[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-environmental-permit-nl-2026":3},{"detail":4,"years":218},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":216,"page":14,"limit":217},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},93,"environmental-permit-nl","Environmental Permit","NL","2026-07-08T16:55:59.522Z",2026,[13,16,18,20,23,24,27,29,31,33,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":22},4,5,{"month":22,"count":21},{"month":25,"count":26},6,10,{"month":28,"count":19},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":26,"count":15},{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61,70,78,86,95,104,111,118,127,135,144,153,163,173,182,191,199,207],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"626","ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","ecli-nl-rbgel-2026-5368","",60,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3156uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nin de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigden: mr. H. Doornhof en mr. J.M. Luttge),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigde: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college waarin het handhavingsverzoek van verzoeker is afgewezen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college het handhavingsverzoek namelijk terecht afgewezen en heeft het bezwaar dus geen redelijke kans van slagen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 26 mei 2026 heeft verzoeker een handhavingsverzoek ingediend, waarin hij het college vraagt om handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning aangevangen bouw en het beoogde gebruik van een tijdelijke opvanglocatie voor dak- en thuislozen aan het [adres] te [plaats] . Bij besluit van 16 juni 2026 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, omdat volgens het college sprake is van concreet zicht op legalisatie.\n\n2.1.. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die – kort samengevat – inhoudt dat de gemeente de opvanglocatie voorlopig niet in gebruik mag nemen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker, de gemachtigden van verzoeker en de gemachtigden van het college hebben deelgenomen aan de zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\nIs het handhavingsverzoek terecht afgewezen?\n\n4. Het college heeft aan de afwijzing van het handhavingsverzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verzoeker betwist dit. Verzoeker wijst erop dat het op voorhand niet aannemelijk is dat de aangevraagde vergunning zal worden verleend. Hij draagt daar een aantal argumenten voor aan, die er samengevat op neerkomen dat de opvang niet strekt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid en eventuele overlast.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, naar aanleiding van een verzoek om handhaving in de regel een toereikende motivering zal moeten geven waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik wil maken. Dat geldt nog meer in een situatie dat, zoals hier het geval, een overheidsorgaan de overtreder is. Uit de motivering moet blijken van bijzondere omstandigheden waarom het bestuursorgaan meent dat handhaving niet kan worden gevergd. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie van de onrechtmatige situatie bestaat.\n\n4.2.. Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag afgewezen omdat volgens hem sprake is van concreet zicht op legalisatie. Concreet zicht op legalisatie is er, in een geval als hier aan de orde, als een aanvraag is ingediend en het college bereid is om de omgevingsvergunning te verlenen. Vast staat en niet in geschil is dat de gemeente een aanvraag heeft ingediend voor een (legaliserende) omgevingsvergunning. Ook heeft het college op zitting toegelicht dat er bereidheid is om deze omgevingsvergunning te verlenen, en dat de vergunning ook elk moment verleend kan worden. Onder die omstandigheden is dus sprake van concreet zicht op legalisatie. Reeds daarom is het handhavingsverzoek van verzoeker terecht afgewezen. Dit is door het college ook voldoende begrijpelijk gemotiveerd in het bestreden besluit.\n\n4.3.. Het betoog van verzoeker komt er in feite op neer dat de nog te verlenen omgevingsvergunning in een eventueel bezwaar of beroep geen stand zal houden, omdat van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen sprake is en dat daarom de ingebruikname van de daklozenopvang bij wijze van voorlopige voorziening zou moeten worden verboden. De voorzieningenrechter kan er in deze handhavingszaak niet op vooruit lopen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter heeft namelijk geen inzicht in de door het college verrichte onderzoeken en de afwegingen en motivering die aan de omgevingsvergunning ten grondslag zullen liggen. Het voert om die reden in het kader van deze procedure dan ook te ver om, vooruitlopend op deze omgevingsvergunning, de ingebruikname bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden. Het college heeft op zitting toegezegd dat het twee dagen zal wachten met de ingebruikname van de daklozenopvang ná het verlenen van de omgevingsvergunning. Verzoeker heeft dan de mogelijkheid om tegen dat besluit bezwaar te maken en om (eventueel) een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat bezwaar in te dienen bij de voorzieningenrechter. In die procedure kan beoordeeld worden of het college in redelijkheid heeft kunnen menen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Mocht dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo zijn, dan zou in die zaak de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening geschorst kunnen worden. Daar kan nu niet op vooruit worden gelopen.\n\n4.4.. Omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:39.894Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"1606","ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","ecli-nl-rbobr-2026-4762",72,"2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F1562 OWNATU\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekers]\n\n ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nverzoekers\n\nen\n\nGedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant, het college\n\n(gemachtigde: S.J.S. van Gils en L.A.M. Kroon)\n\nAls derde-partij heeft deelgenomen: Stichting [naam] , vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Lagouw)\n\nSamenvatting\n\n1.1.. De derde-partij is voornemens wijkgebouw [adres] en verpleeghuis [naam] aan de [adres] in [woonplaats] te slopen om daar nieuwbouw te realiseren. In dat kader heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verrichten van flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet om de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren en om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleemuis (opzettelijk) te beschadigen of te vernielen, voor de periodes van 15 april tot en met 15 mei en 15 juli tot en met 15 augustus. Dit geldt vanaf de dag na de bekendingmaking van het besluit tot en met 15 mei 2031.\n\n1.2.. Met het besluit van 12 mei 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning met voorschriften aan de derde-partij verleend. Het college is – kort samengevat – van oordeel dat voor het doel van het project geen andere bevredigende oplossing is waarbij minder negatieve effecten op de beschermde soorten optreden en dat er een wettelijk belang is om de negatieve effecten te rechtvaardigen.\n\n1.3.. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit af. Er wordt wel een voorziening getroffen met betrekking tot de geplande werkzaamheden totdat de huidige verblijfplaatsen conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning ongeschikt zijn gemaakt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Vergunninghouder heeft op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2026 toegewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoekers. Verder waren aanwezig de gemachtigden van het college. Namens de derde-partij was aanwezig [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Ook waren aanwezig [naam] en [naam] , beide werkzaam als ecoloog..\n\nInleiding\n\n3.1.. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Vergunninghouder wil nieuwbouw realiseren aan de [adres] (wijkgebouw) en [adres] (verpleeghuis) te [woonplaats] (de locatie). In de nieuwbouw komt een zorglocatie, 18 driekamerappartementen en gesloten parkeergarage. De herontwikkeling vindt plaats in twee fases. In de eerste fase wordt het bestaande verpleeghuis [naam] gesloopt en worden het nieuwe zorgcentrum gerealiseerd. In de tweede fase wordt het bestaande wijkgebouw [naam] gesloopt en wordt gestart met de bouw van de huurappartementen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in het activiteitenplan, dat op 10 maart 2026 definitief is geworden.\n\n3.3.. Om te bepalen of met het project negatieve effecten optreden ten aanzien van de eventueel in het gebied voorkomende beschermde diersoorten heeft vergunninghouder ecologisch onderzoek laten uitvoeren en is gebleken dat de volgende verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de bebouwing aanwezig zijn:\n\n- 1 zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 potentiële (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.\n\nEen essentiële vliegroute voor vleermuizen is wel aanwezig, maar wordt niet aangetast zolang er geen additionele verlichting aanwezig zal zijn.\n\n3.4.. Om het bouwplan te realiseren, moet vergunninghouder de gewone dwergvleermuis verstoren en zijn voorplanting- en rustplaatsen vernielen. Dit is een overtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).3.5.. Om deze reden heeft vergunninghouder op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit.De ontheffing is gevraagd op grond van het belang “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” zoals genoemd in artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).\n\n3.6.. \n\nMet het besluit van 15 mei 2026 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend met voorschriften. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, maar zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van het soort. Maatregelen bestaan onder anderen uit dat het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot en met 15 mei of 15 juli tot en met 15 augustus. Ongeschikt maken mag uitsluitend plaatsvinden nadat een voorafgaande controle\n\ndoor een deskundige ecoloog heeft vastgesteld dat de verblijfplaatsen niet (meer) in\n\ngebruik zijn. Verder bestaan de maatregelen uit het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis en het werken buiten kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft hierbij niet bepaald dat het besluit vier weken later in werking treedt (en dus geen toepassing gegeven aan artikel 16.79, tweede lid van de Omgevingswet).\n\n3.7.. Verzoekers wonen op verschillende adressen aan [adres] en [adres] en hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4.1.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het wettelijk kader dat relevant is voor de beoordeling van dit geschil is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n4.2.. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit worden afgewezen. Er is wel aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de geplande stripwerkzaamheden voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.\n\nHebben verzoekers spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben bij een beoordeling door de voorzieningenrechter, nu vergunninghouder op korte termijn gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.\n\nZijn verzoekers belanghebbenden?\n\n6. Bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is bepalend of de handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval in dit geval de bouw van de zorglocatie en woningen - is bij die beoordeling niet van belang.\n\n6.1. In dit geval is de ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.\n\n6.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wet natuurbescherming-ontheffing kan worden afgeleid dat bij een afstand van meer dan 100 meter het niet aannemelijk is dat de ontheffing (nu de omgevingsvergunning) invloed zal hebben op de betreffende directe woon- en leefomgeving.Verzoekers wonen in dit geval echter op een afstand van minder dan 100 meter van de projectlocatie, waarbij de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 25 meter van de projectlocatie en ongeveer 45 meter van plaatsen waar vleermuizen verblijven. Gelet op de hiervoor genoemde afstanden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het gebruiken van de verleende omgevingsvergunning ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van verzoekers.Dat geldt in ieder geval voor verzoekers 3 en 5 die schuin tegenover de locatie wonen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter voor deze verzoekers zonder meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat in het midden kan blijven of de overige verzoekers een rechtstreeks betrokken belang hebben.\n\nHet verzoek\n\n7. Het verzoek strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen voor de beschermde fauna (de gewone dwergvleermuis). Volgens verzoekers start vergunninghouder ten onrechte op 6 juli 2026 met de sloopwerkzaamheden. Verzoekers hebben verzocht een voorziening te treffen die van kracht blijft totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak heeft gedaan in een lopende procedure over het bestemmingsplan.\n\nAanvang sloopwerkzaamheden op 6 juli 2026\n\n8. Vergunninghouder heeft aangegeven dat zij voornemens is om vanaf 6 juli 2026 te starten met werkzaamheden. Het zou gaan om stripwerkzaamheden die volgens haar geen invloed zouden hebben op de aanwezige beschermde soort (de gewone dwergvleermuizen) en daarom zijn toegestaan. Vanaf 15 juli 2026 (afhankelijk van weersomstandigheden maar niet eerder) gaat vergunninghouder beginnen met ongeschikt maken van de bebouwing voor de vleermuizen. Ook de stripwerkzaamheden zullen daarna naar alle waarschijnlijkheid nog plaatsvinden. Vanaf 17 augustus 2026 zal worden gestart met de sloopwerkzaamheden.\n\n8.1.. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het ongeschikt maken van de bebouwing voor vleermuizen voorafgaand aan de werkzaamheden moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot 15 mei of van 15 juli tot 15 augustus. Dit om te zorgen dat de vleermuizen weg zijn voordat aan de sloop van de bebouwing wordt begonnen. De sloopwerkzaamheden mogen pas plaatsvinden als na een controleronde is vastgesteld dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn en pas na expliciete toestemming van de ecoloog. In de voorschriften is ook bepaald dat alle werkzaamheden moeten plaatsvinden volgens het activiteitenplan dat aan de omgevingsvergunning is gehecht. Hierin is het volgende bepaald: “Voordat de bebouwing kan worden gesloopt, dient voorkomen te worden dat op moment van de werkzaamheden nog vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing. De bebouwing dient dan ook ongeschikt gemaakt te worden, waarbij de vleermuizen de mogelijkheid krijgen om uit zichzelf te vertrekken voordat de sloop plaatsvindt.” In voorschrift 1 is bepaald dat met werkzaamheden en\u002Fof activiteiten alle handelingen worden bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen.\n\n8.2. Tijdens de zitting is gebleken dat het hoogst waarschijnlijk is dat er nog vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de door vergunninghouder bedoelde stripwerkzaamheden werkzaamheden zijn die vallen binnen het bereik van de vergunning. Het zijn handelingen die invloed kunnen hebben op de vleermuizen. De voorzieningenrechter beschouwt stripwerkzaamheden als onderdeel van de sloopwerkzaamheden. Het verrichten van de stripwerkzaamheden voordat de vleermuisverblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, is dus een handeling in strijd met algemeen voorschrift 6 van de omgevingsvergunning. Het uitvoeren van de stripwerkzaamheden vanaf 6 juli 2026 vóór het ongeschikt maken van de stripwerkzaamheden is dus verboden op grond van artikel 5.5, eerste lid onder g, van de Omgevingswet. Het is ook een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, eerste lid in combinatie met artikel 6, eerste lid onder 1 van de Wet op de economische delicten.\n\n8.4. Het college geeft terecht aan dat dit een kwestie is van handhaving, en heeft ter zitting ook aangegeven dat steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Het college heeft niet aangegeven of de uitvoering van stripwerkzaamheden is toegestaan en lijkt dit te laten afhangen van de aard van de werkzaamheden tijdens de controles. Gelet op het voorgaande oordeel dat stripwerkzaamheden onderdeel zijn van de sloopwerkzaamheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning.\n\n8.5. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er op dat het uitvoeren van de werkzaamheden, in de wetenschap dat er hoogstwaarschijnlijk vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode, mede gelet op de te treffen voorlopige voorziening, wordt beschouwd als een overtreding van de specifieke zorgplicht in 11.27 eerste lid onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Nu hoogstwaarschijnlijk vleermuizen aanwezig zijn en de bebouwing op korte termijn ongeschikt wordt gemaakt voor vleermuizen, kan van vergunninghouder redelijkerwijze worden verwacht dat zij voor die tijd geen werkzaamheden uitvoert teneinde verstoring van de vleermuizen te voorkomen. Mocht een vleermuis als gevolg van verstoring door deze werkzaamheden overlijden, is sprake van een overtreding van artikel 11.46 eerste lid onder a, van het Bal omdat vergunninghouder dan willens en wetens de niet te verwaarlozen kans aanvaardt dat een beschermd dier wordt gedood .Dan is sprake van zogenoemde voorwaardelijke opzet.Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook werkzaamheden aan een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op de aanwezige vleermuizen en\u002Fof hun verblijfplaats.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n9. Dan resteert de vraag of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen.\n\nToetsingskader\n\n10. De verleende omgevingsvergunning moet worden beoordeeld op grond van artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de daarin genoemde voorwaarden, die voor zover hier van belang luiden:\n\n- er bestaat geen andere bevredigende oplossing;\n\n- op grond van het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieuwezenlijke gunstige effecten;\n\n- de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.\n\nDwingende redenen van groot openbaar belang\n\n11. Volgens verzoekers kan de omgevingsvergunning niet worden verleend op grond van \"dwingende redenen van groot openbaar belang\". Het maatschappelijke argument van ‘wijkintegratie’ en de realisatie van een gecombineerde multifunctionele accommodatie (MFA) wordt op oneigenlijke wijze als een deken over het ene project wordt gelegd. Zij wijzen erop dat de specifieke kwetsbare doelgroep in het verzorgingstehuis geenszins zelfstandig zal of kan participeren in het openbare wijkleven of de geplande MFA. Voor zover de nieuwbouw daarnaast voorziet in reguliere huisvesting (zoals in de woontoren), geldt dat voor die bewoners geen sprake is van een specifieke, dwingende zorgbehoefte die de aantasting van beschermde fauna rechtvaardigt.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de huidige gebouw niet voldoet aan de (psychiatrische) ondersteuningsbehoefte van haar huidige bewoners. Zij zijn daarom op een andere locatie ondergebracht, maar kunnen hier niet blijven. Door het realiseren van een multifunctionele accommodatie met onder andere een gezamenlijke buurthuiskamer, waar ook zowel bewoners van de wijk als bewoners van de zorglocatie kunnen komen, verbetert de wijkintegratie. Ten slotte wordt ook het belang van woningbouw vermeld ter onderbouwing van het wettelijk belang. Er wordt verwezen naar de woningopgave van de gemeente Oss. Het betreft hier sociale huurwoningen waar in de gemeente Oss grote vraag naar is. Dit project draagt ook weer bij om aan de woningopgave te voldoen.\n\n11.2. Vergunninghouder wijst erop dat het vaste rechtspraak is dat woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang op een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Uit de Woonagenda 2025-2207 volgt dat de gemeente Oss tot 2024 10.000 extra woningen wil bouwen. Op grond van de Regionale Woondeal zal Oss in de periode tot 2023 5217 sociale huurwoningen moeten bouwen. Het staat niet ter discussie dat er een dringende behoefte bestaat aan sociale huurwoningen.\n\n11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in de behoefte aan een zorglocatie en woningen, een dwingende reden van groot openbaar belang heeft mogen zien. Het college heeft voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan een zorglocatie voor zware zorg in de regio omdat de huidige bewoners uit noodzaak elders zijn ondergebracht, maar daar niet kunnen blijven. Doordat de nieuwbouw vertraging heeft opgelopen neemt de wachtlijst en de urgentie toe. Ook is er lokale behoefte aan woningbouw. Het college heeft daarbij gewezen op de woningopgave in de regio Oss van 600 woningen per jaar. De 18 te realiseren appartementen kunnen daaraan bijdragen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen en ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nAndere bevredigende oplossing\n\n12. Verzoekers voeren aan dat ten onrechte het alternatief dat door verzoekers op 20 juni 2025 is aangedragen, na een quickscan is afgewezen omdat het niet past binnen de intern gestelde financiële kaders. Nadere uitwerking leert dat een alternatief wel haalbaar is en de volledige sloop overbodig maakt en meer zorgwoningen oplevert.\n\n12.1.. Het college heeft gesteld dat verzoekers het door hen voorgedragen alternatief niet nader hebben onderbouwd. Het kan daardoor niet reageren op de vraag of dit een redelijk alternatief zou zijn voor de uitvoering van het project. De vraag of er alternatieven beschikbaar zijn kan door het college alleen worden betrokken wanneer het doel van het project ook bereikt zou kunnen worden op een manier die tot minder effecten zou leiden voor de aanwezige flora en fauna. Het doel van dit project is het realiseren van 18 driekamerappartementen, een gesloten parkeergarage en een zorglocatie. Uit nader onderzoek, niet enkel uit de QuickScan, is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Ten slotte zou ook bij renovatie de spouwmuur verloren gaan, hetgeen leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\n12.2. Vergunninghouder wijst erop dat het door verzoekers voorgestelde alternatief qua uitgangspunten een geheel ander bouwplan betreft en dus geen alternatief bevat voor haar wensen, die van BrabantZorg en de gemeente. Uit hoofdstuk 3 van de presentatie van verzoekers \"Voorstel van een alternatief ontwerp\" blijken de verschillen. Het programma van verzoekers behelst 74 zorgappartementen, terwijl het programma van vergunninghouder 48 zorgappartementen, 18 woningen en een MFA. Nu het niet om hetzelfde bouwplan gaat, is het ook geen alternatief.\n\n12.3.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit heeft mogen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing is voor het project, die minder effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Het college heeft toegelicht dat uit nader onderzoek is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat bij renovatie de spouwmuren ook verloren gaan en dat leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\nGunstige staat van instandhouding\n\n13. Verzoekers stellen dat de voorgestelde mitigerende maatregelen niet effectief zijn, omdat verzuimd zou zijn om de toekomstige fysieke gebruikssituatie te betrekken. De beoogde locaties voor de permanente voorzieningen zullen zich namelijk in de nabijheid zullen bevinden van installaties zoals warmtepompen- en luchtbehandelingskasten.\n\n13.1. Het college heeft gesteld dat verzoeker verwijst naar de permanente inbouwvoorzieningen die pas tijdens de nieuwbouw worden geplaatst. Het college merkt op dat deze grond daarom niet spoedeisend is, aangezien de permanente voorzieningen niet op korte termijn worden geplaatst. Ten overvloede overweegt het college dat de exacte locaties van de inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en de kraamverblijfplaats nog moeten worden afgestemd met de initiatiefnemer in verband met de nieuwbouw. Alleen voor de massawinterverblijfplaats is de exacte locatie al bekend. Met de opsomming van eigenschappen en maatregelen ten aanzien van de permanente voorzieningen opgenomen op pagina 11 van de verleende omgevingsvergunning wordt de effectiviteit van de voorzieningen gewaarborgd.\n\n13.2. Vergunninghouder heeft daaraan toegevoegd dat vleermuizen veel geluiden niet waarnemen. Als er al enig geluid waarneembaar (voor mensen) zou zijn op de locaties van de permanente nestkasten, dan betekent dat dus niet dat die geluiden ook voor vleermuizen waarneembaar zouden zijn, laat staat dat dat zou betekenen dat deze geluiden tot verstoring zou leiden. Het is vergunninghouder op dit moment niet duidelijk óf en zo ja hoeveel trillingen de installaties veroorzaken. Hij gaat dit onderzoeken en zal zo nodig de locaties van de permanente voorzieningen hierop afstemmen.\n\n13.3. De voorzieningenrechter overweegt dat met de beschrijving van de eigenschappen en maatregelen en de in de voorschriften vervatte verplichting tijdelijke en permanente voorzieningen te treffen, in het bestreden besluit voldoende is geborgd dat er voldoende alternatieve verblijfsmogelijkheden in de directe omgeving behouden blijven tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Mede in combinatie met het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode, heeft het college voldoende bewerkstelligt dat door deze maatregelen en verplichtingen de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt.\n\n13.4.. Bij de volledige heroverweging in bezwaar moet nog wel meer concreet worden geborgd waar precies de exacte locaties van de permanente inbouwvoorzieningen van de vier inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en twee inbouwkasten voor de kraamverblijfplaats geplaatst moeten worden. De enkele verplichting om de locatie af te stemmen met vergunninghouder in verband met de nieuwbouw is onvoldoende. De voorzieningenrechter beschouwt de permanente voorzieningen als een mitigerende maatregel en dat de locaties van deze inbouwkasten ten tijde van de besluitvorming bepaald hadden moeten zijn. De voordelige effecten van de maatregel moeten bij mitigerende maatregelen namelijk op voorhand vaststaan. Zolang er onduidelijkheid blijft bestaan waar deze inbouwkasten worden gerealiseerd, staat niet vast dat met deze mitigerende maatregelen voldoende is geborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om het besluit te schorsen omdat de nieuwbouw niet op korte termijn gerealiseerd zal zijn en het college dit nog in bezwaar kan herstellen.\n\nOnderzoeken niet uitgevoerd conform het protocol\n\n14. Verzoekers voeren aan dat de brondata uit het Activiteitenplan fundamentele protocolfouten aantonen. Verzoekers geven hierbij aan dat in de nacht van 18 op 19 augustus 2025 opeenvolgende onderzoeksronden binnen één etmaal zijn samengepropt in plaats van 10 dagen tussentijd. Verzoekers verwijzen naar de reactie van de eigen onafhankelijke deskundige van de initiatiefnemer (Twisk) waarin schriftelijk wordt bevestigd dat deze najaarsronden niet voldoen aan de richtlijn van het vleermuisprotocol.\n\n14.1. Het college stelt dat verzoekers verwijzen naar processtuk 10, de aanvullingen van 24 april 2026. Hierin is het volgende opgenomen: “De genoemde bezoeken op 7 en 19 augustus voldoen aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol ten aanzien van onderzoek naar massa-winterverblijven, maar werd in het plangebied geen zwermgedrag waargenomen. Bij de bezoeken op 18 augustus en 8 september werd vroeger gestart en werd rond middernacht (18augustus) af een uur ervoor (8 september) gestopt, waarmee deze ronden niet voldoen aan de richtlijn in het Vleermuisprotocol voor massa-winterverblijven. Uit een vergelijking met de hiervoor beschreven informatie over zwermgedrag bij bekende massa winterverblijven kan echter geconcludeerd worden dat ook op 18 augustus de kans groot was dat zwermende gewone dwergvleermuizen zouden zijn waargenomen als er een massa winterverblijfplaats aanwezig was. Dat er alleen op 18 augustus, bijna anderhalf uur voor middernacht, vijf zwermende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen, en niet tijdens de overige drie bezoeken die zijn uitgevoerd, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat in de gebouwen aan de [adres] in [woonplaats] een massa-winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is.” Deze afwijking waar verzoekers naar verwijzen gaat enkel over de potentiële massawinterverblijfplaats. In het bestreden besluit is hierover opgenomen dat er in de nazomerzwermperiode 5 gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen. Deze vleermuizen keerden regelmatig terug rondom de kozijnen van één van de raampartijen aan de westzijde van het (voormalig) verpleeghuis, wat erop wijst dat de verblijfplaats zich ergens langs de kozijnen bevindt. Deze waarneming heeft plaatsgevonden om 22:33 uur. Gelet op het tijdstip, aantal individuen en de periode in het jaar, kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats een massawinterverblijfplaats betreft. Daarom wordt deze als zodanig beschouwd. De afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.\n\n14.2. Vergunninghouder merkt op dat haar deskundige (Twisk) in zijn rapport 'Beoordeling verblijfplaats gewone dwergvleermuis, [adres] , [woonplaats] ' concludeert dat er geen massawinterverblijfplaats aanwezig is. Hij stelt dat de twee door Sweco uitgevoerd bezoeken op 7 en 19 augustus aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol voldoen. Dat is ook voldoende. De andere twee uitgevoerde rondes hadden een ander doel, namelijk het waarnemen van paar- en baltsgedrag. Deze hoeven dus ook niet volgens het massawinterprotocol uitgevoerd te worden.\n\n14.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken. Weliswaar heeft Het collefge toegelicht dat sprake is van afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen en die voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Verder is in het activiteitenplan van 15 september 2025 inderdaad een fout geslopen. Er staat 15 juli 2025 in de voetteksten, maar dat had de datum van 15 september 2025 moeten zijn. Dat maakt niet dat de gehele besluitvorming onzorgvuldig is en dat de omgevingsvergunning daarom niet verleend had mogen worden. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nTransportroute en volksgezondheid\n\n15 Verzoekers stellen dat de route van de vrachtwagen in de sloopmelding anders loopt dan de route die is opgenomen in rapporten van de Aeriusberekeningen. Nu de vergunning expliciet eist dat verstoring van de fauna te allen tijde moet worden voorkomen, dwingt deze gewijzigde rijroute tot een hernieuwde ecologische beoordeling. De totale sloop van de huidige bebouwing vormt bovendien een acute bedreiging voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna.\n\n15.1. Het college stelt dat de AERIUS-berekeningen geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit. Deze procedure heeft geen betrekking op een Natura 2000-activiteit. Het college wijst erop dat het in de procedurele overwegingen van het besluit hebben overwogen dat er een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving van toepassing kan zijn. Verzoekers hebben verder niet aangevoerd hoe de gekozen transportroute een zware belasting vormt qua trillingen en geluid.\n\n15.2.. Vergunninghouder merkt hierover op dat de vrachtwagens de route zullen rijden zoals aangegeven in de sloopmelding. Op het moment dat de vrachtwagen van de sloop gaan rijden, zullen de vleermuizen zich niet meer in de te slopen gebouwen bevinden vanwege de ontmoedigingsmaatregelen. Er zijn voor deze periode tijdelijke voorzieningen aangebracht op de woningen. Slechts een deel van de locaties van de tijdelijke voorzieningen ligt langs de aanvoerroute van de vrachtwagen. Dit is bovendien op redelijke grote afstand. Bovendien zal het zware verkeer als gevolg van de sloop geen significant effect hebben ten opzichte van het reeds bestaande zware verkeer op de verschillende omliggende straten.\n\n15.3.. Het bestreden besluit ziet niet op de stikstofemissies vanwege transport. Tijdens de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de verblijfplaatsen niet dicht in de buurt bij de transportroute zitten. Het college heeft dit gesteld en eisers hebben het niet weersproken. De voorzieningenrechter acht het op grond daarvan onvoldoende aannemelijk dat de transportroute zal leiden tot verstoring.\n\n15.4.. Verzoekers maken zich zorgen vanwege de stofoverlast door de sloop van de huidige bebouwing die een acute bedreiging zou vormen voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna. Vergunninghouder mag op grond van voorschrift 1 van de verleende omgevingsvergunning geen werkzaamheden uitvoeren die invloed hebben op een beschermde soort. Daarmee is voldoende geborgd dat de transporten een acute dreiging kunnen vormen voor de lokale (beschermde) fauna. De volksgezondheid is niet een belang dat het college bij deze besluitvorming heeft hoeven te betrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Teneinde iedere verwarring omtrent de stripwerkzaamheden weg te nemen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen en ziet hij hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen en wijst hij het verzoek voor het overige af.\n\n17 Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen moet het college de door verzoekers betaalde griffierechten vergoeden. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nverbiedt bij wijze van voorlopige voorziening expliciet dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H. M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 5.1. tweede lid van de Omgevingswet\n\n2Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na.een bouwactiviteit,\n\nb.een milieubelastende activiteit,\n\nc.een lozingsactiviteit op:\n\n1°.een oppervlaktewaterlichaam,\n\n2°.een zuiveringtechnisch werk,\n\nd.een wateronttrekkingsactiviteit,\n\ne.een mijnbouwlocatieactiviteit,\n\nf.een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:\n\n1°.een weg,\n\n2°.een waterstaatswerk,\n\n3°.een luchthaven,\n\n4°.een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,\n\n5°.een installatie in een waterstaatswerk,\n\ng.een flora- en fauna-activiteit,\n\nvoor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 11.27 Bal\n\n1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:\n\na.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;\n\nb.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en\n\nc.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\n2. voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:\n\na.voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:\n\n1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;\n\n2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;\n\n3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en\n\n4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;\n\nb.als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nc.als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nd.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;\n\ne.tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en\n\nf. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.\n\n3 Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.\n\nArtikel 11.46 Bal\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:\n\na. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn,bijlage IIbij het verdrag van Bern ofbijlage Ibij het verdrag van Bonn;\n\nb. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;\n\nc. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;\n\nd. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en\n\ne. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn ofbijlage Ibij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.\n\nArtikel 8.74k Besluit kwaliteit leefomgeving\n\n1Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid,11.47, eerste lid, of11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:\n\na.er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;\n\nb.de activiteit nodig is:\n\n1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;\n\n2°.voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;\n\n3°.in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;\n\n4°.voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of\n\n5°.om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en\n\nc.de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.\n\n2Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld inartikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgevingtot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.\n\n3Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.\n\n Artikel 5.1. tweede lid onder g van de Omgevingswet\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n voorschrift 1 van de vergunning\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","2026-07-13T00:29:29.306Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":50,"updatedAt":69},"973","ECLI:NL:RBNNE:2026:2600","ecli-nl-rbnne-2026-2600",65,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1925\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekster], uit [plaats], verzoekster\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, het college\n\n(gemachtigden: D. Jansen en M.L. Ruessink).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij]uit [plaats], de derde-partij.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit op het perceel [perceel] in [plaats] (het perceel) en de afwijzing van het handhavingsverzoek van verzoekster over asbest en bouw\u002Fsloop op dat perceel. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening aan de hand van de gronden van verzoekster.\n\n2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nProcesverloop\n\n3. De derde-partij heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit op het perceel. Het college heeft die omgevingsvergunning op 4 mei 2026 verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4. Verzoekster heeft op 8 februari 2026 een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen asbest en bouw\u002Fsloop op het perceel. Het college heeft dat handhavingsverzoek met het besluit van 28 mei 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n5. Het college heeft op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft een schriftelijke reactie ingediend.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster en de gemachtigden van het college deelgenomen. De derde-partij is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.Beoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat zijn de twee onderwerpen van deze zaak?\n\n7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het handhavingsverzoek van 8 februari 2026 is gericht tegen de sloopwerkzaamheden aan de woning op het perceel. In dat verzoek stelt verzoekster dat geen sloopmelding is gedaan en dat geen asbestinventarisatie is uitgevoerd. Ter zitting heeft verzoekster bevestigd dat het handhavingsverzoek alleen daarover gaat.\n\n8. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de omgevingsvergunning van 4 mei 2026 is verleend voor het tijdelijk plaatsen van een woonunit op het perceel voor de omgevingsplanactiviteiten van het bouwen van een bouwwerk en het afwijken van de regels in het omgevingsplan. Is er sprake van onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening?\n\n9. Verzoekster verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen inzake de sloopwerkzaamheden aan de woning op het perceel en in samenhang daarmee met de omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit op het perceel. Volgens verzoekster worden de sloopwerkzaamheden aan de woning nog steeds voortgezet. Die werkzaamheden gaan verder dan het slopen van de schoorsteen, de tussenwanden en het vervangen van het dak. Mogelijk vinden ook sloopwerkzaamheden plaats in de kelder van de woning. Verzoekster vreest dat er asbest in de woning aanwezig is (geweest). Zij maakt zich grote zorgen over de gevolgen daarvan. Volgens verzoekster zijn belangrijke onderdelen van de woning zoals de kelder, het dak en delen van de oorspronkelijke dakconstructie niet of onvoldoende in de asbestinventarisatie onderzocht. Ook zijn bouwdelen die ten tijde van de inventarisatie al waren verwijderd, daarin ten onrechte niet meegenomen, aldus verzoekster.9.1.. \n\nHet college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening. De omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit al is uitgevoerd. Uit het verzoek om voorlopige voorziening blijkt ook niet om welke redenen de vergunning geschorst zou moeten worden. Verder voert het college aan dat sprake is van een vergunningvrije verbouwing van de woning. Er is een asbestinventarisatierapport aanwezig, waarin is geconcludeerd dat er geen asbest is aangetroffen en dat het rapport geschikt is voor de verbouwing van de woning. Volgens het college heeft verzoekster tegen het handhavingsbesluit nog geen bezwaargronden ingediend en heeft zij zelf gevraagd om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Hiermee geeft verzoekster te kennen dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, aldus het college.\n\n10. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als \"onverwijlde spoed\" dat vereist.10.1.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoekster over de omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat sprake is van de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bedoelde ‘onverwijlde spoed’. Daarbij is van belang dat de woonunit al is geplaatst op het perceel en daar wordt gebruikt. Met het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening kan die plaatsing niet alsnog worden voorkomen. Ook anderszins is niet gebleken dat sprake is van onverwijlde spoed bij de gevraagde schorsing van die vergunning. Niet valt in te zien dat de bezwaarprocedure in dit geval niet kan worden afgewacht. Nu op dit punt geen sprake is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist, dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen voor zover dat ziet op de omgevingsvergunning.10.2.. \n\nDe voorzieningenrechter ziet in het betoog van verzoekster over de sloopwerkzaamheden op het perceel wel grond voor het oordeel dat sprake is van de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bedoelde ‘onverwijlde spoed’. Op zitting heeft verzoekster aangegeven dat de sloopactiviteiten aan de schoorsteen, de tussenwanden en het dak van de woning al zijn uitgevoerd. Ten aanzien van die activiteiten is er geen sprake van onverwijlde spoed. Evenmin is onverwijlde spoed gelegen in de zorgen die verzoekster heeft over mogelijke (gevolgen van) asbest in sloopmateriaal dat vrijgekomen is als gevolg van die uitgevoerde sloopwerkzaamheden. Dat sloopmateriaal is al afgevoerd. Het is echter niet uitgesloten dat nog niet alle sloopwerkzaamheden aan de woning zijn afgerond. Met die omstandigheid acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat in dit geval van spoedeisendheid sprake is met betrekking tot de sloopwerkzaamheden. Is een sloopmelding vereist?\n\n11. Verzoekster betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen sloopmelding moest worden gedaan. Volgens verzoekster is het feit dat de woning grotendeels is gestript en dat meerdere containers met materialen zijn afgevoerd, moeilijk verenigbaar met de conclusie van het college dat sprake zou zijn van beperkte, vergunningvrije werkzaamheden. Daarnaast betoogt verzoekster dat veel eerder een asbestinventarisatie had moeten plaatsvinden. De woning dateert uit een periode waarin asbesthoudende materialen veelvuldig werden toegepast. In dit geval heeft de asbestinventarisatie pas plaatsgevonden nadat omvangrijke sloopwerkzaamheden al waren uitgevoerd. Volgens verzoekster zijn daarbij belangrijke onderdelen van de woning niet of onvoldoende in die inventarisatie onderzocht. Er heeft in die inventarisatie geen destructief onderzoek plaatsgevonden, waardoor niet controleerbaar is of alle revelante bouwdelen voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden voldoende zijn onderzocht. Het college heeft verzuimd om handhavend tegen de sloopwerkzaamheden op te treden, aldus verzoekster.\n\n11.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat geen grond bestaat om de sloopwerkzaamheden stil te leggen en dat de derde-partij niet gehouden was om een sloopmelding te doen. Het handhavingsverzoek is beoordeeld aan de hand van de artikelen 7.9 en 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Niet geconstateerd is dat de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m³ bedroeg. Volgens het college heeft de derde-partij een redelijke inschatting van die hoeveelheid gemaakt en die doorgegeven aan het college. Dat sprake was van het afvoeren van sloopafval in meerdere containers leidt niet tot een andere conclusie. Verder stelt het college zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is geweest van sloop waarbij asbest is verwijderd. Volgens het college wist de derde-partij niet of kon hij redelijkerwijs niet vermoeden dat zich in de woning asbest of een asbesthoudend product bevond. Ondanks dat heeft de derde-partij een asbestinventarisatie laten uitvoeren. Uit dat rapport volgt dat er in de woning geen asbest of asbestverdacht materiaal aanwezig was. Het college acht het rapport volledig en ziet geen reden om aan dat rapport voorbij te gaan. Door verzoekster is niet aangetoond dat er wel sprake is van asbest. Het enkele feit dat een woning uit een periode komt waarin asbest werd toegepast, betekent niet dat er per definitie asbest in de woning aanwezig is. Als de derde-partij alsnog een sloopmelding zou doen, zou er geen aanleiding zijn om de sloopwerkzaamheden stil te leggen of maatwerkvoorschriften op te leggen, aldus het college.11.2.. De voorzieningenrechter overweegt dat een sloopmelding onder meer is vereist indien de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m³ bedraagt. Gelet op de grootte van de woning en de woningonderdelen die in de afgelopen maanden zijn gesloopt, was het naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter op voorhand niet uit te sluiten dat sprake zou zijn van meer dan 10 m³ sloopafval. Na ontvangst van meldingen van verzoekster over de sloopwerkzaamheden in het najaar van 2025 heeft een toezichthouder onderzoek gedaan naar de sloopwerkzaamheden. De derde-partij heeft een inschatting gegeven dat sprake was van minder dan 10 m³ sloopafval. Het college heeft dat niet met controlegegevens gestaafd. Over die inschatting heeft het college helemaal geen gegevens ingediend. Gelet daarop heeft de voorzieningenrechter twijfels bij het standpunt van het college dat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting niet meer dan 10 m³ zou bedragen. Het onderzoek daarnaar was erg beperkt en voldoet naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.\n\n11.3.. \n\nOf ten tijde van de al verrichtte sloopactiviteiten artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl is overtreden, is voor de voorzieningenrechter niet meer goed vast te stellen. Dat geldt ook voor het vereiste van het doen van een melding voorafgaand aan de sloopactiviteiten. Wel is voor de voorzieningenrechter voldoende duidelijk geworden dat de derde-partij ten tijde van het handhavingsbesluit van 28 mei 2026 over een asbestinventarisatierapport beschikte. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het voorlopige oordeel dat op het moment van het nemen van het besluit om niet te handhaven ten aanzien van de op dat moment nog te verrichten activiteiten niet is voldaan aan de in het Bbl opgenomen norm.\n\nHoe weegt de voorzieningenrechter in dit geval de betrokken belangen?\n\n12. Uit bovenstaande overwegingen blijkt dat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter aan het handhavingsbesluit van 28 mei 2026 een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. Hierna zal de voorzieningenrechter ingaan op de gevolgen die dat heeft voor de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter weegt daarbij de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening enerzijds tegenover en de belangen van de derde-partij en het college die pleiten tegen het treffen daarvan anderzijds.\n\n12.1.. De voorzieningenrechter weegt enerzijds mee dat niet uitgesloten is dat in de toekomst nog sloopwerkzaamheden in de woning zullen plaatsvinden en dat die werkzaamheden onomkeerbare gevolgen kunnen hebben. Ook weegt mee dat niet uitgesloten is dat (gevolgen van) die werkzaamheden invloed zullen hebben op het woon- en leefklimaat van verzoekster. Anderzijds weegt de voorzieningenrechter mee dat al uitgebreide sloopwerkzaamheden aan de woning hebben plaatsgevonden, dat reeds afgevoerd sloopafval uit de woning niet meer kan worden onderzocht, dat de woning thans deels weer wordt opgebouwd, dat de derde-partij over een asbestinventarisatierapport beschikt, dat de derde-partij belang heeft bij het voortzetten van werkzaamheden in de woning en dat het college ter zitting heeft aangegeven bij het alsnog indienen van een sloopmelding geen aanleiding zou zien om maatwerkvoorschriften aan de derde-partij op te leggen.\n\n12.2.. Hiervoor heeft de voorzieningenrechter overwogen twijfels te hebben over de zorgvuldige voorbereiding van het besluit van 28 mei 2026. Dat is voor de voorzieningenrechter op zichzelf echter in dit geval niet voldoende om een voorlopige voorziening te treffen. Het college dient in het kader van de nog lopende bezwarenprocedure een volledige heroverweging te maken over dat besluit. Daarbij dient het college alle feiten en omstandigheden te betrekken. De voorzieningenrechter acht het niet uitgesloten dat het genoemde zorgvuldigheidsgebrek in die heroverweging kan worden hersteld.\n\n12.3.. Gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening minder zwaar wegen dan de belangen van het college en de derde-partij bij het niet treffen van een voorlopige voorziening. Vaststaat dat grote delen van de woning al zijn gesloopt en dat een hoeveelheid sloopafval al (enige tijd geleden) van het perceel is afgevoerd. Het treffen van een voorlopige voorziening kan die werkzaamheden niet meer ongedaan maken. Ook kunnen daarmee de zorgen van verzoekster over de al verrichtte werkzaamheden en het afgevoerd materiaal niet worden weggenomen. Voldoende aannemelijk is dat als er nog sloopwerkzaamheden in de toekomst gaan plaatsvinden, die zullen zien op een kleiner deel van de woning. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het college niet te volgen dat de asbestinventarisatie daarvoor van belang is. De voorzieningenrechter acht het daarbij van belang dat de asbestinventarisatie van maart 2026 is uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf, conform een werkveldspecifiek certificatieschema. Uit dat rapport volgt dat de hele woning is onderzocht. In het rapport is geconcludeerd dat ter plaatse van de woning geen asbesthoudende materialen zijn waargenomen en dat het rapport geschikt is voor het verbouwen van de woning. Dat verzoekster kritische kanttekeningen plaatst bij de juistheid en volledigheid van het rapport geeft geen aanleiding om aan dat rapport te twijfelen. Los van het feit dat het rapport is opgesteld door een deskundig bedrijf, heeft verzoekster dat rapport niet met een tegenrapport van een asbestdeskundige bestreden. Het college mocht de conclusies uit het rapport betrekken bij de beoordeling van het handhavingsverzoek van verzoekster en bij zijn standpunt dat als de derde-partij alsnog een sloopmelding zou doen geen aanleiding bestaat om maatwerkvoorschriften op te leggen. In het licht hiervan ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat als bij eventuele toekomstige sloopwerkzaamheden onverhoopt toch asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen, de derde-partij dit moet melden aan het college en dat aan de voor de verwijdering daarvan geldende regels moet worden voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 3:2\n\nBij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.\n\nBesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)\n\nArtikel 7.9 1. De normadressaat beschikt over een asbestinventarisatierapport voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:\n\na. werkzaamheden die worden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat na 1 januari 1994 is gebouwd;\n\nb. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen;\n\nc. het als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen;\n\nd. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk:\n\n1° verwijderen van waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen, telecombuizen en mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds openbaar water-, gas-, elektra-, riool- of telecomleidingnet;\n\n2° verwijderen van geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel;\n\n3° verwijderen van beglazingskit die is verwerkt in de constructie van een kas; of\n\n4°verwijderen van pakkingen uit:\n\ni. een verbrandingsmotor;\n\nii. een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen dat lager is dan 2.250 kW; of\n\niii. een procesinstallatie of onderdelen van een procesinstallatie, inclusief aan- en afvoerende leidingen; of\n\n5° verwijderen van gas- en elektrotechnische componenten die aanwezig zijn in een distributiesysteem, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, door of vanwege een distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet; en\n\ne. het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt.\n\n3. Degene die een handeling laat verrichten waarop het eerste lid van toepassing is, verstrekt, voordat de handeling wordt verricht, een afschrift van het asbestinventarisatierapport aan degene die de handeling verricht.\n\nArtikel 7.10 1. Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden.\n\n[…]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2600","2026-07-13T00:28:57.087Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":50,"updatedAt":77},"1935","ECLI:NL:RBNNE:2026:2522","ecli-nl-rbnne-2026-2522","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 24\u002F4344 en LEE 24\u002F4345\n einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [naam] , uit Havelte, eiser 1 (LEE 24\u002F4344)\n\n [naam] uit Havelte, eiser 2 (LEE 24\u002F4345),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld\n\n(gemachtigde: mr. drs. E.A.A. van Dam).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze einduitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het herinrichten van het sportpark en het vernieuwen van de accommodatie aan de [adres] te Havelte (het perceel). Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het college heeft op beide beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eisers en de gemachtigde van het college.\n\n2.4.. Op 23 december 2025 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen.\n\n2.5.. Het college heeft het bestreden besluit per brief van 2 februari 2026 nader gemotiveerd. Het college heeft daarbij een rapport ‘Herinrichting sportpark Havelte, second opinion akoestisch onderzoek’ van bureau Peutz gevoegd.\n\n2.6.. De rechtbank heeft eisers op 18 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het herstel van het gebrek kenbaar te maken. Zij hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.\n\n2.7.. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij mondeling op een nadere zitting willen worden gehoord. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe tussenuitspraak\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.\n\n3.1.. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college de vergewisplicht uit artikel 3:2 van de Awb geschonden heeft bij het volgen van de bevindingen en conclusie van het (aanvullend) geluidsonderzoek, door niet inhoudelijk te reageren op eisers’ stelling dat in het model is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats, en dat aspect ook niet ter beoordeling aan de adviseur voor te leggen. Het college heeft daardoor onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van aanvaardbare geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft het college niet kenbaar onderzocht en gemotiveerd dat de door eisers genoemde locatie - in het licht van de relatieve vergelijking waarop het college zich beroept maar die niet kenbaar in de besluitvorming is betrokken - geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren.\n\nGoede ruimtelijke ordening en geluid\n\n4. In de aanvullende motivering stelt het college dat uit de rekenresultaten van het onderzoek door bureau Peutz volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter hoogte van de woningen ten gevolge van het sportpark ten hoogste 45 dB(A) bedraagt in de dagperiode tijdens wedstrijddagen en ten hoogste 45 dB(A) in de maatgevende avondperiode tijdens trainingsdagen. Daarmee kan worden voldaan aan de standaard geluidgrenswaarde van 50 dB(A) voor de dagperiode en 45 dB(A) voor de avondperiode. Het college stelt dat de rekenresultaten van het onderzoek door bureau Peutz niet wezenlijk anders zijn dan de resultaten uit eerdere onderzoeken en concludeert dat de geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn.\n\n5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. Het college is namelijk ook in de aanvullende motivering niet inhoudelijk ingegaan op eisers’ stelling dat in het model bij het geluidsonderzoek is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats.\n\nIn het geluidsonderzoek van bureau Peutz staat dat bij de akoestische modelvorming (inderdaad) uitsluitend de dubbele deur aan de oostzijde is beschouwd (de openslaande deuren naar het terras). In het geluidsonderzoek van bureau Peutz is aanvullend wél de geluidsemissie van een deur aan de noordzijde van de kantine betrokken, maar de in- en uitgangen aan de kant van de parkeerplaats -waar het gebrek in de tussenuitspraak op zag- zijn daarin niet (kenbaar) betrokken.\n\nAlternatieve situatie\n\n6. In de aanvullende motivering stelt het college dat de situering van de accommodatie is bepaald aan de hand van de plaatsing van het hoofdveld en de pupillenvelden. Het college stelt dat de accommodatie nog wel op de plaats van de pupillenvelden, aan de noordzijde van het hoofdveld, gesitueerd zou kunnen worden, maar dat gekozen is voor situering van de accommodatie aan de westzijde vanwege de beperkte ruimte en aanwezige infrastructuur. Volgens het college leidt de door eisers voorgestelde alternatieve locatie aan de noordzijde niet tot aanmerkelijk minder bezwaren. Het college verwijst naar de variantberekening in het rapport van Peutz. Het college merkt daarbij op dat de lagere geluidsbelasting bij de alternatieve locatie aan de noordzijde wordt veroorzaakt door het laten vervallen van een pupillenveld en dat mét dat pupillenveld vrijwel geen verschil wordt verwacht. Verder zou volgens het college voor vergunninghouder geen sprake zijn van een gelijkwaardig resultaat.\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de aanvullende motivering ook het tweede in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. In de aanvullende motivering is het college op geen enkele wijze ingegaan op de relatieve vergelijking waarnaar bij de besluitvorming wel is verwezen, maar die niet kenbaar in die besluitvorming is betrokken. Verder heeft het college ook anderszins niet voldoende gemotiveerd dat de door eisers voorgestelde locatie geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat voor vergunninghouder geen sprake is van een gelijkwaardig alternatief is daarvoor onvoldoende, temeer omdat op de zitting van 28 november 2025 door eisers onweersproken is gesteld dat het voor vergunninghouder niet uitmaakte waar de accommodatie zou komen. Dat de door eisers voorgestelde locatie niet leidt tot aanmerkelijk minder bezwaren is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende onderbouwd, omdat het college dat standpunt baseert op een berekening waarvan het college zelf aangeeft dat die onvolledig is. De reden voor de lagere geluidsbelasting die is berekend bij situering van de accommodatie aan de noordzijde van het hoofdveld is volgens het college dat in de vergelijking een van pupillenvelden is komen te vervallen. Volgens het college zou er geen verschil zijn als dat veld wordt meegerekend, maar die aanname wordt niet onderbouwd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet voldaan aan de in de tussenuitspraak geformuleerde opdracht. Het college heeft met de in de herstelpoging opgenomen informatie nog steeds niet inhoudelijk gereageerd op eisers’ stelling dat in het model is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats, en dat aspect is ook niet (kenbaar) in het geluidsonderzoek bij de aanvullende motivering betrokken. Het college heeft daardoor onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van aanvaardbare geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening.\n\nDaarnaast heeft het college nog steeds niet kenbaar onderzocht en gemotiveerd dat de door eisers genoemde locatie - in het licht van de relatieve vergelijking waarop het college zich beroept maar die niet kenbaar in de besluitvorming is betrokken - geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren.\n\n8.1.. Reeds omdat het college niet heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak geformuleerde opdracht van de rechtbank, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\n8.2.. De rechtbank ziet geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet verder geen aanleiding opnieuw een bestuurlijke lus toe te passen. Het college zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat dit besluit binnen zes weken na verzending van deze uitspraak moet zijn genomen.\n\n8.3.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers LEE 24\u002F4344 en LEE 24\u002F4345 gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht van € 187,- aan beide eisers moet vergoeden;\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2522","2026-07-13T00:29:46.262Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":43,"courtId":82,"decisionDate":74,"fullText":83,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":50,"updatedAt":85},"1122","ECLI:NL:RBOVE:2026:3715","ecli-nl-rbove-2026-3715",57,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ZWO 25\u002F2235, 25\u002F2236, 25\u002F2237 en 25\u002F2238\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaken tussenMaatschap [eiseres 1], uit [vestigingsplaats 1],\n\neiseres in 25\u002F2235,\n\nhierna te noemen: [eiseres 1],\n\nV.O.F. [eiseres 2], uit [vestigingsplaats 2], eiseres in 25\u002F2236,\n\nhierna te noemen: [eiseres 2],\n\nMaatschap [eiseres 3], uit [vestigingsplaats 3], eiseres in 25\u002F2237,\n\nhierna te noemen: [eiseres 3],\n\nMaatschap [eiseres 4], uit [vestigingsplaats 4], eiseres in 25\u002F2238,\n\nhierna te noemen: [eiseres 4],\n\n(gemachtigde in alle zaken: mr. A.C. Hoogmoed),\n\nen\n\nhet college van Gedeputeerde Staten van Overijssel\n\nhierna te noemen: het college\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]).\n\nSamenvatting\n\n1.1. Deze uitspraak betreft de vraag of de verzoeken van eisers om legalisatie moeten worden aangemerkt als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers zijn zogenaamde PAS‑melders. Zij mochten onder het voormalige Programma Aanpak Stikstof (PAS) hun activiteiten uitvoeren op basis van een melding in plaats van een vergunning. Ten gevolge van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)is dat programma vervallen en hebben de PAS-melders veelal alsnog een vergunning nodig. Het college had de ingebrekestellingen van deze PAS-melders buiten behandeling gelaten omdat geen sprake zou zijn van een aanvraag. De daartegen gemaakte bezwaren zijn niet‑ontvankelijk verklaard.\n\n1.2.. De rechtbank oordeelt dat deze legalisatieverzoeken wél als aanvragen moeten worden aangemerkt omdat deze zijn gericht op het verkrijgen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Dat het college deze verzoeken heeft geplaatst in het kader van een aanmelding voor een afzonderlijk legalisatieprogramma, doet daaraan niet af. Een dergelijk onderscheid tussen aanmelden en aanvragen kent geen basis in de Awb. Eisers krijgen dus gelijk. De beroepen zijn gegrond. De besluiten worden vernietigd, de rechtbank stelt de dwangsommen vast en het college dient alsnog te besluiten op de aanvragen van deze PAS-melders.\n\n1.3.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2.1. Met de bestreden besluiten van 2 juli 2025 op de afzonderlijke bezwaren van eisers heeft het college de bezwaren van eisers tegen de brieven van het college van 19 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard.\n\n2.2.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:\n\n- [naam 1] en [naam 2] namens [eiseres 1],\n\n- [naam 3] en [naam 4] namens [eiseres 2],\n\n- [naam 5] namens [eiseres 3],\n\n- [naam 6] en [naam 7] namens [eiseres 4],\n\n- alle eisers zijn bijgestaan door mr. A.C. Hoogmoed en mr. R. van den Broek en vergezeld van [adviseur], adviseur;\n\n- [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] namens het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3.1.. Alle eisers zijn agrarische bedrijven die zijn aan te merken als zogeheten PAS-melders. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het PAS hadden zij een vergunning op grond van de Wet milieubeheer dan wel exploiteerden zij hun bedrijf rechtmatig op basis van een melding die gebaseerd was op regelgeving die voorafging aan het PAS. Als gevolg van de inwerkingtreding van het PAS, waarbij de vergunningplicht voor activiteiten met een geringe uitstoot kwam te vervallen, waren eisers niet langer vergunningplichtig en gold voor hun inrichtingen een meldingsplicht. [eiseres 1] heeft op 20 november 2015 een PAS-melding gedaan. [eiseres 2] heeft op 3 september 2015 een PAS-melding gedaan. [eiseres 3] heeft op 2 oktober 2015 een PAS-melding gedaan en [eiseres 4] heeft op 26 mei 2016 een PAS-melding gedaan.\n\n3.2.. De Afdeling heeft in een uitspraak van 29 mei 2019geoordeeld dat het PAS niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt aan de daaraan ten grondslag liggende passende beoordeling en dat activiteiten die zonder vergunning zijn gerealiseerd of verricht, waaronder activiteiten die in overeenstemming met het PAS werden verricht, alsnog vergunningplichtig zijn. Omdat de meldingsbevestiging op grond van het PAS niet op rechtsgevolg was gericht, gold een dergelijke bevestiging niet als besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Deze uitspraak van de Afdeling heeft ertoe geleid dat activiteiten die op basis van meldingen op grond van het PAS werden verricht, waaronder de bedrijfsactiviteiten van eisers, met onmiddellijke ingang illegaal zijn geworden.\n\n3.3.. Om legalisering van de activiteiten van de PAS-melders mogelijk te maken is onder meer de Wet natuurbescherming met ingang van 1 juli 2021 gewijzigd en is, voor zover hier van belang, artikel 1.13a aan de wet toegevoegd. Op grond van het eerste lid van dit artikel draagt de minister in het belang van de rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies zorg voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019. Op grond van het tweede lid van dit artikel stelt de Minister stelt zo spoedig mogelijk een programma vast met maatregelen om de gevolgen van de stikstofdepositie van de in het eerste lid bedoelde projecten te mitigeren of te compenseren, gericht op de verlening voor de projecten van onder meer een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid. Het vierde lid bepaald dat de in het programma opgenomen maatregelen worden uitgevoerd binnen drie jaar na de vaststelling van het programma.\n\n3.4.. Op 14 april 2021 heeft [eiseres 1] een verzoek om legalisatie ingediend via het digitale portaal mijn.rvo.nl, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier in het kader van het landelijke legalisatieprogramma voor PAS-melders, welk programma op basis van het Besluit natuurbescherming is vastgesteld. In dit digitale formulier is onder meer de vraag gesteld of een vergunning nodig is. Deze vraag is door [eiseres 1] bevestigend beantwoord. [eiseres 2] heeft een dergelijk verzoek op 29 april 2021 gedaan, [eiseres 3] op 11 februari 2021 en [eiseres 4] op 15 april 2021. Ook in deze gevallen is desgevraagd bevestigd dat een vergunning nodig is. Bij voormelde verzoeken zijn tevens verschillende bijlagen geüpload met AERIUS-berekeningen en (deskundigen)rapportages, waarin in de gevallen van [eiseres 1] en [eiseres 3] bovendien expliciet in deze bijlagen is vermeld dat een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming wordt aangevraagd. Op 20 september 2023 heeft [eiseres 1] een brief van het college gekregen waarin onder meer is aangegeven dat op dat moment nog geen legaliserende vergunning kon worden aangevraagd. [eiseres 2] heeft op 18 september 2023 een dergelijke brief gekregen, [eiseres 3] op 17 mei 2024 en [eiseres 4] op 14 december 2023.\n\n3.5.. Op 1 maart 2025 zijn namens eisers afzonderlijke ingebrekestellingen gestuurd aan het college omdat – in de visie van eisers – niet tijdig was beslist op de door hen gedane verzoeken om legalisatie. Bij brieven van 19 maart 2025 heeft het college gereageerd op de ingebrekestellingen. In elk van deze brieven is aangegeven dat geen sprake is van een aanvraag en dat daarom ook geen beslistermijn is verstreken. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze brieven. Bij de bestreden besluiten van 2 juli 2025 zijn deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.1.. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentieeen reactie op een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb een besluit kan zijn. Daarvoor is vereist dat de ingebrekestelling betrekking heeft op het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Artikel 1:3, derde lid, van de Awb bepaalt dat onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. De rechtbank zal daarom beoordelen of de door eisers ingediende verzoeken om legalisatie als zodanig kunnen worden aangemerkt.\n\n4.2.. De rechtbank is van oordeel dat de door eisers gedane verzoeken om legalisatie moeten worden aangemerkt als aanvragen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers hun verzoeken hebben ingediend via het daartoe bestemde digitale formulier op mijn.rvo.nl en dat deze verzoeken, gelet op de daarin opgenomen gegevens en de daarbij gevoegde bijlagen, voldoen aan de vereisten voor een aanvraag als bedoeld in artikel 4:2, eerste lid, van de Awb. Voor zover de verzoeken niet voldeden aan een of meer vereisten als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, bijvoorbeeld omdat niet alle benodigde gegevens of bescheiden waren overgelegd, had het college deze aanvragen met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling kunnen laten, mits eisers eerst de gelegenheid tot herstel was geboden. Dat heeft het college niet gedaan. Daarbij komt dat in het digitale formulier expliciet is gevraagd of een vergunning nodig is en dat deze vraag door eisers bevestigend is beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door eisers gedane verzoeken om legalisatie – gelet op deze inhoud en strekking – niet anders begrepen worden dan als verzoeken om een vergunning op grond van de (destijds van kracht zijnde) Wet natuurbescherming (thans Omgevingswet). Dat enkele eisers dit in de bijlagen bij hun verzoek bovendien uitdrukkelijk hebben benoemd, bevestigt dit oordeel. Daarmee is sprake van aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.\n\n4.3.. Dat het college deze verzoeken heeft geplaatst in het kader van het legalisatieprogramma voor PAS-melders en daarbij kennelijk onderscheid maakt tussen het aanmelden voor dat programma en het indienen van een aanvraag, maakt dit niet anders, nu voor een dergelijk onderscheid geen wettelijke grondslag bestaat binnen het systeem van de Awb.Voor de kwalificatie als aanvraag is bepalend of een belanghebbende een verzoek doet om een besluit te nemen. De door het college, althans het rijk, gehanteerde inrichting van het legalisatieproces kan daaraan niet afdoen. Het standpunt van het college dat de aanvragen niet voor inwilliging in aanmerking komen en het niet in het belang van PAS-melders zou zijn om nu een beslissing te krijgen, laat onverlet dat sprake is van een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen waartegen rechtsbescherming openstaat, inclusief de mogelijkheid om op te komen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een aanvraag.\n\n4.4.. Omdat de door eisers gedane verzoeken om legalisatie moeten worden aangemerkt als aanvragen, dienen de mededelingen dat de ingebrekestellingen en daarmee de aanvragen niet in behandeling zullen worden genomen, te worden aangemerkt als besluiten waartegen bezwaar kon worden gemaakt. De bezwaren zijn dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. De rechtbank zal ook de besluiten tot het buiten behandeling stellen van de ingebrekestellingen van 19 maart 2025 herroepen.4.5. In het kader van finale geschillenbeslechting overweegt de rechtbank als volgt. Daargelaten de vraag of de mededelingen van 18 en 20 september 2023, 14 december 2023 en 17 mei 2024 als mededelingen in de zin van artikel 4:14, derde lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van de ingebrekestellingen van 1 maart 2025 de redelijke termijn voor het nemen van besluiten op de aanvragen was verstreken. Eisers hebben daarom terecht bezwaarschriften ingediend tegen de besluiten van het college van 19 maart 2025 om de ingebrekestellingen buiten verdere behandeling te laten. Het college heeft tot op heden geen besluiten genomen.\n\n4.6.. De rechtbank zal de hoogte van de dwangsommen vaststellen. Op 1 maart 2025 hebben eisers het college in gebreke gesteld. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is 17 maart 2025 de eerste dag waarop de dwangsommen zijn verschuldigd, Omdat het college nog geen besluiten heeft genomen, zijn na ontvangst van de ingebrekestellingen meer dan 42 dagen verstreken. Op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de door het college de verbeurde dwangsommen € 1442 voor iedere eisers afzonderlijk. Verder dient het college alsnog te besluiten op de aanvragen. De rechtbank zal hiervoor een termijn van twaalf weken geven.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5.1.. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. Ook dienen de besluiten van 19 maart 2025 te worden herroepen.\n\n5.2.. De rechtbank stelt de verbeurde dwangsommen vast en bepaalt dat het college alsnog dient te beslissen op de aanvragen.\n\n5.3.. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Ook ziet de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van hun beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Vanwege de samenhang tussen de beroepen van eisers ziet de rechtbank aanleiding om te volstaan met toekenning van 1 punt voor het instellen van de gezamenlijke beroepen en 1 punt voor de gezamenlijke behandeling ter zitting. De waarde per punt is € 934. De aan eisers te vergoeden proceskosten bedragen daarmee € 1.868.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten;\n\nherroept de besluiten van 19 maart 2025;\n\nstelt de hoogte van de dwangsommen vast op € 1442 voor iedere eiser;\n\ndraagt het college op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak besluiten te nemen op de aanvragen van eisers;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eisers, ten bedrage van € 1.868, te betalen aan eisers;\n\nbepaalt dat het college de griffierechten van in totaal € 1.540 (€ 385 aan elk van de eisers) aan eisers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzitter, mr. K. Ides en mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op .\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:2019:1603\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1603\n\n Vgl. ABRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:409\n\n Vgl. ABRvS 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2574 en CRvB 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1381.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3715","2026-07-13T00:29:05.244Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":43,"courtId":90,"decisionDate":91,"fullText":92,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":50,"updatedAt":94},"899","ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","ecli-nl-rbdha-2026-17366",58,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F1234\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Teylingen, het college\n\n(gemachtigde: mr. T. Janssens).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor het splitsen van de woning aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 12 juni 2025 heeft het college geweigerd verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor een reeds gerealiseerde splitsing van de woning aan de [adres] in [plaats] . Met het bestreden besluit van 12 januari 2026 heeft het college deze weigering in stand gelaten. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1. Verzoeker heeft het verzoek aangevuld en nadere stukken overgelegd.\n\n2.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3. Verzoeker heeft hierop schriftelijk gereageerd.\n\n2.4. Het college heeft een nadere reactie ingediend.\n\n2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVoorgeschiedenis\n\n3. Verzoeker is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] . Hij heeft deze woning gesplitst in twee woningen, die worden verhuurd.\n\n3.1. Het college heeft met het besluit van 28 maart 2024 verzoeker een last onder dwangsom opgelegd om de zonder omgevingsvergunning uitgevoerde splitsing van deze woning ongedaan te maken en de illegale bewoning hiervan door meerdere huishoudens te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. Verzoeker heeft hiertegen rechtsmiddelen aangewend. Met de uitspraak van 1 december 2025 van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit besluit onherroepelijk geworden.\n\n3.2. Nadat het college had beslist op de bezwaren van verzoeker tegen de last onder dwangsom, heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de woningsplitsing alsnog te legaliseren. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd en deze weigering met het bestreden besluit in stand gelaten. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld (zaak SGR 26\u002F1237).