[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-employer-liability-nl-2026":3},{"detail":4,"years":93},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":23,"page":14,"limit":92},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},157,"employer-liability-nl","Employer Liability","NL","2026-07-08T17:00:45.371Z",2026,[13,15,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":19},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,53,62,72,82],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"726","ECLI:NL:RBDHA:2026:17038","ecli-nl-rbdha-2026-17038","",58,"2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKDEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nbr\u002Fcd\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12066828 \\ RP VERZ 26-50085\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster],\n\ngemachtigde: mr. S. Boer (Solvit Letselschade Advocaten),\n\ntegen\n\n1. WESTLANDSE STICHTING VOOR KATHOLIEK ONDERWIJS (WSKO),\n\nte Poeldijk, 2. SOCIETAS EUROPAEA (BELGIË) MET VESTIGING IN NEDERLAND MSIG EUROPE,\n\nte Amstelveen,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: WSKO en MSIG,\n\ngemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen (Kruitwagen & Partners).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met bijlages 1 tot en met 24, binnengekomen op de griffie op 16 januari 2026,\n\nhet verweerschrift met bijlages 1 tot en met 16.\n\n1.2.. Op 30 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat toen is besproken. In overleg met partijen heeft de kantonrechter de procedure daarna aangehouden voor schikkingsonderhandelingen.\n\n1.3.. Nadat partijen de kantonrechter op 11 mei 2026 hebben geïnformeerd dat zij niet tot een schikking zijn gekomen, is de uitspraak van deze beschikking bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. WSKO heeft zeventien basisscholen verdeeld in de gemeentes [gemeente 1] en [gemeente 2]. [verzoekster] is vanaf 30 [maand] 2004 tot 1 september 2020 als docent Lichamelijke Opvoeding in dienst geweest van WSKO.\n\n2.2.. \n [verzoekster] is op 4 februari 2019 betrokken geraakt bij een arbeidsongeval (hierna: het ongeval). Toen zij ter voorbereiding van een gymles op een school van WSKO diverse materialen aan het klaarzetten was is een metalen ladder met een geschat gewicht van circa 28 kilogram omgevallen en op de linkerzijde van het achterhoofd, de nek en de schouder van [verzoekster] beland. Daarbij heeft [verzoekster] het bewustzijn niet verloren.\n\n2.3.. \n [verzoekster] heeft WSKO aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van het ongeval. MSIG heeft namens haar verzekerde WSKO aansprakelijkheid erkend voor schade ontstaan door het ongeval. Beide partijen hebben vervolgens medische adviezen aangevraagd, die in deze procedure zijn overgelegd.\n\n2.4.. Partijen en hun medisch adviseurs hebben van begin af aan een andere mening over het realiteitsgehalte van de klachten van [verzoekster] en het causaal verband tussen haar klachten en het ongeval. [verzoekster] heeft daarom een verzoek tot het benoemen van een deskundige bij de kantonrechter aanhangig gemaakt. De door de kantonrechter benoemde deskundige, [neuroloog 2], heeft in zijn concept neurologische expertise van 17 juni 2024 voor zover hier relevant het volgende geschreven en op de vragen van de kantonrechter geantwoord:\n\n“(…)\n\nVroegere ziekten, operaties of ongevallen\n\nIn 2009 moest zij acuut stoppen met topsport handbal. Dat gaf spanningsklachten. In deze periode heeft ze ook een kijkoperatie gehad van de linkerknie waarbij een deel van de meniscus is verwijderd en waarbij er een gedeeltelijke kruisbandletsel werd vastgesteld. Plotseling stoppen gaf problemen. Daarvoor kwam ze onder behandeling van de psychosomatisch therapeut [therapeut]. Dat heeft effect gehad. Rond de zwangerschap (ze beviel in [maand] 2015) heeft ze ook spanningsklachten gehad. De hoofdpijn kan ze zich niet herinneren. Deze klachten waren volstrekt anders dan de klachten die ze na het ongeval had. Ze had toen aan beide kanten klachten, terwijl dit nu enkelzijdig is. Ook rond de zwangerschap waaruit haar zoontje is geboren (2018) waren er spanningsklachten, waarbij ze ook niet goed kon doorslapen. Het waren drukke tijden. Ze heeft toen ontspanningsoefeningen gehad. Een en ander had een goed effect. (…)\n\nSamenvatting en bespreking\n\nIn de voorgeschiedenis is sprake van angstklachten met ook verminderde energie en problemen met slapen waarvoor al behandeling in 2009 en 2011 door psychosomatisch fysiotherapeut heeft plaatsgevonden. Deze meldt in 2015 dat ze al langer tension headache klachten heeft, alsmede spanningsklachten van de nek en schouder\u002Farm regio. In verband met een bevalling is de behandeling in 2015 een periode onderbroken en vervolgens weer gestart in december 2015, waarbij in 2016 wordt gemeld dat onrust, tension headache klachten en nek- en schouder klachten zijn afgenomen c.q. zijn verdwenen. Ze slaapt goed en heeft een normale energie. In mei 2018 meldt [therapeut] opnieuw spanningsklachten en onrust in het hele lichaam. Er volgt dan een behandeling tot juli 2018, waarbij de energie voldoende is. Ze slaapt beter. (…)\n\nDe anamnese voor wat betreft ongeval en ongeval mechanisme komt overeen met de dossierbevindingen. Dat geldt in grote lijnen ook voor het beloop van de klachten en de ingestelde behandelingen. In het dossier meldt de neuroloog dat de duizeligheid op een bepaald moment weg was. Ze geeft aan dat het soms ook op een dag wel even weg kan zijn, maar feitelijk eigenlijk bijna continu aanwezig is. Uit de anamnese werd duidelijk dat ze op 07-09-2019 een telefonisch contact heeft gehad met de huisarts en zo ook op 04-02-2019. Er is op deze dagen geen onderzoek verricht. Ten aanzien van de klachten uit het verleden geeft ze aan dat deze anders waren dan de klachten na het ongeval, waarbij er met name een verschil zit in het feit dat deze toen beiderzijds aanwezig waren en nu slechts aan één kant en ook anders en waarbij ook de duizeligheidklachten nu aanwezig zijn. De vermoeidheid was eerder fysiek en nu lichamelijk en mentaal. In de periode direct voorafgaand aan het ongeval had zij geen klachten en ook geen beperkingen, met uitzondering van het feit dat zij niet moest gaan hardlopen vanwege de linkerknie. Wat betreft de duizeligheidklachten is er met name een zeeziek gevoel en niet zozeer draaiduizeligheid. Het kan ook een valgevoel zijn; dat kan naar alle kanten zijn. Er persisteren klachten van visuele overprikkeling, tinnitus rechts meer dan links, vermoeidheidklachten zowel in haar hoofd als in haar lijf waarbij ze ook niet fit opstaat maar wel voldoende slaapt. Daarnaast is er sprake van pijnklachten links in de nek en bij het schouderblad links als ook in het craniocervicale overgangsgebied links, waarbij de pijn ook kan doortrekken naar het voorhoofd aan de linkerkant. De pijn heeft een zeurend karakter en neemt af bij bewegen. De NRS-score varieert tussen 3 en 8. Bij belasten nemen de klachten toe. De duizeligheid vertoont pieken, is eigenlijk dagelijks aanwezig, maar niet continu. Het is veelal een soort golfidee. Ze heeft overdag rust nodig om te ontprikkelen, waarbij ze gebruik maakt van mindfulness en wandelen. Bij oriënterend neuropsychologisch onderzoek kan zij de anamnese goed en voldoende gedetailleerd vertellen. De aandacht is goed te trekken en te houden. Bij de MOCA scoort zij 27\u002F30. Bij de algemene feiten is er slechts 1 afwijkend antwoord. Neurologisch onderzoek in engere zin laat geen afwijkingen zien aan hersenzenuwen, motoriek, sensibiliteit, coördinatie en reflexen. Met name is er geen sprake van afwijkende oogbewegingen, ook niet bij provocatie. Er is sprake van tendomyogene afwijkingen in de nekregio mn links. De onderzoeksbevindingen komen in essentie overeen met de eerder in het dossier beschreven onderzoeksbevindingen van [neuroloog 1]. Beeldvormend onderzoek liet geen afwijkingen zien.\n\nOp basis van de onderzoeksbevindingen is er sprake van tendomyogene afwijkingen in de nekregio, met name aan de linkerzijde. Er zijn geen aanwijzingen voor primair vestibulaire afwijkingen. De beschrijving van de duizeligheidklachten past bij PPPD (Staab et al., Journal of Vestibular Research, 2017,27, 191-208); dit betreft een functionele aandoening waarvan de etiologie onduidelijk is. Er is eerder onderzoek verricht, onder andere een EEG en ook neuropsychologisch onderzoek, op basis waarvan postcommotioneel syndroom is gediagnosticeerd, maar op basis van de anamnese is\u002Fwas er niet overtuigend sprake van traumatisch hersenletsel. Daarmee moet naar mijn mening een nieuw en uitgebreider neuropsychologisch onderzoek worden verricht om te zien of de bewering in het verrichte onderzoek stand houdt. De diagnose BPPD is in het verleden gesteld, maar nimmer bevestigd door onderzoeksbevindingen. Het lijkt met name gebaseerd te zijn geweest op anamnestische gegevens. (De neuroloog [neuroloog 1] concludeerde in 2019 tot BPPD en posttraumatische cervicobrachialgie). Zoals hierboven is aangegeven past een en ander beter bij PPPD, een diagnose die ook eerder is gesteld door Kelder. (…)\n\nBeantwoording van uw vragen\n\n1. De situatie met ongeval\n\n(…)\n\nMedische gegevens\n\nb. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:\n\n- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;\n\n- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.\n\nAntwoord:\n\nOp basis van het medisch dossier van betrokkene is de medische voorgeschiedenis beschreven, niet alleen op het vakgebied van de neurologie. Ik wil daarbij verder verwijzen naar het hoofdstuk “Vroegere ziekten, operaties en ongevallen”. Voor de medische behandeling van het letsel van betrokkene en resultaten daarvan wordt verwezen naar de samenvatting zoals die hierboven is weergegeven.\n\nConsistentie\n\nd. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? (…)\n\nAntwoord:\n\nd. op hoofdlijnen is er een overeenkomst tussen anamnese en dossier. Dat geldt ook voor de onderzoeksbevindingen.\n\nDiagnose\n\nf. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?\n\nAntwoord:\n\nEr is sprake van een status na trauma capitis en trauma van de nek en scapularegio aan de linkerkant met nu posttraumatische tendomyogene klachten in de nek en scapularegio links, alsmede energetische klachten en duizeligheidklachten. Voor de duizeligheidklachten kan ik geen neurologisch substraat aangeven. Ik vind geen aanwijzingen voor centraal of perifeer vestibulaire afwijkingen. De ervaren energetische en cognitieve problemen (onder andere “sensore integratie” klachten) lijken mij secundair bij een chronisch geworden pijnsyndroom. Voor het primair bestaan van cerebraal letsel zijn er op basis van de anamnese en het dossier en de beeldvorming alsmede het onderzoek van drs vd Scheer geen overtuigende aanwijzingen.\n\nBeperkingen\n\ng. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn\u002Fhaar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?\n\nAntwoord:\n\nBij het ontbreken van een neurologisch substraat voor de klachten kan ik conform de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie op dit moment geen beperkingen aangeven.\n\n2. De situatie zonder ongeval\n\nKlachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval\n\na. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?\n\nb. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen en welk percentage functionele invaliditeit voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?\n\nAntwoord:\n\na. Betrokkene had op basis van anamnese en dossier in de periode direct voor het ongeval geen klachten of afwijkingen op het vakgebied van de neurologie. In het verleden heeft ze in 2009, 2015 en 2018 tendomyogene pijnklachten gehad rond zwangerschappen en plotseling moeten afkicken van een topsportcarrière. Deze klachten waren toen bilateraal aanwezig, terwijl ze nu enkelzijdig zijn en er ook andere klachten aanwezig zijn die er toen niet waren.\n\nb. N.v.t.