[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-housing-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":165},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":163,"page":14,"limit":164},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},39,"housing-law-nl","Housing Law","NL","2026-07-08T16:53:25.992Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":25},6,{"month":27,"count":19},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61,70,80,89,98,108,116,123,133,143,153],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"626","ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","ecli-nl-rbgel-2026-5368","",60,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3156uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nin de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigden: mr. H. Doornhof en mr. J.M. Luttge),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigde: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college waarin het handhavingsverzoek van verzoeker is afgewezen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college het handhavingsverzoek namelijk terecht afgewezen en heeft het bezwaar dus geen redelijke kans van slagen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 26 mei 2026 heeft verzoeker een handhavingsverzoek ingediend, waarin hij het college vraagt om handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning aangevangen bouw en het beoogde gebruik van een tijdelijke opvanglocatie voor dak- en thuislozen aan het [adres] te [plaats] . Bij besluit van 16 juni 2026 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, omdat volgens het college sprake is van concreet zicht op legalisatie.\n\n2.1.. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die – kort samengevat – inhoudt dat de gemeente de opvanglocatie voorlopig niet in gebruik mag nemen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker, de gemachtigden van verzoeker en de gemachtigden van het college hebben deelgenomen aan de zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\nIs het handhavingsverzoek terecht afgewezen?\n\n4. Het college heeft aan de afwijzing van het handhavingsverzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verzoeker betwist dit. Verzoeker wijst erop dat het op voorhand niet aannemelijk is dat de aangevraagde vergunning zal worden verleend. Hij draagt daar een aantal argumenten voor aan, die er samengevat op neerkomen dat de opvang niet strekt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid en eventuele overlast.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, naar aanleiding van een verzoek om handhaving in de regel een toereikende motivering zal moeten geven waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik wil maken. Dat geldt nog meer in een situatie dat, zoals hier het geval, een overheidsorgaan de overtreder is. Uit de motivering moet blijken van bijzondere omstandigheden waarom het bestuursorgaan meent dat handhaving niet kan worden gevergd. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie van de onrechtmatige situatie bestaat.\n\n4.2.. Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag afgewezen omdat volgens hem sprake is van concreet zicht op legalisatie. Concreet zicht op legalisatie is er, in een geval als hier aan de orde, als een aanvraag is ingediend en het college bereid is om de omgevingsvergunning te verlenen. Vast staat en niet in geschil is dat de gemeente een aanvraag heeft ingediend voor een (legaliserende) omgevingsvergunning. Ook heeft het college op zitting toegelicht dat er bereidheid is om deze omgevingsvergunning te verlenen, en dat de vergunning ook elk moment verleend kan worden. Onder die omstandigheden is dus sprake van concreet zicht op legalisatie. Reeds daarom is het handhavingsverzoek van verzoeker terecht afgewezen. Dit is door het college ook voldoende begrijpelijk gemotiveerd in het bestreden besluit.\n\n4.3.. Het betoog van verzoeker komt er in feite op neer dat de nog te verlenen omgevingsvergunning in een eventueel bezwaar of beroep geen stand zal houden, omdat van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen sprake is en dat daarom de ingebruikname van de daklozenopvang bij wijze van voorlopige voorziening zou moeten worden verboden. De voorzieningenrechter kan er in deze handhavingszaak niet op vooruit lopen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter heeft namelijk geen inzicht in de door het college verrichte onderzoeken en de afwegingen en motivering die aan de omgevingsvergunning ten grondslag zullen liggen. Het voert om die reden in het kader van deze procedure dan ook te ver om, vooruitlopend op deze omgevingsvergunning, de ingebruikname bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden. Het college heeft op zitting toegezegd dat het twee dagen zal wachten met de ingebruikname van de daklozenopvang ná het verlenen van de omgevingsvergunning. Verzoeker heeft dan de mogelijkheid om tegen dat besluit bezwaar te maken en om (eventueel) een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat bezwaar in te dienen bij de voorzieningenrechter. In die procedure kan beoordeeld worden of het college in redelijkheid heeft kunnen menen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Mocht dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo zijn, dan zou in die zaak de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening geschorst kunnen worden. Daar kan nu niet op vooruit worden gelopen.\n\n4.4.. Omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:39.894Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"1279","ECLI:NL:RBMNE:2026:4005","ecli-nl-rbmne-2026-4005",71,"RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: 12186196 \\ LV EXPL 26-15\n\nVonnis in kort geding van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nWOONSTICHTING CENTRADA,\n\nte Lelystad,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Centrada,\n\ngemachtigde: mr. L. Wanders,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\ngemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V..\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 30 producties van 1 juni 2026, - de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van Centrada, - de pleitnota van [gedaagde partij] .\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [gedaagde partij] huurt een woning van Centrada aan de [adres 1] in [woonplaats] . Centrada vordert ontruiming van het gehuurde, omdat Centrada meent dat [gedaagde partij] er niet zijn hoofdverblijf heeft. Centrada concludeert dit op basis van de huisbezoeken, een onderzoek met tandenstokers bij de voordeur, verklaringen van buren en het lage energieverbruik van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] betwist dat hij niet in het gehuurde woont.\n\n2.2.. De kantonrechter vindt dat Centrada onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot onverwijlde ontruiming van het gehuurde. Daarbij weegt mee dat een ontruiming grote gevolgen voor [gedaagde partij] heeft. Centrada is daarom niet-ontvankelijk in haar vordering tot ontruiming.\n\n3. De beoordeling\n\nWat is er gebeurd?3.1.. Op 29 oktober 2025 heeft Centrada een anonieme melding ontvangen waarin de melder aangeeft dat [gedaagde partij] het gehuurde als opslag zou gebruiken en dat hij op de [adres 2] zou wonen.\n\n3.2.. Na de melding heeft Centrada een onderzoek ingesteld. Op 5 november 2025 heeft Centrada een bezoek aan het gehuurde gebracht. [gedaagde partij] bleek op dat moment aanwezig bij zijn buurvrouw [A] (hierna: [A] ) op de [adres 2] . Partijen hebben vervolgens gezamenlijk het gehuurde bezocht. Het gehuurde was gevuld met dozen. De koelkast was leeg, de slaapkamers waren niet toegankelijk en de badkamer stond vol met spullen.\n\n3.3.. Centrada heeft bij brief van 6 november 2025 aan [gedaagde partij] kenbaar gemaakt dat zij op basis van de bevindingen van de dag ervoor van oordeel is dat [gedaagde partij] het gehuurde niet als hoofdverblijf maar als opslagruimte gebruikt. [gedaagde partij] is in de gelegenheid gesteld om alsnog aan te tonen dat hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, onder meer door verbruiksgegevens te overleggen. [gedaagde partij] heeft zijn verbruiksgegevens van Vitens en Essent aan Centrada gestuurd.\n\n3.4.. Op 24 november 2025 heeft opnieuw een huisbezoek plaatsgevonden. [gedaagde partij] had het gehuurde opgeruimd en de koelkast was gevuld met etenswaren (hoewel een aanzienlijk deel over de houdbaarheidsdatum was).\n\n3.5.. Op 11 februari 2025 heeft Centrada een brief gestuurd aan [gedaagde partij] met de mededeling dat zij de huurovereenkomst niet langer wenst voort te zetten vanwege woonfraude. Centrada heeft [gedaagde partij] de mogelijkheid geboden de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen. [gedaagde partij] heeft in zijn e-mail van 13 februari 2025 laten weten daar niet toe bereid te zijn.\n\n3.6.. Vervolgens is Centrada op 17 februari 2026 opnieuw bij het gehuurde langsgegaan. [gedaagde partij] werd toen niet aangetroffen. In de periode van 17 februari 2026 tot 1 mei 2026 is Centrada op meerdere momenten bij het gehuurde geweest. Daarbij heeft Centrada meermaals een tandenstoker tussen de voordeur van [gedaagde partij] geplaatst om te bekijken hoeveel dagen die ongewijzigd op zijn plaats bleef.\n\nHet standpunt van Centrada3.7.. Centrada is na een anonieme melding een onderzoek gestart naar de bewoning door [gedaagde partij] . Centrada concludeert dat [gedaagde partij] de woning niet als hoofdverblijf gebruikt. Centrada betoogt dat haar onderzoek met de tandenstoker aantoont dat [gedaagde partij] gedurende langere aaneengesloten periodes de woning niet heeft betreden. Centrada heeft twee omwonenden gesproken waaruit Centrada afleidt dat [A] en [gedaagde partij] samenwonen. Samen met het lage gas- en water verbruik van [gedaagde partij] , leidt dit volgens Centrada tot de conclusie dat [gedaagde partij] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Centrada wil dat [gedaagde partij] de woning ontruimt.\n\nHet standpunt van [gedaagde partij]3.8.. betoogt dat hij wel degelijk in het gehuurde woont. Hij is het niet met de bevindingen van Centrada eens. Volgens [gedaagde partij] kan de ‘tandenstokermethode’ bij de voordeur niet tot enige conclusie leiden. [gedaagde partij] zegt dat hij de woning regelmatig via de achterzijde verlaat, omdat zijn scootmobiel daar staat. [gedaagde partij] verklaart dat zijn waterverbruik laag is omdat hij vanwege watervrees geen gebruik maakt van de douche. In plaats daarvan wast [gedaagde partij] zich met de hand. Verder zegt [gedaagde partij] dat hij zuinig leeft. Over het gasgebruik licht [gedaagde partij] toe dat hij voor het opwarmen van water zijn kokend water kraan gebruikt, dat hij elektrisch kookt en dat hij de woning elektrisch verwarmt. [gedaagde partij] bevestigt dat hij regelmatig bij zijn buurvrouw [A] op nummer [adres 2] te vinden is, maar betwist dat hij bij haar woont. [gedaagde partij] en [A] zijn vrienden en verre familieleden. [A] is net als [gedaagde partij] in-\u002Fmindervalide en beide vinden steun aan elkaar. [gedaagde partij] zegt dat beiden in hun eigen woning slapen. [gedaagde partij] legt een verklaring van [A] over en een verklaring van een vriend.