[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-environmental-law-nl-2023":3},{"detail":4,"years":71},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":70},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},98,"environmental-law-nl","Environmental Law","NL","2026-07-08T16:56:40.702Z",2023,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":17},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"622","ECLI:NL:RBNNE:2023:1529","ecli-nl-rbnne-2023-1529","",65,"2023-04-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nlocatie Groningen\n\nzaaknummers: LEE 21\u002F2044 en 22\u002F1347\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 13 april 2023 in de zaken tussen\n\n [eiser], te [plaats], eiser,\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Skala),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. J.P. Ketelaar).\n\nAls derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [plaats], vergunninghouder,\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).\n\nProcesverloop\n\nInzake LEE 21\u002F2044\n\nBij besluit van 26 november 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats].\n\nBij besluit van 19 mei 2021 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I van 26 november 2019 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nTegen het bestreden besluit I heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 21\u002F2044.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\nBij besluit van 21 juli 2021 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\nTegen het primaire besluit II heeft eiser bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 21\u002F2523. Bij uitspraak van 13 september 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.\n\nBij besluit van 7 maart 2022 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit II verleende omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”.\n\nTegen het bestreden besluit II heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer 22\u002F1347.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 7 maart 2023. Tijdens deze zitting zijn tevens de zaken met procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 22\u002F1427 behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. R.R. Top-van Houdt en J. Hortensius. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.\n\nVoor het doen van uitspraak zijn de zaken met de procedurenummers LEE 21\u002F2044 en 22\u002F1347 gesplitst van de zaken met de procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 22\u002F1427.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.\n\nInzake LEE 21\u002F2044\n\n1.1. In 2018 is door de raad van de voormalige gemeente Haren een voorbereidingsbesluit vastgesteld om het beoogde recreatieterrein achter de bestaande recreatiewoningen aan de zuid-oostzijde van het Paterswoldsemeer toe te voegen aan het bestemmingsplan EHS. In dit voorbereidingsbesluit is ook vastgelegd dat aan enkele bewoners van de Meerweg destijds is toegezegd dat de door hen gewenste vaarverbinding zou worden gefaciliteerd. Voorafgaand aan dit voorbereidingsbesluit hebben diverse procesafspraken plaatsgevonden op het gemeentehuis met de afdeling ontwikkeling, bewoners van de Meerweg en leden van recreatiewoningen “Ol Veen” en het Meerschap Paterswolde. Deze vaarverbinding is vervolgens in nauw overleg met de provincie Groningen tot stand gekomen, gelet op het aanwezige NNN-gebied.\n\nTevens is overleg gevoerd met de eigenaar van het adres Meerweg 205, die in het bezit is van een vergunning voor een alternatieve vaarverbinding van zijn perceel aan de Meerweg naar het Paterswoldsemeer. Dit overleg (met als doel om te komen tot een gemeenschappelijke vaarverbinding) heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid zodat een besluit moest worden genomen omtrent het verlenen van de vergunning voor de gevraagde vaarverbinding.\n\n1.2. Vergunninghouder heeft op 9 juni 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning (eerste fase) bij verweerder ingediend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te Haren. Deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de navolgende activiteit:\n\n- het uitvoeren van een werk of werkzaamheden.\n\n1.3. Bij primair besluit I van 26 november 2019 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats].\n\n1.4. De commissie heeft verweerder bij brief van 22 april 2021 geadviseerd om de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren en het primaire besluit I van 26 november 2020 onder een aanvullende motivering te handhaven.\n\n1.5. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit I de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I van 26 november 2020 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\n1.6. Vergunninghouder heeft op 21 december 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning bij verweerder ingediend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te Haren (Gn.) in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\n1.7. Bij primair besluit II van 21 juli 2021 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\n1.8. De commissie heeft verweerder bij brief van 15 februari 2022 geadviseerd om de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren en het primaire besluit II gewijzigd in stand te laten onder aanvulling van de motivering en het opnemen van voorschriften. Verder heeft de commissie in voormelde brief aan verweerder geadviseerd om de omgevingsvergunning te verlenen onder afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”.\n\n1.9. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit II de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit II verleende omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer” met toepassing van artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\nToepasselijke regelgeving\n\n2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.\n\nOverwegingenInzake LEE 21\u002F2044\n\nHet geschil\n\n3. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht en op juiste gronden een omgevingsvergunning heeft verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van de goede procesorde\n\n4. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat de door de gemachtigde van eiseres in procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 21\u002F1427 naar voren gebrachte gronden als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat eiseres in die procedures geen procesbelang meer heeft.\n\n4.1.. Verweerder en vergunninghouder hebben naar aanleiding daarvan ter zitting gesteld dat dit in strijd komt met de beginselen van een goede procesorde.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank komt het verzoek van de gemachtigde van eiser eerst ter zitting om de gronden van eiseres van overeenkomstige toepassing te verklaren zonder een nadere toelichting en zonder te specificeren om welke gronden het gaat in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Dit brengt met zich dat de rechtbank het verzoek van de gemachtigde van eiser afwijst en de gestelde van overeenkomstige toepassing zijnde gronden van beroep buiten beschouwing zal laten.\n\nTen aanzien van de relativiteit\n\n5. Eiser betoogt dat er onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen. In dit verband wijst eiser erop dat de te graven vaarverbinding de zonneweide en het strandje grenzend aan het Paterswoldsemeer zal doorsnijden en dat hierdoor de recreatieve capaciteit voor dagrecreanten voor een groot deel (30%) zal worden ingeperkt.\n\n5.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser gestelde schending van het belang van de dagrecreanten niet een belang is dat in deze beroepsprocedure aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, aangezien het hier niet gaat om een persoonlijk belang van eiser. In dit verband wijst verweerder erop dat uit artikel 8.69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat eiser in deze procedure uitsluitend kan opkomen voor zijn eigen belangen en niet ook voor de belangen van anderen.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009\u002F10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eiser.\n\n5.3.. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de norm waarop eiser zijn gestelde schending van de belangen van de dagrecreanten baseert, niet geschreven is ter bescherming van zijn persoonlijke belangen. Omdat de beroepsgrond van eiser gezien het relativiteitsvereiste in zoverre niet tot vernietiging van het bestreden besluit I kan leiden, ziet de rechtbank af van een inhoudelijke bespreking daarvan (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:900).\n\nTen aanzien van een alternatief\n\n6. Eiser stelt voor om het oost-west gedeelte van de vaarweg iets meer richting het zuiden aan te leggen.\n\n6.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat met dit door eiser voorgestelde alternatieve tracé niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder\n\nbezwaren. In dit verband wijst verweerder erop dat in dit alternatief het oost-west gedeelte van de vaarweg ongeveer 20 meter zuidelijker zou komen te liggen, ongeveer ter hoogte van de huidige sloot op het perceel van de eigenaar van Meerweg 205.\n\n6.2.. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat verweerder beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning, zoals die is ingediend. Indien een plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (vgl. AbRvS, 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2510).\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een alternatief waarbij een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het door eiser naar voren gebrachte alternatief door verweerder is beoordeeld en vergeleken met de aangevraagde variant. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het door eiser naar voren gebrachte alternatief als nadeel heeft dat een groot deel van de zonneweide en het strandje aan het Paterswoldsemeer doorkruist worden door dit alternatieve tracé en dat dit voor het Meerschap Paterswolde als eigenaar van de grond reden was om hieraan geen medewerking te verlenen. Hieruit volgt dat met het door eiser naar voren gebrachte alternatief niet een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. Deze grond van eiser slaagt niet.\n\nTen aanzien van de aanlegvergunning voor het pad\n\n7. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen aanlegvergunning voor het pad heeft verleend voor zover dit zich ten zuiden van de vaarweg bevindt. In dit verband wijst eiser erop dat dit pad naar zijn mening aanlegvergunningplichtig is omdat het aanbrengen van oppervlakteverhardingen aanlegvergunningplichtig is.\n\n7.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat uitsluitend een aanlegvergunning is vereist voor het pad voor zover dat is gelegen in de bestemming “Agrarisch met\n\nwaarden” van de beheersverordening Paterswoldsemeer (dat is het deel van het pad dat\n\nis gelegen ten westen van de vaarweg, daar waar de vaarweg van zuid naar noord\n\nloopt). Daar waar het pad ten zuiden van de vaarweg ligt, geldt volgens verweerder voor het meest westelijke deel daarvan de bestemming “Recreatie-Dagrecreatie” uit de beheersverordening Paterswoldsemeer. Deze bestemming kent in de visie van verweerder geen aanlegvergunningstelsel. Voor het overige deel van het pad zuidelijk van de vaarweg, geldt volgens verweerder de bestemming “Natuur” uit het bestemmingsplan EHS. Naar de mening van verweerder valt de aanleg van het pad niet onder de in artikel 3.4 van dit bestemmingsplan genoemde vergunningplichtige activiteiten. In dit verband wijst verweerder erop dat artikel 3.4 onder a, sub 4, van de planregels van dit bestemmingsplan weliswaar bepaalt dat een aanlegvergunning vereist is voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, maar dat uit de aanvraag blijkt dat er sprake is van een onverhard pad, zodat op grond van deze bepaling geen aanlegvergunningplicht geldt.\n\n7.3.. Artikel 3 van het bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein Zuidoostzijde Paterswoldsemeer” luidt als volgt:\n\n1. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het behoud, het herstel en\u002Fof de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, in het bijzonder gericht op ontwikkeling en instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone (EHS);\n\nb. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nc. recreatief medegebruik en extensief agrarisch medegebruik.\n\n(…)\n\n4.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren:\n\n1. het egaliseren en ophogen van gronden anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding.\n\n7.4.. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad. Verder wordt vastgesteld dat verweerder uit deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft afgeleid dat er geen sprake is van aanlegvergunningplichtige activiteiten op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer” omdat het een onverhard pad betreft. De rechtbank volgt verweerder niet in deze stelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er bij de aanleg van het bijbehorende pad geen sprake is van het egaliseren van gronden, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van voormeld bestemmingsplan. Hieruit volgt dat eiser terecht betoogt dat er sprake is van een aanlegvergunningplicht voor het bijbehorende pad ten zuiden van de aan te leggen vaarverbinding. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit in strijd komt met artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van voormeld bestemmingsplan. Deze grond van eiser slaagt.\n\nTen aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen\n\n8. Eiser betoogt dat het verlenen van de aanlegvergunning voor de voorgenomen vaarwegverbinding voor een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel zorgt. In dit verband wijst eiser erop dat het realiseren van de vaarwegverbinding ertoe bijdraagt dat de toegang tot zijn perceel wordt weggenomen. Bovendien meent eiser dat ook de toegang tot het perceel van hulpdiensten, zoals de brandweer en\u002Fof een ambulance, niet langer mogelijk wordt door het aanleggen van de vaarwegverbinding. Dit wordt ook bemoeilijkt door hier een voorgenomen brug over te plaatsen). Verweerder alsmede de vergunninghouder hebben te kennen gegeven dat de toegang tot het perceel van eiser kan worden hersteld, door hiervoor naderhand dus een brug aan te leggen. Het zou hierbij gaan om een ophaalbrug die door de vergunninghouder zelf zal worden beheerd, aldus eiser. In de visie van eiser is dit niet wenselijk, omdat hij voor de toegang tot het perceel daardoor afhankelijk wordt van derden. Ook zet hij vraagtekens bij de veiligheid van het beheer en onderhoud van een dergelijke constructie door een partij die daarin vrijwel geen enkele deskundigheid heeft. Verder is het volgens eiser nog maar de vraag of de eerdergenoemde hulpdiensten nog bij het perceel kunnen komen wanneer beheer en het onderhoud van de brug in beheer wordt gebracht bij de initiatiefnemer zelf. Naar de mening van eiser heeft verweerder in het bestreden besluit op dit punt geen enkele reactie naar voren gebracht, hetgeen in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Meer specifiek wijst eiser op het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.\n\n8.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanleg van de vaarwegverbinding een beperkte ruimtelijke uitstraling heeft en dat er geen sprake is van een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiser. In dit verband wijst verweerder erop dat uit de feitelijke situatie naar voren komt dat de relatief smalle, deels onverharde, toegangsweg niet bedoeld en geschikt is voor grote en zware voertuigen. Ook uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen blijkt dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor het gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers, aldus verweerder. Volgens verweerder gebeurt het gebruik van de weg door grote en zware vrachtvoertuigen wel incidenteel, maar is dit alleen mogelijk met behulp van rijplaten. Verder wijst verweerder erop dat gezien het beperkte privégebruik door vier huishoudens van de aan te leggen vaarweg de brug in het vaarseizoen hooguit een aantal malen per dag gedurende korte tijd (enkele minuten) geopend zal zijn. In de visie van verweerder kan niet worden uitgesloten dat de eigenaren\u002Fgebruikers van deze recreatiewoningen tijdens het vaarseizoen met enige regelmaat gedurende korte tijd zullen moeten wachten voor een geopende brug, maar deze omstandigheid brengt niet met zich dat de belangen van eiser hierdoor onevenredig worden geschaad. Hoewel de vrees voor een defect aan de brug terecht is, is verweerder van mening dat de kans klein is dat er een defect zal optreden, waar eiser mogelijk last van zal hebben. In dit verband wijst verweerder erop dat een defect waardoor eiser mogelijk zal worden geraakt, zich alleen zal voordoen als dit defect optreedt bij een geopende brug, want een defect dat optreedt bij een gesloten brug raakt alleen vergunninghouder en de andere gebruikers van de vaarweg, aangezien de brug in dat geval niet meer omhoog gebracht kan worden. Aangezien de brug in het vaarseizoen slechts korte tijd per dag geopend zal zijn, zal ook de kans op een eiser benadelend defect klein zijn. Voor het geval een dergelijk defect onverhoopt toch optreedt, dan kan de brug handmatig met een lier in de uitgangspositie worden teruggebracht, aldus verweerder. In dit kader acht verweerder van belang dat door de fabrikant van de brug is bevestigd dat er een dergelijke veiligheidsvoorziening zal worden aangebracht bij de aanleg van de brug en dit is als voorschrift aan de vergunning verbonden.