[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-housing-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":81},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":21,"page":14,"limit":80},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},39,"housing-law-nl","Housing Law","NL","2026-07-08T16:53:25.992Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":19},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62,72],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"463","ECLI:NL:RBAMS:2025:2527","ecli-nl-rbams-2025-2527","",56,"2025-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F5008\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R. Meinen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,verweerder (het college)\n\n(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring.\n\n1.1.. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 31 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de urgentieaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Eiser woont met zijn gezin vanaf 6 juli 2011 op het adres [adres] te [woonplaats] in een tweekamerwoning van 44m2 . Eiser heeft sinds 2018\u002F2019 last van schimmelvorming in de woning. Een recente lekkage in een waterleiding in een aangrenzende ruimte heeft de schimmelvorming verergerd. De woningbouwcorporatie heeft de lekkage verholpen en eiser en de woningbouwcorporatie zijn in gesprek over het plaatsen van bouwdrogers om het overtollig vocht af te voeren. Uit de onderliggende stukken en hetgeen op de zitting is besproken blijkt er echter sprake te zijn van een structureel probleem. In de afgelopen jaren heeft de woningcorporatie verschillende pogingen gedaan om de problemen op te lossen maar zonder succes. Op de zitting is gesproken over een steeds uitgestelde grootschalige renovatie waardoor eiser op termijn mogelijk in aanmerking komt voor urgentie op basis van stadsvernieuwing. Wegens de gebrekkige staat van de woning heeft de eiser een korting van 60% op zijn huur gekregen.\n\n4. Eiser heeft het college in de afgelopen jaren al meerdere malen benaderd\n\nvoor een urgentie vanwege de vocht- en schimmelproblematiek in zijn woning. Eiser heeft op 5 november 2023 een urgentieaanvraag gedaan op medische gronden omdat zijn echtgenote longklachten heeft. De zoon van eiser krijgt ook medicatie tegen longklachten. Eiser heeft de medische situatie van zijn vrouw en zoon onderbouwd met medische stukken. Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote van eiser een longaandoening heeft en dat de luchtkwaliteit in de woning een negatief effect heeft op haar gezondheid. Eiser heeft ook uitdrukkelijk om hulp en steun van het college gevraagd om op minnelijke wijze uit de situatie te geraken. Zo heeft hij als voorbeeld genoemd dat het college een tijdelijke oplossing zou bieden door hem en zijn gezin tijdens de werkzaamheden op te vangen in een tijdelijke onderkomen.\n\n5. Het college heeft de urgentie afwezen omdat er sprake is van een aantal algemene weigeringsgronden. In dat geval wordt er geen medisch advies gevraagd van de GGD. Dat is alleen anders indien er sprake is van toepassing van de hardheidsclausule. De criteria voor het toepassen van de hardheidsclausule zijn erg streng, omdat in Amsterdam een groot tekort is aan woningen. Alleen als er sprake is van een acuut levensbedreigende situatie of iets vergelijkbaars is er aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.\n\n6. Eiser vindt dat zijn situatie aanleiding geeft om de hardheidsclausule toe te passen. Eiser heeft ter zitting onder meer verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2023waarbij de besluitvorming in een soortgelijke situatie is vernietigd wegens een motiveringsgebrek. In die zaak was ook sprake van terugkerende schimmelvorming in de woning en luchtwegklachten van de bewoners. Die zaak lijkt op deze zaak omdat in beide zaken de problemen met de woning al lange tijd spelen en dat er ook sprake is van langdurige medische problematiek. Ook vergelijkbaar is de omstandigheid dat de bewoner op alle mogelijke manieren bezig is geweest om met de verhuurder tot een oplossing te komen. Eiser heeft in deze zaak bovendien afgedwongen dat de verhuurder hem een korting op zijn huur geeft en er wordt gesproken over een stadsvernieuwingstraject dat steeds vooruit wordt geschoven. Dit maakt echter volgens de rechtbank nog steeds niet dat voldaan is aan de vereisten voor het toepassen van de hardheidsclausule. Het college mag ervoor kiezen om alleen in het geval van acuut levensbedreigende problematiek een onderzoek te starten.\n\n7. Ook bij eisers gezin is niet gebleken van acute medische problematiek, maar het college heeft niet betwist dat sprake is van een groot en langdurig huisvestingsprobleem dat eiser op allerlei manieren maar zonder succes heeft geprobeerd om op te lossen. Onder die omstandigheden ontslaat een te verwachten weigering van een urgentieverklaring het college niet van zijn verplichting als gemeentelijke overheid om (bijvoorbeeld ook in samenspraak met de verhuurder) te trachten op afzienbare termijn te helpen komen tot een verbetering van de woonsituatie, zoals door eiser ook uitdrukkelijk is verzocht. Het college heeft daarvan tot dusver onvoldoende blijk gegeven. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Voor een inhoudelijk vervolgdictum bestaat op dit moment geen aanleiding.Conclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond en het college zal in overleg met eiser moeten treden om (mogelijk met behulp van een andere gemeentelijke dienst) te trachten binnen afzienbare termijn te komen tot een oplossing,\n\n9. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank;\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat het college met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt binnen zes weken na verzending van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr.N. van der Kroft, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 22 april 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2023:5581.\n\n Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2713.