve actie die zij voert (artikel 4.1) en dat [bedrijf 3] geen recht heeft op terugbetaling van de schenkingen, ook niet als na uitkering aan de belanghebbenden blijkt van een restant (artikel 1.5). Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij SOMI ligt en niet bij [bedrijf 3] in haar hoedanigheid van schenker of bij [naam 1]. De rechtbank kan echter niet vaststellen welke invloed [bedrijf 3] als kapitaalcertificaathouder en de procescertificaathouders hebben op de collectieve actie. SOMI heeft namelijk van de algemene voorwaarden die volgens haar op de procescertificaten (serie 2025) van toepassing zijn, alleen de bepaling over de uitkering van de rendementsvergoeding in het geding gebracht. Stukken waarin de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard, zoals overeenkomsten tussen SOMI en de certificaathouders, ontbreken eveneens. Daarom kan rechtbank er bij deze stand van zaken niet beoordelen in hoeverre [bedrijf 3] en de andere certificaathouders zeggenschap hebben in het kader van de collectieve actie van SOMI. Vanwege hun (mogelijke) terugbetalingsbelang en hun rendementsvergoeding kan ook niet worden uitgesloten dat zij invloed willen uitoefenen op de collectieve actie.\n\n6.56.. \n\nDe rechtbank heeft behoefte aan een nadere toelichting van SOMI om te kunnen beoordelen of SOMI beschikt over voldoende middelen om de kosten van de collectieve actie te dragen, en of zij – in relatie tot de (kapitaal- en proces)certificaathouders – voldoende zeggenschap heeft over de collectieve actie. Zij beveelt SOMI daarom op grond van artikel 22 lid 1 Rv om bij akte haar stellingen op dit onderdeel nader toe te lichten en voor zoveel mogelijk al te onderbouwen met stukken. SOMI heeft ter zitting ook aangeboden om (nader) aan de rechtbank aan te tonen dat zij over voldoende middelen beschikt; zij is echter terughoudend in het delen van meer informatie hierover met X Corp c.s., omdat X Corp c.s. volgens haar daarmee een procesvoordeel kunnen behalen. Voor zover SOMI meent dat sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 lid 2 Rv die volgens haar rechtvaardigen dat alleen de rechtbank van (onderdelen van) de toelichting en\u002Fof (bepaalde) stukken mag kennisnemen, dan moet zij dat in haar akte nader onderbouwen en aangeven voor welk stuk of welke stukken dit geldt en waarom. X Corp c.s. zullen hierop bij antwoordakte kunnen reageren. De rechtbank zal vervolgens, voor zover nodig, een beslissing nemen over het verzoek van SOMI om beperkte kennisname. Zonder vooruit te lopen op die beslissing verzoekt de rechtbank X Corp c.s. om in hun antwoordakte aan te geven of zij ermee kunnen instemmen dat de rechtbank, voor zover aan de orde, uitspraak zal doen op basis van stukken die SOMI niet met hen wil delen.\n\nAd ii: Winstoogmerk bestuurder SOMI\n\n6.57.. X Corp c.s. stellen dat [naam 1], die zowel bestuurder van SOMI is als via [bedrijf 3] eigenaar en bestuurder van de [bedrijf 3]-groep, een winstoogmerk heeft dat hij via SOMI realiseert. Volgens X Corp c.s. is SOMI in de kern een geldmachine voor de ondernemingen van [naam 1] en is de schenking van hem, althans [bedrijf 3], aan SOMI, in werkelijkheid een investering in zijn eigen omzet. SOMI haalt door middel van certificaten en aankopen in de SOMI-app geld op bij beleggers en bestuurders. Met dit geld neemt SOMI diensten af bij ondernemingen uit de [bedrijf 3]-groep (Leadmind en DotSwan). Daarmee stroomt het door SOMI opgehaalde geld terug naar [naam 1], aldus steeds X Corp c.s.\n\n6.58.. De rechtbank overweegt dat bij de plaatsing van SOMI op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie is vastgesteld dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 3 onder a BW, en dus dat haar bestuurders geen winstoogmerk hebben dat via SOMI wordt gerealiseerd. De rechtbank neemt dit daarom tot uitgangspunt, tenzij er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit niet langer het geval is (zie hiervoor onder 6.11). Dergelijke feiten en omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Volgens SOMI biedt zij sinds december 2023 certificaten aan, terwijl uit de eigen stellingen van X Corp c.s. volgt dat SOMI al sinds 2022 diensten van DotSwan en Leadmind afneemt. Ook de positie van [naam 1] als bestuurder en eigenaar van de [bedrijf 3]-groep is sinds 2021 ongewijzigd. De rechtbank gaat er dus vanuit dat deze omstandigheden bij de aanwijzing van SOMI in 2024 zijn meegewogen. De rechtbank concludeert daarom dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 3 onderdeel a BW.\n\nAd iii: Belangen achterban anderszins niet voldoende gewaarborgd\n\n6.59.. X Corp c.s. stellen dat SOMI niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3:305 lid 2 onder b (deelname aan of vertegenwoordiging bij besluitvorming) en onder d (internetpagina) BW en dat op basis van de stellingen van SOMI niet kan worden beoordeeld of SOMI voldoet aan het bepaalde in artikel 3:305a lid 2 onder f BW (onafhankelijke financier).\n\n6.60.. Voorop wordt gesteld dat bij de plaatsing van SOMI op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie is vastgesteld dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 2 onder b en d BW. Ook hier geldt dat de rechtbank tot uitgangspunt neemt dat aan deze vereisten is voldaan, tenzij blijkt van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit niet langer het geval is.\n\n6.61.. Artikel 3:305a lid 2 onder b BW schrijft voor dat de belangenorganisatie beschikt over passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt. In de wetsgeschiedenis is overwogen dat het aan de belangenorganisatie zelf is om te bepalen op welke wijze zij invulling wenst te geven aan deze bepaling en dat zij dit kan doen door aangeslotenen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over bepaalde besluiten.Wanneer een belangenorganisatie is ingericht overeenkomstig de Claimcode kan worden aangenomen dat is voldaan aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder BW.6.62.. X Corp c.s. hebben niet gesteld dat er sinds de aanwijzing iets is gewijzigd in de manier waarop SOMI heeft geborgd dat deelnemers voldoende inspraak hebben op haar besluitvorming. Zij voeren slechts aan dat onduidelijk is hoe de mogelijkheid voor de deelnemers om zich via de SOMI-app of beveiligde My SOMI-omgeving uit te laten over bepaalde besluiten, werkt. Dat is iets anders en is, in het licht van het aanwijzingsbesluit, niet relevant. Dat geldt ook voor de stelling van X Corp c.s. dat SOMI niet voldoet aan de Claimcode, in het bijzonder Principe IV onder 3 (‘onafhankelijkheid en vermijding belangentegenstelling’), omdat SOMI diensten afneemt van ondernemingen van [naam 1] (Leadmind en DotSwan). X Corp c.s. hebben niet gesteld dat SOMI dat nog niet deed ten tijde van het aanwijzingsbesluit. Voor zover hierin wel iets zou zijn gewijzigd, dan kan dit met name van betekenis zijn voor de vraag in hoeverre de leden van het bestuur van SOMI onafhankelijk kunnen opereren en meerdere belangen dienen die elkaar kunnen beïnvloeden (en dus of de belangen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd) en niet zo zeer welke mechanismen voor inspraak van de achterban er zijn. SOMI heeft toegelicht dat zij in nauw contact staat met de deelnemers. Zij beschikt over de contactgegevens van de deelnemers en houdt de deelnemers via haar website, de nieuwsbrieven en Q&A-sessies op de hoogte. Ook kan zij deelnemers via de SOMI-app notificatieberichten sturen. Volgens SOMI kunnen deelnemers via de SOMI-app en de beveiligde My SOMI-omgeving worden benaderd om zich uit te laten over bepaalde besluiten. Hoewel SOMI niet concreet heeft toegelicht hoe dit precies werkt, heeft de rechtbank geen grond om aan te nemen dat dit technisch en praktisch niet haalbaar is. SOMI heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende aangetoond dat zij heeft geborgd dat deelnemers voldoende inspraak hebben op haar besluitvorming en dat zij voldoet aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder b BW.\n\n6.63.. Artikel 3:305a lid 2 onder d BW schrijft voor dat de belangenorganisatie beschikt over een algemeen toegankelijke internetpagina, waarop de in deze bepaling vermelde informatie beschikbaar is. X Corp c.s. stellen dat SOMI niet transparant is over de bezoldiging van haar bestuurders en commissarissen (punt 5 onder d) en de eigen bijdrage van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt (punt 8 onder d). Ook hiervoor geldt dat reeds bij de plaatsing van SOMI op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties is vastgesteld dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 3 onder d BW en dat daarom van belang is of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.\n\n6.64.. Ter onderbouwing van hun stelling dat SOMI niet transparant is over de bezoldiging beroepen X Corp c.s. zich op het (na het aanwijzingsbesluit gepubliceerde) jaarverslag van SOMI van 2024. Volgens X Corp c.s. volgt hieruit dat SOMI in 2024 aan de bestuurders en commissarissen een hogere vergoeding heeft betaald dan staat vermeld op haar website. SOMI heeft dat echter gemotiveerd weersproken (zie 6.50), zodat het standpunt van X Corp c.s. niet kan worden gevolgd. Volgens SOMI houdt zij zich aan de op haar website genoemde maximale vergoeding (van in totaal € 75.000,-). De rechtbank houdt het er dan ook voor dat aan de eis van artikel 3:305a lid 2 onder d, punt 5, BW is voldaan.\n\n6.65.. Wat betreft de eigen bijdrage is van belang dat een deelnemer zich in het aanmeldproces akkoord moet verklaren met de deelnemersovereenkomst (zie 6.20). Uit het proces-verbaal van de deurwaarder volgt dat de deelnemer hierbij kan doorklikken naar de tekst van de deelnemersovereenkomst (zie schermafbeeldingen 25, 50 en 75 tot en met 82). Artikel 2.3 van de deelnemersovereenkomst bepaalt dat SOMI maximaal 15 procent in rekening zal brengen van de ontvangen schadevergoeding indien aan de gedupeerde enige schadevergoeding wordt toegekend maar de rechter X Corp c.s. niet veroordeelt om de kosten van SOMI voor de rechtszaak volledig te vergoeden. Ook staat vermeld dat het percentage afhankelijk is van de hoogte van de toegewezen geldvordering, de duur van de rechtszaak en in de rechtszaak gemaakte kosten. Dit percentage wordt, onder vermelding naar de deelnemersovereenkomst, ook genoemd op de website van SOMI bij FAQ (‘wat zijn de kosten van deelname?’) (zie producties 41 en 64 van X Corp c.s.). Dat daar nog 2 procent bovenop komt, zoals volgens X Corp c.s. het geval lijkt te zijn, volgt niet uit de website en is door SOMI ook weersproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat SOMI met de informatie op haar website voldoende inzicht heeft gegeven in de berekening van de bijdrage van de personen voor wie zij opkomt (en dat is voldaan aan de eis bedoeld in artikel 3:305a lid 2 onder d, punt 8, BW).\n\n6.66.. De rechtbank voegt hieraan toe dat SOMI op grond van artikel 3:305a lid 2 BW niet gehouden is om op haar website te vermelden waaruit haar kosten precies bestaan en of zij deze betrekking hebben op werkzaamheden van derden, en dus ook niet dat zij gebruik maakt van de diensten van DotSwan en Leadmind. Overigens betwist SOMI dat zij aan deze bedrijven excessieve kosten betaalt. Zij stelt dat de vergoeding minimaal 10 procent onder de marktprijs ligt en dat deze bovendien door [bedrijf 3] rechtstreeks aan Leadmind en DotSwan wordt voldaan, als onderdeel van de schenking. Als gezegd, bieden de statuten van SOMI en de schenkingsovereenkomst voldoende waarborgen om eventuele ongewenste beïnvloeding als gevolg van tegengestelde belangen tussen SOMI en [bedrijf 3] te voorkomen. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat SOMI alleen het commerciële belang van haar voorzitter en zijn bedrijven dient en niet meer dan een geldmachine is.\n\n6.67.. X Corp c.s. hebben niet gesteld dat de website van SOMI op de andere in artikel 3:305a lid 2 onder d BW genoemde punten niet voldoet en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken.\n\n6.68.. Uit het voorgaande volgt dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 2 onder d BW.\n\n6.69.. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat [naam 1] houder is van de kapitaalcertificaten en dat de procescertificaten zijn gekocht door particulieren. Iedere aanwijzing dat die stelling niet juist is, ontbreekt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook aan artikel 3:305a lid 2 onder f BW is voldaan.