[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-drug-law-enforcement-nl-2023":3},{"detail":4,"years":72},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":71},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},41,"drug-law-enforcement-nl","Drug Law Enforcement","NL","2026-07-08T16:53:39.763Z",2023,[13,15,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,52,61],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"308","ECLI:NL:RBLIM:2023:4229","ecli-nl-rblim-2023-4229","",66,"2023-07-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: ROE 22\u002F880\n Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.W. Kok),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Bergen (L.).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 7 maart 2022, gewijzigd met het besluit van 10 maart 2022, waarmee de burgemeester het bezwaar van eiseres, tegen de last onder bestuursdwang van 8 november 2021, ongegrond heeft verklaard.\n\n2. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nWat ging er aan deze zaak vooraf?\n\n4. Eiseres is huurder van een sociale huurwoning aan de [adres] te [plaats 1] (de woning). Naar aanleiding van anonieme meldingen heeft er door de politie op 14 oktober 2021 een doorzoeking van de woning plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking werden onder meer 23,8 gram hennep, 27,75 gram amfetamine, 9 XTC-pillen, lege gripzakjes, een keukenweegschaal met daarop residu van vermoedelijk verdovende middelen, enkele BB-geweren en munitie aangetroffen. Op basis van deze vondst heeft de politie een bestuurlijk rapportage opgesteld en verstuurd aan de burgemeester.\n\n5. Met het besluit van 8 november 2021 (het primaire besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet besloten de woning van eiseres te sluiten voor de duur van zes maanden met ingang van 24 november 2021 om de openbare orde rondom de woning te herstellen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar van eiseres is beslist.\n\n6. Bij besluit van 7 maart 2022 (bestreden besluit I) heeft de burgemeester zijn besluit voorzien van een aanvullende motivering, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en besloten dat de woningsluiting zou plaatsvinden met ingang van 21 maart 2022. Bij het besluit van 10 maart 2022 (bestreden besluit II) heeft de burgemeester het bestreden besluit deels herzien door te bepalen dat de feitelijke sluiting niet op 21 maart 2022, maar op 20 april 2022 zou plaatsvinden. Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken nadat op het beroep van eiseres is beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n7. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester heeft kunnen beslissen dat de woning van eiseres gesloten wordt voor de duur van 6 maanden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToetsingskader\n\n9. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd een woning te sluiten als in die woning een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) van deze wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.\n\n10. Voor de uitvoering van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester de beleidsregels vastgelegd. Daarin is opgenomen dat gekozen is voor het “one strike, you are out”-principe. Dit betekent dat bij een overtreding geen waarschuwing wordt gegeven, maar direct tot sluiting van een woning of lokaal wordt overgegaan (zie in dit verband artikel 2, achtste lid, van de beleidsregels).\n\n10.1. Artikel 2, tweede lid, van de beleidsregels bepaalt – voor zover hier relevant – dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang aanwezig wordt geacht indien er sprake is van het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel daartoe aanwezig hebben van verdovende middelen en als er sprake is van een handelshoeveelheid, voor de uitleg waarvan aansluiting wordt gezocht bij het daartoe gestelde in de Aanwijzing Opiumwet. Concreet betekent dit dat er sprake is van een overtreding in de zin van dit beleid bij een hoeveelheid van meer dan 5 gram softdrugs of meer dan 0,5 gram harddrugs.\n\n10.2. Artikel 4, eerste lid, van de beleidsregels bepaalt – voor zover hier relevant – dat indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs de woning wordt gesloten voor de duur van zes maanden.\n\n11. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt de burgemeester overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hierbij dient het toetsingskader zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 28 augustus 2019uiteen heeft gezet in acht te worden genomen.\n\n11.1. Zoals de Afdeling al vaker heeft overwogen moet de burgemeester bij de besluitvorming alle omstandigheden van het geval betrekken, ongeacht of die in de beleidsregel zijn verdisconteerd. Daarbij moet worden bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient allereerst beoordeeld te worden in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, dient de sluiting ook evenredig te zijn.\n\nBevoegdheid van de burgemeester\n\n12. De rechtbank stelt allereerst vast dat de bevoegdheid van de burgemeester niet (meer) ter discussie staat tussen partijen. De rechtbank beoordeelt alleen nog of de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.\n\nNoodzaak van de sluiting\n\n13. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kon maken door de woning direct voor zes maanden te sluiten. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.\n\n14. Eiseres stelt zich – kortgezegd – op het standpunt dat haar woning niet bekendstaat als drugspand en er niet gehandeld werd vanuit haar woning. Uit de stukken blijkt volgens eiseres ook niet dat er sprake is van overlast. Verder zegt ze dat er geen sprake is van ‘loop’ naar de woning. De gevonden drugs waren van de ex-partner van eisers, die al lang niet meer in de woning woont. De sluiting is volgens eiseres niet noodzakelijk, de burgemeester had kunnen volstaan met een waarschuwing.\n\n15. De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet. Op grond van de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 geldt als uitgangspunt dat in het geval in een pand een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat een pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Vast staat dat in de woning van eisers een handelshoeveelheid soft- en harddrugs is aangetroffen, namelijk ruim 55 maal de maximaal toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik aan harddrugs en ruim 4 maal de maximale toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik aan softdrugs. Daarin is al een (groot) belang voor sluiting gelegen. Daarnaast blijkt uit de bestuurlijk rapportage dat er in minder dan één jaar tijd 7 anonieme meldingen zijn binnengekomen ten aanzien van eiseres en\u002Fof handel in verdovende middelen vanuit haar woning, en zijn er in de woning van eiseres lege gripzakjes, een keukenweegschaal met daarop residu van vermoedelijk verdovende middelen en enkele BB-geweren met munitie aangetroffen. Op basis hiervan kan volgens vaste jurisprudentie feitelijke handel worden aangenomen. De burgemeester heeft kunnen concluderen dat er sprake is van een ernstig geval. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de burgemeester had moeten volstaan met een waarschuwing. De beroepsgrond faalt.\n\nEvenredigheid\n\n16. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. In de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 is overwogen dat bij de beoordeling van de evenredigheid verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning, de mogelijkheid om weer in de woning terug te keren, of de overtreder door sluiting van de woning op een zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio en of er minderjarige kinderen in de woning wonen. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenredig. Inherent aan de sluiting van de woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid.\n\n17. Eiseres stelt zich – kortgezegd - op het standpunt dat de omstandigheden dat er minderjarige kinderen aanwezig zijn, dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk zal worden ontbonden, dat eiseres op de zwarte lijst komt te staan bij de verhuurder, dat zij geen passende vervangende woonruimte kan vinden en de door de burgemeester aangedragen alternatieve woningen niet passend zijn, samen maken dat het besluit onevenredig is. Eiseres vreest haar uitkering te verliezen wanneer de woning wordt gesloten en zou bovendien niet (tijdelijk) buiten de regio willen gaan wonen omdat haar oma, sinds het overlijden van haar opa, regelmatig bij haar komt logeren en dit dan niet meer mogelijk zou zijn.\n\n18. De burgemeester stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat hij alle relevante belangen heeft afgewogen en daarmee tot het besluit heeft kunnen komen. Daarbij acht de burgemeester het belangrijk dat er sprake is van verwijtbaar handelen. Ten aanzien van de vervangende woonruimte is de burgemeester van mening dat hij, nu hij concrete locaties voor huisvesting in Nederland heeft aangedragen, heeft voldaan aan zijn plicht om zich hierover te informeren.\n\n19. De rechtbank stelt voorop dat er sprake is van een ernstige overtreding van de Opiumwet, dat de burgemeester eiseres daarvan een verwijt heeft kunnen maken en dat deze verwijtbaarheid in beroep niet (meer) door eiseres wordt betwist. De rechtbank acht verder van belang dat er geen objectieve aanwijzingen zijn voor bijzondere omstandigheden op grond waarvan verzoekster specifiek verbonden is aan verblijf in de woning. Door eiseres is niet onderbouwd dat zij haar oma niet in de woning van haar oma of elders kan bezoeken. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij door een (tijdelijke) verhuizing haar bijstandsuitkering zal verliezen, dan wel dat zij die niet in een andere gemeente zou kunnen aanvragen.\n\n19.1. Dat neemt niet weg dat de sluiting van de woning voor eiseres veel nadelige gevolgen zal hebben. Duidelijk is dat de woningcorporatie de huurovereenkomst wenst te ontbinden en aannemelijk is dat eiseres op een zwarte lijst wordt geplaatst, hetgeen het vinden van een andere (sociale) huurwoning in de regio erg lastig zal maken. Ook is niet in geschil dat het vinden van tijdelijke woonruimte gedurende de sluiting voor eiseres en haar (ten tijde van de bestreden besluiten) minderjarige zoon erg lastig zal zijn, nu zij moet rondkomen van een bijstandsuitkering en niet lang (genoeg) staat ingeschreven voor een sociale huurwoning. Daar staat tegenover dat de burgemeester genoegzaam heeft gemotiveerd dat het voor eiseres niet onmogelijk zal zijn om tijdelijke betaalbare woonruimte te vinden. De burgemeester heeft in dat kader onderzocht welke andere woonruimte beschikbaar is, waarbij de burgemeester de huidige huurprijs van eiseres als richtsnoer heeft gehanteerd. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de door de burgemeester aangedragen alternatieven in Duitsland niet passend zijn en dat uit de door eiseres verrichtte inspanningen blijkt dat haar inschrijftijd te kort is om op korte termijn voor een sociale huurwoning in aanmerking te komen. De burgemeester heeft echter ook op alternatieve particuliere huurwoningen gewezen, zowel in de regio als in de omgeving van [plaats 2] omdat de minderjarige zoon van eiseres daar naar school ging ten tijde van de bestreden besluiten. Dat is uiteraard steeds een momentopname. Dat de specifieke woningen op het moment dat eiseres daarnaar heeft gekeken niet meer beschikbaar waren, betekent niet dat op dat moment geen nieuwe passende woningen beschikbaar zijn gekomen. Niet is gebleken dat eiseres heeft getracht om een particuliere huurwoning (in de omgeving [plaats 2] ) te bemachtigen, terwijl dit naar het oordeel van de rechtbank wel van haar mag worden verwacht. Tot slot heeft de burgemeester er op gewezen dat er sinds enige tijd een daklozenopvang met gezinsvoorziening aanwezig is in de gemeente Bergen, hetgeen als uiterste noodoplossing zou kunnen dienen. De burgemeester heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzocht in hoeverre eiseres in staat zou moeten zijn om vervangende woonruimte te vinden en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het vervolgens de verantwoordelijkheid van eiseres zelf is om die woonruimte te vinden.\n\n19.2. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van sluiting van de woning dan aan het belang van eiseres. De door eiseres aangedragen omstandigheden maken de sluiting van zes maanden niet onevenredig. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de burgemeester heeft mogen beslissen de woning van eiseres voor de duur van zes maanden te sluiten.\n\n21. Dit betekent echter niet dat de burgemeester na bekendmaking van de onderhavige uitspraak tot de (feitelijke) sluiting van de woning mag overgaan. Van belang is namelijk dat tussen de datum van de voorgenomen sluiting (20 april 2022) en deze uitspraak méér dan een jaar is verstreken. Gelet op vaste rechtspraakzal de burgemeester, indien hij alsnog wil over gaan tot sluiting, opnieuw moeten beoordelen of de noodzaak tot sluiting nog bestaat. Tijdsverloop kan er namelijk toe leiden dat sluiting van een pand redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. De burgemeester zal alle relevante omstandigheden moeten meewegen, zoals de mate van overlast of signalen van ‘loop naar de woning’ sinds de beëindiging van de overtreding van de Opiumwet. De rechtbank merkt in dit kader op dat tijdens de zitting door de burgemeester is bevestigd dat er in elk geval de laatste maanden geen overlast is gemeld. Als de burgemeester desalniettemin tot sluiting van de woning over zou willen gaan, dan zal hij daarover een (nieuw) besluit moeten nemen.\n\n22. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiseres haar griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2023\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid\n\nom deze uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 juli 2023\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van 23 december 2021 (ECLI:NL:RBLIM:2021:9840).\n\n Uitspraak van 6 mei 2022 (ECLI:NL:RBLIM:2022:3484).\n\n ECLI:NL:RVS:2019:2912\n\n Zie onder meer de uitspraak van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2756.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2023:4229","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.735Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"525","ECLI:NL:RBGEL:2023:3472","ecli-nl-rbgel-2023-3472",60,"2023-06-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 22\u002F1319\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2023\n\nin de zaak tussen\n \n [Eiser A] , uit [plaats B] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. Y. ten Tuijnte)\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Doetinchem\n\n(gemachtigde: mr. F. Pommer).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de burgemeester om aan hem een last onder dwangsom op te leggen wegens drugshandel op straat. Met het bestreden besluit van 31 januari 2022 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit gebleven.\n\n1.1.. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen twee invorderingsbesluiten die de burgemeester genomen heeft omdat eiser de last niet zou hebben nageleefd. Omdat eiser de besluiten betwist, maken deze automatisch deel uit van het geschil.\n\n1.2.. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser. Namens de burgemeester zijn verschenen: de gemachtigde van de burgemeester en mr. N. Helmink.