[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-employment-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":211},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":40,"total":209,"page":14,"limit":210},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",2026,[13,16,18,20,23,26,29,31,33,35,37,38],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":19},3,{"month":21,"count":22},4,18,{"month":24,"count":25},5,11,{"month":27,"count":28},6,38,{"month":30,"count":17},7,{"month":32,"count":15},8,{"month":34,"count":15},9,{"month":36,"count":15},10,{"month":25,"count":15},{"month":39,"count":15},12,[41,55,65,75,83,92,101,110,118,125,134,141,148,156,163,170,178,186,194,201],{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":54},"278","ECLI:NL:RBOVE:2026:3908","ecli-nl-rbove-2026-3908","",57,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 11939378 \\ CV EXPL 25-3408\n\nVonnis van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiseres 1] ,\n\n wonende in [woonplaats 1] , 2. [eiseres 2],\n\n wonende in [woonplaats 2] , 3. [eiseres 3],\n\n wonende in [woonplaats 3] , 4. [eiseres 4],\n\n wonende in [woonplaats 4] , 5. [eiser],\n\n wonende in [woonplaats 5] , 6. [eiseres 5],\n\n wonende in [woonplaats 6] , 7. [eiseres 6],\n\n wonende in [woonplaats 7] , 8. [eiseres 7],\n\n wonende in [woonplaats 8] , 9. [eiseres 8],\n\n wonende in [woonplaats 9] , 10. [eiseres 9],\n\n wonende in [woonplaats 10] ,\n\neisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , en afzonderlijk bij hun achternaam,\n\ngemachtigde: mr. S.M.M. Hamers,\n\ntegen\n\nde stichting\n\nSTICHTING [vestigingsplaats] ZIEKENHUIS,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats],\n\ngedaagde partij, hierna te noemen: het [vestigingsplaats] Ziekenhuis,\n\ngemachtigden: mr. M.G.N. de Jonge en mr. S.W. Kleijer.\n\n1. De kern van de zaak\n\n1.1.. Deze zaak gaat over de uitleg van de begrippen bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst in de cao Ziekenhuizen. [eisers] vinden dat de door hen gewerkte oproepdiensten bereikbaarheidsdiensten zijn en willen daarnaar worden beloond. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vindt dat sprake is van consignatiediensten.\n\n1.2.. De kantonrechter komt in deze procedure tot het oordeel dat de diensten die [eisers] werken, moeten worden aangemerkt als bereikbaarheidsdiensten. De kantonrechter stelt partijen in de gelegenheid de gevolgen van dat oordeel voor het gevorderde salaris van de verpleegkundigen in een akte nader uit te werken.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 oktober 2025;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de aanvullende producties van de zijde van [eisers] ;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waar beide partijen spreekaantekeningen hebben voorgedragen en overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er verder is besproken.\n\n2.2.. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] zijn bij het [vestigingsplaats] Ziekenhuis werkzaam (geweest) als Specialistisch Verpleegkundige Dialyse op de afdeling Dialyse. [eiseres 1] werkt inmiddels in een ander ziekenhuis en [eiseres 3] op een andere afdeling.\n\n3.2.. \n [eiser] , [eiseres 5] , [eiseres 6] , [eiseres 7] , [eiseres 8] en [eiseres 9] zijn bij het [vestigingsplaats] Ziekenhuis werkzaam als Laborant Hartfunctie op de afdeling Cardiologie.\n\n3.3.. Op de arbeidsovereenkomsten van deze medewerkers is de cao Ziekenhuizen van toepassing. In de cao Ziekenhuizen 2023-2025 is het volgende opgenomen:\n\n“Artikel 10.1 Definities\n\n1. Onder bereikbaarheidsdienst wordt verstaan een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, naast de bedongen arbeid, verplicht is om bereikbaar te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.\n\n2. Indien de werknemer na oproep binnen 15 minuten op de werkplek aanwezig dient te zijn om onmiddellijk de arbeid te kunnen verrichten, dan wordt de bereikbaarheidsdienst aangemerkt als een aanwezigheidsdienst in de zin van de Arbeidstijdenwet en wordt deze dienst bovendien conform artikel 10.5a en 10.6 vergoed als aanwezigheidsdienst.\n\n3. Onder aanwezigheidsdienst wordt verstaan een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, naast de bedongen arbeid, verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.\n\n4. Onder consignatie wordt verstaan een periode tussen twee opeenvolgende diensten of tijdens een pauze, waarin de werknemer uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden, zoals spoedgevallen en storingen, op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.\n\n5. In de lid 1, 3 en 4 genoemde diensten wordt aangesloten bij de wettelijke definities.\n\n(…)\n\n3.4.. Deze definities van de verschillende diensten stonden ook in de cao 2021-2023 en zijn gehandhaafd in de cao 2025-2027.\n\n3.5.. De toelichting bij artikel 10.1 uit de cao vermeldt het volgende:\n\n“10.1 Verschil bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst\n\nEen bereikbaarheidsdienst is een bijzondere vorm van consignatie. Verschil is dat bij een bereikbaarheidsdienst vooraf al duidelijk is dat er 1 of meer oproepen zullen volgen. Daarnaast kent een bereikbaarheidsdienst ook afwijkende bepalingen voor wat betreft het maximaal aantal bereikbaarheidsdiensten en arbeidsduur.\n\nEen bereikbaarheidsdienst inclusief de afwijkende bepalingen mag alleen worden toegepast in de sectoren genoemd in het arbeidstijdenbesluit. Het arbeidstijdenbesluit stelt dat de bereikbaarheidsdienst uitsluitend van toepassing is op arbeid die bestaat uit verpleging of verzorging. Met de volgende nadere toelichting: “verpleging en verzorging: de verpleging, de verzorging, de begeleiding, de medische behandeling of het medisch onderzoek van personen in verband met hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid dan wel hun gevorderde leeftijd”\n\nHet verschil tussen consignatie en bereikbaarheidsdienst is dat het opgeroepen worden in een bereikbaarheidsdienst een normaal onderdeel is van de functie en dus niet alleen plaatsvindt in noodgevallen. Denk bijvoorbeeld aan een verloskundige.\n\nNog een verschil is dat er in het geval van een consignatie dienst 14 oproepvrije dagen in 28 dagen zijn. Het aantal oproepdiensten is daarmee wel beperkt.\n\nOmdat een bereikbaarheidsdienst een grotere belasting kan zijn voor een werknemer zou je kunnen beargumenteren dat de compensatie hiervoor ook hoger is dan voor een consignatiedienst. Bij consignatie is tenslotte niet altijd zeker dat er een oproep volgt en zijn er minimaal 14 oproepvrije dagen (in 28 dagen).\n\nsamengevat: er is sprake van een bereikbaarheidsdienst bij een samenloop van: Oproep is normaal onderdeel van de functie; vrijwel zeker dat er 1 of meerdere oproepen volgen; specifiek voor bepaalde functies in de zorg.”\n\n3.6.. In de cao 2021-2023 werden de BAC-diensten (bereikbaarheidsdiensten, aanwezigheidsdiensten en consignatiediensten) tot 1 juli 2022 gelijk beloond. In de cao 2021-2023 is vanaf 1 juli 2022 een verhoging in de beloning van bereikbaarheidsdiensten ingevoerd, waardoor de bereikbaarheidsdiensten vanaf dat moment beter werden beloond dan consignatiediensten. In de cao 2023-2025 is de beloning voor bereikbaarheidsdiensten per 1 juli 2023 verder gewijzigd. In de cao 2025-2027 zijn de beloningen gelijk gebleven aan die van de cao 2023-2025.\n\n3.7.. Vanaf 1 maart 2024 is het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de oproepdiensten gaan aanmerken en belonen als consignatiediensten.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\n [eisers] willen dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de consignatiediensten – met terugwerkende kracht – als bereikbaarheidsdiensten gaat kwalificeren en belonen. Daarom vorderen [eisers] – samengevat – dat de kantonrechter het [vestigingsplaats] Ziekenhuis zal veroordelen om:\n\nten aanzien van [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] :\n\n- binnen vijf dagen na de datum van het vonnis de aan [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] toegekende vergoeding (in geld en\u002Fof tijd) betreffende de consignatiediensten in de periode van 1 maart 2024 tot 1 juli 2025 vast te stellen (inclusief specificatie) en te delen met [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] , op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,00;\n\n- binnen veertien dagen na de datum van het vonnis het te laat betaalde salaris (het verschil tussen hetgeen het [vestigingsplaats] Ziekenhuis had moeten betalen en hetgeen zij heeft betaald) aan [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nten aanzien van [eiser] , [eiseres 5] , [eiseres 6] , [eiseres 7] , [eiseres 8] en [eiseres 9] :\n\n- binnen zeven dagen na de datum van het vonnis het door hen berekende achterstallige loon (het verschil tussen hetgeen het [vestigingsplaats] Ziekenhuis had moeten betalen en hetgeen zij heeft betaald) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nen in alle gevallen dat de kantonrechter:\n\n- voor recht zal verklaren dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vanaf 1 maart 2024 ten onrechte oproepdiensten heeft gekwalificeerd (en beloond) als zijnde consignatiediensten en dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vanaf 1 maart 2024 de consignatiediensten (met terugwerkende kracht) dient te kwalificeren (en te belonen) als bereikbaarheidsdiensten;\n\n- voor recht zal verklaren dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de cao Ziekenhuizen (2023-2025) onjuist interpreteert door ervan uit te gaan dat pas sprake kan zijn van een bereikbaarheidsdienst in het geval van een oproepfrequentie hoger dan 30%;\n\n- het [vestigingsplaats] Ziekenhuis zal veroordelen om binnen zeven dagen na de datum van het vonnis deugdelijke salarisspecificaties aan [eisers] te verstrekken in de periode van 1 maart 2024 tot heden, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00;\n\n- het [vestigingsplaats] Ziekenhuis zal veroordelen om de buitengerechtelijke incassokosten van € 884,12 te betalen;\n\n- met veroordeling van het [vestigingsplaats] Ziekenhuis in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n5. De beoordeling\n\nHet geschil5.1.. In deze zaak is tussen partijen in geschil of de diensten van de verpleegkundigen op de afdelingen Cardiologie en Dialyse moeten worden aangemerkt als consignatiediensten of als bereikbaarheidsdiensten. In de cao Ziekenhuizen wordt onderscheid gemaakt tussen bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiediensten. In de cao staan definities van deze diensten (die overigens vrijwel gelijk zijn aan de definities in de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit). Aanvankelijk was het onderscheid tussen de diensten niet relevant, omdat de diensten hetzelfde werden beloond. Dit werd anders toen de vergoeding voor bereikbaarheidsdiensten in de cao per 1 juli 2022 werd verhoogd. Aanvankelijk heeft het [vestigingsplaats] Ziekenhuis voor de oproepdiensten van [eisers] de hogere vergoeding voor bereikbaarheidsdiensten betaald, maar sinds 1 maart 2024 merkt het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de oproepdiensten van de verpleegkundigen aan als consignatiediensten.\n\n5.2.. \n [eisers] willen dat de door het [vestigingsplaats] Ziekenhuis als consignatiediensten vergoede oproepdiensten per 1 maart 2024 alsnog worden aangemerkt en beloond als bereikbaarheidsdiensten. [eisers] stellen zich op het standpunt dat de diensten van de verpleegkundigen in deze zaak bereikbaarheidsdiensten zijn. De verpleegkundigen stellen dat de oproepdiensten die zij draaien altijd bereikbaarheidsdiensten zijn geweest. Het verschil tussen een bereikbaarheidsdienst en een consignatiedienst zit volgens [eisers] in de voorzienbaarheid van de oproep. In de praktijk is een oproep voorzienbaar en een normaal onderdeel van de werkzaamheden. [eisers] weerspreken het oproeppercentage dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis stelt. Volgens [eisers] is duidelijk dat de verpleegkundige met oproepdienst in veel diensten zal worden opgeroepen en dat zorg zal moeten worden verleend. Dat is dus geen onvoorziene omstandigheid, aldus [eisers]\n\n5.3.. Het [vestigingsplaats] ziekenhuis heeft de diensten aangemerkt als consignatiediensten in plaats van bereikbaarheidsdiensten. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis is pas sprake van een bereikbaarheidsdienst wanneer vrijwel zeker is dat een oproep zal volgen, maar alleen onduidelijk is op welk moment. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vindt maar in een beperkt aantal oproepdiensten (voor sommige diensten maar in 2 à 3 procent van de gevallen) een oproep plaats. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis heeft naar aanleiding van de nieuwe cao 2023-2025 beleid ontwikkeld om de oproepdiensten te kunnen onderverdelen in consignatiediensten en bereikbaarheidsdiensten. Daarin gaat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis er kort gezegd van uit dat als een medewerker in de praktijk in minder dan 30% van de gevallen wordt opgeroepen tijdens een dienst, de dienst als consignatiedienst heeft te gelden. Daarbij merkt het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op dat zij nog een ruime uitleg hanteert, omdat ‘zeker’ of ‘vrijwel zeker’ eigenlijk neerkomt op een percentage van (bijna) 100%. Nu het gemiddeld aantal oproepen van de verpleegkundigen onder de 30% ligt, is volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis geen sprake van een zekere of vrijwel zekere oproep. Daarom is volgens het ziekenhuis sprake van consignatiediensten. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis wordt de cao hiermee binnen de hele organisatie in gelijke omstandigheden op dezelfde manier toegepast.\n\n5.4.. Partijen interpreteren de begrippen bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst in het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op een verschillende manier. [eisers] redeneren vanuit het begrip onvoorziene omstandigheden zoals is vereist voor een consignatiedienst en komen vanwege de voorzienbaarheid en aard van de tijdens een oproepdienst te verrichten werkzaamheden tot de conclusie dat geen sprake is van een consignatiedienst. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis redeneert vanuit het feit dat in de toelichting op de Arbeidstijdenwet en de cao wordt uitgelegd dat bij een bereikbaarheidsdienst een oproep ‘zeker’ of anders ‘vrijwel zeker’ is. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis koppelt daar een percentage van 30% aan en betoogt dat als er een kans van minder dan 30% is dat een verpleegkundige in een dienst wordt opgeroepen, er dus geen sprake is van een zekere of vrijwel zekere oproep en dus niet van een bereikbaarheidsdienst.\n\n5.5.. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het kenmerkende verschil in de definities van onvoorziene omstandigheden, de diensten moeten worden aangemerkt als bereikbaarheidsdiensten en motiveert dat oordeel als volgt.\n\nHet toetsingskader5.6.. In de cao Ziekenhuizen is opgenomen wat moet worden verstaan onder consignatiediensten en bereikbaarheidsdiensten. Partijen verschillen van mening over de uitleg hiervan. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet een cao worden uitgelegd aan de hand van de zogeheten cao-norm. Deze norm houdt in dat een bepaling in een cao naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarmee komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.\n\nUitleg van de cao5.7.. De definities van bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst in de cao verschillen van elkaar in die zin dat bij een consignatiedienst de werknemer uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden de bedongen arbeid te verrichten. Als voorbeelden van onvoorziene omstandigheden worden in de cao spoedgevallen en storingen genoemd. Bij een bereikbaarheidsdienst is de werknemer verplicht om bereikbaar te zijn om de bedongen arbeid te verrichten, waarbij de eis van onvoorziene omstandigheden dus niet wordt gesteld. Uitgaande van de tekst van de cao wordt het verschil tussen de bereikbaarheidsdienst en de consignatiedienst dus bepaald door het al dan niet aanwezig zijn van onvoorziene omstandigheden. Deze definities sluiten aan bij de definities in de Arbeidstijdenwet.\n\n5.8.. In de toelichting bij artikel 10.1 van de cao komt het begrip onvoorziene omstandigheden niet terug. Wel wordt daarin vermeld dat sprake is van een bereikbaarheidsdienst wanneer vrijwel zeker is dat er 1 of meerdere oproepen zullen volgen. Dit sluit aan bij de Memorie van Toelichting bij de Arbeidstijdenwet, waarin over het begrip onvoorziene omstandigheden is opgemerkt: “Bij een consignatiedienst moet de werknemer bereikbaar zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten. Bij een bereikbaarheidsdienst is op voorhand duidelijk dat een of meer oproepen zullen plaatsvinden om zo spoedig mogelijk arbeid te verrichten.”In de toelichting op de cao wordt ten aanzien van het verschil tussen een consignatiedienst en een bereikbaarheidsdienst ook vermeld dat het opgeroepen worden in een bereikbaarheidsdienst een normaal onderdeel is van de functie en dus niet alleen plaatsvindt in noodgevallen. Daarnaast wordt beschreven dat de bereikbaarheidsdienst in het Arbeidstijdenbesluit mogelijk is gemaakt voor beroepen in de verpleging en de verzorging.\n\n5.9.. Hieruit volgt dat aan de hand van het begrip ‘onvoorziene omstandigheden’ moet worden vastgesteld of sprake is van een consignatiedienst. Dat is kenmerkend voor de consignatiedienst. Bij een bereikbaarheidsdienst is op voorhand duidelijk dat een of meer oproepen zullen plaatsvinden. In de toelichting op de cao staat daarover dat de oproep bij een bereikbaarheidsdienst vrijwel zeker is. Daarnaast is van belang of het opgeroepen worden een normaal onderdeel van de functie van de verpleegkundigen is.\n\n5.10.. Bij de oproepdiensten van de verpleegkundigen in deze zaak is geen sprake van onvoorziene omstandigheden. Tijdens de zitting hebben [eisers] toegelicht dat het gaat om normale zorgwerkzaamheden van een verpleegkundige (voortvloeiend uit de aard van het werk) die voortduren in het weekend of in de avond. Het gaat niet (alleen) om nieuwe spoedgevallen die niet voorzienbaar zijn. Ter zitting heeft [eiseres 1] namens de medewerkers van de afdeling Dialyse toegelicht dat vaak een dag van tevoren al duidelijk is of de oproepbare medewerker de dag erna terug moet komen voor het voortzetten van een behandeling. [eiser] heeft namens de medewerkers van de afdeling Cardiologie toegelicht dat van de patiënten die bijvoorbeeld op vrijdag binnenkomen al vast staat dat zij op zaterdag moeten worden onderzocht, omdat dat onderzoek nu eenmaal binnen 24 uur moet plaatsvinden. Doordeweeks voeren de medewerkers met een reguliere dienst dit onderzoek uit, in het weekend wordt die behandeling uitgevoerd door de medewerkers met een oproepdienst. In de gevallen die deze medewerkers hebben beschreven zijn een oproep en de te verrichten werkzaamheden niet onvoorzien. Zij hebben ook toegelicht dat ze met een oproepdienst in de praktijk rekening (moeten) houden bij hun privéplannen gedurende de dienst. Er is dus geen sprake van onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in de definitie van een consignatiedienst. Ook de werkzaamheden die het [vestigingsplaats] Ziekenhuis beschrijft, zoals het uitvoeren van een katheterisatie of een acute dialysebehandeling en het bieden van ondersteuning bij complicaties of acute medische problemen, kunnen niet als (het gevolg van) onvoorziene omstandigheden worden aangemerkt. Ook dit zijn werkzaamheden die voortvloeien uit de aard van het werk in de zorg. De aard van dit werk brengt mee dat op elk moment een extra verpleegkundige op de afdeling nodig kan zijn. Van werkelijk onvoorziene omstandigheden is dan geen sprake. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de oproepen dan ook een normaal onderdeel van de functie van de verpleegkundigen.\n\n5.11.. Zoals hiervoor is overwogen, is daarbij tevens van belang dat de werkzaamheden die de verpleegkundigen ter zitting hebben beschreven een normaal onderdeel van de functie zijn. Er is niet (altijd) sprake van noodgevallen. Aan de hand van de toelichting op de cao leidt dat eveneens tot de conclusie dat sprake is van een bereikbaarheidsdienst. Deze uitleg sluit aan bij het feit dat bereikbaarheidsdiensten in § 5.19 van het Arbeidstijdenbesluit specifiek voor onder andere de beroepsgroep ‘verpleging en verzorging’ mogelijk zijn gemaakt; deze diensten zijn dan ook geschikt en gebruikelijk voor personeel in de zorg. Deze uitleg staat ook in de toelichting bij de cao.\n\n5.12.. Het standpunt van het [vestigingsplaats] Ziekenhuis dat bij de diensten van deze verpleegkundigen sprake is van consignatiediensten kan niet worden gevolgd. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis heeft uitgelegd dat zij heeft gezocht naar een hanteerbare norm om de diensten in het ziekenhuis te duiden. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis hanteert vanuit het begrip ‘(vrijwel) zeker’ onder andere als onderscheidende grens een oproepfrequentie van 30%. Als het percentage oproepen voor een dienst lager is, is volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis in beginsel geen sprake van een bereikbaarheidsdienst, maar van een consignatiedienst. Die uitleg en de feitelijke toepassing daarvan volgen echter niet uit de cao en de toelichting daarop. Een lage oproepfrequentie maakt de oproep en de werkzaamheden gelet op het voorgaande niet direct onvoorzien. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis baseert de kans dat iemand in een dienst wordt opgeroepen bovendien op het gemiddeld aantal oproepen in de periode daarvoor. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis geeft daarmee een invulling aan de cao en de daarin genoemde eis van onvoorziene omstandigheden die niet uit de tekst van de cao volgt. Zoals hiervoor is overwogen is niet de oproepfrequentie op zichzelf doorslaggevend voor de vraag of bij de oproep sprake is van onvoorziene omstandigheden, maar de aard en voorzienbaarheid van de werkzaamheden. Ondanks het relatief lage aantal oproepen (partijen verschillen van mening over het percentage, maar tussen partijen staat wel vast dat dit onder de 30% ligt) kan niet worden aangenomen dat de oproepdiensten gericht zijn op onvoorziene omstandigheden zoals bij consignatiediensten is vereist. Het is niet in lijn met de cao om op basis van een percentage te bepalen of sprake is van een consignatiedienst. Dat op voorhand niet per dienst te zeggen is met welk percentage van zekerheid de oproepbare medewerker zal worden opgeroepen, is dan ook niet voldoende om te oordelen dat de werkzaamheden het gevolg zijn van onvoorziene omstandigheden. De diensten van [eisers] kunnen niet worden aangemerkt als consignatiedienst in de zin van de cao.\n\n5.13.. De stelling van het [vestigingsplaats] Ziekenhuis dat het bestaan van een consignatiedienst illusoir zou worden wanneer de oproepdiensten van deze verpleegkundigen als een bereikbaarheidsdienst zouden worden aangemerkt, volgt de kantonrechter niet. Dit is afhankelijk van de reden en aard van de dienst. Bovendien is een consignatiedienst bijvoorbeeld ook mogelijk voor andere medewerkers in het ziekenhuis die zich niet direct met zorgverlening bezig houden, zoals ook ter zitting aan de orde is gekomen.\n\nConclusie5.14.. Uit het voorgaande volgt dat de diensten van de verpleegkundigen in deze zaak moeten worden aangemerkt als bereikbaarheidsdiensten in de zin van de cao. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis dient vanaf 1 maart 2024 de consignatiediensten (met terugwerkende kracht) te kwalificeren en te belonen als bereikbaarheidsdiensten. De daarop gerichte verklaringen voor recht zullen in het eindvonnis worden toegewezen.\n\nDe loonvorderingen5.15.. Ten aanzien van de loonvorderingen van [eisers] overweegt de kantonrechter als volgt. [eisers] heeft de loonvorderingen per medewerker berekend. De hoogte van deze loonvorderingen wordt door het [vestigingsplaats] Ziekenhuis betwist, in die zin dat zij de hoogte van de uurlonen betwist. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis heeft [eisers] met de huidige hoogte van de lonen gerekend, in plaats van met het geldende loon ten tijde van de ingeroosterde diensten. Ook voert het [vestigingsplaats] Ziekenhuis aan dat niet met de juiste duur van diensten is gerekend. Zoals besproken tijdens de zitting zullen [eisers] in de gelegenheid worden gesteld de (uitgangspunten voor de) loonvorderingen schriftelijk nader toe te lichten. Ook kunnen [eisers] dan reageren op het aantal diensten dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis in nr. 3.35. van de conclusie van antwoord heeft genoemd.\n\n5.16.. \n [eisers] zullen in de gelegenheid worden gesteld om op een termijn van vier weken een akte te nemen over hetgeen in 5.15. is overwogen. Daarna mag het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op een termijn van vier weken een antwoordakte nemen.\n\n5.17.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. stelt [eisers] in de gelegenheid om op een termijn van vier weken, dus op de rol van 4 augustus 2026, een akte nemen over het bepaalde in r.o. 5.15., waarna het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op een termijn van vier weken een antwoordakte mag nemen;\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.(SB)\n\no.a. HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5961 en recenter HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1622.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3908","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:22.244Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":45,"courtId":59,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":53,"updatedAt":64},"1322","ECLI:NL:RBAMS:2026:6791","ecli-nl-rbams-2026-6791",56,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12156355 \\ EA VERZ 26-361\n\nBeschikking van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Heimensem,\n\ntegen\n\nFACT ACCOUNTANTS & ADVISEURS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: FACT\n\nvertegenwoordigd door: [naam] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 19 maart 2026, met producties;\n\n- het verweerschrift, met producties.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. [verzoeker] was aanwezig met zijn gemachtigde. Namens FACT is [naam] ( [functie 1] ) verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [verzoeker] mede aan de hand van zittingsaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. [verzoeker] heeft zijn eis ter zitting verminderd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Vervolgens is de beschikking bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2005, is op 9 december 2024 als [functie 2] bij FACT in dienst getreden. Zijn laatstgenoten salaris was € 1.710,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld, op basis van een 24-urige werkweek.\n\n2.2.. \n\nOp 31 juli 2025 stuurde FACT [verzoeker] per e-mail onder meer:\n\n“We hebben de volgende aanvullende afspraken gemaakt:\n\n Het contract dat we nu hebben loopt tot 30 juni 2026\n\n Ik heb aangegeven dat wij tevreden zij[n] over jou en dat ik de nieuwe overeenkomst per 1 juli 2026 wil omzetten in een contract voor onbepaalde tijd\n\n Je zult dan vallen onder de autoregeling\u002Fmobiliteitsbudget (…)”\n\n2.3.. Vanaf de aanvang van zijn dienstverband bij FACT gebruikte [verzoeker] zijn studenten-OV om naar FACT te reizen. Hij maakte daardoor geen reiskosten.\n\n2.4.. In augustus 2025 heeft [verzoeker] zijn rijbewijs gehaald en een Toyota Aygo gekocht.\n\n2.5.. In oktober 2025 heeft [verzoeker] bij FACT een reiskostendeclaratie ingediend voor in september 2025 gemaakte reiskosten. FACT heeft [verzoeker] gevraagd een kostenopgave te maken van de kosten van zijn auto. [verzoeker] heeft daarop onder meer aangegeven dat zijn auto een verbruik had van 1:9. FACT heeft er op gewezen dat dit verbruik hoger is dan het gemiddelde verbruik van dat type auto en om aanvullende informatie gevraagd.\n\n2.6.. In de maanden daarna heeft [verzoeker] ook reiskosten gedeclareerd voor de maanden tot en met december 2025. FACT heeft die reiskosten niet voldaan.\n\n2.7.. Op 16 december 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] FACT gesommeerd de gedeclareerde reiskosten van september tot en met december 2025 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover.\n\n2.8.. Op 24 december 2025 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. FACT heeft daarvan een gespreksverslag opgemaakt. [verzoeker] heeft dat niet ondertekend. In dat gespreksverslag staat onder meer dat besproken is dat FACT vermoedt dat de door [verzoeker] opgegeven kostenopgave vanwege het hoge brandstofverbruik onjuist is, dat [verzoeker] de gelegenheid is gegeven om de juistheid te onderbouwen door – kort gezegd – aanvullende informatie aan te leveren, dat hij dat niet heeft gedaan en dat FACT daarom vermoedt dat sprake is van een vervalsing. Verder staat er dat is besproken dat het functioneren van [verzoeker] onvoldoende is.\n\n2.9.. Op 14 januari 2026 heeft FACT [verzoeker] geschorst. [verzoeker] heeft daar dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt.\n\n2.10.. In een e-mail van 21 januari 2026 schrijft FACT aan [verzoeker] onder meer:\n\n“In ons gesprek van vorige week heb ik je aangegeven dat ik overging tot een schorsing. Ik heb daarvoor de volgende redenen:\n\n Het zonder enige vorm van overleg declareren van kosten\n\n Het bewust verstrekken van onjuiste informatie met betrekking tot de kosten van je auto\n\n Het negeren van aanvullende instructies met betrekking tot de onjuist gedane kostenopgaaf van je auto\n\n Het bewust onjuist schrijven van je uren en dan met name de interne uren (…)\n\n Het opstarten van een juridische procedure tegen Fact\n\n Het volstrekt onvoldoende uitvoeren van werkzaamheden. (…).\n\nDe grondvereiste [sic] van iedere werknemer van Fact is dat hij integer is en bij jou moet ik helaas constateren dat je dat niet bent. Ik moet dus maatregelen nemen en hoopte dat je met de schorsing tot inzicht zou komen. (…)\n\nEr is geen verdere basis meer voor enig vertrouwen!In het gesprek van gisteren gaf je aan niet van mening te zijn veranderd. Mij rest dan niets anders als [sic] een verdere maatregel te nemen en dat is dan ontslag op staande voet.Per gisteren ben je uit dienst (…).”\n\n2.11.. \n [verzoeker] heeft zijn werklaptop van FACT niet aan FACT teruggegeven, ondanks verzoek daartoe van FACT.\n\n2.12.. \n [verzoeker] werkt sinds 23 februari 2026 bij een andere werkgever. Hij verdient daar iets meer dan bij FACT (€ 1.800,- per maand voor 24 uur in de week).\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\nIn de hoofdzaak\n\n3.1.. \n\n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter na eisvermindering om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, FACT samengevat te veroordelen:\n\nI. tot betaling van een billijke vergoeding van € 55.853,00 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nII. tot betaling van € 2.462,40 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging;\n\nIII. tot betaling van de transitievergoeding van € 750,00 bruto;\n\nIV. een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie te verschaffen van de hiervoor genoemde betalingen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;\n\nV. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel;\n\nVI. tot betaling van de wettelijke rente over de onder I, II en III genoemde bedragen vanaf opeisbaar worden tot voldoening;\n\nVII. tot betaling van € 866,22 aan reiskosten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nVIII. tot betaling van € 700,00 aan achterstallig loon wegens het niet inleveren van de laptop, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nIX. tot betaling van € 942,00 aan ingehouden betalingen voor te veel opgenomen verlof, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nX. tot betaling van € 427,50 aan wegens schorsing ingehouden loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nXI. tot betaling van € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nXII. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vonnisdatum.\n\n3.2.. \n [verzoeker] legt hieraan kort gezegd ten grondslag dat er geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet en dat de verschillende inhoudingen onterecht zijn.\n\n3.3.. FACT verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken.\n\nIn het incident\n\n3.4.. \n [verzoeker] verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure onder meer veroordeling tot (i) doorbetaling van het salaris, (ii) verstrekking van salarisspecificaties, (iii) wettelijke verhoging en (iv) buitengerechtelijke incassokosten.\n\n4. De beoordeling\n\nIn de hoofdzaak:\n\n4.1.. \n [verzoeker] berust in het ontslag, maar maakt aanspraak op een aantal vergoedingen. Hij heeft zijn verzoekschrift daartoe tijdig ingediend. De vergoedingen kunnen worden toegewezen als het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. In deze procedure moet daarom de vraag worden beantwoord of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.\n\n4.2.. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\nJuridisch kader ontslag op staande voet4.3.. In de wet staat dat beide partijen bevoegd zijn om de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden op te zeggen, onder een onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.Voor een werkgever worden als dringende reden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Van belang zijn bijvoorbeeld de aard en de ernst van wat er is gebeurd, de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden en de onverwijldheid liggen bij de werkgever.\n\nOntslag op staande voet niet rechtsgeldig4.4.. FACT heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke dringende reden zij ten grondslag heeft gelegd aan het gegeven ontslag op staande voet. Dat had wel op haar weg gelegen. Alleen daarom al is het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.\n\n4.5.. Voor zover FACT in dat kader heeft willen verwijzen naar de door haar op 21 januari 2026 gestuurde e-mail (2.10 hiervoor) geldt het volgende. In die e-mail heeft FACT een aantal redenen gegeven op grond waarvan zij tot schorsing van [verzoeker] was overgegaan. Daargelaten in hoeverre een schorsing op die gronden juridisch toelaatbaar was - dat ligt in deze procedure immers niet voor - geldt dat die gronden niet kwalificeren als dringende reden voor het rechtvaardigen van een ontslag op staande voet. Een ontslag op staande voet is immers een zeer ingrijpend middel, met vergaande consequenties voor de werknemer.\n\n4.6.. Dat [verzoeker] ondanks zijn schorsing volgens FACT ‘niet tot inzicht’ zou zijn gekomen, is evenmin voldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Al is het maar omdat FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht wat zij in dat kader van [verzoeker] verwachtte en evenmin dat het niet voldoen aan die verwachting dit arbeidsrechtelijk zwaarste middel van een ontslag op staande voet rechtvaardigt.\n\n4.7.. Daar komt bij dat voorzover FACT aan haar ontslag op staande voet dezelfde gronden ten grondslag heeft willen leggen als aan haar schorsing, FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht dat zij het ontslag op staande voet onverwijld heeft gegeven. Zo heeft FACT niet toegelicht dat zij mede in het licht van de periode van schorsing voldoende voortvarend te werk is gegaan.\n\nTransitievergoeding4.8.. Een werkgever moet een transitievergoeding aan de werknemer betalen als de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd, behalve als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de werknemer.FACT heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd. Niet gebleken is dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in voornoemde zin. Dat hij onvoldoende heeft kunnen uitleggen waarom het in eerste instantie door hem genoemde verbruik van zijn auto afwijkt van het door FACT genoemde gemiddelde van dergelijke auto’s, is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Omdat [verzoeker] berust in het ontslag op staande voet staat vast dat de einddatum van het dienstverband 21 januari 2026 is. De transitievergoeding bedraagt daarom € 689,70. Betaling daarvan wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van deze beschikking.\n\nGefixeerde schadevergoeding4.9.. De arbeidsovereenkomst is door een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet geëindigd en is daarmee op onregelmatige wijze opgezegd. Als een werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, moet zij het in geld vastgestelde loon betalen over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.Dat wordt de gefixeerde schadevergoeding genoemd. De berekening hiervan door [verzoeker] wordt niet gevolgd, omdat hij daarbij uitgaat van een periode vanaf 14 januari 2026, terwijl het dienstverband liep tot 21 januari 2026. Omdat [verzoeker] per 23 februari 2026 elders in dienst is getreden, loopt de relevante periode tot 23 februari 2026. De periode van 21 januari 2026 tot 23 februari 2026 is 1,07 maanden, zodat als gefixeerde schadevergoeding een bedrag van (1,07 * € 1.710,00 * 1,08=) € 1.976,08 toewijsbaar is. De daarover verzochte wettelijke rente is toewijsbaar vanaf heden tot voldoening.\n\nBillijke vergoeding4.10.. Omdat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen en hij berust in het ontslag, kan hij tegenover FACT aanspraak maken op een billijke vergoeding.Bij de begroting van de hoogte daarvan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het gaat er kort gezegd om dat [verzoeker] wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van FACT. Daarbij kan rekening worden gehouden met de gevolgen voor [verzoeker] van het verlies van zijn baan. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te beëindigen.\n\n4.11.. De kantonrechter ziet aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op nihil. Daarbij weegt mee dat de gevolgen voor [verzoeker] van het verlies van zijn baan in dit geval beperkt zijn. Hij heeft vrij snel een nieuwe baan gevonden en bovendien ter zitting toegelicht dat hij vóór het gegeven ontslag op staande voet zelf al in vergaande gesprekken was met een nieuwe werkgever. Het dienstverband zou daarom naar verwachting hoe dan ook niet al te lang meer hebben geduurd. Ook weegt mee dat hem een transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding toekomt. Verder weegt de kantonrechter mee dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft nagelaten te vermelden dat hij op dat moment (19 maart 2026) al bijna een maand een nieuwe baan had. Dat staat haaks op de in het verzoekschrift door hem beschreven verwachting dat hij nog 18 maanden bij FACT in dienst zou zijn geweest. Ook weegt de kantonrechter mee dat, zoals hierna verder zal blijken, [verzoeker] zelf ook een aandeel in het ontstane arbeidsconflict met FACT heeft gehad.\n\nReiskosten4.12.. De door [verzoeker] verzochte veroordeling tot betaling van de gedeclareerde reiskosten wordt afgewezen. Niet in geschil is dat [verzoeker] van meet af aan met zijn studenten-OV naar het werk reisde. Volgens hem is op enig moment besproken dat hij zijn kilometers mocht gaan declareren, maar hij heeft dat standpunt in het licht van de gemotiveerde betwisting door FACT onvoldoende onderbouwd. Zijn verwijzing naar artikel 9 van de arbeidsovereenkomst – waarin kort gezegd staat dat de secundaire arbeidsvoorwaarden van FACT van toepassing zijn – maakt dat niet anders. Niet in geschil is immers dat hij in de praktijk gebruik maakte van zijn studenten-OV en dus geen reiskosten maakte. Ook zijn verwijzing naar in juli 2025 gevoerde onderhandelingen maken dat niet anders. FACT heeft immers onweersproken toegelicht dat die onderhandelingen hebben geleid tot de e-mail van 31 juli 2025 (2.2 hiervoor), waaruit kort gezegd volgt dat [verzoeker] vanaf 1 juli 2026 - en dus niet eerder - onder de autoregeling zou vallen.\n\nOverige verzoeken4.13.. FACT heeft € 700,00 ingehouden in verband met het niet inleveren van de laptop. Zij heeft echter niet toegelicht op welke grondslag zij daarvoor geld op het loon heeft mogen inhouden, noch dat dit een bedrag van € 700,00 rechtvaardigt. Dat had wel op haar weg gelegen. Betaling van dit bedrag is dus toewijsbaar. Het voorgaande laat onverlet dat [verzoeker] is gehouden om de laptop aan FACT terug te geven, aangezien het dienstverband is geëindigd. FACT heeft hierover echter geen tegenverzoek ingediend, zodat de kantonrechter daar verder niet op kan beslissen. Omdat niet in geschil is dat FACT [verzoeker] eerder heeft gevraagd de laptop in te leveren, hetgeen hij zonder goede onderbouwing niet heeft gedaan, zal over dit bedrag geen wettelijke verhoging worden toegekend. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf heden tot betaling.\n\n4.14.. Het verzoek tot betaling van € 942,00 aan ingehouden verlofsaldo wordt afgewezen. [verzoeker] heeft namelijk niet gesteld dat dit bedrag op zichzelf onterecht is berekend, maar uitsluitend aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst niet geëindigd is en dat het daarom niet zou mogen worden ingehouden. Hiervoor is echter gebleken dat de arbeidsovereenkomst geëindigd is. Ook het verzoek tot betaling van € 427,50 wegens aan tijdens schorsing ingehouden loon wordt afgewezen. FACT heeft immers gemotiveerd aangevoerd dat gedurende de schorsing het loon is doorbetaald. FACT heeft dat onderbouwd met een loonstrook. [verzoeker] heeft dat vervolgens onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.\n\n4.15.. Het verzoek tot betaling van € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, is toewijsbaar, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging daarover. Zelfs als het zo zou zijn dat [verzoeker] onjuiste uurcodes heeft gebruikt, of meer uren op een bepaalde code heeft geschreven dan zijn collega’s, maakt dat nog niet dat FACT daarvoor loon in mindering mag brengen. FACT heeft ook geen (bedrijfs)documentatie overgelegd waaruit iets anders blijkt. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf heden tot volledige betaling.\n\n4.16.. De verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld dat méér werkzaamheden zijn verricht dan verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.\n\n4.17.. Het verzoek tot afgifte van de salarisspecificatie wordt in die zin toegewezen, dat FACT wordt veroordeeld tot het verstrekken een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie van de betalingen van de transitievergoeding en de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging, binnen een maand na de datum van beschikking. Als FACT daar niet tijdig aan voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00.\n\nProceskosten4.18.. Omdat FACT overwegend ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten betalen. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.19.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nIn het incident:4.20.. Omdat in de hoofdzaak wordt beslist, bestaat geen belang meer bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Deze worden dus afgewezen. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van het incident. Deze kosten worden aan de zijde van FACT begroot op nihil.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nIn de hoofdzaak:\n\n5.1.. veroordeelt FACT om aan [verzoeker] te betalen:\n\nI. € 689,70 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nII. € 1.976,08 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nIII. € 700,00 bruto aan ingehouden loon voor de laptop, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nIV. € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging daarover, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\n5.2.. veroordeelt FACT om binnen een maand na heden een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie te verstrekken van de betalingen genoemd onder 5.1 sub I en II, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verbeurt van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00;\n\n5.3.. veroordeelt FACT in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als FACT niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.4.. veroordeelt FACT tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nIn het incident\n\n5.7.. wijst het verzochte af;\n\n5.8.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van FACT begroot op nihil.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.M.B. Cramwinckel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n Artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW.\n\n Artikel 7:672 lid 11 BW.\n\n Vakantiegeld.\n\n Artikel 7:681 lid 1 sub a BW.\n\n Vgl. Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 en HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6791","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.959Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":45,"courtId":69,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":53,"updatedAt":74},"1445","ECLI:NL:RBNHO:2026:7438","ecli-nl-rbnho-2026-7438",67,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12182256 \\ AO VERZ 26-54\n\nBeschikking van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [plaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster],\n\ngemachtigde: mr. F. Huisman (DAS),\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap,\n\nTRIGION BEVEILIGING B.V.,\n\nte Schiedam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Trigion,\n\ngemachtigde: mr. H Kayhan (Facilicom Group).\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak gaat het om een alcoholverslaafde werkneemster (een beveiligster) van wie de Schipholpas en grijze pas zijn ingetrokken nadat zij vlak na afloop van haar dienst door de Koninklijke Marechaussee is aangehouden wegens rijden onder invloed. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever (Trigion) in de gegeven omstandigheden geen geslaagd beroep kan doen op het intreden van de ontbindende voorwaarde(n) uit de arbeidsovereenkomst.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding (c.q. het verzoekschrift) van 6 januari 2026 met producties;\n\n- de conclusie van antwoord (c.q. het verweerschrift) van 25 maart 2026 met producties; - de akte wijziging verwerende partij van [verzoekster] van 8 mei 2026;\n\n- de aanvullende productie van [verzoekster] van 12 mei 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Feiten2.1.. Trigion is een particuliere beveiligingsorganisatie op wie de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (nader te noemen: Wpbr) van toepassing is.\n\n2.2.. Op grond van de artikelen 7 van de Wpbr en 12 lid 4 van de toepasselijke Cao Particuliere Beveiliging (hierna: de cao) kan Trigion een werknemer alleen tewerkstellen indien de werknemer beschikt over toestemming van de korpschef om beveiligingswerkzaamheden te verrichten (hierna ook wel: de grijze pas).2.3.. \n [verzoekster] is sinds 13 maart 2023 bij Trigion in dienst als beveiliger.\n\n2.4.. \n [verzoekster] voert haar werkzaamheden uit binnen het beveiligde gebied van Schiphol. De beveiligde gebieden op Schiphol zijn uitsluitend toegankelijk voor medewerkers die over een geldige, persoonsgebonden Schipholpas beschikken.\n\n2.5.. In artikel 2 lid 6 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt indien de vereiste toestemming van de Korpschef en\u002Fof de Schiphol pas wordt ingetrokken:\n\n“Werknemer verklaart ervan op de hoogte te zijn dat de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus en de Regeling Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus eisen stelt waaraan werkgever en werknemer moeten voldoen. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, zonder dat hier voorafgaande opzegging voor nodig is, zodra werknemer niet (of niet langer) voldoet aan de vereisten gesteld bij of krachtens de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vereiste toestemming door de bevoegde instantie (Korpschef\u002FCommandant) niet wordt verleend, wordt ingetrokken of niet wordt verlengd.\n\n(…) Daarnaast wordt de arbeidsovereenkomst aangegaan onder de voorwaarde dat de schriftelijke toestemming voor de AIVD, dan wel de feitelijke Schipholpas is verkregen vanuit SNBV voor het mogen verrichten van werkzaamheden op en\u002Fof rondom de luchthaven Schiphol. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege zonder dat opzegging is vereist op de dag dat de toestemming voor het verrichten van werkzaamheden op en\u002Fof rondom de luchthaven Schiphol is ingetrokken of niet wordt verlengd.”\n\n2.6.. \n [verzoekster] is sinds 1 augustus 2025 arbeidsongeschikt wegens ziekte (alcoholverslaving).\n\n2.7.. Op 4 november 2025 heeft [verzoekster] re-integratiewerkzaamheden uitgevoerd bij de passenuitgifte van het Badgecenter op Schiphol. Na afloop van haar dienst is zij door de Koninklijke Marechaussee gecontroleerd op het gebruik van verdovende middelen en aangehouden voor rijden onder invloed.2.8.. Op 5 november 2025 is [verzoekster] door Trigion geschorst:\n\n“Reden schorsingJe bent geschorst voor jouw werkzaamheden omdat je op 4 november 2025 omstreeks 18:00 uur bent aangehouden voor rijden onder invloed door De Koninklijke Marechaussee, al rijdend in jouw auto. Je was na Jouw AT dienst van 16:00 uur tot 18:00 uur op weg naar huis.\n\nEen gesprekTijdens jouw dienst van 16:00 en 18:00 uur hadden we een gesprek waarin specifiek gevraagd is of je medicijnen gebruikt had of alcohol genuttigd had, dit ontkende je beiden. Op 4 november om 21:00 uur werd ik gebeld door de Security Officer van dienst van Schiphol dat je Schipholpas is ingenomen na jouw aanhouding door de Kmar.”\n\n2.9.. Op 6 november 2025 heeft Schiphol aan Trigion laten weten dat geen nieuwe Schipholpas zal worden verstrekt voor werkzaamheden voor of namens Schiphol Group: “(…) Van een beveiliger op Schiphol wordt verwacht dat deze integer gedrag vertoont. Door op de vraag van het Trigion-management niet eerlijk te antwoorden, is een duidelijke grens overschreden die niet toelaatbaar is binnen de Schiphol Security-organisatie. De Schipholpas zal daarom niet opnieuw worden uitgegeven voor of namens Schiphol Group.”\n\n2.10.. Trigion heeft [verzoekster] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 14 en\u002Fof 17 november 2025. [verzoekster] is zonder tegenbericht niet verschenen.\n\n2.11.. Bij brief van 17 november 2025 heeft Trigion zich op het standpunt gesteld dat het dienstverband van [verzoekster] door de intrekking van de Schipholpas per 6 november 2025 van rechtswege is geëindigd.2.12.. Op 18 november 2025 is [verzoekster] gestart met een detoxprogramma.2.13.. Op 25 november 2025 is [verzoekster] naar Zuid-Afrika gevlogen voor een klinische opname en behandeling.\n\n2.14.. Bij brief van 4 december 2025 heeft de korpschef de aan [verzoekster] verleende grijze pas ingetrokken.3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n\n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de ontbindende voorwaarde(n) zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst nietig is, dan wel om het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) te vernietigen of de gevolgen van het beroep op de ontbindende voorwaarde(n) te wijzigen.\n\nDaarnaast verzoekt [verzoekster] zowel primair als subsidiair om Trigion te veroordelen haar in staat te stellen de tot haar functie behorende werkzaamheden dan wel andere passende werkzaamheden te laten uitvoeren (op straffe van een dwangsom), doorbetaling van loon vanaf 6 november 2025 (te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente) en afgifte van deugdelijke bruto\u002Fnetto salarisspecificaties (eveneens op straffe van een dwangsom).\n\n3.2.. Trigion voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens Trigion is de arbeidsovereenkomst per 6 november 2025 dan wel 4 december 2025 van rechtswege geëindigd door het intreden van rechtsgeldige ontbindende voorwaarde(n).\n\n4. De beoordeling\n\nSpoorwissel4.1.. De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat de procedure ten onrechte is ingeleid met een dagvaarding. De kantonrechter zal daarom, met toepassing van art. 69 Rv, bij beschikking uitspraak doen. De dagvaarding zal worden opgevat als een verzoekschrift en de conclusie van antwoord als een verweerschrift, zoals tijdens de zitting met partijen besproken. Verder zal het zaaknummer van de zaak worden gewijzigd van 12058144 \u002F CV 26-137 naar 12182256 \\ AO VERZ 26-54. Deze (procedurele) kwestie heeft geen gevolgen voor de inhoudelijke behandeling en beoordeling van de zaak.\n\nHet geschil\n\n4.2.. Tussen partijen is in geschil of de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst per 6 november 2025 dan wel 4 december 2025 van rechtswege is geëindigd. In deze zaak moet daarom de vraag worden beantwoord of de ontbindende voorwaarde(n) zoals opgenomen in artikel 2 lid 6 van de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is\u002Fzijn, dan wel of Trigion zich rechtsgeldig op deze ontbindende voorwaarde(n) kan beroepen.