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:2527","2025-04-17T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:31.662Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"623","ECLI:NL:RBAMS:2025:1617","ecli-nl-rbams-2025-1617","2025-03-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F1799\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit Amsterdam, eiser\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Gebuijs),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,verweerder, hierna: het college\n\n(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).\n\nInleiding\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring.\n\n1.2.. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.3.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2.2.1.. Eiser is een man van 42 jaar. Hij is sinds [datum] 2020 gescheiden en heeft met zijn ex-partner zes kinderen. In de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2020 is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. Bij beschikking van de rechtbank van 15 juni 2022 is, op verzoek van eiser en zijn ex-partner, het ouderschapsplan gewijzigd en draagt eiser de zorg over twee meerderjarige kinderen (waaronder [naam 1] ) en een minderjarig kind, genaamd [naam 2] .\n\n2.2.. Volgens de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) stond eiser van 5 maart 2021 tot 1 mei 2023 ingeschreven op het briefadres aan het [adres 1] in Amsterdam. Het oudste kind van eiser stond ingeschreven op het adres van de ex-partner. [naam 1] en [naam 2] stonden ingeschreven op het briefadres van eiser, maar verbleven bij hun moeder. Sinds 8 mei 2023 zijn [naam 1] en [naam 2] weer opnieuw ingeschreven bij hun moeder. Eiser staat eiser sinds 4 april 2024 ingeschreven op het adres [adres 2] in Amsterdam. Van 3 april 2024 tot en met 3 april 2025 heeft eiser tijdelijk een huurovereenkomst voor dit adres via Gapph vastgoedbeheer (leegstandbeheer).\n\n2.3.. Op 16 augustus 2022 heeft eiser een urgentieverklaring aangevraagd. Met het primaire besluit van 20 oktober 2022 heeft het college deze aanvraag afgewezen. De reden van afwijzing is dat de echtelijke woning beschikbaar is voor de kinderen waardoor de kinderen niet dakloos zijn. Met het besluit van 23 januari 2023 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens het college is er geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem omdat eiser vooralsnog niet dakloos is en de kinderen bij hun moeder kunnen blijven wonen.\n\n2.4.. In de beroepsprocedure bij de rechtbank tegen het besluit van 23 januari 2023 heeft de rechtbank in haar uitspraak van 17 januari 2024 het beroep van eiser gegrond verklaard.De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat in het geval van eiser geen sprake is van inwoning bij familie en vrienden en dat eiser met zijn minderjarige zoon een gezin vormt op grond van de beschikking van de kinderrechter van 15 juni 2022. Het college moet een nieuw besluit nemen.\n\n2.5.. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 verklaart het college het bezwaar van eiser wederom ongegrond. Het besluit van 23 januari 2023 is daarmee in stand gelaten en aangevuld met de weigeringsgronden uit de artikelen 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (hierna: Hvv) en paragraaf 14 van de Nadere Regels. Hierbij is toegevoegd dat eiser en zijn gezin niet onder de sociale-medische urgentiecategorie vallen. Tot slot is er bij eiser en zijn gezin geen sprake van een schrijnende situatie waardoor de hardheidsclausule dient te worden toegepast.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.3.1.. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring mocht afwijzen op grond van de Hvv. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3.2.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nSociaal-medische urgentie\n\n4. Eiser voert aan dat sprake is van dakloosheid met de zorg voor een minderjarig kind door zijn echtscheiding en dat hij daarom tot de sociale urgentiecategorie behoort. Eiser voert aan dat hij als gevolg van de echtscheiding advies heeft gevraagd bij het college om met urgentie een woning te kunnen krijgen. De woonsituatie van zijn kinderen bij hun moeder is volgens eiser onhoudbaar en schadelijk voor de gezondheid en ontwikkeling van de kinderen. Volgens eiser is hij door het college geadviseerd om met de beschikking van de rechtbank betreffende de wijziging van de verblijfplaats van de oudste kinderen een urgentieverklaring aan te vragen.\n\n4.1.. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat eiser en zijn kinderen voor wie hij zorgdraagt als een huishouden dienen te worden aangemerkt en dat hij niet als een alleenstaande moet worden gezien. In het bestreden besluit heeft het college eiser en zijn kinderen dan ook terecht aangemerkt als een gezin. Dit geeft eiser evenwel niet zonder meer aanspraak op een urgentieverklaring. Op grond van artikel 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv komen alleen woningzoekenden in aanmerking voor een urgentieverklaring die op grond van medische of sociale redenen dringend een woonruimte nodig hebben. Hierin is opgenomen dat de woningzoekende moet worden geconfronteerd met ernstige medische problemen, (dreigende) dakloosheid met minderjarige kinderen of geweld of ernstige bedreiging. Aanvullende voorwaarden uit paragraaf 10, 12 en 14 van de Nadere regels zijn van toepassing indien er sprake is van een in Amsterdam woonachtige aanvrager die door een verbroken relatie of door echtscheiding een acuut woonprobleem heeft. Bij een echtscheiding dient de aanvraag voor een urgentieverklaring binnen één jaar na datering van de echtscheidingsbeschikking ingediend te worden bij het college (paragraaf 14, punt d).\n\n4.2.. De rechtbank stelt vast dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van paragraaf 14, onder punt d, van de Nadere Regels. Het huwelijk van eiser is op [datum] 2020 uitgesproken en op 19 februari 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De aanvraag van eiser dateert van 16 augustus 2022 en is dus anderhalf jaar later ingediend bij het college. De gemachtigde van het college heeft op zitting toegelicht dat zij moeten vasthouden aan de grens van één jaar vanaf het moment van datering van de echtscheidingsbeschikking. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het college de bevoegdheid heeft om ruimer met deze grens om te gaan, heeft de gemachtigde van het college op zitting toegelicht dat het geen bijzondere of unieke situatie is dat ouders na de echtscheidingsbeschikking nog wijzigingen aanbrengen in het ouderschapsplan of de omgangsregeling voor de kinderen. Ouders kunnen onderling overeenkomen om, nadat de echtscheiding is uitgesproken, het hoofdverblijf van de kinderen te verplaatsen naar de andere ouder, maar dit kan in beginsel geen recht doen ontstaan op een urgentieverklaring. Deze afspraken kunnen worden gemaakt, maar van de ouders wordt dan verwacht dat zij zelf een oplossing zoeken om aan het ouderschapsplan uitvoering te geven. De rechtbank kan deze door het college gegeven toelichting volgen. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid de aanvraag van eiser kon afwijzen op grond van artikel 2.6.8, eerste lid, onder b, van de Hvv.\n\nUrgent huisvestingsprobleem\n\n5. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat het college de weigeringsgrond uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv niet kon tegenwerpen aan eiser. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat geen sprake is van inwoning bij familie en\u002Fof vrienden. Het college diende daarom een nieuw besluit te nemen.\n\n5.1.. In het bestreden besluit heeft het college, ondanks de uitspraak van de rechtbank, de afwijzingsgrond uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv tegengeworpen aan eiser. Hangende de beroepsprocedure heeft het college in het verweerschrift deze afwijzingsgrond alsnog laten vallen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze weigeringsgrond ten onrechte aan eiser is tegengeworpen in het bestreden besluit. Op dit punt is het bestreden besluit dan ook onzorgvuldig. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het is niet aannemelijk geworden dat eiser door dit gebrek is benadeeld, nu het college de urgentieverklaring mocht afwijzen op de weigeringsgrond van artikel 2.6.8, eerste lid, onder b, van de Hvv en één weigeringsgrond voldoende is voor een afwijzing van de aanvraag. Daarom passeert de rechtbank het gebrek.\n\nHardheidsclausule\n\n6. Eiser doet tot slot een beroep op de hardheidsclausule. Door de huidige woonsituatie van [naam 1] en [naam 2] bij hun moeder bestaat er een reëel risico op het verergeren van de problemen in hun ontwikkeling. Het risico is aanwezig dat de kinderen door het verergeren van de sociaal psychische problemen ontsporen. Deze omstandigheden leiden dan ook tot een schrijnende situatie. Zolang eiser geen woonruimte heeft, waar ook zijn kinderen kunnen verblijven, zal deze situatie verergeren, aldus eiser.\n\n6.1.. De rechtbank heeft oog voor de omstandigheden waarin eiser zich bevindt. Toch is de rechtbank van oordeel dat het college eiser niet op grond van de hardheidsclausule alsnog een urgentieverklaring hoefde te verlenen. Met urgentie krijgt iemand voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Urgentie is dus de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij eigenlijk niet aan de voorwaarden voldoet die de Hvv stelt. Om die reden, en tevens gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, past het college de hardheidsclausule zeer terughoudend en alleen bij zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende, situaties toe.Gelet op de grote vraag naar en het grote tekort aan sociale huurwoningen in Amsterdam, acht de rechtbank dit beleid niet onredelijk.De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.\n\n6.2.. De situatie van eiser kan – hoe moeilijke deze ook voor hem en zijn gezin is – niet worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schrijnend. De ex-partner van eiser kampt, blijkens de ingediende stukken, met medische klachten waardoor voor haar de zorg voor zes kinderen zwaar valt. Uit de verklaringen die zijn overgelegd blijkt tevens dat tussen moeder en de kinderen spanningen zijn en dat de woning waar de kinderen verblijven te klein is voor het gezin. Ook de school en het Ouder- en Kindteam onderschrijven dat de woning van de ex-partner te klein is voor een gezin met zes kinderen, hetgeen zou kunnen worden opgelost door het verstrekken van een urgentieverklaring aan eiser. Het college heeft toegelicht dat het belang van eiser en zijn kinderen op dit moment niet zwaarder weegt dan het belang van een evenwichtig en rechtvaardige woonruimteverdeling. De kinderen van eiser hebben onderdak bij hun moeder waar zij altijd hebben gewoond en kunnen hun vader blijven zien. [naam 1] en [naam 2] staan sinds 8 mei 2023 ook weer opnieuw ingeschreven bij hun moeder. In Amsterdam zijn er veel gezinnen die in een te kleine woning wonen, waar onvoldoende ruimte beschikbaar is voor alle gezinsleden hetgeen tot spanningen leidt en die niet allemaal kunnen verhuizen naar een grotere woning of een extra woning kunnen krijgen. Te klein wonen is niet ideaal, ook niet voor kinderen, maar niet uniek en niet van dien aard dat direct voorrang moet worden verleend op de woningmarkt. Het dossier geeft verder geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van een acuut levensbedreigende situatie bij eiser of zijn kinderen op grond waarvan het college meer onderzoek had moeten laten doen naar de medische situatie. Stress, spanningen, gebrek aan privacy en slechte woonomstandigheden zijn geen bijzondere omstandigheden die tot de afgifte van een urgentieverklaring kunnen leiden. De rechtbank kan deze toelichting van verweerder volgen en is daarom van oordeel dat het college in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat de hardheidsclausule in de situatie van eiser niet toegepast hoefde te worden en dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van de kinderen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.\n\n7.1.. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.1. moet het college wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt om dezelfde reden ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 14 maart 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:176 (zaaknummer AMS 23\u002F832).\n\n Artikel 2.10.11 van de Hvv.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2815.