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het dwangsombesluit en de invorderingsbesluiten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n2.1.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nDe last onder dwangsom\n\nVaststaande feiten\n\n3. De burgemeester heeft het bestreden besluit gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politie.Uit die rapportage volgt dat eiser zich op 30 juni 2021 als bijrijder in een auto bevond op [het adres C] in [plaats B] en dat hij vanuit de auto iets aan een persoon overhandigde. De politie heeft deze persoon daarna gecontroleerd. Deze verklaarde 3-MMC gekocht te hebben van eiser en dit al drie of vier keer eerder gedaan te hebben. De ondervraagde persoon overhandigde daarbij een sealbag met wit poeder aan de politie. Eiser en de bestuurder van de auto zijn vervolgens aangehouden. Tijdens de insluiting werden bij de bestuurder 30 wikkels cocaïne aangetroffen en 26 sealbags met 3-MMC. De uiterlijke kenmerken van de sealbags kwamen overeen met die van de sealbag die de politie aantrof bij de ondervraagde persoon. Bij eiser zijn twee telefoons en € 385 aan contant geld aangetroffen.\n\n3.1.. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de burgemeester aan eiser een last opgelegd om verdere overtreding van artikel 2:74 van de Apv Doetinchem 2016 (de Apv) te voorkomen. Dit artikel luidt als volgt:\n\nOnverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.\n\nBij het niet nakomen van de last verbeurt eiser een dwangsom van € 5.000 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 50.000.\n\nWas de burgemeester bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van artikel 2:74 van de Apv?\n\n4. Eiser betoogt dat de burgemeester geen last aan hem had mogen opleggen, omdat hij artikel 2:74 van de Apv niet heeft overtreden. Bij de aanhouding op 30 juni 2021 zijn enkel drugs aangetroffen bij de bestuurder van de auto (in haar beha) en niet bij eiser. Dat eiser niet in drugs dealde volgt ook uit de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie dit feit heeft geseponeerd. Voor zover de burgemeester de handel in 3-MMC aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, betwist eiser dat deze handeling heeft plaatsgevonden. Bovendien wijst hij erop dat dit middel ten tijde van de vermeende overtreding nog niet was opgenomen op lijst II van de Opiumwet. Voor zover artikel 2:74 van de Apv spreekt over “daarop gelijkende waar”, kan een last hierop niet gebaseerd worden, omdat dit te onbepaald is. Deze zinsnede is daarmee in strijd met het zogenoemde lex certa-beginsel.\n\n4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester terecht het standpunt ingenomen dat eiser artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden en was hij bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Daarbij neemt de rechtbank het hierna volgende in aanmerking.\n\n4.2.. Artikel 2:74 van de Apv ziet op het voorkomen van aantasting van de openbare orde en het beteugelen van overlast. Een overtreding van artikel 2:74 van de Apv vereist geen strafwaardige betrokkenheid bij het afleveren, aanbieden of verwerven van de in de Opiumwet genoemde middelen.De vraag of eiser dit artikel heeft overtreden moet daarom zelfstandig, los van een eventuele strafrechtelijke procedure, worden beantwoord. Dat eiser niet strafrechtelijk is vervolgd voor de feiten van 30 juni 2021, betekent daarom niet dat hij de Apv niet heeft overtreden.\n\nIs er sprake van strijd met het lex certa-beginsel?4.3.. Volgens vaste jurisprudentievan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state (de Afdeling) verlangt het lex certa-beginsel, dat onder meer besloten ligt in artikel 7 van het EVRM, van de wetgever dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedraging omschrijft. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, bestaande uit het gebruik van algemene termen, verboden gedragingen omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van die omschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden en omdat, indien dit wel is te voorzien, de omschrijvingen van verboden gedragingen anders te verfijnd worden met als gevolg dat de overzichtelijkheid wegvalt en daarmee het belang van de algemene duidelijkheid van wetgeving schade lijdt.\n\n4.3.1.. Eiser wijst op zich terecht op de omstandigheid dat noch in de tekst, noch in de toelichting van de Apv een nadere omschrijving wordt gegeven van wat onder “daarop gelijkende waar” moet worden verstaan. Dat een begrip niet gedefinieerd is en aan de hand van feiten en omstandigheden enige uitleg vergt, maakt op zichzelf echter nog niet dat sprake is van strijd met het lex certa-beginsel.In dit geval was het voldoende duidelijk dat 3-MMC onder het begrip “daarop gelijkende waar” valt. Uit de strekking van artikel 2:74 van de Apv en de onder 4.2 aangehaalde jurisprudentie volgt dat deze bepaling gericht is op het tegengaan van overlast door dealgedrag. Daarmee is duidelijk dat “daarop gelijkende waar” betrekking heeft op middelen die weliswaar (nog) niet zijn opgenomen op lijst I of II van de Opiumwet, maar hiermee qua aard en gebruik vergelijkbaar zijn. Daarbij moet op voorhand voor een betrokkene wel voldoende duidelijk zijn dat een middel onder die reikwijdte valt. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval sprake van. Ten tijde van de constatering was het een feit van algemene bekendheid dat 3-MMC werd verhandeld en gebruikt als partydrug. Bovendien was op dat moment al bekend dat deze stof later dat jaar zou worden opgenomen op lijst II van de Opiumwet.\n\nIs er sprake van een overtreding?4.4.. \n\nEiser betwist de weergave van de feiten zoals neergelegd in de bestuurlijke rapportage alleen voor zover hieruit zou blijken dat hij als bijrijder van de auto 3-MMC aan een andere persoon heeft overhandigd. Voor het overige is eiser van mening dat uit die rapportage niet volgt dat hij een overtreding heeft begaan.\n\nDe bestuurlijke rapportage en de processen-verbaal waarop deze is gebaseerd, zijn op ambtsbelofte opgemaakte stukken. Volgens vaste jurisprudentiemag een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid om het bewijs zelf vast te stellen, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller hiervan weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n4.4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende naar voren gebracht om te twijfelen aan de door hem betwiste waarneming. Uit het proces-verbaal en de daarop gebaseerde bestuurlijke rapportage volgt dat opsporingsambtenaren zelf hebben waargenomen hoe eiser iets aan een betrokkene overhandigde. Deze betrokkene is direct na die waarneming gecontroleerd en verklaarde daarbij zojuist 3-MMC te hebben gekocht. Eiser heeft de betwisting van deze feiten onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat hij niet bij drugshandel betrokken is en alleen in de auto zat omdat hij samen met de bestuurder van de auto naar een restaurant zou gaan, acht de rechtbank hiervoor niet toereikend, helemaal nu eiser deze verklaring voor het eerst op de zitting naar voren heeft gebracht. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de transactie met 3-MMC heeft plaatsgevonden. Daarmee staat vast dat eiser zich op 30 juni 2021 heeft opgehouden met het kennelijke doel om 3-MMC aan te bieden of af te leveren. Dit levert een overtreding op van artikel 2:74 van de Apv.