[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-drug-offences-nl-2025":3},{"detail":4,"years":73},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":72},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},110,"drug-offences-nl","Drug Offences","NL","2026-07-08T16:56:56.630Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"893","ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","ecli-nl-rbgel-2025-12057","",60,"2025-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-320181-25 en 05-020359-26 (gev. ttz)\n\nDatum uitspraak : 26 mei 2025\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. H.E.M. Lucas, advocaat in Arnhem.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks 25 november 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijde amfetamine, althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof - het opzettelijk vervaardigen van amfetamine, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldig contact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het aanbieden van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fof goederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden gripzakje(s) en\u002Fof - een of meerdere weegschalen en\u002Fof - een keukenmixer (met kristalresten) en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\n1. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fof ongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van parketnummer 05-320181-25\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 26 november 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 87-88, 92-94;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 6 januari 2026 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 95-96, 102-105;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 142, 147, 153, 157, 160;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon verdachte, p. 80-85;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nAanvullende overwegingen\n\nDe rechtbank acht enkel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor zover deze zien op het verkopen en afleveren van harddrugs. Voor het overige zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank acht voorts niet bewezen dat het contante geldbedrag dat door de politie in de woning van verdachte werd aangetroffen werd gebruikt voor de voorbereidingshandelingen. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte veelvuldigcontact heeft gehad met afnemers die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van drugs. Evenmin is uit het dossier gebleken dat er sprake was van medeplegen. Ook van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-020359-26\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 11 september 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 137, 144-145;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 24 oktober 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 120-121, 123, 131-135;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 191, 194, 200, 203, 209, 221;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 115-116;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks25 november 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad -een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof-een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippeninof omstreeksde periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierdeof vijfdelid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijktelen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopenenafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof- het opzettelijk vervaardigenvan amfetamine, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA, zijnde MDMA,en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk gevaleen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s),wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door -het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldigcontact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fofde handel van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het aanbieden van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het voorhanden hebben vaneen (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fofgoederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelhedengripzakje(s) en\u002Fof-een ofmeerdere weegschalen en\u002Fof- een keukenmixer (met kristalresten).en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26\n\n1. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fofongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA,(telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie\n\nmet een voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte is bereid zich aan deze voorwaarden te houden. Daarnaast staat verdachte positief tegenover een alternatieve straf in de vorm van een taakstraf.\n\nVerder heeft de raadsvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen tot aan de datum van de einduitspraak, zodat hij in de gelegenheid is om tijdig zijn woning leeg te halen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft grote hoeveelheden harddrugs en een bus pepperspray in zijn woning aanwezig gehad. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder drugsfeiten.