\n\nOmvang van het verzoek\n\n4. In het inleidende verzoekschrift is vermeld dat het verzoek strekt tot schorsing van de opgelegde last onder dwangsomp. Uit de inhoud van het aanvullende verzoekschrift, de door verzoeker ingediende nadere stukken en zijn toelichting op de zitting, is de voorzieningenrechter echter gebleken dat het verzoek strekt tot schorsing van het besluit tot weigering van de alsnog aangevraagde omgevingsvergunning. Verzoeker heeft toegelicht dat hij met het verzoek wil bereiken dat het college voorlopig niet overgaat tot invordering van verbeurde dwangsommen.\n\n4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker dit doel van zijn verzoek niet kan bereiken met de enkele schorsing van het weigeringsbesluit. Ook bij schorsing van dat besluit beschikt verzoeker immers nog niet over een omgevingsvergunning, zodat sprake blijft van een illegale situatie. Daarom neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoeker beoogt dat hij tot de uitspraak in de beroepsprocedure over de geweigerde omgevingsvergunning, wordt aangemerkt als ware hij in het bezit van die vergunning.\n\nSpoedeisend belang\n\n5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n5.1. \n\nDe weigering van de omgevingsvergunning levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. Deze weigering heeft geen onomkeerbare gevolgen.\n\nVoor zover verzoeker vreest dat de weigering van de omgevingsvergunning hem blootstelt aan mogelijke invordering van verbeurde dwangsommen, is dat ook onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. De verbeurte van dwangsommen en de invordering daarvan is het rechtstreekse gevolg van de onherroepelijke last onder dwangsom, niet van de weigering van de omgevingsvergunning.\n\n5.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college vooralsnog geen invorderingsbesluit heeft genomen. Mocht het college daartoe alsnog overgaan, dan kan verzoeker daartegen desgewenst rechtsmiddelen aanwenden. Als verzoeker vindt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien, dan kan hij dat in die procedure naar voren brengen. De wens om te voorkomen dat het college een invorderingsbesluit neemt, levert echter een onvoldoende spoedeisend belang op in deze zaak. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat de wens om toekomstige invordering van verbeurde dwangsommen te voorkomen, betrekking heeft op een louter financieel belang. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijk belang in beginsel onvoldoende om een spoedeisend belang aan te ontlenen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Verzoeker heeft een onvoldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5796","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","2026-07-13T00:28:53.641Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":50,"updatedAt":103},"1433","ECLI:NL:RBGEL:2026:4927","ecli-nl-rbgel-2026-4927","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 25\u002F280uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaak tussenVereniging tot behoud van natuur en landschap in en om [plaats 1] ,\n\n [eiser 1] ,\n\n [eiser 2] en [eiseres 1] ,\n\n [eiser 3] en [eiseres 2] ,\n\n [eiser 4] ,\n\n [eiseres 3] ,\n\n [eiser 5] ,\n\n [eiseres 4] ,\n\n [eiseres 5],\n\nallen uit [plaats 1] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. L. Mohammad)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, het college\n\n(gemachtigde: G.H. Landeweerd).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V.uit [plaats 2] , het bedrijf\n\n(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers door het college om vergunningen van het bedrijf te wijzigen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het primaire besluit van 14 juni 2024 heeft het college het verzoek van eisers tot wijziging van de vergunningen van het bedrijf afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.1.. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers met [eiser 2] ; de gemachtigde van het college en de gemachtigde van het bedrijf met [persoon A] en [persoon B] .\n\n2.2.. Op de zitting hebben eisers het beroep, voor zover ingediend door [eiseres 1] , ingetrokken. Als de rechtbank hierna van ‘eisers’ spreekt, is dat niet langer [eiseres 1] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Het bedrijf exploiteerde een beton- en asfaltcentrale aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Hiervoor beschikte het bedrijf onder andere over twee milieutoestemmingen van het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland: een revisievergunning van 31 mei 1995en een veranderingsvergunning van 12 december 2000.\n\nDe revisievergunning ziet op:\n\no de productie van asfalt in een asfaltmenginstallatie;\n\no de productie van betonmortel en specie in een betonmortelcentrale;\n\no de productie van breekasfaltcement (BRAC) in een betoncentrale;\n\no het in gebruik hebben van een mobiele puinbreekinstallatie;\n\no het overslaan van zand en grind; en\n\no het exploiteren van een tankplaats en een werkplaats.\n\nDe veranderingsvergunning zag op de uitbreiding van de werktijden van het bedrijf naar de avond en nacht door het naar keuze van het bedrijf (gedeeltelijk) verschuiven van de productie en bijbehorend transport ten behoeve van wegenonderhoudswerkzaamheden.\n\n3.1.. Op 13 december 2006 zijn onder meer de provincie Gelderland, de gemeente Wageningen en het bedrijf overeengekomen dat alle asfaltactiviteiten op deze locatie uiterlijk op 31 december 2009 moesten worden beëindigd door deze activiteiten te verplaatsen naar een andere locatie. Dit is vastgelegd in een overeenkomst. Op 31 december 2009 zijn de asfaltactiviteiten van het bedrijf op deze locatie feitelijk beëindigd. Op 5 maart 2024 hebben eisers het college op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet, samengevat, verzocht: “de revisievergunning van 31 mei 1995 in te trekken, voor zover deze betrekking heeft op de asfaltcentrale. Bovendien wordt ook verzocht alle andere vigerende vergunningen met betrekking tot de asfaltactiviteiten in te trekken. Ook wordt u verzocht de gedeelde voorschriften tussen de beton- en asfaltcentrale aan te passen, zodat deze voorschriften de milieuruimte van de asfaltcentrale niet langer omvat.”3.2.. Op 16 mei 2024 heeft het college het voornemen geuit om de revisievergunning van 31 mei 1995 gedeeltelijk in te trekken voor zover die ziet op de productie van asfalt in een asfaltmenginstallatie, de productie van breekasfaltcement in een betoncentrale, eventuele andere asfaltactiviteiten van welke aard dan ook en alle daarmee samenhangende activiteiten, waaronder in elk geval de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van gereed product. Verder is het college voornemens de veranderingsvergunning van 12 december 2000 volledig in te trekken. Aan dit voornemen ligt artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet ten grondslag. Het college is niet voornemens om de voorschriften van de revisievergunning te wijzigen. Omwonenden en het bedrijf hebben een zienswijze ingediend.\n\n3.3.. Op 14 juni 2024 heeft het college de vergunningen conform het voornemen deels ingetrokken. Specifiek zijn de activiteiten met betrekking tot de productie van asfalt in een asfaltmengcentrale en de productie van breekasfaltcement in een betoncentrale en bijbehorende vervoersbewegingen ingetrokken. Volgens het besluit resteert er nu op deze locatie een omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten en volumes:\n\nproductie van beton in een betoncentrale met een maximale jaarlijkse productie van 140.000 ton;\n\nproductie van mix in een betoncentrale met een maximale jaarlijkse productie van 10.000 ton;\n\nhet breken van puin\u002Fsteenachtige materialen tot een maximale jaarlijkse productie van 112.000 ton;\n\nhet overslaan van 50.000 ton zand en grind, onder meer voor een productielocatie elders.\n\nVerder resteren er nog transportactiviteiten voor deze activiteiten en wijzigt het besluit niets aan de andere activiteiten (o.a. weegbrug, werkplaats, laboratorium, kantoren).\n\n3.4.. Eisers en het bedrijf hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het bestreden besluit van 6 december 2024 op de bezwaren is het college bij de gedeeltelijke intrekking gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij zijn – kort gezegd – van mening dat het college ten onrechte heeft nagelaten de vergunningsvoorschriften ten aanzien van de maximale productie van de puinbreker en de geluidsvoorschriften naar beneden bij te stellen waardoor de milieuruimte die bij de asfaltactiviteiten hoorde voor het bedrijf beschikbaar blijft. Zij vrezen dat het bedrijf die milieuruimte zal invullen met andere bedrijfsactiviteiten waardoor de beëindiging van de asfaltactiviteiten voor hen niet tot een verbetering leidt.\n\nHet geldende recht in deze zaak\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Dit nieuwe recht geldt in deze zaak, omdat het verzoek van eisers is ingediend na 1 januari 2024.\n\n4.1.. Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers tot wijziging van voorschriften van een revisievergunning uit 1995. In het bijzonder gaat het over het al dan niet wijzigen van voorschrift 10.1 (mobiele puinbreker) en voorschriften 15.1 en 15.2 (geluid).4.1.1.. Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat vergunningvoorschrift 10.1 onder de Omgevingswet wordt aangemerkt als vergunningvoorschrift.\n\n4.1.2.. Van voorschriften 15.1 en 15.2 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze als maatwerkvoorschriften moeten worden aangemerkt onder de Omgevingswet. Volgens het college bepaalt artikel 4.13, vierde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet namelijk dat wanneer op een locatie zowel milieubelastende activiteiten worden verricht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist (in dit geval: de puinbreker en de betonmortelcentrale) als milieubelastende activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (in dit geval: de op- en overslagactiviteiten van zand en grind) vergunningvoorschriften die op beide activiteiten betrekking hebben, gelden als maatwerkvoorschriften voor zover er een bevoegdheid is om daarvoor maatwerkvoorschriften te stellen. Eisers en het bedrijf hebben zich op de zitting bij dit standpunt aangesloten.\n\n4.1.3.. De rechtbank is, anders dan partijen, van oordeel dat voorschriften 15.1 en 15.2, ook onder de Omgevingswet nog als vergunningvoorschriften gelden.Weliswaar zijn op zichzelf staande op- en overslagactiviteiten van zand en grind niet als vergunningplichtige activiteit aangewezen in artikel 3.285 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), maar deze op- en overslagactiviteiten zijn wel als vergunningplichtige activiteit aangewezen als ze plaatsvinden als functioneel ondersteunende activiteit bij de betonmortelcentrale. Dat volgt uit artikel 3.115, onder c, gelezen in verbinding met artikel 3.111, eerste en tweede lid, van het Bal. De op- en overslagactiviteiten van zand en grind staan in dit geval naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet op zichzelf, maar zijn ten dienste van en functioneel ondersteunend aan de betonmortelcentrale van het bedrijf, zowel op deze locatie als op de locatie in Veenendaal. Zo volgt bijvoorbeeld uit de revisievergunning zelf dat de “hoofdactiviteiten” van het bedrijf de productie van asfalt en de productie van betonmortel betreffen en de “nevenactiviteiten” de mobiele breekinstallatie, het overslaan van zand en grind en het exploiteren van een tankplaats en werkplaats. Deze nevenactiviteiten worden (voornamelijk) ingezet om daarmee de hoofdactiviteit, namelijk de productie betonmortel, te kunnen uitvoeren.\n\nOmvang geding\n\n5. Het beroep van eisers beperkt zich tot de afwijzing van hun verzoek om de voorschriften van de revisievergunning te wijzigen in die zin dat deze de capaciteit van de asfaltactiviteiten niet langer omvat. Eisers betwisten de intrekking niet.\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast - en dat is tussen partijen ook niet in geschil - dat het college het bevoegde gezag is en dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Verder stelt de rechtbank vast dat sprake is van een discrepantie tussen tabel 5 uit de revisievergunning en de in het beroepschrift weergegeven tabel 5 en dat van de in het beroepschrift weergegeven tabel moet worden uitgegaan. Verder heeft de rechtbank op de zitting vastgesteld dat het betoog van eisers dat de overeenkomst tussen partijen niet voldoende zou worden nagekomen, een civielrechtelijke kwestie is waarover de bestuursrechter in deze zaak niet kan oordelen.\n\nReikwijdte verzoek\n\n6. In de zittingsagenda heeft de rechtbank aangekondigd dat in ieder geval de reikwijdte van het oorspronkelijke verzoek van eisers zou worden besproken aan de hand van de volgende vragen: “wat is de reikwijdte van het verzoek? En wat is het wettelijk kader voor de beoordeling\u002Ftoetsing van een verzoek om intrekking\u002Fwijziging van de voorschriften? Mede gelet op 5.40, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet.”\n\n6.1.. Op de zitting waren eisers en het college het er over eens dat het verzoek niet alleen is bedoeld als een verzoek om intrekking op grond van artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet, maar ook als een verzoek om wijziging van de voorschriften van de revisievergunning in die zin dat de asfaltactiviteiten daar geen deel meer van uit maken. Dit volgt volgens hen uit de bewoordingen van het verzoek en het besluit van het college waarin het verzoek om wijziging is afgewezen. Eisers en het college zijn het erover eens dat het wettelijk kader voor wijziging van deze vergunningvoorschriften volgt uit artikel 5.40, eerste lid, van de Omgevingswet.\n\n6.2.. De gemachtigde van het bedrijf heeft op de zitting gesteld dat het verzoek niet zag op wijziging van voorschriften 15.1 en 15.2. Het verzoek was namelijk alleen gericht op het verminderen van de milieuruimte van de vroegere asfaltactiviteiten en voorschriften 15.1 en 15.2 zien op veel meer activiteiten van het bedrijf dan de asfaltactiviteiten.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek terecht heeft opgevat als een verzoek om wijziging van de vergunningvoorschriften. Eisers hebben namelijk verzocht om “de gedeelde voorschriften tussen de beton- en asfaltcentrale aan te passen, zodat deze voorschriften de milieuruimte van de asfaltcentrale niet langer omvat.”Dat voorschriften 15.1 en 15.2 ook andere activiteiten omvatten doet daaraan niet af, omdat eisers hebben verzocht om aanpassing van de voorschriften voor zover deze de milieuruimte van de asfaltcentrale omvatten.\n\nVoorschrift 10.1: de capaciteit van de mobiele puinbreker\n\n7. Eisers stellen dat het college voorschrift 10.1 had moeten wijzigen in die zin dat de puinbreker geen puin meer mag breken voor asfaltactiviteiten. Het college had concreet de hoeveelheid puin van 112.000 ton per jaar uit voorschrift 10.1 moeten verminderen en moeten terugbrengen naar 62.500 ton puingranulaat per jaar. Uit de aanvraagvolgt namelijk dat de productiecapaciteit van de puinbreker is onderverdeeld in 50.000 ton breekasfalt en 62.500 ton puingranulaat per jaar. Nu de aanvraag volgens voorschrift 1.1 onderdeel uitmaakt van de revisievergunning en deze voor wat betreft de asfaltactiviteiten is ingetrokken, had het college ook de hoeveelheid puin in voorschrift 10.1 moeten verminderen, aldus eisers.\n\n7.1.. \n\nHet college heeft voorschrift 10.1 niet gewijzigd, omdat het enkele feit dat in de bijlage bij de aanvraag een onderverdeling is gemaakt tussen asfalt- en puingranulaat niet maakt dat deze onderverdeling niet zou kunnen verschuiven ten gunste van de inzet van granulaat ten behoeve van de betoncentrale, ook al omdat in de aanvraag is aangegeven dat het in de tabel gaat om globale hoeveelheden. De van de breekactiviteiten te verwachten milieueffecten zullen door die verschuiving ook niet toenemen, mits zij blijven binnen het vergunde volume van maximaal 112.000 ton per jaar.\n\nVolgens het college is voorschrift 10.1, gelet op het bepaalde in voorschrift 1.1 juist leidend, omdat 10.1 niet anders bepaalt dan de aanvraag.\n\n7.2.. \n\nIn voorschrift 10.1 staat:\n\n“Per jaar mag op de locatie \" [plaats 3] \" [naam bedrijf 1] B.V. (gelegen [locatie 2] te [plaats 3] ) en de onderhavige inrichting tezamen ten hoogste 112.000 ton van de steenachtige fractie van het bouw- en sloopafval worden gebroken.”\n\nIn voorschrift 1.1 staat:\n\n“De inrichting moet in overeenstemming zijn met de bij de vergunningaanvraag behorende gegevens en tekeningen, tenzij de aan de vergunning verbonden voorschriften anders bepalen. De aanvraag om vergunning en de daarin of daarbij verstrekte gegevens en de daarbij behorende tekeningen, worden geacht deel uit te maken van de vergunning.”\n\nIn de in het beroepschrift weergegeven tabel 5staat, voor zover relevant:\n\nTabel 5 (2e vervolg): Grond- en hulpstoffen, tussen- en eindproducten inrichting [plaats 1] van [naam bedrijf 1] B.V.\n\n7.3.. Op grond van artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.7.4.. De rechtbank is van oordeel dat het college in wat eisers naar voren hebben gebracht in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om vergunningvoorschrift 10.1 te wijzigen. De rechtbank acht daartoe het volgende van belang. Volgens eisers kan uit het aangehaalde deel van tabel 5 worden afgeleid dat de in voorschrift 10.1 vergunde maximale breekcapaciteit van 112.000 ton is onderverdeeld in 50.000 ton breekasfalt en 62.500 tonpuingranulaat. De beëindiging van de asfaltactiviteiten zou volgens hen dan ook tot gevolg moeten hebben dat de maximale capaciteit in voorschrift 10.1 moet worden teruggebracht tot alleen de 62.500 ton puingranulaat. De rechtbank stelt echter vast dat de koppeling die eisers leggen tussen tabel 5 en voorschrift 10.1 niet opgaat. Voorschrift 10.1 gaat namelijk over de invoer van het materiaal in de puinbreker, terwijl het door eisers bedoelde deel van tabel 5 gaat over de het eindproduct, de geproduceerde hoeveelheid. Met andere woorden: voorschrift 10.1 heeft betrekking op hetgeen ín de puinbreker gaat terwijl tabel 5 gaat over de verdeling van de eindproducten die daaruit komen. Dat betekent dat de vergunde capaciteit van 112.000 ton uit voorschrift 10.1 niet op basis van tabel 5 kan worden verdeeld in een deel dat ziet op de asfaltactiviteiten en een deel dat niet ziet op de asfaltactiviteiten. Alleen al hierom is wijziging van dit voorschrift om de reden die eisers noemen niet aan de orde en is de discussie tussen partijen over of het voorschrift of de aanvraag leidend in dit verband ook niet relevant. Verder kent voorschrift 10.1 geen beperking voor de invoer van materiaal per activiteit en heeft het college onderbouwd dat de van de breekactiviteiten te verwachten milieueffecten ook niet zullen toenemen mits zij binnen het in voorschrift 10.1 vergunde volume blijven. Eisers hebben daar niets tegenover gesteld.\n\nVoorschriften 15.1 en 15.2: geluidgrenswaarden\n\n8. Volgens eisers had het college de geluidgrenswaarden in voorschriften 15.1 en 15.2 moeten aanpassen nu de geluidruimte van de asfaltcentrale als dominante geluidbron is verdwenen. Eisers willen niet dat het bedrijf deze geluidruimte inzet voor andere activiteiten. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat deze geluidruimte mag blijven worden ingezet voor de nog werkende betoncentrale, dat de puinbreker daarin de overheersende bron zou zijn en de werking daarvan door aanpassing van de geluidgrenswaarden zou worden gefrustreerd. Eisers hebben hier een notitie van deskundige [naam deskundige] tegenover gesteld.Uit deze deskundigennotitie volgt dat de equivalente geluidgrenswaarden in voorschrift 15.1, zonder de geluidbronnen van de asfaltcentrale in de dagperiode 2 dB(A) en in de nachtperiode met 16 dB(A) hoger zijn dan nodig is.\n\n [naam deskundige] heeft daartoe de bijdragen van de geluidbronnen van de asfaltcentrale in mindering gebracht op de geluidimmissie bij de hoogst belaste woning aan [locatie 3] (de woning van eiser [eiser 1] ). [naam deskundige] concludeert dat de geluidbijdrage ten opzichte van vergunningvoorschrift 15.1 (gemiddeld LAeq 53, 27 en 44 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode), in de dag-, en nachtperiode 1,5 en 15,8 dB(A) lager zijn, namelijk 51,5 en 28,2 dB(A).Als de in voorschrift 15.1 vergunde waarden in stand blijven, zijn in de dag- en nachtperiode dus afgerond 2 en 16 dB(A) teveel vergund richting woningen en zonegrens van het gezoneerd industrieterrein, aldus eisers. Omdat de veranderingsvergunning is ingetrokken is hetgeen daarin is vergund niet meer van belang.8.1.. Het college heeft geweigerd om voorschriften 15.1 en 15.2 te wijzigen, omdat weliswaar de geluidemissies van de asfaltactiviteiten wegvallen, maar dit nog niet betekent dat de geluidvoorschriften moeten worden aangepast. Met de geldende geluidvoorschriften is namelijk op de meest belaste woning nog steeds sprake van een aanvaardbare situatie en is er geen aanleiding te veronderstellen dat de omgeving met de geldende vergunningvoorschriften naar objectieve maatstaven onvoldoende bescherming krijgt. Dit is ook bevestigd in de procedure die destijds bij de Afdeling is gevoerd over de vergunning, waarbij deze voorschriften overeind zijn gebleven en onherroepelijk zijn geworden.Verder acht het college het van belang dat het bedrijf de mogelijkheid heeft en houdt om haar ambities om circulair te werken door afvalstoffen opnieuw als secundaire grondstof in te zetten. Het college kiest daarom voor conservering van de huidige productieomvang met de daarbij geldende geluidgrenswaarden. Verder zou het aanpassen van de voorschriften mogelijk het in werking zijn van de puinbreker of andere activiteiten op de locatie belemmeren.\n\n8.2.. Voorschriften 15.1 en 15.2 luiden:\n\n8.3.. \n\nOp grond van artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning onder voorwaarden wijzigen in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.\n\nOp grond van artikel 8.97, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd. Op grond van artikel 8.9 van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit alleen verleend als er, onder andere, geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt.\n\n8.3.1.. Het college heeft beleidsruimte om een voorschrift al dan niet te wijzigen en beoordelingsruimte bij de vraag wat moet worden verstaan onder ‘significante milieuverontreiniging’.\n\nVoorschrift 15.1\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid voorschrift 15.1 niet heeft hoeven wijzigen. Weliswaar hebben eisers aan de hand van een deskundigenrapport onderbouwd dat de geluidbelasting als gevolg van het wegvallen van de asfaltactiviteiten in ieder geval in de avond- en nachtperiode minder wordt, maar dat betekent nog niet dat het college ook gehouden was om dit voorschrift te wijzigen. Het college heeft namelijk beleidsruimte om een voorschrift al dan niet te wijzigen met het oog op significante milieuverontreiniging. En met inachtneming van die beleidsruimte heeft het college onderbouwd dat ook bij het geldende, onherroepelijke, geluidvoorschrift sprake is van een (voor eisers) aanvaardbare situatie. Onder die omstandigheid heeft het college er in dit geval in redelijkheid voor kunnen kiezen het belang van het bedrijf tot conservering van de huidige geluidruimte zwaarder te laten wegen dan het belang van eisers bij een vermindering van de geluidsbelasting. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoorschrift 15.29.1.. Eisers hebben de afwijzing van de wijziging van voorschrift 15.2, over de maximale geluidniveaus, niet onderbouwd bestreden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzitter, en mr. M.J.M. Verhoeven en mr. M.A.A. Soppe, leden, in aanwezigheid van mr. K.M. van Leeuwen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De vergunning van 31 mei 1995 met kenmerk [kenmerk 1] .\n\n De vergunning van 12 december 2000 met kenmerk [kenmerk 2]\n\n Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Artikel 3.188, eerste lid, en artikel 3.115 onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).\n\n Artikel 3.285, eerste lid, onder a, van het Bal.\n\n Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Tabel 5 in bijlage 1 bij de aanvraag om de revisievergunning van 6 oktober 1993.\n\n Zoals hiervoor in 5.1 overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat van deze tabel moet worden uitgegaan.\n\n Deze 62.500 is in tabel 5 onderverdeeld in 3.000 ton naar de betonmortelcentrale en 59.500 ton naar derden per as.\n\n “Geluidsnormering vergunde activiteiten [naam bedrijf 1] zonder asfaltcentrale” van 4 april 2025 door [naam deskundige] van [naam bedrijf 2] .\n\n Omdat er in de aanvraag van 1994 geen asfaltactiviteiten in de avondperiode waren, treedt voor de avondperiode geen verandering op.\n\n Het college verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 14 april 1998, E03.95.1155.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4927","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.802Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":43,"courtId":90,"decisionDate":102,"fullText":108,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":50,"updatedAt":110},"987","ECLI:NL:RBDHA:2026:16974","ecli-nl-rbdha-2026-16974","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 26\u002F3963 en SGR 26\u002F4309\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaken tussen\n [verzoeker] VOF e.a., te [plaats] , verzoekers\n\n(gemachtigde: mr. P.J.L.J. Duijsens),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, het college\n\n(gemachtigde: mr. P.M.J. de Haan).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting [derde-partij], te [plaats] (vergunninghoudster).\n\n(gemachtigde: mr. drs. H.J.M. van Schie)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over (1) een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woon-zorg verblijf met 7 studio’s aan de [adres 1] en (2) een besluit waarbij ambtshalve maatwerkvoorschriften zijn opgesteld ten aanzien van de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de openlucht’. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.\n\nDe voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekers exploiteren aan de [adres 2] een tuinbouwbedrijf en een caravanstalling in de aanwezige kassen. Op 21 juli 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor genoemd bouwplan. De gronden waarop het bouwplan betrekking heeft grenzen aan de noordoost zijde aan de percelen van verzoekers.\n\nBij afzonderlijke besluiten van 6 mei 2026 heeft het college vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor zowel een technische bouwactiviteit als een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit voor het hiervoor genoemde bouwplan.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26\u002F3963).\n\nMet het besluit van 1 mei 2026 heeft het college op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ambtshalve maatwerkvoorschriften opgesteld ten aanzien van de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de openlucht’ voor de percelen gelegen ten noorden van [adres 1] . Verzoekers hebben hiertegen eveneens bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26\u002F4309).\n\nVerzoekers hebben tweemaal verzocht de bouw van de woon-zorgverblijven bij wijze van ordemaatregel stil te leggen. De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken afgewezen.\n\nHet college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers hebben nadere stukken overgelegd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door hun gemachtigde, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 6] .\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nZaak SGR 26\u002F4309\n\n3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college met het bestreden besluit van\n\n1 mei 2026 het volgende maatwerkvoorschrift heeft gesteld:\n\n“Binnen een afstand van 25 meter vanaf de zuidelijke perceelsgrens van de percelen aangeduid kadastraal als [kadastraal nummer 1] , [kadastraal nummer 2] , [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 4] , over een breedte van 50 meter gerekend vanaf de zuidwestelijke punt van perceel [kadastraal nummer 2] , mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast door middel van spuiten”.\n\nAangezien de in dit voorschrift genoemde percelen geen deel uitmaken van het bedrijf van verzoekers, geen eigendom zijn van verzoekers, niet worden geëxploiteerd door verzoekers, maar door een ander bedrijf en daarnaast het voorschrift geen toestemming en ook geen verplichting inhoudt voor verzoekers om een haag te plaatsen, heeft dit besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen rechtsgevolgen voor verzoekers. Verzoekers hebben er daarom geen belang bij om tegen dit besluit op te komen. De bezwaren van verzoekers tegen dit besluit zullen daarom naar verwachting niet-ontvankelijk worden verklaard. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.\n\nZaak SGR 26\u002F3963\n\nOmvang van het verzoek\n\n4. Blijkens het verzoekschrift richt het verzoek zich tegen de omgevingsvergunning voor de (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit en niet tegen de vergunning voor de technische bouwactiviteit. Aangezien geen verzoeksgronden zijn aangevoerd tegen de omgevingsvergunning die is verleend voor de technische bouwactiviteit, zal de voorzieningenrechter het verzoek, voor zover zich dat tegen dit besluit richt, afwijzen.\n\nSpoedeisend belang\n\n5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n6. Verzoekers vrezen dat door de korte afstand tussen hun bedrijf en de voorziene woon-zorgfunctie een reëel risico bestaat dat toekomstige bewoners hinder zullen ondervinden van de bedrijfsactiviteiten en als gevolg daarvan beperkingen voor de bedrijfsvoering. Gebleken is dat vergunninghoudster reeds is gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. Uit het overgelegde overzicht van de uit te voeren werkzaamheden van\n\n20 mei 2026 blijkt dat nog tot en met 15 oktober 2026 werkzaamheden plaatsvinden.\n\nDe eventuele nadelige gevolgen van de verleende omgevingsvergunning voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van verzoekers kunnen zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter pas voordoen na de ingebruikname van de woon-zorg verblijven. Op de zitting heeft vergunninghoudster verklaard dat hiervan pas eind december 2026 sprake zal zijn. Het college heeft in zijn e-mailbericht van 27 mei 2026 aangegeven dat de beslissing op bezwaar naar verwachting over 5 tot 6 maanden zal worden genomen. Op de zitting heeft het college bevestigd dat de beslissing op bezwaar vóór december 2026 wordt verwacht en aangegeven dat de hoorzitting in bezwaar naar verwachting op 24 juni 2026 zal worden gehouden. Dit betekent dat de beslissing op bezwaar naar alle waarschijnlijkheid zal zijn genomen voordat de woon-zorg verblijven in gebruik worden genomen. Daarnaast hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het stilleggen van de bouwactiviteiten, omdat die geen nadelige gevolgen hebben voor hun bedrijfsvoering.\n\nGelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat een voldoende spoedeisend belang ontbreekt.\n\nEvident onrechtmatig?\n\n7. Omdat voldoende spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoekers gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en\u002Fof het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.\n\n8. Over de stelling van verzoekers dat in dit geval een verplichte advisering door de gemeenteraad geldt stelt de voorzieningenrechter vast dat de gemeenteraad van Wassenaar een lijst van gevallen heeft opgesteld - Lijst verzwaard adviesrecht en verplichte participatie gemeente Wassenaar 2023 - waarin hij het recht heeft om advies te geven over de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zoals bedoeld in artikel 16.15a, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Het betreft onder meer (1) buitenplanse activiteiten, die strijdig zijn met beleidskaders, onafhankelijk van de omvang en impact van de activiteit (algemeen beginsel) en (2) een aantal specifieke categorieën, waaronder het bouwen van nieuw op te richten woonzorggebouwen of het uitbreiden van bestaande woonzorggebouwen, voor zover sprake is van een functieverandering naar deze maatschappelijke woonzorgfunctie, indien het bruto vloeroppervlak van 1.500 m2 wordt overschreden (categorie 5).\n\nNu verzoekers niet de categorie hebben genoemd op grond waarvan verplichte advisering door de raad is voorgeschreven, is het bestreden besluit naar voorlopig oordeel reeds hierom niet evident onrechtmatig. Voor zover verzoekers zich beroepen op categorie 5 van de lijst van gevallen is deze niet van toepassing, omdat de oppervlakte van het bouwplan minder dan 1500 m2 bedraagt.\n\n9. Ten aanzien van de stelling dat het college onvoldoende heeft onderzocht of als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van verzoekers een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd stelt de voorzieningenrechter voorop dat bij de boordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet alleen rekening moet worden gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden.\n\n10. Het college stelt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht dat in de Notitie gezondheidsrisico blootstelling aan Gewasbeschermingsmiddelen van Adromi Groep (Adromi) van 10 november 2025, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is uitgegaan van een maximale planologische invulling van de percelen van verzoekers. In paragraaf 2.4.3 en 7.2.2 van deze notitie wordt ingegaan op de huidige exploitatiewijze van het bedrijf van verzoekers en de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de nieuwe woon- zorgfunctie. In paragraaf 7.2.3. van deze notitie zijn maatregelen voorgesteld in de situatie waarin de gronden waarop zich nu kassen bevinden worden geëxploiteerd als boomgaard. Adromi heeft geadviseerd dat reeds in de huidige feitelijke situatie in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen het gebied langs de bebouwing, 3 meter in zuidelijke richting en circa 13 meter in oostelijke richting, wordt afgebakend middels een afrastering of vergelijkbare voorziening, waarin regulier menselijk verblijf is uitgesloten. Deze gronden mogen alleen betreden worden in het kader van onderhoud (tuin en gebouw). In de noordoostelijke hoek van de bebouwing mogen geen te openen delen of inlaat van balansventilatie worden gesitueerd.\n\nIn de toekomstige situatie dat de kassen op het naastgelegen perceel van verzoekers worden gesloopt en die gronden worden geëxploiteerd als boomgaard wordt geadviseerd om een meegroeiende windhaag van 3,5 m hoog te plaatsen over de gehele lengte van het perceel met een over lengte van 25 meter om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Overeenkomstig deze adviezen heeft het college in het bestreden besluit de door Adromi voorgestelde maatregelen als voorschrift 6 opgenomen. De stellingen van verzoekers dat Adromi uitgaat van een verkeerd beeld van de spuitfrequentie en spuittechnieken bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op hun percelen, volgt de voorzieningenrechter niet, gelet op de beschrijving van het maximaal teeltscenario op pagina 10 van de notitie van Adromi. Hiermee heeft het college naar voorlopig oordeel voldoende onderbouwd dat als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door verzoekers een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd in de woon-zorgverblijven en hun bedrijfsvoering niet onevenredig wordt belemmerd. Het bestreden besluit is dan ook niet evident onrechtmatig op basis van wat is aangevoerd ten aanzien van dit aspect.\n\n11. In de ruimtelijke motivering van BJZ.nu van december 2025, die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter evident onvoldoende rekening gehouden met de bedrijfsbelangen van verzoekers ten aanzien van de milieuaspecten geur en geluid. Verzoekers hebben gemotiveerd gesteld dat er in verband met de exploitatie van hun bedrijf wel degelijk geluid- en geuraspecten spelen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit, in navolging van de ruimtelijke motivering ten onrechte niet op deze milieuaspecten is ingegaan. Evenmin is in de ruimtelijke motivering uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden voor de percelen van verzoekers en de gevolgen daarvan voor de milieuaspecten geur en geluid. Daarmee heeft het college onvoldoende onderbouwd dat vanwege de milieuaspecten geur en geluid een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het bestreden besluit is naar voorlopig oordeel in zoverre dan ook evident onrechtmatig.\n\n12. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat dit gebrek hangende de bezwaarprocedure kan worden hersteld. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen, omdat de woon-zorgverblijven nog niet in gebruik zijn en naar alle waarschijnlijkheid voor die ingebruikname een besluit op bezwaar zal zijn genomen.\n\n13. In de overige gronden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de bestreden besluiten niet worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16974","2026-07-13T00:28:57.636Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":43,"courtId":90,"decisionDate":102,"fullText":115,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":50,"updatedAt":117},"823","ECLI:NL:RBDHA:2026:17353","ecli-nl-rbdha-2026-17353","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F5155\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., gevestigd te [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. A. Wever),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de provincie Zuid-Holland, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nOp 28 juli 2000 is aan de rechtsvoorganger van eiseres een revisievergunning verleend voor een inrichting aan de [adres] te [plaats]. Aan de revisievergunning zijn meerdere voorschriften verbonden.\n\nOp 26 juni 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor het aanpassen van het voorschrift met betrekking tot de maximale hoeveelheid te lozen sulfaat op het riool.\n\nVerweerder heeft met dagtekening 17 oktober 2024 aan eiseres een aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 16.800 (de aanslag).\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juli 2025 de aanslag gehandhaafd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nOp verzoek van de rechtbank heeft verweerder voor de zitting nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026.\n\nNamens eiseres zijn haar gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3], mr. [naam 4], ing. [naam 5] en [naam 6].\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiseres drijft een inrichting aan de [adres] te [plaats] (de inrichting) voor het opslaan, overslaan, sorteren, scheiden en breken van diverse soorten afval. De inrichting omvat een IPPC-installatie.\n\n2. De inrichting is vergund met de omgevingsvergunning van 28 juli 2000. Deze bepaalt, voor zover hier van belang:\n\n“Besluit\n\nGelet op het vorenstaande, hebben wij besloten aan [rechtsvoorganger van eiseres] te [plaats] vergunning te verlenen voor [de inrichting] bestemd voor:\n\nI. het op- en overslaan, alsmede sorteren\u002Fscheiden van:\n\n- ongesorteerd bouw- en sloopafval (BSA);\n\n- niet-specifiek ziekenhuisafval;\n\n- kantoor- winkel- en dienstenafval (KWD);\n\n- agrarisch afval;\n\n- grof huishoudelijk afval (GHA);\n\n- dakafval.\n\nII. het breken van ongesorteerd bouw- en sloopafval (BSA).