[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-employment-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":101},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":25,"page":14,"limit":100},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":17},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":14},12,[39,52,61,71,81,90],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1150","ECLI:NL:RBLIM:2025:11921","ecli-nl-rblim-2025-11921","",66,"2025-12-02T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11893065 \\ AZ VERZ 25-106\n\nBeschikking van 2 december 2025\n\nin de zaak van\n\nHUMBY B.V.,\n\ngevestigd te Panningen, kantoorhoudende te Venlo,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Humby,\n\ngemachtigde: mr. P. Caris,\n\ntegen\n\n1. [bedrijfsnaam 1] B.V.,\n\ngevestigd te Venlo, 2. [verweerder sub 2],\n\nwonende te [plaatsnaam] ,\n\nverwerende partijen,\n\nverzoekende partijen in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ,\n\ngemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met producties, met zelfstandig tegenverzoek,\n\n- het verweerschrift in het tegenverzoek, met producties in het verzoek en tegenverzoek,\n\n- de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, met daaraan gehecht de pleitnota van mr. Oudenhoven.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Humby is een dienstverlener, actief op het gebied van opslag en transport (warehouse & logistics).\n\n2.2.. \n [verweerder sub 2] heeft vanaf 1 januari 2023 werkzaamheden voor Humby verricht.\n\n2.3.. Humby en [verweerder sub 1] hebben op 12 juli 2023 met ingang van 1 januari 2023 een schriftelijke overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, met als titel “overeenkomst van opdracht tussen Humby B.V. en [bedrijfsnaam 1] B.V.” (productie 1 van Humby).\n\n2.4.. Humby en [verweerder sub 2] hebben op 12 juli 2023 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Door middel van een separate overeenkomst van koop en verkoop heeft [verweerder sub 2] 25% van de aandelen in Humby verworven, tegen een koopprijs van € 230.000,00.\n\n2.5.. Humby heeft aan [verweerder sub 1] over de periode van 1 januari 2023 tot 27 februari 2025 een bedrag van € 6.611,00 exclusief BTW per maand betaald voor de verrichte werkzaamheden.\n\n2.6.. Bij e-mailbericht van 27 februari 2025 heeft Humby de overeenkomst met [verweerder sub 1] opgezegd met inachtneming van de in artikel 3 opgenomen opzegtermijn van drie maanden (productie 3 van Humby).\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. Humby verzoekt, zoals tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd en verkort weergegeven;\n\nI. te verklaren voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan,\n\nII. in het geval wel sprake is van een arbeidsovereenkomst, te verklaren voor recht dat deze door opzegging is geëindigd en dat [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] niet binnen twee maanden ex artikel 7:686a lid 4 onder a BW een vordering tot vernietiging of herstel heeft ingesteld, zodat deze rechtsvordering is komen te vervallen,\n\nIII. in het geval sprake is van een arbeidsovereenkomst, te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd,\n\nIV. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de volledige proceskosten, begroot op € 5.000,00 ex BTW.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft Humby - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Er is geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Partijen hebben samen uitdrukkelijk gekozen voor het sluiten van een managementovereenkomst. Humby heeft de managementovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2025. Zelfs in het geval er wel sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst is deze eveneens op 1 juni 2025 door opzegging geëindigd. Er is hoe dan ook een einde gekomen aan de werkrelatie tussen partijen, zodat [verweerder sub 1] op grond van de aandeelhoudersovereenkomst haar aandelen met peildatum 1 juni 2025 aan Humby dient aan te bieden.\n\n3.3.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Humby, dan wel tot afwijzing van het verzoek van Humby, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Humby in de kosten van deze procedure.\n\n4. Het tegenverzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verzoeken, zoals tijdens de mondelinge behandeling verminderd (netto wordt bruto), - verkort weergegeven -;\n\nI. te verklaren voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 2] een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en nog steeds bestaat,\n\nII. Humby te veroordelen het salaris van € 8.000,00 bruto te vermeerderen met vakantiebijslag en emolumenten aan [verweerder sub 2] te voldoen vanaf 27 februari 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,\n\nIII. aan [verweerder sub 2] de proceskosten te voldoen.\n\n4.2.. Aan het verzoek hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. [verweerder sub 2] heeft vanaf het begin zijn werkzaamheden bij Humby verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. De managementovereenkomst is weliswaar tussen partijen gesloten maar hier is nooit uitvoering aan gegeven. De opzegging van Humby was niet gericht aan [verweerder sub 2] als werknemer, maar aan [verweerder sub 1] , zodat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt. [verweerder sub 2] heeft zijn salaris van € 8.000,00 netto uit hoofde van de arbeidsovereenkomst vanaf 27 februari 2025 niet meer betaald gekregen.\n\n4.3.. Humby verzet zich tegen toewijzing van het tegenverzoek en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , met veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in de kosten van deze procedure.\n\n5. De beoordeling\n\nIn het verzoek en in het zelfstandig tegenverzoek\n\n5.1.. Humby vordert een negatieve verklaring voor recht dat er tussen haar en [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De kern van het geschil tussen partijen betreft de beantwoording van de vraag of er tussen [verweerder sub 2] en Humby sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter overweegt als volgt.\n\n5.2.. \n\nDe Hoge Raad heeft met betrekking het toetsingskader of er sprake is van een arbeidsovereenkomst in het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR: 2023:443) het volgende overwogen.\n\n“3.2.2 Art. 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.\n\n3.2.3.\n\nOm te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen.\n\n3.2.4.\n\nAls de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.\n\n3.2.5.\n\nOf een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.\n\nHet gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.”\n\n5.3.. De Haviltexmaatstaf die de Hoge Raad in nummer 3.2.3. noemt, is een uitlegmaatstaf voor een schriftelijk contract. Deze maatstaf houdt - kort samengevat - in dat bij de beantwoording van de vraag hoe een verhouding van partijen is geregeld niet alleen de taalkundige uitleg van de bepalingen van een contract van belang zijn, maar ook de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle bijzondere omstandig-heden van het geval van belang.\n\n5.4.. De kantonrechter zal hierna per gezichtspunt bespreken of, gelet op wat partijen in de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, aan de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst is voldaan of dat sprake is van een overeen-komst van opdracht.\n\nde aard en duur van de werkzaamheden\n\n5.5.. \n\nPartijen zijn het erover eens dat de aard van de werkzaamheden, zoals beoogd in de overeenkomst, bestond uit het verrichten van commerciële werkzaamheden voor Humby. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben op de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat [verweerder sub 2] nauwelijks commerciële werkzaamheden heeft verricht, maar vooral magazijn-werkzaamheden in de loods heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat de verrichte werkzaamheden bijzondere verrichtingen betreffen. Uit de schriftelijke overeenkomst volgt niet dat er sprake is van een resultaatsverbintenis. Daarnaast is de overeenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de aard van de werkzaamheden en de overeengekomen duur van de overeenkomst aanwijzingen vormen dat sprake is (geweest) van een arbeids-overeenkomst.\n\nDe wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald\n\n5.6.. \n\nPartijen staan in dit kader lijnrecht tegenover elkaar.\n\nHumby stelt als volgt. [verweerder sub 2] genoot, via [verweerder sub 1] , volledige vrijheid in de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden (wanneer en waar hij wilde). Het maakt Humby niet uit of [verweerder sub 2] zijn werkzaamheden in 1 uur per maand of 60 uur per week uitvoerde, zolang hij zijn taken maar uitvoerde en klanten uit zijn netwerk binnenbracht. Humby gaf [verweerder sub 2] geen instructies en er was er geen gezagsverhouding. [verweerder sub 2] zocht zelf opdrachten en voerde deze uit. Hij hoefde aan niemand verantwoordelijkheid af te leggen. [verweerder sub 2] had geen toestemming nodig voor het opnemen van verlof, ondanks dat hij wel om toestemming vroeg, aldus Humby.\n\n5.7.. \n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben naar voren gebracht dat Humby de werkzaamheden bepaalde en hij werd aangestuurd door [naam 1] , leidinggevende bij Humby, die hem instructies en opdrachten gaf. Hij had geen vrijheid om zijn werkzaam-heden inhoudelijk in te richten. Het stond hem niet vrij om opdrachten naar eigen believen aan te nemen en\u002Fof terug te geven. Volgens [verweerder sub 2] werkte hij, net als andere werknemers, dagelijks van 07.00 uur (of eerder) tot 16.00 uur (of later) op de locatie van Humby in Venlo. [verweerder sub 2] werd door Humby ingeroosterd en kon wel net als iedere andere werknemer van Humby zijn beschikbaarheid opgeven.\n\nOok diende hij voor het opnemen van verlof en elke afwijking van de reguliere werktijden toestemming te vragen aan [leidinggevende] .\n\n5.8.. Naar het oordeel van de kantonrechter geven de voorgaande aspecten geen duidelijkheid over het bestaan van een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst. Humby heeft weliswaar een verklaring overlegd van [naam 2] , waarin deze onder meer aangeeft dat [verweerder sub 2] nooit verlof aanvroeg en [verweerder sub 2] kwam werken wanneer hij wilde en geen vaste werktijden had, maar deze verklaring is door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] gemotiveerd betwist. Bovendien heeft Humby onvoldoende gesteld over de positie van [naam 2] binnen Humby. Dit gezichtspunt zal daarom niet worden meegenomen in de beoordeling.\n\nDe inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht\n\n5.9.. \n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat de functie van commercieel medewerker volledig is ingebed in de organisatie van Humby en een structureel karakter heeft. [verweerder sub 2] werkte op de locatie van Humby in Venlo.\n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voeren verder aan dat [verweerder sub 2] geen eigen bedrijfsmiddelen heeft gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden. Hij kreeg en droeg werkkleding van Humby met het logo van Humby en had een visitekaartje met de naam van Humby erop (productie 2 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ).\n\nDit alles is niet door Humby weersproken. De stelling van Humby dat de veiligheidsvoor-schriften voorschrijven dat je op de werkvloer werkkleding aan moest hebben, maakt dit niet anders. Wat betreft het inbeddingsaspect zijn er naar het oordeel van de kantonrechter aanwijzingen voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst.\n\nHet al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren\n\n5.10.. \n\nTen aanzien van dit gezichtspunt stelt Humby dat de overeenkomst [verweerder sub 1] niet verplicht dat [verweerder sub 2] persoonlijk voor een lange, vaste periode feitelijk de diensten verricht. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] geacht werd de werkzaamheden persoonlijk uit te voeren, zonder de mogelijkheid zich te laten vervangen.\n\nIn de schriftelijke overeenkomst staat niets vermeld over een verplichting tot persoonlijk uitvoeren van het werk. Nu de overeenkomst is aangegaan met een onderneming en niet met [verweerder sub 2] in privé, had het voor de hand gelegen dat een dergelijke bepaling in de overeenkomst was opgenomen, als Humby uitsluitend van de diensten van [verweerder sub 2] gebruik wilde maken. Nu een dergelijk beding niet is opgenomen, blijkt niet dat [verweerder sub 2] zich niet mocht laten vervangen door een derde. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben deze stelling ook niet verder onderbouwd of bewijs hiervan aangedragen.\n\nDit onderdeel is naar het oordeel van de kantonrechter een aanwijzing dat er sprake is (geweest) van een overeenkomst van opdracht.\n\nDe wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen\n\n5.11.. \n\nOp dit onderdeel voert Humby het volgende aan. Humby wilde [verweerder sub 1] inhuren voor commerciële activiteiten en laten participeren in Humby, om op die manier incentive te creëren. [verweerder sub 2] gaf aan altijd ondernemer te zijn geweest en dat te willen blijven. Partijen hebben toen gekozen voor een participatie via [verweerder sub 1] en niet via [verweerder sub 2] privé. Voorts is samen gekozen voor een managementovereenkomst omdat [verweerder sub 1] de opdracht zelfstandig naar eigen inzicht en expertise wilde uitvoeren. Humby en [verweerder sub 1] hebben per 1 januari 2023 een schriftelijke managementovereenkomst gesloten waarin [verweerder sub 1] optreedt als opdrachtnemer. Namens [verweerder sub 1] worden deze activiteiten uitgevoerd door [verweerder sub 2] . In de overeenkomst hebben partijen uitdrukkelijk afgesproken dat zij wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW en uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Humby biedt van deze stelling getuigenbewijs aan. Verband houdende met de managementovereenkomst heeft [verweerder sub 2] in juli 2023 ook een aandeelhoudersovereenkomst gesloten, waarbij [verweerder sub 2] een groot aandelenbelang van 25% in Humby heeft gekregen.\n\n [verweerder sub 2] is naast bij Humby ook bestuurder en aandeelhouder bij een andere entiteit (Indexica).\n\n5.12.. \n\nVolgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] is er niet onderhandeld over de overeen-komst. [verweerder sub 2] was voor zijn participatie in Humby al werkzaam voor Humby, op basis van een arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2023. Toen had hij nog geen eigen bv. [verweerder sub 2] is niet actief geweest als zelfstandige voor de indiensttreding bij Humby. Pas later op initiatief van [naam 3] van [bedrijfsnaam 2] , de accountant van Humby, zijn de bv’s opgericht. [bedrijfsnaam 2] heeft de samenwerking tussen partijen geformaliseerd.\n\nEerst werd Indexica B.V. opgericht, een gezamenlijke vennootschap tussen Humby en [verweerder sub 2] (ieder 50%), bedoelt voor de bandenhandel. Daarnaast is de persoonlijke holding [verweerder sub 1] opgericht, uitsluitend voor de administratieve afhandeling van de maandelijkse betalingen. In de aandeelhoudersovereenkomst is ook vermeld dat [verweerder sub 2] in dienst is getreden bij Humby. [verweerder sub 2] heeft nimmer bewust en doelgericht gekozen voor een zelfstandige constructie.\n\n5.13.. De kantonrechter is van oordeel dat zowel uit de schriftelijke overeenkomst (waarvan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ter mondelinge behandeling hebben erkend dat deze door [verweerder sub 1] is ondertekend en daadwerkelijk tussen partijen heeft bestaan) en uit de aandeelhoudersovereenkomst blijkt dat partijen de wens hadden op basis van een overeenkomst van opdracht samen te gaan werken. In de schriftelijke overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“In aanmerking nemen dat:\n\n(..)\n\nPartijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW;\n\nPartijen uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan in de zin van artikel 7:610 e.v. BW;\n\n(..)\n\nArtikel 1. Werkzaamheden en uitvoering van de opdracht1.1.. Opdrachtgever verleent aan opdrachtnemer de opdracht tot het uitvoeren van de volgende werkzaamheden: (..)\n\n(..)1.3.. \n\nOpdrachtnemer deelt zijn werkzaamheden zelfstandig in (..)\n\n(..)1.4.. \n\nOpdrachtnemer is bij het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden geheel zelfstandig. Hij verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van Opdrachtgever (..).\n\n(..)”\n\n5.14.. \n\nDaarnaast blijkt ook uit de doelstelling in artikel 2, lid 2 van de door [verweerder sub 2] ondertekende aandeelhoudersovereenkomst dat partijen het voornemen hebben om met elkaar samen te werken zolang er sprake is van een managementovereenkomst tussen [verweerder sub 2] en\u002Fof diens meester en Humby. In artikel 2 is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Partijen hebben het voornemen om met elkaar samen te werken zolang er sprake is van een managementovereenkomst tussen [verweerder sub 2] en\u002Fof diens meester en Humby (..)”\n\n5.15.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de voornoemde afspraken voldoende volgt dat partijen samen de wens hadden op basis van een overeenkomst van opdracht samen te gaan werken. Zeker nu niet [verweerder sub 2] , maar [verweerder sub 1] partij is bij de gesloten overeenkomst. Aangezien arbeid alleen verricht kan worden door een natuurlijk persoon, zou [verweerder sub 1] niet aan deze verplichting kunnen voldoen.\n\nDit alles wijst er in beginsel op dat partijen een managementovereenkomst zijn overeengekomen en geen arbeidsovereenkomst.\n\nDe wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd\n\n5.16.. \n\nHumby stelt zich op het standpunt dat uit de overeenkomst volgt dat [verweerder sub 1] een (vaste) vergoeding voor de werkzaamheden ontving en dat [verweerder sub 1] haar werkzaamheden op grond van artikel 5.5. mocht opschorten als er sprake was van een openstaande factuur. Humby betaalde geen salaris, maar voldeed de facturen van [verweerder sub 1] . Humby betaalde de btw over deze facturen en [verweerder sub 1] droeg dan zelfstandig de btw af aan de Belastingdienst. [verweerder sub 1] had een arbeidsovereenkomst gesloten met [verweerder sub 2] en [verweerder sub 2] verloonde zichzelf vanuit zijn vennootschap, waarin hij een eigen salarisadministratie voerde, aldus Humby.\n\n [verweerder sub 2] gaf zelf de opdracht aan Humby om de facturen op te stellen en administratief te verwerken en zijn btw-nummer te gebruiken. De accountant verwerkte in opdracht en namens [verweerder sub 1] alle inkomende en uitgaande facturen, stelde de btw-aangifte op die [verweerder sub 2] goedkeurde en maakte de btw over aan de Belastingdienst. Datzelfde geldt voor de verloning binnen [verweerder sub 1] . De accountant zette alles klaar voor de verloning, de loonstrook, de af te dragen loonbelasting binnen [verweerder sub 1] .\n\n [verweerder sub 2] betaalde dus zijn eigen salaris, loonbelasting en btw vanuit [verweerder sub 1] . Humby betaalde alleen de facturen van [verweerder sub 1] .\n\n5.17.. \n\nVolgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] kreeg [verweerder sub 2] salaris betaald van Humby, zowel voor als na de participatie. Hij heeft geen invloed gehad op de hoogte. [verweerder sub 2] kreeg ook doorbetaald bij ziekte of bij opnemen van vakantie. [verweerder sub 2] had slechts een keer onbetaald verlof opgenomen.\n\n [verweerder sub 2] heeft nooit zelf een factuur opgesteld of verstuurd. De administratie daarvan werd gedaan door [naam 4] , zijnde een vriend van de boekbouder bij Humby. [naam 4] stuurde de facturen rechtstreeks naar de [bedrijfsnaam 2] , de accountant van Humby. Het geld werd elke maand automatisch overgemaakt. Het betrof een louter interne administratieve verwerking. De gehele administratie verliep via [bedrijfsnaam 2] . [verweerder sub 2] droeg ook geen btw af.