[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-environmental-law-nl-2024":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},98,"environmental-law-nl","Environmental Law","NL","2026-07-08T16:56:40.702Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"761","ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","ecli-nl-ghshe-2024-2468","",72,"2024-07-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000535-22\n\nUitspraak : 26 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2022, in de strafzaak met parketnummer 82-205241-21 tegen:\n\n [verdachte]\n\nStatutair gevestigd te [adres] ,\n\ngedagvaard als:\n [maatschap] ,\n\nstatutair gevestigd te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a, juncto artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht” veroordeeld tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 9.000,00 waarvan € 4.500,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nGeldigheid van de dagvaarding\n\nAmbtshalve merkt het hof op dat de dagvaarding in hoger beroep, zoals ook in eerste aanleg het geval was, is gericht aan ‘ [maatschap] ’. Ter terechtzitting in eerste aanleg is reeds gebleken dat ‘ [maatschap] ’ niet bestaat. Ook is gebleken dat [vertegenwoordiger verdachte] – naast de besloten vennootschap [bedrijf 2] – maat is in de ‘ [verdachte] ’ en dat hij daarnaast enig aandeelhouder en bestuurder is van de besloten vennootschap [bedrijf 2] Dit komt overeen met de gegevens in het procesdossier. Gelet hierop, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de tenaamstelling in de dagvaarding berust op een kennelijke vergissing. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is hierdoor bij de maatschap geen verwarring ontstaan en was bekend welk strafrechtelijk verwijt haar werd gemaakt. Het hof leest daarom de op de dagvaarding vermelde naam van de verdachte ‘ [maatschap] ’ verbeterd als ‘ [verdachte] ’. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.\n\nUit het dossier blijkt ook dat [vertegenwoordiger verdachte] in persoon de huurovereenkomst van de stallen heeft getekend en dat de stallen bedrijfsmatig door hem werden verhuurd, terwijl blijkens de verklaring van de heer [vertegenwoordiger verdachte] als vertegenwoordiger van de [verdachte] (onder meer) activiteiten ontplooit op het gebied van de verhuur van vastgoed in de agrarische sector. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens het laatste woord namens de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimair:\n\nzij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A;\n\nsubsidiair:[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij\u002Ftot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest, althans opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen heeft verschaft door toen daar onder andere de stal 3a en\u002Fof de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVrijspraak\n\nMet de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als drijver van de inrichting in de stallen 3a en 4a aan de [adres] . Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over de varkenshouderij die in die stallen werd geëxploiteerd. Die zeggenschap lag volledig bij [medeverdachte] , die het hof dan ook als drijver van de inrichting kwalificeert (zie hierna in het arrest). Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet desondanks als medepleger van het haar primair tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt geenszins dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .\n\nGelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Het subsidiair aan de verdachte tenlastegelegde feit acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna is uiteengezet.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, opzettelijk in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest door toen daar de stal 3a en de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nTen behoeve van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het tenlastegelegde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nJuridisch kader\n\nOp 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Dit besluit, dat was gericht aan de (intensieve) veehouderijen, bepaalde de maximale emissiewaarden voor ammoniak waaraan door deze veehouderijen moest worden voldaan. Landelijk werd echter een gedoogbeleid gevoerd, ook wel aangeduid als het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Onderdeel van dit actieplan was de stoppersregeling. Veehouderijen die daarvoor waren aangemeld, werden tot 1 januari 2020 vrijgesteld van naleving van de huisvestingsvoorschriften uit het besluit. Wel dienden zij met andere maatregelen een reductie van ammoniakemissie te realiseren. Vanaf 1 januari 2020 moesten de voor de stoppersregeling aangemelde veehouderijen ofwel zijn beëindigd ofwel zodanig zijn aangepast dat alsnog werd voldaan aan de maximale emissiewaarden als opgenomen in het besluit. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit emissiearme huisvesting is dat besluit niet van toepassing op veehouderijen die maximaal het aantal dieren houden dat in de vierde kolom van de tabel onder bijlage I wordt genoemd. Voor houders van speenbiggen is dat aantal vastgesteld op 20.\n\nArtikel 5, eerste lid onder a, in combinatie met bijlage I van het Besluit emissiearme huisvesting schrijft voor dat degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in een dierenverblijf, dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015, voor de hoofdcategorie varkens geen huisvestingssystemen toepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan 0,21 kilogram NH3 per dierplaats per jaar.