\n\nOok heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de reclassering van 11 mei 2026 en de aanvulling daarop van 19 mei 2026. Daaruit volgt dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden. Meerdere levensgebieden worden gezien als risicoverhogend, onder andere het psychosociaal functioneren en middelengebruik. Er is sprake van een langdurige verslaving aan amfetamine en een gokverslaving. De woning van verdachte is op last van de gemeente gesloten. Dit maakt dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering acht zorgvuldige begeleiding en ondersteuning noodzakelijk om de re-integratie van betrokkene goed te laten verlopen. Daarnaast dienen praktische zaken te worden geregeld, zoals het uitzoeken van de situatie rondom de woning. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:\n\nmeldplicht bij de reclassering;\n\nambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;\n\nverblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\nverbod op het gebruik van verdovende middelen;\n\nverbod op deelname aan kansspelen;\n\nambulante woonbegeleiding;\n\ndiagnostiek.\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nDe rechtbank vindt het van doorslaggevend belang dat de overgang naar het reguliere leven voor verdachte zo goed mogelijk verloopt. Daarvoor is van belang dat verdachte bij invrijheidsstelling in een stabiele situatie terechtkomt. Ter terechtzitting is gebleken dat de structuur en het ritme in detentie verdachte goed hebben gedaan. Hij is afgekickt van de middelen en hij heeft aan zijn gezondheid gewerkt. Ter terechtzitting is echter ook gebleken dat verdachte niet direct geplaatst kan worden in een instelling voor begeleid wonen vanwege wachtlijsten. Omdat hij niet meer terug kan naar zijn woning, heeft dit tot gevolg dat verdachte bij invrijheidsstelling in een dag- en nachtopvang zou moeten verblijven. Dit is geen wenselijke situatie, gelet op het hoge risico op recidive. De rechtbank zal daarom niet volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nAlles overwegend acht de rechtbank een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, zullen deze voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.\n\nDe tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.\n\nTot slot zal de rechtbank het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Nu er op de zitting van 26 mei 2026 direct mondeling uitspraak is gedaan, is een schorsing tot aan de uitspraakdatum niet meer aan de orde. Verdachte kan om kortdurende strafonderbreking vragen bij de PI waar hij verblijft.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De beoordeling van het beslag\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 05-320181-25 is onder verdachte beslag gelegd op:\n\neen contant geldbedrag van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248);\n\neen telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228).\n\nDe officier van justitie heeft verzocht om beide goederen verbeurd te verklaren.\n\nDe raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de teruggave aan verdachte te gelasten van beide goederen. Ten aanzien van het geldbedrag is daartoe aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten op zichzelf niet winstgevend zijn en dat niet is gebleken dat deze feiten zijn begaan of voorbereid met betrekking tot of met behulp van het geldbedrag. Evenmin is gebleken dat het inbeslaggenomen geldbedrag een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van drugshandel of bij drugsbezit. Er is dus geen grond aanwezig als bedoeld in artikel 33a Wetboek van Strafrecht (Sr) waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard. Ten aanzien van de telefoon is bepleit dat verbeurdverklaring niet proportioneel is, omdat daar slechts een klein aantal berichten op is aangetroffen dat belastend kan zijn.\n\nDe rechtbank zal de teruggave van het geldbedrag aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Er is geen grond aanwezig zoals bedoeld in artikel 33a Sr waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard.\n\nDe rechtbank zal beslissen dat het telefoontoestel verbeurd wordt verklaard, omdat het tenlastegelegde onder feit 2 met behulp van dit telefoontoestel is begaan.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;\n\n- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n- Meldplicht bij reclassering\n\nVerdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Tactus Reclassering. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname\n\nVerdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en\u002Fof verslavingsproblematiek, Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nIndien er sprake is van een terugval in middelengebruik\u002Fbij overmatig middelengebruik en\u002Fof een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;\n\n- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVerdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- Verbod verdovende middelen\n\nVerdachte gebruikt gedurende de proeftijd geen verdovende middelen als genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof een speekseltest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- Verbod kansspelen\n\nVerdachte neemt gedurende de proeftijd niet deel aan kansspelen;\n\n- Ambulante woonbegeleiding\n\nVerdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan ambulante woonbegeleiding, zolang de reclassering deze begeleiding nodig vindt;\n\n- Diagnostiek\n\nVerdachte verleent gedurende de proeftijd zijn medewerking aan diagnostiek, zolang de reclassering dit nodig vindt. Verdachte dient zich daarbij te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de diagnostiek door of namens degene die het onderzoek verricht zullen worden gegeven;\n\n stelt als overige voorwaardendat verdachte:\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;\n\n geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n wijst af het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis;\n\nBeslissing op het beslag\n\n verklaart verbeurd het telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228);\n\n gelast de teruggave aan verdachte van het contante geldbedrag ter waarde van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.