\n\n5.18.. \n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt.\n\nIn de schriftelijke overeenkomst is over de beloning onder het volgende opgenomen:\n\n“Artikel 5. Urenverantwoording en facturatie5.1.. Opdrachtgever betaalt aan Opdrachtnemer voor de werkzaamheden die hij overeenkomstig artikel 1.1 en\u002Fof artikel 1.6 uitvoert € 6.611,00 per maand, met een gemiddelde arbeidstijd van 40 uur per week. Alle genoemde bedragen zijn exclusief 21% BTW, en inclusief reiskosten woon-werkverkeer. (..)5.2. (..). Opdrachtnemer draagt zelf de eventueel verschuldigde sociale premies en\u002Fof inkomstenbelasting af en vrijwaart Opdrachtgever voor eventuele aanspraken, ingevolge deze opdracht, van de fiscus, het UWV en\u002Fof vergelijkbare instanties.5.3.. \n\nFacturatie geschiedt aan het einde van de maand en opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 14 dagen na de factuurdatum. (..). Facturen met declaratiestaat dienen in één pdf ingediend te worden bij: [e-mailadres]\n\n(..)”\n\n5.19.. \n\nVast staat dat [verweerder sub 1] , in de persoon van [verweerder sub 2] , de werkzaamheden uit de opdracht heeft uitgevoerd en uit naam van [verweerder sub 1] voor de verrichte werkzaamheden facturen zijn gestuurd aan Humby. Deze facturen zijn door Humby overgelegd als productie 10. In de facturen staat als omschrijving ‘managementfee’.\n\nBij de facturen bracht [verweerder sub 1] ook btw in rekening. De factuurbedragen moesten worden overgemaakt naar [verweerder sub 1] .\n\nBovendien heeft Humby onweersproken gesteld dat [verweerder sub 1] aan [verweerder sub 2] salaris heeft betaald voor voornoemde werkzaamheden uit hoofde van een arbeidsovereenkomst tussen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] .\n\nHet feit dat [naam 4] , een vriend van de boekhouder van Humby, de administratie verzorgde en namens [verweerder sub 1] de facturen van de fee opmaakte en naar Humby verstuurde, maakt niet dat deze facturen niet in opdracht van [verweerder sub 1] zijn gemaakt. Bij e-mailbericht van 8 augustus 2023 van [verweerder sub 2] aan [naam 4] verzoekt [verweerder sub 2] ook om het btw-nummer van [verweerder sub 1] op de factuur naar Humby te vermelden.\n\nVanwege het feit dat [verweerder sub 1] btw in rekening bracht, kan het niet anders zijn dan dat zij ook btw afdroeg. Bovendien heeft [verweerder sub 1] de eerste factuur pas in rekening gebracht nadat de aandeelhoudersovereenkomst in juli 2023 was gesloten. [verweerder sub 2] heeft in de periode daarvoor, waarin hij stelt dat er al sprake was van een arbeidsovereenkomst, slechts twee keer een voorschot ontvangen en destijds geen loon gevorderd. Humby heeft ook onweersproken gesteld dat zij geen premies en loonbelasting voor [verweerder sub 2] heeft afgedragen.\n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben zich nog op het standpunt gesteld dat in het door hen als productie 3 overgelegd overzicht van betaling twee keer salaris is vermeld. Het feit dat tweemaal in de betaling aan [verweerder sub 1] het woord ‘salaris’ is gebruikt, is door Humby toegelicht als zijnde een administratief foute benaming vanwege de afwezigheid van de financiële administratie. Dit is niet weersproken.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat dit alles een sterke aanwijzing vormt voor het aannemen van een overeenkomst van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst.\n\nDe hoogte van de beloning\n\n5.20.. \n [verweerder sub 1] factureerde een bedrag van € 6.611,57 ex btw, zijnde € 8.000,00 inclusief btw. Partijen hebben zich niet uitgelaten of de hoogte van de beloning van [verweerder sub 1] al dan niet vergelijkbaar is met werknemers van Humby, zodat de kantonrechter dit gezichtspunt niet verder zal meenemen in de beoordeling.\n\nHet lopen van commercieel risico bij het verrichten van de werkzaamheden\n\n5.21.. \n\nHumby stelt zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] financieel risico loopt in verband met zijn participatie in Humby, omdat hij 25% van de aandelen in Humby bezit. Dit standpunt kan niet slagen. Het risico van het bezit van aandelen staat los van het risico wat [verweerder sub 2] loopt bij het verrichten van de werkzaamheden. Vast staat dat [verweerder sub 1] een vast bedrag per maand van € 8.000,00 inclusief btw van Humby heeft ontvangen, onafhankelijk van de door haar daadwerkelijk gewerkte uren. Gesteld noch gebleken is dat [verweerder sub 1] bijvoorbeeld bepaalde opdrachten moest binnenhalen of verantwoordelijk was voor de kwaliteit voor de door haar verrichte werkzaamheden.\n\nDit wijst naar het oordeel van de kantonrechter eerder in de richting van een arbeidsover-eenkomst.\n\nHet gedragen als ondernemer in het economisch verkeer bij het verrichten van de werkzaamheden\n\n5.22.. \n\nOp dit onderdeel heeft Humby het volgende aangevoerd. [verweerder sub 2] is altijd ondernemer geweest en heeft jarenlang een onderneming gedreven onder [bedrijfsnaam X] in Azië en ook andere ondernemingen. [verweerder sub 2] is ook bestuurder en voor 50% aandeelhouder bij Indexica B.V., welke onderneming voorheen een eenmanszaak van [verweerder sub 2] was. De ervaring van [verweerder sub 2] als zelfstandig ondernemer was voor Humby de essentie om de samenwerking met [verweerder sub 1] aan te gaan.\n\nHumby heeft als productie 7 e-mailberichten overgelegd waaruit volgt dat [verweerder sub 2] , naast zijn werkzaamheden ter uitvoering van de managementovereenkomst, ook voor Indexica B.V. werkzaam is.\n\n5.23.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] vanaf 1 januari 2023 niet actief is (geweest) als zelfstandig consultant of adviseur, zich niet zodanig profileert en ook niet beschikt over andere opdrachtgevers dan Humby.\n\n5.24.. \n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft bij voornoemd arrest voor het eerst invulling gegeven aan het begrip ondernemerschap als contra-indicatie voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Indien men kan aantonen zich als ondernemer te presenteren, als ondernemer gewerkt te hebben in het verleden en door de fiscus als zodanig behandeld wordt, zijn dit belangrijke contra-indicaties voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst.\n\nUit de maandelijkse facturen van [verweerder sub 1] blijkt dat [verweerder sub 2] , onder de naam [verweerder sub 1] , op het moment dat hij voor Humby werkzaamheden verrichtte, maar in ieder geval vanaf juli 2023, met zijn onderneming ingeschreven stond bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast staat vast dat [verweerder sub 2] 25% van de aandelen bezit in Humby. [verweerder sub 2] heeft ook niet betwist jarenlang een onderneming gedreven te hebben onder [bedrijfsnaam X] in Azië. [verweerder sub 2] heeft verder niet betwist dat hij tijdens zijn werkzaamheden ook aandeelhouder en bestuurder was van Indexica B.V.\n\nUit productie 7 van Humby blijkt dat [verweerder sub 2] naast de uitvoering van zijn werkzaamheden uit de overeenkomst met Humby, in ieder geval ook in 2024 werkzaamheden uit naam van Indexica B.V. heeft verricht.\n\nBovendien heeft [verweerder sub 2] namens [verweerder sub 1] , zoals al is overwogen in overweging 5.19, btw in rekening gebracht en afgedragen aan de Belastingdienst, waaruit volgt dat hij zich naar buiten en naar de Belastingdienst toe als ondernemer heeft opgesteld.\n\nDe stelling van [verweerder sub 2] dat hij slechts één opdrachtgever heeft, zijnde Humby, is daarbij niet van doorslaggevende betekenis.\n\nUit het voorgaande volgt voldoende dat [verweerder sub 2] zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt en dit ook voorheen al deed, hetgeen een aanwijzing vormt voor het bestaan van een overeenkomst van opdracht.\n\nConclusie\n\n5.25.. \n\nDe Hoge Raad heeft in het Deliveroo-arrest gekozen voor een zogenoemde holistische benadering van het kwalificatievraagstuk. Dat betekent dat alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien van belang zijn. Geen van deze factoren is doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsover-eenkomst.\n\nGelet op alle omstandigheden van dit geval, ook in onderling verband bezien, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet kan worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst.\n\nPartijen hebben zich naar het oordeel van de kantonrechter bij de inrichting van de overeenkomst (de overeengekomen rechten en plichten) en de wijze waarop zij aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven, meer als opdrachtgever en opdrachtnemer gedragen, dan als werkgever en werknemer.\n\n5.26.. \n\nNu geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, ligt het eerste verzoek van Humby tot verklaring voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] , althans [verweerder sub 2] , geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, voor toewijzing gereed. Het verzoek onder II en III komt niet voor beoordeling in aanmerking, nu niet aan de voorwaarde is voldaan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst.\n\nHet tegenverzoek van [verweerder sub 1] onder I en II moeten worden afgewezen.\n\nProceskosten in het verzoek en in het tegenverzoek\n\n5.27.. \n\nHumby verzoekt de hoofdelijke veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] tot betaling van de volledige proceskosten. Volgens Humby is er sprake van misbruik van recht doordat zij in een procedure gedwongen wordt terwijl de uitkomst van de procedure in het voordeel van Humby wordt beslist. Dit verzoek kan niet worden toegewezen. Een proces-kostenveroordeling omvat in beginsel een forfaitaire vergoeding. Onder buitengewone omstandigheden kan de rechter echter een ruimere of zelfs volledige proceskostenveroordeling toekennen, bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan is sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente onge-grondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven, wanneer de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daar is in dit geval geen sprake van.\n\nAls een partij in een procedure tegen beter weten in onware stellingen inneemt en daarmee de andere partij onnodig op kosten jaagt, kan er sprake zijn van onrechtmatig procederen. Daar is eveneens geen sprake van, althans dat is onvoldoende door Humby onderbouwd.\n\nDat betekent dat aan Humby een forfaitaire procesvergoeding zal worden toegekend.\n\n5.28.. \n\nDe proceskosten komen (hoofdelijk) voor rekening van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , omdat zij in het ongelijk zijn gesteld. De proceskosten aan de zijde van Humby worden begroot op € 1.084,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe kantonrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een aparte kostenveroor-deling in het zelfstandig tegenverzoek.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het verzoek\n\n6.1.. verklaart voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] , althans [verweerder sub 2] , geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan,\n\n6.2.. veroordeelt [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.084,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin het tegenverzoek\n\n6.4.. wijst het verzoek af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.\n\nMH","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:11921","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:06.878Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"1046","ECLI:NL:GHSHE:2025:2716","ecli-nl-ghshe-2025-2716",72,"2025-10-02T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam Handelsrecht\n\nUitspraak : 2 oktober 2025\n\nZaaknummer : 200.348.963\u002F01\n\nZaaknummer eerste aanleg : 11125193 \u002F AZ VERZ 24-37\n\nin de zaak in hoger beroep van:\n\n [werknemer],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nappellant,\n\nhierna aan te duiden als [werknemer] ,\n\nadvocaat: mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor te Maastricht,\n\ntegen\n\nStichting [Stichting] ,\n\nhandelend onder de naam [werkgever] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nverweerster,\n\nhierna aan te duiden als [werkgever] ,\n\nadvocaat: mr. drs. C.A.H. Lemmens te Heerlen.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 september 2024, zaaknummer\u002Frekestnummer: 11125193\u002F AZ VERZ 24-37.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties 38 tot en met 40, ingekomen ter griffie op 11 december 2024;\n\nhet verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 maart 2025;\n\neen mailbericht van mr. Meulenberg-ten Hoor van 2 april 2025 met producties 41 en 42. Deze producties zijn ter zitting in hoger beroep aan het dossier gevoegd.\n\n- de op 10 april 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:\n\n- [werknemer] , bijgestaan door mr. Meulenberg-ten Hoor, die de zaak heeft toegelicht aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen;;\n\n- [werkgever] , vertegenwoordigd door [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ) en [vertegenwoordiger] en bijgestaan door mr. Lemmens, die de zaak heeft toegelicht aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.\n\n2.2.. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.\n\n3. De beoordeling\n\nIn het principaal hoger beroep\n\n3.1.. \n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n [werknemer] is tandarts en werkt daarnaast sinds 1990 als docent voor 5,5 uur per week bij [werkgever] als docent. De kantonrechter heeft op verzoek van [werkgever] de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2024 ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) en [werkgever] veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding ad € 10.740,70 bruto, vermeerderd met rente.\n\n [werknemer] verzoekt in hoger beroep -samengevat- primair de arbeidsovereenkomst te herstellen, subsidiair een billijke vergoeding van € 100.000,-- (althans € 60.000,--) in de plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst en meer subsidiair eenzelfde billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] , zowel primair als subsidiair met veroordeling van [werkgever] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. [werkgever] voert verweer.\n\nHet hof is met de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW en dat er geen grond is voor toewijzing van een billijke vergoeding. Het hof zal dit hierna bij de bespreking van de gronden van het hoger beroep toelichten.\n\n3.2.. \n\nFeitenoverzicht\n\nIn dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, waartegen in hoger beroep geen bezwaren zijn gericht en met inachtneming van het hierna in 3.4.2. vermelde. Aangevuld met enige andere vaststaande feiten gaat het om het volgende.\n\n3.2.1.. \n\n [werknemer] is sinds 1990 werkzaam voor (de rechtsvoorgangers van) [werkgever] als docent aan\n\nde MBO-opleiding tot tandartsassistente - Team TA - voor 5,5 uur per week voor een basisloon van € 788,68 per maand exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. De cao MBO 2023-2024 is van toepassing. [werknemer] gaf op woensdag zijn lesuren. [leidinggevende] is de meest recente leidinggevende van [werknemer] .\n\n3.2.2.. \n [werknemer] heeft een eigen tandartspraktijk te [woonplaats] ; daarnaast werkt hij bij [werkgever] .\n\n3.2.3.. \n\nGedurende het schooljaar 2022-2023 zijn er bij [werknemer] onduidelijkheden ontstaan\n\nover de (nieuwe) wijze van lesgeven bij [werkgever] . Tussen [leidinggevende] en [werknemer] is meerdere keren gesproken, zonder dat de onduidelijkheden bij [werknemer] zijn weggenomen.\n\n3.2.4.. \n\n [werknemer] heeft zich op 15 mei 2023 om 9:02 uur per WhatsApp ziek gemeld bij [leidinggevende] . [leidinggevende] heeft daarop per WhatsApp van 15 mei 2023 om 9:32 gereageerd met de volgende tekst: Goedemorgen [werknemer] , vervelend dat je ziek bent. Wat is er aan de hand?\n\n [werknemer] heeft daarop niet gereageerd.\n\n3.2.5.. \n\n [leidinggevende] heeft de dag erna een bezoek gebracht aan de tandartspraktijk van [werknemer] .\n\n [werknemer] was toen niet aanwezig. Tegen de assistente heeft [leidinggevende] gezegd dat ze in de buurt\n\nwas en zich zorgen maakte over [werknemer] omdat hij zelden ziek was. [leidinggevende] heeft gevraagd of\n\nde assistente wist wat er aan de hand was, of hij ’gewoon’ ziek was en of zij een idee had\n\nhoelang hij afwezig zou zijn. Bij verweerschrift in eerste aanleg is een schriftelijke verklaring van de assistente over dit bezoek overgelegd, waarin zij onder meer schrijft dat zij aan [leidinggevende] heeft aangegeven dat ze beter zelf contact met [werknemer] kon opnemen om te vernemen hoe het met hem gaat.\n\n3.2.6.. \n\nIn een e-mail van 21 mei 2023 aan [leidinggevende] heeft [werknemer] zijn ongenoegen over dit\n\n(onaangekondigde) bezoek aan zijn tandartspraktijk kenbaar gemaakt en onder meer aan [leidinggevende] geschreven:\n\n“Jij vond het nodig om mijn assistente te ondervragen over mijn ziekmelding zonder mij vooraf te informeren of ik hiermee akkoord kan gaan. Ik vind dit intimiderend en stel mij nu de vraag waarom jij zo weinig vertrouwen in mijn ziekmelding hebt. Ik krijg door deze actie een heel onveilig gevoel, alsof ik altijd (ook op dagen dat ik niet werkzaam ben voor [werkgever] ) achterom moet kijken of ik gecontroleerd word door iemand van [werkgever] .\n\nDoor deze intimiderende actie vind ik het niet wenselijk dat ik een voortgangsgesprek (gepland 7 juni as) met jou zal hebben, omdat ik het vertrouwen in een open, eerlijk, veilig en objectief gesprek volledig verloren ben. Ik annuleer dan ook bij deze onze eerder gemaakte afspraak om dit voortgangsgesprek te hebben op 7 juni.\n\nReactie van jou op deze mail en de uitleg waarom jij zonder overleg, zonder afspraak, tijdens\n\nmijn ziek zijn, mijn assistente hebt benaderd en ondervraagt wil ik graag schriftelijk van jou\n\nontvangen.”\n\n3.2.7.. Op 24 mei 2023 is [werknemer] weer aan het werk gegaan.\n\n3.2.8.. \n\nIn een e-mail van 27 mei 2023 van [werknemer] aan [leidinggevende] schrijft [werknemer] onder andere het volgende:\n\n“(…) Allereerst fijn om te lezen dat je bezorgt om mij was en betrokken bent met je medewerkers, maar helaas zijn niet al mijn vragen die ik gesteld had in mijn vorige mail beantwoord of wordt er deels met een ontwijkend antwoord, antwoord gegeven in jouw mail. Ik zou graag antwoord krijgen op alle door mij gestelde vragen in mijn vorige en huidige mail.\n\n(…) mijn vraag aan jou was of bij de andere ziekmeldingen jij ook de dag na ziekmelding een bezoek aan al die personen hebt gebracht; c.q. of het een regel binnen [werkgever] is, dat een zieke werknemer 1 dag na ziekmelding wordt bezocht.\n\nUit je mail kan ik enigszins de suggestie lezen dat jij, omdat ik niet reageerde op je app, en jij geen contact met mij kon krijgen, bij mijn praktijk op bezoek bent gekomen. Kun je mij aangeven wat de ( [werkgever] ) regels zijn aangaande de tijdsduur tussen een app (door jou gestuurd) en een mogelijke reactie van de persoon van ziekmelding (ik in dit geval), waarop door jou een 2e actie (in dit geval bezoeken van de praktijk) kan worden gedaan?\n\nJe stelt in je mail dat je wilt informeren of “we iets kunnen doen om het herstel te bevorderen”. Kun je aangeven op welke wijze jij door een bezoek aan mijn praktijk te brengen mijn herstel kunt bevorderen en hoe je mij had willen informeren over hoe jij mij zou willen helpen om mijn herstel te bevorderen?\n\nEen andere vraag die ik je gesteld heb, is waarom jij, bij je onaangekondigde bezoek aan mijn praktijk, mijn assistente hebt overvallen met jouw ondervraging over mijn ziekmelding. Mijn privacy wordt geschaad nu jij bij derden informatie inwint over mij zonder mij daarvan (vooraf) op de hoogte te stellen. Jij hebt mij na je bezoek niet zelf op de hoogte gesteld van je onaangekondigde, ongewenste en intimiderende bezoek, mijn assistente heeft mij hiervan op de hoogte gesteld.