\n\nIII. het uitsluitend op- en overslaan van:\n\n- veegvuil;\n\n- verontreinigde grond;\n\n- gecontamineerd bouw- en sloopafval.\n\nTevens wordt vergunning verleend voor de bovengrondse opslag (1.500 liter) van\n\ndieselolie met brandstofafgiftepomp.\n\n[…]\n\nHieraan verbinden wij de volgende voorschriften.\n\n[…]12.3. \n\nHet afvalwater waarin in enig steekmonster:\n\na. de concentratie aan sulfaat bepaald volgens NEN 6487 hoger is dan 300 mg\u002Fl;\n\nb. […]\n\nmag niet op het openbaar riool worden geloosd.”\n\n3. De inrichting voert afvalwater af via het gemeentelijk riool. Dit afvalwater is hemelwater dat verontreinigd raakt met sulfaat door uitlogen van op het terrein van de inrichting in de buitenlucht opgeslagen bouw- en sloopafval.\n\n4. Bij aanvraag van 26 juni 2024 heeft eiseres verzocht om verruiming van het hiervoor geciteerde voorschrift dat de concentratie aan sulfaat van het op het openbaar riool geloosde water niet hoger mag zijn dan 300 mg\u002Fl (het lozingsvoorschrift). De aanvraag is daarin toegelicht als volgt:\n\n “In opdracht van [eiseres] is in voorliggende notitie een nadere onderbouwing gegeven voor de aanvraag van een veranderingsvergunning voor het verruimen van het lozingsvoorschrift voor sulfaat in het naar de riolering af te voeren mogelijk door de bedrijfsvoering verontreinigd hemelwater. De vigerende lozingsvoorschriften van sulfaat zijn opgenomen in de vergunning d.d. 28 juli 2000 met kenmerk DWM\u002F2000\u002F8917 in voorschrift 12.3a en zijn 300 mg. […]\n\nHet is voor [eiseres] niet mogelijk om kosteneffectief te komen tot een sulfaatconcentratie van 300 mg\u002Fl in het mogelijk door de bedrijfsvoering verontreinigd hemelwater. […]\n\nVolgens resultaten uit het onderzoek naar aantasting van het buizenstelsel volgt dat er geen schade wordt toegebracht aan het rioolstelsel door lozing van hemelwater met een sulfaatconcentratie van maximaal 1.500 mg\u002Fl.\n\nOp basis van het gegeven dat er geen schade ontstaat aan het rioolstelsel bij de\n\naangevraagde lozingen van [eiseres], er wordt voldaan aan BBT en er geen algemene regels voor lozingen het riool zijn opgenomen in het Bal, verzoekt [eiseres] om voorschrift 12.3a uit de vigerende vergunning aan te passen zodat lozingen van afvalwater met een sulfaatconcentratie van maximaal 1.500 mg\u002Fl toegestaan worden.”\n\n5. Artikel 5 van de Legesverordening milieubelastende activiteiten Omgevingswet Zuid-Holland 2024bepaalt dat leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven die zijn opgenomen in de bij die verordening behorende tarieventabel (de tarieventabel). De tarieventabel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:\n\nParagraaf 3 Milieubelastende activiteiten\n\n[…]\n\nParagraaf 3.2 Complexe milieubelastende activiteiten\n\n[…]\n\n3.11 Afvalbeheer ippc-installaties (afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving)\n\nIndien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet, bestaande uit activiteiten in de categorie complexe bedrijven als bedoeld in paragraaf 3.3.10 van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leef- omgeving, bedraagt het tarief:\n\n[…]\n\n3.11.3\n\n1°. voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.5 van bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies:\n\n€ 28.000,00\n\n[…]\n\nParagraaf 3.9 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften bij milieubelastende activiteiten\n\n[…]\n\n3.23 Wijziging maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften\n\n3.23.1\n\nVoor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet:\n\n€ 2.240,00\n\n[…]\n\nParagraaf 3.13 Wijzigen omgevingsvergunning bij milieubelastende activiteiten\n\n3.27 Wijzigen omgevingsvergunning met de uitgebreide voorbereidingsprocedure bij complexe milieubelastende activiteiten\n\n3.27.1\n\nBij een aanvraag om wijziging van één vergunde complexe milieubelastende activiteit, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is 60% van het tarief verschuldigd, voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit, waarop de wijziging betrekking heeft.\n\n3.27.2\n\nBij een aanvraag om wijziging van meerdere vergunde complexe milieubelastende activiteiten, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, wordt het tarief berekend op basis van 3.25.1 en is 60% verschuldigd over de uitkomst daarvan.\n\n3.28 Wijzigen omgevingsvergunning met de reguliere voorbereidingsprocedure bij complexe milieubelastende activiteiten\n\n3.28.1\n\nBij een aanvraag om wijziging van één vergunde complexe milieubelastende activiteit, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de regulier voorbereidingsprocedure van toepassing is, is 30% van het tarief verschuldigd, voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit, waarop de wijziging betrekking heeft.\n\n3.28.2\n\nBij een aanvraag om wijziging van meerdere vergunde complexe milieubelastende activiteiten, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, wordt het tarief berekend op basis van 3.25.1 en is 30% verschuldigd over de uitkomst daarvan.\n\n3.29 Wijzigen omgevingsvergunning bij niet complexe milieubelastende activiteiten\n\n3.29.1\n\nBij een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning van een niet complexe milieubelastende activiteit gelden de tarieven, genoemd in paragraaf 3.1 en 3.3 tot en met 3.8 voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit of activiteiten waarop de aanvraag tot wijziging betrekking heeft.\n\n3.30 Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning\n\n3.30.1\n\nEen aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning, niet zijnde een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet:\n\n€ 2.240,00\n\n6. Verweerder heeft de aanvraag aangemerkt als betreffende een complexe milieubelastende activiteit en heeft bij het opleggen van de aanslag de artikelen 3.27.1 juncto 3.11.3.1 van de tarieventabel toegepast. Dat resulteert in een bedrag aan leges van (€ 28.000 x 60% =) € 16.800.\n\nGeschil\n\n7. In geschil is of de aanslag naar het juiste tarief is opgelegd en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.\n\n8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanslag te hoog is vastgesteld, omdat verweerder ten onrechte artikel 3.27.1 heeft toegepast. Volgens haar is ter zake van de aanvraag niet artikel 3.27.1, maar artikel 3.23.1 dan wel 3.30.1 van toepassing. Verder stelt eiseres dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Zij concludeert tot vermindering van de aanslag tot één naar het tarief van artikel 3.23.1 of 3.30.1, derhalve tot € 2.240.\n\n9. Het standpunt van verweerder is dat de artikelen 3.27.1 juncto 3.11.3.1 van toepassing zijn en bijgevolg de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens hem geen sprake.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n10. Vast staat, zoals door verweerder gesteld en door eiseres niet weersproken, dat het lozingsvoorschrift niet een maatwerk- of vergunningvoorschrift is als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van eiseres voor zover zij stelt dat op de aanvraag artikel 3.23.1 van de legesverordening van toepassing is.\n\n11. Daarmee staat ter beoordeling of in casu artikel 3.27.1 dan wel artikel 3.30.1 van toepassing is.\n\n12. Het standpunt van eiseres berust op een grammaticale interpretatie van deze bepalingen. Artikel 3.27.1 betreft de “aanvraag om wijziging van één vergunde complexe milieubelastende activiteit”, terwijl het in artikel 3.30.1 gaat om de “aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning”. De aanvraag ziet niet op wijziging van de vergunde activiteit (het op- en overslaan, sorteren en scheiden van ongesorteerd bouw- en sloopafval), maar op wijziging van het lozingsvoorschrift van 300 mg\u002Fl naar 1.500 mg\u002Fl, waarmee niet artikel 3.27.1 maar artikel 3.30.1 van toepassing is.\n\n13. Verweerder legt daarentegen artikel 3.27.1 zó uit, dat deze iedere aanvraag bestrijkt voor wijziging van een vergunning ter zake van complexe milieubelastende activiteiten, behoudens aanvragen die niet een inhoudelijke beoordeling vergen. Hij onderbouwt deze uitleg ermee dat een aanvraag zoals de onderhavige een complexe en tijdsintensieve toetsing vergt, alsmede met het onderscheid dat consequent in de tarieventabel wordt gemaakt tussen complexe en niet-complexe milieubelastende activiteiten. Hij beroept zich in dit verband op de regel ‘lex specialis derogat legi generali’.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat de artikelen 3.27.1 en 3.30.1 moeten worden uitgelegd zoals zij luiden. Zij overweegt daartoe als volgt.\n\nDe bewoording van de bepalingen is eenduidig. De daarin gebezigde termen ‘activiteit’ en ‘voorschrift’ komen in nagenoeg iedere omgevingsvergunning voor, in die zin dat daarin typisch activiteiten worden vergund onder het stellen van voorschriften (zoals ook in casu, zie onder 2 hiervoor). Dat maakt al op zichzelf een van de gangbare betekenis afwijkende inhoud van de begrippen onaannemelijk.\n\nVerweerder benadrukt het onderscheid tussen complexe en niet-complexe milieubelastende activiteiten. Voor de vraag of onder wijziging van een activiteit ook de wijziging van een voorschrift valt (anders dan een niet-inhoudelijke wijziging) doet dit onderscheid niet ter zake. Paragraaf 3.13 geeft namelijk ook, in artikel 3.29.1, het tarief voor de aanvraag van wijziging van een vergunde niet-complexe activiteit.\n\nGegeven de opbouw van paragraaf 3.13 is voorts niet inzichtelijk wat verweerder betoogt met zijn beroep op de regel dat de generalis wijkt voor de specialis. De redenering van verweerder volgend is namelijk ieder van de vijf artikelen 3.27.1 tot en met 3.29.1 een specialis en valt niet een algemene regel te onderkennen.\n\nVerder kan, anders dan verweerder ingang wil doen vinden, niet worden verondersteld dat Provinciale Staten bij het vaststellen van de tarieventabel voor ogen hebben gehad dat steeds als de aanvraag een inhoudelijke beoordeling vergt de tarieven van de artikelen 3.27.1 tot en met 3.29.1 van toepassing zijn en artikel 3.30.1 is gereserveerd voor aanvragen voor een niet-inhoudelijke wijziging. Daar spreekt onder andere tegen dat artikel 3.23.1 hetzelfde tarief kent als artikel 3.30.1, terwijl wijziging van een maatwerk- of vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet zoal niet doorgaans dan toch veelal een inhoudelijke beoordeling vergt.\n\nDe slotsom is dat de legesverordening met artikel 3.30.1 een tarief kent (te weten € 2.240) voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een vergunningsvoorschrift van een reeds verleende omgevingsvergunning, ongeacht of deze vergunning nu ziet op een complexe of op een niet-complexe milieubelastende activiteit.\n\n15. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk aan eiseres is en het beroep gegrond moet worden verklaard. Haar standpunt omtrent schending van het zorgvuldigheidsbeginsel behoeft daarmee geen behandeling.\n\nProceskosten\n\n16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de aanslag tot € 2.240;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.534;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. M.J. Pelinck en mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Provinciaal blad, nr. 14168.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17353","2026-07-13T00:28:49.818Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":122,"fullText":123,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":125,"parsedAt":50,"updatedAt":126},"1007","ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","ecli-nl-rbgel-2026-4890","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F1372 en 25\u002F1384uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n [eiseres] ,\n\nen\n\n [eiser] , beide wonend in [plaats 1] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. M.M. Mintjes).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. T. de Boer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning\n\nvoor het realiseren van 3 padelbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen naast de al aanwezige tennisbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Het college heeft deze omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOvergangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet\n\n3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).\n\nDe aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 22 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n4. De derde-partij is eigenaar van de gronden die horen bij sportpark [naam sportpark] . Het sportpark is gevestigd aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Op het sportpark ligt onder andere een tennispark. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen.De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”, omdat het bouwplan buiten het bouwvlak ligt. Dit is in strijd met artikel 1.2, eerste lid van de planvoorschriften. Het bouwplan past ook niet binnen de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, omdat de aangevraagde hekwerken en lichtmasten hoger zijn dan toegestaan. Om het bouwplan toch mogelijk te maken is afgeweken van het bestemmingsplan.\n\n4.1.. \n\nAan de aanvraag ligt de ruimtelijke onderbouwing “Padelbanen [locatie 2] en [locatie 1] ” van 6 juni 2024 ten grondslag.\n\nHet bouwplan valt ook onder het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”. In artikel 3.1 van dat bestemmingsplan is de verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen slechts wordt verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's. De derde-partij heeft een parkeeronderzoek overgelegd waaruit blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen zijn. Het college heeft het ruimtelijk aanvaardbaar geacht om op basis van de ruimtelijke onderbouwing de omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Het college heeft vervolgens de omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.4.2.. Eisers wonen allebei in de directe omgeving van het sportpark.\n\nParticipatie\n\n5. Eisers voeren aan dat omwonenden niet zijn betrokken bij de planvorming. Hierdoor zijn de belangen van de omwonenden volgens eisers onvoldoende meegewogen. Volgens eisers is geen sprake geweest van participatie. Dit terwijl dit wel was aangekondigd in de raadsbrief van 27 augustus 2024. Eisers geven aan dat in eerste instantie door de wethouder is verklaard dat voor de locatie [locatie 1] geen maatwerkvoorschriften nodig zouden zijn omdat de geluidsnormen niet worden overschreden. Uiteindelijk zijn er wel maatwerkvoorschriften vastgesteld. Omwonenden zijn daardoor verkeerd voorgelicht en op oneigenlijke wijze buitengesloten van tijdige inspraak en bezwaar, hetgeen hun recht op effectieve rechtsbescherming ernstig heeft aangetast. Volgens eisers heeft het college door omwonenden onvolledig en onjuist te informeren, niet alleen gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ook met het rechtszekerheidsbeginsel.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is participatie een verplichte stap. De aanvraag is echter ingediend voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Omgevingswet en de (wettelijk) verplichte participatie is dus niet van toepassing op deze aanvraag. Wel is het zo dat in 2019 de gemeenteraad het college heeft opgeroepen om inzicht te geven in de wijze waarop omwonenden zijn betrokken en over de planvorming zijn geïnformeerd. In dat verband heeft de tennisvereniging een verslag van de buurtparticipatie aangeleverd. Dat eisers vinden dat hun belangen onvoldoende zijn meewogen in het participatieproces, maakt niet dat de participatie tekortschoot. Het college heeft bij het verweerschrift stukken toegevoegd over de participatie. Er is een informatieavond geweest op 19 augustus 2024 en in de brief van 5 juli 2024 van de secretaris van de tennisvereniging [plaats 2] staat dat er regelmatig contact geweest is met onder andere Wijkplatform [wijkplatform 1] , [wijkplatform 2] en [wijkplatform 3] en bewoners die wonen aan de rand van sportpark [naam sportpark] . Hieruit volgt dat de omwonenden zijn meegenomen in de plannen.\n\n5.2.. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat er onduidelijkheid was over het genomen maatwerkbesluit stelt de rechtbank vast dat in eerste instantie is aangegeven dat er geen maatwerkbesluit nodig zou zijn. Bij de beoordeling van de aanvraag is later gebleken dat dit wel nodig is. Dit is niet per definitie onzorgvuldig maar kan ook een gevolg zijn van voortschrijdend inzicht. Daarnaast is gebleken dat eisers, maar ook andere mensen, tijdig een bezwaarschrift hebben ingediend tegen dat besluit zodat zij niet door de handelswijze van het college in hun belangen zijn geschaad. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.\n\nRuimtelijke onderbouwing\n\n6. Eisers voeren aan dat de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning onvoldoende is. Er wordt volgens eisers op veel aspecten waarop getoetst moet worden vrij summier gesteld dat aan de normen wordt voldaan. Eisers wijzen erop dat het gaat om de aantasting van hun woon- en leefklimaat. De argumenten die eisers daaraan ten grondslag leggen zijn gericht tegen de volgende onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing; geluid, lichthinder, provinciaal beleid en verkeer en parkeren\n\nGeluid6.1.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de geluidssituatie na realisatie van de padelbanen aanvaardbaar zal zijn en geen nadelige gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Volgens eisers heeft het college geen rekening gehouden met de belangen van de directe omwonenden en ook niet met de belangen van kwetsbare groepen, zoals onder meer de bewoners van de penitentiaire inrichting, de bewoners van de flat [naam flatgebouw] (bestaande uit ouderen en zorgbehoevenden), en de bewoners van de focuswoningen. Volgens eisers is in de huidige situatie ook al sprake van overschrijdingen van de geluidsnormen op de bestaande tennisbanen. Deze overschrijdingen zijn door het college bestempeld als een “onvoorziene situatie”. Voor de nieuwe situatie met de padelbanen staat vast dat, zonder aanvullende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm of beperking van de gebruikstijden, opnieuw niet zal worden voldaan aan de geluidsnormen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt een geluidscherm voorgesteld om de geluidsoverlast te beperken maar dit wordt niet uitgevoerd omdat dat in strijd is met het bestemmingsplan. Ook is indirecte hinder, zoals de toename van verkeersbewegingen en de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast, ten onrechte buiten beschouwing gelaten, terwijl deze hinder volgens eisers reëel en relevant is. Het college is bij de beoordeling ten onrechte uitgegaan van de aanduiding “gemengd gebied”. De aanwezigheid van enkele wegen rechtvaardigt niet de kwalificatie als gemengd gebied, zeker niet gezien de directe nabijheid van woonwijken, een verzorgingshuis en een\n\npenitentiaire inrichting. Eisers verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de publicatie “Handreiking Padel en Geluid”.\n\n6.1.1.. \n\nDe derde-partij heeft op 15 februari 2023 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend. Op 3 april 2024 heeft het college besloten maatwerkvoorschriften op te stellen voor het aspect geluid. Op 17 september 2024 is dit besluit gewijzigd omdat er een fout stond in het besluit van 3 april 2024. In het maatwerkvoorschrift geeft het college aan het redelijk te vinden om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan.\n\nHet maatwerkvoorschrift ziet niet op de woningen van eisers waardoor voor deze woningen de norm van 45 dB(A) blijft gelden. Het college heeft er dus voor gekozen om het op deze manier toe te staan en niet te kiezen voor een geluidswal of iets dergelijks. Daarmee wordt volgens het college voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Volgens het college wordt op deze manier voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.\n\n6.1.2.. Eisers hebben allebei een bezwaarschrift ingediend tegen het maatwerkbesluit. In de beslissing op bezwaar van 27 maart 2025 zijn hun bezwaren ongegrond verklaard. In de beslissing op bezwaar heeft het college naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften nader onderbouwd waarom voor een maatwerkvoorschrift van maximaal 49 dB(a) gekozen is en niet voor een geluidsabsorberend scherm in combinatie met de beperking van de openingstijden van de tennis-\u002Fpadelbanen.\n\n6.1.3.. \n\nTijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers desgevraagd bevestigd geen beroep te hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting aangegeven dat er ook door anderen geen beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat het maatwerkbesluit onherroepelijk is en hier in de voorliggende procedure van uit gegaan dient te worden.\n\nVoor zover eisers hebben aangevoerd dat het college bij de beoordeling niet heeft kunnen uitgaan van een gemengd gebied, mist dit betoog feitelijke grondslag. In de reactie op de zienswijzen staat namelijk dat het tennispark en haar omgeving overeenkomstig het gemeentelijke geluidbeleid is gelegen binnen het gebied \"Stadswijk\" en dat de algemene kwalificatie voor de geluidsambities in de stadswijk \"overwegend rustig\" (45 dB(A)) is. Volgens het akoestisch onderzoek, waarin de reactie op de zienswijzen naar wordt verwezen, wordt die norm gehaald ter plaatse van de woningen van eisers. Eisers hebben geen deskundig tegenrapport ingediend waaruit blijkt dat de geluidsbeoordeling niet juist is. Het enkele feit dat in de Handreiking Padel en Geluid wordt uitgegaan van een langere afstand tot omliggende woningen doet daar niet aan af. Met toepassing van het maatwerkvoorschrift is alleen voor enkele andere woningen dan de woningen van eisers redelijk geacht om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan. Daargelaten dat eisers zich bij de bestuursrechter niet met succes kunnen beroepen op normen die niet strekken ter bescherming van hun belangen, ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze afweging redelijkerwijs niet heeft kunnen maken. Het college heeft ook in het kader van het bestreden besluit de geluidsbelasting in beeld gebracht en geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichthinder6.2.. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van lichthinder. Hoewel gesteld wordt dat een onderzoek naar lichthinder is uitgevoerd, blijkt uit de bij de omgevingsvergunning gevoegde stukken niet op welke wijze dit onderzoek heeft plaatsgevonden, noch welke toetsingscriteria zijn gehanteerd. Evenmin wordt inzichtelijk gemaakt hoe is beoordeeld of, en in hoeverre, omwonenden hinder zullen ondervinden van de verlichting van de padelbanen. Gelet op het feit dat de padelbanen naar verwachting zullen worden voorzien van felle verlichting ten behoeve van gebruik dagelijks tot ongeveer 23:00 uur, is het volgens eisers aannemelijk dat sprake zal zijn van lichtoverlast en lichtvervuiling. De omgevingsvergunning maakt niet inzichtelijk welke onderzoeksresultaten zijn gehanteerd bij de beoordeling van deze lichthinder, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. Dit is volgens eisers in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n6.2.1.. \n\nDe beroepsgrond slaagt niet. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat geen normen voor het beoordelen van lichthinder. Er is alleen opgenomen wanneer de lampen moeten zijn uitgeschakeld. Dat is tussen 23.00 uur en 7.00 uur. Daarnaast moet de verlichting uitgeschakeld zijn als er geen sport wordt beoefend en als er geen onderhoud\n\nplaatsvindt. Het college heeft aansluiting gezocht bij de criteria van de commissie Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSW). Volgens de richtlijn Lichthinder uit 2021 ligt het sportpark in zone E3 stedelijk gebied. De grenswaarden op de gevel voor E3 is voor de verticale verlichtingssterkte (Ev)10 lux in de dag en avondperiode (7.00-23.00) en 2 lux in de nachtperiode. Uit het lichtonderzoek “Padelbanen TV [plaats 2] - lichthinderplan” van 13 februari 2023 volgt bovendien dat de verlichtingssterkte bij de woning 0,15 Lux is. Dat is veel lager dan de grenswaarde van 10 Lux. Verder is gekeken naar de verlichtingssterke van het armatuur. Ook die blijf ruim binnen de maximale grenswaarde.Eisers hebben geen tegenrapport in geding gebracht die de conclusie van het college bestrijdt. Op grond daarvan heeft het college kunnen aannemen dat er geen lichthinder zal optreden die maakt dat geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat.\n\nProvinciaal beleid6.3.. Eisers voeren aan dat de ontwikkeling niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie “Gaaf Gelderland” en de Omgevingsverordening Gelderland.\n\n6.3.1.. De beroepsgrond slaagt niet. In paragraaf 3.2 van de ruimtelijke onderbouwing is uitvoerig ingegaan op het van toepassing zijnde provinciale beleid en is tot de conclusie gekomen dat de padelbaan in overeenstemming is met het provinciale beleid. Daarbij is concluderend overwogen dat:\n\n“Met de realisatie van de padelbanen wordt een impuls gegeven aan het sportvoorzieningenniveau en het verenigingsleven in [plaats 3] en [plaats 2] . Doordat de padelbanen op bestaande sportparken worden gerealiseerd, vindt er geen nieuw ruimtebeslag plaats en kan er gebruik worden gemaakt van reeds aanwezige faciliteiten.\n\nDe initiatieven voorzien niet in de winning van fossiele energie en er is ook geen sprake van het toevoegen of onttrekken van warmte aan de bodem of het grondwater.\n\nIn het kader van klimaatadaptie wordt opgemerkt dat de bodem van de padelbanen bestaan uit een drainbeton fundering. Deze heeft goede waterdoorlatende eigenschappen waardoor wateroverlast wordt voorkomen. De aspecten waterveiligheid, droogte en hitte zijn gezien de aard en ligging van de initiatieven niet van toepassing.”\n\nDe enkele stelling van eisers dat de ruimtelijke onderbouwing in strijd is met het provinciale beleid is onvoldoende om aan deze conclusie te twijfelen.\n\nVerkeer en parkeren6.4.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de omgevingsvergunning niet zal leiden tot een substantiële toename van verkeers- en parkeerproblemen in de omgeving. Uit de eigen onderbouwing van het college blijkt dat de\n\nrealisatie van de padelbanen zal resulteren in circa 84 extra verkeersbewegingen per dag. Gelet op de al bestaande situatie, waarin sprake is van aanzienlijke overlast als gevolg van verkeersdrukte en de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein, is deze toename zorgwekkend. Daarnaast zal de toename van bezoekers onvermijdelijk leiden tot een verhoogde parkeerdruk in de omliggende woonwijken. De [locatie 1] en de aanliggende straten bieden slechts beperkte parkeergelegenheid. Door de extra bezoekers zullen automobilisten uitwijken naar woonstraten. Dit zal leiden tot parkeerproblemen, verkeersoverlast en een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Ten slotte ontbreekt in de ruimtelijke onderbouwing iedere bespreking van het gemeentelijke mobiliteitsbeleid, waaronder het Mobiliteitsplan [plaats 1] . In dit beleid wordt onder meer ingezet op een verlaging van de parkeernormen in de stad. Dit kan direct gevolgen hebben voor de beoordeling van de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen zoals de aanleg van de padelbanen.\n\n6.4.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft er terecht op gewezen dat het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” aan het hele sportpark al een sportbestemming toekent. De ruimtelijke effecten van het sportpark (waaronder verkeer\u002Fparkeren) zijn al beoordeeld toen dit bestemmingsplan werd voorbereid. Alle percelen met de bestemming “Sport” kunnen zonder aparte vergunning (dus zonder parkeeronderzoek) in gebruik worden genomen als sportveld, ook de stukken grond die nu nog niet als sportveld zijn ingericht, zoals de beoogde plek voor de padelbanen. De bestemmingsplanafwijking waar nu een vergunning voor wordt gevraagd (het toestaan van een grotere bouwhoogte) veroorzaakt op zichzelf dus geen grotere parkeerbehoefte of extra verkeersbewegingen dan waar in het bestemmingsplan al rekening mee is gehouden. Op pagina 40 van de ruimtelijke onderbouwing is uitgewerkt hoeveel parkeerplaatsen feitelijk meer zullen worden benut ten opzichte van de bestaande situatie. Dat zijn er 7,5, waarmee het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen voor het sportpark op 118,8 uitkomt. Er zijn op het parkeerterrein 213 parkeerplaatsen aanwezig. Dat betekent dat sprake is van een overschot van 94 parkeerplaatsen. Hieruit volgt dat de vrees van eisers dat in de omliggende straten geparkeerd zal worden ongegrond is. In de reactie op de zienswijze staat verder dat het Mobiliteitsplan ten tijde van de verlening van de vergunning in voorbereiding is en nog niet is vastgesteld. Eisers hebben in beroep niet gesteld dat dit onjuist is of toegelicht waarom de vergunning desondanks vanwege het (in voorbereiding zijnde) Mobiliteitsplan had moeten worden geweigerd. In de reactie op de zienswijzen staat verder dat de ontsluitingsweg [locatie 1] ook voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Eisers hebben hun standpunten dat dit toch ontoereikend is niet onderbouwd. Het feit dat eisers overlast ervaren als gevolg de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein maakt het voorgaande ten slotte niet anders. Eventuele bestaande overlast staat los staat van het bestreden besluit dat nu voorligt.\n\n7. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de beroepsgronden geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college de ruimtelijke onderbouwing niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag heeft kunnen leggen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Het gaat om de activiteiten: het (ver)bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk, (…)\n\nen het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…). Zoals opgenomen in artikel 2.1., eerste lid, onder a, b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).\n\n Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo.\n\n De besluitvorming is voorbereid met toepassing van de openbare uniforme voorbereidingsprocedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\n Gelet op artikel 4.8 van de Omgevingswet en artikel 22.45 van het Omgevingsplan van de gemeente Arnhem (geldend vanaf 31 januari 2024) stellen wij maatwerkvoorschriften op.\n\n Op grond van artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht.\n\n Die mag maximaal 10.000 Cd (Candela) zijn. Bij een verlichtingssterkte bij de woning van 0,15 Lux betekent dit een lichtsterkte (Cd) van de armatuur van ongeveer 0,15 *(afstand woning in het kwadraat) 95*95= 1353. 1353 is fors lager dan 10.000 Cd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.656Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":131,"fullText":132,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":50,"updatedAt":134},"469","ECLI:NL:RBNNE:2026:2489","ecli-nl-rbnne-2026-2489","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nlocatie Groningen\n\nzaaknummers: LEE 26\u002F1354 en 26\u002F1515\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n1. [Verzoeksters]uit [plaats] , verzoeksters 1,\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer),\n\n2. [verzoeker]uit [plaats] , verzoeker 2,\n\n (gemachtigde: mr. J.T. Fuller),\n\n hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters.\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe, het college,\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).\n\nAls derde-partijneemt aan het geding deel: [vergunninghoudster] gevestigd in [plaats] , vergunninghoudster,\n\n(gemachtigde: B.H. Woppereis).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel aan de [adres] (het perceel) in [plaats] . Verzoeksters hebben hiertegen beroep ingestelden de voorzieningenrechter gevraagd de verleende omgevingsvergunning te schorsen.\n\n1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeksters 1 zijn in persoon verschenen, vergezeld door [naam] (woordvoerder) en bijgestaan door hun gemachtigde. Verzoeker 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, M.J. Siersema (Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe), T. Kamphuis (casemanager ruimtelijke ordening) en F. Minkema (juridisch medewerker). Namens vergunninghoudster is verschenen [naam] , bijgestaan door de gemachtigde.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter beoordeelt de verzoeken aan de hand van de gronden die verzoeksters hebben aangevoerd. De verzoeken om voorlopige voorziening moeten worden afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n2.1. De wet- en regelgeving die belangrijk is voor de beoordeling van de verzoeken, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten\n\n3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n3.1. Vergunninghoudster is een (intensieve) pluimveehoudster. Zij is bezig met de omschakeling van het houden van ‘plofkippen’ naar het houden van beter leven-1 ster-kippen.\n\n3.2. Vergunninghoudster heeft op 20 maart 2023 een “aanmeldnotitie vormvrije M.E.R.-beoordeling” bij het college ingediend, die was opgesteld door Van Westreenen voor de wijziging van het bestaande agrarische bedrijf.\n\n3.3. Vergunninghoudster heeft op 22 maart 2023 een aanvraag om omgevings-vergunning bij het college ingediend, voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel.\n\nDe aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:\n\n- bouwen;\n\n- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening;\n\n- het veranderen of veranderen van de werking van de inrichting (revisie).\n\n3.4. Bij besluit van 1 juli 2024 heeft het college besloten dat voor de beoogde verandering van de inrichting van vergunninghoudster geen milieueffectrapport (MER) nodig is. Dit was een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 6:3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid366137044f51396edad15489f24c3f82) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n3.5. Het college heeft op 1 juli 2024 een ontwerpbesluit genomen om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft dit ontwerpbesluit inclusief de onderliggende stukken ter inzage gelegd in de periode van 5 juli 2024 tot en met\n\n16 augustus 2024. Daarbij heeft het college eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.\n\n3.6. Verzoeksters 1 hebben in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend dat was gericht tegen het ontwerpbesluit.\n\nOok verzoeker 2 heeft in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend, gericht tegen het ontwerpbesluit.\n\n3.7. Bij het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend.\n\nIs er sprake van een spoedeisend belang?\n\n4. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het spoedeisende belang aan de kant van verzoeksters aanwezig is, omdat vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij al is begonnen met de bouwwerkzaamheden.\n\nWelk recht is van toepassing?\n\n5. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat vergunninghoudster de aanvraag om omgevingsvergunning vóór die datum bij het college heeft ingediend, is de Wabo met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.\n\nBevoegdheid tot kortsluiten\n\n6. Gelet op de stukken en op wat er is besproken tijdens de zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de volledige beoordeling van de beroepszaak nader onderzoek nodig is. Er bestaat daarom geen aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.\n\n6.1. Dit betekent dat in dit geval alleen uitspraak zal worden gedaan op de verzoeken om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige beoordeling geven van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en zal dat betrekken bij het oordeel over de vraag of het verzoek, gelet op de betrokken belangen, kan worden toegewezen.\n\nHet geschil\n\n7. Tussen partijen is in geschil of het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.\n\nGoede procesorde\n\n8. Op de laatste werkdag vóór de zitting hebben verzoeksters 1 ruim 150 pagina’s aan producties overgelegd, waaronder een omvangrijke contra-expertise van Blauw luchthygiëne onderzoek en advies op het gebied van geur. Gelet op de omvang van deze producties en de dag waarop die zijn overgelegd, zal de voorzieningenrechter deze producties wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.Verzoeksters 1 hebben op de zitting de gelegenheid gekregen om hun standpunt over het bestreden besluit toe te lichten.\n\nKunnen verzoeksters zich beroepen op de regels voor natuurbescherming?\n\n9. Verzoekers betogen dat in dit geval een vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (college van GS) vereist is. Verzoekers voeren aan dat het college in de beoordeling ten onrechte rekening heeft gehouden met het feit dat er intern gesaldeerd wordt. In dit verband wijzen verzoekers erop dat intern salderen sinds de uitspraken van 18 december 2024van de Afdeling niet meer mogelijk is. Dit betekent volgens verzoekers dat vergunninghoudster mede een aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) had moeten indienen.Gelet daarop stellen verzoekers dat het college van GS een vvgb had moeten afgeven.Van een dergelijke vvgb is niet gebleken. Naar de mening van verzoekers heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning ten onrechte verleend.\n\n9.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen vanwege het zogenoemde ‘relativiteitsbeginsel’. De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet bedoeld is voor de bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\n9.2. In de Wnb staan bepalingen over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Die regels zijn bedoeld om de natuurwaarden in deze gebieden te beschermen. De belangen van verzoeksters hebben te maken met de gebruiksmogelijkheden van vergunninghoudster en de invloed hiervan op hun (nabijgelegen) percelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de regels van de Wnb niet zijn bedoeld om deze belangen van verzoeksters te beschermen. Het is ook niet zo dat de belangen van verzoeksters zijn verweven met het algemene natuurbelang van de Wnb. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” is daarvoor te ver van de percelen van verzoeksters (op ongeveer vier kilometer). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die afstand te groot om verwevenheid aan te nemen. Het relativiteitsbeginsel maakt dat dit argument van verzoeksters dus niet kan leiden tot schorsing of vernietiging van het bestreden besluit. Dit betekent dat de voorzieningenrechter deze door verzoeksters naar voren gebrachte grond niet inhoudelijk zal beoordelen.\n\nVerklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Midden-Drenthe\n\n10. Verzoekers betogen dat in dit geval (ook) ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de raad van de gemeente Midden-Drenthe (de raad) ontbreekt. Naar de mening van verzoekers is een vvgb van de raad vereist.Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning namelijk toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,ten derde, van de Wabo om af te wijken van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022” (het bestemmingsplan). Voor die gevallen bepaalt de wet dat er een vvgb van de raad vereist is, behalve in uitzonderingsgevallen die zijn aangewezen. Van zo’n uitzondering is in dit geval geen sprake. Toch ontbreekt de vvgb. Volgens verzoekers was het college daarom in dit geval niet bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen.\n\n10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wabo om binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Daarvoor gelden andere regels dan voor de categorie (ten derde) die hiervoor is genoemd. Dit betekent volgens het college dat een vvgb van de raad niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoeft te worden opgesteld.\n\n10.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt deze grond niet. Het college was in dit geval bevoegd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Hierbij stelt de voorzieningenrechter vast dat het college in dit geval de gevraagde omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerstevan de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, vierde lid onder b en c, van de planregels van het bestemmingsplan. Dit betreft een binnenplanse afwijkmogelijkheid. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat een vvgb van de raad in dit geval niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoefde te worden opgesteld. Weliswaar heeft het college in het bestreden besluit ten onrechte als juridische grondslag artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,ten derde, van de Wabo vermeld, maar uit het ontwerpbesluit en de zienswijzennota blijkt dat bedoeld werd om binnenplans af te wijken. Hieruit moet worden afgeleid dat sprake is van een (slordige) verschrijving van het college voor wat betreft de grondslag. Dat is op zichzelf echter onvoldoende reden om het besluit te schorsen.\n\nMocht het college gebruik maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?\n\n11. Verzoekers betogen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat in dit geval gebruik kan worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.Verzoekers voeren aan dat niet wordt voldaan aan de criteria voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Daarbij gaat het volgens verzoekers vooral om het criterium dat moet zijn aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Verzoekers vrezen voor een onaanvaardbare toename van geluidhinder als gevolg van de vergunde activiteiten. Zij wijzen erop dat het onzeker is of bij de berekeningen van de geluidbelasting de juiste uitgangspunten zijn gehanteerd. Bovendien is berekende toename van geluidbelasting op de woning van verzoeksters 1 niet acceptabel. Verder vrezen verzoekers voor een onaanvaardbare toename van geurhinder en van de emissies van fijnstof als gevolg van de vergunde activiteiten. Gelet daarop kan het bouwplan naar de mening van verzoekers niet in overeenstemming worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Volgens verzoekers is er sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginselen het motiveringsbeginsel.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan een intensieve veehouderij op het perceel toelaat. Het college voert aan dat er sprake is van het afwijken van het bestemmingsplan voor wat betreft de bouwregels. Verder zijn de geluidsvoorschriften in de nieuwe vergunning volgens het college aangescherpt ten opzichte van de vergunning van 2016, op grond van de resultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Uit het geluidsrapport blijkt volgens het college het geluid op de woning van verzoeksters 1 tijdens de incidentele bedrijfssituatie in de dagperiode met 1 dB toeneemt. Dat is naar de mening van het college geen reden om de omgevingsvergunning te weigeren. Daarnaast voert het college aan dat uit de uitgevoerde geurberekening blijkt dat wordt voldaan aan de norm van 14 Ou\u002Fm3, die geldt voor geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied.\n\n11.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet op voorhand aannemelijk dat deze beroepsgrond zal slagen. De voorzieningenrechter licht dit hieronder toe.\n\n11.3. Het bestemmingsplan laat op het perceel een intensieve veehouderij toe, zoals de beoogde uitbreiding van de pluimveehouderij. De ruimtelijke belangen die betrokken zijn bij een intensieve veehouderij op deze locatie zijn daarom in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan al afgewogen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de afwijking van het bestemmingsplan alleen te maken heeft met de bouwregels over het bebouwingsoppervlak en de situering. Verzoekers maken zich zorgen over een verslechtering van de milieu- en woonsituatie door een toename van de emissies van geur, geluid en fijnstof en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s. Maar zo’n toename had ook veroorzaakt kunnen worden door een uitbreiding van de inrichting die wel in overeenstemming zou zijn met deze bouwregels (en dus niet in strijd met het bestemmingsplan).\n\n11.4. Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoeksters 1, alleen doordat het geluid op hun woning met 1 dB toeneemt tijdens de incidentele bedrijfssituatie. Verzoekers hebben niet betwist dat ook met die toename nog voldaan wordt aan de richtwaarden op grond van de Handreiking industrielawaai vergunningverlening (Handreiking). Zij hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat er voor het maximale geluidsniveau (LAmax) sprake is van een overschrijding van de richtwaarde op grond van de Handreiking. Zij hebben alleen gesteld dat er sprake is van een overschrijding van de streefwaarde voor het maximale geluidsniveau. Dat is nog geen overschrijding van derichtwaarde.\n\n11.5. Verder is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er vanwege de gestelde geurhinder sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoekers. Het college heeft daarbij verwezen naar een uitgevoerde geurberekening. Onder deze omstandigheden heeft het college in de door verzoekers gestelde hinder en gezondheidsrisico’s in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te weigeren. Er is door verzoekers ook onvoldoende onderbouwd dat gezondheidsrisico’s het college aanleiding hadden moeten geven om advies van de GGD in te winnen voor de vergunningverlening. Ook is niet voldoende concreet gemaakt dat eerdere GGD-advisering met betrekking tot het hanteren van het voorzorgbeginsel en de intensieve veehouderij voor het college aanleiding hadden moeten zijn om deze vergunning te weigeren. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nMilieu-aspecten (geluid en geur)\n\n12. Verzoeksters 1 twijfelen aan de berekeningen van geluid en geur waar het college vanuit is gegaan in de besluitvorming. Specifiek betwisten zij de gehanteerde uitgangswaarde van de uittreesnelheid vanwege:\n\n- de benodigde ventilatiecapaciteit;\n\n- de diameter van de uitstroomopening;\n\n- de warmtewisselaar;\n\n- het aantal warmtewisselaars per stal;\n\n- het aantal ventilatoren warmtewisselaar(s);\n\n- het in werking zijn van de warmtewisselaar(s);\n\n- de capaciteit van de ventilatoren;\n\n- de capaciteit van de ventilatoren van de warmtewisselaar;\n\n- de eisen aan cascade gestuurde ventilatie;\n\n- het ten onrechte uitgaan van cascade-gestuurde ventilatie.\n\nGelet daarop zijn verzoeksters onder 1 van mening dat het college de in opdracht van vergunninghoudster opgestelde deskundigenrapporten met betrekking tot geluid en geur niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.\n\n12.1. Deze voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor de behandeling van complexe technisch-juridische vragen. De vragen die verzoeksters 1 opwerpen over de werking van de ventilatoren en eigenschappen van de ventilatoren en de warmtewisselaar (capaciteit, diameter uitstroomopening en cascade-gestuurd) zijn voorbeelden van zulke complexe technisch juridische vragen. De beantwoording van die vragen vergt mogelijk nader onderzoek door middel van het inwinnen van advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) dat in de bodemprocedure moet plaatsvinden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter hierover geen voorlopig oordeel kan geven en zich zal beperken tot een belangenafweging.\n\n12.2. Na afweging van de betrokken belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrees voor geur- en geluidsoverlast die verzoeksters naar voren hebben gebrachte weliswaar reëel is, maar dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het bestreden besluit zal leiden tot een verslechtering van de woon- en leefsituatie van verzoeksters. Vooral ook omdat op grond van de bestaande omgevingsvergunning ook ’s nachts activiteiten zijn toegestaan (het verladen van de vleeskuikens). Daar komt bij dat de voorzieningenrechter de toelichting met betrekking tot geur, fijnstof en endotoxinen die de gemachtigde Siersema tijdens de zitting heeft gegeven plausibel acht. De voorzieningenrechter concludeert dat het niet op voorhand zeker is dat de vergunde pluimveehouderij, waarvoor in 2023 uitbreiding is aangevraagd, niet ruimtelijk en milieutechnisch kan worden ingepast, ondanks de bezwaren van verzoeksters. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de gevraagde uitbreiding ziet op het bouwen van een pluimveestal en het plaatsen van overdekte uitlopen aan de bestaande stallen, maar dat het aantal te houden dieren met 33.500 afneemt. Dat zal een positieve invloed hebben op de uitstoot van geur, fijnstof en endotoxinen. Vergunninghoudster heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat schorsing van de verleende omgevingsvergunning de verandering van de bedrijfsvoering verhindert en een drastische reductie van het inkomen (tot 50%) met zich brengt, zodat zij dan zal moeten terugvallen op de activiteiten die zij verricht op grond van de oude vergunning. Dat houdt in: het houden van 33.500 meer (plof)kippen, inclusief nachtelijke activiteiten.\n\n12.3. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de zorgen van verzoekers over hun woon- en leefklimaat. Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeksters bij schorsing minder zwaar wegen dan de overige belangen. De voorzieningenrechter is er niet op voorhand van overtuigd (geraakt) dat de uitkomst van de beroepsprocedure ertoe zal leiden dat de gevraagde omgevingsvergunning moet worden geweigerd door het college. Met de uitkomst van de beroepsprocedure zal meer duidelijkheid komen over de ruimtelijke en milieutechnische inpassing van de activiteiten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er, na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen of een maatregel op te leggen. De verzoeken daartoe worden afgewezen. Omdat de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de verzochte en verstrekkende last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden. Het verzoek daartoe van verzoeker 2 wordt afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;\n\n- wijst het verzoek van verzoeker onder 2 om een last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden, af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\ngriffier voorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden op:Rechtsmiddel\n\nUitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 8:81\n\n1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n(…).\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\n(…)\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).\n\n(…)\n\ne. 1. het oprichten,\n\n2. het veranderen of veranderen van de werking of\n\n3. het in werking hebben\n\nvan een inrichting of mijnbouwwerk.\n\n(…)\n\ni. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.\n\n(…)\n\nArtikel 2.10\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:\n\n(…)\n\nc. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…);\n\nd. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid19d9f7d1dcae1b42bc994c4e76c6729c), van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.\n\n2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.\n\nArtikel 2.12\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:\n\na. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:\n\n1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,\n\n2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of\n\n3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. (…)\n\nArtikel 2.14\n\nVoor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:\n\na. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:\n\n1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;\n\n2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;\n\n(…)\n\nb. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:\n\n1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;\n\n2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;\n\n3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;\n\nc. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:\n\n1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;\n\n2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.\n\n(…)\n\n3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.\n\n4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.\n\n(…)\n\n7. Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.\n\nBesluit omgevingsrecht\n\nArtikel 2.2aa Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving\n\nAls categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:\n\na. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0015158&artikel=9&g=2023-07-01&z=2026-02-12) of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0006147&artikel=13&g=2023-07-01&z=2026-02-12), voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend.\n\n(…).\n\nArtikel 6.10a Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten\n\n1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.\n\n(…).\n\n4. Een verklaring kan slechts worden gegeven:\n\na. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.aa, onderdeel a: op de gronden, die zijn aangegeven in artikel 2.8 en artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, vierde lid, van die wet en artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming.\n\n(…).\n\nWet geurhinder en veehouderij\n\nArtikel 1\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\nconcentratiegebied:concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=I&g=2023-05-21&z=2026-05-21), of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied.\n\n(…).\n\nArtikel 2\n\n1. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9 (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0020396\u002F2013-01-01\u002F0?g=2023-05-21&z=2026-05-21).\n\n(…).\n\nArtikel 3\n\n1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:\n\na. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nb. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nc. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nd. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.\n\n(…).\n\n4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.\n\nArtikel 6\n\n1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0020396\u002F2013-01-01\u002F0?g=2023-05-21&z=2026-05-21), met dien verstande dat deze andere waarde:\n\na. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nb. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nc. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nd. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.\n\n(…).\n\nVerordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024\n\nArtikel 3.5 Andere waarden voor de geurbelasting\n\n1. Bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij neemt het bevoegd gezag de in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan bepaalde geurnormen en minimale vaste afstanden in acht.\n\n(…).\n\n3. In afwijking van het eerste lid is voor het gebied van de gemeente liggende buiten de op de bij deze verordening behorende kaarten aangewezen gebieden de geurnorm\n\n14 Odourunits\u002Fm3 lucht.\n\nBestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”\n\nAan het perceel zijn de bestemmingen “Waarde – Archeologie 2” en “Agrarisch met waarden-1” toegekend, alsmede de functieaanduiding “intensieve veehouderij”.\n\nArtikel 4 Agrarisch met waarden-1\n\nArtikel 4.1 Bestemmingsomschrijving\n\nDe voor “Agrarisch met waarden – 1” aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\n(…).\n\nc. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’;\n\n(…).\n\nArtikel 4.2 Bouwregels\n\na. Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:\n\n1. er zullen uitsluitend gebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van agrarische bedrijven met bijbehorende functies worden gebouwd;\n\n(…);\n\n4a. de gebouwen zullen uitsluitend binnen een aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak worden gebouwd gerekend vanuit de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf', 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak', waarbij de diepte van de vierhoek (ongeveer haaks op de naar de weg gerichte gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) altijd langer is dan de breedte (ongeveer evenwijdig aan de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) van de vierhoek. In afwijking hiervan zijn in bestaande situaties waarin de bebouwing niet binnen een vierhoek, dan wel bouwvlak is gesitueerd ook andere vormen toegestaan;\n\n4b. in uitzondering op het gestelde onder a, mogen tevens gebouwen worden gebouwd overeenkomstig de bestaande situatie, dan wel binnen een bouwvlak, zoals ter plaatse is aangeduid;\n\n5. de diepte van een aaneengesloten vierhoek zal ten hoogste 200 m bedragen, gerekend vanaf de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning. Indien geen bedrijfswoning aanwezig is, zal de diepte worden gerekend vanaf de naar de weg gekeerde perceelgrens. De grootste afstand in de breedte van een vierhoek zal ten hoogste 125 m bedragen, zodanig dat er wordt gebouwd binnen een denkbeeldige vierhoek;\n\n(…);\n\n16. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak’ worden bedrijfsgebouwen in ten hoogste één bouwlaag gebouwd.\n\n(…).\n\nArtikel 4.4 Afwijken van de bouwregels\n\nBij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels worden de algemene toetsingscriteria afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden als genoemd in artikel 48.2 gehanteerd.\n\nOnderstaande bevoegdheden kunnen ook nog worden toegepast na gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid onder b.\n\nBij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:\n\n(…);\n\nb. lid 4.2 sub a onder 4 en 5:\n\nen worden toegestaan dat de aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak wordt vergroot, mits:\n\n1. de oppervlakte van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 2 ha;\n\n2. deze afwijking niet wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1 ha';\n\n3. met de vormgeving van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de landschappelijke karakteristiek en\u002Fof de landschappelijke structuur;\n\n4. het verzoek om verlening van de omgevingsvergunning gepaard gaat met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing ter versterking van het landschappelijk karakter; er wordt uitsluitend over gegaan tot verlening van de omgevingsvergunning als er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing en de uitvoering van het plan voor landschappelijke inpassing is gegarandeerd;\n\n5. er zicht is op een langdurige vergroting van de productieomvang als gevolg van schaalvergroting of extensivering\u002Fverbreding van de bedrijfsactiviteiten en de noodzakelijkheid van de bedrijfsuitbreiding is aangetoond;\n\n6. is aangetoond dat binnen de bestaande aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding;\n\n7. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;\n\n(…).\n\n De beroepen zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 25\u002F2603 en 25\u002F2639.\n\n De verzoeken om voorlopige voorziening zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 26\u002F1354 en 26\u002F1515.\n\n Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\nToepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dus niet aan de orde.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van\n\n16 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:263, rechtsoverweging 5.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Op grond van artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang gelezen met artikel 6.10a van het Bor.\n\nDat volgt uit artikel 8:69a van de Awb.\n\nVergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706 en van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2627.\n\n Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n Om af te wijken zoals beschreven in artikel 4, vierde lid, van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”.\n\n Als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.\n\n Deze norm is ten aanzien van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied opgenomen in artikel 3:5, derde lid, van de Verordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024 (de Verordening).\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:617, r.o. 9.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2489","2026-07-13T00:28:31.997Z",{"id":136,"ecli":137,"slug":138,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":139,"fullText":140,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":141,"sourceTimestamp":142,"parsedAt":50,"updatedAt":143},"1061","ECLI:NL:RBGEL:2026:4765","ecli-nl-rbgel-2026-4765","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 23\u002F3607, ARN 23\u002F3543 en 23\u002F4010\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\n [eiseres 1], uit [plaats], eiseres 1\n\n(gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw),\n\n [eiser (als onderdeel van eisers 2)] en [eiseres (als onderdeel van eisers 2)], uit [plaats], samen: eisers 2\n\n(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),\n\n [villapark (eisers 3)], uit [plaats],\n\n [recreatiepark (eisers 3)], uit [plaats]\n\n [resort (eisers 3)], uit [plaats], samen: eisers 3\n\n(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en J.P.H. de Bruijn),\n\nallen gezamenlijk eisers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal\n\n(gemachtigde: mr. M.L. van Kalsbeek).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaak deel:\n\n [derde-partij]\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]); en\n\nde Staat der Nederlanden(de minister van Veiligheid en Justitie).\n\nSamenvatting\n\n1. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. De beroepen van eisers zijn gegrond omdat er een motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar zit. Toch maakt dit de uitkomst niet anders, omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 in stand laat. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.Procesverloop\n\n2. Het college heeft op 26 september 2022 een omgevingsvergunning verleend aan de derde-partij voor het realiseren van twee padelbanen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Met de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.\n\n2.1.. Eisers hebben (afzonderlijk) beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een (gezamenlijk) verweerschrift. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2025.\n\n2.2.. In de tussenuitspraak van 27 november 2025 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.\n\n2.3.. Het college heeft op 3 februari 2026, op basis van een deskundigennotitie van Peutz van 23 januari 2026 (hierna: de aanvullende notitie van Peutz), een aanvullende motivering van het bestreden besluit ingediend.\n\n2.4.. Eiseres 1 en eisers 3 hebben hierop op 20 februari 2026 respectievelijk 11 maart 2026 schriftelijk gereageerd (hierna: de zienswijzen). Eisers 2 hebben niet gereageerd.\n\n2.5.. De rechtbank heeft het college vervolgens nog gelegenheid geboden om te reageren op de zienswijze van eisers 3. Het college heeft daarvan gebruik gemaakt; zijn reactie is op 8 april 2026 bij de rechtbank binnengekomen. Voor eisers 3 was dit aanleiding om op 4 mei 2026 nog een aanvullende reactie naar de rechtbank te sturen.\n\n2.6.. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.\n\n2.7.. De tennisvereniging heeft geklaagd over de duur van de procedure.\n\nOverwegingen\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.\n\nWelk gebrek heeft de rechtbank geconstateerd?\n\n3.1.. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover hier van belang, overwogen dat de padelkooi (uitsluitend) aan de kopse kanten, de bouwvoorschriften met één meter overschrijdt. Door de plaatsing van een balustrade krijgt de padelkooi daar namelijk een hoogte van vier meter. Het college heeft de extra geluidbelasting als gevolg van de balustrade ten onrechte niet meegenomen in de ruimtelijke afweging en heeft onvoldoende gemotiveerd dat het toestaan van een hogere bouwhoogte (vanwege de balustrade) uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen heeft. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om te motiveren waarom een toename van de geluidsbelasting ten gevolge van de balustrade niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is daarom gegrond en het besluit moet daarom in zoverre worden vernietigd.\n\n3.2.. Het college is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen door te motiveren wat de gevolgen van de balustrade zijn voor de geluidbelasting op de omgeving. Het college heeft met de brief van 3 februari 2026 van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank moet daarom nu alleen nog beoordelen of het gebrek met de brief is hersteld en of door de aanvullende motivering de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank doet dat aan de hand van de zienswijzen van eisers. In die zienswijzen voeren eisers, samengevat, de volgende twee punten aan: (1) de toegepaste voorbereidingsprocedure; en (2) de kwaliteit van het aanvullende onderzoek.\n\nIs er aanleiding om terug te komen op de in de tussenuitspraak gegeven oordelen?\n\n4. Eisers 3 kunnen zich niet vinden in de in de tussenuitspraak van 27 november 2025 gegeven oordelen over de strijdigheden met het bestemmingsplan en de reikwijdte van de te maken afweging. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 mei 2025betogen eisers 3 dat de vergunning niet met toepassing van de kruimelgevallenregeling,en daarmee de reguliere voorbereidingsprocedure, vergund had kunnen worden. Volgens eiser is de zaak die voorligt namelijk vergelijkbaar met de zaak waarin de Afdeling die uitspraak heeft gedaan. Daar ging het namelijk (ook) om een verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van padelbanen, waarbij de glazen wanden van 4 meter hoog niet in overeenstemming waren met de planregels én er een aanlegvergunning nodig was voor het aanbrengen van de verhardingen voor de padelbanen. Eisers 3 stellen dat de situatie dat de Afdeling na de zitting in een vergelijkbare zaak een andersluidende uitspraak heeft gedaan, zo uitzonderlijk is dat kan en moet worden teruggekomen van de in de tussenuitspraak gegeven oordelen. Eisers betogen daarom dat het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, in tegenstelling tot wat de rechtbank daarover in rechtsoverweging 9 van de tussenuitspraak heeft gezegd, over meer dient te gaan dan de eventuele geluidsbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college in deze.\n\n4.1.. Het college stelt zich primair op het standpunt dat in deze zaak artikel 4, onderdeel 3, van bijlage II van het Bor en daarmee ook de reguliere voorbereidingsprocedure terecht is toegepast. Daarnaast voert het college aan dat van een uitzonderlijke situatie geen sprake is, omdat de Afdelingsuitspraak van eerdere datum is dan de tussenuitspraak en verondersteld mag worden dat de oordelen in de tussenuitspraak zijn gegeven naar de stand van de rechtspraak op dat moment. Inhoudelijk gezien brengt het college nog naar voren dat de Afdelingsuitspraak niet toepasbaar is in de voorliggende zaak.\n\n4.2.. Volgens vaste rechtspraak mag de rechtbank slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel.Daarvan is in dit geval geen sprake.\n\n4.3.. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het geding zoals dat na die tussenuitspraak kan worden gevoerd in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in die tussenuitspraak. Daarbij heeft de rechtbank aangekondigd dat zij het in beginsel in strijd met de goede procesorde acht als na de tussenuitspraak nieuwe geschilpunten worden ingebracht. Specifiek voor deze zaak heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat het geschil dus alleen nog gaat over de eventuele geluidsbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college op dit punt, omdat op alle andere onderwerpen in de tussenuitspraak al is ingegaan.\n\n4.4.. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van dit in de tussenuitspraak geformuleerde uitgangspunt. Daarvoor is van belang dat de Afdelingsuitspraak waar eisers 3 naar verwijzen weliswaar dateert van ná de zitting in de voorliggende zaak, maar dat de tussenuitspraak van weer latere datum is. Dat betekent dat de Afdelingsuitspraak is meegenomen in de oordeelsvorming van de rechtbank, omdat als uitgangspunt geldt dat de rechtbank uitspraak doet naar de stand van de rechtspraak op het moment van de (tussen)uitspraak. Overigens hadden eisers 3 naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak om heropening van het onderzoek kunnen verzoeken,vóórdat de rechtbank uitspraak zou doen. Zij hebben daarvan afgezien, ondanks dat daar ruimschoots tijd voor was.\n\n4.5.. Ook in de beroepsgrond die eisers 3 aanvoeren en die gaat over de onterechte toepassing van de kruimelgevallenregeling en de reguliere voorbereidingsprocedure, ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op de tussenuitspraak. Deze beroepsgrond is namelijk niet nieuw en in wezen al beoordeeld in de tussenuitspraak van 27 november 2025. Omdat de rechtbank in de tussenuitspraak tot het oordeel is gekomen dat padel op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, is zij niet toegekomen aan het betoog van eisers 3 dat vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan het gebruik van de gronden voor padel met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure had moeten worden vergund.Ook ambtshalve heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure heeft toegepast.\n\nHeeft het college het gebrek hersteld?\n\n5. Eiseres 1 betoogt dat het college het gebrek niet heeft hersteld en dat de aanvullende notitie van Peutz de conclusie van het college dat de geluidsbijdrage van de balustrade op de totale geluidsemissie van de padelbanen akoestisch verwaarloosbaar is, niet kan dragen. Daartoe voert eiseres 1 aan dat:\n\nde frequentie van het contact van de bal met de balustrade is onderschat, omdat geen rekening is gehouden met het gebrek aan balcontrole van recreanten en incidentele padelspelers;\n\nde focus op het geluidniveau van het balcontact met de balustrade te beperkt is, omdat juist de tonaliteit en het impulsieve karakter van het geluid binnen de context van een camping (waarin enkel een tentdoek als scheidingswand met de omgeving dient) belastend is;\n\nde balustrade een hogere spelintensiteit faciliteert; en\n\ndat de gegevens waarmee het college de stellingen vergelijkt, dateren uit 2019 en daarmee verouderd zijn.\n\n5.1.. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.\n\n5.2.. \n\nIn de aanvullende notitie concludeert adviesbureau Peutz “dat het aantal keer dat de bal de balustrade raakt (gecombineerd - zowel rechtstreeks als via de grond) minder dan 1% van het aantal slagen tijdens het padellen bedraagt. De geluidemissie die hierdoor wordt veroorzaakt, is bovendien lager dan de geluidemissie van het gemiddelde padelspel (alle slagen gecombineerd). Daaruit volgt dat de geluidbijdrage van de balustrade minder dan 1% bedraagt van de totale geluidemissie van de padelbaan. Dit kan als akoestisch verwaarloosbaar beschouwd worden.”Het college heeft mogen afgaan op dit advies nu er door eiseres 1 geen tegenadvies is ingediend van een deskundige met een andersluidende conclusie. De opsomming van niet nader onderbouwde tekortkomingen die eiseres 1 aan de notitie verbindt zijn daarmee niet gelijk te stellen. Daarvoor acht de rechtbank bijvoorbeeld van belang dat niet is komen vast te staan dat adviesbureau Peutz bij de berekening van de frequentie van het balcontact geen rekening heeft gehouden met de vaardigheid van de padelspelers. Hoewel gebruik is gemaakt van spelanalysegegevens van spelers uit de Italiaanse sub-elite competitie, is in het rapport wel degelijk erkend dat de contactfrequentie afhangt van het niveau van de spelers. De rechtbank verwijst daarvoor naar de volgende passages in de aanvullende notitie van Peutz:\n\n“Hierbij is uiteraard sprake van enige mate van spreiding, die mede afhangt van het niveau van de spelers.”\n\n“Naast het literatuuronderzoek zijn ook meerdere recreatieve padelspelers geraadpleegd, om een inschatting te vragen van het aantal keer dat de bal de balustrade raakt tijdens hun spel (op welke wijze dan ook). De consensus uit deze steekproef is dat de balustrade “enkele malen” per uur geraakt wordt.”\n\nDaarnaast heeft eiseres 1 onvoldoende onderbouwd dat het college de aard van het geluid met de aanvullende notitie van Peutz heeft genegeerd. De stelling van eiseres 1 dat het contact van een ‘harige’ bal met een ijzeren balustrade leidt tot een schel rinkelend geluid, volgt de rechtbank niet. Dit zou voorstelbaar zijn in geval van twee metalen objecten die met elkaar in aanraking komen, maar daar is in dit geval geen sprake van. Wat eiseres 1 verder nog naar voren brengt over het impulsieve karakter van het geluid en de context van de camping waarin de geluidsbelasting wordt ervaren, merkt de rechtbank op dat dat voor het contact van de bal met de balustrade niet anders geldt dan voor het contact van de bal met de glazen wand. En dat laatste is in principe binnen de kaders van het bestemmingsplan toegestaan. In wat eiseres 1 hierover heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding om te oordelen dat de aard of de contact van het geluid onterecht onderbelicht is door het college.\n\nDe opmerking van eiseres 1 dat de balustrade een hogere spelintensiteit faciliteert is voor de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan de aanvullende notitie van Peutz. Daarvoor is van belang dat de balustrade weliswaar ballen binnen het speelveld houdt, maar dat dat niet betekent dat het spel ongestoord en met een hoge spelintensiteit doorgang kan vinden. Dat is af te leiden uit de (relevante) spelregels die het college in zijn aanvullende motivering benoemt:\n\n“Een bal mag namelijk niet rechtstreeks het metalen hekwerk (waartoe ook de balustrade behoort) raken. De bal is dan ‘uit’. Een bal mag ook niet teruggespeeld worden via het hekwerk. Spelers zullen een dergelijke slag in het spel daarom zo veel mogelijk proberen te voorkomen. Wel mag de bal na één keer stuiteren op de grond het hekwerk raken. Om echter in die situatie tot aan de balustrade te komen, moet de bal na één keer stuiteren op de grond nog zoveel kracht hebben dat de bal meer dan 3 meter hoog opveert. De meeste ballen halen dit niet.”\n\nTot slot acht de rechtbank de opmerking dat het college verouderde gegevens betrekt bij de waardering van de stellingen van adviesbureau Peutz over de ruimtelijke aanvaardbaarheid, onvoldoende om aan de aanvullende notitie van Peutz of de aanvullende motivering van het college te twijfelen. Vooral omdat eiseres 1 daar zelf geen recentere gegevens tegenover zet, en zij in haar formulering eigenlijk laat doorschemeren dat de gegevens uit 2019 ook wel zouden kunnen voldoen. Zo voert eiseres 1 aan:\n\n“Het is onzorgvuldig om de ruimtelijke aanvaardbaarheid in 2026 te baseren op meetgegevens uit 2019, diemogelijk (onderstreping: rechtbank) niet voldoen aan de huidige stand der techniek qua meting van impuls- en tonaal geluid.”\n\n5.3.. Gelet op wat de rechtbank onder 5.2 heeft overwogen slaagt het betoog van eiseres 1 niet.\n\n5.4.. Daarnaast hebben eisers 3 in hun reactie op de brief van het college aangegeven geen op- of aanmerkingen te hebben over de aanvullende notitie van Peutz of de gegeven motivering van het college en hebben eisers 2 helemaal niet meer gereageerd op de brief van het college. De rechtbank oordeelt daarom dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van de geluidsbelasting op de directe omgeving ten gevolge van de balustrade van de padelbaan verwaarloosbaar is en dat de balustrade dus enkel stedenbouwkundige gevolgen heeft.\n\nSchadevergoeding overschrijding redelijke termijn\n\n6. De rechtbank ziet in de klacht van de tennisvereniging over de lange duur van de procedure een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarvoor is niet vereist dat iemand beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.Over het verzoek om schadevergoeding van de tennisvereniging oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n6.1.. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een zaak waarbij het besluit is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, begint de redelijke termijn op het moment dat bezwaar is gemaakt tegen het besluit. De behandeling van de zaak tot en met de uitspraak in beroep mag maximaal twee jaar duren.De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond.\n\n6.2.. Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid ten laste van het college respectievelijk de Staat worden uitgesproken. De regel die daarbij geldt is dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.\n\n6.3.. In een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het college toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak ten hoogste anderhalf jaar heeft geduurd en de rechtbank vervolgens binnen één jaar einduitspraak doet na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld.\n\n6.4.. In deze zaak is het eerste bezwaarschrift, dat van eisers 3, ingediend op 24 oktober 2022. Daarna volgden de twee bezwaarschriften van eiseres 1 en eisers 2 op 1 november 2022. Dat betekent dat inmiddels 43 maanden zijn verstreken en de redelijke termijn met 19 maanden is overschreden.\n\n6.5.. De schadevergoeding bedraagt € 500,- voor ieder half jaar dat de termijn is overschreden. Van het moment van het indienen van het bezwaar tot deze uitspraak komt dat neer op een overschrijding van 19 maanden. Dat betekent dat de tennisvereniging aanspraak maakt op een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000,-. Voor dit verzoek krijgt de tennisvereniging een proceskostenvergoeding van 1 punt (€ 934,- per punt) met een wegingsfactor 0,5.Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 467,-.\n\n6.6.. De behandeling door de rechtbank van het beroep tegen het besluit van 22 mei 2023 heeft vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 16 juni 2023 tot de tussenuitspraak op 27 november 2025 afgerond naar boven 30 maanden geduurd. Dit is 12 maanden langer dan de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Vervolgens heeft de rechtbank binnen één jaar einduitspraak gedaan. Hieruit volgt dat een overschrijding van 7 maanden aan het college is toe te rekenen en 12 maanden aan de rechtbank. Het bedrag van € 2.000,- zal naar evenredigheid worden toegerekend aan het college en de Staat. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van een bedrag van totaal € 908,89,- (7\u002F19 x € 2.000,- en 7\u002F19 x € 467,-) en de Staat tot betaling van een bedrag van totaal € 1.558,11 (12\u002F19 x € 2.000,- en 12\u002F19 x € 467,-).\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, zijn de beroepen van eisers gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n7.1.. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert punten op voor de verschillende proceshandelingen: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus. Dat betekent dat voor eisers de volgende vergoedingen aan de orde zijn:\n\npunten\n\nvergoeding\n\neiseres 1\n\n2,5\n\n€ 2.335, -\n\neisers 2\n\n2\n\n€ 1.868, -\n\neisers 3\n\n2,5\n\n€ 2.335, -\n\nDe vergoeding bedraagt in totaal dus € 6.538, -.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven;\n\ndraagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres 1, van € 184,- aan eisers 2 en van € 365,- aan eisers 3 te vergoeden;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 2.335,- , van eisers 2 tot een bedrag van € 1.868,- en eisers 3 tot een bedrag van € 2.335,- ;\n\nveroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding van € 908,89,- aan de tennisvereniging;\n\nveroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.558,11 aan de tennisvereniging.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De minister ziet af van het voeren van verweer, zie de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stc.2014, 20210.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2163.\n\n Artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) samen met artikel 4, derde onderdeel, van bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).\n\n Uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3481.\n\n Deze mogelijkheid vloeit voort uit de bevoegdheid van de rechtbank om op grond van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek te heropenen.\n\n Eisers 3 verwijzen hierbij naar artikel 2.1 onder c in samenhang gelezen met artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2029, ECLI:NL:RVS:2019:3031 r.o. 3.2\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1182.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4040, r.o. 10.2.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5367, r.o. 2.3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4765","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.106Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":43,"courtId":148,"decisionDate":142,"fullText":149,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":151,"parsedAt":50,"updatedAt":152},"1517","ECLI:NL:RBMNE:2026:3289","ecli-nl-rbmne-2026-3289",63,"RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F6779\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 op het beroep in de zaak tussen\n [eiser] uit [plaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T. de Beet en mr. M.L. Lanz).\n\nInleiding\n\n1. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . Met het besluit van 25 augustus 2025 heeft het waterschap aan de gemeente Almere een omgevingsvergunning verleend voor het graven en verbreden van watergangen en het leggen van dammen met duikers in Oosterworld, ter compensatie van de toename van verhardingen in het gebied. De omgevingsvergunning ziet ook op het graven van een watergang langs het perceel van eiser.\n\n2. Het waterschap heeft de omgevingsvergunning bekendgemaakt middels publicatie in het Waterschapsblad van 28 augustus 2025. De omgevingsvergunning is hierin als volgt omschreven: “De vergunning is verleend voor het graven en verbreden van watergangen voor de compensatie van de toename verharding in Oosterwold (fase 3) op percelen van Staatsbosbeheer en het leggen van dammen met duikers in de nieuwe watergangen tussen de [straat] , de [straat] , de [straat] , de [straat] en de A27 te [plaats] .” Verder is de volgende kaart gevoegd:\n\n3. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken, dus uiterlijk op 6 oktober 2025, bezwaar maken tegen de omgevingsvergunning. Eiser heeft zijn bezwaarschrift op 7 november 2025 ingediend. Omdat het bezwaar te laat is en eiser daar volgens het waterschap geen goede reden voor heeft, heeft het waterschap het bezwaar van eiser met het besluit van 24 november 2025 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.\n\n4. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het waterschap heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 22 april 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het waterschap heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en door [A] , vergunningverlener water.\n\nHet beroep\n\n5. Eiser voert aan dat hij door de onduidelijke publicatie niet kon weten dat de omgevingsvergunning ook zag op het graven van een watergang langs zijn perceel. Allereerst is de omschrijving van de locatie volgens eiser onduidelijk. Genoemde wegen sluiten niet precies op elkaar aan. Zo loopt de [straat] ten oosten van de A27 nog acht kilometer door en houdt de [straat] halverwege het gebied op. Om hoeveel watergangen het gaat wordt ook niet vermeld.\n\n6. Ook de kaart is volgens eiser onduidelijk. Daarop is langs het perceel van eiser géén blauwe lijn ingetekend. Eiser is ervan uitgegaan dat de blauwe lijnen stonden voor de watergangen. Op de kaart bij publicatie van de ontgrondingsvergunning (voor hetzelfde gebied) was dat immers wél het geval. Dat de ingetekende lijnen de begrenzing van het gebied vormen is volgens eiser onlogisch. Niet alleen omdat de lijnen blauw gekleurd zijn (blauw staat normaliter voor water), maar ook omdat de lijnen niet op elkaar aansluiten en daardoor geen net afgebakend gebied vormen. Dit had anders kunnen zijn als het gebied was gearceerd, maar ook dat is niet gebeurd.\n\n7. Verder gaat het om een gebied van maar liefst 17 vierkante kilometer. Volgens eiser kan niet van alle bewoners binnen dat gebied worden verwacht dat zij de stukken opvragen om na te gaan of de omgevingsvergunning ook op hun perceel ziet. Bovendien stond in de ontgrondingsvergunning niet vermeld dat er watercompensatie nodig zou zijn. Als dat wél was gebeurd, had eiser alert kunnen zijn op besluitvorming daarover.\n\n8. Volgens eiser had het waterschap kunnen weten dat hij bezwaren zou hebben tegen het besluit. Eiser heeft namelijk al op 5 juli 2025 (toen hij op de hoogte raakte van de aanvraag) gevraagd om inzage in de omgevingsvergunning, maar daar toen geen reactie op gekregen. Toen de omgevingsvergunning uiteindelijk werd verleend had het waterschap eiser dan ook moeten informeren. Eiser wijst er op dat hij nota bene één dag na de vergunningverlening nog bij het waterschap op gesprek geweest, maar de omgevingsvergunning ook toen niet te berde is gebracht. Eiser kan zich hierdoor niet aan de indruk onttrekken dat het waterschap hem met opzet buiten de boot probeert te houden.\n\n9. Tot slot wijst eiser erop dat zijn belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar groot is, omdat de watergang zeer negatieve gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding op zijn perceel.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n10. De rechtbank stelt voorop dat besluiten die niet gericht zijn tot één of meer belanghebbenden, zoals de onderhavige omgevingsvergunning, worden bekendgemaakt door publicatie.Het waterschap publiceert zijn wettelijk voorgeschreven kennisgevingen in het Waterschapsblad, in de vorm van een zakelijke weergave van de inhoud (een korte omschrijving) met vermelding van de wijze waarop en de periode waarin de stukken waar de kennisgeving betrekking op heeft voor eenieder ter inzage liggen.\n\n11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geldt als hoofdregel dat als een vergunning is gepubliceerd, de overschrijding van de termijn bij het indienen van een bezwaar daartegen niet verschoonbaar kan worden geacht. Het uitgangspunt is namelijk dat belanghebbenden via de publicatie tijdig kennis hadden kunnen nemen van het besluit. Bij de vraag of de inhoud van het besluit voldoende is weergegeven, moeten alle onderdelen in de publicatie in onderlinge samenhang worden bezien. De zakelijke weergave van het besluit moet voldoende adequaat en duidelijk zijn. Dat het mogelijk is om een locatie nog specifieker weer te geven, betekent op zichzelf niet dat de gegeven locatieomschrijving niet voldoende duidelijk is.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank is de publicatie van de omgevingsvergunning in dit geval voldoende adequaat en duidelijk geweest. De genoemde vijf straten vormen een afgegrensd gebied. Op de kaart zijn deze straten ingetekend met blauwe lijnen die her en der inderdaad te ver doorgetrokken of te vroeg afgebroken zijn, maar in samenhang bezien met de gegeven locatieomschrijving is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat het hier gaat om het gebied dat tussen deze straten ligt. Daar komt bij dat het perceel van eiser zich midden in het gebied bevindt. Het had dan ook op eisers weg gelegen om bij onduidelijkheid navraag te doen bij het waterschap. Dat het specifieker had gekund door het betreffende gebied te arceren of de lijnen netter in te tekenen, maakt de locatieomschrijving zoals gezegd, nog niet onduidelijk.\n\n13. De rechtbank vind het, anders dan eiser, ook niet zonder meer logisch dat de blauwe lijnen op de kaart in dit geval zouden staan voor watergangen, enkel vanwege de kleur. De lijnen volgen immers de genoemde vijf (verharde) wegen. Dat de blauwe lijnen bij publicatie van de ontgrondingsvergunning wél voor watergangen stonden, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De ontgrondingsvergunning is immers verleend (en gepubliceerd) door gedeputeerde staten van de provincie, niet door het waterschap. Het is dus niet zo dat het waterschap ineens een andere werkwijze heeft laten zien. Verder geldt dat het waterschap moet beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend, en de aanvraag ziet nu eenmaal op dít gebied van zeventien vierkante kilometer. Die grootte maakt de publicatie naar het oordeel van de rechtbank evenmin onduidelijk.\n\n14. De rechtbank concludeert verder dat, naast het feit dat dit ook niet is vereist, een vermelding van de nodige watercompensatie in de ontgrondingsvergunning geen enkel verschil had gemaakt. Eiser wist immers op 5 juli 2025, dus alsnog ruim op tijd, dat de gemeente Almere een omgevingsvergunning voor watercompensatie had aangevraagd en dat er dus een besluit daarover aanstaande was.\n\n15. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van opzet aan de kant van het waterschap. Hoewel de rechtbank zich eisers frustratie kan voorstellen, is de omgevingsvergunning op een voldoende adequate en duidelijke manier gepubliceerd en is het waterschap dan niet gehouden om belanghebbenden individueel te informeren. Tot slot kan het belang dat eiser heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar, niet worden meegewogen bij de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.\n\nConclusie\n\n16. Omdat de beroepsgronden van eiser niet slagen, is het beroep van eiser ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit waarin het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard, in stand blijft.\n\n17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is op 16 juni 2026 in het openbaar gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier.\n\n(de griffier is verhinderd om\n\nde uitspraak te ondertekenen)\n\ngriffier rechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Artikel 12, eerste lid van de Bekendmakingswet, Kamerstukken II2018\u002F2019, 35218, nr. 3, pag. 44.\n\nZie de uitspraken van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1022, 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1373 en 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4876.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3289","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.018Z",{"id":154,"ecli":155,"slug":156,"caseNumber":43,"courtId":157,"decisionDate":158,"fullText":159,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":161,"parsedAt":50,"updatedAt":162},"1563","ECLI:NL:RBAMS:2026:5582","ecli-nl-rbams-2026-5582",56,"2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: AMS 25\u002F2250 en 25\u002F2549uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen\n\n1. [eiseres]uit [woonplaats], eiseres (AMS 25\u002F2250)\n\n2. [eiser]uit [woonplaats], eiser (AMS 25\u002F2549)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen,verweerder, hierna: het college\n\n(gemachtigde: mr. J.P.H. de Bruijn).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: Eigen Haard uit Amsterdam, vergunninghouder\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]).\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Vergunninghouder heeft op 26 juli 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van 42 nieuwbouwappartementen op de [adres].\n\n1.\n\n1.2.. Met een besluit van 21 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor een zogenaamde ‘omgevingsplanactiviteit bouwwerken’ en ‘de technische bouwactiviteit’. Het college heeft de aanvraag – voor zover hier van belang – getoetst aan het omgevingsplan van de gemeente Amstelveen (het omgevingsplan), en het bestemmingsplan ‘Amstelveen Noord-Oost’ (het bestemmingsplan), het ‘Paraplubestemmingsplan wonen’ en het ‘Paraplubestemmingsplan Schipholparkeren en Parkeernormen’ als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het bouwplan is in strijd met artikel 34.2.1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan, omdat het de bouwhoogte van 12 meter met 0,46 meter overschrijdt. Volgens het college voldoet het bouwplan aan de voorwaarden voor het binnenplans kunnen afwijken als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a, van het bestemmingsplan. Eisers hebben afzonderlijk tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.3.. De bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd het bestreden besluit te herroepen, omdat de omgevingsvergunning gebreken bevat ten aanzien van de onderdelen bestaande parkeerplaatsen, parkeren op eigen terrein, verkeersveiligheid en strijdigheid met de bestemming ‘Groen’. Met twee afzonderlijke bestreden besluiten van 11 maart 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning – onder aanvulling van de motivering – in stand gelaten. Het college volgt het advies van de bezwaarschriftencommissie voor zover dit betrekking heeft op de onderdelen parkeren op eigen terrein, verkeersveiligheid en de strijdigheid met de bestemming ‘Groen’. Volgens het college kunnen deze gebreken in bezwaar worden hersteld. Zo is het project in strijd met het bestemmingsplan, omdat het gebruik als ‘parkeerterrein’ op grond van artikel 12.3.1, onder d, van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college verleent daarom alsnog de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, omdat het gebruiken van de gronden als parkeervoorziening in overeenstemming is met het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het advies van de commissie ten aanzien van het onderdeel bestaande parkeerplaatsen, wordt niet overgenomen.\n\n1.4.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de aan hen gerichte bestreden besluiten.\n\n1.5.. Eiseres heeft de voorzieningenrechter daarnaast verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 april 2025 afgewezen.\n\n1.6.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n1.7.. De rechtbank heeft de beroepen op 20 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. R.N. Ionescu namens het college, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghouder.\n\nJuridisch kader\n\n2. Het juridisch kader dat van belang is voor deze uitspraak is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\nBestemming ‘Woon-Woonzorg’\n\n4.1.. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op haar standpunt over de bestemming ‘Woon-woonzorg’. Sociale huurwoningen zonder zorgdoeleinde(n) vallen niet onder deze bestemming. Bij het plan is er geen onderdeel voor ‘medische en sociale zorg’. Er worden enkel sociale huurwoningen gerealiseerd voor senioren met een lichte zorgbehoefte (trede 1 tot en met 3). Deze zorgbehoeften kunnen vervuld worden met zorg uit de Wmo. De beoogde nieuwbouwwoningen zijn echter niet anders dan andere reguliere sociale huurwoningen. Er wordt dus geen zorg aangeboden in het complex, op welke wijze dan ook. Dit is in strijd met het bestemmingsplan, aldus eiseres.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 34.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan staat dat gronden met deze bestemming onder meer zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van woondoeleinden en zorgdoeleinden (in de vorm van medische en sociale zorg). Wat er ook van het standpunt van eiseres zij, met het “Paraplubestemmingsplan wonen” is op grond van artikel 3.1 van de planregels aan de bestemmingsomschrijving van artikel 34.1 van het bestemmingsplan, voor zover nog niet aanwezig, toegevoegd woningen ten behoeve van het wonen. Anders dan eiseres stelt, is dus geen sprake van strijd met de bestemming ‘Woon-Woonzorg’. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBouwhoogte\n\n5.1.. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de maximale bouwhoogte met 0,46 meter wordt overschreden. Volgens het bestemmingsplan mag het bouwvlak voor niet meer dan 90% bebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 90%. Bij een maximale bouwhoogte van twaalf meter is dat 10,80 meter, aldus eisers. De beoogde bouwhoogte van de nieuwbouwwoningen is 12,46 meter. Dit betekent dat de bouwhoogte 1,66 meter hoger is dan het bestemmingsplan toestaat en niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor binnenplans afwijken.\n\n5.\n\n5.2.. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van twaalf meter toestaat en de beoogde nieuwbouwwoningen 12,46 meter hoog zijn. De maximale bouwhoogte van 90% waar eisers op doelen, staat alleen – en volgens het college ten onrechte – in de toelichting van het bestemmingsplan. Het is vaste rechtspraak dat aan de toelichting behorende bij het bestemmingsplan geen juridisch bindende betekenis toekomt. De toelichting kan dan ook niet dienen als toetsingskader voor de beoordeling of een aanvraag om een omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan.De bestemmingen en aanduidingen die op de verbeelding zijn aangegeven en de daarbij behorende regels zijn bepalend. Als een planregel op zichzelf niet duidelijk is, ook niet in samenhang met andere planregels, dan pas komt betekenis toe aan de toelichting bij het bestemmingsplan.De rechtbank is van oordeel dat de aanduiding op de verbeelding en de planregels in dit geval voldoende duidelijk zijn. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBestemming ‘Groen’\n\n6.1.. Eisers voeren verder aan dat de parkeerplaatsen met nummers [nummers] grotendeels geprojecteerd zijn op de bestemming ‘Groen’ terwijl dat volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college heeft de afwijking van het bestemmingsplan onvoldoende gemotiveerd. Een parkeerplek valt, anders dan het college stelt, niet onder dezelfde noemer als een ‘ondergeschikte verharding’. Verder heeft het college het belang van de bouw ten onrechte zwaarder laten wegen dan het behoud van de groenstrook. Omdat de groenvoorzieningen in de gemeente al sterk afnemen, kunnen er problemen ontstaan met afwatering. Verder kan ook het verkeersadvies met de gewijzigde situatie als vervat in bijlage 3 niet in ongewijzigde vorm aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Deze conclusie noopt tot nadere onderzoeken, die voorafgaand aan het bestreden besluit hadden moeten worden onderzocht.\n\n6.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het belang van het appartementencomplex met voldoende parkeergelegenheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van behoud van de groenstrook. Het college heeft voldoende toegelicht dat van een waardevolle groenstrook geen sprake is. Het deel van het terrein is feitelijk ingericht als grasveld en is lange tijd gebruikt als tijdelijk en onverhard parkeerterrein. Ondergeschikte verhardingen, parkeervoorzieningen, paden en speelvoorzieningen zijn op grond van het bestemmingsplan al toegestaan. De groenstrook is dus niet per definitie uitgesloten van verhardingen. Bovendien zal door uitwisseling van verharding de oppervlakte aan groen nauwelijks afnemen. Verder heeft het college toegelicht dat er watercompensatie plaats zal vinden binnen het peilgebied van de waterbeheerder, waardoor het niet aannemelijk is dat er problemen zullen ontstaan met de afwatering. De rechtbank kan deze toelichting volgen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nParkeren\n\nTijdelijk parkeerterrein\n\n7.1.. Eisers voeren verder aan dat niet wordt voldaan aan de ‘Nota parkeernormen Amstelveen 2021’ (hierna: Nota parkeernormen). In de Nota parkeernormen staat dat een nieuw bouwinitiatief geen parkeerproblemen mag veroorzaken of vergroten. Er wordt in het bouwplan geen rekening gehouden met het vervallen van parkeergelegenheid voor minstens 50 auto’s.\n\n7.\n\n7.2.. De rechtbank oordeelt dat het college geen rekening hoefde te houden met het vervallen van de door eisers bedoelde parkeerplaatsen. Zoals het college terecht heeft toegelicht, was parkeren op deze locatie niet toegestaan en heeft hij dit slechts tijdelijk gedoogd ten behoeve van de naastgelegen [club]. Het tijdelijke parkeerterrein voorzag niet in de normatieve parkeerbehoefte van de [club]. Het komen te vervallen van het tijdelijke parkeerterrein is primair het gevolg van de beëindiging van de gedoogsituatie en niet van het vergunde bouwplan. Het college was dan ook bevoegd om het parkeren op deze locatie, los van de bouwactiviteiten, niet langer te gedogen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nParkeren op eigen terrein en verkeersveiligheid\n\n8.1.. Eisers voeren verder aan dat de 29 benodigde parkeerplekken volgens de Nota parkeernormen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Op de nieuwe situatietekeningen zijn slechts 22 parkeerplekken voorzien op eigen terrein. De overige zeven parkeerplekken worden op gemeentegrond gerealiseerd. Er is door het college onvoldoende gemotiveerd dat van de vereisten uit de Nota parkeernormen kan worden afgeweken. Eisers voeren verder aan dat door de inrichting van de parkeerplaatsen met nummers 28 en 29 een verkeersonveilige situatie ontstaat. Door de inrichting van de twee parkeerplekken, wordt het zicht beperkt als je vanuit het parkeerterrein de straat in rijdt. Verder kunnen de bewoners van de nieuwbouw ook niet anders dan over het trottoir met de fiets bij het gebouw komen, wat eveneens voor onveilige situaties zorgt.\n\n8.\n\n8.2.. De rechtbank oordeelt dat uit de Nota parkeernormen niet volgt dat alle parkeerplekken op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Uit de Nota parkeernormen volgt dat elke initiatiefnemer van (bouw)plannen zorg moet dragen voor het realiseren van voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Als de realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk blijkt, moet de initiatiefnemer met een voorstel komen hoe de parkeerbehoefte opgelost kan worden in de openbare ruimte. Het voorstel mag niet op stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren stuiten. In het bestreden besluit heeft het college toegelicht dat het realiseren van de parkeerplekken op openbaar terrein niet op stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren stuit. Het college heeft de in bezwaar ingebrachte versie van de situatietekening ter beoordeling voorgelegd aan de afdeling Verkeer, die het plan positief heeft beoordeeld. Zo volgt uit het bestreden besluit dat voor het in- en uitrijden van het terrein aan de oostkant van het gebouw voldoende zicht aanwezig is om veilig te kunnen uitrijden. De aansluiting aan de oostkant heeft geen doorgaand karakter, maar geeft toegang tot een parkeerkoffer. Daardoor liggen de rijsnelheden laag en zijn de verkeersbewegingen vergelijkbaar met een regulier parkeerterrein. De fietsenstalling blijft voor fietsers bereikbaar. Eisers hebben de conclusies van de afdeling Verkeer niet gemotiveerd weersproken en geen tegenadvies van een deskundige overgelegd. De rechtbank ziet ook verder geen reden om aan de conclusies van de afdeling Verkeer te twijfelen. Verder omvat de omgevingsvergunning niet de toestemming om op het trottoir te fietsen of om voertuigen op het trottoir te parkeren. Het college hoefde met dergelijke overlast bij de vergunningverlening daarom geen rekening te houden.De beroepsgrond slaagt niet.\n\n8.3.. Om eventuele zorgen bij eisers weg te nemen, heeft het college op de zitting toegezegd nogmaals te kijken naar de situatie ter plaatse om te bezien of het nodig is iets aan de verkeerssituatie te veranderen.\n\nZonlicht\n\n9.1.. Eiser voert aan dat het bouwplan leidt tot verlies aan zonlicht in zijn appartement.\n\n9.\n\n9.2.. Zoals hiervoor overwogen volgt uit artikel 34.2.1 van het bestemmingsplan en de aanduiding op de verbeelding dat een gebouw van 12 meter op deze locatie al is toegestaan. Bij de beoordeling van eventuele schaduwhinder dient daarom op grond van vaste rechtspraak uit te gaan van een vergelijking van het bouwplan met de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden.Uit het dossier blijkt dat op 27 juli 2024 en op 19 december 2024 een zonnestudie is uitgevoerd. In de zonnestudie van 19 december 2024 is een vergelijking gemaakt tussen de planologische maximale mogelijkheden, zijnde een gebouw van 12 meter, en de nieuwe situatie, zijnde een gebouw van 12,46 meter. Uit deze zonnestudie volgt dat er geen verschil is in bezonning ter plaatse van de woning van eiser. Dit betekent dat er geen sprake is van een toename van schaduwwerking als gevolg van het bouwplan ten opzichte van wat ter plaatse planologisch maximaal is toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMocht het college de omgevingsvergunning verlenen?\n\n10. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de belangen van vergunninghouder bij verlening van de vergunning zwaarder kunnen laten wegen dan de door eisers genoemde belangen. Dit betekent dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.\n\nConclusie\n\n11. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr.I.N. van Soest, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBijlage: juridisch kader\n\nMet de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het hele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van vergunninghouder was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Amstelveen Noord-Oost” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt nu deel uit van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan gemeente Amstelveen.\n\nArtikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.\n\nIn het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, wordt, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\nUit artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het Omgevingsplan volgt – voor zover hier van belang – dat de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het Omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.\n\nIn artikel 22.280 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.\n\nIn artikel 22.281 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2025:2704.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1736.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:360.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:235.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2579.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5582","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.291Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":43,"courtId":167,"decisionDate":168,"fullText":169,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":171,"parsedAt":50,"updatedAt":172},"1986","ECLI:NL:RBROT:2026:7704","ecli-nl-rbrot-2026-7704",61,"2026-05-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F3326\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaak tussen\n [naam 1] , uit [woonplaats 1] , verzoekster\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Lansingerland, het college\n\n(gemachtigden: mr. K. Kamila Kozlowska en mr. B.V. Hendriks).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] en [naam 3] uit [woonplaats 2] (vergunninghouders).\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 2 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouders voor de legalisatie van een overkapping met zonnepanelen op het dak van de overkapping in de achtertuin behorende bij de woning van vergunninghouders aan [straatnaam] in [woonplaats 2] (het perceel).Verzoekster woont naast vergunninghouders en heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.1.. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouders hebben ook schriftelijk gereageerd.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van het college en vergunninghouders.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2. Vergunninghouders hebben de overkapping in hun tuin gebouwd. Daarbij zijn ook de palen waaraan ook de schutting van verzoekster is verbonden vervangen door nieuwe palen. Zowel de schutting van verzoekster als de schutting en een deel van de overkapping van vergunninghouders zijn bevestigd aan deze nieuwe palen. Verzoekster heeft het college om handhaving verzocht en naar aanleiding van het constateringsrapport van 4 augustus 2025 hebben vergunninghouders een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen (legaliseren) van de overkapping gedaan. Het college heeft de vergunning met het bestreden besluit verleend. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Zij stelt dat de overkapping over de erfgrens is gebouwd. Ook stelt ze dat de overkapping in strijd is met het omgevingsplan.\n\nIs er sprake van spoedeisend belang?\n\n3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Vaststaat vast dat de overkapping met zonnepanelen reeds is gebouwd. Niet gebleken is van enige onomkeerbare situatie als er geen voorziening wordt getroffen. De op zitting gegeven onderbouwing van verzoekster dat de schutting op instorten staat, voor zover dit al door de overkapping komt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Ook het betoog van verzoekster dat zij spoedeisend belang heeft bij een uitspraak door de voorzieningenrechter omdat het bestreden besluit evident onrechtmatig is nu er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering, slaagt niet. Hoewel verzoekster een grensreconstructierapport van het Kadaster heeft overgelegd, is de burgerlijke rechter de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De burgerlijke rechter heeft zich echter nog niet uitgelaten over deze kwestie. Daarbij merkt de voorzieningenrechter bovendien op dat in het geval de burgerlijke rechter zich wel heeft uitgelaten over de kwestie spoedeisendheid en evidente onrechtmatigheid ook nog geen gegeven is. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat het college, gelet op het limitatief-imperatief stelsel, de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’ moet verlenen wanneer het bouwplan niet in strijd is met de voorwaarden die daaraan zijn gesteld in het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.18, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.29 van het omgevingsplan en artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ten slotte kan de voorzieningenrechter slechts een voorlopige voorziening treffen hangende de bodemprocedure en geen eindoordeel geven. Dat verzoekster het bestreden besluit door een onafhankelijke partij wil laten beoordelen maakt dan ook evenmin dat er spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is.\n\nConclusie\n\n4. Er is geen sprake is van een spoedeisend belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening. Ook is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het bestreden besluit (evident) onrechtmatig is, wat een aanleiding had kunnen zijn om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.\n\nDe griffier is verhinderd deze uitspraak\n\nmede te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7704","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:48.488Z",{"id":174,"ecli":175,"slug":176,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":177,"fullText":178,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":180,"parsedAt":50,"updatedAt":181},"1890","ECLI:NL:RBGEL:2026:3759","ecli-nl-rbgel-2026-3759","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F4119uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiser 1] en [eiseres]\n\n [eiser 2],\n\n [eiser 3],\n\nallen uit [plaats], gezamenlijk: eisers\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Scherpenzeel\n\n(gemachtigde: mr. N.L.H. Teijema).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], uit [plaats] (de tennisvereniging)\n\n(gemachtigde: mr. M. Bekooy).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het aanleggen van drie padelbanen met reclame en lichtmasten. Eisers zijn het niet eens met omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kon verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 1 december 2023 heeft het college aan de tennisvereniging een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van drie padelbanen met reclame en lichtmasten. Met de beslissing op bezwaar van 12 juni 2024 is het college bij deze omgevingsvergunning gebleven.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Eisers hebben ook verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n2.2.. Met de uitspraak van 22 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter de beslissing op bezwaar geschorst.\n\n2.3.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben een nader schriftelijk stuk ingediend.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers samen met [persoon A] (geluidsdeskundige van [naam bedrijf] B.V.), de gemachtigde van het college samen met [persoon B] en [persoon C] (geluidsdeskundige van het college), [persoon D] en [persoon E] namens de tennisvereniging en de gemachtigde van de tennisvereniging.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. De tennisvereniging heeft op 14 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de aanleg van drie padelbanen met reclame en lichtmasten aan de [locatie] in [plaats]. Op 1 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen”en “het maken of voeren van handelsreclame”.\n\n3.1.. Eisers wonen in de buurt van de tennisvereniging en vrezen voor geluidsoverlast door de beoogde padelbanen.\n\n3.2.. Het bestemmingsplan “Noord” is van toepassing en het perceel heeft de bestemming “Sport – 1”. De gronden zijn bestemd voor sportvoorzieningen. Onder gebruik in strijd met het bestemmingsplan valt in ieder geval het gebruik van gronden en bouwwerken voor lawaaisporten.\n\n3.3.. Met de beslissing op bezwaar van 12 juni 2024 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. In aanvulling daarop heeft het college ook voor de activiteit “strijdig gebruik” de omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee geluidsschermen van vier meter hoog.\n\n3.4.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en hebben gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening om de omgevingsvergunning te schorsen in afwachting van de uitspraak op hun beroep.\n\n3.5.. Met de uitspraak van 22 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland de beslissing op bezwaar geschorst.De voorzieningenrechter is van oordeel dat padel in dit geval een lawaaisport is, als bedoeld in het bestemmingsplan. Het college had daarom ook moeten beoordelen of hij voor die activiteit ook wilde afwijken van het bestemmingsplan.\n\nStukken buiten beschouwing\n\n4. Op de zitting heeft de rechtbank besloten de door eisers op 13 februari 2026 ingediende stukken buiten beschouwing te laten. Deze stukken zijn weliswaar meer dan tien dagen voor de zittingingediend, maar ze zijn dusdanig uitgebreid en voorzien van een geluidsadvies, dat het college en de tennisvereniging onvoldoende tijd hebben gehad hierop te reageren. Bovendien is het een reactie op het verweerschrift van het college, dat op 17 april 2025 door de rechtbank is ontvangen. Niet valt in te zien waarom eisers zo lang gewacht hebben met het indienen van de nadere stukken.\n\nIs padel een lawaaisport?\n\n5. Eisers betogen dat de padelbanen niet voldoen aan de regels van het bestemmingsplan. Op het perceel is volgens het bestemmingsplan lawaaisport niet toegestaan. In het bestemmingsplan is geen definitie van lawaaisport opgenomen. Volgens eisers mocht het college niet aansluiten bij de definitie uit het voorgaande bestemmingsplan. Die definitie luidde: schietsporten, waarbij de sport ook bovengronds wordt uitgeoefend, en motorische sporten. Aan een definitie van een eerder bestemmingsplan komt volgens eisers geen betekenis toe. Omdat het begrip lawaaisporten niet gedefinieerd is, moet worden aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Volgens eisers heeft padel een hoog geluidbronvermogen van gemiddeld 91 dB(A), met pieken van 108 dB(A). De ruimtelijke uitstraling is niet vergelijkbaar met die van tennis. Padel maakt als brongeluid 8 dB(A) meer aan geluid dan tennis. De ruimtelijke uitstraling is hierdoor een factor 9 groter dan tennis, dat wil zeggen dat één padelbaan net zoveel geluid uitstraalt als negen tennisbanen. De commissie bezwaarschriften heeft ook geadviseerd dat padel onder lawaaisport valt. Ook heeft de voorzieningenrechter dit geoordeeld.\n\n5.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat padel geen lawaaisport is. Omdat lawaaisport niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd, heeft het college aansluiting gezocht bij het normaal spraakgebruik. In het “Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal” (Van Dale) is lawaaisport gedefinieerd als: een sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport). Volgens het college wordt deze definitie nader ingekleurd door definities die in de (ruimtelijke ordenings)praktijk gebruikt worden. Het college heeft daarom ook gekeken naar begripsomschrijvingen van de VNG en Infomil. De VNG omschrijft lawaaisport als: “de autosport, de motorsport, de modelvliegsport, karting en soortgelijk geluid producerende sporten”. Volgens de uitleg van Infomil horen bij lawaaisporten ook sporten waarbij explosies in de vorm van schieten voorkomen:“lawaaisporten zijn bijvoorbeeld schietsporten, zoals kleiduifschieten, motor- en autocross of modelvliegen”. Volgens het college zijn de voorbeelden van Van Dale niet-limitatief, maar het college vindt dat er wel belang moet worden gehecht aan de voorbeelden. De genoemde sporten zijn namelijk sporten waarbij hulpmiddelen (denk aan motoren) worden gebruikt. Padel is een sport die volledig met behulp van spierkracht wordt uitgeoefend. Volgens het college ligt dat in lijn met sporten als honkbal, hockey, tennis, golf en voetbal. De opvatting dat padel meer vergelijkbaar is met tennis dan met één van de genoemde voorbeelden van lawaaisporten, wordt volgens het college ook gedeeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).\n\n5.2.. Het college stelt zich verder op het standpunt dat het oordeel van de voorzieningenrechter dat bij 91 dB(A) sprake is van onaangenaam en hard geluid niet juist is. Het bronvermogen van padel is niet doorslaggevend om tot de conclusie te komen dat padel een lawaaisport is. Er moet volgens het college ook gekeken worden naar de immissie en niet alleen naar de emissie. De emissie (het bronvermogen) wordt gebruikt om onder andere de immissie te berekenen. Dat is gedaan met het akoestisch onderzoek. In het akoestisch onderzoek is aangetoond dat door het plaatsen van een geluidsscherm de situatie voldoet aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. De immissiewaarde voldoet dus aan de wet- en regelgeving en het bronvermogen wordt enkel als rekenmiddel gebruikt. Als er wel naar het bronvermogen wordt gekeken, dan is padel volgens het college ook niet te kwalificeren als lawaaisport. Daarvoor verwijst het college naar de onderstaande schematische weergave:\n\nBijlage schematische vergelijking bij verweerschrift\n\n5.3.. Op de plek waar de padelbanen zijn gepland, geldt “Bestemmingsplan Noord” met de bestemming “Sport-1”. Die gronden zijn bestemd voor “sportvoorzieningen” en “vrijetijdsvoorzieningen”en het is verboden deze gronden te gebruiken of laten gebruiken voor en\u002Fof als “lawaaisporten”.