\n\nDe feiten en omstandigheden\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\n [medeverdachte] , opgericht op 16 december 2012, betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. [verdachte] is opgericht op 1 januari 2014 en houdt zich in haar – overigens reeds vanaf 1 januari 2004 bestaande – onderneming onder meer bezig met het verhuren van vastgoed in de agrarische sector. Sinds de oprichting van de maatschap heeft zij als maten de heer [vertegenwoordiger verdachte] en de besloten vennootschap [bedrijf 2] . Van deze laatste rechtspersoon is de heer [vertegenwoordiger verdachte] enig aandeelhouder en bestuurder.\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 huurde [medeverdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3, stal 4 en stal 6 – van [vertegenwoordiger verdachte] . Deze stallen waren gevestigd aan de [adres] . Uit de huurovereenkomst, gesloten tussen beide partijen, volgt dat van de stallen 3 en 4 enkel de kraamafdelingen en van stal 4 ook de opfokafdeling werden verhuurd. Stal 6 betrof de biggenstal en werd in het geheel aan [medeverdachte] verhuurd.\n\nOp 28 november 2011 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning (activiteit milieu) afgegeven voor het houden van onder meer 155 kraamzeugen inclusief biggen tot spenen (71 in stal 3a en 84 in stal 4a) en 1728 gespeende biggen (in stal 6). In oktober 2014 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend. Daarbij is het hiervoor genoemde, in de in 2011 verleende omgevingsvergunning opgenomen voorschrift ongewijzigd gebleven. Verder was [vertegenwoordiger verdachte] aangemeld voor de stoppersregeling van het Actieplan Ammoniak Veehouderij.\n\nOp 27 januari 2020 zijn de stallen 3a, 4a en 6 aan de [adres] door een toezichthouder van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant aan een controle onderworpen. Daarbij is geconstateerd dat in de stallen 3a en 4a meer dieren (speenbiggen) werden gehouden dan op grond van de aan [vertegenwoordiger verdachte] verleende omgevingsvergunning was toegestaan. Ook werd vastgesteld dat in stal 3a een huisvestingssysteem werd toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar en in stal 4a een huisvestingssysteem met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, met als gevolg dat de huisvestingssystemen van de stallen 3a en 4a niet voldeden aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nDrijver van de inrichting\n\nOp grond van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting is degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verplicht zich te houden aan de in bijlage I bij dat besluit genoemde maximale emissiewaarden voor ammoniak. De wetgever heeft niet bepaald op grond van welke criteria kan worden vastgesteld wie in een bepaald geval de drijver van een inrichting is. Het begrip “drijverschap” heeft derhalve nader invulling gekregen in de jurisprudentie en literatuur. Daaruit volgt dat, om te bepalen wie een inrichting drijft, van belang is wie feitelijk de zeggenschap heeft over (de exploitatie van) die inrichting en\u002Fof over haar activiteiten alsmede over het gebruik van het onroerend goed ten behoeve van het verrichten van deze activiteiten. De drijver kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn.\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte] houder was van de biggen die in de periode van 1 januari 2020 tot en met de laatste week van april 2020 in stal 3a en stal 4a aan de [adres] waren gehuisvest en ook beschikte over de daarvoor benodigde varkensrechten. Het was [medeverdachte] die de varkenshouderij op de desbetreffende locatie exploiteerde.\n\nHet hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [medeverdachte] de drijver was van de inrichting (in de stallen 3a en 4a) aan de [adres] , waarin speenbiggen werden gehouden. Op haar lag dan ook als drijver van de inrichting de plicht om te voldoen aan artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat zij aan die plicht in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet heeft voldaan.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over (de exploitatie van) de in de stallen 3a en 4a ingerichte varkenshouderij. Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat de verdachte niet (ook) als drijver van voornoemde inrichting kan worden aangemerkt.\n\nOpzet bij (de vertegenwoordiger van) [medeverdachte]\n\nDe vertegenwoordiger van [medeverdachte] heeft op 29 juli 2020 verklaard dat hij wist dat de huisvestingssystemen van stal 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet aan het Besluit emissiearme huisvesting voldeden. Desalniettemin heeft hij tot de laatste week van april 2020 in deze stallen speenbiggen gehouden. Daarmee heeft de vertegenwoordiger van [medeverdachte] opzettelijk gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nToerekening van de verboden gedraging aan [medeverdachte]\n\nHet hof stelt voorop dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de (verboden) gedraging in kwestie redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.\n\nVan een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:\n\nhet gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,\n\nde gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,\n\nde gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.\n\n [medeverdachte] betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 huurde [medeverdachte] de stallen 3a en 4a aan de [adres] . In onder meer deze stallen hield zij speenbiggen en werd haar varkenshouderij geëxploiteerd. Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de huisvestingssystemen in de stallen 3a en 4a aan de [adres] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. [medeverdachte] was, als drijver van de in de stallen gevestigde inrichting, verantwoordelijk voor de naleving van deze voorschriften. Bewust heeft zij nagelaten maatregelen te treffen om wel aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting te voldoen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid had. Het hof is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat de verboden gedragingen, zoals tenlastegelegd, aan [medeverdachte] kunnen worden toegerekend.\n\nMedeplichtigheid [verdachte]\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde [vertegenwoordiger verdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3a, stal 4a en stal 6 –, gelegen aan de [adres] , aan [medeverdachte] In de tussen beide partijen gesloten huurovereenkomst is opgenomen dat huurder gehouden is het gehuurde overeenkomstig de bestemming als varkensstallen te gebruiken en het gehuurde daartoe tot beëindiging van deze overeenkomst ook zo ingericht te houden.\n\nUit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat vanaf 1 januari 2020 de stallen 3a en 4a niet meer voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. Blijkens zijn verklaring van 10 augustus 2020 was [vertegenwoordiger verdachte] hiervan op de hoogte. De latere ontkenning daarvan acht het hof niet overtuigend. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat in het controleverslag van 29 oktober 2018 – de stallen van [vertegenwoordiger verdachte] stonden op dat moment leeg – is opgenomen “dat stal 6 [mogelijk] nog een enkele keer zal worden gebruikt voor het houden van gespeende biggen, aangezien deze voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting maar dan zal hier wel een huurder voor moeten worden gevonden”. Bovendien leidt het hof uit een door [vertegenwoordiger verdachte] zelf opgestelde en ondertekende verklaring van 10 augustus 2020 af dat hij eind december 2019 wist dat de biggen met enige urgentie in de aan [medeverdachte] verhuurde stallen vóór 1 januari 2020 moesten zijn verwijderd en dat “zijn stal per 31-12-2019 dan leeg (zou) zijn”, terwijl – nota bene - de verhuurovereenkomst eigenlijk nog tot eind mei 2020 zou doorlopen.\n\nDoor een huurovereenkomst te sluiten met [medeverdachte] voor de periode van 1 augustus 2018 tot en met mei 2020, waarin expliciet is bepaald dat de gehuurde stallen – te weten de stallen 3a, 4a en 6 – overeenkomstig de bestemming als varkensstallen dienen te worden gebruikt, wetende dat de stallen 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting, heeft [vertegenwoordiger verdachte] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door [medeverdachte] vanaf 1 januari 2020 met betrekking tot de stallen 3a en 4a in strijd zou worden gehandeld met dat besluit. Door het sluiten van de huurovereenkomst heeft [vertegenwoordiger verdachte] aan [medeverdachte] de gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van dat strafbare feit.\n\nHet hof merkt nog op dat [vertegenwoordiger verdachte] de huurovereenkomst met [medeverdachte] op persoonlijke titel heeft gesloten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg – zoals dat is beschreven in het proces-verbaal van die zitting – als in hoger beroep, volgt evenwel dat de stallen door [vertegenwoordiger verdachte] in het kader van zijn bedrijf, dat zich immers onder meer richt op het verhuren van vastgoed in de agrarische sector, werden verhuurd. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens zijn laatste woord ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nDe periode\n\nNa de controle op 27 januari 2020 is [medeverdachte] begonnen met het leeghalen van de stallen. Vanaf 1 januari 2020 mochten in de stallen 3a, 4a en 6 respectievelijk maximaal 20, 20 en 1728 biggen worden gehouden. Op de veesaldokaart is te zien dat voor het eerst op 20 april 2020 in totaal niet meer dan 1768 biggen werden gehouden op de locatie [adres] . Tot en met 19 april 2020 was daarom zonder meer sprake van een illegale situatie. Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nConclusie\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 als drijver van een inrichting aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in de stallen 3a en 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een hogere emissiefactor voor ammoniak dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A. Daarmee heeft [medeverdachte] gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Deze overtreding is op grond van artikel 1a van de Wet op de economische delicten in combinatie met artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer een economisch delict. Door het in voornoemde periode verhuren van de stallen 3a en 4a aan [medeverdachte] , die daarin een varkenshouderij exploiteerde, wetende dat deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting, is de verdachte, [verdachte] , medeplichtig geweest aan de door [medeverdachte] begane overtreding van artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De in de huurovereenkomst opgenomen clausules die de verantwoordelijkheid voor het naleven van de vergunningvoorschriften en de toepasselijke wet- en regelgeving op de huurder leggen, ontslaan de verdachte niet van deze strafrechtelijke aansprakelijkheid.