[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-environmental-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":173},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":171,"page":14,"limit":172},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},98,"environmental-law-nl","Environmental Law","NL","2026-07-08T16:56:40.702Z",2026,[13,16,18,20,23,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":22},4,5,{"month":22,"count":14},{"month":25,"count":22},6,{"month":27,"count":19},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,61,71,79,87,96,106,115,124,134,141,148,155,162],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1236","ECLI:NL:CBB:2026:315","ecli-nl-cbb-2026-315","",58,"2026-07-07T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F236\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussenStichting Pesticide Action Network Netherlands (PAN), te Assen en\n\nStichting Natuur- en Milieufederatie Zuid Holland(NMZH), te Den Haag (samen: demilieuorganisaties)\n\n(gemachtigden: mr. M.R.J. Baneke en M. Mantingh)\n\nen\n\nhet College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)\n\n(gemachtigden: mr. M.K. Konings en mr. M.K. Polano)\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)\n\nmet als derde partijen\n\nSumitomo Chemical Agro Europe S.A.S., te Saint Didier au Mont d’Or (Frankrijk) (Sumitomo)\n\n(gemachtigde: mr. E. Broeren)\n\nen\n\nArysta LifeScience Benelux Sprl, te Ougree (België)\n\nen\n\nSBM Développement S.A.S., te Ecully (Frankrijk)\n\nProcesverloop\n\nMet een brief van 10 mei 2023 heeft het Ctgb gereageerd op een verzoek van de milieuorganisaties om intrekking van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat.\n\nMet het besluit van 24 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Ctgb beslist op het bezwaar van de milieuorganisaties tegen de brief van 10 mei 2023.\n\nDe milieuorganisaties hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet Ctgb heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet Ctgb en de milieuorganisaties hebben nadere stukken ingezonden.\n\nSumitomo heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.\n\nDe zitting was op 11 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen gemachtigde Baneke van de milieuorganisaties, vergezeld van [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], de gemachtigden van het Ctgb, vergezeld van [naam 5], en de gemachtigde van Sumitomo, vergezeld van [naam 6].\n\nDe milieuorganisaties hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.\n\nOverwegingen\n\nSamenvatting\n\nIn deze zaak staan toelatingen door het Ctgb van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en efsenvaleraat ter discussie. De milieuorganisaties hebben verzocht om intrekking van de toelating van deze middelen, omdat de werkzame stoffen die deze middelen bevatten in Nederlandse oppervlaktewateren worden aangetroffen in hoeveelheden die de normen uit de Kaderrichtlijn Wateren de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden. Het Ctgb heeft geen aanleiding gezien om de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen in te trekken. Het College laat het bestreden besluit in stand.\n\nInleiding\n\n1.1. De milieuorganisaties hebben met een brief van 7 maart 2023 aan het Ctgb om intrekking verzocht van de toelating van alle gewasbeschermingsmiddelen op basis van cypermethrin, esfenvaleraat en abamectine (voor zover het toepassingen betreft in bedekte teelt). Volgens de milieuorganisaties blijkt uit de Bestrijdingsmiddelenatlas dat in de periode van 2017 tot en met 2021 de normen van de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen van deze werkzame stoffen in oppervlaktewateren zijn overschreden.\n\n1.2. Het Ctgb heeft het verzoek tot intrekking van de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen niet ingewilligd. In het bestreden besluit heeft het Ctgb uiteengezet dat en waarom hij niet tot intrekking van de toelatingen overgaat.\n\n1.3. \n\nDe besluitvorming van het Ctgb heeft betrekking op twaalf gewasbeschermingsmiddelen, waaronder Talisma EC, Belem 0.8 MG, Sumicidin Super en Sumi-Alpha 2.5 EC. Arysta LifeScience Benelux Sprl is de toelatinghouder van Talisma EC.\n\nSBM Développement S.A.S. is de toelatinghouder van Belem 0.8 MG en Sumitomo Chemical Agro Europe S.A.S. is de toelatinghouder van Sumicidin Super en Sumi-Alpha 2.5 EC.\n\nBeoordeling College\n\nIs sprake van een besluit en zijn de milieuorganisaties hierbij belanghebbenden?\n\n2.1. Het College ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de milieuorganisaties tegen de brief van 10 mei 2023 bezwaar konden maken en of zij belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) zijn. Sumitomo heeft dit in twijfel getrokken.\n\n2.2. Het verzoek van de milieuorganisaties aan het Ctgb om (ambtshalve) toepassing te geven aan artikel 44 van Verordening 1107\u002F2009, strekt ertoe dat het Ctgb een besluit neemt tot intrekking van de toelating van verschillende gewasbeschermingsmiddelen. De brief van 10 mei 2023, waarin het Ctgb heeft uiteengezet dat de door de milieuorganisaties verstrekte informatie geen aanleiding geeft om de toelatingen opnieuw te bekijken, houdt een afwijzing in van dat verzoek en tegen een dergelijke afwijzing staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open (zie de uitspraak van het College van 5 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:358).\n\n2.3. Het Ctgb heeft de milieuorganisaties terecht als belanghebbenden aangemerkt. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\n\n2.4. \n\nDe milieuorganisaties hebben met hun verzoek willen bereiken dat het Ctgb toelatingen van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, die de normen van de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden, in zou trekken, zodat de kwaliteit van het oppervlaktewater in Nederland, en daarmee in de provincie Zuid-Holland\n\n– de overschrijdingen waarnaar in het verzoek wordt verwezen hebben specifiek ook op dit gebied betrekking – wordt beschermd en verbetert. Dit past bij het doel dat beide milieuorganisaties statutair nastreven. Gezien de op de website van PAN te raadplegen statuten streeft deze stichting onder andere ernaar activiteiten te bevorderen om de toepassing en de verspreiding van synthetische pesticiden en biociden en andere schadelijke producten uit de chemische industrie te verminderen en te elimineren. Om de doelen te bereiken, houdt de stichting zich onder andere bezig met lobbyen, onderzoek, mogelijke voorstellen voor en verzet tegen wetswijzigingen of beleidsbeslissingen in Europese, nationale, regionale, lokale of mondiale fora. In de statuten van de NMZH, die op de website van deze stichting te vinden zijn, staat als doel omschreven: het bevorderen van een evenwichtige duurzame ontwikkeling van de economie, de samenleving en de fysieke omgeving, met daarbij speciale zorg voor de natuur, het landschap en het milieu in de provincie Zuid-Holland. De stichting beoogt dit doel te bereiken door – onder andere – het handelen, of het nalaten daarvan, door overheden te beoordelen, beïnvloeden en begeleiden, zoals door het indienen van bezwaar- en beroepschriften. Op de websites van de milieuorganisaties is informatie te vinden over de feitelijke werkzaamheden, waaronder activiteiten die zich richten tegen watervervuiling.\n\nDit brengt met zich dat de milieuorganisaties door het besluit van het Ctgb feitelijk en rechtstreeks worden geraakt in een belang dat zij krachtens hun statutaire doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\n\nIntrekking van de toelatingen omdat de voorwaarden voor de toelatingen langdurig zijn geschonden?\n\n3.1. Het College zal eerst beoordelen of het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine omdat de toelatingsnormen van de gewasbeschermingsmiddelen zouden zijn overschreden. De milieuorganisaties hebben dit verzoek gebaseerd op artikel 44, eerste lid, eerste volzin, in samenhang met het derde lid, van de gewasbeschermingsverordening.\n\n3.2. In artikel 44, eerste lid, eerste volzin, van de gewasbeschermingsverordening staat dat lidstaten een toelating te allen tijde opnieuw kunnen bekijken indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen. In artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening staan de eisen voor de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Het eerste lid, aanhef en onder e, van artikel 29 bepaalt dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten als het op grond van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet aan de eisen van artikel 4, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening. Het is aan de lidstaat – en in dit geval het Ctgb dat in Nederland op grond van artikel 4 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden de aangewezen instantie is – om te bepalen of het de toelating opnieuw gaat bekijken.\n\n3.3. Wanneer het Ctgb meent dat er aanwijzingen zijn dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen en het voornemens is een toelating in te trekken of te wijzigen, dan licht hij volgens artikel 44, tweede lid, de houder van de toelating in om opmerkingen te formuleren of gegevens te verstrekken. Het derde lid van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening bepaalt dat de lidstaat in voorkomend geval de toelating intrekt of wijzigt. Dit is onder meer het geval als (onder a) niet of niet meer wordt voldaan aan de eisen van artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening of als (onder c) niet voldaan is aan een voorwaarde in de toelating. Overigens is niet in geschil dat artikel 44 en artikel 29 het gebruik in overeenstemming met de toelatingsvoorwaarden veronderstellen.\n\n3.4. Het Ctgb heeft onderzocht of er aanwijzingen zijn dat de betrokken gewasbeschermingsmiddelen niet langer voldoen aan de in artikel 29 genoemde eisen en is in het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat die er niet zijn. Op grond daarvan heeft het Ctgb geen aanleiding gezien de toelatingen in te trekken.\n\nCypermethrin en abamectine\n\n3.5. De milieuorganisaties voeren aan dat er weliswaar niet veel, maar wel een aantal overschrijdingen van de toelatingsnormen voor cypermethrin en abamectine zijn. Volgens de milieuorganisaties is daarbij het resultaat van metingen wel geflatteerd, omdat veel meetpunten niet toetsbaar zijn, zodat ervan uit moet worden gegaan dat er veel meer overtredingen zijn dan de Bestrijdingsmiddelenatlas aangeeft. Er is volgens de milieuorganisaties dan ook alle reden voor het Ctgb om in actie te komen.\n\n3.6. Het Ctgb geeft aan dat voor beide stoffen het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm laag is en dat er in de Bestrijdingsmiddelenatlas geen correlatie met landgebruik is gerapporteerd. Voor cypermethrin ging het in de periode 2018 tot en met 2021 om drie á vier overschrijdingen op een totaal van meer dan 400 locaties en in 2022 om nul overschrijdingen. Voor abamectine was er in de jaren 2021 en 2022 sprake van nul tot twee overschrijdingen. In 2020 waren dat nog 14 overschrijdingen. De reden voor het Ctgb om bij lage aantallen overschrijdingen van de toelatingsnormen niet in te grijpen, is dat het niet nodig is dat alle locaties altijd voldoen aan de toelatingsnormen. Het gebruikelijke beschermdoel voor blootstelling in het milieu is het 90 percentiel van de concentraties in ruimte en tijd. Het Ctgb ziet enkele verspreid voorkomende overschrijdingen per jaar niet als structureel, omdat de kans dat de overschrijding gerelateerd is aan andere oorzaken (zoals onjuist gebruik of weersomstandigheden) groter is dan de kans dat het aan de toelating ligt. Daarnaast moet duidelijk zijn dat het aan de toelating ligt en niet aan illegaal of onjuist gebruik. Als er geen indicatie is dat een specifieke teelt of route verantwoordelijk is, is er onvoldoende bewijs om in te grijpen in de toelating.\n\n3.7. Het College kan het Ctgb volgen in zijn conclusie dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de betrokken gewasbeschermingsmiddelen niet langer voldoen aan de in artikel 29 genoemde eisen (en daarmee de toelatingsvoorwaarden). Hoewel het College kan begrijpen dat de milieuorganisaties van het Ctgb verwachten dat het actie onderneemt als sprake is van overschrijdingen van de toelatingsnorm, heeft het Ctgb naar het oordeel van het College toereikend toegelicht waarom daarvoor in dit geval geen aanleiding is. Het gaat om een relatief gezien beperkt aantal geconstateerde overschrijdingen, er lijkt geen correlatie te zijn met landgebruik en er is geen indicatie dat een specifieke teelt of route verantwoordelijk is voor de overschrijdingen. Dat het werkelijke aantal overschrijdingen hoger ligt dan de gerapporteerde overschrijdingen, zoals de milieuorganisaties stellen en door het Ctgb niet is weersproken, is zeker denkbaar. Maar in welke mate daarvan sprake is en wat de oorzaak daarvan is, is een onzekerheid. Gegeven de omstandigheid dat bij de wel geconstateerde overtredingen geen verband is gevonden met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens de voorschriften, ziet het College tegen deze achtergrond geen aanleiding om te oordelen dat de conclusie van het Ctgb geen stand kan houden.\n\nEsfenvaleraat\n\n3.8. De milieuorganisaties voeren aan dat voor gewasbeschermingsmiddelen met als werkzame stof esfenvaleraat geldt dat al jarenlang niet wordt voldaan aan de voorwaarden die bij de toelating zijn gesteld. Met de (stelselmatige) overschrijdingen van de toelatingsnormen (chronische norm voor waterorganismen) voor de stof in glastuinbouwgebieden wordt niet voldaan aan de gewasbeschermingsverordening. Daar komt bij dat het Ctgb erkent dat er problematiek is van langdurige overtredingen met betrekking tot esfenvaleraat. Artikel 44, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening verplicht dan tot intrekking en niet slechts tot “meenemen in een lopende herbeoordeling” zoals het Ctgb schrijft.\n\n3.9. Het Ctgb stelt dat voor de stof esfenvaleraat het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm inderdaad aanzienlijk is, met het jaar 2021 als duidelijke uitschieter. Met betrekking tot overschrijdingen van de toelatingsnorm is een structureel patroon te zien in monitoringsgegevens van de Bestrijdingsmiddelenatlas. Voor de periode 2020-2022 zijn er aanwijzingen dat gewasbeschermingsmiddelen voor de specifieke teelt van graszaad aan deze structurele overschrijding hebben bijgedragen. Momenteel is de integrale herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat volgens artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening in uitvoering, na hernieuwde goedkeuring van de stof, waarbij ook de meetgegevens opnieuw zijn geëvalueerd. Omdat deze herbeoordeling hetzelfde effect op het toegelaten gebruik heeft als een herbeoordeling volgens artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening (en kan, indien dit uit de beoordeling volgt, leiden tot dezelfde aanpassingen van het gebruik, voor wat betreft het toelatingscriterium) is het naar het oordeel van het Ctgb weinig zinvol om daar bovenop nog een herbeoordeling volgens artikel 44 van gewasbeschermingsverordening te starten. Het Ctgb onderneemt immers al actie om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat te herzien op basis van het toelatingscriterium.\n\n3.10. Het College kan het Ctgb volgen in zijn keuze om naast de herbeoordeling op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening niet ook een herbeoordeling op grond van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening te starten. Het College betrekt hierbij dat de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening zich, net als artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening op de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen richt. Het betreft hier dan ook eenzelfde beoordeling met eenzelfde effect.\n\nTussenconclusie\n\n3.11. Het College is van oordeel dat het Ctgb op toereikende gronden heeft besloten geen gebruik te maken van zijn in artikel 44, eerste lid, eerste volzin, van gewasbeschermingsverordening neergelegde herbeoordelingsbevoegdheid.\n\nIntrekking van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen omdat de normen van de Kaderrichtlijn Water worden overschreden?\n\n4.1. Het College zal hierna beoordelen of het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine omdat de normen van de Kaderrichtlijn Water in het oppervlaktewater zouden zijn overschreden. De milieuorganisaties hebben dit verzoek gebaseerd op artikel 44, eerste lid, tweede volzin, van de gewasbeschermingsmiddelenverordening.\n\n4.2. In artikel 44, eerste lid, tweede volzin, staat dat een lidstaat (lees: Ctgb) een toelating herziet wanneer hij concludeert dat het mogelijk is dat de doelstellingen zoals bepaald in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, en onder b, i, en artikel 7, leden 2 en 3, van Kaderrichtlijn Water niet kunnen worden verwezenlijkt.\n\n4.3. Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, van de Kaderrichtlijn Water gaat over oppervlaktewateren. Hierin wordt bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedsbeheerplan omschreven maatregelenprogramma voor oppervlaktewateren, de lidstaten overeenkomstig artikel 16, eerste en achtste lid, de nodige maatregelen ten uitvoer leggen, met de bedoeling de verontreiniging door zogenaamde prioritaire stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. In bijlage I van Richtlijn 2013\u002F39staat een lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid. Cypermethrin komt op deze lijst voor, abamectine en esfenvaleraat niet.\n\n4.4. Anders dan artikel 44, eerste lid, eerste volzin, is de tweede volzin dwingender geformuleerd. Deze volzin schrijft voor wat het Ctgb moet doen als hij concludeert dat het mogelijk is dat de daarin bedoelde doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water niet kunnen worden verwezenlijkt. In dat geval herziet het Ctgb de toelating. Dat de Uniewetgever heeft beoogd dit onderscheid te maken tussen de eerste en tweede volzin wordt bevestigd door andere taalversies. In de Franse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten de toelating “peuvent réexaminer”en in de tweede volzin staat dat een lidstaat een toelating “réexamine”. In de Engelse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten een toelating “may review” en in de tweede volzin “shall review”. In de Duitse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten “können eine Zulassung jederzeit ändern” en in de tweede volzin dat de lidstaat “überprüft die Zulassung”. In tegenstelling tot de rechterlijke beoordeling in het kader van de eerste volzin, ligt de in de tweede volzin bedoelde herziening in volle omvang ter beoordeling voor aan de rechter omdat het hier een verplichting betreft van het Ctgb.\n\nCypermethrin\n\n4.5. De milieuorganisaties wijzen erop dat de Kaderrichtlijn Water zich met verplichtingen tot de lidstaten richt. Voor prioritaire stoffen, zoals cypermethrin, bestaat een verplichting om de verontreiniging van oppervlaktewateren met die stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van (prioritaire) stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. Dat volgt uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, van de Kaderrichtlijn Water. Het Ctgb is bij uitstek de partij die voor Nederland is aangewezen en de middelen heeft om aan deze verplichting te voldoen. Nu de milieuorganisaties het Ctgb erop hebben gewezen dat cypermethrin in veel hogere concentraties voorkomt dan volgens de Kaderrichtlijn Water aanvaardbaar is in Nederlands oppervlaktewater, kan het Ctgb niet werkeloos blijven toezien dat deze situatie voortduurt. Uit de Bestrijdingsmiddelenatlas blijkt dat Cypermethrin in 2018 tot en met 2022 ieder jaar op verscheidene plaatsen in Nederlands oppervlaktewater werd aangetroffen in concentraties die een veelvoud zijn van de norm die volgens de Kaderrichtlijn Water voor die stof nog aanvaardbaar is. Cypermethrin is een chemisch gewasbeschermingsmiddel, andere toepassingen dan gebruik in landbouw en tuinbouw zijn er niet. Als het in ontoelaatbare hoeveelheden in oppervlaktewateren wordt aangetroffen, zonder dat precies kan worden vastgesteld van welk perceel het afkomstig is, vormt dat juist een reden om het gebruik in heel Nederland te beëindigen, aldus de milieuorganisaties.\n\n4.6. Het College stelt voorop en onderschrijft daarmee het standpunt van het Ctgb dat voor het ingrijpen in een toelating relevant is of de overschrijding van de normen uit de Kaderrichtlijn Water uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeit uit het normale gebruik van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Dit betekent dat een overschrijding per geval moet worden geanalyseerd om de redenen voor de overschrijding te begrijpen, omdat de overschrijding ook kan komen door verkeerd gebruik door particulieren of door gebruik voor andere doeleinden, namelijk als biocide of diergeneesmiddel.\n\n4.7. Het Ctgb heeft de overschrijdingen (volgens de Bestrijdingsmiddelenatlas) onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat er geen aanknopingspunten zijn dat de overschrijdingen worden veroorzaakt door het normale gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen volgens de gebruiksvoorschriften. Hierbij heeft het Ctgb betrokken dat cypermethrin een hoge sorptie aan de bodem heeft en alleen nog als granulaat en voor gebruik in opslag is toegelaten. Bij deze gebruikstypen wordt geen dan wel weinig emissie naar het oppervlaktewater verwacht. Granulaat is bovendien pas vanaf 2022 toegelaten, zodat het gebruik hiervan ook geen aanwijzing kan zijn voor het jarenlange aantreffen van de stof. Het gebruik van het middel met een toelating in koolzaad is inmiddels beëindigd. Het is volgens het Ctgb dan ook weinig zinvol om nog bestaande toelatingen van middelen op basis van cypermethrin in te trekken. Daarbij is volgens het Ctgb van belang dat de stof cypermethrin niet uitsluitend als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast. Er zijn twee middeltoelatingen op basis van alfa-cypermethrin als biocide, namelijk als insecticide in pluimveebedrijven (voor professioneel en niet-professioneel gebruik). Ook wordt cypermethrin gebruikt als diergeneesmiddel voor schapen. In de Bestrijdingsmiddelenatlas wordt cypermethrin echter gepresenteerd als een groepsstof. Dat betekent dat verschillende chemische vormen van cypermethrin niet altijd door alle laboratoria apart kunnen worden gemeten en dat alle vormen van cypermethrin hieronder vallen. Daarnaast zijn volgens het Ctgb de correlaties concentraties met landgebruik niet goed te duiden. Het College overweegt dat deze analyse van het Ctgb – zoals de milieuorganisaties ook stellen – onzekerheden bevat over de oorzaken van te hoge concentraties cypermethrin in het oppervlaktewater. Maar de milieuorganisaties hebben de door het Ctgb gesignaleerde (ernstige) twijfels of die overschrijding aan het normale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is te wijten niet kunnen wegnemen. Gelet op de beschikbare gegevens en de gemotiveerde uiteenzetting van het Ctgb dat de betreffende gewasbeschermingsmiddelen vanwege de stofeigenschap en het type gebruik naar verwachting niet of nauwelijks in het oppervlaktewater terecht zullen komen, kan het College het Ctgb in zijn conclusie volgen dat de overschrijding van de normen uit de Kaderrichtlijn Water niet uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeit uit het normale gebruik van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stof cypermethrin.\n\nAbamectine en esfenvaleraat\n\n4.8. De milieuorganisaties voeren aan dat abamectine en esfenvaleraat specifiek verontreinigende stoffen zijn, die de ecologische toestand van een waterlichaam mede bepalen, als bedoeld in de Kaderrichtlijn Water. Dat de milieuorganisaties hun verzoek hebben gedaan in verband met overschrijdingen van normen in oppervlaktewater, zou het Ctgb er niet van hoeven te weerhouden om te onderzoeken of grondwater en water voor drinkwaterwinning mogelijk in gevaar komen door het gebruik van abamectine en esfenvaleraat.\n\n4.9. Het College stelt vast dat op het moment van de besluitvorming van het Ctgb abamectine en esfenvaleraat geen prioritaire stoffen waren. Het Ctgb is voor deze stoffen terecht niet toegekomen aan een herziening van de toelating als bedoeld in artikel 44, eerste lid, tweede volzin, van de gewasbeschermingsverordening. Het verzoek van de milieuorganisaties was namelijk beperkt tot normoverschrijdingen in het oppervlaktewater. De bepalingen van de Kaderrichtlijn Water, die in de tweede volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening worden genoemd, hebben wat betreft oppervlaktewater alleen betrekking op prioritaire stoffen.\n\n4.10. Wat betreft toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met esfenvaleraat, heeft het Ctgb, zoals in 3.9 vermeld, aangegeven dat er een herbeoordeling plaats vindt op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening. Het College merkt in dat verband nog het volgende op. Artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening verwijst net als de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, naar de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen. Eén van de vereisten van artikel 29 in samenhang bezien met artikel 4, derde lid, aanhef en onder e, van de gewasbeschermingsverordening is dat een gewasbeschermingsmiddel geen onaanvaardbare effecten mag hebben op het milieu. Het College brengt onder de aandacht dat Advocaat Generaal Kokott in haar conclusie van 5 juni 2025 (ECLI:EU:C:2025:422) in de procedure voor interne herziening van de goedkeuring van cypermethrin heeft geschreven dat de schending van milieukwaliteitsnormen van de Kaderrichtlijn Water een sterke aanwijzing kan vormen voor onaanvaardbare effecten op het milieu. Bij een eventueel beroep tegen de besluitvorming over de herbeoordeling in het kader van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening, kan de rechter bij de toetsing van het besluit (ook) dit vereiste betrekken.\n\nTussenconclusie\n\n4.11. Het College is van oordeel dat het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine vanwege overschrijding van de normen van de Kaderrichtlijn Water in het oppervlaktewater.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\n5.1. De milieuorganisaties hebben het College samen verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In deze zaak geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn maximaal twee jaar is. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk, tenzij er sprake is van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten, maar daar is in dit geval geen sprake van. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het Ctgb is ontvangen en loopt door tot de datum waarop het College uitspraak heeft gedaan.\n\n5.2. Het Ctgb heeft het bezwaarschrift op 14 juni 2023 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn, afgerond met dertien maanden overschreden. De milieuorganisaties hebben daarom recht op € 1.500,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan het Ctgb als aan het College toe te rekenen.\n\n5.3. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Ctgb en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van twee maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb het Ctgb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 230,77 (2\u002F13 x € 1.500,-) aan de milieuorganisaties en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.269,23 (11\u002F13 x € 1.500,-).\n\nSlotsom\n\n6 Het beroep is ongegrond. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n7.1. In de overschrijding van de redelijke termijn ziet het College aanleiding het Ctgb en de Staat te veroordelen in de kosten van de milieuorganisaties in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan het Ctgb als aan het College is toe te rekenen, zullen het Ctgb en de Staat ieder voor de helft in de proceskosten van de milieuorganisaties worden veroordeeld (€ 233,50).\n\n7.2. Het Ctgb hoeft de overige proceskosten niet te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt het Ctgb tot betaling aan de milieuorganisaties van een immateriële schadevergoeding van € 230,77;\n\n- veroordeelt de Staat tot betaling aan de milieuorganisaties van een immateriële schadevergoeding van € 1.269,23;\n\n- veroordeelt het Ctgb in de door de milieuorganisaties in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 233,50;\n\n- veroordeelt de Staat in de door de milieuorganisaties in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 233,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. C.T. Aalbers en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. J.H. de Wildt w.g. A.C. van Helvoort\n\nRichtlijn 2000\u002F60\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.\n\n Richtlijn 2013\u002F39\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000\u002F60\u002FEG en Richtlijn 2008\u002F105\u002FEG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:315","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:11.469Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":50,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"1606","ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","ecli-nl-rbobr-2026-4762",72,"RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F1562 OWNATU\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekers]\n\n ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nverzoekers\n\nen\n\nGedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant, het college\n\n(gemachtigde: S.J.S. van Gils en L.A.M. Kroon)\n\nAls derde-partij heeft deelgenomen: Stichting [naam] , vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Lagouw)\n\nSamenvatting\n\n1.1.. De derde-partij is voornemens wijkgebouw [adres] en verpleeghuis [naam] aan de [adres] in [woonplaats] te slopen om daar nieuwbouw te realiseren. In dat kader heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verrichten van flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet om de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren en om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleemuis (opzettelijk) te beschadigen of te vernielen, voor de periodes van 15 april tot en met 15 mei en 15 juli tot en met 15 augustus. Dit geldt vanaf de dag na de bekendingmaking van het besluit tot en met 15 mei 2031.\n\n1.2.. Met het besluit van 12 mei 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning met voorschriften aan de derde-partij verleend. Het college is – kort samengevat – van oordeel dat voor het doel van het project geen andere bevredigende oplossing is waarbij minder negatieve effecten op de beschermde soorten optreden en dat er een wettelijk belang is om de negatieve effecten te rechtvaardigen.\n\n1.3.. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit af. Er wordt wel een voorziening getroffen met betrekking tot de geplande werkzaamheden totdat de huidige verblijfplaatsen conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning ongeschikt zijn gemaakt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Vergunninghouder heeft op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2026 toegewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoekers. Verder waren aanwezig de gemachtigden van het college. Namens de derde-partij was aanwezig [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Ook waren aanwezig [naam] en [naam] , beide werkzaam als ecoloog..\n\nInleiding\n\n3.1.. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Vergunninghouder wil nieuwbouw realiseren aan de [adres] (wijkgebouw) en [adres] (verpleeghuis) te [woonplaats] (de locatie). In de nieuwbouw komt een zorglocatie, 18 driekamerappartementen en gesloten parkeergarage. De herontwikkeling vindt plaats in twee fases. In de eerste fase wordt het bestaande verpleeghuis [naam] gesloopt en worden het nieuwe zorgcentrum gerealiseerd. In de tweede fase wordt het bestaande wijkgebouw [naam] gesloopt en wordt gestart met de bouw van de huurappartementen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in het activiteitenplan, dat op 10 maart 2026 definitief is geworden.\n\n3.3.. Om te bepalen of met het project negatieve effecten optreden ten aanzien van de eventueel in het gebied voorkomende beschermde diersoorten heeft vergunninghouder ecologisch onderzoek laten uitvoeren en is gebleken dat de volgende verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de bebouwing aanwezig zijn:\n\n- 1 zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 potentiële (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.\n\nEen essentiële vliegroute voor vleermuizen is wel aanwezig, maar wordt niet aangetast zolang er geen additionele verlichting aanwezig zal zijn.\n\n3.4.. Om het bouwplan te realiseren, moet vergunninghouder de gewone dwergvleermuis verstoren en zijn voorplanting- en rustplaatsen vernielen. Dit is een overtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).3.5.. Om deze reden heeft vergunninghouder op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit.De ontheffing is gevraagd op grond van het belang “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” zoals genoemd in artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).\n\n3.6.. \n\nMet het besluit van 15 mei 2026 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend met voorschriften. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, maar zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van het soort. Maatregelen bestaan onder anderen uit dat het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot en met 15 mei of 15 juli tot en met 15 augustus. Ongeschikt maken mag uitsluitend plaatsvinden nadat een voorafgaande controle\n\ndoor een deskundige ecoloog heeft vastgesteld dat de verblijfplaatsen niet (meer) in\n\ngebruik zijn. Verder bestaan de maatregelen uit het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis en het werken buiten kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft hierbij niet bepaald dat het besluit vier weken later in werking treedt (en dus geen toepassing gegeven aan artikel 16.79, tweede lid van de Omgevingswet).\n\n3.7.. Verzoekers wonen op verschillende adressen aan [adres] en [adres] en hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4.1.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het wettelijk kader dat relevant is voor de beoordeling van dit geschil is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n4.2.. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit worden afgewezen. Er is wel aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de geplande stripwerkzaamheden voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.\n\nHebben verzoekers spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben bij een beoordeling door de voorzieningenrechter, nu vergunninghouder op korte termijn gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.\n\nZijn verzoekers belanghebbenden?\n\n6. Bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is bepalend of de handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval in dit geval de bouw van de zorglocatie en woningen - is bij die beoordeling niet van belang.\n\n6.1. In dit geval is de ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.\n\n6.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wet natuurbescherming-ontheffing kan worden afgeleid dat bij een afstand van meer dan 100 meter het niet aannemelijk is dat de ontheffing (nu de omgevingsvergunning) invloed zal hebben op de betreffende directe woon- en leefomgeving.Verzoekers wonen in dit geval echter op een afstand van minder dan 100 meter van de projectlocatie, waarbij de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 25 meter van de projectlocatie en ongeveer 45 meter van plaatsen waar vleermuizen verblijven. Gelet op de hiervoor genoemde afstanden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het gebruiken van de verleende omgevingsvergunning ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van verzoekers.Dat geldt in ieder geval voor verzoekers 3 en 5 die schuin tegenover de locatie wonen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter voor deze verzoekers zonder meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat in het midden kan blijven of de overige verzoekers een rechtstreeks betrokken belang hebben.\n\nHet verzoek\n\n7. Het verzoek strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen voor de beschermde fauna (de gewone dwergvleermuis). Volgens verzoekers start vergunninghouder ten onrechte op 6 juli 2026 met de sloopwerkzaamheden. Verzoekers hebben verzocht een voorziening te treffen die van kracht blijft totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak heeft gedaan in een lopende procedure over het bestemmingsplan.\n\nAanvang sloopwerkzaamheden op 6 juli 2026\n\n8. Vergunninghouder heeft aangegeven dat zij voornemens is om vanaf 6 juli 2026 te starten met werkzaamheden. Het zou gaan om stripwerkzaamheden die volgens haar geen invloed zouden hebben op de aanwezige beschermde soort (de gewone dwergvleermuizen) en daarom zijn toegestaan. Vanaf 15 juli 2026 (afhankelijk van weersomstandigheden maar niet eerder) gaat vergunninghouder beginnen met ongeschikt maken van de bebouwing voor de vleermuizen. Ook de stripwerkzaamheden zullen daarna naar alle waarschijnlijkheid nog plaatsvinden. Vanaf 17 augustus 2026 zal worden gestart met de sloopwerkzaamheden.\n\n8.1.. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het ongeschikt maken van de bebouwing voor vleermuizen voorafgaand aan de werkzaamheden moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot 15 mei of van 15 juli tot 15 augustus. Dit om te zorgen dat de vleermuizen weg zijn voordat aan de sloop van de bebouwing wordt begonnen. De sloopwerkzaamheden mogen pas plaatsvinden als na een controleronde is vastgesteld dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn en pas na expliciete toestemming van de ecoloog. In de voorschriften is ook bepaald dat alle werkzaamheden moeten plaatsvinden volgens het activiteitenplan dat aan de omgevingsvergunning is gehecht. Hierin is het volgende bepaald: “Voordat de bebouwing kan worden gesloopt, dient voorkomen te worden dat op moment van de werkzaamheden nog vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing. De bebouwing dient dan ook ongeschikt gemaakt te worden, waarbij de vleermuizen de mogelijkheid krijgen om uit zichzelf te vertrekken voordat de sloop plaatsvindt.” In voorschrift 1 is bepaald dat met werkzaamheden en\u002Fof activiteiten alle handelingen worden bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen.\n\n8.2. Tijdens de zitting is gebleken dat het hoogst waarschijnlijk is dat er nog vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de door vergunninghouder bedoelde stripwerkzaamheden werkzaamheden zijn die vallen binnen het bereik van de vergunning. Het zijn handelingen die invloed kunnen hebben op de vleermuizen. De voorzieningenrechter beschouwt stripwerkzaamheden als onderdeel van de sloopwerkzaamheden. Het verrichten van de stripwerkzaamheden voordat de vleermuisverblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, is dus een handeling in strijd met algemeen voorschrift 6 van de omgevingsvergunning. Het uitvoeren van de stripwerkzaamheden vanaf 6 juli 2026 vóór het ongeschikt maken van de stripwerkzaamheden is dus verboden op grond van artikel 5.5, eerste lid onder g, van de Omgevingswet. Het is ook een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, eerste lid in combinatie met artikel 6, eerste lid onder 1 van de Wet op de economische delicten.\n\n8.4. Het college geeft terecht aan dat dit een kwestie is van handhaving, en heeft ter zitting ook aangegeven dat steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Het college heeft niet aangegeven of de uitvoering van stripwerkzaamheden is toegestaan en lijkt dit te laten afhangen van de aard van de werkzaamheden tijdens de controles. Gelet op het voorgaande oordeel dat stripwerkzaamheden onderdeel zijn van de sloopwerkzaamheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning.\n\n8.5. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er op dat het uitvoeren van de werkzaamheden, in de wetenschap dat er hoogstwaarschijnlijk vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode, mede gelet op de te treffen voorlopige voorziening, wordt beschouwd als een overtreding van de specifieke zorgplicht in 11.27 eerste lid onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Nu hoogstwaarschijnlijk vleermuizen aanwezig zijn en de bebouwing op korte termijn ongeschikt wordt gemaakt voor vleermuizen, kan van vergunninghouder redelijkerwijze worden verwacht dat zij voor die tijd geen werkzaamheden uitvoert teneinde verstoring van de vleermuizen te voorkomen. Mocht een vleermuis als gevolg van verstoring door deze werkzaamheden overlijden, is sprake van een overtreding van artikel 11.46 eerste lid onder a, van het Bal omdat vergunninghouder dan willens en wetens de niet te verwaarlozen kans aanvaardt dat een beschermd dier wordt gedood .Dan is sprake van zogenoemde voorwaardelijke opzet.Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook werkzaamheden aan een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op de aanwezige vleermuizen en\u002Fof hun verblijfplaats.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n9. Dan resteert de vraag of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen.\n\nToetsingskader\n\n10. De verleende omgevingsvergunning moet worden beoordeeld op grond van artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de daarin genoemde voorwaarden, die voor zover hier van belang luiden:\n\n- er bestaat geen andere bevredigende oplossing;\n\n- op grond van het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieuwezenlijke gunstige effecten;\n\n- de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.\n\nDwingende redenen van groot openbaar belang\n\n11. Volgens verzoekers kan de omgevingsvergunning niet worden verleend op grond van \"dwingende redenen van groot openbaar belang\". Het maatschappelijke argument van ‘wijkintegratie’ en de realisatie van een gecombineerde multifunctionele accommodatie (MFA) wordt op oneigenlijke wijze als een deken over het ene project wordt gelegd. Zij wijzen erop dat de specifieke kwetsbare doelgroep in het verzorgingstehuis geenszins zelfstandig zal of kan participeren in het openbare wijkleven of de geplande MFA. Voor zover de nieuwbouw daarnaast voorziet in reguliere huisvesting (zoals in de woontoren), geldt dat voor die bewoners geen sprake is van een specifieke, dwingende zorgbehoefte die de aantasting van beschermde fauna rechtvaardigt.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de huidige gebouw niet voldoet aan de (psychiatrische) ondersteuningsbehoefte van haar huidige bewoners. Zij zijn daarom op een andere locatie ondergebracht, maar kunnen hier niet blijven. Door het realiseren van een multifunctionele accommodatie met onder andere een gezamenlijke buurthuiskamer, waar ook zowel bewoners van de wijk als bewoners van de zorglocatie kunnen komen, verbetert de wijkintegratie. Ten slotte wordt ook het belang van woningbouw vermeld ter onderbouwing van het wettelijk belang. Er wordt verwezen naar de woningopgave van de gemeente Oss. Het betreft hier sociale huurwoningen waar in de gemeente Oss grote vraag naar is. Dit project draagt ook weer bij om aan de woningopgave te voldoen.\n\n11.2. Vergunninghouder wijst erop dat het vaste rechtspraak is dat woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang op een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Uit de Woonagenda 2025-2207 volgt dat de gemeente Oss tot 2024 10.000 extra woningen wil bouwen. Op grond van de Regionale Woondeal zal Oss in de periode tot 2023 5217 sociale huurwoningen moeten bouwen. Het staat niet ter discussie dat er een dringende behoefte bestaat aan sociale huurwoningen.\n\n11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in de behoefte aan een zorglocatie en woningen, een dwingende reden van groot openbaar belang heeft mogen zien. Het college heeft voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan een zorglocatie voor zware zorg in de regio omdat de huidige bewoners uit noodzaak elders zijn ondergebracht, maar daar niet kunnen blijven. Doordat de nieuwbouw vertraging heeft opgelopen neemt de wachtlijst en de urgentie toe. Ook is er lokale behoefte aan woningbouw. Het college heeft daarbij gewezen op de woningopgave in de regio Oss van 600 woningen per jaar. De 18 te realiseren appartementen kunnen daaraan bijdragen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen en ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nAndere bevredigende oplossing\n\n12. Verzoekers voeren aan dat ten onrechte het alternatief dat door verzoekers op 20 juni 2025 is aangedragen, na een quickscan is afgewezen omdat het niet past binnen de intern gestelde financiële kaders. Nadere uitwerking leert dat een alternatief wel haalbaar is en de volledige sloop overbodig maakt en meer zorgwoningen oplevert.\n\n12.1.. Het college heeft gesteld dat verzoekers het door hen voorgedragen alternatief niet nader hebben onderbouwd. Het kan daardoor niet reageren op de vraag of dit een redelijk alternatief zou zijn voor de uitvoering van het project. De vraag of er alternatieven beschikbaar zijn kan door het college alleen worden betrokken wanneer het doel van het project ook bereikt zou kunnen worden op een manier die tot minder effecten zou leiden voor de aanwezige flora en fauna. Het doel van dit project is het realiseren van 18 driekamerappartementen, een gesloten parkeergarage en een zorglocatie. Uit nader onderzoek, niet enkel uit de QuickScan, is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Ten slotte zou ook bij renovatie de spouwmuur verloren gaan, hetgeen leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\n12.2. Vergunninghouder wijst erop dat het door verzoekers voorgestelde alternatief qua uitgangspunten een geheel ander bouwplan betreft en dus geen alternatief bevat voor haar wensen, die van BrabantZorg en de gemeente. Uit hoofdstuk 3 van de presentatie van verzoekers \"Voorstel van een alternatief ontwerp\" blijken de verschillen. Het programma van verzoekers behelst 74 zorgappartementen, terwijl het programma van vergunninghouder 48 zorgappartementen, 18 woningen en een MFA. Nu het niet om hetzelfde bouwplan gaat, is het ook geen alternatief.\n\n12.3.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit heeft mogen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing is voor het project, die minder effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Het college heeft toegelicht dat uit nader onderzoek is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat bij renovatie de spouwmuren ook verloren gaan en dat leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\nGunstige staat van instandhouding\n\n13. Verzoekers stellen dat de voorgestelde mitigerende maatregelen niet effectief zijn, omdat verzuimd zou zijn om de toekomstige fysieke gebruikssituatie te betrekken. De beoogde locaties voor de permanente voorzieningen zullen zich namelijk in de nabijheid zullen bevinden van installaties zoals warmtepompen- en luchtbehandelingskasten.\n\n13.1. Het college heeft gesteld dat verzoeker verwijst naar de permanente inbouwvoorzieningen die pas tijdens de nieuwbouw worden geplaatst. Het college merkt op dat deze grond daarom niet spoedeisend is, aangezien de permanente voorzieningen niet op korte termijn worden geplaatst. Ten overvloede overweegt het college dat de exacte locaties van de inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en de kraamverblijfplaats nog moeten worden afgestemd met de initiatiefnemer in verband met de nieuwbouw. Alleen voor de massawinterverblijfplaats is de exacte locatie al bekend. Met de opsomming van eigenschappen en maatregelen ten aanzien van de permanente voorzieningen opgenomen op pagina 11 van de verleende omgevingsvergunning wordt de effectiviteit van de voorzieningen gewaarborgd.\n\n13.2. Vergunninghouder heeft daaraan toegevoegd dat vleermuizen veel geluiden niet waarnemen. Als er al enig geluid waarneembaar (voor mensen) zou zijn op de locaties van de permanente nestkasten, dan betekent dat dus niet dat die geluiden ook voor vleermuizen waarneembaar zouden zijn, laat staat dat dat zou betekenen dat deze geluiden tot verstoring zou leiden. Het is vergunninghouder op dit moment niet duidelijk óf en zo ja hoeveel trillingen de installaties veroorzaken. Hij gaat dit onderzoeken en zal zo nodig de locaties van de permanente voorzieningen hierop afstemmen.\n\n13.3. De voorzieningenrechter overweegt dat met de beschrijving van de eigenschappen en maatregelen en de in de voorschriften vervatte verplichting tijdelijke en permanente voorzieningen te treffen, in het bestreden besluit voldoende is geborgd dat er voldoende alternatieve verblijfsmogelijkheden in de directe omgeving behouden blijven tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Mede in combinatie met het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode, heeft het college voldoende bewerkstelligt dat door deze maatregelen en verplichtingen de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt.\n\n13.4.. Bij de volledige heroverweging in bezwaar moet nog wel meer concreet worden geborgd waar precies de exacte locaties van de permanente inbouwvoorzieningen van de vier inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en twee inbouwkasten voor de kraamverblijfplaats geplaatst moeten worden. De enkele verplichting om de locatie af te stemmen met vergunninghouder in verband met de nieuwbouw is onvoldoende. De voorzieningenrechter beschouwt de permanente voorzieningen als een mitigerende maatregel en dat de locaties van deze inbouwkasten ten tijde van de besluitvorming bepaald hadden moeten zijn. De voordelige effecten van de maatregel moeten bij mitigerende maatregelen namelijk op voorhand vaststaan. Zolang er onduidelijkheid blijft bestaan waar deze inbouwkasten worden gerealiseerd, staat niet vast dat met deze mitigerende maatregelen voldoende is geborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om het besluit te schorsen omdat de nieuwbouw niet op korte termijn gerealiseerd zal zijn en het college dit nog in bezwaar kan herstellen.\n\nOnderzoeken niet uitgevoerd conform het protocol\n\n14. Verzoekers voeren aan dat de brondata uit het Activiteitenplan fundamentele protocolfouten aantonen. Verzoekers geven hierbij aan dat in de nacht van 18 op 19 augustus 2025 opeenvolgende onderzoeksronden binnen één etmaal zijn samengepropt in plaats van 10 dagen tussentijd. Verzoekers verwijzen naar de reactie van de eigen onafhankelijke deskundige van de initiatiefnemer (Twisk) waarin schriftelijk wordt bevestigd dat deze najaarsronden niet voldoen aan de richtlijn van het vleermuisprotocol.\n\n14.1. Het college stelt dat verzoekers verwijzen naar processtuk 10, de aanvullingen van 24 april 2026. Hierin is het volgende opgenomen: “De genoemde bezoeken op 7 en 19 augustus voldoen aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol ten aanzien van onderzoek naar massa-winterverblijven, maar werd in het plangebied geen zwermgedrag waargenomen. Bij de bezoeken op 18 augustus en 8 september werd vroeger gestart en werd rond middernacht (18augustus) af een uur ervoor (8 september) gestopt, waarmee deze ronden niet voldoen aan de richtlijn in het Vleermuisprotocol voor massa-winterverblijven. Uit een vergelijking met de hiervoor beschreven informatie over zwermgedrag bij bekende massa winterverblijven kan echter geconcludeerd worden dat ook op 18 augustus de kans groot was dat zwermende gewone dwergvleermuizen zouden zijn waargenomen als er een massa winterverblijfplaats aanwezig was. Dat er alleen op 18 augustus, bijna anderhalf uur voor middernacht, vijf zwermende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen, en niet tijdens de overige drie bezoeken die zijn uitgevoerd, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat in de gebouwen aan de [adres] in [woonplaats] een massa-winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is.” Deze afwijking waar verzoekers naar verwijzen gaat enkel over de potentiële massawinterverblijfplaats. In het bestreden besluit is hierover opgenomen dat er in de nazomerzwermperiode 5 gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen. Deze vleermuizen keerden regelmatig terug rondom de kozijnen van één van de raampartijen aan de westzijde van het (voormalig) verpleeghuis, wat erop wijst dat de verblijfplaats zich ergens langs de kozijnen bevindt. Deze waarneming heeft plaatsgevonden om 22:33 uur. Gelet op het tijdstip, aantal individuen en de periode in het jaar, kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats een massawinterverblijfplaats betreft. Daarom wordt deze als zodanig beschouwd. De afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.\n\n14.2. Vergunninghouder merkt op dat haar deskundige (Twisk) in zijn rapport 'Beoordeling verblijfplaats gewone dwergvleermuis, [adres] , [woonplaats] ' concludeert dat er geen massawinterverblijfplaats aanwezig is. Hij stelt dat de twee door Sweco uitgevoerd bezoeken op 7 en 19 augustus aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol voldoen. Dat is ook voldoende. De andere twee uitgevoerde rondes hadden een ander doel, namelijk het waarnemen van paar- en baltsgedrag. Deze hoeven dus ook niet volgens het massawinterprotocol uitgevoerd te worden.\n\n14.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken. Weliswaar heeft Het collefge toegelicht dat sprake is van afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen en die voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Verder is in het activiteitenplan van 15 september 2025 inderdaad een fout geslopen. Er staat 15 juli 2025 in de voetteksten, maar dat had de datum van 15 september 2025 moeten zijn. Dat maakt niet dat de gehele besluitvorming onzorgvuldig is en dat de omgevingsvergunning daarom niet verleend had mogen worden. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nTransportroute en volksgezondheid\n\n15 Verzoekers stellen dat de route van de vrachtwagen in de sloopmelding anders loopt dan de route die is opgenomen in rapporten van de Aeriusberekeningen. Nu de vergunning expliciet eist dat verstoring van de fauna te allen tijde moet worden voorkomen, dwingt deze gewijzigde rijroute tot een hernieuwde ecologische beoordeling. De totale sloop van de huidige bebouwing vormt bovendien een acute bedreiging voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna.\n\n15.1. Het college stelt dat de AERIUS-berekeningen geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit. Deze procedure heeft geen betrekking op een Natura 2000-activiteit. Het college wijst erop dat het in de procedurele overwegingen van het besluit hebben overwogen dat er een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving van toepassing kan zijn. Verzoekers hebben verder niet aangevoerd hoe de gekozen transportroute een zware belasting vormt qua trillingen en geluid.\n\n15.2.. Vergunninghouder merkt hierover op dat de vrachtwagens de route zullen rijden zoals aangegeven in de sloopmelding. Op het moment dat de vrachtwagen van de sloop gaan rijden, zullen de vleermuizen zich niet meer in de te slopen gebouwen bevinden vanwege de ontmoedigingsmaatregelen. Er zijn voor deze periode tijdelijke voorzieningen aangebracht op de woningen. Slechts een deel van de locaties van de tijdelijke voorzieningen ligt langs de aanvoerroute van de vrachtwagen. Dit is bovendien op redelijke grote afstand. Bovendien zal het zware verkeer als gevolg van de sloop geen significant effect hebben ten opzichte van het reeds bestaande zware verkeer op de verschillende omliggende straten.