[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-freedom-of-information-nl-2026":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},195,"freedom-of-information-nl","Freedom of Information","NL","2026-07-08T17:13:46.434Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1311","ECLI:NL:RBNHO:2026:8119","ecli-nl-rbnho-2026-8119","",67,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 24\u002F2260, 24\u002F6354, 24\u002F6355 en 24\u002F8196\n uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaken tussen\n [eiser] uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: R.O. Fischer),\n\nen\n\n1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer2. de raad van de gemeente Opmeer,\n\n(gemachtigden: D.E.E.A. de Koning Joukes, mr. C. Grim en S.C. van den Berg).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de beslissingen die het college heeft genomen naar aanleiding van een viertal verzoeken van eiser tot openbaarmaking van informatie. Eiser is het niet eens met die beslissingen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissingen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier er naar informatie is gezocht. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er desondanks méér openbaar te maken informatie voorhanden zou moeten zijn. Eiser heeft evenmin met succes aangevoerd dat het college ten onrechte heeft geweigerd (delen van) documenten openbaar te maken. Ten aanzien van de geheime raadsstukken heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat er nog voldoende grond was voor geheimhouding van die stukken. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft in de periode van 2 december 2022 tot en met 31 januari 2024 een viertal verzoeken ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo). De verzoeken gaan kort samengevat over openbaarmaking van informatie over de verwerving van gronden in Hoogwoud-Oost ten behoeve van de ontwikkeling van woningbouw. Het college heeft bij afzonderlijke besluiten op die verzoeken beslist. Eiser heeft steeds bezwaar gemaakt. Bij drie van de vier beslissingen op de bezwaren heeft het college meer informatie openbaar gemaakt.2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar.\n\n2.2.. Het college heeft de niet openbaar gemaakte stukken met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank toegestuurd.\n\n2.3.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft daar schriftelijk op gereageerd.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser met mr. [naam 1] , en de gemachtigden van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat ging er aan de beroepen vooraf?\n\n3. Op 18 januari 2022 heeft het college aan de gemeenteraad van Opmeer een voorstel gedaan tot het verwerven van grond in Hoogwoud-Oost voor de ontwikkeling van woningbouw.\n\n3.1.. Naar aanleiding daarvan heeft eiser op 1 februari 2022, 30 april 2022, 18 juli 2022, 4 oktober 2022 en 21 februari 2023 informatieverzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur en de Woo ingediend bij het college. In zijn verzoeken vraagt hij onder meer om openbaarmaking van de inhoud van afspraken die zijn gemaakt ten aanzien van de (mogelijke) samenwerkingsovereenkomst met de combinatie KlokGroep\u002F Kuin \u002FUSP, alle vormen van overleg en gegevensuitwisselingen die er zijn geweest tussen en met potentiële gegadigden anders dan de combinatie KlokGroep\u002FKuin \u002FUSP over de verkoop van de grond in Hoogwoud-Oost, onderzoek naar het al dan niet voldoen aan het arrest van de Hoge Raad in de zaak Didam van 26 november 2021, met betrekking tot gronduitgifte, alle verdere informatie met betrekking tot de verwerving van de grond, al dan niet samen met de combinatie KlokGroep\u002F Kuin \u002FUSP voor zover niet al in het verzoek aangestipt en alle informatie met betrekking tot alle voorgenomen plannen die verband houden met de ontsluiting van de te verwerven grond met al bestaande of nieuw te ontwikkelen infrastructuur.De verzoeken hebben steeds betrekking op een andere periode.\n\n3.2.. De beslissingen op bezwaar met betrekking tot de besluiten op de onder 3.1 genoemde informatieverzoeken waren onderwerp van geschil in een vijftal beroepen waarop door deze rechtbank op 16 juli 2025 is beslist.Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld.\n\n3.3.. De vier informatieverzoeken waarop de onderhavige beroepen betrekking hebben, hebben allen dezelfde strekking als omschreven in 3.1, maar hebben betrekking op vier verschillende periodes.\n\nBeoordeling van de beroepen\n\n4. Eiser heeft beroep ingesteld op gronden die hierna worden besproken, voor zover voor de beslissing van belang. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb kennisgenomen van de niet openbaar gemaakte documenten.\n\nStrijd met de goede procesorde\n\n5. Eiser heeft op de zitting een pleitnota overhandigd met daarbij een bijlage. Het college heeft op zitting het standpunt ingenomen dat deze bijlage wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet blijven. Volgens het college valt niet in te zien waarom de daarin opgenomen standpunten niet eerder door eiser naar voren konden worden gebracht en bovendien is het college niet in staat om daar op de zitting adequaat op te reageren.\n\n5.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)volgt dat later in de procedure nog nadere gegevens of nadere stukken ter onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt mogen worden ingediend. Dat mag alleen niet als dat in strijd is met de goede procesorde. Er is sprake van strijd met de goede procesorde als die nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de bijlage bij de pleitnota wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Het college kan erin worden gevolgd dat niet valt in te zien dat eiser de hierin opgenomen argumenten niet eerder in de procedure naar voren kon brengen. Door eerst op zitting met een uitgebreide (nadere) concrete onderbouwing van de documenten die volgens eiser nog ontbreken, te komen, is het college belemmerd om daarop adequaat te reageren. De rechtbank zal de bijlage bij de pleitnota, voor zover die geen herhaling betreft van reeds aangevoerde argumenten, daarom niet bij de beoordeling betrekken.