\n\n6.70.. De rechtbank stelt verder vast dat SOMI beschikt over een voltallig bestuur (zie 3.3) en een voltallige raad van toezicht (zie 3.4), van wie de kundigheid en geschiktheid niet ter discussie staan of zijn gesteld. Op basis van de beschikbare informatie ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan die kundigheid en geschiktheid. Daarmee voldoet SOMI aan artikel 3:305a lid 2 onder a en onder e BW.\n\n6.71.. Voor zover van belang overweegt de rechtbank nog dat de WAMCA er op zichzelf niet aan in de weg staat dat SOMI commerciële activiteiten verricht, zoals het tegen betaling (in HT-tokens) uitvoeren van een ‘datalek scan’. Volgens SOMI levert die activiteit echter geen commercieel voordeel op, omdat de vergoeding beperkt is en slechts dient ter dekking van een deel van de kosten van de ontwikkeling, exploitatie en uitvoering van de diensten via de SOMI-app. X Corp c.s. betwisten dat onvoldoende. Evenmin betwisten zij dat de deelnemers aan de collectieve actie tegen X Corp c.s. niet hoeven te betalen om na te gaan of hun gegevens zich in de gelekte datasets bevinden. Voor zover SOMI verder nog abonnementen aanbiedt om onbeperkt gebruik te kunnen maken van haar diensten, geldt dat nergens uit blijkt dat zij hiermee (enorme) winsten behaalt. X Corp c.s. stellen dat ook niet. Uit de omstandigheid dat SOMI activiteiten tegen betaling uitvoert kan daarom niet worden afgeleid dat zij slechts een eigen financieel voordeel nastreeft en de belangen van de achterban niet voorop heeft staan.\n\nConclusie waarborgvereiste\n\n6.72.. De rechtbank heeft meer informatie nodig om te kunnen beoordelen of SOMI voldoet aan het vereiste dat zij beschikt over voldoende middelen om de collectieve actie te bekostigen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij haar ligt. De rechtbank draagt SOMI op om haar stellingen op dit punt te nader toe te lichten en te onderbouwen aan de hand van schriftelijke stukken. Indien SOMI kan aantonen dat zij over voldoende middelen beschikt en voldoende zeggenschap heeft, dan voldoet zij daarmee aan het waarborgvereiste.\n\nDe (overige) vereisten van artikel 3:305a lid 3 BW\n\n6.73.. De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van SOMI een voldoende nauwe band hebben met de Nederlandse rechtssfeer, zoals vereist in artikel 3:305a lid 3 onder b BW. SOMI komt op voor de belangen van voormalige en huidige gebruikers van het X-platform in Nederland, die voornamelijk in Nederland gebruik hebben gemaakt van de diensten van X Corp c.s. De schade van het gestelde onrechtmatig handelen van X Corp c.s. wordt daarmee ondervonden in Nederland. Dit is door X Corp c.s. niet betwist. Eén van de drie gedaagde partijen is bovendien in Nederland gevestigd.\n\n6.74.. SOMI heeft ook onweersproken aangevoerd dat aan het overlegvereiste uit artikel 3:305a lid 3 onder c BW is voldaan (zie ook onder 3.7). Weliswaar is het niet tot daadwerkelijk overleg gekomen, maar dat komt doordat X Corp c.s. geen reden zag om op de uitnodiging van SOMI in te gaan. Een redelijke uitleg van dit vereiste brengt mee dat een gedaagde de actie niet kan tegenhouden door overleg te weigeren.\n\nConclusie ontvankelijkheidseisen WAMCA (artikel 3:305a leden 1 tot en met 3 BW)\n\n6.75.. De rechtbank concludeert dat SOMI voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a leden 1 tot en met 3 BW, behoudens vooralsnog het waarborgvereiste. De rechtbank heeft met betrekking tot dit vereiste behoefte aan meer informatie van SOMI.\n\nOverige ontvankelijkheidsvereisten onder de WAMCA (artikel 1018c lid 5 onder b en c Rv)\n\nCollectieve procedure is efficiënter en effectiever?\n\n6.76.. Zoals onder 6.2 is overwogen moet SOMI ook voldoende aannemelijk maken dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering. Daarbij is van belang dat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is, en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben.6.77.. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, heeft SOMI voldoende aannemelijk gemaakt dat het voeren van de door haar ingestelde collectieve vorderingen efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen door ieder van de gebruikers van het X-platform in de relevante periodes. Met betrekking tot de door artikel 1018c lid 5 onder b Rv als relevant aangemerkte omstandigheden is hiervoor steeds in bevestigende zin geoordeeld. Gesteld noch gebleken is dat er niettemin aanleiding is voor een ander oordeel bij het toepassen van artikel 1018c lid 5 onder b Rv zelf.\n\nVorderingen summierlijk ondeugdelijk?\n\n6.78.. Tot slot staat nog ter beoordeling (zie 6.2) of de vorderingen van SOMI summierlijk ondeugdelijk waren op het moment dat de procedure aanhangig werd gemaakt.\n\n6.79.. Doel van artikel 1018c lid 5 onder c Rv is om in uitzonderlijke gevallen een collectieve vordering al voor de inhoudelijke behandeling van tafel te halen omdat deze niet deugt.Dit moet dan zonder meer blijken – dus zonder nader inhoudelijk onderzoek – uit de vorderingen van de eisende partij en de stellingen van partijen daarover in deze fase van de procedure. Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van deze vraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (een prima facie oordeel). In de wetsgeschiedenis wordt als voorbeeld genoemd dat het geschil van de collectieve actie niet aan civiele rechter, maar aan de bestuursrechter dient te worden voorgelegd, of dat de vordering kennelijk ongegrond is, bijvoorbeeld omdat de gestelde feiten over de achterban niet aansluiten bij de vordering.\n\n6.80.. X Corp c.s. hebben aangevoerd dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vorderingen van SOMI omdat:\n\n- de verplichtingen uit de DSA alleen op XIUC als aanbieder van het X-platform in de EU rusten en niet op X Corp en Twitter Netherlands;\n\n- artikelen 34 en 35 DSA geen individuele rechten scheppen;\n\n- de vordering tot schadevergoeding als gevolg van hate speech op het X-platform evident in strijd is met de hostingsexceptie van artikel 6 DSA;\n\n- de vorderingen betreffende de 200M-dataset alleen zijn onderbouwd met speculaties.\n\nToepasselijkheid DSA op X Corp en Twitter Netherlands\n\n6.81.. SOMI heeft haar vorderingen op grond van de DSA in de inleidende dagvaarding gericht tegen X Corp, XIUC en Twitter Netherlands. Ter zitting heeft SOMI verklaard dat zij zich tegenover Twitter Netherlands niet langer beroept op de DSA. Tussen partijen staat vast dat XIUC onder de DSA kan worden aangesproken. In geschil is echter of dit ook geldt voor X Corp. SOMI meent van wel, maar X Corp c.s. betwisten dit. Zij baseren zich op het boetebesluit van de Europese Commissie van 5 december 2025 en de uitspraak van deze rechtbank van 2 oktober 2025 in de Bits of Freedom\u002FMeta-zaak.\n\n6.82.. De Europese Commissie heeft op 5 december 2025 een boete van € 120 miljoen opgelegd aan XIUC, X Holdings Corp., X.AI Holdings Corp. en [naam 7] wegens schending van (artikelen 25 lid 1, 39 en 40 lid 12 van) de DSA. De Europese Commissie heeft in het besluit onder meer overwogen dat uit de omstandigheid dat XIUC de geadresseerde is van het eerdere besluit waarin het X-platform is aangewezen als een Very Large Online Platform(VLOP) in de zin van artikel 33 DSA, niet kan worden afgeleid dat alleen XIUC kan worden aangesproken onder de DSA. Het begrip aanbieder (‘provider’) in de zin van de DSA verwijst volgens de Europese Commissie naar “any economic unit engaged in the provision of intermediary services, irrespective of its legal status or structure, which may consist of several legal entities constituting a single economic unit or even a controlling shareholder and those entities” (overweging 49). Volgens de Europese Commissie is X Holdings Corp. “the ultimate legal entity controlling TIUC” en [naam 7] “the natural person ultimately controlling the group of companies to which TIUC and X Holding Corp. belong” (overweging 12 van het besluit). De Europese Commissie heeft daarom X Holdings Corp. (en haar aandeelhouder X.AI Holdings Corp.) en [naam 7] samen met XIUC aangemerkt als “the provider of X in the Union”. Dit oordeel betekent echter niet zonder meer dat op X Corp geen verplichtingen uit de DSA rusten en dat zij niet ook als aanbieder van het X-platform kan worden beschouwd. X Corp is immers de dochtermaatschappij van X Holdings Corp. en de moedermaatschappij van XIUC, zodat zij (in elk geval op papier) invloed op XIUC lijkt te kunnen uitoefenen, en behoort tot dezelfde economische eenheid als XIUC. De discussie bij de Europese Commissie ging met name over de positie van [naam 7] onder de DSA en niet over die van X Corp (zie overwegingen 54 tot en met 63 van het besluit). SOMI wijst er terecht op dat de DSA relatief nieuw is en dat er daarom nog beperkte duiding is over de vraag welke entiteiten binnen een concern kunnen worden aangesproken onder de DSA. Het besluit van de Europese Commissie is bovendien nog niet onherroepelijk, omdat hiertegen beroep is ingesteld bij het Hof van Justitie EU. Onder die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de op de DSA gebaseerde vorderingen van SOMI tegen X Corp summierlijk ondeugdelijk zijn, laat staan op het moment dat de procedure aanhangig werd gemaakt (wat ruim vóór het besluit van de Europese Commissie was).\n\n6.83.. De door X Corp c.s. aangehaalde uitspraak van deze rechtbank maakt dat niet anders. In deze (kort geding) zaak oordeelde de rechtbank dat twee entiteiten behorend tot het Meta-concern niet als aanbieder van een platform in de zin van de DSA konden worden aangemerkt vanwege hun rol en werkzaamheden binnen het Meta-concern. Dit oordeel van de voorzieningenrechter kan niet één op één worden toegepast op de situatie bij X Corp c.s. en vergt een feitelijke beoordeling waarvoor nader onderzoek nodig is en waarbij ook factoren als zeggenschap en economische gebondenheid een rol kunnen spelen. Die factoren zijn in de Bits of Freedom\u002FMeta-zaak niet beoordeeld.\n\nDirecte werking artikelen 34 en 35 DSA\n\n6.84.. Partijen verschillen van mening over de vraag of artikelen 34 en 35 van de DSA directe werking hebben (SOMI meent van wel, maar X Corp c.s. betwisten dat). Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat deze vraag nog niet eerder is beantwoord in de jurisprudentie. Reeds hierom kan de rechtbank in deze fase van de procedure er niet zonder meer van uitgaan dat X Corp c.s. gelijk hebben en dat de vordering van SOMI op dit punt niet deugt.\n\nArtikel 6 DSA\n\n6.85.. Op grond van artikel 6 DSA is een aanbieder van een tussenhandeldienst die content van gebruikers opslaat en verspreidt (een hostingdienst), niet aansprakelijk voor de opgeslagen informatie als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Voorwaarden zijn dat de aanbieder zich beperkt tot het neutraal aanbieden van de hostingdienst, geen kennis heeft van de illegale inhoud en prompt optreedt tegen illegale inhoud zodra hij daarvan op de hoogte is. De vrijstelling van aansprakelijkheid is niet bedoeld om eigen verplichtingen niet na te hoeven komen, maar alleen om te zorgen dat partijen niet verantwoordelijk worden gehouden voor content die ondanks dat zij hun verplichtingen nakomen via hun platform wordt verspreid. In dit geval verwijt SOMI X Corp c.s. juist dat zij hun eigen verplichtingen nietnakomen. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat de vordering van SOMI tot schadevergoeding als gevolg van hate speech gelet op artikel 6 DSA summierlijk ondeugdelijk is. Daarbij komt dat het verwijt van SOMI aan X Corp c.s. groter is dan hate speech. Hate speech is volgens SOMI slechts één van de systeemrisico’s die X Corp c.s. op grond van artikelen 34 en 35 DSA dienen te beoordelen en te beperken. SOMI stelt zich op het standpunt dat X Corp c.s. met betrekking tot alle systeemrisico’s niet aan hun verplichtingen voldoen.