\n\nKlachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval\n\nc. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?\n\nd. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?\n\nAntwoord:\n\nc. Op basis van anamnese en dossier heb ik geen reden aan te nemen dat zij de klachten ook zou hebben ontwikkeld wanneer haar het ongeval niet was overkomen met uitzondering van de spierspanningsklachten die ook eerder al aanwezig waren blijkens het dossier en die derhalve opnieuw hadden kunnen optreden, maar dat laatste is geen zekerheid. Een en ander wil overigens niet zeggen dat daarmee een neurologisch substraat voor de klachten kan aangeven. Er is een relatie in tijd.\n\nd. Zie c.\n\n3. Overig\n\na. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?\n\nAntwoord:\n\na. Ik heb verder geen opmerkingen anders dan het advies om een nieuw neuropsychologisch onderzoek te laten doen. Voor dit onderzoek adviseer ik u om bijvoorbeeld mevrouw drs. [neuropsycholoog], klinisch neuropsycholoog te Zutphen, te vragen betrokkene daartoe uit te nodigen waarna ik desgewenst aanvullend kan rapporteren. Zij is bekend bij uw rechtbank en heeft ervaring in deze.\n\n(…)”\n\n2.5.. \n [verzoekster] is vervolgens neuropsychologisch onderzocht door [neuropsycholoog], die daarover in haar neuropsychologische expertise van 23 juni 2025 voor zover hier relevant het volgende heeft geschreven:\n\n “(…)\n\nEindconclusie\n\nHet neuropsychologisch onderzoek levert in relatie tot de gestelde neurologische werkhypothesen gelieerd aan het ongeval (zie neurologische bevindingen dr. [neuroloog 2]) geen evidentie voor het bestaan van een primair dan wel pijngemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid. De werkhypothese\u002Flabelling dat we mogelijk te maken zouden kunnen hebben met het bestaan van cognitieve disfuncties in relatie tot het ongeval is vanuit neuropsychologisch perspectief niet houdbaar. (…) Om voorts tot verdere labelling (hypothese: somatisch-symptoomstoornis (300.82) dan wel anderszins) te komen én om na te gaan wat de klachtenonderhoudende dan wel herstelbelemmerende factoren zijn, is het zinvol om het oordeel van de psychiater te raadplegen (aanbeveling).\n\nBeantwoording van de vragen\n\n1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in helderheid van het bewustzijn?\n\nHet onderzoek levert geen aanwijzingen voor het bestaan van een primaire dan wel pijn gemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid.\n\n2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval van 4 februari 2019?\n\n3. Zijn er wellicht andere oorzaken dan dit ongeval (al dan niet ermee samenhangend), die een verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?\n\nAangezien er op basis van onderhavig onderzoek géén stoornissen kunnen worden vastgesteld, is het antwoord op beide vragen (vraag 2 en 3) ‘niet van toepassing’.\n\n4. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een als gevolg van het ongeval d.d. 4 februari 2019 ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?\n\nDaar het onderzoek geen evidentie levert voor het bestaan van verminderde cognitieve belastbaarheid, welke mogelijk toegeschreven kan worden aan structurele schade aan het brein, luidt het antwoord op deze vraag ‘niet van toepassing’.\n\n(…)”\n\n2.6.. \n [neuroloog 2] heeft in zijn aanvullend rapport van 27 augustus 2025 geschreven dat zijn eerdere bevindingen in het neuropsychologisch onderzoek van [neuropsycholoog] worden bevestigd en dat de door [neuropsycholoog] aangeraden psychiatrische expertise voor zijn beoordeling niet nodig is.\n\n2.7.. WSKO en MSIG hebben in totaal een bedrag van € 12.000,00 aan voorschotten op schade aan [verzoekster] betaald.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt dat de kantonrechter bij beschikking:\n\nvoor recht verklaart dat de onder randnummer 7 van het verzoekschrift opgesomde gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval,\n\nWSKO en MSIG beveelt mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise door de heer [naam] op basis van de vraagstelling zoals die in bijlage 24 bij het verzoekschrift is opgetekend,\n\nWSKO en MSIG beveelt de openstaande kosten van rechtsbijstand ter hoogte van een bedrag van € 19.927,59 (rechtstreeks) aan Solvit Letselschade Advocaten te betalen,\n\nde kosten van dit deelgeschil begroot op een bedrag van € 7.018,09 en WSKO en MSIG hoofdelijk veroordeelt tot betaling van dit bedrag en het griffierecht aan [verzoekster].\n\n3.2.. Aan haar verzoeken heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. Er bestaat een (juridisch) causaal verband tussen haar gezondheidsklachten en het ongeval, aangezien het klachtenpatroon van [verzoekster] plausibel is en geen sprake is van een alternatieve oorzaak voor het ontstaan van haar klachten. Om te voorkomen dat de schaderegeling (opnieuw) stokt, wil [verzoekster] dat een verzekeringsgeneeskundige wordt benoemd. Verder staat op dit moment een bedrag van € 19.927,50 aan buitengerechtelijke kosten open. Deze kosten maken onderdeel uit van de schade en komen voor vergoeding in aanmerking. Het is daarom onacceptabel dat WSKO en MSIG dit bedrag onbetaald laten.\n\n3.3.. WSKO en MSIG vragen de kantonrechter de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen.\n\n3.4.. WSKO en MSIG voeren daartoe het volgende aan. De gezondheidsklachten van [verzoekster] zijn niet terug te voeren op het ongeval. Van een medisch of juridisch causaal verband tussen de geduide klachten en het ongeval is dan ook geen sprake. De verzochte verklaring voor recht dient daarom te worden afgewezen. Uit de deskundigenberichten van [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] volgt dat voor geen van de door [verzoekster] gestelde klachten een neurologisch substraat bestaat waardoor geen beperkingen kunnen worden geduid. Er is daarom geen reden om een verzekeringsgeneeskundige expertise te gelasten. Partijen schieten met eventuele conclusies van een verzekeringsarts ook niets op, aangezien het enkele vastleggen van de geduide beperkingen niets zegt over de vraag of die beperkingen te relateren zijn aan feitelijke letsels of ziektes als gevolg van het ongeval. Daarnaast doorstaan de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet. Aan [verzoekster] zijn al meerdere voorschotten betaald. Gelet op de causaliteitsdiscussie tussen partijen, is op dit moment geen ruimte voor nadere bevoorschotting.\n\n4. De beoordeling\n\nDe deelgeschilprocedure\n\n4.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.\n\n4.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.3.. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de causaliteit tussen de door [verzoekster] geduide klachten en het ongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in worden voortgezet. De kantonrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk bespreken.\n\nDe inhoudelijke beoordeling\n\n4.4.. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] het gestelde causaal verband tussen haar gezondheidsklachten en het ongeval onvoldoende heeft onderbouwd en dat de door haar verzochte verklaring voor recht en het bevel om mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise daarom niet voor toewijzing in aanmerking komen. De kantonrechter licht dit oordeel als volgt toe.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen\n\n4.5.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat haar gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval van 4 februari 2019. Het gaat hierbij om de volgende klachten:\n\nhoofdpijn,\n\n(posttraumatische) tendomyogene schouder- en nekklachten met uitstraling naar de armen aan de linkerzijde (cervicobrachialgie),\n\nenergetische gezondheidsklachten, waaronder ernstige vermoeidheid en (daaruit voorvloeiende) sterk verminderde fysieke en motorische belastbaarheid en verhoogde emotionele sensitiviteit,\n\ncognitieve gezondheidsklachten, waaronder sensorische integratie problematiek, (draai)duizeligheid en overgevoeligheid voor prikkels.\n\n4.6.. De vraag die dan beantwoord moet worden is of de hierboven genoemde klachten zijn veroorzaakt door het ongeval, zoals [verzoekster] stelt en WSKO en MSIG betwisten. Ter zitting heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medisch objectiveerbare klachten bij [verzoekster], maar dat sprake is van een juridisch causaal verband omdat sprake is van een plausibel klachtenpatroon en een alternatieve oorzaak voor de klachten ontbreekt.\n\n4.7.. \n\nDeze stelling van [verzoekster] lijkt te zijn ontleend aan de zogenoemde ‘whiplashjurisprudentie’. Deze jurisprudentie kan in deze zaak echter niet (onverkort en naar analogie) worden toegepast. De whiplashjurisprudentie vormt een uitzondering, die beperkt blijft tot gevallen waarin weliswaar sprake is van klachten die voor het ongeval niet bestonden, maar niet van een medische objectiveerbare afwijking die aan die klachten ten grondslag kan liggen. De kantonrechter is met WSKO en MSIG van oordeel dat het in de situatie van [verzoekster] gaat om een ongeval waardoor een medisch objectiveerbare afwijking kán en ook is ontstaan, te weten een kneuzing van de schouder- en nekspieren waarop de ladder is gevallen. Het enkele feit dat [verzoekster] na het ongeval aanhoudende klachten ervaart (waarvoor geen medisch substraat wordt gevonden), is daarom onvoldoende om het conditio sine qua non-verband aan te nemen.\n\nDit geldt te meer nu, zoals hierna wordt overwogen, een deel van de klachten ook al voorafgaand aan het ongeval bestond.\n\n4.8.. Het is aan [verzoekster] om feiten te stellen waaruit volgt dat het letsel en de schade die daaruit is voortgevloeid door het ongeval zijn veroorzaakt en deze feiten, bij gemotiveerde betwisting daarvan, te bewijzen. De kantonrechter merkt op dat door partijen een forse hoeveelheid aan medische informatie en rapportages is verzameld. Omdat ter zitting met partijen is geïnventariseerd dat de deskundigen [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] ten tijde van het uitbrengen van hun expertises over alle eerder verzamelde medische informatie beschikten en dat hun expertises daarom leidend zijn, zijn alleen de bevindingen uit die expertises in de feiten van deze beschikking opgenomen.\n\n4.9.. \n [verzoekster] heeft ter onderbouwing van het door haar gestelde causaal verband gewezen op hetgeen [neuroloog 2] in zijn expertise over de anamnese, de diagnose en over de consistentie van haar klachten heeft geschreven. Hoewel het klopt dat [neuroloog 2] in zijn expertise schrijft dat hij op basis van de anamnese en het dossier geen reden heeft om aan te nemen dat [verzoekster] de klachten, met uitzondering van de al eerder aanwezige spierspanningsklachten, ook zou hebben ontwikkeld wanneer haar het ongeval niet was overkomen en dat sprake is van een relatie in tijd, lijkt het hier om een aanname te gaan waar verder geen handen en voeten aan wordt gegeven. Voorts geldt dat [neuroloog 2] geen functionele beperkingen op neurologisch gebied heeft kunnen vaststellen. Ook [neuropsycholoog] komt tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een primaire dan wel pijn gemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid van [verzoekster] en schrijft dat de werkhypothese dat we in de situatie van [verzoekster] mogelijk te maken zouden kunnen hebben met het bestaan van cognitieve disfuncties in relatie tot het ongeval vanuit neuropsychologisch perspectief niet houdbaar is. Op basis van de medische expertises van [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] kan het causaal verband tussen de klachten van [verzoekster] en het ongeval dus niet worden vastgesteld.