\n\nGewijzigde beslissing op bezwaar (24\u002F6355)\n\n6. Het college heeft in de zaak 24\u002F6355 op 20 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaargenomen. Die houdt verband met het feit dat in de procedure over de opheffing van de geheimhouding van de drie raadsstukken is gebleken dat er geen geheimhouding op de documenten lag, zoals bedoeld in de Gemeentewet en de bijlage bij artikel 8.8 van de Woo. De documenten bleken daarom wel degelijk onder de Woo te vallen. Het college heeft de drie documenten alsnog vrijwel geheel openbaar gemaakt.\n\n6.1.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van deze gewijzigde beslissing op bezwaar, omdat die heeft geleid tot openbaarmaking van meer informatie en daarmee tegemoet wordt gekomen aan eisers belangen. Wel ziet de rechtbank aanleiding om het college in verband hiermee te veroordelen tot betaling van de proceskosten in die procedure en vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht. Dit omdat het college de drie documenten eerst in beroep alsnog (gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt en het zich eerder ten onrechte op het standpunt had gesteld dat de Woo hierop niet van toepassing was.\n\nWeigering opheffing geheimhouding (24\u002F6354)\n\n7. Uit de zoekslag van het college blijkt dat er twee documenten zijn die onder eisers Woo-verzoek vallen, waarop geheimhouding rust op grond van de Gemeentewet. Hierop is de Woo volgens het college niet van toepassing. Wel is eisers Woo-verzoek opgevat als een verzoek om opheffing van die geheimhouding. Desgevraagd heeft het college in de brief van 12 januari 2026 laten weten dat de raad het verzoek heeft afgewezen (hierna: het opheffingsbesluit), van welk besluit in het primaire besluit van 10 april 2024 inzake het Woo-verzoek mededeling is gedaan. Ter zitting heeft het college desgevraagd aangegeven dat de gemeenteraad geen separate beslissing op bezwaar heeft genomen met betrekking tot het geweigerde verzoek om opheffing van de geheimhouding.\n\n7.1.. De Afdeling heeft in het belang van efficiënte geschilbeslechting bepaald dat, indien de verzoeker om informatie tegen de beslissing van het bestuursorgaan op het verzoek tot openbaarmaking bezwaar maakt of daartegen beroep instelt, dit bezwaar of beroep mede moet worden geacht te zijn gericht tegen het opheffingsbesluit.Gelet hierop is het beroep van eiser mede gericht tegen het opheffingsbesluit van de raad. In dit verband heeft de rechtbank de gemachtigden van het college op zitting verzocht om een aanvullende machtiging, welke op 17 juni 2026 is ontvangen.\n\n7.2.. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen, staat bij een verzoek om opheffing van de geheimhouding van documenten ter beoordeling of ten tijde van dat verzoek nog voldoende grond bestond voor de geheimhouding. Daarbij toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich, gelet op de inhoud van het stuk ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd, redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich een belang als artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo voordoet en of het bestuursorgaan in het betrokken geval op grond van de Gemeentewet geheimhouding heeft mogen opleggen. Voor zover het gaat om de opheffing van geheimhouding van een document met een verslag van een besloten vergadering van de raad geldt hetzelfde, met dien verstande dat daarnaast in het licht van de actuele situatie, de belangen van de destijds bij de besloten raadsvergadering aanwezige raadsleden uitdrukkelijk in aanmerking dienen te worden genomen.\n\n7.3.. Wat betreft de actuele situatie en de betrokken belangen blijkt uit de brief van 12 januari 2026 van het college en de daarbij gevoegde bijlagen dat de onderhandelingen over de gronden in Hoogwoud-Oost nog niet zijn afgerond en dat openbaarmaking van de betreffende raadsstukken de economische belangen van de gemeente kunnen schaden. Zolang de onderhandelingen voortduren, wil de raad de stukken niet openbaar maken. Gelet hierop bestond er naar het oordeel van de rechtbank nog voldoende grond voor de geheimhouding van die documenten. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nMocht het college deelbesluiten nemen? (24\u002F2260 en 24\u002F8196)\n\n8. Eiser stelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden om deelbesluiten te mogen nemen. Volgens eiser is het Woo-verzoek niet complex of omvangrijk. Bovendien komt dit de efficiency niet ten goede en zijn de juridische gevolgen van het nemen van deelbesluiten niet goed te overzien, aldus eiser.\n\n8.1.. De rechtbank stelt voorop dat de Woo op zichzelf niet in de weg staat aan het nemen van deelbesluiten. Het college heeft bovendien in de besluitvorming voldoende gemotiveerd waarom het tot het nemen van deelbesluiten is overgegaan. Daarbij is aangegeven dat de zoekslag nog voltooid moest worden en dat de aangetroffen documenten nog moeten worden beoordeeld en bewerkt. Niet gebleken is dat eiser hierdoor is benadeeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft het college met vooringenomenheid beslist?