\n\n4.4.2.. Ook de feiten ten aanzien van de cocaïne die bij de bestuurder van de auto is aangetroffen leveren naar het oordeel van de rechtbank voor eiser een overtreding op. Daarbij volgt zij eiser niet in zijn stelling dat hij er geen weet van kon hebben dat de bestuurder verboden middelen in haar beha had verstopt. Zoals onder 3 uiteen is gezet, zijn behalve de wikkels cocaïne ook sealbags met 3-MMC aangetroffen in de beha van de bestuurder en kwamen de uiterlijke kenmerken van die sealbags overeen met de sealbag die bij de betrokkene is aangetroffen. Gelet hierop, en op het dealgedrag van eiser zoals besproken onder 4.4. en 4.4.1, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser niet van de aanwezigheid van de cocaïne op de hoogte was. In dit verband is ook relevant dat op 18 november 2019 een melding over eiser en de bestuurder is gedaan via Meld Misdaad Anoniem, waarin specifiek beschreven is dat zij eiser vergezelt en daarbij drugs “tussen haar borsten” bewaart. Op basis van het voorgaande is op zijn minst aannemelijk gemaakt dat eiser behulpzaam was aan het dealgedrag ten aanzien van cocaïne. Ook dit levert op zichzelf een overtreding op.\n\n4.5.. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester aannemelijk heeft gemaakt dat eiser artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMocht de burgemeester overgaan tot opleggen van de last onder dwangsom?\n\n5. Volgens eiser was er geen aanleiding om hem een last onder dwangsom op te leggen. De last ziet op het voorkomen van toekomstige overtredingen, terwijl er geen gevaar was dat de overtreding zich in de toekomst zou voordoen. Het opleggen van de last is bovendien geen evenredige reactie, nu eiser met zijn handelen de openbare orde niet heeft verstoord.\n\n5.1.. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Handhavend optreden kan zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.\n\n5.2.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser met zijn handelen de openbare orde niet heeft verstoord. Zoals de burgemeester terecht heeft aangevoerd, wijzen de straathandel die bij eiser is geconstateerd en de daarmee veroorzaakte “loop” er juist wel op dat verstoring van de openbare orde heeft plaatsgevonden en is daarbij ook relevant dat de handelingen vlakbij een school plaatsvonden. Daarnaast wijst de burgemeester er terecht op dat de vele meldingen die de politie heeft ontvangen via Meld Misdaad Anoniem wijzen op maatschappelijke onrust. Dit levert dan ook geen aanleiding op voor de conclusie dat handhaving onevenredig zou zijn. Ook het betoog dat geen sprake zou zijn van een gegronde vrees voor herhaling, volgt de rechtbank niet. Alleen al vanwege het beperkte tijdsverloop sinds de geconstateerde overtreding bestond er voor de burgemeester geen aanleiding om te concluderen dat gevaar voor herhaling niet (langer) voor de hand lag.Ook de hierna te bespreken feiten die hebben geleid tot de invorderingsbesluiten ondersteunen het standpunt van eiser niet.\n\nIs de hoogte van de dwangsom(men) evenredig?\n\n6. Eiser voert aan dat de dwangsom van € 5.000 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 50.000 niet in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel. Hij wijst er in dat kader op dat één gram cocaïne een straatwaarde heeft van ongeveer € 50. De dwangsom die eiser kan verbeuren per geconstateerde overtreding is daarmee aanzienlijk hoger dan de omzet die een drugstransactie oplevert. Verder is eiser van mening dat de dwangsom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Aan de bestuurder van de auto, bij wie zelfs drugs op het lichaam zijn aangetroffen, is een last met een lagere dwangsom opgelegd.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 5:32b van de Algemene wet bestuursrecht moeten de dwangsombedragen in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. De burgemeester heeft zich terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020op het standpunt gesteld dat een dwangsom van € 5.000 in dit geval in redelijke verhouding staat tot het ermee te dienen doel. De burgemeester heeft ook voldoende onderbouwd dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door aan de bestuurder een last met een lagere dwangsom op te leggen. De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat een dwangsom van € 5.000 per geconstateerde overtreding het uitgangspunt is. Voor de bestuurder van de auto heeft de burgemeester in de bezwaarfase besloten om deze dwangsom naar beneden bij te stellen, omdat uit de hem toen bekende feiten is gebleken dat die bestuurder niet zelf in drugs handelde, maar deze enkel op haar lichaam bewaarde en daarmee slechts als medeplichtige kon worden beschouwd. De rechtbank benadrukt dat het beroep van eiser niet ziet op de last die aan de bestuurder is opgelegd, zodat de rechtmatigheid van dit (onherroepelijke) besluit als zodanig in deze zaak niet aan de orde is. In het kader van eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel acht de rechtbank van belang dat de burgemeester in het geval van de bestuurder van de auto feiten en omstandigheden aanwezig achtte die aanleiding gaven voor een lagere dwangsom en dat zulke omstandigheden voor eiser niet aan de orde waren. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is daarom niet gebleken.\n\nHet invorderingsbesluit van 19 mei 2022\n\nVaststaande feiten\n\n7. Op 19 mei 2022 heeft de burgemeester besloten tot het invorderen van een verbeurde dwangsom van € 5.000 en de wettelijke rente. Volgens de burgemeester heeft eiser zich op 20 oktober 2021 begeven op een openbare plaats met het kennelijke doel om daar cocaïne af te leveren, dan wel aan te bieden. Aan dit besluit heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van de politieten grondslag waaruit naar voren komt dat eiser op die dag op het parkeerterrein aan [het adres D] in [plaats B] geparkeerd stond. Daarbij is door de politie gezien dat een persoon bij hem in de auto stapte en enkele minuten later de auto weer verliet. De politie heeft de persoon daarna aangesproken, waarna deze verklaarde voor € 50 3-MMC van eiser te hebben gekocht. Hij verklaarde al drie jaar bij eiser drugs af te nemen. De afspraken verliepen via Whatsapp. De politie heeft de telefoon van de persoon ingezien. Hieruit was op te maken dat hij in oktober van 2021 vijf eerdere afspraken met eiser had gemaakt voor het kopen van drugs.\n\n7.1.. De politie heeft eiser vervolgens diezelfde dag aangehouden op verdenking van het dealen van harddrugs. Bij zijn aanhouding zijn drie wikkels en acht gripzakjes met wit poeder aangetroffen en € 205 aan contant geld. De gripzakjes zagen er hetzelfde uit als het gripzakje dat bij de ondervraagde persoon is aangetroffen. De middelen zijn onderzocht door de Forensische Opsporing. De wikkels zijn positief getest op cocaïne. Voor de overige middelen bleek uit de test dat hiervoor geen duidelijke indicatie gegeven kon worden. Dat gold ook voor het poeder dat bij de ondervraagde persoon is aangetroffen.\n\nHeeft eiser op 20 oktober 2021 een dwangsom verbeurd?\n\n8. Eiser betoogt dat niet is vast komen te staan dat hij de dwangsom heeft verbeurd. De bestuurlijke rapportage spreekt slechts over handel in 3-MMC. Dit was ten tijde van de constatering niet verboden. Er is weliswaar cocaïne bij eiser aangetroffen, maar dit betrof een hoeveelheid voor eigen gebruik. Er zijn geen omstandigheden die erop wijzen dat in cocaïne is gehandeld. Eiser is strafrechtelijk veroordeeld voor het aanwezig hebben van de cocaïne, maar niet voor dealen.\n\n8.1.. Volgens vaste jurisprudentiedient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten ten grondslag te liggen. Dit brengt onder meer met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De bevindingen moeten op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen. De rechtbank is van oordeel dat de bestuurlijke rapportage die ten grondslag ligt aan de invorderingsbeschikking aan deze eisen voldoet.\n\n8.