\n\n4.10.. Van belang is verder dat (een gedeelte van) de klachten van [verzoekster] voor het ongeval ook al bestonden. Zo volgt uit hetgeen [neuroloog 2] in zijn expertise onder het kopje ‘Vroegere ziekten, operaties of ongevallen’ heeft opgenomen dat [verzoekster] zowel in 2009, 2015 als in 2018 last heeft gehad van spanningsklachten en volgt uit hetgeen onder het kopje ‘samenvatting en bespreking’ is geschreven dat [verzoekster] zowel in 2015 als in 2016 ook al tension headacheervaarde. Daarbij komt dat uit de samenvatting van het medisch dossier van [verzoekster] volgt dat haar klachten vlak na het ongeval snel minder werden en pas na een vakantie in juli 2019 weer toenamen. Op basis van dit alles ziet de kantonrechter onvoldoende aanknopingspunten om een causaal verband aan te nemen. Dit betekent dat het verzoek van [verzoekster] om voor recht te verklaren dat de onder randnummer 7 van het verzoekschrift opgesomde gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval wordt afgewezen.\n\nWSKO en MSIG hoeven niet mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise\n\n4.11.. Omdat hierboven is geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de gezondheidsklachten van [verzoekster] in juridisch causaal verband staan met het ongeval van 4 februari 2019, is het weinig zinvol een verzekeringsarts te benoemen om beperkingen te laten vaststellen. Dit is door [verzoekster] desgevraagd ter zitting ook bevestigd. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoekster] om WSKO en MSIG te bevelen mee te werken een verzekeringsgeneeskundige expertise door de heer [naam] daarom vanwege een gebrek aan belang daarbij afwijzen.\n\nOpenstaande kosten rechtsbijstand\n\n4.12.. Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke kosten die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen, worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij, voor zover het redelijk en noodzakelijk was daarvoor deskundige bijstand in te roepen en de daarvoor gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets). Aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan. Bij letselschade is het in het algemeen redelijk om deskundige rechtsbijstand in te roepen. Dat is ook niet in geschil.\n\n4.13.. Bij de beoordeling van de vraag of de hoogte van de kosten redelijk is, is in de jurisprudentie het uitgangspunt dat het enkele feit dat de schade nog niet vaststaat, of als uiteindelijk komt vast te staan dat de geleden schaden beperkt is, op zichzelf geen reden is om in redelijkheid gemaakte kosten niet te vergoeden. (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 maart 2015 ECLI:NL:HR 2015:586). In letselschadezaken betekent dit uitgangspunt dat, ook al staat de omvang van de schade niet vast en\u002Fof is de aansprakelijke partij van mening dat de uiteindelijke schade beperkt zal zijn, dit op zichzelf geen reden is om te weigeren voorschotten te betalen op de buitengerechtelijke kosten, zelfs als dit bedrag meer is dan de uiteindelijke schade. De reden hiervan is dat de benadeelde de (financiële) mogelijkheid moet hebben zijn of haar schade te verhalen en het niet redelijk is dat de benadeelde dit gedeelte van de schade zou moeten voorfinancieren.\n\n4.14.. Bij de vraag of de gedeclareerde kosten redelijk zijn is het volgende van belang. In het algemeen wordt in letselschadezaken op basis van het aantal gewerkte uren bij de verzekeraar gedeclareerd. Zo is het hier ook gegaan. Een advocaat heeft een grote mate van vrijheid bij de inrichting en de omvang van de werkzaamheden ten behoeve van zijn of haar cliënt. De cliënt en advocaat zijn ook vrij om een bepaald tarief overeen te komen. Maar als de benadeelde verlangt dat de aansprakelijke partij deze kosten van de rechtsbijstand betaalt mag verwacht worden dat de benadeelde en diens professionele belangenbehartiger ook rekening houden met het belang van de aansprakelijke partij door er voor te zorgen dat de kosten binnen de grenzen van de redelijkheid blijven. Het gaat er niet om of de belangbehartiger alle gedeclareerde werkzaamheden werkelijk heeft verricht, maar om de vraag of het redelijk is dat de kosten daarvan in volle omvang voor rekening van de aansprakelijke partij komen. Eén van de aspecten die daarbij een rol kan spelen is de vraag of de kosten van rechtsbijstand in een aanvaardbare verhouding staan tot de hoogte van de schade. Ook de houding of een gebrek aan medewerking van de aansprakelijke partij kan een rol spelen.\n\n4.15.. Het gaat in deze zaak om een relatief ingewikkelde zaak. Over de toedracht van het ongeval en de aansprakelijkheid is weliswaar geen discussie geweest, MSIG heeft namens haar verzekerde WSKO immers aansprakelijkheid erkend en voorschotten betaald, maar tussen partijen bestaat wel een causaliteitsdiscussie. Mede in dat kader zijn meerdere medische expertises verricht, die de belangenbehartiger van [verzoekster] steeds heeft moeten bestuderen en met [verzoekster] heeft moeten bespreken. Daarbij komt dat die expertises er niet voor hebben gezorgd dat partijen het eens zijn geworden over het antwoord op de vraag of een causaal verband bestaat tussen de klachten van [verzoekster] en het ongeval van 4 februari 2019, waardoor zij ook nog geen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de schade. Gelet op de looptijd van dit dossier, de hoeveelheid medische expertises en de causaliteitsdiscussie, acht de kantonrechter de gedeclareerde kosten redelijk. WSKO en MSIG worden daarom veroordeeld om de openstaande kosten van rechtsbijstand van een bedrag van € 19.927,59 te betalen.\n\nDe kosten van het deelgeschil\n\n4.16.. Omdat de vorderingen van [verzoekster] voor het belangrijkste deel worden afgewezen zullen WSKO en MSIG niet worden veroordeeld tot betaling van de kosten van het deelgeschil. Wel moet de kantonrechter op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.\n\n4.17.. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter wederom de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.18.. \n [verzoekster] maakt aanspraak op € 7.018,09 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. WSKO en MSIG hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben WSKO en MSIG aangevoerd dat twintig uur bovenmatig is. Volgens WSKO en MSIG is een aantal van vijftien uren redelijk.\n\n4.19.. Gelet op de complexiteit van dit geschil, komt de door de gemachtigde van [verzoekster] opgegeven tijdsbesteding de kantonrechter niet bovenmatig voor. De kantonrechter zal de kosten van dit deelgeschil dan ook begroten op (16 uren x € 290,00 inclusief btw) + (4 uren x € 270,00 inclusief btw), zijnde € 7.018,09 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,00.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. beveelt WSKO en MSIG om de openstaande kosten van rechtsbijstand van een bedrag van € 19.927,59 (rechtstreeks) aan Solvit Letselschade Advocaten te betalen,\n\n5.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.018,09 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,00;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17038","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:45.039Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1686","ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","ecli-nl-rbams-2026-6375",56,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783609 \u002F HA ZA 26-151\n\nVonnis in incident van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. W.A. van Veen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\nen\n\nGEMEENTE AMSTELVEEN,\n\ngevestigd in Amstelveen,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. T. Jaspers.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties,\n\n- de incidentele conclusie voor alle weren ex artikel 194 en 195 Rv van [gedaagde] ,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser] , met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van de gemeente.\n\n1.2.. Het vonnis in incident is bepaald op vandaag.2. De feiten, voor zover van belang in incident2.1.. \n [eiser] heeft bij de vuilnisophaaldienst van de gemeente gewerkt. Hij werd door de gemeente als uitzendkracht ingehuurd. Op 26 september 1997 is hij beklemd geraakt tussen de hydraulische armlift en het veiligheidshek van de vuilniswagen. Hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen en is volledig arbeidsongeschikt geworden.\n\n2.2.. Op 21 december 1998 heeft de gemeente aan de toenmalige advocaat van [eiser] laten weten dat het college van B&W van de gemeente op 6 januari 1998 de aansprakelijkheid voor de letselschade van [eiser] heeft erkend. De gemeente heeft een aantal materiële schadeposten vergoed en de WAO-uitkering van [eiser] aangevuld tot het niveau van zijn laatste salaris.\n\n2.3.. In april 2006 heeft advocaat [gedaagde] de zaak overgenomen van zijn voorganger. De toenmalige kantoorgenoot van [gedaagde] heeft tussen 18 augustus 2006 tot en met 11 november 2008 met de gemeente contact gehad over vergoeding van andere schadeposten als gevolg van het ongeval van [eiser] . [gedaagde] heeft [eiser] tot begin 2024 bijgestaan en toen zijn dossier overgedragen aan de accountant van [eiser] .\n\n2.4.. Op 13 maart 2024 hebben de nieuwe advocaten van [eiser] de gemeente laten weten dat de schade van [eiser] nog niet volledig is vergoed en dat [eiser] zijn vordering tot vergoeding daarvan handhaaft.\n\n2.5.. Op 7 april 2025 heeft de gemeente [eiser] laten weten dat zij nooit aansprakelijkheid heeft erkend voor de volledige schade van [eiser] , maar alleen voor de schadeposten die zijn en nog steeds worden vergoed. Volgens de gemeente zijn andere schadeposten verjaard en is de termijn daarvoor gaan lopen op 15 december 2003 of 9 december 2004.\n\n2.6.. In april en mei 2025 hebben de advocaten van [eiser] [gedaagde] laten weten dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor de schade van [eiser] . Volgens [eiser] is [gedaagde] aansprakelijk omdat hij zijn vordering heeft laten verjaren en hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarna is gebleken dat een brief van [gedaagde] van 11 november 2008 als stuitingshandeling kan worden gezien. De gemeente heeft vervolgens een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [eiser] per 11 november 2013.\n\n2.7.. Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank in een door [eiser] gestarte kort gedingprocedure een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat [gedaagde] € 55.500,00 aan [eiser] betaalt onder de voorwaarde dat [eiser] de vordering die hij op de gemeente heeft voor vergoeding van de andere schadeposten voor dat bedrag aan [gedaagde] cedeert. Aan de veroordelingen in de uitspraak in kort geding is voldaan. Daarna heeft [eiser] [gedaagde] in een bodemprocedure betrokken.3. De vordering in de hoofdzaak3.1.. \n\n [eiser] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) bij tussenvonnis bepaalt dat de vordering van [eiser] op de gemeente vanwege het arbeidsongeval van 26 september 1997 is verjaard of niet is verjaard,\n\n2) voor recht verklaart dat:\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard, [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval in 1997 en tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999,\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente niet is verjaard, de gemeente, die de aansprakelijkheid voor de schade van [eiser] heeft erkend, gehouden is de schade van [eiser] te vergoeden en een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999 te betalen,\n\n- in beide gevallen met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de overige schade,\n\n3) voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van zijn onvoldoende inspanning in de 17 jaar dat hij de zaak van [eiser] onder zich heeft gehad, met verwijzing voor de bepaling van de schade naar de schadestaatprocedure,\n\n4) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.4. Het geschil in incident4.1.. \n\n [gedaagde] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) [eiser] primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997, waaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat [eiser] niet aan de veroordeling voldoet, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident,\n\n2) de gemeente primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997,\n\nwaaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de\n\ngemeente dit niet doet, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het incident.