\n\nmr. Goossens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025571803, gesloten op 10 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025436710, gesloten op 9 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.284Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1838","ECLI:NL:RBROT:2025:15805","ecli-nl-rbrot-2025-15805",61,"2025-03-28T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nParketnummer: 10-155418-24\n\nDatum uitspraak: 28 maart 2025\n\nTegenspraak\n\nVerkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres\n\n [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\nten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in\n\nde Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] ,\n\nraadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nGelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2025.2. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op\n\nde terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.\n\nDe tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.3. Procesafspraken\n\nHet Openbaar Ministerie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, hebben op 3 maart 2025 een overeenkomst gesloten waarbij procesafspraken zijn gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming daarvan. De procesafspraken zijn voorafgaand aan de zitting naar de rechtbank gestuurd.\n\nOp zitting hebben de verdachte en de officier van justitie bevestigd dat het - voor zover relevant - gaat om de volgende afspraken:\n\nhet Openbaar Ministerie zal bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vorderen;\n\nhet Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting een gevangenisstraf van 38 maanden vorderen met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 100.000,=;\n\nde verdachte\u002Fde verdediging ziet af van het indienen van onderzoekswensen, zal geen bewijsverweren voeren en doet afstand van alle inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen;\n\ndoor de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte\u002Fde verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken en de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken.\n\nTijdens de zitting heeft de rechtbank de gemaakte afspraken met de verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. B.J.G. Leeuw, besproken. De verdachte heeft vervolgens verklaard dat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken en dat hij goed begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak kunnen hebben.\n\nOordeel rechtbank\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Ook is sprake van een eerlijk proces en wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het EVRM stelt. De beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering in deze strafzaak is leidend. Die beantwoording volgt hierna.4. Bewijs\n\nStandpunt officier van justitie\n\nDe officier van justitie mr. B.J.G. Leeuw heeft gevorderd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging refereert zich voor de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank, voor zover dit aansluit bij de inhoud van de gemaakte procesafspraken.\n\nBewezenverklaring\n\nDe overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage, met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:\n\n1.\n\nhij in of omstreeksde periode van 29 januari 2021 tot en met 8 maart 2021te Rotterdam, althansin Nederland, tezamen en in vereniging met(een)ander(en),althans alleen (van)\n\neen voorwerp, althans een of meervoorwerpen, te weten:\n\n- een contant geldbedrag van € 499.900,- op 3 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.065.000,- op 5 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.000.000,- op 13 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 267.000,- op 24 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 721.350,- op 25 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 384.900,- op 1 maart 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 855.000,- op 6 maart 2021;sub a\n\n- de werkelijke aard, de herkomst de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)sub b\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt,terwijl hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)wist(en)datdat\u002Fdie voorwerp(en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstigwas\u002Fwaren uit enig misdrijf en hij, verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)van het plegen van witwassen een gewoonteheeft\u002Fhebben gemaakt.\n\n2.\n\nhij op of omstreeks4 december 2024 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\nongeveer 49,3kilogram cocaïne,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,zijndecocaïneeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.,\n\ndan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.5. Strafbaarheid feiten\n\nDe bewezen feiten leveren op:\n\n1.\n\nmedeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken;\n\n2.