\n\nJij stelt nu voor dat wij een gesprek gaan hebben over omgangsnormen en\u002Fof mailwisseling,\n\nmaar ik heb liever eerst antwoorden op voor mij prangende vragen, zijnde de gestelde vragen\n\nin mijn vorige en huidige mail.\n\nWederom vraag ik je mij schriftelijk te beantwoorden.\n\nGroet [werknemer] ”\n\n3.2.9.. \n\n [leidinggevende] heeft in een e-mail van 31 mei 2023 aan [werknemer] als volgt gereageerd:\n\n“Fijn om te horen dat je mijn bezorgdheid op prijs stelt (…)\n\nInderdaad is iedere ziekmelding een op zich staande ziekmelding. En leidinggevende en medewerker maken da(arna? Niet leesbaar in procesdossier in verband met niet gekopieerde einde regel, hof) gezamenlijk, een inschatting over de hervatting van werk. Ik ben niet bij jou thuis geweest. Ik ben bij jouw pra(ktijk? Niet leesbaar in procesdossier in verband met niet gekopieerde einde regel, hof) langsgegaan. Dit was een spontane actie op weg naar een afspraak met een huisarts in de buurt. Nogmaals ik hetd(at?) einde regel, niet leesbaar in procesdossier, hof) gedaan vanuit bezorgdheid en betrokkenheid. Ik heb je op geen enkele manier een onveilig gevoel willen geven.\n\nMet betrekking tot de andere collega's, het is niet aan de orde geweest omdat zij zich ziekmelden via het [protocol werkgever] . Ze bellen het centrale nummer en melden zich ziek. Daarna worden ze doorverbonden met mij en kunnen we de situatie 'live' met elkaar bespreken. Het was fijn geweest om ook jouw ziekmelding op deze manier te ontvangen. Ik bemerk dat er irritaties zijn, niet alleen op dit punt, maar ook over de nieuwe manier van lesgeven, de contacten communicatie met collega's, het lesrooster en de houding tegenover studenten waardoor er geen teambreed standpunt wordt aangenomen tegenover de lesgroep. Ik stel voor in de volle breedte met elkaar in gesprek te gaan over deze onderwerpen en dit te doen, samen met de personeelsfunctionaris van [werkgever] die aan onze afdeling is verbonden, de heer [personeelsfunctionaris] .\n\nIk hoor graag jouw reactie hierop”\n\n3.2.10.. \n\n [werknemer] heeft op deze mail niet gereageerd, waarna [leidinggevende] in een aanvullende mail van 6 juni 2023 aan [werknemer] schrijft:\n\n“ [werknemer] ,\n\nIk heb nog geen reactie mogen ontvangen.\n\nVind je het goed wanneer ik morgen tijdens de pauze bij jou binnenloop om deze mail te bespreken maar ook de situatie rondom de TA2 ?”\n\n3.2.11.. \n\n [werknemer] mailt diezelfde dag aan [leidinggevende] :\n\n“Hallo [leidinggevende] ,\n\nik heb geen afspraak met je bevestigd voor morgen en heb ook geen behoefte (op dit moment) aan een gesprek over onze mails.\n\nIk kan mij beter focussen op het geven van les aan TA2 , dit omdat het aantal uren toch al erg beperkt zijn.\n\nHet aantal opdrachten wat in Xerte staan voor Ortho, staan in geen verhouding tot het aantal lesuren dat er dit jaar voor gepland staan. Ik heb dit al eerder meerdere keren aan meerdere personen gemeld, maar ik heb nooit een terugkoppeling gehad hoe daar mee om te gaan (ondanks een toezegging daarover),\n\nGroet [werknemer] .”\n\n3.2.12.. \n\nVervolgens mailt [leidinggevende] wederom op 6 juni 2023 ’s avonds aan [werknemer] : “Dag [werknemer] ,\n\nDan stel ik voor om een gesprek - zoals vorig jaar- te plannen voorafgaand aan het nieuwe schooljaar op een nader te bepalen terras in [woonplaats] om terug te kijken en het komende schooljaar te bespreken. Ik zal het secretariaat laten kijken naar een datum. Met betrekking tot de TA2 , zoals geschreven nav de teammeeting gisterenavond, is er nog ruimte in de laatste weken om over te gaan tot 4 uur ipv 2 uur om de lesstof te behandelen. Zullen we dit inplannen voor woensdag 21\n\nen 28 juni?\n\nGroet, [leidinggevende] ”\n\n3.2.13.. \n\nDaarna verzendt [werknemer] op 18 juni 2023 een mail aan [leidinggevende] , waarin hij naast een verzoek om informatie over een aantal onderwijsgerelateerde zaken het volgende schrijft:\n\n“(…) De reden waarom ik tot nu toe (nog) geen afspraak met je heb willen maken is dat ik nog steeds een antwoord verwacht op mijn vraag welke regels er bij een ziekmelding binnen [werkgever] gelden (voor leidinggevenden).\n\nEen duidelijkere vraagstelling:Is het een leidinggevende van [werkgever] toegestaan om, 1 dag na een ziekmelding van een van haar werknemers, een bezoek te brengen aan het 2e werk adres van deze werknemer (zonder de werknemer vooraf en\u002Fof achteraf hiervan in kennis te stellen).\n\nEn\n\nIs het een leidinggevende van [werkgever] toegestaan om een werknemer van de [werkgeverwerknemer] (dus eigenlijk een buitenstaander) aanwezig op het 2e werkadres te bevragen\u002Fondervragen over de ziekmelding van de werknemer van [werkgever] .\n\nGraag ontvang ik de [werkgever] regels over hoe om te gaan met een ziekmelding.\n\nIk had in een eerdere mail al aangegeven dat ik [werkgever] afspraken niet op een andere locatie dan een [werkgever] locatie wil, tenzij ik daar zelf mee akkoord ga.\n\nMet vriendelijke groet\n\n [werknemer] ”\n\n3.2.14.. \n\n [werknemer] heeft zich daarna tot de vertrouwenspersoon gewend. Op 20 juni 2023 heeft\n\n [werknemer] aan [leidinggevende] geappt: “Dag [leidinggevende] , bij deze mijn ziekmelding. Ik zal er dit schooljaar niet\n\nmeer zijn. Als je je “bezorgdheid” wil komen tonen meld het dan even vooraf.”[leidinggevende]\n\nheeft de ziekmelding vervolgens via WhatsApp bevestigd.\n\n3.2.15.. \n\n [werknemer] heeft op 21 juli 2023 het spreekuur van de bedrijfsarts (i.o.) bezocht. Volgens de bedrijfsarts was geen sprake van ziekte, maar van een verstoorde arbeidsverhouding. De\n\nbedrijfsarts heeft mediation geadviseerd. In een e-mail van 17 augustus 2023 heeft [leidinggevende]\n\ningestemd met het advies van de bedrijfsarts en [werknemer] meegedeeld dat zijn ziekmelding\n\nvan kracht bleef tot partijen samen met de mediator tot een oplossing waren gekomen.\n\n3.2.16.. Mediation is ingezet en begin december 2023 beëindigd zonder dat een oplossing werd bereikt.\n\n3.2.17.. \n\nDe bedrijfsarts heeft op 8 december 2023 als volgt gerapporteerd:\n\n“(…) Er is geen sprake van ziekte en ik acht de heer [werknemer] in staat om zijn eigen werk te verrichten. Zoals destijds ook aangeven is er wel sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, waarvoor sinds september 2023 een mediation traject is opgestart. Ik begreep van de heer [werknemer] dat dit traject geëindigd is zonder concrete oplossing. Ik adviseer echter om toch samen tot een concrete oplossing te komen. Maak afspraken wat er dan nodig is om wel tot een concrete oplossing te komen en voer deze afspraken vervolgens uit. (…)”\n\n3.2.18.. \n\nBij brief van 11 december 2023 heeft [werkgever] [werknemer] medegedeeld dat [werkgever] er geen\n\nvertrouwen in had dat een oplossing kon worden bereikt. Volgens [werkgever] waren de\n\nopvattingen te verschillend en was [werknemer] ook niet bereid zich te voegen in de koers van het\n\nonderwijs dat [werkgever] voor ogen stond. [werkgever] heeft verder een aantal aspecten in het\n\nfunctioneren van [werknemer] benoemd die zij niet kon accepteren, waaronder het niet deelnemen\n\naan overleggen en het niet aangaan van de dialoog. [werkgever] heeft medegedeeld dat zij een\n\nregeling wilde treffen om te komen tot een einde van het dienstverband en anders een\n\nverzoek zou indienen om de arbeidsovereenkomst te laten ontbinden.\n\n3.2.19.. \n\nIn een e-mail van 23 januari 2024 heeft [werknemer] zich tot het college van bestuur\n\ngewend met een klacht over - voornamelijk - het bezoek van [leidinggevende] aan zijn\n\ntandartspraktijk op 16 mei 2023. [werknemer] heeft in deze e-mail medegedeeld dat hij zich\n\ngeïntimideerd voelde en dat hij aangetast was in zijn privacy. Het college van bestuur heeft\n\n [werknemer] op 1 februari 2024 laten weten dat hij binnenkort een reactie zou ontvangen van het\n\nbestuursbureau. [werknemer] heeft op 14 maart 2024 geïnformeerd naar de stand van zaken,\n\nwaarop de gemachtigde van [werkgever] [werknemer] heeft medegedeeld dat hij zijn klacht kon indienen\n\nbij het daartoe bestemde klachtenloket. De klacht is -uiteindelijk- door het college van bestuur intern doorgeleid naar de klachtencommissie, waar deze uiteindelijk niet is behandeld vanwege de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.\n\n3.2.20.. In de tussentijd had [werknemer] zich bij brief van 22 maart 2024 bereid verklaard om de arbeid te hervatten, hetgeen hij op 16 april 2024 en 28 mei 2024 heeft herhaald.\n\n3.3.. Het geschil in eerste aanleg, de bestreden beslissing, de verzoeken in hoger beroep\n\n3.3.1.. In eerste aanleg heeft [werkgever] de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden wegens primair een verstoorde arbeidsverhouding. [werknemer] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht om dit verzoek af te wijzen en subsidiair de kantonrechter verzocht hem een billijke vergoeding toe te kennen van € 80.000.- bruto en een schadevergoeding van € 35.000.- netto.\n\n3.3.2.. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter:\n\n- de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 november 2024 op grond van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW;\n\n- [werkgever] veroordeeld tot betaling aan [werknemer] van een transitievergoeding van € 10.740,70 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2024 tot de dag van betaling;\n\n- [werknemer] veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 1.338,- aan salaris gemachtigde en griffierecht;\n\n- de veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n3.3.3.. \n [werknemer] heeft in hoger beroep -samengevat- verzocht om bij beslissing uitvoerbaar bij voorraad primair: - de arbeidsovereenkomst tussen partijen te herstellen met ingang van 1 november 2024, althans [werkgever] te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst op straffe van verbeurte van dwangsommen;\n\n- [werkgever] te veroordelen om [werknemer] weer te werk te stellen op straffe van verbeurte van dwangsommen;\n\nsubsidiair: - [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding (in de plaats van herstel) van € 100.000,-- (bij brief van 2 april 2025 beperkt tot € 60.000,-- bruto);\n\n- [werkgever] in geval van een ontbinding op de i-grond te veroordelen tot betaling van een aanvullende vergoeding naast de transitievergoeding op grond van art. 7:671b lid 8 BW; meer subsidiair: - de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de kantonrechter daarbij de door [werknemer] verzochte billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen en nalaten door [werkgever] heeft afgewezen, en [werkgever] te veroordelen aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 100.000,00 bruto (bij brief van 2 april 2025 beperkt tot € 60.000,-- bruto), althans een in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nzowel primair als subsidiair: - [werkgever] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.\n\n3.3.4.. \n [werkgever] voert verweer.\n\n3.4.. De beoordeling in hoger beroep\n\n3.4.1.. \n [werknemer] heeft geen genummerde grieven aangevoerd. Het hof onderscheidt de volgende voor het hof en voor [werkgever] kenbare zelfstandige gronden van beroep:\n\na. [werknemer] maakt opmerkingen over de weergave van de feiten door de kantonrechter (beroepschrift 6.2);\n\nb. [werknemer] betwist dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3 aanhef en onder g (beroepschrift 6.3.1 en volgende);\n\nc. voor zover al sprake is van een dergelijke verstoorde arbeidsverhouding, dan heeft [werkgever] die zelf gecreëerd met het enige doel om tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen op de g-grond (beroepschrift 6.3.25);\n\nd. indien het hof niet over gaat tot herstel van de arbeidsovereenkomst heeft [werknemer] recht op een billijke vergoeding (in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst) dan wel, zo begrijpt het hof, op basis van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] .\n\na. Opmerkingen over de feitenweergave3.4.2.. \n\nHet hof heeft bij de weergave van de feiten rekening gehouden met enkele opmerkingen daarover van [werknemer] . Voor zover andere opmerkingen relevant zijn voor de beoordeling, betrekt het hof die hierna bij de beoordeling.\n\nb. Is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3 aanhef en onder a.?3.4.3.. \n\nHet hof deelt de overweging van de kantonrechter dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van [werkgever] niet gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat leidt het hof af uit het volgende.\n\nUit de door beide partijen overgelegde producties blijkt dat er in het schooljaar 2022-2023 bij zowel [werknemer] als [werkgever] onvrede en irritaties waren over de wijze waarop de onderwijstaak door [werknemer] moest worden ingevuld. Uit de overgelegde e-mails blijkt ook dat beide partijen vonden dat de andere partij weinig moeite deed om onduidelijkheden en irritaties weg te nemen.\n\nZo stelt [werknemer] dat hij de communicatie binnen het Team TA beperkt vindt. Hij stelt weinig tot geen informatie te krijgen over wat er speelt, wat nieuwe afspraken zijn et cetera.\n\n [werkgever] stelt zich op haar beurt op het standpunt dat [werknemer] weinig tot geen moeite doet om die informatie te krijgen. Hij bezoekt structureel geen teamvergaderingen, heeft achteraf opmerkingen en wil punten geagendeerd zien, maar komt dan niet naar een volgende vergadering. [werknemer] meent dat hij met zijn vorige leidinggevende de afspraak heeft dat hij zich, gelet op zijn beperkte aanstelling, dient toe te leggen op het geven van lessen. Bovendien kan hij vrijwel nooit aanwezig zijn op teamvergaderingen in verband met zijn werkzaamheden als tandarts, aldus [werknemer] .\n\nVaststaat dat als gevolg van al deze omstandigheden de arbeidsverhouding -zeker nu sprake was van onderwijsvernieuwing en andere lesmethodes die juist een nadere afstemming vereisten- verder onder druk kwam te staan. De door beide partijen overgelegde mailwisselingen getuigen ook daar van.\n\nNa de ziekmelding door [werknemer] op 15 mei 2023 en het daaropvolgende bezoek van [leidinggevende] aan diens tandartspraktijk op 16 mei 2023 is zelfs geen sprake meer van een enige (vak)inhoudelijke communicatie tussen [werknemer] en [leidinggevende] . Het hof verwijst naar de hiervoor onder 3.2.6 tot en met 3.2.14 weergegeven mailwisseling.\n\nOp 20 juni 2023 meldt [werknemer] zich dan opnieuw ziek. Volgens de bedrijfsarts, die door [werknemer] wordt bezocht op 21 juli 2023 is geen sprake van ziekte, maar van een verstoorde arbeidsverhouding. De bedrijfsarts adviseert mediation. Vervolgens heeft mediation plaatsgevonden. Dat traject is begin december 2023 zonder resultaat geëindigd.\n\nDe communicatie tussen partijen is niet verbeterd; de impasse is niet doorbroken. Daarmee is sprake van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van [werkgever] niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Voor een vruchtbare uitoefening van diens onderwijstaken door [werknemer] is immers vereist dat sprake is van (enige) adequate communicatie en afstemming tussen [werknemer] en diens leidinggevende\u002Fteamvoorzitter [leidinggevende] . Die afstemming stond tijdens het schooljaar 2022-2023 al onder druk en inhoudelijke communicatie is vanaf 15 mei 2023 niet meer mogelijk.\n\nDat [werkgever] zich onvoldoende heeft ingespannen om de verstoorde verhouding te herstellen is niet gebleken. Integendeel, het hof leidt met de kantonrechter uit de hiervoor weergegeven mailwisseling af dat het [werknemer] is die weigert in constructief overleg te treden met [leidinggevende] . [werknemer] voert weliswaar aan dat [leidinggevende] niet meer heeft gereageerd op diens e-mail van 18 juni 2023, maar toen was al sprake van een patstelling tussen partijen en bovendien meldde [werknemer] zich ziek op 20 juni 2023. Bovendien heeft [werkgever] nadien meegewerkt aan het mediationtraject.\n\n [werknemer] voert verder nog aan dat [leidinggevende] en daarmee [werkgever] het mediationtraject bewust heeft gefrustreerd door een lijst van afspraken en voorwaarden te presenteren waarop [werknemer] slechts op kleine details wijzigingen mocht aanbrengen. Uit 6.3.13 van het beroepschrift leidt het hof echter af dat ook voor [werknemer] randvoorwaarden golden die mede aan een succesvol verloop van de mediation in de weg stonden. Hij schrijft immers dat hij ervan uitging dat primair vooral(onderstreping hof) aandacht zou worden besteed aan de bespreking van hetvolstrekt ontoelaatbaar binnentreden van de praktijk(onderstreping hof) van [werknemer] en het bevragen van de assistente van [werknemer] over zijn ziekmelding. Om, in de visie van [werknemer] , op deze manier eerst de lucht te klaren.\n\nOok uit diens houding ter zitting in hoger beroep leidt het hof af dat [werknemer] vooral uit is op genoegdoening voor hetgeen hem in zijn visie door [leidinggevende] is ‘aangedaan’. Het hof bespreekt het bezoek van [leidinggevende] aan de tandartspraktijk overigens nog hierna bij de beoordeling van de stelling van [werknemer] dat [leidinggevende] en\u002Fof [werkgever] opzettelijk een verstoorde arbeidsverhouding hebben gecreëerd. De conclusie is dat de mediation niet heeft geleid tot verbetering van de verstoorde arbeidsverhouding.\n\nDat de bedrijfsarts op 8 december 2023 na de mededeling van [werknemer] dat de mediation niet heeft geleid tot een concrete oplossing adviseert om alsnog afspraken te maken, doet niets af aan de conclusie van [werkgever] op 11 december 2023 dat sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g. Al het gestelde over de nadien door [werknemer] ingediende klacht, de wijze waarop die is afgehandeld en diens beroep op de Gedragscode Sociale Veiligheid van [werkgever] leidt niet tot een ander oordeel. Kortom: er is sprake van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van [werkgever] niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren.\n\nHet hof merkt nog op dat zij -anders dan [werknemer] - onvoldoende feitelijke grondslag ziet voor de door hem gestelde grove schending van de sociale veiligheid door [leidinggevende] of [werkgever] . Het hof verwijst daarvoor naar hetgeen hierna onder 3.5.4.1. wordt overwogen over de feitelijke gedragingen van [leidinggevende] .\n\nc. Heeft [werkgever] de verstoorde arbeidsverhouding gecreëerd met het enige doel om tot ontbinding van de arbeidsverhouding te komen?\n\n3.4.4.. \n [werknemer] stelt dat [werkgever] de verstoorde arbeidsverhouding heeft gecreëerd met het enige doel om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen en hij voert daartoe met name het volgende aan: - [leidinggevende] heeft met een ongeloofwaardige verklaring de praktijk van [werknemer] bezocht op de eerste dag na zijn ziekmelding en de assistente van [werknemer] bevraagd over zijn ziekmelding. [leidinggevende] heeft hiermee niet alleen haar bevoegdheden miskend maar ook op ernstige wijze een inbreuk gemaakt op de privacy van [werknemer] , zonder enige grond, zij had volstrekt geen recht om [werknemer] privé te bezoeken, maar had ook de wetenschap dat [werknemer] dit niet zou accepteren. [werknemer] heeft meerdere malen duidelijk gemaakt dat hij privé en zakelijk duidelijk gescheiden wilde houden. De denigrerende wijze waarop [werkgever] zich in de pleitnota uitlaat over dit bezoek: “Het ‘voorval’ (het bezoeken van de tandartspraktijk door mevrouw [leidinggevende] ) wordt door [werknemer] opgeblazen en totaal uitvergroot” maakt ook duidelijk dat [werkgever] haar handelwijze niet alleen maar bagatelliseert, maar ook de confrontatie zoekt;\n\n- dit blijkt ook het feit dat [leidinggevende] haar bezoek aan de praktijk van [werknemer] niet eens zelf heeft meegedeeld aan [werknemer] , maar [werknemer] dit van zijn assistente moest horen;\n\n- [leidinggevende] heeft tot op heden haar excuses niet aangeboden. Daarmee had zij een begin van een oplossing kunnen creëren. Maar die wil was er blijkbaar niet, aldus [werknemer] .\n\n3.5.. \n\nHet hof overweegt hierover het volgende.