\n\n4.2.. \n [eiser] en de gemeente verweren zich tegen de incidentele vorderingen van [gedaagde] en willen dat die worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.\n\n4.3.. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.5. De beoordeling in incidentDe vordering tot inzage op grond van artikel 194 en 195 Rv5.1.. Een partij heeft via artikel 194 in samenhang met artikel 195 Rv de mogelijkheid om via de rechter inzage van bepaalde gegevens te vorderen. Het recht op inzage daarvan komt toe aan a) een partij bij een rechtsbetrekking, als die partij b) daarbij voldoende belang heeft. De wederpartij is niet verplicht tot het geven van inzage als zij een beroep kan doen op een verschoningsrecht of als gewichtige redenen daaraan in de weg staan.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [gedaagde] in beide gevallen beperkt kunnen worden toegewezen, omdat hij daarbij slechts gedeeltelijk belang heeft.\n\n [eiser] : inzage wordt toegestaan met betrekking tot correspondentie tussen de gemeente en [eiser] zelf5.3.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geen belang bij zijn vordering omdat [eiser] [gedaagde] op 19 juni 2025 een kopie van de relevante stukken uit het dossier heeft verstrekt. Daarmee heeft [eiser] aan de vordering tot inzage voldaan. Ook heeft [eiser] [gedaagde] de gelegenheid gegeven om het volledige dossier in te zien op het kantoor van zijn advocaat. [gedaagde] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en doet dat nog steeds niet. [eiser] is bereid [gedaagde] nog een keer een digitale kopie van het dossier te sturen, als [gedaagde] daarvan de kosten betaalt. Voor zover [gedaagde] wel belang zou hebben bij inzage geldt dit volgens [eiser] alleen voor de correspondentie tussen hem en de gemeente vanaf 15 december 2003. De gemeente stelt zich namelijk op het standpunt dat dat de datum is waarop de verjaringstermijn is gaan lopen.\n\n5.4.. \n\nDe rechtbank volgt [eiser] in zijn verweer dat [gedaagde] geen belang heeft bij zijn inzagevordering van het dossier als geheel. [eiser] heeft hem al een digitale kopie verstrekt van de relevante correspondentie en voor zover [gedaagde] meent dat dit niet compleet is, kan hij het dossier dat aanwezig is bij de advocaat van [eiser] inzien.\n\nDaarvoor heeft [gedaagde] dus geen gerechtelijk bevel nodig. [gedaagde] heeft wel voldoende belang bij de halfjaarlijkse correspondentie tussen [eiser] zelf en de gemeente over de vaststelling van het bedrag van de vergoeding van het verlies aan arbeidsvermogen die de gemeente hem periodiek uitkeerde. Hij heeft onderbouwd dat die relevant kan zijn voor de verjaringsvraag. [gedaagde] is weliswaar bekend met de inhoud van deze correspondentie, maar beschikt daar kennelijk niet over en deze bevindt zich kennelijk ook niet in de reeds verstrekte digitale kopie. Of deze brieven, die aan [eiser] zelf gestuurd zijn, zich in het dossier bevinden is onzeker. De rechtbank zal daarom bepalen dat [gedaagde] het dossier kan inzien om vast te stellen of deze brieven zich in het dossier bevinden en dat, als dat het geval is, hem daarvan afschrift moet worden verstrekt.\n\n5.5.. Voor zover de inzagevordering van [gedaagde] gaat om de correspondentie tussen de accountant en de gemeente geldt daarvoor dat het belang van [gedaagde] ontbreekt. De accountant heeft namelijk verklaard dat er eenmaal is gecorrespondeerd tussen hem en de gemeente en dat dit ging over de uitkomst van de procedure tussen [eiser] en de belastingdienst. In die procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat over de door de gemeente uit te betalen schadeposten geen loonbelasting moet worden geheven. Voor de in dit geding te beantwoorden vraag of de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard is deze kwestie niet van belang.\n\n5.6.. De conclusie is dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door [eiser] wordt toegewezen in die zin dat [gedaagde] inzage moet worden verschaft in het dossier en dat hem afschrift moet worden verstrekt van de onder 5.4 genoemde halfjaarlijkse brieven van de gemeente aan [eiser] zelf, als deze in het dossier worden aangetroffen en van eventuele andere stukken die [gedaagde] relevant acht en die niet reeds elektronisch zijn verstrekt. De rechtbank ziet gezien de bereidheid die [eiser] tot op heden heeft getoond om het dossier ter beschikking te stellen geen aanleiding voor een dwangsom. Wel geldt dat de rechter aan een eventueel gebrek aan medewerking gevolgen kan verbinden. De termijn om inzage en zo nodig afschrift te verstrekken zal worden bepaald op twee weken. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nGemeente moet [gedaagde] beperkt inzage geven in correspondentie vanaf 15 december 20035.7.. De gemeente heeft aangevoerd dat het belang bij inzage voor [gedaagde] ontbreekt, dat de door [gedaagde] gevraagde informatie onvoldoende is bepaald en dat geen sprake is van een rechtsbetrekking. Het is [gedaagde] bekend dat de gemeente de andere schadeposten waarop [eiser] aanspraak maakt nooit heeft betaald en dat de gemeente ook geen verdere aansprakelijkheid heeft erkend. Correspondentie over de betalingen die wel zijn gedaan, zijn dan ook voor [gedaagde] niet relevant voor zijn verweer tegen de verjaring in de hoofdzaak. Ook kan de gemeente niet worden belast met het terugvinden van alle correspondentie die over een periode van bijna 30 jaar is gevoerd. [gedaagde] had de gevraagde correspondentie moeten concretiseren. Daarnaast kan [gedaagde] de gevraagde correspondentie ook opvragen bij [eiser] en is onduidelijk waarom [gedaagde] correspondentie wil hebben die hij zelf met de gemeente heeft gevoerd. Hij had de correspondentie zelf moeten bewaren en heeft dat niet gedaan. Daarbij komt dat [gedaagde] zijn vordering tot inzage niet tot de gemeente kan richten, omdat de gemeente in de hoofdzaak als derde is opgeroepen. Er is daarmee geen rechtsbetrekking. Voor zover de rechtbank de vordering alsnog toewijst, vraagt de gemeente de gevorderde dwangsom te matigen tot een bedrag van € 100 per dag met een maximum van € 1000.\n\n5.8.. De rechtbank volgt de gemeente niet in haar verweer dat [gedaagde] geen heeft belang bij inzage of dat hij met de gemeente geen rechtsbetrekking heeft. [gedaagde] heeft immers een vordering van [eiser] op de gemeente gecedeerd gekregen. Hij heeft daarom ook belang bij correspondentie voor zover deze relevant kan zijn voor de vraag of de (aan hem gecedeerde) vordering van [eiser] op de gemeente verjaard is. Of de door de gemeente wel vergoede schadeposten de verjaring wel of niet heeft gestuit zal in de hoofdzaak moeten worden bepaald. Dit staat daarmee inzage door [gedaagde] van de correspondentie daarover niet in de weg. [gedaagde] beschikt niet (meer) over de betreffende correspondentie. De gemeente stelt terecht dat [gedaagde] als advocaat in ieder geval de beschikking zou moeten hebben over de correspondentie die hij zelf namens [eiser] met de gemeente heeft gevoerd. Aannemelijk is dat [gedaagde] begin 2024 geen kopie heeft gemaakt van het dossier en dat toen in zijn geheel heeft overgedragen aan de accountant van [eiser] en dat dit dossier inmiddels wordt beheerd door de nieuwe advocaat van [eiser] . Omdat hij zich tot [eiser] kan richten om daar (via zijn advocaat) inzage in te krijgen ontbreekt in zoverre belang om diezelfde correspondentie van de gemeente ter inzage te krijgen. Dat is anders voor zover het gaat om correspondentie van de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf. Die kan van belang kan zijn voor het verweer in de door [eiser] tegen hem gestarte hoofdzaak. Of die correspondentie zich in het dossier van [eiser] bevindt is onzeker, terwijl er wel een gerede kans is dat de gemeente daar nog over beschikt. Dit is grond om te bepalen dat [gedaagde] afschrift dient te worden verstrekt van alle correspondentie die door de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf is verzonden, zonder afschrift aan zijn advocaat, vanaf 15 december 2003, omdat de gemeente zich op het standpunt stelt dat vanaf die datum de verjaring is gaan lopen. Voor de correspondentie van voor die datum geldt dat [gedaagde] daar geen belang bij heeft.\n\n5.9.. Het verweer van de gemeente dat er geen rechtsbetrekking is omdat zij als derde in de hoofdzaak is opgeroepen gaat niet op. De rechtsbetrekking met de gemeente volgt uit het gegeven dat het hier gaat om de aanspraak op aanvullende vergoeding van schadeposten door de gemeente aan [eiser] en dat [eiser] zijn vordering op de gemeente voor € 55.000 heeft gecedeerd aan [gedaagde] . Bovendien volgt uit artikel 118 Rv dat een partij, in dit geval de gemeente, die als derde is opgeroepen, partij is in het geding, zodat er een rechtsbetrekking is.\n\n5.10.. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door de gemeente wordt toegewezen zoals vermeld onder 5.8. De rechtbank stelt de termijn hiervoor vast op vier weken na de datum van dit vonnis, omdat het hier gaat om een lange periode en de gemeente tijd nodig zal hebben om de correspondentie te achterhalen. De rechtbank ziet geen aanleiding de gemeente een dwangsom op te leggen. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd5.11.. Omdat de vorderingen van [gedaagde] jegens zowel [eiser] als de gemeente slechts voor een klein deel zijn toegewezen ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren; iedere partij draagt de eigen kosten in dit incident.6. De beslissing\n\nDe rechtbank,\n\nin het incident\n\n6.1.. beveelt [eiser] aan [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld onder 5.6,\n\n6.2.. beveelt de gemeente aan [gedaagde] binnen vier weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld zoals vermeld onder 5.8,6.3.. compenseert de proceskosten in dit incident; iedere partij draagt de eigen kosten,\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin de hoofdzaak\n\n6.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","2026-07-13T00:29:33.558Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"719","ECLI:NL:RBOBR:2026:4080","ecli-nl-rbobr-2026-4080",77,"2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKOOST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Eindhoven\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11977582 \\ EJ VERZ 25-659\n\nBeschikking van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats] , [land] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: “ [verzoekster] ”,\n\ngemachtigde: mr. A. Kolder,\n\ntegen\n\n1. TOTAL BERRY PACKING B.V.,\n\nte Helenaveen, 2. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Apeldoorn,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen: “Total Berry” en “Achmea”,\n\ngemachtigde: mr. L. Hilhorst.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties (genummerd 1 t\u002Fm 6),\n\n- het verweerschrift met producties (genummerd 1 t\u002Fm 4),\n\n- een aanvullend urenoverzicht aan de zijde van [verzoekster] ,\n\n- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, die hybride heeft plaatsgevonden omdat [verzoekster] online, via Teams, aan de mondelinge behandeling heeft deelgenomen.1.2.. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten nader toegelicht, waarbij de gemachtigde van Total Berry en Achmea gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van dat wat tijdens de mondelinge behandeling verder is besproken.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Waar gaat deze zaak over?\n\n2.1.. Aanleiding van dit deelgeschil is een verschil van mening over de samenhang tussen het [verzoekster] op 15 juli 2020 overkomen arbeidsongeval bij Total Berry, waarbij zij het topje van haar linker wijsvinger verloor, en het haar op 13 augustus 2022 overkomen tweede ongeval. Bij het tweede ongeval viel [verzoekster] bij haar moeder thuis van een vlizotrap, toen zij met haar voet weggleed en zich met haar - bij het eerdere arbeidsongeval uit 2020 - gekwetst geraakte linkerhand vergeefs vast wilde pakken aan de trapleuning. Bij de val van de vlizotrap heeft zij haar linker scheen- en kuitbeen gebroken.