\n\n9. Eiser voert verder aan dat het college op zijn Woo-verzoeken en bezwaren met vooringenomenheid heeft beslist. Ter onderbouwing daarvan stelt hij allereerst dat de heer [naam 2] als opsteller van het raadsbesluit van 18 januari 2022 inhoudelijk betrokken is bij de bestuurlijke aangelegenheid waarover informatie is verzocht en dat hij enig dossierhouder is. Eiser vindt het opmerkelijk dat [naam 2] in het kader van de zoekslag is bevraagd, omdat [naam 2] er belang bij heeft dat niet alle informatie wordt verstrekt. Hij wijst erop dat [naam 2] niet in dienstbetrekking werkzaam is en dat wellicht sprake is van een resultaatverbintenis. Er vindt verder geen interne controle plaats op [naam 2] als enig dossierhouder. Verder stelt eiser in dit verband ook dat door de ambtelijke afhandeling van zijn bezwaar en het niet inschakelen van de commissie bezwaarschriften sprake is van een situatie waarin de slager zijn eigen vlees keurt.\n\n9.1.. De rechtbank heeft in voornoemde uitspraak van 16 juli 2025 al overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] zich heeft laten leiden door een persoonlijk belang. Eiser heeft de beroepsgrond in deze zaak herhaald, maar niet nader geconcretiseerd dat [naam 2] zich door persoonlijke belangen heeft laten leiden en dat dit op de besluitvorming van invloed is geweest. In zoverre slaagt deze beroepsgrond dus niet. Daarnaast heeft het college voldoende gemotiveerd dat op grond van de Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Opmeer 2022 geen aanleiding bestond om de commissie bezwaarschriften in te schakelen. Tot slot is inherent aan de bezwaarprocedure dat het college zijn eigen besluit dient te heroverwegen. Deze grond slaagt niet.\n\nZoekslag\u002Fontbrekende documenten\n\n10. Eiser stelt in algemene bewoordingen dat de zoekslag onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat bij hem de indruk bestaat dat niet alle documenten die hij heeft gevraagd en op de bestuurlijke aangelegenheid betrekking hebben openbaar zijn gemaakt. Hij vraagt zich in het algemeen af of er wel is gezocht naar WhatsApp-berichten en in mailboxen. Eiser heeft uit de stukken die wel openbaar zijn gemaakt afgeleid dat nog documenten ontbreken. Hij heeft daarbij verwezen naar een aantal concrete documenten.\n\n10.1.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen,moet een bestuursorgaan voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.\n\n10.2.. In de uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de zoekslag die het college in die zaken, die gelijk is aan die in de onderhavige zaken, heeft gehanteerd. De rechtbank heeft in die zaken geoordeeld dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de zoekslag is verricht. Andere documenttypen dan e-mails, zoals chats, waaronder Whatsapp, maakten deel uit van die zoekslag heeft het college aangegeven. Dat is in de onderhavige zaken niet anders. Nu eiser slechts in algemene bewoordingen heeft aangevoerd dat de zoekslag niet deugt, brengt dit de rechtbank niet tot een ander oordeel.\n\n10.3.. Daarnaast geldt dat, zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling,wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.\n\n10.4.. Eiser heeft in alle zaken aangevoerd dat er informatie ontbreekt. Eiser ‘betwijfelt’ of er niet meer informatie is, ‘heeft de indruk dat er meer documenten moeten zijn’ en vindt het ‘opmerkelijk’, ‘onbegrijpelijk’, ‘onvoorstelbaar’, ‘onaannemelijk’ of ‘volstrekt ongeloofwaardig’ dat er niet méér informatie is. Hiermee is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk meer informatie onder het college berust.\n\n10.5.. \n\nWat betreft de specifiek genoemde documenten die eiser mist, geldt dat het college op al die documenten gemotiveerd is ingegaan, zowel reeds in de bestreden besluiten als ook in de verweerschriften. In alle gevallen geldt dat eiser de documenten ofwel via een ander informatieverzoek al heeft verkregen of dat het college het betreffende document niet heeft aangetroffen. Hetgeen eiser daartegen inbrengt is onvoldoende concreet en geeft de rechtbank geen reden voor twijfel aan het standpunt van het college.\n\nMocht het college zich beroepen op weigeringsgronden uit de Woo?\n\n11. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, e, en i van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:\n\nb. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;\n\n(…)\n\ne. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;\n\n(…)\n\ni. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.\n\n11.1.. Eiser voert in zijn algemeenheid aan dat uit de besluitvorming onmogelijk op te maken is of het college zich terecht beroept op deze uitzonderingsgronden van de Woo. Hij heeft een aantal documenten concreet benoemd, waarvan hij zich - zonder enige nadere toelichting - afvraagt waarom daarin gelakt is. Eiser stelt verder dat op dit moment niet meer in redelijkheid gesteld kan worden dat informatie die betrekking heeft op een periode tot december 2022 nog tot financiële en economische schade zou kunnen leiden. Het college heeft evenmin aangegeven wanneer deze informatie wel geopenbaard zou kunnen worden.11.2.. \n\nDe rechtbank stelt vast het college de weggelakte delen uit documenten heeft voorzien van een code die correspondeert met de desbetreffende weigeringsgrond uit de Woo. Hiermee is inzichtelijk gemaakt welke weigeringsgrond op welke weggelakte passage van toepassing is. Daarnaast heeft het college inventarislijsten opgesteld, waarop alle documenten zijn genummerd, omschreven en is aangegeven welke weigeringsgrond erop van toepassing is. Verder heeft het college in de primaire besluiten en aangevuld in de bestreden besluiten, per weigeringsgrond gemotiveerd waarom daarop een beroep wordt gedaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de niet openbaar gemaakte documenten waarop eiser zich specifiek beroept en is van oordeel dat het college in redelijkheid de economische belangen, de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het goed functioneren van de gemeente zwaarder mocht laten wegen dan het belang bij openbaarmaking van die delen van de documenten. Het college heeft een zorgvuldige toelichting gegeven op het weglakken van delen van die documenten en hetgeen eiser in algemene bewoordingen naar voren heeft gebracht in de beroepen, doet daar niet aan af.