\n\nOp 15 mei 2023 meldt [werknemer] zich ziek. [leidinggevende] vraagt wat er aan de hand is maar krijgt geen reactie meer van [werknemer] . [leidinggevende] bezoekt vervolgens op 16 mei 2023 de tandartspraktijk van [werknemer] , naar zij zegt omdat zij in de buurt was, zich zorgen maakte om [werknemer] en wilde informeren.\n\n [werknemer] ervaart dit bezoek als een wantrouwen van [werkgever] , een inbreuk op zijn privacy en (sociale) veiligheid. Hij neemt geen genoegen met de verklaring van [leidinggevende] en eist schriftelijke excuses, alvorens verder het gesprek met [leidinggevende] aan te willen gaan.\n\nHet hof constateert dat gesteld noch gebleken is dat er aan de zijde van [werkgever] andere beweegreden om de tandartspraktijk van [werknemer] te bezoeken zijn geweest dan wat daarover door [leidinggevende] in haar mailwisseling met [werknemer] is aangegeven (3.2.10). Ook volgens de verklaring van de assistente van [werknemer] (prod. 32 verweerschrift in e.a.) “uit bezorgdheid.” Daarmee kan niet gezegd worden dat [werkgever] ( [leidinggevende] ) met dit bezoek aanstuurde op een verstoorde arbeidsverhouding met als doel de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ook uit de houding van [werkgever] ( [leidinggevende] ) na het bezoek kan niet afgeleid worden dat zij uit was op het creëren van een verstoorde arbeidsverhouding. Integendeel, [werkgever] ( [leidinggevende] ) heeft uitgelegd waarom zij de tandartspraktijk heeft bezocht en meermalen geschreven dat zij met [werknemer] in de volle breedte in gesprek wilde, zowel met betrekking tot de ervaren strubbelingen over de onderwijstaak als over haar bezoek aan de tandartspraktijk. [werknemer] wilde echter niet in gesprek gaan en de toonzetting in zijn e-mails is bitter en kennelijk enkel gericht op het krijgen van genoegdoening en excuses van [leidinggevende] . Daarbij merkt het hof nog op dat de door [werknemer] gestelde inbreuk op zijn privacy en sociale veiligheid nuancering behoeft. [leidinggevende] heeft onweersproken enkel de balie van diens tandartspraktijk en hem niet thuis bezocht en de assistente van [werknemer] slechts enige vragen gesteld. De assistente heeft [werkgever] ( [leidinggevende] ) niet of nauwelijks informatie verstrekt en haar doorverwezen naar [werknemer] . Er is geen sprake van een heimelijke inbreuk op de privacy van [werknemer] .\n\nDe slotsom is dat niet is gebleken dat [leidinggevende] of [werkgever] bewust aanstuurde op een verstoorde arbeidsverhouding. Het was juist [werknemer] die de verhoudingen op scherp zette en weigerde in gesprek te gaan. De rol van partijen in het mediationtraject heeft het hof hiervoor al besproken. Daaruit valt evenmin af te leiden dat door [werkgever] bewust een verstoorde arbeidsverhouding is gecreëerd.\n\n3.6.. Het hof concludeert dat op 11 december 2023 sprake was van een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Er is niet gebleken van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] dat geleid heeft tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarbij merkt het hof nog op dat voor het aannemen van dergelijke ernstige verwijtbaarheid een hoge lat geldt. Het verzoek tot vaststelling van een billijke vergoeding dient afgewezen te worden.\n\n3.7.. \n\nOok herplaatsing van [werknemer] binnen [werkgever] is niet aan de orde. Er is niet gesteld of gebleken dat [werknemer] inzetbaar is binnen een andere studierichting dan die van Tandartsassistent.\n\nHet hof overweegt nog dat [werknemer] terecht geen beroep doet op het opzegverbod wegens ziekte. Er is immers geen verband tussen de ongeschiktheid om de arbeid te verrichten wegens ziekte en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.\n\n3.8.. Gelet op het voorgaande dienen de verzoeken van [werknemer] afgewezen te worden. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n3.9.. \n\n [werknemer] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van [werkgever] veroordelen.\n\nDe kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [werkgever] zullen vastgesteld worden op:\n\nGriffierechten € 798,--\n\nSalaris advocaat € 4.426,-- (2 punt(en) x tarief IV)\n\nNakosten € 178,--(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 5.402,--\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de bestreden beschikking;\n\nveroordeelt [werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep van € 5.402,-- te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [werknemer] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, J.W. van Rijkom en G.F.A.M. de Graauw en is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2716","2026-07-13T00:29:01.069Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"1117","ECLI:NL:RBMNE:2025:4965","ecli-nl-rbmne-2025-4965",63,"2025-09-22T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11786538 \\ UE VERZ 25-205\n\nBeschikking van 22 september 2025\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING ZORGSPECTRUM,\n\ngevestigd te Nieuwegein,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: Zorgspectrum,\n\ngemachtigde: mr. P.W.H.M. Willems,\n\ntegen\n\n [verweerster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: mevrouw [verweerster] ,\n\ngemachtigde: mr. J.B.A.M.E. Leushuis.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n\nIn deze zaak verzoekt Zorgspectrum om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met mevrouw [verweerster] . Mevrouw [verweerster] heeft zich daar niet tegen verzet, maar zij verzoekt om een billijke vergoeding en een transitievergoeding. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. De arbeidsovereenkomst zal daarom eindigen per\n\n1 november 2025. De kantonrechter zal bepalen dat Zorgspectrum de wettelijke transitievergoeding moet betalen. Een billijke vergoeding wordt afgewezen omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties\n\n- het verweerschrift met bijlagen\n\n- de mondelinge behandeling\n\n- de pleitnota’s van de gemachtigden.\n\n2.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2025. Namens Zorgspectrum waren aanwezig [A] , [functie 1] en leidinggevende van mevrouw [verweerster] , en [B] , [functie 2] , bijgestaan door mr. Willems, de gemachtigde. Mevrouw [verweerster] was aanwezig met haar echtgenoot en haar dochter. Zij werd bijgestaan door\n\nmr. Leushuis, haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag de beschikking wordt gegeven.\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1.. Mevrouw [verweerster] is sinds 1 juni 2021 in dienst bij Zorgspectrum. De functie van mevrouw [verweerster] is [functie 3] met een loon van € 2.503,12 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (hierna: de cao) van toepassing.\n\n3.2.. Zorgspectrum verleent ouderenzorg op verschillende locaties in de regio Nieuwegein. Mevrouw [verweerster] werkt voor het onderdeel ‘ [organisatieonderdeel] ’ binnen het team ‘ [team] ’, op de locatie in [plaats] (hierna: locatie [locatie] ).\n\n3.3.. In januari 2025 heeft [A] , de leidinggevende van mevrouw [verweerster] , een melding gekregen dat volgens een bewoner door mevrouw [verweerster] ongepast gedrag heeft plaatsgevonden. [A] heeft daarover, samen met [functie 4] [C] , op 24 januari 2025 met mevrouw [verweerster] een gesprek gevoerd. In dit gesprek heeft [A] verteld dat mevrouw [verweerster] volgens een bewoner tijdens het douchen van de bewoner ongepaste (seksuele) handelingen zou hebben verricht. [A] heeft mevrouw [verweerster] meegedeeld dat daarom een onderzoek naar de melding zal worden verricht en dat zij per direct op non-actief wordt gezet. [A] heeft diezelfde dag de non-actiefstelling per brief aan mevrouw [verweerster] bevestigd en het team van het [locatie] (circa 30 medewerkers) per e-mail op de hoogte gesteld. In deze e-mail staat dat een cliënt een signaal van grensoverschrijdend gedrag heeft gegeven waarbij mevrouw [verweerster] betrokken zou zijn, dat een onderzoek door een externe partij zal volgen en dat mevrouw [verweerster] gedurende dit onderzoek op non-actief is gesteld.\n\n3.4.. Mevrouw [verweerster] heeft zich op 6 februari 2025 ziekgemeld.\n\n3.5.. Zorgspectrum heeft op 21 februari 2025 de gespreksverslagen ontvangen van de interviews die de externe onderzoeker, [D] , heeft gehouden met de bewoner die de melding had gedaan en met mevrouw [verweerster] . Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] daarna uitgenodigd voor een gesprek.\n\n3.6.. Omdat een gesprek voor mevrouw [verweerster] niet mogelijk bleek, heeft Zorgspectrum mevrouw [verweerster] per brief van 13 maart 2025 geïnformeerd over de uitkomst van het onderzoek en het vervolg. Volgens Zorgspectrum kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag door mevrouw [verweerster] , ook al blijft de bewoner bij de melding. Zorgspectrum heeft in de brief meegedeeld dat met onmiddellijke ingang de vrijstelling van werkzaamheden van mevrouw [verweerster] wordt beëindigd maar dat het in het belang van alle betrokkenen is dat mevrouw [verweerster] niet terugkeert naar het [locatie] . Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] daarom gevraagd om een top 3 te maken van de locaties waar zij bij voorkeur zou willen werken. Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] daarbij laten weten dat [A] open staat voor een gesprek met haar, desgewenst met een mediator. Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] in deze brief een minnelijke vertrekregeling voorgesteld mocht zij niet meer bij Zorgspectrum willen terugkeren.\n\n3.7.. Mevrouw [verweerster] heeft daarna een klacht ingediend tegen [A] bij de Raad van Bestuur (RvB) van Zorgspectrum. Mevrouw [verweerster] heeft Zorgspectrum toen bericht dat zij het resultaat van de klacht wil afwachten voordat zij ingaat op de opties die Zorgspectrum heeft genoemd in de brief van 13 maart 2025.\n\n3.8.. Op 24 maart 2025 heeft [E] , directeur [organisatieonderdeel] bij Zorgspectrum, mevrouw [verweerster] uitgenodigd voor een gesprek. Mevrouw [verweerster] heeft [E] in haar reactie van 28 maart 2025 onder meer laten weten dat zij eerst schriftelijke excuses wil voor het feit dat haar naam is genoemd in de e-mail van 24 januari 2025 en dat zij een door haar geaccordeerde uitleg aan de collega’s wil. Het gesprek met [E] moet volgens mevrouw [verweerster] begeleid worden door een onafhankelijke mediator.\n\n3.9.. Op 14 mei 2025 heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen [E] en mevrouw [verweerster] onder leiding van [F] als neutrale gespreksbegeleider. Mevrouw [verweerster] heeft in dit gesprek gezegd dat zij niet meer terug wil naar Zorgspectrum en dat zij geen vertrouwen meer heeft in Zorgspectrum. Afgesproken is dat Zorgspectrum een concept-tekst voor een excuus en een rehabilitatiebericht zou maken dat na akkoord van mevrouw [verweerster] zal worden gedeeld met de geadresseerden van de e-mail van 24 januari 2025.\n\n3.10.. De bedrijfsarts heeft in haar rapportage van 4 juni 2025 voorgesteld dat mevrouw [verweerster] start met spoor 2, op zoek naar eigen werk bij een andere werkgever. Volgens de bedrijfsarts kan mevrouw [verweerster] terugkeren naar het eigen werk, maar zijn er knelpunten bij de werkgever.\n\n3.11.. Op 16 juni 2025 heeft [E] vanuit Zorgspectrum een rehabilitatiemail verstuurd naar de geadresseerden van de e-mail van 24 januari 2025, met een kopie aan mevrouw [verweerster] .\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\n4.2.. Er is sprake van een opzegverbod (tijdens ziekte), maar dit staat niet in de weg aan het verzoek tot ontbinding omdat de kantonrechter niet is gebleken dat het ontbindingsverzoek enig verband houdt met de arbeidsongeschiktheid.\n\nHet ontbindingsverzoek op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) slaagt4.3.. Volgens Zorgspectrum is de arbeidsverhouding verstoord.Een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat wanneer de arbeidsverhouding zodanig (ernstig en\u002Fof duurzaam) is verstoord dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.\n\n4.4.. Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsverhouding tussen Zorgspectrum en mevrouw [verweerster] zodanig is verslechterd dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Zowel Zorgspectrum als mevrouw [verweerster] hebben gesteld dat zij geen vertrouwen meer hebben in een vruchtbare samenwerking. Volgens Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] zich niet constructief opgesteld en heel duidelijk verwoord dat zij niet langer bij Zorgspectrum wil werken. Mevrouw [verweerster] stelt dat Zorgspectrum ernstig verwijtbaar heeft gehandeld waardoor een terugkeer voor haar is uitgesloten. Uit het procesdossier blijkt voldoende dat de verhoudingen verstoord zijn en dat vanuit mevrouw [verweerster] bezien daarvan al op 24 januari 2025 sprake was, door het gesprek met [A] en [C] en de e-mail van Zorgspectrum aan het team. Eind maart 2025, nadat Zorgspectrum op basis van het onderzoek had geconcludeerd dat grensoverschrijdend gedrag door mevrouw [verweerster] niet kon worden vastgesteld heeft mevrouw [verweerster] een klacht tegen [A] ingediend. Daarna heeft mevrouw [verweerster] tijdens het bemiddelingsgesprek met [E] op 14 mei 2025 gezegd dat zij absoluut niet terug wil naar Zorgspectrum. Mevrouw [verweerster] wilde daarna in de rehabilitatiemail aan de team-collega’s expliciet vermeld hebben dat zij niet als zorgmedewerker zou terugkeren naar Zorgspectrum. De kantonrechter is daarom van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de arbeidsverhoudingen ernstig en duurzaam zijn verstoord waardoor van Zorgspectrum niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dit betekent dat er een redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Herplaatsing van mevrouw [verweerster] ligt vanwege de aard van de verstoring en wat in het kader van een werkhervatting al is geprobeerd niet in de rede. De ontbinding wordt dan ook toegewezen, onder toekenning van de transitievergoeding (waar in rechtsoverweging 4.16 nader over wordt overwogen).\n\nZorgspectrum heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld tegenover mevrouw [verweerster]4.5.. Partijen verschillen van mening of Zorgspectrum ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dat is van belang voor de datum van ontbinding en het toewijzen van een billijke vergoeding.\n\n4.6.. Volgens mevrouw [verweerster] is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van Zorgspectrum. Daarom verzoekt zij bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst een billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto. Mevrouw [verweerster] stelt dat Zorgspectrum in het gesprek op 24 januari 2025 zonder voorbehoud heeft gezegd dat door haar grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden. Ook is het volgens mevrouw [verweerster] verwijtbaar dat Zorgspectrum direct na het gesprek op 24 januari 2025 een email heeft verstuurd naar het team waarin staat dat zij betrokken was bij seksueel overschrijdend gedrag. Daarna heeft Zorgspectrum mevrouw [verweerster] niet meer geïnformeerd over het onderzoek of iets van zich laten horen, zoals door het sturen van een bloemetje of een kaartje, waardoor mevrouw [verweerster] zich aan haar lot overgelaten voelde. Zorgspectrum heeft de situatie daardoor laten escaleren. De non-actiefstelling is pas half maart 2025 opgeheven in plaats van op 9 februari 2025 zoals Zorgspectrum had aangekondigd. Verder is Zorgspectrum tegen beter weten in blijven aandringen op een gesprek terwijl Zorgspectrum wist dat mevrouw [verweerster] niet wilde terugkeren naar haar werkplek.\n\n4.7.. Zorgspectrum heeft betwist dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten verder toegelicht.\n\n4.8.. Van ernstige verwijtbaarheid is alleen sprake in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.\n\n4.9.. Niet in geschil is dat Zorgspectrum een melding van grensoverschrijdend gedrag door een bewoner van haar instelling zorgvuldig moet onderzoeken. De kantonrechter stelt vast dat mevrouw [verweerster] tegen de inhoud van het onderzoek naar de melding geen verweer heeft gevoerd, maar wel tegen de duur van het onderzoek en de wijze waarop Zorgspectrum over het onderzoek en de melding heeft gecommuniceerd. De kantonrechter zal dit hierna beoordelen.\n\n- het gesprek op 24 januari 20254.10.. Mevrouw [verweerster] stelt dat [A] in het gesprek op 24 januari 2025 haar heeft gezegd dat zij de bewoner gelooft, namelijk dat mevrouw [verweerster] grensoverschrijdend gedrag heeft verricht. De kantonrechter heeft dit op basis van het dossier en wat op de zitting is verteld, niet kunnen vaststellen. Uit het verslag van dit gesprek, waarbij ook [functie 4] [C] aanwezig was, blijkt dit niet en in de schriftelijke reactie van de gemachtigde van mevrouw [verweerster] op dit verslag wordt ook niet gesteld dat [A] dit zou hebben gezegd. Tijdens de zitting heeft [A] dit ook uitdrukkelijk ontkend. Daarom acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat dit is gezegd. Mogelijk is er iets gezegd over de geloofwaardigheid van de verklaring om het nader onderzoek toe te lichten, maar daarmee is niet gezegd dat de bewoner en niet mevrouw [verweerster] werd geloofd. Nu mevrouw [verweerster] geen nader bewijs van haar stelling heeft aangeboden wordt deze gepasseerd.\n\n- de e-mail van 24 januari 20254.11.. De kantonrechter begrijpt dat het gesprek over de melding van een bewoner voor mevrouw [verweerster] heel hard is aangekomen en dat de melding voor haar allerlei ongewenste gevolgen heeft gehad, zoals dat over haar gepraat wordt door die bewoner en door collega’s. De kantonrechter kan echter niet vaststellen dat deze ongewenste gevolgen zijn veroorzaakt door het vermelden van haar naam in de e-mail van 24 januari 2025 waarmee [A] het team over het onderzoek naar de melding heeft geïnformeerd. De ongewenste gevolgen van de melding voor mevrouw [verweerster] kunnen daarom niet voor rekening van Zorgspectrum worden gebracht. Het is wel duidelijk dat [A] deze e-mail, ook gelet op de correcties daarop in de rehabilitatiemail van 16 juni 2025, wat diplomatieker had kunnen formuleren, maar de kantonrechter deelt niet het standpunt van mevrouw [verweerster] dat Zorgspectrum met de verspreiding van de e-mail van 24 januari 2025 aan het team ten opzichte van haar ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Er staan geen onwaarheden in die mail, terwijl het verzenden van een bericht vanuit de organisatie gezien de beperkte omvang van de organisatie en mogelijke geruchten op zich niet als onjuist kan worden aangemerkt.\n\n- het onderzoek4.12.. De kantonrechter is van oordeel dat het onderzoek naar de melding voldoende voortvarend is geweest. Uit de verslagen van de interviews van de onderzoeker met de bewoner en met mevrouw [verweerster] blijkt dat de interviews op 13 en op 17 februari 2025 hebben plaatsgevonden. De gemachtigde van Zorgspectrum heeft tijdens de zitting toegelicht dat op grond van de toepasselijke klachtenregeling (bijlage productie 12 verzoekschrift) voor de afhandeling van een melding – anders dan bij een formele klacht – geen duidelijke termijn geldt. Gezien de impact van het onderzoek had het wel op de weg van Zorgspectrum gelegen om mevrouw [verweerster] meer duidelijkheid te geven over het tijdsverloop van het onderzoek. Mevrouw [verweerster] dan wel de door haar reeds ingeschakelde gemachtigde had daar echter ook zelf om kunnen vragen, dat heeft zij niet gedaan. Het onderzoek naar de melding was eind februari 2025 afgerond. Zorgspectrum heeft de uitkomst toen telefonisch aan mevrouw [verweerster] meegedeeld en geprobeerd met mevrouw [verweerster] in gesprek te gaan, maar dat wilde zij niet. Zorgspectrum heeft mevrouw [verweerster] vervolgens per brief van 13 maart 2025 geïnformeerd over de uitkomst van het onderzoek en haar gevraagd andere locaties door te geven waar zij zou willen werken. De kantonrechter volgt mevrouw [verweerster] niet in haar stelling dat Zorgspectrum de situatie heeft laten escaleren door twee weken te wachten met het instellen van het onderzoek. Het eerste interview heeft op 13 februari 2025 plaatsgevonden, drie weken na het gesprek op 24 januari 2025. De kantonrechter vindt dit niet te laat nu het gebruikelijk is dat met het opstarten van een onderzoek, zeker door een extern onderzoek(st)er, enige tijd gemoeid gaat. Ook het tijdsverloop tussen het gesprek op 24 januari 2025 en de telefonische uitslag van het onderzoek aan mevrouw [verweerster] eind februari 2025, ongeveer vier tot vijf weken, is naar het oordeel van de kantonrechter niet te lang. De kantonrechter begrijpt dat de periode tussen 24 januari 2025 en de telefonische uitslag van het onderzoek voor mevrouw [verweerster] een heel onzekere tijd moet zijn geweest maar dat betekent nog niet dat deze periode zodanig lang is geweest, dat gesproken moet worden van ernstig verwijtbaar handelen op dit punt.