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:1617","2025-03-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.781Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"621","ECLI:NL:RBNHO:2025:2276","ecli-nl-rbnho-2025-2276",67,"2025-03-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 23\u002F3259\n uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [plaats] , eiseres\n\ngemachtigde: R.J.C. Segers AA RB,\n\nen\n\nde minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, (voorheen de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening), de minister\n\ngemachtigde: mr. C.J.M. Daniels, in dienst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.\n\nInleiding\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de aanvraag van eiseres om een definitieve investeringsverklaring voor haar investering in 30 woningen in een (zorg)complex in Heemstede als bedoeld in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (Wmw) en de Regeling Vermindering Verhuurderheffing 2014 (de Regeling) terecht is afgewezen.\n\n1.2.. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 8 september 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 30 maart 2023 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres vergezeld door [naam 1] (beiden werkzaam voor BDO) en [naam 2] en [naam 3] (beiden in dienst bij eiseres) en de gemachtigde van de minister.\n\n3. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten4.1. \n\nEiseres heeft in Heemstede een complex zelfstandige woonruimten gerealiseerd.\n\nZij heeft op 24 maart 2022 de minister voor de in totaal 48 woningen in dat complex aan het [adres 1] en de [adres 2] te Heemstede gevraagd om ‘afdrachtvermindering verhuurderheffing gerealiseerde investeringen’ in het kader van de Wmw. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat het gaat om investeringscategorie Nieuwbouw onder de 1e aftoppingsgrens.\n\n4.2. In de daarop volgende mailwisseling heeft de minister eiseres op 28 april 2022 laten weten dat 18 van de 48 woningen niet voldoen aan de voorwaarden, omdat de huur van die woningen hoger is dan de eerste aftoppingsgrens. Daarnaast heeft de minister eiseres in genoemde mail gevraagd om te verklaren dat de bewoners van de overige woningen zelf voorzien in de bekostiging van de wooncomponenten.\n\n4.3. Eiseres heeft hierop gereageerd per mail van 12 mei 2022. Daarin heeft eiseres aangegeven akkoord te zijn met de afwijzing van de aanvraag voor 18 van de 48 woningen. In genoemde mail heeft eiseres voorts verklaard dat de aanvangshuur van de resterende 30 woningen per woning ligt onder de aftoppingsgrens. De woningen bevinden zich in het appartementencomplex aan het [adres 1] en worden door eiseres verhuurd aan de Stichting Zorgbalans. Die stichting maakt de huur aan eiseres over.\n\n4.4. Zorgbalans gebruikt de 30 woningen in het kader van door haar verleende zorg voor de huisvesting van haar cliënten.\n\nHet primaire besluit en het bestreden besluit\n\n5. Bij besluiten van 7 en 8 september 2022 (één afwijzend besluit per woning) heeft de minister beslist dat de door eiseres gerealiseerde investering in de 30 hiervoor bedoelde woningen niet in aanmerking komt voor een definitieve investeringsverklaring als bedoeld in de Regeling, omdat de gerealiseerde zorgwoningen volgens de minister niet voldoen aan de omschrijving van een voor verhuur bestemde woning als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, Wmw.\n\n6. De minister heeft dit standpunt in bezwaar gehandhaafd en het bezwaar van eiser daarom met het bestreden besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n7. De rechtbank overweegt over het geschil als volgt.\n\nJuridisch beoordelingskader8.1. Op grond van de Wmw wordt (sedert 2014) jaarlijks aan grotere (sociale) verhuurders een heffing opgelegd, de zogenaamde verhuurdersheffing.\n\n8.2 (. Sociale) verhuurders kunnen ter stimulering van investeringen in maatschappelijk urgente woningbouwopgaven een vermindering van de verhuurderheffing krijgen. In de verminderingsregeling worden verschillende investeringscategorieën onderscheiden, waaronder de (nieuw)bouw van huurwoningen, waarvoor de vermindering op verhuurdersheffing kan worden verleend. Dat is geregeld in artikel 1.10 Wmw.\n\n8.3. Een verhuurder kan een voorgenomen investering die mogelijk in aanmerking komt voor de heffingsvermindering aanmelden bij verweerder. Verweerder bekijkt dan of aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan en, indien dit het geval is, verstrekt hij een voorlopige investeringsverklaring. Zodra de investering is gerealiseerd en gefactureerd, kan de verhuurder de investering binnen de daarvoor geldende termijn aanmelden bij verweerder. Verweerder controleert dan of is voldaan aan de voorwaarden van de regeling. Wanneer dit het geval is, ontvangt de verhuurder een definitieve investeringsverklaring. Wanneer een definitieve investeringsverklaring is ontvangen, kan de verhuurder het bedrag van de verhuurdersheffing verminderen met het in de definitieve investeringsverklaring opgenomen bedrag van de heffingsvermindering.\n\n8.4. In artikel 1.2, eerste lid, onder e, Wmw is bepaald dat onder huurwoning in de zin van de Wmw wordt verstaan: een in Nederland gelegen voor verhuur bestemde woning die ingevolge artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt aangemerkt en waarvan de huurprijs niet hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, met uitzondering van een woning die wordt verhuurd in het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die in die woning voor een korte periode verblijf houden en van een woning die krachtens artikel 3.1 van de Erfgoedwet als rijksmonument is aangewezen.\n\n8.5. Investeringen in de nieuwbouw van huurwoningen kan daarom alleen leiden tot vermindering van de verhuurdersheffing als is geïnvesteerd in nieuwbouw van huurwoningen in de hiervoor bedoelde zin.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n9. Tussen partijen is in geschil of de minister terecht heeft besloten dat de door eiseres gerealiseerde investeringen in de 30 (zorg-)woningen geen recht geven op een definitieve investeringsverklaring in de zin van de Regeling, omdat geen sprake is van “voor verhuur bestemde woningen”.