\n\n15.3.. Het bestreden besluit ziet niet op de stikstofemissies vanwege transport. Tijdens de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de verblijfplaatsen niet dicht in de buurt bij de transportroute zitten. Het college heeft dit gesteld en eisers hebben het niet weersproken. De voorzieningenrechter acht het op grond daarvan onvoldoende aannemelijk dat de transportroute zal leiden tot verstoring.\n\n15.4.. Verzoekers maken zich zorgen vanwege de stofoverlast door de sloop van de huidige bebouwing die een acute bedreiging zou vormen voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna. Vergunninghouder mag op grond van voorschrift 1 van de verleende omgevingsvergunning geen werkzaamheden uitvoeren die invloed hebben op een beschermde soort. Daarmee is voldoende geborgd dat de transporten een acute dreiging kunnen vormen voor de lokale (beschermde) fauna. De volksgezondheid is niet een belang dat het college bij deze besluitvorming heeft hoeven te betrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Teneinde iedere verwarring omtrent de stripwerkzaamheden weg te nemen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen en ziet hij hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen en wijst hij het verzoek voor het overige af.\n\n17 Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen moet het college de door verzoekers betaalde griffierechten vergoeden. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nverbiedt bij wijze van voorlopige voorziening expliciet dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H. M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 5.1. tweede lid van de Omgevingswet\n\n2Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na.een bouwactiviteit,\n\nb.een milieubelastende activiteit,\n\nc.een lozingsactiviteit op:\n\n1°.een oppervlaktewaterlichaam,\n\n2°.een zuiveringtechnisch werk,\n\nd.een wateronttrekkingsactiviteit,\n\ne.een mijnbouwlocatieactiviteit,\n\nf.een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:\n\n1°.een weg,\n\n2°.een waterstaatswerk,\n\n3°.een luchthaven,\n\n4°.een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,\n\n5°.een installatie in een waterstaatswerk,\n\ng.een flora- en fauna-activiteit,\n\nvoor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 11.27 Bal\n\n1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:\n\na.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;\n\nb.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en\n\nc.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\n2. voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:\n\na.voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:\n\n1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;\n\n2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;\n\n3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en\n\n4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;\n\nb.als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nc.als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nd.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;\n\ne.tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en\n\nf. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.\n\n3 Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.\n\nArtikel 11.46 Bal\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:\n\na. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn,bijlage IIbij het verdrag van Bern ofbijlage Ibij het verdrag van Bonn;\n\nb. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;\n\nc. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;\n\nd. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en\n\ne. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn ofbijlage Ibij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.\n\nArtikel 8.74k Besluit kwaliteit leefomgeving\n\n1Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid,11.47, eerste lid, of11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:\n\na.er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;\n\nb.de activiteit nodig is:\n\n1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;\n\n2°.voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;\n\n3°.in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;\n\n4°.voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of\n\n5°.om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en\n\nc.de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.\n\n2Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld inartikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgevingtot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.\n\n3Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.\n\n Artikel 5.1. tweede lid onder g van de Omgevingswet\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n voorschrift 1 van de vergunning\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","2026-07-13T00:29:29.306Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"1041","ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","ecli-nl-rbmne-2026-3907",63,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 26\u002F3070 en 26\u002F2165-T\n\ntussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [eiser sub 1]\n\n [eiser sub 2]\n\n [eiser sub 3]\n\n [eiser sub 4]\n\n [eiser sub 5] ,\n\n [eiser sub 6] B.V.\n\neisers, allen uit [woonplaats]\n\n(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer),\n\nenhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E. Kovacsek).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder).\n\nInleiding\n\n1. Vergunninghouder heeft op 9 juli 2024 een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen van 30 woonunits voor de huisvesting van arbeidsmigranten aan de [adres] in [plaats] aangevraagd. Het college heeft de omgevingsvergunning op 2 oktober 2024 verleend (het primaire besluit I). Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt, omdat zij vrezen dat zij door de woonunits in hun agrarische bedrijfsvoering, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, worden belemmerd.\n\n2. Met het besluit op bezwaar van 4 juni 2025, dat is uitgereikt op 6 februari 2026 (hierna het bestreden besluit I), heeft het college het primaire besluit in stand gelaten onder verbetering van de motivering. Omdat twee units op minder dan 50 meter afstand van de agrarische percelen zijn gelegen, zoals is gebleken bij een grensreconstructie van het Kadaster, is het primaire besluit I aangepast met een nieuwe situatietekening. Op die tekening staat bij de twee betreffende units het woord ‘opslag’. Het gewijzigde primaire besluit (het primaire besluit II) is genomen op 5 januari 2026.\n\n3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit I en hebben daartegen beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat het bestreden besluit I volgens hen evident onrechtmatig is.\n\n4. Naar aanleiding van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening heeft het college het bestreden besluit I aangevuld met het besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit II). Met het bestreden besluit II zijn twee voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden en is het primaire besluit II ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eisers van rechtswege mede tegen het bestreden besluit II gericht.\n\n5. Op 9 juni 2026 hebben eisers de rechtbank bericht dat het bestreden besluit II geen aanleiding geeft om het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser sub 2] , [eiser sub 1] , de gemachtigde van eiser, vergezeld door mr. M. de Boer, en de gemachtigde van het college. Vergunninghouder is niet op de zitting verschenen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n7. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\n8. De voorzieningenrechter beoordeelt de bestreden besluiten I en II aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Op de zitting hebben eisers hun beroepsgrond dat hen de mogelijkheid is ontnomen om zich uit te laten over de vraag of de wijziging die met het primaire besluit II is doorgevoerd aangemerkt kan worden als een ondergeschikte wijziging, doordat dit besluit niet aan hen kenbaar is gemaakt, ingetrokken. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet zal beoordelen of sprake is geweest van een ondergeschikte wijziging van de aanvraag.\n\n9. De voorzieningenrechter zal hierna eerst het wettelijk kader, dan het bestreden vergunningvoorschrift in het bestreden besluit II en daarna alle overige beroepsgronden bespreken.\n\nHet wettelijk kader\n\n10. Partijen zijn het erover eens, en de voorzieningenrechter stelt ook vast, dat de bouw van de woonunits in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dronten (D4000)’ dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan en waarin het perceel de bestemming ‘Maatschappelijk-Zorgboerderij’ heeft.\n\n11. De voorzieningenrechter stelt bij haar beoordeling van de omgevingsvergunning voorop dat, omdat de omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, het college deze alleen kan verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom niet zelf of de verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eisers of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht.\n\n12. Het college heeft voor het bouwplan ook een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit aan vergunninghouder verleend, maar daartegen zijn de beroepsgronden niet gericht. De beroepsgronden zijn uitsluitend gericht tegen de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.\n\nHet beroep tegen het voorschrift in het bestreden besluit II\n\n13. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning evident in strijd is met de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over spuitvrije zones tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt (spuitzonering). Met het vergunningvoorschrift dat het gebruik van units 1 en 16 voor langdurig verblijf van mensen niet is toegestaan (waaronder in elk geval, doch niet uitsluitend, het gebruik voor de huisvesting van arbeidsmigranten wordt begrepen) is volgens eisers onvoldoende ondervangen dat niet wordt verbleven in de spuitzone. De units blijven gevoelige objecten, voorzien van een keuken, badkamer, slaapkamer en woonkamer, waarvoor een minimale afstand van 50 meter tot agrarische gronden in acht moet worden genomen. Omdat dit niet het geval is, had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, niet onredelijk wordt geacht.Het college heeft in de bezwaarfase onderkent dat units 1 en 16 zich binnen de spuitzones van de aangrenzende agrarische percelen van eisers bevinden. Om die reden heeft het college het primaire besluit II genomen, waarmee een gewijzigde tekening aan de omgevingsvergunning is toegevoegd. Op die tekening is bij units 1 en 16 het woord ‘opslag’ vermeld, zodat het niet is toegestaan dat deze units gebruikt worden voor het verblijf van personen. Bij nader inzien vond het college de keuze voor een tweede primaire besluit minder wenselijk, omdat dit besluit inhoudelijk een reactie is op het ingestelde bezwaar van eisers, maar geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit I. Daarom heeft het college het primaire besluit II weer ingetrokken en alsnog met het bestreden besluit II het in rechtsoverweging 13 genoemde voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Het bestreden besluit II maakt wel, zoals eerder vermeld, op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege onderdeel uit van de onderhavige beroepsprocedure tegen het bestreden besluit I.\n\n15. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, heeft het college bij de formulering van het vergunningvoorschrift gepoogd om aan te sluiten bij de definitie van een gevoelig object, zoals is ontwikkeld in de rechtspraak van de Afdeling. Een (spuit)gevoelig object wordt in de rechtspraak van de Afdeling gedefinieerd als een object waar mensen langdurig verblijven.De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het alsnog aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift onvoldoende duidelijk is wat wordt verstaan onder een ‘langdurig verblijf’ van mensen. Uit het voorschrift zelf blijkt niet welke maximale verblijfsduur daaronder wordt geschaard. Gelet hierop is het voorschrift onvoldoende concreet. Dit leidt tot onduidelijkheden voor de naleving en handhaafbaarheid. Bovendien zullen er ook met het verbinden van een geconcretiseerd voorschrift twee units aanwezig zijn die onverminderd geschikt blijven voor het gebruik dat binnen de spuitzone onaanvaardbaar is. Het bestreden besluit II bevat op dit punt een gebrek.\n\nHet beroep tegen het bestreden besluit I\n\n16. Eisers voeren aan dat het college de omgevingsvergunning om drie redenen had moeten weigeren: er is gebouwd buiten het bouwvlak, de aanvraag voldoet niet aan de voorwaarden in het afwijkingenbeleid en de tuinaanleg bij de units valt (gedeeltelijk) binnen de spuitzone.\n\nWoonunits buiten het bouwvlak\n\n17. Eisers voeren aan dat de woonunits inmiddels al zijn gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en zich bevinden buiten het bouwvlak (specifieke bouwaanduiding- bebouwing) zoals dat op de plankaart van het bestemmingsplan met een stippellijn is weergegeven. Dat blijkt volgens eisers uit de gegevens afkomstig van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De overschrijding van het bouwvlak is volgens eisers ten onrechte niet betrokken bij het bestreden besluit I. Bovendien was ten tijde van het nemen van dat besluit al bekend dat de ingediende tekening bij de vergunningaanvraag onjuist was, omdat in ieder geval twee units zich binnen de spuitzone bevonden. Het college had in bezwaar niet alleen onderzoek moeten doen naar units 1 en 16, maar ook naar de plaatsing van de reeds gerealiseerde units buiten het bouwvlak. Omdat in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd buiten het bouwvlak, had het college de omgevingsvergunning volgens eisers moeten weigeren.\n\n18. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college moet beslissen op de aanvraag, zoals die door de aanvrager is ingediend. De aanvraag heeft geen betrekking op bouwen buiten het bouwvlak. Dat de woonunits inmiddels al in afwijking van de verleende omgevingsvergunning buiten het bouwvlak zijn gerealiseerd, zoals ook door het college op de zitting is bevestigd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een handhavingskwestie. Omdat op het college een beginselplicht tot handhaving rust, is het aan het college om te onderzoeken of er een concreet zicht op legalisatie bestaat en zo niet om tot handhaving over te gaan. Kortom, de afwijkende plaatsing van de units is geen grond voor weigering van de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nToetsing aan afwijkingenbeleid: participatie en aantal personen per slaapvertrek\n\n19. Eisers voeren aan dat het college het eigen beleid willekeurig toepast. Zo wijkt het college af van het beleid dat elke arbeidsmigrant in beginsel zijn eigen kamer heeft (dit beleid is gebaseerd op de zogenoemde Roemer-norm). Het beleid is volgens eisers opgesteld om aanvaardbare woon- en leefomstandigheden voor arbeidsmigranten te waarborgen, maar ook om overlast voor omwonenden te voorkomen. Uit het vergunde aantal personen blijkt dat het college uitgaat van een maximale bezetting, dus van twee personen per kamer in plaats van de Roemer-norm. Met de stelling van het college dat participatie op grond van de Omgevingswet geen weigeringsgrond is, gaat het college volgens eisers ook voorbij aan de participatieverplichting die voortvloeit uit het eigen beleid. In dit kader verwijzen eisers naar de op 10 september 2025 geweigerde omgevingsvergunning voor vijftien extra units op het perceel. Volgens eisers was die aanvraag geweigerd vanwege strijdigheden met het gemeentelijk beleid, wat volgens eisers ook nu het geval is.\n\n20. De aanvraag is door het college getoetst aan het Afwijkingenbeleid 2024 van de gemeente Dronten (het afwijkingenbeleid). Het afwijkingenbeleid schrijft voor dat de minimale gebruiksoppervlakte voor wonen conform de NEN 2580, 15 m2 per persoon bedraagt, waarvan minimaal 5,5 m2 per slaapvertrek. Uitgangspunt is één persoon per slaapvertrek. Als de arbeidsmigranten dit wensen zijn tweepersoonsslaapvertrekken toegelaten.In tegenstelling tot wat het college stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze norm ook strekt ter bescherming van het woonklimaat van omwonenden zodat zij zich op deze norm kunnen beroepen. Zoals uit de formulering blijkt is echter sprake van een beleidsmatig uitgangspunt en geen harde norm. De voorzieningenrechter kan het college volgen in zijn standpunt dat het aan de arbeidsmigranten zelf is om te beslissen of zij een unit alleen of samen (met bijvoorbeeld een partner) willen huren. Het college zou te veel ingrijpen in de financiële en relationele sfeer van de arbeidsmigranten door in de vergunning een harde eis van één persoon per slaapvertrek te stellen.\n\n21. Verder overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De Omgevingswet schrijft geen verplichte participatie voor. De aanvrager van een omgevingsvergunning is enkel verplicht om te motiveren of aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn.Tijdens de zitting heeft het college bevestigd dat de gemeenteraad geen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten heeft aangewezen op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet, op grond waarvan het bieden van participatiemogelijkheden verplicht is voordat een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend. Dat in het verleden een vergelijkbare vergunning zou zijn geweigerd onder verwijzing naar het gemeentelijk beleid ligt, wat daar ook van zij, in deze procedure niet ter beoordeling voor. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSpuitzone en de tuinaanleg\n\n22. Eisers voeren aan dat ook aan de oostzijde van het perceel sprake is van een overschrijding van de spuitvrije zone, daar waar er een tuin staat weergegeven op de plattegronden bij de omgevingsvergunning. Eisers stellen zich op het standpunt dat deze tuin vrij gebruikt zal gaan worden door de bewoners van de units en zij dan dus verblijven binnen de spuitzone met het risico dat zij blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen. De stelling van het college in het bestreden besluit dat dit gedeelte binnen de spuitzone als parkeerruimte is ingetekend, is feitelijk onjuist. Op de inrichtingstekening is een tuin gesitueerd direct aangrenzend aan de woonunits welke voor een groot oppervlakte doorloopt tot binnen de spuitzone. Ook om deze reden had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n23. Uit de inrichtingstekening bij de aanvraag maakt de voorzieningenrechter op dat de gronden bij de woonunits worden ingericht als een tuin. Op tekening is de aanduiding ‘groene ontwikkeling’ vermeld en is onder meer voorzien in een grasveld en een haag. Dit grasveld is volgens eisers gelegen binnen 50 meter tot de perceelsgrens en bevindt zich dus gedeeltelijk binnen de spuitzone. Het college betwist dat niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen is een tuin bij een woning een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie.Omdat de woonunits relatief klein zijn acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de bewoners vanaf het voorjaar tot het najaar regelmatig gebruik zullen maken van de tuin. Zij zullen geregeld buiten zitten om bijvoorbeeld te recreëren en te eten. Het is precies de periode waarin agrariërs gewasbeschermingsmiddelen op hun gewassen toepassen en waarin het, gelet op mogelijke gezondheidsrisico’s, van belang is dat er geen gevoelige functies binnen de spuitzone zijn. Omdat het bouwplan in zoverre een gevoelige functie mogelijk maakt op een kortere afstand dan 50 meter van gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, bevat het bestreden besluit I een gebrek.\n\nTussenuitspraak\n\n24. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen zijn er twee gebreken in de besluitvorming. Het ene gebrek is dat de units 1 en 16 zich bevinden binnen de spuitzone en niet als zodanig vergund hadden mogen worden. De poging van het college om dit te ondervangen met het voorschrift dat deze units niet gebruikt mogen worden voor langdurig verblijf is te onbepaald. Het andere gebrek is dat de vergunning er in voorziet dat gronden binnen de spuitzone zullen worden ingericht als tuin, zonder dat met een zichtbare afscheiding in de vorm van een hek of haag wordt voorkomen dat personen daarbinnen gaan verblijven. Om de gebreken te kunnen herstellen zal het college met inachtneming van de hierboven opgenomen overwegingen een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Daarbij zal de verleende omgevingsvergunning, zo mogelijk op basis van een gewijzigde tekening bij de aanvraag, moeten worden gewijzigd. Daarbij zullen de units 1 en 16 moeten komen te vervallen of zodanig moeten worden aangepast dat deze ruimten (zoals aanvankelijk met het primaire besluit II bedacht) alleen gebruikt kunnen worden voor bijvoorbeeld opslag en niet voor het verblijf van personen geschikt zijn. Ook zal een gewijzigde inrichtingstekening bij de omgevingsvergunning gevoegd moeten worden op basis waarvan de tuinaanleg bij de units zodanig wordt gewijzigd dat met een adequate afbakening in de vorm van bijvoorbeeld een hekwerk of haag vermeden wordt dat de gronden binnen de spuitzone gebruikt worden voor het verblijf van personen.\n\n25. Het college moet (in overleg met vergunninghouder) zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen. Als het college gebruik heeft gemaakt van de herstelmogelijkheid, zal de voorzieningenrechter verzoekers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n26. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.\n\n27. De voorzieningenrechter houdt in de beroepszaak iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op dit beroep. Dat laatste betekent ook dat hij over de proceskosten in bezwaar en beroep nu nog geen beslissing neemt.\n\nVoorlopige voorziening\n\n28. Omdat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de bestreden besluiten gebreken kleven gaat hij over tot beoordeling van de vraag of het noodzakelijk is om een voorlopige voorziening te treffen. Hiertoe weegt hij de belangen van de verschillende partijen bij het treffen van een voorlopige voorziening.\n\n29. Uit de beoordeling van het beroep volgt dat de besluitvorming van het college gebreken vertoont, maar ook dat dat die gebreken gelet op de aard ervan herstelbaar kunnen zijn. Hoewel de gebreken nog hersteld kunnen worden, zal de voorzieningenrechter een voorziening treffen. De voorzieningenrechter sluit namelijk niet uit dat de nieuwe besluitvorming door het college ertoe kan leiden dat de omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd. Verder is het, zoals na iedere tussenuitspraak, niet zeker dat de gebreken door het college hersteld worden. Daar komt bij dat vergunninghouder niet op de zitting is verschenen en ook niet schriftelijk heeft gereageerd, zodat onbekend is in hoeverre hij tot de nodige aanpassingen bereid is. Gelet op deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning schorsen voor zover het betreft de units 1 en 16 en de tuinaanleg binnen de spuitzone. Met het oog op de ingebruikneming van de overige units zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat een (voorlopige) afscheiding aanwezig is, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen. Deze voorlopige voorziening vervalt automatisch als er einduitspraak wordt gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\ndraagt het college op binnen twee weken aan de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen;\n\nstelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\nhoudt iedere verdere beslissing in de bodemzaak aan;\n\nschorst bij wijze van een voorlopige voorziening de omgevingsvergunning van 2 oktober 2024 voor zover deze ziet op:\n\n1. units 1 en 16;\n\n2. het inrichten van de gronden binnen de spuitzone als tuinaanleg.\n\n- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat zodra de andere vergunde units in gebruik zijn, een zichtbare afscheiding is aangebracht, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nDe griffier is verhinderd om de\n\nuitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\nTegen deze tussenuitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Op grond van artikel 8:86 van de Awb.\n\n Artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407, rechtsoverweging 12.2.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1973, rechtsoverweging 9.1.\n\n Artikel 8.1, vijfde lid, van het afwijkingenbeleid.\n\n Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling en artikel 16.55 lid 6 van de Omgevingswet.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4133, rechtsoverweging 10.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.821Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":51,"updatedAt":78},"662","ECLI:NL:GHSHE:2026:1742","ecli-nl-ghshe-2026-1742","2026-06-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-003319-24\n\nUitspraak : 26 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 13 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 96-315596-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van\n\n€ 420,00, subsidiair 8 dagen hechtenis.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00 met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de afdoening heeft de verdediging primair verzocht dat het hof toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair dat het hof zal volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nHet hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen (cursief weergegeven) in die zin dat de tenlastelegging komt te luiden dat:\n\nzij op of omstreeks 12 mei 2023 te Deurne op of in de omgeving van [straatnaam] zich van afvalstoffen, te wetenhout en\u002Fof plastic en\u002Fof papier en\u002Fof zilverfolie en\u002Fof metalen kabeltjes, althans een of meer afvalstoffen, heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nzij op 12 mei 2023 te Deurne op of in de omgeving van [straatnaam] zich van afvalstoffen, te weten plastic en papier en metalen kabeltjes heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nIn het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de\n\nfeiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat het proces-verbaal milieu d.d. 8 juni 2023 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is opgemaakt en ondertekend, maar dat uit de inhoud van het proces-verbaal volgt dat er niets door verbalisant [verbalisant 2] wordt geconstateerd en er enkel waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zijn weergegeven. Derhalve is er sprake van waarnemingen van één verbalisant en kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat er is verbrand, nu het mogelijk is dat de verbalisant zich heeft vergist en er afvalstoffen zijn waargenomen van een eerder stookmoment. In het dossier zijn bovendien geen duidelijke foto’s aanwezig, dan wel een duidelijke omschrijving van hetgeen is waargenomen in de oven\u002Fbarbecue, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt hieromtrent het navolgende.\n\nVoorafgaand aan de inhoud van het proces-verbaal milieu d.d. 8 juni 2023 is opgenomen ‘Wij verbalisanten, [verbalisant 1] , hoofdagent, Basisteam Peelland, Politie Brabant Zuid-Oost, [verbalisant 2] , hoofdagent, Basisteam Peelland, Politie Brabant Zuid-Oost, verklaren het volgende’ en het proces-verbaal is vervolgens op 8 juni 2023 op ambtsbelofte opgemaakt, gesloten en ondertekend door beide verbalisanten. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat verbalisant [verbalisant 2] zich – zoals het pleidooi van de verdediging ten aanzien van (de vorm van) het proces-verbaal zou impliceren – heeft gedistantieerd van hetgeen in het proces-verbaal is gerelateerd. Hoewel in het proces-verbaal schijnbaar enkel waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zijn weergegeven en deze bovendien in de eerste persoon enkelvoud zijn geschreven, begrijpt het hof het proces-verbaal zo dat deze waarnemingen overeenstemmen met die van de medeondertekenaar van dit proces-verbaal. Evenmin in het gegeven dat in het dossier geen gedetailleerde foto’s dan wel een meer gedetailleerde omschrijving aanwezig is van hetgeen is waargenomen, ziet het hof een reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de waarnemingen waarover door beide verbalisanten op ambtsbelofte in hun proces-verbaal is gerelateerd en gaat het hof dan ook uit van de juistheid van hetgeen hierin is gerelateerd.\n\nHoewel de in het dossier aanwezige foto’s wellicht niet heel scherp zijn, geven deze foto’s geen steun aan de verklaring van de verdachte dat er geen afvalstoffen zijn verbrand, nu op deze foto’s wel een (deel van een) voorwerp is te zien dat geen hout betreft. Het verweer dat dit mogelijk een afvalstof betreft van een eerder stookmoment behoeft geen verdere bespreking, nu het hof hiervoor heeft overwogen uit te gaan van de juistheid en de betrouwbaarheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal en hieruit blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] en, naar het hof begrijpt, ook verbalisant [verbalisant 2] een sterke brandlucht roken waaruit duidelijk kon worden opgemaakt dat deze afkomstig was van kunststofverbranding.\n\nHet tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen.\n\nResumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit, zijnde een overtreding, is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het zich ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting te verbranden. Hiermee heeft zij een voorschrift van de Wet Milieubeheer overtreden. Het belang van dat voorschrift is de bescherming van bodem en milieu. Door haar handelen heeft de verdachte dit belang veronachtzaamd.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het e-mailbericht van [hulpverlener] , ambulant hulpverlener bij [bedrijf] , d.d. 11 juni 2026. Hieruit volgt dat zij intensief is betrokken bij de verdachte en de verdachte op diverse leefgebieden hulp nodig heeft. Hulpverlening komt twee keer per week op huisbezoek om alle zaken die spelen op te pakken en daarnaast is er veelvuldig telefonisch contact. De verdachte ervaart veel stress. Financieel heeft zij het zwaar en extra kosten zouden zwaar op haar budget drukken. Er is weinig financiële draagkracht. De verdachte heeft te kampen met ADHD en is voortdurend overbelast, aldus de ambulant begeleider. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een uitkering ontvangt en een weekbudget heeft van € 83,00, waarvan zij moeilijk kan rondkomen.\n\nGelet op de ernst van het bewezenverklaarde, onder andere dat het een milieudelict betreft en de mogelijke overlast die omwonenden hebben ondervonden van het bewezenverklaarde, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met toepassing van het rechterlijk pardon, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verzocht door de verdediging.\n\nAlles afwegende acht het hof, in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete niet wenselijk. Het hof is van oordeel dat de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 300,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, passend en geboden. Anders dan de verdediging ziet het hof aanleiding om hieraan een proeftijd van 2 jaren te verbinden.\n\nBij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nMet oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 22 mei 2023 onder CJIB nummer [nummer] .\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door3 (drie) dagen hechtenis.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.R. Hartmann, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,\n\nen op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1742","2026-07-13T00:28:41.799Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":51,"updatedAt":86},"960","ECLI:NL:CBB:2026:309","ecli-nl-cbb-2026-309","2026-06-22T00:00:00.000Z","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F1016\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van22 juni 2026\n Voorzitter:mr. R.C. Stam\n\nGriffier: mr. J.M. Baars\n\nPartijen\n\n [naam 1], te [vestigingsplaats] (de maatschap), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen\n\nen\n\nde minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de beslissing op bezwaar van 17 oktober 2024 voor zover daarbij de hoogte van de toegekende subsidie is gehandhaafd op € 1.502.419,92;\n\nherroept het besluit van 29 mei 2024 in zoverre, stelt de toe te kennen subsidie vast op € 1.573.809,93 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar;\n\ndraagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan de maatschap te vergoeden;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van\n\n€ 3.001,-.\n\nOverwegingen\n\n1. Met het besluit van 29 mei 2024 heeft de minister subsidie aan de maatschap toegekend op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv). Met het besluit van 17 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van de maatschap tegen het subsidiebesluit ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft de maatschap beroep ingesteld.\n\n2 Op 12 mei 2026 heeft een zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] , namens de maatschap, bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, en mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman, namens de minister. Het College heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de maatschap de gelegenheid te bieden nader bewijs bij te brengen en de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De (vervolg)zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026.\n\n3 Na de schorsing hebben partijen overeenstemming bereikt over dat de berging, drukkamer en luchtwasser (in totaal 140,08 m2) door een brandwerende wand worden gescheiden van de rest van stal 1 en daarmee (toch) behoren tot het dierenverblijf en voor subsidie in aanmerking komen. Dat betekent dat de minister met het besluit van 29 mei 2024 te weinig subsidie aan de maatschap heeft toegekend.\n\n4 Tussen partijen is nog in geschil of van stal 2 de centrale gang (in totaal 115,55 m2) subsidiabel is. Stal 2 is in 1980 volledig gerenoveerd en heringericht, en is daarbij ook vergroot. Er is een gang aangebouwd langszij een oorspronkelijke buitenmuur. Die centrale gang verbindt de compartimenten van de stal. De gang is nodig voor de aan- en afvoer van de dieren (ze zouden anders rechtstreeks in de open lucht terecht komen) en vervult tevens een wezenlijke functie bij de klimaatbeheersing en luchtzuivering van de stal.\n\n5 Tijdens de zittingen heeft het College samen met partijen de verschillende bouwtekeningen en foto’s van de gebouwen bezien en besproken. Het College is van oordeel dat het door de minister van subsidie uitgesloten deel van stal 2 (centrale gang) zich wel binnen de buitenmuren van het gebouw bevindt. Een buitenmuur is de muur aan de voorkant, achterkant of zijkant van een gebouw, die beschermt tegen weersinvloeden en bijdraagt aan de isolatie en structurele stabiliteit. Stal 2 is vergroot met een langszij één van de oorspronkelijke buitenmuren gebouwde centrale gang. Het College heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de maatschap beschreven functies van die centrale gang. Met de volledige renovatie en het vergroten van de oorspronkelijke stal is een nieuwe buitenmuur gerealiseerd. Dat bij die renovatie de oorspronkelijke buitenmuur is blijven staan (en nog steeds bijdraagt aan de stabiliteit van het gebouw), is daarbij van geen belang. De Woz-taxatieverslagen, waar de minister zich mede op beroept, vormen misschien een aanwijzing voor de tot een gebouw behorende oppervlakte, maar zijn hier voor het bewijs niet doorslaggevend.\n\n6 Dit alles leidt tot het oordeel dat de minister bij de toekenning van de Lbv-subsidie van een te klein subsidiabel oppervlakte is uitgegaan. Het beroep is daarom gegrond. Het College zal de beslissing op bezwaar vernietigen voor wat betreft de hoogte van het subsidiebedrag. Het College zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 29 mei 2024 in zoverre te herroepen en de toe te kennen subsidie vast te stellen op € 1.573.809,93. Hierbij is het College van de volgende gegevens uitgegaan.\n\n7 Bij de berekening van het subsidiebedrag heeft de minister voor stal 1 140,08 m2 aan oppervlakte te weinig in aanmerking genomen en voor stal 2 115,55 m2. De waarde per m2 bedraagt voor stal 1 € 418,90 en voor stal 2 € 110,-. De minister heeft dus € 71.390,01 ((140,08× € 418,90 = € 58.679,51) + (115,55× € 110,- = € 12.710,50)) te weinig subsidie toegekend. De (alsnog) totaal toe te kennen subsidie komt daarmee op € 1.573.809,93\n\n(€ 1.502.419,92 + € 71.390,01).\n\n8 Omdat het beroep gegrond is moet de minister het door de maatschap betaalde griffierecht van € 371,- aan haar vergoeden. Het College zal verder de minister veroordelen in de door de maatschap in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.001,- .\n\npunten\n\ntarief\n\nbezwaarschrift\n\n1\n\n€ 666,-\n\n€ 666,-\n\nberoepschrift\n\n1\n\n€ 934,-\n\n€ 934,-\n\nzitting\n\n1\n\n€ 934,-\n\n€ 934,-\n\nvervolgzitting\n\n0,5\n\n€ 934,-\n\n€ 467,-\n\ntotaal\n\n€ 3.001,-\n\nDe voorzitter is verhinderd dit w.g. J.M. Baars\n\nproces-verbaal te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:309","2026-07-13T00:28:56.634Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":43,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":93,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":95},"469","ECLI:NL:RBNNE:2026:2489","ecli-nl-rbnne-2026-2489",65,"2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nlocatie Groningen\n\nzaaknummers: LEE 26\u002F1354 en 26\u002F1515\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n1. [Verzoeksters]uit [plaats] , verzoeksters 1,\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer),\n\n2. [verzoeker]uit [plaats] , verzoeker 2,\n\n (gemachtigde: mr. J.T. Fuller),\n\n hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters.\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe, het college,\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).\n\nAls derde-partijneemt aan het geding deel: [vergunninghoudster] gevestigd in [plaats] , vergunninghoudster,\n\n(gemachtigde: B.H. Woppereis).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel aan de [adres] (het perceel) in [plaats] . Verzoeksters hebben hiertegen beroep ingestelden de voorzieningenrechter gevraagd de verleende omgevingsvergunning te schorsen.\n\n1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeksters 1 zijn in persoon verschenen, vergezeld door [naam] (woordvoerder) en bijgestaan door hun gemachtigde. Verzoeker 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, M.J. Siersema (Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe), T. Kamphuis (casemanager ruimtelijke ordening) en F. Minkema (juridisch medewerker). Namens vergunninghoudster is verschenen [naam] , bijgestaan door de gemachtigde.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter beoordeelt de verzoeken aan de hand van de gronden die verzoeksters hebben aangevoerd. De verzoeken om voorlopige voorziening moeten worden afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n2.1. De wet- en regelgeving die belangrijk is voor de beoordeling van de verzoeken, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten\n\n3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n3.1. Vergunninghoudster is een (intensieve) pluimveehoudster. Zij is bezig met de omschakeling van het houden van ‘plofkippen’ naar het houden van beter leven-1 ster-kippen.\n\n3.2. Vergunninghoudster heeft op 20 maart 2023 een “aanmeldnotitie vormvrije M.E.R.-beoordeling” bij het college ingediend, die was opgesteld door Van Westreenen voor de wijziging van het bestaande agrarische bedrijf.\n\n3.3. Vergunninghoudster heeft op 22 maart 2023 een aanvraag om omgevings-vergunning bij het college ingediend, voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel.\n\nDe aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:\n\n- bouwen;\n\n- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening;\n\n- het veranderen of veranderen van de werking van de inrichting (revisie).\n\n3.4. Bij besluit van 1 juli 2024 heeft het college besloten dat voor de beoogde verandering van de inrichting van vergunninghoudster geen milieueffectrapport (MER) nodig is. Dit was een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 6:3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid366137044f51396edad15489f24c3f82) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n3.5. Het college heeft op 1 juli 2024 een ontwerpbesluit genomen om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft dit ontwerpbesluit inclusief de onderliggende stukken ter inzage gelegd in de periode van 5 juli 2024 tot en met\n\n16 augustus 2024. Daarbij heeft het college eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.\n\n3.6. Verzoeksters 1 hebben in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend dat was gericht tegen het ontwerpbesluit.\n\nOok verzoeker 2 heeft in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend, gericht tegen het ontwerpbesluit.\n\n3.7. Bij het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend.\n\nIs er sprake van een spoedeisend belang?\n\n4. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het spoedeisende belang aan de kant van verzoeksters aanwezig is, omdat vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij al is begonnen met de bouwwerkzaamheden.\n\nWelk recht is van toepassing?\n\n5. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat vergunninghoudster de aanvraag om omgevingsvergunning vóór die datum bij het college heeft ingediend, is de Wabo met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.\n\nBevoegdheid tot kortsluiten\n\n6. Gelet op de stukken en op wat er is besproken tijdens de zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de volledige beoordeling van de beroepszaak nader onderzoek nodig is. Er bestaat daarom geen aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.\n\n6.1. Dit betekent dat in dit geval alleen uitspraak zal worden gedaan op de verzoeken om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige beoordeling geven van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en zal dat betrekken bij het oordeel over de vraag of het verzoek, gelet op de betrokken belangen, kan worden toegewezen.\n\nHet geschil\n\n7. Tussen partijen is in geschil of het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.\n\nGoede procesorde\n\n8. Op de laatste werkdag vóór de zitting hebben verzoeksters 1 ruim 150 pagina’s aan producties overgelegd, waaronder een omvangrijke contra-expertise van Blauw luchthygiëne onderzoek en advies op het gebied van geur. Gelet op de omvang van deze producties en de dag waarop die zijn overgelegd, zal de voorzieningenrechter deze producties wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.Verzoeksters 1 hebben op de zitting de gelegenheid gekregen om hun standpunt over het bestreden besluit toe te lichten.\n\nKunnen verzoeksters zich beroepen op de regels voor natuurbescherming?\n\n9. Verzoekers betogen dat in dit geval een vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (college van GS) vereist is. Verzoekers voeren aan dat het college in de beoordeling ten onrechte rekening heeft gehouden met het feit dat er intern gesaldeerd wordt. In dit verband wijzen verzoekers erop dat intern salderen sinds de uitspraken van 18 december 2024van de Afdeling niet meer mogelijk is. Dit betekent volgens verzoekers dat vergunninghoudster mede een aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) had moeten indienen.Gelet daarop stellen verzoekers dat het college van GS een vvgb had moeten afgeven.Van een dergelijke vvgb is niet gebleken. Naar de mening van verzoekers heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning ten onrechte verleend.\n\n9.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen vanwege het zogenoemde ‘relativiteitsbeginsel’. De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet bedoeld is voor de bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\n9.2. In de Wnb staan bepalingen over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Die regels zijn bedoeld om de natuurwaarden in deze gebieden te beschermen. De belangen van verzoeksters hebben te maken met de gebruiksmogelijkheden van vergunninghoudster en de invloed hiervan op hun (nabijgelegen) percelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de regels van de Wnb niet zijn bedoeld om deze belangen van verzoeksters te beschermen. Het is ook niet zo dat de belangen van verzoeksters zijn verweven met het algemene natuurbelang van de Wnb. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” is daarvoor te ver van de percelen van verzoeksters (op ongeveer vier kilometer). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die afstand te groot om verwevenheid aan te nemen. Het relativiteitsbeginsel maakt dat dit argument van verzoeksters dus niet kan leiden tot schorsing of vernietiging van het bestreden besluit. Dit betekent dat de voorzieningenrechter deze door verzoeksters naar voren gebrachte grond niet inhoudelijk zal beoordelen.\n\nVerklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Midden-Drenthe\n\n10. Verzoekers betogen dat in dit geval (ook) ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de raad van de gemeente Midden-Drenthe (de raad) ontbreekt. Naar de mening van verzoekers is een vvgb van de raad vereist.Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning namelijk toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,ten derde, van de Wabo om af te wijken van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022” (het bestemmingsplan). Voor die gevallen bepaalt de wet dat er een vvgb van de raad vereist is, behalve in uitzonderingsgevallen die zijn aangewezen. Van zo’n uitzondering is in dit geval geen sprake. Toch ontbreekt de vvgb. Volgens verzoekers was het college daarom in dit geval niet bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen.\n\n10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wabo om binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Daarvoor gelden andere regels dan voor de categorie (ten derde) die hiervoor is genoemd. Dit betekent volgens het college dat een vvgb van de raad niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoeft te worden opgesteld.\n\n10.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt deze grond niet. Het college was in dit geval bevoegd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Hierbij stelt de voorzieningenrechter vast dat het college in dit geval de gevraagde omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerstevan de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, vierde lid onder b en c, van de planregels van het bestemmingsplan. Dit betreft een binnenplanse afwijkmogelijkheid. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat een vvgb van de raad in dit geval niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoefde te worden opgesteld. Weliswaar heeft het college in het bestreden besluit ten onrechte als juridische grondslag artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,ten derde, van de Wabo vermeld, maar uit het ontwerpbesluit en de zienswijzennota blijkt dat bedoeld werd om binnenplans af te wijken. Hieruit moet worden afgeleid dat sprake is van een (slordige) verschrijving van het college voor wat betreft de grondslag. Dat is op zichzelf echter onvoldoende reden om het besluit te schorsen.\n\nMocht het college gebruik maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?\n\n11. Verzoekers betogen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat in dit geval gebruik kan worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.Verzoekers voeren aan dat niet wordt voldaan aan de criteria voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Daarbij gaat het volgens verzoekers vooral om het criterium dat moet zijn aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Verzoekers vrezen voor een onaanvaardbare toename van geluidhinder als gevolg van de vergunde activiteiten. Zij wijzen erop dat het onzeker is of bij de berekeningen van de geluidbelasting de juiste uitgangspunten zijn gehanteerd. Bovendien is berekende toename van geluidbelasting op de woning van verzoeksters 1 niet acceptabel. Verder vrezen verzoekers voor een onaanvaardbare toename van geurhinder en van de emissies van fijnstof als gevolg van de vergunde activiteiten. Gelet daarop kan het bouwplan naar de mening van verzoekers niet in overeenstemming worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Volgens verzoekers is er sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginselen het motiveringsbeginsel.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan een intensieve veehouderij op het perceel toelaat. Het college voert aan dat er sprake is van het afwijken van het bestemmingsplan voor wat betreft de bouwregels. Verder zijn de geluidsvoorschriften in de nieuwe vergunning volgens het college aangescherpt ten opzichte van de vergunning van 2016, op grond van de resultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Uit het geluidsrapport blijkt volgens het college het geluid op de woning van verzoeksters 1 tijdens de incidentele bedrijfssituatie in de dagperiode met 1 dB toeneemt. Dat is naar de mening van het college geen reden om de omgevingsvergunning te weigeren. Daarnaast voert het college aan dat uit de uitgevoerde geurberekening blijkt dat wordt voldaan aan de norm van 14 Ou\u002Fm3, die geldt voor geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied.\n\n11.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet op voorhand aannemelijk dat deze beroepsgrond zal slagen. De voorzieningenrechter licht dit hieronder toe.\n\n11.3. Het bestemmingsplan laat op het perceel een intensieve veehouderij toe, zoals de beoogde uitbreiding van de pluimveehouderij. De ruimtelijke belangen die betrokken zijn bij een intensieve veehouderij op deze locatie zijn daarom in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan al afgewogen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de afwijking van het bestemmingsplan alleen te maken heeft met de bouwregels over het bebouwingsoppervlak en de situering. Verzoekers maken zich zorgen over een verslechtering van de milieu- en woonsituatie door een toename van de emissies van geur, geluid en fijnstof en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s. Maar zo’n toename had ook veroorzaakt kunnen worden door een uitbreiding van de inrichting die wel in overeenstemming zou zijn met deze bouwregels (en dus niet in strijd met het bestemmingsplan).\n\n11.4. Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoeksters 1, alleen doordat het geluid op hun woning met 1 dB toeneemt tijdens de incidentele bedrijfssituatie. Verzoekers hebben niet betwist dat ook met die toename nog voldaan wordt aan de richtwaarden op grond van de Handreiking industrielawaai vergunningverlening (Handreiking). Zij hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat er voor het maximale geluidsniveau (LAmax) sprake is van een overschrijding van de richtwaarde op grond van de Handreiking. Zij hebben alleen gesteld dat er sprake is van een overschrijding van de streefwaarde voor het maximale geluidsniveau. Dat is nog geen overschrijding van derichtwaarde.\n\n11.5. Verder is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er vanwege de gestelde geurhinder sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoekers. Het college heeft daarbij verwezen naar een uitgevoerde geurberekening. Onder deze omstandigheden heeft het college in de door verzoekers gestelde hinder en gezondheidsrisico’s in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te weigeren. Er is door verzoekers ook onvoldoende onderbouwd dat gezondheidsrisico’s het college aanleiding hadden moeten geven om advies van de GGD in te winnen voor de vergunningverlening. Ook is niet voldoende concreet gemaakt dat eerdere GGD-advisering met betrekking tot het hanteren van het voorzorgbeginsel en de intensieve veehouderij voor het college aanleiding hadden moeten zijn om deze vergunning te weigeren. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nMilieu-aspecten (geluid en geur)\n\n12. Verzoeksters 1 twijfelen aan de berekeningen van geluid en geur waar het college vanuit is gegaan in de besluitvorming. Specifiek betwisten zij de gehanteerde uitgangswaarde van de uittreesnelheid vanwege:\n\n- de benodigde ventilatiecapaciteit;\n\n- de diameter van de uitstroomopening;\n\n- de warmtewisselaar;\n\n- het aantal warmtewisselaars per stal;\n\n- het aantal ventilatoren warmtewisselaar(s);\n\n- het in werking zijn van de warmtewisselaar(s);\n\n- de capaciteit van de ventilatoren;\n\n- de capaciteit van de ventilatoren van de warmtewisselaar;\n\n- de eisen aan cascade gestuurde ventilatie;\n\n- het ten onrechte uitgaan van cascade-gestuurde ventilatie.\n\nGelet daarop zijn verzoeksters onder 1 van mening dat het college de in opdracht van vergunninghoudster opgestelde deskundigenrapporten met betrekking tot geluid en geur niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.\n\n12.1. Deze voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor de behandeling van complexe technisch-juridische vragen. De vragen die verzoeksters 1 opwerpen over de werking van de ventilatoren en eigenschappen van de ventilatoren en de warmtewisselaar (capaciteit, diameter uitstroomopening en cascade-gestuurd) zijn voorbeelden van zulke complexe technisch juridische vragen. De beantwoording van die vragen vergt mogelijk nader onderzoek door middel van het inwinnen van advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) dat in de bodemprocedure moet plaatsvinden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter hierover geen voorlopig oordeel kan geven en zich zal beperken tot een belangenafweging.\n\n12.2. Na afweging van de betrokken belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrees voor geur- en geluidsoverlast die verzoeksters naar voren hebben gebrachte weliswaar reëel is, maar dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het bestreden besluit zal leiden tot een verslechtering van de woon- en leefsituatie van verzoeksters. Vooral ook omdat op grond van de bestaande omgevingsvergunning ook ’s nachts activiteiten zijn toegestaan (het verladen van de vleeskuikens). Daar komt bij dat de voorzieningenrechter de toelichting met betrekking tot geur, fijnstof en endotoxinen die de gemachtigde Siersema tijdens de zitting heeft gegeven plausibel acht. De voorzieningenrechter concludeert dat het niet op voorhand zeker is dat de vergunde pluimveehouderij, waarvoor in 2023 uitbreiding is aangevraagd, niet ruimtelijk en milieutechnisch kan worden ingepast, ondanks de bezwaren van verzoeksters. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de gevraagde uitbreiding ziet op het bouwen van een pluimveestal en het plaatsen van overdekte uitlopen aan de bestaande stallen, maar dat het aantal te houden dieren met 33.500 afneemt. Dat zal een positieve invloed hebben op de uitstoot van geur, fijnstof en endotoxinen. Vergunninghoudster heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat schorsing van de verleende omgevingsvergunning de verandering van de bedrijfsvoering verhindert en een drastische reductie van het inkomen (tot 50%) met zich brengt, zodat zij dan zal moeten terugvallen op de activiteiten die zij verricht op grond van de oude vergunning. Dat houdt in: het houden van 33.500 meer (plof)kippen, inclusief nachtelijke activiteiten.\n\n12.3. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de zorgen van verzoekers over hun woon- en leefklimaat. Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeksters bij schorsing minder zwaar wegen dan de overige belangen. De voorzieningenrechter is er niet op voorhand van overtuigd (geraakt) dat de uitkomst van de beroepsprocedure ertoe zal leiden dat de gevraagde omgevingsvergunning moet worden geweigerd door het college. Met de uitkomst van de beroepsprocedure zal meer duidelijkheid komen over de ruimtelijke en milieutechnische inpassing van de activiteiten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er, na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen of een maatregel op te leggen. De verzoeken daartoe worden afgewezen. Omdat de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de verzochte en verstrekkende last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden. Het verzoek daartoe van verzoeker 2 wordt afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;\n\n- wijst het verzoek van verzoeker onder 2 om een last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden, af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\ngriffier voorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden op:Rechtsmiddel\n\nUitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 8:81\n\n1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n(…).\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\n(…)\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).\n\n(…)\n\ne. 1. het oprichten,\n\n2. het veranderen of veranderen van de werking of\n\n3. het in werking hebben\n\nvan een inrichting of mijnbouwwerk.\n\n(…)\n\ni. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.\n\n(…)\n\nArtikel 2.10\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:\n\n(…)\n\nc. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…);\n\nd. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid19d9f7d1dcae1b42bc994c4e76c6729c), van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.\n\n2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.\n\nArtikel 2.12\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:\n\na. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:\n\n1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,\n\n2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of\n\n3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. (…)\n\nArtikel 2.14\n\nVoor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:\n\na. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:\n\n1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;\n\n2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;\n\n(…)\n\nb. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:\n\n1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;\n\n2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;\n\n3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;\n\nc. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:\n\n1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;\n\n2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.\n\n(…)\n\n3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.\n\n4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.\n\n(…)\n\n7. Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.\n\nBesluit omgevingsrecht\n\nArtikel 2.2aa Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving\n\nAls categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:\n\na. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0015158&artikel=9&g=2023-07-01&z=2026-02-12) of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0006147&artikel=13&g=2023-07-01&z=2026-02-12), voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend.\n\n(…).\n\nArtikel 6.10a Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten\n\n1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.\n\n(…).\n\n4. Een verklaring kan slechts worden gegeven:\n\na. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.aa, onderdeel a: op de gronden, die zijn aangegeven in artikel 2.8 en artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, vierde lid, van die wet en artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming.\n\n(…).\n\nWet geurhinder en veehouderij\n\nArtikel 1\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\nconcentratiegebied:concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=I&g=2023-05-21&z=2026-05-21), of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied.\n\n(…).\n\nArtikel 2\n\n1. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9 (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0020396\u002F2013-01-01\u002F0?g=2023-05-21&z=2026-05-21).\n\n(…).\n\nArtikel 3\n\n1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:\n\na. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nb. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nc. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nd. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.\n\n(…).\n\n4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.\n\nArtikel 6\n\n1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0020396\u002F2013-01-01\u002F0?g=2023-05-21&z=2026-05-21), met dien verstande dat deze andere waarde:\n\na. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nb. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nc. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nd. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.\n\n(…).\n\nVerordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024\n\nArtikel 3.5 Andere waarden voor de geurbelasting\n\n1. Bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij neemt het bevoegd gezag de in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan bepaalde geurnormen en minimale vaste afstanden in acht.\n\n(…).\n\n3. In afwijking van het eerste lid is voor het gebied van de gemeente liggende buiten de op de bij deze verordening behorende kaarten aangewezen gebieden de geurnorm\n\n14 Odourunits\u002Fm3 lucht.\n\nBestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”\n\nAan het perceel zijn de bestemmingen “Waarde – Archeologie 2” en “Agrarisch met waarden-1” toegekend, alsmede de functieaanduiding “intensieve veehouderij”.\n\nArtikel 4 Agrarisch met waarden-1\n\nArtikel 4.1 Bestemmingsomschrijving\n\nDe voor “Agrarisch met waarden – 1” aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\n(…).\n\nc. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’;\n\n(…).\n\nArtikel 4.2 Bouwregels\n\na. Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:\n\n1. er zullen uitsluitend gebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van agrarische bedrijven met bijbehorende functies worden gebouwd;\n\n(…);\n\n4a. de gebouwen zullen uitsluitend binnen een aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak worden gebouwd gerekend vanuit de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf', 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak', waarbij de diepte van de vierhoek (ongeveer haaks op de naar de weg gerichte gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) altijd langer is dan de breedte (ongeveer evenwijdig aan de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) van de vierhoek. In afwijking hiervan zijn in bestaande situaties waarin de bebouwing niet binnen een vierhoek, dan wel bouwvlak is gesitueerd ook andere vormen toegestaan;\n\n4b. in uitzondering op het gestelde onder a, mogen tevens gebouwen worden gebouwd overeenkomstig de bestaande situatie, dan wel binnen een bouwvlak, zoals ter plaatse is aangeduid;\n\n5. de diepte van een aaneengesloten vierhoek zal ten hoogste 200 m bedragen, gerekend vanaf de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning. Indien geen bedrijfswoning aanwezig is, zal de diepte worden gerekend vanaf de naar de weg gekeerde perceelgrens. De grootste afstand in de breedte van een vierhoek zal ten hoogste 125 m bedragen, zodanig dat er wordt gebouwd binnen een denkbeeldige vierhoek;\n\n(…);\n\n16. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak’ worden bedrijfsgebouwen in ten hoogste één bouwlaag gebouwd.\n\n(…).\n\nArtikel 4.4 Afwijken van de bouwregels\n\nBij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels worden de algemene toetsingscriteria afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden als genoemd in artikel 48.2 gehanteerd.\n\nOnderstaande bevoegdheden kunnen ook nog worden toegepast na gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid onder b.\n\nBij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:\n\n(…);\n\nb. lid 4.2 sub a onder 4 en 5:\n\nen worden toegestaan dat de aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak wordt vergroot, mits:\n\n1. de oppervlakte van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 2 ha;\n\n2. deze afwijking niet wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1 ha';\n\n3. met de vormgeving van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de landschappelijke karakteristiek en\u002Fof de landschappelijke structuur;\n\n4. het verzoek om verlening van de omgevingsvergunning gepaard gaat met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing ter versterking van het landschappelijk karakter; er wordt uitsluitend over gegaan tot verlening van de omgevingsvergunning als er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing en de uitvoering van het plan voor landschappelijke inpassing is gegarandeerd;\n\n5. er zicht is op een langdurige vergroting van de productieomvang als gevolg van schaalvergroting of extensivering\u002Fverbreding van de bedrijfsactiviteiten en de noodzakelijkheid van de bedrijfsuitbreiding is aangetoond;\n\n6. is aangetoond dat binnen de bestaande aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding;\n\n7. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;\n\n(…).\n\n De beroepen zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 25\u002F2603 en 25\u002F2639.\n\n De verzoeken om voorlopige voorziening zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 26\u002F1354 en 26\u002F1515.\n\n Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\nToepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dus niet aan de orde.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van\n\n16 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:263, rechtsoverweging 5.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Op grond van artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang gelezen met artikel 6.10a van het Bor.\n\nDat volgt uit artikel 8:69a van de Awb.\n\nVergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706 en van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2627.\n\n Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n Om af te wijken zoals beschreven in artikel 4, vierde lid, van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”.\n\n Als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.\n\n Deze norm is ten aanzien van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied opgenomen in artikel 3:5, derde lid, van de Verordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024 (de Verordening).\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:617, r.o. 9.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2489","2026-07-13T00:28:31.997Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":43,"courtId":100,"decisionDate":101,"fullText":102,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":51,"updatedAt":105},"1161","ECLI:NL:RBGEL:2026:5165","ecli-nl-rbgel-2026-5165",68,"2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F466488 \u002F KZ ZA 26-57\n\nVonnis in kort geding van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTORT DOONWEG B.V.,\n\nte Eerbeek, gemeente Brummen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: SDW,\n\nadvocaat: mr. E.P.C. Duinkerke,\n\ntegen\n\nZONNEPARK EERBEEK B.V.,\n\nte Eerbeek, gemeente Brummen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: ZE,\n\nadvocaat: mr. M.J.M. Derks.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 25\n\n- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 12\n\n- de aanvullende producties 13 tot en met 15 - de mondelinge behandeling van 26 mei 2026 - de pleitnota van SDW - de pleitnota van ZE.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. SDW is eigenaar van de voormalige vuilstortplaats aan de Doonweg te Eerbeek. ZE is de oprichter en exploitant van het zonnepark dat gelegen is op het topvlak van het perceel.\n\n2.2.. Voordat ZE het zonnepark heeft opgericht is onderzoek gedaan naar het verschil in opbrengst tussen zonnefolie en reguliere zonnepanelen. Op basis van onderzoeksresultaten is in 2018 vastgesteld dat het aanbrengen van zonnefolie niet haalbaar wordt geacht en dat de realisatie van het zonnepark met reguliere zonnepanelen op een stabilisatielaag van staalslakken wel haalbaar is. Advies- en ingenieursbureau [adviesbureau 1] (hierna: [adviesbureau 1] ) heeft hierover geadviseerd. Vervolgens heeft [adviesbureau 1] een plan van aanpak opgesteld voor het aanbrengen van een tijdelijke bovenafdichting bestaande uit een stabilisatielaag van staalslakken waarop het zonnepark werd voorzien. Staalslakken zijn een steenachtig restproduct uit de staalindustrie.\n\n2.3.. Partijen hebben een erfpachtovereenkomst gesloten op 16 maart 2018.\n\n2.4.. In 2020 is de staalslakkenlaag aangebracht. In voornoemde erfpachtovereenkomst is bepaald dat het recht van erfpacht, wat het gebruik betreft, is beperkt tot de tijdelijke afdeklaag van staalslakken en het daarop aangebrachte zonnepark.\n\n2.5.. Op 12 maart 2020 is de notariële akte gepasseerd waarmee ZE de rechten van erfpacht, opstal en erfdienstbaarheid verkreeg ten behoeve van de realisatie en exploitatie van het zonnepark (hierna: Akte van erfpacht). In de Akte van erfpacht zijn grotendeels de afspraken uit de erfpachtovereenkomst opgenomen en daarnaast zijn nieuwe afspraken vastgelegd. In de Akte van erfpacht staan onder andere de volgende bepalingen:\n\n“1.3. De Eigenaar zal voor eigen rekening en risico uiterlijk opéén mei tweeduizend twintigde voor realisatie van het Zonneveld benodigde tijdelijke afdeklaag van staalslakken aangebracht hebben en de Erfpachtzaak de overige werkzaamheden hebben verricht die zorgen dat de Erfpachtzaak geschikt is als draagconstructie van het Zonneveld, een en ander conform de Werkomschrijving.\n\n(…)\n\nArtikel 5. Bodemverontreiniging\n\n5.1. Aangezien de Erfpachter de grondlagen onder de afdeklaag niet zal en niet mag gebruiken is de bodemgesteldheid hiervan voor de vestiging van het Recht van erfpacht van ondergeschikt belang. In dit kader verklaart de Erfpachter evenwel ermee bekend te zijn dat de Erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is, die nog niet gesloten is verklaard als bedoeld in artikel 8:47 derde lid Wet milieubeheer en waarop een tijdelijke afdeklaag is aangebracht. Erfpachter accepteert hierbij uitdrukkelijk de specifieke fysieke en milieutechnische gevolgen, kenmerken, beperkingen en eigenschappen van de Erfpachtzaak en accepteert tevens dat hij een perceel in gebruik neemt dat vanwege de specifieke fysieke kenmerken van deze locatie en de wettelijke bepalingen daaromtrent, onderhevig is, of kan worden, aan bepaalde wetgeving en\u002Fof publiekrechtelijke besluitvorming.\n\n(…)\n\n5.3. \n\nOp de Erfpachtzaak is een tijdelijke afdeklaag aanwezig zoals bedoeld in de Werkomschrijving.Voor het geval Eigenaar van overheidswege (door een wetswijziging, door regelgeving en\u002Fof een al dan niet op bestaande regelgeving gebaseerd onherroepelijk besluit van het bevoegd gezag) verplicht wordt om gedurende de duur van het Recht van erfpacht over te gaan tot het aanbrengen van een definitieve afdeklaag, geldt het volgende:\n\n(…)\n\nh. Erfpachter draagt voor iedere fase van de werkzaamheden steeds tijdig zorg voor de tijdelijke verwijdering van de zonnepanelen, de onderstellen en de ballast (een en ander conform het daartoe in het goedgekeurde Plan bepaalde).”\n\nArtikelen 5.1 en 5.2 waren reeds opgenomen in de overeenkomst van erfpacht, artikel 5.3 bevat nieuwe afspraken die alleen in de Akte van erfpacht zijn vastgelegd.\n\n2.6.. Vanaf medio 2021 zijn er berichten in de media verschenen over mogelijk negatieve effecten door het gebruik van staalslakken voor mens en milieu in het algemeen en specifiek ten aanzien van de staalslakken die zijn gebruikt bij de tijdelijke afdeklaag op de vuilstortplaats van SDW die door ZE wordt gebruikt.\n\n2.7.. SDW heeft vervolgens een milieuonderzoek laten uitvoeren door ingenieursbureau Arcadis Nederland B.V. (hierna: Arcadis). In opdracht van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (hierna: ODRN) is een contra-expertise uitgevoerd door [adviesbureau 2] . [adviesbureau 2] adviseert om zo spoedig als technisch mogelijk een definitieve bovenafdichting aan te brengen.\n\n2.8.. Op 6 juni 2022 heeft Arcadis een plan van aanpak voor het afdekken van de laag staalslakken opgesteld. In dit plan van aanpak worden twee alternatieven tegenover elkaar afgewogen. Het eerste alternatief waarbij de toplaag tijdelijk werd afgedicht. De zonnepanelen kunnen in dat geval blijven staan en er wordt pas een definitieve bovenafdichting geplaatst als het zonnepark wordt ontmanteld in 2043. Het tweede alternatief betreft het direct aanbrengen van een definitieve bovenafdichting. In dat geval dient het zonnepark tijdelijk verwijderd te worden. Arcadis adviseert om te kiezen voor het direct aanbrengen van een definitieve bovenafdichting.\n\n2.9.. Bij brief van 29 augustus 2024 aan SDW bericht de omgevingsdienst Regio Arnhem (hierna: ODRA) dat zij het volgende van SDW verwachten:\n\n“\n\n7. Dichte eindafwerking.\n\nDe stortplaats moet worden afgewerkt met een dichte eindafwerking.\n\n(…)\n\nU heeft hierop scenario’s beschreven voor het aanbrengen van de eindafwerking. In de notitie “Afweging keuze voor een oplossing van de milieuproblemen van stort Doonweg”, SDW d.d. 15 april 2024 ziet u drie mogelijke scenario’s:\n\nVerbeteren van de situatie door dusdanig verleggen van de ringweg en ringsloot dat het percolaat uit de staalslakken effectief wordt opgevangen en afgevoerd naar de waterzuivering in combinatie met vergroten van de capaciteit om het water te bufferen, zodat er geen risico meer is op overstroming (fase 1).\n\nAanbrengen van de definitieve bovenafdichting. Hierbij ontstaat een situatie waarin een waterdichte afdichting over de staalslakken wordt aangebracht met daarop een laag van één meter grond. Het is deze laag grond infiltrerende regenwater komt aan de teen van de stort als schoon water naar buiten en kan vervolgens in de ringsloot en infiltratievijver geïnfiltreerd worden (fase 2).\n\n(…)\n\nNa weging van voor- en nadelen kiest u ervoor het aanbrengen van een definitieve bovenafdichting uit te stellen tot een nader te bepalen moment – dit moment is niet later dan 1 januari 2047.\n\n(…)\n\nNaar ons oordeel is er een noodzaak tot het spoedig aanbrengen van een dichte eindafwerking.\n\n(…)\n\nDoor de aanleg van de eindafwerking uit te stellen tot een nader te bepalen moment – dit moment is niet later dan 1 januari 2047 gaat u voorbij aan de u toekomende zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 Bal.\n\nNaar ons standpunt handelt u slechts in lijn met de in artikel 2.11 Bal neergelegde specifieke zorgplicht wanneer u uitvoering geeft aan scenario 3, waarbij in 2024 fase 1 wordt uitgevoerd en aansluitend fase 2a in 2025. Fase 2b kan in dat gevolg volgen in 2026, tenzij u aan de hand van de resultaten van technisch onderzoek aantoont dat uitvoering van fase 2b technisch niet mogelijk is.\n\n(…)\n\nGelet op het bovenstaande verzoeken wij u een afdichtingsplan op te stellen zoals bedoeld in en overeenkomstig voorschrift 7.3.3 vergunning 1996.”\n\n2.10.. Op 3 maart 2025 is een goedkeuringsbesluit genomen door de ODRN en ODRA met betrekking tot het door SDW ingediende Plan van Aanleg en Bestek. Het plan van aanleg betreft het aanbrengen van een definitieve bovenafdichting. Het aanbrengen is verdeeld in twee fasen: Aanlegfase 1 (afdekken talud) en Aanlegfase 2 (afdekken topvlak). Voor aanlegfase 1 hoeft het zonnepark niet verwijderd te worden. Aanlegfase 1 is inmiddels uitgevoerd. Partijen twisten over de vraag of de werkzaamheden ook (deugdelijk) zijn afgerond.\n\n2.11.. Omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit. Na beslissing op bezwaar van 29 augustus 2025 is op 27 oktober 2025 een herstelbesluit genomen waarin is bepaald dat fase 1 uiterlijk in 2025 moet zijn afgerond en fase 2 in 2027 moet starten en uiterlijk 30 juli 2028 moet zijn uitgevoerd. Tegen het herstelbesluit is eveneens bezwaar gemaakt door omwonenden omdat zij wensen dat de werkzaamheden eerder worden uitgevoerd.\n\n2.12.. Partijen hebben regelmatig overleg gehad met betrekking tot de problematiek rondom de staalslakken. Daarbij is gesproken over de vraag wie de kosten voor het verwijderen van het zonnepark ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden in fase 2 moet dragen. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. SDW vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. Primair: ZE gebiedt haar verbintenis uit hoofde van artikel 5.3 sub h Akte van Erfpacht tot het tijdig verwijderen van het Zonnepark na te komen en daartoe tijdig alle noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten, waaronder in ieder geval begrepen:\n\na. het binnen vijf (5) werkdagen na het in dezen te wijzen vonnis, doch uiterlijk op 1 juli 2026, op eigen naam aanvragen van offertes bij een of meer door ZE geschikt geachte aannemers ten behoeve van de tijdige verwijdering van het Zonnepark, met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom van de dagvaarding;\n\nb. het uiterlijk op 1 april 2027 verstrekken van een definitieve opdracht aan een of meer van de desbetreffende aannemers tot tijdige verwijdering van het Zonnepark, met inachtneming van de uiterste data zoals vermeld in randnummer 47, derde en vierde kolom van de dagvaarding, en bestekposten 120104, 1607 en 160701 uit het Bestek;\n\nc. het onmiddellijk, althans binnen één (1) werkdag na de relevante data van de correspondentie zoals omschreven onder sub a onderscheidenlijk sub b, verstrekken van (i) kopieën aan SDW en TerrAdvies van de schriftelijke correspondentie tussen ZE en de desbetreffende aannemers op de bij ZE bekende e-mailadressen en (ii) indien en voor zover de correspondentie tussen ZE en de desbetreffende aannemers mondeling plaatsvindt, een schriftelijke verslaglegging aan SDW en TerrAdvies van hetgeen is besproken op de bij ZE bekende e-mailadressen;\n\nd. het tijdig (doen) verwijderen van het Zonnepark, met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom;\n\nII. met bepaling dat ZE, indien zij nalaat om tijdig aan het gevorderde zoals beschreven in sub a, sub b en\u002Fof sub c te voldoen, per overtreding een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 200.000,00;\n\nIII. met bepaling dat ZE, indien zij nalaat om tijdig aan het gevorderde zoals beschreven in sub d te voldoen, een dwangsom verbeurt van € 25.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 1.500.000,00;\n\nSubsidiair:\n\nIV. SDW machtigt om na betekening van dit vonnis het Zonnepark te (doen) verwijderen met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom;\n\nV. ZE veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding ter grootte van € 1.564.016,00 althans ter grootte van € 671.181,00 althans ter grootte van € 622.131,00 althans ter grootte van € 220.000,00, te betalen binnen twee (2) werkdagen na dit vonnis;\n\n3.2.. ZE voert verweer. ZE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van SDW, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van SDW, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SDW in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat SDW daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSDW heeft voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen\n\n4.2.. SDW stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vordering omdat zij door het bevoegde gezag (ODRA en ODRN) wordt verplicht om uiterlijk 30 juni 2028 fase II uitgevoerd te hebben. Hiervoor is het nodig dat fase II uiterlijk 23 juni 2027 start. Het zonnepark moet dan zijn verwijderd. Het aanneemtraject voor de verwijdering van de zonnepanelen kan wel een jaar duren.\n\n4.3.. ZE betwist dat SDW een spoedeisend belang heeft. Volgens ZE komt er door uitvoering van fase 1 geen percolaat meer in het grondwater. SDW kiest zelf voor definitieve afdichting van de bovenlaag. SDW heeft daarvoor een plan ingediend en voor dat plan is het goedkeuringsbesluit genomen waarin de termijnen zijn opgenomen. SDW had ook voor een andere oplossing kunnen kiezen.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van voldoende spoedeisend belang. Uit de brief van ODRA van 29 augustus 2024 blijkt dat het aanbrengen van de definitieve afdichtingslaag zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden en dat niet kan worden volstaan met alleen het uitvoeren van fase 1. SDW heeft hiervoor in overleg met de ODRA een plan van aanpak en een bestek opgesteld en deze zijn goedgekeurd in het goedkeuringsbesluit. Vervolgens is SDW -bij een herstelbesluit- door de ODRA verplicht om fase II uiterlijk 30 juni 2028 uit te voeren. Volgens SDW hebben omwonenden bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat zij de termijn voor uitvoering van fase II te lang vinden.\n\n4.5.. Hieruit blijk dat zowel de ODRA als de omwonenden verwachten dat zo spoedig mogelijk een definitieve afdichtingslaag wordt aangebracht. Het aanbrengen van de definitieve afdichtingslaag is door SDW al vergaand voorbereid. De voorbereiding is een complex proces. SDW heeft verschillende samenhangende vergunningen aan moeten vragen, plannen moeten maken met deskundigen en het bevoegd gezag en er spelen belangrijke belangen van omstanders en het milieu. Van SDW kan niet verwacht worden, als dat al juridisch mogelijk zou zijn, dat zij dit plan weer intrekt om een bodemprocedure tegen ZE te gaan voeren. De vraag in hoeverre SDW ook een minder vergaande oplossing had kunnen aanbieden waarbij het zonnepark niet verwijderd had hoeven worden, doet verder niet af aan het spoedeisend belang dat SDW heeft op basis van het plan dat zij wel heeft ingediend.\n\nHet is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een situatie zoals door partijen bedoeld in artikel 5.3 onder h van de Akte van erfpacht\n\n4.6.. SDW stelt dat ZE uit hoofde van (primair) wanprestatie, (subsidiair) zaakwaarneming, (meer subsidiair) ongerechtvaardigde verrijking dan wel (uiterst subsidiair) onrechtmatige daad gehouden is om de zonnepanelen op eigen kosten te verwijderen. Ter onderbouwing van elk van deze rechtsgronden wordt door SDW als uitgangspunt genomen dat ZE op grond van artikel 5.3 sub h van de Akte van erfpacht contractueel verplicht is om de zonnepanelen te verwijderen. Als van dit uitgangspunt geen sprake is, vervalt de door SDW aangevoerde toepasselijkheid van elk van de rechtsgronden. Er wordt daarom eerst ingegaan op de vraag of voldoende aannemelijk is dat ZE op grond van artikel 5.3 sub h van de Akte van erfpacht gehouden is om de zonnepanelen op eigen kosten te verwijderen.\n\n4.7.. Partijen twisten over de vraag of SDW van overheidswege verplicht wordt om een definitieve afdeklaag aan te brengen. Volgens ZE heeft SDW gekozen voor het plaatsen van een definitieve afdeklaag. SDW had ook kunnen volstaan met het door Arcadis aangedragen alternatief waarbij zonnepanelen niet tijdelijk verwijderd hoeven te worden. In dat alternatief wordt een folielaag aangebracht onder de zonnepanelen en hoeven de zonnepanelen alleen opgetild te worden. Omdat SDW heeft gekozen voor een definitieve afdeklaag als oplossing, wordt zij nu verplicht om die definitieve afdeklaag aan te brengen. Die verplichting was er niet vooraf van overheidswege, aldus ZE. Volgens SDW hebben meerdere deskundigen, waaronder Arcadis zelf, geadviseerd om zo spoedig mogelijk een definitieve afdeklaag aan te brengen. Het aanbrengen van een folielaag brengt teveel risico’s met zich en is geen duurzame oplossing. SDW heeft getracht het aanbrengen van een definitieve afdeklaag uit te stellen, maar volgens de ODRA handelt SDW in strijd met de zorgplicht beschreven in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als zij niet op korte termijn de definitieve afdeklaag aanbrengt. SDW diende daarvoor een plan te maken en dat heeft zij gedaan. Dat plan is vervolgens door het goedkeuringsbesluit en herstelbesluit goedgekeurd en van een nakomingstermijn voorzien.\n\n4.8.. Niet ter discussie staat dat SDW gehouden is om te voorkomen dat het percolaat weglekt naar de bodem en\u002Fof zich op een andere manier verspreidt. Beantwoording van de vraag in hoeverre sprake is van een verplichting van overheidswege om dit te bewerkstelligen door een definitieve afdichtlaag kan echter in het midden blijven. Ook als daarvan sprake is, is onvoldoende aannemelijk dat artikel 5.3 van de Akte van erfpacht op deze situatie van toepassing is. Hieronder wordt dit nader toegelicht.\n\n4.9.. In artikel 5.1 van de Akte van erfpacht is opgenomen dat ZE ermee bekend is dat de erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is, die nog niet gesloten is verklaard en waarop een tijdelijke afdeklaag is aangebracht. Verder staat er dat ZE uitdrukkelijk de specifieke eigenschappen etc. van de erfpachtzaak accepteert en dat ZE accepteert dat zij een perceel in gebruik neemt dat vanwege de specifieke kenmerken van de locatie en de wettelijke bepalingen daaromtrent, onderhevig is, of kan worden, aan bepaalde wetgeving en\u002Fof publieke besluitvorming. Hieruit blijkt dat partijen de risico’s van het gebruik van een vuilstortplaats hebben willen regelen ten aanzien van de specifieke kenmerken van een vuilstortplaats.Niet blijkt dat door partijen was voorzien dat de slakkenlaag mogelijk problemen zou opleveren. Het enkele feit dat sec gezien de staalslakkenlaag de erfpachtzaak is, zoals SDW stelt, doet daar niet aan af. Uit onder andere de tekst ‘In dit kader verklaart de Erfpacht evenwel ermee bekend te zijn dat de Erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is.’ en ‘Op de Erfpachtzaak is een tijdelijke afdeklaag aanwezig’ blijkt dat in ieder geval in artikel 5 van de Akte van erfpacht met erfpachtzaak de vuilstortplaats wordt bedoeld.\n\n4.10.. De gestelde verplichting van SDW om de vuilstortplaats definitief af te dichten, vloeit niet voort uit de specifieke kenmerken van een vuilstortplaats, maar uit fouten gemaakt bij het aanleggen van de staalslakkenlaag. Enkel SDW heeft opdracht gegeven aan [adviesbureau 1] om een plan te maken. Het was de keuze van SDW om een tijdelijke afdeklaag aan te brengen (in tegenstelling tot een definitieve afdeklaag) en om daarvoor staalslakken te gebruiken. Vervolgens is de tijdelijke afdeklaag in opdracht van SDW aangelegd. ZE was hierbij niet betrokken. Ten slotte is het SDW die de verplichting op zich heeft genomen om voor eigen rekening en risico de afdeklaag aan te brengen (zie artikel 11 van de erfpachtovereenkomst en artikel 2.1 van de Akte van erfpacht). Uit artikel 5.3 van de Akte van erfpacht blijkt niet dat partijen de risico’s met betrekking tot de door SDW aangelegde staalslakkenlaag hebben willen verdelen. Uit de erfpachtovereenkomst en de Akte van erfpacht blijkt juist het tegendeel. Het feit dat overleg is geweest met ZE over het aanbrengen van de staalslakkenlaag doet daar niet aan af. De laag werd ten behoeve van het gebruik door ZE aangelegd, reden waarom ZE bij het proces wordt betrokken. Dat maakt niet dat ZE daarom mede de risico’s draagt voor gebreken bij de aanleg.\n\n4.11.. Voorgaande in acht genomen is zonder nader feitenonderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is, onvoldoende aannemelijk dat ZE contractueel verplicht is om op eigen kosten de zonnepanelen te verwijderen. De vorderingen van SDW worden daarom afgewezen.\n\n4.12.. SDW is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ZE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n10.487,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.853,00\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van SDW af,\n\n5.2.. veroordeelt SDW in de proceskosten van € 11.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SDW niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt SDW tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5165","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.469Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":51,"updatedAt":114},"1011","ECLI:NL:RBOBR:2026:3855","ecli-nl-rbobr-2026-3855","2026-06-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F586\n uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. V. Wösten),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, het college\n\n(gemachtigde: [naam] ).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam], uit [plaats] .\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank voor de tweede keer dat het college de afwijzing van een verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de varkenshouderij van de derde-partij onvoldoende heeft onderbouwd. Deze uitspraak is daarmee helaas een herhaling van zetten in de zoektocht naar een oplossing voor het probleem van de PAS-melders, een probleem dat zeven jaar geleden is ontstaan en dat de bestuursrechter niet kan oplossen. De rechtbank geeft de terugkoppeling aan de wetgever dat het de hoogste tijd is om gevolg te geven aan de verplichting op basis van artikel 22.21 van de Omgevingswet en zorg te dragen voor een betekenisvol programma met kans van slagen om de problematiek van de PAS-melders op te lossen. De rechtbank roept partijen op om in overleg te treden om zelf in dit geval een regeling te treffen.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft op 24 augustus 2021 het college verzocht om handhavend op te treden wegens het handelen in strijd met artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming. Het college heeft dit verzoek afgewezen in het besluit van 26 november 2021.\n\n2.1.. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, dat het college met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter behandeling als beroep aan de rechtbank heeft doorgezonden. In de uitspraak van 16 februari 2022heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 november 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is onherroepelijk.\n\n2.2.. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 20 januari 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen (het bestreden besluit), waarbij het college het bezwaar ongegrond heeft verklaard en het afwijzingsbesluit onder aanpassing van de motivering in stand heeft gelaten.\n\n2.3.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Namens de derde-partij zijn verschenen [naam] en [naam] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten\n\n3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nDe derde-partij exploiteert een varkenshouderij aan [adres] te [woonplaats] . Het bedrijf ligt in de nabijheid van verschillende Natura 2000-gebieden waaronder het Natura 2000-gebied [naam] .\n\nHet bedrijf beschikt over een revisievergunning van 7 oktober 2014 voor meerdere stallen met een totale ammoniakemissie van 3.208,42 kg NH3\u002Fjr. Hierbij zijn ook verklaringen van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven door het college en door het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg. Op 15 februari 2016 heeft het bedrijf een melding op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ingediend. Dit hield verband met het (in afwijking van de eerdere revisievergunning) volledig traditioneel huisvesten van 1.706 biggen. Dit resulteert in een totale emissie van 3.856,42 kg NH3\u002Fjr. Het college heeft deze melding geaccepteerd, omdat de stikstofdepositie onder de toen geldende wettelijke grenswaarde (1 mol\u002Fha\u002Fjr) bleef. Op 29 november 2016 is hiervoor ook een omgevingsvergunning verleend.\n\nOp 29 mei 2019 verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) onverbindend, omdat het PAS niet voldeed aan de eisen in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn (richtlijn 92\u002F43\u002FEEG). Dat betekende dat voor activiteiten die waren gemeld onder die regeling alsnog een vergunning op basis van de Wnb (de natuurvergunning) nodig was. Zo ook voor het bedrijf van de derde-partij.\n\nOp 22 april 2021 heeft het bedrijf bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een verzoek tot legalisatie ingediend.\n\nOp 24 augustus 2021 heeft eiseres het college verzocht handhavend op te treden tegen 50 bedrijvenlocaties, waaronder het bedrijf van de derde-partij. Naar aanleiding hiervan heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant op 22 november 2021 een controle uitgevoerd. Ook op 24 juli 2024 heeft de Omgevingsdienst een controle bij het bedrijf van de derde-partij uitgevoerd.\n\nBeoordeling beroepsgronden\n\n4. Eiseres stelt vast dat door de gewijzigde uitvoering van stal 1 sprake is van een toename van ammoniakemissies zonder de daarvoor benodigde natuurvergunning. De PAS-melding die is gedaan in verband met de gewijzigde uitvoering van de stal heeft geen betekenis meer. Dus is sprake van een overtreding van artikel 2.7 van de Wnb. De staat van instandhouding in het Natura 2000-gebied [naam] is slecht met een zeer forse overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) bij het natuurtype “Herstellend hoogveen”. Er is geen concreet zicht op legalisatie. Dit kan niet worden gevonden in het legalisatieprogramma voor PAS melders. Het college heeft de cumulatieve effecten niet onderzocht.\n\n4.1.. Onder verwijzing naar drie uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2024maakt het college in het bestreden besluit een belangenafweging tussen het bedrijfsbelang van de PAS-melder en het natuurbelang. Omdat de depositie volgens het college gering is en zich tijdelijk voordoet, namelijk tot maximaal medio 2025 (wanneer het bedrijf in aanmerking zou moeten komen voor een legalisatietraject wat betreft de natuurvergunning), weegt het college het bedrijfsbelang van de derde-partij zwaarder. Het college kwantificeert dit met een berekening van de periode waarin het instandhoudingsdoel in 2030 is bereikt conform de doelstelling in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) als deze tijdelijke emissie niet plaatsvindt. Het college berekent een tijdswinst van minder dan 1 uur in 2030 bij handhavend optreden.\n\n4.2.. De derde-partij vraagt aandacht voor haar kant van het verhaal. Zij heeft destijds gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheden en niet geïnvesteerd in een stalsysteem omdat zij een PAS-melding kon doen. Nu voelt ze zich daar achteraf voor bestraft. Ze staat met de rug tegen de muur, want het bedrijf kan niet zomaar minder biggen gaan houden. Het achteraf aanbrengen van het stalsysteem is veel duurder en bovendien in strijd met de Omgevingsverordening Noord-Brabant waarin bij nieuwbouw andere emissiearme stalsystemen worden voorgeschreven. Zij wil (mede vanuit dierenwelzijn) investeren in een nieuwe stal, maar heeft daarvoor een nieuwe natuurvergunning nodig en het college verleent nu geen natuurvergunningen. Zij verkeert sinds 2019 in onzekerheid en ze wil een stip aan de horizon om naartoe te werken.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraken van 28 februari 2024 uiteengezet dat er ruimte kan bestaan om tijdelijk af te zien van handhavend optreden tegen PAS-melders, mits het college kan motiveren dat er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van de PAS-melders en het natuurbelang. Over de eisen die aan deze motivering worden gesteld overwoog de Afdeling onder 1.6 van deze uitspraken: “De Afdeling ziet echter in (1) de individuele belangen van de PAS-melders, (2) de rechtszekerheid die PAS-melders aan het PAS-regime mochten ontlenen, (3) de verschillende uitlatingen van de overheid na de PAS-uitspraak dat PAS-melders zullen worden gelegaliseerd, (4) het legalisatieprogramma dat ervan uitgaat dat medio 2025 alle PAS-melders een natuurvergunning kunnen aanvragen, en (5) het feit dat het legalisatieprogramma in uitvoering is en de bedrijven daarin de mogelijke stappen hebben ondernomen, bijzondere omstandigheden die voor het college aanleiding kunnen zijn om handhavend optreden onevenredig te achten in verhouding tot het natuurbelang en tot medio 2025 af te zien van handhavend optreden. Of daadwerkelijk kan worden afgezien van handhavend optreden, kan het college echter pas beoordelen nadat het de vraag heeft beantwoord of er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van de PAS-melders en de belangen die worden gediend met handhavend optreden (het natuurbelang). Hiervoor is nodig dat de gevolgen van het niet handhavend optreden voor de natuur in beeld zijn en zijn afgewogen voor tenminste dezelfde periode, dus tot uiterlijk medio 2025. Aan het natuurbelang kan in die afweging tegemoet worden gekomen door het treffen van maatregelen. Als daarvoor wordt gekozen dan moeten die maatregelen ten minste gelden tot medio 2025. Wanneer die maatregelen inhouden dat bepaalde activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken stoppen, moet vaststaan dat in die periode de activiteiten die zijn betrokken in de maatregelen, niet kunnen worden hervat.”\n\n4.4.. Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijf van de derde-partij in werking is in afwijking van de omgevingsvergunning uit 2014 en dat het bedrijf in overtreding was van artikel 2.7 van de Wnb (thans artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet).\n\n4.5.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit de individuele belangen van de derde-partij niet in kaart zijn gebracht. Dit had het college wel moeten doen. Daarnaast is in het bestreden besluit geen aandacht besteed aan de staat van instandhouding van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De waardering van dit belang vergt meer dan een abstracte berekening van de tijdswinst die kan worden geboekt met handhavend optreden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in rechtsoverweging 9.3 van de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024.\n\nBovendien is het bestreden besluit gebaseerd op de veronderstelling dat medio 2025 sprake zal zijn van een concreet zicht op legalisatie. Eisers hebben dit terecht in twijfel getrokken want dat concreet zicht op legalisatie was er niet medio 2025. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde hetzelfde in rechtsoverweging 3.2.3.8 van het arrest van 17 februari 2026: “Op grond van voormeld artikel is op 28 februari 2022 het Legalisatieprogramma PAS-meldingen vastgesteld. [X B.V] heeft een aanvraag tot legalisatie gedaan. Na afloop van de periode van 3 jaar, op 28 februari 2025, heeft dit programma voor veel PAS-melders, waaronder [X B.V], niet tot legalisatie van hun activiteiten (projecten) geleid omdat er te weinig stikstofruimte beschikbaar was om de activiteiten van alle PAS-melders te legaliseren als bedoeld in artikel 22.21. Ow.”Het bestreden besluit is om deze drie redenen onvoldoende gemotiveerd.\n\n5. Eiseres stelt dat de feitelijke werking van de luchtwassers in de overige stallen ten onrechte niet is gecontroleerd.\n\n5.1.. \n\nIn het handhavingsverzoek is verzocht om op te treden tegen het in werking zijn van het bedrijf zonder natuurvergunning. Er is niet verzocht om op te treden tegen het in werking zijn van het bedrijf in afwijking van de revisievergunning uit 2014 met de bijbehorende verklaringen van geen bedenkingen. Anders dan eiseres stelt, valt dit ook niet in het handhavingsverzoek te lezen. In de uitspraak van 16 februari 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in het verzoek van eiseres geen aanleiding heeft hoeven zien om de werking van de combiluchtwassers te controleren. Eiseres heeft tegen dit onderdeel van de uitspraak geen hoger beroep ingesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit oordeel terug te komen. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.\n\n6.1.. Desgevraagd heeft de derde-partij ter zitting toegelicht welke aanpassingen moeten worden gedaan aan het bedrijf om in werking te zijn conform de omgevingsvergunning van 2014. Het aanbrengen van het daarin genoemde systeem in stal 1 (mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem, stalsysteem BWL 2006.07.V1) vergt een aanzienlijke investering en is bovendien in afwijking van artikel 3.99 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, omdat dit systeem niet wordt genoemd in bijlage VI. Het college heeft echter niet kunnen aangeven welke betekenis wordt gehecht aan dit belang.\n\n6.2.. De rechtbank gaat ervan uit dat het college het natuurbelang en de staat van instandhouding van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, zoals die worden beschreven in de verschillende natuurdoelanalyses en adviezen van de Ecologische Autoriteit en de daaruit voortvloeiende noodzaak om herstelmaatregelen te treffen, onderschrijft. De slechte staat van diverse Natura 2000-gebieden is in meerdere uitspraken van deze rechtbank vastgesteld.Het college heeft niet kunnen aangeven welke betekenis wordt gehecht aan dit belang.\n\n6.3.. Op basis van artikel 22.21 van de Omgevingswet is de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gehouden om, uit een oogpunt van rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies, zorg te dragen voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Bnb, zoals dat luidde op 28 mei 2019. Hiervoor dient de Minister vóór 1 mei 2026 een programma vast te stellen met maatregelen om de in het eerste lid bedoelde projecten te legaliseren. Het programma bevat primair gerichte maatregelen voor het verminderen van stikstofemissie. De in het programma opgenomen maatregelen worden uitgevoerd vóór 1 maart 2028. Het college heeft ter zitting gewezen op een conceptprogramma dat op 17 april 2026 ter consultatie ter inzage is gelegd. Verder heeft het college bevestigd dat de verplichting in artikel 22.21 van de Omgevingswet in combinatie met het programma niet zou leiden tot een ander besluit dan het bestreden besluit. Gelet op de korte termijn voor de zitting hebben partijen hier niet op kunnen reageren. Bovendien is het geen definitief programma en worden er slechts algemene oplossingsrichtingen in voorgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding het conceptprogramma te betrekken bij deze procedure.\n\n6.4.. De rechtbank ziet in de hierboven genoemde omstandigheden geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of het college in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Er is ook overigens geen enkele aanleiding voor het bieden van een ruime hersteltermijn of een handhavingsmoratorium als in de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024.De rechtbank ziet nu geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het college krijgt nogmaals de opdracht om een nieuw (inmiddels derde) besluit te nemen op het verzoek van eiseres. Het is inmiddels bijna 7 jaar geleden dat artikel 2.12 van het Bnb onverbindend werd verklaard. De rechtbank draagt het college op dit besluit te nemen binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak. De rechtbank gaat ervan uit dat dit het laatste besluit zal zijn.\n\n6.5.. Deze uitspraak is een herhaling van zetten. Partijen en de natuur komen hiermee niet dichterbij een oplossing en er komt geen stip op de horizon. Deze uitspraak verschilt daarmee niet met uitspraken van andere rechtbanken.De rechtbank geeft de terugkoppeling aan de wetgever dat het de hoogste tijd is om gevolg te geven aan artikel 22.21 van de Omgevingswet en zorg te dragen voor een betekenisvol programma met kans van slagen.\n\n6.6.. De rechtbank roept partijen wel op om met elkaar in overleg te gaan over een oplossing in deze zaak. Ten behoeve van dit overleg geeft de rechtbank partijen het volgende mee voor het overleg over hun rechtspositie en opstelling bij dit overleg.\n\nIn intrekkingszaken, waaronder de eerdergenoemde uitspraak van 16 april 2025, heeft de rechtbank overwogen dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet absoluut is maar wordt beperkt door artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.. De rechtbank is bovendien bekend met het feit dat eiseres in andere zaken zich bereid heeft verklaard om water bij de wijn te doen als er maar maatregelen worden genomen. Dit is onder meer het geval in de zaak SHE 25\u002F579 waar vandaag om die reden een tussenuitspraak wordt gedaan. Overleg kan een snellere route zijn naar het door eiseres gewenste natuurherstel.\n\nIn navolging van rechtsoverweging 3.20 van het eerdergenoemde arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch wijst de rechtbank de derde-partij erop dat de vrijheid van ondernemerschap en het recht op ongestoord genot van eigendom niet onbeperkt zijn, maar worden beperkt door artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Van de derde-partij mag dus enige inspanning worden verwacht, zeker nu de wetgever en de rechtspraak geen aanleiding hebben gezien voor een generaal pardon voor PAS-melders.\n\nHet college heeft er terecht op gewezen dat het aan de landelijke wetgever is om stappen te maken in dit traject, maar de provincie Noord-Brabant heeft ook strenge eisen gesteld aan de stalsystemen van nieuwe stallen in artikel 3.99 van de Omgevingsverordening. Dit beperkt de derde-partij bij het renoveren van stal 1. Het college is wel het bevoegd gezag bij de verlening van de (eventueel) noodzakelijke natuurvergunning ter legalisatie.\n\n6.7.. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet het college de door eiseres betaalde griffierechten vergoeden. Zij krijgt ook een vergoeding van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank;\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt het college op een nieuw besluit te nemen binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 385,00 aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2022:670\n\n ECLI:NL:RVS:2024:844, ECLI:NL:RVS:2024:852 en ECLI:NL:RVS:2024:838\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2051\n\n ECLI:NL:GHSHE:2026:364\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2327\n\n ECLI:NL:RVS:2022:4923\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:1141)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3855","2026-06-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.941Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":119,"fullText":120,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":122,"parsedAt":51,"updatedAt":123},"1010","ECLI:NL:RBOBR:2026:3621","ecli-nl-rbobr-2026-3621","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 25\u002F3318 OWHAND SHE 25\u002F3647 OWHAND\n uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,het college\n\n(gemachtigden: P. Hoefnagels, R. Adriaens en P. Thijssen).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over drie aan eiseres opgelegde lasten onder dwangsom in verband met overtredingen van haar afvalstoffenbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] . De uitspraak gaat ook over de invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal € 1.000.000,- wegens overtreding van de eerste last. Eiseres is het niet met deze besluiten eens en heeft daarom beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank komt tot het oordeel dat de drie lasten onder dwangsom rechtmatig zijn. De herstelmaatregelen zijn bij de derde last echter te dwingend geformuleerd. De rechtbank vernietigt dat onderdeel van het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand omdat inmiddels duidelijk is dat het eiseres vrij staat om een keuze te maken voor herstelmaatregelen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is ongegrond.\n\nOnder 1. staat het procesverloop. Onder 2. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling van de lasten onder dwangsom staat onder 3. tot en met 5. Onder 6. staat de beoordeling van het invorderingsbesluit. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 2 april 2025 heeft het college aan eiseres drie lasten onder dwangsom opgelegd voor haar afvalstoffenbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] , te weten: I. Partijen shredderresidu. Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t\u002Fm c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door alle partijen shredderresidu die ten tijde van dit besluit nog aanwezig zijn (ca. 5.700 ton) volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar\u002Fverwerker. Wanneer na 14 mei 2025 wordt geconstateerd dat er nog shredderresidu op het terrein van het bedrijf van eiseres aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van € 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,-.\n\nII. Bodemlozing bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater langs het bedrijf nabij de N279. Eiseres dient een herhaling van overtreding van artikel 2.11, eerste lid, a t\u002Fm c van het Bal te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door de partij shredderresidu die nu tegen de ommuring ligt en natgehouden werd, zodanig ver van de muur af te halen dat water dat uit de partij shredderresidu vrijkomt niet meer door de ommuring in de bodem loopt. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater van het terrein door de ommuring van het bedrijf in de bodem uitspoelt, wordt een dwangsom verbeurd van € 15.000,- per etmaal waarop een herhaling van de overtreding wordt vastgesteld tot een maximum te verbeuren bedrag van € 60.000,-.\n\nIII. Afvoeren van afvalwater anders dan via het gemeentelijk riool. Eiseres dient herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij doen door bijvoorbeeld bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert met een maximum te verbeuren dwangsom van € 300.000,-.\n\nEiseres mag weer afvalwater van het bedrijf op het rioolstelsel lozen zodra zij heeft aangetoond dat de kwaliteit van het afvalwater daaraan niet in de weg staat. Daarvoor zal tenminste nodig zijn dat de partijen shredderresidu volledig weg zijn. Het college laat zich adviseren door het waterschap om te bepalen of de afvalwaterkwaliteit acceptabel is.1.1.. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.1.2.. Bij brief van 13 mei 2025 heeft eiseres het college verzocht om de begunstigingstermijn van de last onder I op te schorten dan wel te verlengen omdat zij niet in staat is om voor het aflopen van de begunstigingstermijn al het shredderresidu af te voeren.1.3.. Bij uitspraak van 2 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening gedeeltelijk toegewezen.\n\n1.4.. \n\nMet het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college last II ongewijzigd gehandhaafd. Het college heeft de lasten I en III als volgt aangepast: I. Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t\u002Fm c van het Bal te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan bijvoorbeeld door alle partijen shredderresidu die ten tijde van het besluit in primo aanwezig waren, volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar\u002Fverwerker. Het college verwijst hierbij ook naar het plan van aanpak dat is verstrekt op 7 februari 2025, waarbij ook een plattegrond is meegestuurd waarop de partijen shredderresidu zijn weergegeven. Het college gaat ervan uit dat op het moment van verzenden van het besluit in primo nog ca. 5.700 ton shredderresidu af te voeren valt. Het college gaat er daarnaast van uit dat 1.000 ton per week afvoeren mogelijk is. Wanneer het college na 23 juli 2025 overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van het Bal constateert en er in zoverre nog shredderresidu als hiervoor bedoeld op het terrein van het bedrijf aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van € 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,- (4 dwangsommen). De opslag van nieuwe partijen shredderresidu die na 2 juli 2025 binnenkomen, is toegestaan mits deze afzonderlijk worden opgeslagen, niet worden vermengd met andere partijen en overeenkomstig de omgevingsvergunning worden geregistreerd. Als dit laatste niet gebeurt, dan wordt het shredderresidu geacht deel uit te maken van de partij shredderresidu die er vóór 3 juli 2025 lag en waar de last op ziet. De bewijslast hiervoor ligt bij eiseres.