\n\n- de non-actiefstelling\u002Fvrijstelling van werk4.13.. Zorgspectrum heeft in de e-mail van 24 januari 2025 aan het team aangekondigd dat de non-actiefperiode is gesteld tot en met 9 februari 2025. Dat de non-actiefstelling langer heeft geduurd en pas op 13 maart 2025 is beëindigd lijkt meer te zijn veroorzaakt doordat het onderzoek pas eind februari 2025 was afgerond, mevrouw [verweerster] inmiddels was ziekgemeld en zij na het onderzoek niet met Zorgspectrum in gesprek wilde. Uit de correspondentie van de zijde van mevrouw [verweerster] blijkt ook niet dat na afronding van het onderzoek is verzocht de non-actiefstelling op te heffen. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen dat de periode van non-actiefstelling (die later door Zorgspectrum is aangeduid als ‘vrijstelling van werk’) zonder goede reden te lang is geweest.\n\n4.14.. De overige kritiekpunten van mevrouw [verweerster] , die met name zien op de periode na het bemiddelingsgesprek op 14 mei 2025, onder meer over de financiële compensatie en het oordeel van de bedrijfsarts, toen de arbeidsverhouding al ernstig en duurzaam verstoord was, kunnen ook niet tot de conclusie leiden dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Zorgspectrum. Door de verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen worden in de brieven van Zorgspectrum zaken gelezen die daarin niet zijn terug te vinden. Bijvoorbeeld de stelling van mevrouw [verweerster] dat het advies van de bedrijfsarts in haar rapportage ‘snoeihard’ zou zijn voor Zorgspectrum. Dat kan de kantonrechter niet afleiden uit de opmerking van de bedrijfsarts in haar rapportage dat er ‘bij deze werkgever knelpunten zijn’. Ook de stelling tijdens de zitting dat Zorgspectrum nog steeds de lezing van de bewoner gelooft, is niet terug te lezen in de brief van Zorgspectrum van 13 maart 2025, waar mevrouw [verweerster] in de pleitnota naar heeft verwezen. Uit de bewoordingen van Zorgspectrum in deze brief ‘dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat de beschreven situatie van grensoverschrijdend gedrag zich heeft voorgedaan en\u002Fof dat mevrouw [verweerster] daarbij betrokken is geweest’ kan naar het oordeel van de kantonrechter niet geconcludeerd worden dat Zorgspectrum de lezing van de bewoner gelooft, zoals mevrouw [verweerster] stelt.\n\n4.15.. \n\nIn de kritiekpunten van mevrouw [verweerster] ziet de kantonrechter onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de verstoorde arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Zorgspectrum. De impact van de melding en de non-actiefstelling voor mevrouw [verweerster] ziet de kantonrechter meer als een gevolg van het feit dat een klacht is ingediend dan als gevolg van een (verwijtbaar) handelen van Zorgspectrum. Zorgspectrum had de email van 24 januari 2025 zorgvuldiger kunnen formuleren, maar zij is daarop later teruggekomen in de rehabilitatiemail van\n\n16 juni 2025. Het tijdsverloop tussen de email en de rehabilitatiemail is mede veroorzaakt doordat mevrouw [verweerster] niet meer in gesprek wilde, zodat dit niet uitsluitend aan Zorgspectrum kan worden verweten. De conclusie is dat de verstoorde arbeidsverhouding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Zorgspectrum. Omdat een billijke vergoeding alleen kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgeverzal het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding dus worden afgewezen.\n\nDe arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 november 20254.16.. Omdat het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd en er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door Zorgspectrum, zal het einde van de arbeidsovereenkomst worden bepaald op 1 november 2025. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.\n\nZorgspectrum is aan mevrouw [verweerster] een transitievergoeding verschuldigd4.17.. Partijen zijn het erover eens dat [verweerster] recht heeft op een transitievergoeding en dat die vergoeding berekend moet worden aan de hand van de door Zorgspectrum in het verzoekschrift genoemde loonbestanddelen (punt 9.2), in totaal € 3.341,19 bruto. Bij een einde dienstverband per 1 november 2025 bedraagt de transitievergoeding € 4.922,04 bruto. Het verzoek om Zorgspectrum te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 december 2025.\n\nIntrekkingsbevoegdheid4.18.. Zorgspectrum hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.\n\nDoorbetalen van loon en het verstrekken van salarisspecificaties4.19.. Mevrouw [verweerster] heeft in het verweerschrift gevraagd om Zorgspectrum te veroordelen tot betaling van de vergoedingen zoals omschreven in randnummer 9.2 van het verzoekschrift en tot afgifte van een salarisspecificatie waarin – onder meer – deze bedragen zijn verwerkt. Niet is gesteld of gebleken dat Zorgspectrum niet langer bereid is om het salaris en de aanvullende vergoedingen uit te betalen en over deze betalingen salarisspecificaties te verstrekken. Zorgspectrum is hiertoe al gehouden op grond van de arbeidsovereenkomst. Het is daarom niet duidelijk wat het belang van mevrouw [verweerster] is bij deze veroordeling. De kantonrechter zal daarom de gevraagde veroordeling tot het doen van deze betalingen en tot het verstrekken van salarisspecificaties afwijzen.\n\nDe buitengerechtelijke kosten en de daadwerkelijk proceskosten worden afgewezen.4.20.. Omdat Zorgspectrum niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, is er geen reden om Zorgspectrum te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en\u002Fof de daadwerkelijke proceskosten, zoals zij heeft verzocht.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd4.21.. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2025,\n\n5.2.. veroordeelt Zorgspectrum om aan mevrouw [verweerster] een transitievergoeding te betalen van € 4.922,04 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen en in het openbaar uitgesproken mr. C.J.M. Hendriks op 22 september 2025.\n\n40160\n\nOp grond van artikel 7:671b lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\nArtikel 7:669 lid 3 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\nZie artikel 7:669 lid 3 onder g BW.\n\nKamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 46.\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).\n\nZie artikel 7:671b lid 9 BW.\n\nZie artikel 7:671b lid 9 onder a BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4965","2025-09-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.010Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":50,"updatedAt":80},"1315","ECLI:NL:RBROT:2025:9452","ecli-nl-rbrot-2025-9452",61,"2025-08-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F9558uitspraak van de meervoudige kamer van 7 augustus 2025 in de zaak tussen\n\n [eiseres], uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R. van den Berg Jeths),\n\nen\n\nde minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister\n\n(gemachtigde: mr. M.B. Gschwind).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de subsidieaanvraag van eiseres. Eiseres heeft een subsidie van € 1.286.250,- aangevraagd op basis van de Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU). De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat op vier punten niet aan de vereisten uit de MDIEU is voldaan. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Eiseres betoogt met haar beroepsgronden dat wel aan de vereisten is voldaan en doet daarbij ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden heeft vastgesteld dat de aanvraag van eiseres niet aan de vereisten van de MDIEU voldoet. De aanvraag is daarom terecht afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3: het toetsingskader staat onder 3; de beoordeling van het bestreden besluit ten aanzien van de vereisten van de MDIEU volgt onder 4; de beoordeling van het beroep op het gelijkheidsbeginsel volgt onder 5. Aan het eind (onder 6) staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een activiteitenplan met de projectnaam ‘Leven Lang Ontwikkelen op de arbeidsmarkt ICT’ (het activiteitenplan). Het gaat om een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder c, van de MDIEU. In de omschrijving van het activiteitenplan staat onder meer dat het project tot doel heeft “het bevorderen van voortdurende persoonlijke en professionele ontwikkeling en de arbeidsmobiliteit van werkenden in ICT-beroepen. Hiermee willen we zorgen dat zij duurzaam inzetbaar blijven binnen de arbeidsmarkt.” Volgens de aanvraag kunnen “alle arbeidsorganisaties in Nederland […] deelnemen aan de activiteiten uit dit activiteitenplan.” Dat betreft volgens de aanvraag 200.000 arbeidsorganisaties, 707.000 werknemers en 82.800 uitzendkrachten en zzp’ers. De subsidie wordt gevraagd voor het geven van kortdurende trainingen of workshops voor groepen. Het gaat om workshops ‘Artificial Intelligence’, ‘(Cyber)security en informatieveiligheid’ en ‘Data Science’ (de workshops). Eiser wil met de gevraagde subsidie ca. 3.000 mensen zo’n training of workshop geven. De aangevraagde subsidie bedraagt€ 1.286.250,-.\n\n2.1.. De aanvraag voor het activiteitenplan is het vervolg op een op basis van de MDIEU verleende en vastgestelde subsidie aan eiseres voor de uitvoering van een sectoranalysemet projectnaam ‘Sectoranalyse Arbeidsmarkt ICT’. De doelgroep daarvan was ‘medewerkers traditionele ICT-sector(en), ICT afdelingen ICT-ers algemeen.’ Verder staat er in die aanvraag ‘NLdigital is belangenbehartiger voor de digitale sector, leden uit de hele economie. Indeling SBI-codes past niet, vandaar allen.’\n\n2.2.. De minister heeft de subsidieaanvraag voor het activiteitenplan met het primaire besluit van 22 januari 2024 afgewezen. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.\n\n2.3.. Met het bestreden besluit van 19 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op vier punten niet is voldaan aan de vereisten uit de MDIEU. In de eerste plaats is geen sprake van een sectorale aanvraag,omdat de aanvraag ziet op activiteiten die door alle sectoren heen gaan en deze ook niet is aan te merken als een aanvraag van meerdere sectoren of een cluster van sectoren. In feite ziet de aanvraag op (nagenoeg) alle werkenden. In de tweede plaats sluit de aanvraag niet voldoende aan bij de eerder gesubsidieerde sectoranalyse van eiseres, omdat de doelgroep in de aanvraag voor het activiteitenplan verder is uitgebreid. In de derde plaats is geen sprake van maatwerkafsprakenvanwege de abstracte en grote doelgroep, zodat geen sprake is van duidelijke, concrete, afgebakende afspraken om – toegespitst op een sector – oplossingen te bieden voor duurzame inzetbaarheidsproblematiek. In de vierde plaats zien de workshops die eiseres wil aanbieden niet op het duurzaam inzetbaar houden van werkendenvanwege de niet-afgebakende doelgroep en de opzet van het project.\n\n2.4.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.5.. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn verschenen [persoon A] en [persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Namens de minister zijn verschenen [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. De rechtbank toetst of de minister in het bestreden besluit op goede gronden heeft beslist dat de aanvraag van eiseres voor het activiteitenplan niet voldoet aan de vereisten van de MDIEU en de minister de aanvraag terecht heeft geweigerd.\n\n3.1.. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nVoldoet de aanvraag aan de vereisten van de MDIEU?\n\n4. Eiseres voert in beroep aan dat haar aanvraag goed aansluit bij de doelstelling van de MDIEU, het geven van een forse impuls aan duurzaam inzetbaarheidsbeleid van werkenden. Eiseres wijst er op dat sinds haar oprichting bijna 30 jaar geleden inmiddels in alle sectoren en alle soorten bedrijven mensen werken die digitale vaardigheden nodig hebben. Eiseres beoogt een cultuuromslag van ontwikkelingen op het gebied van ICT: zij wil bewustzijn van duurzame inzetbaarheid bij werkgevers en werknemers vanzelfsprekend maken. Dat bewustzijn loopt achter op het vlak van de steeds verdergaande digitalisering; er is met andere woorden sprake van een blinde vlek. Gevolg hiervan is dat werknemers niet duurzaam inzetbaar zijn. Het activiteitenplan is bedoeld voor deze bewustwording. Het doel is bij- en opscholing via de workshops zodat werkenden in ICT-beroepen duurzaam inzetbaar blijven. De workshops gaan bijvoorbeeld om cyber- en informatiebeveiliging, IoT, machine learning\u002Fdeep learning. De aanvraag voor het project sluit aan bij de doelstelling van de MDIEU in artikel 3, tweede lid, onder c, en artikel 13, aanhef en onder e. De minister heeft daarbij miskend dat eiseres in de eerder gesubsidieerde sectoranalyse uitgebreid heeft gemotiveerd wat de problematiek is van het uitblijven van investeringen in werknemers voor noodzakelijke anticipatie op veranderingen in de ICT. Kort gezegd gaat het er om dat scholing zoals de workshops nu niet wordt aangeboden door werkgevers omdat zij zich onvoldoende bewust zijn van de ICT-ontwikkelingen, met als gevolg dat hun werknemers niet duurzaam inzetbaar zijn. Dat geen sprake zou zijn van maatwerkafspraken is arbitrair vanwege het ontbreken van een definitie van ‘maatwerkafspraken’ in de MDIEU. De MDIEU maakt geen koppeling tussen de sectorale aanpak \u002F de sector en maatwerkafspraken. Het maatwerk van de workshops, die het resultaat zijn van de gesubsidieerde sectoranalyse van eiseres, is juist in lijn met de MDIEU. Verder volgt nergens uit de MDIEU dat deze regeling niet de mogelijkheid biedt om een subsidieaanvraag in te dienen die sectoroverstijgend is. Eiseres wijst op de aangepaste definitie van ‘sector’en op de toelichting van de wetgever waarin is vermeld dat een sector in meerdere SBI-codes kan vallen. De sectoren waar het activiteitenplan op ziet, heeft eiseres in de aanvraag aangegeven. Het is niet consistent dat in de subsidiëring van de sectoranalyse de aspecten ‘maatwerkafspraken’ en ‘sectorale aanpak’ geen struikelblok waren.\n\n4.1.. De subsidieaanvraag van eiseres komt (alleen) in aanmerking voor het verlenen van de subsidie als de minister van oordeel is dat wordt voldaan aan de vereisten uit de MDIEU.De rechtbank beoordeelt hieronder of de minister redelijkerwijs kon vaststellen dat de aanvraag niet aan de vereisten van de MDIEU voldoet.\n\nDoelstelling MDIEU: sectorale aanpak en maatwerkafspraken\n\n4.2.. Het eerste lid van artikel 3 van de MDIEU bepaalt dat het doel van de regeling is het door middel van het verlenen van subsidie faciliteren van maatwerkafspraken betreffende duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden binnen sectoren en arbeidsorganisaties. Uit de tekst en de toelichting op artikel 3 van de MDIEU blijkt dat deze regeling is opgezet om een sectorale aanpak te bieden voor uitdagingen van duurzame inzetbaarheid van werknemers. De MDIEU is een uitvloeisel van het pensioenakkoord uit 2019 tussen het kabinet en sociale partners. In de toelichting op de MDIEU staat onder meer: “Deze subsidieregeling omvat het faciliteren van sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Sociale partners in sectoren kunnen in een samenwerkingsverband subsidieaanvragen indienen met als doel: het duurzaam inzetbaar houden van werkenden en het faciliteren van langer doorwerken, […]”.En verderop: “Sociale partners worden uitgenodigd om hun beleid rond duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden te organiseren op het niveau waarvan zij menen de knelpunten het beste te kunnen oplossen. De insteek is dat aanvragen worden ingediend door logische, sectorbrede samenwerkingsverbanden met een zekere schaalgrootte.”\n\n4.3.. Een sector is volgens de definitie van de MDIEUeen sector zoals omschreven in de subsidieaanvraag, die past binnen een of meerdere hoofdcategorieën van de sectorindeling zoals opgenomen in de bijlage bij de MDIEU. Daarin zijn sectoren opgenomen zoals “bouwnijverheid” en “onderwijs”. De minister heeft op goede gronden toegelicht dat een aanvraag die alle sectoren doorkruist, en daar als het ware overkoepelend overheen komt te liggen, niet voldoet aan artikel 3, eerste lid, van de MDIEU. Dat het technisch mogelijk is om bij de aanvraag alle sectoren aan te vinken, is daarvoor niet relevant.\n\n4.4.. Eiseres heeft toegelicht dat de uitdaging voor duurzame inzetbaarheid van werkenden in verband met ICT-ontwikkelingen in feite sectoroverstijgend is; dat een sectorale benadering daar niet passend voor is. Wat daar ook van zij, dat neemt niet weg dat de minister gehouden is de voorliggende aanvraag van eiseres te toetsen aan de vereisten van de MDIEU. Of de minister in de MDIEU een andere (beleids)matige keuze had kunnen maken, waarbinnen een sectoroverstijgende aanpak van de uitdagingen rondom ICT-ontwikkelingen wel binnen de vereisten en doelstelling van de regeling zou hebben gepast, staat niet ter beoordeling van de rechtbank.\n\n4.5.. De rechtbank volgt de minister in het verlengde daarvan ook in zijn standpunt dat de workshops die eiseres binnen het project wil geven niet kunnen worden gezien als maatwerkafspraken. Juist in het licht dat eiseres de uitdagingen rondom ICT-ontwikkelingen voor werkenden en werkgevers ziet als sectoroverstijgend probleem, zijn de aangeboden workshops geen vorm van maatwerkafspraken binnen sectoren. Het een hangt met het ander samen. Dat de term ‘maatwerkafspraken’ in de MDIEU niet is gedefinieerd, is niet doorslaggevend. De minister heeft in het bestreden besluit toegelicht dat hij met deze term doelt op ‘duidelijke, concrete, afgebakende afspraken toegespitst op de sector’. Gelet op de tekst en toelichting van de MDIEU is de minister met deze invulling van het begrip ‘maatwerkvoorschriften’ zijn beoordelingsruimte niet te buiten gegaan.\n\n4.6.. \n\nVoor zover eiseres betoogt dat de minister deze vereisten niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen omdat hij dat ook niet heeft gedaan bij de subsidiëring van de eerdere sectoranalyse, slaagt dat betoog niet. De minister heeft op goede gronden toegelicht dat eiseres in de aanvraag voor de sectoranalyse een andere, meer begrensde doelgroep heeft gedefinieerd dan in de aanvraag die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Daar ging het immers om “medewerkers traditionele ICT-sector(en), ICT afdelingen ICT-ers algemeen.” En in deze aanvraag om ‘werkenden in ICT-beroepen in uiteenlopende sectoren en functies’. Het standpunt van eiseres op zitting dat in wezen geen andere doelgroep is bedoeld, sluit niet aan bij de bewoordingen van de beide aanvragen. Daarbij benoemt de minister in het bestreden besluit terecht dat eiseres in de correspondentie over de subsidiëring van de sectoranalyse is gewezen op het risico van de gekozen brede doelgroep bij het aanvragen van subsidie voor activiteitenplannen.\n\nTussenconclusie\n\n4.7.. Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag van eiseres niet voldoet aan het doelstelling van artikel 3, eerste lid, van de MDIEU, volgt uit artikel 18, aanhef en onder a, van de MDIEU dat de minister terecht de subsidieaanvraag heeft geweigerd.