\n\n10.1. De minister heeft de stelling van eiseres dat sprake zou zijn van woningen bestemd voor (ver-)huur in de zin van de Wmw gemotiveerd weersproken. Volgens verweerder zijn de woningen van meet af aan bestemd om in gebruik te geven aan zorgbehoevenden die daarvoor geïndiceerd zijn in het kader van de uitvoering van de Wet langdurige zorg (Wlz). Er worden geen huurovereenkomsten gesloten tussen bewoners en Zorgbalans maar (uitsluitend) zorgovereenkomsten. Zorgbalans levert zorg aan de bewoners en stelt de woningen in het kader daarvan aan de bewoners ter beschikking. Het gaat dus om intramurale zorg. Zorgbalans ontvangt daarvoor een vergoeding die in het kader van de uitvoering van de Wlz aan haar wordt betaald door CAK. De bewoners betalen niet zelf een vergoeding voor wonen aan Zorgbalans. De bewoners betalen alleen een eigen bijdrage aan CAK voor de intramuraal verleende zorg.\n\n10.2. Eiseres stelt - kort samengevat - dat de dertig woningen waar het hier om gaat wel voor de verhuur zijn bestemd in de zin van de Wmw. In eerste instantie zijn de woningen bestemd voor verhuur omdat eiseres de woningen verhuurt aan de stichting Zorgbalans. Zorgbalans verhuurt de woningen door aan de bewoners. Er is daarom volgens eiseres wel sprake van voor huur bestemde woningen in de zin van de Wmw. De definitieve investeringsverklaringen zijn daarom volgens eiseres ten onrechte geweigerd.\n\n10.3.1. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt.\n\nIn artikel 201 van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek is bepaald wat onder huur en verhuur wordt verstaan:\n\nHuur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.\n\n10.3.2. Indien de woningen daadwerkelijk zouden worden verhuurd op basis van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:201 BW zou wel sprake zijn van voor de verhuur bestemde woningen in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onder e, Wmw, zoals de Hoge Raad in bijvoorbeeld het arrest van 17 augustus 2018 (DCLI:NL:HR:2018:1313) ook heeft uitgemaakt. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat de 30 woningen niet bestemd zijn om te worden verhuurd in de hiervoor bedoelde zin, maar bestemd zijn om Wlz-geïndiceerden intramurale zorg te bieden op basis van een zorgovereenkomst. De bewoners zijn immers niet gehouden om voor het gebruik van de woningen voor bewoning een tegenprestatie te leveren. Van huur in de zin van artikel 7:201 BW, of van een gemengde overeenkomst als bedoeld in artikel 6:215 BW, waaronder verhuur van woonruimte, is dan geen sprake.\n\n10.3.3. De eigen bijdrage die de bewoners van de 30 woningen moeten betalen is, anders dan eiseres meent, geen tegenprestatie in de zin van artikel 7:201 BW voor het gebruik van de woningen. Het is een bijdrage die de bewoners als Wlz-geïndiceerden betalen voor ontvangen (intramurale) zorg. Zij betalen dat bedrag ook niet aan Zorgbalans, maar aan CAK. Het enkele feit dat zij in het kader van de zorg in de woningen verblijven, is niet voldoende om de woningen als “voor verhuur bestemde woningen” aan te merken .\n\n10.3.4. Dat Zorgbalans het complex van eiseres huurt, maakt het voorgaande niet anders. De huurovereenkomst tussen eiseres en Zorgbalans ziet immers niet op de huur van woningen, maar op de huur van het complex als bedrijfsruimte, zo blijkt uit de tussen eiseres en Zorgbalans gesloten huurovereenkomst.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Omdat geen sprake is van voor de verhuur bestemde woonruimten heeft verweerder de investeringsverklaring terecht geweigerd en heeft eiseres geen aanspraak op vermindering verhuurdersheffing op grond van de investering in het wooncomplex. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat de weigering van verweerder om een definitieve investeringsverklaring voor de 30 in deze uitspraak aan de orde zijnde woningen in stand blijft.\n\n12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op de uitkomst van het beroep geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. H.E. Noordhoek, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:2276","2025-03-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.653Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":70,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":79},"303","ECLI:NL:RBROT:2025:2705","ecli-nl-rbrot-2025-2705",61,"RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F2901\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),\n\nen\n\nStichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. S. Ercan en mr. S.B.H. Fijneman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toewijzing van een urgentieverklaring op basis van de urgentiegrond medische noodzaak.\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 8 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopig voorziening te treffen. Bij uitspraak van 15 november 2023 (zaaknummer: ROT 23\u002F6965) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek afgewezen.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Eiser woont in Rotterdam en heeft op 25 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een urgentieverklaring, omdat zijn huidige woning niet langer voldoet vanwege zijn medische problemen. De woning bevindt zich op de vierde verdieping en eiser moet daarvoor zes trappen op. Eiser heeft aangegeven dat hij vanwege zijn medische situatie geen trap kan lopen, althans niet tot de vierde verdieping. Een arts van het team Sociaal Medische Advisering (SMA) heeft op verzoek van verweerder advies uitgebracht over de situatie van eiser. De conclusie van de arts SMA is dat bij eiser sprake is van chronische progressieve problematiek met een onvoorspelbaar beloop en veel onverwachte exacerbaties, waardoor de mobiliteit beperkt is en ook is er sprake van verminderde inspanningstolerantie. Er is geen sprake van een medisch stabiele situatie en traplopen is een zware inspanning voor hem. Hij kan volgens de arts maximaal één trap op en in verband met hoogtevrees durft eiser ook niet hoog te wonen. De problematiek is van dien aard, ernst en beloop dat er sprake is van een leven ontwrichtende woonsituatie op medische gronden. Er is volgens de arts SMA sprake van een medisch urgente situatie, waardoor eiser op zeer korte termijn (binnen drie maanden) een passende woning moet hebben. Verweerder heeft bij besluit van 19 oktober 2023 de urgentieverklaring toegekend op basis van ‘medische noodzaak’. Om