\n\nHet juridisch kader3.9.. In een kortgedingprocedure wordt aan de rechter gevraagd om een (spoed)maatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kortgedingprocedure ook een gewone rechtszaak (bodemprocedure) zal komen. In deze zaak wordt ontruiming gevorderd. Dat is een zeer ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling daarvan moet grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n3.10.. Voor toewijzing van een dergelijke vordering zal dan ook slechts plaats zijn als deze vooruitloopt op een vonnis in een bodemprocedure waarbij met een grote mate van waarschijnlijkheid ook de ontruiming zal worden bevolen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming en van een zodanig spoedeisend belang dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht. Daarbij dient de kantonrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte onderzoeksmogelijkheden die het kort geding hem biedt, aangezien formele bewijslevering in deze procedure in beginsel niet plaatsvindt.\n\nCentrada heeft onvoldoende spoedeisend belang3.11.. Allereerst dient dus te worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van Centrada. Dit gaat om het spoedeisend belang als ontvankelijkheidseis. Dit spoedeisend belang moet worden beoordeeld op het moment van dit vonnis, uitgaande van datgene wat op de mondelinge behandeling door partijen naar voren is gebracht.\n\n3.12.. Centrada betoogt dat haar spoedeisend belang erin is gelegen dat de woning op korte termijn beschikbaar komt voor een nieuwe huurder die de woning daadwerkelijk zal bewonen. Het gaat om een sociale huurwoning waarvoor de wachtlijsten inmiddels zijn opgelopen tot meer dan acht jaar. Door het gehuurde niet zelf te bewonen, wordt de woning onttrokken aan de doelgroep waarvoor die bestemd is. Dit staat haaks op de maatschappelijke taak van Centrada om de schaarse sociale woonruimte beschikbaar te stellen aan woningzoekenden die daarop zijn aangewezen. [gedaagde partij] betwist dat Centrada een spoedeisend belang heeft.\n\n3.13.. Blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad is het spoedeisend belang niet een op zichzelf staand vereiste waaraan uitsluitend het belang van eiser moet worden getoetst, maar moet aan de hand van een afweging van de belangen van beide partijen worden beoordeeld of eiser een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.\n\n3.14.. Hoewel algemeen bekend is dat er lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen zijn, is de kantonrechter van oordeel dat het belang van Centrada bij een onverwijlde ontruiming, mede gelet op het belang van [gedaagde partij] , onvoldoende spoedeisend is. Daarbij weegt mee dat de huurovereenkomst sinds 2011 geduurd heeft en dat niet eerder sprake is geweest van onregelmatigheden. Ook weegt mee dat het onderzoek van Centrada sinds november 2026 loopt en 8 maanden later deze procedure is opgestart. Tegenover het belang van Centrada staat het belang van [gedaagde partij] , die slecht ter been is en een kwetsbare gezondheid heeft. Een ontruiming zou ingrijpende gevolgen voor [gedaagde partij] hebben. De afweging van deze belangen maakt dat de spoedeisendheid niet dusdanig is dat van Centrada niet kan worden gevergd dat zij een bodemprocedure start en het verloop hiervan afwacht.\n\nTen overvloede3.15.. Daarbij komt dat vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Hoewel de omstandigheden die Centrada naar voren heeft gebracht de schijn wekken dat [gedaagde partij] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, heeft [gedaagde partij] sinds het bezoek van 5 november 2025 verschillende maatregelen getroffen om de woning voldoende bewoonbaar te laten zijn. [gedaagde partij] erkent dat hij en zijn buurvrouw [A] onderling steun aan elkaar hebben en dat zij geregeld bij elkaar over de vloer komen, maar door [gedaagde partij] wordt uitdrukkelijk betwist dat sprake is van een gemeenschappelijk hoofdverblijf in de woning van [A] . Als de verhuurder gemotiveerd stelt dat de huurder geen hoofdverblijf heeft in het gehuurde, mag van de huurder worden verlangd dat hij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verhuurder om deze aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. In dat kader heeft [gedaagde partij] een toelichting gegeven over zijn lage energieverbruik, het gebruik van de achterdeur en heeft hij enkele verklaringen overgelegd. Onder deze omstandigheden is het vooralsnog niet zonder meer aannemelijk dat de bodemrechter tot de ontbinding van de huurovereenkomst zal overgaan. Desalniettemin dient [gedaagde partij] wel met die mogelijkheid rekening te houden.\n\nProceskosten3.16.. Centrada is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n21,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n598,50\n\n3.17.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. verklaart Centrada niet-ontvankelijk in haar vordering,\n\n4.2.. veroordeelt Centrada in de proceskosten van € 598,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Centrada niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nPM\u002F45352\n\n HR 29 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4553.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4005","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.644Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":50,"updatedAt":69},"612","ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","ecli-nl-rbgel-2026-5371","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3061\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigden: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nInleiding\n\n1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijk weergave van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek.\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 8 juni 2026 bij het college een handhavingsverzoek ingediend tegen een aantal activiteiten (bouw-, aanleg- en kapwerkzaamheden) ten behoeve van een tijdelijke daklozenopvang op het terrein gelegen bij het [adres] in [plaats] . Het college heeft dit verzoek op 15 juni 2026 afgewezen omdat verzoeker geen belanghebbende is bij deze activiteiten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigden van het college hebben hieraan deelgenomen.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die mondelinge uitspraak luidt zakelijk weergegeven als volgt.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de voorzieningenrechter – kort samengevat – verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat alle werkzaamheden worden gestaakt, dat de feitelijke ingebruikname van de locatie als tijdelijke daklozenopvang wordt verboden en dat het college wordt opgedragen een inhoudelijk besluit op het handhavingsverzoek te nemen.\n\n2.1.. Uit artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Awb, vloeit voort dat de voorzieningenrechter (behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen) alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald wat een besluit is, namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.\n\n2.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit in beginsel belanghebbende is bij een besluit daarover. Wel moeten deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij wordt gekeken naar de afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en de milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit waar het besluit op ziet.\n\n2.3.. Verzoeker woont op 209 meter afstand van de tijdelijke daklozenopvang. Verzoeker heeft op zitting erkend dat hij geen zicht heeft op de bebouwing. Gelet op deze afstand en het feit dat verzoeker geen zicht heeft op de daklozenopvang is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker in beginsel geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Verzoeker heeft op zitting toegelicht dat hij naar zijn mening wel een voldoende persoonlijk belang heeft, omdat hij zich onveiliger zal voelen als hij wandelt in het park. Ook verwacht hij dat er mogelijk gedeald zal worden in zijn straat.\n\n2.4.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het pand nog niet in gebruik is genomen als daklozenopvang en dat het handhavingsverzoek daar ook geen betrekking op heeft. Dat handhavingsverzoek ging over bouw-, kap- en aanlegwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de daklozenopvang. Aan de gestelde toekomstige gevolgen van de ingebruikname van het pand kan verzoeker geen belang ontlenen dat relevant is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Die gevolgen vallen immers buiten de reikwijdte van zijn handhavingsverzoek.\n\n2.5.. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat een eventueel toekomstig subjectief onveiligheidsgevoel, wat daar ook van zij, onvoldoende is om aan te nemen dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt. Daarbij is ook van belang dat verzoeker zich onvoldoende onderscheidt van andere mensen die van het park gebruik maken. Het is de voorzieningenrechter daarnaast niet op voorhand gebleken dat er in zijn straat gedeald zal gaan worden. Dat zou ook geen direct (ruimtelijk) gevolg zijn van de ingebruikname van het pand als daklozenopvang.\n\n2.6.. Het is dus niet aannemelijk dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waartegen hij een handhavingsverzoek heeft ingediend. Verzoeker is daarom geen belanghebbende. Dit betekent dat er geen sprake is van een aanvraag. De afwijzing van 15 juni 2026 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter is gelet daarop niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent niet dat er helemaal geen rechtsbescherming openstaat voor verzoeker. Verzoeker kan zich als hij dat wil met deze zaak tot de burgerlijke rechter wenden.\n\n2.7.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, hoeft verzoeker voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening geen griffierecht te betalen.\n\n2.8.. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart zich onbevoegd;\n\n- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan verzoeker het griffierecht terugbetaalt.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.\n\nDe griffier is verhinderd om dit proces-verbaal te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923, r.o. 3.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.270Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":50,"updatedAt":79},"837","ECLI:NL:RBNNE:2026:2590","ecli-nl-rbnne-2026-2590",65,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1957\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker en verzoeksters uit plaats]\n\n(gemachtigde: mr. J.A.J. Brahm)\n\nen\n\nde burgemeester van Stadskanaal\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Krul)\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel:\n\nStichting Lefierstatutair gevestigd te Midden-Groningen, de woningbouwstichting\n\n(gemachtigde: [naam ] en mr. S. Bosma)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning plaatselijk bekend [adres] (de woning). Verzoekster heeft die woning gehuurd van de woningbouwstichting. Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de burgemeester verzoekers gelast de woning aan [adres] en de daarbij behorende ruimten en voorzieningen te sluiten en gesloten te houden voor de duur van drie maanden. De sluiting gaat in op 29 mei 2026 om 10.00 uur en duurt tot 29 augustus 2026 om 10.00 uur. Verzoekers zijn het daar niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft de burgemeester de woning gesloten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat in en bij de woning middelen als bedoeld in de Opiumwet aanwezig waren. Het gaat om 0,98 gram 4-CMC, 0,48 gram 2-MMC, 3,57 gram 2-MMC en 2,14 gram hasjiesj. De totale hoeveelheid aangetroffen harddrugs\u002Flijst I- en lijst IA-middelen bedraagt daarmee 5,03 gram, volgens de burgemeester. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het sluitingsbevel en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De woningbouwstichting heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van de woningbouwstichting.\n\n2.3.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van verzoekers, op verzoek van de voorzieningenrechter, haar pleitnotitie ingediend.\n\n2.4.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van verweerder, op verzoek van de voorzieningenrechter, het proces-verbaal van bevindingen van bijzonder opsporings ambtenaar [verbalisant] ingediend. Dat proces-verbaal is door [verbalisant] gesloten en ondertekend op 23 juni 2026.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening\n\n3. [verzoeker] en [verzoekster] hebben de voorzieningenrechter primair verzocht om onverwijld een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat het bestreden besluit met onmiddellijke ingang wordt geschorst, zodat de woning niet zal worden gesloten voordat dat besluit onherroepelijk is of is beslist op het bezwaar of een door de voorzieningenrechter bepaalde datum is bereikt, met veroordeling van de gemeente in de kosten die [verzoeker] en [verzoekster] in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Subsidiair hebben zij verzocht een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het besluit van 26 mei 2026.\n\nHeeft [verzoeker] een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Dat licht hij toe.\n\n5.1.. \n\nDe voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Vast staat dat [verzoeker] , anders dan [verzoekster] , geen huurovereenkomst heeft met de derde-partij. Verder is tussen partijen niet in geschil dat [verzoeker] momenteel gedetineerd is. De sluiting van de woning duurt drie maanden. Naar verwachting zal de detentie langer duren dan drie maanden, omdat uit de bestuurlijke rapportage gedateerd 10 maart 2026 is op te maken dat de detentieperiode negen maanden zal duren, gerekend vanaf februari 2026. Daaruit volgt dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.\n\nDe voorzieningenrechter zal hieraan geen conclusie verbinden, omdat er geen twijfel bestaat over het spoedeisend belang van [verzoekster] . Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.\n\nIs het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?\n\n6. Verzoekers betogen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Volgens hen was het volledige dossier niet beschikbaar op het moment dat de zienswijze naar voren kon worden gebracht. Zij verbinden hieraan de conclusie dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 4:8 van de Awb en het fundamentele beginsel van hoor- en wederhoor.\n\n6.1.. \n\nDe voorzieningenrechter laat in het midden of de burgemeester heeft gehandeld in strijd met de door verzoekers genoemde bepalingen, omdat die gebreken niet dusdanig zijn dat daarin aanleiding is gelegen om een voorlopige voorziening te treffen. Bovendien geldt dat een eventueel gebrek kan worden hersteld in de bezwaarfase.\n\nDe voorzieningenrechter betrekt daarbij dat, zoals inmiddels is gebleken uit de NFI rapportage, tussen partijen niet in geschil is dat er 5,03 gram is aangetroffen van middelen die op lijst I en lijst IA van de Opiumwet staan.\n\nWas de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?\n\n7. Niet in geschil is dat de volgende middelen zijn aangetroffen:\n\n0,48 gram van een kristalachtig poeder, dat 2-MMC bevat (2methylmethcathinon);\n\n3,57 gram van een kristalachtig poeder en een brokvormige substantie die 2-MMC bevat (2methylmethcathinon);\n\n0,98 gram van een brokvormige witte substantie, dat 4-CMC bevat (clefedron).\n\n2-MMC valt onder lijst IA van de Opiumwet onder de stofgroep ‘Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine’. 4-CMC is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Omdat het hier gaat om een hoeveelheid aan harddrugs die de als voor eigen gebruik bestemde maximumhoeveelheid van 0,5 g overschrijdt, mocht de burgemeester in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Hij was daarom bevoegd om de woning te sluiten.\n\n8. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld conform de “Beleidsregels sluiting en heropening panden\u002Fwoningen Stadskanaal 2025”.\n\nWas de sluiting van de woning noodzakelijk?\n\n9. Verzoekers voeren aan dat van daadwerkelijke handel vanuit de woning niet is gebleken, dat van concrete overdrachten niet is gebleken, noch van structurele aanloop of overlast. Volgens hen heeft de burgemeester volstaan met een verwijzing naar algemene wijkproblematiek, antecedenten en niet-verstrekte informatie.\n\n9.1.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de politie naar aanleiding van meldingen de woning heeft betreden. Bij het betreden van de woning werden harddrugs en weegschaaltjes aangetroffen. Volgens de burgemeester is het hiermee aannemelijk dat de meldingen over drugshandel inderdaad kloppen. Verzoekers hebben verklaard dat er geen harddrugs in de woning aanwezig was, toch is er vijf gram aangetroffen. Daarnaast heeft hij in het bestreden besluit erop gewezen dat uit (pagina 2 van) de bestuurlijke rapportage volgt dat [adres] in de wijk [wijk] ligt en dat deze omgeving bij de politie bekend staat als sociaal kwetsbaar, met problematiek gerelateerd aan verdovende middelen en alcohol. In de rapportage is vermeld dat de politie in de periode december 2024 tot december 2025 in totaal 373 keer is ingezet voor incidenten in de wijk [wijk] en dat in de afgelopen twee jaar 302 incidenten aan [adres] zijn geregistreerd. Volgens de politie blijkt hieruit dat een groot deel van de incidenten in de wijk [wijk] zich afspeelt aan [adres] en dat [adres] een van de meest kwetsbare straten in de gemeente Stadskanaal is.\n\n9.2.. Naar voorlopig oordeel heeft de burgemeester voldoende aannemelijk gemaakt dat de sluiting van de woning noodzakelijk was, gelet op de aangetroffen harddrugs, de weegschaaltjes en de kwetsbaarheid van [adres], blijkend uit de cijfers over politie-inzet in de wijk [wijk] in de periode december 2024 tot december 2025. Daarbij wordt nog gewezen op de MMA meldingen, de overlastmeldingen van woningstichting Lefier en de rapportage van de BOA’s.\n\nWas de sluiting van de woning geschikt?\n\n10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gronden van het verzoekschrift noch hetgeen ter zitting is aangevoerd aanleiding geeft om de geschiktheid van de sluiting van de woning te toetsen.\n\nWas de sluiting van de woning evenwichtig?\n\n11. Verzoekers voeren aan dat hun belangen groot zijn. Zij hebben verwezen naar artikel 8 van het EVRM. Volgens hen is niet gebleken van een acute verstoring van de openbare orde die onmiddellijke sluiting van de woning noodzakelijk maakt. Daarnaast verliezen verzoekers gedurende drie maanden hun woning.\n\n11.1.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet aanvoeren om welke reden de sluiting van hun woning hen onevenredig zwaar raakt. Indien zij hulp nodig hebben om vervangende woonruimte te krijgen, dan kan de burgemeester daar samen met hulpverlenende organisaties in ondersteunen. Echter, de burgemeester heeft hiervan geen verzoek ontvangen.\n\n11.2.. Naar voorlopig oordeel is de sluiting van de woning niet onevenwichtig. Niet is gebleken van een bijzondere binding van verzoekers met de woning. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de woningbouwvereniging ter zitting naar voren heeft gebracht dat zij aanleiding heeft gezien de huurovereenkomst met verzoekster buitengerechtelijk te ontbinden. Bij de kantonrechter zal worden gevraagd om ontruiming van de woning. Als het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, dan gaat de ontruiming door. De woningbouwvereniging voert een zero tolerance-beleid ten aanzien van een overtreding van de Opiumwet zoals hier aan de orde. Zo nodig zal daarom worden gevraagd om een ontbinding door tussenkomst van de burgerlijke rechter, aldus de woningbouwvereniging.\n\n12. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen, omdat het naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen heeft.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2590","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.441Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":50,"updatedAt":88},"1514","ECLI:NL:RBNNE:2026:2614","ecli-nl-rbnne-2026-2614","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F555\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet Dagelijks Bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, verweerder\n\n(gemachtigde: Y. Snijder en S. Smit).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit om de subsidieaanvraag van eiser af te wijzen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 22 februari 2024 heeft eiser een subsidie aangevraagd op grond van de Subsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen (de Regeling). Het gebouw betreft de woning van eiser.\n\n2.1.. Met het primaire besluit van 14 mei 204 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het gebouw niet is gelegen in een van de bij Regeling aangewezen postcodegebieden.Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door eiser.\n\n2.2.. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het primaire besluit gebleven.\n\n2.3.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIs het bestreden besluit in strijd met algemeen beginselen van behoorlijk bestuur?3.1.. Eiser voert aan dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur door verweerder. Zo is bij het invoeren van de Regeling niet gekeken naar het mogelijke effect voor inwoners met schade buiten het vastgestelde postcodegebied. Dat verweerder de uitvoeringsopdracht van het ministerie desondanks heeft aanvaard, is volgens eiser onzorgvuldig. Dit geldt ook voor de gegevens die ten grondslag liggen aan het besluit. Deze zijn inmiddels zes jaar oud en aan verandering onderhevig. Verweerder had daarmee rekening moeten houden.\n\n3.2.. Verder is er volgens eiser sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Op grond van de Regeling kent verweerder namelijk subsidie toe aan mensen die helemaal geen aardbevingsschade hebben. En tegelijkertijd zijn er mensen die op grond van de Regeling geen subsidie krijgen toegekend, terwijl zij wel aardbevingsschade hebben.\n\n3.3.. In het verlengde hiervan voert eiser aan dat er bij hem ook aardbevingsschade is vastgesteld. Verweerder had vanwege deze omstandigheid van de Regeling af kunnen wijken. Nu dat niet is gebeurd, is volgens eiser het bestreden besluit niet evenredig en in strijd met rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).\n\n4.