\n\n4.8.. De gronden van eiseres over het vereiste van het stimuleren van duurzame inzetbaarheid van werkendenmet de workshops, en het vereiste van het aansluiten bij de eerder gesubsidieerde sectoranalysebehoeven daarom geen bespreking.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n5. Eiseres voert in beroep verder aan dat het in strijd met het gelijkheidsbeginsel is dat een ander project dat ziet op activiteiten voor alle werknemers in Nederland met uitzendwerk, en dus ook in vrijwel alle sectoren, wel is gesubsidieerd op basis van de MDIEU. Die aanvraag is niet afgewezen terwijl dat ook een sectoroverstijgende aanvraag is en veel mensen betreft.\n\n5.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van gelijke gevallen.De minister heeft op goede gronden toegelicht dat geen sprake is van gelijke gevallen ten aanzien van de gesubsidieerde aanvraag voor de uitzendsector. Hoewel de uitzendsector niet in de sectorindeling van bijlage 1 van de MDIEU genoemd staat, wordt dit wel als sector gezien vanwege de organisatie via sociale partners binnen deze sector en de eigen cao voor de uitzendsector.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres niet alsnog de aangevraagde subsidie krijgt toegekend. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en\n\nmr. S.E.C. Debets, leden, in aanwezigheid van N. Bilogrević, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2025.\n\nDe griffier is niet in staat\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nTijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU)\n\nIn artikel 1 worden begripsbepalingen gegeven van de begrippen ‘duurzame inzetbaarheid’: het gemotiveerd, gezond en productief houden van in Nederland werkzame werkenden om hen in staat te stellen tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, binnen of buiten een arbeidsorganisatie betaalde arbeid te verrichten.\n\nEn ‘sector’: een sector zoals omschreven in de subsidieaanvraag, die past binnen een of meerdere hoofdcategorieën van de sectorindeling zoals opgenomen in de bijlage bij deze regeling.\n\nArtikel 3, eerste lid, bepaalt dat het doel van de regeling (MDIEU) is: het door middel van het verlenen van subsidie faciliteren van maatwerkafspraken betreffende duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden binnen sectoren en arbeidsorganisaties.\n\nHet tweede lid bepaalt dat een subsidiabele activiteit betrekking heeft op een of meer van de onderstaande thema’s:\n\n[…]\n\nc. het stimuleren van een leven lang ontwikkelen en arbeidsmobiliteit van werkenden;\n\n[…]\n\nArtikel 13 bepaalt dat onder subsidiabele activiteiten met betrekking tot de thema’s, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder c, een of meer van de volgende activiteiten inhouden:\n\n[…]\n\ne. een kortdurende training van of workshops voor groepen;\n\n[…]\n\nArtikel 18 bepaalt dat de aanvraag tot verlening van subsidie voor het uitvoeren van een activiteitenplan in ieder geval geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd indien naar het oordeel van de minister:\n\na. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij deze regeling gestelde eisen;\n\n[…]\n\nc. de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet voldoende aansluiten bij de sectoranalyse of bedrijfsanalyse;\n\n[…]\n\nBijlage behorend bij artikel 1 van de MDIEU\n\nSectorindeling\n\nDe Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI) is een hiërarchische indeling van economische activiteiten die het CBS onder meer gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit.\n\nIndeling naar sector:\n\nLandbouw, bosbouw en visserij\n\nWinning van delfstoffen\n\nIndustrie\n\nProductie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht\n\nWinning en distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering\n\nBouwnijverheid\n\nGroot- en detailhandel; reparatie van auto’s\n\nVervoer en opslag\n\nLogies-, maaltijd- en drankverstrekking\n\n Informatie en communicatie\n\n Financiële instellingen\n\n Verhuur van en handel in onroerend goed\n\n Advisering, onderzoek en overige specialistische zakelijke dienstverlening\n\n Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening\n\n Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen\n\n Onderwijs\n\n Gezondheids- en welzijnszorg\n\n Cultuur, sport en recreatie\n\n Overige dienstverlening\n\n Huishoudens als werkgever, niet-gedifferentieerde productie van goederen en diensten door huishoudens voor eigen gebruik\n\n Extraterritoriale organisaties en lichamen\n\n Zie artikel 12, derde en vierde lid, van de MDIEU.\n\n Zie hoofdstuk 2 van de MDIEU.\n\n Als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en artikel 18, aanhef en onder a, van de MDIEU.\n\n Als bedoeld in artikel 18, aanhef en onder c, van de MDIEU.\n\n Als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en artikel 18, aanhef en onder a, van de MDIEU.\n\n Als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en artikel 18, aanhef en onder a, van de MDIEU.\n\n Staatscourant 21 januari 2021, nr. 2522, p. 18.\n\n Staatscourant 21 januari 2021, nr. 2522, p. 21.\n\n Zie artikel 18 van de MDIEU.\n\n Staatscourant 21 januari 2021, nr. 2522, p. 12.\n\n Staatscourant 21 januari 2021, nr. 2522, p. 13.\n\n Artikel 1, eerste lid, van de MDIEU.\n\n Als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder c, van de MDIEU: het stimuleren van een leven lang ontwikkelen en arbeidsmobiliteit van werkenden.\n\n Artikel 18, aanhef en onder c, van de MDIEU.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1336.\n\n Bron: https:\u002F\u002Fwww.cbs.nl\u002Fnl-nl\u002Fonze-diensten\u002Fmethoden\u002Fclassificaties\u002Factiviteiten\u002Fsbi-2008-standaard-bedrijfsindeling-2008.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:9452","2025-08-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.548Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":50,"updatedAt":89},"1567","ECLI:NL:RBMNE:2025:1655","ecli-nl-rbmne-2025-1655","2025-02-26T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nhandelskamer\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F16\u002F581737 \u002F HA ZA 24-490\n\nVonnis van 26 februari 2025\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiser,\n\nadvocaat mr. M.P.C. de Kramer te Tilburg,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. M. Hurks te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.\n\n1. De procedure1.1.. De rechtbank beschikt over de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 5 augustus 2024, met producties 1 tot en met 39,\n\nde conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 14,\n\nde oproep voor de mondelinge behandeling, verzonden op 16 december 2024,\n\nde akte met producties van [eiser] , met aanvullende producties 40 A tot en met 45 I.\n\n1.2.. Op 20 januari 2025 heeft de zitting plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt van wat er is besproken en hebben de advocaten van partijen spreekaantekeningen voorgedragen. Aan het einde van de zitting heeft de rechter bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak2.1.. \n [eiser] is op 8 februari 2024 ontslagen als statutair directeur bij [gedaagde] . Hij vindt dit ontslag onterecht. Hij vindt dat dit besluit nietig is of dat de rechtbank het besluit moet vernietigen. Daarna wil hij terugkeren als directeur en zijn werkzaamheden hervatten. Hij wil weer bij de Kamer van Koophandel worden ingeschreven als bestuurder met vertegenwoordigingsbevoegdheid en hij wil dat een rectificatie over zijn onterechte ontslag aan alle personeelsleden verstuurd wordt. Hij vordert ook dat de rechtbank voor recht verklaart dat zijn overeenkomst met [gedaagde] gezien moet worden als een arbeidsovereenkomst.\n\n2.2.. De rechtbank geeft [eiser] ongelijk. Zijn ontslag als statutair bestuurder blijft in stand en [gedaagde] hoeft hem niet te laten terugkeren als bestuurder. Hij heeft geen arbeidsovereenkomst met [gedaagde] , maar een overeenkomst van opdracht.\n\n3. BeoordelingWat is er gebeurd?\n\n3.1.. \n [eiser] was tot 8 februari 2024 statutair bestuurder van [gedaagde] . Hij tekende na een fusie in 2009 een overeenkomst van opdracht met [gedaagde] N.V. Na een reorganisatie in 2019 kreeg hij een zogenoemde overeenkomst van opdracht met [gedaagde] B.V., dat is gedaagde. [eiser] had verschillende managementfuncties binnen [gedaagde] , waaronder Directeur Operation en Sales\u002FORB .\n\n3.2.. \n [eiser] is medeoprichter van [gedaagde] . Alle oprichters van [gedaagde] zijn aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ), de houder van de niet-stemgerechtigde winstaandelen van [gedaagde] . De nog bij [gedaagde] actieve oprichters zijn daarnaast ook lid van [bedrijf 2] U.A. (de [bedrijf 2] ), de houder van de stemgerechtigde aandelen van [gedaagde] . [eiser] is aandeelhouder van [bedrijf 1] en lid van de [bedrijf 2] .\n\n3.3.. In de vergadering van 8 februari 2024 nam de raad van commissarissen van [gedaagde] het besluit om [eiser] te ontslaan.\n\nHet besluit tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder blijft in stand\n\nEr was geen tegenstrijdig belang\n\n3.4.. Tussen partijen is in geschil of de raad van commissarissen een tegenstrijdig belang had en daarom niet mocht beslissen over het ontslag van [eiser] als statutair bestuurder .\n\n3.5.. Van tegenstrijdig belang is sprake als een of meer commissarissen een direct of indirect persoonlijk belang heeft\u002Fhebben dat tegenstrijdig is aan het belang van de onderneming (artikel 2:250 lid 2 en 5 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 26.5 en 26.6 van de statuten van [gedaagde] ). Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.\n\n3.6.. Volgens [eiser] was bij alle commissarissen sprake van tegenstrijdig belang, omdat het in hun belang was het bestuur te ontslaan voordat het vertrouwen in de raad van commissarissen zou worden opgezegd. Dit is echter geen persoonlijk belang van een of meer commissarissen zoals bedoeld in de wet of de statuten. Het is namelijk niet een belang dat de commissarissen persoonlijk betreft, maar direct samenhangt met hun functie als commissaris.\n\n3.7.. Bovendien is het vertrouwen in de raad van commissarissen niet opgezegd. Een motie van wantrouwen is op de ledenvergadering van de [bedrijf 2] van 1 februari 2024 besproken maar niet aangenomen. Het voorstel om een onderzoek in te stellen naar het functioneren van de raad van commissarissen is afgewezen. [eiser] stelt dat de situatie was “zij eruit of wij eruit”, maar dat blijkt niet uit deze feiten.\n\n3.8.. Er was daarom geen tegenstrijdig belang bij de commissarissen. De raad was bevoegd om het ontslagbesluit te nemen. Dit besluit is daarom niet nietig en wordt ook niet vernietigd.\n\nHet hoorrecht en de raadgevende stem zijn niet geschonden\n\n3.9.. Partijen verschillen van mening of [eiser] voldoende kans heeft gehad zijn raadgevende stem als bestuurder te geven en zich te laten horen over zijn ontslag in de vergadering van aandeelhouders van 8 februari 2024.\n\n3.10.. \n [eiser] kreeg de onderbouwing van zijn ontslag op 29 januari 2024, tien dagen vóór de vergadering van aandeelhouders. Dat is voldoende tijd om zich te kunnen voorbereiden op de vergadering. De rechtbank vindt het wel begrijpelijk dat [eiser] de redenen voor zijn ontslag veel eerder wilde weten. Na de aankondiging op 19 december 2023 moest hij daar anderhalve maand op wachten. De raad van commissarissen wilde deze tijd gebruiken om met [eiser] een goede regeling te treffen, waarbij hij een andere functie kreeg binnen [gedaagde] . De raad van commissarissen heeft daarbij het belang van [eiser] om te weten wat er ten grondslag lag aan het ontslag opzijgeschoven. Dat had de raad van commissarissen niet zo moeten doen, maar dat levert nog geen schending van het hoorrecht en de raadgevende stem van [eiser] op.\n\n3.11.. Volgens [eiser] heeft hij niet alle stukken voor de vergadering ontvangen. Hij noemt specifiek de schriftelijke reactie van [bedrijf 1] aan de raad van commissarissen. Ook zonder dit stuk had [eiser] voldoende gelegenheid om zich te verweren tegen zijn ontslag. Het bestuur van [bedrijf 1] was op de vergadering aanwezig en heeft daar het standpunt van [bedrijf 1] verwoord. Het bestuur van [bedrijf 1] en [eiser] konden tijdens de vergadering naar elkaars standpunt luisteren, vragen stellen en op elkaar reageren. Dat de schriftelijke reactie niet naar [eiser] was doorgestuurd is daarom te weinig voor een schending van het hoorrecht of de raadgevende stem.\n\n3.12.. Tijdens de vergadering van aandeelhouders reageerde [eiser] met zijn advocaat uitgebreid op het voorstel en lichtte hij zijn functioneren toe. Daarmee heeft hij gebruik kunnen maken van zijn hoorrecht en raadgevende stem. [eiser] stoort zich eraan dat er weinig vragen en reacties kwamen vanuit de aandeelhouders. Dat is een keuze van de aandeelhouders. Het stond ze vrij om te reageren en vragen te stellen. De beperkte reacties doen niets af aan het besluit dat daarna door de raad van commissarissen is genomen.\n\n3.13.. Het hoorrecht en de raadgevende stem van [eiser] in de vergadering van aandeelhouders van 8 februari 2024 zijn dus niet geschonden. Ook dit is geen reden het ontslagbesluit te vernietigen.\n\nHet adviesrecht van de ondernemingsraad is niet geschonden\n\n3.14.. Op grond van artikel 30 van de Wet op de Ondernemingsraad wordt de ondernemingsraad in staat gesteld advies te geven over het voornemen tot ontslag van een bestuurder. Volgens [eiser] kreeg de ondernemingsraad daarvoor te weinig tijd. Pas op 30 januari 2024 is het advies aan de ondernemingsraad gevraagd. Als deze termijn te kort was om een advies uit te brengen, was het aan de ondernemingsraad om daarover te klagen. Dat deed de ondernemingsraad niet. [eiser] stelt ook niet dat de ondernemingsraad daarover heeft geklaagd. Kennelijk was deze korte termijn voor de ondernemingsraad voldoende om een advies uit te brengen. Het adviesrecht van de ondernemingsraad is niet geschonden en is geen reden om het ontslagbesluit te vernietigen.\n\nHet belang van de onderneming is niet geschonden\n\n3.15.. Volgens [eiser] was het ontslag van hem als statutair bestuurder in strijd met het belang van de onderneming. Hij wijst daarbij op ziekte, slecht functioneren en ontslag van andere bestuurdersleden, waardoor hij er alleen voor kwam te staan. Hij vond dat de raad van commissarissen daarbij onvoldoende steun gaf en verkeerde beslissingen nam. [gedaagde] ziet dit anders. Zij wijst op de dalende resultaten en het uitblijven van resultaten van grote projecten. De raad van commissarissen miste daarin een krachtig en doortastend optreden van het bestuur. Als bestuurder werd [eiser] daarvoor (eind)verantwoordelijk gehouden, net als de andere bestuurders. Na meerdere tegenvallende resultaten werd het hele bestuur weggestuurd. De raad van commissarissen mag die keuze maken en ervoor kiezen met een ander bestuur verder te gaan als hij vindt dat dat beter is voor de onderneming. Door het bestuur te ontslaan heeft de raad niet in strijd gehandeld met het belang van de onderneming. Dit is geen reden het besluit te vernietigen.\n\nHet ontslagbesluit was niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid\n\n3.16.. Ondanks alle verzoeken van [eiser] kwam de raad van commissarissen pas laat met de redenen van het ontslag. Zoals hierboven al is besproken had de raad van commissarissen dit eerder met [eiser] moeten bespreken in een open gesprek. Het is te begrijpen dat dit frustrerend was voor [eiser] . Dit maakt echter nog niet dat het ontslag in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.\n\n3.17.. Volgens [eiser] waren de aandeelhouders onvoldoende geïnformeerd. Dat blijkt echter nergens uit. De agenda voor deze vergadering is al op 19 december 2023 naar hen verzonden en daarin stond het voorgenomen ontslag van onder meer [eiser] als bestuurder. De stukken met toelichting op het ontslag zijn later aan de aandeelhouders gestuurd. Tijdens de vergadering lichtte [eiser] nog uitgebreid zijn mening toe. Als de aandeelhouders meer informatie wilden hebben, hadden ze daarom kunnen vragen. [eiser] stelt niet welke informatie de aandeelhouders nog meer hadden moeten krijgen. Ook op dit punt is het ontslagbesluit niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid en is er geen reden het besluit te vernietigen.\n\nConclusie\n\n3.18.. Op grond van deze redenen ziet de rechtbank geen reden waarom het besluit nietig is of moet worden vernietigd. Deze vorderingen worden afgewezen. Dat betekent dat het besluit tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder in stand blijft.\n\n [eiser] keert niet terug als statutair bestuurder\n\n3.19.. Zoals hiervoor is uitgelegd blijft het ontslag van [eiser] als statutair bestuurder in stand. [gedaagde] hoeft geen bericht te versturen naar de personeelsleden dat zijn ontslag onterecht was. [gedaagde] hoeft hem ook niet meer in te schrijven bij de Kamer van Koophandel als bestuurder met vertegenwoordigingsbevoegdheid. Deze vorderingen worden afgewezen.\n\n3.20.. \n [eiser] vordert ook hem toe te laten tot zijn werkzaamheden en hem toegang te verlenen tot de gebouwen en de digitale systemen van [gedaagde] . Door zijn ontslag als bestuurder heeft hij geen werkzaamheden meer bij [gedaagde] . [gedaagde] wilde afspraken maken over een andere functie binnen [gedaagde] , maar dat wilde [eiser] niet. Kennelijk vraagt [eiser] deze toegang ook niet als lid van de [bedrijf 2] en aandeelhouder. Waarom [gedaagde] hem nog toegang moet verlenen wordt niet duidelijk. Daarom wordt deze vordering ook afgewezen.\n\n [eiser] heeft geen arbeidsovereenkomst\n\n3.21.. Partijen zijn het erover oneens of de overeenkomst van [eiser] met [gedaagde] beschouwd kan worden als een arbeidsovereenkomst.\n\n3.22.. Een arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek). Om te beoordelen of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de zogenaamde Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. De overeenkomst is een arbeidsovereenkomst als de rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Die beoordeling hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Daarbij kan onder andere van belang zijn de aard en duur van het werk, hoe de werkzaamheden en werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk in de organisatie van [gedaagde] , of het werk persoonlijk moet worden uitgevoerd, hoe het contract en de beloning tot stand zijn gekomen, de hoogte van de beloning, het commerciële risico en voor hoeveel opdrachtgevers hij gedurende welke periode heeft gewerkt. Dit zijn de criteria van de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest (Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443). Hierna worden de omstandigheden besproken die partijen hebben aangedragen.\n\nOvereenkomst\n\n3.23.. \n [eiser] heeft een overeenkomst van opdracht gesloten met [gedaagde] NV in 2009, met als bijlage de afspraak over zijn functie binnen [gedaagde] . In 2019 heeft hij een (vergelijkbare) overeenkomst van opdracht gesloten met [gedaagde] BV.\n\n3.24.. Pas in het kader van zijn ontslag stelt [eiser] zich op het standpunt dat dit een arbeidsovereenkomst zou zijn. Hij heeft de aard van de overeenkomst nooit eerder ter discussie gesteld, terwijl hij als statutair bestuurder , directeur en aandeelhouder wel in de positie zat om dat te kunnen bespreken. Dit onderwerp is in de afgelopen jaren namelijk wel bij [gedaagde] aan de orde geweest. Zo concludeerde BDO in 2022 dat er geen arbeidsrelatie was tussen [gedaagde] en de leden van de [bedrijf 2] . Bovendien is het onder werkgevers een actueel onderwerp of bestuurders en zzp-ers werknemers zijn. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nArbeid, gedurende zekere tijd\n\n3.25.. \n [eiser] heeft verschillende managementfuncties gehad, als laatste was hij Directeur Operatie en Sales\u002FORB . Naar buiten toe presenteerde [eiser] zich als directeur van [gedaagde] . Dat kan zowel in het kader van een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht. Het is niet in geschil dat hij zijn werk persoonlijk moest uitvoeren en dat hij geen andere opdrachtgevers had naast [gedaagde] . In de overeenkomst staat ook een non-concurrentiebeding op grond waarvan [eiser] tijdens en tot twee jaar na zijn contract geen concurrerende werkzaamheden mag verrichten in andere organisaties. Het contract geeft ook recht op doorbetaling van loon bij ziekte gedurende een jaar. Deze elementen wijzen in de richting van een arbeidsovereenkomst. Deze hele constructie heeft lange tijd bestaan, namelijk vanaf 2009 tot zijn ontslag.\n\nLoon\n\n3.26.. \n [eiser] ontving geen salarisstroken met inhouding van loonbelasting en sociale premies, zoals werknemers die krijgen. Hij ontving facturen met btw, waarop geen sociale premies voorkwamen. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nGezagsrelatie\n\n3.27.. Voor de vraag of er een gezagsverhouding is ontstaan tussen [gedaagde] en [eiser] , zoals bij een arbeidsovereenkomst, zijn meerdere aspecten van belang.\n\n3.28.. Het werk van [eiser] was organisatorisch ingebed in de organisatie. Zijn werk als directeur operations en sales maakte een wezenlijk onderdeel uit van de organisatie binnen [gedaagde] . Dat kan wijzen op een arbeidsovereenkomst. Net als de andere twee bestuursleden behoorde [eiser] tot de directie van [gedaagde] . Daarover zijn partijen het eens. De Raad van Commissarissen was bevoegd een bestuurder te benoemen en ontslaan, ongeacht of het om een arbeidsovereenkomst ging of een contract zoals [eiser] had. Dit kan zowel bij een arbeidsovereenkomst als bij een overeenkomst van opdracht aan de orde zijn. Dat heeft namelijk meer met de positie van een statutair bestuurder te maken dan met de aard van de overeenkomst.\n\n3.29.. Het is onduidelijk in hoeverre [eiser] zich moest houden aan de werktijden en protocollen van [gedaagde] . Hij hield zich eraan, maar het is niet duidelijk of hij daartoe verplicht was. Volgens [gedaagde] hoefde [eiser] zich hier niet aan te houden. [eiser] noemt ook geen concrete situaties waaruit blijkt dat hij zich aan deze interne regels moest houden of dat hij daarop is aangesproken. Hieruit blijkt niet dat van een gezagsrelatie sprake was. Het doorgeven van vakanties en het houden van functioneringsgesprekken betekenen nog niet dat er een gezagsrelatie was. Het is gebruikelijk vakantiedagen door te geven en af te stemmen binnen een organisatie. De functioneringsgesprekken kunnen ook gevoerd zijn in het kader van uitvoering van zijn opdracht onder verantwoordelijkheid van de raad van commissarissen. Deze aspecten zijn daarom mogelijk bij zowel een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht.\n\n3.30.. \n\nPartijen verschillen van mening wie de hoogte van het loon bepaalde. [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd dat de lonen in 2009 zijn bepaald door de aandeelhouders van de verschillende kantoren die zijn gefuseerd. Alle oprichters van de NV die actief wilden meedoen (en die zich later hebben verenigd in de [bedrijf 2] ), hebben toen een overeenkomst van opdracht gekregen met de NV. In het overleg tussen de leden zijn afspraken gemaakt over de beloning in de verschillende functies. [gedaagde] heeft dit voldoende onderbouwd met de notulen van de vergaderingen van de leden uit 2009. Er waren 49 leden, waarvan enkele in de klankbordgroep zaten en het voortouw namen in het overleg. [eiser] zat niet in de klankbordgroep en daarmee is begrijpelijk dat hijzelf niet daadwerkelijk invloed had op de hoogte van zijn loon. Dat neemt niet weg dat de lonen door de leden van de [bedrijf 2] zijn afgesproken en dus niet door [gedaagde] zijn bepaald.\n\nDe staffel met de lonen is na 2009 niet veel gewijzigd. In de loonstaffel van 2023 is nog steeds dezelfde structuur zichtbaar. [gedaagde] heeft de lonen niet eenzijdig verlaagd. Het loon van [eiser] is alleen meegestegen met zijn functies. Het loon van [eiser] is dus niet door [gedaagde] bepaald, maar door de leden van de [bedrijf 2] . [eiser] heeft ook niet gesteld dat hij in 2009, 2019 of op een ander moment, met [gedaagde] heeft onderhandeld over de hoogte van zijn loon. Dit past niet bij een arbeidsovereenkomst, omdat daarin de werkgever de hoogte van het loon bepaalt en de werknemer eventueel nog kan onderhandelen over zijn loon. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\n3.31.. \n\nTen slotte had [eiser] een dubbele positie als directeur en (indirect) aandeelhouder. Als lid van de [bedrijf 2] heeft hij zeggenschap in de onderneming en als aandeelhouder van [bedrijf 1] deelt hij ook mee in de winst.\n\n [eiser] heeft niet betwist dat hij de grootste aandeelhouder is. De vergadering van aandeelhouders kan het vertrouwen in de raad van commissarissen opzeggen. [eiser] en een ander [bedrijf 2] -lid hebben vorig jaar een motie om dat te doen binnen de [bedrijf 2] besproken. Dit betekent dat de raad van commissarissen [eiser] als bestuurder kan benoemen en ontslaan, maar dat de leden van de [bedrijf 2] ook de raad van commissarissen kunnen wegsturen. [eiser] had daarmee een sterke positie die veel verder gaat dan een werknemer die enkele aandelen heeft in een bedrijf. Die dubbele positie en een dergelijke zeggenschap is atypisch voor een arbeidsovereenkomst. Dit wijst dus in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nConclusie\n\n3.32.. Op grond van het bovenstaande wijzen de getekende overeenkomst, het loon volgens de facturen en de positie en zeggenschap van [eiser] op een overeenkomst van opdracht en niet op een arbeidsovereenkomst. Andere factoren, zoals de inbedding van het werk in de organisatie en het gegeven dat [eiser] geen andere opdrachtgevers had, wijzen in de richting van een arbeidsovereenkomst.\n\n3.33.. Hoewel er diverse factoren zijn die wijzen in de richting van een arbeidsovereenkomst, is naar het oordeel van de rechtbank alles afwegend sprake van een overeenkomst van opdracht. De positie en zeggenschap van [eiser] tegenover [gedaagde] wegen daarbij het zwaarst. Die staan namelijk haaks op een verhouding tussen werkgever en werknemer en zijn zo atypisch voor een arbeidsovereenkomst dat de rechtbank daar groot gewicht aan toekent. Deze verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] maakt bovendien dat de beschermingsgedachte achter het voorkomen van schijnzelfstandigheid in dit geval niet zo zeer aan de orde lijkt. De argumenten voor een arbeidsovereenkomst geven daarom in dit geval niet de doorslag. De vordering van [eiser] wordt afgewezen.\n\nProceskosten\n\n3.34.. \n [eiser] heeft ongelijk gekregen. Hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht € 688,00\n\n- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief € 614,00)\n\n- nakosten € 178,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de\n\n beslissing)\n\nTotaal € 2.094,00\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1.. wijst de vorderingen af,\n\n4.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] tot dit moment begroot op € 2.094,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. van der Knijff, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:1655","2025-04-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.472Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":43,"courtId":94,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":50,"updatedAt":99},"1879","ECLI:NL:GHARL:2025:842","ecli-nl-gharl-2025-842",70,"2025-02-11T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.202\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen 10238585\n\narrest van 11 februari 2025\n\nin de zaak van\n\n [appellante]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nen bij de kantonrechter optrad als eiseres\n\nhierna: [appellante]\n\nadvocaat: mr. A.A. Kootstra\n\ntegen\n\nde gemeente Groningen\n\ndie zetelt in Groningen\n\nen bij de kantonrechter optrad als gedaagde\n\nhierna: de gemeente\n\nadvocaat: mr. M.E. Witting.\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, (hierna: de kantonrechter) op 2 januari 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven\n\nde memorie van antwoord\n\nde akte uitlating producties van [appellante]\n\nde akte overlegging producties van de gemeente\n\nde akte overlegging producties van [appellante]\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 22 januari 2025 is gehouden.\n\n Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. Centraal staat de vraag of [appellante] arbeidsongeschikt is geraakt in en door de dienst als bedoeld in artikel 7.3 lid 1 van de cao Gemeenten (hierna: de cao).\n\n2.2. \n [appellante] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat daar sprake van is, zodat zij recht heeft op de extra aanvulling van het inkomen en de bovenwettelijke aanvulling op grond van het pensioenreglement zoals omschreven in de cao in artikel 7.3 lid 2 en 3. Zij heeft gevorderd dat de gemeente wordt veroordeeld tot betaling van die aanvulling vanaf 25 maart 2021, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf die datum.\n\n2.3. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Volgens haar was geen sprake van buitensporige arbeidsomstandigheden die worden vereist voor toepassing van art. 7.3 cao. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.4. Het hof komt ook tot een afwijzing van de vorderingen. Het deelt het oordeel van de kantonrechter. Hoe het hof tot dat oordeel is gekomen wordt hieronder uiteengezet, waarbij eerst het feitelijk kader van het geschil zal worden geschetst.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [appellante] (geboren [in] 1972) was vanaf 1 mei 1996 in dienst van de gemeente. Zij werkte laatstelijk als medewerker Loket Parkeren bij de afdeling Verkeer & Vervoer.\n\n3.2. In december 2013 is (ook) de afdeling Verkeer & Vervoer verhuisd naar een nieuw pand aan het Harm Buiterplein in Groningen.\n\n3.3. \n\nIn een e-mail van 23 januari 2014 heeft [appellante] aan haar toenmalige\n\nleidinggevende laten weten dat het op haar werkplek aan het Harm Buiterplein erg koud is en dat de situatie (voor haar) niet veel\n\nlanger werkbaar is.\n\n3.4. \n\nIn een e-mail van 28 september 2016 aan haar huidige leidinggevende heeft [appellante] enkele bij haar levende frustraties geuit. Zij schrijft onder andere:\n\nIk heb vandaag vernomen dat ik a.s. vrijdag alleen aanwezig ben. (…) Ik verwacht van jou oplossing daar ik reeds diverse malen te kennen heb gegeven alleen aanwezig te zijn op dit moment en in deze situatie (overgang nieuw systeem waar wij tot op heden nog niet voor zijn ingewerkt) niet acceptabel te vinden.\n\nJij hebt mij in juli aan gegeven te bedenken hoe we hier verder mee omgaan, dus verwacht ik ook een oplossing en dat ik vrijdag dus niet weer alleen op de afdeling aanwezig ben.\n\nDaarnaast wil ik ook graag mijn frustratie naar jou toe uiten. De frustratie vloeit voort uit het gevoel niet serieus genomen te worden en telkens in herhaling te moeten vallen. De gehele situatie waarin wij al geruime tijd verkeren (te weinig bezetting, werkdruk, niet naar behorende werkende programma's, opmerking en sfeer binnen ons team), vergt zo langzamerhand niet alleen lichamelijk zijn tol maar ook geestelijk zijn tol en mijn marge is nagenoeg nihil.\n\n3.5. In de periode van 8 maart 2011 tot 18 april 2013 is [appellante] arbeidsongeschikt geweest. In de periode van 18 april 2013 tot en met 27 februari 2017 is [appellante] elf maal kortdurend uitgevallen, varierend in periodes van twee dagen tot veertien dagen. Op 27 februari 2017 is [appellante] opnieuw uitgevallen, met fysieke en mentale klachten. In de probleemanalyse van 21 maart 2017 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [appellante] aangepaste taken kon uitvoeren. De uren die [appellante] op het werk beschikbaar kon zijn waren volgens de bedrijfsarts om medische redenen beperkt, maar konden tijdscontingent worden opgebouwd. De bedrijfsarts heeft verder gemeld dat er werkgerelateerde factoren waren die de re-integratie belemmerden en heeft als factor het klimaat op de werkvloer genoemd. 3.6 Op 2 oktober 2017 is [appellante] in het kader van haar re-integratie begonnen met het hervatten van haar eigen werkzaamheden voor twee uren per dag. Op 27 oktober 2017 vermeldt de bedrijfsarts in een tussentijdse evaluatie dat de re-integratie moeizaam verloopt, onder andere vanwege door [appellante] ervaren communicatieproblemen, hoge werkdruk en gebrek aan regelmogelijkheden.\n\n3.7. In een advies van de bedrijfsarts van 7 juni 2018 wordt vermeld dat [appellante] haar werk weer voor 5 x 5 uur per dag heeft hervat, dat dit goed gaat, maar dat de onderliggende problematiek niet is opgelost. Op 30 juli 2018 is zij weer arbeidsgeschikt gemeld.\n\n3.8. Op 28 maart 2019 is zij opnieuw volledig uitgevallen met dezelfde klachten als begin 2017. In de periode tussen 20 juli 2018 en 28 maart 2019 had [appellante] al diverse keren preventief contact gehad met de bedrijfsarts. In die contacten was gesignaleerd dat de eerder al benoemde knelpunten nog steeds bestonden en dat hernieuwde uitval dreigde.\n\n3.9. De re-integratie is na die uitval niet meer van de grond gekomen. In een rapport van 8 april 2021 concludeert de arbeidsdeskundige van het UWV dat de gemeente onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie.\n\n3.10. In een beslissing van 9 april 2021 is door het UWV aan [appellante] met ingang van 25 maart 2021 een WGA-uitkering toegekend in de klasse van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid.\n\n3.11. Op 17 mei 2021 heeft de gemeente voor [appellante] een ontslagvergunning aangevraagd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, welke op 18 juni 2021 is verleend.\n\n3.12. Op 6 juli 2021 heeft de gemeente de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 november 2021 onder toekenning van een transitievergoeding van € 35.025,96.3.13. Op 27 december 2021 heeft [appellante] bij de kantonrechter een verzoek ingediend voor toekenning van een billijke vergoeding van € 216.883,77, op de grond dat de gemeente ernstig verwijtbaar had gehandeld als bedoeld in artikel 7:682 lid 1 sub c BW, door haar uit de arbeidsovereenkomst jegens [appellante] voortvloeiende re-integratieverplichting grovelijk te veronachtzamen.\n\n3.14. In een beschikking van 25 februari 2022 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door ernstig tekort te schieten in haar re-integratieverplichtingen. Volgens de kantonrechter zijn reële re-integratiekansen gemist omdat de gemeente meer had kunnen en moeten doen om [appellante] te laten re-integreren op een passende (werk)plek binnen haar organisatie. De kantonrechter heeft aan [appellante] en billijke vergoeding toegekend van € 44.343,-. Tegen die beslissing is geen hoger beroep ingesteld.\n\n3.15. Het UWV heeft in een beschikking van 28 april 2022 aan [appellante] een IVA- uitkering toegekend per 16 december 2021.\n\n3.16. Op 1 maart 2022 heeft [appellante] aan de gemeente verzocht om uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 7.3 van de cao. Dat verzoek heeft de gemeente afgewezen met een brief van 31 maart 2022. [appellante] heeft vervolgens op 7 december 2022 deze zaak aanhangig gemaakt.\n\n3.17. \n [appellante] heeft daarnaast de gemeente aansprakelijk gesteld op basis van artikel 7:658 BW. In dat kader zijn medische adviezen uitgebracht, namelijk twee medisch adviezen van verzekeringsarts [naam1] in opdracht van [appellante] en een medisch advies van verzekeringsarts De Vries in opdracht van (de verzekeraar van) de gemeente. [naam1] concludeert dat de arbeidsongeschiktheid van [appellante] in overwegende mate het gevolg is van het werk. De Vries concludeert dat onvoldoende informatie beschikbaar is met name op het terrein van mogelijke andere oorzaken om te kunnen concluderen dat de ziekte in overwegende mate het gevolg is van het werk. Met een brief van 24 maart 2023 heeft de verzekeraar van de gemeente aansprakelijkheid gemotiveerd afgewezen. Over dat geschil is (nog) geen procedure aanhangig gemaakt.4. 4. Het oordeel van het hof\n\n4.1. \n [appellante] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van 2 januari 2024 met acht grieven (bezwaren). In die grieven stelt zij in de kern de volgende thema’s aan de orde: a.) vloeit uit het oordeel van de kantonrechter dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door ernstig tekort te schieten in haar re-integratieverplichtingen, op zichzelf al voort dat sprake was van buitensporige omstandigheden? b.) heeft [appellante] ook los van dat oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van buitensporige omstandigheden? c) is de arbeidsongeschiktheid ook het gevolg van die buitensporige omstandigheden, zodat sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst?\n\n4.2. Hierna zal het hof op die kwesties ingaan, waarbij eerst een paar inleidende opmerkingen wordt gemaakt.\n\nInleidende opmerkingen\n\n4.3. \n\nArtikel 7.3 lid 1 van de cao, voor zover van belang, luidt als volgt:\n\nArbeidsongeschiktheid in en door de dienst is arbeidsongeschiktheid die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:\n\na. de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden moesten worden verricht; of\n\nb. een dienstongeval (...);\n\n en die niet aan schuld of nalatigheid van de werknemer te wijten is.”\n\nLid 2 bepaalt dat bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst de werknemer een extra uitkering krijgt, als hij een WGA- of IVA-uitkering ontvangt. Het derde lid bepaalt de hoogte van die uitkering. Die bestaat uit de aanvulling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en de bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement, tot een bepaald percentage van het salaris.4.4. Dit artikel heeft eenzelfde strekking als het vroegere artikel 7.5 CAR\u002FUWO, dat erin voorzag dat “aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering [wordt] verleend”. De Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (hierna: Wnra) heeft niet beoogd een wijziging in de arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen. Aangenomen kan dan ook worden dat het begrip “arbeidsongeschiktheid in en door de dienst” eenzelfde inhoud heeft als tot uiting gebracht in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) onder de CAR\u002FUWO. Partijen zijn het daar ook over eens.\n\n4.5. De arbeidsongeschiktheid van [appellante] is van psychische aard; relevante beperkingen van fysieke aard zijn bij haar na het einde van het dienstverband niet vastgesteld. De overgelegde medische rapportages en adviezen geven geen aanknopingspunt om tot een andere conclusie te komen.\n\n4.6. \n\nOp grond van vaste jurisprudentie van de CRvB dienen voor de vraag of een betrokkene arbeidsongeschikt is geworden in en door de dienst, de in het werk of de\n\nwerkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die de arbeidsongeschiktheid zouden\n\nhebben veroorzaakt, te worden geobjectiveerd. Dat betekent dat geen rekening moet worden\n\ngehouden met een meer dan gemiddelde individuele gevoeligheid van de betrokken werknemer voor bepaalde werkomstandigheden. Naarmate de ziekte meer psychisch van aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van bijzondere factoren, die niet alleen deel\n\nuitmaken van of in rechtstreeks verband staan met het werk of de werkomstandigheden, maar\n\ndie in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief beschouwd - een\n\nbuitensporig karakter dragen.Omstandigheden die inherent zijn aan de functie behoren daar ook toe; ook dergelijke inherente omstandigheden kunnen naar objectieve maatstaven buitensporig zijn.Het hof ziet geen reden om van een andere beoordelingsmaatstaf uit te gaan.