\n\nTot slot verplicht de Woo het college niet om aan eiser aan te geven wanneer documenten waarvan de openbaarmaking nu is geweigerd wel openbaar gemaakt kunnen worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Gelet op de vorenstaande overwegingen zijn de beroepen ongegrond en is beroep 24\u002F6355, voor zover gericht tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 januari 2026 niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de beslissingen op bezwaar in stand blijven. Zoals is overwogen in 6.1 moet het college wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit omdat in beroep alsnog drie documenten gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Daarnaast heeft eiser recht op een reiskostenvergoeding van € 24,00.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- verklaart het beroep 24\u002F6355 niet-ontvankelijk, voor zover dat beroep mede is gericht tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 januari 2026 niet-ontvankelijk;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,00 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.892,00 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en mr. dr. J.C. de Wit, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voor een uitgebreidere beschrijving verwijst de rechtbank naar de desbetreffende verzoeken.\n\n ECLI:NL:RBNHO:2025:8172.\n\n Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1959.\n\n Als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb.\n\n Zie in dit verband de uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:894 (r.o. 9.2).\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8119","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:15.345Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1436","ECLI:NL:RBZWB:2026:5796","ecli-nl-rbzwb-2026-5796",64,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: BRE 25\u002F4167 en 25\u002F4856\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaken tussen\n [eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers 1 (25\u002F4167)\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\n [eiser 3] en [eiser 4] , uit [plaats] , eisers 2 (25\u002F4856)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen.\n\nEisers 1 en eisers 2 zijn over en weer als derde-belanghebbende bij het beroep van de andere partij betrokken.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een besluit op het Woo-verzoek van eisers 2 (Woo-verzoekers). Woo-verzoekers vinden dat er te weinig documenten openbaar worden gemaakt. Eisers 1 (vergunninghouders) vinden dat er te veel documenten openbaar worden gemaakt. Zij voeren beide daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college besloten heeft de juiste documenten openbaar te maken.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van Woo-verzoekers tegen het gedeeltelijk openbaar maken van documenten ongegrond is. Ook het beroep van vergunninghouders is ongegrond. De beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 aan vergunninghouders kent een motiveringsgebrek, maar dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers krijgen inhoudelijk dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Woo-verzoekers hebben op 7 maart 2024 gevraagd documenten openbaar te maken over de vergunningaanvraag van hun buren, de vergunninghouders. Het college heeft deze aanvragen met het besluit van 3 oktober 2024 gedeeltelijk toegewezen. Met de bestreden besluiten van 12 augustus 2025 op de bezwaren van beide eisers heeft het college de besluiten (deels) herroepen en besloten meer gegevens openbaar te maken. Eisers hebben ieder beroep ingesteld tegen deze besluiten.\n\n2.1.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.2.2.. Veel beroepsgronden gaan over het opschorten van de daadwerkelijke openbaarmaking van de stukken door het collge. Deze beroepsgronden richtten zich tegen een aparte beslissing op bezwaar. De rechtbank zal in deze uitspraak hier niet op ingaan en verwijst naar de uitspraak over die beslissing op bezwaar van heden.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 7 april 2026 op zitting behandeld, samen met het voornoemde beroep van Woo-verzoekers tegen de opschorting van de openbaarmaking. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de vergunninghouders, de Woo-verzoekers en mr. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] namens van het college.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.\n\nTotstandkoming van de bestreden besluiten\n\n3. Woo-verzoekers dienen op 7 maart 2024 een Woo-verzoek in waarin zij vragen om alle documenten over het vergunningverleningsproces op het [adres] . Dat betreft de vergunning die vergunninghouders hebben aangevraagd en verkregen.\n\n3.1.. Woo-verzoekers en vergunninghouders wordt om een zienswijze gevraagd. Op 3 oktober 2024 besluit het college de documenten, deels gelakt, openbaar te maken (primair besluit). Bij dit besluit is een inventarislijst gevoegd met daarop vermeld de (deels) openbaar gemaakte stukken, genummerd 1 tot en met 97. Een aantal documenten is slechts deels openbaar gemaakt. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e van de Woo zijn in een aantal documenten persoonsgegevens van betrokkenen en medewerkers van de gemeente gelakt. Genoemde documenten zijn aan Woo-verzoekers verstrekt.