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij de beoordeling is gebleken dat de subsidieaanvraag van eiser niet voldoet aan de voorwaarden die de Regeling stelt. Daarbij heeft verweerder geen beleidsvrijheid om andere postcodes op te nemen in het postcodegebied dan die in de Regeling zijn vastgesteld. Verweerder is als uitvoeringsorgaan namelijk gehouden aan de opdracht die hij heeft gekregen.\n\n4.2.. Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel merkt verweerder op dat uit rechtspraak volgt dat het alleen nog gaat over de evenwichtigheid van het besluit. De wetgever heeft gekozen voor een regeling op basis van postcodegebieden. Dat deze keuze voor eiser onredelijk bezwarend uitpakt, heeft hij volgens verweerder onvoldoende aangetoond. In dat licht bezien is het besluit dat eiser ondanks de aardbevingsschade niet in aanmerking komt voor de subsidie op grond van deze Regeling, niet onevenwichtig.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser niet kan slagen. Zij overweegt daartoe als volgt. Op grond van de Regeling kan een eigenaar van een gebouw alleen subsidie worden verstrekt als dat gebouw in een van de postcodegebieden ligt die in de Regeling genoemd zijn. Het staat vast dat eisers woning niet is gelegen in een van de aangewezen postcodegebieden.\n\n5.1.. Verweerder is als uitvoeringsinstantie gebonden aan de bepalingen in de Regeling en de regels van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat als zijn opdrachtgever. Er is geen sprake van onzorgvuldig handelen door verweerder. Verweerder heeft immers niet de bevoegdheid om af te wijken van de Regeling.\n\n5.2.. Verder kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen slagen, als gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Daarvan is in het betoog van eiser geen sprake.\n\n5.3.. \n\nUit de door eiser aangehaalde uitspraak van het CBb volgt dat het bij toetsing van een gebonden besluit aan het evenredigheidsbeginsel “onder de streep” alleen nog gaat over de evenwichtigheid van het besluit. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.\n\nDe Regeling geldt voor iedereen en door de keuze van de regelgever vallen eigenaren van woningen buiten de genoemde postcodegebieden buiten de boot. In zoverre is de situatie van eiser niet uitzonderlijk of onevenwichtig. Het feit dat in de woning van eiser aardbevingsschade is geconstateerd, maakt ook niet dat sprake is van onevenwichtigheid.\n\n5.4.. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen reden om aan te nemen dat sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur door verweerder. De rechtbank onderschrijft de motivering die verweerder heeft gegeven in het verweerschrift. Dat eiser op grond van de Regeling niet in aanmerking komt voor subsidie is ongetwijfeld een teleurstelling voor hem. Maar het staat eiser vrij om te onderzoeken of hij op grond van nieuwere, andere regelingen wel in aanmerking kan komen voor subsidie.\n\n5.5.. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat zij niet zal ingaan op eisers opmerkingen over de handelwijze van verweerder. Daarvoor staan namelijk andere procedures open.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van\n\nK.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 4:23\n\n1. Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.\n\n(…)\n\nSubsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen\n\nArtikel 2a\n\n1. In afwijking van artikel 2 verstrekt de minister op aanvraag subsidie voor de kosten van een verduurzamingsmaatregel, voor onderhoud of voor verbetering aan de eigenaar van een gebouw gelegen in de postcodegebieden in de gemeenten, genoemd in het tweede lid, voor zover dat gebouw:\n\na.bestemd of mede bestemd is voor bewoning;\n\nb.op of voor 6 november 2020 geen deel uitmaakt van het versterkingsprogramma;\n\nc.is gebouwd en opgeleverd vóór 1 januari 2016, en\n\nd.niet in eigendom is van een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet.\n\n2 De eigenaar of eigenaren van een gebouw binnen de gemeente:\n\na.Aa en Hunze met postcode 9656 kunnen een aanvraag doen van 6 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nb.Eemsdelta met postcodes 9901 tot en met 9909, 9911 tot en met 9915, 9917 tot en met 9919 en 9921 kunnen een aanvraag doen van 13 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nc.Eemsdelta met postcodes 9922 tot en met 9924, 9931 tot en met 9934, 9936, 9937, 9945 tot en met 9949, 9987 en 9991 tot en met 9994 kunnen een aanvraag doen van 20 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nd.Groningen met postcodes 9613, 9614, 9622, 9723 en 9731 tot en met 9735 kunnen een aanvraag doen van 27 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\ne.Groningen met postcodes 9736 tot en met 9738, 9746, 9747 en 9791 tot en met 9798 kunnen een aanvraag doen van 3 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nf.Het Hogeland met postcodes 9771, 9773, 9774, 9781, 9784, 9785, 9925, 9951, 9953 tot en met 9957, 9959, 9961 tot en met 9969, 9973, 9975, 9977 tot en met 9979, 9981 tot en met 9986, 9988, 9989 en 9995 tot en met 9999 kunnen een aanvraag doen van 10 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\ng.Midden-Groningen met postcodes 9601 tot en met 9603, en 9605 tot en met 9609 kunnen een aanvraag doen vanaf: 17 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nh.Midden-Groningen met postcodes 9611, 9615 tot en met 9619, 9621, 9623 tot en met 9629, 9632, 9633, 9635, 9636, 9649 en 9939 kunnen een aanvraag doen van 24 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\ni.Oldambt met postcodes 9679, 9681, 9682, 9942 tot en met 9944 kunnen een aanvraag doen va: 31 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nj.Westerkwartier met postcodes 9833, 9884, 9886, 9891 tot en met 9893 kunnen een aanvraag doen van 7 september 2022 tot en met 31 december 2025.\n\n(…)\n\n Zie artikel 2a, aanhef en tweede lid van de Regeling.\n\n Te raadplegen onder vindplaats ECLI:NL:CBB:2024:190 en\u002Fof ECLI:NL:CBB:2024:191.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2614","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:24.897Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":84,"fullText":94,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":50,"updatedAt":97},"1601","ECLI:NL:RBAMS:2026:6168","ecli-nl-rbams-2026-6168",56,"RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12048989 \\ CV EXPL 26-428\n\nVonnis in verzet van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1],\n\n2. [eiser 2],\n\nbeiden wonende te [woonplaats],\n\neisers in verzet,\n\nhierna samen te noemen: [eiseres] in vrouwelijk enkelvoud,\n\ngemachtigde: mr. R.M. Berendsen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHASEDA INVESTMENTS B.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagde in verzet,\n\nhierna te noemen: Haseda,\n\ngemachtigde: mr. dr. J. van Lochem.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de oorspronkelijke dagvaarding van 25 september 2025, met producties,\n\n- het verstekvonnis van 14 november 2025, hersteld op 12 december 2025, - de verzetdagvaarding van 24 december 2025 - een akte nadere producties van Haseda met drie producties. - het instructievonnis van 3 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de dagbepaling mondelinge behandeling.\n\n1.2.. Op 20 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [eiseres] is [eiser 1] verschenen met een tolk vergezeld door de gemachtigde. Namens Haseda is [naam 1] verschenen vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben hun stellingen toegelicht, de gemachtigde van Haseda aan de hand van een pleitnotitie, en vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Sinds 2022 is Haseda eigenaar van het pand aan de [adres 1] te [plaats], bestaande uit vijf woonruimtes. Zij heeft het pand ingrijpend gerenoveerd.\n\n2.2.. Na de renovatie heeft Haseda een huurovereenkomst gesloten met [eiseres] met betrekking tot de zelfstandige woonruimte [adres 2] ingaande per 10 oktober 2024 tegen € 2.450,- aan kale huurprijs, € 175,- aan kosten voor gebruik van stoffering, meubilering en overige inventaris alsmede € 35,- aan voorschot servicekosten, per maand. In artikel 1.4 van de huurovereenkomst is bepaald: “Huurder heeft bij het aangaan van de huurovereenkomst wel een kopie van het energielabel als bedoeld in het Besluit energieprestaties gebouwen of een kopie van de Energie-Index ten aanzien van het gehuurde ontvangen.”\n\n2.3.. Op 24 februari 2025 heeft [eiseres] een verzoek ingediend bij de Huurcommissie om de aanvangshuurprijs te toetsen.\n\n2.4.. Nadien is Haseda gebleken dat per abuis geen energielabel voor de woning was geregistreerd. Zij heeft deze direct aangevraagd en op 24 april 2025 is energielabel B voor de woning opgenomen, per 14 mei 2025 geregistreerd en ingebracht in de procedure bij de Huurcommissie.\n\n2.5.. Op 4 juni 2025 heeft in het kader van de procedure bij de Huurcommissie een onderzoek in de woning plaatsgevonden, waarvan op 13 juni 2025 een onderzoeksrapport is opgesteld. In het onderzoeksrapport is bij de puntentelling vanwege het ontbreken van een WOZ-beschikking de minimum WOZ waarde aangehouden (van € 73.607,-), te weten 10 punten, en is vanwege het ontbreken van een energielabel op de ingangsdatum van de huurovereenkomst uitgegaan van het bouwjaar van de woonruimte (te weten 1911), te weten een aftrek van 15 punten, waardoor de puntentelling uitkwam op 91 punten met een maximale huurprijs van € 542,99.\n\n2.6.. Op 26 juni 2025 heeft Haseda [naam 2] van Kroese Paternotte opdracht gegeven een WOZ taxatieverslag op te stellen met betrekking tot de woning. In de begeleidende brief bij het op 2 juli 2025 door Haseda ontvangen taxatieverslag is vermeld: “In het WOZ taxatieverslag wordt de WOZ waardering uiteengezet, waarbij tevens met behulp van referentietransacties de waarde onderbouwd wordt”. In het taxatieverslag is verder vermeld dat het doel van het taxatieverslag is: “het verkrijgen van inzicht in de ‘marktwaarde’ per waardepeildatum in het kader van de Wet WOZ”, is de waardepeildatum bepaald op 1 januari 2024 en is de waarde van de woning getaxeerd op € 480.500,-. Hasada heeft het taxatieverslag voorafgaand aan de zitting bij de huurcommissie op 23 juli 2025 aan de Huurcommissie gestuurd.\n\n2.7.. \n\nOp 1 augustus 2025 is de uitspraak van de Huurcommissie aan partijen verzonden. In de uitspraak heeft de Huurcommissie de redelijke kale huurprijs vastgesteld op € 542,99 per maand op basis van de in het onderzoeksrapport vastgesteld 91 punten, waarbij met betrekking tot de WOZ-waarde uitgegaan is van het bouwjaar van de woning. Ten aanzien van de punten voor de energieprestatie van de woning is het volgende overwogen:\n\n“Voor beantwoording van de vraag welk woningwaarderingsstelsel toegepast moet worden is de ingangsdatum van de huurovereenkomst bepalend. De huurovereenkomst is op 10 oktober 2024 ingegaan. Vanaf 1 juli 2024 behoort het waarderen van een later geregistreerd energielabel, zoals bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad [ECLI:NL:HR:2023:1005, ktr], niet meer tot de mogelijkheden.\n\nIn de toelichting op het Besluit huurprijzen woonruimte overwoog de wetgever het volgende.