\n\nRechtsgeldigheid van de ontbindende voorwaarde\n\n4.3.. De voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende bescherming van de werknemer, die onder meer tot uiting komt in het wettelijk stelsel van het ontslagrecht, brengt mee dat de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering kan worden aanvaard. Door de Hoge Raad is bepaald dat het opnemen van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, indien is voldaan aan drie elementen. Het opnemen van een ontbindende voorwaarde mag i) geen strijdigheid opleveren met het stelsel van het ontslagrecht, ii) de vervulling van de ontbindende voorwaarde dient objectief te worden bepaald en iii) na de vervulling moet geen invulling meer kunnen worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst.\n\n4.4.. De Schipholpas en de grijze pas van [verzoekster] zijn ingetrokken nadat zij op 4 november 2025 na afloop van haar (re-integratie)dienst bij de passenuitgifte van het Badgecenter op Schiphol door de Koninklijke Marechaussee is aangehouden wegens rijden onder invloed. Vaststaat dat Trigion op de bewuste dag een sterk vermoeden had dat [verzoekster] alcohol had gedronken. Dit vermoeden was gebaseerd op waarnemingen van meerdere collega’s, die een alcoholgeur hadden geroken en hadden gezien dat [verzoekster] voorafgaand aan haar dienst moeite had met inparkeren en enige tijd in haar auto bleef zitten voordat zij naar binnen ging. Trigion heeft [verzoekster] hiermee geconfronteerd, maar [verzoekster] heeft daarop ontkend alcohol te hebben genuttigd. Vervolgens heeft Trigion [verzoekster] haar dienst laten afmaken. Kort nadat [verzoekster] het Badgecenter had verlaten, is zij door de Koninklijke Marechaussee onderworpen aan een alcoholtest. Volgens [verzoekster] kan het niet anders dan dat Trigion de Koninklijke Marechaussee heeft ingelicht over haar vermoedelijke alcoholgebruik. Trigion heeft deze stelling bij gebrek aan wetenschap betwist.\n\n4.5.. De hiervoor geschetste gang van zaken is naar het oordeel van de kantonrechter op zijn minst opvallend te noemen. Daarbij weegt in belangrijke mate mee dat de vraag of de Koninklijke Marechaussee door Trigion is ingelicht, een feitelijke omstandigheid betreft die zich bij uitstek binnen de kennissfeer van Trigion bevindt. Onder deze omstandigheden kon van Trigion een meer concrete en gemotiveerde betwisting worden verlangd. De enkele blote ontkenning bij gebrek aan wetenschap is op dit punt daarom onvoldoende. Als het klopt dat Trigion de Koninklijke Marechaussee heeft ingelicht over het (vermoedelijke) alcoholgebruik van [verzoekster], zou dat betekenen dat Trigion actief heeft aangestuurd op het intreden van de ontbindende voorwaarde(n). Onder die omstandigheden wordt niet voldaan aan de hiervoor onder 4.3 beschreven voorwaarde dat de vervulling van de ontbindende voorwaarde objectief dient te worden bepaald.\n\nHet beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde\n\n4.6.. De kantonrechter overweegt verder als volgt. Zelfs als zou blijken dat Trigion niets met de alcoholcontrole door de Koninklijke Marechaussee te maken heeft gehad (en zij dus ook geen directe invloed heeft gehad op het intreden van de ontbindende voorwaarde), neemt dit niet weg dat een op zichzelf (rechts)geldige ontbindende voorwaarde toepassing kan missen, indien de toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijnen\u002Fof in strijd zou zijn met het goed werkgeverschap.Daarvan is in dit geval sprake.\n\n4.7.. Gelet op de concrete signalen van alcoholgebruik door [verzoekster], had van Trigion als werkgever mogen worden verwacht dat zij het ontkennende antwoord van [verzoekster] op de vraag of zij alcohol had gedronken niet zonder meer zou accepteren. Het had op de weg van Trigion gelegen om nader onderzoek te doen naar de gesteldheid van [verzoekster], hoe zij thuis zou komen en (als zij van plan was om met de auto te gaan) of zij in staat was veilig deel te nemen aan het verkeer. Trigion heeft dit nagelaten. In plaats daarvan heeft zij [verzoekster] (ondanks de ernstige vermoedens van alcoholgebruik) haar dienst laten afmaken en in de auto laten stappen. Dit terwijl zij wist (althans ernstig moest vermoeden) dat [verzoekster] daarmee haar eigen veiligheid, de veiligheid van haar medeweggebruikers en de voor haar functie noodzakelijke Schipholpas en grijze pas op het spel zette. Daarmee heeft Trigion naar het oordeel van de kantonrechter in strijd gehandeld met het beginsel van goed werkgeverschap. De omstandigheid dat Trigion (mogelijk) niet van de verslavingsproblematiek van [verzoekster] op de hoogte was, maakt het voorgaande niet anders. Onder deze omstandigheden kan Trigion naar het oordeel van de kantonrechter geen geslaagd beroep doen op het intreden van de ontbindende voorwaarde(n).\n\n4.8.. In aansluiting op het voorgaande wordt nog opgemerkt dat Trigion op de zitting heeft gesteld dat de situatie mogelijk anders had uitgepakt indien [verzoekster] direct open en eerlijk was geweest over haar alcoholgebruik op 4 november 2025. [verzoekster] heeft hiertegen terecht ingebracht dat liegen een veelvoorkomend kenmerk van een verslaving is. Het kan haar dan ook niet volledig worden tegengeworpen dat zij niet direct open en eerlijk heeft geantwoord op de vraag van haar leidinggevende. Hoewel [verzoekster] verantwoordelijk blijft voor haar eigen handelen en het rijden onder invloed absoluut niet kan worden gerechtvaardigd door haar verslaving, is wel aannemelijk dat deze ziekte heeft bijgedragen aan de omstandigheden waaronder de ontbindende voorwaarde is ingetreden. Ook dit maakt dat Trigion in dit geval geen geslaagd beroep kan doen op de ontbindende voorwaarde(n).4.9.. De conclusie is dat het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) in de gegeven omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid c.q. de norm van goed werkgeverschap. Het verzoek van [verzoekster] om het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) te vernietigen wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat er in deze procedure van moet worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst voortduurt.\n\nLoondoorbetaling, wedertewerkstelling en salarisspecificaties\n\n4.10.. Het voortduren van de arbeidsovereenkomst heeft tot gevolg dat [verzoekster] recht heeft op loon. Het verzoek tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat Trigion het loon te laat heeft betaald. De kantonrechter ziet gelet op de feiten van de zaak aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 10%.\n\n4.11.. Ten aanzien van het verzoek tot wedertewerkstelling overweegt de kantonrechter als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] haar eigen functie niet mag uitoefenen, zolang zij niet over een Schipholpas en de vereiste toestemming van de korpschef beschikt. Ook het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden elders is niet mogelijk zonder grijze pas. Het is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet gebleken dat de intrekking van deze ‘passen’ iedere mogelijkheid tot werken blokkeert. Trigion heeft haar stelling dat er binnen haar organisatie helemaal geen functies zijn waarvoor geen politietoestemming is vereist, niet onderbouwd. Het valt bovendien niet in te zien waarom [verzoekster] niet, in het kader van haar re-integratie (voor zover er benutbare mogelijkheden zijn), in het kader van het tweede spoor ingezet zou kunnen worden buiten de beveiligingssector, waarvoor geen Schipholpas en\u002Fof toestemming van de korpschef (grijze pas) is vereist. Trigion zal dan ook worden veroordeeld om [verzoekster] in staat te stellen om andere passende werkzaamheden uit te voeren. Aangezien de kantonrechter begrijpt dat het enige tijd kan duren voordat een andere passende functie is gevonden, zal zij hieraan geen dwangsom verbinden.\n\n4.12.. Omdat Trigion wordt veroordeeld tot betaling van loon, is zij ook verplicht bruto\u002Fnetto specificaties van die salarisbetalingen aan [verzoekster] te verstrekken, zodat zij daartoe zal worden veroordeeld. Omdat er naar het oordeel van de kantonrechter geen aanwijzingen zijn dat Trigion niet aan deze veroordeling zal voldoen, zal de gevorderde dwangsom worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.13.. De proceskosten komen voor rekening van Trigion, omdat Trigion overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. vernietigt het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) zoals bedoeld in artikel 2 lid 6 van de arbeidsovereenkomst,\n\n5.2.. veroordeelt Trigion om [verzoekster] zo snel mogelijk in staat te stellen andere passende werkzaamheden uit te voeren,\n\n5.3.. veroordeelt Trigion tot betaling aan [verzoekster] van het overeengekomen loon (bij ziekte) over de periode van 6 november 2025 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met 10% wettelijke verhoging over het achterstallige salaris vanaf de data van opeisbaarheid van de betreffende loontermijnen tot aan de dag van de gehele betaling, en dat totaal te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de data van opeisbaarheid van de betreffende loontermijnen tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.4.. veroordeelt Trigion om deugdelijke bruto\u002Fnetto salarisspecificaties van de onder 5.1 loonbetalingen aan [verzoekster] te verstrekken,\n\n5.5.. veroordeelt Trigion in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Trigion niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n Artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 7:611 BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7438","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:21.510Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":45,"courtId":79,"decisionDate":70,"fullText":80,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":53,"updatedAt":82},"680","ECLI:NL:RBDHA:2026:18644","ecli-nl-rbdha-2026-18644",72,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 25\u002F24378\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] uit [vestigingsplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlening van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) ten behoeve van [naam] (hierna: de vreemdeling). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 7 februari 2025 heeft eiseres namens de vreemdeling een aanvraag om een gvva ingediend. De minister heeft de aanvraag van eiseres bij besluit van 7 juli 2025 afgewezen onder verwijzing naar een advies van het Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen (UWV) van 4 juli 2025.\n\n2.1.. Eiseres heeft tegen het besluit van 7 juli 2025 bezwaar gemaakt. De minister heeft aanleiding gezien het UWV opnieuw om advies te vragen. Het UWV heeft op 25 november 2025 advies uitgebracht. Onder verwijzing naar dat advies is de minister met het besluit van 28 november 2025 op het bezwaar van eiseres (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 27 mei 2026 heeft eiseres nog een nader stuk ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Namens het UWV zijn verschenen mr. M. Dundas en mr. S. Kruijthof.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInleiding\n\n3. De vreemdeling is geboren op [geboortedatum] en heeft de Surinaamse nationaliteit. Aan haar is een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘Arbeid in loondienst’ verstrekt met een geldigheidsduur van 2 mei 2023 tot 20 april 2025.\n\n3.1.. Eiseres heeft op 7 februari 2025 namens de vreemdeling een aanvraag om een gvva ingediend en daarmee om verlenging van de verleende verblijfsvergunning. Bij haar aanvraag heeft eiseres opgegeven, voor zover van belang, dat de naam van de te vervullen functie is “verzorgende IG”. Ook heeft eiseres daarbij opgegeven dat zij de vacature heeft gemeld bij het UWV, alsook dat zij heeft geworven in Nederland en in de andere landen van de EU\u002FEER.\n\nBestreden besluit\n\n4. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag van eiseres gehandhaafd onder verwijzing naar het tweede negatieve advies van het UWV van 25 november 2025. In dat advies concludeert het UWV dat voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. Volgens het UWV stonden ten tijde van het uitbrengen van het advies voor de functie van ‘Verzorgende Individuele Gezondheidszorg’ 809 werkzoekenden bij het UWV ingeschreven. Daarnaast stelt het UWV zich op het standpunt dat eiseres zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om het prioriteit genietend aanbod te bereiken. Het UWV heeft de minister daarom geadviseerd de gevraagde vergunning op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) niet te verlenen.\n\nStandpunt eiseres\n\n5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen. Wat eiseres daartoe heeft aangevoerd, bespreekt de rechtbank hierna.\n\nWettelijk kader\n\n6. Op grond van artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan – voor zover van belang – de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ worden verleend indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 8 van de Wav.\n\n7. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wav weigert de minister een gecombineerde vergunning:\n\na. indien voor de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is;\n\nb. (…);\n\nc. indien de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt te vervullen;\n\nd. (…).\n\n8. Bij wet van 25 november 2013 is de Wav herzien. In de memorie van toelichtingbij die wet is vermeld:\n\n\"Abstractere toets op prioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, onder a)\n\n(…). In deze benadering van de bemiddelingsfunctie van het UWV past niet meer dat het UWV in het kader van een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning bij elke individuele vacature beoordeelt of er een geschikte kandidaat voorhanden is. Het UWV kan voortaan volstaan met het onderzoeken of er voldoende werkzoekenden op de arbeidsmarkt aanwezig zijn, in plaats van beschikbaar, die aan de functie-eisen van de vacature voldoen. Als dit zo is moet UWV de aanvraag afwijzen.\n\n(…).\n\nArtikel 8, eerste lid, aanhef, onderdeel a\n\nHet aanwezig zijn van prioriteitgenietend aanbod moet in het licht van de doelstelling van de Wav worden beschouwd als de centrale dwingende weigeringsgrond voor de afgifte van een tewerkstellingsvergunning. Onder prioriteitgenietend aanbod moet worden verstaan: aanbod van de zijde van Nederlanders, vreemdelingen waarvoor vrij verkeer van werknemers geldt en vreemdelingen die beschikken over een op grond van de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven verblijfsvergunning waaruit blijkt dat daaraan geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Toetsen aan het prioriteitgenietend aanbod betekent niet dat dit aanbod concreet voor de werkgever beschikbaar moet zijn. De werkgever dient zelf actief op dit aanbod te werven. Als bij het UWV bekend is dat er voldoende werkzoekenden binnen de EER zijn die gezien hun opleiding of werkervaring de functie bij de werkgever zouden kunnen uitoefenen, dient het UWV deze weigeringsgrond toe te passen.”\n\n9. Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb 2000 en artikel 8 van de Wav zijn dwingend recht. Dit betekent dat de minister de aanvraag voor een gvva moet weigeren als een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wav van toepassing is. De tekst van deze bepalingen bieden geen ruimte om hiervan af te wijken.\n\nOordeel rechtbank\n\n10. De rechtbank stelt voorop dat het advies van het UWV kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Wanneer de minister – zoals in een geval als dit – een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij zijn besluitvorming van het advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan om de inhoud of de conclusie daarvan in twijfel te trekken.\n\n11. In dat wat door eiseres naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van het UWV of twijfel aan de redenering en de getrokken conclusies in dat advies. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe aan de hand van de beroepsgronden.\n\nPrioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav)\n\n12. Eiseres voert aan dat het UWV ten onrechte in haar advies stelt dat voldoende personeel beschikbaar is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Eiseres vindt dat deze aanname geen stand houdt bij toetsing aan de feitelijke inzetbaarheid. Het overgrote deel van de personen uit de diverse uitkeringsregelingen beschikt niet over de benodigde diploma- en kwalificatievereisten, zoals relevante diploma’s, een geldige verklaring omtrent het gedrag, scholing of beheersing van de Nederlandse taal. Scholingstrajecten vergen tijd en bieden geen oplossing voor acute personeelstekorten. Bovendien kunnen uitkeringsgerechtigden niet worden verplicht om in de zorgsector te werken. Zij hebben een vrije arbeidskeuze. Eiseres wijst verder erop dat er structurele en oplopende personeelstekorten zijn in de zorg. Het UWV heeft daarnaast niet onderbouwd hoe uitkeringsgerechtigden zonder zorgopleiding of taalvaardigheid reëel inzetbaar zijn. Eiseres stelt dat het UWV zich op een theoretische beschikbaarheid baseert, terwijl gekeken moet worden naar de feitelijke en reële mogelijkheden. Het advies van het UWV is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en kan daarom volgens eiseres het bestreden besluit niet dragen.\n\n13. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voor de beoogde functie prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. In het advies van het UWV van 25 november 2025 is vermeld dat op dat moment landelijk 809 – en ten tijde van het verweerschrift van 18 mei 2026 811 – werkzoekenden stonden ingeschreven voor de functie “verzorgende IG”. De minister mocht volstaan met die vaststelling. Uit de in rechtsoverweging 8 opgenomen memorie van toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav volgt al dat het UWV niet (meer) hoeft aan te tonen dat dit aanbod van werkzoekenden concreet voor eiseres geschikt en beschikbaar is.Zoals vaker overwogenis ook sprake van prioriteitgenietend aanbod indien werkzoekenden na een inwerkperiode of na enige scholing aan de functie-eisen kunnen voldoen.\n\nVoldoende inspanningen (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav)\n\n14. Eiseres stelt zich op het standpunt aantoonbare en voldoende wervingsinspanningen te hebben gepleegd door onder meer te werven via Facebook, (V)KP\u002F(V)PK vacaturebanken, Werk.nl, regionale zorgplatforms, opleidings- en samenwerkingspartners, de gemeente, het UWV, Instagram en LinkedIn. Eiseres betoogt dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze inspanningen niet voldoen zijn en welke aanvullende werving redelijkerwijs nog verlangd kan worden van haar. Eiseres wijst daarbij op de structurele krapte in de zorg. Zij vindt dat het UWV een te formalistisch standpunt inneemt door aan haar tegen te werpen dat de vacatureteksten niet volledig zijn bijgevoegd en daaruit vervolgens af te leiden dat haar wervingsinspanningen onvoldoende zijn. Eiseres voert aan dat het gaat om standaard vacatureteksten die binnen de zorgsector algemeen worden gebruikt en waaruit ondubbelzinnig blijkt dat wordt gezocht naar zorgpersoneel. De inhoud van de teksten is niet maatgevend. Volgens eiseres dient doorslaggevend te zijn of en waar is geworven en met welk bereik. Eiseres vindt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door haar overgelegde wervingsbewijzen onvoldoende zijn. Eiseres vindt verder dat het UWV zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van de wervingsinspanningen geen rekening mag worden gehouden met een taalbarrière en de vraag of niet-Nederlandstalig personeel in de zorgsector kan worden ingezet. Dit standpunt miskent volgens eiseres de feitelijke zorginhoudelijke realiteit en haar wettelijke plicht om zorg te verlenen met inzet van deskundig en bekwaam zorgpersoneel. Eiseres wijst op de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg op grond waarvan zij slechts personeel kan inzetten dat beschikt over de juiste competenties, waaronder adequate communicatieve vaardigheden. Met name in de ouderenzorg is daarbij beheersing van de Nederlandse taal essentieel, aldus eiseres.\n\n15. Dit betoog kan eiseres ook niet baten. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende wervingsinspanningen heeft gepleegd om de arbeidsplaats door middel van prioriteitgenietend aanbod te vervullen. Het UWV heeft in zijn advies op goede gronden als uitgangspunt genomen dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om haar vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod en dat daarbij slechts de wervingsinspanning in de periode van drie maanden voorafgaand aan de aanvraag van belang zijn, te weten de periode van 5 december 2024 tot en met 5 maart 2025. Het UWV heeft na een grondig onderzoek van het door eiseres overgelegde bewijs vastgesteld dat eiseres in die periode alleen via EURES en Facebook heeft gezocht naar kandidaten en dat daarbij bovendien de vacaturetekst geheel (Facebook) of gedeeltelijk (EURES) ontbrak. Van overige concrete wervingsinspanningen in de desbetreffende periode heeft eiseres geen stukken overgelegd. Eiseres heeft alleen daarom al niet aannemelijk gemaakt dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om de vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat zij in de periode van 5 december 2024 tot en met 5 maart 2025 ook heeft geworven via LinkedIn en diverse vacaturesites is – zonder verdere onderbouwing – onvoldoende. Ook de stelling van eiseres dat de inhoud van de vacaturetekst niet maatgevend is, kan geen doel treffen. Het UWV stelt zich op goede gronden op het standpunt dat met het ontbreken van die vacaturetekst niet te controleren is of eiseres een normaal uurloon had aangeboden. Het UWV heeft eiseres daarnaast terecht tegengeworpen dat ook vast is komen te staan dat naar aanleiding van de wervingsinspanningen van eiseres zich geïnteresseerden hebben gemeld bij haar, maar dat niet duidelijk is geworden waarom deze kandidaten ongeschikt waren voor het vervullen van de functie van “verzorgende IG”.\n\n16. Uit rechtsoverwegingen 13. en 15. volgt dat minister zich op goede gronden op het standpunt stelt dat de weigeringsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wav van toepassing zijn, zodat hij gehouden is de gevraagde ggva te weigeren.\n\nBelangenafweging, motiveringsbeginsel en evenredigheidsbeginsel\n\n17. Eiseres betoogt dat de afwijzing van haar aanvraag berust op een nationaalrechtelijke beoordelingsbevoegdheid en dat geen sprake is van dwingend voorgeschreven bepalingen uit het Unierecht. Dit betekent volgens eiseres dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onverkort van toepassing zijn. Door vrijwel integraal het UWV-advies te volgen zonder zelfstandige toetsing en zonder expliciete afweging van de door eiseres aangevoerde feiten en belangen heeft de minister het motiverings- en evenredigheidsbeginsel geschonden. Dit klemt volgens eiseres temeer, nu het UWV in het advies van 25 november 2025 expliciet heeft aangegeven dat zij het loon op de juiste manier heeft nabetaald aan de vreemdeling en dat dit punt ook niet langer aan haar wordt tegengeworpen. Door deze erkenning niet zelfstandig mee te wegen en niet expliciet te motiveren waarom dit desondanks niet tot een ander besluit leidt, heeft de minister volgens eiseres niet voldaan aan zijn motiveringsplicht. Verder voert eiseres aan dat de afwijzing van de aanvraag zeer zware gevolgen heeft voor de vreemdeling vanwege het verlies van inkomen, bestaanszekerheid en verblijfsperspectief. Ook heeft het afwijzende besluit onevenredige gevolgen voor eiseres en haar cliënten. De minister had deze belangen volgens eiseres kenbaar moeten meewegen en tot de conclusie moeten komen dat de afwijzing van haar aanvraag niet evenredig is.\n\n18. Dit betoog van eiseres kan geen doel treffen. Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb 2000 en artikel 8, eerste lid, van de Wav zijn dwingend geformuleerd. Zoals ook volgt uit rechtsoverweging 9. laat de tekst van deze wettelijke voorschriften de minister geen ruimte om daarvan af te wijken. De Wav is bovendien een wet in formele zin. De bestuursrechter kan deze wet daarom, zoals ter zitting ook al voorgehouden aan eiseres, niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De essentie van de dwingend geformuleerde bepaling van artikel 8, eerste lid, van de Wav is dat een gvva moet worden geweigerd als één van de in dat artikellid opgenomen weigeringsgronden zich voordoet. De striktheid van deze bepaling kan de wetgever niet zijn ontgaan. Daarbij is bovendien nog van belang dat de wetgever – zoals volgt uit de in rechtsoverweging 8. opgenomen memorie van toelichting – bij de totstandkoming van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod in het licht van de doelstelling van de Wav moet worden beschouwd als de centrale dwingende weigeringsgrond.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n19. Eiseres heeft ten slotte gesteld dat een bij haar vertrokken medewerker wel een gvva heeft gekregen voor het verrichten van vergelijkbaar werk bij een grotere zorginstantie. Ook heeft eiseres gesteld dat een grotere groep buitenlandse zorgprofessionals een vergunning heeft gekregen binnen de Nederlandse zorgsector.\n\n20. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Eiseres heeft met haar niet nader onderbouwde of geconcretiseerde stellingen aannemelijk gemaakt dat sprake is van vergelijkbare gevallen. Het UWV heeft ter zitting bovendien toegelicht dat in de situatie dat een desbetreffende werkgever – anders dan gedaan door eiseres – met diverse bewijsmiddelen aantoont voldoende wervingsinspanningen te hebben gepleegd, het UWV in dat geval tegenbewijs aanneemt voor de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod voor de desbetreffende functie op dat moment.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Schutte, rechter, in aanwezigheid van mr.I. van der Wijngaart, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n TK, 2012-2013, 33 475, nr. 3, blz. 5 en 12.\n\n Zie bijvoorbeeld uitspraken van 27 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2659, en 17 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2726.\n\n Vgl. de uitspraak van 26 april 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:1236.\n\n Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 18 van de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 20 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7575.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18644","2026-07-13T00:28:42.950Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":45,"courtId":87,"decisionDate":88,"fullText":89,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":53,"updatedAt":91},"1118","ECLI:NL:GHARL:2026:4232","ecli-nl-gharl-2026-4232",60,"2026-06-29T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.362.815\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 11786538\n\nbeschikking van 29 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna te noemen: [verzoekster]\n\nadvocaat: mr. J.B.A.M.E. Leushuis\n\nen\n\nStichting Zorgspectrum\n\ndie is gevestigd in Nieuwegein\n\nhierna te noemen: Zorgspectrum\n\nadvocaat: mr. P.W.H.M. Willems\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 22 september 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift\n\nhet verweerschrift\n\nde nadere stukken van [verzoekster] van 28 mei 2026\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 juni 2026 is gehouden.\n\n2. De kern van de zaak en de beslissing van het hof\n\n2.1.. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 november 2025 op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Daarbij heeft zij een transitievergoeding toegekend aan [verzoekster] , maar haar verzoek afgewezen om ook een billijke vergoeding toe te kennen vanwege ernstig verwijtbaar handelen door Zorgspectrum. Met die laatste beslissing is [verzoekster] het niet eens. De bedoeling van haar hoger beroep is dat het hof haar alsnog een billijke vergoeding toekent (en haar nevenverzoeken toewijst).\n\n2.2.. Het hof zal beslissen dat Zorgspectrum niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding daarmee niet toewijsbaar is. Het hof laat de beschikking van de kantonrechter dus in stand. Hierna legt het hof uit hoe het tot die beslissing is gekomen.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe achtergrond van de zaak\n\n3.1.. De kantonrechter heeft de feiten weergegeven in rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.11 van de bestreden beschikking, waarnaar het hof verwijst. Het hof geeft deze feiten hieronder verkort weer en vult deze aan. Het hof begrijpt het eerste bezwaar (beroepsgrond) van [verzoekster] zo dat de kantonrechter de feiten onvolledig heeft vastgesteld. In dat kader overweegt het hof dat de rechter de relevante feiten selecteert met het oog op de te nemen beslissing, dat de rechter daarbij grote vrijheid toekomt en dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle tussen partijen vaststaande feiten te vermelden. In zoverre kan dit bezwaar van [verzoekster] haar dus niet baten.\n\n3.2.. \n [verzoekster] is sinds juni 2021 in dienst bij Zorgspectrum, laatstelijk in de functie van [functienaam] . Zorgspectrum verleent ouderenzorg op verschillende locaties in de regio Nieuwegein . [verzoekster] werkt voor het onderdeel ' [naam1] ’ binnen het team ' [naam2] ’, op de locatie in [plaats1] .\n\n3.3.. Op 22 of 23 januari 2025 heeft [naam3] , de leidinggevende van [verzoekster] , een melding gekregen dat volgens een bewoonster [verzoekster] zich ongepast richting haar heeft gedragen. [naam3] heeft samen met de HR-adviseur op 24 januari 2025 een gesprek daarover gevoerd met [verzoekster] . [naam3] heeft toen verteld dat volgens een bewoonster [verzoekster] tijdens het douchen bij die bewoonster ongepaste (seksuele) handelingen zou hebben verricht. [naam3] heeft aangegeven dat een onderzoek naar de melding zal worden verricht en dat [verzoekster] per direct op non-actief wordt gezet. [naam3] heeft diezelfde dag de non-actiefstelling per brief aan mevrouw [verzoekster] bevestigd en het team van [naam2] (circa 30 medewerkers) per e-mail op de hoogte gesteld. In deze e-mail staat dat een cliënte een signaal van grensoverschrijdend gedrag heeft gegeven waarbij [verzoekster] betrokken zou zijn, dat een onderzoek door een externe partij zal volgen en dat [verzoekster] gedurende dit onderzoek op non-actief is gesteld.\n\n3.4.. \n [verzoekster] heeft zich op 6 februari 2025 ziekgemeld.\n\n3.5.. Op 13 februari 2025 heeft de externe onderzoeker een interview gehouden met de bewoonster van wie de melding afkomstig was en op 17 februari 2025 met [verzoekster] zelf. Zorgspectrum heeft de verslagen van die interviews op 21 februari 2025 ontvangen.\n\n3.6.. Op 24 februari 2025 heeft Zorgspectrum [verzoekster] uitgenodigd voor een gesprek om de uitkomst van het onderzoek te bespreken, welke uitnodiging op 7 maart 2025 is herhaald nadat de bedrijfsarts had geoordeeld dat [verzoekster] aan een gesprek met Zorgspectrum kon deelnemen. Uiteindelijk heeft [verzoekster] op 10 maart 2025 aan Zorgspectrum laten weten dat zij niet het gesprek wenst aan te gaan en sowieso niet zonder dat er vooraf schriftelijk excuses zijn gemaakt. Zorgspectrum heeft [verzoekster] vervolgens per brief van 13 maart 2025 geïnformeerd over de uitkomst van het onderzoek, namelijk dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag door [verzoekster] . Zorgspectrum heeft in de brief verder meegedeeld dat zij het in het belang van alle betrokkenen acht dat [verzoekster] niet terugkeert naar [naam2] . Zorgspectrum heeft [verzoekster] daarom gevraagd om een “top 3” te maken van de locaties waar zij bij voorkeur zou willen werken. Zorgspectrum heeft [verzoekster] daarbij laten weten dat [naam3] open staat voor een gesprek met haar, desgewenst met een mediator. Bij wijze van alternatief heeft Zorgspectrum [verzoekster] in deze brief een minnelijke vertrekregeling voorgesteld, mocht zij niet meer bij Zorgspectrum willen terugkeren.\n\n3.7.. \n [verzoekster] heeft daarna een klacht ingediend tegen [naam3] bij de Raad van Bestuur (RvB) van Zorgspectrum. [verzoekster] heeft Zorgspectrum toen bericht dat zij het resultaat van de klacht wil afwachten voordat zij ingaat op de opties die Zorgspectrum heeft genoemd in de brief van 13 maart 2025.\n\n3.8.. Op 24 maart 2025 heeft [naam4] , directeur [naam1] bij Zorgspectrum, (hierna: [naam4] ) [verzoekster] uitgenodigd voor een gesprek. [verzoekster] heeft [naam4] in haar reactie van 28 maart 2025 onder meer laten weten dat zij eerst schriftelijke excuses wil voor het feit dat haar naam is genoemd in de e-mail van 24 januari 2025 en dat zij een door haar geaccordeerde uitleg aan de collega’s wil. Het gesprek met [naam4] moet volgens [verzoekster] begeleid worden door een onafhankelijke mediator. Partijen hebben vervolgens veelvuldig gecorrespondeerd over welke mediator zou moeten worden aangeschreven. Uiteindelijk heeft Zorgspectrum ingestemd met één van de door [verzoekster] aangedragen mediators, [naam5] (hierna: [naam5] ).\n\n3.9.. Op 14 mei 2025 zou een mediationgesprek plaatsvinden onder leiding van [naam5] . Maar [verzoekster] gaf tijdens de bijeenkomst aan geen geheimhoudingsverklaring te willen ondertekenen, waarmee mediation geen optie meer was. Er heeft vervolgens wel een gesprek plaatsgevonden tussen [naam4] en [verzoekster] waarbij [naam5] als neutrale gespreksbegeleider is opgetreden. [verzoekster] heeft in dit gesprek gezegd dat zij niet meer terug wil naar Zorgspectrum en dat zij geen vertrouwen meer heeft in Zorgspectrum. Afgesproken is dat Zorgspectrum een concepttekst voor een excuus en een rehabilitatiebericht zou maken dat na akkoord van [verzoekster] zou worden gedeeld met de geadresseerden van de e-mail van 24 januari 2025. [naam4] heeft op 27 mei 2025 bedoeld concept aan [verzoekster] gezonden, die op 3 juni 2025 een aantal aanpassingen heeft voorgesteld, waaronder de aanvulling dat [verzoekster] niet meer zal terugkeren bij Zorgspectrum. Zorgspectrum is daarop akkoord gegaan met de door [verzoekster] gevraagde aanpassingen.\n\n3.10.. Op 16 juni 2025 heeft [naam4] vanuit Zorgspectrum de tussen partijen afgestemde rehabilitatiemail verstuurd naar de geadresseerden van de e-mail van 24 januari 2025, met een kopie aan [verzoekster] .\n\nDe beoordeling\n\n3.11.. Het hoger beroep van [verzoekster] richt zich niet tegen de beslissing van de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Haar bezwaren richten zich alleen tegen de afwijzing van de verzochte billijke vergoeding (en haar nevenverzoeken).\n\n3.12.. Een billijke vergoeding kan worden toegekend bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Hiervoor geldt een hoge drempel. Ook is vereist dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gestelde verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.\n\n3.13.. \n [verzoekster] stelt dat de ernstig verwijtbare handelswijze van Zorgspectrum de verstoorde arbeidsrelatie en daarmee de beëindiging van de arbeidsverhouding heeft veroorzaakt. Het hof volgt [verzoekster] daar niet in; het verenigt zich met het in r.o. 4.5. tot en met 4.15. van de bestreden beschikking uitvoerig gemotiveerde oordeel van de kantonrechter daarover en maakt dat tot het zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.\n\n3.14.. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken dat Zorgspectrum, als zorginstelling én als werkgever, geen andere mogelijkheid had dan een onderzoek in te stellen naar de melding die vanuit een van haar bewoners was gedaan. [verzoekster] heeft dat ook erkend. Het probleem zit er wat [verzoekster] betreft onder meer in dat Zorgspectrum haar vanaf het gesprek van 24 januari 2025 voor haar gevoel schuldig heeft bevonden en als zodanig heeft behandeld. In dat verband stelt [verzoekster] dat Zorgspectrum van meet af aan vooringenomen is geweest en zich niet neutraal heeft opgesteld. Maar in de stukken zoals die aan het hof voor zijn gelegd, zijn daar onvoldoende aanknopingspunten voor te vinden. Niet in de brief van 24 januari 2025 aan [verzoekster] zelf, niet in de e-mail die op 24 januari 2025 aan haar collega’s is gestuurd en ook niet in de overige correspondentie die heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat Zorgspectrum zelf op basis van het onderzoek heeft geconcludeerd dat niet kon worden vastgesteld dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag en de vrijstelling van werkzaamheden met onmiddellijke ingang heeft beëindigd. Het hof ziet in dat het uiterst verdrietig en – in populair taalgebruik – heel zuur voor een werknemer is als zij, ondanks dat zij niet schuldig is bevonden, niet kan terugkeren op haar reguliere werkplek maar door haar werkgever op een andere locatie meent tewerkgesteld te moeten worden. Maar Zorgspectrum heeft in haar brief van 13 maart 2025 uitdrukkelijk vermeld dat dit geen strafmaatregel is, maar een aanpak die vanuit zorg is ingegeven. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft Zorgspectrum dit nog nader toegelicht. Van belang daarbij is dat Zorgspectrum niet alleen een verplichting heeft richting [verzoekster] om zich als goed werkgever te gedragen, maar als zorginstelling ook een verplichting heeft richting haar bewoners. Daarbij is aangegeven dat de gesteldheid van de bewoonster in kwestie het volgens Zorgspectrum niet toeliet dat [verzoekster] weer op die locatie zou werken. Op de vraag van het hof of het mogelijk zou zijn om [verzoekster] dan op een andere verdieping op dezelfde locatie tewerk te stellen, heeft Zorgspectrum verduidelijkt dat dat rooster technisch niet haalbaar is. In de zorg is op dit moment bemensing een grote uitdaging en is het praktisch ondoenlijk om [verzoekster] alleen bepaalde bewoners te laten verzorgen. Daarbij komt dat niet uitgesloten kan worden dat [verzoekster] en de betreffende bewoonster elkaar alsnog tegenkomen in de gemeenschappelijke ruimten, aldus Zorgspectrum. Het hof ziet onvoldoende reden om deze uitleg voor onjuist te houden. Gelet op een en ander valt de insteek van Zorgspectrum om [verzoekster] op een andere locatie te willen plaatsen inderdaad niet aan te merken als een strafmaatregel.\n\n3.15.. \n [verzoekster] verwijt Zorgspectrum ook dat zij het proces niet zorgvuldig heeft vormgegeven. Zoals ook de kantonrechter heeft opgemerkt, zijn er ten aanzien van de periode tussen de melding en het bekend worden met de inhoud van de interviews een aantal punten waar Zorgspectrum anders had kunnen en moeten handelen (namelijk de verwoording van de mail van 24 jan 2025, de beperkte communicatie met [verzoekster] tijdens het onderzoek over dat onderzoek en de lange tijd tussen die mail van 24 jan 25 en de rehabilitatiemail). Maar dat Zorgspectrum het op bepaalde punten beter had kunnen doen, betekent niet dat er sprake is van ernstige verwijtbaarheid. Daarbij is naar het oordeel van het hof verder van belang dat, ook als het proces niet zo zorgvuldig is doorlopen als had gemoeten, de conclusie die Zorgspectrum op basis van dat onderzoek heeft getrokken in het voordeel van [verzoekster] was, namelijk dat niet kon worden vastgesteld dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag door [verzoekster] . Dat heeft Zorgspectrum ook aan [verzoekster] laten weten en zij heeft meermaals geprobeerd om met [verzoekster] in gesprek te komen. Uit de onder meer in r.o. 3.6. tot en met 3.9. geschetste gang van zaken blijkt dat Zorgspectrum daarbij geenszins direct heeft afgekoerst op een beëindiging van het dienstverband, maar het nodige heeft gedaan om een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsovereenkomst te voorkomen. Gelet op de brief van 13 maart 2025 en daarop volgende correspondentie, moet het [verzoekster] ook duidelijk zijn geweest dat de insteek van Zorgspectrum niet was om tot een beëindiging van het dienstverband te komen, maar tot een voor beide partijen, in de gegeven omstandigheden, werkbare oplossing. [verzoekster] is op de uitnodigingen van Zorgspectrum om daarover in gesprek te komen echter niet ingegaan en heeft de deur voor een dergelijk gesprek, met uitzondering van het gesprek onder begeleiding van [naam5] , dichtgehouden. Dit leidt het hof tot de conclusie dat [verzoekster] zelf een belangrijk aandeel heeft gehad in de gaandeweg ontstane verstoring van de arbeidsrelatie en het vanwege haar onwrikbare houding na de uitkomst van het onderzoek op enig moment onoverkomelijke einde van het dienstverband. Voor de volledigheid merkt het hof op dat het daarmee niet wil afdoen aan de impact die de melding begrijpelijkerwijs heeft gehad op [verzoekster] . Maar zoals de kantonrechter heeft overwogen en ook het hof [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgehouden, lijkt die impact met name te zijn veroorzaakt door het feit dát er een melding is gedaan. [verzoekster] lijkt Zorgspectrum verantwoordelijk te houden voor het niet direct afdoen van die melding als onterecht, terwijl dat zoals hiervoor omschreven niet van Zorgspectrum verwacht kon worden.\n\n3.16.. Gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader, betekent dit dat het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding niet toewijsbaar is. Dat betekent dat ook de nevenverzoeken van [verzoekster] (te weten vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskostenveroordeling van Zorgspectrum voor de kosten van de procedure bij de kantonrechter) zullen worden afgewezen.\n\nBewijsaanbod\n\n3.17.. \n [verzoekster] heeft een bewijsaanbod gedaan. Het hof gaat daaraan voorbij omdat geen voldoende concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als zij zouden worden bewezen.\n\nDe conclusie\n\n3.18.. Het hoger beroep faalt en zal worden verworpen. Omdat [verzoekster] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van Zorgspectrum bij het hof. Daaronder vallen de nakosten die nodig zijn voor betekening van de uitspraak.\n\n3.19.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1.. verwerpt het hoger beroep van [verzoekster] tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 22 september 2025;\n\n4.2.. \n\nveroordeelt [verzoekster] tot betaling van de volgende proceskosten in hoger beroep van Zorgspectrum, tot aan deze uitspraak begroot op:\n\n€ 851,- aan griffierecht\n\n€ 2.580,- aan salaris advocaat (2 procespunten x € 1.290,- (tarief II))\n\n4.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. D.W.J.M. Kemperink, W.F. Boele en H.M.J. van den Hurk, en is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.\n\nECLI:NL:RBMNE:2025:4965 (https:\u002F\u002Fpi.rechtspraak.minjus.nl\u002F).\n\n HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4232","2026-07-13T00:29:05.054Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":45,"courtId":96,"decisionDate":88,"fullText":97,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":53,"updatedAt":100},"1308","ECLI:NL:RBROT:2026:7443","ecli-nl-rbrot-2026-7443",61,"RECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nzaaknummer: 711202 HA RK 25-1185\n\ndatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nBeschikking van de rechter\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwoonplaats: [woonplaats],\n\nverzoekster,\n\nadvocaat: mr. H.B. Dekker,\n\ntegen\n\nStichting Nederlands Fotomuseum,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\nverweerster,\n\nadvocaat: mr. M. Hurks.\n\nVerzoekster\u002Fwerkneemster wordt hierna ‘de bestuurder’ genoemd. Verweerster\u002Fwerkgever wordt hierna ‘de RvT’ of ‘werkgever’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van de bestuurder, met bijlagen;\n\nhet verweerschrift van de RvT met bijlagen;\n\nde aanvullende bijlagen van de bestuurder;\n\nde spreekaantekeningen van de advocaten;\n\nde schriftelijke verklaring die de bestuurder tijdens de zitting heeft voorgedragen.\n\n1.2.. Op 18 mei 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. De bestuurder was aanwezig met haar advocaat. Namens de RvT waren de voorzitter en drie leden aanwezig, met de advocaat.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. De bestuurder werkte bij werkgever als directeur-bestuurder. De RvT heeft de bestuurder op 18 juli 2025 ontslagen, met een opzegtermijn van twee maanden. De arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 oktober 2025. De bestuurder is het niet eens met het ontslag. Zij vraagt een verklaring voor recht dat er geen redelijke grond was om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, dan wel dat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de RvT. De bestuurder vraagt primair een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto inclusief onderzoekskosten en juridische kosten. Als dit bedrag niet wordt toegewezen vraagt de bestuurder een billijke vergoeding van € 300.000,- bruto plus onderzoekskosten en juridische kosten. Ook vraagt de bestuurder om werkgever te veroordelen een rectificatie op de website te plaatsen en deze te sturen aan de hoofdredacteuren van de Volkskrant, NRC, het AD, de NOS en het ANP. De RvT vindt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.\n\nDe uitkomst\n\n2.2.. De bestuurder krijgt gelijk. De rechter oordeelt dat er geen redelijke grond was voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst en dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Werkgever moet aan de bestuurder de gevraagde billijke vergoeding betalen van € 400.000,- bruto. Ook moet werkgever een rectificatie plaatsen. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\nWat is er gebeurd?\n\n2.3.. De bestuurder werkte sinds 15 november 2018 bij werkgever als directeur-bestuurder.\n\n2.4.. In april\u002Fmei 2024 vernam de bestuurder dat de Volkskrant bezig was met een onderzoek naar de werksfeer bij werkgever. In overleg met de RvT is een statement en Q&A-lijst voor medewerkers opgesteld. In september 2024 kreeg de RvT signalen dat de Volkskrant bezig was met een artikel. Op initiatief van de RvT is vervolgens een Cultuuronderzoek uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau (Kroll).\n\n2.5.. In mei 2025 ontving de bestuurder een concept artikel van de Volkskrant, waarin zij werd beschuldigd van narcisme, toxisch management en schrikbewind. De bestuurder heeft dit concept doorgestuurd aan de RvT, personeelsvertegenwoordiging (‘PVT’) en het managementteam (‘MT’). De bestuurder heeft aan de Volkskrant een reactie gestuurd op het concept. De RvT stuurde ook een reactie aan de Volkskrant en een met de PVT en het MT afgestemd statement. Daarin werd steun aan de bestuurder uitgesproken.\n\n2.6.. Op 19 juni 2025 heeft de RvT de bestuurder per direct geschorst. Als reden gaf de RvT dat hij de vorige dag informatie uit de organisatie had ontvangen over het functioneren van de bestuurder. De RvT wilde niet zeggen welke informatie dat was. De RvT kondigde aan dat hij een intern onderzoek zou starten. Vanaf dat moment had de bestuurder geen toegang meer tot haar mailbox. De RvT heeft de schorsing per e-mail bevestigd en de bestuurder uitgenodigd voor de RvT-vergadering van 18 juli 2025, waarin haar voorgenomen ontslag als bestuurder op de agenda stond. De RvT heeft na de schorsing van de bestuurder bij de Volkskrant het statement met de steun aan de bestuurder ingetrokken.\n\n2.7.. De bestuurder heeft diezelfde dag per mail tegen de schorsing geprotesteerd. De volgende dag heeft zij gevraagd om een nadere toelichting en om toegang tot haar e-mail.\n\n2.8.. \n\nOp 23 juni 2025 heeft de RvT de bestuurder laten weten dat de RvT serieuze signalen had gekregen dat hij verschillende malen informatie had ontvangen, die mogelijk door\n\nde bestuurder zou zijn beïnvloed. Daardoor zou de RvT zijn controlerende taak niet volledig of naar behoren hebben kunnen uitvoeren.\n\n2.9.. Op 24 juni 2025 heeft de advocaat van de bestuurder nogmaals gevraagd om een toelichting op het schorsingsbesluit. Op 26 juni 2025 heeft de advocaat van de RvT de bestuurder en haar advocaat uitgenodigd voor een hoorgesprek op 3 juli 2025.\n\n2.10.. Op 26 juni 2025 heeft de Volkskrant gepubliceerd over de schorsing van de bestuurder. Op 1 juli 2025 verscheen in de Volkskrant een uitgebreid artikel over de bestuurder.\n\n2.11.. Op 3 juli 2025 vond het hoorgesprek plaats. Op 8 juli 2025 heeft de bestuurder schriftelijk een aanvullende reactie gegeven op onderwerpen die tijdens het hoorgesprek aan de orde kwamen. Op 9 juli 2025 heeft de bestuurder gereageerd op de notulen van het hoorgesprek die zij twee dagen daarvoor ontving. Ook heeft de bestuurder op 9 juli 2025 gereageerd op aanvullende vragen van de RvB. Diezelfde dag heeft de RvB weer aanvullende vragen gesteld. Deze heeft de bestuurder op 10 juli 2025 beantwoord.\n\n2.12.. Op 11 juli 2025 heeft de RvT de bestuurder laten weten dat het voorgenomen ontslag in stand bleef. De bestuurder ontving de conclusies van het onderzoek, een brief met daarin de redenen voor het voorgenomen ontslag en een agenda voor de vergadering op 18 juli 2025.\n\n2.13.. Op 14 juli 2025 heeft de bestuurder gereageerd op het onderzoek van de RvT. Zij heeft gevraagd om de Whatsapp berichten en de managementrapportages van 2024 en 2025 waarnaar de RvT verwees. Zij vroeg ook opnieuw om toegang tot haar mailbox. De RvT heeft alleen de managementrapportages verstrekt en geweigerd om de andere gevraagde informatie aan de bestuurder te verstrekken. De bestuurder kreeg ook geen toegang tot haar mailbox.\n\n2.14.. Op 16 juli 2025 heeft de bestuurder aanvullende stukken gestuurd aan de RvB. Op 17 juli 2025 ontving de bestuurder een aangepast onderzoeksrapport. Daarop heeft de bestuurder diezelfde dag nog gereageerd.\n\n2.15.. Op 18 juli 2025 is de bestuurder tijdens de RvT vergadering ontslagen als bestuurder. De arbeidsovereenkomst tussen de RvT en de bestuurder is per 1 oktober 2025 geëindigd.\n\n2.16.. Op 19 juli 2025 om 06.00 uur heeft de RvT op haar website een statement over het ontslag van de bestuurder geplaatst. Op dat moment is een pushbericht verstuurd aan meer dan 130 personen in binnen- en buitenland, die zich op persnieuwsberichten van werkgever hebben geabonneerd.\n\n2.17.. Na het ontslag van de bestuurder, in september 2025, heeft de RvT door extern onderzoeksbureau Unravelling een onderzoek laten uitvoeren naar de cultuur binnen de organisatie.\n\nWat vindt de rechter?\n\nHet ontslag was onterecht\n\n2.18.. Werkgever had geen redelijke grond om de arbeidsovereenkomst met de bestuurder op te zeggen. Op de zitting heeft de RvT gesteld dat sprake zou zijn van de h-grond en anders de g-grond. Voor de h-grond is nodig dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van de RvT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de g-grond moet sprake zijn van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, waardoor van de RvT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.\n\n2.19.. De verwijten die de RvT in dit verband aan de bestuurder maakt zijn naar het oordeel van de rechter onterecht. Het is niet gebleken dat sprake was van sociale onveiligheid of een angstcultuur, veroorzaakt door de leiderschapsstijl van de bestuurder. Evenmin heeft de bestuurder de RvT niet voldoende of onjuist geïnformeerd over sociale onveiligheid en personeelsverloop, waardoor de RvT zijn toezichthoudende taak onvoldoende heeft kunnen uitoefenen. Verder staat niet vast dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde relatie. Voor zover er kritiek was op het leiderschap van de bestuurder, de wijze waarop de RvT geïnformeerd werd of sprake was van een verstoring in de werkrelatie, dan was dat in de gegeven omstandigheden nog geen reden voor ontslag. De RvT, die de bestuurder hier al die jaren niet op heeft aangesproken of vragen over heeft gesteld, kan dan niet ineens grijpen naar zo’n zware sanctie. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd.\n\nGeen sociale onveiligheid en angstcultuur\n\n2.20.. Het staat niet vast dat sprake was van sociale onveiligheid en cultuurproblemen (angstcultuur) door het leiderschap van de bestuurder.\n\n2.21.. Het is wel zo dat er bij sommige medewerkers en oud-medewerkers de nodige weerstand was tegen de bestuurder. De bestuurder heeft uitgelegd dat dit te maken had met de opdracht die zij in 2018 bij haar aantreden van de RvT de opdracht kreeg. Dat was de opdracht om de organisatie weer op de rails te krijgen. De organisatiestond er zowel financieel als organisatorisch zeer slecht voor. De bestuurder heeft verschillende maatregelen getroffen en veranderingen doorgevoerd in de organisatie, waarbij zij merkte dat niet iedereen openstond voor die veranderingen en zij zelfs werd tegengewerkt. Dat wordt bevestigd door het onderzoek van Berenschot in 2020. Berenschot concludeerde dat een aantal medewerkers moeite had met de voortvarende aanpak van de bestuurder, terwijl een deel juist waardering had voor de frisse wind van de bestuurder en erkende dat verandering nodig was. Volgens Berenschot was er in het verleden sprake geweest van vrijblijvendheid en hobbyisme. In het rapport schrijft Berenschot: “dat er een schisma is tussen de oude garde en de nieuwelingen”, “Er is weerstand maar niet precies duidelijk is waartegen”, “Er zijn koninkrijkjes in het museum”, “Het benoemen financiële crisis, vormen crisisteam en bevriezen MT en het ontslag van twee “aanwezige” medewerkers is bij aantal medewerkers verkeerd gevallen. Dit wordt door aantal medewerkers aangegrepen om dwars te liggen (in gedrag en houding). Weerstand is nadrukkelijk zichtbaar bij maatregelen\u002Finterventies directeur.”