\n\n4.7. Volgens de gewone regels van het bewijsrecht rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat sprake was van buitensporige omstandigheden op [appellante] . Zij zal dus voldoende aannemelijk moeten maken dat sprake was van buitensporige arbeidsomstandigheden.4.8. Als dat voldoende aannemelijk is gemaakt, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat tussen die arbeidsomstandigheden en haar psychische ziekte een (toereikend) causaal verband bestaat, tenzij de gemeente op basis van medische gegevens aannemelijk maakt dat een evident andere oorzaak voor de ziekte aanwezig is.\n\n4.9. Hieruit volgt dat in deze zaak eerst beoordeeld moet worden of [appellante] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar werk heeft moeten verrichten onder buitensporige omstandigheden. Pas als die vraag bevestigend is beantwoord, komt aan de orde of de arbeidsongeschiktheid bij [appellante] ook het gevolg is van buitensporige omstandigheden. Daarbij komt het er in het bijzonder dus op aan of een evident andere oorzaak daarvoor aannemelijk is.\n\n4.10. \n [appellante] heeft gesteld dat van buitensporige werkomstandigheden sprake is, alleen al omdat de kantonrechter in de onherroepelijk geworden beschikking van 25 februari 2022 heeft vastgesteld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door niet te voldaan aan haar re-integratieverplichting. Daarnaast heeft [appellante] aangevoerd dat zij i) in de kou heeft moeten werken, ii) anders werd behandeld dan andere collega’s (pesten\u002Fdiscriminatie door leidinggevenden), iii) is bedreigd en gediscrimineerd door klanten, iv) te maken had met een hoge werkdruk en op maan- en vrijdagen er vaak alleen voor stond, dat v) de werksfeer slecht was (pesten\u002Fdiscrimineren door collega’s) en vi) naar klachten over haar arbeidsomstandigheden niet werd geluisterd, daar althans niets aan werd gedaan. Die omstandigheden moeten niet alleen, maar ook in hun onderlinge samenhang worden bezien. Zij vormen samen met ook het tekortschieten van de gemeente in haar re-integratieverplichtingen, buitensporige omstandigheden, aldus [appellante] .\n\nTekortschieten in de re-integratieverplichting\n\n4.11. De kantonrechter heeft in het vonnis van 2 januari 2024 overwogen dat het feit dat eerder is geoordeeld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door zich onvoldoende in te spannen om voor [appellante] een passende werkplek te vinden, nog niet automatisch betekent dat dus sprake is van buitensporige omstandigheden, omdat juridisch sprake is van een ander toetsingskader.\n\n4.12. Volgens [appellante] betekent het feit dat is vastgesteld dat de gemeente de re-integratie structureel heeft veronachtzaamd en onvoldoende heeft gedaan om een passende werkplek te vinden, echter wel dat de omstandigheden waaronder [appellante] heeft gewerkt als niet normaal, ernstig en derhalve als buitensporig kunnen worden gekwalificeerd.\n\n4.13. Het hof is het met de kantonrechter eens. De vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst moet worden beoordeeld naar de situatie zoals die zich voordeed op het moment dat de arbeidsverhouding is geëindigd. Anders dan de gemeente heeft gesuggereerd, kunnen op zichzelf de arbeidsomstandigheden zoals die zich voordeden tijdens een re-integratietraject wel meegenomen worden bij de beoordeling of sprake was van buitensporige omstandigheden. Die vraag dient echter wel te worden onderscheiden van de vraag of de gemeente zich ook voldoende heeft ingespannen voor die re-integratie. Zeer wel denkbaar is immers dat een werkgever zich niet voldoende heeft ingespannen voor de re-integratie van een zieke werknemer, maar dat de arbeidsomstandigheden waaronder de betrokkene zijn re-integratie werkzaamheden verrichtte op zichzelf niet abnormaal waren. Vast staat dat [appellante] na haar uitval op 28 maart 2019 feitelijk geen re-integratiewerkzaamheden meer heeft verricht, zodat in ieder geval in die periode geen sprake kan zijn geweest van abnormale of buitensporige arbeidsomstandigheden. [appellante] heeft zich daar ook niet op beroepen. Het gaat er in deze procedure dus om of in de periode tot 28 maart 2019 sprake was van buitensporige arbeidsomstandigheden. In die periode valt ook de re-integratie zoals die plaats heeft gevonden in de periode vanaf 27 februari 2017. Het hof gaat hierna op die vraag nader in.\n\nWerken in kou en tocht\n\n4.14. De kantonrechter is in haar vonnis onder de overwegingen 5.9 en 5.10 ingegaan op de klacht van [appellante] dat zij haar werk moest verrichten in de kou, en is tot de slotsom gekomen dat er weliswaar sprake was van problemen met de klimaatbeheersing in het pand aan het Harm Buiterplein, maar dat uit de overgelegde verklaringen en rapporten niet blijkt dat objectief bezien sprake was van een buitensporige omstandigheid.\n\n4.15. \n [appellante] is het met dat oordeel niet eens. Volgens haar ging zij gebukt onder de kou en heeft de gemeente daar gedurende lange tijd niets aan gedaan. De werkplek voldeed niet aan de arbo-normen. Dat het te koud en tochtig was op de werkplek van [appellante] wordt weldegelijk bevestigd door de rapporten en blijkt ook uit de verschillende (aangevulde) verklaringen van getuigen, aldus [appellante] .\n\n4.16. \n\nHet hof deelt de conclusie van de kantonrechter. Ook in hoger beroep kan uit de gedingstukken niet worden afgeleid dat de situatie klimatologisch buitensporig was. Op de zitting in hoger beroep is door [appellante] verklaard dat de temperatuur gemiddeld 16 á 17 graden was en dat zij ook last had van tocht vanwege openslaande toegangsdeuren. De gemeente heeft verklaard dat de problemen min of meer opgelost zijn in 2018 en dat het daarvoor op een koude winterdag weleens 16-17 graden kon zijn. Het hof acht aannemelijk dat de lage temperaturen zich alleen in de winter voordeden. De genoemde binnentemperatuur is weliswaar te laag voor een normaal werkklimaat, maar is nog niet als buitensporig laag te kwalificeren. Een directe collega van [appellante] sinds 2011, de heer [naam2] , beschrijft in een overgelegde schriftelijke verklaring het binnenklimaat ook als prima, waarbij hij opmerkt dat het in het begin wel frisjes was. De heer [naam3] , collega vanaf 2017, beschrijft het werkklimaat als “prima, geen klagen”. Daar tegenover staan verklaringen van personen die door [appellante] zijn overgelegd, maar zoals de kantonrechter al heeft overwogen, zijn die verklaringen niet afkomstig van directe collega’s. Die hebben dus niet in precies dezelfde omstandigheden gewerkt. Bovendien zijn die verklaringen ook weinig specifiek. Er bestaat daarmee onvoldoende aanleiding om aan die verklaringen doorslaggevende waarde te hechten. Dat het werkklimaat niet voldeed aan de arbo-normen is betwist en verder niet onderbouwd. Voor zover [appellante] zich beroept op wat de diverse bedrijfsartsen en\u002Fof arbeidsdeskundigen over de temperatuur en de tocht op de werkplek hebben vastgelegd, geldt dat uit die vastleggingen niet kan worden opgemaakt dat zij zich op een andere bron dan [appellante] hebben gebaseerd. Die vastleggingen zijn daardoor in onvoldoende mate objectief.\n\nOngelijke behandeling (discriminatie), slechte werksfeer en werkdruk\n\n4.17. \n\nDe kantonrechter is in haar vonnis onder de rechtsoverwegingen 5.11 tot en met 5.23 gemotiveerd ingegaan op de verschillende aspecten die [appellante] in dit verband heeft aangevoerd en is tot de conclusie gekomen dat een aantal van die omstandigheden niet is komen vast te staan – ongelijke behandeling\u002Fpesterijen door leidinggevenden – en dat voor de andere geldt dat die geen buitensporigheid opleveren – werkdruk, wrijving met collega’s, bedreiging en discriminatie door klanten.\n\nMet betrekking tot door [appellante] overgelegde documenten (overgelegde correspondentie, interne verslagen en rapporten van bedrijfsartsen) heeft de kantonrechter overwogen dat daaruit onvoldoende blijkt dat sprake was van buitensporige werkomstandigheden. Met betrekking tot overgelegde verklaringen van derden heeft zij overwogen dat die verklaringen niet afkomstig zijn van personen uit de naaste, recente werkkring van [appellante] , daarnaast ook onvoldoende specifiek zijn over beweerdelijk buitensporige omstandigheden, en voor een deel ook afkomstig zijn van personen die een conflict hebben (gehad) met de gemeente. Verder heeft de kantonrechter erop gewezen dat er door de gemeente verklaringen zijn overgelegd van personen die wel naaste collega’s waren van [appellante] , dat die het door [appellante] geschetste beeld niet bevestigen, behalve dat inderdaad sprake was van verstoorde verhoudingen binnen de afdeling. Daarover verklaren zij echter dat ook [appellante] daarin haar eigen (negatieve) rol had.\n\n4.18. \n [appellante] is het met die overwegingen en de getrokken conclusie niet eens. Volgens haar heeft zij met de door haar overgelegde documenten en overgelegde verklaringen wel voldoende aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde omstandigheden zich voordeden en sprake was buitensporigheid. In hoger beroep heeft zij als nadere onderbouwing nog enkele aanvullende bescheiden en verklaringen overgelegd.4.19. \n\nHet hof heeft alle overgelegde stukken en verklaringen gelezen voor zover daar een beroep op is gedaan, en komt na een eigen afweging tot dezelfde overwegingen en conclusie als de kantonrechter, en neemt die over. De in hoger beroep overgelegde nadere stukken en verklaringen werpen geen nieuw licht op de zaak. Ook daarvoor geldt dat [appellante] niet duidelijk maakt hoe daaruit blijkt van buitensporige arbeidsomstandigheden van [appellante] .\n\nHet hof overweegt in aanvulling op wat de kantonrechter heeft overwogen daarover nog het volgende.\n\nmet betrekking tot ongelijke behandeling4.20. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellante] verklaard dat de spanning bij haar is ontstaan doordat ze in 2012 valselijk is beschuldigd en dat ze ten onrechte van leugens is beschuldigd over de hervatting van haar werkzaamheden na de zwangerschap. 4.21 Het door [appellante] als eerste genoemde incident gaat over een ongeoorloofde inzage door [appellante] in de GBA in oktober 2012. Het tweede incident ziet op het niet nakomen van afspraken die [appellante] beweerdelijk zou hebben gemaakt om vanaf 1 april 2012 weer te beginnen met re-integratie na haar uitval vanwege zwangerschap.\n\n4.22. Uit de gedingstukken blijkt met betrekking tot dat eerste incident dat de gemeente zich nog steeds op het standpunt stelt dat de inzage voor privé-doeleinden ongeoorloofd was, maar dat haar na het incident bleek dat het meer gebeurde en dat het personeel blijkbaar onvoldoende geïnformeerd was. Om die reden is haar in een brief van 8 oktober 2013 van de concerndirecteur meegedeeld dat de aantekening uit haar personeelsdossier is verwijderd. Daaruit blijkt niet van een ongelijke of oneerlijke\u002Fonheuse behandeling.4.23. Met betrekking tot het tweede incident blijkt uit een door [appellante] op haar verzoek uitgebracht advies van de bedrijfsarts van 16 april 2012 dat zij tot werkhervatting per 1 april 2012 nog niet in staat was. [appellante] weerspreekt echter niet dat zij had afgesproken op 1 april 2012 haar werkzaamheden weer te gaan hervatten, maar dat niet had gedaan. Het advies van de bedrijfsarts dateert pas van 16 april 2012. Daarmee is verklaarbaar dat [appellante] is aangesproken op het ondanks een daartoe gemaakte afspraak niet hervatten van haar werkzaamheden per 1 april 2012. Dat dit aanspreken gebeurde in de vorm van beschuldigingen van liegen, is niet komen vast te staan. Uit een ander blijkt nog niet uit van een oneerlijke\u002Fonheuse behandeling.\n\n4.24. Ook de andere omstandigheden die [appellante] noemt, kunnen niet overtuigen dat zij ongelijk werd behandeld. De gemeente heeft zelfs onweersproken verklaard dat het haar werd toegestaan om één dag thuis te werken, waar anderen dat destijds niet mochten.\n\nmet betrekking tot werkdruk\n\n4.25. \n\nVoldoende duidelijk is geworden dat [appellante] vaak op maandag en vrijdag werkte. Dat is echter begrijpelijk omdat zij fulltime werkte. Wel stond zij, als het gaat om loketdienst, er met name op vrijdagen meer dan eens alleen voor door personeelsgebrek. Dat die (loket)diensten haar zwaar vielen, is begrijpelijk. Dat dit onwenselijk was, werd door de gemeente ook onderkend. Met welke frequentie en gedurende welke periode [appellante] er alleen voor stond, is echter niet duidelijk geworden. Wel kan uit door [appellante] overgelegde correspondentie worden afgeleid dat het in ieder geval in 2016 nog voorkwam. Volgens een verklaring van [naam4] , leidinggevende van [appellante] sinds 2016, op de zitting in hoger beroep schakelde hij echter al spoedig uitzendkrachten in om dit te ondervangen. Dat het ook na 2017 nog regelmatig voorkwam, is verder niet gebleken. Andere omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake was van een onaanvaardbaar hoge werkdruk, zijn niet gesteld of gebleken. Dat daarmee de werkzaamheden vanwege het aspect van werkdruk ook buitensporig waren, is het hof niet gebleken.\n\nmet betrekking tot bedreigingen\u002Fracistische uitlatingen door klanten\n\n4.26. \n\nDuidelijk is geworden dat zich aan het loket weleens bedreigingen voordeden en dat in de loop van de jaren enkele klanten zich ook racistisch hebben geuit. De bedreigingen waren mondeling en werden gedaan uit frustratie van boze klanten. [appellante] heeft verklaard ook eens een keer bespuugd te zijn onderweg naar haar auto op de parkeerplaats. Dat zijn situaties waartegen een werkgever zijn medewerkers dient te beschermen, maar die helaas niet altijd zijn te voorkomen. Onweersproken kent de gemeente wel een veiligheidsprotocol en hebben medewerkers ook een agressietraining gehad. Dat [appellante] zo’n training niet heeft gevolgd, kan de gemeente niet worden verweten omdat, zo heeft de gemeente onweersproken aangevoerd, [appellante] beide keren dat die training werd gegeven arbeidsongeschikt was. Dat sprake was van bedreigingen met een impact die maken dat sprake was van buitensporige arbeidsomstandigheden is in onvoldoende mate gebleken. Hetzelfde geldt voor het door de gemeente weersproken verwijt van [appellante] dat de gemeente haar na zulke incidenten onvoldoende nazorg heeft geboden en verdere maatregelen heeft nagelaten.\n\nmet betrekking tot de collegiale verhoudingen4.27. Duidelijk is geworden dat de collegiale verhoudingen niet goed waren. Uit verschillende verklaringen van directe collega’s van [appellante] komt naar voren dat zij daar ook zelf een aandeel in had. Van discriminatie is verder niet gebleken. [naam2] verklaart in dat verband nog uitdrukkelijk dat daar geen sprake van was. De afdeling had ook onweersproken een gemêleerd karakter. Verder zijn wrijvingen tussen collega’s niet ongebruikelijk en maken die nog niet dat sprake is van buitensporige werkomstandigheden.\n\nniet reageren op klachten door leidinggevenden4.28. Duidelijk is dat haar leidinggevenden in de beleving van [appellante] niet adequaat reageerden op klachten. Dat op zichzelf vormt echter nog niet een buitensporige omstandigheid, als de omstandigheden waaronder werd gewerkt op zichzelf nog niet buitensporig zijn te noemen.\n\nNiet nakomen van re-integratieverplichting door de gemeente\n\n4.29. Uit rapportages van bedrijfsartsen en arbeidsdeskundigen blijkt dat ook in de periode van februari 2017 tot 28 maart 2019 is geadviseerd om re-integratie van [appellante] te laten plaatsvinden op een andere werkplek en dat aan die adviezen geen opvolging is gegeven. Daarmee is echter nog niet gegeven dat ook de arbeidsomstandigheden van [appellante] buitensporig waren. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat buitensporige omstandigheden niet voldoende aannemelijk zijn geworden. Daarbij wordt opgemerkt dat uit de verschillende rapportages niet blijkt dat werkzaamheden die [appellante] verrichtte tijdens perioden van re-integratie, objectief bezien onvoldoende rekening hielden met haar extra kwetsbaarheid in die perioden, en om die reden als buitensporig zouden moeten worden beschouwd. Wel heeft de gemeente onvoldoende gedaan om voor haar een andere werkplek te vinden. Dat is laakbaar en de gemeente is daarvoor ook veroordeeld om een billijke vergoeding aan [appellante] te betalen. Het maakt echter nog niet dat zij in objectief beschouwd buitensporige omstandigheden heeft moeten werken.\n\nDe omstandigheden in onderling verband bezien.\n\n4.30. \n\nHiervoor is overwogen dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van buitensporigheid op de diverse door [appellante] aangevoerde aspecten van haar arbeidsomstandigheden. Wel is gebleken dat op diverse onderdelen de arbeidsomstandigheden niet ideaal waren en dat de gemeente ook verwijt treft ten aanzien van de wijze waarop zij is omgegaan met de re-integratie van [appellante] . Vanuit de beleving van [appellante] en haar uit de medische stukken blijkende psychische kwetsbaarheid is alleszins voorstelbaar dat zij die arbeidsomstandigheden als buitensporig heeft ervaren. De verschillende tekortkomingen maken bezien in hun onderlinge verband echter niet dat de arbeidsomstandigheden in zijn geheel objectief bezien, dus los van een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken werknemer, als buitensporig moeten worden aangemerkt. Het algehele beeld dat uit het dossier oprijst, is dat van arbeid die niet onder optimale arbeidsomstandigheden werd verricht, maar die objectief nog niet als buitensporig kunnen worden gekwalificeerd.\n\nBewijsaanbod\n\n4.31. \n [appellante] heeft aangeboden om diverse personen nog als getuige te horen over ‘onder welke omstandigheden [appellante] heeft moeten werken en waardoor zij is uitgevallen’. Allereerst geldt dat van bijna al deze personen al schriftelijke verklaringen zijn overgelegd. In sommige gevallen zelfs twee verklaringen. Onvoldoende duidelijk is gemaakt wat zij nog meer of anders kunnen verklaren dan zij al gedaan hebben. In dit stadium van de procedure had een dergelijke nadere precisering wel verlangd mogen worden. Daarbij geldt dat de vraag ‘waardoor zij is uitgevallen’ een medisch en\u002Fof arbeidsdeskundig oordeel behelst, ten aanzien waarvan zonder toelichting die ontbreekt niet valt in te zien dat de door [appellante] genoemde getuigen daarover iets dienends kunnen verklaren. Het hof gaat aan het bewijsaanbod daarom voorbij.\n\nTot slot\n\n4.32. \n\nOmdat wordt geoordeeld dat niet is gebleken van buitensporige arbeidsomstandigheden komt het hof niet toe aan de vraag of de arbeidsongeschiktheid van [appellante] die in elk geval sterk psychisch van aard is in overwegende mate verband houdt met haar werk bij de gemeente. Die vraag ligt in deze procedure daarmee niet (meer) voor. In zijn algemeenheid merkt het hof op dat uit zowel het rapport van De Vries als het eerste rapport van [naam1] naar voren komt dat bij [appellante] sprake is van pre-existente psychische klachten die hun oorsprong lijken te vinden in haar jeugd. Of daarmee ook sprake is van een evident andere oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is echter een vraag waar het hof in deze procedure niet aan toekomt.\n\nDe conclusie\n\n4.33. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellante] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4.34. De proceskostenveroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 2 januari 2024;\n\n5.2. \n\nveroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van de gemeente:\n\n€ 798,- aan griffierecht\n\n€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van de gemeente (2 procespunten x appeltarief II)\n\n5.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, W.F Boele en P. Kruit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n11 februari 2025.\n\n CRvB 1 februari 2018, ECLI:NL:CRvB:2018:376.\n\n CRvB 15 juni 2023, ECLI:NL:CRvB:2023:1150.\n\n CRvB 15 juni 2023, ECLI:NL:CRvB:2023:1150.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:842","2025-02-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:43.450Z",20,[102,11,103,104],2026,2024,2023]