\n\n8.2.. Daarnaast wijst verweerder erop dat de brug toegankelijk is voor ambulances. Ten aanzien van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen voor de brandweer is het volgens verweerder opmerkelijk dat eiser stelt dat de bereikbaarheid voor de brandweer zal verslechteren door de aanleg van de brug en de vaarweg en daarbij geheel voorbij gaat aan het feit dat uit de bevindingen van de brandweer is gebleken dat er juist in de huidige situatie een zeer grote kans is dat de brandweer de recreatiewoningen niet (tijdig) kan bereiken met blusmateriaal. In dit verband wijst verweerder erop dat door de brandweer, die de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen, is geconstateerd dat het onzeker is of een (zware met water gevulde) blusauto de recreatiewoningen zal kunnen bereiken over de deels onverharde toegangsweg. Bovendien is er volgens verweerder in de huidige situatie in de nabijheid geen mogelijkheid om bluswater in te nemen, omdat het Paterswoldsemeer vanaf de toegangsweg niet goed bereikbaar is voor een blusauto en de dichtstbijzijnde brandkraan 170 meter is verwijderd van de plek waar de brug wordt aangelegd. In de visie van verweerder blijkt dit uit het advies van de Veligheidsregio. Verder wijst verweerder erop dat de Veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de aanleg van een brug, onder de voorwaarde dat er een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd, die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen. Daarbij acht verweerder van belang dat vergunninghouder heeft verklaard een dergelijke waterwin- en opstelplaats aan te zullen leggen en in het bestreden besluit I is dit als voorschrift verbonden aan de vergunning.\n\n8.3.. Wat betreft de belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zal de rechtbank het project in zijn geheel bezien met inbegrip van de rol van de aanleg van de brug daarin. De rechtbank overweegt dat in de met betrekking tot deze omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te maken belangenafweging daarbij uitsluitend de gevolgen van de afwijkingen van het bestemmingsplan dienen te worden meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van vergunninghouder zwaarder dienen te wegen dan de belangen van eiser voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door verweerder niet inzichtelijk en duidelijk is gemaakt hoe vaak per dag door vergunninghouder en de overige eigenaren van de vier woningen aan de Meerweg gebruik gemaakt zal worden van de aan te leggen brug, terwijl eiser voor wat betreft de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van zijn perceel afhankelijk zal worden van de brugbediening door derden, waaronder vergunninghouder. Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe vaak gebruik gemaakt zal worden van de aan te leggen brug, is het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging op een ondeugdelijke motivering berust hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb oplevert. Dit betekent dat deze grond van eiser slaagt. Ook om die reden is het beroep van eiser gegrond.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\nHet geschil\n\n9. Tussen partijen is in geschil of verweerder een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de [adres] in [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen\n\n10. Aan het bestreden besluit II heeft verweerder ten grondslag gelegd dat zware en grote vrachtvoertuigen weliswaar geen gebruik kunnen maken van de brug, maar dat met de toegestane belastbaarheid van de brug van 5.100 kg de recreatiewoningen voldoende toegankelijk zijn. Met deze belastbaarheid kunnen de meest gangbare voertuigen - waaronder personenauto’s, (grote) bestelauto’s en kleine vrachtauto’s - de recreatiewoningen bereiken. Ook is gebleken dat de brug toegankelijk is voor ambulances. Verder blijkt uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers. Daarbij is in aanmerking genomen dat de toegangsweg waarin de brug zal worden aangebracht, geen openbare weg is die normale verkeersstromen moet verwerken, maar een niet-openbare weg die slechts zeven recreatiewoningen ontsluit. Bovendien betreft het een relatief smalle, niet geasfalteerde weg die niet bedoeld en geschikt is voor grote en zware voertuigen. Verder is daarbij in aanmerking genomen dat de belangen van eisers niet onevenredig worden geschaad. Er is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is in overweging genomen dat de brug alleen in het vaarseizoen zal worden gebruikt en alleen door bewoners van de vier woningen aan de Meerweg. Door dit niet-openbare gebruik zal de brug (alleen tijdens het vaarseizoen) enkele malen per dag gedurende enkele minuten geopend zijn. Van een onaanvaardbare belemmering van de toegankelijkheid van de recreatiewoning van eiser is geen sprake.\n\n10.1.. \n\nEiser betoogt dat het gestelde geringe gebruik van de vaarweg en de daarin gelegen brug uitgaat van de veronderstelling dat er slechts één schip per woning zal zijn. Dat is in tegenspraak met het aantal feitelijk aanwezige aantal personen dat in staat zal zijn met een\n\nschip gebruik te maken van de vaarweg, aldus eiser. Dat zullen minimaal twee volwassenen zijn met een aantal kinderen. Dat impliceert volgens eiser tenminste twee schepen per woning. Dat aantal zal snel toenemen als de kinderen de leeftijd van acht jaren hebben bereikt en ieder kind zijn eigen zeilboot(je) zal varen. Thans uitgaan van drie schepen per woning, acht eiser een reële optie en impliceert reeds een gemiddeld openstaan van de brug\n\nvan tenminste 60 minuten per dag. Daarmede wordt de gestelde beperkte hinder voor eiser en de andere eigenaren van de recreatiewoningen tot een aanmerkelijke niet meegewogen hinder. Daarbij moet in de visie van eiser ook bezien worden wat de gemiddelde openingstijd zal zijn voor het passeren van een schip. Eiser is van mening dat voor iedere keer openen van de brug voor het landverkeer een vertraging ontstaat van tien minuten. Eiser berekent dan\n\nmaximaal 24 x openen gedurende 10 minuten, zijnde een stremming van vier uur per dag. Daarenboven zijn de scheepsbewegingen volgens eiser niet beperkt tot een vaarseizoen,\n\nmaar vinden die gedurende het hele jaar plaats. Alleen bij ijsgang zal het gebruik van de\n\nvaarweg en de brug niet mogelijk zijn. In de visie van eiser schetst verweerder een onjuist beeld, waaruit niet de conclusies kunnen worden getrokken, die verweerder trekt. Het openen van de brug zal voor eiser en de overige eigenaren van de recreatiewoningen aanmerkelijke hinder veroorzaken. Die hinder zal slechts toenemen bij de groei van het aantal schepen per woning en in het geval van niet voorziene calamiteiten ten gevolge van incidenten.\n\n10.2.