\n\nBij de toe te passen woningwaardering gaat het niet alleen om de toestand van de woning als zodanig, maar ook om aspecten waarvan de huurder of een derde kennis kan hebben op de relevante datum door opname van de woning en door het raadplegen van algemeen beschikbare informatie van de woning. Dit betekent dat een situatie denkbaar is dat er voor de woning geen geldig energielabel is vastgesteld op het moment dat de woning wordt verhuurd. De puntentoekenning voor de energieprestatie op de ingangsdatum van de huurovereenkomst dient in dat geval plaats te vinden aan de hand van het bouwjaar. Dit geldt ook indien op een later moment alsnog een geldig energielabel wordt bepaald.\n\nHet aantal punten bij “energieprestatie” wijzigt niet.”\n\n2.8.. Bij verstekvonnis van 14 november 2025, hersteld op 12 december 2025, is kort gezegd voor recht verklaard dat 63 punten inzake WOZ-waarde had moeten worden toegekend, 30 punten inzake de energieprestatie en dus aan het gehuurde een totaal puntenaantal had moeten worden toegekend van 189, bepaald dat het gehuurde daarom in de vrije sector valt en is [eiseres] veroordeeld tot het blijven betalen van de overeengekomen huurprijs van € 2.450,-, exclusief het overeengekomen (voorschot) servicekosten.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nhet verstekvonnis te vernietigen;\n\nde kale huurprijs per ingangsdatum van het huurcontract vast te stellen op € 847,05 per maand;\n\nHaseda te veroordelen tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag boven € 847,05, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede in de proceskosten.\n\n3.2.. \n [eiseres] stelt daartoe in de eerste plaats dat op grond van het voorschrift van onderdeel 11 van Bijlage I onder A bij het besluit huurprijzen woonruimte (BHW) slechts 85% van de getaxeerde WOZ-waarde had mogen worden meegenomen in de puntentelling, zodat het puntenaantal daarvoor maximaal 54 mocht bedragen. In tweede plaats stelt [eiseres] dat nu op de ingangsdatum van de huurovereenkomst geen energielabel was geregistreerd, daarvoor een aftrek van 15 punten moet worden gehanteerd, zoals de Huurcommissie heeft gedaan. Haseda is dan ook gehouden tot terugbetaling van het teveel aan betaalde huur.\n\n3.3.. Haseda voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid4.1.. \n [eiseres] is tijdig in verzet gekomen, zodat zij daarin ontvankelijk is.\n\nAmbtshalve toetsing4.2.. De overeenkomst die in deze procedure centraal staat, is door een handelaar gesloten met consumenten. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).\n\n4.3.. De kantonrechter moet in iedere procedure ten aanzien van ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de overeenkomst en in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Bij die beoordeling is van belang of bedingen waaraan een consument gebonden is, zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. Of Haseda de consumenten ook daadwerkelijk aan die afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is in dit verband niet relevant.\n\n4.4.. Haseda beroept zich in deze procedure op het huurprijsbeding in de huurovereenkomst (artikel 4.5). Dit huurprijsbeding is transparant en daarom op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.\n\nWOZ-waarde4.5.. Tussen partijen is niet in geschil dat het taxatierapport van Kroese Paternotte in de puntentelling betrokken moet worden. [eiseres] stelt echter dat met slechts 85% van de getaxeerde waarde rekening gehouden moet worden. Daarin wordt zij niet gevolgd. Uit het taxatierapport volgt, zoals Hasenda aanvoert, voldoende dat de WOZ-waarde is getaxeerd en geen vrije marktwaarde. Het puntenaantal voor de WOZ-waarde wordt dan ook vastgesteld op 63.\n\nEnergieprestatie4.6.. Vaststaat dat op de ingangsdatum van de huurovereenkomst geen energielabel was geregistreerd en dat dit pas is gebeurd op 14 mei 2025. Verder is onbetwist gebleven dat de energieprestatie van de woning tussen de ingangsdatum en registratiedatum van het label niet is gewijzigd.\n\n4.7.. Partijen twisten over de vraag of na de inwerkingtreding van het Besluit huurprijzen woonruimte (hierna: het Besluit) op 1 juli 2024 het na de ingangsdatum van de huurovereenkomst verkregen energielabel betrokken mag worden in de puntentelling.\n\n4.8.. In het arrest van 30 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1005), dus voorafgaande aan de inwerkingtreding van het Besluit, heeft de Hoge Raad in antwoord op prejudiciële vragen geoordeeld dat het “niet noodzakelijk is dat de energieprestatie uiterlijk op de peildatum is vastgesteld of dat de gegevens voor het bepalen van de energieprestatie uiterlijk op de peildatum zijn opgenomen. Dit laatste mag ook na de peildatum zijn gebeurd (zie hierna in 4.6.1.), als maar duidelijk is dat de feitelijke toestand van de woning, voor zover het de energieprestatie betreft, op het moment van de opname niet veranderd is ten opzichte van de ingangsdatum van de huurovereenkomst.”De Hoge Raad baseert zich daarbij op artikel 11 lid 5 van de Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte (UHW) dat bepaalt dat de huurcommissie de kwaliteit van de woonruimte en de redelijkheid van de huurprijs beoordeelt naar de toestand op de datum van ingang van de huurovereenkomst.4.9.. Met de invoering van de Wet Betaalbare Huur per 1 juli 2024 is een groot aantal wetten en besluiten gewijzigd. Ook is de Toelichting op het woningwaarderingsstelsel voor zelfstandige woonruimte bij rubriek 4, per 1 juli 2024 gewijzigd, zoals ook de Huurcommissie heeft overwogen. Sinds die datum staat daarin vermeld dat er (voor toekenning van punten aan een energielabel) sprake moet zijn van “het voor een woning geldig vastgesteld energielabel”, alsmede dat daar waar een geldig energielabel ontbreekt de waardering van de energieprestatie wordt bepaald op basis van het bouwjaar van de woning. Nu echter in deze nota niet wordt gesproken over hoe dit zich verhoudt tot het bovengenoemde artikel 11 lid 5 UHW en de bovengenoemde beslissing van de Hoge Raad waarin de feitelijke toestand van het gehuurde op de ingangsdatum juist bepalend wordt geacht en er ook niet wordt gemeld dat hiervan uitdrukkelijk wordt afgeweken, wordt geen aanleiding gezien aan te sluiten bij de bovengenoemde nota van toelichting op het woningwaarderingsstelsel dat reeds bij aanvang van de huurovereenkomst sprake moet zijn van een officieel vastgesteld energielabel. Nu het label geregistreerd was op het moment dat de puntentelling door de Huurcommissie plaatsvond en tussentijds geen wijzigingen zijn geweest in de energieprestatie, had de Huurcommissie dit label moeten meenemen in de puntentelling.4.10.. De omstandigheid dat in de huurovereenkomst is bepaald dat een energielabel is afgegeven en deze bij aanvang van de huurovereenkomst is verstrekt aan huurder, terwijl dat niet het geval was, maakt het voorgaande niet anders. Deze verplichting komt weliswaar voort uit een Europese Richtlijn, maar deze richtlijn heeft tot doel het verbeteren van energieprestaties van gebouwen en niet consumentenbescherming ten aanzien van de huurprijs.\n\n4.11.. Bovenstaande leidt tot de slotsom dat het puntenaantal in het verstekvonnis terecht is vastgesteld op 63 punten voor de WOZ-waarde (na de WOZ-cap), op 30 punten voor de energieprestatie en het totaal op 189 punten. Dat betekent dat de woning in het hoog-segment valt en dat de in de huurovereenkomst genoemde huurprijs geldig is overeengekomen. Het verzet wordt dan ook ongegrond verklaard en het verstekvonnis bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij, wordt [eiseres] in de proceskosten in verzet veroordeeld.\n\n5. De beslissing\n\nde kantonrechter\n\n5.1.. verklaart het verzet ongegrond;\n\n5.2.. bekrachtigt het door deze rechtbank op 14 november 2025, hersteld op 12 december 2025, gewezen verstekvonnis met zaaknummer 11912145 CV EXPL 25-13731;\n\n5.3.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van Haseda in de verzetprocedure, begroot op € 217,- aan salaris gemachtigde;\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.\n\n811","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6168","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.094Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":43,"courtId":102,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":50,"updatedAt":107},"991","ECLI:NL:RBNHO:2026:7585","ecli-nl-rbnho-2026-7585",67,"2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12001278 \\ EJ VERZ 25-62\n\nBeschikking van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verzoeker 1], 2. [verzoeker 2], 3. [verzoeker 3], 4. [verzoeker 4], 5. [verzoeker 5], 6. [verzoeker 6], 7. [verzoeker 7], 8. [verzoeker 8], 9. [verzoeker 9], 10. [verzoeker 10],\n\nallen wonende te [plaats],\n\nverzoekende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verzoekers],\n\ngemachtigde: mr. M.B. van Munster,\n\ntegen\n\n1. [VVE 1], gevestigd te [plaats],\n\nniet verschenen, 2. [VVE 2],\n\ngevestigd te [plaats],\n\ngemachtigde: mr. P.G. Bekkers,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen: [VVE 1] dan wel [VVE 2].\n\nDe zaak in het kortDe verzoeken tot nietigheid dan wel vernietiging van de besluiten zijn niet toewijsbaar. Van strijd met de splitsingsakte is geen sprake, evenmin zijn de besluiten van de ALV van de VvE’s van 6 november 2025 in strijd met de redelijkheid en billijkheid genomen. Ook van misbruik van een meerderheidsstem in de ALV van [VVE 2] is de kantonrechter niet gebleken. De verzochte voor recht verklaring is niet toewijsbaar, omdat dit verzoek niet ziet op de rechtsverhouding tussen [verzoekers] en de VvE’s.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- het verweerschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de spreekaantekeningen die door Schreiber zijn overgelegd en voorgedragen.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het complex [naam] bestaat uit een parkeergarage met bergingen in de kelder, winkels op de begane grond en 79 woningen op de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping.2.2.. Bij akte van 5 juli 2005, ingeschreven in het kadaster onder nummer 19243\u002F150, (hierna: splitsingsakte) is het complex gesplitst in drie appartementsrechten, te weten 79 woningen met index A1, winkels\u002Fbedrijfsruimte(n) met index A2 en een parkeergarage met index A3. Bij de splitsingsakte is eveneens [VVE 1] opgericht.\n\n2.3.. Binnen de [VVE 1] zijn de drie hiervoor genoemde appartementsrechten opnieuw gesplitst in verschillende appartementsrechten, waarbij namens het appartementsrecht met index A1 de [VVE 3], namens het appartementsrecht met index A2 de [VVE 4] en namens het appartementsrecht met index A3 de [VVE 2] optreedt.\n\n2.4.. \n [VVE 2] is ondergesplitst in 235 appartementsrechten. In artikel 32 lid 3 van het model splitsingsreglement 1992 (hierna: splitsingsreglement 1992) die ziet op de ondersplitsing van [VVE 2] staat – voor zover van belang –: “(…) De stemmen voor het in de ondersplitsing betrokken appartementsrecht behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht.(…)”.\n\n2.5.. \n [verzoekers] zijn allen eigenaars van appartementsrechten binnen het wooncomplex van [naam]. [verzoekers] zijn als eigenaars van die appartementsrechten van rechtswege lid van [VVE 3] en [VVE 2].