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmedeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, alsmede op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof verenigt zich in grote lijnen met de straf(maat)overwegingen, zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank, en heeft deze, voor zover het zich ermee verenigt, tot de zijne gemaakt. In dit arrest zijn de straf(maat)overwegingen uit het vonnis dan ook voor een groot deel letterlijk overgenomen. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank naar eigen inzicht verbeterd, aangevuld en\u002Fof genuanceerd.\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij medeplichtig is geweest aan overtreding van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting, begaan door [medeverdachte] . In de periode van 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde de verdachte drie varkensstallen aan [medeverdachte] , wetende dat twee van deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het hiervoor genoemde besluit. Daarmee heeft zij minst genomen op de koop toegenomen dat vanaf 1 januari 2020 door [medeverdachte] met betrekking tot twee van de door verdachte verhuurde stallen een overtreding zou worden begaan. Dat is ook gebeurd. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft [medeverdachte] in de desbetreffende stallen een huisvestingssysteem toegepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de destijds op grond van voornoemd besluit toegestane maximale emissiewaarde voor ammoniak. Het Besluit emissiearme huisvesting heeft onder meer tot doel de uitstoot van ammoniak te beperken en daarmee het milieu te beschermen. Met haar handelen heeft de verdachte zich van deze belangen weinig aangetrokken. Dit rekent het hof de verdachte aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op het, de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 mei 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.\n\nAlles afwegende, is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde straf, te weten een geldboete ter hoogte van € 6.000,00 waarvan € 3.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 48, 49, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 8.40 van de Wet milieubeheer en artikel 5 van het Besluit emissiearme huisvesting, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 6.000,00 (zesduizend euro);\n\nbepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 3.000,00 (drieduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.J. Henzen, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,\n\nen op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","2024-07-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:46.913Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1458","ECLI:NL:RBOBR:2024:1647","ecli-nl-rbobr-2024-1647","2024-04-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 22\u002F2745 en SHE 22\u002F2746\n uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2024 in de zaken tussen\n\nStichting Brabantse Milieufederatie, te Tilburg, eiseres,\n\n(gemachtigde: [naam] )\n\n [eisers] ,allen te [woonplaats] , eisers 2\n\n(gemachtigden: mr. H. Nijman en mr. J. van Eekeren)\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,het college\n\n(gemachtigden: mr. A. Speekenbrink en ing. T.A.M. Hendriks ).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam] BV, te [vestigingsplaats] , vergunninghouder, gemachtigde mr. R.A.M. Verkoijen.\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres en eisers 2 tegen de weigering van het college om aan vergunninghouder een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) te verlenen voor het wijzigen van een veehouderij met mestverwerkingsinstallatie aan de [adres] , in de gemeente Bernheze. Het college heeft de vergunning geweigerd omdat volgens het college geen vergunning nodig is (een zogenoemde positieve weigering).\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en mr. M. van der Heijde, de gemachtigde van eisers 2 mr. J.W.C. van Eekeren, eisers 2 [naam] , [naam] en [naam] , de gemachtigden van het college en de gemachtigde van vergunninghouder mr. R.A.M. Verkoijen en [naam] .\n\n1.3. Na de zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op nadere stukken van vergunninghouder. Geen van de partijen heeft aangegeven prijs te stellen op een tweede mondelinge behandeling van het beroep. De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de beroepen van eiseres en eisers 2 tegen de positieve weigering. Eerst geeft de rechtbank een overzicht van de feiten. Daarna duidt de rechtbank het bestreden besluit en het belang dat partijen hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Vervolgens beoordeelt de rechtbank het inhoudelijke besluit.\n\nFeiten\n\n3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Deze feiten stelt de rechtbank vast op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd in deze procedure alsmede op basis van de uitspraken van deze rechtbank in andere procedures rondom de mestvergistingsinstallatie in Nistelrode, waaronder de uitspraken van deze rechtbank van 4 oktober 2023en 22 december 2022.\n\nIn het verleden was op de [adres] , in de gemeente Bernheze een gemengd bedrijf gevestigd onder meer voor akkerbouw, het houden van legkippen en mestvarkens en een biogas-installatie waarin een gedeelte van de mest werd verwerkt. Dit bedrijf was in eigendom van [naam] BV. Voor dit bedrijf heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze (B&W) op 2 november 1982 een Hinderwetvergunning verleend. In 1999 en 2008 heeft B&W milieuvergunningen verleend. Op 25 februari 2010 is een deel van de vergunning ingetrokken.