\n\nIII. Eiseres dient overtreding van voorschrift 3.1.1 van haar omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer het college na 9 april 2025 constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,- (6 dwangsommen). Eiseres mag weer afvalwater op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen, is gereinigd. Wanneer eiseres er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres hebben medegedeeld dat hij met de getroffen maatregelen instemt. Verder heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 23 juli 2025.\n\n1.5.. Met het besluit van 24 oktober 2025 heeft het college besloten de wegens overtreding van last I verbeurde dwangsommen, ten bedrage van € 1.000.000,- in te vorderen (het invorderingsbesluit).\n\n1.6.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 21 oktober 2025. Dit beroep is geregistreerd als SHE 25\u002F3318.\n\n1.7.. Het college heeft het door eiseres tegen het invorderingsbesluit ingediende bezwaarschrift ter behandeling als beroep doorgezonden aan de rechtbank. Omdat het beroep tegen de lasten onder dwangsom van rechtswege ook wordt aangemerkt als beroep tegen het invorderingsbesluit, beschouwt de rechtbank het door het college doorgezonden bezwaarschrift tegen het invorderingsbesluit als aanvullend beroepschrift. Dit is bij de rechtbank geregistreerd als SHE 25\u002F3647.1.8.. Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht om het invorderingsbesluit te schorsen. Bij uitspraak van 24 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het invorderingsbesluit bij wijze van ordemaatregel geschorst. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat partijen worden uitgenodigd op een nader te bepalen zitting om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.1.9.. Het college heeft op het beroep van eiseres en op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.10.. Eiseres heeft op 19 en 26 februari 2026 nadere stukken ingediend.1.11. De rechtbank heeft de beroepen op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] (voor eiseres) en [naam] (voor eiseres) en de gemachtigden van het college. De zitting heeft in het openbaar plaatsgevonden. Op verzoek van eiseres heeft de rechtbank de deuren alleen gesloten voor de behandeling van gegevens over de financiële positie van het bedrijf.\n\n Feiten en omstandigheden\n\n2. Eiseres exploiteert aan de [adres] in [vestigingsplaats] een bedrijf dat handelt in metaal, afkomstig van metaalschroot dat ter plaatse wordt opgeslagen en verwerkt. Op het buitenterrein wordt onder meer shredderresidu afkomstig uit metaalrecycling opgeslagen. Het bedrijf ligt op een bedrijventerrein en wordt begrensd door de spoorlijn [vestigingsplaats] aan de zuidzijde, de provinciale wegen [nummer] aan de noordzijde en de [nummer] aan de westzijde en een bedrijfshal voor logistieke doeleinden aan de oostzijde.2.1.. Het college heeft voor de gehele inrichting van eiseres op 8 juni 2021 een (revisie) omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning is aan te merken als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van de Omgevingswet.2.2.. Er zijn meerdere controles uitgevoerd door toezichthouders van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (de ODZOB).\n\nOp 23 oktober 2024 heeft een toezichthouder een sterke chemische (plastic)geur ter hoogte van het bedrijf van eiseres waargenomen.\n\nOp 20 november 2024 is vastgesteld dat onder meer aan de voet van het grote depot met shredderresidu, aan de noord- en noordoostzijde, sprake is geweest van brand. Deze brand is door eiseres zelf gedoofd door het met een shovel uit de opslag weg te nemen.\n\nIn een brief van 14 januari 2025 heeft het college eiseres medegedeeld dat de ODZOB tijdens op 8 en 20 november 2024 gehouden controles heeft vastgesteld dat op het terrein van het bedrijf van eiseres shredderresidu (circa 40.000 m3) werd opgeslagen waarin een brandonveilige situatie als gevolg van broei is ontstaan. Hierbij is onder meer vastgesteld dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein wordt overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende worden gescheiden en gescheiden bewaard.\n\nOp 31 januari 2025 is na een melding van geuroverlast door een toezichthouder broei in afvalbergen van het bedrijf geconstateerd.\n\nOp 7 februari 2025 heeft eiseres op verzoek van de ODZOB een afvoerplan voor het shredderresidu aangeleverd. Op 24 februari 2025 is eiseres gestart met afvoeren.\n\nOp 14 februari 2025 heeft een periodieke controle ter plaatse door een toezichthouder plaatsgevonden. Er zijn sporen van brand en broei geconstateerd (locatie B). In het gesprek tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] is, in gezamenlijkheid, de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.2.3.. Bij brief van 21 februari 2025 heeft het college aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een last onder dwangsom om herhaling te voorkomen van overtreding van artikel 5.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Omgevingswet en (1) voorschrift 2.2.1 van de omgevingsvergunning door het verspreid raken van foliesnippers buiten het terrein van het bedrijf, (2.) voorschrift 8.1.1 van de omgevingsvergunning door het veroorzaken van geur buiten de grenzen van het bedrijf door het opslaan van shredderresidu. Eiseres heeft een zienswijze ingediend tegen dit voornemen.\n\n2.4.. Hierna zijn opnieuw meerdere controles uitgevoerd door toezichthouders van de ODZOB.\n\nOp 14 en 15 maart 2025 heeft een controle door een toezichthouder plaatsgevonden. Op deze data hebben zich twee branden voorgedaan in een partij shredderresidu op het terrein van het bedrijf (locatie B).\n\nBij e-mail van 21 maart 2025 heeft eiseres melding gedaan van de ongewone voorvallen. Zij heeft hierbij aangegeven dat de partij waar tweemaal brand is geweest, preventief wordt natgehouden. Ook heeft eiseres aangegeven dat 1.000 ton materiaal per week zal worden afgevoerd naar erkende afvalverwerkers en dat zal worden gestreefd naar 1.250 ton per week.\n\nOp 19, 22 en 23 maart 2025 hebben opnieuw controles plaatsgevonden. Omdat hierbij is geconstateerd dat het afvloeiende, mogelijk ernstig verontreinigde, blus- en koelwater richting de nabijgelegen rioolput stroomde, heeft de toezichthouder eiseres gesommeerd het lozen op het gemeentelijk riool te staken totdat de waterkwaliteit is onderzocht en het waterschap akkoord geeft voor hervatting.\n\nOp 24 maart 2025 heeft een toezichthouder bij een schouw aan de buitenzijde van het terrein geconstateerd dat langs de afscheidingsmuur ter hoogte van depot B een aanzienlijke hoeveelheid afvalwater onbeschermd in de bodem is geïnfiltreerd. Het betreft met name koel- en bluswater. Het bedrijf heeft geen maatregelen getroffen om dit te voorkomen. Er zijn ook monsters genomen van het afvalwater.2.5.. Bij e-mail van 26 maart 2025 heeft het waterschap Aa en Maas de ODZOB meegedeeld dat het betreffende afvalwater giftig is voor het bacteriële zuiveringsproces van de RWZI. Dat blijkt uit de uitslagen van de genomen monsters. Het waterschap deelt mee dat het afvalwater van eiseres niet kan worden ontvangen.\n\n2.6.. Bij het besluit van 2 april 2025 (het dwangsombesluit) heeft het college de drie lasten onder dwangsom aan eiseres opgelegd.\n\n2.7.. Op 12 mei 2025 heeft het college eiseres op haar verzoek een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het plaatsen van een nieuwe zeefinstallatie. Het college heeft met dit besluit ook enkele voorschriften (2.2.1, 7.2.1 en 7.2.2) van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021 ambtshalve gewijzigd en voorschriften toegevoegd met betrekking tot het voldoen aan de BBT-conclusies voor afvalbehandeling met betrekking tot het aspect milieubeheersysteem en geluid.\n\n2.8.. \n\nBij e-mail van 16 mei 2025 heeft eiseres het college meegedeeld dat zij na 15 april 2025 de volgende acties heeft uitgevoerd:\n\n• het reinigen en leegpompen van haar bedrijfsriolering waar bluswater in aanwezig was;\n\n• het afvoeren van dit afvalwater naar een erkend verwerker;\n\n• het laten uitvoeren van de monstername (24 april 2025) en de analyse van het water in het bedrijfsriool na leegpompen\u002Freiniging na een regenbui.\n\nEiseres vraagt het college in deze e-mail om het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool te mogen hervatten.\n\n2.9.. Bij e-mail van 23 mei 2025 heeft de ODZOB eiseres laten weten dat nog niet kan worden ingestemd met het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool.\n\n2.10.. Bij brief van 11 juli 2025 heeft het college eiseres, conform het advies van het waterschap Aa en Maas meegedeeld dat zij lozing van afvalwater op het riool mag hervatten zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het riool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het was opgeslagen is gereinigd. Wanneer eiseres ervoor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres meegedeeld hebben dat het met de getroffen maatregelen instemt. Het college houdt er onverkort aan vast dat het shredderresidu op 23 juli 2025 moet zijn afgevoerd.\n\n2.11.. Na afloop van de voor last I gestelde begunstigingstermijn heeft het college op 24 juli 2025, 1 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 19 augustus 2025 controles laten verrichten. Hierbij is telkens geconstateerd dat niet werd voldaan aan last I. Dit heeft geleid tot het invorderingsbesluit.\n\nOordeel van de rechtbankLast I: afvoer shredderresidu\n\nIs sprake van een overtreding van de specifieke zorgplicht?\n\n3. Volgens eiseres is het college niet bevoegd handhavend op te treden wegens schending van de in artikel 2.11 van het Bal neergelegde zorgplicht. Het opslaan van shredderresidu is vergund in voorschrift 2.3.1 van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021. In die vergunning zijn voorschriften gesteld om geur-, broei- en brandgevaar te voorkomen en te beperken (voorschrift 8.1.2). Eiseres houdt zich hieraan. Als het college dit onvoldoende acht, had het op de weg van het college gelegen extra voorschriften hierover op te nemen in de vergunning. De zorgplicht is niet bedoeld voor situaties waarin een vergunning had kunnen (en moeten) voorzien. Daarbij komt dat eiseres met extra maatregelen die zij heeft getroffen en nog altijd treft om geurhinder en brand- en broeigevaar te voorkomen dan wel te beperken, invulling geeft aan haar zorgplicht. Sinds het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom tot en met 18 december 2026 is ruim 11.458 ton shredderresidu afgevoerd. De nog aanwezige partijen worden gezeefd, waarbij de fijne fractie wordt gescheiden van de grovere fractie. Als de temperatuur van het residu oploopt, worden de partijen nat gehouden. Er is een brandwacht ingesteld die dit 24\u002F7 controleert en bijhoudt in een logboek. Van schending van artikel 2.11 van het Bal is volgens eiseres geen sprake, laat staan van een evidenteschending.\n\n3.1.. \n\nHet college erkent dat de opslag van shredderresidu is vergund. Dat geldt echter niet voor de nadelige gevolgen die voor de fysieke leefomgeving (zijn) ontstaan door de opslag van shredderresidu waarin zich broei en branden manifesteerden. De vergunningvoorschriften hebben betrekking op het voorkomen van broei, maar in de vergunning is niet geregeld wat te doen als broei en brand eenmaal is ontstaan. De specifieke zorgplicht werkt aanvullend naast vergunningvoorschriften en algemene regels en leent zich volgens het college juist bij uitstek om niet vergunde nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving spoedig te doen beëindigen. Als eenmaal brand is ontstaan in het shredderresidu, waardoor nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan en blijven voortduren én de kans bestaat op een nieuwe brand, schieten de vergunningvoorschriften tekort. Handhaven wegens handelen in strijd met de in artikel 2.11 Bal opgenomen specifieke zorgplicht is dan volgens het college gerechtvaardigd. De “extra” maatregelen waarop eiseres doelt zoals temperatuurmetingen en het bijhouden van een logboek, zijn geen maatregelen om de nadelige gevolgen van broei en brand te beëindigen, maar maatregelen om broei en brand te voorkomen. Die maatregelen moeten al worden getroffen op grond van de vergunning (voorschrift 8.1.2).\n\nNaast geuroverlast, heeft de broei en brand ertoe geleid dat er blusactiviteiten hebben plaatsgevonden en een waterscherm in gebruik is geweest. Hierdoor hebben schadelijke, zo niet zeer zorgwekkende, emissies plaatsgevonden naar lucht, water en bodem. Eiseres heeft ook elders een onderneming gehad ( [naam] ), waar hetzelfde materiaal werd opgeslagen en waarin ook branden hebben plaatsgevonden. Zij had dan ook redelijkerwijs kunnen weten dat hier nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving door (kunnen) ontstaan. Ook had zij volgens het college kunnen weten dat alleen met het zo snel mogelijk afvoeren van de betreffende partijen shredderresidu de schadelijke emissies zo snel als mogelijk konden worden beëindigd.\n\n3.2.. Op grond van artikel 2.11 van het Bal is degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, verplicht a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\nOp grond van het tweede lid van artikel 2.11 houdt deze zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; (…) d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.\n\nIn artikel 2.13 van het Bal wordt de bevoegdheid gegeven om maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften te stellen over onder meer artikel 2.11 van het Bal.3.3.. De rechtbank stelt voorop dat eiseres beschikt over een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Handhaving van de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal komt in dat geval alleen in beeld als de omgevingsvergunning geen specifieke voorschriften bevat voor een bepaald milieuaspect, bij ongebruikelijke activiteiten, in bijzondere omstandigheden, of als de (doel- en middel)voorschriften ontoereikend zijn om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Uit een oogpunt van rechtszekerheid moet deze aanvullende werking van de specifieke zorgplicht naar het oordeel van de rechtbank beperkt worden opgevat als voor een bepaald milieuaspect specifieke (doel- of middel)voorschriften zijn gesteld en een vergunninghouder de activiteiten op de gebruikelijke wijze uitoefent. Een overtreding op grond van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 Bal kan naar het oordeel van de rechtbank alleen aan de orde zijn als hetzelfde resultaat niet kan worden bereikt met een voorschrift dat al aan de omgevingsvergunning is verbonden.3.4.. Als overtreding van de specifieke zorgplicht aan de orde is, moet voor de vergunninghouder redelijkerwijs zijn te voorzien wat de overtreding in een concreet geval inhoudt.Als er voldoende tijd is, kan dat door de vergunninghouder te laten weten wat van hem wordt verwacht, in overleg te treden over ongedaanmaking van de overtreding, een maatwerkvoorschrift (in het vooruitzicht) te stellen of een (ontwerp voor) wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning kenbaar te maken. De nadelige gevolgen van een overtreding van de specifieke zorgplicht kunnen in een concrete situatie echter meebrengen dat daar niet op kan worden gewacht. Dan is de vraag aan de orde of directe handhaving op grond van overtreding van de specifieke zorgplicht mogelijk is.\n\n3.5.. Directe handhaving op de specifieke zorgplicht is naar het oordeel van de rechtbank mogelijk bij evidente overtredingen. De activiteit moet evident in strijd zijn met de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal.Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht is niet gerechtvaardigd als de betrokkene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht. De rechtbank wijst ter onderbouwing op de wetsgeschiedenis van de Omgevingswet en het Bal.\n\n3.6.. Het college heeft lasten onder dwangsom opgelegd omdat broei en brand was ontstaan in het shredderresidu. Dat veroorzaakte volgens het college dusdanig nadelige gevolgen voor het milieu, dat het shredderresidu zo snel mogelijk moest worden verwijderd. Gelet op de aanvullende werking van de zorgplicht bespreekt de rechtbank eerst of het college de lasten had kunnen baseren op de overtreding van één of meer vergunningvoorschriften.\n\n3.7.. Op grond van voorschrift 2.3.1 van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021 is de opslag van bepaalde afvalstoffen toegestaan. Hieronder valt onder meer het shredderresidu. Uit voorschrift 2.2.4 volgt dat afvalstoffen maximaal één jaar mogen worden opgeslagen. Ten tijde van het dwangsombesluit lag het shredderresidu er nog niet langer dan één jaar. Deze voorschriften waren op dat moment niet overtreden en konden dus niet aan de lasten ten grondslag worden gelegd.\n\n3.8.. Voorschrift 2.5.2 van de omgevingsvergunning houdt in dat de hoogte van de opgeslagen afvalstoffen niet hoger mag zijn dan de ommuring ter plaatse van de opslag. Dit voorschrift kon ook niet aan de lasten ten grondslag worden gelegd omdat het college beoogt dat al het shredderresidu volledig wordt verwijderd, ongeacht de hoogte.\n\n3.9.. In de omgevingsvergunning zijn voorschriften gesteld om geur-, broei- en brandgevaar te voorkomen dan wel te beperken. Eiseres wijst op voorschrift 8.1.2. In dit voorschrift is echter niet geregeld wat moet worden gedaan nadatbroei en brand zijn ontstaan. Dat is ook niet geregeld in andere vergunningvoorschriften. De omgevingsvergunning biedt geen basis om eiseres te gelasten een partij shredderresidu waarin broei en brand is ontstaan versneld af te voeren om verdere milieuverontreiniging te voorkomen. De vergunningvoorschriften zijn naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Dat betekent dat de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in beeld komt. De stelling van eiseres dat de omgevingsvergunning had kunnen en moeten voorzien in voorschriften voor de situatie na het ontstaan van broei en brand, doet hieraan niet af. Als een onderwerp niet in de omgevingsvergunning is geregeld, dient de vergunninghouder de eisen van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in acht te nemen. De specifieke zorgplicht heeft hier een aanvullende werking.\n\n3.10.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank was ten tijde van het dwangsombesluit van 2 april 2025 sprake van een evidente schending van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.\n\nBij de op 8 en 20 november 2024 gehouden controle is geconstateerd dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein werd overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende werden gescheiden en gescheiden bewaard. Hierdoor is een brandonveilige situatie en ook daadwerkelijk brand ontstaan in de partijen shredderresidu die afkomstig zijn van het bedrijf [naam] van eiseres. Ook op 14 februari 2025 zijn sporen van brand en broei geconstateerd. Tijdens het gesprek dat toen heeft plaatsgevonden tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] hebben zij samen de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.\n\nNa de verkoop van [naam] op 18 februari 2025, is eiseres met de hierdoor vrijgekomen financiële middelen op 24 februari 2025 begonnen met het afvoeren van shredderresidu. Daarna zijn er nog branden geweest in het shredderresidu op 14 en 15 maart 2025, ten gevolge waarvan (nog meer) verontreiniging van zowel lucht, bodem als (riool)water heeft kunnen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht overwogen dat de opslag van shredderresidu, afkomstig van eiseresses toenmalige bedrijf [naam] , de broei en vervolgens de branden die erin zijn ontstaan, gepaard gaan met geuremissie en rookontwikkeling. Via de lucht zijn schadelijke stoffen in de leefomgeving terechtgekomen. Ook heeft het college terecht overwogen dat blus\u002Fkoelwater van het residu in de bodem infiltreert en dat via die route schadelijke - zo niet zeer zorgwekkende - stoffen in de bodem terecht zijn gekomen en\u002Fof terechtkomen en dat het water buiten de inrichting weglekt. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de opslag van het aanwezige shredderresidu nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft opgeleverd en een groot risico blijft opleveren voor de fysieke leefomgeving. In de gegeven omstandigheden was evident dat de partijen shredderresidu die aanwezig waren in november 2024 zo spoedig mogelijk hadden moeten worden afgevoerd. Dat was ten tijde van het dwangsombesluit op 2 april 2025 nog niet gerealiseerd. Het college heeft dan ook tot de conclusie mogen komen dat eiseres evident in strijd heeft gehandeld met de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Dat betekent dat het college bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs last I te verstrekkend?\n\n3.11.. Eiseres voert aan dat de herstelmaatregel, volledige afvoer van het shredderresidu, te verstrekkend is. Zij wijst erop dat de opslag van shredderresidu is vergund. Zij wijst ook op paragraaf 4.104 “Opslaan van goederen” van het voorkomen of te beperken.3.12.. Het college vindt de last niet te verstrekkend. Het materiaal moet al periodiek worden afgevoerd. De last vergt slechts dat het afvoeren eerder plaatsvindt. Als eenmaal broei en brand is ontstaan, is het niet mogelijk een minder verstrekkende maatregel op te leggen om de emissie van schadelijke stoffen te doen beëindigen, aldus het college.3.13.. De rechtbank acht het niet onevenredig dat het college, om te voorkomen dat opnieuw branden uitbreken, van eiseres verlangt dat zij alhet op dat moment aanwezige shredderresidu afvoert. Het college beoogt met last I te voorkomen dat opnieuw brand en broei in de partij shredderresidu uitbreken en dat (verdere) verontreiniging van lucht, bodem en riolering (water) plaatsvindt. Omdat zich al branden en broei hebben voorgedaan in deze partij shredderresidu, en dat gevaar voor de omgeving heeft opgeleverd, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de afvoer van de hele partij kunnen gelasten. Dat inmiddels door afvoer een kleinere partij ter plaatse resteert, maakt niet dat geen (nieuwe) branden en broei zouden kunnen ontstaan.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de begunstigingstermijn te kort?3.14.. De begunstigingstermijn is in het bestreden besluit verlengd van 15 mei 2025 naar 23 juli 2025. Eiseres voert aan dat de begunstigingstermijn nog steeds te kort is. Eiseres is niet in staat gebleken om al het shredderresidu voor 23 juli 2025 af te voeren. De afnemers konden in een bepaalde periode wekelijks maar een bepaalde hoeveelheid aan. Bovendien lieten de beschikbare financiële middelen geen grotere wekelijkse afvoer toe. Verder zijn in het afvoerplan van eiseres per abuis ook partijen verwerkingsmateriaal als residu vermeld. Na het opstellen van het plan is een veranderingsvergunning in werking getreden voor onder andere een zeef. Dat maakt het mogelijk om de aanwezige partijen metaalafvalstoffen ten behoeve van verdere verwerking te zeven. Ten tijde van het bestreden besluit (21 oktober 2025) was het aanwezige volume residu flink verminderd en waren er extra maatregelen getroffen. Daardoor waren er volgens eiseres geen milieubelangen (meer) in het geding die zich tegen een langere termijn verzetten.3.15.. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres in staat was om al het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren. Het college wijst erop dat eiseres in februari 2025 zelf een plan heeft opgesteld voor de afvoer van het shredderresidu. Hierin is een afvoerintensiteit opgenomen van circa 1.000 ton per week. Ook hierna hebben nog twee branden plaatsgevonden. Omdat de gevolgen voor de fysieke leefomgeving in ernstige mate toenamen, heeft het college verlangd om de volledige afvoer binnen afzienbare maar volgens het afvoerplan redelijke en haalbare termijn uit te voeren (1.000 ton per week). De ontvangers van het shredderresidu hebben bevestigd dat zij 1.000 ton per week kunnen ontvangen. Er zijn bovendien meerdere partijen die shredderresidu afnemen. Van het bedrijf mag worden verwacht dat het liquide middelen reserveert voor het afvoeren van restfracties. De veranderingsvergunning voor een zeef leidt er volgens het college niet toe dat de begunstigingstermijn te kort is.3.16.. Op grond van artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Dat is de zogeheten begunstigingstermijn. Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan nodig is om de overtreding te kunnen opheffen.3.17.. De begunstigingstermijn is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk kort. Het college heeft bij het bepalen van de begunstigingstermijn mogen uitgaan van de inschatting dat het mogelijk is om ongeveer 1.000 ton per week shredderresidu af te voeren. Hierbij heeft het college rekening mogen houden met het afvoerplan dat eiseres zelf heeft opgesteld. De twee afnemers van het shredderresidu hebben bevestigd dat afvoer van 1.000 ton per week mogelijk is. De stelling van eiseres dat de afnemers deze hoeveelheid in werkelijkheid niet kunnen verwerken, wijkt af van wat de afnemers hierover hebben meegedeeld. Eiseres heeft deze afwijkende stelling niet onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank daaraan voorbij. De stelling van eiseres dat zij onvoldoende liquiditeitsruimte had om het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren, slaagt niet. Het college heeft terecht naar voren gebracht dat van eiseres mag worden verwacht dat zij liquide middelen reserveert voor de vereiste afvoer van het shredderresidu. De inwerkingtreding van de veranderingsvergunning voor onder andere een nieuwe zeefinstallatie, leidt evenmin tot het oordeel dat de begunstigingstermijn te kort is. De veranderingsvergunning noodzaakt niet tot vertraging in de afvoer van het shredderresidu. Dat eiseres met behulp van de veranderingsvergunning andere keuzes wil maken bij de afvoer van het shredderresidu en daardoor meer tijd nodig zou hebben voor de afvoer, komt voor haar rekening en risico. De stelling van eiseres dat er na het afvoeren van een gedeelte van het shredderresidu geen milieubelangen meer zijn die zich tegen een langere termijn verzetten, slaagt niet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het college onder dwangsom verwijdering van de volledige partij shredderresidu mogen gelasten. De begunstigingstermijn mag niet langer worden gesteld dan noodzakelijk is om dat te realiseren.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de dwangsom onevenredig hoog?3.18. De hoogte van de dwangsom van € 250.000,- per keer en € 1.000.000,- in totaal is volgens eiseres niet evenredig. Het college heeft de dwangsom aan de hoge kosten van afvoeren van de afvalstoffen gekoppeld. Dat kan alleen als er een voordeel voor eiseres bestaat bij het niet afvoeren. Dat voordeel is er niet omdat de afvalstoffen volgens voorschrift 2.2.4 sowieso binnen één jaar moeten worden afgevoerd. Bovendien mag eiseres de stoffen volgens de omgevingsvergunning opslaan. De dwangsom van € 1.000.000,- staat volgens eiseres niet in verhouding tot de overtreding en zij is ook niet in staat om dit bedrag te voldoen.\n\n3.19.. Het college heeft de hoogte van de dwangsom gekoppeld aan de kosten van afvoer. Van de dwangsom moet een prikkel uitgaan om overtredingen te beëindigen zonder dat dwangsommen worden verbeurd. Een erkende ontvanger\u002Fverwerker hanteert een tarief van ongeveer € 142,- per ton. Volgens het college moest ten tijde van het handhavingsbesluit nog ongeveer 5.700 ton shredderresidu worden afgevoerd. De kosten daarvan zijn 5.700 x € 142,- = € 809.400,-. Om de werking van de dwangsom als prikkel te waarborgen, is van een hoger maximum van € 1.000.000,- uitgegaan.3.20.. Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb dienen de dwangsombedragen in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.\n\n3.21.. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten als hij de last niet uitvoert. Gelet hierop heeft het college de hoogte van de dwangsommen naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen afstemmen op de geschatte kosten van het afvoeren van de afvalstoffen. Het college heeft daarbij voor een hoger maximumbedrag mogen kiezen dan de geschatte totale kosten van het afvoeren. De stelling dat eiseres die kosten op een later moment toch al zou moeten maken omdat de afvalstoffen binnen een jaar moeten worden afgevoerd, leidt niet tot de conclusie dat het bedrag aan dwangsommen te hoog is.\n\n3.22.. Het gaat om een overtreding met ernstige gevolgen voor het milieu. De rechtbank kan eiseres dan ook niet volgen in de stelling dat een maximumbedrag van € 1.000.000,- niet in verhouding staat tot de overtreding.\n\n3.23.. De stelling dat eiseres niet in staat is dat bedrag te voldoen, is in dit kader niet relevant. De financiële draagkracht van de overtreder kan in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom.Daartoe overweegt de rechtbank dat van een dwangsom die naar draagkracht zou worden vastgesteld, geen zodanige prikkel zou uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd om te voorkomen dat een dwangsom wordt verbeurd.\n\n3.24.. Gelet op de ernst van de overtreding en het financiële voordeel van het niet uitvoeren van de last, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid voor een dwangsom van € 250.000,- per week met een maximum van € 1.000.000,- kunnen kiezen.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nLast II: lozen afvalwater4. Eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven dat haar beroep niet tegen deze last is gericht. De rechtbank zal deze last dan ook niet beoordelen.\n\nLast III: niet mogen lozen op het gemeentelijk riool\n\n5. Op grond van vergunningvoorschrift 3.1.1 mag bedrijfsafvalwater uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid hiervan: a. de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool (…). Tussen partijen is niet in geschil dat met het lozen van verontreinigd bluswater\u002Fhemelwater de doelmatige werking van het rioolsysteem is belemmerd. Dat betekent dat vergunningvoorschrift 3.1.1 is overtreden. Het college was dan ook bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen om herhaling van deze overtreding te voorkomen. Is last III te verstrekkend?5.1.. In het bestreden besluit staat dat eiseres herhaling van de overtreding bijvoorbeeld dient te voorkomen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer het college na afloop van de begunstigingstermijn constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd. Eiseres mag weer afvalwater van het bedrijf op het rioolstelsel lozen zodra het shredderresidu - waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Eiseres mag het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten wanneer zij ervoor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en met de getroffen maatregelen instemmen.5.2.. Deze last is volgens eiseres te verstrekkend. De eis dat pas weer met het lozen van afvalwater mag worden aangevangen als alle partijen shredderresidu volledig zijn afgevoerd of afgedekt en het terrein en riolering zijn schoongemaakt, gaat te ver. Opslaan van shredderresidu is vergund. Met het afvoeren van de partijen waarin zich brand heeft voorgedaan, het schoonvegen van dat gedeelte van het terrein en het reinigen van het riool, is weer sprake van een representatieve bedrijfssituatie. De omgevingsvergunning vereist niet dat afvalstoffen worden afgedekt. Van overtreding van vergunningvoorschrift 3.1.1 is geen sprake meer. Uit recente monsterneming van het afvalwater is gebleken dat het veel schoner is dan kort na de broeibranden. Eiseres heeft de indruk dat het college via handhaving probeert de normstelling in de vergunning aan te scherpen. Dat is onrechtmatig. Als het college bepaalde stoffen niet aanvaardbaar acht, ligt het op de weg van het college om concrete lozingsnormen per parameter op te nemen in de omgevingsvergunning, aldus eiseres.\n\n5.3.. Volgens het college zijn nog niet alle partijen shredderresidu waarin zich broei en branden manifesteerden afgevoerd. Zolang dat niet is gebeurd, kan verontreiniging die is ontstaan door brand en broei blijven uitspoelen. Omdat eiseres er niet voor heeft gekozen om de partijen af te dekken, is het volgens het college niet mogelijk om hemelwater buiten beschouwing te laten, omdat dit één afvalstroom vormt met blus- en koelwater.5.4.. Op grond van artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom te nemen herstelmaatregelen. De last moet in combinatie met de herstelmaatregelen zodanig duidelijk en concreet geformuleerd zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan moet worden om toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen.Een last is dwingend. Herstelmaatregelen zijn dat niet. Een lastgevingmoet de overtreder vrijlaten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel. De grondslag voor de lastgeving ligt namelijk uitsluitend in het feit dat er een overtreding is van een bepaald voorschrift. Een lastgeving mag daarom nooit verder strekken dan het ongedaan maken van deze overtreding.\n\n5.5.. De rechtbank stelt voorop dat de omschrijving van last III niet te verstrekkend is. De last houdt in dat eiseres herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning moet voorkomen.\n\n5.6.. Vervolgens is aan de orde of de herstelmaatregelen niet te dwingend zijn geformuleerd. In het bestreden besluit is aangegeven dat eiseres herhaling van de overtreding bijvoorbeeldkan voorkomen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Uit deze formulering volgt dat het slechts om een voorbeeld gaat. In het bestreden besluit staat echter ook het volgende: “U mag weer afvalwater van uw bedrijf op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu -waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Wanneer u er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag u lozen van afvalwater op het gemeentelijke riool ook hervatten. Wij moeten dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en u meegedeeld hebben dat wij met de getroffen maatregelen instemmen”.5.7.. Het college heeft dus twee herstelmaatregelen genoemd: afvoer van het shredderresidu in combinatie met reiniging en afdekking van het shredderresidu. De rechtbank kan en zal in het midden laten of deze twee herstelmaatregelen verder gaan dan nodig is om herhaling van de overtreding van vergunningvoorschrift 3.1.1 te voorkomen. Het staat eiseres volgens de systematiek van artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb immers vrij om ook voor andere herstelmaatregelen te kiezen.Indien mogelijk kan zij zelf voor minder vergaande herstelmaatregelen kiezen. De door het college gekozen formulering wekt echter de indruk dat eiseres geen keuzevrijheid heeft en alleen maar op deze twee wijzen aan vergunningvoorschrift 3.1.1 mag voldoen. Daarmee wordt de keuzevrijheid van eiseres ten onrechte beperkt. Vergunningvoorschrift 3.1.1 bevat een resultaatsverplichting voor de kwaliteit van het afvalwater. Het vergunningvoorschrift geeft geen middelen aan waarmee dat resultaat moet worden bereikt. Vaststaat dat het shredderresidu in elk geval gedeeltelijk is afgevoerd. Het bedrijf van eiseres beschikt inmiddels over apparatuur om beter te kunnen monitoren of in het resterende shredderresidu de temperatuur naar brandgevaarlijke hoogten stijgt. Ook is sprake van meer toezicht. Uit het advies van het waterschap Aa en Maas (waterkwaliteitsbeheerder) van 2 juli 2025 naar aanleiding van een analyserapport van 16 juni 2025 van op 6 juni 2025 bemonsterd afvalwater blijkt dat de kwaliteit van het afvalwater toen nog niet voldoende verbeterd was. Niet uitgesloten is echter dat de kwaliteit van het afvalwater inmiddels wel voldoende is verbeterd. Als met behulp van analyseresultaten van bemonsterd afvalwater zou worden aangetoond dat de kwaliteit van het afvalwater zodanig is verbeterd dat geen sprake meer is van een belemmering van de doelmatige werking van het rioolsysteem, zou geen sprake meer zijn van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning. In dat geval zou het mogelijk moeten zijn om de lozing op het gemeentelijke riool te hervatten. Die mogelijkheid lijkt echter te worden uitgesloten door het college. Op dit punt is de formulering van het bestreden besluit niet juist. De rechtbank zal dit onderdeel van het bestreden besluit dan ook vernietigen wegens strijd met artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb.\n\nDe beroepsgrond slaagt.\n\n5.8.. De rechtbank ziet aanleiding om het geschil op dit punt finaal te beslechten. Last III is rechtmatig. Gelet op het voorgaande had het college eiseres echter vrij moeten laten om zo mogelijk voor andere herstelmaatregelen te kiezen. Uit deze uitspraak blijkt dat eiseres zelf mag kiezen op welke wijze zij aan vergunningvoorschrift 3.1.1 zal voldoen. Nu hierover duidelijkheid bestaat, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen onderdeel van het bestreden besluit in stand te laten.\n\nIs de dwangsom onevenredig hoog?\n\n5.9.. De hoogte van de dwangsom is € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,-. Volgens eiseres is dit niet evenredig. Voor de nadere onderbouwing van deze beroepsgrond verwijst zij naar wat is opgemerkt ter bestrijding van de hoogte van de dwangsom verbonden aan last I. Volgens eiseres kan het college in redelijkheid geen aansluiting zoeken bij de kosten die afvoer naar een erkende verwerker met zich brengen.\n\n5.10.. Het college wijst erop dat er voldoende prikkel uit moet gaan van de hoogte van de dwangsom om eiseres ertoe te bewegen aan de last te voldoen. Het college ziet niet in waarom het voor het bepalen van de dwangsomhoogte niet kan uitgaan van afvoerkosten van afvalwater op een andere wijze dan lozing via het riool.\n\n5.11.. De rechtbank acht ook deze dwangsommen niet onevenredig hoog. Daartoe wijst zij op wat zij onder 3.20 tot en met 3.24 heeft overwogen. Het college heeft de hoogte van deze dwangsom in redelijkheid kunnen afstemmen op de kosten van de afvoer van het afvalwater op een andere wijze dan via het riool. Volgens de inschatting van het college zou eiseres per etmaal minimaal € 30.000,- moeten uitgeven voor afvoer via een erkende verwerker. Ervan uitgaande dat van een dwangsombedrag een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, heeft het college voor een maximumbedrag mogen kiezen dat hoger is dan de geschatte totale kosten van het afvoeren.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nInvordering wegens overtreding van last I\n\n6. In het invorderingsbesluit heeft het college vermeld dat op 24 juli 2025, 1 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 19 augustus 2025 controles zijn uitgevoerd waarbij is vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan heeft aan last I. Het aanwezige shredderresidu is niet volledig verwijderd. Daarmee zijn volgens het college vier dwangsommen à € 250.000,- per keer verbeurd. Het gaat in totaal om een bedrag van € 1.000.000,-.\n\n6.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat de volledige partij shredderresidu op de hiervoor genoemde data inderdaad nog niet volledig was afgevoerd. Dat betekent dat eiseres in strijd heeft gehandeld met last I. Zij heeft van rechtswege bij elke constatering een dwangsom van € 250.000,- verbeurd. Het gaat om vier dwangsommen van € 250.000,-. Het college was dan ook bevoegd om over te gaan tot invordering van € 1.000.000,-.\n\n6.2.. Eiseres verzoekt om de beroepsgronden tegen de opgelegde last onder dwangsom ook aan te merken als de beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit.\n\n6.3.. Dit verzoek leidt niet tot het door eiseres gewenste resultaat. In een procedure tegen een invorderingsbeschikking kan de belanghebbende in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en\u002Fof betrokkene geen overtreder is. De rechtbank is niet gebleken dat zich in dit geval een dergelijk uitzonderlijk geval voordoet.\n\n6.4.. Eiseres voert aan dat het bedrag van € 1.000.000,- te hoog en onvoldoende aanwezig is om dat te kunnen betalen. De invordering van dit bedrag brengt het bedrijf volgens eiseres serieus in financiële problemen.\n\n6.5.. De rechtbank stelt voorop dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend.Een andere opvatting zou namelijk afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb.Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd.Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. 6.6. Volgens vaste rechtspraak hoeft het bestuursorgaan bij een besluit over invordering van verbeurde dwangsommen in beginsel geen rekening te houden met de vraag of de overtreder in staat is om de verbeurde dwangsommen te voldoen. De financiële draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen.Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. Ook de liquiditeitspositie van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. In dit kader is onder meer van belang dat het college bevoegd is om een betalingsregeling te treffen voor verbeurde dwangsommen.\n\n6.7.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij gezien haar financiële draagkracht of andere financiële aspecten evident niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen te betalen. Zij heeft naar het oordeel van de rechtbank geen zodanige informatie verstrekt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt gegeven over haar financiële situatie, de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben en de mogelijkheid om deze financiële last binnen de holding te dragen waartoe eiseres behoort.\n\nDe beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 is gegrond. De enige fout is echter slechts dat de twee herstelmaatregelen om gevolg te geven aan last III te dwingend zijn geformuleerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het college heeft nagelaten eiseres vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel. Voor het overige blijft dit besluit in stand. Last I, II en III blijven dus gelden. Zoals onder 5.8. is overwogen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit in stand.\n\n7.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een (aanvullend) beroepschrift ingediend en heeft de zitting van de rechtbank bijgewoond. De vergoeding bedraag daarom in totaal € 1.868,-.\n\n8. Het beroep tegen het invorderingsbesluit van 24 oktober 2025 is ongegrond. In deze zaak bestaat dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 8.1. De rechtbank merkt op dat het invorderingsbesluit tot de datum van deze uitspraak was geschorst. Met deze uitspraak vervalt de schorsing.Om te voorkomen dat eiseres onverwacht met de gevolgen van het invorderingsbesluit wordt geconfronteerd, ziet de rechtbank aanleiding om de schorsing van het invorderingsbesluit te verlengen tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin SHE 25\u002F3318\n\nverklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond;\n\nvernietigt dit besluit voor zover het college heeft nagelaten eiseres in lastgeving III vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;\n\nin SHE 26\u002F3647\n\nverklaart het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond;\n\nverlengt de schorsing van het invorderingsbesluit tot zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak.\n\n Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr.M.P.C. Moers-Anssems, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.\n\ngriffier\n\nDe voorzitter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dat staat in artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 8:62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb maakt dat mogelijk.\n\nStb.2018, 293, p. 519.\n\n De rechtbank sluit hiermee aan bij het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 juli 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3947 en bij jurisprudentie van de Afdeling. Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4631.\n\nZie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2019\u002F20, 34 986, nr. W, p. 9-10 enStb. 2018, 293, p. 526.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2808.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3496.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:321.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:41.\n\n Een lastgeving is de last en de herstelmaatregelen.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1247.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.\n\nKamerstukken II2003\u002F04, 29 702, nr. 3, p. 115\n\nKamerstukken II2003\u002F04, 29 702, nr. 3, p. 115\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:584.\n\n Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb maakt dat mogelijk.\n\n Dat volgt uit artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb maakt dat mogelijk.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3621","2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.862Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":43,"courtId":128,"decisionDate":129,"fullText":130,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":51,"updatedAt":133},"1777","ECLI:NL:RBGEL:2026:2969","ecli-nl-rbgel-2026-2969",60,"2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F5183 en 24\u002F8705\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nStichting Brabantse Milieufederatie, uit Tilburg,\n\nVereniging Natuurmonumenten, uit Amersfoort, eisers,\n\n(gemachtigde in ARN 24\u002F5183: ir. A.K.M. van Hoof,\n\ngemachtigde in ARN 24\u002F8705: mr. drs. H.M. Zwetsloot),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: Eindhoven Airport N.V., uit Eindhoven, Eindhoven Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen)\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van 17 juni 2024 (het bestreden besluit) waarin verweerder heeft besloten dat Eindhoven Airport geen natuurvergunning nodig heeft voor het aangevraagde project ‘Civiel gebruik Eindhoven Airport’ (ARN 24\u002F5183). Ook beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak het beroep van eisers tegen het besluit van dezelfde dag (het maatwerkvoorschrift) van verweerder om aan Eindhoven Airport een maatwerkvoorschrift op te leggen waarin onder meer het bestaande recht van Eindhoven Airport is vastgelegd (ARN 24\u002F8705).\n\n1.1.. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. Eindhoven Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op de beroepen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigde, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Eindhoven Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] , [persoon I] , [persoon J] , [persoon K] , [persoon L] , [persoon M] , [persoon N] en [persoon O] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit en het maatwerkvoorschrift aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\nZaaknummer ARN 24\u002F5183\n\n3. Op de militaire luchthaven Eindhoven (de luchthaven) vindt sinds de jaren '80 burgermedegebruik plaats. Eindhoven Airport is de exploitant van het burgergedeelte van deze luchthaven. Op 1 oktober 2020 heeft Eindhoven Airport bij verweerder een aanvraag voor een natuurvergunning ingediend voor het civiele gebruik van de luchthaven.\n\n3.1.. Op 15 februari 2021 heeft verweerder het ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant (de ontwerpnatuurvergunning).De ontwerpnatuurvergunning strekte tot verlening van de natuurvergunning voor het project ‘Civiel gebruik Eindhoven Airport’ (het project).\n\n3.2.. Eisers hebben op 25 maart 2021 tegen de ontwerpnatuurvergunning een gezamenlijke zienswijze (de zienswijze) ingediend.\n\n3.3.. Op 11 april 2023 is aan Eindhoven Airport verzocht om aanvullende gegevens in te dienen. Eindhoven Airport heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en verschillende nadere stukken ingediend, waaronder een actualisatie van de eerder ingediende passende beoordeling.\n\n3.4.. Op 17 juni 2024 heeft verweerder besloten dat geen natuurvergunning nodig is voor het aangevraagde project en daarom de aangevraagde natuurvergunning geweigerd. Volgens verweerder heeft het project ‘betrekking op de referentiesituatie’ en blijft het project binnen het bestaande recht van Eindhoven Airport.\n\nZaaknummer ARN 24\u002F8705\n\n4. Op 17 juni 2024 en gelijktijdig met het bestreden besluit heeft verweerder ambtshalve een maatwerkvoorschrift aan Eindhoven Airport opgelegd. In voorschrift 4 van het maatwerkvoorschrift is het bestaande recht van Eindhoven Airport vastgesteld op 143.795 kg NOx emissies\u002Fjaar.\n\n4.1.. Op 26 juli 2024 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het maatwerkvoorschrift.\n\n4.2.. In het besluit van 23 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het maatwerkvoorschrift ongegrond verklaard.\n\nARN 24\u002F5183\n\nOvergangsrecht\n\n5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n5.1.. De aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend op 1 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.\n\nDe referentiesituatie\n\n6. Een natuurvergunning is verplicht als een activiteit afzonderlijk of in samenhang met andere projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, was het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat bij beantwoording van de vraag of op voorhand kan worden uitgesloten dat een project significante gevolgen kan hebben – de voortoets –, de gevolgen van de voorgenomen activiteit mochten worden bezien in relatie tot de gevolgen van de bestaande vergunde situatie (intern salderen met de referentiesituatie).\n\n6.1.. In de uitspraak van 18 december 2024 heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd (de 18 december-uitspraak).Die wijziging houdt kort gezegd in dat de referentiesituatie niet meer mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. Uit de 18 december-uitspraak blijkt dat de vraag wat de referentiesituatie is bij het verlenen van een natuurvergunning op twee momenten van belang is. Dat is ten eerste in de voortoets, bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend, of dat de aanvraag betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Ten tweede is de referentiesituatie van belang bij de beantwoording van de vraag of de gevolgen van activiteiten die eerder al zijn toegestaan, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling mogen worden betrokken.Intern salderen met de referentiesituatie mag namelijk nog wel als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling van de gevolgen van een project.Dit kan als voldaan wordt aan de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder het additionaliteitsvereiste. Dit vereiste houdt in dat een maatregel die naar zijn aard ook als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel kan worden ingezet, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als deze maatregel niet nodig is krachtens artikel 6, eerste of tweede lid, van de Habitatrichtlijn.\n\n6.2.. De referentiesituatie die bij intern en extern salderen kan worden ingezet, wordt ontleend aan de natuurvergunning voor de toegestane activiteit op de locatie waarop de voorgenomen activiteit is voorzien. Bij het ontbreken van een natuurvergunning wordt de referentiesituatie ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum. De referentiedatum is de datum waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op het betrokken Natura 2000-gebied.Voor gebieden die ter uitvoering van de Vogelrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum 10 juni 1994 (referentiedatum 1994), tenzij een gebied later is aangewezen.Voor gebieden die ter uitvoering van de Habitatrichtlijn zijn aangewezen, is dit 7 december 2004 (referentiedatum 2004), tenzij een gebied later is aangewezen. Wanneer na de referentiedatum een toestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen voor Natura 2000-gebieden dan de activiteit die op de referentiedatum was toegestaan, dan geldt die latere toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.\n\nWelke referentiesituatie heeft verweerder gehanteerd?\n\n7. Eisers betogen dat verweerder een onjuiste referentiesituatie heeft gehanteerd in het bestreden besluit. Eisers voeren daartoe onder meer aan dat verweerder ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat het Luchthavenbesluit 2014 het meest beperkende gebruik vormt voor commercieel burgerluchtvaartverkeer op de luchthaven.\n\n7.1.. De rechtbank stelt voorop dat Eindhoven Airport voor de door haar uit te voeren activiteiten op de luchthaven niet in het bezit is van een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Ten aanzien van de exploitatie van de commerciële luchtvaart op de luchthaven zijn in de loop der tijd wel diverse besluiten genomen die voor de beoordeling van de referentiesituatie van belang kunnen zijn. Volgens verweerder wordt de referentiesituatie voor het project gevormd door hetgeen is toegestaan op grond van het Luchthavenbesluit Eindhoven van 26 september 2014 (Luchthavenbesluit 2014).Verweerder acht hiertoe relevant dat het Luchthavenbesluit 2014 het eerste besluit is met een afzonderlijke geluidcontour voor commercieel burgerluchtvaartverkeer op de luchthaven.\n\n7.2.. Artikel 4.2.1 van het Luchthavenbesluit 2014 luidt: ‘Voor het commercieel burgerluchtverkeer geldt de in artikel 15 van het Besluit militaire luchthavens genoemde grenswaarde van de geluidsbelasting van 35 Kosteneenheden voor commercieel burgerluchtverkeer, waarvan de geografische ligging is aangewezen op de kaart in bijlage 8 bij dit besluit.’\n\n7.3.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 juni 2018 is de omvang van de geluidzone in belangrijke mate bepalend voor het gebruik dat van het terrein van de luchthaven kan worden gemaakt. De 35 Kosteneenheden-contour geeft de grens aan van het toelaatbare geluidniveau. Het aantal vliegbewegingen daarbinnen kan fluctueren, maar kan niet onbeperkt toenemen, omdat de grens van het toelaatbare geluidniveau niet mag worden overschreden.\n\n7.4.. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling kan een toestemming zijn begrensd door middel van geluidcontouren. Deze contouren dienen dan als referentie voor het maximaal toegestane gebruik. Het aantal vliegtuigbewegingen kan binnen de geluidcontour fluctueren en is alleen begrensd door de geluidcontour.Tussen partijen staat niet ter discussie dat in artikel 4.2.1 van het Luchthavenbesluit 2014 is bepaald dat voor het commercieel burgerluchtverkeer een grenswaarde van 35 Kosteneenheden geldt. Wel staat tussen partijen ter discussie of er sinds de referentiedata van de verschillende natuurgebieden milieutoestemmingen zijn verleend die beperkender waren dan de voorgenoemde grens van 35 Kosteneenheden-contour zoals die is neergelegd in artikel 4.2.1 van het Luchthavenbesluit 2014.\n\n7.5.. Voordat de rechtbank aan bovenstaande toekomt, beoordeelt de rechtbank eerst of de aanvraag van Eindhoven Airport betrekking heeft op één-en-hetzelfde project als bedoeld in artikel 4.2.1 van het Luchthavenbesluit 2014. Is dit immers niet het geval, dan is gelet op de 18 december-uitspraak reeds daarom sprake van een vergunningplichtig project.\n\nTen onrechte de referentiesituatie betrokken in de voortoets?\n\n8. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. Eisers voeren daartoe aan dat in de 18 december-uitspraak is overwogen dat sprake is van een vergunningplichtig project als op basis van een voortoets, zonder dat daarin de referentiesituatie wordt betrokken, significante effecten niet kunnen worden uitgesloten. Volgens eisers volgt uit de 18 december-uitspraak ook dat het project slechts kan worden toegestaan als de effecten daarvan in een passende beoordeling zijn beoordeeld en de getroffen maatregelen uit deze passende beoordeling voldoen aan het additionaliteitsvereiste. Eisers stellen zich op het standpunt dat het aangevraagde project door Eindhoven Airport geen voortzetting is van één-en-hetzelfde project als is toegestaan met het Luchthavenbesluit 2014. De exploitatie van Eindhoven Airport is veelvuldig gewijzigd sinds de veronderstelde referentiedatum, waarmee niet langer sprake is van één-en-hetzelfde-project. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar het rapport van Apollon Milieu (Apollon) waarin onder meer is geconcludeerd dat tussen de aanvraag en de gehanteerde referentiesituatie verschillen zichtbaar zijn. In het rapport van Apollon is verder ook opgetekend dat de ruimte op het platform, de parkeergelegenheid, de terminal en de hangargebouwen in de jaren 1999, 2004 en 2015 zijn uitgebreid. Ter zitting hebben eisers gesteld dat wanneer op de grond van de luchthaven bouwwerkzaamheden worden verricht die relevant zijn voor de uitbreiding van de capaciteit van de luchthaven, die werkzaamheden tot gevolg hebben dat het project is gewijzigd.