\n\n2.22.. Volgens de bestuurder kende de RvT dit rapport. In 2021 had de bestuurder haar eerste en enige functioneringsgesprek met de RvT (met de toenmalige voorzitter en een van de leden). De bestuurder heeft onweersproken gesteld dat in dit gesprek veel waardering is uitgesproken voor het functioneren van de bestuurder, en ook voor het feit dat de bestuurder nadat ze zag wat ze aantrof binnen de organisatie, de baan niet had teruggegeven. Ook vroegen zij de bestuurder tijdens dat gesprek hoe zij het gif uit de organisatie ging halen. De bestuurder antwoordde daarop ‘Door mensen aan te spreken op hun gedrag. Maar dat zal niet makkelijk zijn.' De RvT heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De bestuurder heeft ook allerlei organisatorische veranderingen doorgevoerd, zoals het instellen van een externe vertrouwenspersoon, een gedragscode, een klokkenluidersregeling, het aanstellen van een HR-medewerker en het invoeren van drie functioneringsgesprekken per jaar en het organiseren van teamuitjes. Daarmee is door de bestuurder een forse verbeterslag gemaakt op het gebied van professionalisering van de organisatie.\n\n2.23.Volgens de bestuurder was de RvT op de hoogte van alle veranderingen die zij heeft doorgevoerd en was de RvT in zijn jaarlijkse verslagen altijd zeer lovend over de verrichtingen van de bestuurder en haar team. Het is niet vast komen te staan dat na 2021 met de bestuurder is gesproken over haar functioneren. De RvT stelt dat zij periodiek feedbackgesprekken had met de bestuurder, maar die betwist dat. Dat waren volgens de bestuurder koffiemomenten die plaatsvonden in het kader van de re-integratie van de bestuurder na een ernstige ziekte. Zij kreeg daarin geen feedback op haar functioneren. De RvT heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat dat anders is. Er zijn wel stukken en e-mails van de periode na 2021, maar daarin staat niets over (enige feedback op) het functioneren van de bestuurder.\n\n2.24.. Dat er andere zorgelijke signalen waren over het leiderschap van de bestuurder, of dat zelfs sprake was van een angstcultuur binnen de organisatie, zoals de RvT stelt, is evenmin gebleken. De bestuurder stelt onweersproken dat er de afgelopen jaren zes externe onderzoeken zijn uitgevoerd binnen de organisatie en dat daar niets uit is gekomen wat wijst op sociale onveiligheid of problemen in de cultuur. In 2018 en 2022 zijn onderzoeken uitgevoerd door Berenschot, in 2022 en in 2024 vonden medewerkersonderzoeken plaats. In januari 2024 verscheen een rapport van de Visitatiecommissie van OCW. De commissie concludeerde dat er een open relatie was tussen de RvT en de bestuurder, de RvT en de medewerkers en tussen de bestuurder en de medewerkers. Ook werd volgens de commissie adequaat gereageerd op incidenten die raken aan een veilige werkomgeving binnen het museum. De commissie was zeer onder de indruk van de betrokkenheid en bevlogenheid van zowel de medewerkers als de bestuurders. Wel werd de werkdruk door sommige medewerkers als hoog ervaren door de aankomende verhuizing. In 2024 heeft de externe vertrouwenspersoon een rapport uitgebracht. Daarin stond dat in 2023 een minimaal beroep op de vertrouwenspersoon was gedaan en dat medewerkers goed de weg wisten te vinden als er sprake is van (mogelijk) grensoverschrijdend gedrag. In 2024 vond het Cultuuronderzoek door Kroll plaats. Uit het rapport blijkt dat erkend werd dat het museum een noodzakelijke ontwikkeling had doorgemaakt van een familiale cultuur naar een meer hiërarchische cultuur en dat dit nodig was geweest. De ondervraagden hadden er begrip voor dat de verandering ook had geleid tot het vertrek van medewerkers. Volgens de bestuurder zijn uit al deze onderzoeken geen signalen naar voren gekomen die de beschuldigingen van de RvT ondersteunen. De RvT heeft dit alles niet weersproken. De RvT trekt nu de betrouwbaarheid van die onderzoeken in twijfel, omdat zij meent dat de bestuurder die uitkomsten zou hebben beïnvloed. Die beschuldiging is onterecht, zoals hierna zal worden uitgelegd. Op de zitting heeft de RvT nog gezegd dat het rapport van de externe vertrouwenspersoon niet zoveel zegt, omdat medewerkers niet naar de externe vertrouwenspersoon durfden, maar de RvT onderbouwt dat niet. Er is geen reden om aan te nemen dat wat de RvT zegt klopt. Volgens het rapport van de vertrouwenspersoon wisten medewerkers de weg naar de vertrouwenspersoon juist goed te vinden.\n\n2.25.. De bestuurder heeft er ook op gewezen dat in de periode in 2022, toen zij langdurig afwezig was vanwege een ernstige ziekte en vervangen werd door een interim-directeur, van zijn kant ook geen signalen zijn gekomen dat sprake was van een onveilige cultuur. De bestuurder heeft er in dit verband ook onweersproken op gewezen dat deze interim-directeur volgens de RvT ‘warm en benaderbaar’ was. Als er serieuze problemen waren binnen de organisatie, dan ligt het voor de hand dat dit ook onder de aandacht van de interim directeur zouden zijn gebracht.\n\n2.26.. Uit signalen van de PVT blijkt evenmin dat sprake was van sociale onveiligheid of een angstcultuur. De RvT legt een brief over van de PVT uit 2020 aan de RvT, waaruit volgens de RvT blijkt dat de PVT ernstige zorgen heeft over de bestuurder. De PVT heeft deze brief echter nooit verstuurd. Op de zitting heeft de RvT uitgelegd dat dat was omdat het de bedoeling van de PVT was om deze brief te sturen namens het hele personeel, maar niet iedereen stond hier achter. De RvT stelt in het verweerschrift dat zij in 2021 van de PVT “zorgelijke signalen kreeg over de organisatie en met name de onrust en werkdruk voor het personeel” maar dit is verder niet onderbouwd. Uit niets blijkt dat de RvT hierop enige actie heeft ondernomen of dit met de bestuurder heeft besproken. De RvT legt verder nog een brief over van de PVT aan de bestuurder van 22 februari 2024. De bestuurder heeft uitgelegd dat zij hier uitgebreid op heeft gereageerd en dat zij naar aanleiding van deze brief ook verschillende maatregelen heeft getroffen, die zij ook benoemt. De bestuurder zegt dat zij niet heeft gehoord dat de PVT de acties niet voldoende vond. Zij heeft daarna geen signalen meer gekregen van de PVT. Ook niet van de RvT, aan wie zij de brief van de PVT en haar uitgebreide reactie daarop had doorgestuurd. De RvT heeft dit alles niet weersproken.\n\n2.27.. De RvT onderbouwt de gestelde sociale onveiligheid en angstcultuur verder met zijn eigen onderzoek en een onderzoek door Unravelling. Uit het eigen onderzoek zijn volgens de RvT signalen gekomen dat er al lange tijd iets mis lijkt met de cultuur. Volgens de RvT worden die uitkomsten bevestigd door het in september 2025 uitgevoerde cultuuronderzoek door extern onderzoeksbureau Unravelling. De rechter is het met de bestuurder eens dat beide onderzoeken onvoldoende objectief zijn en onvoldoende met feiten onderbouwd zijn. Daarom leveren zij geen deugdelijke onderbouwing op voor de gestelde ontslagredenen en de verwijten die de RvT aan de bestuurder maakt.\n\n2.28.. Het eigen intern onderzoek van de RvT is naar het oordeel van de rechter onvoldoende betrouwbaar. De rechter is het eens met de conclusies uit het rapport van Verinorm, dat door de bestuurder is ingeschakeld en neemt deze over. Verinorm komt tot de conclusie dat het onderzoek onvoldoende onpartijdig, onafhankelijk, zorgvuldig en objectief is uitgevoerd. De RvT heeft in het kader van het eigen onderzoek met een beperkt aantal personen gesproken. De bestuurder werd vervolgens uitgenodigd voor een hoorgesprek, zonder dat zij wist waar dat over zou gaan. Ondanks herhaald verzoek kreeg zij geen toegang tot haar e-mail. De bestuurder is daardoor onvoorbereid het drie uur durende hoorgesprek in gegaan, waarin zij allerlei verwijten te horen kreeg. Verder was de RvT zelf ook partij bij een van de verwijten aan de bestuurder, namelijk het verwijt dat de bestuurder hem onvoldoende zou hebben geïnformeerd. De beschuldiging over beïnvloeding van het Cultuuronderzoek en medewerkersonderzoek is – naar de rechter begrijpt – gebaseerd op enkele verklaringen van anonieme medewerkers. De verklaringen van deze medewerkers ontbreken en ook de stukken waarop de RvT zich kennelijk baseert, zitten niet bij hun onderzoeksrapport. De bestuurder heeft ook niet de beschikking gekregen over deze stukken en\u002Fof verklaringen, zodat zij zich daartegen niet naar behoren heeft kunnen verweren. Het rapport lijkt vooral een bevestiging van vooraf ingenomen conclusies. De vragen die aan de bestuurder zijn gesteld waren sturend en de RvT baseert zich grotendeels op subjectieve verklaringen en ervaringen van enkele anonieme medewerkers. Uit het rapport blijkt niet dat deze verklaringen zijn getoetst aan andere (objectieve) data. Aan de verklaringen van de bestuurder en de stukken die zij heeft aangeleverd heeft de RvT ten onrechte weinig waarde gehecht, terwijl de bestuurder daarmee het overgrote deel van de gemaakte verwijten deugdelijk heeft weerlegd. Dit was overigens mede te danken aan het feit dat de bestuurder kortdurend – zonder dat de RvT dit overigens mogelijk had gemaakt – toegang bleek te hebben tot haar mailbox, waardoor zij meerdere belangrijke stukken boven water heeft kunnen halen.\n\n2.29.. De rechter is met de bestuurder van oordeel dat ook het onderzoek van Unravelling onvoldoende betrouwbaar is en geen deugdelijke onderbouwing oplevert voor de gestelde sociale onveiligheid door het leiderschap van de bestuurder. Dit onderzoek is achteraf, na het ontslag van de bestuurder, in opdracht van de RvT uitgevoerd. De bestuurder is niet op de hoogte gesteld van dit onderzoek. Hoewel het onderzoek werd gepresenteerd als een ‘cultuuronderzoek’, ging het gelet op de vraagstelling grotendeels over het leiderschap door de bestuurder. De bestuurder kwam hier pas achter nadat de onderzoekers aan haar ook een vragenformulier hadden toegezonden als ‘oud-medewerker’. De uitkomsten van het onderzoek zijn beïnvloed door de suggestieve presentatie en vraagstelling, zoals Verinorm ook constateert. Zo staat bijvoorbeeld in de uitnodiging die is verzonden aan de medewerkers en oud-medewerkers dat de RvT had besloten tot dit onderzoek omdat meerdere (oud)medewerkers naar aanleiding van het vertrek van de bestuurder hun ervaringen wilden delen “met het oog op verwerking en herstel”. Verder blijkt uit het rapport dat alle medewerkers en oud-medewerkers anoniem zijn ondervraagd naar hun negatieve ervaringen met de bestuurder. De uitkomsten zijn onvoldoende representatief omdat het gaat om een kleine groep deelnemers. In het rapport staat “Het aantal respondenten is te klein om statistisch significante uitspraken te doen”. Bovendien staan in het rapport alleen meningen en ervaringen van de anonieme deelnemers aan het onderzoek. Niet is onderzocht of beoordeeld of de ervaringen feitelijk juist zijn. Opvallend is ook dat alle oud-medewerkers uit de bestuursperiode van de bestuurder zouden zijn uitgenodigd om deel te nemen, maar enkele door de bestuurder genoemde personen die positief verklaren over haar functioneren zijn niet uitgenodigd voor het onderzoek. Gelet op dit alles kunnen er naar het oordeel van de rechter geen algemene conclusies over de cultuur en de leiderschapsstijl van de bestuurder worden getrokken op basis van dit onderzoeksrapport, laat staan de conclusie dat sprake was van een angstcultuur.\n\n2.30.. Hiermee wil de rechter overigens niet afdoen aan de beleving van sommige (oud) medewerkers over hun ervaringen met de bestuurder, zoals die blijken uit het onderzoeksrapport. Er was sprake van directief leiderschap, dat mede gelet op de opdracht die de bestuurder van de RvT had meegekregen – het gif uit de organisatie halen – niet bij alle medewerkers steeds in goede aarde is gevallen. Er zijn ingrijpende maatregelen getroffen, zoals het gedwongen vertrek van twee medewerkers met een lange staat van dienst. Ook was de werkdruk binnen de organisatie hoog vanwege de verhuizing naar een nieuwe locatie en alle voorbereidingen die hiermee samenhingen. Maar als er pas achteraf, nadat de bestuurder al is ontslagen, met een onderzoek op de manier zoals dat hier is ingestoken, signalen over onvrede bij medewerkers en oud-medewerkers worden opgehaald, dan moeten de bevindingen wel kritisch worden beschouwd en in het juiste perspectief worden geplaatst. Daarbij had de RvT rekening moeten houden met wat hij al die tijd al wist, namelijk dat er een tweedeling was tussen de oude en de nieuwe garde, waarbij sommige medewerkers nu eenmaal moeite hadden met de voortvarende aanpak van de bestuurder. Dit heeft de RvT onvoldoende gedaan.\n\nDe bestuurder heeft de RvT niet onvoldoende of onjuist ingelicht\n\n- Uitstroomcijfers en vertrekredenen\n\n2.31.. In het verweerschrift maakt de RvT aan de bestuurder een nieuw verwijt, te weten dat de bestuurder de RvT onvolledig of onjuist heeft geïnformeerd over de jarenlange zorgelijk hoge uitstroomcijfers. De bestuurder voert terecht aan dat de uitstroomcijfers over de eerdere jaren niet aan haar ontslag ten grondslag zijn gelegd. Het ontslag had te maken met de uitstroom over 2024. Bovendien waren de uitstroomcijfers in de bestuursperiode van de bestuurder niet hoger dan in de jaren voordat de bestuurder aantrad. Verder heeft de bestuurder gemotiveerd weersproken dat de RvT al die jaren niet op de hoogte was van de uitstroomcijfers of dat de bestuurder hierover onjuiste informatie heeft verstrekt. De uitstroomcijfers staan volgens de bestuurder in alle jaarverslagen en waren de RvT dus bekend. Volgens de bestuurder heeft de RvT nooit vragen gesteld over de uitstroomcijfers of zijn zorgen hierover uitgesproken. De RvT heeft dit allemaal onvoldoende weersproken.\n\n2.32.. Het verwijt dat de bestuurder de RvT onvoldoende of onjuist heeft geïnformeerd over de vertrekredenen en feedback van de in 2024 vertrokken medewerkers, is eveneens onterecht. De RvT stelt dat de bestuurder in het jaarverslag 2024 onjuiste informatie heeft verstrekt, omdat daarin staat dat uit de exitgesprekken met de vertrekkende medewerkers geen algemene reden voor hun vertrek naar voren is gekomen. Volgens de RvT blijkt uit de e-mail van HR die de bestuurder op 30 september 2024 ontving wel degelijk een rode draad in de feedback uit de exitgesprekken. De RvT stelt dat hij de informatie die de bestuurder heeft achtergehouden nodig had om zijn toezichthoudende taak te kunnen uitoefenen, zeker gezien de Cultuurscan die zou starten.\n\n2.33.. \n\nDe bestuurder heeft de mail van HR van 30 september 2024 niet gedeeld met de RvT. Dit kan de bestuurder niet worden verweten. De rechter vindt leest in die e-mail geen informatie, die maakte dat deze e-mail door de bestuurder met de RvT moest worden gedeeld. In die mail staat het volgende over het vertrek van zes medewerkers in 2024:\n\n\"Feedback die in exitgesprekken meerdere malen naar voren kwam:\n\n. onduidelijkheid over mandaten\n\n. micromanagement wordt meermaals genoemd\n\n. ervaren gebrek aan (gewenste) transparantie, met name over medewerkers die eerder uit dienst gingen, sociale (on)veiligheid wordt hierdoor sterker beleefd\n\n. weinig worden betrokken bij processen, (dit speelt ook onder medewerkers in dienst)\n\n. te veel ad hoc werk wat ervaren werkdruk vergroot”\n\n2.34.. De bestuurder heeft in haar aanvullende reactie op het hoorgesprek aan de RvT al uitgelegd, dat volgens haar uit het overzicht van HR geen patroon in de vertrekredenen kan worden afgeleid. De rechter is het hiermee eens. Uit de e-mail blijkt dat sprake was van verschillende, deels persoonlijke vertrekredenen. De bestuurder verwijst naar een e-mail van HR van 22 augustus 2024, dat haar standpunt bevestigt. Er staat: “In de jaarplannen staat aangegeven dat uit de exitgesprekken met de uitdiensttredende medewerkers geen algemene reden voor vertrek is gekomen. Het deels natuurlijke verloop is conform de beweging die op de arbeidsmarkt in de cultuursector te zien was. Dit klopt in mijn ogen grotendeels wel, ook als we kijken naar andere organisaties in de sector”.Volgens de bestuurder heeft HR deze e-mail opgesteld voor het overleg met de PVT van 29 augustus 2024, waarbij ook een RvT lid aanwezig was. Volgens de bestuurder heeft dit RvT-lid tijdens dat overleg ook gezegd dat de uitstroom volgens zijn ervaring niet ongebruikelijk was. De RvT heeft dit niet weersproken. Volgens de bestuurder was de RvT bovendien al op de hoogte van het vertrek en de vertrekreden van drie van de zes medewerkers (de directiesecretaresse, de controller en de zakelijk leider) waar de mail van HR over ging. Van de andere drie medewerkers heeft de bestuurder de redenen toegelicht: twee hadden een andere uitdaging gevonden en één medewerker gaf aan dat zijn baan te veel stress opleverde. Ook dit heeft de RvT onvoldoende weersproken.\n\n2.35.. De bestuurder voert verder onweersproken aan dat zij naar aanleiding van de feedback uit de exitgesprekken ook de nodige acties heeft ondernomen. De onderwerpen 'onduidelijkheid mandaten, micromanagement, weinig betrokken bij processen' zijn meegenomen in het Organisatie Ontwikkelingsplan, dat begin 2024 is gestart en in het Management development Traject, dat begin 2025 van start is gegaan. Naar aanleiding van de feedback ‘te veel adhoc werk wat de werkdruk verder vergroot' is de afspraak gemaakt dat alleen teamleiders aan medewerkers een opdracht kunnen geven en niet collega’s onderling. Om collega's weerbaarder te maken en tegen collega's durven te zeggen dat ze geen opdracht kunnen aannemen, is daaraan aandacht besteed in de door de bestuurder georganiseerde cursus feedback voor alle medewerkers. Naar aanleiding van de feedback 'ervaren gebrek aan (gewenste) transparantie over medewerkers die uit dienst gaan', is in de teams uitleg gegeven, namelijk dat over een afscheid van een medewerker vaak niets gezegd kan worden in verband met privacy of omdat er nog gesprekken plaatsvinden met de betreffende medewerker.\n\n2.36.. De rechter is van oordeel dat op basis van de feedback uit de exitgesprekken inderdaad niet kan worden geconcludeerd dat sprake was van een rode draad, die wijst op een cultuurprobleem. Bovendien was de RvT al op de hoogte van de vertrekredenen van drie van de zes medewerkers. De rechter vindt daarom dat de bestuurder geen verwijt valt te maken dat zij de RvT niet heeft geïnformeerd over de e-mail van 30 september 2024. Als de RvT meer informatie had gewild of vragen had over de uitstroomcijfers, had de RvT hiernaar kunnen vragen. Maar daar zag de RvT toen kennelijk geen reden voor. Bovendien heeft de bestuurder de feedback ter harte genomen en adequate acties genomen.\n\n2.37.. De RvT maakt aan de bestuurder ook een verwijt rondom de opzegging van zijn dienstverband door curator [naam 1] (hierna: de curator) na 20 jaar dienstverband. De RvT stelt in dit verband dat de bestuurder de opzeggingsbrief van de curator van 30 september 2024 twee weken onbeantwoord heeft gelaten, daarop vervolgens harteloos heeft gereageerd en de RvT niet heeft geïnformeerd over zijn ontslag. De bestuurder betwist dat. Zij heeft erop gewezen dat zij de voltallige RvT direct per e-mail op de hoogte heeft gebracht van het ontslag van de curator. Daarnaast zegt de bestuurder dat zij in een persoonlijk gesprek met de curator heeft gesproken over zijn beweegredenen en dat zij samen met hem de berichtgeving over zijn vertrek heeft opgesteld. Verder heeft de bestuurder een verrassingsafscheid georganiseerd, waarbij zij de curator heeft toegesproken en een waardebon van € 600,- heeft gegeven voor een nieuwe I-pad. Dit alles heeft de RvT niet weersproken. De Rvt heeft op de zitting gezegd dat hij niet wist van het gesprek tussen de bestuurder en de curator. Dat had de RvT niet afgeleid uit de ontslagbevestiging die de bestuurder aan de curator heeft gestuurd, en heeft vervolgens zelf de conclusie getrokken dat geen gesprek had plaatsgevonden, zonder dit bij de bestuurder of de curator na te vragen. Verder meent de RVT dat de brief van de bestuurder aan de curator harteloos was. In die brief schrijft de bestuurder onder meer: “(…) lk waardeer je uitgebreide toelichting, openheid en feedback die je in jouw ontslagbrief meegeeft. Dit biedt waardevolle inzichten die ons kunnen helpen bij het verbeteren van de organisatie(processen). Indien je jouw feedback verder wenst toe te lichten, ben je van harte uitgenodigd een exitgesprek te voeren met [naam medewerker] van HR. Door jouw ervaringen en feedback beter te begrijpen, kunnen we gerichter werken aan verbeteringen die onze organisatie in ontwikkeling ten goede komen. (…) Ik wil je hartelijk bedanken voor jouw bijzonder waardevolle bijdrage, die je jarenlang aan het fotomuseum hebt geleverd. Ik wens je veel voorspoed in je verdere carrière en hoop dat je een positieve herinnering aan jouw tijd bij [naam werkgever] (…) zult bewaren. Tot slot kijk ik ernaar uit om ook in de toekomst in het museum tentoonstellingen van jouw hand te zien.”De RvT heeft op de vraag van de rechter niet kunnen uitleggen wat hier harteloos aan is. Dat de curator in de gelegenheid is gesteld om met HR een exitgesprek te voeren, in plaats van met de bestuurder, waarvan de RvT ook een punt maakt, is naar het oordeel van de rechter juist positief te noemen. HR kan zo’n gesprek neutraler voeren dan de leidinggevende van de vertrekkende medewerker.\n\n- Beïnvloeding uitkomsten Cultuurscan en medewerkersonderzoek\n\n2.38.. Dat de bestuurder medewerkers onder druk heeft gezet, waardoor zij de uitkomsten van de Cultuurscan en het medewerkersonderzoek heeft beïnvloed, staat naar het oordeel van de rechter niet vast.\n\n2.39.. Volgens de RvT blijkt uit haar eigen onderzoek dat twee medewerkers zich in het najaar van 2024 door de bestuurder onder druk gezet voelden om de interviews ten behoeve van het Cultuuronderzoek op een voor de bestuurder positieve wijze in te vullen. Een andere medewerker voelde zich onder druk gezet het medewerkersonderzoek 2024 meerdere keren in te vullen.\n\n2.40.. De bestuurder heeft de beschuldigingen gemotiveerd weersproken. Zij voert aan dat zij geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de beide onderzoeken en ook niet wist welke vragen gesteld zouden worden aan de medewerkers. Zij heeft alleen op verzoek van het onderzoeksbureau Kroll de uitnodigingen verstuurd voor het Cultuuronderzoek. De bestuurder voert aan dat zij medewerkers met vragen juist naar Kroll heeft verwezen. Zij heeft hen niet gevraagd om de vragen voor te bereiden. De bestuurder onderbouwt dit met een e-mail, waaruit blijkt dat zij een medewerker die vragen had, heeft verwezen naar het onderzoeksbureau. Verder voert de bestuurder aan dat de RvT bij het onderzoeksbureau had kunnen informeren of de bestuurder wist welke vragen gesteld zouden worden en ook of de uitkomsten van het onderzoek wel of niet representatief waren. Dat alles heeft de RvT niet gedaan. De RvT heeft ook niet gesteld dat de uitkomsten afwijkend waren. Over het medewerkersonderzoek voert de bestuurder aan dat het helemaal niet mogelijk was om dat meerdere keren in te vullen. Ook dat had de RvT kunnen navragen bij het onderzoeksbureau.\n\n2.41.. De RvT baseert zijn conclusie op een door hem zelf uitgevoerd intern onderzoek. Het zou gaan om twee medewerkers. Niet duidelijk is welke medewerkers zijn gehoord en wat zij precies hebben verklaard. De RvT zegt dat hij beschikt over aanvullend bewijs in de vorm van Whatsappberichten tussen een van die medewerkers en diens partner en nog andere documenten. Op basis van die stukken vindt de RvT die verklaringen van die medewerkers geloofwaardig, ondanks de ontkenning van de bestuurder. De bestuurder heeft de stukken waarop de RvT zich baseert, ondanks herhaald verzoek, niet mogen inzien. Ook de rechter kent die stukken niet. De RvT zegt dat dat vanwege privacy is en dat het ook niet nodig is, omdat de bestuurder stellig ontkent dat zij de medewerkers heeft beïnvloed. Volgens de RvT heeft bewijs leveren dan geen zin. Dat standpunt is onjuist en onbegrijpelijk. Het uitgangspunt is juist dat een partij die iets stelt, wat door een ander gemotiveerd wordt betwist, zijn standpunt moet onderbouwen. Van de RvT had dus verwacht mogen worden dat hij de zeer ernstige beschuldigingen aan de bestuurder zou onderbouwen met (eventueel geanonimiseerde) stukken, waarover hij zegt te beschikken. De RvT krijgt geen gelegenheid om die stukken alsnog te overleggen. Daar heeft hij genoeg kans voor gehad. De RvT heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de twee werknemers door de bestuurder zijn beïnvloed. Ook heeft de RvT niet toegelicht dat de uitkomsten daadwerkelijk zijn beïnvloed. Uit het rapport van Kroll blijkt juist dat er lange, open gesprekken met de medewerkers zijn gevoerd. Overigens valt ook niet goed in te zien dat de uitkomst van het Cultuuronderzoek, waarin met meerdere personen in de organisatie is gesproken door het onderzoeksbureau, erg beïnvloed zouden worden doordat de bestuurder twee medewerkers onder druk zou hebben gezet om positief over de organisatie te verklaren. Omdat de RvT zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.\n\n2.42.. Het staat ook niet vast dat de bestuurder een medewerker onder druk heeft gezet het medewerkersonderzoek dat is uitgevoerd door onderzoeksbureau Solon in 2024 twee keer in te vullen. De RvT stelt dat, maar de bestuurder betwist dat. Zij voert aan dat Solon heeft gezegd dat het helemaal niet mogelijk is om het onderzoek meerdere keren in te vullen. De RvT heeft haar stelling niet nader onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. De RvT verwijst alleen naar haar eigen interne onderzoek waarin de betreffende medewerker dit zou hebben verklaard, maar enige onderbouwing ontbreekt, evenals relevante stukken. De rechter kan dus niet vaststellen of dit verwijt klopt. De RvT krijgt geen gelegenheid om haar stelling nader te onderbouwen, daar heeft zij genoeg kans voor gehad en niet voldaan aan haar stelplicht.\n\n- Medewerkersonderzoek 2024\n\n2.43.. Niet gebleken is dat de bestuurder de RvT onvoldoende of onjuist heeft ingelicht over de uitkomsten van het medewerkersonderzoek in 2024.\n\n2.44.. De RvT verweet de bestuurder tijdens het drie uur durende hoorgesprek, dat zij het rapport van het medewerkersonderzoek niet met de RvT had gedeeld. De bestuurder heeft dat weerlegd en aangetoond dat zij het rapport op 14 februari 2025 heeft gemaild aan de voorzitter [naam 2] en aan RvT lid [naam 3]. Toen kwam er een nieuw verwijt, dat de bestuurder bijlage 3 bij dat rapport niet had verstrekt, met daarin de antwoorden op de open vragen. De bestuurder heeft erkend dat zij die bijlage niet heeft meegestuurd op 14 februari 2025. Maar tijdens het onderzoek en ook op de zitting heeft de bestuurder uitgelegd dat zij die bijlage op 14 februari 2025 nog niet had. Zij kon die toen dus ook niet doorsturen. De bestuurder verwijst naar haar mail van 14 februari 2025 aan [naam 2] en [naam 3] waarin zij schrijft dat zij het onderzoeksbureau Solon heeft gevraagd om de antwoorden op de open vragen nog in het rapport te verwerken. De bestuurder legt daarin ook uit dat Solon dat aanvankelijk niet gedaan vanwege de vrees tot herleidbaarheid, maar dat zou alsnog worden gedaan. De bestuurder schrijft dat zodra dat er is, zij dit zal doorsturen. De bestuurder heeft bij die mail ook de e-mailcorrespondentie met Solon overgelegd. De RvT heeft nooit gevraagd aan de bestuurder om de bijlage bij het rapport aan hem door te sturen.\n\n2.45.. De bestuurder heeft verder uitgelegd dat de toegevoegde waarde van bijlage 3 beperkt is, omdat de resultaten alsnog waren verwerkt in het rapport. De bestuurder voert verder aan dat de RvT pas in het kader van het vervolg van het onderzoek met het verwijt is gekomen over de bijlage 3. De RvT heeft hier niet naar gevraagd op het moment dat de bestuurder het medewerkersonderzoek mailde in februari 2025 en ook niet op een later moment De RvT heeft tegen al deze argumenten van de bestuurder onvoldoende ingebracht. De voorzitter van de RvT heeft verklaard dat zij vanwege privé omstandigheden niet had gezien dat de bestuurder het onderzoeksrapport had gemaild op 14 februari 2025. Daarom was de e-mail van de bestuurder aan haar aandacht ontsnapt en ging de RvT er in het hoorgesprek vanuit dat het rapport niet aan RvT ter beschikking was gesteld.\n\n2.46.. De RvT maakt de bestuurder ook een verwijt dat zij de uitkomsten van het medewerkersonderzoek niet afzonderlijk met de RvT heeft besproken. Maar de RvT heeft daar ook niet om gevraagd. Verder voert de bestuurder onweersproken aan dat de RvT was uitgenodigd om de presentatie bij te wonen, waar de resultaten besproken zijn en de vervolgestappen met de medewerkers zijn afgesproken. Het was de bedoeling dat de voorzitter van de RvT daar een presentatie zou geven, maar omdat zij verhinderd was heeft RvT-lid [naam 3] dat gedaan. Daarnaast heeft de bestuurder de resultaten verwerkt in het jaarverslag en de managementletters. De RvT heeft hier toen geen vragen over gesteld. Daar zag de RvT kennelijk geen aanleiding voor. De rechter is met het de bestuurder eens dat zij er daarom van uit mocht gaan dat zij de resultaten niet nogmaals afzonderlijk met de RvT hoefde te bespreken.\n\n2.47.. Het staat ook niet vast dat sprake was van een sterke achteruitgang van het welbevinden van de medewerkers. Het verwijt dat de bestuurder deze achteruitgang heeft gebagatelliseerd en in managementletters en het jaarverslag geflatteerd heeft weergegeven is evenmin juist. De bestuurder betwist dat sprake was van een sterke achteruitgang. Volgens onderzoeksbureau Solon was de uitkomst van het medewerkersonderzoek – waaruit een daling naar voren kwam over de mate van medewerkerstevredenheid ten opzichte van het vorige onderzoek – niet ongebruikelijk bij een tweede onderzoek. Er was dus volgens de bestuurder geen reden om aan te nemen dat die achteruitgang te maken had met sociale onveiligheid of cultuurproblemen. De RvT heeft dit verwijt ook niet verder toegelicht of onderbouwd.\n\n- Eenzijdige besluiten bestuurder om reputatie te redden\n\n2.48.. Het staat niet vast dat de bestuurder eenzijdig besluiten heeft doorgedrukt om haar eigen reputatie te redden, met het oog op het artikel in de Volkskrant. De RvT verwijt de bestuurder onder andere dat zij het MT onder druk heeft gezet om een waarschuwingsbrief te tekenen aan een medewerker en dat zij de opening van pakhuis Santos op 25 september 2025 er eenzijdig doorgedrukt heeft.\n\nCasus medewerker B\n\n2.49.. De bestuurder erkent dat zij het voltallige MT heeft gevraagd een waarschuwingsbrief te ondertekenen, die gericht was aan een medewerker. De bestuurder vroeg dat omdat zij wilde dat de brief ‘extra indruk zou maken’ op deze medewerker. De bestuurder heeft uitgelegd dat zij tijdens het Management Development-traject in bijzijn van een externe begeleider heeft gezegd dat zij betreurde dat enkele MT-leden zich kennelijk onder druk gezet hadden gevoeld en dat zij een vergelijkbare situatie in de toekomst zal voorkomen. Volgens de bestuurder was het daarmee uitgesproken. De RvT heeft niet gezegd dat dit voor het MT anders was. De rechter is het met de RvT eens dat het wellicht beter was geweest als de bestuurder het MT hier niet op deze manier in had betrokken. Dat erkent de bestuurder ook. Maar de rechter vindt dat uit het handelen van de bestuurder daarna kan worden afgeleid dat zij open heeft gestaan voor de feedback van MT leden en deze serieus heeft genomen.\n\nOpening Santos\n\n2.50.. Niet gebleken is dat de bestuurder het besluit tot de opening van de nieuwe locatie, Santos, op 25 september 2025 eenzijdig doorgedrukt heeft. De RvT maakt de bestuurder wel dat verwijt, maar dat is niet terecht. De bestuurder heeft verschillende verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat er tijdens de vergaderingen van de MT stuurgroepen steeds is besproken of de geplande datum haalbaar was. Uit die verklaringen blijkt ook dat tijdens het MT overleg op 17 juni 2025 de laatste stand van zaken is besproken en dat zowel het MT-lid Hoofd Presentatie & Publieksbereik als het MT-lid Team Actieplan hebben bevestigd dat de planning haalbaar was. Uit een van die verklaringen blijkt ook dat tijdens het overleg voldoende ruimte was om tegengas te geven, maar dat niemand heeft aangegeven dat de planning niet haalbaar was. De RvT heeft tegenover deze verklaringen onvoldoende ingebracht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bestuurder op een vraag van de rechter geantwoord dat bovendien wekelijks tijdens de MT-overleggen is gesproken over de planning en de openingsdatum van Santos. Van de MT-overleggen zijn ook steeds verslagen opgemaakt. De RvT heeft die verslagen niet overgelegd en deze stelling van de bestuurder niet gemotiveerd weersproken, zodat de rechter uitgaat van de juistheid van wat de bestuurder op dit punt heeft gesteld. Het is ook niet voorstelbaar dat de bestuurder zo’n belangrijke datum, de verhuizing waar een aantal jaren naartoe is gewerkt en waar allerlei adviseurs bij betrokken waren, er eenzijdig ‘doorheen zou hebben gedrukt’. De RvT is met niets gekomen waaruit blijkt dat dit verwijt terecht is. Dat na het ontslag van de bestuurder besloten is om de verhuizing uit te stellen, betekent nog niet dat de verhuisdatum niet haalbaar was op het moment dat in het MT tot de verhuisdatum werd besloten.\n\n- Weghouden medewerkers bij RvT en de RvT bij PVT?\n\n2.51.. De bestuurder betwist dat zij medewerkers heeft weggehouden bij de RvT doordat zij de RvT heeft afgeschilderd als een groep personen die niet serieus genomen hoefde te worden of de indruk heeft gewekt dat zij goed bevriend was met de voorzitter. De RvT heeft dit niet nader onderbouwd. Ook betwist de bestuurder dat zij de RvT heeft weggehouden bij de PVT. Aanvankelijk was daar volgens de bestuurder inderdaad discussie over, nadat de bestuurder had ontdekt dat RvT-lid [naam 3] zonder dat de bestuurder dit wist, tweemaal overleg had gehad met de PVT. Dat heeft de bestuurder met [naam 3] en de voorzitter RvT besproken. Afgesproken is dat twee keer per jaar een bijeenkomst zou plaatsvinden tussen de RvT en PVT, zonder aanwezigheid van de bestuurder (die wel nadien zou aansluiten). De RvT heeft deze uitleg van de bestuurder niet weersproken. Het is voor de rechter onduidelijk gebleven waarom dit overleg niet van de grond is gekomen, zeker na de ontvangst van de brief van de PVT van 22 februari 2024 (zie hiervoor). De RvT stelt dat er sinds 2023 ‘pittige discussies’ werden gevoerd met de bestuurder hierover, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt of verder uitgelegd waarover deze discussies dan zouden zijn gegaan. De bestuurder betwist dat zij de RvT negatief heeft afgeschilderd. Zij voert aan dat de RvT altijd werd uitgenodigd voor bijeenkomsten met medewerkers, maar dat de RvT hier bijna nooit aanwezig was. De RvT heeft geen stukken of verklaringen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de bestuurder de RvT op een negatieve manier heeft afgeschilderd.\n\n2.52.. Het is naar het oordeel van de rechter eerder zo geweest, dat de RvT op het enkele signaal dat wel bij hen is binnengekomen, geen adequate actie heeft ondernomen om de PVT en\u002Fof de medewerkers zelf te kunnen spreken. Zo heeft de RvT tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat naar aanleiding van de brief van de PVT van 22 februari 2024 (zie r.o. 2.26), die ook aan de RvT was gestuurd, er geen concrete stappen door de RvT zijn genomen om met de PVT en\u002Fof de medewerkers hierover in gesprek te gaan. Als het echt zo zou zijn geweest dat zo’n gesprek werd gedwarsboomd door de bestuurder, zoals de RvT lijkt te willen stellen maar niet verder onderbouwt, dan is niet te begrijpen waarom de RvT dit al die tijd heeft laten gebeuren en waarom daarover dan niets staat in de e-mails die tussen de RvT en de bestuurder zijn gewisseld.\n\nGeen duurzaam verstoorde verhouding\n\n2.53.. Voor zover al moet worden aangenomen dat sprake is van een onwerkbare situatie tussen de bestuurder en het MT en andere belangrijke sleutelpersonen, is de rechter van oordeel dat de RvT geen enkele poging heeft gedaan om hiervoor een oplossing te zoeken, anders dan tot ontslag over te gaan.\n\n2.54.. Dat sprake was van een zodanige verstoring dat de samenwerking blijvend onmogelijk was geworden, is naar het oordeel van de rechter in elk geval niet gebleken. De RvT stelt dat tijdens het onderzoek zou zijn gebleken dat de leden van het MT geen vertrouwen meer hebben in een samenwerking met de bestuurder. Ook andere sleutelpersonen hebben volgens de RvT het vertrouwen in de bestuurder opgezegd. De bestuurder betwist dat. Zij voert onweersproken aan dat tijdens het onderzoek helemaal niet met haar is gesproken over een verstoring in de verhouding met MT leden of andere sleutelpersonen. Pas in het ontslagbesluit is dit voor het eerst gezegd. De bestuurder heeft hierop tijdens het onderzoek dus helemaal niet kunnen reageren. De bestuurder betwist dat sprake is van een onwerkbare relatie. Zij weet niet de ‘andere sleutelpersonen’ zijn. De bestuurder voert aan dat de verhouding met het MT goed was tot het moment van de schorsing. De bestuurder wijst onder meer op de steun die zij op 31 mei 2025 kreeg van het MT naar aanleiding van het aangekondigde artikel in de Volkskrant. De bestuurder heeft ook 40 steunbetuigingen overgelegd, waarvan 25 van verschillende medewerkers. Ook legt de bestuurder een Whatsapp-bericht van de voorzitter van de PVT over, waarin zij ook haar steun betuigt aan de bestuurder. De rechter gaat voorbij aan de opmerking van de RvT dat aan de door de bestuurder overgelegde steunbetuigingen weinig waarde worden gehecht, omdat die medewerkers alleen hun steun hebben betuigd om niet verdacht over te komen als de bestuurder eventueel zou terugkeren. Dit blijkt nergens uit en vindt ook geen steun in de grote hoeveelheid steunbetuigingen.\n\n2.55.. De RvT heeft niet concreet gemaakt waaruit de verstoorde relatie verder precies zou bestaan. Zij heeft alleen een niet-ondertekende zeer algemene verklaring van het MT overgelegd, waarin staat dat het MT geen vertrouwen meer heeft in de bestuurder. De rechter vindt dat van de RvT verwacht had mogen worden dat zij meer had toegelicht en met stukken onderbouwd waaruit de gestelde onwerkbare situatie zou bestaan. Dat geldt ook voor de gestelde vertrouwensbreuk met “andere belangrijke sleutelpersonen”. De RvT heeft niet toegelicht om wie het gaat en waaruit de onwerkbare relatie blijkt. Hiernaast is vaste rechtspraak dat van een werkgever kan worden verlangd om stappen te ondernemen om een verstoorde arbeidsverhouding te herstellen, bijvoorbeeld door het inzetten van mediation. Dat is niet eens geprobeerd.\n\nVoor zover er zorgen waren, dan nog geen ontslag\n\n2.56.. Voor zover de RvT kritiek of zorgen had over het leiderschap van de bestuurder of de informatie die zij aan de RvT verstrekte, dan was dit nog geen rechtvaardiging om de bestuurder te ontslaan en haar te behandelen zoals de RvT dat heeft gedaan. Van de RvT had verwacht mogen worden om over hun zorgen met de bestuurder in gesprek te gaan en zo nodig duidelijke afspraken te maken om tot verbetering te komen. Hiernaast mocht van de RvT, zoals hiervoor is overwogen, ook worden verwacht dat hij zich zou inspannen om de gestelde verstoorde relatie te herstellen. Dit alles is niet gebeurd.\n\n2.57.. Hierbij neemt de rechter in aanmerking dat vaststaat dat de bestuurder goede resultaten heeft geboekt. De bestuurder heeft ervoor gezorgd dat de financiële positie van het museum sterk is verbeterd, de interne organisatie is geprofessionaliseerd, nieuwe huisvesting is mogelijk gemaakt en het museum is naar buiten toe (nationaal en internationaal) weer op de kaart gezet. Ook is van belang dat de RvT altijd lovend over de bestuurder is geweest en haar niet eerder heeft aangesproken op haar functioneren. De RvT had in deze omstandigheden andere maatregelen moeten treffen in plaats van te kiezen voor de meest verstrekkende maatregel van ontslag.\n\nWerkgever moet een billijke vergoeding betalen van € 400.000,-\n\n2.58.. Omdat de arbeidsovereenkomst is opgezegd zonder redelijke grond, heeft de bestuurder recht op een billijke vergoeding.Herstel van het dienstverband is juridisch gezien niet mogelijk, aangezien het gaat om het ontslag van een bestuurder van een stichting. De wet biedt geen mogelijkheid om zo’n ontslag te laten vernietigen. De rechter kan alleen een billijke vergoeding toekennen aan een bestuurder, als die onterecht is ontslagen.\n\n2.59.. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. De rechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de RvT wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de bestuurder wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De rechter vindt in dit geval de gevraagde billijke vergoeding van € 400.000,- bruto, wat ongeveer neerkomt op twee jaarsalarissen, passend. Bij de begroting van dit bedrag houdt de rechter rekening met de volgende omstandigheden.2.60.. De rechter gaat er van uit dat als de arbeidsovereenkomst niet door het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever zou zijn geëindigd, deze nog minimaal twee jaar zou hebben voortgeduurd. Er is geen reden om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomst eerder zou zijn geëindigd. De bestuurder heeft in de jaren dat zij het museum heeft geleid goede resultaten geboekt en de RvT heeft haar nooit eerder aangesproken op haar leiderschap of op het onvoldoende verstrekken van informatie. De rechter verwerpt het standpunt van de RvT de arbeidsovereenkomst van de bestuurder door de uitkomsten van het onderzoek van Unravelling in ieder geval rechtsgeldig zou kunnen worden opgezegd per 1 juni 2026. Hiervoor is al uitgelegd dat dit onderzoek naar het oordeel van de rechter onvoldoende objectief en feitelijk onderbouwd is en dus geen rechtvaardiging vormt voor een ontslag van de bestuurder.2.61.. De rechter houdt ook rekening met de omstandigheid dat de bestuurder heeft verklaard dat zij sinds haar ontslag geen vergelijkbare positie met een vergelijkbaar inkomen heeft kunnen verwerven en ook niet verwacht dat dit binnen afzienbare termijn zal lukken. De mooie loopbaan van de bestuurder is door het onterechte ontslag tot een abrupt einde gekomen. Volgens de bestuurder is haar verdere (internationale) carrière geruïneerd door alle negatieve publiciteit, die zoals gezegd mede door de onzorgvuldige handelwijze van RvT ten opzichte van de bestuurder verder is gevoed. De RvT heeft hiertegen onvoldoende ingebracht en gelet op de hele gang van zaken is de rechter van oordeel dat dit inderdaad aannemelijk is. De rechter ziet in de gegeven situatie geen aanleiding om de WW-uitkering in mindering te brengen. Zonder het ernstig verwijtbaar handelen van de RvT zou de bestuurder haar WW-rechten nog niet hoeven op te souperen.\n\n2.62.. De rechter neemt ook de mate van het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever in aanmerking. De RvT heeft zeer ernstig verwijtbaar gehandeld rondom de schorsing, de onderzoeken en het ontslag en heeft steeds veel te weinig oog gehad voor de belangen van de bestuurder. Het valt de RvT ernstig aan te rekenen dat zij de bestuurder drie maanden voor de geplande opening van Santos abrupt heeft geschorst, zonder eerst in gesprek te gaan en zonder een toelichting te geven over de redenen voor de schorsing. De bestuurder moest direct haar sleutels inleveren, mocht niet meer in het museum komen en geen contact hebben met medewerkers. Erg kwalijk is ook dat aan de bestuurder de toegang tot haar mail is ontzegd, en geweigerd is om haar op een later moment nog toegang tot haar mail te geven, zodat zij zich niet behoorlijk kon verdedigen tegen de forse beschuldigingen. De RvT heeft de bestuurder ook naar buiten toe als een baksteen laten vallen. De RvT heeft direct de Volkskrant geïnformeerd over de schorsing en het statement waarin de RvT eerder steun uitsprak aan de bestuurder, bij de Volkskrant “ingetrokken”. Vooruitlopend op de uitkomsten van het eigen onderzoek heeft de RvT de bestuurder al geïnformeerd dat haar voorgenomen ontslag op 18 juli 2025 op de agenda stond. Dat doet vermoeden dat voor de RvT de uitkomst van het onderzoek al vaststond, zoals de bestuurder ook stelt. Dat de RvT het onderzoek dat leidde tot het ontslag van de bestuurder zelf heeft gedaan en niet een extern bureau hiervoor heeft ingeschakeld, en de wijze waarop dit onderzoek door de RvT is uitgevoerd, was onzorgvuldig, onpartijdig en onvoldoende objectief.\n\n2.63.. De bestuurder heeft ondanks herhaald verzoek geen toegang gekregen tot haar mail en kreeg ook geen nadere uitleg over de beschuldigingen. Vervolgens is zij in een drie uur durend gesprek ondervraagd. Hoewel de bestuurder de gemaakte verwijten vervolgens grotendeels met stukken heeft kunnen weerleggen, heeft de RvT de bestuurder op 18 juli 2025 toch ontslagen. Kennelijk heeft de RvT hoe dan ook niet willen wijken van de op 19 juni 2025 ingezette ramkoers. De rechter sluit niet uit dat het vernietigende artikel in de Volkskrant daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld en voor de RvT reden was om de bestuurder ‘voor de bus te gooien’. Bij dit alles heeft de RvT onvoldoende rekening gehouden met de zeer ernstige gevolgen van het ontslag voor de bestuurder, ook door de vele negatieve publiciteit. En er was geen redelijke ontslaggrond. Een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto is in de gegeven omstandigheden dan ook gerechtvaardigd.\n\n2.64.. De RvT heeft overigens ook na het ontslag nog een aantal beschadigende acties ondernomen, waarbij onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de bestuurder. Hoewel de RvT tegen de bestuurder had gezegd dat hij terughoudend zou zijn met de berichtgeving, heeft de RvT het ontslag de volgende ochtend meteen bekend gemaakt op de website van werkgever, met een zeer gedetailleerd, negatief en beschadigend bericht. Hiervan is ook een pushbericht gestuurd aan 130 personen die zich hadden ingeschreven voor nieuws van het museum. De RvT heeft op de zitting uitgelegd dat het versturen van dat pushbericht niet de bedoeling was, maar zij heeft niets gedaan om de gevolgen te beperken. De RvT heeft ook geen excuses aangeboden. Daarna is de reputatie van de bestuurder nog verder beschadigd door het onderzoek van Unravelling. De uitkomsten van dat onderzoek heeft de RvT gedeeld met alle medewerkers en meerdere stakeholders, waaronder de gemeenteraad en het Ministerie. Het staat vast dat het ontslag van de bestuurder en alle negatieve publiciteit, die verder is gevoed door de handelwijze van de RvT, zeer ernstige en beschadigende gevolgen heeft gehad voor de bestuurder, ook voor haar gezondheid door alle stress die bij de bestuurder is veroorzaakt.\n\n2.65.. Tot slot nog een opmerking over de onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten. De bestuurder heeft gesteld dat als aan haar een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto wordt toegekend, zij geen separate vergoeding voor onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten vraagt. Gelet hierop hoeft niet meer te worden beslist over de onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten. \n\nRectificatie\n\n2.66.. De verzochte rectificatie wordt grotendeels toegewezen. De werkgever hoeft in de rectificatie niet de gevraagde excuses en het dankwoord op te nemen. Daarvoor bestaat naar het oordeel van de rechter geen grond. Gelet op de aankondiging van werkgever dat zij voornemens is om het een en ander aan de tekst toe te voegen, als de rectificatie wordt toegewezen, bepaalt de rechter dat het werkgever niet is toegestaan om in de rectificatie een verwijzing te maken naar het onderzoek van Unravelling of anderszins de tekst te wijzigen en\u002Fof iets toe te voegen.\n\nWerkgever moet de volgende tekst plaatsen en niet meer dan dat:\n\n\"De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking d.d. 29 juni 2026 Stichting Nederlands Fotomuseum veroordeeld tot het plaatsen dan wel delen, van de volgende rectificatie:\n\nDe Raad van Toezicht van Stichting Nederlands Fotomuseum verklaart hierbij dat hij ten onrechte [verzoekster] heeft beschuldigd van het herhaaldelijk achterhouden en onjuist presenteren van informatie. De RvT heeft zijn toezichthoudende taak derhalve naar behoren kunnen uitoefenen, ook met betrekking tot het welzijn in de organisatie. De Raad is te overhaast overgegaan tot de schorsing van [verzoekster] en had niet zelf een onderzoek moeten uitvoeren, dat vervolgens heeft geleid tot een ontslag van [verzoekster] op onterechte gronden. Ten onrechte is daarbij het beeld ontstaan dat [verzoekster] onvoldoende zou hebben gezorgd voor een veilige werksfeer in het museum.\"\n\n2.67.. De gevraagde dwangsom wordt toegewezen. De rechter ziet aanleiding om de dwangsom te maximeren op € 100.000,-.\n\nWerkgever moet de proceskosten betalen\n\n2.68.. De proceskosten komen voor rekening van werkgever omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De rechter begroot de kosten die werkgever aan de bestuurder moet betalen op € 331,- aan griffierecht, € 1.766,- aan salaris voor de advocaat en € 189,- aan nakosten. Dit is totaal € 2.286,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.\n\n2.69.. Werkgever hoeft niet de volledige advocaatkosten te vergoeden die de bestuurder heeft gemaakt in het kader van deze procedure, zoals de bestuurder wel vraagt. Dat hoeft namelijk alleen maar als sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Dit kan niet snel worden aangenomen, omdat iedereen het recht heeft om een zaak te laten beoordelen door de rechter (artikel 6 EVRM).In dit geval zijn er niet zulke buitengewone omstandigheden. Dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld ten opzichte de bestuurder rechtvaardigt geen volledige proceskostenveroordeling.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.70.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de bestuurder dat heeft gevraagd en werkgever daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechter:\n\n3.1.. verklaart voor recht dat de RvT ten onrechte is overgegaan tot het ontslag van de bestuurder, waardoor er geen redelijke grond bestaat voor de opzegging van haar arbeidsovereenkomst door werkgever;\n\n3.2.. verklaart voor recht dat (de RvT van) werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de wijze waarop de schorsing, het onderzoek en het ontslag van de bestuurder tot stand is gekomen;\n\n3.3.. veroordeelt werkgever om aan de bestuurder een billijke vergoeding te voldoen van € 400.000,- bruto, binnen een week na betekening van de beschikking;\n\n3.4.. veroordeelt werkgever om binnen 24 uur na betekening van de beschikking, de in 2.66 genoemde rectificatie – met de daarbij gegeven aanwijzing – te plaatsen op de website van het werkgever als nieuwsbericht, met verzending van een pushbericht aan de abonnees van nieuwsberichten van werkgever, aan alle huidige medewerkers van werkgever en aan alle ex-medewerkers vanaf 2019 aan wie de uitnodiging voor het onderzoek van Unravelling in september 2025 is verstuurd en aan de hoofdredacteur van de landelijke dagbladen Volkskrant, NRC en AD, evenals aan de NOS en het ANP, op straffe van een dwangsom van op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per (gedeelte van een) dag dat werkgever hiermee in gebreke is, met een maximum van € 100.000,-;\n\n3.5.. veroordeelt werkgever in de proceskosten, die aan de kant van de bestuurder tot vandaag worden vastgesteld op € 2.286,-;\n\n3.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. wijst al het andere af.\n\nDeze beschikking is gegeven door rechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.\n\n3168\n\n Een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 7:669 lid 3 onder h BW\n\n Artikel 7:669 lid 3 onder g BW.\n\n Artikel 7:682 lid 3 onder a BW en artikel 7:671 lid 1 onder e BW\n\n Artikel 2:298a lid 1 Burgerlijk Wetboek\n\n Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)\n\n Uit Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, volgt overigens ook dat bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding met buitengerechtelijke kosten geen rekening kan worden gehouden.\n\n Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, 5.3.3 en 5.3.4","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7443","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.176Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":45,"courtId":105,"decisionDate":106,"fullText":107,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":109},"722","ECLI:NL:RBOVE:2026:3703","ecli-nl-rbove-2026-3703",78,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12160067 \\ EJ VERZ 26-109\n\nBeschikking van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [partij A],\n\ngemachtigde: mr. S. Groen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TKH LOGISTICS B.V.,\n\ngevestigd en kantoorhoudende te Haaksbergen,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: TKH,\n\ngemachtigde: mr. I. Lintsen.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag (rechts)geldig is.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift dat is ingediend op 26 maart 2026,\n\n- het verweerschrift, met een tegenverzoek,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [partij A] was sinds 1 maart 2019 in dienst bij TKH. De functie van [partij A] was magazijnmedewerker met een loon van € 2.700,00 bruto per maand.\n\n2.2.. In de ochtend van 30 januari 2026 ontving TKH een e-mail van een klant waarin melding werd gemaakt dat producten van het merk Epiphan en Intronics die in het magazijn van TKH horen te liggen via Marktplaats te koop werden aangeboden. Daarop heeft TKH onderzoek gedaan en geconstateerd dat de producten vermoedelijk door [partij A] te koop werden aangeboden.\n\n2.3.. Vervolgens heeft TKH [partij A] diezelfde dag uitgenodigd voor een gesprek. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:\n\n[afbeelding]2.4.. Op 30 januari 2026 is [partij A] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat onder meer het volgende:\n\n[afbeelding]2.5.. \n [partij A] is het niet eens met het ontslag op staande voet en is daarom deze verzoekschriftprocedure gestart.\n\n3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\n3.1.. \n [partij A] verzoekt, na wijziging van zijn verzoeken, de kantonrechter om een billijke vergoeding, een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging en een transitievergoeding toe te wijzen. Volgens [partij A] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [partij A] verzoekt voorts voor de duur van de procedure doorbetaling van loon bij wijze van voorlopige voorziening.\n\n3.2.. TKH voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. TKH voert ‑ samengevat ‑ aan dat de feiten een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. TKH heeft een tegenverzoek gedaan. TKH verzoekt een verklaring voor recht dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en hij daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. TKH heeft ook een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan. Zij verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder toekenning van enige vergoeding.\n\n4. De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.\n\n4.2.. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Het moet gaan om zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet hoeft te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.\n\n4.3.. De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat [partij A] producten uit het magazijn van TKH heeft meegenomen en dat hij deze te koop heeft aangeboden via Marktplaats. In eerste instantie heeft [partij A] ontkend dat de twee producten van het merk Epiphan met een waarde van respectievelijk ongeveer € 2.500,00 en € 450,00, afkomstig zijn uit het magazijn van TKH en dat zijn vrouw één van deze mogelijk heeft gekocht via de webshop Coolblue om video’s op te nemen met hun dochter. Dit kon [partij A] niet aantonen met aankoopbewijzen. Later heeft [partij A] erkend dat de producten afkomstig zijn uit het magazijn van TKH, maar dat het ging om producten die gratis konden worden meegenomen door het personeel van TKH, omdat deze beschadigd waren. Deze stelling van [partij A] acht de kantonrechter ongeloofwaardig, gelet op de uitvoerig gemotiveerde onderbouwing van TKH dat dergelijke producten met een hoge verkoopwaarde nooit gratis beschikbaar worden gesteld aan het personeel. Ook blijkt uit de door TKH overgelegde stukken dat de klant, waarvoor TKH de producten van het merk Epiphan in het magazijn opslaat, als beleid heeft dat beschadigde producten altijd teruggestuurd moeten worden en dus nooit gratis worden aangeboden aan werknemers van TKH. Ook de substantiële wijziging van de verklaring van [partij A] voor het in bezit hebben van de betreffende producten draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn in tweede instantie gegeven verklaring, mede omdat hij desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd zich destijds verwonderd te hebben over de hoge waarde van met name het Epiphan-product dat volgens hem gratis zou zijn aangeboden aan het personeel waardoor het op zijn minst bijzonder is dat je je dat niet zou herinneren als je gevraagd wordt hoe het product in jouw bezit is gekomen.\n\n4.4.. Het wegnemen van producten uit het magazijn van TKH zonder daarvoor te betalen vormt op zichzelf een dringende reden voor ontslag op staande voet. Dat [partij A] door de verkoop van die producten slechts een gering voordeel heeft genoten zoals door hem is gesteld, doet daar niets aan af. Gezien de aard en de ernst van de dringende reden, namelijk het wegnemen van producten zonder daarvoor te betalen, is de kantonrechter van oordeel dat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van [partij A] en de gevolgen van het ontslag voor [partij A] niet afdoen aan de rechtsgeldigheid en het belang van TKH bij het ontslag op staande voet. Diefstal is namelijk een ernstig feit.\n\nDe dringende reden is onverwijld en voldoende duidelijk aan [partij A] medegedeeld4.5.. Volgens [partij A] zijn de redenen voor het ontslag niet onverwijld aan hem medegedeeld. Uit de ontslagbrief blijkt volgens [partij A] onvoldoende duidelijk welke redenen aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. De kantonrechter volgt die stelling niet. Het gaat erom dat [partij A] wist waarom hij is ontslagen. Uit de ontslagbrief van 30 januari 2026 met in de bijlage een gespreksverslag van het gesprek waarbij [partij A] aanwezig is geweest, volgt voldoende duidelijk welke redenen ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag. Dat in de brief en het verslag geen opsomming is gemaakt van de ontvreemde producten doet daar niets aan af. [partij A] wist bovendien om welke producten het ging. Hij heeft immers op 2 februari 2026 de twee duurste producten ingeleverd bij TKH.\n\n4.6.. Voor zover er al andere feiten aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, heeft te gelden dat deze niet meer hoeven te worden beoordeeld, omdat het in bezit hebben van twee producten die in het magazijn van TKH behoren te liggen al een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. Van een samengestelde dringende reden is geen sprake.\n\nGeen billijke vergoeding4.7.. Het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is.\n\nGeen transitievergoeding4.8.. Het verzoek om TKH te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [partij A] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Diefstal wordt namelijk expliciet door de wetgever genoemd als voorbeeld van ernstig verwijtbaar handelen.Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd.\n\nGeen vergoeding vanwege onregelmatige opzegging4.9.. TKH heeft [partij A] terecht ontslagen. Daarom hoefde TKH geen opzegtermijn in acht te nemen en is TKH niet gehouden om aan [partij A] een vergoeding te betalen.\n\nGeen voorlopige voorziening tot doorbetaling van loon4.10.. Nu [partij A] tijdens de procedure alsnog heeft berust in het ontslag is de arbeidsovereenkomst definitief geëindigd op 30 januari 2026 en kan hij geen aanspraak meer maken op loon na die datum. Daarom heeft hij geen belang (meer) bij dit verzoek, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.\n\nHet voorwaardelijke ontbindingsverzoek hoeft niet behandeld te worden4.11.. Nu [partij A] zijn verzoeken heeft gewijzigd en dus berust in het ontslag, is de arbeidsovereenkomst geëindigd op 30 januari 2026. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van TKH hoeft daarom niet behandeld te worden.\n\nDe door TKH verzochte verklaring voor recht is toewijsbaar4.12.. Hiervoor is al geoordeeld dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. Dat betekent dat de door TKH verzochte verklaring voor recht toewijsbaar is.\n\n [partij A] moet de proceskosten in het verzoek en het tegenverzoek betalen4.13.. De proceskosten komen voor rekening van [partij A], omdat [partij A] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van TKH worden begroot op € 721,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.14.. De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\nop het tegenverzoek\n\n5.2.. verklaart voor recht dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat [partij A] daarom geen recht heeft op een transitievergoeding,\n\n5.3.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nop het verzoek en het tegenverzoek\n\n5.4.. veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.5.. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking zijn betaald,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026\n\nKamerstukken II2013-2024, 33818, nr. 3, p. 40.\n\n Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3703","2026-07-13T00:28:44.849Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":45,"courtId":96,"decisionDate":106,"fullText":114,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":53,"updatedAt":117},"792","ECLI:NL:RBROT:2026:7056","ecli-nl-rbrot-2026-7056","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Dordrecht\n\nzaaknummer: 12054548 CV EXPL 26-153\n\ndatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\nSportpersoneel B.V.,\n\nvestigingsplaats: Baarn,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. A. Robustella,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwoonplaats: [woonplaats],\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. E. Huijser.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 7 januari 2026, met bijlagen;\n\nhet antwoord;\n\nde nadere bijlagen 1 en 2 van Sportpersoneel;\n\nde pleitaantekeningen van Sportpersoneel.\n\n1.2.. Op 11 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\n [naam] namens Sportpersoneel, met mr. Robustella;\n\n [gedaagde] met mr. Huijser en twee belangstellenden.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?\n\n2.1.. \n [gedaagde] werkte vanaf 1 januari 2025 bij Sportpersoneel als sportbegeleider op basis van een arbeidsovereenkomst van 10 maanden. Sportpersoneel wilde dit contract niet verlengen. Daarop heeft [gedaagde] op 18 juli 2025 gemaild dat hij ergens anders wil gaan werken en daarom eerder bij Sportpersoneel wil stoppen. De arbeidsovereenkomst is hierdoor op 1 september 2025 geëindigd. Vanaf 1 september 2025 werkt [gedaagde] bij Sportprofessional. Volgens Sportpersoneel werkt [gedaagde] daar voor dezelfde opdrachtgevers als waarvoor hij werkte toen hij in dienst was bij Sportpersoneel en handelt hij daardoor in strijd met twee artikelen uit de arbeidsovereenkomst. Per artikel eist Sportpersoneel een boete van € 7.500,-. Sportpersoneel eist ook dat [gedaagde] € 1.629,68 betaalt, omdat hij tijdens zijn dienstverband te weinig uren heeft gewerkt. [gedaagde] erkent dat hij voor dezelfde opdrachtgevers werkt(e), maar betwist dat hij daardoor in strijd handelt met een artikel uit de arbeidsovereenkomst. Hij voert verder aan dat hij zich altijd beschikbaar heeft gehouden om al zijn uren te werken en daarom betwist hij dat hij enig bedrag aan Sportpersoneel hoeft te betalen. [gedaagde] krijgt op beide punten gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dit het oordeel is.\n\nOm welke artikelen uit de arbeidsovereenkomst gaat het?\n\n2.2.. Volgens Sportpersoneel heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met deze artikelen uit de arbeidsovereenkomst:\n\nArtikel 6.1\n\nWerknemer is gehouden tot geheimhouding gedurende en na beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van alle feitelijkheden en bijzonderheden, waarvan Werknemer uit hoofde van haar dienstbetrekking kennisneemt of draagt, voor zover Werknemer redelijkerwijs moet begrijpen dat deze feitelijkheden en bijzonderheden een vertrouwelijk karakter hebben, dan wel aan haar ter zake door Werkgever een uitdrukkelijke geheimhouding is opgelegd. Deze geheimhouding betreft in het bijzonder informatie met betrekking tot relaties\u002Fklanten van Werkgever en informatie met betrekking tot de organisatie van Werkgever zelf.\n\nArtikel 6.5\n\nWerknemer verklaart tijdens en na beëindiging van het dienstverband op zorgvuldige wijze om te gaan met de contacten, die zij heeft opgebouwd met relaties van Werkgever en zal zowel tijdens als na einde dienstverband de belangen van Werkgever in relatie tot genoemde relaties niet schaden.\n\n [gedaagde] hoeft geen boete te betalen\n\n2.3.. \n [gedaagde] mocht tegen zijn nieuwe werkgever zeggen voor welke opdrachtgevers hij bij Sportpersoneel werkte. Daarbij mocht hij ook de namen noemen van het betreffende kinderdagverblijf en de basisschool. Het is logisch dat dit in een sollicitatieprocedure aan de orde komt. [gedaagde] hoefde niet te begrijpen dat deze feitelijkheden een vertrouwelijk karakter hadden. Sportpersoneel heeft niet uitgelegd waarom dat wel zo zou moeten zijn. Sportpersoneel heeft daarnaast niet aangevoerd dat hierover een geheimhouding aan [gedaagde] is opgelegd.\n\n2.4.. Sportpersoneel voert aan dat [gedaagde] ook tegen zijn nieuwe werkgever heeft gezegd dat als ze hem zouden nemen hij twee opdrachtgevers mee zou nemen, maar dat betwist [gedaagde] en heeft Sportpersoneel niet (nader) onderbouwd. Het lijkt wel of Sportpersoneel beredeneert dat het ‘zo wel heeft moeten gaan’, maar dat is niet hoe het in een juridische procedure werkt. Sportpersoneel moet feiten stellen, maar dat heeft zij niet gedaan. Uit het enkele feit dat [gedaagde] bij zijn nieuwe werkgever voor dezelfde opdrachtgevers heeft gewerkt als voor Sportpersoneel, blijkt in ieder geval niet dat hij deze opdrachtgevers zelf heeft meegenomen naar zijn nieuwe werkgever. In het voordeel van [gedaagde] spreekt bovendien dat hij onbetwist heeft aangevoerd dat hij zelfs uitgebreid afscheid heeft genomen bij het kinderdagverblijf waar hij via Sportpersoneel werkte. Dat deze opdrachtgever na zijn vertrek niet met een nieuwe medewerker van Sportpersoneel in zee wilde gaan, maar liever weer met [gedaagde] via zijn nieuwe werkgever wilde werken, is het goed recht van de opdrachtgever. Daar staat [gedaagde] buiten. Zijn enige inbreng hierin is (blijkbaar) zijn goede functioneren, maar dat kan niet tegen hem worden gebruikt. Ditzelfde geldt voor de basisschool.\n\n2.5.. \n [gedaagde] heeft deze artikelen uit de arbeidsovereenkomst niet overtreden. Hij hoeft dus ook geen boete te betalen.\n\n [gedaagde] hoeft niets aan Sportpersoneel te betalen voor te weinig gewerkte uren\n\n2.6.. Het klopt dat [gedaagde] minder uren heeft gewerkt dan de gemiddeld 31 uur per week die de partijen hebben afgesproken. Omdat dat naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid voor rekening van Sportpersoneel komt, moet Sportpersoneel toch gewoon het loon van [gedaagde] betalen.Ook over de niet gewerkte uren. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van Sportpersoneel om ervoor te zorgen dat [gedaagde] gemiddeld 31 uur per week kon werken. Dat heeft Sportpersoneel niet gedaan. [gedaagde] heeft zich altijd beschikbaar gehouden om te werken op de afgesproken dagen. Het is Sportpersoneel die hem voor minder uur heeft ingezet. Sportpersoneel erkent dat het een hele uitdaging is om ‘iedereen zijn uren te laten maken’. Daarvoor heeft zij weliswaar initiatieven ontplooid (sportdagen en -kampen organiseren in de zomervakantie), maar dat is kennelijk niet genoeg om alle werknemers hun gemiddeld overeengekomen uren te kunnen laten werken. Voor het aanmelden voor dit extra werk in de zomervakantie geldt immers naar eigen zeggen van Sportpersoneel vol=vol. Ongeacht wat hierover in de arbeidsovereenkomst staat, is het in dit geval en onder deze omstandigheden niet redelijk om dit voor risico van [gedaagde] te laten komen.\n\nSportpersoneel moet de proceskosten betalen\n\n2.7.. De proceskosten komen voor rekening van Sportpersoneel, omdat zij ongelijk krijgt.De kantonrechter begroot de kosten die Sportpersoneel aan [gedaagde] moet betalen op € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.008,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de vordering af;\n\n3.2.. veroordeelt Sportpersoneel in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.008,-.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C. van Steenderen - Koornneef en in het openbaar uitgesproken.\n\n703\n\n Dat staat in artikel 7:628 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7056","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:48.214Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":45,"courtId":59,"decisionDate":106,"fullText":122,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":53,"updatedAt":124},"911","ECLI:NL:RBAMS:2026:6467","ecli-nl-rbams-2026-6467","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12102870 \\ EA VERZ 26-197\n\nBeschikking van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nverzoekster,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. C. van der Goot-Koenig,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerder,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. L.R. Harteveld.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Op 16 februari 2026 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift met voorwaardelijke tegenverzoeken ingediend. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen aanvullende producties ingediend.\n\n1.2.. Op 26 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [verzoekster] zijn verschenen [naam 1] (rector van het [onderwijsinstelling] , hierna: [naam 1] ), [naam 2] (leidinggevende van [verweerder] , hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (HR adviseur van [verzoekster] ), bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.\n\n2. Feiten en omstandigheden\n\n2.1.. \n [verzoekster] is het schoolbestuur van zes zelfstandige gymnasia, waaronder het [onderwijsinstelling] in [plaats] .\n\n2.2.. \n [verweerder] , geboren [geboortedag] 1962, is sinds 1 oktober 2019 in dienst bij [verzoekster] als beleidsadviseur ICT. Het salaris van [verweerder] bedraagt € 6.432,00 bruto per maand exclusief emolumenten. [verweerder] verricht zijn werkzaamheden voor het [onderwijsinstelling] . Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs van toepassing.\n\n2.3.. Voordat [verweerder] in dienst trad heeft hij van 2003 tot 2019 als zzp-er ICT werkzaam-heden voor [verzoekster] verricht.\n\n2.4.. \n\nPartijen hebben voorafgaand aan de indiensttreding per e-mail gecorrespondeerd over de aanwezigheid van [verweerder] op school. Bij e-mail van 28 juni 2019 heeft [verweerder] aan de toenmalig rector van het [onderwijsinstelling] , [naam 5], onder meer het volgende geschreven:\n\n“(…) Naar aanleiding van ons telefoon gesprek en de acuut ontstane situatie heb ik je voorstel dan ook direct even met de achterban en ook de werkzaamheden met [naam 3] besproken en zover lijkt het me een haalbare optie en de moeite van het bekijken waard.\n\n(…)\n\nBelangrijkste insteek voor mij zal zijn:\n\n* Vergelijkbaar besteedbaar netto inkomen.\n\n* 16 uur op school waarvan 8 op de woensdag en 8 vrij in te vullen per week op lokatie, in overleg met [naam 3] . (…)”\n\nBij e-mail van 29 augustus 2019 heeft [verweerder] aan het ICT team laten weten dat hij de gehele woensdag op school te vinden is en op de andere dagen flexibel met [naam 3] . Bij e-mail van 1 oktober 2019 heeft [verweerder] aan het ICT team onder meer het volgende geschreven:\n\n“(…) Deze week val ik nog in voor [naam 3] en ben ik er dagelijks, mogelijk volgende week ook, afhankelijk hoe het met [naam 3] gaat.\n\nNormaliter de hele woensdag en wisselend twee dagdelen verspreid over de week. (…)”\n\n2.5.. Bij de arbeidsovereenkomst is een afsprakenformulier gevoegd dat op 2 oktober 2019 door partijen is ondertekend. Hierin is onder andere vastgelegd dat [verweerder] op woensdag en twee dagdelen flexibel per week op school werkt en de overige dagen op afstand mag werken.\n\n2.6.. \n [verweerder] was vanaf zijn indiensttreding tot en met januari 2020 alleen op de woensdagen aanwezig op de school. Na januari 2020 is [verweerder] niet meer op vaste wekelijkse basis op de school aanwezig geweest.\n\n2.7.. Op 11 december 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 1] en de toenmalig leidinggevende van [verweerder] . Tijdens dit gesprek is besproken dat de schoolleiding [verweerder] op school niet ziet en hem weer twee vaste dagdelen op school wil zien werken.\n\n2.8.. Bij brief van 26 juni 2025 heeft [naam 1] aan [verweerder] onder meer laten weten dat er in de afgelopen twee jaar regelmatig met hem is gesproken over zijn aan- \u002F afwezigheid op school. Daarbij is meegedeeld dat van [verweerder] wordt verwacht dat hij na de zomervakantie van 2025 op woensdagen aanwezig zal zijn met in de daaropvolgende maanden uitbreiding naar twee extra dagdelen, met als uitgangspunt dit voor 1 december 2025 gerealiseerd te hebben.\n\n2.9.. Bij brief van 10 juli 2025 heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de verplichting om op vaste dagen aanwezig op school aanwezig te zijn. Daarbij heeft [verweerder] laten weten dat aanwezigheid op vaste dagen niet mogelijk is, omdat de werkzaamheden in de avond- en nachtelijke uren moeten plaatsvinden om de dagelijkse werkprocessen niet te verstoren, en dat het voor zijn gezondheid niet verantwoord is om structureel te wisselen tussen dag- en avondwerk.\n\n2.10.. In de periode van juli 2025 tot en met begin september 2025 hebben twee incidenten tussen [verweerder] en zijn collega [naam 4] (hierna: [naam 4] ) plaatsgevonden. Daarnaast heeft in die periode een externe ICT dienstverlener, Socia, op verzoek van de school het netwerk van de school onderzocht. Uit de bevindingen van Socia bleek dat de interne back-uporgani-satie van de school niet op orde was.\n\n2.11.. Bij e-mail van 9 september 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [naam 1] laten weten dat [verweerder] zijn werkzaamheden de volgende dag zoals gebruikelijk “remote” zal uitvoeren op grond van de arbeidsvoorwaarde die in de afgelopen jaren is ontstaan.\n\n2.12.. Op 10 september 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 1] en [naam 2] over het functioneren van [verweerder] . Tijdens dit gesprek is aangekondigd dat een formeel verbetertraject wordt opgesteld en is besproken dat [verweerder] gehouden wordt aan de eerder gemaakte afspraken over zijn fysieke aanwezigheid op de school. Daarnaast heeft [naam 1] [verweerder] een brief overhandigd gedateerd op 9 september 2025. In deze brief staat onder meer dat het functioneren van [verweerder] niet aansluit bij de verwachtingen van de school. In de brief zijn een aantal verbeterpunten genoemd ten aanzien van de communicatie en samenwerking van [verweerder] en de invulling van zijn functie.\n\n2.13.. Bij brief van 17 september 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [naam 1] onder meer meegedeeld dat sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde op grond waarvan [verweerder] zijn werkzaamheden grotendeels remote verricht en dat [verweerder] zijn werkzaamheden daarom remote zal blijven verrichten.\n\n2.14.. Op 18 september 2025 is het verbeterplan met [verweerder] besproken. In het verbeterplan is opgenomen dat [verweerder] wordt gehouden aan de gemaakte afspraken over zijn fysieke aanwezigheid op de school.\n\n2.15.. Bij brief van 24 september 2025 heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] aan (de gemachtigde van) [verweerder] onder meer laten weten dat geen sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde die [verweerder] het recht geeft om onbeperkt thuis te werken. Daarbij is [verweerder] verzocht om op woensdag 1 oktober 2025 op school aanwezig te zijn, onder aankondiging dat het niet naleven van deze afspraak als schending van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst zal worden aangemerkt en rechtspositionele gevolgen kan hebben.\n\n2.16.. Diezelfde dag heeft [verweerder] zich ziekgemeld.\n\n2.17.. Bij brief van 2 oktober 2025 heeft [naam 2] aan [verweerder] voorgesteld om het geschil over de fysieke aanwezigheid via medation te bespreken.\n\n2.18.. MVU: nodig? Bij brief van 30 oktober 2025 heeft [verzoekster] aan [verweerder] onder meer geschreven dat [verweerder] tijdens zijn ziekte meerdere malen telefonisch niet bereikbaar was en dat van een goed werknemer mag worden verwacht dat hij gedurende zijn ziekte actief bereikbaar is voor de werkgever.\n\n2.19.. Op 27 november 2025 is het mediationtraject gestart. De mediation is op 10 februari 2026 zonder resultaat geëindigd.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, meer subsidiair vanwege disfunctioneren en uiterst subsidiair vanwege de cumulatiegrond. Volgens [verzoekster] staat het opzegverbod ontbinding niet in de weg.\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek met veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om bij het bepalen van de ontbindingstermijn rekening te houden met de toepasselijke opzegtermijn van drie maanden zonder aftrek van de proceduretijd, toekenning van een billijke vergoeding en veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de transitievergoeding.\n\n3.3.. Bij de beoordeling wordt op de inhoudelijke standpunten van partijen ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n4.2.. Een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\nOpzegverbod4.3.. De kantonrechter beantwoordt allereerst de vraag of sprake is van een opzegverbod, nu [verweerder] sinds 24 september 2025 arbeidsongeschikt is. Ingevolge artikel 7:671b lid 6 BW staat een opzegverbod echter niet in de weg aan ontbinding, wanneer het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met de ziekte. Een redelijke uitleg van dit artikel brengt mee dat alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft, voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat er geen verband is.\n\n4.4.. De omstandigheden waarop [verzoekster] zich baseert zien met name op het functioneren va [verweerder] voor zijn ziekte en het conflict dat is ontstaan de afwezigheid van [verweerder] op de werkplek. Deze omstandigheden staan los van de (latere) ziekmelding van [verweerder] en ook van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft. De kanton-rechter is dan ook van oordeel dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] .\n\nOntbinding arbeidsovereenkomst4.5.. \n [verzoekster] is van mening dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dus dat de arbeidsovereenkomst primair moet worden ontbonden op de e-grond. Volgens [verzoekster] bestaat het verwijtbaar handelen van [verweerder] uit het stelselmatig weigeren de (overeengekomen) aanwezigheid op school na te komen, het ontkennen van schriftelijk vastgelegde afspraken, het frustreren van het verbetertraject door te weigeren aan geldende voorwaarden te voldoen, het herhaaldelijk en onprofessioneel bejegenen van leiding-gevenden en collega’s, en het stelselmatig neerleggen van verantwoordelijkheid bij anderen.\n\n4.6.. De kantonrechter is met [verzoekster] van oordeel dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van [verzoekster] niet in redelijkheid gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarover wordt het volgende overwogen.\n\n4.7.. Uit alle overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er tussen partijen een arbeidsconflict is ontstaan dat ziet op de structurele weigering van [verweerder] om op vaste dagen in de week fysiek op school aanwezig te zijn. Volgens [verzoekster] geldt op grond van de arbeidsovereenkomst en het addendum dat [verweerder] een vaste dag per week en daarnaast twee nader te bepalen dagdelen per week fysiek op school aanwezig is. [verzoekster] stelt dat zij bovendien als werkgever gerechtigd is instructies te geven en van haar werknemers kan verlangen fysiek op het werk aanwezig te zijn als de bedrijfsvoering dat vraagt. [verweerder] voert daartegen aan dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] zijn werk in beginsel vanuit huis verricht, maar dat hij na indiensttreding alleen tijdelijk zou afwijken van deze afspraak door op woensdagen en twee andere dagdelen op school aanwezig te zijn ter vervanging van een zieke collega. Voor zover al zou worden aangenomen dat [verweerder] op basis van de gemaakte afspraken verplicht is om wekelijks op vaste dagen aanwezig te zijn op school, voert [verweerder] aan dat [verzoekster] deze verplichting sinds januari 2020 meerdere jaren niet heeft gehandhaafd, terwijl hij zijn werkzaamheden structureel vanuit huis verrichtte. Volgens [verweerder] is hierdoor sprake is van een bestendige gedragslijn waarop hij heeft mogen vertrouwen, waardoor een verworven recht is ontstaan om zijn werkzaamheden grotendeels op afstand te blijven verrichten.\n\n4.8.. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit niets dat bij indiensttreding is afgesproken dat [verweerder] slechts tijdelijk vaste dagen in de week op school aanwezig zou zijn. Uit de overgelegde e-mails van [verweerder] (zie rov 2.4) en het addendum bij de arbeidsovereen-komst volgt juist duidelijk dat [verweerder] vanaf zijn indiensttreding bij [verzoekster] iedere woensdag en twee dagdelen per week aanwezig zou zijn op school. [verweerder] heeft aangevoerd dat uit de verwijzing in de e-mails naar een acuut ontstane situatie en zijn tijdelijke vervanging van een collega in de eerste en mogelijk de tweede week volgt dat zijn aanwezigheid op vaste dagen slechts tijdelijk was, maar de kantonrechter volgt hem daarin niet. Juist het feit dat [verweerder] herhaaldelijk heeft bevestigd dat hij op woensdag en twee dagdelen aanwezig is, en bovendien in zijn e-mail van 1 oktober 2019 schrijft dat hij normaliterop die dagen aanwezig is, wijst op een structurele afspraak.\n\n4.9.. Ook is er geen sprake van een verworven recht. Nog daargelaten dat [verzoekster] heeft toegelicht dat [verweerder] in de coronaperiode en periodes van arbeidsongeschiktheid vooral vanuit huis heeft gewerkt, geldt dat voor het ontstaan van een vaste, afdwingbare arbeidsvoorwaarde uit een bestendige gedragslijn meer nodig is dan enkel het gedurende enige tijd feitelijk volgen van een bepaalde praktijk. Er is onvoldoende gebleken van andere omstandigheden waaruit volgt dat [verweerder] in beginsel mocht thuiswerken.4.10.. Bovendien staat het een werkgever vrij een werknemer instructies te geven en als het op enig moment, en om welke reden dan ook, nodig is dat een werknemer zijn werk-zaamheden weer (deels) op kantoor gaat verrichten. Dat is een redelijk en zeker geen buitensporig verzoek, waaraan de werknemer dient te voldoen. Voor zover [verweerder] betoogt dat geen sprake is van een redelijk verzoek omdat de werkzaamheden alleen ’s avonds kunnen worden uitgevoerd en het verrichten van wisselende diensten een negatief effect heeft op zijn gezondheid, heeft hij dat, mede gelet op de verklaring van [verzoekster] dat de ICT-omgeving van de school grotendeels overdag te beheren is en dat allen een herinrichting van de ICT-omgeving avond- en nachtwerk tot een uitzondering maken, onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [verzoekster] in redelijkheid van [verweerder] mag verlangen dat hij op vaste dagen aanwezig is op school.\n\n4.11.. Dat [verweerder] structureel is blijven weigeren om op vaste dagen fysiek aanwezig te zijn op school, kan hem worden verweten. Het was [verweerder] daarbij duidelijk dat [verzoekster] wenste dat hij – conform de afspraken – zijn werkzaamheden weer (deels) op school kwam verrichten. Keer op keer heeft [verzoekster] [verweerder] de mogelijkheid gegeven alsnog op school te komen, zij heeft hem ruim de tijd gegeven, en hij wist dat zij het ontoelaatbaar achtte dat [verweerder] niet aan deze redelijke opdracht voldeed.\n\n4.12.. Nu [verweerder] gewoonweg heeft geweigerd op school te komen, en mediation ook geen oplossing heeft opgeleverd, kan in redelijk van [verzoekster] niet verwacht worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de e-grond. [verweerder] heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij bereid is op vaste dagen aanwezig te zijn op school, maar hij hield tegelijkertijd vast aan zijn standpunt dat de werkzaamheden niet overdag kunnen worden uitgevoerd. Dit doet bij de kantonrechter sterke twijfel ontstaan over zijn werkelijke bereidheid om alsnog aan het verzoek van [verzoekster] gehoor te geven.\n\n4.13.. Nu ontbonden wordt op de e-grond, ligt herplaatsing niet in de rede. Nog daargelaten dat [verzoekster] voldoende heeft toegelicht dat herplaatsing niet mogelijk is door het zeer specialistische en schoolspecifieke karakter van de werkzaamheden van [verweerder] . Dit heeft [verweerder] niet weersproken.\n\n4.14.. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] zal toewijzen op de e-grond en dat de arbeidsovereenkomst dus zal worden ontbonden.\n\n4.15.. De kantonrechter zal bij het bepalen van de datum van ontbinding rekening houden met de opzegtermijn, waarbij met toepassing van artikel 7:671b lid 9 sub a BW de proceduretijd in mindering zal worden gebracht op de opzegtermijn met dien verstande dat een termijn van ten minste een maand resteert. Er bestaat geen aanleiding om de proceduretijd buiten beschouwing te laten, omdat, zoals hierna zal worden overwogen in het kader van de billijke vergoeding, geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden per 1 augustus 2026.\n\nTransitievergoeding4.16.. \n [verweerder] heeft recht op de transitievergoeding omdat geen sprake is van ernstigverwijtbaar handelen of nalaten en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Daartoe weegt mee dat [verweerder] voorafgaand aan zijn indiensttreding jarenlang als zzp-er zijn werkzaamheden grotendeels op afstand verrichtte en bij aanvang van het dienstverband was besproken dat hij op dezelfde wijze kon blijven werken. Na zijn indiensttreding is [verweerder] slechts een korte periode structureel op woensdag aanwezig geweest op school. Tegen die achtergrond kon bij [verweerder] de indruk bestaan dat fysieke aanwezigheid op vaste dagen geen harde verplichting was. Hij is daarin blijven hangen, ten onrechte, maar dat maakt dat zijn handelwijze daarom wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar is.\n\n4.17.. \n [verweerder] stelt dat voor de berekening van de transitievergoeding dient te worden uitgegaan van een indiensttreding in september of oktober 2003 omdat toen materieel al sprake was van een arbeidsrelatie. Dit heeft hij echter, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoekster] , onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft hij ervoor gekozen om deze periode als zelfstandige werkzaam te zijn waarbij hij genoot van de daarbij horende fiscale \u002F financiële voordelen. Omdat [verweerder] op 1 september 2019 bij [verzoekster] in dienst is getreden komt de transitievergoeding, rekening houdend met de ontbindingsdatum van 1 augustus 2026, neer op een bedrag van € 17.184,09 bruto. Het verzoek om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 september 2026.\n\nBillijke vergoeding4.18.. \n\nEen billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeids-overeenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.\n\n [verweerder] stelt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Hij voert daartoe aan dat [verzoekster] niet heeft geluisterd naar zijn inhoudelijke bezwaren en onvoldoende heeft gedaan om het conflict op te lossen en de arbeidsrelatie te herstellen. In plaats daarvan is [verzoekster] volgens [verweerder] onterecht druk op hem blijven uitoefenen om in te stemmen met een vaste wekelijkse aanwezigheid van twee dagen op de school en heeft zij daarbij op geen enkele kenbare wijze rekening gehouden met de situatie van [verweerder] noch met het feit dat hij vanaf 24 september 2025 ziek was. [verweerder] betoogt dat al deze omstandigheden erop duiden dat [verzoekster] de situatie bewust heeft willen laten escaleren in een poging het ontslagdossier zo sterk mogelijk te maken.\n\n4.19.. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Hiervoor is overwogen dat [verzoekster] op goede gronden van [verweerder] mocht verlangen dat hij op vaste dagen per week fysiek op school aanwezig zou zijn. Bovendien heeft [verzoekster] [verweerder] nog een overgangsregeling aangeboden om aan zijn belangen tegemoet te komen (zie rov 2.8). Daarnaast heeft [verzoekster] mediation ingezet in een poging de situatie te verbeteren. Als [verweerder] gevolg had gegeven aan het redelijke verzoek van [verzoekster] was de arbeidsverhouding naar verwachting niet zodanig verstoord geraakt. Het verzoek tot toekennen van een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.\n\n4.20.. \n [verzoekster] hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.\n\nProceskosten4.21.. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026,\n\n5.2.. veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 17.184,09 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n5.4.. verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en mr M. Hillebrink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n51447.MVU","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6467","2026-07-13T00:28:54.197Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":45,"courtId":129,"decisionDate":130,"fullText":131,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":53,"updatedAt":133},"1147","ECLI:NL:RBNNE:2026:2457","ecli-nl-rbnne-2026-2457",70,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12165818 \\ AR VERZ 26-26\n\nBeschikking van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING KWADRANT,\n\nte Drachten,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Kwadrant,\n\ngemachtigde: mr. L. Sandberg,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\nprocederend met toevoeging,\n\ngemachtigde: mr. J.S. Bauer.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen (de e-grond). De kantonrechter beoordeelt het gedrag van de werknemer ook als ernstig verwijtbaar. Het (voorwaardelijk) tegenverzoek van werknemer om ten laste van de werkgever een transitie- en billijke vergoeding toe te kennen wordt afgewezen. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om het tegenverzoek tot loonbetaling van werknemer te honoreren.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- het verweerschrift, met een tegenverzoek\n\n- een wijziging van verzoek met aanvullende producties van 13 mei 2026 - aanvullende producties van Kwadrant van 20 mei 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van Kwadrant.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1989, is sinds 1 december 2023 in dienst bij Kwadrant. De functie van [verweerder] is [functie] met een loon van € 5.787,48 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO VVT van toepassing. [verweerder] houdt zich bezig met het in kaart brengen van ICT vragen vanuit Kwadrant en met name met de implementatie van een softwaresysteem genaamd AFAS.\n\n2.2.. In de mailbox van [verweerder] is op 2 juni 2025 ’s ochtends een concept e-mail opgesteld met de volgende tekst:\n\nBeste relatie,\n\nGraag verwijs ik naar de factuur in de bijlage.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [bedrijf 2]\n\nEveneens op 2 juni 2025 is ’s middags bij Kwadrant via de mail een factuur binnengekomen met als afzender [mailadres 1] met dezelfde hiervoor genoemde begeleidende tekst die ’s ochtends was aangemaakt in de mailbox van [verweerder] .\n\n2.3.. Op een via [naam 1] (hierna: [naam 1] ) aan Kwadrant gestuurde uitdraai van Whatsappgesprekken waarop de namen [verweerder] en [naam 1] als gespreksdeelnemers zijn vermeld (hierna de uitdraai van WhatsAppgesprekken) staat onder andere het volgende vermeld:\n\n Op 16 mei 2025:\n\n [verweerder] : Hieronder zijn de gegevens die normaal gesproken op een factuur staan. Het enige risico is dat mijn organisatie een IT-klusje gaan factureren aan een eenmanszaak dat staat ingeschreven als modellenbureau. Ik moet even goed nadenken hoe we dat risico kunnen vermijden. Kun jij de volgende gegevens met mij delen zodat ik een conceptfactuur kan opstellen.\n\nOp 21 mei 2025:\n\n [verweerder] : Perfect. Als jij de gegevens hebt aangeleverd dan kan ik verder met het aanmaken van de eerste factuur.\n\nOp 2 juni 2025, in antwoord op de vraag van [naam 1] wanneer de eerste betaling wordt gedaan:\n\n [verweerder] : Yo bro, dat durf ik niet te zeggen. Ik heb de betaling in het proces gedrukt\n\nOp 3 juni 2025:\n\n [verweerder] : Kijk bro, dit is de factuur die ik namens jou heb ingediend\n\nOp 19 juni 2025:\n\n [verweerder] : Ik heb net gecheckt. De vervaldatum in het systeem van de factuur is volgende week donderdag. Dan gaat de opdracht naar de bank en dan duurt het nog 1 a 2 dagen\n\nOp 26 juni 2025:\n\n [verweerder] : Bro, het gaat vandaag naar je worden overgemaakt. Laat ff weten als je het hebt ontvangen. [verweerder] : Het netto bedrag wat je ontvangt is 1940. Voor mij 70 procent is 1358. En voor jou 30 procent is 582. Je moet zelf kijken wat je met het BTW bedrag doet. Als je het hebt ontvangen stuur ik je wel een tikkie.\n\n(…)\n\n [verweerder] : Ik heb een betaalverzoek gemaakt van € 1.358,00 voor 2025. Je kunt met elke bank in Nederland betalen. Dank je wel!\n\nOp 16 juli 2025\n\n [verweerder] : Bro het lijkt me slimmer om die nabetaling te skippen. Ik laat in de le of 2e week van augustus rond de 7K uitbetalen en eind september rond de 12K. Eens?\n\n [verweerder] : Mijn broer spreek ik dit weekend. Bel je daarna wel mbt de BTW aangifte\n\nOp 7 september 2025:\n\n [verweerder] : Zeker nu het lekker loopt\n\n(…)\n\n [verweerder] : Helemaal vergeten te zeggen dat we komende donderdag ook nog wat krijgen. Het is momenteel chaos bij ons waardoor ik heel eenvoudig uurtjes jou kan laten uitbetalen. Donderdag gaan we ongeveer 2400 extra ontvangen\n\nOp 29 september 2025:\n\n [verweerder] : Als we afspreken kunnen we gelijk bespreken hoe we de komende maanden nog maximaal kunnen verdienen\n\n2.4.. Op 19 september 2025 ’s ochtends is er vanuit de mailbox van [verweerder] een mailbericht gestuurd aan [mailadres 2] met de volgende tekst:\n\nOnderwerp: Implementatie Front Vision Koppeling\n\nMail:\n\nGoedemorgen [verweerder] ,\n\nHoe verloopt het testen van de Front Vision Koppeling? We horen graag of de inrichting naar wens is verlopen. Laat het ons gerust weten als we je verder kunnen ondersteunen.\n\nActie voor jou:\n\nMaak een handtekening met bedrijfsnaam inclusief naam en functie.\n\nVervolgens is dezelfde dag, 19 september 2025, ’s middags in de mailbox van [verweerder] een e-mailbericht binnengekomen van [mailadres 3] met als onderwerp: Front Vision Koppeling en de volgende tekst:\n\nGoedemiddag [verweerder] ,\n\nHoe verloopt het testen van de Front Vision Koppeling? We horen graag of de inrichting naar wens is verlopen. Laat het ons gerust weten als we je verder kunnen ondersteunen.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [naam 2]\n\nSenior IT Consultant\n\n2.5.. Op een via [naam 1] aan Kwadrant gestuurde uitdraai van Signalgesprekken (hierna de uitdraai van Signalgesprekken) staat, naast diverse betaalverzoeken, onder andere het volgende vermeld:\n\nOp 10 december 2025:\n\n Bro what's up? Ik heb ons mannetje van de BD gesproken. Dat moeten wij even bespreken\n\nOp 28 december 2025:\n\nVorige week heb ik €1K aanbetaald. Het belasting mannetje gaat nu uitzoeken wat we moeten aanleveren om zo min mogelijk te betalen. Onze verdeling is 70\u002F30 dus dat heb ik zo berekend. Ik wil 100 procent zeker zijn dat dit ook goed gaat\n\n2.6.. Op 27 januari 2026 om 10.30 is er vanuit de mailbox van [verweerder] een e-mailbericht gestuurd naar [mailadres 2] met in de bijlage een factuur van [bedrijf 1] . Dezelfde dag om 10.58 wordt in de crediteurenmailbox van Kwadrant een mailbericht ontvangen afkomstig van [mailadres 3] met dezelfde tekst als voormelde mail aan [mailadres 2] met als bijlage dezelfde factuur van [bedrijf 1] .\n\n2.7.. Begin 2026 heeft de business controller van Kwadrant vastgesteld dat er een forse kostenoverschrijding had plaatsgevonden op de begroting van ICT. Uit nadere bestudering bleek dat aan twee crediteuren, namelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) betalingen waren gedaan op basis van 23 facturen over de periode 26 juni 2025 tot en met 29 januari 2026 voor een totaalbedrag van € 121.797,80 terwijl niets daarvoor was begroot. De omschrijvingen op de facturen gaven aan dat het om ICT-gerelateerde werkzaamheden ging. Omdat het vermoeden bestond bij Kwadrant dat het om spookfacturen ging, heeft zij [bedrijfsrecherche] (hierna: [bedrijfsrecherche] ) ingeschakeld om nader onderzoek te doen.\n\n2.8.. Op 2 februari 2026 heeft Kwadrant een melding gedaan bij haar bank, de ING, dat zij ten onrechte facturen heeft ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .\n\n2.9.. Op 3 februari 2026 heeft de leidinggevende van [verweerder] , de heer [leidinggevende] , [verweerder] bevraagd over mogelijke onregelmatigheden omtrent facturatie.\n\n2.10.. Op of omstreeks 3 en 4 februari 2026 heeft de ING bank informatie gevraagd aan [bedrijf 1] en [naam 1] over de facturen.\n\n2.11.. Op 5 februari 2026 heeft [verweerder] zich ziek gemeld. Op de uitdraai van Signalgesprekken staan op dezelfde dag, 5 februari 2026, naast een reeks facturen, de volgende gesprekken genoteerd:\n\n ( [naam 1] ) Bro kan je bellen?\n\n Belangrijke info van de bank\n\nBen ermee bezig\n\nStel dat ze vragen om een naam van eem contactpersoon moet je niet mijn naam noemen\n\nDan is de cirkel rond\n\nBro wat je nog kunt zeggen. Je bent door functioneel beheer kwadrant gevraagd om te helpen bij het doorontwikkelen van Afas. Dat heb je dan ook steeds gedaan. Naam weet je niet meer zo goed\n\n(…)\n\nDit is het overzicht van alle betalingen, inclusief het bedrag en de datum van ontvangst.\n\nWaar een V staat betekent dat ik de betaling heb ontvangen. Voor de overige betalingen heb ik nog geen correcte factuur ontvangen. Zou je deze zsm kunnen delen?\n\n(…)\n\nHet mailadres is [mailadres 1]\n\nVoordat ze het vragen\n\n(…)\n\nBelangrijk dat je beetje in het midden laat wie je aanspreekpunt is want als ik in het verhaal kom in combinatie met betalingen naar mij\n\nDan wordt het kut\n\n2.12.. Op 16 februari 2026 heeft [bedrijfsrecherche] de leidinggevende van de ICT afdeling op de hoogte gesteld van haar tussentijdse bevindingen in het onderzoek en heeft [bedrijfsrecherche] aangegeven [verweerder] te willen horen. Dezelfde dag, 16 februari 2026, is herhaaldelijk tevergeefs getracht telefonisch contact met [verweerder] te krijgen. Kwadrant is daarom ’s middags naar het huis van [verweerder] te gaan. Bij aankomst bleek dit te zijn leeggehaald en niet te worden bewoond.\n\n2.13.. Bij brief en per e-mail van 16 februari 2026 heeft Kwadrant [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 17 februari 2026 om 10.30 uur op de locatie van Kwadrant om hem te horen in het kader van het onderzoek naar de onregelmatigheden die aan het licht waren gekomen. Verder heeft Kwadrant meegedeeld aan [verweerder] dat hij gedurende het onderzoek op non-actief werd gesteld, dat het hoorgesprek niet vrijblijvend was en dat niet-verschijnen van [verweerder] arbeidsrechtelijke consequenties zou hebben, waarbij een ontslag op staande voet niet werd uitgesloten. Per separate e-mail van 16 februari 2026 heeft Kwadrant [verweerder] geattendeerd op voormelde uitnodiging en hem meegedeeld dat niet-verschijnen van [verweerder] aanleiding zou zijn voor Kwadrant om aangifte te doen bij de politie.\n\n2.14.. Per e-mail van 17 februari 2026 om 00.18 uur heeft [verweerder] , voor zover van belang, de volgende reactie aan Kwadrant gestuurd:\n\n(…) Ik ben bereid volledig mee te werken aan het aangekondigde onderzoek en er is geen sprake van weigering. Ik zal mij daarnaast houden aan de voorwaarden die gelden tijdens mijn non-actiefstelling.\n\nIk ben momenteel ziekgemeld en mijn huisarts is op de hoogte van de aard van mijn klachten en kan dit desgewenst bevestigen. Een gesprek op korte termijn is in mijn ogen niet verantwoord. Ik verzoek je alternatieve data voor volgende week of de week erop voor te stellen.\n\nVoorafgaand aan het gesprek ontvang ik graag schriftelijk:\n\n- een concrete omschrijving van de vermeende onregelmatigheden\n\n- wie aanwezig zal zijn en in welke hoedanigheid\n\nIn de afgelopen week is contact geweest met meerdere directe collega’s en onbereikbaarheid is niet aan de orde. Ik ben per e-mail bereikbaar en zal tijdig reageren.\n\nGezien de korte termijn van het geplande gesprek en het belang van een correcte procedure, verzoek ik je om bovenstaande punten schriftelijk te bevestigen voordat verdere stappen worden ondernomen.\n\nTer voorbereiding op het gesprek behoud ik mij het recht voor juridisch advies in te winnen.\n\n(…)\n\n2.15.. In de ochtend van 17 februari 2026 heeft Kwadrant tevergeefs telefonisch contact gezocht met [verweerder] , waarna ze een e-mail bericht heeft gestuurd. In deze e-mail heeft Kwadrant aan [verweerder] verzocht om wel om 10.30 uur op de afspraak te komen en aan hem uitgelegd dat er op dat moment een onderzoek door [bedrijfsrecherche] plaatsvond, dat [bedrijfsrecherche] met hem in gesprek wilde gaan en dat het gesprek uitstellen met één of twee weken niet mogelijk was. Verder werd de optie geboden aan [verweerder] om het gesprek bij hem thuis of via teams plaats te laten vinden. Ten slotte heeft Kwadrant [verweerder] verzocht om telefonisch contact op te nemen en zijn verblijfadres aan Kwadrant te verstrekken.\n\n2.16.. Per e-mail van dezelfde dag, 17 februari 2026, om 10.29 uur heeft [verweerder] gereageerd en aan Kwadrant meegedeeld dat hij vanwege gezondheidsproblemen niet op gesprek kon komen. Tevens heeft [verweerder] aangegeven dat hij op dat moment tijdelijk ergens anders verbleef en te allen tijde per e-mail bereikbaar was en binnen een redelijke termijn zou reageren.\n\n2.17.. Per e-mail van dezelfde dag, 17 februari 2026, om 14.13 uur heeft Kwadrant [verweerder] opgeroepen om op 19 februari 2026 om 10.30 uur op gesprek te komen en hem nogmaals gewezen op de arbeidsrechtelijke consequenties bij niet-verschijnen. Verder heeft Kwadrant meegedeeld dat [verweerder] verplicht was zijn huidige verblijfplaats door te geven in verband met de Wet Verbetering Poortwachter, dat een en ander (waaronder het al een week niet bereikbaar zijn voor zijn leidinggevende) niet acceptabel was en dat hij bereikbaar diende te zijn, niet enkel per mail.\n\n2.18.. Per e-mail en per sms van 17 februari 2026 heeft de bedrijfsarts [verweerder] opgeroepen voor het spreekuur via teams op 18 februari 2026 om 9 uur. Per e-mail van 17 februari 2026 om 15.47 uur heeft Kwadrant [verweerder] geattendeerd op voormelde oproep van de bedrijfsarts en op zijn verplichting op grond van de Wet Verbetering Poortwachter om hieraan gehoor te geven om te kunnen beoordelen in hoeverre er sprake is van arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en of hij recht heeft op salaris. [verweerder] is 18 februari 2026 niet verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft die dag herhaaldelijk tevergeefs geprobeerd telefonisch contact met [verweerder] te krijgen.\n\n2.19.. \n\nPer e-mail van 18 februari 2026 met als titel: ‘Contact en terugkoppeling bedrijfsarts’ heeft Kwadrant het volgende, voor zover van belang, aan [verweerder] meegedeeld:\n\nJe hebt tot heden niet gereageerd op mijn mails van gistermiddag. Je hebt telefonisch geen contact opgenomen met je leidinggevende en je neemt je telefoon niet op wanneer wij je proberen te bellen. Gistermiddag heb je per mail en per sms een uitnodiging ontvangen van de bedrijfsarts voor een consult via teams voor vanmorgen om 9.00u. Je bent niet verschenen. Ook was je voor de bedrijfsarts telefonisch niet bereikbaar. Bijgaand ontvang je de terugkoppeling van de bedrijfsarts.\n\nJe houd je niet aan de verplichtingen, voortvloeiende uit de Wet Verbetering Poortwachter. Ook overtreed je onze interne afspraken die wij met elkaar hebben ten aanzien van ziekmelding, bereikbaarheid bij ziekte etc. We kunnen hierdoor niet vaststellen of er sprake is van ziekte en of je recht hebt op salaris. Hierbij deel ik je dan ook mede dat je salaris per vandaag wordt opgeschort. Salarisbetaling zal hervat worden, nadat de bedrijfsarts heeft kunnen constateren dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid.\n\nGisteren heb je een uitnodiging ontvangen om morgen om 11.30u aanwezig te zijn bij de [adres] te Drachten om in gesprek te gaan met [bedrijfsrecherche] , in het kader van een onderzoek dat zij aan het verrichten zijn in opdracht van Kwadrant. Je bent verplicht te verschijnen. Zoals aangegeven zal niet verschijnen arbeidsrechtelijke consequenties hebben.\n\nIk wil dat je vandaag nog telefonisch contact opneemt met de bedrijfsarts om een nieuwe afspraak in te plannen. De gegevens staan in het verslag van de bedrijfsarts opgenomen. Daarnaast wil ik dat je vandaag nog telefonisch contact met mij opneemt en bevestigt dat je morgen op de afspraak zult verschijnen. Ook wil ik dat je vandaag je verblijfadres aan ons doorgeeft.\n\n(…)\n\n2.20.. Per e-mail van 19 februari 2026 om 00.59 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant, voor zover van belang, meegedeeld dat hij vanwege zijn gezondheidsklachten niet in staat is om deel te nemen aan het gesprek met [bedrijfsrecherche] op 19 februari 2026 en heeft hij verzocht het gesprek naar de week daarop te verplaatsen. Verder heeft [verweerder] geschreven dat hij geen vaste verblijfplaats heeft maar voor de komende periode aan [adres] verblijft en uitsluitend via e-mail bereikbaar is. Ook heeft [verweerder] aangegeven dat hij het gezien de korte aanzeggingstermijn van minder dan 24 uur niet redelijk acht en dat hij niet akkoord gaat met het opschorten van zijn loon vanwege zijn afwezigheid bij de afspraak met de bedrijfsarts.\n\n2.21.. Op 19 februari 2026 heeft [verweerder] contact opgenomen met de bedrijfsarts waarop meteen per videocall een consult heeft plaatsgevonden. In de terugkoppeling van dit consult staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:\n\nProbleem en Vraagstelling van werkgever\n\nProbleem:Werknemer heeft zich ziek gemeld terwijl er problemen bestaan die gerelateerd zijn aan het werk. Werkgever wil graag met werknemer in gesprek over de bestaande problemen. Werknemer geeft bij werkgever aan dat werknemer medische belemmeringen ervaart om in gesprek te gaan met werkgever.\n\nVragen:\n\n1. Heeft werknemer beperkingen op medische grond om een gesprek met werkgever te voeren?