\n\n200M-dataset\n\n6.86.. SOMI komt in deze procedure op voor de personen van wie de persoonsgegevens voorkomen in de gelekte datasets. Zij onderscheidt vier datalekken op het X-platform. Zij stelt dat het vierde datalek bestaat uit de gegevens van meer dan 200 miljoen X-gebruikers (de 200M-dataset) en een subset is van de dataset van meer dan 400 miljoen X-gebruikers uit het derde datalek (de 400M-dataset). X Corp c.s. stellen dat op voorhand duidelijk is dat de vorderingen die betrekking hebben op de 200M-dataset geen kans van slagen hebben. Volgens X Corp c.s. heeft deze dataset namelijk geen verband met het eerste datalek (de API-bug) of een andere kwetsbaarheid in de systemen, maar is het waarschijnlijk een verzameling van informatie die reeds online beschikbaar was via diverse andere online bronnen en die van het internet is ‘gescrapet’ en samengevoegd tot de 200M-dataset. SOMI betwist dit en voert daartoe aan dat uit nader onderzoek is gebleken dat de 200M-dataset en de 400M-dataset gegevens bevatten die niet publiekelijk beschikbaar waren. Om te kunnen beoordelen wie gelijk heeft, is nader debat tussen partijen vereist en wellicht zelfs bewijslevering. Daartoe dient de inhoudelijke fase van deze procedure. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat de op de 200M-dataset gebaseerde vordering van SOMI op het eerste gezicht al geen enkele kans van slagen heeft.\n\nConclusie\n\n6.87.. Uit het voorgaande volgt dat de stelling van X Corp c.s. dat verschillende vorderingen van SOMI summierlijk ondeugdelijk zijn, niet slaagt. Ook uit de overige standpunten van partijen kan dit niet worden afgeleid.\n\nConclusie ontvankelijkheid SOMI en verdere verloop van de procedure\n\n6.88.. De rechtbank concludeert dat nog niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van SOMI, omdat nog onduidelijk is of SOMI voldoet aan alle ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW, in het bijzonder het waarborgvereiste van lid 2. De rechtbank beveelt SOMI om haar stellingen op dit punt nader toe te lichten en te onderbouwen. Daartoe mag SOMI eerst een akte nemen, waarop X Corp c.s. bij antwoordakte mag reageren.\n\n6.89.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n7. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n7.1.. verwijst de zaak naar de rol van 24 juni 2026 voor het nemen van een akte door SOMI als bedoeld in 6.56;\n\n7.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, mr. L. Voetelink en mr. A.N. Kikkert en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.\n\nBijlage\n\nSOMI vordert dat het de rechtbank moge behagen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar,\n\nExclusieve belangenbehartiger\n\ni. SOMI aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger zoals bedoeld in artikel 1018e lid 1 Rv;\n\nNauw omschreven groep\n\nTe bepalen dat SOMI in deze collectieve actie de belangen behartigt van de volgende nauw omschreven groepen personen (gezamenlijk aangeduid als de \"Achterban\"):\n\na. Voor de vorderingen die zien op datalekken en gebrekkige beveiliging:\n\ni. Alle gebruikers van het X-Platform, althans de diensten van X,\n\nii. zijnde alle natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf,\n\niii. die in Nederland wonen en gedurende een moment dat zij in Nederland woonden,\n\niv. gebruik hebben gemaakt van het X-Platform in de periode vanaf 1 juni 2021 tot en met heden (de \"Relevante Periode 2\"), en\n\nv. van wie zich persoonsgegevens bevinden in de gelekte datasets (\"Achterban A\");\n\nb. Voor de vorderingen die zien op ongeoorloofde microtargeting en gebrekkige transparantie:\n\ni. Alle gebruikers van het X-Platform, althans de diensten van X,\n\nii. zijnde alle natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf,\n\niii. die in Nederland wonen en gedurende een moment dat zij in Nederland woonden,\n\niv. gebruik hebben gemaakt van het X-Platform in de periode vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden (de \"Relevante Periode 1\"), en\n\nv. die behoorden tot het doelpubliek van de advertenties die zijn getoond als gevolg van ongeoorloofde microtargeting door X, waaronder de Advertenties (\"Achterban B\");\n\nc. Voor de vorderingen die zien op schending van de DSA-verplichtingen rondom systeemrisico's voor grote online platforms waaronder het tegengaan van hate speech:\n\ni. Alle gebruikers van het X-Platform, althans de diensten van X,\n\nii. zijnde alle natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf,\n\niii. die in Nederland wonen en gedurende een moment dat zij in Nederland woonden,\n\niv. gebruik hebben gemaakt van het X-Platform in de periode vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden (de \"Relevante Periode 1\") (\"Achterban C\").\n\nOpt-in\u002Fopt-out\n\nX Corp c.s. te gebieden om binnen vier weken na het in deze procedure ingevolge artikel 1018e lid 1 en 2 Rv te wijzen vonnis:\n\na. het vonnis, vergezeld van een eenvoudige samenvatting, te plaatsen op een speciaal daarvoor in het leven te roepen webpagina van de website waarop het X-Platform toegankelijk is;\n\nb. ieder lid van de Achterban per e-mail en via de X berichtendienst mededeling te doen van de aanwijzing als exclusieve belangenbehartiger, de collectieve vordering en de nauw omschreven groepen personen wier belangen de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt;\n\nc. aankondiging te doen van de aanwijzing als exclusieve belangenbehartiger, de collectieve vordering en de nauw omschreven groepen personen wier belangen de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt, in alle landelijke en regionale nieuwsbladen van Nederland met een inhoud en op een wijze zoals door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen;\n\nd. met de bepaling dat X Corp c.s. per partij een dwangsom verschuldigd zullen zijn indien door X Corp c.s. aan enig onderdeel van de veroordelingen iii. a., b., en\u002Fof c. niet of niet tijdig wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag), met een maximum van EUR 10.000.000,- (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum.\n\n Te bepalen dat, overeenkomstig artikel 1018f lid 1 Rv, (de wettelijk vertegenwoordiger(s) van) ieder lid van de Achterban met woonplaats of verblijf in Nederland, binnen een maand na de aankondiging overeenkomstig artikel 1018f lid 3 Rv van het vonnis met de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten zich van de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie te willen bevrijden (Opt-out);\n\n Te bepalen dat, in overeenstemming met artikel 1018f lid 5 Rv, (de wettelijk vertegenwoordiger(s) van) ieder lid van de Achterban zonder woonplaats of verblijf in Nederland, binnen drie maanden na de aankondiging overeenkomstig artikel 1018f lid 3 Rv van het vonnis van uw Rechtbank tot aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten in te stemmen met de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie en dat zijn belang niet wordt behartigd in een collectieve of individuele vordering, gebaseerd op soortgelijke feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen tegen gedaagden in een andere lidstaat van de EU of de EER (Opt-in).\n\nVerklaringen voor recht\n\nTe verklaren voor recht en op de gronden zoals uitgewerkt in deze dagvaarding jegens ieder lid van de (relevante) Achterban dat;\n\na. X Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich, toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld door in strijd te handelen met de AVG;\n\nb. X Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich, althans XIUC toerekenbaar onrechtmatig heeft\u002Fhebben gehandeld door in strijd te handelen met de DSA;\n\nc. X Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich, toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld door zich schuldig te maken aan oneerlijke handelspraktijken in de zin van artikel 6:193b lid 3 onder a BW in samenhang gelezen met 6:193d BW;\n\nd. X Corp c.s. gezamenlijk of ieder voor zich, zich ongerechtvaardigd hebben verrijkt.\n\nVerwijzing schadestaat \u002F symbolische schadevergoeding \u002F wijze van afwikkeling collectieve schade\n\n PRIMAIR\n\na. te verklaren voor recht dat X Corp c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn op de gronden zoals uitgewerkt in deze dagvaarding, jegens ieder (relevant) lid van de Achterban voor de door ieder van die leden als gevolg van de schendingen in vorderingen vi (a-d) geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en\n\nb. voor wat betreft de als gevolg van hate speech door de Achterban C geleden immateriële schade in de Relevante Periode 1, X Corp c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een symbolische schadevergoeding te begroten op EUR 1 (één euro) per lid van de Achterban, althans te bepalen dat ook deze schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend volgens de wet;\n\nSUBSIDIAIRde collectieve schadeafwikkeling vorm te geven op een wijze die uw Rechtbank in goede justitie geraden acht op basis van door SOMI en X Corp c.s. op bevel van uw Rechtbank ex artikel 1018i Rv over te leggen voorstellen voor een collectieve afwikkeling; en\n\nzowel primair als subsidiair per lid van de Achterban te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de Relevante Periode 1 aanvangt, danwel de Relevante Periode 2, althans de datum van dagvaarding, althans de datum van het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nGeboden op straffe van dwangsom en controle\n\nX Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich te gebieden om aan hun in deze dagvaarding omschreven wettelijke verplichtingen te voldoen door:\n\na. te voldoen aan de meldplicht datalekken aan betrokkenen op grond van artikel 34 AVG jegens Achterban A, op straffe van een dwangsom van EUR 4.000.000,- (zegge: vier miljoen euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) vanaf twee maanden na de datum van betekening van het eindvonnis dat X Corp c.s. geheel of gedeeltelijk in strijd handelen met dit gebod, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum; en\n\nb. het staken van het onrechtmatig handelen jegens de Achterban B door het staken en gestaakt te houden van ongeoorloofde microtargeting op basis van bijzondere persoonsgegevens op straffe van een dwangsom van EUR 4.000.000,- (zegge: vier miljoen euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) vanaf twee maanden na de datum van betekening van het eindvonnis dat X Corp c.s. geheel of gedeeltelijk in strijd handelen met dit gebod, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum; en\n\nc. het staken van het onrechtmatig handelen jegens de Achterban B en Achterban C door schendingen van de DSA te staken en gestaakt te houden door:\n\ni. jegens Achterban B het targeten van X-Gebruikers op basis van bijzondere persoonsgegevens voor advertentiedoeleinden te staken en gestaakt te houden; en\n\nii. jegens Achterban C aantoonbaar te voldoen aan de (zorg- en informatie)plichten op grond van de DSA,\n\neen en ander op straffe van een dwangsom van EUR 4.000.000,- (zegge: vier miljoen euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) vanaf twee maanden na de datum van betekening van het eindvonnis dat XIUC geheel of gedeeltelijk in strijd handelt met dit gebod, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum;\n\nTe bevelen X Corp c.s. een maand na het verzoek daartoe van SOMI aan\n\nX Corp c.s., aan een onafhankelijke auditor, te weten een aan de 'Big Four' (KPMG, Ernst & Young, PWC en Deloitte) verbonden onafhankelijke auditor, toegang te geven tot de IT-faciliteiten van X Corp c.s. (waaronder, maar niet beperkt tot, externe servers bij aan gedaagden dienstverlenende derden) en X Corp c.s. te gebieden alle benodigde medewerking te verlenen om een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de naleving van de geboden als bedoeld vii van dit petitum, met dien verstande dat SOMI dit verzoek vijf keer kan doen, althans zoveel keer als uw Rechtbank in justitie geraden acht, en dat X Corp c.s. per partij een dwangsom verschuldigd zullen zijn indien door X Corp c.s. niet, niet geheel of niet tijdig aan het verzoek van SOMI wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) met een maximum van EUR 10.000.000 (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum.\n\nVerstrekken van informatie\n\nX Corp c.s. te veroordelen om binnen vier weken na het in dezen te wijzen vonnis in de vorm van een Excel lijst of vergelijkbaar algemeen gangbaar bestand opgave te doen van:\n\na. alle adverteerders die in de relevante Periode 1 direct of indirect gebruik hebben gemaakt van ongeoorloofde microtargeting op basis van bijzondere persoonsgegevens op het X-Platform voor advertenties (al dan niet mede) gericht op Nederlandse consumenten;\n\nb. de advertenties (al dan niet mede) gericht op Nederlandse consumenten, die in de Relevante Periode 1 (mede) met gebruikmaking van ongeoorloofde microtargeting op basis van bijzondere persoonsgegevens op X zijn geplaatst;\n\nc. de advertentie-inkomsten die X Corp c.s. (althans aan X Corp c.s. gelieerde entiteiten) direct of indirect via de in onderdeel ix.a. en ix.b. van dit petitum bedoelde advertenties hebben ontvangen;\n\nOnder de bepaling dat X Corp c.s. per partij een dwangsom verschuldigd zullen zijn indien door X Corp c.s. niet, niet geheel of niet tijdig aan de veroordeling tot informatieverstrekking wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) met een maximum van EUR 10.000.000,- (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum.\n\nKostenvergoedingen\n\nPRIMAIRX Corp c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan SOMI van:\n\na. de volledige door SOMI gemaakte buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nb. de redelijke en evenredige proceskosten van deze procedure en verdere kosten die SOMI heeft gemaakt, overeenkomstig artikel 10181 lid 2 Rv, en\u002Fof 237 Rv en\u002Fof 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nc. de volledige door SOMI gemaakte kosten, nakosten en nog in het kader van de schadeafwikkeling te maken kosten, overeenkomstig artikel 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; en\n\nd. de volledige door SOMI aan eventuele externe procesfinanciers te betalen overeengekomen vergoeding, overeenkomstig artikel 6:96 BW en\u002Fof artikel 10181 lid 2 Rv, zoals nader te begroten op grond van door SOMI nader over te leggen informatie, te vermeerderen met BTW indien van toepassing, een en ander zoals nader te begroten op basis van door SOMI over te leggen informatie en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat; en\n\nde volledige kosten van SOMI in verband met de uitvoering van het in deze procedure te wijzen vonnis en de van de afwikkeling van de schadevergoeding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag de afhandeling, waaronder maar niet beperkt tot kosten in verband met de afhandeling van de vaststelling en uitbetaling van de schadevergoeding en de begeleiding van en controle op dat proces, te vermeerderen met BTW indien van toepassing, steeds halfjaarlijks vooraf te voldoen op basis van door SOMI vast te stellen redelijke voorschotbedragen en na afronding af te rekenen op basis van nacalculatie.\n\nSUBSIDIAIRte bepalen dat SOMI de kosten zoals bedoeld in de primaire vordering in mindering mag brengen op de door of namens haar aan de Gedupeerden uit te betalen schadevergoedingen nader op te maken bij staat.\n\n Richtlijn (EU) 2020\u002F1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende\n\nrepresentatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot\n\nintrekking van Richtlijn 2009\u002F22\u002FEG, PbEU2020, L 409.\n\n Verordening (EU) 2016\u002F679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de\n\nbescherming van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking\n\nvan Richtlijn 95\u002F46\u002FEG (algemene verordening persoonsgegeven), PbEU2016, L 119\u002F1.\n\n Verordening (EU) 2022\u002F2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022\n\nbetreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000\u002F31\u002FEG\n\n(digitaledienstenverordening), PbEU2022, L 277.\n\n Richtlijn 2005\u002F29\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke\n\nhandelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van\n\nRichtlijn 84\u002F450\u002FEEG van de Raad, Richtlijnen 97\u002F7\u002FEG, 98\u002F27\u002FEG en 2002\u002F65\u002FEG van het Europees\n\nParlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006\u002F2004 van het Europees Parlement en de Raad\n\n(„Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), PbEU2005, L 149\u002F22.\n\n Verordening (EU) Nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012\n\nbetreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in\n\nburgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU2012, L 351.\n\n Zie artikelen 1, 6 en 66 Verordening Brussel I-bis.\n\nHR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:732.\n\n Rb Rotterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9088 (SDBN-Amazon).\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 39;Kamerstukken II2017-2018, 34 608, nr. 9\n\n(NnavNV), p. 9-10; Handelingen II23 januari 2019, nr. 44, item 6, p. 14.\n\nKamerstukken II2021-2022, 36 034, nr. 3 (MvT), p. 3.\n\nKamerstukken II2021-2022, 36 034, nr. 3 (MvT), p. 13.\n\n Vergelijk hof Amsterdam 7 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2666 (TikTok), r.o. 4.28.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 45.\n\nKamerstukken II1991-1992, 22 486, nr. 3.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 7, 8, 18 en 19. Zie verderKamerstukken II\n\n2017-2018, 34 608, nr. 6 (NnavV), p. 3 en 5.\n\nKamerstukken II2003-2004, 29 414, nr. 3. (MvT WCAM), p. 15 en 16.\n\n In artikel 4 sub 7 AVG wordt profilering omschreven als elke vorm van geautomatiseerde\n\nverwerking van persoonsgegevens waarbij aan de hand van persoonsgegevens bepaalde persoonlijke\n\naspecten van een natuurlijk persoon worden geëvalueerd, met name met de bedoeling zijn\n\nberoepsprestaties, economische situatie, gezondheid, persoonlijke voorkeuren, interesses,\n\nbetrouwbaarheid, gedrag, locatie of verplaatsingen te analyseren of te voorspellen.\n\n Rechtbank Den Haag 6 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14320.\n\n Rechtbank Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4264.\n\n HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756 (Stichting Baas in Eigen Huis\u002FPlazacasa).\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 40 en 41.\n\n HvJEU 4 mei 2023, C-300-21, ECLI:NL:EU:C:2023:370 (Österreichische Post).\n\n HvJEU 4 mei 2023, C-300-21, ECLI:NL:EU:C:2023:370 (Österreichische Post), HvJEU 21\n\ndecember 2023, C-667\u002F21, ECLI:EU:C:2023:1022 (Krankensicherung Nordrhein), HvJEU 25 januari\n\n2024, C-687-2, ECLI:EU:C:2024:72 (MediaMarktSaturn).\n\n Artikel 3:305a lid 2 sub d BW geeft vervolgens een opsomming van de informatie die beschikbaar\n\nmoet zijn op de website.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 18 en 21.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 20.\n\n WOCD-rapport ‘Nut, noodzaak, vormgeving en kosten van een (revolverend) processenfonds voor\n\ncollectieve acties’, zie p. 14 en 15, op 18 september 2023 door de Minister voor Rechtsbescherming\n\naangeboden aan de Tweede Kamer.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 19.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 39.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 39.\n\nKamerstukken II2023-2024, 36 169, nr. 40, p. 3.\n\nRb Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:745, r.o. 5.104.\n\n Rb Amsterdam 2 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7253 (Bits of Freedom-Meta).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6440","2026-07-13T00:29:23.335Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":51,"updatedAt":98},"1923","ECLI:NL:RBDHA:2026:12960","ecli-nl-rbdha-2026-12960","2026-05-08T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F702369 \u002F KG ZA 26-332\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 8 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser]te [woonplaats] ,\n\neiser,\n\nadvocaten mr. K. Bozia te Lelystad en mr. J.M. Klaassen te Amsterdam,\n\ntegen:\n\nde Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst)te Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. C.L.L. Rutten-Stichter te Den Haag.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’ of ‘de Belastingdienst’.\n\nAanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. T.A.E. Scheers, griffier.\n\nTevens zijn aanwezig [eiser] in persoon, zonder advocaat, en mr. Rutten-Stichter namens de Staat.\n\nNadat de voorzieningenrechter met partijen heeft gesproken over de afwezigheid van mr. Bozia, de door haar de avond voor de zitting bij de rechtbank ingediende stukken en het niet-ontvankelijkheidsverweer van de Staat, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.\n\n1. De gronden van de beslissing\n\n1.1.. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is tussen partijen in geschil of de Staat nog meer gegevens aan [eiser] dient te verstrekken dan hij tot nu toe heeft gedaan.\n\n1.2.. \n\n [eiser] vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, om de Belastingdienst – uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen om binnen vijf werkdagen na de datum van dit vonnis aan [eiser] inzage te verstrekken in en een afschrift te verstrekken van de persoonsgegevens van Bouman die door of namens de Belastingdienst worden verwerkt, in de zin van artikel 4 AVG, waaronder begrepen de persoonsgegevens van Bouman die zijn vervat in dossiers\u002Fregistraties die betrekking hebben op (voormalige) vennootschappen en daarmee samenhangende structuren, voor zover en in zoverre daarin persoonsgegevens van Bouman voorkomen of daartoe herleidbaar zijn, in welke vorm dan ook, waaronder in elk geval begrepen:\n\n(i) FSV- en opvolgende risicoregistraties;\n\n(ii) signaleringen, kwalificaties en risicoprofielen;\n\n(iii) interne notities\u002Fmemo's; en\n\n(iv) loggings- en raadplegingsgegevens;\n\neen en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.\n\n1.3.. De Staat heeft in een voorafgaand aan de zitting ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen het gevorderde. De Staat heeft hierbij gewezen op de door hem op 19 oktober 2023, 3 maart 2026 en 5 maart 2026 genomen besluiten op de AVG-verzoeken van [eiser] . Het primaire verweer van de Staat is dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, omdat tegen besluiten in de zin van de Awb een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat. De civiele rechter is volgens de Staat daarom niet bevoegd. Verder heeft [eiser] volgens de Staat geen spoedeisend belang bij zijn vordering. Tot slot stelt de Staat dat er geen sprake is van enig onrechtmatig handelen, omdat hij al op de verzoeken van [eiser] heeft beslist en aan zijn verplichtingen op grond van de AVG heeft voldaan.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] op grond van artikel 79, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) slechts bij advocaat kan procederen. Daarnaast staat in artikel 10.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken vermeld dat de eisende partij op de mondelinge behandeling alleen met of bij advocaat kan verschijnen. [eiser] is ter zitting verschenen zonder advocaat. Daarmee is niet voldaan aan een formeel vereiste om in deze procedure te kunnen worden ontvangen. [eiser] zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.\n\n1.5.. De voorzieningenrechter overweegt hierbij nog het volgende. Mr. Bozia heeft weliswaar de avond voor de zitting om 18.05 uur aangekondigd dat zij vanwege omstandigheden aan haar zijde mogelijk niet ter zitting zal verschijnen, maar zij heeft de aard van deze omstandigheden niet nader toegelicht en heeft niet gevraagd om verplaatsing van de zitting. Integendeel, zij heeft bij deze mededeling de pleitnota met aanvullende producties aan de rechtbank doen toekomen en gesteld dat zij dit zorgvuldig acht, zodat de standpunten van [eiser] volledig kenbaar zijn gemaakt en bij de beoordeling kunnen worden betrokken. Nadat de voorzieningenrechter erop had gewezen dat het ontbreken van een advocaat aan de zijde van [eiser] een hindernis vormde, is er toch een gesprek met partijen op gang gekomen. Al snel bleek dat de zaak zonder de aanwezigheid van de advocaat voor [eiser] niet (naar behoren) kon worden behandeld. Daarbij speelde ook een rol dat de Staat voorafgaand aan de zitting geen kennis had kunnen nemen van de stukken die de avond voorafgaand aan de zitting door mr. Bozia waren overgelegd. Daarnaast diende in deze zaak als eerste het hiervoor vermelde primaire verweer van de Staat te worden besproken tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] . Zonder advocaat kon [eiser] daarop ter zitting niet inhoudelijk reageren. Het ontbreken van een advocaat aan de zijde van [eiser] verhinderde dan ook daadwerkelijk een deugdelijke behandeling van de vorderingen van [eiser] .