\n\n8.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de referentiesituatie betrokken mocht worden bij de beoordeling van de effecten van het aangevraagde project in de voortoets en de daaropvolgende beoordeling of het aangevraagde project vergunningplichtig was. Verweerder voert hierover aan dat de 18 december-uitspraak geen invloed heeft op het bestreden besluit. Verweerder stelt dat de aanvraag geen betrekking heeft op een wijziging van het project. Volgens verweerder is geen sprake van een nieuw project dan wel het beperken of beëindigen van een bestaande situatie. De exploitatie van de luchthaven als bedoeld in de referentiesituatie wordt namelijk voortgezet, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat de effecten van de beoogde situatie passen in de referentiesituatie en geen sprake is van een nieuw project of een verandering daarvan.\n\n8.2.. Eindhoven Airport stelt zich op het standpunt dat sprake is van één-en-hetzelfde project en daarom geen natuurvergunning is vereist. Eindhoven Airport betoogt dat het aangevraagde project nog steeds het exploiteren van het commerciële burgerluchtverkeer op de luchthaven is door middel van het afwikkelen van vliegverkeer, met alle bijbehorende (grondgebonden) activiteiten. Bij continuïteit en identiteit van de verschillende activiteiten moet de voortzetting van de reeds eerder vergunde activiteiten geacht worden deel uit te maken van slechts één project waarvoor reeds een vergunning is afgegeven en waarvoor geen nieuwe beoordeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn hoeft te worden verricht, aldus Eindhoven Airport.\n\n8.3.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen blijkt uit de 18 december-uitspraak dat de referentiesituatie in de voortoets van belang blijft. De referentiesituatie is namelijk van belang bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend of betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project is sprake wanneer een project niet langer wordt voortgezet als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de natuurtoestemming of een milieutoestemming van voor de referentiedatum die nadien is gecontinueerd.\n\n8.4.. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie in het arrest van 7 november 2018 heeft overwogen dat een activiteit kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project waarvoor geen nieuwe beoordeling nodig is op grond van artikel 6, derde lid, van de Hrl ‘mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd’.In het arrest van 10 november 2022 heeft het Hof van Justitie over de ongewijzigde voortzetting van een natuurvergunde activiteit overwogen: ‘Wanneer een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een beschermd gebied, reeds in de projectfase is vergund, kan de voortzetting van die activiteit echter slechts worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project waarvoor krachtens artikel 6, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 92\u002F43 een nieuwe beoordeling moet worden verricht, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit - met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd - geen continuïteit en identiteit bestaat’.\n\n8.5.. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank beoordelen of het aangevraagde project door Eindhoven Airport een voortzetting betreft als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de toestemming zoals die is neergelegd in het Luchthavenbesluit 2014.\n\n8.6.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat Eindhoven Airport onder meer het volgende heeft opgenomen in haar aanvraag van 1 oktober 2020:\n\n‘Hierbij vraag ik namens Eindhoven Airport N.V. (‘EANV’) een vergunning aan op grond van de Wet natuurbescherming (‘Wnb-vergunning’) voor de civiele activiteiten op de Luchthaven Eindhoven. EANV vraagt de Wnb- vergunning aan voor de Activiteit als gedefinieerd in aangehechte aanvraag\u002Fpassende beoordeling, met dien verstande dat de aanvraag op een aantal punten nog aangevuld moet worden.’\n\nIn de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘3. Aan te vragen situatie en referentiesituatie\n\nHet vigerende Luchthavenbesluit 2014 en de vigerende revisievergunning uit 2003 – voor zover het proefdraaien betreft – vormen het bestaand recht en zijn voor deze rapportage de referentiesituatie.\n\nIn het Luchthavenbesluit 2014 wordt de milieubelasting (voor zover van belang) beperkt door middel van een grenswaarde voor geluid. Deze grenswaarde is vastgelegd in de vorm van de 35 Ke-contour voor het civiele verkeer, en is gebaseerd op een luchtverkeersscenario zoals beschreven in het MER luchthaven Eindhoven 2013 (scenario D8). Dit verkeersscenario beschrijft het civiele vliegverkeer bij 43.000 vliegtuigbewegingen, met o.a. de vliegtuigtypes, de start- en landingsbanen en de tijdstippen van de bewegingen.\n\nDe aan te vragen situatie komt overeen met de referentiesituatie en is hieronder verder uitgewerkt. De vergunningaanvraag omvat (het geheel van de effecten van) de activiteiten die hieronder en in tabel 1 zijn beschreven (conform het Luchthavenbesluit 2014 en revisievergunning 2003 voor proefdraaien).\n\n(…)\n\nTabel 1 Overzicht activiteiten aan te vragen situatie\n\nActiviteit\n\nOmvang\n\nVliegtuigbewegingen\n\n43.000\n\nAPU gebruik\n\n88%\n\nProefdraaien (uren)\n\n1.908\n\nGasverbruik gebouwen (m³ gas)\n\n394.890\n\nParkeren op de luchthaven (auto’s per jaar)\n\n1.750.184\n\nVerkeersaantrekkende werking (toe te schrijven aan Eindhoven Airport) (motorvoertuigen per etmaal)\n\nPM\n\n8.7.. \n\nIn haar reactie van 9 augustus 2023 op het verzoek om aanvullende gegevens door verweerder van 11 juni 2023, heeft Eindhoven Airport onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘In antwoord op uw brief van 11 april 2023 sturen wij u hierbij de door u gevraagde aanvulling op onze vergunningaanvraag en passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming van 1 oktober 2020.’\n\nIn de bij de bovengenoemde brief gehechte (aanvullende) passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘3. Aan te vragen situatie en referentiesituatie\n\nHet vigerende Luchthavenbesluit Eindhoven 2014 vormt het bestaand recht en is voor deze rapportage de referentiesituatie. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 1 bij de brief van Eindhoven Airport bij de aanvullend van de aanvraag Wnb-vergunning.\n\n(…)\n\nDe aan te vragen situatie komt overeen met de referentiesituatie en is hieronder verder uitgewerkt. De vergunningaanvraag ziet op het project Exploitatie Eindhoven Airport en omvat het geheel van effecten van de activiteiten die hieronder en in tabel 1 zijn beschreven.\n\n(…)\n\nTabel 1 Overzicht activiteiten referentiesituatie (tevens aan te vragen situatie)\n\nActiviteit\n\nOmvang\n\nVliegtuigbewegingen\n\n40.993, totale emissie 128.505 kg NOx\n\nAPU gebruik\n\n13,31 minuten per LTO, totale emissie 3696 kg NOx\n\nProefdraaien (emissie)\n\n4.004 kg NOx\n\nPlatformverkeer inclusief GPU (liter brandstof)\n\n406.459, totale emissie 7590 kg NOx en 31 kg NH3\n\nGasverbruik gebouwen (m³ gas)\n\n246.055 m³ totale emissie 123 kg NOx\n\nParkeren op de luchthaven (auto’s per jaar) en wegverkeer (motorvoertuigen per etmaal, beide rijrichtingen samen)\n\n1,8 miljoen parkeerders en 11.500 mvt\u002Fetmaal, totale emissie 28.100 kg NOx en 3.606 kg NH3\n\nProjecten voor onderhoud, beheer, renovatie en verduurzaming\n\n406 kg NOх en 17 kg NH3\n\nEindhoven Airport heeft verder haar aanvraag aangevuld met het document ‘stikstofdepositieberekening Eindhoven Airport’ van april 2024 (stikstofdocument). In dit document is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘2.3.7 Projecten\n\nEindhoven Airport voert jaarlijks meerdere projecten uit die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de luchthaven. De werkzaamheden betreffen onderhoud, beheer, renovatie en verduurzaming. De projecten zijn wisselend in omvang en locatie en variëren van jaar tot jaar. Als realistische inschatting van de emissie van deze projecten veroorzaken, is uitgegaan van de verwachte emissie van een recent uitgevoerd project: de bouw van een (tijdelijke) parkeergarage op het terrein van P3.’\n\n8.8.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (het college van Eindhoven) op 25 maart 2015 aan Eindhoven Airport een omgevingsvergunning heeft verleend voor een milieuneutrale wijziging voor de herinrichting van het platform op de luchthaven. Blijkens deze omgevingsvergunning bestaat de verandering van de inrichting uit de volgende activiteiten:\n\nHerindeling van het platform met:\n\nUitbreiding van twee nieuwe vliegtuig opstelplaatsen (VOP S11 en S12);\n\nAanpassen riolering ter plaatse van de nieuwe verharding;\n\nAanpassen ondergrondse infrastructuur;\n\nAanbrengen asfaltverharding ter hoogte van VOP’s S11 en S12;\n\nAanbrengen nieuwe gootconstructie;\n\nAanbrengen bebakening, markering en verlichting.’\n\nVerder stelt de rechtbank vast dat het college van Eindhoven op 3 juni 2015 aan Eindhoven Airport een omgevingsvergunning heeft verleend voor een milieuneutrale wijziging voor realisatie van een nieuw platform voor gewone vliegtuigtoestellen en een verbeterde wegrijdprocedure voor de brandstoftrucks en de daarbij behorende dagopstelplaatsen. Blijkens deze omgevingsvergunning bestaat de verandering van de inrichting uit de volgende activiteiten:\n\n‘Het realiseren van een nieuw vliegtuigplatform aansluitend aan het bestaande vliegtuigplatform S12;\n\nRealisatie dagopstelplaatsen voor brandstoftrucks.’\n\n8.9.. \n\nIn het bestreden besluit heeft verweerder onder meer de volgende passages opgenomen:\n\n‘Besluit\n\nIn de stukken geeft u aan dat de aanvraag voor het project Exploitatie Luchthaven Eindhoven Airport betrekking heeft op de referentiesituatie zoals beschreven in de passende beoordeling. De exploitatie blijft binnen bestaand recht. Derhalve wordt geen vergunning verleend, maar wordt de aanvraag positief afgewezen.’\n\n‘2.4. Conclusie\n\nNu het LHB 2014 het bestaand recht bepaalt, is niet het aantal vliegtuigbewegingen bepalend voor de referentiesituatie, als wel hetgeen zich realistisch gezien kon voordoen binnen de looptijd van het LHB 2014. Daarbij is de geluidcontour bepalend, want aan Eindhoven Airport is in het LHB 2014 geen andere beperking gesteld dan de geluidcontour. De stikstofemissie en -depositie volgens bestaand recht is uitgewerkt in de voortoets.\n\nNu de aanvraag ziet op de bestaande rechten\u002Freferentiesituatie met betrekking tot de exploitatie van Eindhoven Airport, zijn significante gevolgen uitgesloten en is geen vergunning nodig. Dit besluit betreft dan ook een positieve weigering. Uit oogpunt van rechtszekerheid en om te voorkomen dat de activiteiten op Eindhoven Airport, ten opzichte van de referentiesituatie, verslechterende of significant verstorende gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied waarop Eindhoven Airport stikstof emitteert en deponeert, worden bij separaat besluit ambtshalve maatwerkvoorschriften opgelegd waarbij de stikstofemissie, van vliegverkeer incl. taxiën en APU, GPU, platformverkeer en proefdraaien, zoals berekend in de voortoets behorend bij uw aanvraag voor de referentiesituatie, wordt vastgelegd. Voorts dient de luchthaven over ieder volgend gebruiksjaar te monitoren wat de stikstofemissie was.’\n\n8.10.. Het adviesbureau Apollon heeft in opdracht van eisers een rapport opgesteld met de titel ‘Second Opinion Wnb Luchthaven Eindhoven’ (second opinion). In deze second opinion heeft Apollon onder meer geconcludeerd dat de capaciteit voor civiele vluchten op de luchthaven na het jaar 2000 fors is uitgebreid. Dit blijkt volgens Apollon uit de vergroting van het platform in 2000, 2004 en 2015, door de uitbreiding van de faciliteiten voor het tanken van kerosine in 2005 en 2013 en de voortdurende groei van het aantal parkeerplekken rondom de terminal.Deze conclusies zijn onderbouwd met verschillende luchtfoto’s uit verschillende jaren van de luchthaven waarop deze wijzigingen volgens Apollon zichtbaar zijn.\n\n8.11.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft besloten dat het aangevraagde project door Eindhoven Airport niet vergunningplichtig is. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het door Eindhoven Airport aangevraagde project niet kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project ten opzichte van het Luchthavenbesluit 2014. Zij licht dat oordeel als volgt toe. Eindhoven Airport heeft in haar aanvraag ervoor gekozen om een aanvraag in te dienen voor een natuurvergunning bij verweerder voor concrete activiteiten, namelijk luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Daarbij zijn de luchtgebonden activiteiten gespecificeerd in een aantal vliegtuigbewegingen met een bepaalde emissie. Hiermee heeft Eindhoven Airport ervoor gekozen om een gestelde toestemming voor het project op grond van een geluidcontour (dat dynamisch van aard is) te wijzigen naar een toestemming op grond van een natuurvergunning (die niet meer dynamisch maar statisch van aard is). Binnen de geluidcontour van het Luchthavenbesluit 2014 bestond namelijk de mogelijkheid tot een autonome groei van het aantal en type en vliegtuigbewegingen, zolang deze maar binnen de vastgelegde geluidcontour bleven. In de aanvraag is geen sprake van een dergelijke flexibiliteit. Hiermee bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijk verschil tussen de voorwaarden waaronder de vliegtuigbewegingen mogen worden verricht op de luchthaven in de aangevraagde situatie en de referentiesituatie. De aanvraag voor de natuurvergunning heeft gelet op het voorgaande geen betrekking op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als waarvoor met het Luchthavenbesluit 2014 toestemming was verleend. Er is immers geen sprake van continuïteit en identiteit van de voorwaarden waaronder de activiteiten van Eindhoven Airport worden uitgevoerd.\n\n8.12.. Verder acht de rechtbank van belang dat op 25 maart 2015 en op 3 juni 2015 (en daarmee dus ná de datum van de vaststelling van de referentiesituatie van 26 september 2014), tweemaal toestemming is verleend om het terrein van de luchthaven te veranderen. Deze veranderingen leiden eveneens tot het oordeel dat het project waarvoor op de referentiedatum van 26 september 2014 toestemming is gegeven, sindsdien niet is voortgezet als één-en-hetzelfde project.Verder merkt de rechtbank op dat blijkens het stikstofdocument van april 2024 ‘recent’ een parkeergarage is gerealiseerd op het terrein van de luchthaven en dit ook een wijziging betreft van het project. Ook uit de aanvullende passende beoordeling blijkt dat expliciet het parkeren op de luchthaven is aangevraagd. Daarbij merkt de rechtbank op dat blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008 alle werkzaamheden met betrekking tot de gebouwen, installaties of apparatuur van een luchthaven moeten worden beschouwd als een wijziging van de luchthaven zelf. Dit voorgaande geldt volgens het Hof van Justitie vooral voor werkzaamheden die gericht zijn op het aanzienlijk vergroten van de activiteit van de luchthaven en het luchtverkeer.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F5183\n\n9. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij het geschil niet finaal kan beslechten en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat niet op voorhand duidelijk is of verweerder alsnog een natuurvergunning wil verlenen en dat bij de aanvraag een zogenoemde additionaliteitstoets ontbreekt. Mocht verweerder alsnog een natuurvergunning willen verlenen voor het aangevraagde project, dan dient er een nadere passende beoordeling te worden opgesteld met een additionaliteitstoets.\n\n9.1.. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op hetgeen eisers hebben aangevoerd over de juistheid van de keuze voor en de omvang van de van de door verweerder gehanteerde referentiesituatie. Verweerder moet immers met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project.\n\nARN 24\u002F8705\n\n10. In deze zaak staat het door verweerder aan Eindhoven Airport opgelegde maatwerkvoorschrift centraal. De bevoegdheid om dit maatwerkvoorschrift aan Eindhoven Airport op te leggen, heeft verweerder ontleend aan artikel 11.4, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Volgens verweerder is er namelijk sprake van een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als genoemd in artikel 4.12, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (te weten de exploitatie van een burgerluchthaven van nationale betekenis).\n\n10.1.. \n\nVerweerder heeft aan het maatwerkvoorschrift verschillende voorschriften verbonden. Het vierde en zevende voorschrift luiden achtereenvolgens:\n\n‘4. Het bestaande recht van Eindhoven Airport N.V. van NOx emissies van vliegverkeer ind. taxiën en APU, GPU, Platformverkeer en proefdraaien bedraagt: 143.795 kg\u002Fjaar. Ieder gebruiksjaar dient de luchthaven binnen deze emissie te blijven.\n\n7. Voor de berekening van de stikstofemissies wordt dezelfde berekeningsmethodiek (emissiekentallen) gevolgd, die ook is gebruikt voor de aanvraag van de Wnb-vergunning (stikstofdepositieberekening NLR-CR-2023-236-HZV-2, april 2024).’\n\n10.2.. Eisers betogen dat het maatwerkvoorschrift in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal is opgelegd. Eisers voeren aan dat op grond van deze bepaling een maatwerkvoorschrift niet kan worden opgelegd als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. Dit voorgaande is het geval volgens eisers, nu het aangevraagde project vergunningplichtig is. De jaarlijkse emissie van 143.795 kg NOx per jaar kan uitsluitend middels een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden voorgeschreven aan Eindhoven Airport, aldus eisers.\n\n10.3.. Verweerder voert hierover aan dat artikel 11.9, derde lid, van het Bal niet aan het maatwerkbesluit in de weg stond. Verweerder stelt dat met het maatwerkbesluit geen toename van NOx-emissies wordt toegestaan ten opzichte van de referentiestituatie die is ontleend aan het Luchthavenbesluit 2014. Hierdoor was er voor deze NOx-emissie dan ook geen natuurvergunning nodig, aldus verweerder.\n\n10.4.. \n\nIn het besluit op het bezwaar van eisers is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Artikel 11.9 van het Bal biedt de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften op te leggen. Dat kan op grond van artikel 11.9 lid 3 van het Bal alleen als het voorschrift niet aan een omgevingsvergunning verbonden kan worden. In dit geval is gebleken dat het project \"Exploitatie Luchthaven Eindhoven Airport\" de bestaande rechten niet overschrijdt. Daarom is in de positieve weigering de aanvraag voor een vergunning afgewezen, omdat geen vergunning nodig is. Daardoor is het dus niet mogelijk een dergelijk voorschrift in een omgevingsvergunning op te nemen. De enige mogelijkheid om de grenzen van het bestaande recht vast te leggen, is via de weg van de specifieke zorgplicht en het stellen van maatwerkvoorschriften. Uitgangspunt daarbij is, zoals gezegd, de voortoets en de positieve afwijzing. De discussie dat de referentiesituatie èn het bestaande recht niet klopt, dient, zoals hierboven aangegeven, te worden gevoerd in de procedure omtrent de positieve afwijzing van de vergunning aanvraag.’\n\n10.5.. Artikel 11.9, derde lid, van het Bal luidt: ‘Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.’\n\n10.6.. De rechtbank oordeelt dat het maatwerkvoorschrift is opgelegd in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. Zoals de rechtbank onder 8.11 en 8.12 heeft overwogen heeft verweerder ten onrechte besloten dat het aangevraagde project door Eindhoven Airport niet vergunningplichtig was. Hierdoor was het mogelijk om het gestelde voorschrift uit het maatwerkvoorschrift te verbinden aan een natuurvergunning en daarmee ontstaat er strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. De stelling van verweerder dat met het maatwerkvoorschrift geen toename van stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie wordt toegestaan, wat hier ook van zij, brengt hierin geen verandering. Zoals onder 8.11 en 8.12 is overwogen, is er namelijk geen sprake meer van één-en-hetzelfde project en is de door Eindhoven Airport aangevraagde activiteit vergunningplichtig. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F8705\n\n11. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat hij bevoegd was tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift aan Eindhoven Airport. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024 en herroept het maatwerkbesluit van 17 juni 2024. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op het overige wat eisers hebben aangevoerd over onder meer de omvang van de toegestane NOx-emissie. Zoals hierboven overwogen moet verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project en zo ja, dan zal hij daarbij ook (opnieuw) de omvang van de referentiesituatie moeten vaststellen.\n\nProceskosten\n\n12. Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.736,- omdat de gemachtigden van eisers voor elke zaak een beroepschrift hebben ingediend en beiden ook aan de zitting hebben deelgenomen.\n\n12.1.. Eisers hebben verder verzocht om vergoeding van de kosten van de second opinion van Apollon van 31 oktober 2025, die zij in de beroepsfase in zaak ARN 24\u002F5183 hebben ingebracht. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.De inschakeling van Apollon in het kader van de beroepsprocedure acht de rechtbank redelijk. Ter zitting hebben eisers aangegeven dat zij willen dat verweerder een bedrag van € 3.230,92 aan kosten vergoedt. Dit hebben eisers onderbouwd met een factuur. De rechtbank acht de deskundigenkosten voor het in dit geval opstellen van de second opinion redelijk. Verder hebben eisers verzocht om vergoeding van de kosten van de contra-expertise die is uitgevoerd door het ecologisch advies- en projectbureau Natuurinclusief heeft opgesteld. Voor vergoeding van de kosten van deze deskundige bestaat geen aanleiding omdat de reden voor de gegrondverklaring van het beroep geen verband houdt met het rapport en de toelichting van de deskundige.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nZaaknummer 24\u002F5183\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 17 juni 2024;\n\n- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 5.098,92 aan proceskosten aan eisers.\n\nZaaknummer 24\u002F8705\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- herroept het besluit van 17 juni 2024;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nStcrt.2021, 7262.\n\n Dit betreft onder meer de volgende stukken: Rapport Eindhoven Airport, Passende beoordeling, Royal Haskoning DHV, 30 oktober 2023; Stikstofdepositieberekening Eindhoven Airport, Berekeningen ten behoeve van aanvulling Wnb aanvraag Eindhoven Airport, NLR & DNV, april 2024.\n\n Deze verplichting is opgenomen in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Dit bleek onder meer uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5.\n\nuitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 16.2.\n\nuitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 21.1\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\n Richtlijn 2009\u002F147\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\nStb.2014, 356.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1959, r.o. 11.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449, r.o. 6.1 en 8.6.\n\n Ter onderbouwing van deze stelling hebben eisers verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008, ECLI:EU:C:2018:882.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5, waarin de Afdeling verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 17 en 17.5.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018: 882, r.o. 86.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864, r.o. 35. Zoals overwogen door de Afdeling in haar uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:615, r.o. 7.1.\n\n Aanvraag vergunning Wet natuurbescherming Eindhoven Airport, Passende beoordeling, Royal Haskoning DHV, 1 oktober 2020, p. 5-6.\n\n Rapport Eindhoven Airport, Passende beoordeling, Royal Haskoning DHV, 30 oktober 2023, p. 4-5.\n\n Stikstofdepositieberekening Eindhoven Airport, Berekeningen ten behoeve van aanvulling Wnb aanvraag Eindhoven Airport, NLR & DNV, april 2024, p. 21.\n\nRapport Second Opinion Wnb Luchthaven Eindhoven, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 10.\n\nRapport Second Opinion Wnb Luchthaven Eindhoven, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 9.\n\n Zie in vergelijkbare zin de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:615, r.o. 7.7.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:133, r.o. 36. Ondanks het gegeven dat in het betreffende arrest een ‘project’ als bedoeld in de richtlijn 85\u002F337\u002FEEC centraal stond, is dit arrest van toepassing op onderhavige aanvraag. Zie daarvoor rechtsoverweging 65 van het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882.\n\n Zie onder meer de uitspraak van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1246, r.o. 9.1.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2505, r.o. 27","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2969","2026-04-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.283Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":43,"courtId":128,"decisionDate":129,"fullText":138,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":51,"updatedAt":140},"1947","ECLI:NL:RBGEL:2026:2962","ecli-nl-rbgel-2026-2962","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F5175 en 24\u002F8840\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\nARN 24\u002F5175\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Rotterdam Airport B.V.uit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nARN 24\u002F8840\n\nCoöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: mr. drs. H.M. Zwetsloot),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Luchthaven Rotterdam The Hague Airportuit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit (het bestreden besluit) waarin verweerder heeft besloten dat Rotterdam Airport geen natuurvergunning nodig heeft voor het aangevraagde project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague´ (ARN 24\u002F5175). Ook beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak het beroep van eisers tegen het besluit (het maatwerkvoorschrift) van verweerder om aan Rotterdam Airport een maatwerkvoorschrift op te leggen waarin onder meer het bestaande recht van Rotterdam Airport is vastgelegd (ARN 24\u002F8840).\n\n1.1.. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. Rotterdam Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op de beroepen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigden, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Rotterdam Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] als deskundige.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit en het maatwerkvoorschrift aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De voor de beoordeling van het beroep van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\nZaaknummer ARN 24\u002F5175\n\n3. Rotterdam Airport is namens Royal Schiphol Group N.V. de exploitant van de luchthaven Rotterdam (de luchthaven). Op 1 oktober 2020 heeft Rotterdam Airport bij verweerder een aanvraag voor een natuurvergunning ingediend voor de exploitatie van de luchthaven.\n\n3.1.. Op 15 februari 2021 heeft verweerder het ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant (de ontwerpnatuurvergunning).Het ontwerpbesluit strekte tot verlening van de natuurvergunning voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ (het project).\n\n3.2.. Eisers hebben op 25 maart 2021 tegen de ontwerpnatuurvergunning een gezamenlijke zienswijze (de zienswijze) ingediend.\n\n3.3.. Op 11 april 2023 is door verweerder aan Rotterdam Airport verzocht om haar aanvraag aan te vullen met onder meer een nieuwe stikstofberekening. Rotterdam Airport heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en verschillende nadere stukken ingediend, waaronder een actualisatie van de eerder ingediende passende beoordeling.3.4.. Op 17 juni 2024 heeft verweerder besloten dat geen natuurvergunning nodig is voor het aangevraagde project en daarom de aangevraagde natuurvergunning geweigerd. Volgens verweerder heeft het project “betrekking op de referentiesituatie” en blijft het project binnen het bestaande recht van Rotterdam Airport.\n\nZaaknummer 24\u002F8840\n\n4. Op 17 juni 2024 en gelijktijdig met het bestreden besluit heeft verweerder ambtshalve een maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport opgelegd. In voorschrift 4 van het maatwerkvoorschrift is het bestaande recht van RTHA vastgesteld op 88,8 ton NOx per jaar.\n\n4.1.. Op 26 juli 2024 hebben eisers bezwaar ingesteld tegen het maatwerkvoorschrift.\n\n4.2.. In het besluit van 23 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het maatwerkvoorschrift ongegrond verklaard.\n\nARN 24\u002F5175\n\nLeeswijzer\n\n5. Eisers hebben een groot aantal beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit. Alvorens deze beroepsgronden inhoudelijk te bespreken, beoordeelt de rechtbank enkele formele punten. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgronden die betrekking hebben op de door verweerder gehanteerde referentiesituatie. Daarna bespreekt de rechtbank het betoog van verweerder dat de aanvraag gekwalificeerd kan worden als één-en-hetzelfde project als de referentiesituatie en dat daarom geen natuurvergunning is vereist.\n\nOvergangsrecht\n\n6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n6.1.. De aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend op 1 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.\n\nWas de aanvraag onvoldoende duidelijk?\n\n7. Eisers betogen dat de aanvraag onvoldoende duidelijk is en dat verweerder daarom niet kon besluiten dat significante effecten op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van het aangevraagde project uitgesloten zijn. Eisers stellen dat in de aanvraag ten onrechte niet is benoemd voor welk aantal vliegtuigbewegingen en van welk type maximaal een natuurvergunning wordt aangevraagd.Daarbij merken eisers op dat er een discrepantie bestaat tussen de referentiesituatie, die is gebaseerd op de omzettingsregeling en de referentiesituatie\u002Fhet bestaand recht zoals vermeld in de aanvraag.\n\n7.1.. Verweerder voert hierover aan dat de aanvraag voldoende duidelijk is. De natuurvergunning is door Rotterdam Airport aangevraagd voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’. Dit project bestaat uit luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Rotterdam Airport heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waaruit de referentiesituatie bestaat, aldus verweerder. Daarbij merkt verweerder op dat in het bestreden besluit de door eisers naar voren gebrachte discrepantie is toegelicht en verklaard.\n\n7.2.. \n\nIn het bestreden besluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:\n\n‘Bestaand recht\n\nHet bestaand recht wordt begrensd door het Aanwijzingsbesluit 2010. Aanvrager heeft de referentiesituatie in beeld gebracht, qua vlootsamenstelling en middels een stikstofberekening t.a.v. luchtgebonden activiteiten, grondgebonden activiteiten en verkeersaantrekkende werking.\n\nIn bijlage A van het stikstofrapport is toegelicht hoe het bestaand recht is vastgesteld.\n\n(…)\n\nVoor de reconstructie van het bestaand recht is de verkeerssamenstelling bepaald zonder de onbruikbare (geluid)categorie 000 en alleen voor de vliegtuigtypen die 100 (exclusief de schaalfactor) of meer bewegingen per jaar gemaakt hebben. Dit leidt tot de verkeerssamenstelling, het totale aantal (ongeschaalde) bewegingen neemt af met circa 4.500 bewegingen tot 47.894 bewegingen. Ter correctie van deze missende bewegingen is per soort verkeer een correctiefactor toegepast.\n\nDat resulteert in een bestaand recht van aantal vliegbewegingen per jaar:\n\nGroot verkeer: 22.712,6;\n\nOverig verkeer: 9.785,2;\n\nKlein verkeer: 21.491,7.\n\nDat deze aantallen lager zijn dan werd voorzien ten tijde van de omzettingsregeling zal voor een deel het gevolg zijn van het vervangen van propellervliegtuigen door straalvliegtuigen.’\n\n7.3.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat Rotterdam Airport onder meer het volgende heeft opgenomen in haar aanvraag van 1 oktober 2020 ‘Hierbij vraag ik namens Rotterdam Airport (“RTHA”) een vergunning aan op grond van de Wet natuurbescherming (“Wnb-vergunning”) voor Luchthaven Rotterdam The Hague Airport.\n\nRTHA vraagt de Wnb-vergunning aan voor de activiteit als gedefinieerd in aangehechte passende beoordeling (…).’\n\nIn de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Het vigerende luchthavenbesluit van RTHA is de zogenoemde omzettingsregeling uit 2013 (19 april 2013, IENM\u002FBSK-2013\u002F72460). Deze omzettingsregeling vertaalde (één op één) het laatste aanwijzingsbesluit genomen op basis van de luchtvaartwet naar de nieuwe Wet luchtvaart. Het aanwijzingsbesluit is laatst gewijzigd in 2010 (15 oktober 2010 VenW\u002FBSK 2010\u002F132401) op basis van scenario 4c uit het MER2008. Zowel de omzettingsregeling als het aanwijzingsbesluit waarop het gebaseerd was zijn onherroepelijk. Hierin is een geluidsruimte vergund die is vastgesteld op basis van 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer.\n\n(…)\n\nAls representatie van het feitelijk verkeer is daarom de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 30 oktober 2019) genomen, aangezien dit het meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is 52.439, waarvan 21.049 groot verkeer (NB: dit is lager dan volgt uit wat is vergund - en door RTHA thans wordt aangevraagd - namelijk op basis van de omzettingsregeling. Voor de duidelijkheid: deze aanvraag ziet op de vigerende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer).’\n\n‘2.1 De activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd\n\nHet Aanwijzingsbesluit 2001 en de vigerende milieuvergunning vormen het bestaand recht en zijn voor deze rapportage de referentiesituatie. Deze passende beoordeling gaat over de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door de exploitatie van RTHA (\"de Activiteit\") ten opzichte van de bestaand recht situatie (zie paragraaf 2.2). De exploitatie van RTHA, waarvoor deze vergunning wordt aangevraagd, omvat samengevat:\n\n> Luchtgebonden activiteiten, zoals toegestaan in de vigerende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer) en passend binnen het bestaand recht: de afhandeling van vliegverkeer (landen, opstijgen, taxiën).\n\n> Grondgebonden activiteiten op RTHA, zoals toegestaan op grond van de vigerende omgevingsvergunning (destijds milieuvergunning, laatste revisie 2 augustus 1994) voor RTHA. Dit betreft met name:\n\n■ Gebruik auxiliary power unit (APU), dit is een kleine motor in het vliegtuig die stroom levert voor functies anders dan voortstuwing van het vliegtuig.\n\n■ Gebruik ground power unit (GPU), dit is een verrijdbaar apparaat dat een geparkeerd vliegtuig van stroom voorziet.\n\n■ Proefdraaien vliegtuigen.\n\n■ Platformverkeer: alle voertuigen en mobiele werktuigen die op en rond het platform aanwezig zijn. Hieronder vallen bijvoorbeeld bussen, trekkers, tankauto's en trappen.\n\nBij de grondgebonden activiteiten is het gasverbruik van gebouwen niet opgenomen omdat de meeste gebouwen op RTHA worden verwarmd middels WKO en dus geen fossiele brandstoffen gebruiken. De verkeersaantrekkende werking van het wegverkeer als gevolg van bovenstaande activiteiten wordt ook betrokken in de beoordeling. De verkeersaantrekkende werking op wegverkeer omvat ook verkeer op het luchthaventerrein, zoals taxi's, halen en brengen en bussen welke niet onder de grondgebonden activiteiten van RTHA zelf vallen. Deze verkeersstromen zijn geen onderdeel van de Activiteit, maar daar wel een gevolg van en zijn als dusdanig betrokken in de passende beoordeling.\n\n2.2. \n\nAchtergrond bij de referentiesituatie en de aangevraagde activiteit\n\n(…)\n\nHet maximale gebruik van het Aanwijzingsbesluit 2001 op het gebied van stikstof volgt uit een andere vlootsamenstelling dan in de invoerset van het Aanwijzingsbesluit 2001 was opgenomen. Dit heeft te maken met een verschuiving van propellervliegtuigen (zoals de Fokker 50) naar straalvliegtuigen (zoals Boeing 737's en Airbussen). Deze verschuiving naar straalvliegtuigen heeft tot gevolg dat er meer geluid per vliegtuigbeweging geproduceerd wordt, maar ook dat er meer NOx uitgestoten wordt.\n\n(…)\n\nHuidig gebruik\n\nVoor het huidige gebruik is de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 31 oktober 2019) genomen, aangezien dit meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is in tabel 4 opgenomen. In dit scenario worden meerdere vliegtuig- en motortypen per geluidscategorie beschouwd. Hiermee wordt uitgegaan van een realistische vlootmix.\n\n’\n\n7.4.. De rechtbank stelt voorop dat het bevoegd gezag bepaalt welke gegevens en bescheiden nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.Zoals eisers terecht hebben opgemerkt is het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat bij het verlenen van een natuurvergunning niet een bepaalde stikstofemissie of stikstofdepositie wordt vergund, maar bepaalde activiteiten.\n\n7.5.. De rechtbank oordeelt dat verweerder heeft kunnen besluiten dat de aanvraag van Rotterdam Airport voldoende gegevens en bescheiden bevatte om op te kunnen besluiten. In haar aanvraag heeft Rotterdam Airport opgenomen dat zij een natuurvergunning aanvraagt voor de activiteit zoals die is gedefinieerd in de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling. Anders dan eisers stellen blijkt uit paragraaf 2.1 van deze passende beoordeling waaruit deze aangevraagde activiteit bestaat, waaronder luchtgebonden activiteiten zoals deze zijn toegestaan in de geldende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer). Daaropvolgend is in paragraaf 2.2 onder meer uiteengezet waarom het aantal vliegtuigbewegingen in het gebruiksjaar 2019 afwijkt van de vliegtuigbewegingen zoals die waren toegestaan in de omzettingsregeling. Dit heeft blijkens de passende beoordeling onder meer te maken met de verschuiving van het gebruik van propellervliegtuigen naar straalvliegtuigen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDe referentiesituatie\n\n8. Een natuurvergunning is verplicht als een activiteit afzonderlijk of in samenhang met andere projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, was het vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij beantwoording van de vraag of op voorhand kan worden uitgesloten dat een project significante gevolgen kan hebben – de voortoets –, de gevolgen van de voorgenomen activiteit mochten worden bezien in relatie tot de gevolgen van de bestaande vergunde situatie (intern salderen met de referentiesituatie).8.1.. In de uitspraak van 18 december 2024 heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd (de 18 december-uitspraak).Die wijziging houdt kort gezegd in dat de referentiesituatie niet meer mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. Uit de 18 december-uitspraak blijkt dat de vraag wat de referentiesituatie is bij het verlenen van een natuurvergunning op twee momenten van belang is. Dat is ten eerste in de voortoets. Bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend of betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Dat is ten tweede bij de beantwoording van de vraag of de gevolgen van activiteiten die eerder al zijn toegestaan, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling mogen worden betrokken.Intern salderen met de referentiesituatie mag namelijk nog wel als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling van de gevolgen van een project.Dit kan als voldaan wordt aan de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder het additionaliteitsvereiste. Dit vereiste houdt in dat een maatregel die naar zijn aard ook als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel kan worden ingezet, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als deze maatregel niet nodig is krachtens artikel 6, eerste of tweede lid, van de Habitatrichtlijn.\n\n8.2.. De referentiesituatie die bij intern en extern salderen kan worden ingezet, wordt ontleend aan de natuurvergunning voor de toegestane activiteit op de locatie waarop de voorgenomen activiteit is voorzien. Bij het ontbreken van een natuurvergunning wordt de referentiesituatie ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum. De referentiedatum is de datum waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op het betrokken Natura 2000-gebied.Voor gebieden die ter uitvoering van de Vogelrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum 10 juni 1994 (referentiedatum 1994), tenzij een gebied later is aangewezen.Voor gebieden die ter uitvoering van de Habitatrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum voor de gebieden die in deze zaak van belang zijn 7 december 2004 (referentiedatum 2004). Wanneer na de referentiedatum een toestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen voor Natura 2000-gebieden dan de activiteit die op de referentiedatum was toegestaan, dan geldt die latere toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.\n\n8.3.. De rechtbank beoordeelt in onderstaande overwegingen eerst of verweerder is uitgegaan van de juiste referentiesituatie. Mocht dit het geval zijn, dan beoordeelt de rechtbank daarna of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als hetgeen waarvoor toestemming is verleend in de referentiesituatie.\n\nBesluiten\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat Rotterdam Airport voor de door haar uit te voeren activiteiten niet in het bezit is van een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Ten aanzien van de exploitatie van Rotterdam Airport zijn in de loop der tijd wel diverse besluiten genomen die voor de beoordeling van de referentiesituatie in deze procedure van belang kunnen zijn. Die besluiten worden hieronder weergegeven.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 november 1964 (aanwijzingsbesluit 1964) is Rotterdam Airport aangewezen als luchtvaartterrein.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 maart 2000 (aanwijzingsbesluit 2000) is het aanwijzingsbesluit 1964 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 oktober 2001 (aanwijzingsbesluit 2001) zijn de aanwijzingsbesluiten 1964 en 2000 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 juli 2004 (aanwijzingsbesluit 2004) is het aanwijzingsbesluit 2001 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 september 2010 (aanwijzingsbesluit 2010) zijn de aanwijzingsbesluiten 2001 en 2004 gewijzigd.\n\n- De regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 19 april 2013 (de omzettingsregeling) waarin de bepalingen over het luchthavenverkeer uit het aanwijzingsbesluit 2010 in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens zijn omgezet.\n\nHeeft verweerder terecht de referentiesituatie ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2010?\n\n10. Verweerder heeft in het bestreden besluit de effecten van het project beoordeeld en afgezet tegen de effecten van de referentiesituatie. Volgens verweerder wordt de referentiesituatie voor het project gevormd door hetgeen is toegestaan op grond van het aanwijzingsbesluit 2010 en vervolgens is omgezet in de omzettingsregeling. Voor het aanwijzingsbesluit 2010 is voor 1 februari 2009 een aanvraag ingediend, het aanwijzingsbesluit 2010 is na die datum onherroepelijk geworden en het aanwijzingsbesluit 2010 is eerder passend beoordeeld. Hierdoor is er gelet op artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, geen sprake van een vergunningplicht, aldus verweerder in het bestreden besluit.\n\n10.1.. Eisers zijn het om diverse redenen niet eens met de keuze van verweerder om de referentiesituatie voor het project te ontlenen aan het aanwijzingsbesluit 2010. Eisers stellen onder meer dat Rotterdam Airport geen geslaagd beroep kan doen op het overgangsrecht als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb. Eisers voeren aan dat een besluit dat valt onder het overgangsrecht van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, niet als referentiesituatie kan fungeren voor een ander project. Ter onderbouwing van deze stelling verwijzen eisers naar een uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 en een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025.Verder stellen eisers dat ten tijde van het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 er al een toetsingsgrondslag aanwezig was in de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) in verband met de reeds aangewezen gebieden op basis van de Vogelrichtlijn. De beoordeling van de aangevraagde effecten op deze gebieden had volgens eisers moeten plaatsvinden in een vergunningprocedure als bedoeld in Nbw 1998.Voor zover een referentiesituatie ontleend kan worden aan het aanwijzingsbesluit 2010, dan betreft dit aanwijzingsbesluit geen natuurtoestemming, maar een milieutoestemming, aldus eisers. Tot slot stellen eisers dat verweerder de referentiesituatie in de ontwerpnatuurvergunning en verschillende andere besluiten heeft ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2001 in plaats van het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n10.2.. De rechtbank overweegt dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Op basis van dit artikel gold (tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet) een vergunningplicht voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze vergunningplicht geldt na 1 januari 2024 op grond van artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet. In artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb staat dat artikel 2.7, tweede lid, niet van toepassing is op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden. Onder de Omgevingswet is voorzien in een soortgelijk artikel.\n\n10.3.. Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb bevat een uitzondering op de vergunningplicht. Uit de memorie van toelichting bij dit artikel volgt dat de implementatie van de Habitatrichtlijn met de wijzigingen van de Nbw 1998 per 1 oktober 2005 en 1 februari 2009 is gecomplementeerd en sindsdien voorziet in een zelfstandig regime ter toetsing van projecten en andere handelingen aan de vereisten van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Tot die tijd werd de toetsing van projecten en handelingen aan de vereisten van artikel 6 van de Habitatrichtlijn zoveel mogelijk verricht bij het nemen van andere besluiten die voorzagen in de autorisatie van het project of de handeling, bijvoorbeeld milieu(revisie)vergunningen, vrijstellingen op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bestemmingsplannen en ontgrondingenvergunningen. Dit gebeurde op basis van een zogenoemde richtlijnconforme interpretatie van de nationale regelgeving in het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. In de memorie van toelichting heeft de opsteller verder vermeld dat het achtste lid regelt dat deze projecten en handelingen niet nogmaals aan de vereisten van de Habitatrichtlijn hoeven te worden getoetst.\n\n10.4.. In artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb staan een aantal voorwaarden waaraan een besluit moet voldoen om onder deze bepaling te vallen. Ten eerste moet het besluit op grond waarvan het project of de andere handeling is toegestaan, zijn genomen voor 1 februari 2009, dan wel dat de aanvraag voor die datum is ingediend en na deze datum het besluit onherroepelijk is geworden. Ten tweede moet dit besluit berusten op een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Ten derde moet bij dit besluit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht zijn genomen.\n\n10.5.. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of het aanwijzingsbesluit 2010 voldoet aan de voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, overweegt de rechtbank het volgende.\n\n10.6.. In de door eisers aangehaalde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant is overwogen dat aan een besluit waarop artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb van toepassing is geen referentiesituatie ontleend kan worden voor een ander project.In het bestreden besluit heeft het aanwijzingsbesluit 2010 daarentegen niet gefungeerd als een referentiesituatie voor een ander project, maar voor een voortzetting van het project zoals dat was toegestaan met het aanwijzingsbesluit 2010. Dat blijkt expliciet uit de aanvraag en uit het bestreden besluit. Los van de vraag of verweerder terecht heeft besloten dat sprake was van voortzetting van één-en hetzelfde project, waarop de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak in zal gaan, volgt hieruit wel reeds dat de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant niet op gaat. Ook de verwijzing door eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 brengt geen verandering in het voorgaande. In deze uitspraak heeft de Afdeling de vraag of een besluit waarop artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb op van toepassing is kan worden gebruikt als referentiesituatie bij de beoordeling voor de aangevraagde wijziging van een project, uitdrukkelijk niet beantwoord. Ook deze uitspraak betreft daarbij, anders dan deze uitspraak, wederom een situatie waarbij sprake is van een wijziging van een project.\n\n10.7.. \n\nDe stelling van eisers dat ten tijde van de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010 de beoordeling van de aangevraagde effecten op vogelrichtlijngebieden exclusief plaats had moeten vinden in een vergunningprocedure als bedoeld in de Nbw 1998 en daarom het aanwijzingsbesluit in ieder geval voor enkele gebieden niet kan fungeren als referentiesituatie, volgt de rechtbank niet. Gelet op de tekst van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb is voor de toepasselijkheid van deze overgangsrechtelijke bepaling niet relevant of er op dat moment al een toetsingsgrondslag aanwezig was in de Nbw 1998 en zo ja, of bij die beoordeling ook de effecten op gebieden moesten worden meegenomen die nog niet als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn waren aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het met het oog op rechtszekerheid, voor de toepassing van het overgangsrecht slechts van belang of artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen in het aanwijzingsbesluit 2010.\n\nDaarbij acht de rechtbank ook van belang dat ingevolge artikel 7 van de Habitatrichtlijn de verplichtingen uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn ook gelden voor Vogelrichtlijngebieden. Als aan de verplichtingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn is getoetst is daarmee ook een beoordeling uitgevoerd op grond van de Vogelrichtlijn.\n\n10.8.. De rechtbank beantwoordt hierna of het aanwijzingsbesluit 2010 aan de hiervoor genoemde voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb voldoet.\n\nVoldoet het aanwijzingsbesluit 2010 aan de voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb?\n\n11. Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb luidt: ‘Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.’\n\n11.1.. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 is gestart met de brief van 30 september 2005, waarin Rotterdam Airport heeft verzocht om wijziging van het destijds vigerende aanwijzingsbesluit. Daarmee is de aanvraag voor het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 ingediend voor 1 februari 2009. Verder heeft de Afdeling de beroepen die waren ingesteld tegen het aanwijzingsbesluit 2010 in haar uitspraak van 6 juli 2011 ongegrond verklaard. Daardoor is het aanwijzingsbesluit 2010 onherroepelijk geworden na 1 februari 2009.Gelet hierop is aan de eerste voorwaarde van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb voldaan. Verder stelt de rechtbank vast dat het aanwijzingsbesluit 2010 ook voldoet aan de tweede voorwaarde van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb. Het aanwijzingsbesluit 2010 is op grond van de Luchtvaartwet genomen en daarmee is gegeven dat het aanwijzingsbesluit 2010 is genomen op een andere grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Hierdoor komt Rotterdam Airport een beroep toe op artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, mits bij het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen.\n\n11.2.. Eisers betogen dat het aanwijzingsbesluit 2010 niet met inachtneming van artikel 6, tweede tot en met het vierde lid, van de Habitatrichtlijn is genomen. Eisers stellen dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 niet passend zijn beoordeeld. Het bij het aanwijzingsbesluit 2010 onderliggende rapport uit 2008 is volgens eisers slechts te kwalificeren als een voortoets en bevat een aantal gebreken.In dat rapport is de onjuiste conclusie opgenomen dat er binnen 15 kilometer van het terrein van de luchthaven geen Natura 2000-gebieden zijn gelegen, aldus eisers. Verder heeft er in het rapport geen cumulatietoets plaatsgevonden.\n\n11.3.. Verweerder voert hierover aan dat het aanwijzingsbesluit 2010 wel met inachtneming van artikel 6, tweede tot en met vierde lid, van de Habitatrichtlijn is genomen. De stelling van eisers dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 niet volledig dan wel correct passend zijn beoordeeld brengt in het voorgaande geen verandering, aldus verweerder. Verweerder stelt dat het aanwijzingsbesluit 2010 onherroepelijk is en het in strijd met de rechtszekerheid is als een onherroepelijk besluit opnieuw tegen het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn wordt gehouden. Na het verstrijken van de beroepstermijn kunnen mogelijke bezwaren tegen het toepassen van de bepalingen uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn niet alsnog worden tegengeworpen, aldus verweerder.\n\n11.4.. Zoals hierboven overwogen is het een gegeven dat het aanwijzingsbesluit 2010 door de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011 onherroepelijk is geworden. De rechtszekerheid staat eraan in de weg dat de toets aan artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in deze procedure opnieuw in volle omvang aan de orde kan worden gesteld. Dit zou immers neerkomen op een herbeoordeling van een reeds onherroepelijk verleende toestemming en zou het overgangsrecht in dat opzicht zinledig maken. De beoordeling dient daarom beperkt te blijven tot de vraag of artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n11.5.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in de nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit 2010 onder meer het volgende is opgenomen:\n\n‘4.3 Maatschappelijke effecten en overwegingen\n\nIn deze paragraaf worden de effecten beschouwd van het alternatief 4c dat de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, kiest als basis voor de aanwijzing. Hierbij komen zowel de economische als milieueffecten aan de orde.’\n\n‘4.3.2. Milieu-effecten\n\nGeluid\n\n(…)\n\nLuchtkwaliteit\n\n(…)\n\nBeschermde natuur\n\nOm de gevolgen voor de beschermde natuur rond Rotterdam The Hague Airport in kaart te brengen, zijn voor het voorkeursalternatief verstorende effecten voor beschermde gebieden en beschermde flora en fauna geïnventariseerd. Mogelijk verstorende effecten van grote burgerluchtvaart kunnen optreden in gebieden waarboven op minder dan drieduizend voet hoogte wordt gevlogen en binnen een afstand van minder dan twee kilometer van de routes.