\n\n2.2.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter in deze procedure een oordeel te geven over haar stellingen dat er een causaal verband bestaat tussen het arbeidsongeval in 2020 en de val van de trap in 2022, en dat Total Berry daardoor ook schadeplichtig is jegens [verzoekster] met betrekking tot de gevolgen van dit tweede ongeval in 2022.\n\n2.3.. \n\nAchmea is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Total Berry. Zij heeft aansprakelijkheid namens Total Berry erkend voor het arbeidsongeval in 2020 en de schaderegeling op zich genomen.\n\n [verzoekster] heeft op grond van artikel 7:954 Burgerlijk Wetboek (BW) een ‘directe actie’ jegens Achmea. Lid 3 van art. 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat ook de verzekeraar tegen wie een directe actie bestaat, in de deelgeschilprocedure kan worden betrokken.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n\n [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1989, was vanaf mei 2020 via uitzendbureau [bedrijfsnaam 1] werkzaam voor Total Berry. Het betrof productiewerk aan de lopende band. Op 15 juli 2020 raakte [verzoekster] met de vingers van haar linkerhand bekneld tussen de lopende band. Als gevolg hiervan heeft zij het topje van haar linker wijsvinger verloren.\n\nAchmea heeft onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Uit het toedrachts- onderzoek is gebleken dat Total Berry onvoldoende toezicht heeft gehouden op het naleven van de gegeven instructies. Achmea heeft namens Total Berry aansprakelijkheid erkend en heeft de schade in behandeling genomen. In totaal heeft Achmea inmiddels circa € 53.500, - aan voorschotten aan [verzoekster] verstrekt.\n\n3.2.. \n\nOngeveer 1,5 jaar na het arbeidsongeval is er een stabiele medische eindsituatie\n\nbereikt. De klachten van de linkerhand zijn op gezamenlijk verzoek van partijen in kaart gebracht door hand-, pols- en plastisch chirurg drs. [A] , werkzaam bij het Expertisepunt. Uit het expertiserapport van 27 oktober 2023 volgt dat er sprake is van blijvende beperkingen van de linkerhand en -wijsvinger, waaronder gestoorde tast, pijn en verminderde knijpkracht links ten opzichte van rechts.\n\n3.3.. \n\nOp gezamenlijk verzoek van partijen is op 29 juni 2023 een verzekeringsgeneeskundige expertise uitgevoerd door drs. [B] , werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] . Op 28 augustus 2023 is het conceptrapport aan partijen toegezonden en op 27 september 2023 is het rapport definitief geworden. Verzekeringsarts [B] stelt op basis van het expertiserapport van [A] vast dat er beperkingen zijn voor hand- en vingergebruik van de linkerhand, waaronder:\n\n“lichte beperkingen voor fijne motorische hand- en vingerbewegingen, repetitieve hand- en vingerbewegingen. Matige beperkingen voor bolgreep, pengreep, sleutelgreep, cilindergreep, knijpkracht, duwen, trekken, tillen en dragen.”\n\nEr worden geen beperkingen aangenomen voor statische handelingen. Ook ten aanzien van traplopen en klimmen worden géén beperkingen aangenomen. [B] voegt ten aanzien van klimmen toe dat [verzoekster] zich hierbij moet vasthouden\u002Fsteunen met de rechterhand. Daarnaast heeft [B] gerapporteerd over ongevalsvreemd letsel: “Wel is er eind 2022 sprake geweest van beenletsel (breuken van scheen- en kuitbeen); het spreekt voor zich dat dit in ieder geval tot tijdelijke beperkingen heeft geleid. Ik ben hieromtrent echter niet verder geïnformeerd. Het moge duidelijk zijn dat dit een ongevalsvreemd aspect betreft.”\n\nDe opmerkingen over het ongevalsvreemde beenletsel hebben niet tot vragen of opmerkingen geleid aan de zijde van [verzoekster] .\n\n3.4.. \n\nPartijen hebben na het afronden van het medisch expertisetraject\n\nvanaf september of oktober 2023 geprobeerd om met elkaar tot een minnelijke regeling\n\nte komen. Op 14 december 2023 heeft een gezamenlijk overleg plaatsgevonden op het kantoor van de voormalige belangenbehartiger van [verzoekster] . [verzoekster] stelde zich toen voor het eerst op het standpunt dat de val van de vlizotrap in augustus 2022 een (indirect) gevolg was van het arbeidsongeval en dat de schade die daaruit voortvloeit aan het arbeidsongeval moet worden toegerekend.\n\n [verzoekster] heeft over de oorzaak van de val gezegd dat zij de vlizotrap op liep en zich daarbij met haar rechterhand vasthield aan de rechterleuning. Halverwege de trap gleed haar voet weg. In een reflex probeerde [verzoekster] met haar linkerhand de linkerleuning vast te pakken, maar stootte daarbij haar gekwetste wijsvinger tegen de leuning. Zij kon hierdoor de leuning niet vastpakken. [verzoekster] is ongelukkig met haar been tussen de traptreden terecht gekomen, met een breuk van het scheen- en kuitbeen tot gevolg.\n\nAchmea heeft het conditio sine qua non (csqn)-verband tussen de ongevallen direct betwist en [verzoekster] verzocht om (medische) informatie te verstrekken waaruit het door haar gestelde csqn-verband zou kunnen blijken.\n\n3.5.. \n\nDe medisch adviseur van [verzoekster] , dr. [C] , schrijft in zijn medisch advies van 8 juli 2024:\n\n“Of de onderbeenfractuur een indirect gevolg is van het ongeval van juli 2020 kan ik noch bevestigen, noch ontkennen. De correspondentie vermeldt alleen dat cliënt uitgleed. U schreef dat dit kwam omdat zij zich nu niet goed kon vastgrijpen. Dat laatste wijst wel op een indirect verband. Bij gebrek aan gedetailleerde informatie over het ongeval kan ik hier verder weinig over zeggen.”\n\nBij e-mail van 16 juli 2024 heeft [verzoekster] een toelichting gegeven op de oorzaak van de val. Naar aanleiding van de toelichting van [verzoekster] , schrijft [C] in zijn advies van 27 augustus 2024:\n\n“Als ik mij baseer op deze informatie is een fractuur van het linker onderbeen dus nog een indirect gevolg van het ongeval van 15 juli 2020”.\n\n3.6.. \n\nAchmea heeft de beschikbare medische informatie voorgelegd aan haar medisch\n\nadviseur, dr. [D] . Hij adviseert op 23 september 2024:\n\n“De aanvullend ontvangen informatie van betrokkene vanuit [land] heb ik bestudeerd. Betrokkene had voorafgaand aan haar ongeval van augustus 2022 geen letsel of beperkingen van het evenwicht of de benen, zodat zij geacht kon worden stabiel een trap op en af te kunnen lopen. Desondanks is zij toch uitgegleden en dat kan niet aan het letsel van juli 2020 worden gerelateerd.\n\nBegrijpelijkerwijs heeft betrokkene geprobeerd zich vast te grijpen en heeft hierbij de linkerhand gebruikt. Voor hetzelfde geld had zij haar rechterhand kunnen gebruiken om haar val te breken.”\n\nIn een aanvullend advies van 19 december 2024 overweegt [D] :\n\n“Weging en conclusies\n\nMijn mening is als volgt:\n\nIn mijn medisch advies van 22.07.2024 werd melding gemaakt van een onderbeenfractuur op 13.08.2022, nadat zij was uitgegleden. Ik achtte dit niet gerelateerd aan het ons regarderende ongeval van 2020. In mijn medisch advies van 21.09.2024 werd dit nog eens een nader geëxpliciteerd.\n\nWat ligt er in de medische informatie vast:\n\nIn de uit het [land] vertaalde SEH brief van 13.08.2023 staat over de toedracht van het ongeval: “Vandaag letsel van het linker onderbeen als gevolg van het uitglijden. Fractuur van tibia-en fibulaschacht. \" Er werd haar een operatieve behandeling voorgesteld maar daar is zij in eerste instantie niet op ingegaan. Blijkbaar heeft ze zich in tweede instantie toch bedacht, want op 05.09.2022 is er een wederom uit het [land] vertaald operatieverslag\n\naangeleverd van een tibiapen osteosynthese. In dit operatieverslag wordt geen mededeling gedaan over de toedracht van het ongeval.\n\nIn de verslaglegging van het controlebezoeken van 22.09.2022, 20.10.2022, 10.11.2022, 08. 12.2022 , 29.12.2022 en 12.01.2023 na de operatie, wordt genoteerd dat de hechtingen zijn verwijderd en instructies worden gegeven over de nabehandeling en controles n.a.v. de revalidatie, die blijkbaar naar wens verloopt. Er wordt een officieel formulier van de [land] Sociale Zekerheidsinstelling Ziekteverlof aan betrokkene verstrekt. Ook in deze verslagen worden geen verdere mededelingen gedaan over het traumamechanisme dat geleid heeft tot de onderbeenfractuur. De beschrijving van het ongevalsmechanisme is daarom uitsluitend gebaseerd op de mededelingen van betrokkene zelf.”\n\n3.7.. \n\nOp 3 juni 2025 heeft [verzoekster] verklaringen toegezonden van haar echtgenoot, [naam echtgenoot] , broer, [naam broer] , zus, [naam zus] ) en zoon, [naam zoon] .\n\nDe echtgenoot en broer van [verzoekster] verklaren dat zij de val hebben zien gebeuren. De zus en zoon hebben de val niet gezien.\n\nOp 18 september 2025 heeft [verzoekster] onderstaande foto's van de trap overgelegd:4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n\n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking in deelgeschil in de zin van artikel 1019 Rv, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht te verklaren dat (de gevolgen van) het [verzoekster] op 13 augustus 2022 overkomen tweede ongeval in een csqn-verband staat tot het [verzoekster] op 15 juli 2020 overkomen arbeidsongeval, dan wel - subsidiair - een voorshands vermoeden aan te nemen dat een dergelijk csqn-verband aanwezig is, alsmede;\n\nII. voor recht te verklaren dat het tweede ongeval uit 2022 ex art. 6:98 BW is toe te rekenen aan Total Berry als een gevolg van het eerste ongeval uit 2020, alsmede;\n\nIII. Total Berry en Achmea hoofdelijk, naast de reeds bestaande schadeplichtigheid inzake het eerste ongeval uit 2020, te veroordelen tot vergoeding van (ook) alle materiële en immateriële schade als gevolg van het tweede ongeval uit 2022, alsmede;\n\nIV. de kosten van de onderhavige deelgeschilprocedure te begroten en Total Berry en Achmea hoofdelijk te veroordelen tot betaling daarvan aan [verzoekster] .4.2.. Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van de val van de trap extra letsel heeft opgelopen, dat volgens haar nog kwalificeert als een gevolg van het arbeidsongeval van 15 juli 2020.\n\n4.3.. Total Berry en Achmea verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe aan dat het csqn-verband tussen het arbeidsongeval uit 2020 en de val in 2022 ontbreekt en, mocht een csqn-verband aangenomen worden, dat de gevolgen van de val niet aan het arbeidsongeval zijn toe te rekenen. Nog meer subsidiair beroept Achmea zich op eigen schuld ex artikel 6:101 BW.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.\n\n5.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n5.3.. In dit geval verschillen partijen - kort gezegd - van mening over de vraag of er een csqn-verband bestaat tussen het arbeidsongeval uit 2020 en de val in 2022 en, zo ja, of de nadelige gevolgen van die val op grond van 6:98 BW toegerekend mogen worden aan het arbeidsongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\n5.4.. Voor het vaststellen van de aansprakelijkheid van Total Berry voor de gevolgen van de val, moet het oorzakelijk (conditio sine qua non) verband tussen het arbeidsongeval en de val van de vlizotrap in de privésfeer komen vast te staan. Dit betekent dat moet (kunnen) worden vastgesteld dat [verzoekster] door de beperkingen die het gevolg zijn van het arbeidsongeval op 15 juli 2020, op 13 augustus 2022 van de vlizotrap is gevallen. Bij de beoordeling van het oorzakelijk verband is de feitelijke toedracht van de val van belang. De stelplicht en de bewijslast van de feitelijke toedracht en van het causaal verband tussen val en arbeidsongeval rusten op [verzoekster] .\n\n5.5.. \n [verzoekster] heeft aangevoerd dat de feitelijke toedracht van het tweede ongeval door Total Berry en Achmea niet gemotiveerd is betwist en dat Total Berry en Achmea ook geen (plausibele) alternatieve oorzaak voor het vallen van de trap hebben gegeven.