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zware en grote vrachtvoertuigen weliswaar geen gebruik kunnen maken van de brug, maar dat met de toegestane belastbaarheid van de brug van 5.100 kg de recreatiewoningen voldoende toegankelijk zijn. Ook uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen blijkt dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor het gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers, aldus verweerder. Volgens verweerder gebeurt het gebruik van de weg door grote en zware vrachtvoertuigen wel incidenteel, maar is dit alleen mogelijk met behulp van rijplaten. Verder wijst verweerder erop dat gezien het beperkte privégebruik door vier huishoudens van de aan te leggen vaarweg de brug in het vaarseizoen hooguit een aantal malen per dag gedurende korte tijd (enkele minuten) geopend zal zijn. In de visie van verweerder kan niet worden uitgesloten dat de eigenaren\u002Fgebruikers van deze recreatiewoningen tijdens het vaarseizoen met enige regelmaat gedurende korte tijd zullen moeten wachten voor een geopende brug, maar deze omstandigheid brengt niet met zich dat de belangen van eiser hierdoor onevenredig worden geschaad. Hoewel de vrees voor een defect aan de brug terecht is, is verweerder van mening dat de kans klein is dat er een defect zal optreden, waar eiser mogelijk last van zal hebben. In dit verband wijst verweerder erop dat een defect waardoor eiser mogelijk zal worden geraakt, zich alleen zal voordoen als dit defect optreedt bij een geopende brug, want een defect dat optreedt bij een gesloten brug raakt alleen vergunninghouder en de andere gebruikers van de vaarweg, aangezien de brug in dat geval niet meer omhoog gebracht kan worden. Aangezien de brug in het vaarseizoen slechts korte tijd per dag geopend zal zijn, zal ook de kans op een eiser benadelend defect klein zijn. Voor het geval een dergelijk defect onverhoopt toch optreedt, dan kan de brug handmatig met een lier in de uitgangspositie worden teruggebracht, aldus verweerder. In dit kader acht verweerder van belang dat door de fabrikant van de brug is bevestigd dat er een dergelijke veiligheidsvoorziening zal worden aangebracht bij de aanleg van de brug en dit is als voorschrift aan de vergunning verbonden. Daarnaast wijst verweerder erop dat de brug toegankelijk is voor ambulances.\n\n10.3.. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen (vgl. AbRvS, 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2493).\n\n10.4.. De rechtbank ziet geen grond om tot een ander oordeel te komen dan is verwoord in rechtsoverweging 8.3. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het bestreden besluit II voor wat betreft de belangenafweging in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen. Deze grond van eiser slaagt.\n\nTen aanzien van het Bouwbesluit\n\n11. Eiser betoogt dat in de huidige situatie de voorziene waterwin- en opstelplaats voor de brandweer niet bereikbaar is voor een brandweerauto. Volgens eiser is de weg in een dermate slechte toestand dat zonder herstel van de weg op kosten van de verantwoordelijken voor die abominabele toestand, waarin niet is voorzien in de verleende vergunning, de\n\nzogenaamde gelijkwaardige oplossing illusoir is. Naar de mening van eiser is de geboden oplossing niet gelijkwaardig, zoals in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 is aangegeven. In dit verband wijst eiser erop dat in de voorheen geldende situatie de hulpverleningsvoertuigen tot op enkele meters van het object konden komen. Na realisering van de vergunde ophaalbrug moet in de visie van eiser altijd nog maximaal 160 tot 180 meter met slangen overbrugd worden. Dat is volgens eiser niet aan te merken als gelijkwaardig.\n\n11.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen voor de brandweer is het opmerkelijk is dat eiser stelt dat de bereikbaarheid voor de brandweer zal verslechteren door de aanleg van de brug en de vaarweg. Eiser gaat daarbij geheel voorbij aan het feit dat uit de bevindingen van de brandweer is gebleken dat er juist in de huidige situatie een zeer grote kans is dat de brandweer de recreatiewoningen niet (tijdig) kan bereiken met blusmateriaal. In dit verband wijst verweerder erop dat door de brandweer, die de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen, is geconstateerd dat het onzeker is of een (zware met water gevulde) blusauto de recreatiewoningen zal kunnen bereiken over de deels onverharde toegangsweg. Bovendien is er volgens verweerder in de huidige situatie in de nabijheid geen mogelijkheid om bluswater in te nemen, omdat het Paterswoldsemeer vanaf de toegangsweg niet goed bereikbaar is voor een blusauto en de dichtstbijzijnde brandkraan 170 meter is verwijderd van de plek waar de brug wordt aangelegd. In de visie van verweerder blijkt dit uit het advies van de Veiligheidsregio. Verder wijst verweerder erop dat de Veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de aanleg van een brug, onder de voorwaarde dat er een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd, die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen. Daarbij acht verweerder van belang dat vergunninghouder heeft verklaard een dergelijke waterwin- en opstelplaats aan te zullen leggen en in het bestreden besluit I is dit als voorschrift verbonden aan de vergunning. Naar de mening van verweerder is er geen sprake van strijd met het Bouwbesluit 2012.\n\n11.3.. Ingevolge artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 behoeft aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 (https:\u002F\u002Frijksoverheid.bouwbesluit.com\u002FInhoud\u002Fdocs\u002Fwet\u002Fbb2012\u002Fhfd1?lmcode=pyioim) gesteld voorschrift niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften.\n\n11.3.. Aan de hand van de gedingstukken gaat de rechtbank er vanuit dat de recreatiewoning van eiser met personenauto’s en een ambulance bereikbaar zal zijn na de aanleg van de brug. Die bereikbaarheid zal niet afwijken van de capaciteit van de huidige, niet openbare, toegangsweg tot hun recreatiewoningen. Verder blijkt uit een daartoe strekkend advies van de Veiligheidsrisico dat er na realisatie van het project voor wat betreft de blusmogelijkheden sprake zal zijn van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Dit advies heeft verweerder aan het bestreden besluit II ten grondslag gelegd. Met betrekking tot dit advies heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser geen contra-expertise van een deskundige op het gebied van waterwin- en opstelplaatsen voor de brandweer heeft overgelegd.\n\n11.4.. Vervolgens is de vraag of eiser erin geslaagd is om aannemelijk te maken dat er sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van voormeld advies van de Veiligheidsregio. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Hoewel aan eiser dient te worden toegegeven dat er sprake is van kritische opmerkingen in voormeld advies, blijkt uit de conclusie dat er met het realiseren van een opstelplaats voor de brandweer die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen sprake is van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Geen grond bestaat voor het oordeel dat voormelde conclusie niet volgt uit de bevindingen van het advies van de Veiligheidsregio. Het enkel plaatsen van kritische kanttekeningen door eiser leidt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet tot de conclusie dat het advies van de Veiligheidsregio onzorgvuldig is dan wel inhoudelijk niet concludent is (vgl. AbRvS, 11 januari 2012, ECLI:NL:RVS: 2012:BV0578). Dit brengt met zich dat verweerder het advies van de Veiligheidsregio aan het bestreden besluit II ten grondslag heeft mogen leggen. Deze grond van eiser slaagt niet.\n\nConclusie\n\nZaaknummer LEE 21\u002F2044\n\n12. Gelet op de rechtsoverwegingen 7.4. en 8.3. is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (deels) in stand blijven, maar volstaat met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.\n\n12.1.. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 1.674,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.\n\nZaaknummer 22\u002F1346\n\n13. Gelet op rechtsoverweging 10.4 is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (deels) in stand blijven, maar volstaat met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.\n\n13.1.. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 837,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.\n\n13.2.. Ten aanzien van de vergoeding van verletkosten waarom eiser verzoekt, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb, tot een bedrag van in totaal € 200,-. Als verletkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking de kosten van tijdsverzuim als gevolg van het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis (Nota van Toelichting, Stb. 1993, 763). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele vermelding van een bedrag van in totaal € 200,- aan verletkosten de hoogte van zijn verletkosten onvoldoende met gegevens of bescheiden gestaafd. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de verletkosten van eisers op een forfaitair bedrag vast te stellen (vgl. AbRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511). De rechtbank stelt de verletkosten derhalve vast tegen het minimumtarief van € 7,- per uur voor in totaal drie uren in verband met het bijwonen van de zitting op 7 maart 2023. Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten van verschotten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van het Bbp tot een bedrag van in totaal € 100,-. Naar het oordeel van de rechtbank komen de door eiser opgevoerde kosten van verschotten ingevolge het Bbp niet voor vergoeding in aanmerking nu de daarvoor benodigde specificatie ontbreekt.\n\n13.3.. Hieruit volgt dat het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiser door de rechtbank worden vastgesteld op € 2.532,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen van eiser gegrond en vernietigt de bestreden besluiten I en II van verweerder;\n\nbepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten in zaaknummer 21\u002F2044 tot een bedrag van € 1.674,-;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten in zaaknummer 22\u002F1347 tot een bedrag van € 2.532,-;\n\nbepaalt dat verweerder de door eiser betaalde griffierechten van in totaal € 365,- aan hem dient te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\n13 april 2013.\n\ngriffier rechter\n\nRechtsmiddel\n\nTegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nAfschrift verzonden op:\n\nBijlage\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\nb. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan of beheersverordening, (…) is bepaald.\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of beheersverordening.\n\nArtikel 2.10\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:\n\n(…)\n\nc. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening (…)\n\n(…)\n\n2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.\n\nArtikel 2.12\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:\n\na. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:\n\n(…)\n\n2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (…).\n\nArtikel 3.3\n\n1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, houdt het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:18&g=2023-02-15&z=2023-02-15), de beslissing aan, indien er geen grond is de vergunning te weigeren maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag:\n\n(…)\n\nb. een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd.\n\n(…)\n\n3. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen, indien de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.\n\nBesluit omgevingsrecht\n\nBijlage II\n\nArtikel 4\n\nVoor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:\n\n3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\na. niet hoger dan 10 m, en\n\nb. de oppervlakte niet meer dan 50 m².\n\nBeheersverordening “Paterswoldsemeer”\n\nArtikel 1nn Landschappelijke waarden\n\nIn de regels van de beheersverordening wordt onder landschappelijke waarden verstaan: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied.\n\nArtikel 5 Agrarisch met waarden\n\n1. De voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. de uitoefening van het agrarisch bedrijf;\n\nb. het behoud, herstel en\u002Fof ontwikkeling van de landschappelijke en natuurweten-schappelijke waarden van de gronden. Deze gronden kenmerken zich met name vanwege de openheid in de richting van het meer en de aanwezigheid van weide-vogels. In vochtige weilanden komt pitrus en in de sloten onder meer kranswieren en fonteinkruiden voor. De oeverzones, die voorzien zijn van riet, wilgenbosjes en\u002Fof\n\nandere oevervegetatie, bieden broedgelegenheid voor water- en moerasvogels, zoals fuut, meerkoet en kleine karekiet;\n\nc. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nd. recreatief medegebruik;\n\nmet de daarbij behorende:\n\ne. voet-, fiets- en ruiterpaden;\n\nf. openbare nutsvoorzieningen;\n\ng. water.\n\n(…)\n\n5.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:\n\n1. het graven, verdiepen, uitbaggeren, dempen of verbreden van sloten, vaarten en naar de aard daarmee gelijk te stellen waterlopen;\n\n2. - 4. (…);\n\n5. het aanbrengen of aanleggen van oppervlakteverhardingen, paden en\u002Fof parkeer-voorzieningen.\n\n5.c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:\n\n1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en de natuurlijke waarden;\n\n2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.\n\nArtikel 12 Recreatie - Dagrecreatie\n\n1. De voor Recreatie – Dagrecreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. dag- en watersportrecreatie;\n\nmet daaraan ondergeschikte:\n\nb. - f. (…);\n\ng. wegen en paden;\n\nh. parkeervoorzieningen;\n\ni. groenvoorzieningen;\n\nj. - m. (…);\n\nn. water.\n\nHet bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”\n\nArtikel 1aa Recreatief medegebruik\n\nIn de planregels van het bestemmingsplan wordt onder recreatief medegebruik verstaan: die vormen van recreatie die plaats hebben in een gebied met een niet-recreatieve hoofdfunctie waarbij het recreatieve medegebruik ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en het hoofgebruik van de bestemming.\n\nArtikel 3 Natuur\n\n1. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het behoud, het herstel en\u002Fof de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, in het bijzonder gericht op ontwikkeling en instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone (EHS);\n\nb. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nc. recreatief medegebruik en extensief agrarisch medegebruik.\n\n(…)\n\n4.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren:\n\n1. het egaliseren en ophogen van gronden anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding.\n\n(…)\n\n4.c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:\n\n1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke en de geomorfologische waarden;\n\n2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.\n\nHet ontwerpbestemmingsplan “Veegplan 2019”\n\nArtikel 9 Verblijfsrecreatie uit te werken\n\nDe bestemming Verblijfsrecreatie-uit te werken wordt gewijzigd in de bestemming Natuur zoals aangegeven op de verbeelding. Deze bestemming Natuur blijft ongewijzigd.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2023:1529","2023-04-17T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:39.721Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"767","ECLI:NL:GHARL:2023:1188","ecli-nl-gharl-2023-1188",60,"2023-02-07T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000807-22\n\nUitspraak d.d.: 7 februari 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nONTNEMINGSZAAK\n\nVerkort arrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 februari 2022 met parketnummer\n\n08-997004-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen\n [Verdacht B.V.] ,\n\ngevestigd [vestigingsplaats] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van betrokkene en haar raadslieden, mr. E. van der Meer en\n\nmr. W. Sleijfer, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.\n\nDe vordering\n\nDe inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 321.209,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 321.209,-.\n\nDe ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie\n\nDoor de raadslieden is aangevoerd dat Rijkswaterstaat een privaatrechtelijke vordering tegen de veroordeelde had moeten indienen. Hieruit maakt het hof op dat de verdediging de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ook in de ontnemingszaak aan de orde heeft willen stellen.\n\nUit artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht volgt dat het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan indienen tegen degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit. Verdachte is bij arrest van 7 februari 2023 veroordeeld voor strafbare feiten die samenhangen met de onderhavige ontnemingszaak. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde kan worden ingediend, dat de eventuele mogelijkheid tot het indienen van een vordering bij de burgerlijke rechter hieraan niet in de weg staat en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 308.459,90 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van\n\n€ 290.000,-.