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de rapportage dat eiser de aan hem opgelegde last heeft overtreden. Uit de bevindingen die vermeld staan in het rapport en die eiser op zichzelf niet betwist, volgt dat eiser op een openbare plaats aan een andere persoon 3-MMC heeft verkocht. Eisers stelling dat hieraan geen betekenis toekomt, omdat 3-MMC op dat moment nog geen verboden stof was, treft geen doel, gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.3.1 is overwogen. In dit licht acht de rechtbank aannemelijk dat ook de bij eiser aangetroffen cocaïne voorhanden was met het kennelijke doel om dit af te leveren of aan te bieden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er 1,37 gram aan cocaïne bij eiser is aangetroffen. Volgens vaste jurisprudentiewordt als uitgangspunt gehanteerd dat bij een hoeveelheid harddrugs van meer dan 0,5 gram wordt uitgegaan van een handelshoeveelheid. Dit is anders als sprake is van een geringe overschrijding en de betrokkene een helder en consistent betoog heeft dat dit eigen gebruik aannemelijk maakt en er niet gebleken is van andere relevante feiten of omstandigheden. Deze rechtspraak ziet weliswaar op de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet, maar de rechtbank acht de uitgangspunten hiervan ook in deze context relevant. De rechtbank acht het betoog van eiser, dat hij vanwege zijn grote postuur een grotere hoeveelheid drugs tot zich moet nemen voor eigen gebruik, niet aannemelijk. Dit betoog wordt ook niet ondersteund door de omstandigheid dat de drugs in drie afzonderlijke wikkels zijn aangetroffen. Daarbij is het eerder genoemde dealgedrag van eiser ten aanzien van 3-MMC een verdere indicatie dat ook de cocaïne voorhanden was om te worden verkocht. Daarmee is eisers stelling dat de bij hem aangetroffen cocaïne bestemd was voor eigen gebruik dan ook niet aannemelijk.\n\n8.2.1.. De omstandigheid dat eiser niet veroordeeld is voor het dealen van verdovende middelen kan, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2, aan het voorgaande niet afdoen.\n\n8.3.. Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester terecht geconcludeerd dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat eiser de last heeft overtreden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHet invorderingsbesluit van 23 mei 2023\n\nVaststaande feiten\n\n9. Op 23 mei 2023 nam de burgemeester een besluit tot invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal € 15.000, omdat uit de bestuurlijke rapportage van de politievolgde dat eiser op 7 juli 2022 driemaal de opgelegde last niet is nagekomen. Het gaat om de volgende drie momenten die in de rapportage zijn genoemd:\n\nOmstreeks 18:10 uur is tussen eiser en een andere persoon een transactie waargenomen op het parkeerterrein aan [het adres E] in [plaats B] . De politie heeft deze persoon bevraagd. Hij verklaarde daarbij 40 roze XTC pillen met de opdruk van een schedeltje te hebben gekocht van een gespierde man met tatoeages in een Volkswagen Golf;\n\nOmstreeks 18:20 uur hebben verbalisanten een tweede transactie waargenomen op de parkeerplaats aan [het adres F] in [plaats B] . De afnemer heeft aan de politie verklaard in totaal 20 XTC pillen en 5 gram miauw miauw (een andere benaming voor 3-MMC) te hebben gekocht van een kale man met een zonnebril in een zwarte Volkswagen Golf.\n\nOm 19:50 uur hebben verbalisanten een derde transactie waargenomen, die ook plaatsvond op de parkeerplaats aan [het adres F] in [plaats B] . De afnemer heeft later aan de politie verklaard 5 gram 3-MMC te hebben gekocht van een grote en gespierde man met een zonnebankgebruinde huid.\n\n9.1. Eiser is diezelfde dag aangehouden in de buurt van zijn woning, nadat hij omstreeks 19:58 uur zijn auto op de stoep voor zijn flat had geparkeerd. Bij de aanhouding zijn in het gras, nabij de woning, de volgende spullen aangetroffen:\n\n54 rode XTC pillen;\n\n19 wikkels cocaïne;\n\n7 gripzakjes ketamine;\n\n29 gripzakjes wit poeder (vermoedelijk 3-MMC);\n\n770 aan contant geld.\n\nHeeft eiser de dwangsommen verbeurd?\n\n10. Eiser betwist dat uit de rapportage volgt dat hij op 7 juli 2022 dwangsommen heeft verbeurd. Daarbij wijst eiser er in het bijzonder op dat het signalement dat door de tweede afnemer is gegeven niet op hem betrekking heeft. Eiser is namelijk niet kaal en hij reed niet in een zwarte auto. Ook wijst hij erop dat de aangetroffen drugs in het gras zijn gevonden en niet op zijn lichaam of in zijn auto. Subsidiair betoogt eiser dat zelfs in het geval er sprake zou zijn van strijd met de opgelegde last, er hooguit sprake is van één overtreding.\n\n10.1.. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er drie dwangsommen zijn verbeurd. Voor het toetsingskader verwijst zij naar hetgeen zij heeft overwogen onder 8.1. De rechtbank komt ook in dit geval tot het oordeel dat de rapportage voldoet aan de gestelde vereisten. Uit de rapportage komt naar voren dat opsporingsambtenaren drie verschillende transacties hebben waargenomen tussen eiser en drie andere personen. Deze personen hebben alle drie, onafhankelijk van elkaar, verklaard dat zij verdovende middelen hebben gekocht en hebben daarbij kenmerken genoemd die te herleiden zijn tot eiser. Twee van de afnemers hebben bovendien inzage gegeven in het telefoonnummer van hun dealer. Dit betrof één van de telefoonnummers van eiser. Dat het signalement dat door een van de afnemers is gegeven niet volledig aansluit op het profiel van eiser doet hier, gelet op de overige bevindingen, niet aan af. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat diezelfde afnemer verklaard heeft dat zijn dealer in zijn telefoon stond opgeslagen als ‘ [G] ’ of ‘ [H] ’, zodat onmiskenbaar is dat deze afnemer eiser bedoelde.\n\n10.1.1.. Dat de drugs niet op het lichaam van eiser maar in het gras nabij zijn woning zijn aangetroffen, betekent niet dat aan deze vondst geen betekenis toekomt. Uit de rapportage volgt dat deze drugs zijn aangetroffen vlak nadat eiser uit zijn auto was gestapt en naar de berging onder zijn flat rende. De omschrijving van de XTC-tabletten, rood\u002Froze met de opdruk van een doodshoofd, komt overeen met de tabletten die bij één van de afnemers zijn aangetroffen. Daarmee vormt de vondst een verdere onderbouwing van de overtreding van de last.\n\n10.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat eiser op 7 juli 2022 drie keer de opgelegde last heeft overtreden. Zij volgt eiser niet in het betoog dat er ten hoogste één dwangsom mocht worden ingevorderd. Zoals de burgemeester terecht heeft aangevoerd, volgt uit de last dat eiser een dwangsom verbeurt per geconstateerde overtreding en is daaraan geen maximum per dag gekoppeld. De gedragingen van eiser gelden niet als één doorlopende overtreding, maar als drie afzonderlijke overtredingen. Daarbij is van belang dat tussen de eerste en de tweede overtreding een tijdsverloop zat van circa tien minuten en dat deze zich afspeelden op verschillende plaatsen. De derde overtreding vond weliswaar, net als de tweede, plaats op de parkeerplaats aan [het adres D] in [plaats B] , maar tussen de transacties zat een tijdsverloop van ongeveer anderhalf uur. Bovendien blijkt uit de rapportage dat eiser het parkeerterrein in de tussentijd had verlaten.\n\n10.3.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nWas er aanleiding voor de burgemeester om af te zien van invordering?\n\n11. Eiser betoogt dat de burgemeester niet tot (volledige) invordering van de dwangsommen mocht overgaan, gelet op zijn financiële omstandigheden.\n\n11.1.. Volgens vaste jurisprudentiemoet bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag van een last onder dwangsom. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als de overtreder evident niet in staat zal zijn om de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet dit aannemelijk maken. Hij moet daarvoor een betrouwbaar en volledig inzicht bieden in zijn financiële situatie.\n\n11.2.