\n\nHet perceel [adres] is overgenomen door [naam] BV. Op 17 september 2013 heeft B&W aan [naam] B.V. een omgevingsvergunning fase 1 voor milieu (revisievergunning) verleend voor het oprichten en in werking hebben van een mestverwerkingsinstallatie met co-vergisting.\n\nBij besluit van 17 september 2013 heeft B&W aan [naam] BV een beschikking 1e fase verleend voor de uitbreiding met een biogasinstallatie aan de [adres] . Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft verweerder aan [naam] BV een beschikking 2e fase verleend voor het bouwen van de installaties.\n\nOp 21 augustus 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) verleend voor een project aan de [adres] , namelijk het in bedrijf hebben van een pluimveehouderij en de daaraan verbonden gevolgen voor het nabijgelegen in de provincie Gelderland gelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken”. Hierbij zijn de in 1999 en 2008 verleende milieuvergunningen als referentiesituatie gebruikt. De aanvraag voor deze vergunning is ingediend op\n\n24 februari 2015.\n\nVergunninghouder is sinds 2018 eigenaar van de percelen aan de [adres] .\n\nDe aanvraag voor een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (verder: een natuurvergunning) is ontvangen door het college op 2 november 2020 en heeft betrekking op het wijzigen van een veehouderij met mestverwerkingsinstallatie. De wijzigingen zien op het beëindigen van de varkenshouderij, het houden van 103.652 legkippen in twee stallen, het verhogen van de capaciteit van de mestverwerking en het plaatsen van een nieuwe luchtwasser.\n\nOp 13 augustus 2018 heeft B&W de omgevingsvergunning voor het houden van pluimvee aan de [adres] ingetrokken omdat er gedurende drie jaren geen dieren waren gehouden.\n\nIn een besluit van 7 augustus 2020 heeft het college een aantal voorschriften, die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning voor milieu uit 2013 en de veranderingsvergunning uit 2014, voor de installatie aan de [adres] gewijzigd. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd in de uitspraak van 19 maart 2021.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft het hoger beroep van vergunninghouder tegen deze uitspraak ongegrond verklaard in een uitspraak van 23 maart 2022.[naam] V.O.F., een vennootschap onder firma waar vergunninghouder in deelneemt, heeft op 9 mei 2022 een aanvraag ingediend voor de bouw van een andere loods tegen de bestaande loods en toestemming gevraagd voor het bouwen en milieuneutraal wijzigen van de inrichting (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van de Wabo). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 augustus 2022 buiten behandeling gelaten. Hiertegen heeft [naam] V.O.F. beroep ingesteld en de rechtbank heeft hierop uitspraak gedaan op 22 december 2022.\n\n- [naam] V.O.F. heeft op 6 december 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor verschillende activiteiten waaronder milieu (revisie, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, en artikel 2.6 van de Wabo). Deze was op het moment van de zitting van de rechtbank door het college al wel volledig bevonden maar nog niet inhoudelijk beoordeeld.\n\nDuiding bestreden besluit en procesbelang\n\n4. Het bestreden besluit is een zogeheten positieve weigering. De aanvraag van vergunninghouder wordt geweigerd, omdat het college zich op het standpunt stelt dat voor de aangevraagde wijziging géén natuurvergunning nodig is. Als het beroep van eisers slaagt, moet mogelijk alsnog een natuurvergunning worden verkregen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat sprake is van procesbelang. De rechtbank wijst hiervoor tevens naar de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024, waarin is overwogen dat tegen een positieve weigering beroep kan worden ingesteld en daarin aan de orde kan worden gesteld of artikel 2.7 van de Wnb in het concrete geval van toepassing is en ruimte biedt voor de verlening van een vergunning. Gelet op deze uitspraken laat de rechtbank verder in het midden wat de betekenis is van het bestreden besluit voor toekomstige projecten (of de positieve weigering kan dienen als referentiesituatie). Daar is de Afdeling in de genoemde uitspraken van 17 januari 2024 ook niet aan toegekomen. De betekenis van een positieve weigering bij een wijziging of uitbreiding van een activiteit of bij wijziging van regelgeving, kan aan de orde worden gesteld in een procedure over een besluit dat in het kader daarvan wordt genomen.\n\n5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend voor 1 januari 2024 zodat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft hetgeen overigens ook uit de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024 volgt.\n\n6. De Natura 2000-gebieden die door het college worden betrokken bij het bestreden besluit (Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, Rijntakken, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen) liggen niet in de omgeving van het bedrijf en maken geen deel uit van de leefomgeving van eisers 2. Eisers 2 zijn wel belanghebbenden maar de regels van de Wnb strekken niet tot bescherming van hun belangen maar tot bescherming van de betreffende Natura 2000-gebieden. Gelet op artikel 8:69a, van de Algemene wet bestuursrecht kan hun beroep niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep van eisers 2 behoeft daarom geen verdere inhoudelijke bespreking.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n7. Eiseres heeft na de zitting erkend dat de vergunning uit 2015 niet is verleend onder het Programma aanpak stikstof (PAS). Deze beroepsgrond zal de rechtbank daarom niet verder bespreken.