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadslieden hebben zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat de betrokkene geen schelpen heeft gewonnen\n\nop niet-toegestane locaties. In de periode van 2011 tot en met 2013 zijn schelpen gewonnen\n\nin de Noordzeekustzone. De betrokkene beschikte in die periode over een vergunning voor het winnen van schelpen in de Noordzee. In 2014 zijn eveneens schelpen gewonnen in de Noordzeekustzone. De betrokkene heeft opgegeven dat zij schelpen had gewonnen in de Noordzee. Volgens de raadslieden is deze opgave juist, nu de Noordzeekustzone deel uitmaakt van de Noordzee.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de berekeningen van het openbaar ministerie onjuist zijn. Het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode\n\nvan 2011 tot en met 2013 is bepaald middels een berekening op transactiebasis, maar had,\n\ngelet op een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 november 2020\n\n(ECLI:NL:RBOVE:2020:3757) moeten worden vastgesteld door een vergelijking te maken\n\nmet de legale werkwijze. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat volgens die\n\nberekeningswijze uit de besparing van de brandstofkosten en onderhoudskosten voor het\n\nschip.\n\nVerder hebben de raadslieden bepleit dat het rendementsverlies, wat is geleden naar aanleiding van het gedeeltelijk onrechtmatig conservatoire beslag (ter hoogte van\n\n€ 453.376,-), als matigingsfactor moet worden meegenomen bij de vaststelling van de betalingsverplichting.\n\nTot slot hebben de raadslieden zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden, wat ook als matigingsfactor moet worden meegenomen. De betalingsverplichting zou met tien procent van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden bijgesteld.\n\nOordeel van het hof\n\nBewezenverklaarde handelen\n\nDe betrokkene is, voor zover voor de beoordeling van de vordering van belang, bij vonnis van 25 maart 2021 (parketnummer 08-997004-17) door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor:\n\n feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013;\n\n feit 2: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 3: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 4: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018;\n\n feit 5: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018.\n\nHet vonnis is voor wat betreft de bewezenverklaring bij arrest van dit hof van 7 februari 2023 bevestigd (parketnummer 21-001626-21).\n\nVerjaarde feiten\n\nDe rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat de strafvervolging voor het onder 1 ten laste gelegde door verjaring is vervallen voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft. Op grond hiervan is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor dit deel van het feit. Deze beslissing is in hoger beroep in stand gebleven.\n\nHet hof is van oordeel dat die (gedeeltelijke en toekomstige) verjaring niet in de weg staat aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit oordeel is gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI2307) en dat van 11 mei 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7660). Het hof zal daarom de gehele tenlastegelegde periode bij de beoordeling van de vordering betrekken.\n\nUit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.\n\nTen aanzien van de verweren van de verdediging\n\nMet betrekking tot het subsidiaire standpunt: onjuiste berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe verdediging heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2020:3757), waarin het ging om het winnen van schelpen in wateren op Duits grondgebied. Het hof constateert dat de omstandigheden van de onderhavige zaak afwijken van die in de zaak waar naar is verwezen, als gevolg waarvan het subsidiaire verweer van de verdediging zal worden verworpen. Zo is niet aannemelijk geworden dat betrokkene de gewonnen schelpen had kunnen verkrijgen uit (één van) de haar vergunde gebieden en dat (dus) het bewezen verklaarde strafbare handelen uitsluitend heeft plaatsgevonden om kosten te besparen.\n\nDe vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nHet hof neemt bij het vaststellen van het door de veroordeelde wederrechtelijk\n\nverkregen voordeel de berekeningen uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel betreffende [Verdacht B.V.] , van 14 mei 2018, als uitgangspunt.\n\nBerekening 1: het zonder vergunning winnen van schelpen (2011 tot en met 2013)\n\nBlijkens voornoemd rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van\n\n2011 tot en met 2013 bepaald door middel van een berekening op transactiebasis. Bij deze\n\nberekening bestaat het voordeel over een bepaald boekjaar uit het resultaat voor belastingen\n\n(omzet -\u002F- totaal kosten) naar rato toegerekend aan de illegale (niet vergunde)\n\nbedrijfsactiviteit in verhouding tot de totale bedrijfsactiviteiten van de onderneming.\n\nTen eerste is aan de hand van de winst- en verliesrekening het resultaat voor belastingen\n\n(omzet -1- totaal kosten) over de jaren 2011 tot en met 2013 als volgt bepaald:\n\n[afbeelding]\n\nHet resultaat voor belastingen over 2011 bedraagt dus € 70.002,-. Over 2012 bedraagt het\n\nresultaat voor belastingen € 178.045,- en over 2013 € 19.998,-.\n\nTen tweede is aan de hand van de door betrokkene verstrekte overzichten van de\n\nhoeveelheid gewonnen schelpen, de data waarop deze zijn gewonnen en de winlocatie(s) in\n\ncombinatie met de black box gegevens van het schip waarop de betrokkene voer, het\n\npercentage bepaald van het deel van de gewonnen schelpen dat zonder vergunning (buiten\n\nvergund gebied) zou zijn gewonnen in verhouding tot de totaal in het betreffende jaar\n\ngewonnen hoeveelheid schelpen. In 2011 is dat percentage 27,7%. Voor 2012 en 2013 zijn\n\nvoornoemde gegevens gecombineerd met informatie uit de aangetroffen agenda 2012 en\n\n2013. In 2012 is het percentage 90,1% en in 2013 95,4%\n\nTot slot is aan de hand van het hierboven beschreven resultaat voor belastingen en het\n\npercentage zonder vergunning gewonnen schelpen in verhouding tot de totaal gewonnen\n\nhoeveelheid het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt bepaald:\n\n[afbeelding]\n\nHet is aldus aannemelijk dat betrokkene met het winnen van schelpen zonder vergunning over de jaren 2011 tot en met 2013 een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van € 198.886,-.\n\nDe omstandigheid dat de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 is verjaard, en de hele tenlastegelegde periode in verband met de absolute verjaringstermijn gaat verjaren, doet aan deze vaststelling niet af, nu hiervoor reeds is overwogen dat deze verjaring niet in de weg staat aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBerekening 2: valsheid in geschrifte (2014)\n\nHet hof stelt voorop dat de betrokkene bij vonnis van de rechtbank Overijssel is veroordeeld wegens valsheid in geschrift, gepleegd in de perioden van 1 januari 2011 tot en met\n\n31 januari 2014 (feit 2) en 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018 (feit 4). Het vonnis is in hoger beroep bij arrest van dit hof van 7 februari 2023 voor wat betreft die bewezenverklaring bevestigd.\n\nIn het rapport van 14 mei 2018 is berekend welk voordeel de betrokkene heeft verkregen uit valsheid in geschrift, gepleegd in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, terwijl zij hiervoor niet is vervolgd en dus evenmin is veroordeeld. De vraag is of dus uit deze, andere, strafbare feiten voordeel is genoten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nIn dit kader overweegt het hof dat uit het strafrechtelijk onderzoek, meer in het\n\nbijzonder de door de betrokkene aan de Staat verstrekte overzichten in vergelijking met de\n\nblack box-gegevens, is op te maken dat de betrokkene telkens een ander wingebied opgaf\n\ndan waar zij in werkelijkheid schelpen had gewonnen. Het is het hof niet gebleken dat\n\nde betrokkene haar handelswijze in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december\n\n2014 heeft aangepast, in die zin dat zij zich toen wel aan de geldende wet- en regelgeving en\n\nvergunning hield. Dit betekent dat er naar het oordeel van het hof voldoende\n\naanwijzingen zijn om aan te nemen dat er in de periode van 1 januari 2014 tot en met\n\n31 december 2014 andere strafbare feiten zijn begaan dan er in het vonnis van 25 maart 2021 zijn beoordeeld en bewezen zijn verklaard.