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het evident is dat hij de verbeurde dwangsommen (ook in de toekomst) niet kan betalen. Uit de gedingstukken blijkt dat de burgemeester aan eiser ruime gelegenheid heeft geboden om zijn financiële situatie met stukken te onderbouwen, maar dat eiser hiervan geen volledig overzicht heeft overgelegd. Alleen al om die reden kan zijn draagkracht geen bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan de burgemeester van invordering had moeten afzien.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Mol, rechter, in aanwezigheid van M. Gasseling, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2023\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit volgt uit artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Bestuurlijke rapportage van Politie Eenheid Oost-Nederland, basisteam Achterhoek-West, Flexteam Noord- en Oost-Gelderland, van 5 juli 2021.\n\n Zie ter vergelijking ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1361, r.o. 2.2.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:109; ABRvS 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3077.\n\n Zie ter vergelijking ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1422.\n\n Blokhuis verbiedt designerdrug 3-MMC onder Opiumwet | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3731.\n\n Vergelijk ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.\n\n ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117.\n\n Bestuurlijke rapportage van Politie Eenheid Oost-Nederland, Flexteam Noord- en Oost-Gelderland, van 26 oktober 2021.\n\n Zie ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS;2017:1179.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1276.\n\n Bestuurlijke rapportage van Politie Eenheid Oost-Nederland, Flexteam Noord- en Oost-Gelderland, van 11 juli 2021.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1828.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2023:3472","2026-07-13T00:28:34.779Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"507","ECLI:NL:RBOBR:2023:332","ecli-nl-rbobr-2023-332",72,"2023-01-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F1400, SHE 21\u002F1401, SHE 21\u002F1402, SHE 21\u002F1403\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2023 in de zaak tussen\n \n [naam] ,\n\n [naam] ,\n\n [naam] ,\n\n [naam], uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. S.G.H. van de Kamp en mr. M.A. Prins),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Oss, de burgemeester,\n\n(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het de besluiten van de burgemeester om sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel aan [adres] te bevelen voor een duur van zes maanden.\n\nMet het bestreden besluit van 28 april 2021 op de bezwaren van eisers is de burgemeester bij dat besluit gebleven.\n\nDe burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 12 december 2022 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] , de gemachtigden van eisers, met mr. S.A.C. de Ridder als waarnemer van S.G.H. van de Kamp, en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. In een bestuurlijke rapportage is vermeld dat op 13 november 2019 een politieonderzoek heeft plaatsgevonden op en rond het perceel [adres] (het perceel). Dit perceel is een woonwagenstandplaats, die wordt gehuurd door [naam] en [naam] . Hun kinderen [naam] en [naam] zijn geboren in 2003, respectievelijk 1997. Eisers woonden op dit perceel in een woonwagen. Op het perceel staat ook een schuur en achter de schuur ligt een bosperceel.\n\n2. In de bestuurlijke rapportage van 9 december 2019 is vermeld dat in de woonwagen en de daarachter gelegen schuur het volgende is aangetroffen;\n\nAmfetamine, +\u002F- 150 gram, in het keukenkastje;\n\nDeense kronen en Euro’s, totaal een waarde van € 256.650, -, verborgen in ruimte slaapkamer kast vloer;\n\nBankbiljetten en muntgeld, € 6244,-, op verschillende plekken in woning;\n\nMunitie en hulzen, 8 + 4 (divers kaliber, in de schuur);\n\nOnderdelen van (vuur)wapens, meerderen, in de schuur.\n\n3. Op grond van deze informatie heeft de burgemeester aan eisers op 13 januari 2020 het voornemen bekend gemaakt om ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, het perceel te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Op 7 februari 2020, later bevestigd in een aanvullende rapportage van 24 februari 2020, maakte de politie aan de burgemeester bekend dat sprake was geweest van een vals-positieve test van amfetamine. De stof bleek geen amfetamine of enig andere hard- of softdrugs te zijn. Aan het voornemen van 13 januari 2020 heeft de burgemeester geen vervolg gegeven.\n\n4. Op 26 februari 2020 volgt een bestuurlijke rapportage over het op 13 november 2019 verrichte onderzoek en wat daarbij in de schuur en op\u002Fin het daarachter gelegen bosperceel is aangetroffen. Hierover is het volgende vermeld:\n\n“Aan onder andere de achterzijde van de schuur op het perceel waren camera’s gemonteerd die gericht waren op het bosperceel grenzend aan de achterzijde van het perceel. Deze camera’s konden in de schuur worden uitgelezen op een daarop aangesloten en werkend beeldscherm. Tijdens het onderzoek op 13 november 2019 werden op\u002Fin het betreffende bosperceel, waarop de camera’s gericht waren, drie ondergrondse bergruimtes, een ingegraven vat en andere zaken met inhoud aangetroffen. Het ging om de volgende inhoud: in de ondergrondse ruimten werd een groot aantal kunststofvaten en kartonnen dozen aangetroffen met daarin een groot aantal vuurwapens en onderdelen hiervan, alsook verdovende middelen. De verdovende middelen zijn voor nader onderzoek in beslag genomen. Uit het onderzoek is in iedere geval een positief indicatieve test gebleken van de volgende (hard)drugs c.q. stoffen:\n\n- 110 kilo MDMA-pillen (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 193 MDMA-kristallen (lijst T Opiumwet)\n\n- 49 kilo Amfetamine (lijst T Opiumwet)\n\n- 222 liter Amfetamine olie (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 3,4 kilo Methamfetamine (kristallen) (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 1,5 kilo Ketamine (lijst T Opiumwet)\n\n- 0,3 kilo Cocaïne (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 0,5 kilo Heroïne (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 156,7 plakken Cannabis (hashish) (lijst 2 Opiumwet).”\n\nen:\n\n“Op basis van onderzoeksbevindingen (opgenomen gesprekken) kan worden gesteld dat de schuur achter de woning van deze locatie, in de periode maart 2018 tot en met november 2019 vrijwel dagelijks werd gebruikt als overleglocatie \u002F handelsplaats voor een crimineel samenwerkingsverband (CSV), waar ook vrijwel dagelijks bezoekers werden ontvangen. Dit CSV bestaat naast [naam] en [naam] uit tientallen personen, waaronder familieleden. Leden van het CSV en hun contacten konden ook buiten aanwezigheid van [naam] en [naam] gebruik maken van de schuur. Deze schuur was ingericht als vergaderruimte en werd door een deelnemer van het CSV zijn ‘kantoor’ genoemd. Ook op basis van onderzoeksbevindingen kan worden gesteld dat vanuit de schuur doorlopend drugstransacties besproken werden, voorbereid en uitgevoerd. Er werd vrijuit gesproken over onder andere:\n\n• het produceren van verdovende middelen (synthetische drugs) en het verhandelen van producten (precursoren) bestemd voor de productie van synthetische drugs.\n\n• het importeren van containers met verdovende middelen met diverse soorten dekladingen.\n\n• het uithalen van containers met daarin verdovende middelen.\n\n• het wegnemen van containers met vermoedelijk verdovende middelen.\n\n• het maken van afspraken met buitenlandse personen afkomstig uit onder andere Bulgarije, Zuid-Amerika en België.\n\n• het handelen in (vuur)wapens.