\n\n1.6.. Nadat de voorzieningenrechter [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vorderingen heeft de voorzieningenrechter ten overvloede – op basis van de ingediende stukken en dus zonder volledige behandeling van de zaak ter zitting – een voorlopig oordeel gegeven ten aanzien van het hiervoor bedoelde primaire verweer van de Staat. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is dat wat de advocaat van [eiser] beoogde met de indiening van haar pleitnota voorafgaand aan de zitting. In dat verweer kan de Staat naar voorlopig oordeel worden gevolgd. [eiser] zou dan ook op die grond, naar valt aan te nemen, niet-ontvankelijk zijn in zijn vordering, omdat voor hem een met voldoende waarborgen omklede rechtsingang bij de bestuursrechter openstaat. Die staat ook open in geval van niet tijdig beslissen. In geval van een spoedeisend belang kan ook in die rechtsgang een voorlopige voorziening worden getroffen. Dat maakt naar voorlopig oordeel dat er geen plaats is voor het treffen van een voorziening in een civielrechtelijke kort geding.\n\n1.7.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht € 735,-\n\n- salaris advocaat € 1.177,-\n\n- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\nbeslissing)\n\n -------------------\n\nTotaal € 2.101,-\n\n1.8.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n2. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n2.1.. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;\n\n2.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n2.3.. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n2.4.. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nWAARVAN PROCES-VERBAAL,\n\n…………………………………. …………………………………\n\nmr. T.A.E. Scheers mr. H.J. Vetter\n\nde griffier is buiten staat dit\n\nproces-verbaal te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12960","2026-05-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.724Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":43,"courtId":103,"decisionDate":104,"fullText":105,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":51,"updatedAt":108},"932","ECLI:NL:RBMNE:2026:1236","ecli-nl-rbmne-2026-1236",63,"2026-03-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F598299 \u002F HA ZA 25-418\n\nVonnis van 18 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V. T.H.O.D.N. [handelsnaam],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\nadvocaat: mr. A.C. van Schaick,\n\ntegen\n\nASR SCHADEVERZEKERING N.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: ASR ,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de incidentele conclusie tot het treffen van een voorlopige voorziening van [eiseres]\n\n- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiseres] staat particulieren bij die letselschade hebben geleden. In een aantal letselschadezaken die [eiseres] behandelt, is ASR de verzekeraar van de partij die aansprakelijk is voor de schade van de cliënt van [eiseres] . ASR weigert [eiseres] nog langer als belangenbehartiger en heeft [eiseres] geregistreerd in verschillende (fraude)registers. De rechtbank oordeelt dat ASR [eiseres] als belangenbehartiger mocht weigeren en [eiseres] mocht registreren in de registers. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.\n\n3. Achtergrond van de zaak\n\n3.1.. Per brief van 24 juni 2025 heeft ASR aan [eiseres] medegedeeld dat zij [eiseres] niet langer als belangenbehartiger zal accepteren. Daarbij heeft ASR ook gemeld dat zij voornemens is om [eiseres] intern en extern te registreren. ASR heeft haar weigering tot verdere samenwerking gebaseerd op de handelwijze van [eiseres] in het algemeen, maar in het bijzonder op de behandeling van het dossier van de heer [A] (hierna: [A] ).\n\n3.2.. De zaak [A] ging kort gezegd om het volgende. [A] heeft op 22 november 2016 een verkeersongeval gehad, waarvoor ASR op 10 januari 2017 aansprakelijkheid heeft erkend. Voor de schadeafwikkeling heeft [A] zich eerst laten bijstaan door ARAG. Op 19 november 2020 heeft [A] [eiseres] benaderd met het verzoek de belangenbehartiging over te nemen. Uiteindelijk is in februari 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan ASR totaal € 152.500,- aan schadevergoeding aan [A] heeft betaald en daarnaast € 21.216,- aan buitengerechtelijke kosten aan [eiseres] .\n\n3.3.. Op 18 maart 2025 neemt [A] zelf contact op met ASR met klachten over [eiseres] . ASR constateert vervolgens - naar eigen zeggen - onoorbare praktijken in de werkwijze van [eiseres] . Volgens ASR gaat het onder meer om misleiding rondom de overeenkomst van opdracht met [A] en de wijze van declareren en communiceren daarover. Zo wordt er een succesfee gehanteerd, die niet aan ASR is gemeld. In de brief van 24 juni 2025 aan [eiseres] bespreekt ASR deze zaken uitgebreid en wijst er daarbij op dat uit eerdere uitspraken blijkt dat [eiseres] vaker zo heeft gehandeld.\n\n3.4.. Namens [eiseres] wordt op 1 juli 2025 gereageerd richting ASR. [eiseres] stelt dat er geen sprake is van onoorbare praktijken. Daarbij wordt onder andere betoogd dat het hanteren van een succesfee richting een cliënt is toegestaan en dat een verzekeraar daar buiten staat. Er bestaat volgens [eiseres] geen reden om hem te weigeren als belangenbehartiger en hem te registreren in (fraude)registers.\n\n3.5.. Per brief van 29 juli 2025 heeft ASR gereageerd richting [eiseres] . ASR licht toe bij haar standpunt te blijven en dus [eiseres] niet meer te accepteren als belangenbehartiger en over te gaan tot de interne en externe registraties en een melding bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (hierna: CBV). Ook meldt ASR dat zij [eiseres] in de gelegenheid stelt dit zelf aan zijn cliënten mede te delen en als dit niet binnen vier weken gebeurt, ASR hen zelf direct zal aanschrijven. Hierbij geeft ASR ook aan de dossiers te blijven monitoren en contact te houden met de cliënten om de voortgang in de afwikkeling van de zaken te bewaken.\n\n3.6.. \n [eiseres] is vervolgens deze procedure gestart. [eiseres] vordert - samengevat - een gebod dat ASR [eiseres] blijft aanvaarden als belangenbehartiger en de registraties ongedaan maakt, een verbod voor ASR om aan derden onjuiste mededelingen te doen over [eiseres] en een veroordeling van ASR tot vergoeding van schade en proceskosten.\n\n4. De beoordeling\n\nin het incident en de hoofdzaak\n\n4.1.. De door [eiseres] ingestelde incidentele vorderingen en de vorderingen in hoofdzaak zijn vrijwel hetzelfde. Daarom zal de rechtbank deze vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.\n\nASR mocht [eiseres] als belangenbehartiger weigeren\n\nJuridisch kader: (wanneer) mag een verzekeraar een belangenbehartiger weigeren?\n\n4.2.. In de kern gaat deze procedure over de vraag of een verzekeraar verplicht is om de schade van een benadeelde te regelen met de door de benadeelde gekozen belangenbehartiger. In het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024is in een deels vergelijkbare zaak geoordeeld dat een verzekeraar onder bepaalde omstandigheden een belangenbehartiger mag weigeren. Daar moeten ‘goede redenen’ voor zijn, die het gerechtshof nader heeft geconcretiseerd.\n\n4.3.. Hierbij zijn twee uitgangspunten in ogenschouw genomen. Ten eerste dat het een benadeelde vrijstaat om de belangenbehartiger te kiezen die zij wil.Het is in beginsel niet aan de verzekeraar, of een ander, om eisen te stellen aan of beperkingen op te leggen aan de door de benadeelde te kiezen belangenbehartiger. Daarbij geldt wel dat als tussen de benadeelde en de belangenbehartiger een overeenkomst van opdracht wordt gesloten, wat meestal het geval is, de belangenbehartiger de zorg van een goed opdrachtnemer in acht zal moeten nemen.\n\n4.4.. Het tweede, ook door het gerechtshof geformuleerde, uitgangspunt is dat een verzekeraar het recht heeft om te bepalen met welke belangenbehartigers zij ‘zaken wil doen’.Ook hierbij gelden kanttekeningen. De verzekeraar moet er, overeenkomstig de Gedragscode Behandeling Letselschade, voor zorgen dat de schaderegeling vlot en in harmonie met de benadeelde verloopt. Het weigeren van een door de benadeelde voorgestelde belangenbehartiger kan tot vertraging van het schaderegelingsproces en tot verstoring van de verhoudingen leiden. Bovendien kan het recht van een verzekeraar om ‘geen zaken te doen’ met bepaalde belangenbehartigers ertoe leiden dat verzekeraars belangenbehartigers weigeren die hun werk juist goed doen en voldoen aan de vereisten van goed opdrachtnemerschap met als (eigenlijk) motief dat deze belangenbehartigers meer dan gemiddelde resultaten voor hun cliënten behalen en daardoor een hogere schadelast bij de verzekeraars veroorzaken. [eiseres] heeft in deze procedure ook op dat gevaar gewezen.\n\n4.5.. \n\nDeze twee uitgangspunten zijn niet zonder meer met elkaar te verenigen. Het antwoord op de vraag of een belangenbehartiger mag worden geweigerd is dan ook niet eenduidig en zal in een concreet geval afhankelijk zijn van de afweging van een aantal in dat geval relevante feiten, omstandigheden en belangen. Van goede redenen zal, zo heeft het gerechtshof geformuleerd, met name sprake zijn als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen, omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven:\n\n- niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken, en\u002Fof - klaarblijkelijk niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces, en\u002Fof - onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen.4.6.. De verzekeraar mag bij haar beslissing om een belangenbehartiger te weigeren ook betekenis toekennen aan het feit dat de belangenbehartiger ‘ongebonden’ is. Verzekeraars kunnen niet aan brancheorganisatie en kwaliteitskeurmerken verbonden belangenbehartigers niet aanspreken op in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hen indienen indien zij niet aan die normen voldoen.\n\nDe redenen waarom ASR de samenwerking met [eiseres] mocht beëindigen\n\n4.7.. Zoals gezegd heeft ASR haar weigering tot verdere samenwerking gebaseerd op de handelwijze van [eiseres] in het algemeen en in het bijzonder op de behandeling van het dossier van [A] . Nadat [A] bij ASR klachten heeft geuit, blijkt na onderzoek door ASR onder andere het volgende.\n\nTwee versies overeenkomst van opdracht4.8.. \n [eiseres] stelt niet één, maar twee overeenkomsten van opdracht op: één waar een door [A] verschuldigde succesfee van 25% plus btw van het behaalde resultaat in wordt bedongen en één waar dit beding niet in wordt genoemd. In beide overeenkomsten staat ook dat buitengerechtelijke kosten rechtstreeks aan de wederpartij (ASR) worden gedeclareerd. De versie zonder succesfee-beding heeft [eiseres] aan ASR gestuurd ter bevestiging van de opdracht. Van deze e-mail krijgt [A] geen cc. Van de e-mail aan ARAG waarin [eiseres] meldt dat hij de behandeling overneemt krijgt [A] wel een cc.\n\n4.9.. \n [A] geeft in een schriftelijke verklaringaan dat hij niet wist dat er een verschil zat tussen de beide overeenkomsten. De rechtbank heeft geen reden om aan die verklaring te twijfelen. Normaal gesproken bestaat er immers maar één overeenkomst van opdracht. Bovendien is de wijze van communiceren hierover door [eiseres] opvallend. [eiseres] licht in zijn e-mail aan [A] waarin hij vraagt ‘de beide overeenkomsten’ te tekenen en retourneren niks toe. Wel staat onder de beide overeenkomsten:“Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend”, wat nog eens extra de indruk wekt dat de overeenkomsten hetzelfde zijn.\n\nCommunicatie rondom declareren4.10.. \n [A] verklaart ook niet op de hoogte te zijn van het feit dat [eiseres] , naast van [A] zelf, direct van ASR vergoedingen kreeg (de buitengerechtelijke kosten). Ook dit neemt de rechtbank aan gelet op overige feiten in het dossier. Weliswaar staat daar wel een bepaling over in de overeenkomst opgenomen, maar die is voor een leek niet aanstonds duidelijk. Dat de overeenkomst aan duidelijkheid te wensen overlaat blijkt overigens ook uit de rechtspraak over geschillen over die(zelfde) overeenkomst tussen [eiseres] en voormalig cliënten, waar ASR naar heeft verwezen. Daarbij komt dat [eiseres] [A] steevast buiten de correspondentie houdt over de buitengerechtelijke kosten. [A] ontvangt van de berichten daarover aan ASR (bewust) geen cc. Als [eiseres] een regelingsvoorstel van ASR aan [A] doorstuurt, schrijft hij daarbij: “Het hoofdstuk BGK is niet voor u van toepassing”. [A] krijgt gedurende het schaderegelingstraject rekeningen van [eiseres] waarbij hem de 25% succesfee over de tot dan door ASR betaalde vergoedingen in rekeningen worden gebracht. Van deze betalingen door [A] weet ASR niks. Andersom weet [A] niks van de betalingen door ASR aan [eiseres] . Niet dat er betaald wordt en niets over de hoogte.