\n\n2.6.. Op 6 november 2025 heeft een algemene ledenvergadering (hierna: ALV) plaatsgevonden in [VVE 2]. Uit de notulen van die ALV volgt dat – voor zover van belang – de volgende besluiten zijn genomen: “Besluitenlijst [VVE 2](…)8. Boetebesluit [VVE 2]8.1 De leden besluiten het boetebesluit, zoals besproken, niet vast te stellen voor de [VVE 2].9. Boetebesluit VvE Hoofdvereniging9.1 Er wordt op eensluidende wijze gestemd om de vertegenwoordiger [VVE 2] niet te machtigen voor wat betreft het stemmen voor het boetebesluit [VVE 1].10. Incassoprocesvolmacht10.2 De vergadering besluit het bestuur (in welke vorm deze zich bevind) volmacht te verlenen zoals omschreven in het belegstuk.11. Bestuursprocesvolmacht11.1 Er wordt door de vergadering geen procesvolmacht verleent aan het bestuur.12. Ontslag bestuur [VVE 2]12.1 De vergadering besluit het bestuur van [VVE 1] per direct te ontslaan.13. Benoeming bestuur [VVE 2]13.1 De vergadering besluit tegen het instellen van een intern bestuur.13.2 De vergadering besluit tegen het machtigen van het bestuur om de werving via meervoudig aanbesteden te initiëren.13.3 De vergadering besluit de externe partij, [bedrijf], te benoemen als bestuur van de [VVE 2]. Hoorne Vastgoed zal de aanvullende kosten voor dit externe bestuur op zich nemen.”\n\n2.7.. Ook op de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 zijn besluiten genomen. In de besluitenlijst van die ALV staat: “Besluitenlijst [VVE 1](…)7. Incassoprocesvolmacht7.1 De leden stemmen tegen het verlenen van incassoprocesvolmacht aan haar bestuur.8. Bestuursprocesvolmacht8.1 De leden stemmen tegen het verlenen van bestuursprocesvolmacht aan haar bestuur.”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekers] verzoeken de kantonrechter – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:\n\nom de besluiten van [VVE 1] en [VVE 2] zoals genomen op de ALV’s van 6 november 2025 en die zien op: 1) de afwijzing van het voorstel om het bestuur (de kantonrechter begrijpt: van [VVE 1]) een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen; en 2) de besluiten dat de stemmen van [VVE 2] eensluidend zullen worden meegeteld in de ALV van [VVE 1]; nietig te verklaren dan wel te vernietigen,\n\nvoor recht te verklaren dat het stemrecht dat aan [VVE 2] toekomt in [VVE 1] op de ALV van [VVE 1] moet worden uitgebracht conform de stemverhoudingen zoals die zijn uitgebracht op de ALV van [VVE 2],\n\nom de besluiten van [VVE 2] zoals genomen op de ALV van 6 november 2025 en die zien op: A) de afwijzing van het voorstel om een boetebesluit vast te stellen; B) het besluit om de vertegenwoordiger van [VVE 2] niet te machtigen voor wat betreft het stemmen voor het boetebesluit in [VVE 1]; C) de afwijzing van het voorstel om aan het bestuur een procesvolmacht te verlenen; D) het besluit om het bestuur van [VVE 2] direct te ontslaan; E) het besluit om (en deel van) het zittende bestuur dan wel een ander lid van [VVE 2] te benoemen als bestuur; F) het besluit om niet via een meervoudige aanbesteding een nieuw bestuur voor [VVE 2] te werven; en G) het besluit om [bedrijf] te benoemen als bestuurder van [VVE 2], waarbij Hoorne Vastgoed B.V. de aanvullende kosten op zich zal nemen; te vernietigen,\n\nom aan het bestuur van [VVE 1] een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen, alsmede om aan het bestuur van [VVE 2] een procesvolmacht te verlenen, zoals verzocht op de ALV van beide VvE’s van\n\n6 november 2025,\n\n- [VVE 1] en [VVE 2] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Aan de verzoeken hebben [verzoekers] – voor zover van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de wijze van stemmen beroepen [verzoekers] zich op artikel 33 lid 3 van de splitsingsakte van [VVE 2], waaruit volgt dat in dit geval sprake is van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Het besluit dat de stemmen van [VVE 2] op eensluidende wijze moeten worden meegenomen bij [VVE 1] is in strijd met de splitsingsakte en levert daarom nietigheid van dat besluit op. Verder zijn de besluiten vernietigbaar, omdat die in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn genomen. Hoorne Vastgoed B.V. (hierna: Hoorne Vastgoed) is evenals [verzoekers] lid van [VVE 2] en maakt misbruik van haar meerderheidsmacht. Hoorne Vastgoed handelt feitelijk in haar eigen belang en daarmee overduidelijk in strijd met het belang van [VVE 2], aldus [verzoekers]\n\n3.3.. \n [VVE 1] is niet in deze procedure verschenen. [VVE 2] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. Op haar verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid van de kantonrechter\n\n4.1.. Voordat de kantonrechter op de standpunten van partijen kan ingaan, zal zij eerst moeten vaststellen of hij bevoegd is om te oordelen over het primaire verzoek van verzoekers. Vernietiging van een besluit van de VvE vindt weliswaar plaats door een uitspraak van de kantonrechter, maar een beroep op de nietigheid van een VvE-besluit moet volgens de wet aan de orde worden gesteld door middel van een dagvaarding bij de rechtbank.\n\n4.2.. De kantonrechter komt tot het oordeel dat hij in dit geval bevoegd is om de verzoeken te beoordelen. Het hof Den Haag heeft in zijn arrest van 18 december 2018namelijk geoordeeld dat in een geval waarin zowel een beroep op de nietigheid van een besluit als een beroep op vernietiging van dat besluit wordt gedaan de kantonrechter bevoegd is om over beide kwesties te beslissen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 10 juli 2020. De procedure hoeft dus niet te worden gesplitst om de nietigheid van de besluiten in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure bij de rechtbank te laten beoordelen.\n\nOntvankelijkheid van [verzoekers]\n\n4.3.. De volgende vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is of [verzoekers] ontvankelijk zijn in het verzoek. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. [verzoekers] hebben weliswaar niet betwist dat zij geen lid zijn van [VVE 1], maar dat betekent nog niet dat zij geen procedure tegen die VvE kunnen voeren. Uit de wet volgt dat iedereen die daar een redelijk belang bij heeft om vernietiging van een besluit kan verzoeken. Het is dus niet noodzakelijk om lid van de VvE te zijn, wel dat sprake is van een redelijk belang. Dat [verzoekers] als bewoners een redelijk belang hebben bij vernietiging van de besluiten staat naar het oordeel van de kantonrechter niet ter discussie.\n\n4.4.. De kantonrechter is van oordeel dat het voorgaande ook geldt voor een beroep op nietigheid van een besluit. Nietigheid van een besluit betekent immers dat dat besluit geacht wordt nooit te hebben bestaan. In principe kan dus een ieder die meent dat een besluit nietig is dit mededelen aan degene die zich op dat nietige besluit beroept. Voor een verklaring voor recht is wel vereist dat de verzoeker daarbij voldoende belang heeft, maar zoals hiervoor overwogen staat dat naar het oordeel van de kantonrechter niet ter discussie.\n\nDe verzoeken tot nietigverklaring van de besluiten zijn niet toewijsbaar4.5.. Als een besluit van de VvE strijdig is met de splitsingsakte, leidt dat tot nietigheid van dat besluit. De beoordeling of het besluit al dan niet nietig is, is niet onderworpen aan een belangenafweging.\n\n4.6.. \n [verzoekers] verzoeken om het besluit tot afwijzing van het voorstel om het bestuur (de kantonrechter begrijpt: van [VVE 1]) een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen, zoals genomen op de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025, nietig te verklaren. Niet is gebleken dat dit besluit is genomen in strijd met de splitsingsakte. Evenmin hebben [verzoekers] onderbouwd op welke gronden dit besluit nietig moet worden verklaard. Van nietigheid van dat besluit kan daarom geen sprake zijn. Dit deel van de vordering is niet toewijsbaar.\n\n4.7.. \n [verzoekers] verzoeken de kantonrechter ook om het besluit dat de stemmen van [VVE 2] eensluidend zullen worden meegeteld in de ALV van [VVE 1], nietig te verklaren. Daartoe stellen [verzoekers] dat dit besluit in strijd is met het ten behoeve van [VVE 2] opgestelde splitsingsreglement 1992. Daaruit volgt immers dat de stemmen van [VVE 2] naar rato, en dus op basis van evenredige vertegenwoordiging, moeten worden uitgebracht in [VVE 1], aldus [verzoekers]\n\n4.8.. De wetschrijft voor dat de stemmen van de leden van de onder-VvE’s (de ondersplitsingen) in de vergadering van eigenaars van de hoofd-VvE worden uitgebracht door het bestuur van de onder-VvE’s. Die stemmen behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht.\n\n4.9.. In het onderhavige geval heeft [VVE 2] gemotiveerd betwist dat het besluit tot afwijzing van een incasso- en procesvolmacht in strijd is met de splitsingsakte. Uit de splitsingsakte van [VVE 1] volgt dat de wijze waarop de stemmen van [VVE 2] in de ALV van [VVE 1] worden uitgebracht, wordt overgelaten aan de splitsingsakte van [VVE 2]. In de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 is besloten dat de wijze waarop zal worden gestemd in de ALV van [VVE 1] door [VVE 2] eensluidend zal zijn. Dit is niet in strijd met het splitsingsreglement 1992 van [VVE 2], want volgens [VVE 2] volgt uit artikel 33 lid 3dat het districtenstelsel hier van toepassing is. Dit houdt in dat de stemmen die worden uitgebracht in de ALV van [VVE 2] eensluidend – oftewel unaniem – in de ALV van [VVE 1] zullen worden uitgebracht. Ter onderbouwing verwijst [VVE 2] naar een uitspraak van het hof Amsterdam van 7 april 2005, dat het betoog van [VVE 2] volgens haar ondersteunt.\n\n4.10.. Scheiber c.s. hebben het voorgaande niet gemotiveerd weersproken. Voor zover [verzoekers] stellen dat in het verleden niet eensluidend is gestemd, maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de ALV van [VVE 2] niet mag besluiten over te gaan op een dergelijke wijze van stemmen. Uit het splitsingsreglement 1992 die op [VVE 2] van toepassing is, volgt dat een dergelijke keuze weldegelijk mag worden gemaakt. De kantonrechter concludeert daarom dat geen sprake is van een besluit genomen in strijd met de splitsingsakte, zodat de verzochte nietigheid van dat besluit niet toewijsbaar is.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen4.11. Hoewel een verklaring voor recht in beginsel ook in een verzoekschriftprocedure kan worden gegeven, is daarvoor wel vereist dat die verklaring voor recht binnen de grenzen blijft van de toepasselijke wetsbepalingen en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding tussen verzoeker en verweerder. Dat is hier niet het geval. Uit het verzoek volgt dat [verzoekers] voor recht wenst te verklaren dat het stemrecht dat binnen [VVE 1] toekomt aan [VVE 2] op de ALV van [VVE 1] moet worden uitgebracht conform de stemverhoudingen zoals die zijn uitgebracht op de ALV van [VVE 2]. De verzochte verklaring voor recht ziet dan ook specifiek op de rechtsverhouding tussen [VVE 1] en [VVE 2] en niet op de rechtsverhouding tussen [verzoekers] en [VVE 2] dan wel [VVE 1]. De verzochte verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet juridisch kader omtrent vernietiging van besluiten\n\n4.12.. De kantonrechter stelt voorop dat het verzoekschrift is ingekomen op de griffie op 5 december 2025. Aangezien de ALV waarop de besluiten zijn genomen, heeft plaatsgevonden op 6 november 2025, is het verzoek tot vernietiging tijdig gedaan, namelijk binnen een maand.