\n\n5.5.1.. \n\n [verzoekster] heeft daarbij gewezen op de aanwezige onafhankelijke medische expertises van verzekeringsarts [B] en plastisch chirurg [A] . Uit deze rapportages blijkt dat [verzoekster] op het moment van de val van de trap nog met duidelijke restverschijnselen van het eerdere arbeidsongeval kampte, bestaande uit diverse (matige\u002Fsterke) beperkingen inzake de arm\u002Fhand, inclusief pijnklachten, beperkingen bij bepaalde handgrepen, beperkte knijpkracht en beperkingen inzake de 'sensibiliteit'. Ook rapporteerde [A] over een aanzienlijke pijnscore zodra [verzoekster] haar gekwetste vinger stoot:\n\n\"NPRS-score. Gemiddeld 5 met uitschieters naar 8. Deze uitschieter ervaart zij bij stoten\n\nvan de vinger.\"\n\nVerzekeringsarts [B] rapporteerde over klimmen ‘ladder op en af’ dat [verzoekster] “daarbij alleen [kan] steunen\u002Fvasthouden met de rechterhand”.De aard van het bij het 1e ongeval opgelopen letsel - en de aanwezigheid daarvan ten tijde van het 2e ongeval – past dus (naadloos) bij de toedracht zoals [verzoekster] heeft gesteld.\n\nUit de expertises volgt bovendien dat in de voorliggende zaak sprake is van een specifieke ‘kwetsbaarheid’ wegens een eerder ongeval die de kans op een tweede ongeval heeft vergroot. In dit geval is de kans op een val van de trap aanzienlijk vergroot, doordat [verzoekster] met haar beschadigde, dominante hand de leuning - een voorziening die specifiek beoogt te beschermen tegen een val van de trap - niet ‘normaal’ kon gebruiken. Voorts kan op basis van de (medische) stukken worden aangenomen dat een door dergelijk letsel gehinderde persoon bij het traplopen in een onverwachte\u002Fplotselinge (nood)situatie kwetsbaarder is voor valpartijen dan iemand die beschikt over ‘een gezond stel handen’.\n\n5.5.2.. \n\nHiernaast wijst [verzoekster] inzake het csqn-verband nog op de verschillende ingebrachte schriftelijke getuigenverklaringen, waaruit volgens haar blijkt dat het letsel aan de vinger (eerste ongeval) zonder meer een rol speelde bij het ontstaan van het tweede ongeval (val van trap). Met andere woorden: indien het vingerletsel niet zou zijn ontstaan, was het tweede ongeval (vermoedelijk) niet gebeurd. [verzoekster] had zónder het 1e ongeval met een ‘gezond stel handen’ de trap kunnen bestijgen en zo nodig de leuning goed kunnen vastgrijpen om een eventuele val van de trap te voorkomen. Door het vingerletsel aan de dominante hand kon [verzoekster] de leuning niet op een normale wijze gebruiken, hetgeen het risico op vallen heeft vergroot, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt. De getuigen verklaren niet alleen rechtstreeks dat in hun beleving de vingerbeperking een rol heeft gespeeld bij het ongeval, maar ook indirect steunen de verklaringen de door [verzoekster] gestelde toedracht. Zo wijst het feit dat eerst een schreeuw werd gehoord, op het stoten van de vinger kort voor de val. Dat niet alleen het been maar ook de vinger na de val pijnlijk was, past eveneens bij de stelling van [verzoekster] dat ze haar vinger (pijnlijk) heeft gestoten op de trap. Alle verklaringen afzonderlijk en tezamen vormen dus een nadere onderbouwing van de stellingen van [verzoekster] . Concluderend is volgens [verzoekster] voldoende aannemelijk dat de restverschijnselen van het arbeidsongeval - waardoor [verzoekster] beperkt was (in een reflex) een leuning (goed) vast te pakken - hebben bijgedragen aan het vallen van de trap. De restverschijnselen van het initiële arbeidsongeval hebben dus bijgedragen aan het tweede ongeval later in de tijd. Daarmee is het vereiste csqn-verband gegeven, aldus [verzoekster] .\n\nOmdat sprake is van een schuldaansprakelijkheid en de aard van de schade lichamelijk letsel is, moet er ruim worden toegerekend, hetgeen volgens [verzoekster] onder andere volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895.\n\nOorzakelijk (csqn-)verband\n\n5.6.. De essentie van de stelling waarop [verzoekster] haar verzoeken heeft gebaseerd, is dat zij zonder het handletsel dat zij heeft opgelopen tijdens het eerste arbeidsongeval (waarvoor Total Berry aansprakelijk is en waarvoor Achmea aansprakelijkheid namens Total Berry heeft erkend) niet van de vlizotrap zou zijn gevallen. De kantonrechter vindt het echter niet voldoende waarschijnlijk dat zonder handletsel het tweede ongeval niet zou zijn gebeurd. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.\n\n5.7.. \n\nAls niet, althans onvoldoende weersproken staat in voldoende mate vast dat [verzoekster] van de vlizotrap viel, ondanks dat zij de leuning vast had met haar rechterhand, omdat haar voet (naar achteren) weggleed waarna haar been ongelukkig tussen de traptreden terecht kwam. Zij wilde in een reflex met haar linkerhand ook de linkerleuning grijpen om zo haar val te breken, maar dit lukte niet. In plaats van de leuning vast te pakken, stootte zij haar (door het eerdere arbeidsongeval beschadigde) linker wijsvinger en dit leverde bij [verzoekster] begrijpelijkerwijs veel pijn op. Er is dus wel een verband met het arbeidsongeval, bestaande uit een verminderde knijpkracht en een grotere pijngevoeligheid in de (dominante) linkerhand als gevolg van het bij het arbeidsongeval opgelopen letsel, maar dit is naar het oordeel van de kantonrechter een te ver verwijderd verband om aan te kunnen nemen dat [verzoekster] niet van de vlizotrap zou zijn gevallen als zij nog twee gezonde handen had gehad. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat uit de toedrachtbeschrijving volgt dat de val al was ingezet voordat [verzoekster] naar de linker leuning greep. Immers, pas na het wegglijden van haar voet greep [verzoekster] in een reflex ook naar die linker leuning. In het gunstigste geval had [verzoekster] haar val (in meer of mindere mate) kunnen breken als ze er in was geslaagd om de linker leuning vast te grijpen. Of dat met een gezonde linkerhand wel was gelukt, is de vraag aangezien het ging om een reflexmatige beweging na het wegglijden van haar voet en gebleken is dat het vasthouden van de rechterleuning de val niet heeft kunnen voorkomen of breken. Concrete aanknopingspunten om waarschijnlijk te kunnen achten dat [verzoekster] met een gezonde linkerhand haar val wel in voldoende mate had kunnen breken om letsel te voorkomen of aanzienlijk te beperken, ontbreken.\n\nDe kantonrechter heeft bij de beoordeling ook in aanmerking genomen dat [verzoekster] niet beperkt was in trapklimmen en ook geen verstoringen van haar evenwicht had. Haar kans om van een vlizotrap te vallen, was naar het oordeel van de kantonrechter niet substantieel groter dan voor iemand zonder beschadigde hand. Daar komt bij dat [verzoekster] op de hoogte was van en inmiddels gewend was aan de beperking aan haar linkerhand. Die beperking heeft haar niet doen besluiten om de vlizotrap te mijden en het aan de andere aanwezigen over te laten om de vlizotrap op te gaan. [verzoekster] heeft desgevraagd verklaard dat zij de vlizotrap vaker beklom om spullen van zolder te halen, wat naar het oordeel van de kantonrechter onderstreept dat ook zijzelf het beklimmen van de trap niet als bijzonder risicovol heeft gezien.\n\n5.8.. Op basis van wat hiervoor is overwogen, merkt de kantonrechter de val van de vlizotrap aan als een zogenoemd huis-, tuin en keukenongeluk dat valt binnen de risicosfeer van [verzoekster] .\n\n5.9.. \n\nHet voorgaande betekent dat de kantonrechter van oordeel is dat de val van de trap niet in een csqn-verband staat met het eerste arbeidsongeval. Voor het aannemen van een vermoeden dat dit anders is, ziet de kantonrechter onvoldoende grond.\n\nDe vraag of de gevolgen van de val gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, aan Total Berry kunnen worden toegerekend, behoeft dan ook niet meer te worden beantwoord. Het door Skopura gedane beroep op het Deurmat-arrest (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895) gaat reeds om die reden niet op.\n\nKosten deelgeschil\n\n5.10.. De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval geen sprake.\n\n5.11.. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n5.12.. \n\n [verzoekster] maakt aanspraak op € 8.959,45 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Total Berry en Achmea hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben zij aangevoerd dat het aantal uren voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift gematigd dient te worden tot 8 uren, omdat de inhoud van het verzoekschrift in grote mate (en vrijwel letterlijk) overeenkomt met de eerdere adviezen van mr. Kolder van 17 september 2025 en 24 december 2025.\n\nMet betrekking tot het aantal uren dat is gemoeid met de mondelinge behandeling (waaronder de voorbereidingstijd en de reistijd) hebben Total Berry en Achmea aangevoerd dat het niet redelijk is om de volledige reistijd te vergoeden op basis van het specialistentarief van € 295,00 exclusief btw.\n\n5.13.. \n\nDe kantonrechter vindt het uurtarief en het opgevoerde urenaantal (inclusief reistijd die leidt tot verlies van anders productief te maken uren) redelijk en aanvaardbaar en ziet dan ook geen aanleiding om een correctie toe te passen.\n\nDe redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op (afgerond) 25 uren × € 295,00 exclusief (21%) btw, dus op € 7.375,00 exclusief (21%) btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht.\n\nOmdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en Total Berry en Achmea niet veroordelen tot betaling daarvan.\n\nHet begrote bedrag hoeft alleen hoofdelijk door Total Berry en Achmea te worden betaald, als de aansprakelijkheid van Total Berry alsnog komt vast te staan.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. wijst de verzoeken van [verzoekster] af,\n\n6.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.375,00 exclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4080","2026-06-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.646Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":81},"941","ECLI:NL:RBOVE:2026:2510","ecli-nl-rbove-2026-2510",57,"2026-04-30T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11967647 \\ EJ VERZ 25-314\n\nBeschikking van 30 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\ngemachtigde: mr. M.L. de Jong,\n\ntegen\n\nTALEN 4G B.V.,\n\ngevestigd te Staphorst,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Talen,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met vijf bijlagen,\n\n- de per e-mail van 28 november 2025 door [verzoeker] overgelegde correspondentie tussen partijen,\n\n- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij [verzoeker] pleitaantekeningen heeft overgelegd.\n\n1.2. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1. \n [verzoeker] was via uitzendbureau B+B gedetacheerd bij Talen. Zijn werkzaamheden bestonden onder meer uit het in elkaar zetten van pallets met behulp van een nietpistool.\n\n2.2. Op 23 april 2025 was [verzoeker] aan het werk bij Talen. Tijdens het werk is [verzoeker] een bedrijfsongeval overkomen. [verzoeker] is met zijn rug tegen een nietpistool gebotst, waardoor een kram van 45 mm zijn long heeft geperforeerd. Als gevolg daarvan heeft [verzoeker] een klaplong opgelopen.\n\n2.3. Op 30 april 2025 heeft [verzoeker] Talen aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het bedrijfsongeval.\n\n2.4. Talen is voor aansprakelijkheid verzekerd bij MSIG (voorheen: MS Amlin). De verzekeraar heeft Sedgwick ingeschakeld om onderzoek te doen naar het bedrijfsongeval. Op 22 juli 2025 is de heer [naam] van Sedgwick op bezoek geweest bij [verzoeker]. In het rapport van het huisbezoek is het volgende opgenomen over het ongeval:\n\n‘De tacker die werd gebruikt had een lange steel die aan een katrol was bevestigd op ongeveer anderhalve meter hoogte. Daardoor kon ergonomisch worden gewerkt, zodat de tacker niet steeds opgetild hoefde te worden. De steel die aan de tacker was bevestigd diende ervoor het nieten in licht gebogen houding te kunnen uitvoeren.