\n\nOok in de woning aan de [adres] kwamen leden van het crimineel samenwerkingsverband samen en werd veelvuldig gesproken over deze onderwerpen. Gesprekken in de schuur werden in de woning voortgezet, met name door familieleden die deel uit maken van het CSV”.\n\n5. Naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen heeft de burgemeester op\n\n10 maart 2020 aan eisers een nieuw voornemen kenbaar gemaakt tot sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel, voor de duur van twaalf maanden. In het voornemen heeft de burgemeester eisers in de gelegenheid gesteld om op het voornemen hun zienswijze kenbaar te maken. Eisers hebben op 24 maart 2020 hun zienswijzen kenbaar gemaakt.\n\n7. Daarop heeft de burgemeester bij de primaire besluiten van 28 april 2020 de voorgenomen sluiting gehandhaafd, maar volstaan met een sluitingsduur van zes maanden in plaats van twaalf. Bij het bestreden besluit is de burgemeester bij die besluiten gebleven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester de woning, de schuur en het bosperceel heeft mogen sluiten voor de duur van zes maanden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n9. Het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesbelang\n\n10. De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of eisers nog procesbelang hebben bij de door hen ingestelde beroepen. De sluiting van het perceel is inmiddels beëindigd en ligt dan ook in het verleden. Dat brengt de vraag met zich wat eisers feitelijk nog kunnen bereiken met deze beroepsprocedures.\n\n11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Vereist wordt dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.Desgevraagd hebben eisers gesteld dat zij als gevolg van het bestreden besluit schade hebben omdat zij de huur moesten doorbetalen, terwijl zij geen gebruik konden maken van de woning en omdat het bestuursrechtelijke bestreden besluit mogelijk doorwerking heeft in een civiele procedure. Met inachtneming van de vaste rechtspraak oordeelt de rechtbank dat eisers met deze stellingen tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden als gevolg van het bestreden besluit en dat zij daarom een belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.\n\nBeoordelingskader\n\n12. De rechtbank beoordeelt de beroepen volgens het beoordelingskader dat de Afdeling uiteen heeft gezet in haar uitspraak van 28 augustus 2019, in de uitspraken van de Afdeling over de evenredigheid van 2 februari 2022en in de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022.\n\nBevoegdheid\n\n13. Desgevraagd hebben eisers op de zitting bevestigd dat zij de bevindingen, die zijn vermeld in bestuurlijke rapportage over wat en hoeveel in de woning, in de schuur en op het bosperceel is aangetroffen, niet bestrijden. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die bevindingen.\n\n14. Eisers betogen dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten omdat de ruimtelijke en functionele samenhang met het bosperceel en de schuur ontbrak. Daarbij wijzen zij op de feitelijke situatie, dat de woning en de schuur losstaande bouwwerken zijn, dat de schuur vrij toegankelijk is via een brede oprit en geen rechtstreekse toegang heeft vanuit de woning en dat het bosperceel van de standplaats met de woning en schuur wordt gescheiden door een stenen muur zonder doorgang. Daarnaast stellen eisers dat de kadastrale gegevens niet alleszeggend zijn en dat zij het bosperceel niet huurden van de gemeente. Tijdens de zitting hebben eisers aangegeven dat zij niet langer het standpunt innemen dat er op de schuur geen camera’s waren gericht op het bosperceel.\n\n15. De burgemeester heeft in het verweerschrift onder verwijzing naar een drietal uitspraken van de Afdelingals volgt gereageerd op de beroepsgrond van eisers:\n\n“Uit al deze uitspraken volgt dat om te kunnen spreken van een ‘samenhangend geheel’\n\ner in de eerste plaats sprake moet zijn van ruimtelijke samenhang en daarnaast van\n\nfunctionele samenhang. Anders dan eisers beweren in hun (aanvullend) beroepschrift is\n\nde burgemeester niet alleen uitgegaan van de kadastrale eenheid. Dit laatst, ruimtelijke\n\nelement is slechts één van de (vele) factoren waarop de burgemeester baseert dat de\n\nwoning, schuur en het achterliggende bosperceel een samenhangend geheel zijn. De\n\nruimtelijke samenhang bestaat hieruit dat:\n\nde woning en de schuur op hetzelfde, als één geheel verhuurde kadastrale perceel gelegen zijn;\n\nhet perceel als één geheel is omsloten en als één geheel toegankelijk is via dezelfde toegang vanaf de openbare weg. De schuur is alleen via een smalle toegang die loopt langs de woonwagen te bereiken (zie ook de foto’s in de bestuurlijke rapportage van 26 februari 2020). Dat geldt ook voor het achter de schuur gelegen bosperceel;\n\nde schuur en woonwagen worden door dezelfde personen gehuurd en gebruikt, te weten [naam] en [naam] , alsmede hun kinderen;\n\nde schuur en woonwagen liggen praktisch tegen elkaar aan, daarmee in elkaars fysieke nabijheid. Tussen de schuur en de woonwagen is nauwelijks fysieke ruimte aanwezig, waardoor buiten het zicht vanuit de woning de schuur kan worden bereikt.\n\nIn het kader van de ruimtelijke samenhang mag ook het sluitingsdoel worden betrokken.\n\nEen gedeeltelijke sluiting — van bijvoorbeeld alleen de schuur of, zoals eisers lijken voor\n\nte staan, alleen het bosperceel zal ertoe leiden dat niet goed controleerbaar is wat er\n\ntijdens de sluiting op de rest van het perceel gebeurt. Een persoon zou geheel aan het\n\nzicht vanaf de openbare weg onttrokken, vanuit de woning de schuur of het daarachter\n\ngelegen bosperceel alsnog kunnen betreden. Dit zou afbreuk doen aan het doel van de\n\nsluiting, te weten het beëindigen van de overtreding en voorkoming van het herhaling en\n\nhet afgeven van een signaal dat het overtreden van de Opiumwet wordt gehandhaafd.\n\nDat er een afscheiding zou bestaan — hetgeen niet zo is — of zou zijn te maken tussen de\n\nwoning, de schuur en het bosperceel, laat daarmee onverlet dat het sluitingsdoel zich\n\nalsdan nog steeds verzet tegen het buiten de sluiting houden van delen van het\n\nsamenhangende geheel. Zie in dit verband ook de volgende overweging van de Afdeling\n\nin een uitspraak van 6 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401:\n\n‘Hieruit blijkt onder meer dat de loods direct achter de woning ligt, dat tussen de woning en de loods een tuin ligt die is omheind en dat een uitgang van de loods uitkomt in de tuin. Dit betekent dat de loods, vanaf de openbare weg bezien, ongezien kan worden binnengetreden via de woning en de tuin. Indien de woning niet zou zijn gesloten dan was de bereikbaarheid van de loods gelet hierop vele malen gemakkelijker geweest. Dat [appellante] derden de toegang tot haar terrein had kunnen ontzeggen en bovendien het toegangshek had kunnen sluiten, geeft geen grond voor een ander oordeel. De burgemeester stelt in dit verband terecht dat de productie van amfetamine zich afspeelt in een criminele omgeving en hij heeft aannemelijk mogen achten dat [appellante], al dan niet met geweld, in dat geval gedwongen zou kunnen worden toegang te verlenen tot het terrein en de loods. Voorts heeft de burgemeester erop gewezen dat sluiting van de woning en het terrein nodig was om de loods achter de woning zichtbaar te onttrekken aan het illegale circuit, waardoor de bekendheid van de drugslaboratoria definitief kon worden beëindigd.’