\n\nMisleidend4.11.. Deze handelwijze van [eiseres] kan niet door de beugel en is misleidend. Nog los van de vraag of dubbel declareren zoals hier gebeurt – met een succesfee én vergoeding van buitengerechtelijke kosten – in een zaak als deze geoorloofd is, is dat in ieder geval niet geoorloofd wanneer daarbij op bovengenoemde wijze wordt gehandeld. Door:\n\nde manier van communiceren over kosten en vergoedingen, waarbij berichten óf alleen aan ASR óf alleen aan [A] worden gestuurd en met toevoegingen als ‘is niet voor u van toepassing’, waardoor vergoedingen buiten het zicht van [A] en ASR worden gehouden,\n\nhet gebrek aan duidelijke communicatie over de beloningsstructuur en de gevolgen daarvan richting [A] ,\n\nen bovenal het hanteren van twee versies van de overeenkomst van opdracht, waarbij ASR er slechts één krijgt en richting ASR wordt gedaan alsof dat dé overeenkomst is en [A] in de waan wordt gelaten dat er slechts één bestaat,\n\nkan deze werkwijze van [eiseres] slechts bedoeld zijn om de realiteit over de door hem ontvangen (buitengerechtelijke) vergoedingen te verhullen, daarover van de betrokken cliënt en betrokken verzekeraar geen lastige vragen te krijgen, en daarmee slechts het oogmerk hebben te misleiden en zo hogere vergoedingen op te strijken.\n\n4.12.. Hierbij is van belang dat [eiseres] weet hoe over dubbel declareren wordt gedacht binnen de letselschadebranche. Weliswaar heeft [eiseres] zich nergens aan gebonden (branchorganisatie, keurmerk), maar de binnen de branche gemaakte afspraken geven anders dan [eiseres] betoogt wel de gangbare praktijk en opvattingen weer. Zo staat in de Gedragscode Behandeling Letselschade (waar vele verzekeraars en belangenbehartigers bij zijn aangesloten) dat dubbel declareren onethisch en onaanvaardbaar is. Dat is [eiseres] bekend. [eiseres] weet dus in ieder geval dat deze informatie relevant is en van invloed kan zijn op vergoedingen.\n\n4.13.. Deze informatie is ook van belang om de volgende reden. Artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ook redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (sub b) en redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (sub c) onder vermogensschade vallen. De aansprakelijke verzekeraar moet in een letselschadezaak die redelijke kosten betalen aan de benadeelde (of zijn belangenbehartiger). De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder ongeval zou hebben verkeerd. Deze regel legt een bijzondere maatschappelijke verantwoordelijkheid op de schouders van verzekeraars, namelijk tot het enerzijds faciliteren van buitengerechtelijke afwikkeling en anderzijds het binnen de perken houden van de kosten daarvan.In het verlengde hiervan geldt dat de verzekeraar de redelijkheid van die kosten moet kunnen inschatten en daarin dus ook een maatschappelijke taak heeft. Dat kan niet als betrokkenen niet transparant zijn over de financiële afspraken of erger: de werkelijke afspraken bewust buiten het zicht houden.\n\n4.14.. Het voorgaande betekent ook dat, anders dan [eiseres] stelt, de (werkelijke) financiële afspraken tussen [eiseres] en [A] , ASR wel degelijk aangaan en ASR daar niet ‘volledig buiten staat’.4.15.. Het gevolg van de misleidende handelwijze van [eiseres] is dat [A] 25% (plus nog btw) van zijn schadevergoeding van € 152.500 heeft moeten afstaan aan [eiseres] . Dit terwijl 1) die schadevergoeding juist bedoeld is om hem in de vermogenspositie te brengen waarin hij zonder het ongeval zou hebben verkeerd en de hoogte daarop is afgestemd en 2) [eiseres] daarnaast de volledige redelijke buitengerechtelijke kosten van € 21.216,- krijgt van ASR.\n\n4.16.. De stelling van [eiseres] dat er bij het dossier van [A] bepaalde extra kostenrisico’s waren waardoor een succesfee gerechtvaardigd was, is niet relevant. Het gaat er primair om dat [eiseres] daar niet transparant over is geweest en door zijn handelwijze [A] en ASR heeft misleid. Daar komt bij dat ASR aansprakelijkheid al had erkend en [eiseres] , zo begrijpt de rechtbank uit de stukken, de succesfee al had bedongen zonder het dossier in bezit te hebben en te hebben bestudeerd. Afgevraagd kan daarom worden of er daadwerkelijk concrete risico’s waren die aanleiding gaven voor de succesfee.\n\n4.17.. De rechtbank heeft oog voor de stellingen van [eiseres] over de macht die een verzekeraar kan hebben rondom het weigeren van een belangenbehartiger en rondom redelijke kostenvergoedingen, juist als die belangenbehartiger bovengemiddelde resultaten behaalt voor zijn cliënten (zoals [eiseres] stelt de doen, ook in deze zaak) en daardoor een hogere schadelast bij de verzekeraars veroorzaken. Daar kan, gelet op de dubbele rol van verzekeraars, een spanningsveld zitten. Per zaak moet een rechter dat kritisch beoordelen. In deze kwestie heeft de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat ASR als eigenlijk motief heeft [eiseres] te weigeren als belangenbehartiger vanwege behaalde resultaten.\n\nOnbetrouwbaar4.18.. De conclusie van het voorgaande is dat [eiseres] op een dermate misleidende wijze te werk is gegaan, dat ASR terecht heeft vastgesteld dat [eiseres] niet (voldoende) betrouwbaar is als belangenbehartiger. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat ASR onderbouwd naar voren heeft gebracht, onder meer door naar rechtspraak te verwijzen, dat [eiseres] niet alleen in de zaak [A] , maar vaker op deze wijze te werk gaat. [eiseres] heeft dat zelf overigens ook bevestigd, zij het dat partijen het niet eens zijn over de frequentie.\n\nOnredelijk hoge buitengerechtelijke kosten4.19.. ASR heeft het weigeren van [eiseres] als belangenbehartiger daarnaast onderbouwd door te wijzen op de onredelijke hoge buitengerechtelijke kosten die [eiseres] – nog los van de succesfee – in rekening brengt. De rechtbank volgt ASR ook daarin.\n\n4.20.. ASR wijst erop dat [eiseres] een uurtarief hanteert van € 375,00 exclusief 10% kantoorkosten en exclusief 21% btw, waarbij [eiseres] bovendien niet handelt overeenkomstig artikel 38 Wet op de omzetbelasting 1968, door de prijs zonder btw aan te bieden. Feitelijk komt het uurtarief neer op € 499,12 inclusief btw en € 412,50 exclusief btw. Met ASR is de rechtbank van oordeel dat dit exorbitant hoog is. In de rechtspraak wordt in letselzaken zelden een uurtarief van meer dan € 300,- aanvaardbaar gevonden, en alsdan slechts als het gaat om zeer gespecialiseerde advocaten en\u002Fof zeer complexe zaken. Veelal ligt het bedrag lager.Daar komt nog bij dat [eiseres] weliswaar al jaren als belangenbehartiger in letselzaken optreedt, maar geen advocaat (meer) is, ongebonden is (zich niet verbonden heeft aan brancheorganisatie en kwaliteitskeurmerken) en geen of zeer beperkt bijscholing volgt. Bovendien maakt [eiseres] bij het factureren geen onderscheid tussen juridische werkzaamheden en administratieve werkzaamheden (zoals kopiëren). Ook voor administratieve, secretariële, werkzaamheden wordt het hoge uurtarief gerekend. Dat is volstrekt onredelijk.\n\n4.21.. \n [eiseres] heeft een aantal keer gewezen op een uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 14 maart 2017, waarin het uurtarief van [eiseres] van € 300,- is aanvaard en als ‘niet ongebruikelijk voor rechtshulpverleners in letselschadezaken’ is bestempeld. De rechtbank gaat, mede gelet op de voornoemde overwegingen, niet in dat oordeel mee. Deze opvatting van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch stemt naar het oordeel van de rechtbank ook niet overeen met de gangbare praktijk en de daarin aanvaarde tarieven. Ter illustratie: in een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 augustus 2024 is het uurtarief van [eiseres] bijgesteld naar € 200,-.\n\n4.22.. De conclusie is dat [eiseres] onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening brengt en ASR dat terecht als reden heeft meegenomen bij haar beslissing om [eiseres] te weigeren als belangenbehartiger.Bij deze conclusie weegt de rechtbank niet alleen het exorbitante uurtarief op zichzelf mee, maar ook het feit dat [eiseres] daarnaast nog een succesfee bedingt en daar op misleidende wijze over communiceert.\n\nOngebonden belangenbehartiger4.23.. ASR heeft tot slot terecht meegewogen dat [eiseres] , zoals hiervoor al is besproken, ongebonden is. Hij heeft zich bewust bij geen enkele brancheorganisatie aangesloten, omdat in zijn beleving de daarbij behorende gedragsregels soms ‘nodeloos knellend’ zijn. Dat mag zo zijn en geeft wel te denken, maar betekent ook dat een verzekeraar als ASR [eiseres] daardoor niet kan aanspreken op de in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hem kan indienen, bijvoorbeeld als minder verstrekkend alternatief in een zaak als deze. Uit het betoog van ASR en de rechtspraak waar naar is verwezen, volgt bovendien dat [eiseres] , ondanks de nodige klachten en geschillen daarover, zijn werkwijze niet aanpast. ASR heeft aan die ongebondenheid terecht betekenis toegekend.\n\nConclusie: ASR mocht [eiseres] als belangenbehartiger weigeren\n\n4.24.. Alle voornoemde redenen samengenomen vormen voldoende grond voor ASR om de samenwerking met [eiseres] te beëindigen. Daarbij gaat het met name om de gebleken onbetrouwbaarheid, in combinatie gezien met het declareren van onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten. Dit levert gegronde redenen op om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege belangenbehartiger [eiseres] niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen.\n\n4.25.. Omdat de rechtbank in het hiervoor besprokene al voldoende reden ziet voor de weigering, worden de overige door ASR naar voren gebrachte argumenten niet besproken.\n\n4.26.. Doordat ASR de samenwerking met [eiseres] mocht beëindigen, worden de (incidentele) vorderingen van [eiseres] om ASR te gebieden [eiseres] te blijven aanvaarden als belangenbehartiger en de cliënten van [eiseres] hierover te informeren, afgewezen.\n\nASR mocht [eiseres] registreren in de registers\n\n4.27.. ASR heeft de persoons- en bedrijfsgegevens van [eiseres] geregistreerd voor de duur van 8 jaar in de Gebeurtenissenadministratie (hierna: de GA) en het Interne Verwijzingsregister (hierna: het IVR) en voor de duur van 5 jaar in het Incidentenregister (hierna: het IR) en het Extern Verwijzingsregister (hierna: het EVR). [eiseres] vordert verwijdering van zijn persoons- en bedrijfsgegevens uit de registers.\n\n4.28.. De GA en het IVR vormen het interne waarschuwingssysteem van ASR (en de ASR groep). Het IR en het EVR zijn registers die samen het extern waarschuwingssysteem vormen voor de hele branche.\n\n4.29.. Het gaat bij de registraties om een verwerking van persoonsgegevens, zodat voldaan moet worden aan de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: de AVG). Het verbond van verzekeraars heeft in de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (hierna: de Gedragscode) een sectorspecifieke vertaling van de AVG neergelegd en deze Gedragscode is door de leden van het verbond als bindende zelfregulering goedgekeurd. Artikel 4.5.3 van de Gedragscode bepaalt:\n\n“Verzekeraars houden een Gebeurtenissenadministratie bij ter waarborging van de veiligheid en integriteit van de dienstverlening en de sector. Verzekeraars informeren Betrokkenen over het bestaan en de mogelijkheid tot Verwerking van Persoonsgegevens in dit verband. De afdeling Veiligheidszaken of een andere daartoe aangewezen afdeling bij een Verzekeraar kan besluiten de Persoonsgegevens uit de Gebeurtenissen administratie op te nemen in een Intern Verwijzingsregister (IVR). In het IVR nemen Verzekeraars uitsluitend Persoonsgegevens op van (rechts)personen die een risico vormen voor de veiligheid en\u002Fof integriteit van de Verzekeraar of de Groep waartoe de Verzekeraar behoort. Indien een gebeurtenis voldoet aan de criteria uit het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI), nemen Verzekeraars de relevante Persoonsgegevens op in een Incidentenregister en, in voorkomende gevallen, het Extern Verwijzingsregister (EVR). In overeenstemming met artikel 2.2.2 van de Gedragscode is het PIFI van toepassing op deze Verwerking.”