\n\n2. Zo ja, zijn er voorwaarden op medische grond waar aan voldaan moet worden om een gesprek wel\n\nmogelijk te maken?\n\n3. Als werknemer medische belemmeringen heeft, is er voldoende zorg voor werknemer? Zo neen,\n\ngraag advies geven aan werknemer voor adequate zorg.\n\nAntwoord op de gestelde vragen:\n\n1. Werknemer is verminderd belastbaar op medische grond t.a.v. veel prikkels uit de omgeving en t.a.v. een zwaar emotioneel appel. Mijns inziens is een gesprek met werkgever wel mogelijk, mits rekening gehouden met specifieke voorwaarden.\n\n2. Specifieke voorwaarden voor een gesprek:\n\na. Eenvoudige, duidelijke informatie, welke overzichtelijk gedeeld wordt. Denk daarbij aan maximaal 4 personen inclusief werknemer zelf. Waarbij om de beurt gesproken wordt. En waarbij werknemer eventuele informatie geprint of per mail mee naar huis krijgt.\n\nb. Advies is dat werknemer zelf een vertrouwd persoon mee neemt.\n\nc. Duur van een gesprek maximaal 30 minuten.\n\nd. Indien er informatie gedeeld wordt met een zware emotionele lading, adviseer ik om een vervolg\n\nvan het gesprek op een ander moment te plannen.\n\ne. Organiseer dat werknemer niet zelf hoeft te rijden rondom een gesprek met emotionele lading.\n\n3. Dit is startende. Werknemer heeft daarover maandag weer contact. Ik spreek werknemer weer over 3\n\nweken en zal dit ook blijven volgen met werknemer.\n\nAdvies:\n\nGraag wil ik werkgever en werknemer de volgende adviezen geven:\n\n• Ga met elkaar probleem oplossend in gesprek. Houdt daarbij rekening met de vermelde voorwaarden.\n\n• Werknemer blijft onder behandeling van de behandelaar.\n\n(…)\n\n2.22.. \n [verweerder] is niet verschenen op het gesprek met [bedrijfsrecherche] van 19 februari 2026 om 11.30 uur. Per e-mail van dezelfde dag met als onderwerp contact en afspraken heeft Kwadrant aan [verweerder] meegedeeld dat hij ondanks het advies van de bedrijfsarts dat hij medisch in staat is om onder voorwaarden in gesprek te gaan, niet verschenen is op de afspraak om 11.30 uur terwijl het vanwege het onderzoek naar de onregelmatigheden van facturaties zeer belangrijk is dat het gesprek plaatsvindt en dat aan niet verschijnen arbeidsrechtelijke consequenties zijn verbonden waarbij een ontslag op staande voet niet is uitgesloten. Verder wordt [verweerder] wederom opgeroepen voor een gesprek op maandag 23 februari 2026 met een vervolggesprek op woensdag 25 februari 2026 en wordt hem dringend verzocht telefonisch contact op te nemen om afspraken te kunnen maken over de locatie van het gesprek en het vervoer.\n\n2.23.. Op vrijdag 20 februari 2026 heeft de volgende e-mail correspondentie tussen partijen plaatsgevonden:\n\n- Om 8.09 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij bereid is mee te werken aan de gesprekken, zoals door de bedrijfsarts is geadviseerd maar dat hij de wijze waarop druk wordt uitgeoefend door Kwadrant (namelijk directe eisen, korte termijnen en dwingende contactmomenten) niet als zorgvuldig en daarmee niet in lijn met het advies van de bedrijfsarts ervaart. [verweerder] heeft een nieuw datumvoorstel gedaan voor de komende woensdag (25 februari 2026) en de vrijdag daarna (27 februari), zodat hij tijd heeft om te bepalen wie hem bijstaat en hij heeft aangegeven de komende maandag (23 februari 2026) na zijn afspraak bij de huisarts tussen 10 en 11 uur te kunnen bellen.\n\n- Om 9.42 uur heeft Kwadrant gereageerd en aan [verweerder] , voor zover van belang, meegedeeld dat hij diezelfde dag nog tussen 10 en 11 uur telefonisch contact dient op te nemen met Kwadrant om af te stemmen hoe laat hij maandag 23 februari 2026 naar de huisarts moet, zodat de afspraak met [bedrijfsrecherche] daarop afgestemd kan worden.\n\n- Om 11.02 uur heeft [verweerder] hierop per e-mail gereageerd en aangegeven dat hij zich die dag emotioneel niet in staat voelt om te bellen en maandag 23 februari 2026 na 10 uur kan bellen en woensdag 25 februari 2026 aanwezig kan zijn voor het gesprek.\n\n- Om 13:21 uur heeft Kwadrant [verweerder] gesommeerd om op maandag 23 februari 2026 om 14.30 uur naar Kwadrant te komen voor een gesprek met [bedrijfsrecherche] en heeft Kwadrant verder het volgende, voor zover van belang, aan [verweerder] meegedeeld:\n\n(…)\n\nWe hebben je afgelopen woensdag bericht dat je salaris werd opgeschort omdat we niet vast konden stellen of er sprake was van arbeidsongeschiktheid. Inmiddels is er contact met de bedrijfsarts geweest, zodat het salaris wordt hervat. Echter, omdat je je niet aan redelijke (werk)instructies houdt, waartoe je wel gehouden kunt worden conform het advies van de bedrijfsarts, heb je geen recht op salaris. Vanaf vandaag wordt je salaris dan ook stopgezet. Het recht op salaris neemt weer een aanvang wanneer je je wel aan redelijke (werk) instructies houdt. Je bent afgelopen week herhaaldelijk niet op een gesprek verschenen, waartoe je wel in staat wordt geacht door de bedrijfsarts. Je neemt daarnaast geen telefonisch contact met ons op, ondanks herhaald verzoek. Hiermee voldoe je niet aan redelijke werkopdrachten. Ook ben je reeds herhaaldelijk erop gewezen dat dit arbeidsrechtelijke gevolgen heeft. Voor nu wordt het salaris stopgezet.\n\n(…)\n\n2.24.. Op 23 februari 2026 heeft Kwadrant tevergeefs geprobeerd [verweerder] telefonisch te bereiken. Per e-mail van dezelfde dag om 11.37 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij bereid is om mee te werken aan gesprekken en zijn re-integratie conform het advies van de bedrijfsarts van 19 februari 2026, maar dat de gesprekken herhaaldelijk eenzijdig zijn ingepland, op korte termijn en zonder afstemming met [verweerder] , waarbij de voorwaarden van de bedrijfsarts niet zijn nageleefd. Verder heeft [verweerder] , voor zover van belang, het volgende geschreven:\n\n(…)\n\nIk begrijp dat wordt gesteld dat ik medisch in staat ben om gesprekken te voeren. Dit is echter nadrukkelijk gekoppeld aan de randvoorwaarden geformuleerd door de bedrijfsarts.\n\nWanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd, is deelname aan het vanmiddag geplande gesprek niet verantwoord. Dit is geen werkweigering maar handelen binnen het medisch advies.\n\nOp dezelfde dag gesprek met de huisarts (gemeld in verslag bedrijfsarts) als gesprek met [bedrijfsrecherche] is voor mij niet haalbaar vanwege mijn belastbaarheid en de voorwaarden van de bedrijfsarts.\n\nDaarnaast zijn de richtlijnen van de bedrijfsarts bij de planning voor dit gesprek niet aantoonbaar nageleefd. Om die reden kan ik hier niet aan deelnemen.\n\nDe wijze van handelen vanuit Kwadrant ervaar ik als zeer ingrijpend en intimiderend. Mijn salaris is opgeschort en vervolgens stopgezet. Er is herhaaldelijk gedreigd met consequenties. Er zijn afspraken opgelegd met te korte voorbereidingstijd.\n\nDit alles is gericht op het afdwingen van een gesprek. Tegelijkertijd ervaar ik weinig tot geen aandacht voor mijn ziekmelding, belastbaarheid en herstel en mij als persoon.\n\nHet stopzetten van mijn salaris op basis van vermeende werkweigering acht ik onterecht. Ik werk mee binnen de grenzen van het advies van de bedrijfsarts. Ik verzoek u om dit besluit per direct terug te draaien.\n\nIk verzoek u ook om het advies van de bedrijfsarts leidend te laten zijn.\n\n(…)\n\n2.25.. Per e-mail van 24 februari 2026 heeft Kwadrant aan [verweerder] onder meer meegedeeld dat zij zich wel aan de voorwaarden van de bedrijfsarts heeft gehouden bij de geplande afspraak van de dag ervoor en dat [verweerder] zonder bericht niet op de afspraak is verschenen, telefonisch niet bereikbaar was en niet per e-mail binnen een redelijke termijn heeft gereageerd. Kwadrant heeft twee nieuwe opties voor een moment van een gesprek voorgesteld aan [verweerder] . Verder heeft Kwadrant aan [verweerder] meegedeeld dat – samengevat - zij vasthoudt aan de stopzetting van het salaris zolang [verweerder] zich niet houdt aan de redelijke voorschriften en (werk) instructies.\n\n2.26.. Per e-mail van 26 februari 2026 heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij beschikbaar is om op 3 maart 2026 op gesprek te komen binnen de randvoorwaarden zoals de bedrijfsarts die heeft geadviseerd en dat hij uiterlijk 2 maart 2026 zal doorgeven wie hij als vertrouwenspersoon meeneemt.\n\n2.27.. Per e-mail van 2 maart 2026 heeft [verweerder] aan Kwadrant onder meer meegedeeld dat de afspraak voor de volgende dag niet door kan gaan omdat zijn vertrouwenspersoon door overmacht niet beschikbaar is.\n\n2.28.. Op 4 maart 2026 heeft Kwadrant een lijst van [bedrijfsrecherche] aan [verweerder] gestuurd met vragen over – samengevat – zijn rol in de ‘frauduleuze constructie’ met de facturen. Kwadrant heeft [verweerder] verzocht om de vragen schriftelijk te beantwoorden op uiterlijk 9 maart 2026.\n\n2.29.. Per e-mail van 10 maart 2026 heeft [verweerder] de volgende, voor zover van belang, reactie aan Kwadrant gestuurd:\n\nHet verbaast mij enigszins dat mij deze vragen worden voorgelegd. In de afgelopen twee jaar ben ik medeverantwoordelijk geweest voor de implementatie van AFAS (…).\n\nHiervoor heb ik met veel verschillende partijen samengewerkt. In mijn ogen is het heel gemakkelijk om mij nu een aantal partijen voor de voeten te werpen met dit soort vragen.\n\n(…)\n\nIk kan een hele lijst opstellen van nog meer organisaties, partijen of individuen die geen of slechts een minimale bijdrage hebben geleverd tegen forse onkostenvergoedingen.\n\n(…)\n\nNogmaals: als je mij zulke vragen stelt zonder enige context over hoe er intern wordt gehandeld en hoe eenvoudig opdrachten worden verstrekt, dan wordt er een beeld geschetst waarin mijn handelen als verdacht wordt neergezet. Terwijl dat handelen juist volledig in lijn ligt met de manier waarop binnen de organisatie wordt gewerkt.\n\n(…)\n\n2.30.. In het op 20 maart 2026 gedateerde onderzoeksrapport van [bedrijfsrecherche] , heeft zij het volgende geconcludeerd:\n\nUit het onderzoek blijkt dat de heer [verweerder] instructies heeft gegeven en letterlijke teksten heeft gedicteerd aan het e-mailadres ' [mailadres 2] ', over de wijze van indienen van facturen bij zijn werkgever Kwadrant. De heer [verweerder] heeft ook een factuur van [bedrijf 1] naar dat e-mailadres verzonden, voordat deze factuur door [bedrijf 1] bij Kwadrant werd ingediend.\n\nOok is gebleken dat de heer [verweerder] een conceptmail had opgesteld in zijn zakelijke mailbox van Kwadrant met de ondertekening ' [bedrijf 2] '. Deze conceptmail bleek exact dezelfde tekst en ondertekening te bevatten als de e-mail met de eerste factuur van [bedrijf 2] naar de crediteuren mailbox van Kwadrant. Deze conceptmail bleek bovendien op dezelfde dag te zijn opgesteld, maar enkele uren eerder, als de dag waarop de eerste factuur van [bedrijf 2] aan Kwadrant is verzonden. De heer [verweerder] heeft daarnaast de Crediteurenafdeling er ook op geattendeerd dat een factuur van [bedrijf 1] niet was betaald.\n\n(…)\n\nDe heer [verweerder] heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om de vastgestelde handelswijze toe te lichten. Ook op de schriftelijke vragen ten aanzien van deze casus heeft de heer [verweerder] niet gereageerd.\n\nBovenstaande bevindingen wijzen erop dat de heer [verweerder] zijn kennis van de organisatie heeft gebruikt om op onrechtmatige wijze geld van zijn werkgever te onttrekken.\n\n2.31.. Per e-mail van 26 maart 2026 heeft [naam 3] namens [bedrijf 1] het volgende, voor zover van belang, aan Kwadrant meegedeeld:\n\nNaar aanleiding van het contact dat ik met ING heb gehad, neem ik vertrouwelijk contact met u op om te komen tot een oplossing voor de kwestie waar u en ik ons mee geconfronteerd weten.\n\nUit de informatie die mij ter beschikking is gesteld, blijkt dat [bedrijf 1] in 2025 meerdere malen aan Kwadrant heeft gefactureerd voor AFAS-gerelateerde consultwerkzaamheden. Ik wil daarbij uitdrukkelijk vermelden dat ikzelf niet betrokken ben geweest bij de uitvoering van of de besluitvorming rondom deze werkzaamheden. Ik heb hiervan pas kennisgenomen naar aanleiding van de melding die Kwadrant recent bij ING heeft ingediend, inhoudende dat de gefactureerde diensten niet zouden zijn geleverd.\n\nZonder vooruit te lopen op een inhoudelijke beoordeling van de situatie, doe ik u het volgende voorstel. Namens [bedrijf 1] ben ik bereid over te gaan tot volledige terugbetaling van de gefactureerde bedragen, zodat deze kwestie voor beide partijen definitief kan worden afgesloten.\n\n(…).\n\n2.32.. Op 2 april 2026 heeft [naam 3] namens [bedrijf 1] een bedrag van € 18.997,00 op de rekening van Kwadrant gestort.\n\n2.33.. Bij brief van 13 april 2026 heeft Kwadrant [naam 1] , voor zover van belang, gesommeerd het ten onrechte ontvangen bedrag van € 102.800,80 te vermeerderen met rente en incassokosten te voldoen. Bij de brief aan [naam 1] heeft Kwadrant een overzicht van de door haar ontvangen facturen in de periode 27 mei tot en met 31 december 2025 ten titel van ‘consultancy werkzaamheden’ gevoegd.\n\n2.34.. Per e-mail van 23 april 2026 heeft [naam 1] het volgende, voor zover van belang, aan Kwadrant meegedeeld:\n\n(…)\n\nIk ben op de hoogte van de kwestie rondom de factureringen in de genoemde periode en wens dit in goed overleg af te wikkelen.\n\nIk ben bereid het door mij ingehouden bedrag terug te betalen. Ter verduidelijking: hoewel het volledige bedrag van € 102.800,80 op mijn rekening is ontvangen, heb ik slechts 30% behouden. 70% is overgemaakt aan de heer [verweerder] , werkzaam bij Stichting Kwadrant, tegen wie momenteel een gerechtelijke procedure loopt voor dezelfde feiten (…). Volgens mijn kennis en inzicht is de constructie door de heer [verweerder] opgezet; hij kende de financieel-logistieke processen binnen Stichting Kwadrant.\n\nHet bewijs van de overmakingen aan de heer [verweerder] heb ik in februari 2026 aan de bank overgelegd.\n\n(…).\n\n [naam 1] heeft, naast de eerder genoemde uitdraaien van Whatsapp- en Signalgesprekken, bankafschriften waarop overboekingen van hem aan [verweerder] staan vermeld over de periode juni 2025 tot januari 2026 aan Kwadrant gestuurd.\n\n2.35.. Op 23 april 2026 is een document aangemaakt waarvan in de broninformatie [verweerder] als auteur en als degene die het document het laatst heeft gewijzigd wordt vermeld. In het document, met als titel ‘Betalingsverklaring’ (hierna: de betalingsverklaring) staat vermeld dat [verweerder] zich verplicht om 70% van het totaal verschuldigde bedrag van € 106.451,11 in termijnen te betalen op voorwaarde dat zijn naam niet zal worden genoemd in ieder geval tot de datum van de rechtszitting op 22 mei 2026.\n\n2.36.. Per e-mail van 28 april 2026 van de gemachtigde van Kwadrant aan de gemachtigde van [verweerder] wordt [verweerder] naar aanleiding van het dringend advies van de bedrijfsarts om met elkaar in gesprek te gaan, uitgenodigd voor een viergesprek tussen een afgevaardigde van Kwadrant en [verweerder] en hun beider gemachtigden, met inachtneming van de belemmeringen die de bedrijfsarts kenbaar heeft gemaakt. De uitnodiging is vervolgens namens [verweerder] afgewezen.\n\n2.37.. Op 12 mei 2026 heeft Kwadrant, na daartoe op dezelfde datum verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, conservatoir derdenbeslag doen leggen onder een viertal bankrekeningen van [verweerder] (ING en ABN AMRO). De vordering waarvoor het beslag is verleend is daarbij bepaald op € 152.745,93.\n\n2.38.. Op 13 mei 2026 heeft [bedrijfsrecherche] gesproken met [naam 1] . In het naar aanleiding daarvan door [naam 1] ondertekende gespreksverslag is, voor zover van belang, vermeld dat [naam 1] heeft verklaard dat hij [verweerder] via [naam 3] heeft leren kennen en dat [verweerder] degene was die het account beheerde van [mailadres 1] van waaruit de facturen naar Kwadrant werden verstuurd, terwijl [naam 1] zelf nooit toegang heeft gehad tot dit account. Ook heeft [naam 1] verklaard de facturen niet zelf te hebben opgesteld en pas van [verweerder] via de Signalchat te hebben ontvangen nadat de bank begin februari 2026 contact opnam. Op de vraag hoe het contact met [verweerder] is verlopen heeft [naam 1] het volgende verklaard:\n\n(…) Hij heeft mij uitgelegd wat voor constructie hij had bedacht en of ik mijn gegevens wilde delen, zodat hij mijn bedrijfsgegevens kon gebruiken. Hij vertelde wanneer er een betaling zou worden gedaan. De afspraak was dat ik 30% mocht houden en de overige 70% moest ik doorsturen naar zijn rekeningnummer.\n\n(…)\n\nIk heb na berichtgeving van de advocaat van Kwadrant [verweerder] benadert om voor te stellen alles gezamenlijk terug te betalen. [verweerder] wilde daar niet aan meewerken. Hij gaf aan dat hij twijfelde of hij terug wilde betalen. Op enig moment heeft hij gezegd dat hij wel akkoord wilde gaan met alles terugbetalen als ik beloofde zijn naam niet te noemen. Hij heeft een document opgesteld waarin hij belooft mij het volledige bedrag over te maken in ruil voordat ik zijn naam niet noem. Ik toon u dat document. Dat heeft hij opgemaakt en ondertekend op 23 april. Daarna heb ik niets meer van hem gehoord.\n\n(…)\n\n2.39.. Op 18 mei 2026 heeft [naam 1] de betalingsverklaring en het door hem geaccordeerde en ondertekende verslag van het gesprek van 13 mei 2026 aan [bedrijfsrecherche] gestuurd.\n\n2.40.. Kwadrant heeft aangifte bij de politie gedaan tegen [verweerder] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nKwadrant verzoekt – na wijziging van verzoek - de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad:\n\nI. de arbeidsovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang te ontbinden, althans op zo kort mogelijk termijn, althans met ingang van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen tijdstip op een redelijke grond in de zin van de wet, zonder toekenning van transitievergoeding;\n\nII. [verweerder] te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 102.800,80 aan Kwadrant, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betaling van de bedragen, althans vanaf de dag van indienen van het verzoekschrift, tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nIII. [verweerder] te veroordelen tot het betalen van de schade welke Kwadrant lijdt door het instellen van onderzoek, waaronder de facturen van [bedrijfsrecherche] ad € 18.696,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid, althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, alsmede de kosten van de accountant, nader op te maken bij staat, met een verwijzing naar de schadestaatprocedure;\n\nIV. met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van Kwadrant en de kosten van het leggen van beslag.\n\n3.2.. Kwadrant heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verweerder] is de initiator van een constructie waarbij hij zichzelf financieel heeft verrijkt ten koste van Kwadrant. Op zeer geraffineerde wijze heeft [verweerder] ervoor gezorgd dat Kwadrant voor in totaal € 121.797,80 aan onterechte facturen heeft voldaan. Door dit frauduleuze handelen van [verweerder] is er sprake van zeer ernstige integriteitsschendingen. Dit is volgens Kwadrant ernstig verwijtbaar zodat er moet worden ontbonden op de kortst mogelijke termijn zonder toekenning van de transitievergoeding. Daarbij heeft Kwadrant door het onrechtmatig handelen schade geleden en heeft zij kosten moeten maken om de aansprakelijkheid van [verweerder] vast te stellen, waardoor zij recht heeft op schadevergoeding, aldus Kwadrant.\n\n4. Het verweer en de tegenverzoeken\n\n4.1.. \n [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert daartoe - samengevat – het volgende aan. Het opzegverbod tijdens ziekte staat aan het ontbindingsverzoek in de weg. Verder wordt betwist dat [verweerder] valse facturen zou hebben gestuurd en \u002Fof enige betrokkenheid zou hebben gehad bij de verzending van valse facturen. Ook wordt betwijfeld of er wel sprake is van spookfacturen, omdat Kwadrant geen beleid heeft bij het uitbesteden van opdrachten en iedereen binnen de organisatie maar wat doet. Er is dan ook geen sprake van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] en het verzoek tot schadevergoeding van Kwadrant moet worden afgewezen. Overigens kan het verzoek sowieso niet als nevenverzoek worden behandeld, gezien de complexiteit ervan, aldus [verweerder] .\n\n4.2.. \n [verweerder] heeft een voorlopige voorziening ingediend tot – samengevat - betaling van het salaris vanaf 19 februari 2026 en wedertewerkstelling bij herstel, op straffe van een dwangsom. Ook heeft [verweerder] een zelfstandig tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt – samengevat - veroordeling van Kwadrant tot betaling van het loon vanaf 19 februari 2026 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede wedertewerkstelling zodra hij voldoende hersteld is onder verbeurte van een dwangsom.\n\n4.3.. Voor zover er toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] – samengevat - om toekenning van een billijke vergoeding van € 50.000,00 en betaling van de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens verzoekt [verweerder] veroordeling van Kwadrant tot betaling van zijn salaris en de volledig eindafrekening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.\n\n5. De beoordeling van het verzoek\n\n5.1.. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft mr. Bauer namen [verweerder] bezwaar gemaakt tegen het late tijdstip van indiening door Kwadrant van de akte met producties 39 tot en met 42. De kantonrechter zal het namens [verweerder] ingediende bezwaar passeren. De goede procesorde staat niet aan toelating in de weg. Daarbij wordt in aanmerking genomen de – niet weersproken - toelichting van Kwadrant inhoudende dat de stukken niet eerder door haar konden worden ingediend en ook deels bekend waren. Dat [verweerder] niet voldoende gelegenheid heeft gehad om te kunnen reageren op de stukken is niet gebleken. De stukken worden daarmee geacht deel uit te maken van het procesdossier.\n\n5.2.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n5.3.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.Verder mag er geen opzegverbod in de weg staan aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.\n\nhet opzegverbod tijdens ziekte staat niet in de weg aan ontbinding\n\n5.4.. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] sinds 5 februari 2026 wegens ziekte ongeschikt is voor zijn werk. Dit opzegverbod staat echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Het verzoek om ontbinding is gegrond op verwijtbaar gedrag (frauduleus handelen en het frustreren van het onderzoek) en dat staat in dit geval los van de ziekte van [verweerder] .\n\ner is een redelijke grond voor ontbinding\n\n5.5.. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding, omdat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\n5.6.. Kwadrant legt aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen door [verweerder] doordat hij de initiator is geweest van een constructie waarbij derden, namelijk [naam 1] en [bedrijf 1] , facturen bij Kwadrant indienden voor niet verrichte werkzaamheden en waarbij hij zelf een substantieel deel van de opbrengsten ontving. [verweerder] heeft gebruikmakend van zijn kennis van de organisatie en van het betaalproces gefraudeerd en daarbij gelden onttrokken aan Kwadrant voor een bedrag van € 121.97,80.\n\n5.7.. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft Kwadrant zich onder meer gebaseerd op het onderzoek van [bedrijfsrecherche] . Hieruit is volgens Kwadrant gebleken dat [verweerder] instructies heeft gegeven aan [bedrijf 1] ( [naam 3] ) en [naam 1] over het indienen van facturen bij Kwadrant. Ook is uit het onderzoek gebleken dat in de mailbox van [verweerder] concepten en e-mails zijn aangetroffen die rechtstreeks aansloten bij de ingediende facturen terwijl er geen aanwijzingen waren dat er daadwerkelijk werkzaamheden door [naam 1] en [bedrijf 1] waren verricht voor Kwadrant. Het enkele verweer dat [verweerder] hier tegenover stelt, namelijk dat iedereen in zijn computer kon en e-mails kon opstellen en versturen, dat gemotiveerd is weersproken door Kwadrant - onder meer met het argument van het clean desk\u002Fclear screen-beleid - wordt in dit verband onvoldoende geacht. Het had op de weg van [verweerder] gelegen zijn verweer nader te specificeren, bijvoorbeeld door onderbouwd aan te geven wie dit dan gedaan zou (kunnen) hebben, op welke wijze en met welke reden, hetgeen [verweerder] niet heeft gedaan. De kantonrechter acht de conclusie van [bedrijfsrecherche] dat [verweerder] zijn kennis van de organisatie heeft gebruikt om op onrechtmatige wijze geld van zijn werkgever te onttrekken dan ook gerechtvaardigd.\n\n5.8.. Kwadrant heeft haar stelling dat [verweerder] bovendien als spin in het web van de door [bedrijfsrecherche] geconstateerde fraude moet worden beschouwd, onderbouwd met de via [naam 1] in het geding gebrachte Whatsapp- en Signalcorrespondentie, en zijn bankafschriften. Volgens Kwadrant blijkt uit de inhoud van die overgelegde correspondentie en bankafschriften dat [verweerder] en [naam 1] elkaar kennen, dat [verweerder] het initiatief heeft genomen tot de facturatie, dat [verweerder] facturen heeft opgesteld of laten opstellen, dat hij de betaling binnen Kwadrant heeft gevolgd en dat [naam 1] vervolgens 70% van de ontvangen bedragen aan [verweerder] heeft doorbetaald. [verweerder] betwist dat hij [naam 1] kent en dat hij heeft deelgenomen aan de in het geding gebrachte Whatsapp- en Signalcorrespondentie. Volgens [verweerder] is de correspondentie gefabriceerd en niet van hem afkomstig.\n\n5.9.. De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat er in de periode juni 2025 tot en met januari 2026 facturen zijn ingediend door [naam 1] en [bedrijf 1] . Ook staat vast dat het bedrag ad € 18.997,00 dat Kwadrant aan [bedrijf 1] heeft betaald, inmiddels volledig is terugbetaald door [bedrijf 1] aan Kwadrant. Het verweer van [verweerder] dat [bedrijf 1] in opdracht van [verweerder] (naar genoegen) werkzaamheden zou hebben verricht zonder dat [verweerder] betrokken was bij de facturering hiervan faalt. Nog daargelaten dat uit het onderzoek van [bedrijfsrecherche] reeds is gebleken dat [verweerder] wel degelijk betrokken was bij de (instructies over de) facturering, wordt zijn stelling dat in opdracht werkzaamheden zijn verricht door [bedrijf 1] gelogenstraft door de terugbetaling van het gehele bedrag door [bedrijf 1] .\n\n5.10.. Wat [naam 1] betreft heeft Kwadrant onder overlegging van bankafschriften gesteld dat [naam 1] € 72.061,00 aan [verweerder] heeft overgemaakt, wat als zodanig ook niet wordt betwist door [verweerder] . De kantonrechter neemt daarom tot uitgangspunt dat [verweerder] in ieder geval € 72.061,00 heeft ontvangen. De verklaring ter zitting van [verweerder] dat het overboekingen waren vanwege privézaken acht de kantonrechter niet geloofwaardig, temeer nu [verweerder] anderzijds heeft betoogd dat hij [naam 1] niet kent. Beide stellingen vallen niet met elkaar te rijmen. Kwadrant heeft naast de betalingsverklaring en het daarbij behorende brondocument (zie r.o. 2.35) correspondentie in het geding gebracht waarin onder meer in detail wordt gesproken over (de wijze, het aanmaken, en de aankondiging van) de facturering, waarin betaalverzoeken worden gedaan, de 70\u002F30 verdeling van gelden wordt besproken en instructies worden gegeven over wat [naam 1] wel en niet moet zeggen als de bank vragen stelt. [verweerder] heeft hier tegenover enkel als algemeen verweer aangevoerd dat de betalingsverklaring en de correspondentie fake zijn en niet van hem afkomstig zijn. Dit verweer wordt onvoldoende geacht. Het had op de weg van [verweerder] gelegen om tegenover de concrete, specifieke feiten en omstandigheden die Kwadrant ter onderbouwing van haar stellingen naar voren heeft gebracht, ook met een gemotiveerd en specifiek verweer te komen. Het algemene, niet nader onderbouwde verweer van [verweerder] volstaat in dat verband niet.\n\ner is sprake van ernstige verwijtbaarheid\n\n5.11.. De conclusie van de kantonrechter is dat Kwadrant voldoende heeft gesteld dat [verweerder] als spin in het web van frauduleuze handelingen, in de vorm van spookfacturen, ten nadele van Kwadrant heeft gefungeerd en daarmee een aanzienlijk bedrag aan zorggeld heeft onttrokken. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze gedragingen van [verweerder] zodanig verwijtbaar dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het is – zoals zij heeft aangevoerd - voor Kwadrant, die werkt met publieke middelen, van groot belang dat zij kan vertrouwen op de integriteit van haar medewerkers en dat geldt zeker voor een [functie] die toegang heeft tot systemen, processen en informatie. Van een [functie] mag volstrekt integer handelen worden verwacht en naar het oordeel van de kantonrechter moet [verweerder] zich ook bewust zijn geweest van het onoirbare karakter van zijn gedragingen en de integriteitsschending die hij hiermee heeft gepleegd. De kantonrechter kwalificeert het handelen van [verweerder] dan ook niet slechts als verwijtbaar maar tevens als ernstig verwijtbaar.\n\ngeen herplaatsing en ontbindingsdatum per heden\n\n5.12.. Omdat de kantonrechter het handelen van [verweerder] als ernstig verwijtbaar kwalificeert ligt herplaatsing niet in de rede. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 24 juni 2026, de datum van deze beschikking.Dat is conform het verzoek van Kwadrant op een eerdere datum dan die waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.\n\ngeen transitievergoeding en geen billijke vergoeding\n\n5.13.. Omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] is op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW geen transitievergoeding verschuldigd. Nu [verweerder] geen aanspraak heeft op een transitievergoeding, wordt zijn (voorwaardelijk) tegenverzoek op dit punt afgewezen.\n\n5.14.. Voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerder] bestaat evenmin grond. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.Daarvan is in dit geval geen sprake, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbare gedragingen van [verweerder] . Hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd over onterechte beschuldigingen aan zijn adres met als gevolg reputatieschade en stress, alsmede de verwijten die Kwadrant worden gemaakt ten aanzien van werkdruk en werkomstandigheden die tot arbeidsongeschiktheid van [verweerder] zouden hebben geleid – hetgeen door Kwadrant wordt weersproken - kunnen [verweerder] dan ook, wat daar ook van zij, niet baten.\n\n5.15.. Kwadrant hoeft geen gelegenheid te krijgen het ontbindingsverzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.\n\nKwadrant heeft schade geleden\n\n5.16.. Kwadrant heeft aan haar verzoek tot schadevergoeding het volgende ten grondslag gelegd. Door de bedrijfsfraude is € 121.797,80 aan Kwadrant onttrokken. Hiervan is later € 18.997,00 door [bedrijf 1] terugbetaald. Het resterende bedrag van € 102.800,80 dat ziet op de onterecht door Kwadrant betaalde facturen van [naam 1] dient voor rekening van [verweerder] te komen, die aansprakelijk is vanwege zijn onrechtmatige en ernstig verwijtbare handelen alsmede op grond van artikel 7:661 BW, nu er sprake is van opzettelijk handelen door [verweerder] . Ter onderbouwing van de gestelde schade van € 102.800,80 heeft Kwadrant de aan haar gerichte facturen van [bedrijf 1] en [naam 1] in het geding gebracht. Tevens vordert Kwadrant op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de kosten van het onderzoek naar bedrijfsfraude van [bedrijfsrecherche] (ad € 18.696,07) en de accountant (nader op te maken bij staat) die zij heeft moeten maken.\n\n5.17.. \n [verweerder] heeft de verschuldigdheid van enige schadevergoeding betwist, primair omdat volgens hem de grondslag voor aansprakelijkheid ontbreekt, subsidiair omdat de schadevordering te complex zou zijn om als nevenverzoek te kunnen worden behandeld in de onderhavige procedure.\n\n5.18.. Naar het oordeel van de kantonrechter kwalificeert het handelen van [verweerder] niet alleen als ernstig verwijtbaar maar tevens als onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. Daarmee is de grondslag voor de aansprakelijkheid van [verweerder] voor de door zijn handelen veroorzaakte schade al gegeven en faalt zijn verweer op dit punt. Nu de schade verband houdt met de (beëindiging van de) arbeidsovereenkomst en met het handelen van [verweerder] als werknemer kan de verzochte schadevergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW als nevenverzoek worden behandeld.\n\n5.19.. Ten aanzien van de omvang van de schade wordt overwogen dat voldoende onderbouwd gesteld en niet (voldoende) weersproken is dat Kwadrant (ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [verweerder] ) ten onrechte een bedrag van € 102.800,80 aan [naam 1] heeft voldaan, zodat vaststaat dat dit bedrag onttrokken is aan Kwadrant.\n\n5.20.. \n [verweerder] heeft ter zitting de omvang van de schade waarvoor hij aansprakelijk kan worden gehouden betwist met het argument dat er op grond van de stukken onvoldoende bewijs is dat hij dermate grote bedragen heeft ontvangen. Dit verweer faalt. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld kan ervan worden uitgegaan dat een bedrag van in ieder geval € 72.061,00 van [naam 1] naar [verweerder] is overgemaakt. Maar, ongeacht of het resterende ontbrekende bedrag nog in bezit is van [naam 1] of iemand anders, acht de kantonrechter dat, gelet op alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en verband bezien, voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] een allesbepalende, coördinerende en prominente rol in de gehele constructie van de spookfacturen heeft gespeeld. Dit kan genoegzaam worden afgeleid uit onder meer de in het geding gebrachte WhatsApp- en Signalcorrespondentie. Daarmee is [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter aansprakelijk voor de totale schade die Kwadrant heeft geleden door het ten onrechte betalen van de facturen aan [naam 1] . De vordering onder II. zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke betaaldata door Kwadrant van de onderliggende facturen.\n\n5.21.. Kwadrant heeft verder nog om vergoeding van kosten verzocht voor het onderzoek van [bedrijfsrecherche] als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Kwadrant heeft haar schade onderbouwd met in het geding gebrachte facturen van [bedrijfsrecherche] . [verweerder] heeft de (omvang van de) schade niet weersproken en ook anderszins is niet gebleken dat deze niet redelijk is. De onder III. verzochte schadevergoeding zal daarom als onweersproken worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid van de facturen van [bedrijfsrecherche] . Nu de grondslag voor de aansprakelijkheid van [verweerder] vast staat en aannemelijk is dat er (een mogelijkheid voor) schade is in verband met het boekenonderzoek door de accountant, zal de onweersproken verzochte verwijzing naar de schadestaatprocedure in verband met accountantskosten eveneens worden toegewezen.\n\nproceskosten\n\n5.22.. De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van Kwadrant worden begroot op € 2.513,00 (€ 1.504,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nbeslagkosten\n\nKwadrant verzoekt [verweerder] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 873,04 voor kosten deurwaardersexploten en € 577,00 voor salaris gemachtigde (1,0 punt × € 577,00), totaal € 1.450,04.\n\n6. De beoordeling van het tegenverzoek\n\ngeen wedertewerkstelling\n\n6.1.. Het oordeel dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zal eindigen per heden, betekent dat het verzoek tot wedertewerkstelling en de daaraan gekoppelde dwangsom niet voor toewijzing in aanmerking komen.\n\nloonbetaling\n\n6.2.. \n [verweerder] heeft verzocht om zijn salaris vanaf 19 februari 2026 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd te betalen. [verweerder] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de loonstop die Kwadrant per die datum heeft ingevoerd onterecht was. [verweerder] heeft volgens hem meegewerkt aan alles wat er gevraagd werd, alleen niet op de manier die Kwadrant voor ogen stond. [verweerder] heeft gereageerd op de verzoeken van zijn werkgever en van de bedrijfsarts en ook aangegeven dat hij mediation wilde. Kwadrant wilde echter openheid over de kwestie rond de facturen en de afspraken die zij wilde maken waren daarop gericht en niet op zijn re-integratie, aldus [verweerder] .\n\n6.3.. Kwadrant betwist dat zij nog loon is verschuldigd aan [verweerder] en heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. De bedrijfsarts heeft op 19 februari 2026 geoordeeld dat een gesprek tussen [verweerder] en de werkgever mogelijk was onder voorwaarden. Kwadrant heeft die voorwaarden gerespecteerd en zij heeft expliciet bij de bedrijfsarts gevraagd of [verweerder] tot een gesprek in staat was. Vanwege het weigeren te voldoen aan deze redelijke instructie van Kwadrant, namelijk het in gesprek gaan over de facturen, dat conform het advies van de bedrijfsarts kon worden verlangd van [verweerder] , is het loon – na opschorting – terecht stopgezet, aldus Kwadrant.\n\n6.4.. De kantonrechter is van oordeel dat Kwadrant het loon van [verweerder] ten onrechte heeft stopgezet. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:629 BW heeft een werknemer tijdens ziekte in beginsel aanspraak op doorbetaling van loon. Enkel onder bepaalde, strikte voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. Aan deze voorwaarden is naar het oordeel van de kantonrechter hier niet voldaan. Als volgt wordt overwogen.\n\n6.5.. Volgens Kwadrant heeft [verweerder] geweigerd mee te werken aan een redelijke werkinstructie van zijn werkgever, waardoor hij geen aanspraak heeft op loon. Dit is echter onvoldoende voor stopzetting van het loon, nu niet gebleken is dat de instructie in kwestie gericht was op de re-integratie van [verweerder] . [verweerder] heeft in dit verband gesteld dat de aan hem gerichte verzoeken van Kwadrant enkel bedoeld waren om het gesprek aan te gaan over de facturenkwestie met [bedrijfsrecherche] . Deze stelling vindt steun in de feiten en wordt ook niet (voldoende) betwist door Kwadrant. De enkele stelling ter zitting dat redelijke instructies en noodzakelijke communicatie niet alleen voor het onderzoek maar ook in het kader van de re-integratie van [verweerder] bedoeld waren, wordt niet gehonoreerd. Daartoe wordt van belang geacht dat in de in het geding gebrachte correspondentie steevast naar voren komt dat Kwadrant [verweerder] wilde (laten) horen in het kader van het onderzoek naar de facturen. De bedrijfsarts staat, zoals Kwadrant zelf ook ter zitting heeft aangevoerd, buiten het geschil en oordeelt uitsluitend over de belastbaarheid en gespreksmogelijkheid. Uitgangspunt is de re-integratie van de werknemer en niet het verkrijgen van informatie in verband met een fraudeonderzoek. Dit blijkt ook wel uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 19 februari 2026 waarin geadviseerd wordt om ‘probleem oplossend’ met elkaar in gesprek te gaan (zie r.o.2.21). De weigering van [verweerder] om mee te werken aan de ondervraging door [bedrijfsrecherche] en het afhouden van de door Kwadrant voorgestelde gesprekken die enkel gericht waren op het fraude-onderzoek, kan [verweerder] weliswaar worden verweten maar rechtvaardigt niet de stopzetting van het loon van [verweerder] tijdens ziekte.\n\n6.6.. Het voorgaande betekent dat het verzoek tot loonbetaling van [verweerder] over de periode van 19 februari 2026 tot aan de datum van beëindiging van de arbeidsrelatie, 24 juni 2026, zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval, met name de ernstige verwijtbaarheid aan het adres van [verweerder] , aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf het moment van opeisbaarheid van het loon.\n\n6.7.. De proceskosten in het tegenverzoek komen voor rekening van Kwadrant, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. Gelet op de samenhang met het verzoek en omdat ten behoeve van het tegenverzoek geen zelfstandige proceshandelingen zijn verricht, worden de proceskosten aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op nihil.\n\nVoorlopige voorziening\n\n6.8.. Nu uitspraak is gedaan in het tegenverzoek wordt niet toegekomen aan de behandeling van de verzochte voorlopige voorzieningen.\n\n7. De verdere beoordeling in het verzoek en het tegenverzoek\n\nVerrekening\n\n7.1.. Kwadrant beroept zich op verrekening. Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van betaling van de vordering. Gelet op hetgeen hiervoor over het verzoek is overwogen en geoordeeld, heeft Kwadrant recht op betaling van schadevergoeding van in ieder geval € 121.496,87 en heeft zij aldus een vordering op [verweerder] . De vordering van achterstallig loon die [verweerder] op Kwadrant heeft is lager. Het verzoek van Kwadrant om toe te staan dat hetgeen zij nog aan [verweerder] verschuldigd is wordt verrekend met haar opeisbare vordering, wordt dan ook toegestaan.\n\n8. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin de zaak van het verzoek\n\n8.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 24 juni 2026;\n\n8.2.. bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding;\n\n8.3.. veroordeelt [verweerder] tot betaling van € 121.496,87 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 102.800,80 vanaf de respectievelijke betaaldata van de onderliggende facturen en over € 18.696,07 vanaf de dag der verschuldigdheid van de onderliggende facturen van [bedrijfsrecherche] ;\n\n8.4.. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Kwadrant van de accountantskosten gemaakt in het kader van het fraudeonderzoek naar de facturen van [bedrijf 1] en [naam 1] , nader op te maken bij staat;\n\n8.5.. veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 2.513,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n8.6.. veroordeelt [verweerder] in de beslagkosten van € 1.450,04;\n\n8.7.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n8.8.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nIn de zaak van het tegenverzoek\n\n8.9.. veroordeelt Kwadrant om een [verweerder] te betalen het salaris vanaf 19 februari 2026 tot 24 juni 2026 van € 5.787,48 bruto per maand, alsmede het vakantiegeld en overige emolumenten over deze periode, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de loonbetalingen tot aan de dag van volledige betaling;\n\n8.10.. veroordeelt Kwadrant in de proceskosten, tot op heden vastgesteld op nihil;\n\n8.11.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nEn voorts in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek\n\n8.12.. bepaalt dat Kwadrant het op grond van r.o. 8.9 verschuldigde bedrag mag verrekenen met het op grond van r.o. 8.3 van [verweerder] te ontvangen bedrag.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. T.K. Hoogslag en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n426.\n\n Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 2 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder b, BW\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2457","2026-07-13T00:29:06.676Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":45,"courtId":69,"decisionDate":130,"fullText":138,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":53,"updatedAt":140},"1415","ECLI:NL:RBNHO:2026:7434","ecli-nl-rbnho-2026-7434","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12108488 \\ CV EXPL 26-1065\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] (China),\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: mr. C.P. Bean,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap, NINA.CARE B.V.,\n\nte Haarlem,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Nina.Care,\n\nverschenen bij haar directeur-eigenaar, mw. [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 10 februari 2026 met productie(s); - de conclusie van antwoord van 25 februari 2026 met productie(s);\n\n- het bericht van 17 mei 2026 met productie(s) van [eiser]; - het bericht van 28 mei 2026 met productie(s) van Nina.Care; - de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van [eiser].\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Nina.Care is een platform gericht op au pair-matching.\n\n2.2.. \n [eiser] heeft van oktober 2022 tot september 2023 als au pair in Nederland gewerkt via Nina.Care.\n\n2.3.. \n\n [eiser] is sinds 1 januari 2024 bij Nina.Care in dienst als International Agent. In de arbeidsovereenkomst staat (onder meer):\n\n“5. Working hours and workplaceThe employee works part-time for (26) hours per week. Employee works at the office at least TWO(2) times a week. The other days the employee works from home or where he\u002Fshe can work comfortably.\n\n6. Salary and holiday allowanceThe Employee’s gross monthly salary based on a 40 hour working week is €3.672 and is paid out on a pro-rata basis of (26) hours. The salary is paid on the 26th of every month, net of the statutory and any agreed deductions, by transfer to a bank account specified by the Employee. (…)\n\n7. Holidays\n\nThe Employee is entitled to 25 days paid holiday per calendar year on the basis of a 40-hour working week (…)”\n\n2.4.. Voorafgaand aan het tekenen van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] op 21 december 2023 aan Nina.Care geschreven:\n\n“(…) So in the contract I’m doing 26 hours part time (I understand actually it’s 40 hours) so based that can I still get 25 holidays or it’s less? (…)”\n\n2.5.. \n [gemachtigde] (HR en Finance Manager bij Nina.Care) heeft hier als volgt op gereageerd:\n\n“(…) 1. Office Attendance: I understand the challenges you may face. This is our standard contract, but of course we agree to work remotely full time! If you can come to the office then, super nice!\n\n2. Holidays: Because you will work 40 hours, you also receive 25 days! But I can not put that in the contract!(…)”\n\n2.6.. De arbeidsovereenkomst van [eiser] is per 1 januari 2025 verlengd voor de duur van 12 maanden, waarbij de contracturen zijn gewijzigd van 26 uur naar 25,5 uur per week en het salaris van € 2.386,00 naar € 2.491,98 (gebaseerd op een bruto maandsalaris van € 3.909,00 voor 40 uur per week).\n\n2.7.. In juli 2025 heeft [eiser] op verzoek van Nina.Care drie weken onbetaald verlof opgenomen, omdat het financieel slecht ging met het bedrijf.\n\n2.8.. \n [eiser] heeft over de maand juli 2025 een bedrag van € 404,44 aan salaris ontvangen.2.9.. De arbeidsovereenkomst is per 1 september 2025 op initiatief van [eiser] beëindigd.2.10.. Bij e-mail van 27 augustus 2025 heeft [eiser] Nina.Care verzocht om tot betaling van het achterstallige loon over juli 2025 over te gaan. Nina.Care heeft op 13 oktober 2025 aan [eiser] laten weten dat zij geen loon meer verschuldigd is over juli 2025.\n\n2.11.. Bij brief van 20 november 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] Nina.Care gesommeerd tot betaling van het achterstallige salaris over juli 2025 én overige achterstallige loon over de periode dat [eiser] bij Nina.Care in dienst was.\n\n2.12.. Op 4 december 2025 is [eiser] akkoord gegaan met een aanbod van Nina.Care tot betaling van € 1.731,31, onder de voorwaarde dat Nina.Care al het beeldmateriaal van [eiser] op de sociale media, brochures en website van Nina.Care zou verwijderen. Omdat betaling uitbleef en het beeldmateriaal online bleef staan, heeft [eiser] de schikking ontbonden.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Nina.Care tot betaling van het achterstallig loon over juli 2025 (€ 1.731,31 netto) en over de periode van januari 2024 tot en met juni 2025 (€ 27.368,78 bruto), te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Daarnaast vordert [eiser] dat Nina.Care veroordeeld wordt om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis al het beeldmateriaal van [eiser] op de website, brochures en\u002Fof sociale media van Nina.Care te verwijderen, op straffe van een dwangsom. Dit alles met veroordeling van Nina.Care in de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten.\n\n3.2.. Nina.Care voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nLoonvordering juli 2025\n\n4.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] in juli 2025 op verzoek van Nina.Care drie weken (van maandag 7 juli 2025 tot en met vrijdag 25 juli 2025) onbetaald verlof heeft opgenomen. Volgens [eiser] zijn partijen daarbij overeengekomen dat [eiser] per week onbetaald verlof, één dag betaald zou krijgen (in totaal dus drie dagen). Nina.Care heeft het bestaan van deze afspraak niet betwist, zodat dit als vaststaand zal worden aangenomen. Ook staat als onbetwist vast dat [eiser] voorafgaand aan het onbetaalde verlof vier dagen heeft gewerkt (van dinsdag 1 juli tot en met vrijdag 4 juli 2025).\n\n4.2.. Ter discussie staat de vakantie die [eiser] na afloop van het onbetaalde verlof heeft opgenomen (van maandag 28 juli tot en met donderdag 31 juli 2025). Nina.Care heeft in dit verband gesteld dat drie van de vier vakantiedagen als TOIL (‘time off in lieu’, ook wel: compensatieverlof) moeten worden aangemerkt. [eiser] heeft volgens Nina.Care echter niet aangetoond op welke momenten zij extra (over)uren zou hebben gewerkt, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een positief compensatieverlofsaldo. Het ontbreken van een positief compensatieverlofsaldo heeft tot gevolg dat de opgenomen vrije dagen moeten worden aangemerkt als onbetaald verlof. [eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat zij (op verzoek van Nina.Care) wel eens extra zaterdagen heeft gewerkt, in ruil waarvoor zij vrije dagen (TOIL) zou krijgen. De gewerkte (over)uren gaf zij door aan de HR-afdeling van Nina.Care, die de uren vervolgens in het HR-systeem ‘HiBob’ registreerde.\n\n4.3.. De kantonrechter overweegt als volgt. Het is aan Nina.Care als werkgever om een deugdelijke urenregistratie bij te houden. Nu Nina.Care geen urenoverzicht of andere administratie heeft overgelegd waaruit blijkt welke uren zijn opgebouwd, opgenomen of nog openstonden, kan haar stelling dat geen compensatieverlofsaldo bestond niet zonder meer worden gevolgd. Het door Nina.Care overgelegde overzicht van geaccordeerde vakantieaanvragen is in dit verband onvoldoende, omdat hieruit geen urensaldo blijkt. De gevolgen van het ontbreken van een deugdelijke registratie van het verlofsaldo komen voor rekening van Nina.Care.\n\n4.4.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] over de maand juli 2025 recht heeft op een salaris gelijk aan 11 werkdagen. Dit komt volgens [eiser] neer op een bedrag van € 2.135,55 bruto (naar rato berekend). [eiser] heeft echter slechts een bedrag van € 404,44 netto uitbetaald gekregen. Dat betekent dat [eiser] nog recht heeft op uitbetaling van het netto equivalent van € 2.135,55 bruto minus € 404,44 netto. [eiser] vordert het verschil tussen deze bedragen, zonder het bruto bedrag eerst naar een netto bedrag te herleiden. De vordering berust daarmee op een onjuiste vermenging van bruto- en nettobedragen. De vordering wordt daarom in zoverre toegewezen dat het bruto bedrag van € 2.135,55 wordt toegewezen, onder inhouding van de wettelijk verplichte loonheffingen en onder verrekening van het reeds betaalde bedrag van € 404,44 netto.\n\n4.5.. Omdat Nina.Care zich bereid heeft getoond om het achterstallig salaris over juli 2025 te voldoen, maar zij door financiële redenen de uiterste betaaldatum heeft gemist en er dus geen sprake is van betalingsonwil, ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 15%.\n\n4.6.. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd.\n\nOmvang dienstverband\n\n4.7.. De volgende vraag die voorligt is of partijen een fulltime dienstverband van 40 uur per week zijn overeengekomen en of [eiser] gedurende haar dienstverband feitelijk structureel 40 uur per week heeft gewerkt. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Daartoe wordt als volgt overwogen.\n\n4.8.. \n [eiser] heeft ter zitting verklaard dat [gemachtigde] (medeoprichtster van Nina.Care) haar tijdens een gesprek op het kantoor van Nina.Care in Amsterdam heeft verteld dat de functie waarvoor [eiser] in aanmerking kwam een fulltime functie van 40 uur per week betrof. Omdat voor kennismigranten echter een minimumsalaris geldt en Nina.Care dat salaris niet kon bieden, zou in de arbeidsovereenkomst een kleinere arbeidsomvang (namelijk 26 uur) worden opgenomen. Op die manier zou [eiser] alsnog in aanmerking komen voor een visum en verblijfsvergunning als kennismigrant in Nederland. [eiser] heeft met deze constructie ingestemd, omdat dit volgens Nina.Care ook zo bij andere werknemers werd toegepast. Na ontvangst van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] nog wel een aantal vragen gesteld aan (de HR afdeling van) Nina.Care over (onder meer) de verwachte (fysieke) aanwezigheid op kantoor en het aantal vakantiedagen bij de arbeidsomvang. In reactie daarop heeft Nina.Care bij e-mail van 21 december 2023 aan [eiser] laten weten dat zij, omdat zij 40 uur per week zou gaan werken, recht had op 25 vakantiedagen, maar dat dit niet in het contract kon worden opgenomen. Daarnaast heeft zij bevestigd dat [eiser] fulltime vanuit huis mocht werken (zie 2.5).\n\n4.9.. De stelling van Nina.Care dat zij met de opmerking “Because you will work 40 hours, you also receive 25 days” (slechts) heeft bedoeld dat er in bepaalde periodes (rondom evenementen en in piekperiodes) een grote mate van flexibiliteit en beschikbaarheid van [eiser] werd verwacht, maar dat zij nooit van [eiser] heeft gevraagd om structureel 40 uur per week te werken, acht de kantonrechter tegenover het gemotiveerde betoog van [eiser] onaannemelijk. De kantonrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.