\n\nDe Oekraïense collega die overigens via en ander uitzendbureau te werk gesteld was bij uw verzekerde (uitzendbureau Bikkel?) had al lange tijd het plan opgevat om sneller te werken door de beveiliging van de trekker van het nietpistool te omzeilen, althans te modificeren door een elastiek om de trekker heen te doen. Daarmee kon forse tijdwinst behaald worden.\n\nDoor het omzeilen van deze beveiliging ontstond er een extra risico, een risico dat belanghebbende al ettelijke keren bij zowel de Oekraïense collega alsook bij het management van Talen kenbaar heeft gemaakt, maar hier werd niets tegen gedaan. Belanghebbende heeft ettelijke keren het elastiek van de tacker verwijderd.\n\nEen aantal weken voor het ongeluk heeft de Oekraïense collega op deze manier zichzelf al verwond door in zijn vinger te nieten.\n\nOp de dag van het ongeval bukte belanghebbende om een doos te pakken en liep daarbij met zijn rug onder de tacker door. Daarmee kwam zijn rug in aanraking met de beugel van het nietpistool, waardoor deze afging aangezien de trekker in de schietstand stond. Een niet van 4,5 centimeter (een U-vorm) boorde zich in zijn rug.’\n\n2.5. Na afloop van huisbezoek hebben de gemachtigde van [verzoeker] en de verzekeraar over en weer gecorrespondeerd over de aansprakelijkheid. Per e-mail van 12 november 2025 laat MSIG het volgende weten aan [verzoeker]:\n\n‘Wij zijn van mening dat de aansprakelijkheid wel gegeven is maar begrepen dat onze verzekerde deze mening niet deelt.\n\nNu wij het dossier weer zelf behandelen hebben wij onze verzekerde zelf nogmaals meegedeeld dat naar onze mening de aansprakelijkheid is gegeven. Zij dragen een hoog eigen risico dus uiteindelijk is het aan hen om te willen regelen of niet.’\n\n2.6. De gemachtigde van [verzoeker] heeft Talen meermaals verzocht om de aansprakelijkheid te erkennen en de schade te regelen, maar daar heeft Talen geen gehoor aan gegeven.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. Samengevat verzoekt [verzoeker] de kantonrechter om te verklaren voor recht dat Talen tekort is geschoten in de zorgplicht jegens [verzoeker] en aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade en te gelasten dat Talen meewerkt aan een schaderegeling. Daarnaast verzoekt [verzoeker] om betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 3.500,00, de kosten van de deelgeschilprocedure te begroten en toe te wijzen en Talen te veroordelen tot het betalen van € 5.000,00 als voorschot op de buitengerechtelijke kosten.\n\n4. De beoordeling\n\nDeelgeschilprocedure4.1. \n [verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.2. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of Talen aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden als gevolg van het bedrijfsongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\nTalen is niet verschenen4.3. Talen is niet op de mondelinge behandeling verschenen en heeft ook geen verweerschrift ingediend. Het is de kantonrechter bekend dat Talen wel is opgeroepen voor de mondelinge behandeling door middel van een aangetekende brief die geadresseerd is aan het juiste adres van Talen en dat deze brief ook is ontvangen door Talen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat Talen op de hoogte was van de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Nu Talen niet is verschenen en de stellingen van [verzoeker] niet heeft weersproken, staan die stellingen daarmee vast.\n\n [verzoeker] heeft schade opgelopen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden4.4. Op grond van artikel 7:658 BW is de werkgever aansprakelijk jegens de werknemer voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplicht of er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van de werknemer. Gelet op de strekking van artikel 7:658 BW is het aan [verzoeker] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij schade heeft opgelopen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. In dit geval is het ontstaan van schade bij de uitvoering van de werkzaamheden komen vast te staan. [verzoeker] heeft namelijk gesteld dat hem op 23 april 2025 een ongeval is overkomen op het werk en dat hij daarbij letselschade aan zijn rug en long heeft opgelopen. Talen heeft dat niet betwist. Dit betekent dat Talen als werkgever in aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als werknemer heeft opgelopen, tenzij Talen aan haar zorgplicht heeft voldaan of wanneer er aan de zijde van [verzoeker] sprake zou zijn geweest van opzet of bewuste roekeloosheid.\n\nTalen heeft niet aan haar zorgplicht voldaan4.5. Om aan te tonen dat Talen aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW heeft voldaan, moet zij stellen en zo nodig bewijzen dat zij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig zijn om de schade te voorkomen. De zorgplicht van de werkgever beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en als gevolg daarvan niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade.\n\n4.6. Nu Talen niet is verschenen gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [verzoeker]. [verzoeker] stelt dat het nietpistool gemodificeerd is door een collega als gevolg waarvan de kans op het ontstaan van letsel aanzienlijk is vergroot. Talen had erop moeten toezien dat het nietpistool niet gemodificeerd werd en collega’s moeten waarschuwen. Niet is gebleken dat Talen deze of andere maatregelen heeft getroffen. Daarom oordeelt de kantonrechter dat Talen niet aan haar zorgplicht heeft voldaan.\n\nGeen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid4.7. Tussen partijen staat niet ter discussie of er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van [verzoeker].\n\nConclusie: Talen is aansprakelijk4.8. \n [verzoeker] heeft letsel opgelopen tijdens zijn werk en Talen heeft haar zorgplicht geschonden. Dat leidt tot het oordeel dat Talen aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] lijdt als gevolg van het ongeval dat hem op 23 april 2025 bij de uitvoering van zijn werkzaamheden is overkomen. De verzochte verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.\n\nVoorschot op de schadevergoeding4.9. \n [verzoeker] heeft voldoende gemotiveerd onderbouwd dat hij als gevolg van het ongeval schade heeft geleden. Zo heeft hij onder meer zijn eigen risico voor zijn zorgverzekering moeten betalen ter hoogte van € 385,00 vanwege behandeling van het letsel in het ziekenhuis. Daarnaast heeft de gemachtigde van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [verzoeker] als gevolg van het letsel langdurig hersteld is en daarvan last heeft ondervonden en als gevolg daarvan recht heeft op een smartengeldvergoeding. Ook is voldoende concreet geworden dat er gedurende zes maanden sprake is geweest van inkomensschade. Deze schadeposten zijn door Talen niet weersproken. Het verzochte voorschot op de schadevergoeding van € 3.500,00 is dan ook toewijsbaar.\n\nKosten deelgeschil4.10. De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.\n\n4.11. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.12. De kantonrechter is van oordeel dat het door de gemachtigde van [verzoeker] gehanteerde uurtarief, gelet op de door hem gevolgde specialisatieopleiding redelijk is. De tijd (7,8 uren exclusief de mondelinge behandeling) die de gemachtigde van [verzoeker] heeft besteed aan deze deelgeschilprocedure acht de kantonrechter ook redelijk. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak, inclusief de mondelinge behandeling, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter worden begroot op 10 uren × € 283,00 exclusief btw. Inclusief 21% btw gaat het om een bedrag van € 3.424,30, nog te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 257,00, totaal: € 3.681,30. Talen zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.\n\nVoorschot op de buitengerechtelijke incassokosten4.13. Tot slot verzoekt [verzoeker] om betaling van een voorschot op de gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 5.000,00. Volgens [verzoeker] bedraagt de totale post buitengerechtelijke kosten inclusief de kosten van het deelgeschil € 6.511,01 inclusief 21% btw. Hiervoor is door de kantonrechter reeds een bedrag van € 3.424,30 toegewezen. Uit de door [verzoeker] overgelegde urenoverzichten blijkt dat na aftrek van de kosten voor het deelgeschil nog een bedrag van € 3.086,71 inclusief 21% btw aan buitengerechtelijke kosten resteert. Dit bedrag komt de kantonrechter redelijk voor en zal dan ook als voorschot worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1. verklaart voor recht dat Talen aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade als gevolg van het bedrijfsongeval dat [verzoeker] is overkomen op 23 april 2025,\n\n5.2. gelast Talen om mee te werken aan een schaderegeling in verband met de schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden en\u002Fof in de toekomst nog zal lijden als gevolg van het hiervoor genoemde bedrijfsongeval,\n\n5.3. veroordeelt Talen tot betaling van een bedrag van € 3.500,00 aan [verzoeker] als zijnde een voorschot op zijn materiële en immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW indien Talen dit bedrag niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis voldoet,\n\n5.4. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.424,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 257,00 en veroordeelt Talen tot betaling daarvan aan [verzoeker],\n\n5.5. veroordeelt Talen tot betaling aan [verzoeker] van € 3.086,71 inclusief btw als voorschot op de buitengerechtelijke kosten,\n\n5.6. gelast Talen de onder 5.3. tot en met 5.5. toegewezen bedragen aan [verzoeker] te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking,\n\n5.7. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.\n\n Hoge Raad 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2510","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.959Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":43,"courtId":86,"decisionDate":87,"fullText":88,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":51,"updatedAt":91},"1300","ECLI:NL:RBNHO:2026:2395","ecli-nl-rbnho-2026-2395",73,"2026-01-14T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: 11635673 \\ CV EXPL 25-1241\n\nVonnis van 14 januari 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. E.M. de Ruiter,\n\ntegen\n\nAANNEMERSBEDRIJF [de B.V.] B.V.,\n\nte Den Helder,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de B.V.] ,\n\ngemachtigde: mr. L.C. Dufour.\n\nDe zaak in het kort\n\n [eiser] heeft tijdens zijn werk voor [de B.V.] letsel opgelopen als gevolg van een arbeidsongeval. [eiser] stelt [de B.V.] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor zijn schade. De kantonrechter is van oordeel dat [de B.V.] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] . De kantonrechter wijst een tussenvonnis en stelt [eiser] in de gelegenheid een akte te nemen om zijn schade te onderbouwen. De kantonrechter ziet daarbij aanleiding om [de B.V.] te veroordelen om - in afwachting van het verloop van de verdere procedure - een voorschot van € 5.000,- aan [eiser] te betalen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 25 maart 2025, met producties 1 tot en met 13;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- het tussenvonnis van 2 juli 2025;\n\n- het bericht van de advocaat van [de B.V.] met een aanvullende productie;\n\n- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Door mr. [eiser] zijn spreekaantekeningen overgelegd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 26 juni 2017 is [eiser] gewond geraakt tijdens zijn werkzaamheden voor [de B.V.] . [eiser] verrichte samen met collega’s werkzaamheden op een bouwplaats. Bij het omhoog hijsen van een dakpaneel is het dakpaneel losgeraakt en omlaag gevallen. Het vallende dakpaneel heeft [eiser] geraakt. Als gevolg hiervan heeft [eiser] letsel opgelopen, waaronder breuken in zijn middenvoetsbeentjes en een scheur in zijn bekken.\n\n2.2.. \n [eiser] is op 27 juni 2016 in dienst getreden bij [de B.V.] . Zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd liep op 28 juli 2017 af. [eiser] is in verband met een verminderd arbeidsvermogen door mentale beperkingen via bemiddeling van het UWV bij [de B.V.] in dienst gekomen.