\n\n4.13.. De kantonrechter overweegt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheidof (c) strijd met een reglement.Ten aanzien van een beroep op vernietiging wegens ‘strijd met de redelijkheid en billijkheid’ geldt het volgende. De toetsing door de rechter is marginaal. Dat betekent dat de vergadering een ruime mate van eigen verantwoordelijkheid toekomt. Het gaat er niet om of een ‘beter’ besluit genomen had kunnen worden, maar of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.\n\n4.14.. \n\nOf het besluit vernietigbaar is wegens misbruik van een meerderheidspositie hangt af van de vraag of het besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Feitelijk komt dit neer op de vraag of een eigenaar met doorslaggevende stem (in dit geval Hoorne Vastgoed), mede gelet op de belangen van de minderheidseigenaren, in redelijkheid tot verwerping van het voorstel kon komen. Een eigenaar mag zijn\n\nmeerderheidsmacht binnen de vergadering van de VvE gebruiken en haar belangen binnen redelijke grenzen beschermen. Een besluit van de VvE moet echter voldoen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid die ten opzichte van de overige eigenaren in acht moet worden genomen. Vooral bij mogelijke verstrengeling van belangen moet de eigenaar met een meerderheidsbelang een hoge mate van zorgvuldigheid en openheid betrachten, waarbij hij zoveel mogelijk de verschillende belangen gescheiden moet houden. Daartegenover staat dat enkele feit dat een lid van een VvE vanwege haar meerderheidsbelang een besluit eenzijdig kan tegenhouden, niet maakt dat dat lid misbruik maakt van haar meerderheidsmacht.\n\nHet verzoek tot vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 tot afwijzing van een incasso- en procesvolmacht, alsmede de verzochte vervangende machtiging tot verkrijging daarvan zijn niet toewijsbaar\n\n4.15.. De besluiten ten aanzien van de incasso- en procesvolmacht die op 6 november 2025 in de ALV van [VVE 1] zijn genomen, zijn volgens [verzoekers] genomen ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [VVE 1] heeft een belang bij een incassomandaat, zodat zij incassomaatregelen kan treffen tegen een lid van die VvE dat haar betalingsverplichtingen niet nakomt. Hetzelfde geldt voor de procesvolmacht. Door tegen het besluit tot verkrijging daartoe te stemmen, is het voor het bestuur van [VVE 1] niet mogelijk om de regels die gelden binnen de VvE te kunnen handhaven. Daarbij komt dat misbruik wordt gemaakt van een meerderheidsmacht, omdat Hoorne Vastgoed volgens [verzoekers] enkel oog heeft voor haar eigen belangen. Het voorgaande is door [VVE 2] gemotiveerd betwist.\n\n4.16.. De kantonrechter is van oordeel dat [VVE 1] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van het verzoek tot afgifte van een incasso- en procesvolmacht. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. Zoals hiervoor uiteengezet is de toetsing door de rechter marginaal. In het onderhavige geval is de kantonrechter niet gebleken dat het niet verkrijgen van een incasso- en procesvolmacht voor het bestuur van [VVE 1] zodanige nadelige gevolgen heeft dat het haar onmogelijk wordt gemaakt om een debiteurenbeheer te voeren. Het betoog van [VVE 2] dat op het moment dat dergelijke incasso- of procesrechtelijke kwesties spelen er bij ALV gestemd kan worden over de voortgang van die specifieke zaak, is daarnaast door [verzoekers] niet weersproken. Dat het bijeenroepen van een ALV per incident inefficiënt is, maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat sprake is van een besluit dat is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat binnen de ALV van [VVE 1] bij de besluitvorming van de ALV van 6 november 2025 geen rekening is gehouden met de belangen van haar leden, is de kantonrechter niet gebleken.\n\n4.17.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om de besluiten van de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 tot afwijzing van verlening van een incasso- en procesvolmacht te vernietigen, zal worden afgewezen. Er is daarom ook geen grond om [verzoekers] een vervangende machtiging te verlenen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.\n\nDe verzoeken tot vernietiging van de besluiten van de ALV van [VVE 2] van 6 december 2025 zijn niet toewijsbaar\n\n4.18.. Ten aanzien van het verzoek tot vernietiging van besluit A), overweegt de kantonrechter als volgt. In dit geval is de kantonrechter niet gebleken dat in strijd is gehandeld met de belangen van de belangen van alle (in de minderheid zijnde) eigenaren. Zoals hiervoor overwogenis dit besluit niet in strijd met de splitsingsakte. De kantonrechter passeert het betoog van [verzoekers] dat sprake is van een frustratie van de besluitvorming van de ALV van 6 november 2025 door Hoorne Vastgoed, omdat dergelijke omstandigheden hem niet zijn gebleken. Het enkele feit dat Hoorne Vastgoed een meerderheidsbelang heeft is hiertoe in ieder geval onvoldoende. De verzochte vernietiging is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.19.. \n [verzoekers] verzoeken verder vernietiging van het besluit zoals opgenomen onder B) en C). Zij stellen daartoe dat doel van het boetebesluit is om een objectief referentiekader te geven voor de inhoud van de bevoegdheid die het bestuur van [VVE 2] heeft volgens het splitsingsreglement 1992. Het niet vaststellen van het boetebesluit maakt het volgens [verzoekers] niet onmogelijk om als bestuur boetes op te leggen. Het boetebesluit is ter sprake gekomen omdat leden van [VVE 2] – in het bijzonder Hoorne Vastgoed – zich niet altijd aan de splitsingsakte houden en het bestuur van [VVE 2] een ‘stok’ wenst te verkrijgen om overtreders aan te kunnen pakken. Hoorne Vastgoed heeft tegen dit besluit gestemd uit eigenbelang, aldus [verzoekers]4.20.. De kantonrechter oordeelt dat besluit B) en C) niet zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid, noch dat sprake is van misbruik van een meerderheidsmacht. In het onderhavige geval hebben [verzoekers] onomwonden gesteld dat het bestuur wordt gefrustreerd om bij toekomstige overtredingen door Hoorne Vastgoed te kunnen handhaven (de kantonrechter begrijpt) in de vorm van het opleggen van boetes conform het boetebesluit. Dat Hoorne Vastgoed tegen deze besluiten heeft gestemd, maakt onder deze omstandigheden niet dat misbruik is gemaakt van haar meerderheidsmacht. De verzochte vernietiging van die besluiten is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.21.. Omdat van vernietiging van het besluit zoals opgenomen onder C) geen sprake is, is het verzoek tot verkrijging van een vervangende machtiging daartoe niet toewijsbaar.\n\n4.22.. \n [verzoekers] verzoeken vernietiging van de besluiten onder D) tot en met G). Zij stellen daartoe dat Hoorne Vastgoed op onredelijke wijze misbruik maakt van haar meerderheidsmacht, omdat het oude bestuur hoofdzakelijk is ontslagen wegens de stroeve samenwerking met Hoorne Vastgoed. Dat dit bestuur niet functioneerde is volgens [verzoekers] aantoonbaar onjuist. Het ontslag van het bestuur is buitenproportioneel en weerspiegelt uitsluitend de belangen van Hoorne Vastgoed. Daarbij komt dat de aanstelling van [bedrijf] in strijd is met de reeds door de ALV van [VVE 2] vastgestelde criteria waar beheerders aan moeten voldoen. Ter onderbouwing leggen [verzoekers] het document “Selectie VvE-beheerder [naam]” over, waarin – voor zover van belang – staat: “Selectie van de beoogde VvE-beheerder zal in beginsel plaatsvinden aan de hand van de volgende gunningscriteria:(…)”. [bedrijf] is een adviseur van Hoorne Vastgoed. Dat Hoorne Vastgoed daarbij de extra kosten van [bedrijf] op zich neemt is verder zeer onwenselijk, aldus [verzoekers]\n\n4.23.. \n [VVE 2] heeft hiertegen ingebracht dat een onwerkbare situatie was ontstaan tussen het oud bestuur en Hoorne Vastgoed. Een onderbouwing dat bij de totstandkoming van deze besluiten misbruik is gemaakt van de stemmeerderheid van Hoorne Vastgoed ontbreekt. Hoorne Vastgoed heeft aangeboden de meerkosten die [bedrijf] met zich meebrengt op zich te nemen, om zo de andere leden van [VVE 2] niet met hogere kosten te confronteren, aldus [VVE 2].\n\n4.24.. De verzochte vernietiging van de besluiten zoals opgenomen onder D) tot en met G) zijn niet toewijsbaar. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt. In een ALV kan te allen tijde besloten worden het bestuur van de VvE te ontslaan. Daarvoor is niet vereist dat het huidige bestuur niet of niet naar behoren functioneert. Verder is voor het benoemen van een nieuw bestuur binnen [VVE 2] een document opgesteld waarin de selectieprocedure wordt omschreven die in beginselmoet worden gevolgd. Daaruit volgt genoegzaam dat afwijking van die selectieprocedure mogelijk is. Uit de besluiten genomen op de ALV van [VVE 2] van 6 november 2025 volgt genoegzaam dat van die standaard selectieprocedure is afgeweken. Niet gebleken is waarom die besluiten in strijd zouden zijn met de redelijkheid en billijkheid. Evenmin is gebleken dat Hoorne Vastgoed misbruik maakt van haar meerderheidsmacht. In dit geval heeft [VVE 2] gemotiveerd uiteen gezet op welke wijze de besluiten tot stand zijn gekomen, waarbij gemotiveerd is aangevoerd welke belangen Hoorne Vastgoed en de andere eigenaren daarbij hadden. Daarbij komt dat Hoorne Vastgoed bij de besluitvorming het financieel belang van de overige eigenaren heeft meegenomen door de kosten voor inschakeling van [bedrijf] op zich te nemen. Dat daarbij sprake is van een mogelijke belangenverstrengeling, zoals [verzoekers] stellen, is de kantonrechter niet gebleken. Het enkele feit dat Hoorne Vastgoed vaker betrokken is bij een VvE waarbij [bedrijf] als bestuurder optreedt, maakt niet dat sprake is van een verstrengeling van belangen zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.14.\n\n [verzoekers] moeten de kosten betalen.\n\n4.25.. De proceskosten komen voor rekening van [verzoekers] omdat zij ongelijk krijgen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\n5.2.. veroordeelt [verzoekers] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [VVE 2] worden vastgesteld op € 576,00 (2x € 288,00) aan salaris van de gemachtigde,5.3.. verklaart de veroordeling in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Waarbij [verzoekers] een beroep doen op artikel 5:130 jo. 2:15 jo. 2:8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 5:130 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in verbinding met artikel 2:15 BW.\n\n Artikel 2:14 BW.\n\n ECLI:NL:GHDHA:2018:3932.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1275\n\n Artikel 5:130 lid 1 BW in verbinding met artikel 2:15 lid 3 BW.\n\n Vgl. artikel 3:303 BW.\n\n Op grond van artikel 2:14 jo 5:129 lid 1 BW.\n\n Artikel 5:127 lid 1 BW.\n\n Dit volgt ook uit de splitsingsakte.\n\n De kantonrechter begrijpt dat [VVE 2] hier tracht te verwijzen naar artikel 32 lid 3 van het splitsingsreglement 1992.\n\n ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6340.\n\n Hoge Raad 31 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5319, r.o. 3.2.2.\n\n Zoals vereist op grond van artikel 5:130 lid 2 BW.\n\n Die door artikel 2:8 BW worden geëist.