\n\nGelet op het voorgaande volgt het hof voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBlijkens dit rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 januari\n\n2014 tot en met 31 december 2014 bepaald op basis van de bespaarde kosten. Bij deze\n\nberekening bestaat het voordeel uit het verschil tussen de feitelijk te betalen vergoeding over\n\nde gewonnen schelpen en de daadwerkelijk betaalde vergoeding. Ten eerste is de feitelijk te betalen vergoeding over de gewonnen schelpen bepaald. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene in totaal 25.886 m³ schelpen heeft gewonnen. Zij had hierover het vergoedingstarief van de Waddenzee\u002FNoordzeekustzone moeten betalen, in\n\nplaats van het tarief van het opgegeven, goedkopere, wingebied van de Noordzee. Voor de\n\neerste 16.000 m³ had de betrokkene een vergoeding moeten betalen van € 10,52 en voor de volgende 16.000 m³ een vergoeding van € 10,51. In totaal had dus € 272.221.86 betaald\n\nmoeten worden. Vervolgens is berekend dat de betrokkene daadwerkelijk een bedrag van\n\n€ 149.898,37 heeft betaald.\n\nIn onderstaande tabel is een en ander weergegeven:\n\n[afbeelding]\n\nOp grond hiervan is het aannemelijk dat betrokkene met het plegen van valsheid in geschrift in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 122.323,00 (€ 272.221,86 min € 149.898,37).\n\nberekening 1 + 2 = omvang wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nGelet op voorgaande berekeningen stelt het hof de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 321.209,-(€ 198.886,- + € 122.323,-).\n\nDe verplichting tot betaling aan de Staat\n\nRendementsverlies\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een te hoog bedrag beslag is\n\ngelegd, waardoor dit beslag (deels) onrechtmatig is.\n\nHet hof begrijpt het aangevoerde als een beroep op matiging als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, vierde volzin, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht echter niet aannemelijk dat sprake zou zijn van een deels onrechtmatig beslag. De omstandigheid dat het beslag tot een hoger bedrag beloopt dan het bedrag waarop een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitkomt, is daartoe onvoldoende. Het hof ziet in ieder geval geen termen voor matiging.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\nDe redelijke termijn in ontnemingszaken vangt, zo blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), aan op het moment dat de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk voordeel aanhangig wordt gemaakt. Uit voornoemd arrest volgt verder dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een ontnemingszaak met een eindvonnis dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nBij een overschrijding van deze termijn dient het ontnemingsbedrag te worden verminderd.\n\nIn geval van overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder wordt een\n\nvermindering van vijf procent van het ontnemingsbedrag voorgeschreven. In geval van\n\noverschrijding van de redelijke termijn met zes tot twaalf maanden wordt een vermindering\n\nvan in beginsel tien procent van het ontnemingsbedrag voorgeschreven, met dien verstande\n\ndat de maximale vermindering in beginsel € 5.000,- zal bedragen. In geval van overschrijding van meer dan twaalf maanden mag worden gehandeld naar bevind van zaken.\n\nHet hof stelt vast dat redelijke termijn is aanvangen op het moment dat er conservatoir beslag is gelegd, te weten op 27 maart 2017. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren had de veroordeelde op 27 maart 2019 een eindvonnis in de ontnemingszaak mogen verwachten. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 21 februari 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna drie jaar is overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen. Hoewel het hof bij de veroordeling van de rechtspersoon ook rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en doorgaans maar een keer met die overschrijding wordt rekening gehouden in geval van een ontnemingsvordering in samenhang met een strafrechtelijke veroordeling, ziet het hof in de bijzondere omstandigheden van deze zaken aanleiding om ook in de ontnemingsvordering rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDaarom is naar het oordeel van het hof een vermindering van de betalingsverplichting met meer dan € 5.000,- op zijn plaats en zal de betalingsverplichting naar beneden worden bijgesteld met een bedrag van €31.209,-.\n\nConclusie\n\nOp grond van het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van € 290.000,-. (€ 321.209,- min € 31.209,-).\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 321.209,- (driehonderdeenentwintigduizend tweehonderdnegen euro).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€ 290.000,- (tweehonderdnegentigduizend euro).\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.W. Lensing, voorzitter,\n\nmr. W.M. Weerkamp en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,\n\nen op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 februari 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. D. Visser, voorzitter,\n\nmr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,\n\nmr. G. Ladjevardi, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1188","2023-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.156Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"1317","ECLI:NL:GHARL:2023:1187","ecli-nl-gharl-2023-1187","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-001626-21\n\nUitspraak d.d.: 7 februari 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2021 met parketnummer\n\n08-997004-17 in de strafzaak tegen\n\n [Verdacht B.V.] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte en haar raadslieden, mr. E. van der Meer en mr. W. Sleijfer, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank heeft bij vonnis van 25 maart 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van:\n\n feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013;\n\n feit 2: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 3: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 4: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018;\n\n feit 5: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018,\n\nveroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met aanvulling van gronden, behalve voor zover het betreft de strafoplegging.\n\nTen aanzien van de op te leggen straf komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.\n\nAanvulling van gronden\n\nTen aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat er zowel binnen het bestuursrecht als het civiele recht voldoende middelen bestonden om corrigerend op te treden, zodat er geen plaats is voor een strafrechtelijke vervolging. Daarnaast is er volgens de verdediging gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat verdachte en haar bestuurder [medeverdachte] zijn vervolgd en de Staat als privaatrechtelijke partij en tevens toezichthouder, niet. Ten slotte is aangevoerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel in combinatie met een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de Staat het in eerste instantie heeft nagelaten om handhavend op te treden terwijl de controlerende instanties op de hoogte waren van de winlocaties van verdachte, en de daadwerkelijke strafvervolging vervolgens veel te lang heeft geduurd. Alles samen maakt volgens de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ingestelde strafvordering.\n\nHet hof overweegt, in aanvulling op hetgeen door de rechtbank op pagina 8 tot en met 10 van het vonnis is overwogen, dat al de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, ook in samenhang bezien, niet maken dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte.\n\nVan gelijke gevallen in de zin van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, nu de rol van verdachte en die van de overheid als eigenaar van de gronden een geheel andere is. De overheid heeft door middel van het uitgeven van vergunningen, of door het niet verlenen daarvan, in beginsel voldaan aan zijn verplichting om te verhinderen dat zonder vergunning wordt ontgrond. Dat diezelfde overheid pas laat heeft ingegrepen met betrekking tot de overtreding van het verbod van artikel 3 van de Ontgrondingenwet (hierna: Ogw) door verdachte, is in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet relevant. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan verdachte daaraan geen rechten ontlenen.\n\nVerder overweegt het hof dat de in het kader van het gelijkheidsbeginsel aangehaalde Aanwijzingen voor de regelgeving evenmin in de weg staan aan ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien zij naar inhoud en strekking niet zijn aan te merken is als recht in de zin van artikel 79 van het Wet op de Rechterlijke Organisatie, waardoor geen horizontale of verticale werking door partijen aan die bepalingen kan worden ontleend.\n\nEr is geen sprake van een situatie waarin geen redelijk denkend lid van het openbaar ministerie tot een vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte had kunnen komen. Het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.\n\nTen aanzien van artikel 3 en 3a van de Ontgrondingenwet\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is nogmaals door mr. E. van der Meer bepleit dat verdachte niet zonder vergunning heeft ontgrond, omdat zij in de periode van 2011 tot en met 2013 een ontgrondingsvergunning had voor de Noordzee. In voorschrift 1.1. is het wingebied gedefinieerd doordat is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende indicatieve tekening met nummer [nummer] . Het winnen van schelpen buiten het aangegeven gebied valt volgens de verdediging aan te merken als het handelen in strijd met voorschriften van een bestaande vergunning, welk verbod is opgenomen in artikel 3a van de Ogw, en valt niet onder het zonder een vergunning ontgronden uit artikel 3 van de Ogw.\n\nHet hof overweegt dat voor zover artikel 3a Ogw van toepassing is, in ieder geval ook artikel 3 Ogw van toepassing is, omdat vaststaat dat verdachte in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013 in de Waddenzee en Noordzeekustzone schelpen heeft gewonnen terwijl zij daarvoor in die periode geen vergunning had.\n\nDat verdachte een begrip voor de Noordzee hanteert waarin geen onderscheid bestaat tussen de Noordzee en de Noordzeekustzone, dient voor haar rekening en risico te blijven. Op grond van de diverse vergunningen die aan verdachte zijn vertrekt, moet haar dat onderscheid duidelijk zijn geweest.\n\nAanvullende overweging ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5\n\nDat de zoon van de bestuurder van verdachte de betreffende opgaven aan het Rijksvastgoedbedrijf (hierna: RVB) zou hebben gedaan, omdat de bestuurder niet met computers overweg kan, maakt het verwijt dat in de tenlastegelegde feiten besloten ligt, niet anders. Het handelen van de bestuurder van verdachte en diens zoon kunnen aan verdachte worden toegerekend, nu sprake is van het handelen van een persoon die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en daaraan dienstig is geweest, terwijl de rechtspersoon erover kon beschikken dat de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nIndien het hof toch tot een veroordeling komt, is volgens de verdediging een schuldigverklaring zonder strafoplegging een passende afdoening gezien de houding van de Staat, die door verwijtbaar nalaten medeverantwoordelijk is voor de strafrechtelijke gang van zaken.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft in de periode van medio maart 2011 tot en met 2013 meerdere malen\n\nschelpen gewonnen op een winlocatie, waarvoor zij geen vergunning had (feit 1). Zij heeft\n\nschelpen gewonnen in de Noordzeekustzone en Waddenzee, een gebied waarbinnen meerdere partijen zich kunnen inschrijven per kavel. Of er kavels worden toebedeeld en hoe veel, is afhankelijk van het bedrag dat een partij ervoor over heeft. Verdachte had in de periode van 2011 tot en met 2013 enkel een vergunning voor het winnen van schelpen in de Noordzee. Voor die periode had verdachte geen kavels in de Noordzeekustzone of in de Waddenzee, en zij mocht derhalve in dit gebied geen schelpen winnen. Door dit alsnog te doen, heeft verdachte niet alleen de doelstellingen van het vergunningensysteem ondergraven, maar zichzelf ook financieel bevoordeeld ten opzichte van haar concurrenten.\n\nHet hof heeft geconstateerd dat de onder 1 tenlastegelegde feiten zo lang geleden zijn gepleegd dat het al gedeeltelijk is verjaard - voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft – en op korte termijn in zijn geheel zal verjaren in verband met de absolute verjaringstermijn als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof voorziet dat de aankomende verjaring reeds reden voor cassatie zou kunnen zijn. Om verdere procedures te voorkomen, en omdat het karakter en de verjaringstermijn van het onder 1 ten laste gelegde delict verschillen van die van de overige tenlastegelegde feiten, zal het hof de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde geen straf of maatregel opleggen.\n\nVerder heeft verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2019, gedurende acht jaren, in meerdere elektronische opgaven vermeld dat zij schelpen had gewonnen in het wingebied Noordzee, terwijl deze schelpen in werkelijkheid waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee of de Noordzeekustzone. Vervolgens heeft zij deze valse opgaven toegestuurd aan het RVB (feiten 2, 3, 4 en 5).\n\nNaar het oordeel van het hof zijn de bewezenverklaarde feiten van dien aard, dat hierbij niet kan worden volstaan met schuldigverklaring zonder strafoplegging. Verdachte – een partij die zich al jarenlang in de wereld van het winnen van schelpen begeeft – heeft gedurende een lange periode uiterst laakbaar gehandeld. In november 2014 is zij reeds gewezen op haar onjuiste handelen, maar dit heeft geen verschil teweeg gebracht in de handelwijze van de B.V. In de periode van 2011 tot en met 2018 was de prijs voor schelpen die werden gewonnen in het wingebied de Noordzee (veel) lager dan de prijs die moest worden betaald voor schelpen die waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone en door het handelen van verdachte is het RVB dan ook financieel benadeeld. Gelet hierop acht het hof een geldboete een passende straf bij de bewezenverklaarde feiten.\n\nUit het de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 22 december 2022 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken in eerste aanleg is overschreden. De rechtbank heeft een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren opgelegd en daarin is de overschrijding van de redelijke termijn ook al meegewogen. Het hof houdt in hoger beroep ook rekening met de overschrijding en zal geen straf opleggen die hoger is dan de straf die door de rechtbank is bepaald.\n\nHet gegeven dat de bestuurder van verdachte voor dezelfde feiten als in de onderhavige zaak straffen opgelegd krijgt, maakt dat het hof reden ziet om verdachte tot een geheel voorwaardelijke geldboete te veroordelen. Aangezien verdachte nog actief is als het gaat om het winnen van schelpen, zal de voorwaardelijke geldboete wel fors zijn, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst nog verkeerde wingebieden op zal geven en valse opgaven op zal sturen aan het KVB.\n\nIndien het hof de bewezenverklaring van feit 1 had betrokken in de strafoplegging zonder rekening te houden met het punt van verjaring, zou een zelfde straf zijn opgelegd als de rechtbank heeft gedaan.\n\nAlles overziend acht het hof een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 50.000,- met een proeftijd van drie jaren voor de feiten die onder 2, 3, 4 en 5 bewezen zijn verklaard, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nBepaalt dat ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nVeroordeelt de verdachte voor het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-,.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.W. Lensing, voorzitter,\n\nmr. W.M. Weerkamp en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,\n\nen op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 februari 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. D. Visser, voorzitter,\n\nmr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,\n\nmr. G. Ladjevardi, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1187","2026-07-13T00:29:15.655Z",20,[72,73,74,11,75,76],2026,2025,2024,2022,2021]