\n\n4.10.. Ook de stelling van Nina.Care dat [eiser] feitelijk onmogelijk 40 uur per week voor Nina.Care kan hebben gewerkt omdat zij het grootste deel van de tijd in het buitenland verbleef, treft geen doel. Het was [eiser] immers expliciet door Nina.Care toegestaan om fulltime op afstand (en dus ook vanuit het buitenland) te werken. De door Nina.Care overgelegde verklaringen van [betrokkene 1] (leidinggevende van [eiser]), [betrokkene 2] (data-analist bij Nina.Care), [betrokkene 3] (medeoprichtster van Nina.Care) en [betrokkene 4] (HR medewerker bij Nina.Care) kunnen haar evenmin baten. Deze verklaringen zijn namelijk uitsluitend gebaseerd op persoonlijke observaties met betrekking tot de flexibiliteit waarmee [eiser] haar werkzaamheden en werktijden inrichtte, en haar (regelmatige) verblijf in het buitenland. Deze omstandigheden sluiten een 40-urige werkweek echter niet uit en zeggen niets over de feitelijke omvang van de verrichte arbeid. Bovendien heeft [eiser] op haar beurt óók verklaringen van (oud-)collega’s overgelegd, die hebben verklaard dat [eiser] juist wél 40 uur per week heeft gewerkt.\n\n4.11.. Het had op de weg van Nina.Care gelegen om haar verweer met nadere bewijsstukken (zoals timesheets, login-data, urenregistraties of werkroosters) te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten. De conclusie is dan ook dat Nina.Care de stelling(en) van [eiser] inhoudende dat de in de arbeidsovereenkomst opgenomen arbeidsomvang van 26 uur dan wel 25,5 uur per week slechts een administratieve formaliteit betrof, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een arbeidsomvang van 40 uur per week.\n\nKlachtplicht\n\n4.12.. \n [eiser] heeft gedurende haar dienstverband een salaris ontvangen op basis van 26 uur (2024) dan wel 25,5 uur (2025) per week, berekend naar rato van een 40-urige werkweek. Omdat hiervoor is geoordeeld dat moet worden uitgegaan van een arbeidsomvang van 40 uur per week, heeft [eiser] in beginsel nog recht op nabetaling van de overige 14 c.q. 15,5 uur per week.\n\n4.13.. Nina.Care heeft gewezen op het geruime tijdsverloop tussen het einde van het dienstverband en het instellen van de vorderingen door [eiser]. De kantonrechter begrijpt dat Nina.Care hiermee een beroep doet op de klachtplicht.De ratio van de klachtplicht is het behoeden van de schuldenaar tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, en tegen vorderingen waarop hij zich, gezien het tijdsverloop niet meer behoefde in te stellen. Gelet op de gedachte van ongelijkheidscompensatie en bescherming van de werknemer die ten grondslag ligt aan het dwingendrechtelijk karakter van titel 10 van boek 7 Burgerlijk Wetboek, dient een beroep van de werkgever op schending van de klachtplicht door de werknemer terughoudend te worden getoetst.\n\n4.14.. \n [eiser] heeft op de zitting aangegeven dat zij pas na het inwinnen van juridisch advies over haar rechtspositie ten aanzien van haar vordering met betrekking tot juli 2025 heeft begrepen dat de door Nina.Care gehanteerde constructie niet was toegestaan en dat zij recht had op loon over haar volledige arbeidsomvang. [eiser] komt uit China en heeft geen kennis van het Nederlandse arbeidsrecht. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de kantonrechter dat in redelijkheid niet van [eiser] kon worden verwacht dat zij hierover eerder bij Nina.Care had geklaagd. Het beroep op de klachtplicht wordt daarom verworpen.\n\nLoonvordering januari 2024 tot en met juni 2025\n\n4.15.. Het voorgaande brengt mee dat [eiser] over 2024 (januari tot en met december) nog recht heeft op € 1.388,02 bruto per maand (inclusief vakantiegeld), en over 2025 (januari tot en met juni) op € 1.530,37 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Dit is het verschil tussen het in de arbeidsovereenkomst opgenomen voltijdsalaris minus het daadwerkelijk betaalde maandsalaris, vermeerderd met de vakantietoeslag.\n\n4.16.. De conclusie is dat de kantonrechter over de periode vanaf januari 2024 tot en met juni 2025 een bedrag van € 27.368,78 bruto aan achterstallig salaris zal toewijzen.\n\n4.17.. Hoewel het beroep op de klachtplicht niet slaagt, ziet de kantonrechter het lange tijdsverloop in deze zaak wel als een aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 15%.\n\n4.18.. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd.\n\nVerwijderen beeldmateriaal\n\n4.19.. Tussen partijen is niet in geschil dat Nina.Care al het beeldmateriaal waarop [eiser] te zien is van haar website, van haar sociale media en uit haar brochures moet verwijderen. Nina.Care heeft zich daartoe ook bereid verklaard. Tijdens de zitting is gebleken dat er (ondanks de poging(en) van Nina.Care om al het materiaal waarop [eiser] te zien is te verwijderen) toch nog een aantal foto’s op Instagram stond. Nina.Care heeft toegezegd dat zij die foto’s nog diezelfde dag zou verwijderen. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit inmiddels is gebeurd.\n\n4.20.. Indien er toch nog beeldmateriaal van [eiser] openbaar toegankelijk blijkt te zijn, ligt het op de weg van [eiser] om Nina.Care daar concreet op te wijzen, bijvoorbeeld door toezending van een link. Nina.Care wordt veroordeeld om het betreffende beeldmateriaal vervolgens binnen drie dagen na de hiervoor bedoelde melding te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 5.000,00.\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\n4.21.. \n [eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n4.22.. Nina.Care is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Nina.Care niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.154,00\n\n(2 punten × € 577,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.391,00\n\n4.23.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Nina.Care om een bedrag van € 2.135,55 bruto aan achterstallig loon over juli 2025 aan [eiser] te betalen, onder inhouding van de wettelijk verplichte loonheffingen en onder verrekening van het reeds betaalde bedrag van € 404,44 netto, vervolgens te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 15% en de wettelijke rente over het totaalbedrag vanaf 10 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.2.. veroordeelt Nina.Care om een bedrag van € 27.368,78 bruto aan achterstallig loon over januari 2024 tot en met juni 2025 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 15% en de wettelijke rente over het totaalbedrag vanaf 10 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. veroordeelt Nina.Care om beeldmateriaal waarop [eiser] herkenbaar voorkomt van haar website, brochures en sociale media te verwijderen, binnen drie dagen nadat zij door [eiser] op dat concrete beeldmateriaal is gewezen (bijvoorbeeld onder verwijzing van een link),\n\n5.4.. veroordeelt Nina.Care om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.3 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n5.5.. veroordeelt Nina.Care om een bedrag van € 1.294,85 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen,\n\n5.6.. veroordeelt Nina.Care in de proceskosten van € 1.391,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.7.. veroordeelt Nina.Care tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7434","2026-07-13T00:29:20.155Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":45,"courtId":59,"decisionDate":130,"fullText":145,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":53,"updatedAt":147},"718","ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","ecli-nl-rbams-2026-6434","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F787825 \u002F KG ZA 26-398 MdV\u002FKH\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nGRAND RELOCATION B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partij bij gelijkluidende dagvaardingen van 22 mei 2026,\n\nhierna te noemen: Grand Relocation,\n\nadvocaten: mr. I.A. Hoedemaeker en mr. G.T. Poolman,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] , handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [gedaagde 2],handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 2],\n\nte [plaats 2] , 3. [gedaagde 3], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 3],\n\nte [plaats 3] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nadvocaat: mr. Y. Moszkowicz.\n\n1. De procedure\n\nTer zitting van 10 juni 2026 heeft Grand Relocation de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Namens gedaagden is verweer gevoerd. Grand Relocation heeft producties ingediend en beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag. Ter zitting waren, voor zover relevant, aanwezig:\n\nnamens Grand Relocation: [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ) met mr. Hoedemaeker en mr. Poolman,\n\nnamens gedaagden: mr. Moszkowicz.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Grand Relocation is een onderneming die zich richt op beheersactiviteiten, exploitatie van onroerend goed, bemiddeling bij de (ver)huur van woonruimte en verwerving, restauratie en instandhouding van beschermde monumenten.\n\n2.2.. Gedaagden zijn voormalig medewerkers van Grand Relocation. [gedaagde 3] heeft er vijf jaar gewerkt, [gedaagde 1] acht jaar en [gedaagde 2] meer dan tien jaar.\n\n2.3.. De eenmanszaak van [gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 1] , is opgericht op 4 oktober 2020. De eenmanszaak van [gedaagde 3] , [handelsnaam gedaagde 3] , op 26 oktober 2023 en de eenmanszaak van [gedaagde 2] , [handelsnaam gedaagde 2] , op 1 januari 2024.\n\n2.4.. \n [gedaagde 3] is per 1 november 2024 uit dienst getreden. [gedaagde 2] is op 11 juni 2025 op staande voet ontslagen. [gedaagde 1] is op diezelfde datum op non-actief gesteld en na onderzoek is op 13 juni 2025 ook hij op staande voet ontslagen. In de ontslagbrieven aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] staat in het kort dat Grand Relocation documenten heeft aangetroffen op een aan haar toebehorende computer, waaruit zij heeft opgemaakt dat vanuit ongelieerde eenmanszaken ( [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] ) facturen zijn verzonden aan klanten van Grand Relocation, die vanuit Grand Relocation verzonden hadden moeten worden. Het zou gaan om een bedrag van ten minste € 26.266,24. In de brief aan [gedaagde 1] staat verder dat is gebleken dat zijn naam meerdere keren terugkomt in relatie tot de operaties van [handelsnaam gedaagde 3] .\n\n2.5.. Op 29 oktober 2025 stuurt Grand Relocation een brief aan gedaagden. Daarin staat samengevat dat zij zich gezamenlijk schuldig hebben gemaakt aan het wegsluizen van klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken. Zij stelt hen aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Om de volledige schade te kunnen vaststellen verzoekt zij hun uiterlijk binnen 14 dagen verschillende stukken met betrekking tot de administratie van [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 3] en [handelsnaam gedaagde 2] te verstrekken. Tot op heden zijn de gevraagde stukken niet aangeleverd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nGrand Relocation vordert, na eiswijziging, om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:\n\nI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, te verbieden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken;\n\nPrimair\n\nII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. De Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2022 (de voorzieningenrechter begrijpt: 2021, zie verderop) tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen;\n\nb. De bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten;\n\nc. De overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden;\n\nd. De (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation;\n\ne. De aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden.\n\nIII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om, binnen voormelde termijn, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis;\n\nSubsidiair\n\nIV. ieder van de gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van de onder II. genoemde Stukken ten aanzien van de ándere in deze dagvaarding genoemde entiteiten, voor zover zij daarover uit hoofde van hun samenwerking feitelijk beschikken dan wel de beschikkingsmacht hebben;\n\nMeer subsidiair\n\nV. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd (voorzien van bewijsstukken) op te geven over welke van de onder II genoemde Stukken zij wél en niet beschikken, waar deze zich bevinden en via welke (cloud\u002Fmail\u002Fboekhoud) omgevingen deze toegankelijk zijn;\n\nIn alle gevallen\n\nVI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation, op straffe van een dwangsom;\n\nVII. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer, op straffe van een dwangsom;\n\nVIII. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. Grand Relocation licht haar vordering als volgt toe. Zij heeft op 10 juni 2025 op een van haar computers documenten aangetroffen. Daaruit blijkt dat gedaagden ten tijde van hun dienstverband, naar het lijkt al sinds 2021, in georganiseerd verband een schaduwonderneming hebben opgezet en die meerdere jaren hebben geëxploiteerd. Zij hebben klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken en privérekeningen weggesluisd. In de aangetroffen documenten is een taakverdeling tussen gedaagden aangetroffen, zijn facturen gezien die vanuit de verschillende eenmanszaken werden verzonden, is een overzicht gevonden van hoe de winst werd verdeeld (en grotendeels cash werd uitbetaald), en is gezien dat voor een email-account van een van de eenmanszaken een wachtwoord werd gebruikt dat bestaat uit de drie voornamen van gedaagden. Ook zijn er e-mails aangetroffen waaruit blijkt dat klanten van Grand Relocation werden doorverwezen naar [handelsnaam gedaagde 3] . Dit is in strijd met het met gedaagden overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding en geheimhoudingsbeding. Ook los daarvan is het handelen van gedaagden onrechtmatig. Hierdoor heeft Grand Relocation schade geleden. Om te kunnen zien om hoeveel schade het gaat en om die schade op gedaagden te kunnen verhalen in een bodemprocedure, heeft zij de opgevraagde stukken nodig. Verder zijn de vorderingen erop gericht dat het onrechtmatig handelen stopt.\n\n3.3.. Gedaagden voeren verweer. Er is geen sprake van een spoedeisend belang, nu Grand Relocation pas een jaar na het laatste contact een kort geding start. Daarnaast is artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geschonden door te stellen dat ‘tot op heden geen inhoudelijk verweer is gevoerd’, terwijl dat wel het geval was, en doordat mr. Moszkowicz niet is betrokken als advocaat van gedaagden, maar de stukken rechtstreeks aan gedaagden verzonden zijn. Ook zijn de aangetroffen documenten op de werkcomputer van [gedaagde 2] onrechtmatig verkregen, nu deze beveiligd was met een persoonlijk wachtwoord dat uitsluitend bij haar bekend was. Toegang is verkregen door dat persoonlijke account te omzeilen en vervolgens haar persoonlijke cloudopslag en zelfs privémail te openen. Daar is geen toestemming voor verleend. Dit is in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook levert dit een strafbaar feit op in de zin van artikel 138ab, 350a Sr en 272 Wetboek van Strafrecht. Dit verkregen bewijs dient daarom buiten beschouwing te blijven. Tot slot is nakoming van de vorderingen onmogelijk, nu de door Grand Relocation gevorderde stukken niet bestaan. Grand Relocation baseert dat ook slechts op een vermoeden. Voor zover wel wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, geldt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 194 en 195 Rv. Ook een belangenafweging zou tot afwijzing moeten leiden.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In dit kort geding gaat het in het kort om de vraag of gedaagden gehouden zijn om de opgevraagde stukken beschikbaar te houden en over te leggen. Gedaagden hebben daartegen vooral formele bezwaren opgeworpen. Die zullen hierna eerst worden besproken, waarna een inhoudelijke beoordeling volgt.\n\n4.2.. Grand Relocation heeft haar eis gewijzigd in een door haar ter zitting deels voorgedragen pleitnota. Gedaagden hebben daartegen bezwaar gemaakt omdat wijziging van eis volgens hen per akte moet plaatsvinden. De eiswijziging wordt toegestaan, nu deze voldoet aan artikel 10.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, waarin staat dat eiswijziging schriftelijk moet (en ook nog ter zitting mag worden gedaan met pen en papier, zonder dat ondertekening vereist is). Inhoudelijk worden gedaagden door de eiswijziging niet in hun belangen geschaad. Bij de beoordeling wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde eis.\n\n4.3.. Volgens gedaagden is daarnaast geen sprake van een spoedeisend belang omdat Grand Relocation zelf pas een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomsten actie onderneemt door dit kort geding te starten. Daarin worden gedaagden niet gevolgd. Grand Relocation heeft ter zitting toegelicht dat zij in dat jaar bezig is geweest om de benodigde informatie van gedaagden te krijgen, een dossier op te bouwen en heeft geprobeerd om de kwestie zonder rechterlijke tussenkomst op te lossen. Dat zij een jaar heeft stilgezeten voordat zij actie ondernam, is dus feitelijk niet juist. Voor het overige volgt de spoedeisendheid voldoende uit de vorderingen zelf.\n\n4.4.. Verder voeren gedaagden aan dat artikel 21 Rv is geschonden, omdat hun advocaat niet (tijdig) is betrokken bij dit kort geding, terwijl duidelijk was dat mr. Moszkowicz hen bijstaat gelet op eerdere correspondentie. Dat levert geen schending op van artikel 21 Rv, maar zou hooguit kunnen resulteren in een aanhouding van de zaak om mr. Moszkowicz in de gelegenheid te stellen om zich in te lezen. Aanhouding is echter niet gevraagd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat gedaagden zich voldoende hebben kunnen voorbereiden.\n\n4.5.. Daarnaast zijn de stukken waarop Grand Relocation haar vorderingen baseert volgens gedaagden onrechtmatig verkregen, reden waarom die volgens hen buiten beschouwing zouden moeten blijven. Deze (betwiste) stelling wordt niet gevolgd. De documenten zijn aangetroffen op een computer die eigendom is van Grand Relocation. Als het bewijs al onrechtmatig verkregen zou zijn, betekent dat in het civiele recht niet zonder meer dat de (voorzieningen)rechter dit bewijs niet aan haar oordeel ten grondslag mag leggen. Dat geldt te meer in dit geval nu uit de stukken vrij evident volgt dat gedaagden zich ten tijde van hun dienstverband hebben beziggehouden met concurrerende werkzaamheden, wat op zichzelf ook niet gemotiveerd door gedaagden wordt betwist. De stelling van gedaagden dat zij toestemming hadden, is op geen enkele manier onderbouwd en is niet geloofwaardig.\n\n4.6.. Ten aanzien van [gedaagde 2] stellen gedaagden dat geen ondertekende arbeidsovereenkomst is overgelegd waaruit blijkt dat een nevenwerkzaamhedenbeding en\u002Fof een geheimhoudingsbeding met haar is overeengekomen. Ook dat baat gedaagden niet, nu Grand Relocation haar vorderingen niet uitsluitend baseert op de stelling dat in strijd met de arbeidsovereenkomst nevenwerkzaamheden zijn verricht of bedrijfsgevoelige informatie is gebruikt, maar ook op de stelling dat gedaagden in algemene zin onrechtmatig hebben gehandeld.\n\n4.7.. Op grond van de overgelegde stukken die Grand Relocation heeft achterhaald, is voorshands aannemelijk dat gedaagden zich hebben beziggehouden met onrechtmatig concurrerende activiteiten. De stukken waarvan afgifte wordt gevorderd zijn van belang voor het in kaart brengen van de omvang daarvan en de schade die als gevolg daarvan is geleden. Dat gedaagden de stukken niet hebben, is niet aannemelijk gelet op de administratieplicht die voor de eenmanszaken geldt, en strookt overigens ook niet met hun andere stelling dat de vorderingen moeten worden afgewezen vanwege privacy-redenen. Daarbij hebben gedaagden ook niet onderbouwd welke stukken niet zouden kunnen worden overgelegd gelet op de AVG. De stukken zijn verder voldoende bepaald; van een fishing expedition zoals gedaagden stellen is geen sprake.\n\n4.8.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van Grand Relocation bij het achterhalen van de omvang van de concurrerende werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende schade weegt zwaarder dan het belang van gedaagden om die informatie voor zichzelf te houden vanwege het feit dat dit hun persoonlijke levenssfeer in vergaande mate zou raken, zoals zij menen.\n\n4.9.. \n\nGelet op voorgaande worden de (primaire) vorderingen I tot en met III en de vorderingen VI tot en met VIII toegewezen. In haar eiswijziging heeft Grand Relocation beschreven dat in vordering II onder b, c en d en vordering III overal waar 1 januari 2022 staat, 1 januari 2021 moet worden gelezen omdat de concurrerende werkzaamheden volgens haar begonnen in 2021. Die eiswijziging heeft geen betrekking op vordering II sub a, maar dat wordt – gelet op de motivering dat de werkzaamheden in 2021 zijn gestart – als een kennelijke verschrijving gezien. Dat onderdeel van vordering II wordt daarom ook toegewezen over de periode 1 januari 2021 tot aan de dag van het vonnis.\n\nVerder wordt bij vordering II en III een termijn van vijf dagen gehanteerd. Aan de toegewezen vorderingen zal ook een dwangsom worden verbonden, nu er gelet op de houding van gedaagden niet op kan worden vertrouwd dat zij daaraan vrijwillig zullen voldoen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd zoals hierna bij de beslissing bepaald .\n\n4.10.. Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Grand Relocation worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n388,62\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.489,62\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.12.. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verbiedt gedaagden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken,\n\n5.2.. \n\nveroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. de Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen,\n\nb. de bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten,\n\nc. de overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden,\n\nd. de (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation,\n\ne. de aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden,\n\n5.3.. veroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis,\n\n5.4.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation,\n\n5.5.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer,\n\n5.6.. veroordeelt gedaagden om aan Grand Relocation een dwangsom te betalen van € 250 per persoon, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij\u002Fzij niet aan de veroordelingen onder 5.1 tot en met 5.5 voldoet, tot een maximum van € 50.000 per persoon is bereikt,\n\n5.7.. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 2.489,62,\n\n5.8.. veroordeelt gedaagden, als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en het vonnis vervolgens wordt betekend, in de extra proceskosten van € 98 plus de kosten van betekening,\n\n5.9.. veroordeelt gedaagden tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,\n\n5.10.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nColl: EB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","2026-07-13T00:28:44.583Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":45,"courtId":59,"decisionDate":152,"fullText":153,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":154,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":155},"717","ECLI:NL:RBAMS:2026:6601","ecli-nl-rbams-2026-6601","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12162456 \\ EA VERZ 26-386\n\nBeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap GOOGLE NETHERLANDS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Google,\n\ngemachtigde: mr. K. van Kranenburg-Hanspians.\n\nVERLOOP VAN DE PROCEDURE\n\nOp verzoek van [verzoeker] is op 24 maart 2026 een verzoekschrift, met producties, ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 196 en 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\nOp 28 mei 2026 is door Google een verweerschrift, met producties, ingediend.\n\n De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. [verzoeker] is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Namens Google zijn [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verschenen, vergezeld van de gemachtigde en mr. M.M.J. van Vliet. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn namens [verzoeker] nog aanvullende stukken in het geding gebracht. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities, zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\nTen slotte is een datum voor beschikking bepaald.\n\nGRONDEN VAN DE BESLISSING\n\nFeiten\n\n1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:1.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1989, is in oktober 2016 in dienst getreden bij Google Inc in de Verenigde Staten en vervolgens op 26 augustus 2019 in dienst getreden bij Google in de functie [functie] . Zijn salaris bedraagt € 9.666,67 bruto per maand.1.2.. Op 20 februari 2026 heeft Google een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ingediend bij de kantonrechter te Amsterdam. Op 6 maart 2026 is de mondelinge behandeling hiervoor bepaald op 3 juni 2026.1.3.. \n\nIn het verzoekschrift wordt door Google een samenvatting gegeven van de feiten en omstandigheden die volgens Google leiden tot een onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie tussen haar en [verzoeker] op grond waarvan de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Dit zijn:\n\n- Werkrelatie onder druk;\n\n- Interactie tussen [verzoeker] en zijn manager: lastig en teleurstellend;\n\n- Het functioneren van [verzoeker] leidt tot het einde van zijn inzet voor het klantaccount;\n\n- Frictie over het “hoe en wat”;\n\n- [verzoeker] staat niet open voor feedback;\n\n- Geen werkzaamheden sinds 22 oktober 2024: frequent ziekteverzuim wegens werkconflict;\n\n- [verzoeker] onderzoekt andere functies binnen Google in de VS.\n\n- [verzoeker] klaagt over prestatiebeoordelingen en verbeterplan.1.4.. In het daar namens [verzoeker] tegen ingediende verweerschrift van 26 mei 2026 is door [verzoeker] verweer gevoerd en is verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen.1.5.. In het verweerschrift heeft [verzoeker] vermeld dat hij op 15 oktober 2025 door het Huis voor Klokkenluiders formeel erkend is als klokkenluider en op 23 juli door de Autoriteit Consument en Markt is erkend als klokkenluider, zodat hij een beschermde status heeft in de ontbindingsprocedure. Verder voert hij aan dat het door Google uitgevoerde onderzoek door het Employee Relations ernstig gebrekkig is geweest. [verzoeker] betwist in het verweerschrift dat sprake is van niet goed presteren en bestrijdt dat hij niet open stond voor feedback. Ook voert [verzoeker] aan dat Google niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en betoogt hij dat Google in strijd heeft gehandeld met de Wet Gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Ten slotte heeft [verzoeker] een algemeen bewijsaanbod gedaan.1.6.. In de ontbindingsprocedure heeft [verzoeker] een verzoek tot een billijke vergoeding ingediend.\n\nVerzoek\n\n2. [verzoeker] verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te bepalen. [verzoeker] voert daarvoor de volgende juridische grondslagen aan. Allereerst is volgens hem sprake van schending van het benadelingsverbod ex artikel 17 e van de Wet Bescherming Klokkenluiders (hierna WBK), een melder mag niet benadeeld worden gedurende en na de behandeling van een melding van een vermoeden van een misstand. [verzoeker] is door twee overheidsinstanties erkend als klokkenluider. Indien een melder wordt benadeeld is sprake van een bewijslastomkering en wordt vermoed dat de benadeling het gevolg daarvan is en ligt het op de weg van de werkgever om het tegendeel te bewijzen. Verder is Google haar verplichtingen als goed werkgever als bedoeld in 7:611 BW niet nagekomen door een gebrekkig onderzoek, nalevingsconflicten te herformuleren als samenwerkingsproblemen, vergeldingsmaatregelen te nemen tijdens ziekteverlof en een werknemer met een beschermde status te confronteren met een ultimatum. Daarnaast heeft Google de re-integratie van [verzoeker] niet tijdig en adequaat bevorderd, hetgeen door het UWV formeel is vastgesteld, aldus [verzoeker] . Voorts is sprake van schending van artikel 15 van de AVG. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft geoordeeld dat de opschorting van het inzageverzoek van [verzoeker] onwettig was. Google heeft documenten retroactief verwijderd uit latere producties en wisselende rechtvaardigingen daarvoor gehanteerd. Ten slotte is sprake geweest van schending van gelijke behandeling ex artikel 2 en 4 WGBH\u002FCZ door het systematisch weigeren van redelijke aanpassingen voor een gediagnosticeerde neurodivergente werknemer, gevolgd door nadelige maatregelen op basis van daaruit voortvloeiende prestatiedwang, een vorm van verboden onderscheid, aldus [verzoeker] . Hij overweegt een bodemprocedure te starten. De mogelijke vorderingen zijn, aldus [verzoeker] :\n\nVerklaring voor recht dat Google het benadelingsverbod van de WBK heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google de re-integratieverplichtingen ex artikel 7:658a BW heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google de AVG heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google heeft gediscrimineerd op grond van handicap;\n\nSchadevergoeding wegens de geleden materiële en immateriële schade;\n\nRectificatie van het interne personeelsdossier.\n\nVerweer\n\n3. Google verweert zich tegen het verzoek en voert daartoe het volgende aan, kort weergegeven. [verzoeker] is te laat met zijn verzoek. Via dit verzoek probeert [verzoeker] bewijs te verzamelen ten behoeve van de ontbindingsprocedure die al aanhangig is. Er is ook geen onderscheid tussen de kernonderwerpen van de beide procedures. Elk onderwerp dat [verzoeker] in het onderhavige verzoek aan de orde stelt, speelt ook in de ontbindingsprocedure. Subsidiair voert Google aan dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen op grond van strijd met de goede procesorde, onvoldoende belang, dan wel misbruik van procesrecht.\n\nBeoordeling\n\n4. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter verzoeken één of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, zoals het horen van getuigen. Het doel van een voorlopig getuigenverhoor is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering over omstreden of onbekende feiten en te voorkomen dat bewijs verloren gaat. Ook kan de verzoekende partij aan de hand van de getuigenverklaringen haar positie in een mogelijke procedure of in de onderhandelingen beter inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een procedure te beginnen. Van aanhangig zijn van een procedure geldt dat hiervan sprake is indien, zoals in het onderhavige geval, een verzoekschrift ter griffie is ingediend.\n\n5. Niet in geschil is dat de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door Google op 20 februari 2026 is gestart voordat [verzoeker] dit verzoek tot het horen van de getuigen heeft ingediend. Het ligt tegen die achtergrond dan ook op zijn weg om in deze proceure aannemelijk te maken dat het gevraagde voorlopig getuigenverhoor geen verband houdt met de kwesties die in de ontbindingsprocedure (de bodemprocedure) aan de orde gebracht zullen worden of daar behandeld kunnen worden. In dat geval zou er immers geen bodemprocedure zijn waarin die kwesties aanhangig zijn. [verzoeker] is niet geslaagd dat aannemelijk te maken. Alle door [verzoeker] aangevoerde gronden voor het houden van het voorlopig getuigenverhoor zijn ook in de ontbindingsprocedure aan de orde. De vraag of [verzoeker] als klokkenluider moet worden aangemerkt ligt ter beoordeling voor in de ontbindingsproceure, nu [verzoeker] daarin betoogt dat de bewijslast op grond van de WBK moet worden omgekeerd. De vraag of Google als goed werkgever heeft gehandeld en de gronden die daarvoor door [verzoeker] naar voren zijn gebracht, het gebrekkige onderzoek, de beoordelingkwesties en de samenwerking, zullen bij de beoordeling of het dienstverband moet voortduren aan de orde komen. Zo nodig kunnen daar de getuigen over gehoord worden, ook de vraag of alle documenten daarvoor beschikbaar zijn. Datzelfde geldt voor het verwijt dat Google niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Of Google discriminatoir heeft gehandeld, is door [verzoeker] ook ingebracht in de ontbindingsprocedure, zodat ook daar in de bodemprocedure een oordeel zal moeten worden gevormd en zo nodig getuigen gehoord kunnen worden. In aanvulling is ter terechtzitting gebleken dat [verzoeker] in de ontbindingsprocedure een billijke vergoeding heeft gevorerd, zodat het verzoek tot het vaststellen van een schadevergoeding geen zelfstandige grond voor een voorlopig getuigenverhoor oplevert. Voor zover namens [verzoeker] ter terechtzitting nog is betoogd dat in de ontbindingsprocedure slechts beperkt ruimte is voor een dergelijk onderzoek en hij graag de onderste steen boven wil krijgen, brengt dat enkele betoog – wat daarvan ook zij- niet mee dat daarmee de verplichting dat de voorlopige bewijsverrichting eerder gestart moet zijn dan de bodemprocedure, kan worden ontlopen.\n\n6. Het past niet (meer) in het wettelijk systeem om de door [verzoeker] in deze procedure opgeworpen kwesties in een afzonderlijke getuigenverhoor op te helderen. Daarvoor biedt de ontbindingsprocedure alle mogelijkheden.\n\n7. [verzoeker] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, aan de zijde van Google begroot als na te melden,\n\nBESLISSING\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek;\n\nveroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 577,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening van € 72,00 als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\nverklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6601","2026-07-13T00:28:44.529Z",{"id":157,"ecli":158,"slug":159,"caseNumber":45,"courtId":105,"decisionDate":152,"fullText":160,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":53,"updatedAt":162},"1095","ECLI:NL:RBOVE:2026:3652","ecli-nl-rbove-2026-3652","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12208841 \\ EJ VERZ 26-144\n\nBeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. M.J.J. van Geel,\n\ntegen\n\nde stichting HET STEDELIJK LYCEUM ENSCHEDE,\n\ngevestigd te Enschede,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Het Stedelijk,\n\ngemachtigde: mr. H. Eillert.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. In deze zaak verzoekt [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding na een ontslag op staande voet door Het Stedelijk. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoekster] toe, omdat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 13,\n\n- het verweerschrift met producties 1 tot en met 12,\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekster] ,\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van Het Stedelijk,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1997, is sinds 1 augustus 2024 voor bepaalde tijd in dienst bij Het Stedelijk. De functie van [verzoekster] is docent LB binnen de Internationale Schakelklas (ISK) met een loon van € 2.407,23 bruto per maand exclusief emolumenten bij een arbeidsomvang van 0,6 fte.\n\n3.2.. \n [verzoekster] volgde naast haar werk een deeltijdopleiding (0,2 fte) tot docent Nederlands aan het [universiteit] in [plaats 1] . Omstreeks juni 2025 zijn de werkdagen van [verzoekster] gewijzigd, omdat zij ten behoeve van haar opleiding in de periode van 7 oktober 2025 tot 31 januari 2026 stage ging lopen bij het [instelling] , locatie [plaats 2] .\n\n3.3.. Met ingang van 8 oktober 2025 heeft [verzoekster] zich arbeidsongeschikt gemeld voor haar werkzaamheden bij Het Stedelijk.\n\n3.4.. In de probleemanalyse van 11 november 2025 heeft de Arbo Unie – kort gezegd – geoordeeld dat er geen sprake is van benutbare mogelijkheden. De probleemanalyse is opgesteld door dhr. J. Hesselink, verpleegkundige (hierna te noemen: Hesselink) en beoordeeld door mw. A.C. Franke, arts in opleiding tot bedrijfsgeneeskundige. Als eindverantwoordelijke bedrijfsarts is mw. [naam 1] genoteerd.\n\n3.5.. Uit de daarna opgestelde consultrapportages van 24 en 28 november 2025 van Hesselink blijkt dat er nog geen sprake is van benutbare mogelijkheden. In de consultrapportages van 19 januari en 3 februari 2026 is de bedrijfsarts dhr. [naam 2] tot hetzelfde oordeel gekomen. In het verslag van 3 februari 2026 is opgenomen dat ook kort sociaal contact (zoals koffiemomentjes) als te belastend worden geacht.\n\n3.6.. Op 1 december 2025 vindt een e-mailwisseling plaats tussen Hesselink en [teamleider] . Op de vraag van [teamleider] of de constatering dat geen arbeidsmogelijkheden worden gezien ook betekent dat [verzoekster] de studie on hold heeft gezet, antwoordt Hesselink dat hij daar in alle gesprekken naar heeft gevraagd en dat [verzoekster] doet voorkomen dat ze zowel haar studie als stage helemaal on hold heeft gezet, maar dat hij dat natuurlijk niet kan controleren.\n\n3.7.. Op 13 januari, 27 januari en 22 februari 2026 heeft [verzoekster] , na verwijzing door Hesselink, gesprekken gehad bij Het Roessingh. Uit de rapportage van 19 februari 2026blijkt – kort gezegd – wat de klachten van [verzoekster] zijn. Wat betreft de stage staat in het rapport het volgende vermeld:\n\n“(…) Client heeft in de periode tussen oktober 2025 en december 2025 nog wel 2 stage uren per week gedaan. Deze stage loopt zij voor haar deeltijdopleiding op een reguliere middelbare school op 5 minuten afstand van haar huis. Hier werkt ze niet in volle verantwoordelijkheid. Er ontstond een discussie met haar werkgever, waarom ze dezelfde werkzaamheden wel bij stage kon doen, maar niet op haar werk, terwijl cliënt dit juist verklaart doordat het andere werkzaamheden zijn. Inmiddels is ze hier ook mee gestopt.”\n\n3.8.. Op 16 februari 2026 heeft mevrouw [HR-adviseur] , HR-adviseur, (hierna te noemen: [HR-adviseur] ) bij het [instelling] gevraagd of [verzoekster] zich tijdens haar stage (tot en met 31 januari 2026) heeft ziekgemeld. Vanuit het [instelling] is daarop op 16 februari 2026 geantwoord dat er geen ziekmelding is geweest.\n\n3.9.. Op 19 februari 2026 heeft Het Stedelijk de volgende brief naar [verzoekster] gestuurd:\n\n“(…) Onlangs hebben wij echter vernomen dat u van 25 augustus 2025 tot en met 31 januari 2026 bij het [instelling] te [plaats 2] stage heeft gelopen en daarbij lessen heeft verzorgd. U heeft ons noch de bedrijfsarts hierover geïnformeerd, terwijl wij u hier meerdere keren over hebben bevraagd. Dit staat dus haaks op de informatie die u eerder heeft verstrekt aan de bedrijfsarts. Met de verrichte werkzaamheden in het [instelling] staat vast dat u wel degelijk in staat bent tot het verrichten van (uw eigen) werkzaamheden bij het Stedelijk. U was verplicht ons te informeren over deze activiteiten en u heeft de bedrijfsarts onjuiste informatie verstrekt.\n\nGelet op al het voorgaande heeft u geen recht op loon over in ieder geval de periode 25 augustus 2025 tot en met 31 januari 2026. Het onverschuldigd betaalde loon zal op u worden verhaald dan wel met uw salaris worden verrekend. Tevens overwegen wij aanvullende maatregelen, waarbij ontslag niet wordt uitgesloten.\n\nAlvorens hiertoe over te gaan stellen wij u in de gelegenheid u te horen. Hierbij nodig ik u uit voor een hoorgesprek op2 maart 2026 om 10.00 uur (…)”\n\n3.10.. Op 2 maart 2026 heeft er een hoorgesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] , vergezeld door haar echtgenoot, [HR-adviseur] en [manager HR] (manager HR). In het hiervan opgemaakte verslag is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…) Zij (= [verzoekster] , toevoeging ktr.) stelt dat de in de brief genoemde stageperiode (…) niet correct is en dat de stage van kortere duur is geweest (…). Zij geeft aan dat ze meerdere malen haar stage heeft gemeld aan de bedrijfsarts, de verpleegkundige en aan [teamleider] (teamleider) en mevrouw [HR-adviseur] .\n\nDaarnaast geeft mevrouw [verzoekster] aan dat zij met Jeroen Hesselink, de verpleegkundige van de arbodienst, overleg heeft gevoerd over haar stageactiviteiten, en ook de bedrijfsarts op de hoogte heeft gesteld van haar stageactiviteiten.. Volgens haar vormde dit geen belemmering voor haar re-integratie bij Het Stedelijk.\n\nMevrouw [verzoekster] geeft aan verbaasd te zijn over de informatie die bij de werkgever bekend is over haar stage.\n\nVanaf het moment dat zij een afspraak met mevrouw [teamleider] heeft geannuleerd, heeft zij geen contact meer opgenomen met haar leidinggevende, ook niet om afspraken af te zeggen.\n\nMevrouw [HR-adviseur] licht kort de inhoud van de Wet verbetering poortwachter toe (…)”.\n\n3.11.. Op 2 maart 2026heeft Hesselink op de vraag van [HR-adviseur] om schriftelijk te reageren op ‘het stageverhaal’ van [verzoekster] zoals opgenomen in het gespreksverslag van 2 maart 2026 als volgt gereageerd:\n\n“Het is niet aan mij of de bedrijfsarts om inhoudelijk op de brief te reageren. Wat van belang is dat er door ons in diverse rapportages is aangegeven dat ze niet in staat is om te werken op basis van de klachten die ze aangeeft maar dat dit er blijkbaar niet van heeft weerhouden om wel elders te werken (stage adres). Daar moeten jullie het met haar over hebben.\n\nIk heb haar in het begin van het traject meegedeeld dat ik het raar vindt dat ze wel naar stage zou kunnen en niet zou kunnen werken. Als het een kan dan kan het ander ook.”\n\n3.12.. Op 4 maart 2026 is [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is het volgende aan het ontslag ten grondslag gelegd:\n\n“Dit betekent dat uw dienstverband op en ingaande 5 maart 2026 met onmiddellijke ingang is geëindigd op grond van een dringende reden, te weten het\n\ntijdens ziekte werkzaamheden bent gaan verrichten in het kader van uw stage, terwijl u naar eigen zeggen dan wel volgens de bedrijfsarts in deze periode niet in staat zou zijn om arbeid te verrichten;\n\nu uw werkgever niet heeft geïnformeerd over uw stage activiteiten tijdens ziekte;\n\nu de bedrijfsarts dan wel de verpleegkundige van de arbodienst niet heeft geconsulteerd over uw stage activiteiten tijdens ziekte;\n\nu na zijn geconfronteerd met het bovenstaande tijdens het gesprek op 2 maart 2026 heeft gelogen over het informeren van uw werkgever;\n\nu na te zijn geconfronteerd met het bovenstaande tijdens het gesprek op 2 maart 2026 heeft gelogen over het consulteren van de arbodienst.”\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter – na wijziging van eis – om een billijke vergoeding toe te kennen van € 28.000,00 bruto. Verder verzoekt [verzoekster] om Het Stedelijk te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Volgens [verzoekster] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat er geen sprake is van een dringende reden, het ontslag op staande voet niet proportioneel is en de dringende reden niet onverwijld is medegedeeld. Subsidiair, namelijk voor het geval er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, verzoekt [verzoekster] om betaling van de transitievergoeding, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.\n\n4.2.. Het Stedelijk voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het Stedelijk voert ‑ samengevat ‑ aan dat [verzoekster] heeft verzwegen en\u002Fof gelogen dat zij tijdens haar arbeidsongeschiktheid stage liep bij het [instelling] .\n\n5. De beoordeling\n\nDe dringende reden5.1.. Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een dringende reden waardoor Het Stedelijk de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met onmiddellijke ingang mocht opzeggen. Het Stedelijk heeft aan de dringende reden kort gezegd ten grondslag gelegd dat [verzoekster] tijdens haar arbeidsongeschiktheid heimelijk stage heeft gevolgd en zij hierover heeft gelogen tegen haar leidinggevende en de arbodienst.\n\n5.2.. \n [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij haar leidinggevende, [teamleider] , voorafgaand en tijdens haar ziekte heeft geïnformeerd over de stage en zij ook Het Roessingh en de bedrijfsarts heeft geïnformeerd. Van het schenden van haar informatieplicht of misleiding is daarom geen sprake. Bovendien was de stage ten tijde van het ontslag op staande voet al beëindigd.\n\n5.3.. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de aard en ernst van de door de werkgever aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.\n\n5.4.. Voor de beoordeling van de vraag of het door Het Stedelijk gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de dringende redenen zoals vermeld in de ontslagbrief van 4 maart 2026 maatgevend. Het geschil wordt dan ook afgebakend door de daarin genoemde verwijten. Wat betreft de in deze brief genoemde verwijten overweegt de kantonrechter dat [verzoekster] onbetwist heeft gesteld dat zij de drie dagen waarop zij haar werkzaamheden verricht voor Het Stedelijk, in overleg met Het Stedelijk heeft gewijzigd zodat zij vanaf maandag 7 oktober 2025 stage kon gaan lopen bij het [instelling] . Dit betekent dat [verzoekster] niet tijdens haar ziekte stage is gaan lopen, maar op het moment van ziekmelding al begonnen was met de stage. De kantonrechter is verder van oordeel dat het niet aan Het Stedelijk is om zich een oordeel te vormen over de vraag of [verzoekster] al dan niet wel in staat is om stage te lopen terwijl zij zich heeft ziekgemeld voor haar werkzaamheden bij Het Stedelijk. Dit is bij uitstek een kwestie die beoordeeld dient te worden aan de bedrijfsarts en waarbij onderzocht zal dienen te worden wat de belasting is van de onderscheiden werkzaamheden\u002Factiviteiten in relatie tot de beperkingen van [verzoekster] .\n\n5.5.. In het derde aandachtpunt van de ontslagbrief heeft Het Stedelijk als verwijt opgenomen dat [verzoekster] de bedrijfsarts dan wel de verpleegkundige van de arbodienst niet heeft geconsulteerd over de stageactiviteiten tijdens de ziekte. Uit de gedingstukken kan niet worden opgemaakt wat wel of niet met de bedrijfsarts is besproken, daarover is namelijk niets vermeld. Uit de verklaring\u002Fe-mails van Hesselink blijkt ook niet dat [verzoekster] tegen hem heeft gelogen of verzwegen dat zij stage loopt. In die e-mails staat immers enkel dat [verzoekster] heeft doen voorkomen dat zij was gestopt met de stage en dat Hesselink haar in het begin van het traject heeft gezegd dat hij het raar vindt dat [verzoekster] stage zou kunnen lopen tijdens haar arbeidsongeschiktheid, maar niet dat [verzoekster] daadwerkelijk heeft gezegd dat zij is gestopt met haar stage. Bovendien blijkt uit het rapport van Het Roessingh dat [verzoekster] daar volledige openheid van zaken heeft gegeven over haar arbeidsongeschiktheid, werk, opleiding en stage en dat dit rapport met de bedrijfsarts\u002FHesselink is gedeeld. Daaruit blijkt dat [verzoekster] niet de intentie heeft gehad om hierover te liegen. Dit blijkt eveneens uit het gespreksverslag van het hoorgesprek, waarin is opgenomen dat [verzoekster] altijd in de veronderstelling verkeerde dat Het Stedelijk op de hoogte was van haar stage. Dat [verzoekster] op enig moment argwanend werd en hierdoor minder openhartig sprak over haar arbeidsongeschiktheid en stage, is gelet op de correspondentie van Het Stedelijk waarin zij direct dreigde met een loonsanctie niet onbegrijpelijk.\n\n5.6.. Of [verzoekster] ook daadwerkelijk heeft gelogen op 2 maart 2026 over het informeren van de werkgever zoals haar wordt verweten in de ontslagbrief onder het vierde aandachtsstreepje en waarover dan precies, is niet duidelijk geworden omdat het gespreksverslag van 2 maart 2026 in dat opzicht niet helder is. Als bedoeld is dat [verzoekster] in het gesprek van 2 maart 2026 heeft gelogen over het al dan niet voortzettenvan de stage na de ziekmelding bij [teamleider] en [HR-adviseur] dan bevreemdt het dat [verzoekster] hiermee niet is geconfronteerd door [HR-adviseur] aangezien zij ook deelnam aan het gesprek op 2 maart 2026.\n\n5.7.. Uit de verklaring van [teamleider] , neergelegd in de e-mail van 11 mei 2026 zou afgeleid kunnen worden dat [verzoekster] tegen haar gezegd zou hebben dat zij met de stage is gestopt vanwege arbeidsongeschiktheid, maar dat is naar de letter genomen niet aan het ontslag ten grondslag gelegd. Ook is die verklaring door [verzoekster] gemotiveerd betwist en door Het Stedelijk niet nader onderbouwd. Bovendien behoeft [verzoekster] als werkneemster geen openheid van zaken te geven over haar arbeidsongeschiktheid tegenover haar leidinggevende, zolang zij dit wel doet tegenover de bedrijfsarts.\n\n5.8.. Zelfs als zou komen vast te staan dat [verzoekster] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven aan [teamleider] over de voortzetting van de stage na 8 oktober 2025 is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van rechtsgeldig ontslag op staande voet. Hierbij is van belang dat een ontslag op staande voet een uiterste middel is en rekening gehouden dient te worden met onder meer de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] . [verzoekster] is sedert oktober 2025 arbeidsongeschikt en uit de rapportages van de bedrijfsarts van januari en februari 2026 blijkt dat van benutbare mogelijkheden geen sprake is. Ook uit de rapportage van Het Roessingh blijkt dit niet. Juist bij een zieke werknemer dient een ontslag op staande voet nog terughoudender te worden ingezet: deze is per direct van een inkomen verstoken en kan vanwege de arbeidsongeschiktheid ook geen vervangend inkomen verwerven.\n\n5.9.. Dat de handelwijze van [verzoekster] Het Stedelijk schade heeft berokkend doordat re-integratiemogelijkheden zijn gemist zoals bepleit door Het Stedelijk, is veel tekort door de bocht. Daar had dan eerst nader onderzoek naar moeten worden gedaan door de bedrijfsarts en bovendien is dat niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd. Ook is het dan maar de vraag of Het Stedelijk in dat geval voortvarend genoeg heeft gehandeld: als het voor Het Stedelijk zo belangrijk was, dan had zij na de e-mailwisseling van 1 december 2025 tussen [teamleider] en Hesselink nader onderzoek moeten instellen en dat niet pas medio februari 2026 moeten doen.\n\n5.10.. De conclusie van het voorgaande is dan ook dat van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet geen sprake is.\n\nGefixeerde schadevergoeding5.11.. De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt.[verzoekster] heeft ter zitting gesteld dat de opzegtermijn drie maanden beloopt en dat eerst tegen 1 juli 2026 had kunnen worden opgezegd. Het Stedelijk heeft dit niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van deze opzegtermijn, waardoor de gefixeerde schadevergoeding gelijk is aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn van 4 maart 2026 tot en met 30 juni 2026, te weten € 9.318,31bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten.\n\nBillijke vergoeding5.12.. Ook het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.\n\n5.13.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.\n\n5.14.. De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 3.000,00 bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. [verzoekster] was ten tijde van het ontslag op staande voet circa anderhalf jaar in dienst. De arbeidsovereenkomst zou tot en met 31 juli 2026 hebben voortgeduurd, aangezien de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op dat moment zou aflopen en [verzoekster] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het dienstverband hierna zou zijn voortgezet, gelet op haar arbeidsongeschiktheid en de miscommunicaties tussen haar en haar leidinggevende. Ook wordt rekening gehouden met de hoogte van de hiervoor toegekende gefixeerde schadevergoeding.\n\n5.15.. Het Stedelijk zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van 3.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.\n\nTransitievergoeding5.16.. Het verzoek om Het Stedelijk te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is.Het Stedelijk wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 1.491,15 bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 5 april 2026.\n\nVoorlopige voorziening5.17.. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoekster]. Ook heeft [verzoekster] haar verzoek gewijzigd en berust in het ontslag op staande voet zodat ook om die reden geen grond zou bestaan voor de gevraagde voorlopige voorziening.\n\nProceskosten5.18.. De proceskosten komen voor rekening van Het Stedelijk, omdat Het Stedelijk overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 3.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.2.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 9.318,31 bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten,\n\n6.3.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 1.491,15 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.4.. veroordeelt Het Stedelijk in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Het Stedelijk niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n EA\n\n Met toestemming van [verzoekster] mocht de rapportage worden gedeeld met de verwijzer (bedrijfsarts) en de huisarts.\n\n Op 11 mei 2026 heeft Hesselink nogmaals dezelfde reactie gegeven aan [HR-adviseur] .\n\n Artikel 7:672 lid 11 BW.\n\n Restant maart (€ 2.407,23:31 x 27) + april, mei en juni (3 x € 2.407,23).