\n\nIn verband met de functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het\n\nbosperceel, wijs ik namens de burgemeester op de volgende elementen waarop deze\n\nfunctionele samenhang met name is gestoeld:\n\n- in de schuur zijn munitie en huizen, alsmede onderdelen voor (vuur)wapens\n\naangetroffen, daaronder begrepen een onderdeel van een machinegeweer. Deze\n\nvoorwerpen werden ook aangetroffen in\u002Fop het bosperceel, tezamen met grote\n\nhoeveelheden harddrugs. De wapens, wapenonderdelen en munitie zijn — zeker\n\nin de gegeven context — aan te merken als drugs gerelateerd;\n\n- uit tapgesprekken is gebleken dat de schuur vrijwel dagelijks werd gebruikt als\n\noverleglocatie\u002Fhandelsplaats voor een CSV. In de schuur werden blijkens tapgesprekken doorlopend drugstransacties besproken (zie de bestuurlijke\n\nrapportage van 26 februari 2020);\n\n- uit een proces-verbaal van 21 februari 2019 en strafvonnis van 6 september\n\n2021 blijkt ook dat vermoedelijk MDMA is geleverd in de schuur. Ook is een\n\ntapgesprek in de schuur waargenomen waarin is gesproken over Barcelonapillen.\n\nHet betreft vermoedelijk de voorraad MDMA-pillen met daarop een logo\n\nvan FC Barcelona die in de ondergrondse ruimten in\u002Fop het bosperceel werden\n\naangetroffen;\n\n- blijkens tapgesprekken werden diverse gesprekken over — kort gezegd —\n\ndrugshandel in de schuur werden voortgezet in de woning op hetzelfde perceel\n\nen werd de woning ook bezocht door leden van het CSV;\n\n- in de woning zijn daarnaast grote contante geldbedragen aangetroffen,\n\nwaaronder in totaal € 256.650,- aan o.a. Deense Kronen. Het geld lag verstopt\n\nin de ouderlijke slaapkamer, in een kast onder de vloer. Het geld was in\n\ncoupures van bankbiljetten verpakt in plastic pakketjes;\n\n- door de strafrechter is bovendien bewezen bevonden (zie eerder genoemd\n\nvonnis van 6 september 2021) dat het in de woning aangetroffen geldbedrag —\n\nkort gezegd — een gedeelte van de ‘kas’ van het CSV betrof, in verband met de\n\no.a. op het perceel plaatsvindende illegale activiteiten.”\n\n16. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de burgemeester bij het aannemen van ruimtelijke en functionele samenhang tussen het bosperceel, de schuur en de woning en de elementen die daarbij relevant zijn. De burgemeester heeft op goede gronden verwezen naar de rechtspraak van de Afdeling. Uit die rechtspraak volgt ook dat een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekende bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zulke twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n18. Omdat eisers de bevindingen in de beschikbare bestuurlijke rapportages niet betwisten oordeelt de rechtbank dat kan worden uitgegaan van de juistheid daarvan, waaronder hetgeen als volgt in de aanvullende bestuurlijke rapportage van 22 juni 2020 is vermeld:\n\n“Relatie bos (terrein) en [adres]\n\nUit het strafrechtelijk\u002Fforensisch onderzoek is gebleken dat er meerdere (4x) camera’s waren aangebracht aan, onder andere, de achterzijde van de schuur, behorende bij perceel [adres] . De camera’s waren gericht op het bos (terrein) direct grenzend aan de achterzijde van de schuur en gaven vanuit een aangesloten en werkend beeldscherm, geplaatst in de betreffende schuur perceel [adres] , beelden van de plekken al waar de aangetroffen ondergrondse ruimten en het vat werden aangetroffen in het bos (terrein).\n\nVerondersteld wordt dat de camera’s aan de achterzijde van de schuur, gericht op het bos (terrein) bedoeld waren voor het zicht op de ondergrondse ruimten en het ingegraven vat waarin de inbeslaggenomen goederen werden aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat er een directe relatie bestaat tussen deelnemers aan het CSV dat criminele activiteiten ontplooide vanuit de schuur aan de [adres] en de inbeslaggenomen goederen in het bosperceel (zie sporenonderzoek\u002FDNA hits).”\n\n19. De rechtbank concludeert dat de burgemeester terecht een ruimtelijke en functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het bosperceel heeft aangenomen en bevoegd was tot sluiting van zowel het bosperceel, de schuur als de woning.\n\nEvenredigheid\n\n20. Eisers stellen dat de sluiting onevenredig is, omdat de burgemeester het tijdsverloop en de verwijtbaarheid van de bewoners onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Volgens eisers heeft de burgemeester ten onrechte ook niet meegewogen dat de gemeente als verhuurder van de woning belang heeft bij de sluiting omdat direct een procedure tot ontruiming is gestart nadat van rechtswege de ontbindingsbevoegdheid was ingeroepen.\n\n21. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester het tijdsverloop voldoende heeft betrokken in de besluitvorming. In het primaire besluit is immers overwogen dat vanwege het tijdsverloop en omdat de omstandigheden als gevolg van het coronavirus het vinden van een vervangende woonruimte lange termijn bemoeilijken, de sluitingsduur wordt verkorten van de voorgenomen twaalf naar zes maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding dat de sluitingsduur vanwege het tijdsverloop nog verder moet worden verkort. De burgemeester heeft terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021,waaruit volgt dat pas na het verstrijken van één jaar sinds de datum dat de sluiting volgens het besluit zou moeten ingegaan, de burgemeester de noodzaak tot sluiting opnieuw moet beoordelen. In dit geval is die periode van één jaar echter nog niet verstreken.\n\n23. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester zich er voldoende zorgvuldig en inzichtelijk van heeft vergewist dat de duur van de sluiting evenwichtig is en daarbij heeft kunnen betrekken dat [naam] en [naam] , gelet op de niet bestreden feiten en omstandigheden, een zeer ernstig verwijt treft. Aan de omstandigheid dat voor hun kinderen [naam] en [naam] mogelijk een verminderde mate van verwijtbaarheid geldt, kan niet de door eisers gewenste betekenis worden toegekend. Uit rechtspraak van de Afdelingvolgt immers dat ouders in beginsel verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte voor de kinderen. De burgemeester heeft hulp aangeboden, indien eisers daarin niet zouden kunnen slagen.\n\n24. Aan het door eisers gestelde belang van de gemeente als verhuurder van de woning kan bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de sluiting evenmin relevante betekenis worden toegekend. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet zozeer een gevolg is van de woningsluiting, maar van het feit dat gelet op de beschikbare gegevens sprake is van zeer ernstige activiteiten.\n\n25. De rechtbank concludeert dat de burgemeester bevoegd was om te sluiten voor een periode van zes maanden. De voor eisers nadelige gevolgen van de sluiting zijn niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen en algemene belang. De burgemeester heeft met in achtneming van de rechtspraak van de Afdeling alle relevante omstandigheden en belangen betrokken bij de besluitvorming.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel heeft mogen bevelen voor een duur van zes maanden. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. V.A.C.M. Vonk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 23 januari 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraken van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1520, en van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2526.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:2912.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285 en 335.\n\n Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2022:1910, 1911, 1913 en 1916.\n\n De uitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401, de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2456 en de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193.\n\n Zie onder andere de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916, r.o. 5.3.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2756.\n\n Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:332","2023-01-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.954Z",20,[73,74,75,11,76],2026,2025,2024,2022]