het huisvestingsprobleem op te lossen heeft verweerder, mede gelet op het advies van een adviserend arts, het volgende zoekprofiel vastgesteld:\n\nFlatwoning met lift, gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping\n\nMinimaal twee en maximaal twee slaapkamers\n\nMaximale kale huurprijs ter hoogte van € 693,60\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam\n\n3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woonruimtetypering is gekozen om te voorkomen dat een wooncarrièrekan worden gemaakt. Eiser heeft in bezwaar aangegeven dat hij het zoekprofiel uitgebreid wenst te zien zodat hij sneller een passende woning kan vinden. Verweerder is van mening dat dit geen grond is om het zoekprofiel uit te breiden. Ten aanzien van de maximale huurprijs stelt verweerder zich op het standpunt dat de huurprijs is gebaseerd op het gehanteerde principe van het passend toewijzen van een urgentieverklaring waarvoor het inkomen bepalend is. Ook hier geldt dat met een urgentieverklaring geen wooncarrière moet worden gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hardheidsclausule niet toegepast kan worden aangezien er geen sprake is van een bijzondere, onvoorziene omstandigheid die gelet op het doel van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (de Verordening) redelijkerwijs tot een wijziging van het zoekprofiel zou moeten leiden. Ten tijde van de behandeling van het beroep op de zitting was eiser toegelaten tot de tweede fase, waarin bemiddeld wordt om passende woonruimte te vinden. Dit had nog geen resultaat.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de toewijzing van de urgentieverklaring met bovenstaand zoekprofiel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5.1.. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nHeeft verweerder een passend zoekprofiel vastgesteld?\n\n6. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het vastgestelde zoekprofiel voldoende is om het huisvestingsprobleem op te lossen. Eiser meent dat hij met dit zoekprofiel niet binnen een redelijke termijn een geschikte woning kan vinden. Verweerder heeft ten onrechte geen waarde toegekend aan het feit dat hij al maanden zonder enig succes reageert op woningen; het woningaanbod is zeer beperkt en de concurrentie is groot. Ook heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan zijn medische situatie die maakt dat hij met spoed dient te verhuizen. Eiser wil dat het zoekprofiel wordt aangevuld met een ander woningtype, een eengezinswoning, een woning met drie slaapkamers en dat de maximale huurprijs wordt verhoogd naar € 808,06 (maximum voor huurtoeslag). Daarnaast voert eiser aan dat het opnemen van een maximale huurprijs in het algemeen onrechtmatig is.\n\n6.1.. Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat in het algemeen een zoekprofiel niet in strijd is met de Huisvestingswet 2014. Gemeenten zijn op grond van deze wet verantwoordelijk voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de schaars beschikbare sociale huurwoningen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat iedere urgent woningzoekende een woning krijgt toegewezen die aansluit op zijn of haar situatie. De vraag wanneer een woning passend is hangt af van de situatie van de aanvrager. Vast staat dat niet iedere sociale huurwoning passend is voor iedere urgent woningzoekende. Het is tegen deze achtergrond dat het college het beperkt aantal woningen dat beschikbaar komt, toekent aan woningzoekenden die dat type woning het hardst nodig hebben. Dit betekent dat doorgaans de grotere woningen, met meer slaapkamers worden toegekend aan (grote) gezinnen. Het toekennen van een woning met meer dan twee slaapkamers aan een huishouden bestaande uit een echtpaar en één kind betekent dat een groter gezin (nog) langer moet wachten op passende woonruimte, terwijl voor het echtpaar met één kind in beginsel woonruimte met twee slaapkamers passend is. Het opnemen van een zoekprofiel bij een urgentieverklaring, waarmee verweerder waarborgt dat met de urgentieverklaring geen inbreuk wordt gemaakt op een evenwichtige en rechtvaardige woonruimteverdeling, is daarom niet in strijd met de Huisvestingswet 2014.\n\n6.2.. Het huishouden van eiser bestaat uit drie personen; eiser zelf, zijn echtgenote en zijn dochtertje. Overeenkomstig artikel 3.4. van bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (de bijlage) heeft verweerder aan eiser een voorrangsverklaring toegekend voor een woning met twee slaapkamers. In het advies van de arts van het team SMA staat opgenomen dat een aparte slaapkamer niet noodzakelijk is. Dit onderdeel van het zoekprofiel acht de rechtbank, gelet op wat hiervoor onder 6.1. is overwogen, niet onevenredig. De daartegen gerichte beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nWoonruimtetype6.3.. Verweerder heeft de arts SMA gevraagd of een benedenwoning noodzakelijk is. De arts heeft die vraag ontkennend beantwoord en geadviseerd dat volstaan kan worden met een woning op maximaal de eerste etage, ongeacht de aanwezigheid van een lift. Verweerder heeft dit advies opgevolgd en het zoekprofiel als hiervoor onder 2. weergegeven vastgesteld. Hierbij heeft verweerder kennelijk als uitgangspunt genomen dat eiser geen trap mag lopen en daarom een lift als eis gesteld.6.4.. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het aanbod dat past bij dit voor eiser vastgestelde zoekprofiel, een flatwoning met lift op maximaal de eerste verdieping, beperkt is. Voor alle woonlagen boven de eerste verdieping komt eiser niet in aanmerking en ook de flatwoning zonder lift valt af. De kans op succes is daarmee veel kleiner dan voor andere woningzoekenden met een urgentieverklaring die kunnen reageren op elke verdieping van een flatgebouw met lift. En de andere woningzoekenden met een urgentieverklaring voor het woningtype flatgebouw kunnen ook reageren op een vrijgekomen woning waarop eiser wel mag reageren. Dat eiser na ruim een jaar waarin hij voldoende inspanningen heeft geleverd nog altijd geen andere woning heeft gevonden, lijkt hiervan een bevestiging te zijn. De rechtbank is van oordeel dat door het zoekprofiel (woningtype) van eiser de kans dat hij spoedig een woning toegewezen krijgt dermate klein is dat het zoekprofiel in