\n\n8.1. Eiseres stelt dat het college ten onrechte de natuurvergunning uit 1995 van de provincie Gelderland als referentiesituatie hanteert om meerdere redenen: In die vergunning is geen natuurtoestemming verleend voor de in de provincie Noord-Brabant gelegen Natura 2000-gebieden. Eiseres voert aan dat de natuurvergunning uit 2015 geen betrekking had op de biogasinstallatie maar uitsluitend op het pluimveebedrijf op [adres] . Eiseres wijst er verder op dat de omgevingsvergunningen voor het in werking hebben van de inrichting voor de veehouderijtak zijn ingetrokken door B&W in een besluit van 13 augustus 2018.\n\n8.2. Het college is in het bestreden besluit uitgegaan van de natuurvergunning uit 2015 als referentiesituatie. Onder de Nbw 1998 was het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland het bevoegde gezag, omdat het project hoofdzakelijk gevolgen had voor het, in de provincie Gelderland gelegen, Natura 2000-gebied Rijntakken. Het college heeft destijds geen zienswijzen ingediend op de ontwerpbeschikking van het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland. Het niet vermelden van Natura 2000-gebieden in de provincie Noord-Brabant wil niet zeggen dat de natuurvergunning uit 2015 niet ziet op Noord-Brabantse Natura 2000-gebieden. Volgens het college heeft die natuurvergunning betrekking op het gehele project aan de [adres] . Dat leidt het college af uit de tekeningen bij deze natuurvergunning en de onderliggende milieuvergunningen waar ook de biogasinstallatie op [adres] staat aangegeven met twee warmtekrachtkoppeling (WKK) installaties. Het college erkent dat bij de vergunningverlening in 2015 geen aandacht is besteed aan deze WKK-installaties maar dat was toen niet gebruikelijk. De natuurvergunning uit 2015 heeft wel formele rechtskracht.\n\n8.3. Vergunninghouder heeft met tekeningen aannemelijk willen maken dat voor de biogasinstallatie al in de Hinderwetvergunning uit 1988 toestemming is verleend. Bovendien is hiervoor op 3 augustus 1982 een bouwvergunning verleend. In 1985 zijn toestemmingen verleend voor een uitbreiding.\n\n8.4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet voor de beantwoording van de vraag of de wijziging of uitbreiding van een bestaand project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, een vergelijking worden gemaakt tussen de gevolgen van het bestaande project in de referentiesituatie en de gevolgen van het project na wijziging of uitbreiding. Als een natuurvergunning is verleend, geldt de natuurvergunning als referentiesituatie. Als een natuurvergunning ontbreekt, wordt de referentiesituatie ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum, tenzij nadien een milieutoestemming is verleend met minder nadelige gevolgen voor het betrokken Natura 2000-gebied. Dan geldt die toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning (of milieutoestemming) die is vervallen of geëxpireerd.\n\n8.5. \n\nDe omstandigheid dat in de natuurvergunning alleen wordt gerept over het\n\nNatura 2000-gebied “Rijntakken” wil niet zeggen dat er toen alleen een vergunning is verleend voor de gevolgen voor alleen dit Natura 2000-gebied en niet voor andere gebieden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015waarin de Afdeling duidelijk aangeeft dat een natuurvergunning niet wordt verleend voor natuurgebieden, maar voor een project. Dit brengt volgens de Afdeling met zich dat in een vergunning die is verleend op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 niet hoeft te worden opgenomen op welke gebieden deze ziet.\n\n8.6. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 november 2020overwogen dat in een natuurvergunning voor een project alle gevolgen moeten worden beoordeeld, ook de transportbewegingen die inherent zijn aan de exploitatie van dat project (een veehouderij). Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan verkeersbewegingen van tractoren en het aan- en afvoerverkeer van vee. Het uitvoeren van die verkeersbewegingen is noodzakelijk voor een veehouderij en is een gevolg van dat project, aldus de Afdeling in die zaak.\n\n8.7. In deze zaak stelt de rechtbank vast dat in de natuurvergunning uit 2015 met geen enkel woord wordt gerept over de biogasinstallatie. De aanvraag betreft het in bedrijf hebben van een pluimveehouderij aan de [adres] . Slechts de gevolgen van het houden van dieren zijn beoordeeld in het betreffende besluit zelf. Naar het oordeel van de rechtbank is een biogasinstallatie niet noodzakelijk voor een veehouderij en ook niet inherent aan een veehouderij. Daarom hoort een biogasinstallatie niet automatisch bij een veehouderij en zal de biogasinstallatie als zodanig specifiek moeten worden benoemd in de vergunning. Dat is niet gebeurd. De omstandigheid dat het niet gebruikelijk was dergelijke installaties te beoordelen, wil niet zeggen dat de biogasinstallatie daarmee automatisch is vergund. Dit is slechts anders als de biogasinstallatie in 2015 nadrukkelijk ook is aangevraagd als onderdeel van het aangevraagde project. Beide partijen wijzen op oude inrichtingstekeningen waarop een biogasinstallatie met twee WKK’s is aangegeven. De rechtbank twijfelt er ook niet aan dat vóór 2015 een biogasinstallatie met twee WKK’s is aangevraagd en dat hiervoor Hinderwetvergunningen, bouwvergunningen en een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer (oud) zijn verleend die ook worden vermeld in de vergunningshistorie in de natuurvergunning uit 2015. De rechtbank leidt hieruit echter niet af dat de biogasinstallatie in 2015 ook uitdrukkelijk is aangevraagd. De tekeningen lijken eerder te zijn overgelegd om de omvang van de referentiesituatie