\n\n4.30.. Bij interne registraties moet het aldus gaan om gebeurtenissen die van belang zijn voor de kwaliteit, veiligheid en integriteit van de verzekeraar, de groep waartoe de verzekeraar behoort en de verzekeringsbranche, en\u002Fof een risico vormen voor de veiligheid en\u002Fof integriteit.\n\n4.31.. Bij externe registraties ligt de lat hoger. Dan moet ook zijn voldaan aan de in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: PIFI) neergelegde vereisten. Het is vaste rechtspraak dat het PIFI voldoende waarborgen biedt voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Het PIFI dient daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of opname van de gegevens van [eiseres] in het IR en het EVR gerechtvaardigd is.\n\n4.32.. \n\nVoor vastlegging van gegevens in het IR is op grond van artikel 3.1.1 van het Protocol vereist dat sprake is van een ‘(mogelijk) incident’, in artikel 2 van het PIFI omschreven als:\n\n“een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding (…)”.\n\n4.33.. Op grond van artikel 5.2.1 van het PIFI is opname in het EVR, kort gezegd, slechts geoorloofd indien:\n\nde gedraging(en) van de te vermelden persoon een bedreiging vormen voor (i) de (financiële) belangen van cliënten en\u002Fof de financiële instelling zelf of (ii) de continuïteit en\u002Fof de integriteit van de financiële sector;\n\nin voldoende mate vaststaat dat de desbetreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Dit betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte wordt gedaan;\n\nhet proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen in die zin dat wordt vastgesteld dat het belang van opname prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen van opname in het EVR voor de desbetreffende persoon.\n\n4.34.. Uit de tekst van artikel 5.2.1 en de Annex bij het PIFImaakt de rechtbank op dat het niet per definitie om strafbare feiten, althans een verdenking daarvoor, moet gaan. Ook andere onoorbare gedragingen kunnen onder de norm vallen. Wel geldt steeds dat de te verwerken gegevens - de verweten gedragingen - in voldoende mate moeten vaststaan. In geval van vermeende strafbare feiten moet het dan gaan om een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld.\n\n4.35.. ASR heeft gemotiveerd aangevoerd dat in het geval van [eiseres] voldaan wordt aan de voornoemde vereisten voor alle registraties omdat er sprake is van strafbaar handelen en hoe dan ook van onoorbaar gedrag, dat kwalificeert als gebeurtenis en gedraging als bedoeld in de regelgeving.\n\n4.36.. De rechtbank oordeelt dat voldaan wordt aan de in de voornoemde regelgeving opgenomen vereisten. Of het handelen van [eiseres] nu tot een bewezenverklaring van een strafbaar feit zou leiden of niet, voldoende vast staat dat [eiseres] door de hiervoor reeds uitgebreid besproken handelwijze dermate misleidend te werk is gegaan, dat dit onoorbare gedragingen opleveren als bedoeld in artikel 5.2.1 sub a van het PIFI. Het zijn gedragingen die een bedreiging vormen voor de (financiële) belangen van cliënten en verzekeraar zelf of de continuïteit en\u002Fof de integriteit van de financiële sector.4.37.. In het kader van de proportionaliteitsafweging (artikel 5.2.1 sub c PIFI) heeft ASR de noodzaak van de registraties onderbouwd toegelicht, in het bijzonder het belang dat andere verzekeraars opmerkzaam moeten worden gemaakt op de verweten gedragingen. Dit zal mogelijk grote gevolgen hebben voor de praktijk van [eiseres] , die bestaat uit het afhandelen van letselschadeclaims met verzekeraars. [eiseres] heeft zijn belang bij het kunnen voortzetten van zijn praktijk ook duidelijk voor het voetlicht gebracht. Toch vindt de rechtbank dat bij de afweging van de wederzijdse belangen van partijen, het belang van de verzekeraar in dit geval moet prevaleren, omdat het hier om een groot maatschappelijk belang gaat. Ook de registratieduur heeft ASR voldoende onderbouwd. [eiseres] heeft ook onvoldoende concrete argumenten aangedragen om die duur te verkorten. De rechtbank zal de duur daarom in stand laten.\n\n4.38.. De slotsom is dat de registraties gerechtvaardigd zijn en de daarmee samenhangende vorderingen moeten worden afgewezen.\n\n4.39.. Het voorgaande betekent dat ASR ook een melding mocht doen bij het CBV.Deze vordering van [eiseres] , die hij overigens bovendien onvoldoende heeft toegelicht, wordt daarom ook afgewezen.\n\nOverige vorderingen\n\n4.40.. Ook de (incidentele) vorderingen van [eiseres] die zien op het verbod om aan derden onjuiste mededelingen over [eiseres] te doen en het gebod om eerdere mededelingen de rectificeren worden afgewezen. Volgens [eiseres] zou het handelen van ASR in dit verband onrechtmatig zijn, maar hij stelt niet concreet waarom dit handelen onrechtmatig is. Mede gelet op al het voorgaande en de vastgestelde gedragingen aan de kant van [eiseres] , ziet de rechtbank hierin ook geen onrechtmatig handelen van ASR. ASR mocht cliënten informeren over het beëindigen van de samenwerking met [eiseres] en het vervolg van het schaderegelingstraject.\n\n4.41.. \n\nVoor een veroordeling van ASR tot vergoeding van de schade van [eiseres] bestaat geen grondslag. Ook die vordering wordt afgewezen.\n\n [eiseres] wordt in de proceskosten veroordeeld\n\nin de hoofdzaak\n\n4.42.. \n [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in de hoofdzaak (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n4.43.. \n\nDe gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nin het incident\n\n4.44.. \n [eiseres] moet als verliezende partij de proceskosten in het incident van ASR betalen. De proceskosten in het incident worden begroot op nihil, omdat niet is gebleken dat zij als gevolg van de incidentele vorderingen van [eiseres] extra kosten heeft moeten maken. De incidentele vorderingen komen vrijwel helemaal overeen met de vorderingen in hoofdzaak.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de hoofdzaak en het incident\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\nin het incident\n\n5.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van ASR, tot dusver begroot op nihil,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.3.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.\n\n5.5.. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken door mr. J.K.J. van den Boom op 18 maart 2026.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.23.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.24.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.25.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.26.\n\n Productie 5 bij conclusie van antwoord.\n\n Zie ook WODC rapport: W. van Boom e.a., De belangenbehartiger bij letselschade, WODC Project nr. 3396, p. 125.\n\n Zie bijv. A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025\u002F2.\n\n Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 14 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1012.\n\n Gerechtshof Den Haag 27 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1495 en zie ook A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025\u002F2.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.25.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.26.\n\n Annex Protocol Incidenten waarschuwingssysteem Financiële Instellingen, p. 44-45: “Uitgangspunt bij plaatsing in het EVR is dat in een gerechtelijke procedure moet kunnen worden aangetoond dat afdoende bewijs aanwezig is om de kwalificatie fraude of een andere onoorbare of strafbare gedraging te dragen ten opzichte van een aantoonbaar betrokken (rechts)persoon. Ontbreekt een van deze elementen dan behoort geen registratie plaats et vinden. Zij vormen de criteria voor plaatsing in het EVR als aangegeven in artikel 5.2.1., onder a en b Protocol.”.\n\n Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720.\n\n Artikel 4.6 Protocol Verzekeraars & Criminaliteit.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1236","2026-03-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.372Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":113,"fullText":114,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":51,"updatedAt":116},"1034","ECLI:NL:RBROT:2026:2765","ecli-nl-rbrot-2026-2765","2026-03-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F709215 \u002F HA RK 25-1061\n\nBeschikking van 13 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\nverzoeker,\n\ndie zelf procedeert,\n\ntegen\n\nHET GERECHTSBESTUUR VAN DE RECHTBANK DEN HAAG,\n\nvestigingsplaats: Den Haag,\n\nverweerder,\n\nadvocaten: mrs. G.J. Zwenne en S. Zamani.\n\nPartijen worden hierna [verzoeker] en het Gerechtsbestuur genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het, bij rechtbank Den Haag ingediende, verzoekschrift van 22 oktober 2025, met bijlagen 1 tot en met 6;\n\n- de verwijzingsbeschikking van rechtbank Den Haag van 23 oktober 2025;\n\n- het verweerschrift van 27 januari 2026, met bijlagen A tot en met J;\n\n- de e-mail van verzoeker, met 81 aanvullende bijlagen;\n\n- de pleitnota van [verzoeker] ;\n\n- de pleitnota van mr. Zamani;\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 30 januari 2026.\n\n1.2.. Bij e-mail van 6 februari 2026 heeft [verzoeker] zes aanvullende bijlagen toegestuurd. De rechtbank heeft bij e-mail van 13 februari 2026, onder verwijzing naar de wet en het toepasselijke procesreglement, laten weten dat de aanvullende bijlagen van 6 februari 2026 buiten beschouwing worden gelaten.\n\n2. Het verzoek en het verweer\n\nHet verzoek van [verzoeker]\n\n2.1.. verzoekt de rechtbank - samengevat - om het Gerechtsbestuur te bevelen om inzage te verlenen in en kopieën te verstrekken van alle interne communicatie, notities, analyses en correspondentie met daarin zijn persoonsgegevens van de afdeling kanton en de afdeling bestuursondersteuning, een en ander met veroordeling van het Gerechtsbestuur in de proceskosten. Hij legt hieraan het volgende ten grondslag.\n\n2.2.. \n [verzoeker] heeft in mei 2025 een procedure gevoerd bij de kantonrechter in de rechtbank Den Haag. In die zaak is op 5 juni 2025 een beschikking gegeven. Na ontvangst van deze beschikking heeft [verzoeker] verschillende klachten tegen het Gerechtsbestuur en enkele medewerkers van rechtbank Den Haag ingediend. [verzoeker] heeft voorts enkele Woo-verzoeken bij rechtbank Den Haag ingediend. De rechtbank Den Haag heeft laten weten dat de Woo-verzoeken niet in behandeling worden genomen omdat de gerechten niet vallen onder het toepassingsbereik van de Woo. Op 29 juli 2025 heeft [verzoeker] een inzageverzoek ingediend. Hij verzoekt daarmee inzage in alle persoonsgegevens die door of namens de rechtbank Den Haag, de griffie, de klachtenafdeling, het Gerechtsbestuur en andere betrokken functionarissen zijn verwerkt. [verzoeker] verzoekt inzage in alle interne communicatie waarin zijn naam of e-mailadres voorkomt, documenten, lijsten of registratiegegevens van klachten en\u002Fof Woo-verzoeken waarin hij onderwerp is, interne weergaven of kwalificaties van zijn processtukken, aantekeningen, analyses of doorgeleidingen over de behandeling van zijn zaak, zijn proceshouding of zijn persoon en communicatie waarin getracht wordt zijn proceshandelingen administratief of procedureel buiten behandeling te stellen zonder rechterlijke toetsing.\n\n2.3.. Op 21 oktober 2025 heeft het Gerechtsbestuur per brief laten weten dat hij het verzoek van [verzoeker] gedeeltelijk inwilligt. Het Gerechtsbestuur heeft [verzoeker] op 7 november 2025 inzage verleend in drie procesdossiers waarbij [verzoeker] betrokken is. Het Gerechtsbestuur heeft met een beroep op de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en de gerechtelijke procedure, en bescherming van de rechten en vrijheden van de desbetreffende medewerkers geweigerd inzage te verlenen in interne correspondentie en stukken uit het primaire juridische proces van de afdeling kanton. [verzoeker] heeft daarnaast inzage gekregen in alle op hem betrekkende persoonsgegevens, behalve de interne correspondentie tussen medewerkers van de afdeling bestuursondersteuning waarin de klachten van verzoeker werden besproken.