\n\n Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.\n\nKamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).\n\n Artikel 7:673 lid 1 BW.\n\n Artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3652","2026-07-13T00:29:03.722Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":45,"courtId":129,"decisionDate":73,"fullText":167,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":168,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":53,"updatedAt":169},"1304","ECLI:NL:GHARL:2026:4096","ecli-nl-gharl-2026-4096","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.367.209\n\nzaaknummers rechtbank Overijssel 11749851 en 12041202\n\nbeschikking van 22 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker]\n\nhierna te noemen: werknemer\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. E.P. Cornel\n\nen\n\nSmit Supply Chain Advies B.V.\n\nhierna te noemen: werkgever\n\ndie is gevestigd in Zwartewaterland\n\nadvocaat: mr. J.C.F. Kooijmans\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nWerknemer heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikkingdie de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 6 januari 2026 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift\n\nhet verweerschrift en\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 juni 2026 is gehouden.\n\n2. De kern van de zaak en de uitkomst\n\n2.1. Werknemer is op 6 januari 2025 bij werkgever in dienst getreden. Op 28 januari 2025 heeft werkgever met een beroep op een overeengekomen proeftijdbeding de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd. Werknemer stelt dat die opzegging niet geldig is en dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. Werknemer heeft daarop verzoeken ingediend, onder meer gericht op wedertewerkstelling en doorbetaling van loon en bijkomende vergoedingen.\n\n2.2. Het hof zal beslissen dat werknemer te laat tegen zijn ontslag is opgekomen en dat zijn primaire verzoeken tot – samengevat – wedertewerkstelling en doorbetaling van loon daarom inhoudelijk onbesproken blijven. Het subsidiaire verzoek tot schadeloosstelling is ook in hoger beroep niet toewijsbaar. Het hof licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe feiten\n\nIn hoger beroep staan de volgende feiten vast, waarbij het hof rekening heeft gehouden met wat partijen daarover in hoger beroep hebben aangevoerd.\n\n3.1. Werkgever drijft een onderneming gericht op bedrijfsadvisering aan MKB-bedrijven. Werkgever is een dochtervennootschap van TNP Groep B.V. Samen met andere dochter-\u002Fzustervennootschappen treedt werkgever ook wel naar buiten onder de naam ‘TNP Groep’.\n\n3.2. De heer [naam] (hierna: [naam] ) is via zijn holdingvennootschap en TNP Groep B.V. (middellijk) bestuurder van werkgever.\n\n3.3. Onder de naam ‘TNP Groep’ is eind oktober \u002F begin november 2024 een vacature gepubliceerd voor de functie van bedrijfsadviseur. Werknemer heeft daarvoor zijn interesse kenbaar gemaakt, waarna via een e-mailadres van ‘@tnpgroep.nl’ een aantal e-mailberichten met hem zijn gewisseld.\n\n3.4. Op 28 november 2024 is een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen waarbij werknemer met ingang van 6 januari 2025 voor onbepaalde tijd bij werkgever in dienst is getreden. Werkgever is daarbij vertegenwoordigd door [naam] , die de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend.\n\n3.5. In artikel 1 lid 2 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat er een proeftijd geldt van twee maanden, te rekenen vanaf het moment van indiensttreding en dat tijdens de proeftijd de arbeidsovereenkomst met directe ingang kan worden beëindigd door ieder van partijen.\n\n3.6. Op 28 januari 2025 heeft [naam] aan werknemer meegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst in de proeftijd per direct wordt beëindigd. De beëindiging is door [naam] via een e-mail, verzonden via een e-mailadres van ‘@tnpgroep.nl’, aan werknemer bevestigd. Dit is diezelfde dag ook per brief aan werknemer bevestigd. In het briefhoofd staat ‘TNP Groep’ vermeld en de brief is ondertekend door [naam] onder vermelding van ‘Directeur TNP Groep’.\n\n3.7. \n\nWerknemer heeft naar de reden gevraagd voor de ontslagaanzegging. Per mail van 31 januari 2025 heeft [naam] – via een e-mailadres van ‘@tnpgroep.nl’ – geantwoord:\n\nSamengevat zijn dit de redenen waarom we besloten hebben om de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd te beëindigen:\n\nDe senioriteit\u002Fkwaliteit staat niet in verhouding met onze verwachting voor inzet binnen onze opdrachtgevers\n\nWe hebben geconstateerd dat jouw digitale vaardigheden niet aansluiten bij onze hands-on aanpak binnen programma’s en projecten\n\nWe hebben geconstateerd dat je als persoon niet goed aansluit op onze kernwaarden\n\nWe zien de kwaliteiten van jou als persoon beter tot zijn recht komen binnen één organisatie en niet bij verschillende opdrachtgevers\n\n3.8. Met een dagvaarding van 28 mei 2025 heeft werknemer de kantonrechter gevraagd voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet op 28 januari 2025 is geëindigd en nog voortduurt en werkgever te veroordelen tot wedertewerkstelling van werknemer en tot doorbetaling van salaris met bijkomende vergoedingen. Subsidiair heeft werknemer gevraagd een schadevergoeding toe te kennen wegens schending van goed werkgeverschap.\n\nde beslissing van de kantonrechter en de bezwaren van partijen daartegen\n\n3.9. De kantonrechter heeft allereerst geoordeeld dat werknemer de procedure had moeten inleiden met een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding omdat aan zijn vorderingen ten grondslag ligt het standpunt dat geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven proeftijdontslag, en vervolgens een ‘spoorwissel’ toegepast als bedoeld in artikel 69 Rv. Nadat de kantonrechter heeft vastgesteld dat werkgever geen beroep heeft gedaan op de in artikel 7:686a lid 4 sub a BW bedoelde vervaltermijn voor het indienen van verzoekschrift ter zake, is hij tot het oordeel gekomen dat de bevoegdheid van werknemer om vernietiging van de opzegging te verzoeken, niet is vervallen. De kantonrechter heeft daarna geoordeeld dat [naam] als middellijk bestuurder van werkgever de arbeidsovereenkomst heeft kunnen opzeggen en dat werknemer die opzegging ook niet anders heeft kunnen opvatten dan een opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft tot slot op het subsidiaire verzoek van werknemer geoordeeld dat werkgever in verband met die opzegging niet heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap. De door werknemer gevraagde vergoedingen zijn daarop afgewezen, onder zijn veroordeling in de kosten van de procedure.\n\n3.10. Volgens werknemer heeft de kantonrechter de feiten te beperkt vastgesteld (beroepsgrond 1), ten onrechte een spoorwissel toegepast en moet de procedure worden ‘teruggewisseld’ (beroepsgrond 2), ten onrechte een rechtsgeldig proeftijdontslag aangenomen (beroepsgronden 3 tot en met 5) en ten onrechte geoordeeld dat er niet is gehandeld in strijd met goed werkgeverschap (beroepsgrond 6). Werknemer heeft daarop de toewijzing gevorderd (bij arrest) van zijn bij de kantonrechter ingestelde vorderingen.\n\n3.11. Volgens werkgever falen alle beroepsgronden, in welk verband zij zich in randnummer 12 van haar verweerschrift in hoger beroep uitdrukkelijk heeft beroepen op de in artikel 7:686a lid 4 BW bedoelde vervaltermijn.\n\n3.12. Een en ander brengt het hof tot de volgende thematische behandeling.\n\nbezwaar over de tot uitgangspunt genomen feiten\n\n3.13. Werknemer heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat de kantonrechter niet alle relevante feiten (juist en volledig) heeft vastgesteld. Bij bespreking van dat bezwaar heeft werknemer geen belang omdat het hof de van belang zijnde, hiervoor weergegeven feiten zelfstandig (en opnieuw) heeft vastgesteld.\n\nwelke soort procedure\n\n3.14. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat de procedure op een verkeerde wijze is ingeleid en in het spoor van een verzoekschriftprocedure moet worden gesteld, staat krachtens artikel 69 lid 5 Rv in beginsel geen hoger beroep open. Omdat werknemer uitdrukkelijk aanvoert dat artikel 69 Rv ten onrechte is toegepast, zal dat, gelet op de regels met betrekking tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod, worden beoordeeld.\n\n3.15. Werknemer stelt dat het ontslag van 28 januari 2025 geen rechtsgeldig gegeven ontslag maar een ‘non-existent ontslag’ is, omdat hij is ontslagen door TNP Groep B.V. en niet door zijn werkgever. Volgens werknemer mist afdeling 7.10.9 BW daarom toepassing en is alleen sprake van een op artikel 7:625 BW gebaseerde loonvordering. Dat betekent dat hij terecht een procedure bij dagvaarding is gestart, aldus werknemer. Werkgever beroept zich met haar verweer op artikel 7:671 lid 1 sub b BW, namelijk dat zij – via haar directeur [naam] – werknemer een (rechtsgeldig) proeftijdontslag heeft gegeven, als gevolg waarvan zij geen vergoeding of loon verschuldigd is.\n\n3.16. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsgeldigheid van een proeftijdontslag, zoals hier aan de orde, in een verzoekschriftprocedure beoordeeld moet worden. Artikel 7:686a lid 2 BW schrijft immers voor dat procedures gebaseerd op het bepaalde in afdeling 9 van titel 10 van boek 7 BW met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, welke bepaling een ruim toepassingsbereik heeft.Afdeling 7.10.9 BW gaat over het einde van de arbeidsovereenkomst en omvat in dat verband onder meer de bepalingen over opzegging door werkgever (artikel 7:669 BW), eventuele daarvoor benodigde toestemming van de werknemer (artikel 7:671 BW), de proeftijd (artikel 7:676 BW) en vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:681 BW). In artikel 7:671 lid 1 sub b BW is bepaald dat een werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder toestemming van de werknemer tenzij dit plaatsvindt tijdens de proeftijd. In artikel 7:681, aanhef en sub a BW is bepaald dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen als de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW.\n\n3.17. In dit geval staat de vraag centraal of het proeftijdontslag van 28 januari 2025 al dan niet aan de verzoeken van werknemer in de weg staat; werknemer vraagt in de eerste plaats om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst níet op 28 januari 2025 is geëindigd. Daaruit volgt dat ook in de visie van werknemer een oordeel over het aan hem gegeven ontslag nodig is om tot een wedertewerkstelling en doorbetaling van loon te komen. De omstandigheid dat hij de geldigheid van het aan hem meegedeelde proeftijdsontslag ontkent en in dat verband niet expliciet de vernietiging van de gedane opzegging vordert, betekent dus niet dat daarmee tussen partijen niet het einde van arbeidsovereenkomst in geschil is. Dat is duidelijk wel het geval. Werknemer kan dan ook niet gevolgd worden in zijn standpunt dat hij kon volstaan met de verzoeken als verwoord en dat die verzoeken hier bepalend zijn.\n\n3.18. Het bezwaar van werknemer tegen de door kantonrechter toegepaste ‘spoorwissel’ naar een verzoekschriftprocedure faalt daarom. Daarmee is gegeven dat werknemer de procedure tegen werkgever met een verzoekschriftprocedure had moeten inleiden.\n\nde procedure is niet op tijd begonnen\n\n3.19. Volgens artikel 7:686a lid 4 sub a BW moet een verzoekschrift dat zich keert tegen een ontslag uiterlijk twee maanden na het ontslag zijn ingediend bij de kantonrechter. Deze vervaltermijn kan niet worden gestuit, geschorst of verlengd vanuit de gedachtedat aan de werknemer en werkgever zo snel mogelijk duidelijkheid moet worden verstrekt over de vraag of er nog rechten en verplichtingen tussen hen bestaan.\n\n3.20. Omdat werkgever werknemer op 28 januari 2025 heeft ontslagen, moest het verzoekschrift in dit geval uiterlijk op 28 maart 2025 zijn ingediend bij de kantonrechter. Werknemer is deze procedure op 28 mei 2025 gestart door het laten uitbrengen van een dagvaarding. De laatste zin van lid 1 van artikel 69 Rv bepaalt dat daarmee de procedure aanhangig is. De wisseling in ‘spoor’ van een dagvaardingsprocedure naar een verzoekschriftprocedure maakt dat niet anders.\n\n3.21. Werkgever heeft, anders dan bij de kantonrechter, zich in hoger beroep uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat de verzoeken van werknemer niet-ontvankelijk zijn. Volgens werkgever is werknemer te laat geweest met het aanhangig maken van de procedure – en daarmee met het indienen van zijn verzoeken – en is de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW overschreden.\n\n3.22. Werknemer betoogt dat werkgever geen beroep toekomt op genoemde vervaltermijn omdat hij op 28 januari 2025 niet door werkgever maar door TNP Groep B.V. is ontslagen. Volgens hem is daarmee geen sprake van een ontslag of andere situatie die onder het bereik van de vervaltermijn valt. Het hof volgt werknemer daarin niet. Nog daargelaten dat werknemer zelf stelt lang in de veronderstelling te zijn geweest dat hij op 28 januari 2025 is ontslagen door ‘zijn werkgever TNP Groep B.V.’, geldt dat werknemer op en na 28 januari 2025 had kunnen en moeten beseffen dat zijn arbeidsovereenkomst met werkgever werd beëindigd. Het staat immers vast dat werknemer op 28 november 2024 met ingang van 6 januari 2025 in dienst was getreden van werkgever en dat er niet ook een andere arbeidsovereenkomst was aangegaan met TNP Groep B.V. of een andere vennootschap die tot de TNP Groep behoorde. De omstandigheid dat in de communicatie, zowel tijdens en kort na de sollicitatieprocedure als tijdens het bestaan van de arbeidsovereenkomst, veelvuldig gebruik is gemaakt van de groepsnaam ‘TNP Groep’ waaronder – zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep in voldoende mate gebleken – ook werkgever communiceerde en naar buiten trad, maakt dan niet dat de ontslagaanzegging van 28 januari 2025 alleen maar begrepen kon worden als zijnde gedaan door TNP Groep B.V., oftewel de moedervennootschap van onder meer werkgever. Zo’n begrip bij werknemer is in de gegeven omstandigheden onvoldoende onderbouwd. Met een en ander moet voorbij worden gegaan aan de stelling van een werknemer dat een door zijn werkgever veroorzaakte einde van de arbeidsovereenkomst niet aan de orde kon zijn en dat daarmee alleen sprake zou zijn van een loonvordering.\n\n3.23. Een en ander betekent dat werknemer de mededeling van 28 januari 2025 niet anders heeft kunnen opvatten dan een opzegging van zijn arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang. Werknemer is tegen dit ontslag als zodanig niet opgekomen. Na 28 maart 2025 was werknemer niet langer bevoegd de vernietiging van het hem aangezegde ontslag te vorderen. Pas in de dagvaarding van 28 mei 2025 is werknemer opgekomen tegen het ontslag en heeft de geldigheid daarvan ter discussie gesteld. Dat is te laat. Dat ontslag staat daarmee vast. In het verlengde daarvan bestaat er daarmee (al) geen grond (meer) voor een wedertewerk-stelling en\u002Fof een doorbetaling van loon. Al om die reden kunnen de beroepsgronden 3 tot en met 5 niet tot een andere uitkomst van de procedure leiden. Het hof zal deze beroepsgronden voor het overige onbesproken laten.\n\ngeen reden voor schadevergoeding wegens schending goed werkgeverschap\n\n3.24. Werknemer heeft subsidiair betoogt dat werkgever aan hem een schadevergoeding is verschuldigd is. Volgens werknemer heeft werkgever zowel tijdens het dienstverband als met de opzegging zelf gehandeld in strijd met goed werkgeverschap. Werknemer voert daartoe aan dat hij door onvoldoende aanbod van werk niet heeft kunnen laten zien hoe goed hij in zijn functie was en heeft werkgever ondanks een uitvoerige sollicitatie- en selectieprocedure met hem onmiddellijk een andere werknemer aangenomen voor zijn functie. Werkgever heeft een en ander gemotiveerd betwist.\n\n3.25. Als uitgangspunt geldt dat de partij die de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd opzegt niet snel schadeplichtig is. Aan de proeftijd ligt immers de gedachte ten grondslag dat partijen – als ze dat willen – gelegenheid moeten hebben om, voordat zij in de toekomst gebonden zijn, zich gedurende een, met het oog op de belangen van de werknemer, beperkte periode proefondervindelijk op de hoogte kunnen stellen van elkaars hoedanigheden en van de geschiktheid van de werknemer voor de bedongen arbeid. De mogelijkheid om tijdens de proeftijd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen sluit daar bij aan. Niet vereist is daarbij dat de opzeggende partij een redelijke grond heeft voor opzegging in de zin van de wet.Onder omstandigheden kan het geven van ontslag tijdens de proeftijd leiden tot schadeplichtigheid als daarbij is gehandeld in strijd met de verplichting om zich als goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW te gedragen.\n\n3.26. Het hof stelt allereerst vast dat werknemer niet is ingegaan op wat werkgever in de mail van 31 januari 2025 aan hem heeft opgegeven als beweegredenen om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Deze door werkgever opgegeven beweegredenen voor het ontslag in de proeftijd vormen in het licht van de aan de proeftijd ten grondslag liggende en hiervoor opgenomen gedachte, op zichzelf een legitieme grond om het dienstverband in de proeftijd te beëindigen. Werkgever heeft hiermee haar bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang in de proeftijd te beëindigingen, gebruikt voor het doel waarvoor deze bevoegdheid is verleend.\n\n3.27. Daaraan doet niet af dat werknemer zelf meent dat hij onvoldoende kans heeft gehad om zichzelf te bewijzen. Een inhoudelijke rechtmatigheidstoets van de reden voor ontslag is immers in strijd met de gedachte en bedoeling van een proeftijdbeding. Het hof treedt dus niet in de beoordeling of werkgever heeft kunnen concluderen dat werknemer onvoldoende bij haar en de vervulde functie paste. Ditzelfde geldt voor de door werkgever weersproken stelling van werknemer dat werkgever in zijn plaats iemand anders heeft aangenomen voor dezelfde functie, al is het maar omdat werknemer niet heeft betwist dat binnen TNP Groep meerdere ‘bedrijfsadviseurs’ werkzaam zijn. En ook als werkgever een nieuwe medewerker heeft aangenomen voor de functie van werknemer, en werknemer in verband daarmee tijdens de proeftijd heeft ontslagen, is dat op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de werkgever niet als goed werkgever heeft gehandeld. Daarvoor moet sprake zijn van bijkomende omstandigheden, die in dit geval gesteld noch gebleken zijn.\n\n3.28. De slotsom is dat niet tot de conclusie kan worden gekomen dat werkgever tijdens de arbeidsovereenkomst met werknemer en\u002Fof door gebruik te maken van het proeftijdbeding zich niet heeft gedragen als een goed werkgever. De daarop steunende vordering tot schadevergoeding is daarmee niet toewijsbaar. Ook beroepsgrond 6 is daarmee tevergeefs opgeworpen.\n\nbewijsaanbod\n\n3.29. Werknemer heeft nog een bewijsaanbod gedaan. Het hof gaat daaraan voorbij omdat geen voldoende concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als zij zouden worden bewezen.\n\nslotsom\n\n3.30. Het hoger beroep van werknemer faalt en zal worden verworpen.\n\n3.31. Het hof zal werknemer als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van werkgever in hoger beroep. Daaronder vallen de nakosten die nodig zijn voor betekening van de uitspraak.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\nverwerpt het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 6 januari 2026;\n\nveroordeelt werknemer tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep van werkgever, tot aan deze uitspraak aan de zijde van werkgever begroten op:\n\n€ 851 voor griffierecht;\n\n€ 2.580 aan salaris advocaat (2 punten × € 1.290 (tarief II) volgens de geldende standaard (zogenaamd liquidatietarief));\n\nverklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. W.F. Boele, D.W.J.M. Kemperink en H.M.J. van den Hurk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.\n\n De beschikking is niet gepubliceerd.\n\n Vgl. HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1576, rov. 3, en paragraaf 13 van de daaraan voorafgegane conclusie van de AG van 11 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:137.\n\nKamerstukken II2013\u002F14, 33 818, nr. 3, p. 37.\n\n Artikel 7:669 lid 3 BW.\n\n HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4096","2026-07-13T00:29:14.957Z",{"id":171,"ecli":172,"slug":173,"caseNumber":45,"courtId":59,"decisionDate":174,"fullText":175,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":176,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":53,"updatedAt":177},"1307","ECLI:NL:RBAMS:2026:6538","ecli-nl-rbams-2026-6538","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11624821 \\ CV EXPL 25-5169\n\nVonnis van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nMEDIA MARKT [locatie] B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Media Markt,\n\ngemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. A. Harmanci.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet tussenvonnis van 20 juni 2025,\n\nde mondelinge behandeling van 25 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\nde akte van Media Markt,\n\nde akte van [gedaagde].\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] is bij Media Markt in dienst geweest op basis van een contract voor bepaalde tijd.\n\n2.2.. Tijdens het dienstverband heeft [gedaagde] zich ziek gemeld. Media Markt heeft daarom vanaf 5 november 2018 een ziektewetuitkering aangevraagd bij het Uitkeringsorgaan Werknemers Verzekeringen (UWV), op basis waarvan het loon elke maand werd doorbetaald aan [gedaagde].\n\n2.3.. Op het moment dat arbeidsovereenkomst op 11 mei 2019 van rechtswege eindigde was [gedaagde] nog arbeidsongeschikt. Vanaf 11 mei 2019 was Media Markt als ‘eigenrisicodrager' voor de Ziektewet degene die aan [gedaagde] de ziektewetuitkering betaalde.\n\n2.4.. \n\nOp 8 september 2020 heeft het UWV aan [gedaagde] per brief ondermeer het volgende bericht:\n\n“(…)\n\nVoor de ziektewet geldt dat u zich aan een aantal regels dient te houden. Een daarvan is dat u moet meewerken aan het verkrijgen van passende arbeid. U heeft de gelegenheid gehad uit te leggen waarom u zich niet aan de regels heeft gehouden. U heeft geen geldige reden opgegeven,\n\nDaarom verlaagt uw (ex-) werkgever uw Ziektewet-uitkering vanaf 10 augustus 2020 met 100%. (…)”.\n\n2.5.. \n [gedaagde] had tot 20 oktober 2020 om, een bezwaarschrift tegen de beslissing van het UWV in te dienen. Dat heeft hij niet heeft gedaan.\n\n2.6.. Op 28 september 2020 en 27 oktober 2020 heeft Media Markt aan [gedaagde] in totaal een bedrag van € 2.400,36 aan Ziektewet uitkering uitbetaald.\n\n2.7.. Nadat [gedaagde] door Madia Markt een aantal keer is aangemaand om het bedrag van € 2.400,36 terug te betalen is op 10 november 2023 door de gemachtigde van Media Markt aan [gedaagde] een zogenaamde veertiendagen brief gestuurd waarin hem, bij niet betaling binnen 15 dagen, een bedrag van € 360,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de wettelijke rente worden aangezegd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Media Markt vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.400,36, vermeerderd met rente en kosten. Dat bedrag betreft twee maanden ziektewetuitkeringen die volgens Media Markt op 28 september 2020 respectievelijk 27 oktober 2020 door haar onverschuldigd aan [gedaagde] zijn betaald. Subsidiair stelt Media Markt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Media Markt, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Media Markt, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Media Markt in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Vast staat dat [gedaagde] geen bezwaar en (dus ook) geen beroep heeft aangetekend tegen de beslissing van het UWV om de ziektewetuitkering stop te zetten, zoals door het UWV per brief van 8 september 2020 aan [gedaagde] is bericht. Dat het besluit van het UWV daarmee formele rechtskracht heeft gekregen is door [gedaagde] niet betwist. Wel betwist [gedaagde] dat Media Markt de na de stopzetting van de Ziektewetuitkering nog uitgekeerde bedragen van in totaal € 2.400,36 kan terugvorderen in deze procedure. Volgens [gedaagde] is het UWV de enige partij die op grond van artikel 33 van de Ziektewet ten onrechte uitgekeerd ziektegeld kan terugvorderen. Omdat er door het UWV na de stopzetting van de uitkering en het nog twee maanden doorbetalen daarna door Media Markt geen terugvorderingsbesluit is genomen staat volgens [gedaagde] niet vast dat hij gehouden is dat bedrag terug te betalen. Door Media Markt is niet betwist dat het UWV geen terugvorderingsbesluit heeft genomen. Media Markt heeft niet gesteld en ook niet is gebleken dat zij aan het UWV heeft verzocht zo’n besluit te nemen. Op grond waarvan zij ondanks het ontbreken van zo’n terugvorderingsbesluit in deze procedure jegens [gedaagde] aanspraak kan maken op terugbetaling van dat teveel uitbetaalde bedrag heeft zij niet verder uitgewerkt, ook niet in haar akte na comparitie. Media Markt heeft volstaan met het herhalen van het standpunt dat zij het gevorderde bedrag onverschuldigd betaald heeft en reeds daarom terugbetaling kan vorderen.\n\n4.2.. In artikel 33, eerste lid van de Ziektewet staat dat het ziekengeld dat als gevolg van een besluit als bedoeld in onder andere artikel 30a van de Ziektewet onverschuldigd is betaald door het UWV wordt teruggevorderd. Door de wetgever worden in de leden 3 tot en met 6 van artikel 33 van de Ziektewet uitzonderingen gegeven op de verplichting die op het UWV rust om onverschuldigd betaald ziektegeld terug te vorderen. Dat in het geval een (voormalig) werkgever eigenrisicodrager is de terugvorderings-bevoegdheid over gaat op die werkgever, zoals Media Markt lijkt te impliceren, staat niet uitgewerkt in de Ziektewet. Dat de wetgever heeft beoogd om naast de terugvorderingsverplichting van het UVW nog andere mogelijkheden om onterecht uitgekeerd ziektegeld terug te vorderen heeft willen openstellen is gemotiveerd betwist en door Media Markt verder niet onderbouwd. De centrale positie van het UWV bij de uitvoering van de Ziektewet maakt dat kennelijk ook in het geval van een eigenrisicodrager het UWV steeds (als enige) beslissingsbevoegd blijft over korting, stopzetting, terugvordering en invordering van (onverschuldigd uitbetaald) ziektegeld. De verplichting van het UWV op tot terugvordering over te gaan maakt dat een werkgever-eigenrisicodrager niet met lege handen staat; aan het UWV kan worden verzocht tot terugvordering over te gaan, waar het UWV in beginsel toe gehouden is. Op grond van het voorgaande is de conclusie van de kantonrechter dat het niet mogelijk is in een civiele procedure op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking teveel betaald ziektegeld terug te vorderen. Het feit dat [gedaagde] met (de gemachtigde van) Media Markt heeft gecommuniceerd over een afbetalingsregeling maakt het voorgaande niet anders. Dit geldt te meer als er, zoals in deze zaak, geen terugvorderingsbesluit door het UWV is genomen zodat niet vast staat dat [gedaagde] daadwerkelijk ziektegeld dient terug te betalen. De vordering van Media Markt zal dan ook worden afgewezen.\n\n4.3.. Media Markt is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n125,50\n\nTotaal\n\n€\n\n1.045,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. wijst het gevorderde af;\n\n5.2.. veroordeelt Media Markt in de proceskosten van [gedaagde] tot een bedrag van € 1.045,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n717","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6538","2026-07-13T00:29:15.108Z",{"id":179,"ecli":180,"slug":181,"caseNumber":45,"courtId":182,"decisionDate":174,"fullText":183,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":184,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":53,"updatedAt":185},"1182","ECLI:NL:RBGEL:2026:5203","ecli-nl-rbgel-2026-5203",75,"RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Nijmegen\n\nZaaknummer: 11837299 \\ CV EXPL 25-2295\n\nVonnis van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nTIMING FLEX B.V.,\n\ngevestigd te Apeldoorn,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Timing,\n\ngemachtigde: A.E.B. de Hollander,\n\ntegen\n\nTEAMPLAST PRODUCTIONS B.V.,\n\ngevestigd te Heteren,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Teamplast,\n\ngemachtigde: mr. T. Straetemans.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 10 oktober 2025\n\n- de brief van 27 februari 2026 van de kant van Teamplast, met producties 9 en 10\n\n- de e-mails van 3 en 4 maart 2026 van de kant van Timing, met ongenummerde producties\n\n- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Timing is een uitzendonderneming en Teamplast produceert verpakkingen. Timing heeft eerder een of meerdere uitzendkrachten ter beschikking gesteld aan Teamplast.\n\n2.2.. Bij e-mail van 31 oktober heeft Teamplast een voorstel gedaan voor de detachering van de heer [de uitzendkracht] (hierna: [de uitzendkracht] ) in de functie van ‘Teamleider in training’. In haar e-mail schrijft Teamplast onder meer het volgende:\n\n“Aangezien de afkoop constructie met [medewerker 1] nu strand zou ik deze afspraak graag willen continueren bij [de uitzendkracht] .\n\nMijn voorstel:\n\nStartdatum 20 november 2024 met een detachering via jullie t\u002Fm 31 januari 2025 met een factor 2.3 (afd. Productie)\n\nMochten we in januari nog steeds tevreden zijn met [de uitzendkracht] in deze positie zou ik graag dezelfde afkoop constructie willen hanteren zoals besproken in augustus omtrent de aanname van [medewerker 1] .”\n\n2.3.. Op 6 november 2024 heeft Timing het volgende geschreven aan Teamplast:\n\n“Ik heb nog even een vraag met betrekking tot het contract van [de uitzendkracht] .\n\nMogen wij hem voor de periode dat hij bij ons op contract is een bepaald aantal uren garantie aanbieden?\n\nBij functies zoals deze is gepast om bijv. 80 uur per 4 weken te geven. Dit houdt in dat hij minimaal 20u per week zou moeten werken.”\n\n2.4.. Teamplast heeft op 7 november 2024 het volgende geschreven aan Timing:\n\n“Die urengarantie mag je geven o.b.v. van een gemiddelde werkweek in 3-ploegendienst.\n\nHij werkt volgens onderstaand rooster en dat komt dan gemiddeld uit op 38,5 uur per week.”\n\n2.5.. Op 29 januari 2025 heeft een (kennismakings)gesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [medewerker Timing 1] (hierna: [medewerker Timing 1] ) en de heer [medewerker Timing 2] (hierna: [medewerker Timing 2] ) van Timing en mevrouw [medewerker Teamplast 1] (hierna: [medewerker Teamplast 1] ) en mevrouw [medewerker Teamplast 2] (hierna: [medewerker Teamplast 2] ) van Teamplast.\n\n2.6.. In een opdrachtbevestiging van Timing aan Teamplast ten behoeve van [de uitzendkracht] , gedateerd 30 januari 2025, staat onder meer het volgende:\n\n“Startdatum: 01-02-2025\n\nEinddatum indien bekend: 09-11-2025\n\nAantal uur per week: 154u\u002F4wkn\n\nFunctie: Junior teamleider\n\n(…)\n\nDeze opdrachtbevestiging vloeit voort uit de overeenkomst van opdracht\u002Ftariefstelling tussen Teamplast Productions B.V. en Timing Flex B.V. d.d. 30-01-2025. Op deze opdrachtbevestiging zijn de algemene voorwaarden van Timing Flex B.V. van toepassing.\n\n(…)\n\nOpdrachtgever dient alle in de uitzendovereenkomst opgenomen, alle gewerkte en, in geval van oproep, alle niet juist of niet tijdige gewijzigde of afgezegde uren tegen het geldende tarief te voldoen.”\n\n2.7.. Teamplast heeft op 10 maart 2025 onder meer het volgende geschreven aan Timing:\n\n“Naar aanleiding van ons telefonisch contact deze week en vorige week (met zowel [medewerker 2] als [medewerker 3] ) om jullie bij te praten over het verloop van het functioneren van [de uitzendkracht] willen wij via deze weg nogmaals bevestigen dat wij de samenwerking tussen [de uitzendkracht] en Teamplast hebben beëindigd.”\n\n2.8.. Timing heeft op 17 maart 2025 onder meer het volgende geschreven aan Teamplast:\n\n“Bij deze stuur ik je de contracten in de bijlage. In de opdrachtbevestiging vind je het overeengekomen aantal uren inclusief de overige afspraken.\n\nDaarnaast kun je in de e-mail hieronder onze eerdere afspraak over de uren garantie terugvinden, waarmee jullie akkoord zijn gegaan. Deze uren garantie zal dan daarom ook gefactureerd worden.”\n\n2.9.. Diezelfde dag heeft Teamplast daarop als volgt gereageerd:\n\n“Deze urengarantie is afgegeven op het 1ste contract en heeft betrekking op de destijds besproken periode t\u002Fm februari 2025.\n\nDeze garantie heb ik niet afgegeven op basis van de verlenging. Dit 2de contract heb ik ook niet gezien, nog ondertekend.”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Timing vordert, na vermindering van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Teamplast veroordeelt om aan haar te betalen een bedrag van € 11.548,69 en de proceskosten.\n\n3.2.. Timing legt aan haar vordering ten grondslag dat zij [de uitzendkracht] vanaf november 2024 ter beschikking heeft gesteld aan Teamplast, in de functie van Junior Teamleider en met een urenomvang van 154 uur per vier weken. Timing stelt dat partijen voor zowel de eerste overeenkomst – van november 2024 tot en met 31 januari 2025 – als de tweede overeenkomst – van 1 februari 2025 tot 9 november 2025 – een urengarantie zijn overeengekomen. Teamplast heeft op 10 maart 2025, zonder opgaaf van reden, meegedeeld dat zij geen gebruik meer wenste te maken van de inzet van [de uitzendkracht] . In verband met de urengarantie is zij echter gehouden om Timing tot 9 november 2025, tegen de overeengekomen omrekenfactor 2.3, de uren te betalen die Timing aan [de uitzendkracht] diende te voldoen. [de uitzendkracht] is uiteindelijk in mei 2025 uit dienst getreden bij Timing, zodat Teamplast de overeengekomen uren tot dat moment is verschuldigd, aldus Timing.\n\n3.3.. Teamplast voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Timing, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Timing in de proceskosten.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Timing beroept zich op de opdrachtbevestiging van 30 januari 2025, waarin de arbeidsomgang van 154 uur per vier weken is vermeld. Zij stelt dat de tweede overeenkomst is gesloten onder dezelfde voorwaarden als de eerste, althans dat er geen andersluidende afspraken zijn gemaakt. Verder stelt Timing zich op het standpunt dat op grond van artikel 3 van de algemene voorwaarden de opdracht voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt door het verstrijken van de overeengekomen tijd of doordat een vooraf vastgesteld objectief bepaalbare gebeurtenis zich voordoet.\n\n4.2.. Teamplast erkent dat voor de eerste uitzendovereenkomst een urengarantie van 154 uur per 4 weken is overeengekomen, maar betwist dat ten aanzien van de tweede overeenkomst. Teamplast betwist dat zij de tweede opdrachtbevestiging op 30 januari 2025 heeft ontvangen en dat partijen de tweede overeenkomst op dezelfde voorwaarden als de eerste overeenkomst hebben gesloten.\n\n4.3.. \n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt.\n\nVaststaat dat Timing de opdrachtbevestiging van de tweede uitzendovereenkomst op 17 maart 2025 naar Teamplast heeft gestuurd. Volgens Timing is de opdrachtbevestiging ook al eerder verzonden. Op 30 januari 2025 om 16:02:04 zou deze zijn opgemaakt en automatisch verzonden naar het mailadres waar eerdere opdrachtbevestigingen naartoe zijn gestuurd. Nu Teamplast betwist dat zij de opdrachtbevestiging vóór 17 maart 2025 heeft ontvangen, had het op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op de weg van Timing gelegen om bewijs te leveren van haar stelling dat de opdrachtbevestiging is verzonden op 30 januari 2025. Nu zij dat niet heeft gedaan, gaat de kantonrechter ervan uit dat Teamplast de opdrachtbevestiging pas op 17 maart 2025 heeft ontvangen.\n\n4.4.. \n\nOok ten aanzien van de gestelde afspraken over de tweede uitzendperiode van [de uitzendkracht] , rust op grond van artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast op Timing.\n\nTeamplast heeft gemotiveerd betwist dat partijen ook voor de tweede uitzendperiode een urengarantie zijn overeengekomen. Zij heeft haar verweer op dit punt onderbouwd aan de hand van verklaringen van [medewerker Teamplast 1] en [medewerker Teamplast 2] over het gesprek op 29 januari 2025 met [medewerker Timing 1] en [medewerker Timing 2] (respectievelijk producties 1 en 2 bij conclusie van antwoord).\n\nIn het licht van die gemotiveerde betwisting had het op de weg van Timing gelegen om de door haar gestelde afspraken nader te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan, is de kantonrechter van oordeel dat niet is vast komen staan dat partijen ook voor de tweede uitzendperiode een urengarantie zijn overeengekomen.\n\n4.5.. \n\nTen aanzien van het beroep van Timing op artikel 3 van de algemene voorwaarden oordeelt de kantonrechter als volgt.\n\n [medewerker Teamplast 1] en [medewerker Teamplast 2] zijn in hun verklaringen uitvoerig over hetgeen partijen hebben afgesproken tijdens het gesprek op 29 januari 2025 met betrekking tot de mogelijkheid van tussentijdse opzegging van de samenwerking met [de uitzendkracht] . Daartegenover staat de betwisting door Timing, die naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd is. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de verklaringen van Teamplast. Gelet op de specifieke afspraken die partijen hebben gemaakt tijdens het gesprek op 29 januari 2025 over voortijdige beëindiging van de overeenkomst, kan een beroep op artikel 3 van de algemene voorwaarden Timing niet baten.\n\n4.6.. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van Timing afgewezen.\n\n4.7.. Timing is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Teamplast worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n864,00\n\n(2 punten × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.008,00\n\n4.8.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Timing af,\n\n5.2.. veroordeelt Timing in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt Timing tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n858 \u002F 560","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5203","2026-07-13T00:29:08.629Z",{"id":187,"ecli":188,"slug":189,"caseNumber":45,"courtId":190,"decisionDate":174,"fullText":191,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":192,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":193},"673","ECLI:NL:RBMNE:2026:3767","ecli-nl-rbmne-2026-3767",63,"RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12134743 \\ UE VERZ 26-102\n\nBeschikking van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. B. Bostancieri-Dinc,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. T.G. Martens.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met productie 1 tot en met 10,\n\n- het aanvullend verzoekschrift met productie 11 tot en met 13,\n\n- het verweerschrift met productie 1 tot en met 6 met zelfstandige tegenvordering,\n\n- de brief van [verweerder] van 20 mei 2026 met productie 7 en 8,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waar [eiser] is verschenen met haar gemachtigde en waar [verweerder] zich heeft laten vertegenwoordigen door mevrouw [A] (bestuurder) en mevrouw [B] (administratief medewerkster en begeleider) en haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.\n\n1.2. De producties die mr. Bostancieri heeft meegenomen naar de zitting zijn te laat aangeboden en zijn buiten beschouwing gelaten.\n\n1.3. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd door de opzegging van [eiser] , of dat [verweerder] daarna heeft opgezegd tegen een eerdere datum en de arbeidsovereenkomst daardoor tegen die eerdere datum is geëindigd. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of er een loondoorbetalingsplicht voor [verweerder] bestaat en zo ja tot wanneer precies. Ook is aan de orde hoeveel onregelmatigheidstoeslag (ORT) nog aan [eiser] moet worden betaald. Op verzoek van [verweerder] moet worden beoordeeld of [eiser] aan [verweerder] de kosten moet vergoeden van het vervangen van alle sleutels van de opvanglocaties van [verweerder] , omdat die niet of niet op de juiste manier zijn ingeleverd en of [eiser] de kosten voor haar eigen vervanging aan [verweerder] moet vergoeden, omdat zij niet is komen werken op het moment dat dat volgens [verweerder] wel moest. Allebei de partijen verzoeken subsidiair om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat beide partijen een vorderingen hadden op de ander en veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de over en weer verschuldigde bedragen. Ook wijst de kantonrechter het verzoek tot het verstrekken van een correcte eindafrekening aan [eiser] .\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1. \n [eiser] , geboren [geboortedatum] 2003, is sinds 10 maart 2025 in dienst bij [verweerder] . De functie van [eiser] is Begeleider. Zij werkt tegen een loon van € 2.956,77 bruto per maand, te vermeerderen met IKB toeslag van 16,4 % (inclusief vakantiegeld). Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Sociaal Werk van toepassing.\n\n3.2. \n [verweerder] biedt jongeren van 8 tot 18 jaar een veilige stabiele woonomgeving waarin persoonlijke groei en herstel centraal staan. De organisatie begeleidt kwetsbare jongeren die door complexe thuissituaties, psychische problemen of vastgelopen hulpverlening extra ondersteuning nodig hebben. [verweerder] werkt onder de paraplu van AZ-Multizorg B.V., waardoor in de praktijk ook [verweerder] aan andere doelgroepen, zoals ouderen, wordt verstrekt. [eiser] werkte zowel op de jeugdlocaties als in de thuiszorg voor ouderen.\n\n3.3. Per e-mailbericht van 12 december 2025 heeft [eiser] haar arbeidsovereenkomst opgezegd. In het bericht staat dat [eiser] zich bewust is van de opzegtermijn van 2 maanden en dat zij daarom opzegt per 12 februari 2026 en voorafgaand aan die einddatum haar eventueel resterende vakantiedagen zal opnemen.\n\n3.4. In antwoord op het bericht van [eiser] heeft [C] , administratief medewerker bij [verweerder] , aan [eiser] laten weten:\n\n“Naar aanleiding van je opzegging zijn wij tot de conclusie gekomen dat we afwijken van de geldende opzegtermijn van twee maanden. Dit betekent dat je arbeidsovereenkomst eindigt op 5 januari 2026.”\n\n [C] licht toe dat [verweerder] daarvoor gekozen heeft in verband met de onrust die het wisselen van begeleiders met zich meebrengt voor de cliënten. Verder berekent [C] dat [eiser] nog een negatief vakantiedagensaldo heeft van 18,94 uur, en geeft zij aan dat [eiser] de sleutels van de woongroep en de tag voor het inklokken uiterlijk 5 januari 2026 dient in te leveren.\n\n3.5. Naar aanleiding van een aan haar gestelde vraag heeft [eiser] op 4 januari 2026 in een bericht aan de dochter van een cliënt laten weten dat zij niet meer voor [verweerder] werkte.\n\n3.6. Op 6 januari 2026 heeft [eiser] van collega [D] het volgende Whatsapp bericht gehad: “Hi alles goed? Kan jij alle mensen een bericht sturen zoals advocaat, bewindvoerder, Wooning en artsen van [E] en doorgeven dat jij weggaat en de info mal van AZ multizorg doorgeeft? Anders blijven dingen liggen en niet opgepakt, Dankjewel.”\n\n3.7. Op 12 januari 2026 heeft [eiser] op dit e-mail bericht van [verweerder] gereageerd, heeft zij [verweerder] gewezen op de opzegtermijn van twee maanden en heeft zij gevraagd hoe het zit met de loonbetaling over de opzegtermijn. Daarnaast heeft [eiser] gewezen op het feit dat zij geen ORT heeft ontvangen en dat de vakantiedagen verkeerd zijn berekend.\n\n3.8. Op 13 januari 2026 heeft [verweerder] per e-mail laten weten dat zij niet eenzijdig heeft opgezegd, maar dat [eiser] dat zelf had gedaan. Daarbij geeft [verweerder] aan dat als [eiser] van mening was geweest dat de arbeidsovereenkomst niet was geëindigd, van haar verwacht had mogen worden dat zij op 5 januari 2026 gewoon was komen werken. Met betrekking tot de ORT geeft [verweerder] aan dat [eiser] eerst zelf een overzicht moet aanleveren van de dagen en uren waarop zij recht meent te hebben op ORT. [verweerder] geeft verder aan dat de eindafrekening zal volgen nadat alle bedrijfseigendommen volledig zijn ingeleverd.\n\n3.9. Op 9 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] zich gemeld bij [verweerder] en namens haar aanspraak gemaakt op het loon tot 12 februari 2026 en de wettelijke verhoging daarover.\n\n3.10. In een e-mail van 10 februari 2026 laat [verweerder] weten ervan uit te gaan dat de overeenkomst is geëindigd op 5 januari 2026 en dat uit het bericht van [eiser] aan een cliënt van 4 januari 2026 blijkt dat [eiser] zelf aan derden heeft meegedeeld dat zij niet meer in dienst is. In de brief is eveneens aangegeven dat [verweerder] de loper van de opvanglocaties heeft vervangen, nadat [eiser] haar sleutels (ondanks eerder verzoeken) niet heeft ingeleverd en dat de kosten daarvan € 3.000,00 bedragen. Ook geeft [verweerder] aan dat zij geen gegevens van [eiser] heeft ontvangen over ORT-uren.\n\n3.11. Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] gereageerd en heeft zij onder meer gesteld dat de sleutels zijn ingeleverd door een nicht van [eiser] en wijst zij namens [eiser] aansprakelijkheid voor de € 3.000,00 schade van de hand. Zij levert ook een overzicht van de ORT-uren aan. De overige verzoeken van [eiser] worden gehandhaafd.\n\n4. Het verzoeken over en weer\n\n4.1. \n [eiser] verzoekt de kantonrechter na wijziging van eis tijdens de mondelinge behandeling:\n\n- Primairhet ontslag van 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon en IKB-toeslag vanaf januari 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat wil zeggen ofwel (primair) 1 maart 2026,danwel (subsidiair) 12 februari 2026, en\n\nsubsidiair, voor het geval de kantonrechter de opzegging niet vernietigt, te bepalen dat [verweerder] een gefixeerde schadevergoeding van € 5.912,88 bruto aan [eiser] verschuldigd is,\n\n [verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte eindafrekening met uitbetaling van de opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen tot en met 12 februari 2026,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de ORT van € 4.513,84 bruto over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling gemiddelde ORT over de maanden januari en februari ter hoogte van € 712,95 bruto,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris en de ORT,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het salaris, de ORT en de gefixeerde schadevergoeding, en\n\n [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2. \n\n [verweerder] wil dat de verzoeken worden afgewezen, met uitzondering van het door [verweerder] erkende bedrag aan ORT van € 4.362,52 bruto.\n\nDaarnaast wil [verweerder] dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [verweerder] , bestaande uit\n\n€ 7.920,00 voor kosten die [verweerder] heeft gemaakt omdat zij op korte termijn externe [verweerder] heeft moeten inkopen toen [eiser] na 5 januari 2026 niet meer kwam werken, en\n\n€ 4.059,07 omdat [eiser] haar sleutels niet (bij haar manager) heeft ingeleverd, waardoor de cilinders en sleutels van alle locaties moesten worden vervangen.\n\n [verweerder] vraagt ook de wettelijke rente over de schadebedragen indien deze niet tijdig worden voldaan. Voor de situatie waarin de kantonrechter ervan uitgaat [verweerder] heeft opgezegd, deze opzegging wordt vernietigd en daarmee wordt teruggevallen op de opzegging door [eiser] , vordert [verweerder] nog een gefixeerde schadevergoeding.\n\n5. De beoordeling\n\nDe verzoeken van [eiser]\n\n5.1. verzoekt de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerder] op 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen het loon door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.\n\nWanneer kan de kantonrechter een opzegging vernietigen?\n\n5.2. De kantonrechter kan de beëindiging van een arbeidsovereenkomst (zoals een ontslag op staande voet of opzegging) vernietigen als het ontslag onrechtmatig is gegeven. Daarvan is onder meer sprake indien het ontslag zonder instemming van de werknemer en\u002Fof zonder toestemming van het UWV is gegeven. De werknemer moet hiervoor wél binnen twee maanden na de ontslagdatum een verzoek indienen bij de rechter.\n\n5.3. Vast staat dat [eiser] haar verzoek tijdig heeft ingediend.\n\nDe mededeling van 23 december 2026 van [verweerder] is een eenzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst\n\n5.4. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst eenzijdige heeft opgezegd. Het is juist dat [eiser] deze aanvankelijk heeft opgezegd op 12 december 2025 tegen 12 februari 2026, maar [verweerder] heeft [eiser] laten weten dat zij de arbeids-overeenkomst eerder zou eindigen, namelijk op 5 januari 2026. Naar eigen zeggen deed [verweerder] dat om te voorkomen dat te veel wisselingen in begeleiding van de cliënten zou komen. [verweerder] stelt weliswaar dat deze brief moet worden gezien als een ‘praktisch voorstel’, maar uit de brief blijkt dat helemaal niet. Het einde van het dienstverband per 5 januari 2026 is geformuleerd als een mededeling en uit de brief blijkt niet dat van [eiser] nog een antwoord wordt verwacht of dat er überhaupt ruimte is voor overleg. Er wordt ook medegedeeld dat [eiser] haar sleutels en tag uiterlijk 5 januari 2026 moet inleveren. Ook dat wijst erop dat [eiser] niet meer wordt verwacht op de werkvloer. [eiser] mocht het bericht dan ook opvatten als een opzegging.\n\n5.5. \n [verweerder] stelt dat niet te zwaar aan de bewoordingen van de brief moet worden getild omdat de brief is opgesteld door een medewerker van [verweerder] die geen jurist is. Ook dat argument gaat niet op. Van een werkgever mag verwacht worden dat zij op de hoogte is van de geldende regelgeving en daar op de juiste wijze uitvoering aan geeft. [verweerder] heeft die taak aan deze medewerker toebedeeld en is gebonden aan en verantwoordelijk voor de wijze waarop deze die taak uitvoert.\n\n5.6. Ook het verweer van [verweerder] dat [eiser] uit het feit dat zij was ingeroosterd had moeten begrijpen dat eigenlijk sprake was van een voorstel en dat de arbeidsovereenkomst feitelijk niet was geëindigd, gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. [eiser] mocht vertrouwen op de mededeling dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd en hoefde niet op eigen initiatief te onderzoeken of de inroostering, voor zover zij die al zou hebben gezien, betekende dat de arbeidsovereenkomst toch niet geëindigd was.\n\n5.7. Het is ook niet zo dat uit het feit dat [eiser] niet kwam werken op 5 januari 2026 mag worden afgeleid dat zij heeft ingestemd met de beëindiging per die datum. Zij hoefde niet te komen werken, want de arbeidsovereenkomst was op dat moment al beëindigd.\n\nDe kantonrechter vernietigt de opzegging van [verweerder] van 23 december 2025\n\n5.8. De opzegging heeft in beginsel tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst op 5 januari 2026 is geëindigd door de opzegging van [verweerder] van 23 december 2025, zonder dat [eiser] daarmee heeft ingestemd of dat daarvoor toestemming was van het UWV. Dat is onrechtmatig en daarom zal de kantonrechter die opzegging vernietigen.\n\n5.9. \n\nOmdat de opzegging vernietigd is, hoeft het subsidiaire standpunt van [eiser] , dat [verweerder] de gefixeerde schadevergoeding moet betalen, geen verdere bespreking.\n\n [verweerder] moet het loon doorbetalen tot en met 12 februari 2026, en ook de wettelijke rente en wettelijke verhoging; [eiser] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen\n\n5.10. De vernietiging van de opzegging heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst na 5 januari 2026 feitelijk is blijven bestaan en dat [verweerder] het loon moet doorbetalen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig is geëindigd. Partijen zijn het er niet over eens op welk moment dat is. [eiser] heeft op 12 december 2025 opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, tegen 12 februari 2026. Dat heeft [eiser] niet goed gedaan, want in de arbeidsovereenkomst staat dat de opzegging moet gebeuren tegen het einde van een kalendermaand. Zij had dus tegen het einde van de maand op moeten zeggen en dan had de arbeidsovereenkomst tot 1 maart 2026 geduurd. Gelet op de standpunten die partijen sindsdien over en weer hebben ingenomen verbindt de kantonrechter daar geen conclusies aan.\n\n5.11. De kantonrechter is van oordeel dat de intentie van [eiser] duidelijk blijkt uit haar opzegging. Zij wilde de opzegtermijn in acht nemen en haar arbeidsovereenkomst tot dat moment uitdienen. Hoewel haar berekening eigenlijk niet juist is, is niet gebleken dat [verweerder] niet akkoord was met die eerdere opzegging. Integendeel, [verweerder] heeft daar niet eerder dan in deze procedure een punt van gemaakt en heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst beëindigd op een nóg eerdere datum. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [verweerder] in ieder geval akkoord was met een datum gelegen voor 1 maart 2026. Omdat daarover overeenstemming was met partijen kan [eiser] daar niet tijdens de mondelinge behandeling op terugkomen. Datzelfde geldt voor [verweerder] . De arbeidsovereenkomst is daarom geëindigd op 12 februari 2026, zonder dat [eiser] gefixeerde schadevergoeding aan [verweerder] hoeft te betalen. [verweerder] hoeft ook alleen tot die datum het loon door te betalen. [verweerder] is onbetwist ook IKB-toeslag verschuldigd.