\n\n3.2.. Op 14 oktober 2024 stuurt het college vergunninghouders een mail waarin is aangegeven dat per abuis een verkeerd e-mailadres is gebruikt voor de uitnodiging een zienswijze in te dienen, waardoor zij geen zienswijze in hebben kunnen dienen.\n\n3.3.. Op 28 oktober 2024 dienen vergunninghouders een bezwaarschrift in. Op 8 november 2024 stuurt het college een brief aan Woo-verzoekers dat de feitelijke openbaarmaking van een aantal specifiek benoemde documenten wordt opgeschort tot twee weken na de te nemen beslissing op bezwaar om vergunninghouders in de gelegenheid te stellen alsnog een zienswijze in te dienen. De genoemde documenten mogen, ondanks dat dat Woo-verzoekers kennis hebben van de inhoud, niet worden gebruikt of verspreid.\n\n3.4.. Woo-verzoekers hebben op 13 november 2024 bezwaar gemaakt tegen het primair besluit en op 18 december 2024 tegen de brief van 8 november 2024.\n\n3.5.. Op 27 februari 2025 vindt de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften plaats. Op 12 augustus 2025 wordt op alle bezwaarschriften beslist.\n\n3.6.. Beide partijen hebben afzonderlijk een beslissing op bezwaar (bestreden besluiten) gekregen. De bestreden besluiten zijn inhoudelijk geheel gelijkluidend, behalve dat in het bestreden besluit aan vergunninghouders proceskosten zijn toegekend. Verweerder heeft in de bestreden besluiten onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie de primaire besluiten deels herroepen voor zover daarin was besloten tot openbaarmaking van gegevens over leges en informatie van na 7 maart 2024. Daarnaast wordt informatie met betrekking tot een informatieverzoek dat losstond van het vergunningsproces, toezicht en handhaving rondom het adres [adres] alsnog geweigerd. Informatie met betrekking tot private kwesties wordt alsnog geweigerd, evenals documenten die Woo-verzoekers al in hun bezit hadden. Daarnaast zijn lakfouten hersteld. Ten slotte zijn 3 documenten die in de bezwaarfase zijn gevonden deels openbaar gemaakt en genummerd 98 tot en met 100. Bij het bestreden besluit is een inventarislijst gevoegd met daarop vermeld de (deels) openbaar gemaakte stukken, de toegepaste weigeringsgronden, de wijzigingen ten opzichte van het primair besluit en de motivering van de wijziging.\n\n3.7.. Beide partijen stellen beroep in. Vergunninghouders hebben daarnaast om een voorlopige voorziening verzocht.\n\n3.8.. Op 14 oktober 2025 beslist de voorzieningenrechter dat de gevraagde documenten pas twee weken nadat in de bodemprocedure is beslist openbaar gemaakt mogen worden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nWat willen Woo-verzoekers?\n\n4. Woo-verzoekers hebben kort gezegd gevraagd om alle documenten over het vergunningsproces voor [adres]. In een gesprek op 28 maart 2024 is het verzoek volgens het college uitgebreid naar documenten betreffende de handhavingsprocedure op ditzelfde adres. Het betreft het adres van de vergunninghouders.\n\nMaken Woo-verzoekers misbruik van procesrecht?\n\n5. Vergunninghouders stellen onder verwijzing naar rechtspraak dat Woo-verzoekers misbruik maken van de Woo. De Woo is bedoeld om de democratische rechten van de burger te beschermen. Woo-verzoekers hebben als enige doel de uitbreiding van de woning van vergunninghouders te laten verwijderen en misbruiken daar de Woo voor.Doel is niet openbaarmaking van de stukken, maar het in bezit komen van documenten voor eigen procedures. Ter zitting lichten vergunninghouders toe dat de stukken gebruikt gaan worden in een evident kansloze civielrechtelijke procedure en dat levert misbruik van procesrecht op. Het verzoek van Woo-verzoekers had daarom niet als een verzoek in het kader van de Woo moeten worden opgepakt,althans afgewezen moeten worden wegens misbruik van recht.\n\n5.1.. Het college geeft aan dat Woo-verzoekers geen belang hoeven te stellen.Hoofdregel is dat als iemand een Woo-verzoek indient, dit ook als zodanig aangemerkt moet worden. Daarbij mag iemand informatie opvragen voor eigen gebruik, ook als deze informatie te krijgen is via een procesrechtelijke regeling.\n\n5.2.. Woo-verzoekers stellen geen misbruik van procesrecht te hebben gemaakt. Dit is niet onderbouwd en ook de adviescommissie voor de bezwaarschriften en de bestuursrechter hebben vastgesteld dat zij geen misbruik maken van procesrecht.\n\n5.3.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vooropgesteld moet worden dat een ieder, zonder een belang te stellen, een beroep op de Woo kan doen. De lat om misbruik van recht aan te nemen, ligt hoog. Woo-verzoekers hebben met hun verzoek publieke informatie opgevraagd. Niet is gebleken dat zij dit met een ander doel hebben gedaan dan het daadwerkelijk verkrijgen van deze stukken. De uitspraken die vergunninghouders aanhalen om te betogen dat Woo-verzoekers geen Woo-verzoek hebben ingediend of zelfs misbruik van de Woo maken door een Woo-verzoek in te dienen, leiden ook niet tot de conclusie dat daar sprake van is.\n\n5.4.. Uitgangspunt is dat wanneer iemand met een beroep op de Wob (nu: Woo) een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en\u002Fof met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat kan onder meer anders zijn als uit de inhoud van het verzoek of uit uitlatingen van verzoeker blijkt dat niet is beoogd een wob-verzoek te doen. Daarbij kan worden gedacht aan situaties waarin iemand bijvoorbeeld vraagt om informatie, vragen stelt of alleen om toezending van de stukken vraagt in een procedure waarin hij belanghebbende is of waarin de verzoeker aangeeft dat hij niet wil dat de informatie openbaar wordt gemaakt en alleen aan hem wordt verstrekt.