\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van\n\nde feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.6. Strafbaarheid verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.7. Strafmotivering\n\nEis officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft een gevangenisstraf geëist voor de duur van 38 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 100.000,=, subsidiair 365 dagen hechtenis.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe verdediging verzoekt primair de rechtbank om de procesafspraken op het punt van de gevorderde gevangenisstraf te volgen en om de gevorderde geldboete met 25% te matigen.\n\nSubsidiair verzoekt de verdediging de procesafspraken - en daarmee de eis van de officier van justitie - te volgen.\n\nOordeel rechtbank\n\nDe straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten,\n\nde omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten en straffen in soortgelijke zaken\n\nDe verdachte heeft in zijn woning en de daarbij behorende berging ruim 49,3 kilogram cocaïne voorhanden gehad. Daarnaast heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van grote contante geldbedragen. Cocaïne vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Verdovende middelen zijn verslavend en kunnen de gezondheid schaden. Bovendien hangt het gebruik van en de handel in en verspreiding van verdovende middelen samen met allerlei bijkomende vormen van schadelijke en overlastgevende (zware) criminaliteit.\n\nHet witwassen van crimineel geld faciliteert de onderliggende criminaliteit en tast het vertrouwen aan dat men moet kunnen hebben in het financieel-economische verkeer. Daarmee wordt ook het legale handelsverkeer ondermijnd en gecorrumpeerd. Bij de bepaling van de soort en duur van de straffen heeft de rechtbank ook rekening gehouden\n\nmet straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 20 februari 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit betekent dat het strafblad niet strafverzwarend meeweegt. In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte geen sturende rol had binnen de organisatie en op de zitting openheid van zaken heeft gegeven.\n\nConclusies\n\nAlles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. Het primaire verzoek van de raadsman zal daarom worden afgewezen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.8. In beslag genomen voorwerpen\n\nTer zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand heeft gedaan van alle onder hem in beslag genomen goederen.\n\nDit brengt met zich dat er binnen deze procedure geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nGelet is op de artikelen 23, 24c, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.10. Bijlage\n\nDe in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.11. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 (achtendertig) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100.000,= (honderdduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 365 (driehonderd-vijfenzestig dagen) hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,\n\nen mr. H. Wielhouwer en mr. J.C. Oord, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting op 28 maart 2025.\n\nDe oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I\n\nTekst gewijzigde tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt ten laste gelegd dat\n\n1.\n\nhij in of omstreeks de periode van 29 januari 2021 tot en met 8 maart 2021 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (van)\n\neen voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten:\n\n- een contant geldbedrag van € 499.900,- op 3 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.065.000,- op 5 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.000.000,- op 13 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 267.000,- op 24 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 721.350,- op 25 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 384.900,- op 1 maart 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 855.000,- op 6 maart 2021;\n\nsub a\n\n- de werkelijke aard, de herkomst de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\nsub b\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) -\n\nonmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf en hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt.\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 december 2024 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\nongeveer 49,3kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,\n\ndan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15805","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.277Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"771","ECLI:NL:RBAMS:2025:753","ecli-nl-rbams-2025-753",56,"2025-02-06T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F324122-24, met daaraan gekoppeld parketnummer 23\u002F003943-18 (TUL)\n\nDatum uitspraak: 6 februari 2025\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nwonende op het adres [GBA-adres] ,\n\nthans gedetineerd te: [detentieplaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2025.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Vermeulen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, naar voren hebben gebracht.