\n\n5.12. Het verweer van [verweerder] dat zij over die periode geen loon verschuldigd is omdat ook geen sprake is geweest van arbeid gaat daarbij niet op. Artikel 7:628 BW bepaalt dat de werknemer recht blijft houden op loon als de oorzaak van het feit dat hij geen arbeid heeft verricht in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Daarvan is hier ook sprake: het is [verweerder] zelf die deze situatie in het leven heeft geroepen, dat gaat niet ten koste van de loondoorbetalingsplicht.\n\n5.13. \n [eiser] heeft verzocht om toewijzing van de wettelijke rente over het loon dat nog uitbetaald moet worden, vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid van de verschillende salarisbetalingen. Dit zal worden toegewezen. [eiser] heeft daarnaast verzocht op toewijzing van de wettelijke verhoging. De kantonrechter zal ook die toewijzen. Voor matiging ziet de kantonrechter geen aanleiding. De reden waarom het loon te laat is betaald is, gelet op de onrechtmatige opzegging, volledig te wijten aan [verweerder] .\n\n [verweerder] moet ORT betalen aan [eiser] , vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging\n\n5.14. \n [eiser] wil dat [verweerder] de ORT betaalt die zij nog niet heeft ontvangen. Het gaat dan over ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025 én om de gemiddelde ORT over de voorliggende maanden over de periode tussen 5 januari 2026 en 12 februari 2026.\n\n De ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025\n\n5.15. Hoewel [eiser] recht had op ORT, heeft [verweerder] in het geheel nog geen ORT uitgekeerd tijdens het dienstverband van [eiser] . [verweerder] stelt dat zij daartoe nog niet over hoefde te gaan omdat [eiser] daartoe niet de vereiste administratie had ingeleverd en dat [eiser] dat pas in de loop van deze procedure heeft gedaan. Dat argument gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Een werkgever heeft de wettelijke plicht om een sluitende administratie bij te houden van de gewerkte dagen en uren van haar werknemers. Die verplichting mag niet volledig worden verschoven naar de werknemer. Bovendien had [eiser] een vast rooster en heeft zij gesteld dat zij daarvan nooit is afgeweken. Dat heeft [verweerder] niet betwist. [verweerder] was daarom op de hoogte van de gewerkte uren en de verschuldigde ORT.\n\n5.16. \n [verweerder] heeft de ORT-berekening van [eiser] over de periode van indiensttreding tot en met december 2025 niet betwist, op twee ziektedagen na. [eiser] heeft die fout in de berekening tijdens de mondelinge behandeling erkend. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de vordering van [eiser] voor uitbetaling van ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2026 komt vast te staan tot het bedrag dat door [verweerder] is erkend van € 4.362,52 bruto.[eiser] heeft niet onderbouwd gesteld dat zij aanspraak kan maken op een hoger bedrag.\n\n De ORT over de periode vanaf 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026\n\n5.17. De kantonrechter zal ook ORT toewijzen voor de periode van 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026. Vast staat dat namelijk dat [eiser] structureel recht had op ORT. Dat betekent dat op het moment dat [eiser] recht heeft op loon over de periode 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026, zoals hiervoor is vastgesteld, zij op grond van de CAO ook recht heeft op ORT over die periode. Die wordt volgens de CAO berekend over het gemiddelde ORT van de drie voorafgaande maanden. [eiser] heeft dat bedrag berekend op een totaal van € 712,95 en dat zal worden toegewezen. [verweerder] heeft de omvang van deze vordering namelijk niet gemotiveerd betwist.\n\n [verweerder] moet de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT betalen\n\n5.18. \n [eiser] verzoekt ook de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT. Wettelijke rente en wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zijn verschuldigd vanaf de opeisbaarheid van de verschuldigde bedragen. Daarom moet voor de toewijzing daarvan duidelijk zijn wanneer dat is.\n\n5.19. \n [verweerder] stelt dat die bedragen nog niet opeisbaar waren, omdat zij pas na 8 mei 2026 op de hoogte was van de ORT-uren van [eiser] en dat zij daarom niet ‘te laat’ heeft betaald.\n\n5.20. De kantonrechter is van oordeel dat dat verweer niet op gaat. Zoals hiervoor al overwogen is de werkgever gehouden om een overzicht bij te houden van de gewerkte uren en daarvan een sluitende administratie te voeren en [verweerder] heeft zich daar onvoldoende aan gehouden, door die verantwoordelijkheid volledig bij de werknemer neer te leggen. [verweerder] wordt geacht op de hoogte te zijn van de door [eiser] gewerkte dagen en uren en dus ook van de verschuldigdheid van ORT daarover.\n\n5.21. Voor de opeisbaarheid zoekt de kantonrechter aansluiting bij artikel 6.7 van de CAO, waarin staat:\n\n“Het salaris wordt uiterlijk twee dagen voor het einde van de kalendermaand uitbetaald. Eventuele toeslagen opgebouwd in die betreffende kalendermaand worden uiterlijk in de daaropvolgende maand uitbetaald. Alle betalingen vinden plaats door storting op een bankrekening op naam van de werknemer.”\n\nDat betekent dat de ORT steeds vanaf dat moment opeisbaar is. De wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW moeten daarom vanaf die respectievelijke momenten worden berekend.\n\n5.22. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te matigen, omdat [verweerder] al vanaf de indiensttreding van [eiser] geen enkel bedrag aan ORT heeft betaald, terwijl dit een aanzienlijk deel van het salaris van [eiser] uitmaakte.\n\n [verweerder] moet een correcte eindafrekening verstrekken\n\n5.23. \n [eiser] heeft de kantonrechter verzocht om [verweerder] te veroordelen een correcte en deugdelijke eindafrekening te verstrekken, waarin de door haar opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen zijn opgenomen. Een correcte eindafrekening moet inderdaad nog worden opgesteld. Ten aanzien van de vakantiedagen overweegt de kantonrechter het volgende. [verweerder] heeft aangegeven dat [eiser] begin januari 2026 een negatief vakantie-urensaldo (-18,94 uur) had en dat ervan uit kan worden gegaan dat de opgebouwde vakantie-uren nihil zijn voor zover de arbeidsovereenkomst geacht moet worden te hebben doorgelopen tot 12 februari 2026. [eiser] heeft dat niet (gemotiveerd) betwist. De kantonrechter stelt daarom vast dat er geen vakantie-uren meer hoeven te worden uitbetaald. [verweerder] heeft aangeboden om binnen 14 dagen na de mondelinge behandeling een correcte eindafrekening te sturen, maar de kantonrechter kan niet controleren of dat ook daadwerkelijk gebeurd is. Daarom wordt het verzoek – voor zover nodig – toch toegewezen.\n\nDe tegenverzoeken van [verweerder]\n\nDe kosten voor de extern ingekochte [verweerder] worden afgewezen\n\n5.24. \n [verweerder] heeft een tweetal tegenverzoeken gedaan. Het verzoek tot betaling van de factuur die gaat over de vervangende [verweerder] die [verweerder] extern heeft moeten inkopen vanaf 5 januari 2026 zal worden afgewezen. [eiser] heeft niet onrechtmatig gehandeld door niet te verschijnen op het werk, aangezien [verweerder] de arbeidsovereenkomst had opgezegd. Daarmee komt de grondslag aan die vordering te ontvallen en zal dat deel van de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.\n\n [eiser] moet de kosten vergoeden voor het vervangen van de sleutels\n\n5.25. De kantonrechter zal de kosten voor het vervangen van de sleutels toewijzen. [eiser] had de beschikking over sleutels die toegang gaven tot alle opvanglocaties van [verweerder] waar [eiser] werkzaam was. [eiser] had deze bij het einde van de arbeidsovereenkomst in moeten leveren. Zij heeft dat, ondanks meerdere verzoeken, niet aantoonbaar gedaan. [verweerder] zag zich daarom genoodzaakt de sloten te vervangen en heeft daarvoor kosten moeten maken. De kosten voor het vervangen bedragen volgens [verweerder] € 4.059,07. [verweerder] heeft daarvan facturen overgelegd.\n\n5.26. \n [verweerder] verzorgt de opvang van zeer kwetsbare jongeren. Van sommigen van hen is het absoluut onwenselijk dat zij de opvanglocatie kunnen verlaten indien zij per ongeluk de sleutel in handen zouden krijgen en voor sommigen van hen is het belangrijk voor hun veiligheid dat mensen van buiten geen toegang hebben tot de locatie waar zij verblijven. [verweerder] moet daarom weten waar de sleutels zijn. Op het moment dat er sleutels ‘weg’ zijn, of onduidelijk is waar een sleutel is gebleven, is het vervangen van de sloten de enige manier om de veiligheid te waarborgen. [verweerder] heeft daarom een Protocol Gebruik en Inleveren sleutels opgesteld, dat onderdeel uitmaakt van haar huisregels en daarmee ook van de individuele arbeidsovereenkomsten. In het protocol staat dat de uitgifte van sleutels wordt geregistreerd door de leidinggevende of aangewezen verantwoordelijke, dat deze bij uitdiensttreding direct moeten worden ingeleverd en dat de inlevering wordt geregistreerd door de verantwoordelijke medewerker of leidinggevende. In het protocol staat eveneens dat bij nalatigheid passende maatregelen kunnen worden genomen en\u002Fof de kosten op de werknemer kunnen worden verhaald.\n\n5.27. De kantonrechter begrijpt de noodzaak voor [verweerder] om de cliënten die aan haar [verweerder] zijn toevertrouwd te beschermen. De toegang tot het gebouw en de mogelijkheid om het gebouw al dan niet te verlaten is een belangrijk instrument daarvoor. [verweerder] heeft er daarom naar het oordeel van de kantonrechter een groot belang bij dat zij zicht houdt op de sleutels en dat het risico’s met zich brengt als niet duidelijkheid is waar de sleutels zich bevinden. Er is dan immers een mogelijkheid dat de betreffende sleutel in verkeerde handen kunnen komen. [eiser] heeft het belang van [verweerder] bij het zicht op de sleutels ook niet betwist.\n\n5.28. \n [verweerder] heeft deze noodzaak ook duidelijk naar haar medewerkers gecommuniceerd, en nadere regels vastgesteld in het protocol. De medewerkers, waaronder [eiser] , zijn hiervan op de hoogte. [eiser] heeft niet betwist dat zij op grond van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd met de huisregels van [verweerder] , onder meer bestaande uit het Protocol Gebruik en Inleveren van Sleutels.\n\n5.29. \n [verweerder] heeft [eiser] een paar keer gevraagd de sleutels in te leveren en [eiser] heeft dat niet aantoonbaar gedaan. [eiser] stelt dat zij (pas) op 9 februari 2026 de sleutels aan haar nicht heeft gegeven tijdens een babyshower, zodat deze de sleutels kon inleveren. In een brief van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] dit gemeld aan [verweerder] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verteld dat deze nicht – die ook voor [verweerder] werkte – de sleutels op het werk in een kluis zou hebben gelegd, omdat er op dat moment niemand aanwezig was om de sleutel bij in te leveren. Of dat daadwerkelijk gebeurd is valt voor de kantonrechter niet vast te stellen, omdat het nergens uit blijkt. [verweerder] betwist de sleutels te hebben ontvangen en de nicht wil daarover niet verklaren.\n\n5.30. \n [verweerder] heeft onderbouwd gesteld dat [eiser] gehouden was de sleutels in te leveren en die is door [eiser] ook erkend. Doordat niet is komen vast te staan dat [eiser] de sleutels heeft ingeleverd, is de tekortkoming in de nakoming van de verplichting komen vast te staan. [eiser] heeft er, ondanks dat zij op de hoogte was van deze regels en het belang daarvan voor [verweerder] , bewust voor gekozen om de sleutels op oncontroleerbare wijze aan een derde af te geven. De tekortkoming kan [eiser] daarom ook worden toegerekend. [verweerder] heeft de schade voldoende aangetoond met de overgelegde facturen. [eiser] is daarom gehouden de schade van [verweerder] ten bedrage van € 4.059,07 te vergoeden.\n\n [verweerder] heeft een beroep gedaan op verrekening\n\n5.31. Bij brief van 20 mei 2026 aan de kantonrechter heeft [verweerder] een beroep gedaan op verrekening. Daarmee heeft [verweerder] ook aan [eiser] kenbaar gemaakt haar vordering te willen verrekenen met die van [eiser] . [eiser] heeft weliswaar de vordering van [verweerder] betwist, maar geen bezwaar gemaakt tegen de verrekening voor zover de vordering van [verweerder] zou komen vast te staan. De verrekening werkt op grond van de wet terug tot het moment waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Hoewel de sloten eerder zijn vervangen, gaat de kantonrechter uit van de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd na vernietiging van de opzegging door [verweerder] , dus van 12 febuari 2026. Pas bij het einde van de arbeidsovereenkomst bestond immers de verplichting tot het inleveren van de sleutels.\n\n5.32. De verbintenissen van [eiser] en [verweerder] gaan door verrekening tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. Dat betekent dat de vordering van [verweerder] op [eiser] volledig teniet is gegaan op het moment dat deze vordering verrekend kon worden en [eiser] geen wettelijke rente verschuldigd is over deze schadevergoeding.\n\n [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling\n\n5.33. De kantonrechter veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de over en weer verschuldigde bedragen, zoals geformuleerd in de beslissing.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd\n\n5.34. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld.\n\nDe beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard\n\nDe kantonrechter zal bepalen dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is. Dat betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n6.1. vernietigt de op 23 december 2025 door [verweerder] gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst;\n\n6.2. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de navolgende over en weer verschuldigde bedragen:\n\n€ 2.956,44 bruto per maand aan loon, vermeerderd met de IKB-toeslag van 16,4% daarover, vanaf 1 januari 2026 tot 12 februari 2026,\n\n€ 4.362,52 bruto aan ORT die [eiser] heeft opgebouwd over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,\n\n€ 712,95 bruto aan ORT die [eiser] over de periode januari 2026 tot en met 12 februari 2026 te betalen,\n\ne wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris en de ORT zoals benoemd in onderdeel 6.2 onder a tot en met c van deze beschikking, rekening houdend met de betaaltermijnen van het salaris en de ORT als omschreven in § 5.13 en § 5.21 en\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te betalen over de bedragen genoemd in onderdeel 6.2 onder a tot en met c van dit vonnis, vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid als omschreven in § 5.13 en § 5.21 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nminus\n\n€ 4.059,07 aan schadevergoeding voor vervanging van sleutels, welk bedrag door verrekening per 12 februari 2026 in mindering sterkt op de onder a tot en met e genoemde bedragen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW.\n\n6.3. veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking een deugdelijke en correcte eindafrekening te verstrekken,\n\n6.4. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n6.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n [eiser] heeft bij verzoekschrift verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon tot [geboortedatum] 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] haar verzoek vermeerderd en loondoorbetaling verzocht tot 1 maart 2026. [verweerder] heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat de stelling dat de arbeidsovereenkomst tot 1 maart 2026 zou doorlopen tot aan de mondelinge behandeling niet was ingenomen en zij zich niet op dat standpunt had hoeven voor te bereiden. De kantonrechter staat de vermeerdering toe, omdat daaraan geen nieuwe feiten ten grondslag zijn gelegd en het standpunt in lijn is met het pas kort voor de mondelinge behandeling ingenomen standpunt van [verweerder] over de door [eiser] gehanteerde opzegtermijn.\n\n Verweerschrift § 3.18.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3767","2026-07-13T00:28:42.459Z",{"id":195,"ecli":196,"slug":197,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":174,"fullText":198,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":199,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":200},"1873","ECLI:NL:RBOVE:2026:3663","ecli-nl-rbove-2026-3663","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12206949 \\ EJ VERZ 26-130\n\nBeschikking van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [partij A],\n\ngemachtigde: mr. M.F. Riepma,\n\ntegen\n\nSTICHTING DEVENTER ZIEKENHUIS,\n\ngevestigd te Deventer,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Deventer Ziekenhuis,\n\ngemachtigde: mr. M.G.N. de Jonge.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag op staande voet (rechts)geldig is. Het tegenverzoek van werkgever tot betaling van de kosten voor het inschakelen van een deskundige wordt eveneens afgewezen, aangezien geen sprake is van redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid van werknemer.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 12,\n\n- het verweerschrift, met een zelfstandig tegenverzoek, met producties 1 tot en met 20,\n\n- de brief met aanvullende productie 13 van [partij A],\n\n- de brief met aanvullende productie 21 van Deventer Ziekenhuis\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van [partij A],\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van Deventer Ziekenhuis\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [partij A] is van 1 september 2018 tot en met 27 februari 2026 in dienst geweest bij Deventer Ziekenhuis. De functie van [partij A] was specialistisch verpleegkundige SEH (Spoedeisende hulp) met een loon van € 4.203,61 bruto per maand exclusief emolumenten. [partij A] had, naast zijn reguliere werkzaamheden, samen met één andere collega de taak om de medicijnkamer te ordenen en opgeruimd te houden.\n\n3.2. In week 3 van 2026 heeft een werknemer die werkzaam is op de afdeling SEH, bij de afdelingsmanager (dhr. [naam 1], hierna te noemen: [naam 1]) gemeld dat het geneesmiddel Midazolam neusspray (hierna te noemen: Midazolam) een niet te verklaren, hogere consumptie heeft dan de gebruikelijke hoeveelheid van één à twee flesjes per week.\n\n3.3. In de periode van 19 tot en met 26 januari 2026 hebben vier andere werknemers op eigen initiatief de voorraad Midazolam dagelijks gemonitord. Op 26 januari 2026 hebben deze vier werknemers hun bevindingen, namelijk dat de voorraad Midazolam zonder verklaring afneemt, bij [naam 1] gemeld.\n\n3.4. In de periode van 26 januari 2026 tot en met 2 februari 2026 heeft [naam 1] de voorraad Midazolam zelf gemonitord en geconcludeerd dat er flesjes Midazolam zijn weggenomen en dat [partij A] hiervoor verantwoordelijk is.\n\n3.5. Op 2 februari 2026 is [partij A] na een gesprek met [naam 1] en mw. [naam 2] (HR-adviseur) over de verdenkingen op non-actief gesteld.\n\n3.6. Op 3 februari 2026 heeft Deventer Ziekenhuis Bravo Recherche- en onderzoeksbureau (hierna te noemen: Bravo) opdracht gegeven om onderzoek te doen naar het verdwijnen van Midazolam. Op 25 februari 2026 is [partij A] door Bravo gehoord.\n\n3.7. \n\nOp 27 februari 2026 is [partij A] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Deventer Ziekenhuis neemt het jou kwalijk dat jij geruime tijd stelselmatig tijdens en buiten diensttijd medicatie hebt weggenomen, dat jij gedurende werktijd veelvuldig geen werkzaamheden hebt verricht en dat jij geen verantwoordelijkheid hebt willen nemen voor jouw gedrag. (…)\n\nDe dringende reden van jouw ontslag is er onder meer in gelegen dat\n\nuit intern en extern onderzoek is gebleken dat jij herhaaldelijk en ongeoorloofd de medicijnkamer hebt betreden op momenten waarop vervolgens Midazolam neusspray bleek te ontbreken;\n\ndeze vermissingen waren niet te relateren aan patiëntenzorg, voorschriften of andere legitieme werkzaamheden;\n\ner een patroon is vastgesteld tussen jouw diensten en aanwezigheid in het ziekenhuis en het verdwijnen van de Midazolam neusspray;\n\njij de medicijnkamer zevenmaal hebt betreden terwijl je niet was ingeroosterd voor werkzaamheden op de SEH;\n\njij geen plausibele en verifieerbare verklaring hebt kunnen geven voor onder andere jouw aanwezigheid in de medicijnkamer terwijl je niet aan het werk was;\n\ndat jij ten onrechte volstrekt onbereikbaar bent gebleven voor zowel Bravo als jouw werkgever;\n\njij ernstig in strijd hebt gehandeld met de op jou rustende verplichtingen als specialistisch verpleegkundige en het in jou gestelde vertrouwen op grove wijze geschonden;\n\njouw handelen heeft geleid tot risico's voor de patiëntveiligheid en tot een onherstelbare vertrouwensbreuk.\n\nAlle omstandigheden in overweging nemende zijn wij van oordeel dat de voornoemde ernstige constateringen ieder voor zich en\u002Fof in onderling verband beschouwend een dringende reden (…) voor een onmiddellijke beëindiging van jouw dienstverband opleveren.”\n\n4. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\n4.1. \n [partij A] verzoekt de kantonrechter:\n\nprimair:\n\nI. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding aan\n\n [partij A] van € 59.089,00 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nII. Aan [partij A] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen van € 12.185,27 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nIII. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de transitievergoeding van € 14.878,06 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nsubsidiair:\n\nIV. voor zover de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 27 februari 2026, om Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 14.878,06 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nmeer subsidiair:\n\nV. voor zover het ontslag op staande voet terecht is gegeven en tevens sprake is van ernstige verwijtbaarheid om veroordeling van Deventer Ziekenhuis tot betaling van de transitievergoeding van € 14.878,06 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nprimair, subsidiair en meer subsidiair:\n\nVI. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de bedragen tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nVII. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot het verstrekken van een deugdelijke eindafrekening;\n\nVIII. Deventer Ziekenhuis te veroordelen in de kosten van de procedure.\n\n4.2. \n [partij A] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat geen sprake is van een dringende reden, omdat hij geen geneesmiddelen heeft weggenomen. Het ontslag op staande voet is daarom onterecht gegeven. Door de melding bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die Deventer Ziekenhuis heeft gedaan, is hij in zijn goede naam aangetast en kan bij niet binnen redelijke afstand van zijn woonplaats in de zorg werken.\n\n4.3. Deventer Ziekenhuis voert verweer en stelt dat de verzoeken van [partij A] moeten worden afgewezen. Deventer Ziekenhuis voert ‑ samengevat ‑ aan dat er wel degelijk sprake is van een dringende reden en zij [partij A] daarom rechtsgeldig op staande voet heeft ontslagen. Deventer Ziekenhuis heeft daarnaast een tegenverzoek gedaan, waarbij zij verzoekt om een verklaring voor recht dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven en om [partij A] te veroordelen tot betaling van de onderzoekskosten van € 16.561,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2026, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.\n\n5. De beoordeling van het verzoek\n\n5.1. Aan de kantonrechter ligt de vraag voor of Deventer Ziekenhuis de arbeidsovereenkomst met [partij A] rechtsgeldig heeft opgezegd. Voor de vraag of in strijd met artikel 7:671 BW is opgezegd, dient te worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW. Ingevolge art. 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij Deventer Ziekenhuis als werkgever.\n\nDe dringende reden5.2. \n\nIn de ontslagbrief zijn meerdere redenen voor ontslag genoemd. Uit de bewoordingen van de ontslagbrief en het verweer in deze procedure blijkt dat de dringende reden volgens Deventer Ziekenhuis - kort gezegd – is gelegen in het feit dat\n\n [partij A] Midazolam heeft weggenomen. Gezien de stellingen van [partij A] in dezeprocedure is het hem ook steeds duidelijk geweest dat dit de dringende reden is die tot de opzegging heeft geleid.\n\n5.3. Nu [partij A] ontkent Midazolam te hebben weggenomen, zal de kantonrechter in deze procedure moeten beoordelen of Deventer Ziekenhuis voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat dat wel het geval is. Van een werkgever mag in geval van een verwijt als dit worden verwacht dat hij een zoveel mogelijk uitgewerkt dossier voorlegt met daarin de nodige overtuigingsstukken waaruit blijkt dat de verweten gedraging met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is gepleegd. De kantonrechter is van oordeel dat Deventer Ziekenhuis dat in deze procedure heeft gedaan en overweegt daartoe als volgt.\n\n5.4. \n\nDat [partij A] gedurende een aantal jaren Midazolam heeft weggenomen blijkt volgens Deventer Ziekenhuis uit het onderzoek door de vier werknemers, het individuele onderzoek door [naam 1] en het rapport van Bravo. Uit het rapport van Bravo volgt dat zij naar aanleiding van de door Deventer Ziekenhuis aangeleverde stukken tot de conclusie is gekomen dat alleen [partij A] telkens aanwezig was op alle dagen dat er Midazolam verdween. Vervolgens heeft Bravo een overzicht opgesteld op basis van de dienstroosters van de jaren 2024, 2025 en 2026, de voorraadlijsten, de medicatieopdrachten van de apotheek en de badgemeldingen van [partij A] bij de medicijnkamer van 22 maart 2025 tot 2 februari 2026. Uit dit overzicht blijkt dat er telkens Midazolam verdween wanneer\n\n [partij A] dienst had, met name in de nachtdiensten, terwijl in de perioden dat\n\n [partij A] afwezig was, geen verdwijningen werden geconstateerd. Er werden onder andere geen vermissingen geconstateerd tijdens de vakanties van [partij A], maar kort ervoor en direct erna wel. Verder constateert Bravo dat [partij A] aan het einde van zijn dienst vaak de medicijnkamer bezocht, terwijl alle andere verpleegkundigen zich op dat moment elders verzamelden voor de overdracht van de diensten. Ook heeft Bravo geconstateerd dat [partij A] in de periode van april tot en met augustus 2025 in totaal acht keer in de medicijnkamer is geweest, waarvan zeven keer op momenten dat hij geen dienst had, en één keer terwijl hij een interne training volgde op een andere afdeling. Verder legt Deventer Ziekenhuis nog een anonieme verklaring aan haar stelling ten grondslag waaruit blijkt dat een werknemer de jas van [partij A] in de kleedruimte van de kapstok heeft laten vallen en zij toen een flesje Midazolam uit de jaszak van [partij A] heeft zien vallen, waarna zij deze heeft teruggeplaatst.\n\n5.5. \n [partij A] betwist dat hij Midazolam heeft weggenomen. Hij voert aan dat de Midazolam mogelijk door anderen is weggenomen, maar niet door hem. Wat betreft zijn aanwezigheid in de medicijnkamer buiten zijn diensten heeft [partij A] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een aantal keer in het ziekenhuis aanwezig was vanwege een medische afspraak voor zijn zoontje. De cursus vond bovendien plaats op een afdeling vlakbij de SEH. [partij A] heeft verder verklaard dat hij zich niet kan herinneren waarom hij op die momenten de medicijnkamer zou hebben betreden. Hij zegt dat hij mogelijk een pijnstiller heeft gepakt of iets heeft opgeruimd. Hij verklaart verder nooit Midazolam te hebben gebruikt en dit ook niet in zijn jaszak te hebben gehad.\n\n5.6. De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij Midazolam heeft weggenomen. Hierbij is met name van belang dat hij geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij als enige dienst had op alle dagen dat Midazolam verdween, er telkens Midazolam verdween als hij in de medicijnkamer was geweest en er geen Midazolam verdween als hij geen dienst had of op vakantie was. Verder acht de kantonrechter van belang dat [partij A] geen verklaring heeft kunnen geven over zijn bezoeken aan de medicijnkamer op de spoedeisende hulp (waarna er ook Midazolam verdwenen bleek te zijn) op de momenten waarop hij geen dienst had. Een bezoek aan het ziekenhuis voor zijn zoontje verklaart immers niet een bezoek aan de medicijnkamer.\n\n5.7. \n [partij A] heeft wel aangevoerd dat de Midazolam, gelet op de diensten, kan zijn weggenomen door meerdere andere collega’s gezamenlijk, maar dat acht de kantonrechter niet geloofwaardig, mede gelet op het feit dat er geen Midazolam verdween tijdens de vakanties of afwezigheid van [partij A]. Voor zover [partij A] verder stelt dat hij door de zwart gelakte stukken in het rapport van Bravo niet kan nagaan of hij de enige is geweest die op de momenten van de wegneming van Midazolam altijd dienst had, oordeelt de kantonrechter dat uit de conclusies van Bravo blijkt dat hij de enige was. Verder volgt uit de lijst die de vier werknemers van de SEH van 19 tot en met 26 januari 2026 hebben opgesteld (en waarop geen namen zijn zwart gelakt) dat [partij A] de enige werknemer is die steeds dienst had wanneer er in die periode Midazolam verdween. Tot slot volgt de kantonrechter [partij A] ook niet in zijn betoog dat het mogelijk is dat iemand de medicijnkamer is binnengekomen zonder een badge te gebruiken door achter een andere medewerker aan mee naar binnen te lopen en dat deze persoon de Midazolam heeft weggenomen. [partij A] heeft de stelling dat dit is gebeurd, laat staan dat dit gebeurde met het oogmerk om Midazolam weg te nemen, niet op enige wijze onderbouwd en Deventer Ziekenhuis heeft ook betwist dat dit gebeurt. Bovendien is het ten aanzien van dit alternatieve scenario niet begrijpelijk waarom de Midazolam alleen zou zijn verdwenen op de momenten dat (ook) [partij A] in de medicijnkamer is geweest.\n\n5.8. Gezien het voorgaande stelt de kantonrechter met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast dat [partij A] zich schuldig heeft gemaakt aan het ongeoorloofd wegnemen van Midazolam. Deventer Ziekenhuis heeft aangevoerd dat Midazolam een benzodiazepine is, verslavend werkt, op de zwarte markt verkocht kan worden en zeer schadelijke gevolgen kan hebben wanneer het verkeerd wordt gebruikt. [partij A] was er bovendien van op de hoogte dat hij het middel niet zonder toestemming voor eigen gebruik of anderszins mocht wegnemen. Door dit toch te doen heeft [partij A] het door Deventer Ziekenhuis in hem gestelde vertrouwen ernstig geschaad en heeft hij zijn verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst ernstig geschonden. [partij A] heeft zelf overigens ook gesteld dat diefstal van medicijnen kwalificeert als dringende reden.\n\n5.9. Bij de beoordeling van de vraag of de gedragingen van [partij A] in dit geval ook een dringende reden opleveren, wordt ook acht geslagen op zijn persoonlijke omstandigheden. [partij A] heeft in dat verband geen bijzondere persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht. De kantonrechter heeft wel gekeken naar de leeftijd en de duur van het dienstverband van [partij A] en naar het feit dat er een melding is gedaan bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. De kantonrechter begrijpt dat de gevolgen van het ontslag voor [partij A] ingrijpend zijn. In aanmerking moet echter worden genomen dat hij welbewust, gedurende een langere periode en op grote schaal Midazolam heeft weggenomen, wetende dat dit niet was toegestaan. Een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van het handelen leiden er in dit geval toe dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.\n\n5.10. Gezien het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat het handelen van [partij A] kwalificeert als een dringende reden tot onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het ontslag op staande voet is daarom rechtsgeldig.\n\nDe verzochte vergoedingen5.11. Het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is. Hetzelfde geldt voor het (subsidiaire en meer subsidiaire) verzoek om Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen van [partij A] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is Deventer Ziekenhuis geen transitievergoeding aan [partij A] verschuldigd.\n\nProceskosten5.12. De proceskosten komen voor rekening van [partij A], omdat [partij A] in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van Deventer Ziekenhuis worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.13. De door Deventer Ziekenhuis gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beoordeling van het tegenverzoek\n\nVerklaring voor recht6.1. Uit het bovenstaande blijkt dat sprake was van een dringende reden op grond waarvan Deventer Ziekenhuis de arbeidsovereenkomst met [partij A] onmiddellijk mocht opzeggen. Het verzoek van Deventer Ziekenhuis om een verklaring voor recht dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven, zal daarom worden toegewezen.\n\nKosten voor onderzoek Bravo6.2. Deventer Ziekenhuis verzoekt verder om [partij A] te veroordelen tot betaling van de kosten die zij heeft moeten maken voor het inschakelen van Bravo. Dit betreft een bedrag van € 16.561,88. Deventer Ziekenhuis stelt dat sprake is van redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid van [partij A]. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt.\n\n6.3. \n\nOp grond van artikel 6:96 lid 2 sub a BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking. In deze procedure is echter niet gesteld dat sprake is van aansprakelijkheid en een daaruit voortvloeiende verplichting tot betaling van schadevergoeding van [partij A]. De vastgestelde dringende reden levert niet automatisch aansprakelijkheid voor schade van [partij A] op. Omdat in deze procedure geen oordeel wordt gevraagd over de aansprakelijkheid van [partij A] en dus ook geen aansprakelijkheid van [partij A] is vastgesteld, kan in deze procedure ook geen vergoeding worden gevorderd van kosten ter vaststelling van die aansprakelijkheid. De kantonrechter zal het verzoek van Deventer Ziekenhuis tot betaling van het bedrag van\n\n€ 16.561,88 afwijzen.\n\nProceskosten tegenverzoek6.4. De kantonrechter zal bepalen dat partijen in het tegenverzoek ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat het tegenverzoek voor zover dat wordt toegewezen voortvloeit uit de beoordeling van het hoofdverzoek door [partij A], en het tegenverzoek tot betaling wordt afgewezen.\n\n7. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n7.1. wijst het verzoek af,\n\n7.2. veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n7.3. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n7.4. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n7.5. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing onder 7.1.\n\nop het tegenverzoek\n\n7.6. verklaart voor recht dat het door Deventer Ziekenhuis aan [partij A] verleende ontslag op staande voet op 26 februari 2026 rechtsgeldig is gegeven,\n\n7.7. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\nEA\n\n Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3663","2026-07-13T00:29:43.102Z",{"id":202,"ecli":203,"slug":204,"caseNumber":45,"courtId":205,"decisionDate":116,"fullText":206,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":207,"sourceTimestamp":174,"parsedAt":53,"updatedAt":208},"1190","ECLI:NL:RBMNE:2026:3529","ecli-nl-rbmne-2026-3529",79,"RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12096989 \\ ME VERZ 26-19 D\u002F1403\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekende parij],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekende parij] ,\n\ngemachtigde: mr. W.F. Wienen,\n\ntegen\n\n [verwerende partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verwerende partij] ,\n\ngemachtigde: mr. A. Hashem Jawaheri.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt [verzoekende parij] , als werknemer, (onder meer) om vernietiging van de opzegging van de zorgovereenkomst, die zij met [verwerende partij] gesloten heeft. Partijen twisten over de vraag of hun rechtsverhouding moet worden gekwalificerd als een arbeidsovereenkomst, of dat de zorgovereenkomst een overeenkomst van opdracht behelst. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst en wijst het verzoek van [verzoekende parij] toe, omdat het ontslag niet (rechts)geldig is.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, met producties 1 t\u002Fm 6 en de aanvullende productie 7\n\n- het verweerschrift, met twee producties\n\n- de mondelinge behandeling van 23 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekende parij] .\n\n1.2.. Na de mondelinge behandeling is [verzoekende parij] in de gelegenheid gesteld om de zorgovereenkomst nog in het geding te brengen en de inhoud hiervan toe te lichten. [verwerende partij] is hierna in de gelegenheid gesteld hier op te reageren.1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoekende parij] is vanaf 21 oktober 2021 werkzaamheden gaan verrichten voor [verwerende partij] . Partijen hebben hiervoor een zorgovereenkomst gesloten. De functie van [verzoekende parij] is persoonlijk individueel begeleider. [verzoekende parij] ontving een bruto maandloon van € 2.829,00 voor 25 uur per week.\n\n2.2.. \n\n [verzoekende parij] heeft zich in december 2025 ziek gemeld. [verzoekende parij] heeft (in een, volgens haar, op 7 december 2025 verzonden bericht) het volgende geschreven aan [verwerende partij] :\n\n“[…]\n\n Ik zit momenteel met kniepijn.\n\nVandaag had een afspraak bij de dokter en na het onderzoek zei hij dat ik ongeveer één week tot tien dagen rust moet nemen, minder moet lopen en dat ik foto’s en fysiotherapie moet doen; dat hij heeft hij voor me voorgeschreven.\n\nIk wilde je hiervan op de hoogte brengen.\n\nGraag wil ik dat je deze periode van één tot tien dagen voor me regelt, zodat ik, als God het wil, beter word en daarna weer volledig aan het werk kan.\n\n[…]”\n\n2.3.. \n\nOp 12 december 2025 ontving [verzoekende parij] een brief van het Zorgkantoor, waarin haar het volgende wordt meegedeeld:\n\n“ [verwerende partij] heeft uw zorgovereenkomst met ingangsdatum 1 januari 2024 eerder beëindigd.\n\nUw zorgovereenkomst is eerder geëindigd\n\nDe nieuwe einddatum van de zorgovereenkomst is 1 december 2025.\n\nDe zorgovereenkomst is beëindigd in overeenstemming met de zorgverlener. Neem voor meer informatie contact op met de budgethouder.\n\n[…]”\n\n2.4.. \n [verwerende partij] is op [2026] overleden.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekende parij] verzoekt de kantonrechter primairhet ontslag, althans de opzegging van de zorgovereenkomst, te vernietigen en [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.658,00 (bruto) aan achterstallig loon over de maanden december 2025 en januari 2016 en verder een bedrag van € 2.829,00 (bruto) per maand, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Tevens verzoekt [verzoekende parij] om [verwerende partij] te veroordelen om deugdelijke bruto-netto loonspecificaties te verstrekken en om [verzoekende parij] te laten oproepen voor een afspraak bij de bedrijfsarts, dit op straffe van een dwangsom.Subsidiairverzoekt [verzoekende parij] de veroordeling van [verwerende partij] tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding voor de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst en de transitievergoeding enmeer subsidiairslechts de transitievergoeding, in alle gevallen met een veroordeling van [verwerende partij] in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. Volgens [verzoekende parij] is zij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst en is de opzegging niet rechtsgeldig. [verzoekende parij] voert het volgende aan. Hoewel partijen een zorgovereenkomst van opdracht hebben getekend, is [verzoekende parij] feitelijk werkzaam geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. De overeenkomst voldoet aan de eisen van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [verzoekende parij] verrichtte werkzaamheden, zij ontving loon en er bestond een gezagsverhouding tussen [verzoekende parij] en [verwerende partij] . [verzoekende parij] verrichte persoonlijk en structureel werkzaamheden voor [verwerende partij] , bestaande uit het toedienen van medicatie, verzorgen van maaltijden en begeleiding buitenshuis en naar ziekenhuisafspraken. Vervanging door een ander was niet aan de orde. Zij ontving een vast loon per uur, ontving maandelijks loonstroken en er werd loonheffing ingehouden. [verwerende partij] gaf instructies over de uitvoering van de werkzaamheden en bepaalde in belangrijke mate de inhoud van het werk. Zij handelde niet als zelfstandig ondernemer. Op 7 december 2025 heeft [verzoekende parij] (in Farsi) een Whatsapp-bericht gestuurd aan [verwerende partij] waarin zij zich ziek meldde. [verwerende partij] heeft naar aanleiding van de ziekmelding geen bedrijfsarts ingeschakeld. Op 12 december 2025 ontving [verzoekende parij] tot haar verbazing bericht dat de zorgovereenkomst was beëindigd. [verzoekende parij] heeft echter nimmer ingestemd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en zij was bovendien ziek. [verzoekende parij] heeft zich primairop het standpunt gesteld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden vernietigd. Zij heeft sinds december 2025 geen loon meer ontvangen en verzoekt om betaling van het achterstallige salaris.Subsidiairenmeer subsidiairheeft [verzoekende parij] verzocht om de betaling van diverse vergoedingen, waaronder in ieder geval de transitievergoeding.\n\n3.3.. \n [verwerende partij] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verwerende partij] voert – samengevat – aan dat [verzoekende parij] zelf heeft aangegeven dat zij wilde stoppen met de werkzaamheden. Medio november 2025 is [verzoekende parij] voor een periode naar Iran vertrokken. [verzoekende parij] had ondertussen alle contacten met [verwerende partij] verbroken. De verwachting was dat zij na drie weken zou terugkeren, maar zij liet niets van zich horen. Bij toeval ontdekte een bekende van de familie de avond van 7 december 2025 dat er licht brandde bij [verzoekende parij] thuis. Daarop volgde eerst de Whatsapp met de ziekmelding van [verzoekende parij] en op 10 december 2025 had de zoon van [verwerende partij] een langdurig telefoongesprek met [verzoekende parij] , waarin zij te kennen gaf niet meer voor [verwerende partij] te willen werken. Dit is zo ook doorgegeven aan het Zorgkantoor. De zorgovereenkomst moet in ieder geval geacht te zijn geëindigd op het moment van overlijden van [verwerende partij] . [verwerende partij] heeft verder betwist dat [verzoekende parij] werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. Er was geen sprake van een gezagsverhouding en [verzoekende parij] heeft zich gedragen alsof zij zelfstandige was. Zij hoefde de werkzaamheden niet persoonlijk te verrichten, kon ook iemand anders sturen en zij bepaalde zelf wanneer zij met vakantie ging. [verwerende partij] heeft al met al geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [verzoekende parij] .\n\n4. De beoordeling\n\nOverlijden [verwerende partij]\n\n4.1.. De kantonrechter merkt allereerst op dat het overlijden van [verwerende partij] geen gevolgen heeft voor de onderhavige procedure. Op grond van artikel 225 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), is het overlijden van [verwerende partij] een grond voor de erfgenamen van [verwerende partij] om schorsing van de procedure te verzoeken. Zij hebben hiertoe echter geen actie ondernomen, zodat de procedure op naam van de oorspronkelijke partij is voortgezet.\n\nKwalificatie van de zorgovereenkomst\n\n4.2.. Na het overleggen van de zorgovereenkomst heeft [verzoekende parij] nader toegelicht waarom zij meent dat zij haar werkzaamheden heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst, hoewel de zorgovereenkomst zelf spreekt van een overeenkomst van opdracht. [verzoekende parij] heeft gesteld dat zij structureel werkzaamheden voor [verwerende partij] heeft verricht, voor langere tijd, waarvoor zijn een vast loon ontving, vermeerderd met 8% vakantiegeld en dat er loonheffing op haar loon werd ingehouden. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn dit kenmerken van een loonbetaling, die horen bij een arbeidsovereenkomst en verder blijkt uit de overgelegde loonstroken dat er tevens de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet (ZVW) werd ingehouden. [verzoekende parij] ontving ook loon tijdens haar vakantie. Dat [verzoekende parij] niet als zelfstandige heeft gefactureerd voor haar werkzaamheden (niet haar eigen tarieven vast kon stellen), draagt verder bij aan het oordeel dat [verzoekende parij] loon heeft ontvangen, in de zin van artikel 7:610 BW. Het ontvangen uurloon van € 23,00 is ook redelijk te achten, onder de gegeven omstandigheden. [verwerende partij] heeft erop gewezen dat [verzoekende parij] een aan haar gelieerde onderneming in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven heeft gehad, maar de kantonrechter acht dat niet van doorslaggevende betekenis. [verzoekende parij] heeft gesteld dat die onderneming niet meer actief is en uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister blijkt ook dat (de hoofdvestiging van) deze onderneming is uitgeschreven. Er is ook niet gebleken dat [verzoekende parij] op enigerlei wijze persoonlijk ondernemersrisico’s droeg. Verder moet ook worden aangenomen dat er sprake was van een gezagsverhouding. Hoewel gebleken is dat er veelal werd gecommuniceerd met de kinderen van [verwerende partij] , en niet met hemzelf, stonden alle werkzaamheden van [verzoekende parij] in het teken van de verzorging van [verwerende partij] , zoals het verzorgen van maaltijden, het toezien op de medicatie en het begeleiden naar ziekenhuisbezoeken. [verwerende partij] heeft hierover wel opgemerkt dat het [verzoekende parij] vrijstond om elders opdrachten te accepteren, maar [verzoekende parij] heeft betwist dat zij werkzaamheden bij of voor anderen heeft verricht – of dat het haar vrijstond dit te doen – en dit is de kantonrechter ook nergens uit gebleken.\n\n4.3.. De kantonrechter komt daarmee tot het oordeel dat de zorgovereenkomst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, in de zin van het bepaalde in de artikelen 7:610 BW en verder. Voor de verdere beoordeling zal daarom worden uitgegaan van het bestaan van een arbeidsovereenkomst.\n\nDe opzegging van de arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig\n\n4.4.. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen.\n\n4.5.. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst opzeggen, indien er sprake is van een dringende reden, zoals is bepaald in de artikelen 7:677 lid 1 en 7:678 BW, maar gesteld noch gebleken is dat zich een dringende reden heeft voorgedaan om de arbeidsovereenkomst (onverwijld) op te zeggen. [verzoekende parij] heeft ook ontkend dat zij heeft ingestemd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat zij verbaasd was om op 12 december 2025 bericht van het Zorgkantoor te ontvangen dat [verwerende partij] (de budgethouder) de zorgovereenkomst (voortijdig) had beëindigd. [verwerende partij] heeft aangevoerd dat uit verklaringen van [verzoekende parij] aan de kinderen van [verwerende partij] en een bekende is opgemaakt dat [verzoekende parij] haar werkzaamheden voor [verwerende partij] wilde beëindigen. Dit is eveneens door [verzoekende parij] betwist en voor de kantonrechter zijn er geen redenen om aan te nemen dat er sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden, zoals [verwerende partij] lijkt te suggereren. Dit laatste lijkt wel te volgen uit de van de zijde van [verwerende partij] overgelegde verklaringen van zijn kinderen en een bekende, maar uit niets is de kantonrechter gebleken van een – op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst – gerichte verklaring van [verzoekende parij] . Van de werkgever wordt onder dergelijke omstandigheden verwacht dat deze zich ervan vergewist dat de wens van de werknemer op ondubbelzinnige wijze is gericht op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [verwerende partij] heeft dat echter nagelaten. [verwerende partij] had, naar aanleiding van de ziekmelding van [verzoekende parij] , hiervan melding moeten maken bij de SVB, die de in dat geval noodzakelijke procedure in gang had kunnen zetten, maar in plaats daarvan is doorgegeven dat de zorgovereenkomst (op verzoek van [verzoekende parij] ) werd beëindigd.\n\n4.6.. \n [verzoekende parij] heeft het voorgaande gemotiveerd betwist, door te verwijzen naar een (weliswaar ongedateerde) brief aan [verwerende partij] en een bericht (volgens [verzoekende parij] verzonden op 7 december 2025), waarin zij [verwerende partij] te kennen geeft dat zij zich heeft ziek gemeld, maar dat [verwerende partij] ten onrechte melding heeft gemaakt van een beëindiging van de zorgovereenkomst aan het Zorgkantoor. Ten tijde van de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van [verwerende partij] en de aanwezige tolk bevestigd dat de Nederlandse weergave van het hiervoor genoemde bericht een juiste weergave van het in Farsi opgestelde bericht is. Het is dan niet goed in te zien, hoe [verwerende partij] hieruit een wens van [verzoekende parij] heeft afgeleid, die gericht was op een beëindiging van de zorg-\u002Farbeidsovereenkomst.\n\n4.7.. Bij dit alles geldt dat ook het opzegverbod tijdens ziekte in de weg staat aan een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst. [verzoekende parij] heeft zich op 7, dan wel 10, december 2025 ziek gemeld, terwijl [verwerende partij] niets heeft gedaan met deze ziekmelding. [verwerende partij] lijkt de ziekmelding zelfs in twijfel te hebben getrokken, maar het had op de weg van [verwerende partij] gelegen om een bedrijfsarts in te schakelen, of de arbeidsongeschiktheid van [verzoekende parij] te melden bij de SVB, in dit geval. [verzoekende parij] heeft dan ook terecht een beroep gedaan op het opzegverbod dat geldt tijdens ziekte, op grond van artikel 7:670 BW.\n\n4.8.. Op grond van het bepaalde in artikel 7:675 BW eindigt de arbeidsovereenkomst bovendien niet automatisch door het overlijden van de werkgever, anders dan door (de erfgenamen van) [verwerende partij] is betoogd. [verzoekende parij] moet daarom geacht worden in dienst te zijn gebleven bij de erfgenamen van [verwerende partij] .\n\n4.9.. Het primaireverzoek van [verzoekende parij] tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Nu door partijen verschillende data worden genoemd waarop diverse berichten zijn verstuurd en gesprekken zijn gevoerd, zal de kantonrechter uitgaan van een opzegging per 12 december 2025, in lijn met de mededeling van het Zorgkantoor.\n\n4.10.. De subsidiaireenmeer subsidiaireverzoeken hoeven niet verder te worden besproken, nu [verzoekende parij] niet heeft verklaard dat zij berust in het ontslag.\n\n4.11.. \n [verzoekende parij] heeft recht op loon, omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoekende parij] tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen, maar zal worden gematigd tot drie maanden, op grond van het bepaalde in artikel 7:680a BW. Een volledige toewijzing van het loon, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, zoals door [verzoekende parij] is verzocht, leidt naar het oordeel van de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen. [verzoekende parij] heeft vanaf december 2025 feitelijk geen werkzaamheden meer verricht en zou in ieder geval vanaf [2026] , de datum van overlijden van [verwerende partij] , de bedongen werkzaamheden ook niet meer hoeven te verrichten. In de zorgovereenkomst zelf is bepaald dat de zorgverlener, bij een onmiddellijke beëindiging wegens het overlijden van de budgethouder, een uitkering ontvangt ter hoogte van het gemiddelde maandloon over de laatste drie volle kalendermaanden waarin gewerkt is. Onder de gegeven omstandigheden is de betaling van drie maanden loon naar het oordeel van de kantonrechter dan ook een billijke uitkomst.\n\n4.12.. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [verwerende partij] te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 20%. Het verzoek tot het verstrekken van loonspecificaties (op straffe van een dwangsom) zal worden afgewezen, aangezien de loonbetalingen niet door [verwerende partij] werden verzorgd, maar door de SVB. Het verzoek om (alsnog) een bedrijfsarts in te schakelen zal tevens worden afgewezen, omdat [verzoekende parij] hier, naar het oordeel van de kantonrechter geen belang (meer) bij heeft.\n\n4.13.. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat de grondslag daarvan niet, althans onvoldoende is onderbouwd.\n\n4.14.. De proceskosten komen voor rekening van [verwerende partij] , omdat [verwerende partij] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekende parij] worden begroot op € 1.391,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 12 december 2025;\n\n5.2.. veroordeelt [verwerende partij] tot betaling aan [verzoekende parij] van € 8.487,00 (bruto) aan loon over de maanden december 2025 tot en met de maand februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20% en te vermeerderen met de wettelijke rente over een de maandelijkse loonbetalingen, vanaf het moment van opeisbaarheid, tot aan de dag van de gehele betaling;\n\n5.3.. veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten van € 1.391,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verwerende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3529","2026-07-13T00:29:08.987Z",73,20,[11,212,213,214],2025,2024,2023]