\n\n2.3.. Bij brief van 2 juli 2017 heeft [eiser] [de B.V.] aansprakelijk gesteld voor het ongeval en de door hem geleden schade.\n\n2.4.. Door EMN is in opdracht van [de B.V.] een aansprakelijkheidsonderzoek uitgevoerd. Van het onderzoek is een rapport opgemaakt dat op 2 februari 2018 beschikbaar was. In het rapport zijn verklaringen opgenomen van enkele getuigen: de heer [getuige 1] , de heer [getuige 2] , de heer [getuige 3] en de heer [getuige 4] . Ook is een verklaring van een politiemedewerker opgenomen.\n\nDe heer [getuige 1] heeft onder meer verklaard:\n\n“Ik zag de prefab plaat half in de takels hangen en nog half op de grond staan. Er ging iets niet goed, je zag ook dat de mannen een beetje onrustig waren. De plaat werd verder omhoog gehesen en het kraakte enorm. Op een gegeven moment sprong een van de mannen op de dakplaat die in de takel hing. Er zat iets niet goed bij de verbinding tussen de takel en de plaat denk ik. Op het moment dat hij in de takel of tegen de plaat sprong was het ‘pats’. In een fractie van een seconde klapte het geheel op straat met die knul eronder”.\n\nDe heer [getuige 2] heeft onder meer verklaard:\n\n“Op de genoemde datum waren wij met 4 timmerlieden en 1 kraanmachinist […] op deze bouwlocatie. Die dag gingen we dakpanelen plaatsen. […] Ik was met [eiser] ( [eiser] ) beneden om de platen aan te pikken en om met de kraanmachinist te communiceren. […] We gingen het een na laatste element hijsen. […] Het aanhaken en hijsen ging de hele tijd prima, wel moest ik [eiser] continu sturen, dat hij aan de kant moest gaan, te dichtbij stond, dat soort zaken. [eiser] heeft dat altijd al gehad, hij ziet geen gevaar. Ik dorst hem niet alleen dingen te laten doen.\n\nNadat ik de machinist had aangegeven dat hij kon hijsen. Toen de plaat omhoog ging hoorde ik wat kraken. Ik brulde tegen [eiser] dat hij weg moest gaan. Ik nam afstand en had op dat moment geen direct zicht op [eiser] of het paneel. Ik heb niet gezien wat [eiser] deed maar kort erop, enkele seconde later, viel het paneel uit de kraan en zag ik [eiser] eronder liggen.\n\nDe heer [getuige 4] heeft onder meer verklaard:\n\n“Het werk bestond uit het plaatsen van prefab dek elementen. […] [eiser] en [getuige 2] ( [getuige 2] ) haakten de dakpanelen aan waarna deze omhoog gehesen werden en [getuige 3] ( [getuige 3] ) en ik deze monteerden. De klus ging lekker en we schoten goed op. Bij het hijsen van het laatste element voor die zijde van het dak ging het mis. Ik hoorde een hoop lawaai en keek naar beneden wat er aan de hand was. Ik hoorde [getuige 2] heel luid roepen ‘Wat doe je?’ en ik zag [eiser] in het dak element springen. Het element is daardoor gaan kantelen waardoor de schroeven waaraan werd gehesen zijn gebroken. […]”\n\n2.5.. Bij brief van 5 maart 2018 heeft [de B.V.] de aansprakelijkheid afgewezen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nvoor recht verklaart dat [de B.V.] aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade;\n\n [de B.V.] veroordeelt om aan [eiser] alle door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\n [de B.V.] veroordeelt tot betaling van een voorschot aan [eiser] ;\n\n [de B.V.] veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten.\n\n3.2.. \n\n [eiser] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag.\n\n [eiser] stelt dat hij letsel heeft opgelopen tijdens het uitvoeren van werkzaamheden voor [de B.V.] . Artikel 7:658 BW legt een zware zorgplicht op de werkgever om te voorzien in een veilige werkomgeving en om toe te zien op de naleving van veiligheidsinstructies en procedures. [de B.V.] heeft niet aan deze zorgplicht voldaan en dient de schade die [eiser] lijdt en zal lijden als gevolg van het opgelopen letsel te vergoeden.\n\n3.3.. \n\n [de B.V.] voert verweer en voert het volgende aan.\n\n [de B.V.] voert aan dat zij haar zorgplicht uit hoofde van artikel 7:658 BW is nagekomen. Het is niet de bedoeling van artikel 7:658 BW om een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het in artikel 7:658 BW bedoelde gevaar. De bedoeling van het artikel is om werknemers in zoverre tegen dit gevaar te beschermen als redelijkerwijs in verband met de arbeid van de werkgever gevergd kan worden. [de B.V.] heeft ervoor gezorgd dat [eiser] onder begeleiding en directe instructie van een collega werkte. [de B.V.] hoefde niet te verwachten dat [eiser] naar de vallende last toe zou bewegen, in plaats van daarvandaan zoals hem was geïnstrueerd. Er waren geen veiligheidsmaatregelen die het handelen van [eiser] hadden kunnen voorkomen. Dit betekent dat [de B.V.] de maatregelen heeft genomen die in redelijkheid van haar konden worden gevergd en dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van [eiser] .\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nJuridisch kader\n\n4.1.. \n [eiser] stelt [de B.V.] als werkgever aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW. Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee de werknemer de arbeid moet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Uit het tweede lid van het artikel volgt dat een werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever heeft voldaan aan de zorgplicht uit het eerste lid of de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.\n\n4.2.. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Er wordt niet snel aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.\n\nIn de uitoefening van de werkzaamheden\n\n4.3.. \n\nDe kantonrechter stelt vast dat [eiser] en [de B.V.] het niet eens zijn over de toedracht van het ongeval. [de B.V.] verwijst naar het rapport van EMN, waaruit zou blijken dat [eiser] het ongeval heeft veroorzaakt door op of tegen het dakpaneel te springen. [eiser] betwist dat hij op of tegen het paneel gesprongen is. Ter zitting heeft hij verklaard dat het paneel juist naar hem toezwaaide, omdat het paneel eerst aan één kant losraakte.\n\nNaar het oordeel van de kantonrechter is het voldoende dat vast staat dat er tijdens het verrichten van werkzaamheden een dakpaneel naar beneden is gevallen en dat [eiser] daar onder terechtgekomen is. De precieze toedracht kan daarom in het midden blijven. [eiser] heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden letsel opgelopen en dit betekent dat [de B.V.] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van [eiser] , tenzij [de B.V.] aannemelijk kan maken dat zij alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die in redelijkheid van haar mochten worden verwacht.\n\nZorgplicht\n\n4.4.. De kantonrechter stelt vast dat het werk dat [eiser] voor [de B.V.] verrichte op 26 juni 2017 gevaarlijk werk was. De zware dakpanelen werden met een hijskraan omhoog gehesen naar het dak. De gevaarlijke aard van het werk zou naar het oordeel van de kantonrechter met zich moeten brengen dat er zorg voor wordt gedragen dat er tijdens het hijsen van de panelen geen werknemers onder de panelen staan voor het geval er iets misgaat. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid bij deze gevaarlijke werkzaamheden lag niet alleen bij [eiser] als werknemer, maar in zwaardere mate met name ook bij zijn werkgever [de B.V.] . Op de dag van het ongeval werkte [eiser] onder begeleiding van de heer [getuige 2] . [getuige 2] hield namens [de B.V.] toezicht op de werkzaamheden van [eiser] en gaf [eiser] instructies. De verantwoordelijkheid van [de B.V.] voor de veiligheid van [eiser] werd die dag dus uitgevoerd door [getuige 2] , zodat [getuige 2] zich ervan had moeten vergewissen dat [eiser] zich aan de veiligheidsinstructies hield.\n\n4.5.. Tussen partijen is daarbij niet in geschil dat [eiser] zich soms onvoorzichtig en onstuimig gedroeg, dat men hem goed in de gaten moest houden en dat hij geen werkzaamheden alleen kon doen. Dit wordt door [getuige 2] zelf ook bevestigd in zijn verklaring die is opgenomen in het rapport van EMN.\n\n4.6.. Uit de verklaring van [getuige 2] in het EMN rapport blijkt voorts dat hij tijdens het hijsen van het dakpaneel geen zicht had op [eiser] : “Toen de plaat omhoog ging hoorde ik wat kraken. Ik brulde tegen [eiser] dat hij weg moest gaan. Ik nam afstand en had op dat moment geen direct zicht op [eiser] of het paneel. Ik heb niet gezien wat [eiser] deed maar kort erop, enkele seconde later, viel het paneel uit de kraan en zag ik [eiser] eronder liggen.”.De kantonrechter leidt hieruit af dat [getuige 2] zijn toezichthoudende taak daarmee heeft verzaakt. Juist bij een werknemer als [eiser] , waarvan bij zowel [de B.V.] als [getuige 2] bekend was dat extra toezicht en instructie noodzakelijk was, had [de B.V.] - in de persoon van [getuige 2] - meer moeten doen om zich ervan te vergewissen dat [eiser] zich aan de veiligheidsinstructies hield door voldoende afstand te nemen en te houden.\n\n4.7.. De kantonrechter is van oordeel dat [de B.V.] niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Dit betekent dat [de B.V.] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] , tenzij er aan de zijde van [eiser] sprake was van bewuste roekeloosheid.\n\nBewuste roekeloosheid\n\n4.8.. Van bewuste roekeloosheid is alleen sprake als de werknemer – in dit geval [eiser] – zich onmiddellijk voorafgaand aan de schade toebrengende gebeurtenis daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag. Het het feit dat [eiser] na de geschreeuwde waarschuwing niet op tijd voldoende afstand heeft genomen of heeft kunnen nemen is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is geweest van bewust roekeloos gedrag. Of [eiser] op of tegen het paneel is gesprongen – [eiser] betwist dit uitdrukkelijk – kan daarbij in het midden blijven, omdat daarmee onvoldoende zou zijn onderbouwd dat hij zich daarbij daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag.\n\nAansprakelijkheid\n\n4.9.. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] schade opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, heeft [de B.V.] haar zorgplicht jegens [eiser] geschonden en is er geen sprake van bewuste roekeloosheid aan de zijde van [eiser] . Dit betekent dat [de B.V.] aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade.\n\nSchade(staat)\n\n4.10.. \n [de B.V.] vordert dat de zaak wordt verwezen naar de schadestaat. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Het ongeval heeft ruim acht jaar geleden plaatsgevonden en er is sprake van een medische eindtoestand. Dit betekent dat [eiser] in staat moet zijn om zijn schade inzichtelijk te maken. De kantonrechter zal [eiser] de gelegenheid geven een akte te nemen om zijn schade te onderbouwen. Voor het nemen van deze akte krijgt [eiser] een termijn van vier weken.\n\nVoorschot\n\n4.11.. \n [eiser] verzoekt de kantonrechter om [de B.V.] te veroordelen tot het betalen van een voorschot. Dat [de B.V.] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] staat voor de kantonrechter vast. Daarbij staat ook vast dat [eiser] schade heeft geleden, alleen de omvang van de schade is nog onbekend. In ieder geval zal [eiser] recht hebben op een vergoeding voor de geleden pijn en het ervaren ongemak, waarbij rekening moet worden gehouden met het gegeven dat [eiser] ook nu nog vaak pijn ervaart. Verder heeft [eiser] verklaart dat hij als gevolg van het opgelopen letsel een aantal hobby’s niet meer kan uitoefenen, zoals windsurfen en bergbeklimmen. De kantonrechter zal [de B.V.] gelet op deze overwegingen veroordelen om in afwachting van de verdere procedure een voorschot van € 5.000,- aan [eiser] te betalen.\n\n4.12.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 februari 2026voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 4.10,\n\n5.2.. veroordeelt [de B.V.] om aan [eiser] een voorschot op de schade van € 5.000,- te betalen en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2395","2026-03-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:14.743Z",20,[11]]