\n\nOok heeft de rechtbank ter terechtzitting telefonisch contact opgenomen met mw. [naam 1] , reclasseringsmedewerker bij Reclassering Nederland, en kennisgenomen van hetgeen zij naar voren heeft gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nFeit 1:\n\nhet medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens en een hoeveelheid munitie van categorie III op 1 oktober 2024 in Amsterdam.\n\nFeit 2:\n\nhet medeplegen van handel in, althans het aanwezig hebben, van ongeveer 5.040,7 gram MDMA op 1 oktober 2024 in Amsterdam.\n\nFeit 3:\n\nhet medeplegen van handel in, althans het in voorraad hebben, van ongeveer 17.188,5 gram ketamine op 1 oktober 2024 in Amsterdam.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\n4.1.. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. Met betrekking tot het eerste feit, het medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie, heeft de officier van justitie gewezen op de bekennende verklaring van verdachte, het aantreffen van de wapens en munitie in de woning van verdachte, de wapenrapporten en het vergelijkend DNA-onderzoek. Met betrekking tot het tweede en derde feit, het medeplegen van het aanwezig hebben van MDMA en het medeplegen van het in voorraad hebben van ketamine, heeft de officier van justitie gewezen op het aantreffen van de (verdovende) middelen in de woning van verdachte, het proces-verbaal forensisch onderzoek –waarbij de goederen indicatief zijn getest- en de laboratoriumrapporten.\n\n4.2.. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft zich met betrekking tot de feiten grotendeels gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft wel opgemerkt dat het op basis van het dossier onduidelijk is om welke hoeveelheden MDMA en ketamine het precies gaat. De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat hoogstens sprake is van voorwaardelijk opzet, omdat verdachte niet wist dat er verdovende middelen bij hem thuis waren opgeslagen, maar in de veronderstelling was dat dit sportsupplementen betrof.\n\n4.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nFeiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank gaat bij haar beoordeling van de feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nOp 1 oktober 2024 heeft de zus van verdachte, [naam 2] (hierna: [naam 2] ), aangifte gedaan tegen hun broer, [naam 3] (hierna: [naam 3] ), wegens bedreiging met de dood. Zij verklaarde dat [naam 3] heeft gezegd dat hij haar zou neerschieten en dat zij deze bedreiging serieus nam, omdat zij wist dat [naam 3] over een vuurwapen beschikte, dat hij zou bewaren in de woning van verdachte. Daarnaast heeft zij verklaard dat [naam 3] in de woning van verdachte ook verdovende middelen bewaart.\n\nNaar aanleiding van deze aangifte heeft de politie op 1 oktober 2024 de woning van verdachte doorzocht. Daarbij zijn in de slaapkamer van verdachte twee vuurwapens en patronen aangetroffen en in beslag genomen en zijn in de berging bij de keuken 28 pakketten met vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen en in beslag genomen. De politie heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de aangetroffen wapens, patronen en pakketten. Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek – waarbij de goederen indicatief zijn getest – en de laboratoriumonderzoeken is gebleken dat de pakketten MDMA en ketamine bevatten.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij toestemming aan een familielid heeft gegeven om de twee vuurwapens met patronen en spullen in de woning van verdachte te bewaren, maar verdachte stelt dat hij niet wist dat die spullen verdovende middelen betroffen.\n\nDe beoordeling\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van twee wapens en munitie van categorie III, op basis van de bekennende verklaring van verdachte, het wapenrapport en het aanvullend wapenrapport. De rechtbank stelt op basis van het aanvullend wapenrapport vast dat verdachte de hoeveelheden patronen voorhanden heeft gehad zoals ten laste is gelegd. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie kan worden bewezen, op basis van de verklaring van verdachte, de verklaring van [naam 2] en op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek, waaruit blijkt dat er sporen van anderen op een van de wapens zijn aangetroffen. Door toestemming te geven om wapens en munitie van een ander bij verdachte thuis op te slaan volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van de wapens en de munitie.\n\nDe rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTen aanzien van feit 2 en feit 3:\n\nWetenschap en beschikkingsmacht\n\nUit onderzoek is gebleken dat de goederen die zijn aangetroffen in de berging bij de keuken MDMA en ketamine betreffen. Om tot een veroordeling te komen van het aanwezig hebben dan wel het in voorraad hebben van deze goederen is vereist dat verdachte ‘wetenschap had van’ en ‘beschikkingsmacht had’ over deze goederen. Wat die bewustheid betreft moet verdachte daar op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet op hebben gehad, wat betekent dat hij tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze goederen zich in zijn woning bevonden.\n\nVolgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een bewoner van een woning in beginsel geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en afspeelt. Deze aanname kan echter worden weerlegd als de verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. Verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen spullen (pakketten) door een familielid in zijn woning zijn achtergelaten en dat hij in de veronderstelling was dat dit sportsupplementen betrof. Verdachte heeft echter ook bekend dat hij toestemming heeft gegeven aan hetzelfde familielid om vuurwapens te bewaren in zijn woning. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij toestemming heeft gegeven om de spullen in zijn woning op te slaan, omdat hij dacht dat dit familielid in de problemen zat en omdat dit familielid heeft gezegd dat hij de spullen niet bij zijn ouders op kon slaan. Ook heeft de zus van verdachte, [naam 2] , bij de politie verklaard dat er in de woning van verdachte verdovende middelen werden bewaard.\n\nUit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte aan een ander toestemming heeft gegeven om (verboden) goederen in zijn woning te bewaren en dat hij – als hij al niet precies wist om welke goederen het ging – in elk geval wist dat het om serieuze en waarschijnlijk illegale goederen ging, aangezien ditzelfde familielid ook twee vuurwapens bij hem bracht om te bewaren. Aan het eerste vereiste, (voorwaardelijk) opzet op de aanwezigheid, is hiermee voldaan.\n\nAan het tweede vereiste, dat verdachte de beschikkingsmacht had over de goederen, is volgens de rechtbank ook voldaan. De goederen bevonden zich immers in zijn woning in de berging bij de keuken, en dus in zijn machtssfeer.\n\nHoeveelheden\n\nDe rechtbank gaat bij haar beoordeling van de hoeveelheden ketamine en MDMA op grond van de in bijlage II genoemde wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.\n\nDe goederen die zijn aangetroffen in de woning van verdachte, waarvan werd vermoed dat dit verdovende middelen betroffen, zijn onderzocht en de resultaten van deze onderzoeken zijn weergegeven in het proces-verbaal forensisch onderzoek van 3 december 2024, waarbij de verdovende middelen indicatief zijn getest, en de laboratoriumrapporten van 21 oktober 2024, 12 december 2024 en 6 januari 2025. In de hieronder weergegeven tabel (Tabel 1) is een overzicht gegeven van de resultaten van dit proces-verbaal en deze laboratoriumrapporten.\n\nTen aanzien van het testresultaat van goed met goednummer 6561241 was sprake van onduidelijkheid, omdat in het laboratoriumrapport van 21 oktober 2024 staat vermeld dat dit goed ketamine betreft terwijl in het laboratoriumrapport van 6 januari 2025 staat vermeld dat dit goed MDMA betreft. Er is vervolgens onderzoek gedaan naar de oorzaak van deze verschillende resultaten en de bevindingen van dit onderzoek zijn weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 22 januari 2025. In dit proces-verbaal staat vermeld dat bij dit goednummer sprake is van twee verschillende beschrijvingen van de verdovende middelen en twee verschillende sealbagnummers. De inhoud van de zak verdovende middelen met goednummer 6561241 en sealbagnummer 00940831 bestond uit crèmekleurige kristallen en het goed met goednummer 6561241 en sealbagnummer 00321694 heeft de opsporingsambtenaar niet in het beslaghuis kunnen vinden. In het laboratoriumrapport van 6 januari 2025 is het goed met goednummer 6561241 omschreven als ‘1 plastic zakje met crèmekleurige kristallen’ en is het SIN-nummer AARV3710NL genoemd. In het laboratoriumrapport van 21 oktober 2024 is het goed omschreven als ‘1 plastic zak met 1,00 kg witte kristallen en poeder’ en is geen SIN-nummer genoemd. Aangezien de omschrijving van het goed overeenkomt met het laboratoriumrapport van 6 januari 2025 en in dit rapport het SIN-nummer is genoemd, gaat de rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van het laboratoriumrapport van 6 januari 2025 en stelt de rechtbank vast dat het goed met goednummer 6561241 MDMA betreft.\n\nTabel 1: overzicht verdovende middelen\n\nGoednummer\n\nSIN\n\nWerkzame stof\n\nGram\n\nHerkomst informatie\n\n6562034\n\nAARV3724NL\n\nKetamine\n\n4048\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561351\n\nAARV3723NL\n\nKetamine\n\n999\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561335\n\nAARV3722NL\n\nKetamine\n\n1013,2\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561362\n\nAARV3721NL\n\nKetamine\n\n1011,5\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561330\n\nAARV3720NL\n\nKetamine\n\n986,9\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561367\n\nAARV3719NL\n\nKetamine\n\n1001,4\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561340\n\nAARV3718NL\n\nKetamine\n\n1000,1\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561366\n\nAARV3717NL\n\nKetamine\n\n1000,4\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561354\n\nAARV3716NL\n\nKetamine\n\n1007\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561370\n\nAARV3715NL\n\nKetamine\n\n1003,3\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561358\n\nAARV3714NL\n\nKetamine\n\n1020,7\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561314\n\nAARV3713NL\n\nMDMA\n\n1020,7\n\nRapport d.d. 6-1-2025\n\n6561360\n\nAARV3712NL\n\nMDMA\n\n1013,2\n\nRapport d.d. 6-1-2025\n\n6561346\n\nAARV3711NL\n\nMDMA\n\n1007,8\n\nRapport d.d. 6-1-2025\n\n6561241\n\nAARV3710NL\n\nMDMA\n\n1021,1\n\nRapport d.d. 6-1-2025\n\n6562032\n\nAARV3709NL\n\nKetamine\n\n1030,6\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6562032\n\nAARV3708NL\n\nKetamine\n\n1015,3\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561251\n\nOnbekend\n\nMDMA\n\n999\n\nRapport d.d. 21-10-2024\n\n6561374\n\nAARV2503NL\n\nKetamine\n\n988\n\nRapport d.d. 12-12-2024\n\nDe rechtbank stelt dan ook op basis van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte 5061,8 gram MDMA voorhanden heeft gehad en 17.125,4 gram ketamine zonder registratie in voorraad heeft gehad.