\n\nDeskundigenbureau Waardenburg hanteert als aanname dat boven deze hoogte en voorbij deze afstand geen verstoringen van de natuur optreden. Rotterdam The Hague Airport bevindt zich in een zeer verstedelijkte omgeving. Beschermde gebieden, diersoorten, plantsoorten en habitats (alle volgens de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet 2002) komen in de directe omgeving van de luchthaven niet of nauwelijks voor, wel op grotere afstand. Gevolgen van de alternatieven voor beschermde natuur zijn in de omgeving alleen van toepassing voor zicht en geluid van vliegtuigen in het Beschermd Natuurmonument de Ackerdijkse Plassen, enkele kilometers ten noordwesten van de luchthaven. Alle andere (beschermde) natuurgebieden liggen op zo'n afstand van de luchthaven en de gevolgde vliegroutes, dat er geen verstorende effecten te verwachten zijn.’\n\n11.6.. \n\nIn het ‘Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008 Rotterdam Airport, Deelrapport Natuur’ (milieueffectrapport), dat ten grondslag ligt aan het aanwijzingsbesluit 2010, zijn onder meer de volgende passages en afbeeldingen opgenomen:\n\n‘5. Gebieden en soorten met een beschermde status5.1. \n\nInleiding\n\n(…)\n\nRekening houdend met eventuele effecten op grotere afstand is een overzicht gegeven van beschermde gebieden en soorten binnen een straal van 5 en van 10 km. De beschermde gebieden hebben betrekking op Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en Natuurbeschermingswet. Binnen een Vogelrichtlijngebied genieten de vogelsoorten op grond waarvan het gebied is aangewezen een beschermde status. Binnen een Habitatrichtlijngebied geldt dit voor habitattypen en plant- en diersoorten op grond waarvan het gebied is aangewezen. Sinds 1 oktober 2005 is de gebiedsbescherming vanuit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgenomen in de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998. Sindsdien worden de speciale beschermingszones aangeduid als Natura 2000-gebieden. Eventuele inliggende Beschermde Natuurmonumenten zullen in deze vernieuwde aanwijzingen worden opgenomen. Daarnaast kan een gebied op grond van de Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als Beschermd Natuurmonument.’\n\n‘5.2 Beschermde gebieden\n\nRondom luchtvaartterein Rotterdam-Airport liggen binnen een straal van 15 km geen gebieden waarvan de beschermde status is ontleend aan de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn. Alleen aan de zuidzijde van Rotterdam liggen langs de Oude Maas terreinen die onder de Habitatrichtlijn zijn aangewezen als speciale beschermingszone.\n\nOp grotere afstand, maar op minder dan 30 kilometer liggen met name langs de kust en in de Delta verschillende Natura 2000-gebieden. De meeste van deze gebieden ontlenen hun beschermde status aan zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn.\n\nTen noordwesten van Rotterdam-Airport liggen op enkele kilometers afstand de Ackerdijkse Plassen. Dit terrein heeft de status van Beschermd Natuurmonument.\n\n’\n\n‘Beoordelingskader\n\nDe effecten van het vliegverkeer van en naar Rotterdam Airport worden getoetst aan de voorwaarden die de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn stellen. Artikel 6 van de Habitatrichtlijn geeft het globale afwegingskader. Op basis van dit beoordelingskader kan worden aangegeven of sprake is van significante effecten. Onder significante effecten wordt in dit verband verstaan:\n\nveranderingen in abiotische situatie en de ruimtelijke structuur, die de natuurlijke dynamiek te boven gaan en het leefmilieu van planten- en\u002Fof diersoorten zodanig beïnvloeden dat er letterlijk unieke situaties verloren dreigen te gaan of ecologische processen blijvend worden verstoord, of het voortbestaan van populaties van nationaal zeldzame soorten of voor dat systeem kenmerkende soorten op termijn niet meer op hetzelfde niveau verzekerd is, dan wel de betekenis van een gebied voor soorten aanmerkelijk afneemt (naar EU 2000).\n\nHierin zijn de begrippen ‘verloren dreigen te gaan' en ‘blijvend verstoord' relatief eenduidig en ook relatief eenvoudig vast te stellen. Voor gebieden die niet zijn aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, maar wel zijn aangewezen als Beschermd Natuurmonument, kan hetzelfde afwegingskader worden gebruikt. Ook voor deze gebieden zal worden nagegaan of sprake is van significante effecten. Indien in de beoordeling in het kader van de Vogelrichtlijn en\u002Fof Habitatrichtlijn sprake is van significante effecten, komen mitigerende en zo nodig ook compenserende maatregelen in beeld. De Natuurbeschermingswet is hierin minder stringent en vraagt bijvoorbeeld geen mitigerende of compenserende maatregelen. (…)’\n\n‘7. Conclusies\n\n(…)\n\nNatura 2000-gebieden die beschermd zijn op grond van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 (nog geen vigerende aanwijzingsbesluiten, voorheen Vogelrichtlijngebied en\u002Fof Habitatrichtlijngebied met thans vigerende aanwijzingsbesluiten) liggen op een afstand van 15 km of meer van luchtvaartterrein Rotterdam-Airport. Vliegtuigen passeren hier op hoogtes (ruim) boven 3.000 ft. Op deze gebieden zijn derhalve geen (significante) effecten te verwachten onder beide te beoordelen alternatieven.’\n\n11.7.. \n\nHet rapport van 26 juni 2008 waar eisers naar verwijzen betreft de toetsing door het adviesbureau Waardenburg waarin de effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving zijn getoetst (het rapport).Het rapport is een bijdrage in het hiervoor genoemde milieueffectrapport. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Verstoring van fauna door vliegtuigen en helikopters heeft een visuele en een auditieve component. Verstorende effecten nemen af bij toenemende vlieghoogte. Bij vlieghoogtes boven 3.000 ft worden op grond van het bestaande onderzoek geen effecten verwacht.\n\n(…)\n\nNatura 2000-gebieden die beschermd zijn op grond van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 (nog geen vigerende aanwijzingsbesluiten, voorheen Vogelrichtlijngebied en\u002Fof Habitatrichtlijngebied met thans vigerende aanwijzingsbesluiten) liggen op een afstand van 15 km of meer van luchtvaartterrein Rotterdam-Airport (figuur 5.1). Vliegtuigen passeren hier op hoogtes (ruim) boven 3.000 ft. Op deze gebieden zijn derhalve geen (significante) effecten te verwachten.’\n\n11.8.. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze passages uit het milieueffectrapport dat ten grondslag ligt aan het aanwijzingsbesluit 2010, dat het aanwijzingsbesluit 2010 is verleend met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. In het milieueffectrapport is een opsomming gegeven van de gevoelige en beschermde gebieden in relatie tot natuur en landschap die zich in de nabijheid van de voorgenomen activiteit bevinden. In deze opsomming worden ook verschillende Natura 2000-gebieden genoemd, inclusief de afstand tot de voorgenomen activiteit en of deze gebieden hun bescherming ontlenen aan de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn of beide. Blijkens de nota van toelichting en het milieueffectrapport heeft er vervolgens een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen activiteit op de betreffende gebieden. De conclusie is dat de voorgenomen activiteit geen (significante) effecten heeft op de gebieden die zijn gelegen binnen een afstand tot 15 km of minder van het terrein van de luchthaven, gelet op de aanname dat mogelijk verstorende effecten van grote burgerluchtvaart niet kunnen optreden in gebieden waarboven op minder dan drieduizend voet hoogte wordt gevlogen.\n\n11.9.. Anders dan eisers betogen, vereist het in acht nemen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 passend moeten zijn beoordeeld. De systematiek van het natuurbeschermingsrecht houdt in dat alleen een passende beoordeling nodig is als mogelijk significante effecten als gevolg van het project te verwachten zijn op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als significante negatieve gevolgen zijn uit te sluiten is een passende beoordeling niet nodig. De in het aanwijzingsbesluit verrichte beoordeling heeft uitgewezen dat significante gevolgen zijn uit te sluiten. De omstandigheid dat de beoordeling van de gevolgen van de aangevraagde activiteit voor omliggende gebieden in het aanwijzingsbesluit 2010, met de kennis van nu, wellicht anders of meer indringend zou zijn uitgevoerd, doet geen afbreuk aan het onherroepelijke karakter daarvan. Gelet hierop kunnen de overige door eisers aangevoerde gronden evenmin leiden tot het oordeel dat artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet in acht zijn genomen. Het betoog slaagt niet.\n\n11.10.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht heeft besloten dat het aanwijzingsbesluit 2010 een zogenaamde natuurtoestemming behelst.\n\nIs het aanwijzingsbesluit 2010 geëxpireerd?\n\n12. Eisers betogen dat de toestemming uit het aanwijzingsbesluit 2010 is geëxpireerd. Dit heeft volgens eisers tot gevolg dat de referentiesituatie die aan het aanwijzingsbesluit 2010 kan worden ontleend, nihil is. Eisers stellen dat in strijd met artikel X van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (Wet RBML) de omzettingsregeling is vastgesteld voor Rotterdam Airport. Volgens eisers is de omzettingsregeling als bedoeld in artikel X van de Wet RBML uitdrukkelijk niet bedoeld voor burgerluchthavens van nationaal belang maar voor burgerluchthavens van regionaal belang. Dit blijkt onder meer uit verschillende passages uit de memorie van toelichting bij de Wet RBML, aldus eisers. Hierdoor had volgens eisers voor de exploitatie van de luchthaven op 1 november 2014 een Luchthavenbesluit moeten worden vastgesteld.\n\n12.1.. Verweerder voert hierover aan dat de omzettingsregeling tot gevolg heeft dat de exploitatie van de luchthaven nog steeds plaatsvindt overeenkomstig een vigerende toestemming. Volgens verweerder wordt in artikel X van de Wet RBML geen onderscheid gemaakt tussen het type luchthavens. Het gaat namelijk om ieder luchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet. De memorie van toelichting waarnaar eisers verwijzen is achterhaald, omdat daarin nog werd uitgegaan van het eerste wetsvoorstel, aldus verweerder. Volgens verweerder is met de nota van wijziging van 11 oktober 2006 het eerste wetsvoorstel gewijzigd.\n\n12.2.. In de 18 december-uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat een referentiesituatie niet kan worden ontleend aan een natuurvergunning of een milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.De rechtbank zal daarom de vraag beantwoorden of verweerder ten onrechte heeft besloten dat het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling niet is geëxpireerd.\n\n12.3.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke grondslag voor de omzettingsregeling is gelegen in artikel X van de Wet RBML. Artikel X, eerste lid, van de Wet RBML luidt: ‘Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor ieder burgerluchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet, aan beide zijden in het verlengde van de middellijn van de start- en landingsbaan op 100 meter van het einde van de baan een punt vastgesteld waar de geluidbelasting een bepaalde waarde niet te boven mag gaan.’\n\n12.4.. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat ten onrechte een omzettingsregeling is vastgesteld voor de exploitatie van de luchthaven. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het aanwijzingsbesluit 2010 is gebaseerd op artikel 18 van de Luchtvaartwet. De stelling van eisers dat in strijd met artikel X van de Wet RBML een omzettingsregeling is vastgesteld voor Rotterdam Airport volgt de rechtbank niet. Blijkens de tekst van artikel X van de Wet RBML wordt voor ieder burgerluchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet immers een omzettingsregeling vastgesteld.\n\nIs de omzettingsregeling van rechtswege komen te vervallen?\n\n13. Eisers betogen dat de omzettingsregeling van rechtswege is komen te vervallen en dat daarom hieraan geen referentiesituatie kan worden ontleend. Eisers stellen dat in strijd met de verplichting uit artikel XIII, tweede lid, van de RBML geen luchthavenbesluit is vastgesteld voor de exploitatie van de luchthaven en daarmee de omzettingsregeling is vervallen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat in strijd wordt gehandeld met het verbod van artikel 8.1a, derde lid, van de Wet luchtvaart (Wlv), aldus eisers. Het voorgaande onderbouwen eisers onder meer met rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) waaruit volgens hen blijkt dat geen referentiesituatie kan worden ontleend aan een toestemming die een tijdelijk karakter heeft.\n\n13.1.. Verweerder voert hierover aan dat het niet voldoen aan de verplichting tot het binnen vijf jaar vaststellen van een luchthavenbesluit niet tot gevolg heeft dat de omzettingsregeling van rechtswege is komen te vervallen.Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de toestemming voor de exploitatie van de luchthaven geen einddatum kent. De doorlopende toestemming uit de omzettingsregeling moet alleen worden ondergebracht onder een ander juridisch regime.\n\n13.2.. Artikel XIII, tweede lid, van de RBML luidt: ‘Binnen vijf jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel K, van deze wet wordt een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.70, eerste lid, van de Wet luchtvaart, vastgesteld voor burgerluchthavens die op grond van artikel 8.1, tweede lid, van die wet van nationale betekenis zijn en waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, van die wet vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.’\n\n13.3.. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 5 maart 2025 heeft overwogen dat zolang een omzettingsregeling op grond van artikel X van de RBML voor een luchthaven geldt, het verbod van artikel 8.1a, derde lid, van de Wlv niet wordt overtreden.Verder heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat in artikel XIII niet is bepaald dat een omzettingsregeling vervalt als de daarin gestelde termijn verstrijkt en er nog geen luchthavenbesluit is vastgesteld. Artikel XIII, eerste lid, van de RBML verbindt dat gevolg niet aan het verstrijken van de daarin gestelde termijn. Dat betekent dat de omzettingsregeling geldt zolang er nog geen luchthavenbesluit geldt, ook al is de termijn van artikel XIII, eerste lid, verstreken, aldus de Afdeling.\n\n13.4.. De rechtbank is, anders dan eisers betogen, niet van oordeel dat aan het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling geen referentiesituatie kan worden ontleend omdat deze zijn vervallen. De rechtbank acht hiertoe van belang dat uit de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025 uitdrukkelijk volgt dat het verstrijken van de termijn uit artikel XIII van de RBML niet tot gevolg heeft dat de omzettingsregeling vervalt. De omstandigheid dat in de betreffende uitspraak het eerste lid van voornoemd artikel van toepassing was en in deze procedure het tweede lid van dat artikel brengt in het voorgaande geen verandering. Ook in artikel XIII, tweede lid, van de RBML is namelijk, net als in het eerste lid, geen gevolg verbonden aan het niet voldoen aan de verplichting om binnen vijf jaar een luchthavenbesluit vast te stellen voor de betreffende luchthaven. Zoals hierboven opgenomen volgt uit de 18 december-uitspraak dat een referentiesituatie niet kan worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd. Die rechtspraak ziet echter op de situatie waarin de rechten die werden ontleend aan de betrokken vergunning of toestemming zijn geëindigd, waardoor een activiteit niet in de bestaande omvang kon worden voortgezet. Die situatie doet zich hier niet voor. Weliswaar moest de omzettingsregeling blijkens artikel XIII binnen vijf jaar worden omgezet in een luchthavenbesluit, maar het hier aan voldoen heeft niet tot gevolg dat daarmee de exploitatie van de luchthaven niet mocht worden voortgezet. Van een verval van het recht om de eerder toegestane activiteit voort te zetten, was daarom geen sprake. Het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling is daarmee geen toestemming die is vervallen.13.5.. Gelet op het bovenstaande gaat de verwijzing door eisers naar de rechtspraak van het Hof van Justitie niet op. In het door eisers aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019 was namelijk sprake van een concrete einddatum van de betreffende activiteit, bestaande uit het in werking hebben van twee kerncentrales. De toestemming van de exploitatie van de luchthaven kent daarentegen geen einddatum. Zoals hierboven opgenomen moet alleen de toestemming die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de omzettingsregeling worden ondergebracht onder het regime van de Wet luchtvaart. Voor zover eisers wijzen op overweging 43 uit het arrest van het Hof van Justitie van 10 november 2022, merkt de rechtbank op dat, anders dan eisers stellen, uit deze overweging niet volgt dat geen referentiesituatie kan worden ontleend aan toestemming die tijdelijk van aard is.\n\nTen onrechte de referentiesituatie betrokken in de voortoets?\n\n14. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. Eisers voeren daartoe aan dat in de 18 december-uitspraak is overwogen dat sprake is van een vergunningplichtig project als op basis van een voortoets, zonder dat daarin de referentiesituatie wordt betrokken, significante effecten niet kunnen worden uitgesloten. Volgens eisers volgt uit de 18 december-uitspraak ook dat het project slechts kan worden toegestaan als de effecten daarvan in een passende beoordeling zijn beoordeeld en de getroffen maatregelen uit deze passende beoordeling voldoen aan het additionaliteitsvereiste. Eisers stellen zich op het standpunt dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport geen voortzetting is van één-en-hetzelfde project als is toegestaan met het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling. Eisers voeren aan dat de exploitatie van Rotterdam Airport veelvuldig is gewijzigd sinds de referentiedatum en dat daarom niet langer sprake is van een-en-hetzelfde-project. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar het rapport van het adviesbureau Apollon Milieu (Apollon) waarin onder meer is opgenomen dat er tussen de aanvraag en de referentiesituatie verschillen zichtbaar zijn. In het rapport van Apollon is bijvoorbeeld opgetekend dat de parkeerterreinen op de luchthaven zijn uitgebreid en dat er een verschuiving en filtering heeft plaatsgevonden van vliegtuigcategorieën. Ter zitting hebben eisers gesteld dat wanneer op de grond van de luchthaven bouwwerkzaamheden worden verricht die relevant zijn voor de uitbreiding van de capaciteit van de luchthaven, die werkzaamheden tot gevolg hebben dat daarmee het project wordt gewijzigd.\n\n14.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de referentiesituatie betrokken mocht worden bij de beoordeling van de effecten van het aangevraagde project in de voortoets en daaropvolgende beoordeling of het aangevraagde project vergunningplichtig was. Verweerder voert hierover aan dat de 18 december-uitspraak geen invloed heeft op het bestreden besluit. Verweerder stelt dat de aanvraag geen betrekking heeft op een wijziging van het project. Volgens verweerder is geen sprake van een nieuw project dan wel het beperken of beëindigen van een bestaande situatie. De exploitatie van de luchthaven als bedoeld in de referentiesituatie wordt namelijk voorgezet, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat de effecten van de beoogde situatie passen in de referentiesituatie en geen sprake is van een nieuw project of een verandering daarvan. Dat de vliegtuigen in de loop der tijd veranderen heeft niet tot gevolg dat sprake is van een gewijzigd project. Het vergunde project in de referentiesituatie betreft immers de exploitatie van een luchthaven en daar ziet het aangevraagde project ook op, aldus verweerder.\n\n14.2.. Rotterdam Airport stelt zich op het standpunt dat sprake is van één-en-hetzelfde project en daarom geen natuurvergunning is vereist. Rotterdam Airport betoogt dat het aangevraagde project nog steeds het exploiteren van de luchthaven is door middel van het afwikkelen van vliegverkeer, met alle bijbehorende (grondgebonden) activiteiten. Bij continuïteit en identiteit van de verschillende activiteiten moet de voortzetting van de reeds eerder vergunde activiteiten geacht worden deel uit te maken van slechts één project waarvoor reeds een vergunning is afgegeven en waarvoor geen nieuwe beoordeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn hoeft te worden verricht, aldus Rotterdam Airport.\n\n14.3.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen blijkt uit de 18 december-uitspraak dat de referentiesituatie in de voortoets van belang blijft. De referentiesituatie is namelijk van belang bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend of betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project is sprake wanneer een project niet langer wordt voortgezet als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de natuurtoestemming of een milieutoestemming van voor de referentiedatum die nadien is gecontinueerd.\n\n14.4.. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie in het arrest van 7 november 2018 heeft overwogen dat een activiteit kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project waarvoor geen nieuwe beoordeling nodig is op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn ‘mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd’.In het arrest van 10 november 2022 heeft het Hof van Justitie over de ongewijzigde voortzetting van een natuurvergunde activiteit overwogen: ‘Wanneer een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een beschermd gebied, reeds in de projectfase is vergund, kan de voortzetting van die activiteit echter slechts worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project waarvoor krachtens artikel 6, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 92\u002F43 een nieuwe beoordeling moet worden verricht, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit - met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd - geen continuïteit en identiteit bestaat’.\n\n14.5.. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank beoordelen of het aangevraagde project door Rotterdam Airport een voortzetting betreft als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de toestemming zoals die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling.\n\n14.6.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat Rotterdam Airport onder meer het volgende heeft opgenomen in haar aanvraag van 1 oktober 2020:\n\n ‘Hierbij vraag ik namens Rotterdam Airport (‘’RTHA’’) een vergunning aan op grond van de Wet natuurbescherming (‘‘Wnb-vergunning’’) voor Luchthaven Rotterdam The Hague Airport.’\n\nIn de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\nHuidig gebruik\n\nVoor het huidige gebruik is de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 31 oktober 2019) genomen, aangezien dit meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is in tabel 4 opgenomen. In dit scenario worden meerdere vliegtuig- en motortypen per geluidscategorie beschouwd. Hiermee wordt uitgegaan van een realistische vlootmix.\n\n’\n\nIn de geactualiseerde passende beoordeling is onder meer de volgende tabel opgenomen:\n\n14.7.. \n\nIn het bestreden besluit heeft verweerder onder meer de volgende passages opgenomen:\n\n‘Besluit\n\nIn de stukken geeft u aan dat de aanvraag voor het project RTHA betrekking heeft op de referentiesituatie zoals beschreven in de passende beoordeling. De exploitatie blijft binnen bestaand recht. Derhalve wordt geen vergunning verleend, maar wordt de aanvraag positief afgewezen.’\n\n(…)\n\n‘2.4 Conclusie\n\nNu het Aanwijzingsbesluit 2010 het bestaand recht bepaalt is niet het aantal vliegtuigen bepalend voor de referentiesituatie, als wel hetgeen zich realistisch gezien kon voordoen binnen de looptijd van het Aanwijzingsbesluit 2010. Daarbij was de geluidscontour bepalend, want aan RTHA is in 2010 geen andere beperking gesteld dan de geluidscontour. De stikstofemissie en -depositie volgens bestaand recht is uitgewerkt in de voortoets. Uit de voortoets volgt dat het aantal vliegtuigbewegingen bij het bestaand recht zoals zich dat in de referentiesituatie kon voordoen, lager is dan hetgeen werd voorzien bij de omzettingsregeling. Nu de aanvraag ziet op het uitvoeren van het project exploitatie luchthaven RTHA binnen de referentiesituatie, zijn significante gevolgen uitgesloten. Om die reden is geen vergunning nodig. Dit besluit betreft dan ook een positieve weigering. Aan een positieve weigering kunnen geen voorschriften worden verbonden. Uit oogpunt van rechtszekerheid en om te voorkomen dat de activiteiten op RTHA, ten opzichte van de referentiesituatie, verslechterende of significant verstorende gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied waarop RTHA stikstof emitteert en deponeert, worden bij separaat besluit ambtshalve maatwerkvoorschriften opgelegd waarbij de stikstofemissie, van vliegverkeer incl. taxiën en APU, GPU, platformverkeer en proefdraaien, zoals berekend in de voortoets behorend bij uw aanvraag voor de referentiesituatie, wordt vastgelegd. Voorts dient de luchthaven over leder volgend gebruiksjaar te monitoren wat de stikstofemissie was.’\n\n14.8.. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of Rotterdam Airport met haar aanvraag een wijziging van het project heeft aangevraagd ten opzichte van de referentiesituatie zoals die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling.\n\n14.9.. De rechtbank stelt voorop dat een toestemming kan zijn begrensd door middel van geluidcontouren. Deze contouren dienen dan als referentie voor het maximaal toegestane gebruik. Het aantal vliegtuigbewegingen kan binnen de geluidcontour fluctueren en is alleen begrensd door de geluidscontour.Onder meer uit de aanvraag blijkt dat de berekende Ke-geluidszone uit het aanwijzingsbesluit 2010 is gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer. Dit aantal vliegtuigbewegingen vloeit voort uit het milieueffectrapport dat ten grondslag lag aan de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010.Dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport binnen deze toegestane vliegtuigbewegingen blijft is gelet op de 18 december-uitspraak niet meer relevant voor de vraag of het aangevraagde project vergunningplichtig is. Enkel als op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het aangevraagde project op zich zelf (inclusief standaardonderdelen in het ontwerp van het nieuwe project, maar zonder daarbij mitigerende maatregelen, waaronder intern salderen te betrekken), of in combinatie met andere plannen of projecten heeft voor Natura 2000-gebieden, bestaat er geen vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.\n\n14.10.. Het adviesbureau Apollon heeft in opdracht van eisers een rapport opgesteld met de titel ‘Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport’ (second opinion). In deze second opinion heeft Apollon onder meer geconcludeerd dat door de jaren heen het aantal parkeerplaatsen bij de luchthaven is toegenomen om het groeiend aantal passagiers te faciliteren. Zo heeft er volgens Apollon in 2006 een uitbreiding plaatsgevonden aan de zuid\u002Fwest kant van de luchthaven en is in 2008 een brede parkeerstrook aan het zuiden doorgetrokken. Verder concludeert Apollon dat ook een aantal faciliteiten zoals hotels, catering en gebouwen voor cargo bedrijven zijn gerealiseerd.Deze conclusies heeft Apollon onderbouwd met verschillende luchtfoto’s uit verschillende jaren van de luchthaven waarop deze wijzigingen volgens Apollon zichtbaar zijn.\n\n14.11.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft besloten dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport niet vergunningplichtig is. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het door Rotterdam Airport aangevraagde project niet kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project ten opzichte van het aanwijzingsbesluit 2010 en de daarop volgende omzettingsregeling. Zij licht dat oordeel als volgt toe. Rotterdam Airport heeft in haar aanvraag ervoor gekozen om een aanvraag in te dienen voor een natuurvergunning bij verweerder voor concrete activiteiten, namelijk luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Daarbij zijn de luchtgebonden activiteiten gespecificeerd in een aantal en type vliegtuigbewegingen. Hiermee heeft Rotterdam Airport ervoor gekozen om een toegestaan project op grond van een geluidscontour (dat dynamisch van aard) is te wijzigen naar een toestemming op grond van een natuurvergunning (die niet meer dynamisch maar statisch van aard is). Binnen de geluidscontour van het aanwijzingsbesluit 2010 bestond namelijk de mogelijkheid tot een autonome groei van het aantal en type en vliegtuigbewegingen, zolang deze maar binnen de vastgelegde geluidcontour bleven. Die wijzigingen hebben zich ook voorgedaan, zoals blijkt uit het verschil tussen de vliegtuigbewegingen in de referentiesituatie en het huidige gebruik waarvoor het jaar 2019 tot uitgangspunt is genomen. In de aanvraag is geen sprake van een dergelijke flexibiliteit. Hiermee bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijk verschil tussen de voorwaarden waaronder de vliegtuigbewegingen mogen worden verricht op de luchthaven in de aangevraagde situatie en de referentiesituatie. Dit dynamische karakter van de toestemming die Rotterdam Airport ontleent aan het aanwijzingsbesluit 2010 is onder meer zichtbaar uit de aangeleverde gegevens over het huidige gebruik. De aanvraag voor de natuurvergunning heeft gelet op het voorgaande geen betrekking op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als waarvoor met het aanwijzingsbesluit 2010 toestemming was verleend. Er is immers geen sprake van continuïteit en identiteit van de voorwaarden waaronder de activiteiten van Rotterdam Airport worden uitgevoerd.\n\n14.12.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag niet compleet is, nu Rotterdam Airport geen toestemming heeft gevraagd voor alle activiteiten die gezamenlijk één project vormen. Zo maken de (uitgebreide) parkeerterreinen geen onderdeel uit van de aanvraag, terwijl deze parkeerterreinen onlosmakelijk samenhangen met de activiteiten waarvoor Rotterdam Airport een natuurvergunning heeft aangevraagd. De rechtbank betrekt hierbij dat het aantal passagiers dat gebruikt maakt van de luchthaven is toegenomen en dat deze parkeerterreinen, die in de directe nabijheid van de luchthaven liggen, dus zijn bedoeld om de toegenomen parkeerbehoefte van de luchthaven op te vangen. Naar zijn aard zijn deze parkeeractiviteiten dus niet te onderscheiden van de luchthaven.Daarbij merkt de rechtbank op dat blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008 alle werkzaamheden met betrekking tot de gebouwen, installaties of apparatuur van een luchthaven moeten worden beschouwd als een wijziging van de luchthaven zelf. Dit voorgaande geldt volgens het Hof van Justitie vooral voor werkzaamheden die gericht zijn op het aanzienlijk vergroten van de activiteit van de luchthaven en het luchtverkeer.De uitbreiding van deze parkeerterreinen zijn ook van invloed op de continuïteit en identiteit van de activiteiten van de luchthaven.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F5175\n\n15. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij het geschil niet finaal kan beslechten en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat niet op voorhand duidelijk is of verweerder alsnog een natuurvergunning wil verlenen en dat bij de aanvraag een zogenoemde additionaliteitstoets ontbreekt. Mocht verweerder alsnog een natuurvergunning willen verlenen voor het aangevraagde project, dan dient er een nadere passende beoordeling te worden opgesteld met een additionaliteitstoets, waarin de referentiesituatie uit het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling ingebracht kan worden voor een mitigerende maatregel inzake intern salderen.\n\n15.1.. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op hetgeen eisers hebben aangevoerd over de juistheid van de vaststelling van de omvang van de door verweerder gehanteerde referentiesituatie. Verweerder moet immers met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project.\n\nARN 24\u002F8840\n\n16. In deze zaak staat het door verweerder aan Rotterdam Airport opgelegde maatwerkvoorschrift centraal. De bevoegdheid om dit maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport op te leggen, heeft verweerder ontleend aan artikel 11.4, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Volgens verweerder is er namelijk sprake van een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als genoemd in artikel 4.12, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (te weten de exploitatie van een burgerluchthaven van nationale betekenis).\n\n16.1.. \n\nVerweerder heeft aan het maatwerkvoorschrift verschillende voorschriften verbonden. Het vierde en zevende voorschrift luiden achtereenvolgens:\n\n‘4. Het bestaande recht van Rotterdam Airport B.V. van NOx emissies van vliegverkeer incl. taxiën en APU, GPU, Platformverkeer en proefdraaien bedraagt: 88,8 ton\u002Fjaar. Ieder gebruiksjaar dient de luchthaven binnen deze emissie te blijven.\n\n7. Voor de berekening van de stikstofemissies wordt dezelfde berekeningsmethodiek (emissie kentallen) gevolgd, die Is gebruikt voor de aanvraag van de Wnb-vergunning.’\n\n16.2.. Eisers betogen dat het maatwerkvoorschrift in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal is opgelegd. Eisers voeren aan dat op grond van deze bepaling een maatwerkvoorschrift niet kan worden opgelegd als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. Dit voorgaande is het geval volgens eisers, nu het aangevraagde project vergunningplichtig is. De jaarlijkse emissie van 88,8 ton NOx per jaar kan uitsluitend middels een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden voorgeschreven aan Rotterdam Airport, aldus eisers.\n\n16.3.. Verweerder voert hierover aan dat artikel 11.9, derde lid, van het Bal niet aan het maatwerkbesluit in de weg stond. Verweerder stelt dat met het maatwerkbesluit geen toename van NOx-emissies wordt toegestaan ten opzichte van de referentiestituatie die is ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2010. Hierdoor was er voor deze NOx-emissie dan ook geen natuurvergunning nodig, aldus verweerder.\n\n16.4.. \n\nIn het besluit op het bezwaar van eisers is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Artikel 11.9 van het Bal biedt de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften op te leggen. Dat kan op grond van artikel 11.9 lid 3 van het Bal alleen als het voorschrift niet aan een omgevingsvergunning verbonden kan worden. In dit geval is gebleken dat het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ de bestaande rechten niet overschrijdt. Daarom is in de positieve weigering de aanvraag voor een vergunning afgewezen, omdat geen vergunning nodig is. Daardoor is het dus niet mogelijk een dergelijk voorschrift in een\n\nomgevingsvergunning op te nemen. De enige mogelijkheid om de grenzen van het bestaande recht vast te leggen, is via de weg van de specifieke zorgplicht en het stellen van maatwerkvoorschriften. De discussie dat het bestaande recht niet klopt, dient, zoals hierboven aangegeven, te worden gevoerd in de procedure omtrent de positieve afwijzing van de vergunning aanvraag.’\n\n16.5.. Artikel 11.9, derde lid, van het Bal luidt: ‘Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.’\n\n16.6.. \n\nDe rechtbank oordeelt dat het maatwerkvoorschrift is opgelegd in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. Zoals de rechtbank onder 14.11 heeft overwogen heeft verweerder ten onrechte besloten dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport niet vergunningplichtig was. Hierdoor was het mogelijk om het gestelde voorschrift uit het maatwerkvoorschrift te verbinden aan een natuurvergunning en daarmee ontstaat er strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. De stelling van verweerder dat met het maatwerkvoorschrift geen toename van stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie wordt toegestaan, wat hier ook van zij, brengt hierin geen verandering. Zoals onder 14.11 overwogen is er namelijk geen sprake meer van één-en-hetzelfde project en is de door Rotterdam Airport aangevraagde activiteit vergunningplichtig. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F8840\n\n17. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat hij bevoegd was tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar en herroept het maatwerkbesluit van 17 juni 2024. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op het overige wat eisers hebben aangevoerd over onder meer de omvang van de toegestane NOx-emissie. Zoals hierboven overwogen moet verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project en zo ja, dan zal hij daarbij ook (opnieuw) de omvang van de referentiesituatie moeten vaststellen.\n\nProceskosten\n\n18. Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.736,- omdat de gemachtigden van eisers voor elke zaak een beroepschrift hebben ingediend en beiden ook aan de zitting hebben deelgenomen.\n\n18.1.. Eisers hebben verder verzocht om vergoeding van de kosten van de second opinion van Apollon van 31 oktober 2025, die zij in de beroepsfase ARN 25\u002F5175 hebben ingebracht. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.De inschakeling van Apollon in het kader van de beroepsprocedure acht de rechtbank redelijk. Ter zitting hebben eisers aangegeven dat zij willen dat verweerder een bedrag van € 3230,92 aan kosten vergoedt. Dit hebben eisers onderbouwd met een factuur. De rechtbank acht de deskundigenkosten voor het opstellen van de second opinion redelijk.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nZaaknummer 24\u002F5175\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 17 juni 2024;\n\n- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 5.098,92 aan proceskosten aan eisers.\n\nZaaknummer 24\u002F8840\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- herroept het besluit van 17 juni 2024;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgevingHabitatrichtlijn\n\nArtikel 6\n\n1. Voor speciale natuurbeschermingsgebieden stellen de lidstaten de noodzakelijke beschermingsmaatregelen vast, die, indien nodig, passende beheersplannen omvatten die specifiek voor de locaties zijn ontworpen of geïntegreerd in andere ontwikkelingsplannen, en passende wettelijke, administratieve of contractuele maatregelen die overeenkomen met de ecologische vereisten van de natuurlijke habitattypen in Bijlage I en de soorten in Bijlage II die op de locaties aanwezig zijn.\n\n2. Lidstaten zullen passende maatregelen nemen om in de bijzondere beschermingsgebieden de achteruitgang van natuurlijke habitats en die van soorten, evenals verstoring van de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, te voorkomen, voor zover deze verstoring significant kan zijn in relatie tot de doelstellingen van deze richtlijn.\n\n3. Elk plan of project dat niet direct verbonden is met of noodzakelijk is voor het beheer van de locatie, maar waarschijnlijk een significante invloed daarop zal hebben, hetzij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, wordt onderworpen aan een passende beoordeling van de implicaties voor de locatie in het licht van de natuurbeschermingsdoelstellingen van de locatie. In het licht van de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor de locatie en onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 4, zullen de bevoegde nationale autoriteiten pas instemmen met het plan of project nadat zij hebben vastgesteld dat het de integriteit van de betreffende locatie niet nadelig zal beïnvloeden en, indien van toepassing, nadat zij de mening van het algemene publiek hebben verkregen.\n\nArtikel 7\n\nVerplichtingen voortvloeiend uit artikel 6, lid 2, lid 3 en 4 van deze richtlijn vervangen alle verplichtingen die voortvloeien uit de eerste zin van artikel 4 (4) van Richtlijn 79\u002F409\u002FEEG met betrekking tot gebieden die zijn geclassificeerd krachtens artikel 4 (1) of op vergelijkbare wijze erkend onder artikel 4 (2) daarvan, vanaf de datum van uitvoering van deze richtlijn of de datum van classificatie of erkenning door een lidstaat op grond van Richtlijn 79\u002F409\u002FEEG, waarbij de laatste datum later is.\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 4:2\n\n2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.\n\nArtikel 4:5\n\n1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:\n\nc. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,\n\nmits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.\n\nArtikel 8:72\n\n1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.\n\n2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.\n\n3. De bestuursrechter kan bepalen dat:\n\na. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of\n\nb. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.\n\n4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:\n\na. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;\n\nb. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.\n\nArtikel 8:75\n\n1. De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.\n\nOmgevingswet\n\nArtikel 5.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\ne. een Natura 2000-activiteit.\n\nAanvullingswet natuur Omgevingswet\n\nArtikel 2.9\n\n1. Als voor de inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:\n\na. als tegen het besluit beroep openstaat, tot het besluit onherroepelijk is.\n\nWet Natuurbescherming\n\nArtikel 2.7\n\n2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.\n\nArtikel 9.4\n\n8. Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.\n\nNatuurbeschermingswet 1998\n\nArtikel 19d\n\n1. Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.\n\nBesluit activiteiten leefomgeving\n\nArtikel 11.4\n\n1. Voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit en voor een in het tweede lid van dat artikel aangewezen activiteit die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:\n\na. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.\n\nArtikel 11.9\n\n3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.\n\nOmgevingsbesluit\n\nArtikel 4.12\n\n1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:\n\na. een Natura 2000-activiteit van nationaal belang.\n\nStcrt.2021, 7270.\n\n Dit betreft de volgende stukken: Vergunningaanvraag Wnb\u002FPassende beoordeling, d.d. 25 oktober 2023; Stikstofdepositie RTHA, achtergrondrapport bij de passende beoordeling, d.d. 16 oktober 2023; Actualisatie passende beoordeling RTHA onderdeel stikstof, d.d. 16 oktober 2023; Natuurtoets aanpassing gebruik RTHA gebiedenbescherming, d.d. 5 oktober 2023; Beschermde soorten rond RTHA en aspecten van vliegveiligheid, d.d. 24 oktober 2023; Projectberekening PDF Aerius Calculator, d.d. 13 oktober 2023.\n\n Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1528, waaruit volgens eisers volgt dat bij het verlenen van een natuurvergunning niet een bepaalde stikstofemissie of stikstofdepositie wordt vergund, maar bepaalde activiteiten.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 3.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 5.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 8-9.\n\n Zie artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Zie onder meer de door eisers aangehaalde uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1528, r.o. 5.1.\n\n Deze verplichting is opgenomen in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Dit bleek onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5.\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 16.2.\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 21.1\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\n Richtlijn 2009\u002F147\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\nStcrt.1964, 225 en 232.\n\nStcrt.2000, 62.\n\nStcrt.2001, 209.\n\nStcrt.2004, 149.\n\nStcrt.2010, 16205.\n\n Dit zijn achtereenvolgens de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1147 en de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601.\n\n Als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998.\n\n Dit betreft artikel 2.4, vijfde lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. In deze bepaling is het volgende opgenomen: Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet is niet van toepassing op besluiten als bedoeld in artikel 9.4, achtste of negende lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn. De paragrafen 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.5 van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing.\n\nKamerstukken II2011\u002F12, 33 348, nr. 3, p. 290\n\n Zoals overwogen in rechtsoverweging 5.4 door de Rechtbank Oost-Brabant in haar uitspraak van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601, r.o. 5.9.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR0564.\n\n Dit betreft het rapport: Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13631, r.o. 8.2.\n\n Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit van de Aanwijzing Luchtvaartterrein Rotterdam The Hague Airport, 22 september 2010, p. 34.\n\n Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit van de Aanwijzing Luchtvaartterrein Rotterdam The Hague Airport, 22 september 2010, p. 44-45.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 31.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 32.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 33.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 41.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 51.\n\n Volledig: Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008.\n\n Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008, p. 7-8.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\n Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:622 en van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864.\n\n Ter onderbouwing verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860, r.o. 7.1.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860, r.o. 7.2.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5, waarin de Afdeling verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 17 en 17.5.\n\n Arrest van het hof van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018: 882, r.o. 86.\n\n Arrest van het hof van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864, r.o. 35. Zoals overwogen door de Afdeling in haar uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:615, r.o. 7.1.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 8-9.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 25 oktober 2023, p. 4.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449 en van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1959.\n\n Blijkens de nota van toelichting heeft het bevoegd gezag ervoor gekozen om alternatief 4c uit het milieueffectrapport als basis te nemen voor het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 22.\n\n Rapport Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 8.\n\n Rapport Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 8 in samenhang met bijlage 3.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4556, r.o. 6.6.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:133, r.o. 36. Ondanks het gegeven dat in het betreffende arrest een ‘project’ als bedoeld in de richtlijn 85\u002F337\u002FEEC centraal stond, is dit arrest van toepassing op onderhavige aanvraag. Zie daarvoor rechtsoverweging 65 van het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882.\n\n Zie onder meer de uitspraak van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1246, r.o. 9.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2962","2026-07-13T00:29:46.815Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":43,"courtId":128,"decisionDate":129,"fullText":145,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":51,"updatedAt":147},"1991","ECLI:NL:RBGEL:2026:2963","ecli-nl-rbgel-2026-2963","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F7550\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof (thans: de staatssecretaris van Landbouw. Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Rotterdam Airport B.V. uit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om toepassing te geven aan artikel 2.4 van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Rotterdam Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens de eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigde, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige namens de eisers. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Rotterdam Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het afwijzen van het verzoek om toepassing te geven aan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\n3. Rotterdam Airport heeft op 1 oktober 2020 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een natuurvergunning. Op 15 februari 2021 heeft verweerder de ontwerpnatuurvergunning voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ ter inzage gelegd.\n\n3.1.. Eisers hebben op 25 maart 2021 tegen de ontwerp-natuurvergunning een gezamenlijke zienswijze (de zienswijze) ingediend.\n\n3.2.. \n\nIn de zienswijze staat het volgende verzoek onder de kop ‘passende maatregelen’: ‘Cliënten verzoeken u dan ook om op grond van art. 2.4 Wnb maatregelen te treffen, teneinde te voorkomen dat de beslaande activiteiten van RTHA significante effecten veroorzaken, en voor zover er geen sprake is van significante effecten maar wel van effecten, de stikstofdepositie vanwege de bestaande activiteiten van RTHA op\n\noverbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waar een (dreigende) verslechtering of verstoring met significante gevolgen van de natuurwaarden optreedt als gevolg van de totale) stikstofbelasting, zo ver als in redelijkheid haalbaar is terug te dringen en in ieder\n\ngeval er voor te zorgen dat er conform het advies van het Adviescollege een vermindering\n\nvan de huidige NOx-emissies wordt veroorzaakt, en daarmee een vermindering van de\n\nhuidige NOx-deposities, die passend bijdraagt aan de noodzakelijke daling van stikstofdeposities op de betrokken Natura2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Cliënten denken dan met name aan het type maatregelen als is opgenomen in art 2.4 lid 1\n\nonder b, c en of d.’\n\n3.3.. Verweerder heeft het verzoek in de zienswijze van 25 maart 2021 aangemerkt in het besluit van 6 januari 2022 als een aanvraag om toepassing te geven aan artikel 2.4 van de Wnb (het primaire besluit). In dit primaire besluit heeft verweerder overwogen dat hij het kader uit de Logtsebaan-uitspraakvolgt bij de behandeling van het verzoek hoewel in dit geval geen sprake is van een verzoek om intrekking van een natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Zowel de intrekking als de aanschrijvingsbevoegdheid zijn volgens verweerder instrumenten om te voldoen aan de verplichting uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn om verslechtering van de kwaliteit van habitats en significante verstoring van soorten te voorkomen. Bovendien vallen projecten waarvoor toestemming is verleend voor de Europese referentiedatum en die (grotendeels) zijn vrijgesteld van de verplichting uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn volgens vaste Europese jurisprudentie onder de beschermingsverplichting van artikel 6, tweede lid, van de richtlijn, aldus verweerder. Verweerder heeft het verzoek van eisers in het primaire besluit afgewezen.3.4.. In de beslissing op bezwaar van 3 februari 2023 (de eerste beslissing op bezwaar) op het bezwaar van eisers heeft verweerder aangegeven dat de rekenresultaten van een depositieberekening met AERIUS-Calculator op een grotere afstand van 25 km van de bron niet met voldoende wetenschappelijke zekerheid aan een individueel project of een mitigerende maatregel kunnen worden toegerekend. Verweerder heeft daarom alleen die gebieden bij de beoordeling betrokken die binnen een straal van 25 km rondom Rotterdam Airport zijn gelegen. Volgens verweerder dient daarnaast de stikstofdepositie van vliegtuigen op grotere hoogte dan 3000 voet (= 914.40 meter) niet in de berekening te worden meegenomen. Verweerder overweegt verder in de eerste beslissing op bezwaar dat aan de twee voorwaarden met de Logtsebaan-uitspraak wordt voldaan, zodat het noodzakelijk kan zijn om passende maatregelen ten aanzien van Rotterdam Airport te treffen. Daarom dient volgens verweerder te worden beoordeeld of het (gedeeltelijk) stoppen van de activiteiten die samenhangen met de exploitatie van Rotterdam Airport of het beperken ervan, doelmatig en doeltreffend zijn in het licht van de te realiseren instandhoudingsdoelstellingen en om (verdere) verslechtering te voorkomen.\n\n3.5.. In de uitspraak van 16 april 2024 heeft deze rechtbank het beroep van eisers tegen de eerste beslissing op bezwaar gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat verweerder in de eerste beslissing op bezwaar onvoldoende had gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn.\n\n3.6.. Op 22 oktober 2024 hebben eisers een beroepschrift ingediend bij de rechtbank waarin zij de rechtbank verzoeken om verweerder op te dragen zo spoedig mogelijk een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.\n\n3.7.. Op 8 januari 2025 heeft verweerder besloten op het bezwaar van eisers (het bestreden besluit).In het bestreden besluit heeft de minister wederom het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.\n\nLeeswijzer\n\n4. De rechtbank bespreekt eerst het wettelijk kader dat van toepassing is op deze procedure, waaronder het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna gaat de rechtbank in op het toetsingskader dat van toepassing is. Tijdens deze bespreking gaat de rechtbank ook in op het argument van verweerder waarin hij stelt dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb niet toegepast kan worden op het verzoek van eisers. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgrond van eisers waarin zij betogen dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een (blijvende) daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden. Tot slot gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat verweerder niet heeft gemotiveerd dat de daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden gelijk staat aan de stikstofreductie, die noodzakelijk is om verslechtering in de betrokken Natura 2000-gebieden te voorkomen.\n\nWettelijk kader\n\nOvergangsrecht Omgevingswet\n\n5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n5.1.. De aanvraag tot het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 2.4 van de Wnb is ingediend op 25 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.\n\n5.2.. \n\nArtikel 2.4 van de Wnb luidt als volgt:\n\n‘‘1. Gedeputeerde staten leggen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, aan degene die in hun provincie een handeling verricht of het voornemen daartoe heeft, een verplichting op om:\n\nInformatie over de handeling verstrekken;\n\nDe nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen;\n\nDe handeling overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften uit te voeren, of;\n\nDe handeling niet uit te voeren of te staken.\n\n2. Ingeval in het belang van de bescherming van een Natura 2000-gebied een onverwijlde tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is, kunnen gedeputeerde staten het besluit bekendmaken door mondelinge mededeling aan degene die de handeling verricht of het voornemen daartoe heeft. Gedeputeerde staten stellen het besluit zo spoedig mogelijk alsnog op schrift en zenden dit toe of reiken dit uit aan de belanghebbenden.\n\n3. Provinciale staten stellen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, ten aanzien van categorieën van handelingen bij verordening regels, houdende verplichtingen als bedoeld in het eerste lid. Ten aanzien van deze handelingen geven gedeputeerde staten geen toepassing aan het eerste lid.\n\n4. Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in het eerste of derde lid.’\n\nKan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb worden toegepast?\n\n6. Verweerder betoogt dat er geen grondslag is om toepassing te geven aan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb. Toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb komt alleen aan de orde als de (dreigende) achteruitgang van een gebied duidelijk is toe te schrijven aan de activiteiten van één gebruiker, aldus verweerder. Dit leidt verweerder af uit verschillende passages uit de memorie van toelichting bij artikel 2.4 van de Wnben de Natuurbeschermingswet 1998.In dit geval is sprake van stikstofoverbelasting op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door verschillende activiteiten en daarom is niet de toepassing van artikel 2.4, eerste lid, maar juist van artikel 2.4, derde lid, van de Wnb volgens verweerder aangewezen. Verweerder stelt dat de vraag hoe invulling wordt gegeven aan artikel 2.4, derde lid, van de Wnb niet kan worden uitgevochten over de rug van één willekeurige individuele activiteit die geen relevante bijdrage aan de totale stikstofdepositie levert. De vraag of de Staat voldoende doet ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn kan volgens verweerder aan de orde komen in een civiele procedure.De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) noopt er volgens verweerder ook niet toe dat deze discussie in een dergelijke procedure wordt gevoerd. Uit deze rechtspraak volgt volgens verweerder alleen dat een ex-post beoordeling van een activiteit aan de orde is wanneer dat de enige passende maatregel is.\n\n6.1.. Ter zitting hebben eisers hierover gesteld dat dit argument van verweerder niet (meer) in deze procedure aan de orde kan komen. Eisers stellen dat deze rechtbank in haar uitspraak van 16 april 2024 uitdrukkelijk in rechtsoverweging 7 heeft overwogen dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb van toepassing is. Voor zover het bovenstaande argument wel aan de orde kan komen, kan de aanschrijvingsbevoegdheid in deze procedure wel worden toegepast, aldus eisers. Eisers stellen dat uit de memorie van toelichting niet volgt dat het onderscheid tussen het eerste en derde lid van artikel 2.4, van de Wnb zo strikt moet worden uitgelegd zoals verweerder dat doet.\n\n6.2.. De rechtbank vat de stelling van eisers zo op dat zij een beroep doen op de zogenoemde Brummen-rechtspraak. Uit deze rechtspraak volgt dat het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, als in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan.In de uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank echter niet ondubbelzinnig overwogen dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb van toepassing was. In deze uitspraak heeft namelijk de bevoegdheid om artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb toe te passen in de betreffende procedure niet ter discussie gestaan. Hierdoor is dit argument niet door de rechtbank in de eerdere uitspraak ondubbelzinnig en zonder voorbehoud verworpen. De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke bespreking van dit argument.\n\n6.3.. De rechtbank stelt voorop dat in de tekst van de Wnb niet staat dat een individuele aanschrijving alleen toegepast kan worden wanneer sprake is van één veroorzaker van de dreigende verslechtering. De rechtbank acht de tekst van de Wnb voldoende duidelijk en acht het daarom op zich niet noodzakelijk om in te gaan op de memorie van toelichting voor de uitleg van de Wnb. Maar omdat het betoog van verweerder betrekking heeft op die memorie van toelichting, zal de rechtbank hieronder daarop desondanks ingaan.\n\n6.4.. In de passage op de pagina’s 106-107 van de memorie van toelichting bij de Wnb gaat de wetgever in op de aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 2.4 van de Wnb. Volgens de wetgever ligt het voor de hand wanneer de (dreigende) achteruitgang van een gebied duidelijk is toe te schrijven aan een activiteit van één gebruiker, dat die activiteit wordt gestaakt of aangepast door inzet van een individuele aanschrijving. Verder wordt gesteld dat wanneer het bevoegd gezag constateert dat een bepaalde categorie van activiteiten op een gelijke wijze belastend is voor de natuurwaarden, het uit een oogpunt van rechtsgelijkheid wenselijk is dat voor alle betrokkenen dezelfde regels gelden. Daarbij wordt opgemerkt dat dit ook efficiënter is ten opzichte van de situatie dat voor veel betrokkenen dezelfde beschikking moet worden vastgesteld.De rechtbank maakt uit deze passage, anders dan verweerder, niet op dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid niet ingezet kan worden als sprake is van de situatie dat er meerdere veroorzakers zijn van de verslechtering van de natuurwaarden. De rechtbank acht hiertoe van belang dat in deze passage niet een uitdrukkelijk verbod is opgenomen om de individuele aanschrijvingsbevoegdheid toe te passen en dat de wetgever ruimte laat voor het toepassen van artikel 2.4, eerste lid, dan wel artikel 2.4, derde lid, van de Wnb. Dit leidt de rechtbank af uit de gebruikte woorden ‘wenselijk’, ‘voor de hand liggen’ en ‘efficiënter’. Daarbij merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat de wetgever het aanschrijven van verschillende individuen classificeert als ‘niet efficiënt’ en de wetgever het niet voor de hand vindt liggen om op deze wijze de bevoegdheid uit te oefenen, niet tot gevolg heeft dat het bevoegd gezag de individuele aanschrijvingsbevoegdheid niet mag toepassen in situaties wanneer sprake is van meerdere veroorzakers van de verslechtering van de natuurwaarden.\n\n6.5.. Uit de artikelsgewijze toelichting uit de memorie van toelichting bij artikel 2.4 van de Wnb maakt de rechtbank ook niet op dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid uitsluitend kan worden toegepast in situaties dat de activiteit van één individuele gebruiker voor een (dreigende) verslechtering van de betreffende natuurwaardes zorgt. De toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb wordt namelijk niet uitgezonderd voor toepassing in individuele gevallen wanneer sprake is van meerdere activiteiten die de verslechtering tot gevolg hebben. Enkel is in deze passage neergelegd dat de individuele aanschrijving ‘ook’ goed inzetbaar is voor situaties waarin onmiddellijk moet worden ingegrepen om schade voor de te beschermen natuurwaarden te voorkomen.\n\n6.6.. De verwijzing door verweerder naar de passage uit de memorie van toelichting bij de Natuurbeschermingswet 1998 brengt in het voorgaande geen verandering. Los van de omstandigheid dat de Natuurbeschermingswet 1998 niet van toepassing is, blijkt ook uit deze passage niet dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid alleen kan worden toegepast in situaties dat sprake is van één veroorzaker van de verslechtering.\n\n6.7.. Voor zover verweerder betoogt dat het Hof niet verplicht tot het beperken van een toegestane activiteit (in dit geval het binnen de referentiesituatie blijven), overweegt de rechtbank dat verweerder dit terecht aangeeft. De nationale wetgever heeft namelijk een beoordelingsmarge bij het implementeren van zijn verplichtingen op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Zoals eerder overwogen door het Hof in zijn arrest van 7 november 2018, is met de intrekkingsbevoegdheid in artikel 5.4 van de Wnb en de aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb voldoende invulling gegeven aan artikel 6, tweede lid, van de Wnb.Het enkele feit dat het Hof niet verplicht tot het aanschrijven, neemt niet weg dat de nationale wetgever heeft besloten om ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn een aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb op te nemen.\n\n6.8.. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank in wat verweerder heeft betoogd, geen grond om te oordelen dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid uit artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb alleen toegepast kan worden in situaties dat de toegestane activiteit de enige oorzaak is van de dreigende verslechtering of significante verstoring. De uitleg van het wettelijk kader, zoals is uiteengezet in de Logtsebaan-uitspraak, behoeft daarom geen aanpassing.\n\nToetsingskader\n\n7. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen kan in onderhavige procedure de individuele aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb worden toegepast. Verder kan het kader dat ziet op de intrekkingsbepaling uit artikel 5.4 van de Wnb ook worden toegepast bij de aanschrijvingsbevoegdheid op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb. Artikel 2.4 van de Wnb geeft namelijk net als artikel 5.4 van de Wnb invulling aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De rechtbank zal daarom, net als in de uitspraak van 16 april 2024, het in de Logtsebaan-uitspraakgegeven kader hanteren.\n\nLogtsebaan-uitspraak\n\n8. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat in artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb besloten ligt dat een zelfstandige grond voor intrekking of wijziging van een natuurvergunning aanwezig is als een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied dreigt en de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend effecten heeft op die natuurwaarden. Als aan deze twee voorwaarden is voldaan, staat vast dat ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn passende maatregelen moeten worden getroffen om verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen voor de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied te voorkomen. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de keuze van de maatregelen die passend zijn. Dit betekent dat het intrekken of wijzigen van een natuurvergunning als passende maatregel kan worden ingezet, maar dat ook andere passende maatregelen kunnen worden getroffen. Als intrekking of wijziging van de natuurvergunning echter de enige passende maatregel is, moet de vergunning worden ingetrokken. Als het bevoegd gezag niet voor intrekking of wijziging van de natuurvergunning kiest, moet hij inzichtelijk maken op welke wijze hij invulling heeft gegeven aan zijn beoordelingsruimte. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat het bevoegd gezag dat kan doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat die effectief zijn. Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op de daling van stikstofdepositie, dan kan verweerder daar naar verwijzen. Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstof reducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of wijziging van de natuurvergunning, al dan niet in samenhang met de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen, nadrukkelijk in beeld, met name als die intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot relevante verbetering kan of kunnen leiden.\n\nHeeft verweerder aannemelijk gemaakt dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden?\n\n9. Eisers betogen dat verweerder met de verwijzing naar de gegevens uit AERIUS Monitor niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden. Eisers voeren hiertoe in de eerste plaats aan dat uit emissiegegevens van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het RIVM niet evident volgt dat sprake is van een dalende trend van ammoniakemissies. Volgens eisers volgt uit de registratie door de provincie Zuid-Holland ook niet evident een structurele daling van NOx-emissies in Zuid-Holland Verder heeft het RIVM geconcludeerd dat de gemiddelde stikstofdepositie in 2021 op Nederlands oppervlak 3% hoger was dan in 2020, zodat hieruit ook geen voortdurende daling volgt. Eisers betogen in de tweede plaats dat de uitgangspunten van de Klimaat- en Energieverkenning 2022 (KEV 2022) achterhaald zijn. Eisers wijzen er in dit verband op dat de olie-, gas en kolenprijs zich anders ontwikkelt dan waarvan in de KEV 2022 is uitgegaan en dat er meer gas wordt gewonnen en de gasvraag hoger ligt dan waarvan de KEV 2022 uitgaat. Volgens eisers leiden al deze ontwikkelingen ertoe dat hogere emissies zijn te verwachten dan waarmee in de KEV 2022 rekening is gehouden. Eisers betogen verder dat onzeker is of de gepresenteerde maatregelen uit de KEV 2022 ook daadwerkelijk zullen worden genomen. Eisers voeren hiertoe aan dat in de AERIUS Monitor niet alleen vastgesteld beleid is meegenomen, maar ook voorgenomen beleid dat voldoende concreet is om door te rekenen. Eisers voeren verder aan dat de effecten van de maatregelen die zijn meegenomen veelal onzeker zijn. Eisers wijzen op een aantal maatregelen in de sectoren Landbouw, Mobiliteit, Industrie en Energie waarvan de effecten onzeker zijn of zelfs aantoonbaar tegenvallen.\n\n9.1.. Verweerder voert hierover aan dat de depositiecijfers die zijn opgenomen in het bestreden besluit afkomstig zijn uit AERIUS Monitor 2023.Deze gegevens zijn volgens verweerder gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke kennis en daarom mag hij van deze gegevens uitgaan.Verder stelt verweerder dat in de afgelopen jaren wel degelijk sprake is geweest van een afname van de emissies van ammoniak en stikstofdioxiden. Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de monitoringsrapportage van het RIVM van oktober 2024 (de monitoringsrapportage 2024).Daarbij merkt verweerder op dat de bevindingen uit de monitoringsrapportage niet zodanig afwijken van de werkelijkheid, dat daarvan in redelijkheid niet kan worden uitgegaan.\n\n9.2.. Rotterdam Airport stelt zich op het standpunt dat eisers ten onrechte betogen dat geen sprake is van een blijvende daling van de stikstofdepositie. Uit de inzichten die in de meest recente versie van Aerius Monitor zijn verwerkt volgt dat in de toekomst sprake zal zijn van een daling in stikstofdepositie op gebiedsniveau, aldus Rotterdam Airport. Daarbij merkt Rotterdam Airport op dat aanvullend beleid niet is meegenomen in de depositieramingen uit Aerius monitor, ondanks dat dit beleid ondertussen wel is vastgesteld.\n\n9.3.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit, voor zover relevant, de volgende passage is opgenomen:\n\n‘AERIUS Monitor\n\nAERIUS Monitor biedt informatie over de totale stikstofbelasting op Natura 2000- gebieden en waar deze vandaan komt. Verder - en dat is hier vooral van belang- geeft AERIUS Monitor per Natura 2000-gebied inzicht in de stikstofdepositietrend voor de komende jaren. Ik voeg hiervoor bijlage 2 toe. Dat is een tabel van de depositietrend voor de Natura 2000-gebieden waarop de luchthaven stikstof deponeert. Ik heb de stikstofdepositiegegevens van de luchthaven ontleend aan de GML-bestanden die in AERIUS zijn ingevoerd ten behoeve van de vergunningaanvraag voor de luchthaven.\n\nUit deze gegevens van de meest recente AERIUS Monitor blijkt zonder uitzondering dat de stikstofdepositie in al deze Natura 2000-gebieden daalt en dat deze daling op middellange termijn ook doorzet. Hierbij is het goed om aan te geven dat AERIUS Monitor bij de berekening van de depositiegegevens is uitgegaan van de emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Die gebruikt hiervoor als basis de Klimaat en Energieverkenning (KEV) uit 2022 (KEV2022). De KEV geeft inzicht in de ontwikkeling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, waaronder ook stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3). De KEV2022 gaat voor zijn emissieramingen alleen uit van maatregelen die op of voor 1 mei 2022 concreet waren geformuleerd en bindend waren vastgelegd, het zogenoemde 'vastgestelde beleid'. Dit betekent dat een aantal van de hierboven genoemde maatregelen - zoals de Lbv en Lbv-plus, SAB en de Europese walstroomplicht voor zeeschepen - niet zijn meegenomen in de berekening van de depositietrend, deze zijn namelijk pas later in werking getreden. Deze maatregelen kunnen dus nog tot extra reductie leiden ten opzichte van de depositietrend die nu in AERIUS Monitor valt af te lezen’\n\nVerder is in het bestreden besluit de volgende bijlage opgenomen:\n\n9.4.. Voor de gegevens over de ontwikkeling van de stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden heeft verweerder verwezen naar de gegevens uit AERIUS Monitor. Voor de stikstofdepositie in de historische jaren wordt daarbij uitgegaan van de gegevens in de emissieregistratie van het RIVM en voor de toekomstige jaren van de emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op basis van de KEV 2022.\n\n9.5.. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder, door te verwijzen naar de gegevens uit AERIUS Monitor, aannemelijk heeft gemaakt dat op de betrokken Natura 2000-gebieden sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie.\n\n9.6.. De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat berekeningen met het AERIUS-rekenmodel een mate van onzekerheid bevatten, niet betekent dat dit rekenmodel niet mag worden gehanteerd om de toekomstige stikstofdepositie op gebiedsniveau te berekenen. De minister mag zich voor de stikstofdepositieberekeningen baseren op de AERIUS Monitor zoals die beschikbaar was ten tijde van de passende beoordeling en het bestreden besluit. Dit kan anders zijn als er op dat moment concrete aanwijzingen zijn voor twijfel aan de geschiktheid daarvan. Daarvoor ziet de rechtbank in wat eisers naar voren hebben gebracht echter geen aanleiding.Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit de monitoringsrapportage van het RIVM van november 2024blijkt stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten tijde van de tweede beslissing op bezwaar in Nederland was gedaald en bleef dalen.\n\nIs de veronderstelde daling voldoende zeker?\n\n10. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat het aantonen van de blijvende daling van stikstofdepositie voldoende is. Eisers stellen dat de gegeven uitleg door verweerder in het bestreden besluit onjuist is. Volgens eisers is slechts aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voldaan, indien zonder wetenschappelijke twijfel wordt aangetoond dat verslechtering met andere passende maatregelen wordt voorkomen. Gelet op het feit dat verweerder geen ecologische duiding heeft gegeven van de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn, heeft verweerder niet aan de motiveringsplicht voldaan volgens eisers. Verder stellen eisers ook dat verweerder de wettelijke reductiedoelstellingen van artikel 1.12a, van de Wnb in het bestreden besluit had moeten betrekken.\n\n10.1.. Verweerder heeft in het bestreden besluit verschillende maatregelen genoemd die volgens hem leiden of zullen leiden tot de stikstofreductie in Natura 2000-gebieden. Dit zijn achtereenvolgens: Het Maatwerkvoorschrift (ten opzichte van de referentiesituatie geen toename in stikstof voor Rotterdam Airport); Maatregelen door Rijksoverheid die tot doel hebben om de stikstofemissie te verlagen; Beleidskeuze van de Provincie Zuid-Holland om de depositie van stikstof op natuurgebieden te verminderen; Vlaamse stikstofmaatregelen.10.2.. Rotterdam Airport stelt zich op het standpunt dat verweerder met de geleverde onderbouwing aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetoonde daling van stikstofdepositie ook de noodzakelijke daling behelst en daarmee passende maatregelen niet zijn vereist.10.3.. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn verplicht tot het treffen van passende (preventieve) maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de soorten en habitattypen waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, te voorkomen.Volgens het Hof beschikken de lidstaten bij het nemen van passende maatregelen over een beoordelingsmarge, mits gewaarborgd is dat er geen verslechtering of verstoring plaatsvindt.Het is met andere woorden aan de lidstaten ter beoordeling welke maatregelen worden getroffen, maar deze maatregelen moeten worden uitgevoerd als verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen dreigen.\n\n10.4.. Omdat verweerder beoordelingsruimte heeft bij de keuze van de passende maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen met significante gevolgen voor natuurwaarden te voorkomen, zal hij als die omstandigheden zich voordoen, moeten beslissen of het aanschrijven op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb als passende maatregel wordt ingezet of dat andere passende maatregelen (zullen) worden getroffen. Als de aanschrijving de enige passende maatregel is om de dreigende achteruitgang van betrokken natuurwaarden te voorkomen, dan moet verweerder gebruik maken van deze bevoegdheid.\n\n10.5.. Verweerder moet in het besluit op een verzoek om aan te schrijven op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb inzichtelijk maken op welke wijze het invulling heeft gegeven aan de beoordelingsruimte die hij heeft bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. Als verweerder de gevraagde maatregel niet als passende maatregel wil inzetten terwijl dat wel zou kunnen, dan moet hij inzichtelijk maken dat de gevraagde maatregel niet de enige passende maatregel is en als dat zo is, waarom de gevraagde maatregel geen onderdeel hoeft uit te maken van de maatregelen die wel worden getroffen. Verweerder kan dat doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de toekomstige maatregelen zullen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat de maatregelen effect zullen sorteren.\n\n10.6.. In het geval waarin de toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb ziet op een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op (zwaar) overbelaste natuurwaarden die onder druk staan en dreigen te verslechteren, is het volgende van belang.\n\n10.7.. De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking of wijziging van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Verweerder kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen en al zijn of nog zullen worden getroffen. Verweerder moet inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan, en het betrokken pakket of programma ook voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan verweerder daar naar verwijzen. Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken. Het bovenstaande geldt in het bijzonder als dergelijke intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan of kunnen leiden.\n\n10.8.. Het bovenstaande betekent dat verweerder niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van verweerder noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft verweerder, anders dan eisers stellen, daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in art. 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan verweerder voor het betreffende Natura 2000-gebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. Verweerder zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat verweerder inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan art. 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.\n\n10.9.. Verweerder is in het bestreden besluit aangesloten bij de motiveringseis uit de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024. Uit deze uitspraak volgt dat aan het additionaliteitsvereiste is voldaan als aannemelijk is gemaakt dat met andere maatregelen een (blijvende) daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau wordt gerealiseerd.\n\n10.10.. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb (en in het verlengde daarvan artikel 2.4, eerste lid van de Wnb) ziet op de vraag of de intrekking nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Anders dan door verweerder is betoogd, gaat de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024 niet over de vraag of een maatregel nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, maar over de vraag of een maatregel nodig is ter uitvoering artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. Voor de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan de motiveringsplicht dat de intrekking niet nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, moet aangesloten worden bij de Logtsebaan-uitspraak. Dit betekent dat verweerder moet motiveren welke keuzes zijn gemaakt bij de invulling van de beoordelingsruimte door inzichtelijk te maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn.\n\n10.11.. De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom de daling van stikstofdepositie van de aangedragen maatregelen voldoende is om verslechtering van de betreffende Natura 2000-gebieden tegen te gaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet enkel kunnen volstaan met de conclusie dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt wat de opbrengst is van de afzonderlijke maatregelen zoals die zijn opgesomd onder b en c in het bestreden besluit en welke effecten deze maatregelen hebben op de afzonderlijke Natura 2000-gebieden. Hiermee is niet inzichtelijk dat de maatregelen zullen leiden tot een noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Dat volgens verweerder door deze maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie is daarvoor een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat de landelijke maatregelen en provinciale maatregelen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in de betreffende Natura 2000-gebieden. Het had op de weg van verweerder gelegen om, met inachtneming van de kritische depositiewaardes en de actuele Natuurdoelanalyses van de betreffende Natura 2000-gebieden, inzichtelijk te maken wat de kenmerken van deze gebieden zijn en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor de betreffende Natura 2000-gebieden om invulling te geven aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie\n\n11. Gelet op wat de rechtbank onder 10.11 heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Daarom zal het bestreden besluit worden vernietigd. Omdat met het verweerschrift niet alsnog een toereikende motivering is gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat verweerder het verzoek van eisers om op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb over te gaan tot het beperken van de activiteiten van Rotterdam Airport, opnieuw zal moeten beoordelen. De rechtbank geeft daarvoor een termijn van acht weken.\n\n11.1.. De rechtbank gaat in deze uitspraak niet in op de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt. Verweerder heeft beoordelingsruimte bij de keuze welke passende maatregelen worden getroffen, maar in het kader van die afweging moeten eerst de gevolgen van de passende maatregelen goed in kaart worden gebracht. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is dat nog niet goed gebeurd.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n12. Omdat het beroep gegrond is dient verweerder te worden veroordeeld in de proceskosten van eisers. De proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 371,- vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 8 januari 2025;\n\n- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2156.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2156, r.o. 15.\n\n Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege betrekking op het bestreden besluit.\n\n Verweerder verwijst hierbij naar Kamerstukken II2011\u002F12, 33348, nr. 3, p. 106-107 & p. 256.\n\n Verweerder verwijst hierbij naar Kamerstukken II2006\u002F07, 31038, nr. 3, p. 7-8.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578, waaruit volgens verweerder blijkt dat de civiele rechter deze rol ook inneemt.\n\n Hierbij verwijst verweerder naar het arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2404, r.o. 15.1.\n\nKamerstukken II2011\u002F12, 33348, nr. 3, p. 107.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, onder punten 133-135.\n\n De uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 6.3, behoeft de uitleg van het wettelijk kader als bedoeld in de Logtsebaan-uitspraak, geen aanpassing. Later is dit toetsingskader onder meer nog toegepast in de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5598.\n\n In het bestreden besluit is opgenomen de ‘meest recente versie’ van AERIUS Monitor.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 12 e.v.\n\n Volledig: de Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2024, paragraaf 4.1.1 en 4.1.2.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 12.1.\n\n Volledig: Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025, RIVM-rapport 2025-0021, november 2025.\n\nMonitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2024, RIVM-rapport 2024-0076, 1 oktober 2024, p. 47.\n\n Vergelijk het arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10.\n\n Arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10, r.o. 40.\n\n Zie rechtsoverweging 6.6 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2973 en rechtsoverweging 10.6 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 4 en 11.2.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 11.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2963","2026-07-13T00:29:48.897Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":43,"courtId":128,"decisionDate":129,"fullText":152,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":51,"updatedAt":154},"1998","ECLI:NL:RBGEL:2026:2970","ecli-nl-rbgel-2026-2970","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F7549\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nStichting Brabantse Milieufederatie, uit Tilburg,\n\nVereniging Natuurmonumenten, uit Amersfoort, eisers,\n\n(gemachtigde: mr. drs. H.M. Zwetsloot),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof (thans: de staatssecretaris van Landbouw. Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Eindhoven Airport N.V., uit Eindhoven, Eindhoven Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om toepassing te geven aan artikel 2.4 van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eindhoven Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigde, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige namens de eisers. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Eindhoven Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] , [persoon I] , [persoon J] , [persoon K] , [persoon L] , [persoon M] , [persoon N] en [persoon O] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het afwijzen van het verzoek om toepassing te geven aan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\n3. Eindhoven Airport heeft op 1 oktober 2020 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een natuurvergunning. Op 15 februari 2021 heeft verweerder de ontwerpnatuurvergunning voor het project \"civiel gebruik Eindhoven Airport\" ter inzage gelegd.\n\n3.1.. Eisers hebben op 25 maart 2021 tegen de ontwerp-natuurvergunning een gezamenlijke zienswijze (de zienswijze) ingediend.\n\n3.2.. \n\nIn de zienswijze staat het volgende verzoek onder de kop ‘passende maatregelen’: ‘Cliënten verzoeken u dan ook om op grond van art. 2.4 Wnb maatregelen te treffen, teneinde te voorkomen dat de beslaande activiteiten van Eindhoven Airport significante effecten veroorzaken, en voor zover er geen sprake is van significante effecten maar wel van effecten, de stikstofdepositie vanwege de bestaande activiteiten van Eindhoven Airport op\n\noverbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waar een (dreigende) verslechtering of verstoring met significante gevolgen van de natuurwaarden optreedt als gevolg van de totale) stikstofbelasting, zo ver als in redelijkheid haalbaar is terug te dringen en in ieder\n\ngeval er voor te zorgen dat er conform het advies van het Adviescollege een vermindering\n\nvan de huidige NOx-emissies wordt veroorzaakt, en daarmee een vermindering van de\n\nhuidige NOx-deposities, die passend bijdraagt aan de noodzakelijke daling van stikstofdeposities op de betrokken Natura2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Cliënten denken dan met name aan het type maatregelen als is opgenomen in art 2.4 lid 1\n\nonder b. c en of d.’\n\n3.3.. Verweerder heeft het verzoek in de zienswijze van 25 maart 2021 in het besluit van 6 januari 2022 aangemerkt als een aanvraag om toepassing te geven aan artikel 2.4 van de Wnb (het primaire besluit). In dit primaire besluit heeft verweerder overwogen dat hij het kader uit de Logtsebaan-uitspraakvolgt bij de behandeling van het verzoek, hoewel in dit geval geen sprake is van een verzoek om intrekking van een natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Zowel de intrekking als de aanschrijvingsbevoegdheid zijn volgens verweerder instrumenten om te voldoen aan de verplichting uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn om verslechtering van de kwaliteit van habitats en significante verstoring van soorten te voorkomen. Bovendien vallen projecten waarvoor toestemming is verleend voor de Europese referentiedatum en die (grotendeels) zijn vrijgesteld van de verplichting uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn volgens vaste Europese jurisprudentie onder de beschermingsverplichting van artikel 6, tweede lid, van de richtlijn, aldus verweerder. Verweerder heeft het verzoek van eisers in het primaire besluit afgewezen.3.4.. In de beslissing op het bezwaar van eisers van 27 februari 2023 (de eerste beslissing op bezwaar) heeft verweerder aangegeven dat de rekenresultaten van een depositieberekening met AERIUS-Calculator op een grotere afstand van 25 km van de bron niet met voldoende wetenschappelijke zekerheid aan een individueel project of een mitigerende maatregel kunnen worden toegerekend. Verweerder heeft daarom alleen die gebieden bij de beoordeling betrokken die binnen een straal van 25 km rondom Eindhoven Airport zijn gelegen. Volgens verweerder dient daarnaast de stikstofdepositie van vliegtuigen op grotere hoogte dan 3000 voet (= 914.40 meter) niet in de berekening te worden meegenomen. Verweerder overweegt verder in de eerste beslissing op bezwaar dat aan de twee voorwaarden met de Logtsebaan-uitspraak wordt voldaan, zodat het noodzakelijk kan zijn om passende maatregelen ten aanzien van Eindhoven Airport te treffen. Daarom dient volgens verweerder te worden beoordeeld of het (gedeeltelijk) stoppen van de activiteiten die samenhangen met de exploitatie van Eindhoven Airport of het beperken ervan, doelmatig en doeltreffend zijn in het licht van de te realiseren instandhoudingsdoelstellingen en om (verdere) verslechtering te voorkomen.\n\n3.5.. In de uitspraak van 16 april 2024 heeft deze rechtbank het beroep van eisers tegen de eerste beslissing op bezwaar gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn.\n\n3.6.. Op 22 oktober 2024 hebben eisers een beroepschrift ingediend bij de rechtbank waarin zij de rechtbank verzoeken om verweerder op te dragen zo spoedig mogelijk een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.\n\n3.7.. Op 8 januari 2025 heeft verweerder alsnog besloten op het bezwaar van eisers (het bestreden besluit).In het bestreden besluit heeft verweerder wederom het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.\n\nLeeswijzer\n\n4. De rechtbank bespreekt eerst het wettelijk kader dat van toepassing is op deze procedure, waaronder het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna gaat de rechtbank in op het toetsingskader dat van toepassing is. Tijdens deze bespreking gaat de rechtbank ook in op het argument van verweerder waarin hij stelt dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb niet toegepast kan worden op het verzoek van eisers. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgrond van eisers waarin zij betogen dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een (blijvende) daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden. Tot slot gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat verweerder niet heeft gemotiveerd dat de daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden gelijk staat aan de stikstofreductie, die noodzakelijk is om verslechtering in de betrokken Natura 2000-gebieden te voorkomen.Wettelijk kader\n\nOvergangsrecht Omgevingswet\n\n5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n5.1.. De aanvraag tot het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 2.4 van de Wnb is ingediend op 25 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.\n\n5.2.. Artikel 2.4 van de Wnb luidt als volgt: ‘1. Gedeputeerde staten leggen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, aan degene die in hun provincie een handeling verricht of het voornemen daartoe heeft, een verplichting op om:\n\nInformatie over de handeling verstrekken;\n\nDe nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen;\n\nDe handeling overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften uit te voeren, of;\n\nDe handeling niet uit te voeren of te staken.\n\n2. Ingeval in het belang van de bescherming van een Natura 2000-gebied een onverwijlde tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is, kunnen gedeputeerde staten het besluit bekendmaken door mondelinge mededeling aan degene die de handeling verricht of het voornemen daartoe heeft. Gedeputeerde staten stellen het besluit zo spoedig mogelijk alsnog op schrift en zenden dit toe of reiken dit uit aan de belanghebbenden.\n\n3. Provinciale staten stellen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, ten aanzien van categorieën van handelingen bij verordening regels, houdende verplichtingen als bedoeld in het eerste lid. Ten aanzien van deze handelingen geven gedeputeerde staten geen toepassing aan het eerste lid.\n\n4. Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in het eerste of derde lid.’\n\nKan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb worden toegepast?\n\n6. Verweerder betoogt dat er geen grondslag is om toepassing te geven aan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb. Toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb komt alleen aan de orde als de (dreigende) achteruitgang van een gebied duidelijk is toe te schrijven aan de activiteiten van één gebruiker, aldus verweerder. Dit leidt verweerder af uit verschillende passages uit de memorie van toelichting bij artikel 2.4 van de Wnben de Natuurbeschermingswet 1998.In dit geval is sprake van stikstofoverbelasting op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door verschillende activiteiten en daarom is niet de toepassing van artikel 2.4, eerste lid, maar juist van artikel 2.4, derde lid, van de Wnb volgens verweerder aangewezen. Verweerder stelt dat de vraag hoe invulling wordt gegeven aan artikel 2.4, derde lid, van de Wnb niet kan worden uitgevochten over de rug van één willekeurige individuele activiteit die geen relevante bijdrage aan de totale stikstofdepositie levert. De vraag of de Staat voldoende doet ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn kan volgens verweerder aan de orde komen in een civiele procedure.De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) noopt er volgens verweerder ook niet toe dat deze discussie in een dergelijke procedure wordt gevoerd. Uit deze rechtspraak volgt volgens verweerder alleen dat een ex-post beoordeling van een activiteit aan de orde is wanneer dat de enige passende maatregel is.\n\n6.1.. Ter zitting hebben eisers hierover gesteld dat dit argument van verweerder niet (meer) in deze procedure aan de orde kan komen. Eisers stellen dat deze rechtbank in haar uitspraak van 16 april 2024 uitdrukkelijk in rechtsoverweging 7 heeft overwogen dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb van toepassing is. Voor zover het bovenstaande argument wel aan de orde kan komen, kan de aanschrijvingsbevoegdheid in deze procedure wel worden toegepast, aldus eisers. Eisers stellen dat uit de memorie van toelichting niet volgt dat het onderscheid tussen het eerste en derde lid van artikel 2.4, van de Wnb zo strikt moet worden uitgelegd zoals verweerder dat doet.\n\n6.2.. De rechtbank vat de stelling van eisers zo op dat zij een beroep doen op de zogenoemde Brummen-rechtspraak. Uit deze rechtspraak volgt dat het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, als in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan.In de uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank echter niet ondubbelzinnig overwogen dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb van toepassing was. In deze uitspraak heeft namelijk de bevoegdheid om artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb toe te passen in de betreffende procedure niet ter discussie gestaan. Hierdoor is dit argument niet door de rechtbank in de eerdere uitspraak ondubbelzinnig en zonder voorbehoud verworpen. De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke bespreking van dit argument.\n\n6.3.. De rechtbank stelt voorop dat in de tekst van de Wnb niet staat dat een individuele aanschrijving alleen toegepast kan worden wanneer sprake is van één veroorzaker van de dreigende verslechtering. De rechtbank acht de tekst van de Wnb voldoende duidelijk en acht het daarom op zich niet noodzakelijk om in te gaan op de memorie van toelichting voor de uitleg van de Wnb. Maar omdat het betoog van verweerder betrekking heeft op die memorie van toelichting, zal de rechtbank hieronder daarop desondanks ingaan.\n\n6.4.. In de passage op de pagina’s 106-107 van de memorie van toelichting bij de Wnb gaat de wetgever in op de aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 2.4 van de Wnb. Volgens de wetgever ligt het voor de hand wanneer de (dreigende) achteruitgang van een gebied duidelijk is toe te schrijven aan een activiteit van één gebruiker, dat die activiteit wordt gestaakt of aangepast door inzet van een individuele aanschrijving. Verder wordt gesteld dat wanneer het bevoegd gezag constateert dat een bepaalde categorie van activiteiten op een gelijke wijze belastend is voor de natuurwaarden, het uit een oogpunt van rechtsgelijkheid wenselijk is dat voor alle betrokkenen dezelfde regels gelden. Daarbij wordt opgemerkt dat dit ook efficiënter is ten opzichte van de situatie dat voor veel betrokkenen dezelfde beschikking moet worden vastgesteld.De rechtbank maakt uit deze passage, anders dan verweerder, niet op dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid niet ingezet kan worden als sprake is van de situatie dat er meerdere veroorzakers zijn van de verslechtering van de natuurwaarden. De rechtbank acht hiertoe van belang dat in deze passage niet een uitdrukkelijk verbod is opgenomen om de individuele aanschrijvingsbevoegdheid toe te passen en dat de wetgever ruimte laat voor het toepassen van artikel 2.4, eerste lid, dan wel artikel 2.4, derde lid, van de Wnb. Dit leidt de rechtbank af uit de gebruikte woorden ‘wenselijk’, ‘voor de hand liggen’ en ‘efficiënter’. Daarbij merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat de wetgever het aanschrijven van verschillende individuen classificeert als ‘niet efficiënt’ en de wetgever het niet voor de hand vindt liggen om op deze wijze de bevoegdheid uit te oefenen, niet tot gevolg heeft dat het bevoegd gezag de individuele aanschrijvingsbevoegdheid niet mag toepassen in situaties wanneer sprake is van meerdere veroorzakers van de verslechtering van de natuurwaarden.\n\n6.5.. Uit de artikelsgewijze toelichting uit de memorie van toelichting bij artikel 2.4 van de Wnb maakt de rechtbank ook niet op dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid uitsluitend kan worden toegepast in situaties dat de activiteit van één individuele gebruiker voor een (dreigende) verslechtering van de betreffende natuurwaardes zorgt. De toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb wordt namelijk niet uitgezonderd voor toepassing in individuele gevallen wanneer sprake is van meerdere activiteiten die de verslechtering tot gevolg hebben. Enkel is in deze passage neergelegd dat de individuele aanschrijving ‘ook’ goed inzetbaar is voor situaties waarin onmiddellijk moet worden ingegrepen om schade voor de te beschermen natuurwaarden te voorkomen.\n\n6.6.. De verwijzing door verweerder naar de passage uit de memorie van toelichting bij de Natuurbeschermingswet 1998 brengt in het voorgaande geen verandering. Los van de omstandigheid dat de Natuurbeschermingswet 1998 niet van toepassing is, blijkt ook uit deze passage niet dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid alleen kan worden toegepast in situaties dat sprake is van één veroorzaker van de verslechtering.\n\n6.7.. Voor zover verweerder betoogt dat het Hof niet verplicht tot het beperken van een toegestane activiteit (in dit geval het binnen de referentiesituatie blijven), overweegt de rechtbank dat verweerder dit terecht aangeeft. De nationale wetgever heeft namelijk een beoordelingsmarge bij het implementeren van zijn verplichtingen op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Zoals eerder overwogen door het Hof in zijn arrest van 7 november 2018, is met de intrekkingsbevoegdheid in artikel 5.4 van de Wnb en de aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb voldoende invulling gegeven aan artikel 6, tweede lid, van de Wnb.Het enkele feit dat het Hof niet verplicht tot het aanschrijven, neemt niet weg dat de nationale wetgever heeft besloten om ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn een aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb op te nemen.\n\n6.8.. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank in wat verweerder heeft betoogd, geen grond om te oordelen dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid uit artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb alleen toegepast kan worden in situaties dat de toegestane activiteit de enige oorzaak is van de dreigende verslechtering of significante verstoring. De uitleg van het wettelijk kader, zoals is uiteengezet in de Logtsebaan-uitspraak, behoeft daarom geen aanpassing.\n\nToetsingskader\n\n7. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen kan in onderhavige procedure de individuele aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb worden toegepast. Verder kan het kader dat ziet op de intrekkingsbepaling uit artikel 5.4 van de Wnb ook worden toegepast bij de aanschrijvingsbevoegdheid op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb. Artikel 2.4 van de Wnb geeft namelijk net als artikel 5.4 van de Wnb invulling aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De rechtbank zal daarom, net als in de uitspraak van 16 april 2024, het in de Logtsebaan-uitspraakgegeven kader hanteren.\n\nLogtsebaan-uitspraak\n\n8. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat in artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb besloten ligt dat een zelfstandige grond voor intrekking of wijziging van een natuurvergunning aanwezig is als een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied dreigt en de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend effecten heeft op die natuurwaarden. Als aan deze twee voorwaarden is voldaan, staat vast dat ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn passende maatregelen moeten worden getroffen om verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen voor de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied te voorkomen. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de keuze van de maatregelen die passend zijn. Dit betekent dat het intrekken of wijzigen van een natuurvergunning als passende maatregel kan worden ingezet, maar dat ook andere passende maatregelen kunnen worden getroffen. Als intrekking of wijziging van de natuurvergunning echter de enige passende maatregel is, moet de vergunning worden ingetrokken. Als het bevoegd gezag niet voor intrekking of wijziging van de natuurvergunning kiest, moet hij inzichtelijk maken op welke wijze hij invulling heeft gegeven aan zijn beoordelingsruimte. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat het bevoegd gezag dat kan doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat die effectief zijn. Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op de daling van stikstofdepositie, dan kan verweerder daar naar verwijzen. Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstof reducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of wijziging van de natuurvergunning, al dan niet in samenhang met de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen, nadrukkelijk in beeld, met name als die intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot relevante verbetering kan of kunnen leiden.\n\nHeeft verweerder aannemelijk gemaakt dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden?\n\n9. Eisers betogen dat verweerder met de verwijzing naar de gegevens uit AERIUS Monitor niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden. Eisers voeren hiertoe in de eerste plaats aan dat uit emissiegegevens van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het RIVM niet evident volgt dat sprake is van een dalende trend van ammoniakemissies. Volgens eisers volgt uit de registratie door de provincie Noord-Brabant ook niet evident een structurele daling van NOx-emissies in Noord-Brabant. Verder heeft het RIVM geconcludeerd dat de gemiddelde stikstofdepositie in 2021 op Nederlands oppervlak 3% hoger was dan in 2020, zodat hieruit ook geen voortdurende daling volgt. Eisers betogen in de tweede plaats dat de uitgangspunten van de Klimaat- en Energieverkenning 2022 (KEV 2022) achterhaald zijn. Eisers wijzen er in dit verband op dat de olie-, gas en kolenprijs zich anders ontwikkelt dan waarvan in de KEV 2022 is uitgegaan, dat er meer gas wordt gewonnen en de gasvraag hoger ligt dan waarvan de KEV 2022 uitgaat. Volgens eisers leiden al deze ontwikkelingen ertoe dat hogere emissies zijn te verwachten dan waarmee in de KEV 2022 rekening is gehouden. Eisers betogen verder dat onzeker is of de gepresenteerde maatregelen uit de KEV 2022 ook daadwerkelijk zullen worden genomen. Eisers voeren hiertoe aan dat in de AERIUS Monitor niet alleen vastgesteld beleid is meegenomen, maar ook voorgenomen beleid dat onvoldoende concreet is om door te rekenen. Eisers voeren verder aan dat de effecten van de maatregelen die zijn meegenomen veelal onzeker zijn. Eisers wijzen op een aantal maatregelen in de sectoren Landbouw, Mobiliteit, Industrie en Energie waarvan de effecten onzeker zijn of zelfs aantoonbaar tegenvallen.\n\n9.1.. Verweerder voert hierover aan dat de depositiecijfers die zijn opgenomen in het bestreden besluit afkomstig zijn uit AERIUS Monitor 2023.Deze gegevens zijn volgens verweerder gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke kennis en daarom mag hij van deze gegevens uitgaan.Verder stelt verweerder dat in de afgelopen jaren wel degelijk sprake is geweest van een afname van de emissies van ammoniak en stikstofdioxiden. Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de monitoringsrapportage van het RIVM van oktober 2024 (de monitoringsrapportage 2024).Daarbij merkt verweerder op dat de bevindingen uit de monitoringsrapportage niet zodanig afwijken van de werkelijkheid, dat daarvan in redelijkheid niet kan worden uitgegaan.\n\n9.2.. Eindhoven Airport stelt zich op het standpunt dat eisers ten onrechte betogen dat geen sprake is van een blijvende daling van de stikstofdepositie. Uit de inzichten die in de meest recente versie van AERIUS Monitor zijn verwerkt volgt dat in de toekomst sprake zal zijn van een daling in stikstofdepositie op gebiedsniveau, aldus Eindhoven Airport. Daarbij merkt Eindhoven Airport op dat aanvullend beleid niet is meegenomen in de depositieramingen uit AERIUS Monitor, ondanks dat dit beleid ondertussen wel is vastgesteld.\n\n9.3.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit, voor zover relevant, de volgende passage is opgenomen:\n\n ‘AERIUS Monitor\n\nAERIUS Monitor biedt informatie over de totale stikstofbelasting op Natura 2000- gebieden en waar deze vandaan komt. Verder - en dat is hier vooral van belang- geeft AERIUS Monitor per Natura 2000-gebied inzicht in de stikstofdepositietrend voor de komende jaren. Ik voeg hiervoor bijlage 2 toe. Dat is een tabel van de depositietrend voor de Natura 2000-gebieden waarop de luchthaven stikstof deponeert. In het rapport 'Stikstofberekening Eindhoven Airport' van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum staat een overzicht\n\nvan deze Natura 2000-gebieden. Uit deze gegevens van de meest recente AERIUS Monitor blijkt zonder uitzondering dat de stikstofdepositie in al deze Natura 2000-gebieden daalt en dat deze daling op middellange termijn ook doorzet. Hierbij is het goed om aan te geven dat AERIUS Monitor bij de berekening van de depositiegegevens is uitgegaan van de emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Die gebruikt hiervoor als basis de Klimaat en Energieverkenning (KEV) uit 2022 (KEV2022). De KEV geeft inzicht in de ontwikkeling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, waaronder ook stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3). De KEV 2022 gaat voor zijn emissieramingen alleen uit van maatregelen die op of voor 1 mei 2022 concreet waren geformuleerd en bindend waren vastgelegd, het zogenoemde 'vastgestelde beleid'. Dit betekent dat een aantal van de hierboven genoemde maatregelen - zoals de Lbv en Lbv-plus, SAB en de Europese walstroomplicht voor zeeschepen - niet zijn meegenomen in de berekening van de depositietrend, deze zijn namelijk pas later in werking getreden. Deze maatregelen kunnen dus nog tot extra reductie leiden ten opzichte van de depositietrend die nu in AERIUS Monitor valt af te lezen.’\n\nVerder is in het bestreden besluit de volgende bijlage opgenomen:\n\n9.4.. Voor de gegevens over de ontwikkeling van de stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden heeft verweerder verwezen naar de gegevens uit AERIUS Monitor. Voor de stikstofdepositie in de historische jaren wordt daarbij uitgegaan van de gegevens in de emissieregistratie van het RIVM en voor de toekomstige jaren van de emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op basis van de KEV 2022.\n\n9.5.. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder, door te verwijzen naar de gegevens uit AERIUS Monitor, aannemelijk heeft gemaakt dat op de betrokken Natura 2000-gebieden sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie.\n\n9.6.. De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat berekeningen met het AERIUS-rekenmodel een mate van onzekerheid bevatten, niet betekent dat dit rekenmodel niet mag worden gehanteerd om de toekomstige stikstofdepositie op gebiedsniveau te berekenen. De minister mag zich voor de stikstofdepositieberekeningen baseren op de AERIUS Monitor zoals die beschikbaar was ten tijde van de passende beoordeling en het bestreden besluit. Dit kan anders zijn als er op dat moment concrete aanwijzingen zijn voor twijfel aan de geschiktheid daarvan. Daarvoor ziet de rechtbank in wat eisers naar voren hebben gebracht echter geen aanleiding.Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit de monitoringsrapportage van het RIVM van november 2024blijkt stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten tijde van de tweede beslissing op bezwaar in Nederland was gedaald en bleef dalen.\n\nHeeft verweerder voldaan aan zijn motiveringsplicht als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn?\n\n10. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat het aantonen van de blijvende daling van stikstofdepositie voldoende is. Eisers stellen dat de gegeven uitleg door verweerder in het bestreden besluit onjuist is. Volgens eisers is slechts aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voldaan, indien zonder wetenschappelijke twijfel wordt aangetoond dat verslechtering met andere passende maatregelen wordt voorkomen. Gelet op het feit dat verweerder geen ecologische duiding heeft gegeven van de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn, heeft verweerder niet aan de motiveringsplicht voldaan volgens eisers. Verder stellen eisers ook dat verweerder de wettelijke reductiedoelstellingen van artikel 1.12a, van de Wnb in het bestreden besluit had moeten betrekken.\n\n10.1.. Verweerder heeft in het bestreden besluit verschillende maatregelen genoemd die volgens hem leiden of zullen leiden tot stikstofreductie in Natura 2000-gebieden. Dit zijn achtereenvolgens: Het Maatwerkvoorschrift (ten opzichte van de referentiesituatie geen toename in stikstof door Eindhoven Airport); Maatregelen door de Rijksoverheid die tot doel hebben om de stikstofemissie te verlagen; Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS); Vlaamse stikstofmaatregelen.