\n\n5.4.. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe lawaaisport moet worden uitgelegd. In de planregels is geen definitie opgenomen van het begrip “lawaaisporten”. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt ook niet wat kan worden verstaan onder “lawaaisporten”. De stelling van het college dat betekenis toekomt aan het begrip uit het vorige bestemmingsplan vanwege de conserverende aard van het geldende bestemmingsplan, volgt de rechtbank niet. Dat een bestemmingsplan in algemene zin conserverend van aard is, betekent namelijk niet dat de planwetgever ook specifieke bestemmingsplanbegrippen heeft willen overnemen. In dat geval had het op de weg van de gemeenteraad gelegen om daarover een bestemmingsplanbegrip op te nemen.\n\n5.5.. Dit betekent dat aansluiting moet worden gezocht bij het algemene spraakgebruik. In dat geval kan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling worden gekeken naar de betekenis in de Van Dale. De Van Dale definieert lawaaisport als “sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport)”. Hoewel de voorbeelden uit de Van Dale niet limitatief zijn, begrijpt de rechtbank hier wel uit dat het moet gaan om een sport waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd. Dat geluid moet zodanig zijn dat er lawaai wordt gemaakt. De Van Dale definieert lawaai als “hard, onaangenaam geluid”. Dat padel als hinderlijk wordt ervaren, betekent niet dat er ook sprake is van lawaai. Anders dan de voorzieningenrechter is de rechtbank daarom van oordeel dat padel geen lawaaisport is. Het is daarom ook niet in strijd met de regels van het bestemmingsplan.\n\n5.2.. Op de zitting is uitvoerig gesproken over het bronvermogen en het maximale geluidniveau van padel. Volgens eisers heeft het college in het verweerschrift het gemiddelde geluidniveau van padel vergeleken met geluidbronvermogens van een crossmotor, schietsport en een modelvliegtuig. Dat is volgens eisers een verkeerde vergelijking, omdat padel een hoge slagfrequentie heeft van 30 tot 40 slagen per minuut met meer dan 108 dB(A) per slag. Dat had het college volgens eisers ook moeten verwerken in de tabel. De rechtbank stelt vast dat het college in de schematische vergelijking is uitgegaan van het gemiddeld geluidniveau. Daarin is padel te vergelijken met bijvoorbeeld hockey of voetbal. Volgens normaal spraakgebruik worden die sporten ook niet als lawaaisport beschouwd. Ook in het bronvermogen van padel ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat padel een lawaaisport is.\n\n5.3.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs er sprake van onevenredige geluidhinder?\n\n6. Eisers betogen dat het college bij de omgevingsvergunning voor de geluidschermen ten onrechte niet gekeken heeft naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het totale aangevraagde project, inclusief de voor de omgeving te verwachten geluidhinder. De padelbanen kunnen niet worden gebruikt zonder de geluidschermen. Dat blijkt ook uit het geluidsrapport dat bij de vergunningaanvraag is gevoegd. Het college had daarom ook moeten ingaan op het akoestisch onderzoek van bureau [naam bedrijf] van 10 januari 2024. Eisers hebben dit in de bezwaarfase al in gebracht.\n\n6.1.. Zoals hiervoor is overwogen, past padel binnen het bestemmingsplan en, zoals ook volgt uit de door de omwonenden genoemde uitspraak, betekent dat dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van padel zelf niet ter discussie kan staan. Weliswaar wijkt het college voor de geluidschermen zelf wel af van het bestemmingsplan, maar daarvan heeft het college de ruimtelijke aanvaardbaarheid beoordeeld. Geluidsoverlast is daar geen onderdeel van. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de geluidschermen hebben eisers niet bestreden met andere gronden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).\n\n Artikel 2.2, eerste lid, onder h, van de Wabo.\n\n Artikel 6.3.1 onder d van het bestemmingsplan.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onder c, en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo in combinatie met artikel 4, onderdeel 3, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2024:4717.\n\n Artikel 8:58 van de Awb.\n\n Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746.\n\n Artikel 6.1 van de planregels van Bestemmingsplan Noord.\n\n Artikel 6.3.1, onder d, van de planregels van Bestemmingsplan Noord.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3759","2026-05-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.022Z",{"id":183,"ecli":184,"slug":185,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":186,"fullText":187,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":188,"sourceTimestamp":189,"parsedAt":50,"updatedAt":190},"1133","ECLI:NL:RBGEL:2026:3432","ecli-nl-rbgel-2026-3432","2026-05-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8524uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] en [eiser] , uit [plaats] , eisers\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigde: mr. M. Litjens).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een last onder dwangsom aan eisers wegens het zonder vergunning uitvoeren van grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van een grotere serre aan hun woning. Eisers zijn het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden niet omgevingsvergunningvrij zijn en dat eisers ook niet hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig waren, zodat eisers een vergunning nodig hadden. Nu ze daarover niet beschikten was sprake van een overtreding van het facetbestemmingsplan Archeologie 2023 en was het college bevoegd om handhavend op te treden. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat dit handhavend optreden niet onevenredig was. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. In de bijlage bij de uitspraak staat de voor deze uitspraak van belang zijnde wet- en regelgeving.\n\nProcesverloop\n\n2. In het besluit van 8 juli 2024 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. In de beslissing op bezwaar van 18 oktober 2024 heeft het college het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard en de grondslag van het besluit aangepast.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met hun gemachtigde en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van de beslissing op bezwaar\n\n3. Eisers wonen op het adres [adres 1] in [plaats] . Eisers willen de bestaande uitbouw (serre) achter hun woning vervangen en uitbreiden. Ze hebben in februari 2023 laten beoordelen of er voor dat bouwplan een omgevingsvergunning nodig was. Uit de vergunningscheck op [website 1] bleek dat op dat moment niet het geval.\n\n3.1.. Eisers hebben op 17 mei 2024 een melding gedaan bij de gemeente voor de sloop van de bestaande uitbouw. Op 13 juni 2024 heeft de gemeente akkoord gegeven. Vervolgens is de aannemer van eisers aan het werk gegaan. Daarbij heeft de aannemer ook graafwerkzaamheden uitgevoerd. Op donderdag 4 juli 2024 is door de toezichthouder van de gemeente Nijmegen aan eisers telefonisch te kennen gegeven dat de grondwerkzaamheden met onmiddellijke ingang dienden te worden gestaakt en gestaakt te blijven op last van een dwangsom, in verband met een overtreding van het op 29 november 2023 in werking getreden bestemmingsplan “Facetbestemmingsplan Archeologie 2023” (verder: facetbestemmingsplan). In het besluit van 8 juli 2024 heeft het college de opgelegde last onder dwangsom schriftelijk bevestigd. In het besluit is aangegeven dat sprake was van een overtreding van artikel 3.1 van het facetbestemmingsplan omdat er grondwerkzaamheden zijn uitgevoerd zonder omgevingsvergunning.\n\n3.2.. In de beslissing op bezwaar heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten. Wel heeft het college de wettelijke grondslag gewijzigd. Aangegeven is dat de last niet op artikel 3.1 van het facetbestemmingsplan had moeten worden gebaseerd maar op artikel 3.4.1 van het facetbestemmingsplan, gelezen in combinatie met artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet, waar staat dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.\n\n3.3.. Tijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers aangegeven dat zij in november 2024 een omgevingsvergunning hebben aangevraagd voor de uitbouw en dat deze omgevingsvergunning eind december 2024 is verleend. Vervolgens is de verbouwing op 22 mei 2025 gestart en is de verbouwing aan het eind van 2025 afgerond. Eiser hebben dus uiteindelijk de uitbouw kunnen realiseren, met een aanpassing van het bouwplan. Zij hebben echter nog wel een belang bij het beroep omdat zij van mening zijn dat het college ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd en van hen heeft verlangd een omgevingsvergunning aan te vragen. Volgens eisers kon het oorspronkelijke bouwplan zonder omgevingsvergunning worden gerealiseerd. Zij geven aan dat de procedure hen veel tijd en geld heeft gekost. Eiser vragen daarom een schadevergoeding van ongeveer € 76.000.\n\nToetsingskader\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Daarmee kreeg elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Voor het perceel van eisers zijn de bestemmingsplannen “ Nijmegen -Oost” en “Facetbestemmingsplan Archeologie 2023” van toepassing. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om deze tijdelijke delen om te zetten in hun omgevingsplan. Tijdens de periode tot 2031 kan het zo zijn dat voor dezelfde situatie artikelen van toepassing zijn uit zowel de bruidsschat als de bestemmingsplannen. Daarom is in de bruidsschat, in artikel 22.1 van het omgevingsplan, een voorrangsbepaling opgenomen waaruit volgt welk artikel in zo’n situatie van toepassing is.\n\n4.1.. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.\n\n4.2.. Op het perceel geldt op grond van het bestemmingsplan “ Nijmegen Oost” aan de achterzijde van de woning de bestemming “Wonen” en op grond van het “Facetbestemmingsplan archeologie 2023” de bestemming “Waarde-Archeologie 1”.\n\n5. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het facetbestemmingsplan volgt dat het verboden is om zonder vergunning grondwerkzaamheden te verrichten op gronden met de bestemming “Waarde-Archeologie 1”, tenzij op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Volgens het college is niet aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn, terwijl er evenmin een vergunning is verleend, zodat sprake is van een overtreding. Het college heeft ook geen aanleiding gezien om van handhavend optreden af te zien.\n\nIs sprake van een overtreding?\n\n6. Eisers betogen dat geen sprake is van een overtreding. Ten eerste voeren zij daartoe aan dat het facetbestemmingsplan niet op hen van toepassing is omdat zij bij de voorbereiding van de gewenste werkzaamheden in 2023 al hebben geconstateerd dat volgens de vergunningscheck op [website 1] voor de werkzaamheden geen omgevingsvergunning nodig was. Daarbij vallen de werkzaamheden ook onder het overgangsrecht van het nadien vastgestelde facetbestemmingsplan. Voor zover de werkzaamheden wel onder de werking van het nieuwe facetbestemmingsplan zouden vallen betogen eisers dat de bouw niet in strijd is met dat bestemmingsplan en dat het bouwen van de serre sowieso omgevingsvergunningvrij is op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan.\n\nKunnen eisers rechten ontlenen aan een vergunningcheck in februari 2023?\n\n7. Eisers stellen dat zij in februari 2023 aan de hand van een vergunningcheck hebben vastgesteld dat geen omgevingsvergunning nodig was voor het bouwplan. Eisers vinden dat het toen geldende planologische kader nog steeds op hen van toepassing is, zeker nu het college hen ten onrechte niet op de hoogte heeft gesteld van de inwerkingtreding van het facetbestemmingsplan in november van dat jaar. Daarbij doen zij ook een beroep op het overgangsrecht van het facetbestemmingsplan.\n\n7.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten of een vergunningcheck op [website 1] kan leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen dat inderdaad geen vergunning nodig is, zegt een check alleen iets over de situatie op dat moment. Als later nieuwe regels worden vastgesteld kan aan zo’n check dus geen waarde meer worden gehecht. Toen eisers ruim een jaar later, ná de inwerkingtreding van het facetbestemmingsplan in november 2023, begonnen met de grondwerkzaamheden konden zij dus niet meer afgaan op die eerdere check. Het betoog van eisers dat het college hen op de hoogte had moeten stellen van de vaststelling van het facetbestemmingsplan maakt dat ook niet anders. Niet gebleken is dat de gemeenteraad van de gemeente Nijmegen het facetbestemmingsplan op onjuiste wijze bekend heeft gemaakt. Het is niet gebruikelijk dat een nieuw bestemmingsplan aan elke betrokken inwoner van de gemeente persoonlijk wordt toegezonden. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van burgers om in de gaten te houden welke wet- en regelgeving van toepassing is op hun perceel.\n\n7.2.. De werkzaamheden vallen evenmin onder het overgangsrecht van het facetbestemmingsplan. In artikel 12.1.1. van de planvoorschriften staat dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, onder het overgangsrecht valt. De bouw van de nieuwe serre valt niet onder een van deze voorwaarden, omdat het op 29 november 2023 nog niet gebouwd of in uitvoering was en er evenmin een vergunning voor was verleend. Een enkele gestelde check op internet valt namelijk niet gelijk te stellen met een verkregen omgevingsvergunning. Evenmin kan worden gesteld dat de werkzaamheden toen al in uitvoering waren. Het overgangsrecht is dus niet van toepassing. De verwijzing van eisers naar artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet slaagt evenmin. Dit overgangsrecht ziet ook op bouwwerkzaamheden die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gestart.\n\n7.3.. Het voorgaande betekent dat deze zaak moet worden beoordeeld aan de hand van het facetbestemmingsplan en de overige regels in het omgevingsplan.\n\nZijn de werkzaamheden omgevingsvergunningvrij?\n\n8. De rechtbank stelt vast dat het facetbestemmingsplan voor zover van belang twee verbodsbepalingen bevat. Artikel 3.2.1. van de planvoorschriften bepaalt dat op gronden met ‘Waarde - Archeologie 1’, zoals het perceel van eisers, niet mag worden gebouwd, met dien verstande dat (delen van) een bouwwerk dat geen bodemingreep met zich meebrengt, zijn toegestaan. Op grond van artikel 3.3.1. van het facetbestemmingsplan kan een vergunning worden verleend om van artikel 3.2.1. af te wijken. Een omgevingsvergunning kan worden verleend als op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Artikel 3.4.1. van de planvoorschriften bepaalt dat het verboden is op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren, waartoe onder meer worden gerekend het afgraven, woelen of mengen van gronden, alsmede het aanleggen van drainage en het verwijderen van bestaande funderingen. Artikel 3.4.2. bepaalt dat dit verbod niet van toepassing is als op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.\n\n8.1.. Niet in geschil is dat ten behoeve van de bouw van de serre grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden waarbij een andere en grotere fundering werd aangebracht dan die van de oorspronkelijke serre, zodat sprake is van strijd met deze verbodsbepalingen. In het bestreden besluit is het college ingegaan op zowel de strijd met artikel 3.2.1. als met artikel 3.4.1 van de planregels. Zoals op de zitting toegelicht heeft het college uiteindelijk de bepaling van artikel 3.4.1 van de planregels tegengeworpen om duidelijk te maken dat het verbod ziet op de grondwerkzaamheden, niet het bovengronds bouwen van de serre. Het college heeft in dat kader in het bestreden besluit verwezen naar de toelichting bij het facetbestemmingsplan, met een verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling.\n\n8.2.. Eisers hebben geen punt gemaakt van de vraag welke van de twee verbodsbepalingen gehanteerd moet worden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om daar verder op in te gaan omdat het duidelijk is dat ofwel beide verbodsbepalingen, ofwel één van die bepalingen van toepassing is en de gronden die eisers aanvoeren in gelijke mate van toepassing zijn op beide verbodsbepalingen. Eisers voeren namelijk aan dat aan de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan geen waarde toekomt omdat het bouwplan en de grondwerkzaamheden op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan vergunningvrij zijn. Op grond van artikel 22.22 van het omgevingsplan, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold,is sprake van een vrijstelling van archeologisch onderzoek omdat de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Volgens eisers gaat dit artikel voor op de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Eisers wijzen verder op artikel 22.27, artikel 22.28, vierde lid, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold,en artikel 22.36 van het omgevingsplan. Op grond van die bepalingen is het bouwplan, waaronder ook de daarbij behorende grondwerkzaamheden, omgevingsvergunningvrij. Ook deze bepalingen gaan voor op het facetbestemmingsplan zodat het bouwplan zonder omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd, ongeacht wat er in het facetbestemmingsplan is opgenomen.\n\n8.3.. Dit betoog slaagt niet. In artikel 22.22 van het omgevingsplan is kort samengevat bepaald dat regels over het verrichten van archeologisch onderzoek voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, niet van toepassing zijn als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2, of een afwijkende andere oppervlakte als die in het bestemmingsplan is opgenomen. Ten eerste volgt uit het facetbestemmingsplan dat bij de bestemming “Waarde - Archeologie 1” voor alle activiteiten waarbij sprake is van een bodemingreep, hoe beperkt ook, een omgevingsvergunning nodig is. Dit is anders bij de bestemmingen “Waarde - Archeologie 2” en “Waarde - Archeologie 3” waar wel een aantal m2 is opgenomen waarbinnen geen omgevingsvergunning nodig is. In de zin van artikel 22.22 van het omgevingsplan geldt binnen de bestemming “Waarde – Archeologie 1” dus een afwijkende oppervlakte, namelijk 0 m2, zodat geen sprake is van strijd met dit artikel. Ten tweede is van belang dat als wél sprake zou zijn van strijd met artikel 22.22 van het omgevingsplan, sprake zou zijn van strijd tussen die bepaling en de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Op dat moment wordt de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid van het omgevingsplan van belang.In die voorrangsbepaling staat kort samengevat dat als de regels van de bruidsschat in strijd zijn met het facetbestemmingsplan, de regels van het facetbestemmingsplan in de meeste gevallen voorgaan. Artikel 22.22 valt onder deze hoofdregel, zodat in dit geval de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan voorrang krijgen en blijven gelden. In zoverre is dus geen sprake van omgevingsvergunningvrije activiteiten.\n\n8.4.. Ditzelfde geldt voor artikel 22.27 van het omgevingsplan, waarin criteria zijn opgenomen wanneer een bijbehorend bouwwerk zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Ook voor artikel 22.27 geldt de hoofdregel dat bij strijdigheid het facetbestemmingsplan voorgaat. Artikel 22.27 doet daarom dus al niet af aan de tegengeworpen verbodsbepaling. Daarbij heeft het college er ook terecht op gewezen dat in artikel 22.28, vierde lid, van het omgevingsplan een uitzondering is opgenomen op het omgevingsvergunningvrije bouwen. Daarin is bepaald dat artikel 22.27 niet van toepassing is als in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 van het omgevingsplan, tenzij, onder meer, dat tijdelijke deel een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Uit de toelichting bij deze bepaling volgt dat bedoeld is dat een eventuele vrijstelling voor een vergunning om te bouwen, een bestaande vergunningplicht voor de grondwerkzaamheden wegens archeologische onderzoek, onverlet laat. De toelichting bij de bruidsschat verwijst daarbij naar de hiervoor al aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014. Het college heeft dan ook terecht overwogen dat uit (deze toelichting bij) de bruidsschat volgt dat de grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van de serre sowieso niet onder de werking van artikel 22.27 van het omgevingsplan vallen.\n\n8.5.. Nu de grondwerkzaamheden niet onder vrijstelling van artikel 22.27 van het omgevingsplan vallen, vallen ze evenmin onder de werking van artikel 22.36 van het omgevingsplan. Dat artikel ziet namelijk op de in artikel 22.27 van het omgevingsplan bedoelde gevallen. Nu artikel 22.27 niet op de grondwerkzaamheden ziet, slaagt het beroep op artikel 22.36 ook niet.\n\n8.6.. Het voorgaande betekent dat de grondwerkzaamheden niet vergunningvrij zijn op grond van de bepalingen van het omgevingsplan.\n\nHebben eisers aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn?\n\n9. Vervolgens hebben eisers betoogd dat het verbod om de grondwerkzaamheden uit te voeren in hun geval niet geldt, omdat zij hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn en deze waarden dus ook niet onevenredig kunnen worden geschaad.\n\n9.1.. Ook dit betoog faalt. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers ten tijde van het opleggen van de last geen archeologisch onderzoek of andere stukken hadden overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat dat er geen archeologische waarden meer aanwezig waren. Zij hebben er nadien wel op gewezen dat de betrokken gronden bij de bouw in 1914 en bij de bouw van de serre in 1994 flink zijn geroerd. Vast staat echter dat het bouwplan een uitbreiding van de serre omvat zodat uit die eerdere werkzaamheden niet volgt dat ook op de plaats van de uitbreiding geen archeologische waarden meer aanwezig zijn.9.2.. Verder betogen eisers dat in 2017 archeologisch onderzoekis gedaan en dat toen is geconstateerd dat ter plaatse sprake is van een verstoorde en gewoelde grond. Eisers geven echter zelf al aan dat het onderzoek uit 2017 ziet op de voorzijde van de woning. Het is niet in geschil dat juist de achterzijde van het perceel boven een voormalige Romeinse gracht ligt, zodat de situatie daar weer anders kan zijn dan aan de voorzijde van het perceel. Daarbij heeft het college er terecht op gewezen dat, juist omdat het gaat om een archeologisch bijzonder gebied, de bevindingen op elk perceel weer anders kunnen zijn. Daarom zeggen bevindingen op andere locaties in de omgeving niet zonder meer iets over de situatie ter plaatse van de uitbreiding van de serre.\n\n9.3.. \n\nNa het opleggen van de last hebben eisers een archeoloog van [naam bedrijf] B.V. opdracht gegeven onderzoek te verrichten. Deze heeft op 1 augustus 2024 een programma van eisen opgesteld, waarna het [naam bureau] grondboringen heeft verricht en op 5 november 2024 een advies heeft opgesteld. Daarin is geconcludeerd dat de bodem ter hoogte van de meeste boringen tot grote diepte was verstoord, maar dat op twee punten op 95 cm onder maainiveau onverstoorde zandafzettingen aanwezig waren met daarin een donker spoor dat betreft ligging en oriëntatie overeenkomt met een van de spitsgrachten van het Romeinse legioensfort. Geadviseerd wordt om een zandlaag van 30 cm boven het spoor van de spitsgracht in acht te nemen.\n\nEisers hebben het onderzoek van [naam bedrijf] bekritiseerd en ook het advies van [naam bureau]. Zij hebben daartoe onder meer een rapport van hun architect, [naam architect] van september 2024 overgelegd. Wel hebben ze hun bouwplan zodanig aangepast dat een zandlaag van 30 cm boven de spitsgracht in acht werd gehouden.\n\n9.4.. De rechtbank stelt voorop dat deze onderzoeken dateren van na de last, het advies van [naam bureau] zelfs van na de beslissing op bezwaar. Daarnaast volgt uit het advies van [naam bedrijf] dat nader onderzoek plaats moet vinden en komt uit dat nader onderzoek door [naam bureau] naar voren dat het bouwplan enigszins aangepast moet worden om de nog aanwezige sporen van de Romeinse gracht te beschermen. Eisers betwisten deze rapporten wel en ook de noodzaak van het behouden van een zandlaag van 30 cm, maar daarmee hebben zij nog niet aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.\n\n9.5.. Het voorgaande betekent dat eisers niet hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Nu zij ten tijde van het opleggen van de last en ook ten tijde van de beslissing op bezwaar evenmin een vergunning hadden voor de grondwerkzaamheden, was sprake van een overtreding van de bepalingen van het facetbestemmingsplan.\n\nIs sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien?\n\n10. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, moet in geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig, als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n10.1.. Eisers voeren aan dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en wijzen op het vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Eisers vinden het belang van archeologisch onderzoek van een klein stukje grond dat volgens hen zeker verstoord is (gelet op eerdere onderzoeken) niet in verhouding staan tot het dwingen van burgers om maandenlang in een gesloopt huis zonder achtergevel te bivakkeren.\n\nIs handhaving evenredig?\n\n11. De rechtbank stelt vast dat het college heeft gehandeld overeenkomstig het facetbestemmingsplan. De kritiek van eisers komt er voor een groot deel ook op neer dat zij vinden dat het facetbestemmingsplan te streng is, omdat nu voor alle activiteiten waarbij grondwerkzaamheden nodig zijn, een omgevingsvergunning nodig is. Ook als de (bouw)activiteiten op minder dan 50 m2 zien.\n\n11.1.. Als eisers het niet eens waren met het facetbestemmingsplan, hadden zij rechtsmiddelen moeten indienen tegen de vaststelling van het facetbestemmingsplan. Die mogelijkheid hebben zij ook gehad. Het facetbestemmingsplan is nu echter onherroepelijk en de inhoud van het facetbestemmingsplan kan daarom niet aan de orde komen.\n\n11.2.. Uit dat facetbestemmingsplan volgt dat onderzoek plaats moest vinden. Als het college daarop niet zou handhaven dan zou dit facetbestemmingsplan een lege huls zijn. Daarmee is geen sprake van een relatief gering belang van de gemeente, dat niet zou opwegen tegen gevolgen voor eisers. Dat in het geval van eisers niet alleen dat onderzoek nodig was, maar dat het ook heeft geleid tot vertraging van de bouw en stress, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de plicht om het onderzoek te verrichten, maar van het feit dat eisers dat niet vóór de werkzaamheden hadden gedaan. Zoals hiervoor overwogen mocht het college van eisers verwachten dat zij op de hoogte waren van (wijzigingen in) de regels die voor hun perceel gelden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de handelswijze van het college niet onevenredig is. Om diezelfde redenen kan het betoog van eisers dat een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden, evenmin slagen.\n\nIs sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel?\n\n12. Voor zover eisers aanvoeren dat de opgelegde last onder dwangsom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel volgt de rechtbank dat niet. Volgens eisers hebben de bewoners van het pand [adres 2] in [plaats] op 16 februari 2024 een brief gekregen van het college waarin staat dat eenzelfde soort verbouwing (vervanging en uitbreiding van een aanbouw buiten de bestaande fundering) zonder omgevingsvergunning is toegestaan. Het college heeft aangegeven dat bij [adres 2] een fout is gemaakt omdat het college een verkeerde uitleg van de Omgevingswet had gevolgd. Het college wil deze fout niet herhalen. Ook is aangegeven dat het college de gemaakte fout zal herstellen door te beoordelen of er voor die situatie alsnog een omgevingsvergunning verleend kan worden. De rechtbank is het met het college eens dat daarom geen sprake is van een gelijk geval waar een dergelijke uitbouw wel is toegestaan zonder omgevingsvergunning.\n\nIs sprake van schending van vertrouwensbeginsel door de acceptatie van de sloopmelding?\n\n13. Eisers voeren verder aan dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel omdat het college akkoord heeft gegeven op de melding voor de sloopwerkzaamheden. Het moet voor het college toen bekend zijn geweest dat onderdeel van de sloopwerkzaamheden het uitgraven van de fundering was. Dit betekent dat het college impliciet een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouwwerkzaamheden.\n\n13.1.. Ook dit betoog faalt. Als eerste geldt voor de sloopmelding een ander toetsingskader, afdeling 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De grondwerkzaamheden waarvoor de last is opgelegd betreffen daarnaast een groter oppervlak dan alleen de bestaande serre, zodat ook in zoverre de sloopmelding geen vertrouwen kon opleveren dat alle grondwerkzaamheden akkoord waren.\n\n14. Eisers voeren ook aan dat er tijdens de procedure veel onduidelijkheid is geweest in de communicatie van de gemeente. Telkens werden door ambtenaren, juristen en andere vertegenwoordigers van de gemeente over de bepalingen uit het facetbestemmingsplan andere interpretaties gegeven en andere verwachtingen gewekt. De adviseur rechtsbescherming heeft volgens eisers aan hen medegedeeld dat de afdeling juridische zaken aan de handhavingsambtenaar zou adviseren om de last onder dwangsom in te trekken omdat het bouwplan zonder omgevingsvergunning zou kunnen worden gerealiseerd. Later bleek dit niet zo te zijn. Daarnaast wijzen eisers erop dat in de beslissing op bezwaar de grondslag van de last onder dwangsom is gewijzigd.\n\n14.1.. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat er bij de gemeente onduidelijkheid bestond over de toepassing van het omgevingsplan en het facetbestemmingsplan. Dit is ook naar eisers toe geuit. Eisers hebben daarom langere tijd in onzekerheid verkeerd over hun situatie. De rechtbank merkt daarbij wel op dat deze onduidelijkheid niet zozeer was gelegen in het facetbestemmingsplan. Dat schrijft duidelijk voor dat bij deze bestemming voor alle grondwerkzaamheden, al dan niet in combinatie met bouwactiviteiten, archeologisch onderzoek nodig is. De onduidelijkheid zag op de vraag of dit door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan door de bruidsschat opzij werd gezet. Dat ook binnen de gemeente over die landelijke regelgeving onduidelijkheid bestond, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat de adviseur rechtsbescherming zou hebben aangegeven dat geadviseerd is om de last onder dwangsom in te trekken kan niet worden aangemerkt dat als een ondubbelzinnige toezegging van een daartoe bevoegde ambtenaar dat zonder omgevingsvergunning gebouwd mocht worden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat een wijziging van de grondslag van een last onder dwangsom in de beslissing op bezwaar mogelijk is omdat de bezwaarschriftenprocedure een algehele heroverweging van het primaire besluit inhoudt.In de bezwaarschriftenprocedure kunnen daarom gemaakte fouten worden hersteld. Het college heeft weliswaar een andere grondslag aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd, dit maakt de gevolgen van het primaire besluit niet anders.\n\nZorgvuldigheidsbeginsel\n\n15. Voor zover eisers aanvoeren dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat zij bij de oplegging van de last onder dwangsom niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze tegen dit besluit kenbaar te maken volgt de rechtbank dat niet. Er was sprake van een spoedeisende situatie waarbij de werkzaamheden direct stil moesten worden gelegd om mogelijke schade aan archeologische waarden te voorkomen. In geval van een spoedeisende situatie kan op grond van artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het vragen van een zienswijze achterwege worden gelaten. Daarnaast blijkt uit de last onder dwangsom dat eisers door de toezichthouder van de gemeente Nijmegen telefonisch in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze te geven.\n\n16. Gelet op voorgaande oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en dat er voor het college geen grond was om af te zien van handhaving.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Om die reden is er ook geen aanleiding om het college te veroordelen in door eisers gemaakte en te maken kosten voor archeologisch onderzoek, extra kosten als gevolg van de vertraging van de bouw en de aanpassingen aan het bouwplan, of proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage\n\nInvoeringswet Omgevingswet\n\nArtikel 4.6.\n\n1. Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, gelden:\n\n(...)\n\ng. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,\n\n(...)\n\nArtikel 4.14\n\nAls een activiteit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van die wet voor die activiteit een verbod als bedoeld in artikel 5.1, 5.3 of 5.4 van de Omgevingswet van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die wet een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die wet. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor daarbij aangegeven activiteiten worden bepaald dat:\n\na. een omgevingsvergunning van rechtswege geldt voor een andere daarbij aangegeven termijn,\n\nb. aan de geldigheid van een omgevingsvergunning van rechtswege geen termijn is verbonden.\n\nOmgevingsplan Nijmegen\n\nArtikel 22.1. Voorrangsbepaling\n\n1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.\n\n(...)\n\nArtikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek\n\n1. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.\n\n2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.\n\nArtikel 22.26\n\nHet is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.\n\nArtikel 22.27\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:\n\na. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\n1. op de grond staand;\n\n2. gelegen in achtererfgebied;\n\n3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;\n\n4. niet hoger dan 5 m;\n\n5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en\n\n6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;\n\n(...)\n\nArtikel 22.28\n\n(...)\n\n4. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:\n\na. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of\n\nb. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.\n\nArtikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan\n\nOnverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:\n\na. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\n1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:\n\ni. 5 m;\n\nii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en\n\niii. het hoofdgebouw;\n\n(...)\n\nFacetbestemmingsplan Archeologie 2023\n\nArtikel 3 Waarde - Archeologie 13.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.\n\n3.2. Bouwregels3.2.1. \n\nAlgemene bouwregels\n\nOp deze gronden mag niet worden gebouwd, met dien verstande dat (delen van) een bouwwerk dat geen bodemingreep met zich meebrengt, zijn toegestaan.\n\n3.3. Afwijken van de bouwregels3.3.1. \n\nAfwijkingsbevoegdheid\n\nHet bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.1 voor bouwwerken ten behoeve van deze dubbelbestemming en van de overige voor deze gronden geldende bestemmingen.\n\n3.3.2. \n\nToelaatbaarheid\n\nEen omgevingsvergunning kan worden verleend indien op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.\n\n3.3.3. \n\nAdviesprocedure voor afwijkingen\n\nAlvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorschriften, ter bescherming van de archeologische waarden, aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden zoals:\n\nde verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals: alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;\n\ntot het doen van een opgraving in de zin van artikel 1.1 lid c Erfgoedwet;\n\nhet begeleiden van de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend door een daarvoor aangewezen archeologisch deskundige;\n\nhet doen van nader archeologisch onderzoek.\n\n3.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\n3.4.1. \n\nWerken en werkzaamheden\n\nHet is verboden op of in de in lid 3.1 bedoelde grond zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:\n\ngrondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het verwijderen van bestaande funderingen;\n\nhet ophogen van de bodem met meer dan 1 meter;\n\nhet tot stand brengen en\u002Fof in exploitatie brengen van boor-en pompputten;\n\nhet aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen,\n\nhet uitvoeren van heiwerkzaamheden en\u002Fof het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;\n\nhet verlagen van het grondwaterpeil, buiten de bandbreedte van de natuurlijke fluctuatie;\n\nhet aanleggen of rooien van houtopstand(en) waarbij stobben worden verwijderd;\n\net omzetten van grasland in bouwland;\n\nhet aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie-,of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.\n\n3.4.2. \n\nUitzonderingen\n\nHet in lid 3.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden indien aan een van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:\n\nop basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;\n\nde werken en werkzaamheden:\n\n1. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;\n\n2. reeds als bestaand gebruik in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;\n\n3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;\n\n4. het archeologisch onderzoek betreffen.\n\n3.4.3. \n\nToelaatbaarheid\n\nDe werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover op grond van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.\n\n3.4.4. \n\nAdviesprocedure voor omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\nAlvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorschriften, ter bescherming van de archeologische waarden, aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.\n\n12.1. Overgangsrecht bouwwerken12.1.1. \n\nAlgemeen\n\nEen bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,\n\na. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;\n\nb. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.\n\n Uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2066\n\n Artikel 22.22 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 geschrapt.\n\n Artikel 22.28 is per 13 april 2026 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 gewijzigd.\n\n In artikel 22.1, eerste lid van het Omgevingsplan staat: “De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.” Dit betekent dat een bestemmingsplan in zo’n geval voorgaat op de artikelen 22.4 t\u002Fm 22.35 en de artikelen 22.41 t\u002Fm 22.270 als deze in strijd zijn met het Omgevingsplan. Dit geldt niet voor de artikelen 22.36 t\u002Fm 22.40.