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank komt ook tot het oordeel dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen, op basis van de verklaring van verdachte en de verklaring van [naam 2] . Zowel [naam 2] als verdachte zelf hebben verklaard dat de verdovende middelen van een familielid van verdachte zijn. Door toestemming te geven om spullen bij verdachte thuis op te slaan, heeft verdachte een bijdrage van voldoende gewicht geleverd om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en een of meer anderen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte in zijn woning samen met anderen, opzettelijk MDMA aanwezig heeft gehad en opzettelijk ketamine in voorraad heeft gehad, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 1 oktober 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten\n\n- een pistool, van het merk GLOCK, model 22, kaliber .40 Smith & Wesson (S&W), en\n\n- een pistool, van het merk TAURUS, model PT809E, kaliber 9x19mm synoniem 9mm Luger of 9mm Para, zijnde een of meerdere vuurwapens in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III, te weten\n\n- 32 patronen van het merk Sellier en Bellot (S&B), kaliber .40 Smith & Wesson (S&W), en\u002Fof\n\n- 6 patronen van het merk Giulio Fiocchi Lecco (G.F.L.), kaliber 9x19mm, en\n\n- 3 patronen van het merk SINTOX (Dynamit Nobel), kaliber 9x19mm, en\n\n- een patroon van het merk NNY (Prvi Partizan), kaliber 9x19mm, en\n\n- een patroon van het merk PMC (Eldorado Cartridge Corporation), kaliber 9x19mm,\n\nvoorhanden heeft gehad.\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 1 oktober 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5.040,7 gram van een materiaal bevattende MDMA.\n\nten aanzien van feit 3:\n\nop 1 oktober 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, zonder registratie, een hoeveelheid werkzame stoffen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub x.1 Geneesmiddelenwet, te weten 17.125,4 gram ketamine, in voorraad heeft gehad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.\n\n6. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n8.1.. Eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals ter terechtzitting geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de door het Gerechtshof Amsterdam op 20 november 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf zes maanden ten uitvoer zal worden gelegd.\n\n8.2.. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft verzocht om rekening te houden met het beperkte strafblad en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op de door hem overgelegde stukken. Verdachte is gebaat bij oplegging van bijzondere voorwaarden, toont zich hier ontvankelijk voor en is niet eerder behandeld. De raadsman heeft daarom verzocht om een gevangenisstraf op te leggen met een onvoorwaardelijk deel dat niet langer is dan de duur van het voorarrest, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf en\u002Fof een taakstraf, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals ter terechtzitting geadviseerd door de reclassering.\n\n8.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens inclusief munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt bovendien in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid, omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten.\n\nVerdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ongeveer 5.040,7 gram MDMA en het in voorraad hebben van 17.125,4 gram ketamine. De werkzame stof ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassingen onder de Geneesmiddelenwet. Ketamine wordt echter steeds vaker buiten het medische circuit voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: een partydrug. Dit betekent een lucratieve afzetmarkt voor criminelen. Gezien de aangetroffen hoeveelheid kan het niet anders dan dat deze stof bestemd was om als recreatieve drug verder te worden verhandeld. Ketamine is verslavend en bij langdurig en frequent gebruik schadelijk voor de gezondheid, waardoor de werking van ketamine vergelijkbaar is met harddrugs. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs samen gaat met ernstige vormen van criminaliteit, met vaak veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door deze grote hoeveelheden MDMA en ketamine bij hem thuis te (laten) bewaren.\n\nPersoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 20 december 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.\n\nOok heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 17 januari 2025. Hieruit komt – kort gezegd – naar voren dat de reclassering geen meerwaarde ziet in verdere bemoeienis door de reclassering, gelet op de ontkennende houding van verdachte, het ontbreken van duidelijke criminogene factoren en het ontbreken van een hulpvraag door verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte echter de feiten grotendeels bekend, verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en de hulpvraag geformuleerd dat hij zich weerbaarder op wil kunnen stellen tegenover de druk van zijn familie. De rechtbank heeft daarom op verzoek van de raadsman en in overleg met de officier van justitie ter terechtzitting telefonisch contact opgenomen met de reclasseringswerker die het reclasseringsadvies heeft opgesteld, mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ), met de vraag of zij, gelet op de gewijzigde houding van verdachte, een aanvullend advies wilde geven. [naam 1] heeft hierop aangegeven dat zij, gelet op deze omstandigheden, afwijkt van hetgeen zij heeft geadviseerd in het reclasseringsrapport van 17 januari 2025. Zij acht toezicht door de reclassering passend, gelet op de veranderde houding van verdachte. [naam 1] heeft dan ook geadviseerd om een deels voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en middelencontrole.