aan te duiden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ten tijde van het indienen van de aanvraag voor een natuurvergunning in februari 2015 de biogasinstallatie aan de [adres] op naam stond van [naam] BV. Dit bedrijf dreef de inrichting die alleen en uitsluitend de biogasinstallatie omvatte en beschikte over een omgevingsvergunning milieu uit 2013 die alleen betrekking had op deze activiteit. Het was een aparte inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Het is niet vanzelfsprekend dat pluimveehouderij [naam] in 2015 een natuurvergunning zou aanvragen voor een project dat zowel de inrichtingen aan de [adres] als de [adres] zou omvatten, mede gelet op het feit dat dit bedrijf geen eigenaar was van de biogasinstallatie en dus ook geen belang had om een natuurvergunning aan te vragen voor een installatie die niet van haar was. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de natuurvergunning uit 2015 betrekking heeft gehad op zowel de pluimveehouderij als de biogasinstallatie. Het college heeft de natuurvergunning uit 2015 daarom ten onrechte als referentiesituatie beschouwd voor het aangevraagde project. Deze beroepsgrond slaagt.\n\n9.1. Volgens eiseres worden de activiteiten op [adres] ten onrechte als één project beschouwd. Volgens eiseres is het aangevraagde project dat heeft geleid tot het bestreden besluit een nieuw project. Als wordt gesaldeerd met activiteiten op het buurperceel is sprake van externe saldering, niet interne saldering en is het bestreden besluit in strijd met de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant omdat wordt gesaldeerd met een gestaakt bedrijf.\n\n9.2. Het college beschouwt het aangevraagde project als één project en is van mening dat kan worden gesaldeerd met de natuurvergunning uit 2015 ook al zijn de milieutoestemmingen voor de pluimveehouderij ingetrokken en is de pluimveehouderij feitelijk gestaakt.\n\n9.3. Vergunninghouder wijst er op dat zij sinds 2018 eigenaar is van de [adres] . De pluimveehouderijtak is beëindigd en een deel van de vrijkomende emissie wordt met deze aanvraag benut voor een uitbreiding in de vergisting en verwerking.\n\n9.4. In de uitspraak van 20 juli 2016heeft de Afdeling het volgende overwogen: “Uit het voorgaande volgt weliswaar dat de twee locaties gelet op de wijze waarop [vergunninghouder] zijn bedrijfsvoering heeft ingericht organisatorisch één geheel vormen, maar naar het oordeel van de Afdeling volgt daaruit niet dat reeds daarom sprake is van één project waarbij geen afzonderlijke beoordeling van de effecten van beide locaties nodig is. Daarbij acht de Afdeling van belang dat niet gebleken is dat de locaties niet onafhankelijk van elkaar in werking kunnen zijn, dat evenmin gebleken is dat er geen alternatieven bestaan voor het in quarantaine houden van de nieuw aangevoerde geiten en dat de twee locaties op ruime afstand van elkaar, te weten een afstand van ongeveer 1,3 km, van elkaar gelegen zijn.”\n\n9.5. \n\nIn de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2017werd het volgende overwogen:\n\n“Weliswaar volgt hieruit dat de twee bedrijven voor een deel organisatorisch met elkaar verbonden zijn, maar naar het oordeel van de Afdeling leidt dat er niet toe dat de activiteiten op de [locatie 1] en de activiteiten op de [locatie 2] als één project moeten worden gezien. Dat het vee van [appellant A] op de [locatie 2] jongvee betreft, dat, zoals [appellanten] ter zitting hebben gesteld, noodzakelijk is voor de continuïteit van zijn melkveehouderij, doet daar niet aan af. In dit verband is van belang dat de gekozen inrichting van de bedrijfsvoering op dit punt gelet op de ligging van de twee bedrijven naast elkaar, weliswaar gunstig is, maar dat niet aannemelijk is geworden dat het opfokken van het jongvee niet op andere wijze georganiseerd zou kunnen worden. Een overeenkomst tot het huisvesten en opfokken van jongvee had bijvoorbeeld met een ander bedrijf gesloten kunnen worden, zodat in het geval voor het bedrijf aan de [locatie 2] geen Nbw-vergunning wordt verleend voor de aangevraagde situatie, dat niet tot gevolg heeft dat het bedrijf van [appellant A] niet kan functioneren. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de aangevraagde activiteiten niet als één project kunnen worden aangemerkt, zodat de effecten van de activiteiten op het bedrijf van [appellant A] en de effecten van de activiteiten op het bedrijf van [appellant B] niet gezamenlijk maar afzonderlijk inzichtelijk dienen te worden gemaakt.”\n\n9.6. De rechtbank begrijpt vergunninghouder en het college aldus dat het bestreden besluit ziet op de samenvoeging van twee projecten tot één project waarbij het ene project kan worden ingezet ten behoeve van het andere project door middel van intern salderen.\n\n9.7. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een route die niet kan worden gevolgd om meerdere redenen.\n\n De rechtbank stelt voorop dat de installatie aan de [adres] niet nodig is om de pluimveehouderij te exploiteren. De opstallen van de pluimveehouderij zijn niet nodig om de installatie aan de [adres] te exploiteren.\n\n Ten tijde van het bestreden besluit was de installatie op de [adres] een aparte inrichting die was vergund in de vergunning van 2013. Dat geldt overigens ook voor de aangevraagde mestverwerkingsinstallatie. Dat volgt uit de uitspraak van 23 maart 2022 van de Afdeling.Ten tijde van de aanvraag en het bestreden besluit heeft vergunninghouder meerdere aanvragen ingediend met betrekking tot de inrichting aan de [adres] die niet tevens zagen op het perceel [adres] .