\n\n [website 2]\n\n Zie artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3432","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.865Z",{"id":192,"ecli":193,"slug":194,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":189,"fullText":195,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":196,"sourceTimestamp":197,"parsedAt":50,"updatedAt":198},"1132","ECLI:NL:RBOBR:2026:2711","ecli-nl-rbobr-2026-2711","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F972 OWBOUW\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel, het college\n\n(gemachtigde: mr. P.M.H.M. Bakermans).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam]uit [woonplaats] (de vergunninghouder).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het aanbrengen van terreinverharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden aan de [adres] in [woonplaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 18 maart 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVooraf\n\n3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n De vergunninghouder exploiteert een verhuurbedrijf van bouwkranen aan de [adres] in [woonplaats] (de locatie). Verzoeker is eigenaar van het aangrenzende bedrijfsperceel.\n\n Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Eersel (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “[naam]” (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Bedrijf - 2”, “Agrarisch met waarden – Landschap” en “Waarde – Archeologie 5.2” toegekend. De locatie bevat tevens een bouwvlak en de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\n Op 11 februari 2026 is de omgevingsvergunning aangevraagd. Uit de aanvraag volgt dat het project bestaat uit het aanbrengen van terreinverharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden. De terreinverharding komt te liggen op de achterzijde van de locatie en beslaat een oppervlakte van 3.389 m2. De graafwerkzaamheden zijn ten behoeve van een wadi en worden uitgevoerd binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\nSpoedeisend belang\n\n4. Voor het treffen van een voorlopige voorziening geldt op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het vereiste van het aanwezig zijn van een spoedeisend belang. Gebleken is dat nog geen uitvoering is gegeven aan de vergunning. Verzoeker vreest onder meer wateroverlast vanwege de aan te leggen wadi. De wadi komt op basis van de bij de aanvraag gevoegde tekening te liggen binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Ingevolge artikel 4.1, onder h, van de planregels zijn die gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van hydrologische waarden. De voorzieningenrechter veronderstelt dat een nieuwe wadi van invloed kan zijn op de hydrologische waarden ter plaatse, en daarmee ook op de waterhuishouding binnen het perceel van verzoeker. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een voldoende spoedeisend belang.\n\nIs er aanleiding om het bestreden besluit te schorsen?\n\n5. Ter zitting is met partijen gesproken over de voorgenomen plannen. De terreinverharding wordt aangelegd binnen de bedrijfsbestemming. Volgens het college is het toegestaan om die bestemming te verharden ten behoeve van bedrijvigheid. Het is de voorzieningenrechter echter duidelijk geworden dat binnen de bedrijfsbestemming op twee plaatsen ook de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ is gelegen. Ingevolge artikel 6.1 van de planregels zijn de voor “Bedrijf – 2” aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’. Uit de tekening die bij de aanvraag is gevoegd leidt de voorzieningenrechter af dat ook ter hoogte van de aanduidingen ‘landschapswaarden’ sprake zal zijn van terreinverharding. Op grond van artikel 6.6.1 van de planregels is het ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen aan te brengen of (delen van) landschapselementen te verwijderen. Vanwege de omgevingsvergunning zal in ieder geval sprake zijn van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. De omgevingsvergunning kan ingevolge artikel 6.6.3 van de planregels slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van het landschapselement.\n\n6. De wadi wordt aangelegd binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Ingevolge artikel 4.1, van de planregels zijn die gronden onder meer bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden, behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, en het behoud en herstel van hydrologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Op grond van artikel 4.4.1, onder a, van de planregels is het verboden om binnen die bestemming zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bodem af te graven. Vanwege de aanleg van de wadi zal sprake zijn van het afgraven van de bodem. De omgevingsvergunning kan ingevolge artikel 4.4.3 van de planregels slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\n7. Gelet op het voorgaande zijn de activiteiten die zien op zowel het aanleggen van de terreinverharding als het aanleggen van de wadi vergunningplichtig onder het bestemmingsplan. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 22.277, onder a, van het omgevingsplan eveneens vergunningplichtig. Artikel 22.281 van het omgevingsplan bepaalt dat het college bevoegd is om de vergunning te verlenen en niet verplicht is om de vergunning te verlenen.\n\n8. In het bestreden besluit is niet kenbaar gemotiveerd dat de terreinverharding geen onevenredige afbreuk doet aan het landschapselement. Evenmin is kenbaar gemotiveerd dat de werkzaamheden ten behoeve van de wadi geen onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de omgevingsvergunning te schorsen. Het is niet bekend welke waarden ter plaatse aanwezig zijn en of de werkzaamheden hieraan op onevenredige wijze afbreuk doen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 18 maart 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.\n\n9.1.. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage: relevante bepalingen uit het bestemmingsplan\n\nArtikel 4 Agrarisch met waarden - Landschap\n\n4.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na agrarische grondexploitatie;\n\nb behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden;\n\nc behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden;\n\nd extensief recreatief medegebruik;\n\ne groenvoorzieningen;\n\nf water en waterhuishoudkundige voorzieningen;\n\nalsmede voor:\n\ng het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;\n\nh het behoud en herstel van hydrologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\n4.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\n4.4.1. \n\nOmgevingsvergunning\n\na Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:\n\n1. het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen;\n\n2 het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²;\n\n3 het kappen en\u002Fof rooien van bomen en\u002Fof houtgewas;\n\n4 het beplanten van gronden met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt (teelt van maximaal 5 jaar);\n\n5 het diepploegen en diepwoelen van de bodem;\n\n6 het afgraven, ophogen, en egaliseren van de bodem.\n\nb In aanvulling op het bepaalde in sub a is het ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:\n\n1. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen of banen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;\n\n2 het verwijderen van (delen van) landschapselementen.\n\nc In aanvulling op het bepaalde in sub a is het ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:\n\n1. het aanbrengen van houtopstanden;\n\n2 het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen.\n\n4.4.2. \n\nUitzonderingen\n\nHet in lid 4.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden welke:\n\na het normale onderhoud en\u002Fof landschapsbeheer betreffen;\n\nb reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;\n\nc waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan omgevingsvergunning is verleend.\n\n4.4.3. \n\nToelaatbaarheid\n\nDe in lid 4.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van:\n\na de landschappelijke waarden;\n\nb de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden;\n\nc het landschapselement, ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;\n\nd de hydrologische eigenschappen, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\nArtikel 6 Bedrijf – 2\n\n6.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor ‘Bedrijf – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na bedrijven genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 2 t\u002Fm 3.2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige en risicovolle bedrijven;\n\nb bestaande bedrijven genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 1;\n\nc productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen;\n\nd tevens een sigarenfabriek, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - sigarenfabriek’;\n\ne tevens een landbouwmechanisatiebedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - landbouwmechanisatiebedrijf’.\n\nf bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;\n\ng opslag en uitstalling;\n\nh parkeervoorzieningen;\n\ni groenvoorzieningen;\n\nj wegen, paden en straten;\n\nk tuinen, erven en verhardingen;\n\nl water en waterhuishoudkundige voorzieningen;\n\nalsmede voor:\n\nm het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;\n\nn het behoud en herstel van cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorische waardevolle bebouwing’\n\n6.6. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\n6.6.1. \n\nOmgevingsvergunning\n\na Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’:\n\n1. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen of banen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;\n\n2 het verwijderen van (delen van) landschapselementen.\n\n6.6.2. \n\nUitzonderingen\n\nHet in lid 6.6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden welke:\n\na het normale onderhoud en\u002Fof landschapsbeheer betreffen;\n\nb reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;\n\nc waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan omgevingsvergunning is verleend.\n\n6.6.3. \n\nToelaatbaarheid\n\nDe in lid 6.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van het landschapselement.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2711","2026-04-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.800Z",{"id":200,"ecli":201,"slug":202,"caseNumber":43,"courtId":157,"decisionDate":203,"fullText":204,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":205,"sourceTimestamp":177,"parsedAt":50,"updatedAt":206},"1009","ECLI:NL:RBAMS:2026:4662","ecli-nl-rbams-2026-4662","2026-04-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 25\u002F2084\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen\n\nHuurdersvereniging [naam] , te [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. L.C. van Elewoud).\n\nAls derde-partij neemt aan het geding deel [bedrijf] te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna respectievelijk de Huurdersvereniging, het college en [bedrijf] worden genoemd.\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat het gebrek dat is vastgesteld in de tussenuitspraak is hersteld. Het college heeft [bedrijf] de gelegenheid gegeven om alsnog de verplichte participatie uit te voeren. De aan [bedrijf] verleende omgevingsvergunning kan in stand blijven met de aanvullende motivering van het college.\n\n1.1. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie komt.\n\nProcesverloop\n\n2. [bedrijf] exploiteert een horecazaak met een terras op het adres [adres 1] . Op 13 maart 2024 heeft [bedrijf] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van het gebruik voor een onbebouwd horecaterras op het perceel [adres 1] . Met de aanvraag wil [bedrijf] het bestaande horecaterras legaliseren en vergroten voor wat betreft het onbebouwde deel met een breedte van 6 meter en een diepte van 1,88 meter.\n\n2.1. Met het primaire besluit van 24 juli 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.\n\n2.2. In het bestreden besluit van 14 februari 2025 op het bezwaar van de Huurdersvereniging heeft het college de omgevingsvergunning gehandhaafd.\n\n2.3. Op 26 maart 2025 heeft het college de beslissing op bezwaar van 14 februari 2025 gewijzigd door de oorspronkelijke tekening die onderdeel is van de omgevingsvergunning te vervangen door een aangepaste tekening.\n\n2.4. De Huurdersvereniging heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.5. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de Huurdersvereniging, de gemachtigde van het college en tot slot [persoon 1] en [persoon 2] , aandeelhouders van [bedrijf].\n\n2.6. In de tussenuitspraak van 20 november 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek - het ontbreken van verplichte participatie - in het bestreden besluit te herstellen.\n\n2.7. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak [bedrijf] in de gelegenheid gesteld om alsnog de verplichte participatie uit te voeren. [bedrijf] heeft daarvan gebruik gemaakt, waarna het college in de brief van 30 januari 2026 heeft geconcludeerd dat op voldoende wijze is geparticipeerd door [bedrijf] en dat de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit ongewijzigd blijft.\n\n2.8. De Huurdersvereniging heeft hier op 20 februari 2026 schriftelijk op gereageerd.\n\n2.9. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.\n\n3.1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat er geen participatie heeft plaatsgevonden bij de voorbereiding van de aanvraag. Omdat de uitkomst van participatie mee kan wegen in de belangenafweging die verricht moet worden bij de buitenplanse omgevingsvergunning, had het college [bedrijf] alsnog in de gelegenheid moeten stellen de verplichte participatie uit te voeren. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.\n\n3.2. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak laten weten dat [bedrijf] op 15 december 2025 een bewonersbrief heeft verspreid op meerdere adressen in de [adres 2] en de [adres 3] . Daarnaast is in het restaurant van [bedrijf] duidelijk zichtbaar een bewonersbrief aangeplakt. Na afloop van de reactietermijn zoals opgenomen in de bewonersbrief, heeft [bedrijf] een participatieplan geschreven, waaruit volgt dat er geen reactie is ontvangen op de verspreide en aangeplakte bewonersbrieven. Het college heeft de bewonersbrief en het participatieplan overgelegd.\n\n3.3. De Huurdersvereniging voert in de zienswijze kort gezegd aan dat er te laat, te weinig en onvoldoende is geparticipeerd. Volgens haar is de herstelpoging van het college niet geslaagd. Daarnaast wijst de Huurdersvereniging erop dat, ondanks de discussie op zitting en de tussenuitspraak, er toch een bebouwd terras is gerealiseerd.\n\nWel of geen bebouwd terras?\n\n3.4. Volgens de Huurdervereniging heeft [bedrijf] een terras gebouwd, ook al staat in de aanvraag om een omgevingsvergunning dat het gaat om een onbebouwd terras. Dit is in strijd met het geldende bestemmingsplan en hiervoor is geen omgevingsvergunning verleend. Ter illustratie heeft de Huurdersvereniging een foto van het terras ingebracht. De Huurdersvereniging verzoekt de rechtbank de omgevingsvergunning op deze grond te vernietigen.\n\n3.5. De rechtbank stelt vast dat de Huurdersvereniging hiermee, deels in andere bewoordingen, heeft herhaald wat zij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Hierover heeft de rechtbank zich al uitgelaten in de tussenuitspraak. De rechtbank kan behalve in zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van zo'n in de tussenuitspraak gegeven oordeel. De rechtbank is van oordeel dat zich hier niet zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet. Dat betekent dat de rechtbank niet terugkomt van haar oordeel in de tussenuitspraak. Indien de realisatie van het terras volgens de Huurdersvereniging afwijkt van wat door het college is vergund, kan de Huurdersvereniging een verzoek om handhaving indienen. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de hersteltermijn overschreden?\n\n3.6. Volgens de Huurdersvereniging heeft het college het gebrek te laat hersteld, namelijk niet binnen de termijn van acht weken na verzending van de tussenuitspraak.\n\n3.7. De rechtbank stelt vast dat het college het gebrek inderdaad niet binnen de geboden termijn heeft hersteld. De tussenuitspraak is verzonden op 21 november 2025, zodat de hersteltermijn van acht weken eindigde op 16 januari 2026. Op 30 januari 2026 heeft de rechtbank de aanvullende motivering van het college ontvangen. Het college heeft niet om verlenging van de hersteltermijn verzocht.\n\n3.8. De rechtbank overweegt dat de gegeven termijn in de tussenuitspraak een bindende termijn is. De Algemene wet bestuursrecht verbindt daar echter niet de conclusie aan dat de rechtbank gehouden is de nadere motivering steeds buiten beschouwing te laten als deze na die termijn wordt ingediend. Het is aan de rechtbank om te bepalen, mede gelet op de voortgang van het beroep, of de nadere motivering in de beoordeling van het beroep wordt betrokken. In dit geval heeft de rechtbank het onderzoek niet direct na het verstrijken van de geboden hersteltermijn gesloten en is de aanvullende motivering vóór sluiting van het onderzoek ontvangen. Verder heeft de Huurdersvereniging de mogelijkheid gekregen om inhoudelijk op de aanvullende motivering van het college te reageren. De Huurdersvereniging is door de termijnoverschrijding dan ook niet in haar belangen geschaad. Gelet op het voorgaande en met het oog op een efficiënte beslechting van het voorliggende geschil, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aanvullende motivering buiten beschouwing te laten.\n\n3.9. Volgens de Huurdersvereniging is het college ook om andere redenen te laat met het herstelbesluit. Zowel na het indienen van de aanvraag als in de bezwaarfase had het college [bedrijf] erop kunnen wijzen dat de verplichte participatie ontbrak en dat deze alsnog uitgevoerd moest worden.\n\n3.10. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het is juist dat het college [bedrijf] er eerder op had kunnen wijzen dat de verplichte participatie ontbrak. Dat is op dit moment echter een gepasseerd station. Aangezien de rechtbank in de tussenuitspraak het college in de gelegenheid heeft gesteld dit gebrek te herstellen, is nu niet aan de orde dat het college [bedrijf] eerder in de gelegenheid had moeten stellen om de verplichte participatie uit te voeren. De rechtbank gaat daarom aan deze beroepsgrond voorbij.\n\nIs het gebrek hersteld?\n\n3.11. Volgens de Huurdersvereniging is het gebrek niet hersteld. [bedrijf] heeft de kring van participanten te klein gehouden door zich te beperken tot de directe buren en de klanten die de horecazaak bezoeken. Verder is onvoldoende gevolg gegeven aan de Participatiehandreiking, omdat er geen online enquête is gehouden, omwonenden en bedrijven niet zijn aangeschreven en er geen informatieavond is georganiseerd. Tot slot wijst de Huurdersvereniging erop dat in het participatieverslag niets terug te vinden is van de bezwaren die bij de Huurdersvereniging leven. [bedrijf] heeft de Huurdersvereniging ten onrechte niet betrokken in het participatieproces.\n\n3.12. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat op grond van het Aanwijzingsbesluit elke vorm van participatie voldoende is, waarbij de Participatiehandreiking als hulpmiddel kan worden gebruikt. Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat [bedrijf] de omgeving had moeten raadplegen, waarbij het volgens de Participatiehandreiking gaat om het verzamelen van reacties, ideeën en meningen van directe buren, omwonenden en ondernemers in de buurt. De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf] met het verspreiden van een brief onder de directe buren en omwonenden alsmede met het aanplakken van diezelfde brief in het restaurant, op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de Participatiehandreiking. Er bestond geen verplichting om de Huurdersvereniging actief in het participatieproces te betrekken. De bezwaren van de Huurdersvereniging waren bovendien al bij [bedrijf] bekend. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n3.13. De Huurdersvereniging heeft verder aangevoerd dat de bewonersbrief misleidend is, omdat er niet in wordt genoemd dat het gaat om een horecaterras in strijd met het bestemmingsplan en er niet in staat dat de participatie onderdeel is van een legalisatietraject. Ook heeft [bedrijf] zich volgens de Huurdersvereniging niet gehouden aan de opdracht door in de bewonersbrief een tweede participatie te starten voor een ander terras. De bewonersbrief had daardoor geen eenduidig doel.\n\n3.14. De rechtbank is van oordeel dat van misleiding geen sprake is. Participatie is erop gericht om bewoners en ondernemers te informeren en te betrekken bij projecten die impact hebben op hun directe leefomgeving en vindt normaal gesproken plaats voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend. Het is vervolgens aan het college om de aanvraag juridisch te duiden en te beoordelen. Dat het horecaterras in strijd is met het bestemmingsplan hoefde in de bewonersbrief dan ook niet te worden vermeld. Dat de verplichte participatie in het kader van deze procedure plaatsvindt na indiening van de aanvraag betekent niet dat [bedrijf] deze informatie wel moest delen. Verder stond het [bedrijf] vrij om in de bewonersbrief ook te vragen wat de directe omgeving vindt van een mogelijke toekomstige uitbreiding van het terras. Daarover heeft [bedrijf] in de brief helder gecommuniceerd dat deze uitbreiding nog niet is aangevraagd en dat zij eerst wil kijken hoe de directe omgeving hierover denkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n3.15. Tot slot wijst de Huurdersvereniging erop dat uit de aanvullende motivering van het college niet blijkt wie de participatie heeft beoordeeld en of deze persoon deskundig en bevoegd is te besluiten of de participatie voldoende en overeenkomstig de Participatiehandreiking is uitgevoerd.\n\n3.16. De rechtbank stelt vast dat de aanvullende motivering is ondertekend namens het college, dat bevoegd is om het bestreden besluit te nemen, te wijzigen en aan te vullen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aan de formele vereisten voldaan en is geen sprake van een bevoegdheidsgebrek.\n\n3.17. De rechtbank concludeert dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld doordat [bedrijf] alsnog de verplichte participatie heeft uitgevoerd en het college dit alsnog bij het bestreden besluit heeft betrokken. Er zijn tijdens de participatieperiode geen reacties ontvangen, waarna het college heeft geconcludeerd dat de belangenafweging in het bestreden besluit niet anders zou zijn geweest als het participatieplan van [bedrijf] direct bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning zou zijn overgelegd. Deze conclusie kan de rechtbank volgen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege het ontbreken van verplichte participatie. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak en de aanvullende motivering van 30 januari 2026 het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n4.1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan de Huurdersvereniging het door haar betaalde griffierecht vergoeden.\n\n4.2. De Huurdersvereniging krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 385,- aan de Huurdersvereniging te vergoeden;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van de Huurdersvereniging tot een bedrag van € 2.335,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. J.W. Vriethoff, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen.\n\n voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4662","2026-07-13T00:28:58.790Z",{"id":208,"ecli":209,"slug":210,"caseNumber":43,"courtId":167,"decisionDate":211,"fullText":212,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":213,"sourceTimestamp":214,"parsedAt":50,"updatedAt":215},"1134","ECLI:NL:RBROT:2026:5132","ecli-nl-rbrot-2026-5132","2026-04-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F9232uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen\n\n1. [eiser 1] en [eiser 2],2. [eiser 3],\n\nuit Noordeloos, eisers\n\n(gemachtigde: mr. R.N. van der Velde),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden\n\n(gemachtigden: mr. J.L. Roetman en A.C. van der Gugten).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam camping]uit Giessenburg (vergunninghouder).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van twee vakantieverblijven, de uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen van 25 naar 30, de inpandige stalling van caravans en de winteropenstelling van de camping. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. [naam camping] (de camping) is gevestigd aan de [adres] (het perceel). Met het besluit van 12 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor:\n\n- het realiseren van de bouw van een gebouw met daarin twee vakantieverblijven (één voor maximaal vier personen en één voor maximaal acht personen);\n\n- de uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen van 25 naar 30 op het bestaande kampeerterrein;\n\n- de stalling van circa tien caravans binnen de bestaande gebouwen (uitsluitend inpandig), en\n\n- de winteropenstelling van de camping.\n\n2.1.. Eisers hebben op 18 april 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.2.2.. Met het wijzigingsbesluit van 24 juli 2025 heeft het college de motivering van het primaire besluit aangevuld.\n\n2.3.. Het wijzigingsbesluit is op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) van rechtswege onderdeel geworden van de bezwaarprocedure.\n\n2.4.. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de besluiten gebleven, waarmee het college is afgeweken van het advies van de Advies Commissie Bezwaarschriften (de bezwaarschriftencommissie).\n\n2.5.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft schriftelijk gereageerd.\n\n2.6.. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college (vergezeld door juridisch adviseur handhaving [naam 1]), en namens vergunninghouder, [naam 2] (de eigenaar\u002Fexploitant van de camping).\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Vergunninghouder heeft op 23 april 2024 een aanvraag voor het verbreden van de activiteiten op de camping ingediend. Vergunninghouder wil twee vakantieverblijven realiseren, het aantal kampeerplekken uitbreiden, caravans in de bestaande bebouwing stallen en een winteropenstelling van de camping.\n\n3.1.. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (de Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Molenlanden (het omgevingsplan). Het omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied Giessenlanden” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan de bestemmingen “Waarde – Archeologie – 5” en “Recreatie – Verblijfsrecreatie”. Het perceel heeft de functieaanduiding “specifieke vorm van recreatie – minicamping”.\n\n3.2.. Het bouwplan is op een aantal punten in strijd met de planregels. Het gaat om het gebruiken en bouwen in strijd met de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie”. Met het primaire besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de “bouwactiviteit” en de “buitenplanse omgevingsplanactiviteit” (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow).\n\n3.3.. \n\nEisers zijn woonachtig aan de Overslingeland 31-1 in Noordeloos. De eenmanszaak (een kalveropfokbedrijf) is hier ook gevestigd.\n\nToetsingskader\n\n4. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteiten leefomgeving (het Bkl) wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.\n\nOp grond van het artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\nHet college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het college moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\n4.2.. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nZuid-Hollandse Omgevingsverordening\n\n5. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit in strijd is met het provinciaal beleid uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (de Omgevingsverordening). Uit het bestreden besluit volgt namelijk niet dat er rekening is gehouden met het behoud van de ruimtelijke kwaliteit, de bescherming van belangrijke natuurgebieden, het meewegen van klimaatrisico’s en het voorkomen van permanente bewoning van recreatiewoningen.\n\n5.1.. Het college heeft op de zitting meegedeeld dat in het wijzigingsbesluit per abuis is verwezen naar de ruimtelijke motivering van 23 april 2024 in plaats van die van 23 januari 2025. Naar aanleiding van het advies van de Provincie Zuid-Holland van 17 juli 2024 is de eerdere ruimtelijke motivering op 23 januari 2025 aangepast. Het college heeft echter met de inventarislijst van de stukken die aan de bezwaarschriftencommissie zijn overgelegd, toegelicht dat de ruimtelijke motivering van 23 januari 2025 wel ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de ruimtelijke motivering van 23 januari 2025 onderdeel van de motivering van het bestreden besluit.\n\n5.2.. Uit de ruimtelijke motivering volgt dat het is getoetst aan de Omgevingsverordening en daarin staat het volgende. Het bouwplan kan worden gezien als landschappelijke inpassing omdat de ontwikkeling gebiedseigen en passend is bij de maat en aard van de bestaande kenmerken van het gebied. De bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet. Doordat er sprake is van een grote variëteit aan beplanting en deze zijn volgroeid tot een dichte rand, zijn de recreatieve activiteiten en de bebouwing op de camping aan het zicht onttrokken. Verder krijgt het nieuwe recreatiegebouw met vakantieverblijven een passende landelijke en ingetogen uitstraling. Gezien de aangevraagde activiteiten vallen binnen het huidige campingterrein in combinatie met de landschappelijke inpassing van het campingterrein is er geen sprake van aantasting van de kenmerkende landschapselementen van het veenweidelandschap en is er ook geen negatief effect op het weidevogelgebied. Verder is in de ruimtelijke motivering toegelicht dat er met het bouwplan voldoende rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering. Zo zijn er voldoende mogelijkheden om het hemelwater af te voeren of in de bodem te laten infiltreren. Het nieuwe gebouw wordt op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Ook wordt bij de uitwerking van het gebouw rekening gehouden met de accumulatie van warmte.\n\n5.3.. Gelet op deze ruimtelijke motivering ziet de rechtbank in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat het bouwplan in strijd is met het provinciaal beleid uit de Omgevingsverordening. Het college heeft met de ruimtelijke motivering onderbouwd dat er met het bouwplan sprake is van een landschappelijke inpassing waardoor er geen aantasting is van het veenweidelandschap en het weidevogelgebied en dat met het bouwplan rekening wordt gehouden met de klimaatrisico’s. Verder is in de omgevingsvergunning het voorschrift opgenomen dat de eigenaar verantwoordelijk blijft om permanente bewoning tegen te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMinicamping\n\n6. Eisers betogen dat de winteropenstelling en de caravanstalling in strijd zijn met het Omgevingsplan, te weten de bouw- en gebruiksregels uit artikel 15.2.1, aanhef en onder d, en artikel 15.3, aanhef en onderdeel a, van de planregels. Op de zitting hebben eisers aangevoerd dat met de uitbreiding van het aantal standplaatsen de camping niet meer voldoet aan de functieaanduiding van “specifieke vorm van recreatie – minicamping”. Daarbij wijzen eisers op de Toeristische Agenda Molenlanden waaruit volgt dat er sprake is van een minicamping tot vijftien standplaatsen. Volgens eisers is ook onduidelijk of de recreatieverblijven gebouwd worden binnen het bouwvlak.\n\n6.1.. De rechtbank stelt met betrekking tot het aantal standplaatsen allereerst vast dat in de planregels geen definitie is opgenomen van het begrip “minicamping”. Voor zover eisers stellen dat er voor de definitie gekeken dient te worden naar de Toeristische Agenda Molenlanden, merkt de rechtbank op dat hierin ook geen definitie van “minicamping” is opgenomen. Dat daarin gesproken wordt van een mini-camping tot vijftien plaatsen, betekent nog niet dat een camping om een mini-camping te zijn maar vijftien plaatsen mag hebben. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in de stelling dat de camping in strijd is met de functieaanduiding “specifieke vorm van recreatie – minicamping’. Wat de winteropenstelling van de camping betreft, heeft het college in de ruimtelijke overweging van het wijzigingsbesluit toegelicht dat wordt ingezet op verlenging van het toeristisch seizoen en dat het positief staat tegenover initiatieven die jaarrond overnachten mogelijk maken. Door meer in te zetten op het trekken van vakantiegangers in de weken tussen het hoog- en laagseizoen en daar passend aanbod voor te ontwikkelen, ontvangen ook dagrecreatieve bedrijven en horeca jaarrond meer gasten. Verder vindt de caravanstalling geheel plaats binnen de bestaande bebouwingen. Er bestaat hierdoor geen kans van verrommeling op het erf en het zicht zal niet verder worden beperkt. De rechtbank is gelet op deze motivering van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom er in afwijking van de planregels een omgevingsvergunning is verleend voor de winteropenstelling van de camping en de inpandige caravanstalling. Het college heeft ten aanzien van het bouwvlak op de zitting aan de hand van de plankaart het bouwvlak aangegeven en onweersproken toegelicht dat de twee recreatiewoningen binnen het bouwvlak worden gebouwd. De twee recreatiewoningen (100 m2) worden gebouwd op de plek van de huidige schuur (80 m2) waarbij er nog voldoende ruimte is in het bouwvlak voor de toename in oppervlakte. Van de door eisers gestelde strijdigheid met artikel 15.2.1, onder d, onder 1, van de planregels vanwege het bouwen buiten het bouwvlak, is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nGrondwater- en bodemonderzoek\n\n7. Eisers stellen dat er ten onrechte geen grondwater- en bodemonderzoek is gedaan op basis van de NEN-normen. Voor wat betreft het grondwater wijzen zij ook op de Voorbeschermingsregels zoals opgenomen in het Omgevingsplan. Voor wat betreft de bodem wijzen zij op artikel 5.89ka, eerste lid, van het Bkl. Volgens eisers strekken de normen inzake bodem- en grondwaterkwaliteit vanuit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties mede ter bescherming van de belangen van eisers op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de ongehinderde uitoefening van hun agrarische bedrijf. Daarbij wijzen eisers op de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 november 2020.\n\n7.1.. Het college heeft gesteld dat het relativiteitsvereiste een beroep op betreffende regels in de weg staat. Het college heeft ten aanzien van de door eisers aangehaalde uitspraak meegedeeld dat daaruit volgt dat alleen wanneer het milieubelang zodanig verweven is met het woon- of leefklimaat daarop een beroep kan worden gedaan. Het college meent dat hiervan geen sprake is.\n\n7.2.. Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\n7.3.. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun belangen zo verweven zijn met de belangen van de gebruikers van het te bouwen bouwwerk of de bescherming van bodem- en grondwaterkwaliteit, zodat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de betrokken normen ook strekken ter bescherming van de belangen van eisers als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb zodat hierop geen beroep kan worden gedaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er tussen het perceel waarop het bouwplan wordt gerealiseerd en het perceel van eisers nog een weg en een sloot ligt.\n\nEvenwichtige toedeling van functies aan locaties\n\n8. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning in strijd is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat het college de belangen van eisers niet heeft meegenomen in de belangenafweging. Door de uitbreiding van de camping wordt het woon- en leefklimaat van eisers aangetast. Ook worden eisers bemoeilijkt in hun agrarische bedrijfsvoering. Zo worden er auto’s in de berm geparkeerd en neemt het aantal verkeersbewegingen toe. De uitbreiding van de camping leidt tot (geluid)overlast, feesten en evenementen, meer verkeersbewegingen, geurhinder van vuurkorven en barbecues en zicht- en lichtimpact van de koplampen van auto’s.\n\n8.1.. De rechtbank stelt voorop dat het bij de beoordeling alleen kan gaan om aspecten die in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties relevant zijn. Dit volgt uit het hiervoor onder 4.1 beschreven toetsingskader. Het kan daarbij alleen gaan om ruimtelijk relevante aspecten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet hinder of overlast die het gevolg is van onrechtmatig gedrag bij de besluitvorming buiten beschouwing worden gelaten, omdat dat aspecten van openbare orde zijn.Dit soort overlast kan worden tegengegaan in het kader van de handhaving van de openbare orde. Voor zover het hier al om de ruimtelijk relevante gevolgen gaat en niet om overlast die onder de openbare orde valt, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat of de agrarische bedrijfsvoering zijn te verwachten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een camping op grond van het omgevingsplan al is toegestaan. In de ruimtelijke motivering is verder toegelicht dat de uitbreiding van de camping zorgt voor een toename van acht verkeersbewegingen waardoor er afgerond achttien verkeersbewegingen per etmaal zijn. Een dergelijke intensiteit zal naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot negatieve effecten op het gebied van doorstroming of verkeersonveilige situaties. De extra parkeerplaatsen komen op de camping binnen de groene omzoming te liggen waardoor er vanaf de Paalweg geen zicht is op de geparkeerde auto’s. De rechtbank concludeert dan ook dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning blijft gelden. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nBestemmingsplan “Buitengebied Giessenlanden”\n\nArtikel 15.1 Bestemmingsomschrijving\n\nDe voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\n(…)\n\nc. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - minicamping': een minicamping met ten hoogste 15 standplaatsen;\n\nd. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen;\n\n(…).\n\nArtikel 15.2.1 Gebouwen\n\nVoor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:\n\n(…)\n\nd. op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - minicamping' gelden de volgende regels:\n\n1. binnen het bouwvlak mogen gebouwen ten behoeve van de minicamping gebouwd worden, waaronder wordt verstaan de ontvangstruimte en sanitaire voorzieningen met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 25 m2 en een bouwhoogte van maximaal 3 m;\n\n2. buiten het bouwvlak mogen alleen kampeermiddelen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden geplaatst.\n\nArtikel 15.3 Specifieke gebruiksregels\n\nTen behoeve van het gebruik van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - minicamping' gelden de volgende regels:\n\na. kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;\n\nb. het plaatsen van stacaravans is niet toegestaan.\n\n ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.\n\n ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1693.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5132","2026-05-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.946Z",22,20,[11,219,220,221,222],2025,2024,2023,2022]