\n\n5.5.. \n\nVan genoemde uitzonderingen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In de door vergunninghouders aangehaalde uitspraken gaat het om het opvragen van het procesdossier in een bestuursrechtelijke zaak. Daar is een specifieke bepaling voor opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het Woo-verzoek breder en gaat het niet alleen om processtukken bij de bestuursrechtelijke procedures, maar om alle documenten over de vergunningverlening.\n\nDat de gegevens door woo-verzoekers mogelijk worden gebruikt in (civielrechtelijke) procedures die vergunninghouders als evident kansloos zien, maakt niet dat sprake is van misbruik van (proces)recht. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nWat is de omvang van het verzoek?\n\n6. Volgens vergunninghouders hadden de documenten 15, 33, 75 tot en met 86, 90 tot en met 93, 96, 97 en 100 niet openbaar moeten worden gemaakt, omdat deze niet zien op de bestuurlijke aangelegenheid waar het Woo-verzoek over gaat. Deze gaan over de handhavingsprocedure. Bovendien ging het verzoek om een dakkapel en niet om een dakopbouw of uitbreiding van de woning waar daadwerkelijk sprake van is.\n\n6.1.. Woo-verzoekers geven aan dat het Woo-verzoek ook nog gaat over de stukken waarover ze al de beschikking hadden en waarvan ze, om het het college niet moeilijker te maken dan nodig is, hebben aangegeven dat die niet nogmaals verstrekt hoeven te worden.\n\n6.2.. Het college geeft aan dat Woo-verzoekers weliswaar in eerste instantie hebben gevraagd om documenten over de vergunningverlening, maar later mondeling hebben toegelicht dat ze ook documenten over de handhavingszaak bedoelen. Het college heeft dit in het kader van de vereiste behulpzaamheidalsnog meegenomen in het Woo-verzoek.\n\n6.3.. Voor zover de vergunninghouders stellen dat het Woo-verzoek over een dakkapel ging en niet over de dakopbouw, blijkt uit het verzoek voldoende duidelijk dat Woo-verzoekers informatie wilden hebben over de dakopbouw op de garage en een volledig beeld wilden krijgen van het vergunningsdossier. Het woord dakopbouw is ook in het verzoek genoemd. Dat dit bestemmingsplanmatig als uitbreiding van het hoofdgebouw kan worden gezien, doet er niet aan af dat het voor het college voldoende duidelijk was en had moeten zijn dat het om de dakopbouw ging. Het college heeft dit in de bezwaarfase duidelijk toegelicht.\n\n6.4.. Wel is de rechtbank van oordeel dat het college in de besluitvorming duidelijker aan had moeten geven dat het het verzoek na overleg met Woo-verzoekers heeft uitgebreid met de handhavingsdocumenten. In beroep heeft het college verduidelijkt dat op 28 maart 2024 naar aanleiding van het Woo-verzoek een gesprek met Woo-verzoekers heeft plaatsgevonden om het verzoek te verduidelijken. Daarbij is het verzoek uitgebreid met documenten over de handhavingsprocedure. De rechtbank kan dit volgen. Het college is niet buiten de grenzen van zijn bevoegdheid gegaan door naar aanleiding van het verduidelijkingsgesprek het verzoek uitgebreider op te vatten. Dit past binnen zijn opdracht om behulpzaam te zijn. Het college hoefde het Woo-verzoek niet zo restrictief mogelijk op te vatten. Woo-verzoekers hadden er ook voor kunnen kiezen een nieuw verzoek in te dienen. Ook dan had het college dit, gelet op de samenhang, in één besluit kunnen meenemen. Het college heeft ter zitting duidelijk uiteengezet waarom deze documenten bij de besluitvorming zijn betrokken.\n\n6.5.. Eerst ter zitting hebben vergunninghouders gesteld dat het college een andere belangenafweging had moeten maken als het verzoek ook op de handhavingsdocumenten ziet. Daarbij is slechts in algemene zin aangegeven dat de belangenafweging anders had moeten zijn gelet op de persoonlijke levenssfeer die aangetast kan worden door de privaatrechtelijke procedures, maar niet concreet hoe dat tot een andere uitkomst had moeten leiden.\n\n6.6.. Woo-verzoekers vragen stukken op in een bestuurlijke aangelegenheid en die moeten worden verstrekt, tenzij sprake is van een uitzonderingsgrond. De persoonsgegevens worden in dat kader weggelakt. Nu het college alsnog heeft gemotiveerd waarom het verzoek is uitgebreid met de documenten over handhaving, is het motiveringsgebrek in het bestreden besluit op dit punt hersteld en kan dit gebrek worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat vergunninghouders daardoor zijn benadeeld.\n\n6.7.. Voor zover Woo-verzoekers stellen dat ze niet hebben bedoeld het Woo-verzoek in te trekken ten aanzien van de stukken die ze al hadden, blijkt onder andere uit het verslag van de zitting bij de commissie bezwaarschriften dat toen is vastgesteld dat het verzoek voor dit gedeelte is ingetrokken en dat daar geen onenigheid meer over was. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen over de verslaglegging van deze hoorzitting, zodat ze er vanuit gaat dat het Woo-verzoek voor dit deel inderdaad is ingetrokken. Dit beroep slaagt dus niet.\n\nOp welke grond zijn documenten geweigerd?\n\n7. Om drie redenen zijn documenten geweigerd of zijn uit de documenten gegevens weggelakt. Het gaat om:\n\nArtikel 5.1, eerste lid aanhef en onder e van de Woo. Nationale identificatienummers (het BSN-nummer) zijn weggelaten. Dit betreft uitsluitend document 52;\n\nArtikel 5.1, tweede lid aanhef en onder e van de Woo. Dit betreft de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;\n\nHet college is tot het oordeel gekomen dat het Woo-verzoek niet ziet op de betreffende documenten\u002Fdocumentonderdelen.\n\nIs de beslissing op bezwaar voldoende gemotiveerd?