\n\n2.4.. Volgens [verzoeker] heeft hij recht op inzage in alle door hem genoemde stukken en is de weigering van inzage in strijd met het uitgangspunt van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). [verzoeker] heeft deze informatie nodig met het oog op verschillende nog lopende procedures – bij de rechtbank (een wraking) en het hof– waarin mondelinge behandelingen gepland zijn of nog worden en hij zonder deze informatie zijn procespositie niet kan bepalen. Daarnaast heeft [verzoeker] het vermoeden dat er sprake is van procedurele manipulatie, structurele procedurefouten, dossieronthouding en framing en fraude bij de rechtbank Den Haag. [verzoeker] stelt dat hij deze stukken nodig heeft om dit te bewijzen. Er is sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces van [verzoeker] .\n\nHet standpunt van het Gerechtsbestuur\n\n2.5.. Het Gerechtsbestuur verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Het Gerechtsbestuur stelt zich op het standpunt dat hij terecht inzage heeft geweigerd in de interne correspondentie van de afdeling bestuursondersteuning en de interne correspondentie en stukken uit het primaire juridische proces van de afdeling kanton. Volgens het Gerechtsbestuur heeft hij terecht een beroep gedaan op het beschermen van de rechten en vrijheden van zijn medewerkers en op de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en de gerechtelijke procedure. Het Gerechtsbestuur stelt daarnaast dat er sprake is van een kennelijk buitensporig verzoek en misbruik van procesrecht.\n\n3. De beoordeling\n\nEnkele opmerkingen vooraf\n\n3.1.. \n [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift de rechtbank Den Haag aangemerkt als verweerder. In deze procedure is echter het gerechtsbestuur van de rechtbank Den Haag verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken wie als verweerder moet worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt het verzoek van [verzoeker] zo, dat het gericht is aan de verwerkingsverantwoordelijke van zijn persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 4 lid 7 AVG. [verzoeker] en het Gerechtsbestuur zijn het erover eens dat het Gerechtsbestuur die verwerkingsverantwoordelijke is. Het Gerechtsbestuur wordt daarom als verweerder aangemerkt. Dat is in de kop van deze beschikking al tot uitdrukking gebracht.\n\n3.2.. De rechtbank stelt voorop dat [verzoeker] in deze procedure een veelvoud aan bijlagen heeft ingediend zonder concreet naar (onderdelen van) die bijlagen te verwijzen. Het is echter niet aan de rechtbank om de door [verzoeker] ingediende bijlagen integraal te lezen en daaruit de delen te halen die (mogelijk) als onderbouwing voor de standpunten van [verzoeker] kunnen dienen. Voor zover [verzoeker] niet concreet naar (delen van) door hem ingediende bijlagen heeft verwezen, neemt de rechtbank die bijlagen dan ook niet mee in de beoordeling van het verzoek. Ten overvloede wordt hierover opgemerkt dat veel van de door [verzoeker] ingediende bijlagen, blijkens de omschrijving daarvan, zien op de inhoud en correspondentie van klachten tegen het Gerechtsbestuur en zijn medewerkers, op andere procedures en op andere zaken die voor deze procedure niet relevant (lijken te) zijn.\n\n3.3.. De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] al inzage heeft gekregen in een deel van de door hem verzochte stukken. [verzoeker] heeft namelijk niet betwist dat hij op 7 november 2025 inzage heeft gekregen in zijn procesdossiers bij de afdeling kanton en dat hij een overzicht heeft gekregen van de door de Rechtbank Den Haag verwerkte persoonsgegevens en de zip-bestanden met alle e-mailcorrespondentie tussen hem en de medewerkers van de afdeling bestuursondersteuning. De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] weliswaar stelt dat hij nog geen volledige inzage heeft gekregen, maar dat hij, in licht van het voorgaande, heeft nagelaten te concretiseren en specificeren in welke stukken hij nog inzage verlangt. Dat is strikt genomen voldoende voor afwijzing van het verzoek. De rechtbank begrijpt het (nog resterende) verzoek van [verzoeker] , mede gelet op wat ter zitting is besproken, desalniettemin zo, dat nog aan de orde is het verzoek om inzage in (en kopieën van) alle nog niet verstrekte interne correspondentie tussen medewerkers van de afdeling bestuursondersteuning en alle interne correspondentie en stukken van de afdeling kanton. [verzoeker] wil, zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling duidelijk gemaakt, een en ander in digitale vorm, inclusief logfiles en metadata, ontvangen en doet daartoe een beroep op artikel 15 en 20 AVG.\n\nHet beoordelingskader\n\n3.4.. Artikel 4 lid 1 AVG definieert “persoonsgegevens”: “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (\"de betrokkene\"); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”.\n\n3.5.. Op grond van artikel 15 lid 1 AVG heeft een betrokkene het recht op inzage in hem betreffende persoonsgegevens en (onder meer) de verwerkingsdoeleinden, de betrokken categorieën van persoonsgegevens en de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt. Artikel 15 lid 3 AVG bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene een kopie verstrekt van de persoonsgegevens die worden verwerkt met inachtneming van artikel 15 lid 4 AVG, waarin is opgenomen dat het recht om een kopie te verkrijgen geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen doet. Het doel van artikel 15 AVG is dat een betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren (zie overweging 63 van de AVG). Artikel 15 AVG verplicht de verwerker niet tot het verstrekken van afschriften of het bieden van inzage in complete stukken, voor zover aan de met het recht op inzage nagestreefde doelstelling kan worden voldaan door een andere vorm van verstrekking.\n\n3.6.. Op grond van artikel 23 AVG kunnen nationale bepalingen uitzonderingen te maken op het recht op inzage zoals bedoeld in artikel 15 AVG, waarbij geldt dat een beperking noodzakelijk en evenredig moet zijn. Het Gerechtsbestuur beroept zich op zulke uitzonderingen, namelijk de uitzonderingen in artikel 15 lid 4 AVG, artikel 23 lid 1 onder f en i AVG, en artikel 41 lid 1 onder f en i Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensverwerking (UAVG). Daarin staat dat inzage kan worden geweigerd ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures.\n\nInterne correspondentie van de afdeling bestuursondersteuning\n\n3.7.. Het verzoek van [verzoeker] om inzage te verkrijgen in de interne correspondentie tussen medewerkers van de afdeling bestuursondersteuning wordt afgewezen. Hoewel [verzoeker] in beginsel recht heeft op inzage in correspondentie waar zijn persoonsgegevens in staan, kan het Gerechtsbestuur zich in dit geval beroepen op de uitzonderingsgrond van artikel 41 lid 1 onder i UAVG (de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen). Het belang van het Gerechtsbestuur is erin gelegen dat zijn medewerkers zonder terughoudendheid met elkaar kunnen corresponderen over de afhandeling van de klachten die [verzoeker] heeft ingediend. Daarbij is in aanmerking genomen dat [verzoeker] heeft aangekondigd juridische stappen te willen ondernemen tegen deze medewerkers. Dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgesteld om de gegevens van de medewerkers te anonimiseren, leidt niet tot een andere beslissing. Zeker niet nu het Gerechtsbestuur al een overzicht heeft verstrekt van de persoonsgegevens van [verzoeker] die in de klachtafwikkeling als feitelijke basis zijn opgenomen. Het belang van het Gerechtsbestuur om de rechten en vrijheden van zijn medewerkers te beschermen, weegt zwaarder dan het belang van [verzoeker] om inzage te krijgen in de tussen die medewerkers uitgewisselde interne correspondentie.\n\nInterne correspondentie en stukken van de afdeling kanton\n\n3.8.. Ook het verzoek van [verzoeker] dat ziet op inzage in de interne correspondentie en stukken van de afdeling kanton wordt afgewezen. Het Gerechtsbestuur heeft terecht een beroep gedaan op de uitzonderingsgrond van artikel 41 lid 1 onder f en i (de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en de gerechtelijke procedure). Het belang van het Gerechtsbestuur en zijn medewerkers om zonder terughoudendheid hun standpunten te kunnen bepalen in de procedures waarbij [verzoeker] betrokken is, weegt zwaarder dan het belang van [verzoeker] om inzage te verkrijgen. Daarnaast heeft [verzoeker] zijn belang bij inzage onvoldoende aannemelijk gemaakt, omdat hij onvoldoende concreet heeft toegelicht in hoeverre hij de juistheid en rechtmatigheid van zijn persoonsgegevens die in de stukken als feitelijke basis zijn opgenomen wil controleren. [verzoeker] stelt dat hij met deze stukken wil bewijzen dat er sprake is van procedurele manipulatie, structurele procedurefouten en dossieronthouding en framing, maar daarvoor is een verzoek op grond van de (U)AVG niet bedoeld. [verzoeker] heeft bovendien al een overzicht van de door het Gerechtsbestuur verwerkte persoonsgegevens ontvangen zodat hij zijn persoonsgegevens heeft kunnen controleren. Daarom valt – zonder nadere toelichting, die [verzoeker] niet heeft gegeven – niet in te zien welk belang [verzoeker] nog heeft bij inzage in deze stukken.\n\nIntegrale kopieën van documenten\n\n3.9.. De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] ook af voor zover het ziet op het verstrekken van integrale kopieën van documenten waarin zijn persoonsgegevens zijn opgenomen. Het Gerechtsbestuur heeft al een overzicht met de door hem verwerkte persoonsgegevens van [verzoeker] verstrekt. Aan de hand van dat overzicht heeft [verzoeker] al zijn persoonsgegevens kunnen controleren op juistheid en rechtmatigheid. Uit de toelichting van [verzoeker] blijkt dat hij integrale kopieën van documenten wil om te bewijzen dat zijn dossier niet compleet is of dat zijn dossier gemanipuleerd is. Dat valt echter buiten de reikwijdte van artikel 15 AVG. Het Gerechtsbestuur hoeft daarom geen integrale kopieën van documenten waarin de persoonsgegevens van [verzoeker] zijn opgenomen aan hem te verstrekken.\n\nDigitale inzage, metadata en logfiles\n\n3.10.. Het verzoek van [verzoeker] om hem digitale inzage te verlenen, en om logfiles en metadata te verstrekken, hangt samen met de overige verzoeken van [verzoeker] . Uit wat hiervoor in 3.7. tot en met 3.9. is overwogen, blijkt dat die overige verzoeken worden afgewezen. Het verzoek om digitale inzage, logfiles en metadata wordt daarom ook afgewezen.\n\n3.11.. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat [verzoeker] zich voor zijn verzoek om hem digitale inzage te verlenen op artikel 20 AVG beroept. Dit artikel ziet op het recht op overdraagbaarheid van gegevens. Artikel 20 AVG ziet – anders dan [verzoeker] betoogt – echter niet op het mogelijk maken van digitale inzage, maar op het recht van een betrokkene om de persoonsgegevens die hij zelf aan een verwerkingsverantwoordelijke heeft verstrekt in een gestructureerd, gangbaar en machineleesbaar formaat te kunnen verkrijgen om deze gemakkelijk aan een andere verwerkingsverantwoordelijke te kunnen overdragen. Ook om deze reden is het verzoek van [verzoeker] om hem digitale inzage te verstrekken niet toewijsbaar.\n\nConclusie\n\n3.12.. De conclusie is dat het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen.\n\nProceskostenveroordeling\n\n3.13.. \n [verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van het Gerechtsbestuur betalen. De proceskosten van het Gerechtsbestuur worden begroot op:\n\ngriffierecht € 735,00\n\nsalaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × tarief II à € 653,00 per punt)\n\nnakosten € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.230,00\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. wijst het verzoek af;\n\n4.2.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van het Gerechtsbestuur van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoeker] de proceskosten niet op tijd betaalt en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoeker] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026. 3965\u002F3349\u002F2009","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2765","2026-07-13T00:29:00.409Z",20,[11,119],2024]