\n\nStraf\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het voorhanden van een vuurwapen in een woning, gaan de oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Voor het aanwezig hebben van vijf tot zes kilo MDMA gaan de oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in beginsel met geen andere straf kan worden volstaan dan met een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nDe rechtbank gaat niet mee met de stelling van de raadsman dat sprake zou zijn van verminderde toerekeningsvatbaarheid, omdat op basis van het dossier en de door de raadsman overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat bij verdachte tijdens het begaan van deze feiten een psychische stoornis bestond die zijn gedragskeuzes en gedragingen zodanig beïnvloedde dat hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar zou moeten worden geacht.\n\nDe rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, wel aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, in die zin dat zij de geëiste straf enigszins zal matigen. De rechtbank weegt daarbij in strafverminderende zin mee dat uit de verklaring van verdachte en de verklaring van de zus van verdachte, [naam 2] , blijkt dat de wapens en de verdovende middelen niet van verdachte maar van iemand anders waren. Ook betrekt de rechtbank in haar oordeel dat verdachte ter terechtzitting verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Verdachte heeft immers verklaard dat hij inziet dat hij problematische keuzes maakt en dat hij gemotiveerd is om te veranderen en te werken aan zijn alcoholverslaving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte duidelijk de hulp nodig van de reclassering en dit onderkent verdachte ook. Nu zowel verdachte als de reclassering hebben laten weten dat de wil om te leren betere keuzes te maken er is, wil de rechtbank hem deze kans op hulp ook bieden door een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij bijzondere voorwaarden. De rechtbank acht het tevens van belang om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, zodat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en middelencontrole.\n\n9. Beslag\n\nOnder verdachte zijn verschillende goederen in beslag genomen, zoals vermeld op de beslaglijst die aan dit vonnis als bijlage III is gehecht en als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.\n\nDe inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 10, te weten: twee pistolen, patronen en patroonhouders, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen verklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.\n\n10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling\n\nBij de stukken bevindt zich de op 22 december 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 23\u002F003943-18, betreffende het onherroepelijk geworden arrest d.d. 20 november 2023 van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot zes maanden, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nTevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden\n\nGebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te bevelen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen\n\n14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n26 en 55 van de Wet wapens en munitie;\n\n2 en 10 van de Opiumwet;\n\n1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;\n\n38 van de Geneesmiddelenwet.\n\n12. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nten aanzien van feit 1:\n\neendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie\n\nen\n\nmedeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nten aanzien van feit 2:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nten aanzien van feit 3:\n\nmedeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte] ,daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nBepaalt dat een gedeelte, groot zes maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.\n\nStelt daarbij een proeftijd van twee jarenvast.\n\nDe tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.\n\nDe tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.\n\nStelt als bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht bij reclassering (na afspraak)\n\nVeroordeelde meldt zich op afspraken met reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.\n\nAmbulante behandeling\n\nVeroordeelde laat zich behandelen door forensische polikliniek Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.\n\nDagbesteding\n\nVeroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\nMeewerken aan middelencontrole\n\nVeroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.\n\nGeeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nVoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 genoemde voorwerpen.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M.A.E. Somsen, voorzitter,\n\nmrs. H.H.J. Zevenhuijzen en M.L. Kruit, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2025.\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:753","2026-07-13T00:28:47.321Z",20,[74,11,75,76,77],2026,2024,2023,2022]