\n\n10.2.. Eindhoven Airport stelt zich op het standpunt dat verweerder met de geleverde onderbouwing aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetoonde daling van stikstofdepositie ook de noodzakelijke daling behelst en daarmee passende maatregelen niet zijn vereist.\n\n10.3.. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn verplicht tot het treffen van passende (preventieve) maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de soorten en habitattypen waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, te voorkomen.Volgens het Hof beschikken de lidstaten bij het nemen van passende maatregelen over een beoordelingsmarge, mits gewaarborgd is dat er geen verslechtering of verstoring plaatsvindt.Het is met andere woorden aan de lidstaten ter beoordeling welke maatregelen worden getroffen, maar deze maatregelen moeten worden uitgevoerd als verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen dreigen.\n\n10.4.. Omdat verweerder beoordelingsruimte heeft bij de keuze van de passende maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen met significante gevolgen voor natuurwaarden te voorkomen, zal hij als die omstandigheden zich voordoen, moeten beslissen of het aanschrijven op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb als passende maatregel wordt ingezet of dat andere passende maatregelen (zullen) worden getroffen. Als de aanschrijving de enige passende maatregel is om de dreigende achteruitgang van betrokken natuurwaarden te voorkomen, dan moet verweerder gebruik maken van deze bevoegdheid.\n\n10.5.. Verweerder moet in het besluit op een verzoek om aan te schrijven op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb inzichtelijk maken op welke wijze het invulling heeft gegeven aan de beoordelingsruimte die hij heeft bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. Als verweerder de gevraagde maatregel niet als passende maatregel wil inzetten terwijl dat wel zou kunnen, dan moet hij inzichtelijk maken dat de gevraagde maatregel niet de enige passende maatregel is en als dat zo is, waarom de gevraagde maatregel geen onderdeel hoeft uit te maken van de maatregelen die wel worden getroffen. Verweerder kan dat doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de toekomstige maatregelen zullen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat de maatregelen effect zullen sorteren.\n\n10.6.. In het geval waarin de toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb ziet op een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op (zwaar) overbelaste natuurwaarden die onder druk staan en dreigen te verslechteren, is het volgende van belang.\n\n10.7.. De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking of wijziging van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Verweerder kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen en al zijn of nog zullen worden getroffen. Verweerder moet inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan, en het betrokken pakket of programma ook voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan verweerder daar naar verwijzen. Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken. Het bovenstaande geldt in het bijzonder als dergelijke intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan of kunnen leiden.\n\n10.8.. Het bovenstaande betekent dat verweerder niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van verweerder noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft verweerder, anders dan eisers stellen, daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in art. 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan verweerder voor het betreffende Natura 2000-gebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. Verweerder zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat verweerder inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan art. 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.\n\n10.9.. Verweerder is in het bestreden besluit aangesloten bij de motiveringseis uit de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024. Uit deze uitspraak volgt dat aan het additionaliteitsvereiste is voldaan als aannemelijk is gemaakt dat met andere maatregelen een (blijvende) daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau wordt gerealiseerd.\n\n10.10.. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb (en in het verlengde daarvan artikel 2.4, eerste lid van de Wnb) ziet op de vraag of de intrekking nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Anders dan door verweerder is betoogd, gaat de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024 niet over de vraag of een maatregel nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, maar over de vraag of een maatregel nodig is ter uitvoering artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. Voor de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan de motiveringsplicht dat de intrekking niet nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, moet aangesloten worden bij de Logtsebaan-uitspraak. Dit betekent dat verweerder moet motiveren welke keuzes zijn gemaakt bij de invulling van de beoordelingsruimte door inzichtelijk te maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn.\n\n10.11.. De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom de daling van stikstofdepositie van de aangedragen maatregelen voldoende is om verslechtering van de betreffende Natura 2000-gebieden tegen te gaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet enkel kunnen volstaan met de conclusie dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt wat de opbrengst is van de afzonderlijke maatregelen zoals die zijn opgesomd onder b in het bestreden besluit en welke effecten deze maatregelen hebben op de afzonderlijke Natura 2000-gebieden. Hiermee is niet inzichtelijk dat de maatregelen zullen leiden tot een noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Dat volgens verweerder door deze maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie is daarvoor een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat de landelijke maatregelen en provinciale maatregelen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in de betreffende Natura 2000-gebieden binnen afzienbare termijn. Dit voorgaande geldt ook voor de verwijzing van verweerder naar de provinciale maatregel BOS. Verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat het verwachte effect is van die maatregel op de betreffende Natura 2000-gebieden en of het door verweerder verwachte positieve effect voldoende zal zijn om de noodzakelijke daling van stikstofdepositie te bewerkstelligen. Dat de BOS volgens verweerder in zijn algemeenheid leidt tot een stikstofreductie op Natura 2000-gebieden in de provincie Noord-Brabant, is hiertoe onvoldoende.Het had op de weg van verweerder gelegen om, met inachtneming van de kritische depositiewaardes en de actuele Natuurdoelanalyses van de betreffende Natura 2000-gebieden, inzichtelijk te maken wat de kenmerken van deze gebieden zijn en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor de betreffende Natura 2000-gebieden om invulling te geven aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie\n\n11. Gelet op wat de rechtbank onder 10.11 heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Daarom zal het bestreden besluit worden vernietigd. Omdat met het verweerschrift niet alsnog een toereikende motivering is gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat verweerder het verzoek van eisers om op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb over te gaan tot het beperken van de activiteiten van Eindhoven Airport, opnieuw zal moeten beoordelen. De rechtbank geeft daarvoor een termijn van acht weken.\n\n11.1.. De rechtbank gaat in deze uitspraak niet in op de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt. Verweerder heeft beoordelingsruimte bij de keuze welke passende maatregelen worden getroffen, maar in het kader van die afweging moeten eerst de gevolgen van de passende maatregelen goed in kaart worden gebracht. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is dat nog niet goed gebeurd.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n12. Omdat het beroep gegrond is dient verweerder te worden veroordeeld in de proceskosten van eisers. De proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 371,- vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 8 januari 2025;\n\n- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2154.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2154, r.o. 15.\n\n Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege betrekking op het bestreden besluit.\n\n Verweerder verwijst hierbij naar Kamerstukken II2011\u002F12, 33348, nr. 3, p. 106-107 & p. 256.\n\n Verweerder verwijst hierbij naar Kamerstukken II2006\u002F07, 31038, nr. 3, p. 7-8.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578, waaruit volgens verweerder blijkt dat de civiele rechter deze rol ook inneemt.\n\n Hierbij verwijst verweerder naar het arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2404, r.o. 15.1.\n\nKamerstukken II2011\u002F12, 33348, nr. 3, p. 107.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, onder punten 133-135.\n\n De uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 6.3, behoeft de uitleg van het wettelijk kader als bedoeld in de Logtsebaan-uitspraak, geen aanpassing. Later is dit toetsingskader onder meer nog toegepast in de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5598.\n\n In het bestreden besluit is opgenomen de ‘meest recente versie’ van AERIUS Monitor.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 12 e.v.\n\n Volledig: de Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2024, paragraaf 4.1.1 en 4.1.2.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 12.1.\n\n Volledig: Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025, RIVM-rapport 2025-0021, november 2025.\n\n Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2024, RIVM-rapport 2024-0076, 1 oktober 2024, p. 47.\n\n Vergelijk het arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10.\n\n Arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10, r.o. 40.\n\n Zie rechtsoverweging 6.6 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2973 en rechtsoverweging 10.6 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 4 en 11.2.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 11.1.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909, r.o. 28.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2970","2026-07-13T00:29:49.330Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":43,"courtId":128,"decisionDate":129,"fullText":159,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":51,"updatedAt":161},"1781","ECLI:NL:RBGEL:2026:2964","ecli-nl-rbgel-2026-2964","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 23\u002F7278\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Rotterdam Airport B.V.uit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun verzoek om handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport.\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Rotterdam Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigde, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige namens de eisers. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Rotterdam Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] als deskundige namens Rotterdam Airport.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het afwijzen van het verzoek tot handhavend optreden aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\n3. Rotterdam Airport heeft op 1 oktober 2020 een aanvraag ingediend bij verweerder voor een natuurvergunning. Op 15 februari 2021 heeft verweerder de ontwerpnatuurvergunning voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ gepubliceerd en ter inzage gelegd.\n\n3.1.. Op 12 mei 2022 hebben eisers verweerder verzocht om (preventief) handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport. Eisers vrezen dat de Wet natuurbescherming (Wnb) zal worden overtreden omdat op het terrein van Rotterdam Airport (de luchthaven) meer vliegtuigbewegingen plaatsvinden dan zijn toegestaan in de referentiesituatie, terwijl Rotterdam Airport niet over een natuurvergunning beschikt (het handhavingsverzoek).\n\n3.2.. Verweerder heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 16 maart 2023 afgewezen (het primaire besluit). Volgens verweerder was ten tijde van het primaire besluit sprake van een overtreding, omdat Rotterdam Airport niet beschikte over de vereiste natuurvergunning voor de exploitatie van de luchthaven. Volgens verweerder bestond echter concreet zicht op legalisatie van deze overtreding, omdat een natuurvergunning was aangevraagd en een ontwerpnatuurvergunning ter inzage had gelegen. Handhavend optreden achtte verweerder onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen natuurbelangen. Volgens verweerder was sprake van aanzienlijke bestaande rechten en leidde het project niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van enig Natura 2000-gebied.\n\n3.3.. In het besluit van 29 september 2023 (de beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.\n\nLeeswijzer\n\n4. De rechtbank bespreekt eerst het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat het afzien van het handhavend optreden in strijd is met artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. Tot slot gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat verweerder, voordat werd besloten om niet tot handhavend optreden over te gaan, een gebrekkige belangenweging heeft uitgevoerd.\n\nOvergangsrecht\n\n5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuurbescherming het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n5.1.. Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 12 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\nHeeft verweerder kunnen besluiten dat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding?\n\n6. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten om niet handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport, omdat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Eisers betogen dat de ontwerpnatuurvergunning al dateert van 2021 en twee en een half jaar later, ten tijde van de beslissing op bezwaar, daarom geen sprake meer kon zijn van concréét zicht op legalisatie van de overtreding. Verder stellen eisers dat Rotterdam Airport in haar aanvraag berekeningen heeft aangeleverd die een onjuist en veel te hoog beeld van de referentiesituatie opleverden.Daarbij merken eisers op dat er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie van het project zoals het nu in werking is, als de verwachting bestaat dat er maatregelen getroffen moeten worden.\n\n6.1.. Verweerder voert hierover aan dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar concreet zicht was op legalisatie van de overtreding en dat daarom het handhavingsverzoek terecht is afgewezen. Verweerder stelt dat ten tijde van de beslissing op bezwaar de ontwerpnatuurvergunning was gepubliceerd waarin de overtreding waarop het handhavingsverzoek zag, past.Dat er aanvullende gegevens zijn opgevraagd aan Rotterdam Airport heeft niet tot gevolg dat er geen concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestaat, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat de omstandigheid dat veel tijd is verstreken tussen de publicatie en de ter inzage legging van de ontwerpnatuurvergunning en de beslissing op bezwaar niet tot gevolg heeft dat verweerder niet alsnog een natuurvergunning kon verlenen. Daarbij merkt verweerder op dat de aanvraag voor de natuurvergunning inmiddels op 17 juni 2024 (positief) is afgewezen.\n\n6.2.. Rotterdam Airport stelt zich eveneens op het standpunt dat ten tijde van de beslissing op bezwaar sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De enkele omstandigheid dat de aanvraag voor de natuurvergunning na de ontwerpnatuurvergunning is aangepast maakt dat niet anders, aldus Rotterdam Airport.\n\n6.3.. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 15 februari 2021 een ontwerpbesluit voor verlening van een natuurvergunning heeft gepubliceerd. In deze ontwerpnatuurvergunning heeft verweerder onder meer het volgende besloten: ‘Op deze aanvraag is de uniforme voorbereidingsprocedure, zoals opgenomen in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht, van toepassing. Ik verleen u de gevraagde vergunning. In dit besluit vindt u de inhoudelijke overwegingen die aan de vergunning ten grondslag liggen. De aanvraag en de bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit.’\n\n‘De vergunning is aangevraagd voor het project Exploitatie Rotterdam The Hague Airport (verder: project) en omvat de volgende activiteiten:\n\nLuchtgebonden activiteiten\n\n- Het landen, stijgen en taxiën zoals toegestaan in de referentiesituatie en conform het Aanwijzingsbesluit 2001 voor maximaal 24.923 vliegtuigbewegingen Groot vliegverkeer.\n\n- Uit het Aanwijzingsbesluit 2001 vloeit, naast het aantal hiervoor genoemde vliegtuigbewegingen Groot vliegverkeer, ook een aantal vliegtuigbewegingen voort onder de naam General aviation. Dit aantal is bepaald op 61.402 en wordt niet afzonderlijk in de aanvraag genoemd, maar is wel conform het Aanwijzingsbesluit 2001 en daarmee onderdeel van het project. General aviation is passend beoordeeld en de stikstofeffecten maken onderdeel uit van de stikstofberekeningen.\n\nGrondgebonden activiteiten, zoals toegestaan in de vigerende omgevingsvergunning.\n\nGebruik auxiliary power units (APU); gebruik van een kleine motor in het vliegtuig die het vliegtuig van stroom voorziet anders dan voor voortstuwing.\n\n Het in gebruik hebben van Ground Power Units (GPU) een externe bron die geparkeerde vliegtuigen van stroom voorziet;\n\nProefdraaien. Het testdraaien van motoren terwijl een vliegtuig stil staat en opgesteld staat op één van de proefdraaiplaatsen;\n\nPlatformverkeer, te weten het gebruiken en in werking hebben van alle voertuigen en mobiele werktuigen op en rond het platform.\n\nDe verkeersaantrekkende werking, het wegverkeer van en naar de luchthaven inclusief verkeer als taxi’s en bussen voor het halen en brengen van passagiers, is geen afzonderlijke deelactiviteit. De verkeersaantrekkende werking als gevolg van het project heeft wel gevolgen voor de stikstofemissie en -depositie. Dit onderdeel is daarom wel betrokken in de effectbeoordeling.\n\nNiet als onderdeel van de effectbeoordeling is meegenomen de verwarming van gebouwen omdat dit gebeurt met gebruikmaking van Warmte Koude Opslag. Daarbij wordt (nagenoeg) geen gebruik gemaakt van fossiele brandstof en is er ook geen bijdrage aan stikstofemissie of -depositie.’\n\n6.4.. \n\nIn de beslissing op bezwaar heeft verweerder onder meer het volgende opgenomen: ‘Uw bezwaren heb ik zorgvuldig beoordeeld en het besluit getoetst aan het wettelijk kader. De conclusie is dat uw bezwaren ongegrond zijn. Hierna kunt u lezen waarom\n\n(…)\n\nOvertreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb\n\nBij besluit van 29 september 2020 is vastgesteld dat (vooralsnog) sprake is van een overtreding, nu RTHA niet over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb beschikt. (…) Dit neemt niet weg dat voor RTHA een vergunning is aangevraagd en dat er ook al een ontwerpbesluit is genomen dat strekt tot vergunningverlening. Er zijn nadere gegevens opgevraagd, maar er is geen reden om ervan uit te gaan dat geen definitief besluit genomen zal worden dat in toestemming voorziet voor de luchthaven. Zoals uit het hierna volgende zal blijken, is dat concreet zicht op legalisatie reden om niet tot handhaving over te gaan.\n\n(…) Gelet op de omstandigheid dat ik nog altijd voornemens ben om de gevraagde vergunning te verlenen, ben ik van mening dat gezien de vaste jurisprudentie van de Afdeling nog altijd zicht op legalisatie bestaat. Het feit dat ik naar aanleiding van ingediende zienswijzen heb besloten om een nieuwe berekening op basis van een realistisch vlootscenario op te vragen, maakt het vorenstaande niet anders.\n\nHet uitgangspunt blijft immers hetzelfde, namelijk dat RTHA aanzienlijke rechten heeft verworven (ook wel de referentiesituatie). Dit is een wezenlijke andere situatie dan die waarin voor een geheel nieuwe activiteit een vergunning wordt aangevraagd. (…)6.5.. In het handhavingsverzoek hebben eisers onder meer het volgende opgenomen: ‘Namens cliënten verzoek ik u daarom om zo spoedig mogelijk een (al dan niet preventieve) bestuursdwangaanschrijving dan wel een effectieve (al dan niet preventieve) dwangsomaanschrijving uit te doen aan Rotterdam The Hague Airport, teneinde de overtreding van de Wet natuurbescherming te (doen) beëindigen en beëindigd te laten, c.q. te voorkomen dat het bedrijf de Wet natuurbescherming weer overtreedt, door meer stikstof op Natura 2000-gebieden te deponeren dan op basis van de referentiesituatie is toegestaan.’\n\n6.6.. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Dit laat onverlet dat handhavingsbesluiten wel aan het evenredigheidsbeginsel getoetst dienen te worden, waarbij de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak geldt. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is sprake van een bijzonder geval. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie van de overtreding, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n6.7.. Wanneer de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb is doorlopen kan volgens vaste rechtspraak concreet zicht op legalisatie bestaan als ten minste een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd waarin het gebruik waarop het handhavingsverzoek ziet past.In dat geval bestaat echter evenmin concreet zicht op legalisatie van de overtreding, indien op voorhand duidelijk is dat die omgevingsvergunning geen rechtskracht zal verkrijgen. Dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning mogelijk kan worden vernietigd, is onvoldoende om dat aan te nemen. In een procedure als de onderhavige bestaat daarom enige ruimte voor een beoordeling van die omgevingsvergunning, maar uitsluitend in die zin of op voorhand duidelijk is dat die geen rechtskracht zal verkrijgen.De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze rechtspraak af te wijken wanneer het gaat om natuurvergunningen.\n\n6.8.. De rechtbank stelt voorop dat blijkens de rechtspraak van de Afdeling het onvoldoende is dat aangevraagde natuurvergunning mogelijk kan worden vernietigd, om aan te nemen dat geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De rechtbank dient te beoordelen of op voorhand vast staat dat de ontwerpvergunning geen rechtskracht krijgt.\n\n6.9.. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen natuurvergunning was verleend voor de exploitatie van de luchthaven en dat het gebruik waarop het handhavingsverzoek van eisers ziet, past binnen de reikwijdte van de ontwerpnatuurvergunning. De aanvraag omvatte namelijk de referentiesituatie, ongeacht wat de omvang van de referentiesituatie is. Daarentegen staat wel ter discussie tussen partijen of op voorhand vast stond dat de ontwerpnatuurvergunning geen rechtskracht ging krijgen en dat er te veel tijd was verstreken sinds de publicatie van de ontwerpnatuurvergunning.\n\n6.10.. De rechtbank oordeelt dat verweerder in de beslissing op bezwaar heeft kunnen besluiten dat sprake was van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het gebruik waarop het handhavingsverzoek ziet past binnen de reikwijdte van de ontwerpnatuurvergunning en niet op voorhand duidelijk was dat de uiteindelijke natuurvergunning niet verleend kon worden. Dat Rotterdam Airport na de publicatie en de terinzagelegging van de ontwerpnatuurvergunning nog aanvullende gegevens moest aanleveren, heeft naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg dat daarom verweerder niet kon besluiten dat sprake was van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De verwijzing van eisers naar de rechtspraak van de Afdeling waarom in dit geval geen sprake kon zijn van concreet zicht op legalisatie van de overtreding, gaat niet op. In die betreffende procedures was geen sprake van een publicatie of een ter inzage gelegd ontwerpbesluitdan wel werd in de betreffende procedures de bestaande strijdige situatie niet gelegaliseerd met de (aangevraagde) vergunning.Wat betreft de stelling van eisers dat de natuurvergunning ten tijde van de beslissing op bezwaar al een periode van ongeveer twee en een half jaar een ontwerp was, overweegt de rechtbank dat dit niet betekent dat verweerder om die reden niet kon aannemen dat er concreet zicht op legalisatie van de overtreding was. Zoals verder in deze uitspraak zal blijken, speelt dit laatste gegeven wel een rol bij de belangenafweging om wel of niet over te gaan tot handhavend optreden door verweerder. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nRol van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn\n\n7. Eisers betogen dat het afzien van het handhavend optreden door verweerder een schending oplevert van artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. Eisers stellen onder meer dat verweerder onvoldoende passende maatregelen treft door niet handhavend op te treden.\n\n7.1.. Verweerder voert hierover aan dat het treffen van een passende maatregel niet aan de orde kan komen in het kader van een handhavingsverzoek van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Volgens verweerder is het in een handhavingsprocedure aan het bevoegd gezag om te beoordelen of sprake is van een overtreding van een wettelijke bepaling. Een verzoek om passende maatregelen te treffen kent volgens verweerder een afzonderlijke juridische grondslag en een ander toetsingskader.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt dat in onderhavige procedure alleen ter beoordeling voorligt of verweerder kon besluiten dat Rotterdam Airport een overtreding begaat en vervolgens of verweerder handhavend moest optreden tegen Rotterdam Airport. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn en daaropvolgend artikel 2.4 van de Wnb kan Rotterdam Airport niet overtreden, omdat zij immers geen normadressant is van deze bepalingen. Deze bepalingen zijn immers geschreven als bevoegdheden van de overheid in het kader van haar verplichting om de kwaliteit van de habitats te bevorderen. Bovendien heeft verweerder daarom het handhavingsverzoek van eisers mede gekwalificeerd als een verzoek om passende maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 2.4 van de Wnb. De stellingen van eisers over de hoeveelheid stikstofdepositie en de staat van de natuur, wat ook van deze stellingen zij, maken niet dat verweerder in strijd handelt met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn als niet handhavend wordt opgetreden tegen de overtreding. Verweerder geeft immers geen toestemming voor het project, maar treedt enkel niet handhavend op tegen de overtreding. Zoals hierna wordt overwogen, spelen deze omstandigheden wel een rol bij de belangenafweging om wel of niet alsnog tot handhavend optreden over te gaan tegen Rotterdam Airport. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de belangenafweging van verweerder in de beslissing op bezwaar gebrekkig?\n\n8. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte geen dan wel een gebrekkige belangenafweging heeft verricht in de beslissing op bezwaar.Eisers voeren daartoe aan dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het algemene belang dat is gediend bij handhaving van de normen uit de Wnb. Daarentegen heeft verweerder disproportioneel veel gewicht toegekend aan het (met name economische) belang dat is gediend bij voortzetting van de exploitatie van de luchthaven door Rotterdam Airport. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar de slechte staat van de omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de hoge stikstofbelasting. Verder heeft verweerder niet voldoende gemotiveerd dat het (gedeeltelijk) afschalen van de activiteiten van Rotterdam Airport op de luchthaven tot de referentiesituatie leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van Rotterdam Airport.\n\n8.1.. Verweerder voert hierover aan dat volgens hem geen sprake was van een situatie waarbij hij verplicht was tot handhavend optreden tegen Rotterdam Airport. Verweerder stelt dat hij in de beslissing op bezwaar heeft toegelicht dat het natuurbelang niet vereiste dat de activiteiten van Rotterdam Airport op de luchthaven werden beëindigd totdat het moment dat de vereiste natuurvergunning was verleend. Daarentegen zou het beëindigen van de exploitatie van Rotterdam Airport grote financiële en maatschappelijke gevolgen hebben gehad, aldus verweerder.\n\n8.2.. Zoals de rechtbank onder 6.10 heeft overwogen heeft verweerder, ten tijde van de beslissing op bezwaar, kunnen besluiten dat er een concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestond. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het bevoegd gezag bij een concreet zicht op legalisatie van een overtreding niet zonder meer verplicht is om af te zien van handhavend optreden. In dat geval zal het bevoegd gezag nog steeds een afweging moeten maken tussen alle betrokken belangen, waarbij het bevoegd gezag rekening moet houden met de omstandigheden van het concrete geval.\n\n8.3.. De rechtbank oordeelt dat de verrichte belangenafweging door verweerder onvoldoende was om te kunnen besluiten om niet handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport. Dat verweerder, ondanks het feit dat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding, in de beslissing op bezwaar wel een belangenafweging heeft gemaakt, brengt geen verandering in dit oordeel. Deze belangenafweging vertoont namelijk een aantal gebreken. Enerzijds heeft verweerder te veel gewicht toegekend aan de gevolgen die Rotterdam Airport ondervindt wanneer verweerder handhavend zou optreden. Verweerder is er in de beslissing op bezwaar namelijk ten onrechte van uitgegaan dat de gehele exploitatie van de luchthaven door Rotterdam Airport stilgelegd dient te worden, wanneer hij handhavend zou optreden tegen Rotterdam Airport. In het handhavingsverzoek is alleen opgenomen dat handhaving zou moeten plaatsvinden voor zover zonder natuurvergunning buiten de referentiesituatie wordt getreden. Anderzijds heeft verweerder alleen de (maximale) hoeveelheid stikstofdepositie op de meest belaste hexagoon benoemd, maar niet de depositie op de afzonderlijke Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt en daarbij de staat van de Natura 2000-gebieden betrokken. Tot slot heeft verweerder in de belangenafweging ook niet onderkend dat sinds de publicatie van de ontwerpnatuurvergunning tot het moment van de beslissing op bezwaar meer dan 2,5 jaar waren verstreken. De beslistermijn van 6 maanden was dus ruimschoots overschreden. Gelet op het voorgaande had verweerder de relevante belangen onvoldoende geïnventariseerd en is daarmee deze belangenafweging gebrekkig. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar. De verrichte belangenafweging door verweerder was namelijk onvoldoende om te besluiten om niet handhavend op te treden jegens Rotterdam Airport. Verweerder dient opnieuw een belangenafweging te maken met betrekking tot het wel of niet handhavend optreden jegens Rotterdam Airport, ondanks de omstandigheid dat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Omdat het besluit tot het (positief) weigeren van de aanvraag van Rotterdam Airport in procedure ARN 24\u002F5175 is vernietigd en het daarom in de lijn der verwachting ligt dat er aanvullende stukken moeten worden ingediend om deze aanvraag te completeren, ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting. Zij zal verweerder daarom opdragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. In deze nieuwe beslissing op bezwaar dient verweerder, naast de hiervoor genoemde omstandigheden, eveneens de tijdspanne te betrekken tussen de ter inzage legging van de ontwerpnatuurvergunning en de nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers in de beroepsfase gemaakt proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de beslissing op bezwaar;\n\n- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijzen eisers naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7674, r.o. 1.4 en 1.5.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijzen eisers naar de uitspraken van de Afdeling van 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BG9759, r.o. 2.2, van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2222, r.o. 3.1, van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1431, r.o. 2.4.2 en die van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2321, r.o. 2.4.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:594, r.o. 9.3.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4650.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1890, r.o. 4.2.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:594, r.o. 9.3.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:594, r.o. 9.3.\n\n In de aangehaalde uitspraak door eisers van de Afdeling van 11 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7674, was door de overtreder ‘slechts’ een aanvraag om een vergunning ingediend. Van een (positief) ontwerpbesluit ter legalisatie van de overtreding was geen sprake.\n\n In de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BG9759, was de varkenshouderij in werking zonder dat de luchtwasser was geïnstalleerd die was omschreven in de betreffende vergunningaanvraag. In de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BRL1413 kwam de situatie waarop de overtreding zag niet overeen met de situatie waarvoor een revisievergunning was verleend. In de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2321 zag de betreffende aanvraag niet op het verkrijgen van een vergunning voor de bestaande situatie. In de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2222 was een vergunning verleend voor een andere situatie dan waarop de geconstateerde overtredingen betrekking hadden.\n\n Ter onderbouwing verwijzen eisers naar ECLI:NL:RVS:2013:2314, r.o. 4.3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:800 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1680.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2964","2026-07-13T00:29:38.469Z",{"id":163,"ecli":164,"slug":165,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":166,"fullText":167,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":168,"sourceTimestamp":169,"parsedAt":51,"updatedAt":170},"1783","ECLI:NL:RBMNE:2026:1474","ecli-nl-rbmne-2026-1474","2026-03-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F2876\n einduitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen\n\n 1. [eiser 1], en\n\n2. [eiser 2],\n\nbeiden uit [plaats] ,\n\nsamen eisers,\n\n(gemachtigde van eiser 2.: eiser 1.),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Aperloo).\n\nAls derde partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V.(vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. C. Schipperus).\n\nPartijen worden in deze uitspraak eisers, gedeputeerde staten en vergunninghoudster genoemd.\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (de omgevingsvergunning)die gedeputeerde staten aan vergunninghoudster hebben verleend voor het opzettelijk beschadigen en\u002Fof vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026. Vergunninghoudster heeft deze omgevingsvergunning aangevraagd, omdat zij vijf grondgebonden koopwoningen wil ontwikkelen op een perceel dat is aangemerkt als foerageergebied van de das. Eisers wonen rondom het plangebied en hebben tegen de besluitvorming van gedeputeerde staten bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.\n\n2. De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 tussenuitspraak gedaan in deze zaak.Voor een uitgebreide beschrijving van het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank gedeputeerde staten in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 1 april 2025 te herstellen.\n\n3. Bij brief van 5 december 2025 hebben gedeputeerde staten de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn met vier weken te verlengen. Met de tweede tussenuitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank de termijn uit de eerste tussenuitspraak met vier weken verlengd tot 6 januari 2026.\n\n4. Gedeputeerde staten hebben op 5 januari 2026 een herstelbesluit genomen. Eisers hebben op 28 januari 2026 hun zienswijze gegeven op dit herstelbesluit. Op 10 februari 2026 hebben gedeputeerde staten een aanvullende reactie gegeven. Vergunninghoudster heeft geen reactie gegeven.\n\n5. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 11 februari 2026 gesloten.\n\nOverwegingen\n\n6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.\n\nDe tussenuitspraak\n\n7. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat gedeputeerde staten niet deugdelijk en concreet hebben gemotiveerd dat de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in de lokale behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment in Soest. Gedeputeerde staten hebben daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom het nodig is de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat gedeputeerde staten in hun besluitvorming onvoldoende hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. Gedeputeerde staten kunnen de geconstateerde gebreken herstellen door:\n\ntoereikend te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Daarvoor is noodzakelijk dat gedeputeerde staten een specifiek op dit bouwproject toegesneden motivering geven van de kwalitatieve noodzaak van dit project en de effecten daarvan op andere segmenten van de woningmarkt in (de regio) Soest; en\u002Fof\n\nnader te onderbouwen dat het bouwplan noodzakelijk is in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden: en\n\ninzichtelijk te maken welke alternatieven gedeputeerde staten bij hun beoordeling hebben betrokken en waaruit volgt dat deze alternatieven niet of minder geschikt zijn dan het bestaande plan. Dit gebrek is hersteld als inzichtelijk is gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat die minder verstrekkende gevolgen heeft voor het essentieel foerageergebied van de das.\n\nHet herstelbesluit\n\n8. Gedeputeerde staten hebben de noodzaak voor dit bouwproject in het herstelbesluit van 5 januari 2026 nader gemotiveerd. Gedeputeerde staten hebben zich daarvoor gebaseerd op het rapport ‘Onderbouwing Bouwplan 1e Heezerlaantje Soest’ van de Stec-Groep van 22 december 2025 (het Stec-rapport). Uit het Stec-rapport volgt dat de woningmarktregio, gelet op de inkomende verhuisbewegingen, bestaat uit Soest, Amersfoort, Utrecht, Zeist, Baarn en Hilversum. In de woningmarktregio zal het aantal huishoudens tot 2035 groeien met 38.125. Daarmee groeit ook de behoefte aan even zoveel nieuwe woningen, terwijl de bestaande woningbouwplannen daar niet volledig in kunnen voorzien. Er is dus een kwantitatieve behoefte in de woningmarktregio aan woningen. Vervolgens volgt uit het Stec-rapport dat het bouwplan ook voorziet in een kwalitatieve behoefte aan dure grondgebonden koopwoningen. Volgens het Stec-rapport gaat het daarbij om koopwoningen vanaf € 405.000,- . In het Stec-rapport wordt onderkend dat lokaal (in Soest) weliswaar geen behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment, maar in de woningmarktregio waar Soest deel van uitmaakt wél. Bovendien kan het aanbod aan grondgebonden koop in Soest niet volledig in de behoefte in de woningmarktregio voorzien, zodat het bouwplan daadwerkelijk voorziet in een behoefte en dus noodzakelijk is. Bovendien volgt uit het Stec-rapport dat het realiseren van nieuwe woningen leidt tot doorstroming op de woningmarkt, waarbij het bouwen van grondgebonden koopwoningen in het hoge segment leidt tot gemiddeld drie verhuisbewegingen. Hiervoor is gebruik gemaakt van het Stec-doorstroommodel. Gelet hierop kan het bouwplan in deze zaak ook bijdragen aan het oplossen van het tekort aan kleinere en betaalbare woningen in de woningmarktregio en biedt het dus kansen voor starters en sociale huurders.\n\n9. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten verder toegelicht dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn die minder verstrekkende gevolgen hebben voor het essentieel foerageergebied van de das. Gedeputeerde staten hebben zich daarbij gebaseerd op de bijlage bij het Stec-rapport. Daarin zijn 21 alternatieve locaties in Soest beoordeeld op zes gelijke onderdelen, te weten: ligging binnen de rode contour, bandbreedte, ontsluiting, kwalitatieve geschiktheid, beschikbaarheid en bestaande bestemming. Uit dit overzicht volgt dat voor de meeste locaties geldt dat de functie ‘wonen’ op basis van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Voor twee locaties geldt dat deze al planologisch zijn vastgesteld voor een ander bouwplan. Op basis hiervan is de conclusie volgens gedeputeerde staten dat er geen redelijke, gelijkwaardige en op korte termijn realiseerbare alternatieve locatie beschikbaar is waarmee de doelstellingen van dit project kunnen worden gehaald. Gedeputeerde staten hebben er ten slotte nog op gewezen dat de negatieve effecten van het bouwplan zoveel mogelijk worden beperkt door alternatief foerageergebied te realiseren op korte afstand van het plangebied. De te treffen compenserende en mitigerende maatregelen zijn beschreven in het mitigatieplan van 25 juni 2024.\n\nDe zienswijze van eisers\n\n10. Eisers stellen zich op het standpunt dat gedeputeerde staten er met het herstelbesluit en het Stec-rapport niet in zijn geslaagd om de kwalitatieve noodzaak van het bouwproject te onderbouwen. Eisers voeren aan dat het Stec-rapport is opgesteld in opdracht van vergunninghoudster, zodat geen sprake is van een onafhankelijk onderzoek door gedeputeerde staten. Tegen het Stec-rapport hebben eisers aangevoerd dat daarin de woningmarktregio zeer ruim wordt vastgesteld, terwijl de verhuisbewegingen daartoe geen aanleiding geven. Uit het rapport volgt dat juist 40 procent van de verhuisbewegingen binnen Soest plaatsvindt en dat er een grote restcategorie is, die niet nader is gedefinieerd. Als uitgegaan zou moeten worden van de brede woningmarktregio dan is volgens eisers de vraag of de bouw van vijf woningen daadwerkelijk een groot openbaar belang is, terwijl daar de aantasting van essentieel foerageergebied van de das tegenover staat. Eisers wijzen er verder op dat het uitgangspunt in het Stec-rapport van een prijs van € 405.000,- voor een dure grondgebonden koopwoning niet bij het bouwplan in deze zaak past. Het voorgenomen bouwplan realiseert woningen die een vraagprijs hebben beginnend bij € 900.000,-, zodat met het rapport onvoldoende is gemotiveerd dat daar binnen de brede woningmarktregio wel vraag naar is. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat onvoldoende inzichtelijk is hoe het Stec-doorstroommodel werkt, zodat de uitkomsten daarvan voor eisers niet verifieerbaar zijn. Ten aanzien van de verhuisbewegingen is volgens eisers onvoldoende inzichtelijk gemaakt tot welke verhuisbewegingen het bouwproject in deze zaak leidt.\n\n11. Over de andere bevredigende oplossingen hebben eisers aangevoerd dat gedeputeerde staten zich ten onrechte hebben beperkt tot een achteraf opgesteld rapport met de beoordeling van alternatieve locaties. De daarbij beoordeelde locaties zijn in sommige gevallen niet-realistisch of onvoldoende onderzocht op de haalbaarheid. Eisers wijzen er verder op dat de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de huidige voorgenomen locatie niet als alternatief bij de beoordeling is betrokken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe noodzaak\n\n12. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de totstandkoming van het herstelbesluit hebben gebaseerd op het Stec-rapport. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan zich voor de motivering van een besluit in beginsel mag baseren op de inhoud van het rapport dat door een deskundige is opgesteld. Het bestuursorgaan moet daarvoor wel nagaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat gedeputeerde staten het Stec-rapport aan het herstelbesluit ten grondslag konden leggen. De stelling van eisers dat het Stec-rapport in opdracht van vergunninghoudster is uitgevoerd en door haar is gefinancierd brengt niet met zich dat gedeputeerde staten niet uit mochten gaan van de onafhankelijkheid en zorgvuldigheid van dit onderzoek. Als eisers de inhoudelijke overwegingen van het Stec-rapport willen betwisten dan ligt het op de weg van eisers om daarvoor een tegenrapport te laten opstellen. Dat hebben eisers niet gedaan.\n\n13. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit en het daaraan ten grondslag liggende Stec-rapport voldoende deugdelijk en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat het bouwproject voorziet in een kwalitatieve noodzaak en dat het realiseren van dit project een positief effect heeft op de verhuisbewegingen in de woningmarktregio. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.\n\n14. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de noodzaak van het bouwproject baseren op een dwingende reden van groot openbaar belang, gelegen in de behoefte aan woningbouw. Een behoefte aan woningbouw kan onder omstandigheden een dwingende reden van groot openbaar belang opleveren. Het belang moet dan zowel “openbaar” als “groot” zijn, wat impliceert dat dit belang zo groot is dat het kan worden afgewogen tegen de door de Habitatrichtlijnnagestreefde doelstelling van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor deze zaak betekent dit dat de rechtbank moet beoordelen of de aard van de beoogde woningbouw en de door gedeputeerde staten aangevoerde belangen zodanig groot en openbaar zijn dat zij als voldoende zwaarwegend kunnen worden aangemerkt in verhouding tot de belangen die door artikel 8:74l, eerste lid, onder b, onder 3° van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden beschermd. De rechtbank sluit hiervoor aan bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin zij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over dwingende redenen van groot openbaar belang in het kader van gebiedsbescherming bij toepassing van de Habitatrichtlijn, ook van toepassing verklaart in het kader van soortenbescherming.\n\n15. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten zich, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat er lokaal in Soest geen behoefte is grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. Daarentegen is met het Stec-rapport inzichtelijk gemotiveerd dat deze behoefte in de woningmarktregio, waartoe Soest behoort, wel bestaat. Uit het Stec-rapport volgt dat ongeveer 24 procent van de verhuisbewegingen in de woningmarktregio plaatsvindt. Tezamen met de verhuisbewegingen in Soest vormt dit het overgrote deel van het aantal verhuisbewegingen in en naar Soest. De rechtbank kan daarmee volgen dat gedeputeerde staten zich voor hun onderbouwing hebben gebaseerd op de vastgestelde woningmarktregio voor de onderbouwing van de behoefte aan woningen. Dat de woningmarktregio volgens eisers ten onrechte te breed is vastgesteld om daarmee het belang van Soest als vestigingsplaats te benadrukken, volgt de rechtbank niet. Met de in het Stec-rapport weergegeven verhuisbewegingen is inzichtelijk gemaakt dat een relevant aandeel van de verhuisbewegingen plaatsvindt van omliggende gemeenten naar Soest. Dit is onderbouwd met data van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Gedeputeerde staten mochten zich in het herstelbesluit op de behoefte in de woningmarktregio baseren. Bij de rechtbank is geen rechtspraak bekend (en ook eisers hebben dat niet aangedragen) waaruit volgt dat een groot openbaar belang bij het realiseren van woningen uitsluitend kan worden onderbouwd door een bestaande lokale behoefte. Ook als het bouwproject in deze zaak uitsluitend in een regionale behoefte voorziet, kan daarmee nog steeds sprake zijn van een groot openbaar belang voor het realiseren van de woningen. Dat het realiseren van woningen in Soest voorziet in een regionale behoefte is met het Stec-rapport en de toelichting in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd.\n\n16. De rechtbank overweegt verder dat in het Stec-rapport ook een deugdelijke onderbouwing is gegeven voor de behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. In het rapport is inzichtelijk gemotiveerd dat in de woningmarktregio behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen, ook in het hoge segment. Het vergelijken van de behoefte met het aanbod aan dit type woningen maakt inzichtelijk dat er in de woningmarktregio een resterende behoefte bestaat. Het bouwproject in deze zaak kan daarin voorzien. Bovendien is inzichtelijk gemaakt dat het realiseren van dure, grondgebonden koopwoningen gemiddeld drie verhuisbewegingen oplevert. Het realiseren van woningen in het hoge segment draagt daarmee ook bij aan het verlagen van de druk op andere segmenten in de woningmarkt en dient daarmee het openbaar belang. Wat eisers tegen de kwalitatieve behoefte hebben ingebracht is onvoldoende voor een ander oordeel. Eisers hebben in algemene bewoordingen toegelicht waarom zij zich niet kunnen vinden in het Stec-rapport, maar hebben nagelaten om hun beweringen met een tegenrapport te onderbouwen. Dat de werking van het Stec-doorstroommodel onvoldoende is toegelicht volgt de rechtbank niet. In het Stec-rapport is een toelichting gegeven op de methode en de gegevens die door het model worden gebruikt. De rechtbank acht daarmee voldoende inzichtelijk op welke wijze de uitkomsten van het doorstroommodel tot stand zijn gekomen.\n\n17. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij bij haar beoordeling het belang van woningbouw moet wegen tegenover het belang van de das om ongestoord gebruik te maken van zijn foerageergebied. Daarbij betrekt de rechtbank dat het in deze zaak om een relatief klein bouwproject gaat waarin vijf woningen worden gerealiseerd. De bijdrage die het project levert aan de behoefte op de woningmarkt is daarmee beperkt. Gezien de beperkte omvang van het project is echter de verstoring van het beschermde foerageergebied van de das ook beperkt. De woningen worden gerealiseerd op één perceel in een landelijke omgeving, maar die wel al is omgeven door woningen. Bovendien wordt met de mitigerende maatregelen, in de vorm van vervangend foerageergebied nabij het bestaande foerageergebied, voldoende compensatie geboden voor de aantasting van het foerageergebied van de das.\n\n18. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat gedeputeerde staten erin is geslaagd het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen voor zover dat ziet op de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent dat het wettelijk belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in een regionale behoefte aan woningen en daarmee voorziet in een dwingende reden van groot openbaar belang. De rechtbank zal daarom niet meer ingaan op het wettelijk belang van de omgevingsvergunning voor zover dat ziet op de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.\n\nAlternatieven\n\n19. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten in het herstelbesluit ook voldoende concreet en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat met minder verstrekkende gevolgen. De rechtbank overweegt daarover dat gedeputeerde staten 21 alternatieve locaties op geschiktheid hebben onderzocht. Daarbij hebben gedeputeerde staten in redelijkheid als uitgangspunt genomen dat de alternatieve percelen geschikt moeten zijn voor het doel van het project, te weten het realiseren van nieuwe woningen om daarmee het woningtekort terug te brengen. Het onderzoek naar alternatieve locaties is opgenomen in de bijlage bij het hiervoor besproken Stec-rapport. Daarin is inzichtelijk gemaakt welke alternatieve locaties in Soest bij de beoordeling zijn betrokken, op welke variabelen de alternatieve locaties zijn beoordeeld en wat de uitkomst van deze beoordeling is. Uit de beoordeling volgt dat geen van de onderzochte locaties een redelijk en op korte termijn bruikbaar alternatief biedt. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Eisers hebben nog aangevoerd dat de bestemming van de beoordeelde percelen niet in de weg zou mogen staan aan de geschiktheid van het alternatief. Het huidige plangebied was oorspronkelijk immers ook niet bestemd voor woningbouw. Deze stelling van eisers leidt echter niet tot een ander oordeel. Een bestemmingsplanwijziging kan immers een tijdrovende procedure zijn waardoor een eventuele alternatieve locatie niet op korte termijn beschikbaar is. Bovendien kan de bereidheid van het college om mee te werken aan een bestemmingswijziging in de weg staan aan de bruikbaarheid van een alternatieve locatie. Dit betekent dat gedeputeerde staten de bestaande bestemming van de alternatieve locaties wel degelijk bij het beoordelen van de alternatieve locaties mochten betrekken. De rechtbank overweegt ten slotte dat gedeputeerde staten de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de voorgenomen locatie in redelijkheid niet bij de beoordeling van de alternatieven hebben hoeven betrekken. Vergunninghoudster heeft al in een eerder stadium toegelicht dat het realiseren van minder woningen voor haar als ontwikkelaar geen optie is, omdat het project ook rendabel moet blijven. Gedeputeerde staten moeten de aanvraag beoordelen zoals deze door vergunninghoudster is ingediend. Dat het realiseren van minder woningen op het voorgenomen plangebied niet bij de beoordeling van de alternatieven is betrokken, leidt daarom niet tot een ander oordeel.\n\n20. Uit het voorgaande volgt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit het geconstateerde gebrek voor zover dat ziet op de beoordeling van alternatieve locaties hebben hersteld.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Uit de tussenuitspraak volgt dat het beroep van eisers gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit deze einduitspraak volgt vervolgens dat gedeputeerde staten de geconstateerde gebreken hebben hersteld en dat de resterende beroepsgronden niet slagen. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit om die reden in stand laten. Dit betekent dat de door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor het opzettelijk beschadigen en\u002Fof vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026 in stand blijft. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning voor het beschadigen of vernielen van essentieel foerageergebied van de das in het kader van het door haar te realiseren woningbouwproject, overeenkomstig de door gedeputeerde staten gestelde voorwaarden en voorschriften.\n\n22. Met deze einduitspraak vervalt de voorlopige voorziening die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft getroffen. Dit betekent dat de schorsing van de verleende omgevingsvergunning wordt opgeheven en dat vergunninghoudster gebruik mag maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning.\n\n23. Omdat het beroep gegrond is, moeten gedeputeerde staten het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 1 april 2025;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt gedeputeerde staten op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:5410.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:7504.\n\nRichtlijn 92\u002F43\u002FEEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.\n\n De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2588 (Circuit Zandvoort), overweging 6.4 en het daarin aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2012, ECLI:EU:C:2012:82 (Solvay), punten 73-77.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1474","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.622Z",15,20,[11,174,175,176,177,178],2025,2024,2023,2022,2021]