\n\n Ten tijde van het bestreden besluit waren de milieuvergunningen uit 1999 en 2008 voor de pluimveehouderij aan de [adres] ingetrokken.\n\n Uit hetgeen hierboven is overwogen, volgt bovendien dat met de verlening van de natuurvergunning in 2015 de pluimveehouderij op de [adres] en de installatie op [adres] op dat moment moesten worden beschouwd als twee projecten. Met andere woorden, de [adres] en de [adres] zijn gescheiden projecten.\n\n De eerder vergunde WKK’s op de [adres] waren betrokken in de milieuvergunningen die ten grondslag hebben gelegen aan de natuurvergunning in 2015 en behoorden bij het project van de pluimveehouderij aan de [adres] . Voor de biogasinstallatie was geen natuurvergunning verleend. De in het verleden vergunde WKK’s of de biogasinstallatie op de [adres] kunnen niet dubbel worden ingezet als referentiesituatie ten behoeve van de installatie op de [adres] .\n\n De enkele omstandigheid dat beide percelen weer in eigendom zijn van één partij is onvoldoende om te spreken over één project waarbij intern kan worden gesaldeerd.\n\n9.8. Volgens de rechtbank kunnen de gevolgen van de pluimveehouderij alleen worden betrokken bij het aangevraagde project via externe saldering. In dat geval is wel een natuurvergunning vereist. Bovendien zal het college haar Beleidsregel Natuurbescherming moeten betrekken bij de vergunningverlening. Het college heeft dit ten onrechte niet gedaan in het bestreden besluit.\n\n10.1. Eiseres zet vraagtekens bij de emissiefactoren uit de Regeling Ammoniak en veehouderij. Zij merkt verder op dat de gevolgen van de bouw- en aanlegfase niet inzichtelijk zijn gemaakt.\n\n10.2. Het college merkt op dat de pluimveestallen al zijn vergund in de natuurvergunning van 2015. Het college verwacht dat de gevolgen van de gebruiksfase veel hoger zijn dan de gevolgen van de bouw van de loods voor de mestverwerking.\n\n10.3. De rechtbank ziet geen aanleiding deze beroepsgronden te bespreken. Aan het standpunt van het college ligt namelijk ten grondslag dat het college de installaties aan de [adres] en [nummer] heeft beschouwd als één project en de rechtbank is van oordeel dat de gevolgen van de pluimveehouderij alleen worden betrokken bij het aangevraagde project via externe saldering.\n\n11.1. Eiseres betwijfelt de prestaties van de luchtwasser.\n\n11.2. Het college heeft in het verweerschrift nader toegelicht dat de prestaties van de luchtwasser zijn ontleend aan een vergelijkbare luchtwasser op een andere locatie.\n\n11.3. Eiseres heeft de nadere onderbouwing van het college niet weerlegd en ook de rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze onderbouwing. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n12.1. Eiseres vindt dat de gevolgen van de vervoersbewegingen van het verkeer van en naar het bedrijf onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt.\n\n12.2. Het college merkt op dat in de effectberekening in AERIUS het verkeer van en naar de inrichting is verdeeld over de Loosbroekseweg in een totale strook van 1200 meter. Daarna is het verkeer volgens het college opgenomen in het heersend verkeersbeeld.\n\n12.3. Eiseres heeft de nadere onderbouwing van het college niet weerlegd en ook de rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze onderbouwing. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n13.1. Eiseres stelt dat niet duidelijk is of de lozing van 80.000 m3 proceswater niet had moeten worden meegenomen in het kader van de Wnb.\n\n13.2. Het college stelt dat de afstand tot de Natura 2000-gebieden meer dan 15 kilometer is. Daardoor kan op voorhand met zekerheid worden uitgesloten dat er significante effecten kunnen ontstaan voor de betrokken instandhoudingsdoelstellingen. De samenstelling van het proceswater is volgens het college niet schadelijk voor het milieu, anders mag er niet op de sloot geloosd worden.\n\n13.3. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht op voorhand significante effecten van de lozing van afvalwater heeft uitgesloten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep van eisers 2 is ongegrond, het beroep van eiseres is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van vergunninghouder met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard, moet het college het griffierecht aan eiseres en de reiskosten vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\n verklaart het beroep van eisers 2 ongegrond;\n\n verklaart het beroep van eiseres gegrond;\n\n vernietigt het bestreden besluit;\n\n draagt het college op een nieuw besluit te nemen binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak;\n\n draagt het college op het door eiseres betaalde griffierecht van € 365,00 en reiskosten van € 22,00 te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. R. Grimbergen en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van A.J.H, van der Donk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2023:4826.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2022:5652.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2021:1211.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:799.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2022:5652.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:129 en ECLI:NL:RVS:2024:131.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:2245.\n\nECLI:NL:RVS:2020:2760.\n\n ECLI:NL:RVS:2016:2017.\n\n ECLI:NL:RVS:2017:3002\n\n ECLI:NL:RVS:2022:799","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:1647","2024-04-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.075Z",20,[64,65,11,66,67,68],2026,2025,2023,2022,2021]