\n\n8. Woo-verzoekers stellen dat een aantal documenten, te weten de documenten 4, 6, 10, 94 en 95 ten onrechte op grond van de beslissing op bezwaar niet openbaar gemaakt wordt, omdat ze buiten de reikwijdte van het verzoek zouden vallen. De gemeente motiveert ten onrechte niet waarom de private kwesties onder artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e vallen en daarom niet geopenbaard worden. Ten onrechte zijn de documenten 98, 99 en 100 niet openbaar gemaakt. Het college had openbaarmaking van die documenten op de zitting bij de commissie bezwaarschriften wel toegezegd. Bouwtekeningen horen ook in hun geheel openbaar te worden gemaakt.\n\n8.1.. Vergunninghouders stellen dat het college ten onrechte niet is ingegaan op alle punten in het bezwaarschrift. Bovendien is niet gemotiveerd waarom de documenten met de nummers 1, 3, 51, 71, 72, 74 en 86 gedeeltelijk openbaar worden gemaakt, terwijl wordt erkend dat deze buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Dat is innerlijk tegenstrijdig. Ook worden foto’s van de binnenzijde van de woning ten onrechte openbaar gemaakt. Dit raakt de persoonlijke levenssfeer van de vergunninghouders.\n\n8.2.. Het college geeft aan wel degelijk op alle bezwaargronden van vergunninghouders te zijn ingegaan. Dat is niet allemaal in de beslissing op bezwaar gebeurd, maar gedeeltelijk ook in het advies van de commissie bezwaarschriften. Voor wat betreft de genoemde documenten vallen die deels buiten de reikwijdte van het verzoek en voor het overige zijn die deels openbaar gemaakt. Voor zover is gelakt is de reden aangegeven op de inventarislijst en verder is per gelakte passage aangegeven op welke grond die passage is weggelakt. Dat is geen innerlijke tegenstrijdigheid of gebrek in de motivering. Omdat de foto’s alleen een kamer in aanbouw betreffen, zonder persoonlijke zaken raakt dit de persoonlijke levenssfeer niet. Ze mochten dus openbaar worden gemaakt.\n\n8.3.. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft overwogen dat de documenten 4, 6, 10 en 94 en 95 geen betrekking hebben op de onderwerpen waarvoor een Woo-verzoek is ingediend. Het college heeft terecht overwogen dat de documenten 4, 6 en 10 zien op een (afzonderlijk) informatieverzoek dat losstaat van het daadwerkelijke vergunningsproces, toezicht en de handhaving. Eveneens heeft het college terecht overwogen dat de documenten 94 en 95 buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Voor het overige ziet de rechtbank dat vooral persoonsgegevens zijn weggelakt. Dat geldt ook voor de bouwtekeningen: daar heeft het college besloten alleen de namen van de opdrachtgevers weg te lakken. Gelet op de samenhang in het dossier, is de rechtbank van oordeel dat dat een terechte anonimisering is. Het college heeft afdoende toegelicht dat in de bouwtekening bij het primaire besluit per ongeluk delen ten onrechte zijn weggelakt en dat dit in bezwaar is hersteld. Deze beroepsgrond van Woo-verzoekers slaagt dus niet.\n\n8.4.. Voor wat betreft het argument van de vergunninghouders dat van documenten 1, 3, 51, 71, 72, 74 en 86 onvoldoende is gemotiveerd waarom het college die openbaar wil maken, overweegt de rechtbank dat openbaarheid de hoofdregel van de Woo is. Dat betekent dat documenten die onder de reikwijdte van een Woo-verzoek vallen in beginsel openbaar worden gemaakt. Het college moet motiveren waarom documenten of delen daarvan niet openbaar gemaakt worden en niet waarom ze wel openbaar gemaakt worden. Dat heeft zij naar het oordeel van de rechtbank per document of onderdeel daarvan afdoende gedaan en vastgelegd in de inventarislijst behorende bij het bestreden besluit en in de betreffende documenten per gelakt onderdeel. Overigens zijn in de genoemde documenten enkel in document 1 passages gelakt, omdat deze buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Document 51 is verwijderd, omdat het hetzelfde document is als document 72. Voor het overige zijn er persoonsgegevens gelakt. Van innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake. Omdat deze documenten vallen onder de reikwijdte van het Woo-verzoek en de persoonsgegevens in deze documenten zijn geanonimiseerd, volgt de rechtbank deze beroepsgrond niet.\n\n8.5.. Ook het argument dat openbaarmaking van de door vergunninghouders genoemde foto’s een dusdanige aantasting van de persoonlijke levenssfeer is dat deze openbaarmaking achterwege moet blijven, slaagt niet. Het college heeft afdoende gemotiveerd dat de foto’s geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maken.\n\n8.6.. Voor zover Woo-verzoekers klagen dat de documenten 98, 99 en 100 ondanks toezeggingen daartoe niet openbaar zijn gemaakt, wijst de rechtbank erop dat in het bestreden besluit het college deze documenten wel degelijk deels openbaar heeft gemaakt. Daarna heeft de voorzieningenrechter besloten dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken nadat in de bodemprocedure is beslist. Dat is de reden dat deze documenten nog niet daadwerkelijk openbaar zijn gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nVerstrekking aan vergunninghouders\n\n9. Woo-verzoekers stellen dat vergunninghouders document 59 door de Woo-procedure hebben verkregen. Vergunninghouders hadden dit document niet moeten krijgen.\n\n9.1.. Het college ontkent document 59 aan vergunninghouders in deze procedure verstrekt te hebben.\n\n9.2.. Het besluit gaat niet over de feitelijke verstrekking van gegevens aan de vergunninghouders. Voor zover het college dit document heeft verstrekt maakt het geen onderdeel van het bestreden besluit uit en kan de rechtbank daar niet over oordelen.\n\nHad een duidelijke publicatiedatum in het besluit moeten staan?\n\n10. Woo-verzoekers geven aan dat het college een duidelijke publicatiedatum in het besluit hadden moeten zetten. Dat geeft duidelijkheid naar alle partijen.\n\n10.