zoverre, in aanmerking genomen de medische urgentie, een onevenredige beperking vormt.6.5.. In het kader van de verkenning van de mogelijkheden voor finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank het volgende. Op medische gronden heeft verweerder het zoekprofiel beperkt tot een flatwoning metlift op maximaal de eerste verdieping. Daarmee valt af de begane grond van een flatwoningzonderlift. Niet valt in te zien, ook niet gelet op het medisch rapport, waarom zo’n woning niet passend zou zijn. Verder geldt dat overeenkomstig artikel 3.3. vierde lid, van de Bijlage de typering van de woonruimte dusdanig wordt gekozen dat sprake is van een standaard woonruimtetype. Dit betekent: alle woonruimtetypen met uitzondering van eengezinswoningen en benedenwoningen. Hiervan kan door het bestuursorgaan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daarvoor aanleiding zijn. Een urgentieverklaring wordt dus afgegeven voor een standaard woonruimtetype, tenzij er iets bijzonders aan de hand is. Hoewel de arts SMA een benedenwoning medisch niet noodzakelijk heeft geacht, kan een benedenwoning wel een oplossing vormen voor het woonprobleem. Het komt immers tegemoet aan de beperkingen die samenhangen met traplopen en hoogtevrees. Gelet op de beperktheid van het zoekprofiel ten aanzien van het woningtype, is sprake van een bijzonderheid die afwijking van het standaard woonruimtetype kan rechtvaardigen. Gelet op het voorgaande is het zoekprofiel te beperkt vastgesteld, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.\n\nMaximale huurprijs6.6.. Verweerder heeft in het zoekprofiel een maximale huurprijs opgenomen en heeft toegelicht dat daarmee toepassing is gegeven aan 3.3. lid 2 onder c van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020. Op grond van dit artikel moet volgens verweerder met het oog op passende toewijzing van woningen een bij het inkomen passende maximale huurprijs in het zoekprofiel worden opgenomen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4175) is de rechtbank van oordeel dat het opnemen van een maximale huurprijs in het zoekprofiel onrechtmatig is. De Afdeling heeft overwogen dat op grond van artikel 46, tweede lid, van de Woningwet 2015, gelezen in samenhang met artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, als een woningzoekende in aanmerking wil komen voor een woning, een inkomenstoets moet worden uitgevoerd. Tot een bepaalde inkomensgrens geldt een maximumhuurprijs (‘aftoppingsgrens’). Dit wordt ook ‘passend toewijzen’ genoemd. Het moet voorkomen dat huishoudens een woning krijgen toegewezen die zij niet kunnen betalen en dat de uit te keren bedragen aan huurtoeslagen te hoog oplopen. Woningcorporaties zijn gehouden om 95% van de woning passend toe te wijzen, in 5% van de gevallen kunnen zij hiervan afwijken. Het inkomen van eiser valt onder de aftoppingsgrens. Dit betekent dat hij in oktober 2023 op basis van passend toewijzen een woning kon huren met een huurprijs van maximaal € 693,60. Zoals de Afdeling heeft overwogen is het is echter de taak van de woningcorporatie en niet die van het college om te bepalen wanneer zij de uitzondering van 5% toepast. Door het opnemen van een maximale huurprijs kan eiser echter niet met zijn urgentieverklaring reageren op woningen boven deze grens en heeft verweerder daarmee op voorhand uitgesloten dat een woningcorporatie kan afwijken van de norm voor passend toewijzen. Zo’n afwijking zou juist in een geval als dat van eiser de woningcorporatie de mogelijkheid kunnen bieden om meer maatwerk te leveren en eiser zo sneller een andere woning te kunnen bieden. Verweerder heeft aangevoerd dat in de zaak die voorlag bij de Afdeling de vastgestelde maximale huurprijs geen grondslag had in een verordening of beleid. Het enkele feit dat in de Verordening van de gemeente Rotterdam een bepaling is opgenomen over het bij urgentieverlening vaststellen van een maximale huurprijs en dat daarbij een toelichting staat over het principe van passend toewijzen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hoewel de Afdeling overweegt dat het college heeft nagelaten te motiveren waarom het een maximum huurprijs in het zoekprofiel heeft opgenomen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling ook dat het niet slechts gaat om een (herstelbaar) motiveringsgebrek, maar om een voorwaarde die gelet op het wettelijk stelsel niet mocht worden gesteld. Dit betekent dat artikel 3.3. lid 2 onder c van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 in strijd is met de uit de Woningwet volgende systematiek van toewijzen van huurwoningen en in zoverre onverbindend moet worden geacht. Het bestreden besluit kan daarom ook op dit punt niet in stand blijven. Deze beroepsgrond slaagt.\n\n6.7.. De rechtbank merkt daarbij op dat het ontbreken van een maximale huurprijs in het zoekprofiel geenszins inhoudt dat eiser dan altijd aanspraak kan maken op een woning met een huurprijs hoger dan € 693,60. Woningcorporaties zijn verplicht om minimaal 95% van de woningen passend toe te wijzen. Er bestaat geen verplichting om in het geval van eiser van de uitzondering gebruik te maken. Eiser maakt nog steeds meer kans door te reageren op woningen onder deze grens. Daarnaast beperkt het in het zoekprofiel opgenomen woningtype en het aantal kamers de maximale huurprijs. Anders gezegd, de grootste woningen kosten het meest, maar daarvoor komt eiser vanwege de terechte beperkingen ten aanzien van het woningtype en het aantal kamers al niet in aanmerking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond, omdat verweerder in het zoekprofiel het woningtype onevenredig heeft beperkt en ten onrechte een maximale huurprijs heeft opgenomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\n8. Met het oog op de definitieve beslechting van het geschil ziet de rechtbank aanleiding om zelf te voorzien in de zaak en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt dat de begane grond van een flatwoning zonderlift en een gelijkvloerse benedenwoning worden toegevoegd aan het zoekprofiel. Tot slot bepaalt de rechtbank dat het zoekprofiel geen maximale huurprijs bevat. Hiermee komt het zoekprofiel van eiser als volgt te luiden:\n\nFlatwoning metlift gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping, of;\n\nFlatwoning zonderlift, begane grond, gelijkvloers, of;\n\nBenedenwoning, gelijkvloers;\n\nMinimaal 2 en maximaal 2 slaapkamers;\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam.\n\n9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 8 februari 2024;\n\n- herroept het besluit van 19 oktober 2023 ten aanzien van het in het zoekprofiel opgenomen woningtype en de maximale huurprijs van € 693,60;\n\n- bepaalt het zoekprofiel als volgt:\n\nFlatwoning metlift gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping, of;\n\nFlatwoning zonderlift, begane grond, gelijkvloers, of;\n\nBenedenwoning, gelijkvloers;\n\nMinimaal twee en maximaal twee slaapkamers;\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam.\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit van 8 februari 2024;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWoningwet 2015\n\nArtikel 46\n\n2. De toegelaten instelling gaat slechts overeenkomsten van huur en verhuur aan, voor zover aan ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage van huishoudens als eerstbedoeld of laatstbedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, die een huishoudinkomen hebben dat niet hoger is dan het voor het betrokken huishouden toepasselijke bedrag, bedoeld in artikel 14 van die wet, woongelegenheden waarvoor huurtoeslag ontvangen kan worden op grond van die wet worden verhuurd met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 20, tweede lid, van die wet eerstgenoemde respectievelijk laatstgenoemde bedrag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen huishoudens worden uitgezonderd van en nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de eerste volzin. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de wijze waarop de inkomensvaststelling door de toegelaten instelling plaatsvindt.\n\nWet op de huurtoeslag\n\nArtikel 20\n\n2. De aftoppingsgrens is:\n\na. € 650,43 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit één of twee personen bestaat;\n\nb. € 697,07 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit drie of meer personen bestaat.\n\nVerordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020:\n\nArtikel 2.3.8. Voorrang voor bezitters van een urgentie- of herhuisvestingsverklaring\n\n1. Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie of wegens sloop of ingrijpende verbetering van zijn woonruimte een (andere) woonruimte nodig heeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, dan wel een herhuisvestingsverklaring.\n\n2. In Bijlage I bij deze verordening is aangegeven:\n\na. door wie, bij wie en de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde verklaringen kunnen worden aangevraagd,\n\nb. door wie en de gronden waarop deze verklaringen worden verstrekt,\n\nc. de inhoud van deze verklaringen en\n\nd. de gevolgen die deze verklaringen hebben voor de positie op de woningmarkt van de bezitter ervan.\n\nVerordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 bijlage I:\n\nArtikel 2.5. Hardheidsclausule\n\n1. Het bestuursorgaan dat belast is met het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:\n\na. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,\n\nb. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.\n\n2. Het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan registreert de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het in artikel 2.5.2 van de verordening bedoelde overleg.\n\nArtikel 3.3. Het woonruimtetype\n\n1. In het zoekprofiel wordt het woonruimtetype opgenomen dat nodig is voor de oplossing van het huisvestingsprobleem.\n\n2. Het woonruimtetype bevat in ieder geval de volgende elementen:\n\na. het slaapkamertal van de woonruimte\n\nb. de typering van de woonruimte;\n\nc. de huurprijs waarbij woonruimte passend wordt geacht voor het huishoudinkomen van aanvrager.\n\n3. De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat de houder met de urgentieverklaring geen wooncarrière kan maken, tenzij het maken van wooncarrière uitsluitend het gevolg is van het afhankelijk zijn van een woonruimtetype dat noodzakelijk is voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. Onder wooncarrière wordt verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar de maatstaf van een redelijk handelend woningzoekende als gewilder beschouwd moet worden.\n\n4. De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat sprake is van een standaard woonruimtetype. Dit betekent: alle woonruimtetypen met uitzondering van eengezinswoningen en benedenwoningen. Hiervan kan door het bestuursorgaan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daarvoor aanleiding zijn.\n\n5. Indien de toepasselijke urgentiegrond of de samenstelling van het ingevolge artikel 2.1.1 van de verordening aangewezen deel van de woonruimtevoorraad daartoe naar het oordeel van het bestuursorgaan dat op de aanvraag om urgentieverklaring beslist aanleiding geeft, kan naast het in het vorige lid bedoelde woonruimtetype een tweede woonruimtetype in het zoekprofiel worden opgenomen. Dit tweede woonruimtetype is alleen van toepassing in de tweede fase van de urgentie en bovendien op woonruimte gelegen in de gemeente van het college van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring verleend heeft.\n\nArtikel 3.4. Slaapkamertal\n\n1. Het in het woonruimtetype op te nemen slaapkamertal van de urgentie wordt bepaald aan\n\nde hand van de grootte en samenstelling van het huishouden dat houder is van de urgentieverklaring, overeenkomstig de onderstaande tabel.\n\nAantal personen dat deel uitmaakt van het huishouden\n\nNadere beschrijving van de samenstelling van het huishouden\n\nAantal slaapkamers\n\n3\n\n2 ouders* en kind\n\n2\n\n* of daaraan, gelet op de zorg van het inwonende kind of de inwonende kinderen, gelijk te stellen persoon of personen zoals voogd, pleeg- of stiefouder.\n\n Onder wooncarrière wordt volgens artikel 3.3, derde lid, van bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar maatstaf van een redelijk handelend woningzoekende als gewilder moet worden beschouwd.\n\n Zie overweging 5.2. van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4175).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:2705","2026-07-13T00:28:23.510Z",20,[82,11,83,84],2026,2024,2021]