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Woo voorziet in openbaarmaking van documenten. Woo-verzoekers hebben verzocht om kopieën te krijgen van de door hen verzochte stukken. Daartoe heeft het college besloten. De Woo verplicht niet tot actieve openbaarmaking door middel van publicatie van Woo-verzoeken en daarbij openbaar gemaakte documenten. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven welke stukken in de toekomst zullen worden gepubliceerd en in beroep afdoende gemotiveerd dat het publicatieplatform nog in ontwikkeling is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nZijn partijen ten onrechte ongelijk behandeld?\n\n11. Woo-verzoekers vinden het een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling dat zij de stukken via Filecap toegezonden hebben gekregen en vergunninghouders via Zip-files. Bovendien hebben beide partijen niet dezelfde stukken toegezonden gekregen om een zienswijze op in te dienen.\n\n11.1.. Het college heeft afdoende aangegeven dat aan beide partijen zip-documenten via filecap zijn toegezonden. Daar zit geen onderscheid in. Het setje documenten waarover beide partijen een zienswijze in konden dienen verschilde wel: ieder kon een zienswijze indienen op de documenten die hen betrof. Ook dit kan de rechtbank volgen. Er is niet gebleken van een procedurele ongelijke behandeling.\n\nFoto’s\n\n12. Woo-verzoekers vinden het onduidelijk waarom bepaalde foto’s zijn toegezonden.\n\nDe rechtbank stelt vast dat woo-verzoekers doelen op de documenten 11 en 13 waarbij foto’s zijn gevoegd. Deze maken onderdeel uit van de betreffende documenten. Dat het foto’s zijn waar zij de relevantie niet van zien doet daar niet aan af.\n\nHeeft de procedure te lang geduurd?\n\n13. Woo-verzoekers geven aan dat de procedure te lang heeft geduurd. De afhandeling van het verzoek heeft anderhalf jaar geduurd in plaats van twaalf weken. Het college gaat er ten onrechte vanuit dat de beslistermijn is begonnen toen het bezwaarschrift door de rechtbank is teruggezonden naar het college.\n\n13.1.. De rechtbank stelt vast dat de behandeling van het Woo-verzoek langer heeft geduurd dan gewenst is. Het college heeft erkend dat het proces niet is gelopen zoals het dat graag ziet. Dat maakt het besluit echter inhoudelijk niet onrechtmatig, waardoor dit niet leidt tot vernietiging van het besluit.\n\nMoest het college ambtshalve proceskostenvergoeding toekennen?\n\n14. Woo-verzoekers stellen dat het college hun, bij de gegrondverklaring van hun bezwaarschrift, ambtshalve een proceskostenvergoeding toe had moeten kennen.\n\n14.1.. Op grond van artikel 7:15 van de Awb worden de kosten door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Woo-verzoekers hebben in bezwaar niet om een proceskostenvergoeding verzocht, waardoor er voor het bestuursorgaan geen ruimte was om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Overigens is ook niet gebleken van kosten voor professionele rechtsbijstand of andere proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Het beroep van Woo-verzoekers is ongegrond. Zij komen niet in aanmerking voor teruggave van het griffierecht.\n\n15.1.. Het beroep van de vergunninghouders is ongegrond. Omdat artikel 6:22 van de Awb is toegepast bepaalt de rechtbank dat het college de door vergunninghouders in beroep gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht moet vergoeden.\n\n15.2.. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen vergunninghouders een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Dat zijn twee proceshandelingen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Het griffierecht bedraagt € 194,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep van [eiser 3] en [eiser 4] (25\u002F4856) ongegrond;\n\nverklaart het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] (25\u002F4167) ongegrond;\n\nveroordeelt het college in betaling van de proceskosten aan [eiser 1] en [eiser 2] van € 1.868,-;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser 1] en [eiser 2] moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet open overheid\n\nArtikel 5.1. Uitzonderingen\n\n1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:\n\na. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;\n\nb. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;\n\nc. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;\n\nd. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;\n\ne. nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bijø wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt.\n\n2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:\n\na. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;\n\nb. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;\n\nc. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;\n\nd. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;\n\ne. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;\n\nf. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;\n\ng. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;\n\nh. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;\n\ni. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.\n\n3. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering. [.]\n\n Dat is het beroep met kenmerk 25\u002F4858.\n\n Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.\n\n ABRvS, 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2995.\n\n ABRvS, 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2775 en ABRvS, 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5096.\n\n Artikel 4.1, derde lid van de Woo.\n\n ABRvS, 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, r.o. 5.6.\n\n Artikel 4.1, vijfde lid van de Woo.\n\n Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5796","2026-07-13T00:29:20.939Z",20,[11]]