\n\n Op grond van artikel 2:15 BW.\n\n Zie rechtsoverweging 4.5. tot en met 4.10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7585","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.861Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":103,"fullText":112,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":50,"updatedAt":115},"1566","ECLI:NL:RBAMS:2026:5665","ecli-nl-rbams-2026-5665","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: AMS 25\u002F6463\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.1.. Eiseres heeft in deze procedure veel (aanvullende) gronden ingediend. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak blijkt dat bestuursrechters niet op alle aangevoerde gronden en argumenten hoeven in te gaan, maar zich mogen beperken tot de kern daarvan.In lijn hiermee gaat de rechtbank niet op alles wat door eiseres is aangevoerd in, maar beperkt zich tot wat bepalend is voor het haar oordeel. De rechtbank beoordeelt of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet valt onder de medische urgentiecategorie en de sociale urgentiecategorie ‘geweld of ernstige bedreiging’. Ook beoordeelt de rechtbank of verweerder de hardheidsclausule terecht niet heeft toegepast.\n\n3.2.. Eiseres stelt dat aan haar een urgentieverklaring op medische gronden zou moeten worden verleend. Zij heeft psychische problemen door trauma’s en is hiervoor onder behandeling van een psycholoog. Verder stelt eiseres dat er aan haar een urgentieverklaring op sociale gronden kan worden verleend omdat zij te maken heeft met de dreiging van eer gerelateerd geweld door haar ex-partner. Tot slot doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel.\n\nMedische urgentie\n\n4.1.. Voor alleenstaanden geldt dat een urgentieverklaring alleen kan worden verleend in geval van ernstige en chronische medische problematiek, gerelateerd aan de woonsituatie en die levensontwrichtend van aard is, waardoor hij\u002Fzij niet meer in staat is om zelfstandig te functioneren.Bij psychische problematiek geldt als extra voorwaarde dat de aanvrager op het moment van de aanvraag minimaal zes maanden onder behandeling moet zijn bij een specialistische tweedelijns GGZ instelling of psychiater.De achterliggende gedachte van die voorwaarde is dat deze periode minimaal nodig is om een goed beeld te vormen van de ernst van de psychische klachten en de benodigde behandeling daarvan.\n\n4.2.. \n\nDe rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet aan de voorwaarden voor een medische urgentieverklaring voldoet. Uit de stukken die eiseres in de gehele procedure heeft overgelegd blijkt niet dat eiseres minimaal zes maanden onder behandeling was (en is) voor haar psychische problemen. Ook blijkt niet dat bij deze psychische problemen sprake is van een ernstige en chronische medische problematiek die levensontwrichtend is en waarvoor met spoed een zelfstandige woning nodig is. Uit het dossier blijkt dat eiseres op 27 januari 2025 een intake had bij [bedrijf]. Vervolgens blijkt uit de brief van GZ-psycholoog [naam] van 6 februari 2025 dat eiseres op dat moment in behandeling is maar dat de behandeling niet kan worden voortgezet vanwege de instabiele situatie van eiseres. De behandeling zal pas worden hervat als er meer stabiliteit in het dagelijks leven van eiseres is gerealiseerd. Vervolgens blijkt uit de e-mail van 8 oktober 2025 dat het dossier van eiseres voorlopig wordt gesloten. Gelet op het voorgaande voldeed eiseres tijdens de aanvraag en tijdens de beslissing op bezwaar niet aan de voorwaarde dat de psychische problemen aantoonbaar chronisch zijn en eiseres minimaal zes maanden onder behandeling was van een tweedelijns GGZ instelling of psychiater. Voor wat betreft de lichamelijke aandoeningen, zoals de traag werkende schildklier, heeft eiseres onvoldoende stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze aandoening levensontwrichtend is. De huisarts heeft in 2025 geadviseerd dit medicamenteus te behandelen en er zijn geen aanknopingspunten dat deze aandoening dermate ernstig is dat hiervoor een medische\n\nurgentieverklaring noodzakelijk is.\n\nSociale urgentie\n\n5.1.. \n\nUit artikel 13 van de Nadere regels volgt dat een urgentieverklaring op sociale gronden wegens bedreiging of geweld alleen kan worden verkregen indien de aanvrager zijn of haar woning als gevolg van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging acuut heeft moeten verlaten. Ook moet de levensbedreigende situatie blijken\n\nuit een proces-verbaal en een verklaring van de politie waaruit blijkt dat de aanvrager vanwege veiligheidsredenen niet langer in zijn of haar eigen woning kan verblijven, ook niet na een opgelegd straat- of contactverbod.\n\n5.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet valt onder de sociale urgentiecategorie ‘geweld of ernstige bedreiging’. Eiseres beschikt niet over een eigen zelfstandige woning. Ook heeft eiseres onvoldoende concreet duidelijk gemaakt dat er sprake was van ernstige bedreiging en geweld, dat dit stelselmatig was en dat zij ten gevolge hiervan de woning van haar moeder acuut heeft moeten verlaten. Dat er sprake is geweest van een levensbedreigende situatie blijkt niet uit een proces-verbaal van de politie. Ook heeft eiseres geen beroep gedaan op voorliggende voorzieningen en is er geen verklaring van de politie waaruit blijkt dat\n\neiseres uit veiligheidsoverwegingen niet langer in de woning van haar moeder kan verblijven overgelegd. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres moeilijk kan zijn om aangifte te doen en verdere stappen te ondernemen zoals vereist om op deze gronden in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring maar daar tegenover staat dat verweerder niet slechts af hoeft te gaan op de verklaringen van eiseres, zonder objectieve onderbouwing daarvan met stukken van bijvoorbeeld de politie. Onbekend blijft wat de gestelde bedreigingen en het geweld concreet en feitelijk hebben behelsd en waar en wanneer dit precies heeft plaatsgevonden en of dit stelselmatig was.\n\nHardheidsclausule\n\n6.1.. Op grond van artikel 2.10.11 van de Hvv kan een woningzoekende, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, alsnog in aanmerking komen voor een urgentieverklaring wanneer de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en er sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Uit artikel 25 van de Nadere regels volgt dat het bij medische problematiek moet gaan om een uitzonderlijke noodsituatie en dat sprake moet zijn van een acuut levensbedreigend probleem.\n\n6.2.. \n\nDe rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een lastige (woon)situatie bevindt en dat deze situatie niet bevorderlijk is voor het herstel van haar psychische klachten. Hoewel dit door eiseres wellicht niet zo zal worden ervaren, is deze situatie helaas in Amsterdam niet dusdanig bijzonder. Het komt vaker voor dat woningzoekenden met psychische klachten, vaak ook met (vermoeden van) PTSS zoals ook het geval bij eiseres, te maken hebben met\n\nuitgestelde behandeling vanwege de woonsituatie. Dit is niet dermate uniek, bijzonder en\n\nschrijnend dat dit toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Verweerder was daarom niet gehouden om alsnog een urgentieverklaring te verlenen op grond van bijzondere hardheid.6.3.. \n\nDaarnaast weegt de rechtbank bij het beroep op de hardheidsclausule mee dat eiseres op basis van haar opgebouwde woonpunten kansrijk is bij het vinden van een\n\nwoning. Eiseres heeft inmiddels 10 wachtpunten en 29 zoekpunten. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat het met 39 woonpunten heel goed mogelijk moet zijn om op eigen kracht een woning te vinden, mits eiseres gericht zoekt naar geschikte woningen. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat eiseres kort na het betreden besluit, in december 2025, gereageerd heeft op een eenkamerwoning van 23 m2 aan de [adres] en hierbij eerste kandidaat was. Eiseres had deze woning dus kunnen\n\ngaan huren maar heeft dit geweigerd. Wat de precieze reden van de woningweigering is geweest is niet duidelijk, maar eiseres had haar huisvestingsprobleem kunnen oplossen door deze woning te accepteren. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is derhalve ook geen sprake.\n\n6.4.. Tot slot merkt de rechtbank op dat deze procedure alleen gaat over een urgentieverklaring en daarmee over het verkrijgen van een woning. De rechtbank ziet echter in het dossier dat eiseres op veel gebieden geen gemakkelijk leven heeft en graag hulp wil. Zij heeft ook bij diverse instanties aangeklopt voor hulp. Met name bij Veilig Thuis, de Blijfgroep en de maatschappelijke opvang. Eiseres heeft zich daar onvoldoende gehoord gevoeld en heeft niet de zorg en hulp gekregen die zij wenste. Dit valt te betreuren. Anderzijds constateert de rechtbank ook dat eiseres op een gegeven moment niet meer verder geholpen wilde worden door beide instanties, hoewel deze wel hulp bleven aanbieden. Eiseres heeft moeite met het vertrouwen van instanties en wil instanties niet mondeling te woord staan. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat eiseres zich nog steeds kan melden voor hulp, bijvoorbeeld in het kader van maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het is hiervoor echter wel noodzakelijk dat eiseres een aanvraag doet en naar (mondelinge) afspraken komt. Om eiseres te kunnen helpen, is het namelijk belangrijk dat zij haar situatie in persoon komt toelichten. De rechtbank wil eiseres daarom meegeven dat het belangrijk is dat zij, eventueel met een begeleider, naar afspraken van instanties gaat, zodat zij de hulp kan krijgen die ze nodig heeft.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring heeft mogen weigeren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. J.C.M. Schilder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6005.\n\n Artikel 2.10.8, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv).\n\n Paragraaf 11 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (de Nadere regels).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5665","2026-06-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.435Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":114,"fullText":120,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":50,"updatedAt":122},"1564","ECLI:NL:RBAMS:2026:5662","ecli-nl-rbams-2026-5662","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: AMS 26\u002F307\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. U. Tasdelen).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de verlening van een urgentieverklaring aan eiseres. Eiseres is het op een aantal punten niet eens met de verleende urgentieverklaring. Zij voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de urgentieverklaring.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft op 26 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 september 2025 toegewezen op grond van maatwerk. Met het bestreden besluit van 9 december 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres en de gemachtigde van eiseres waren niet aanwezig. De rechtbank heeft de zaak behandeld en het onderzoek gesloten. Op 30 april 2026 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank laten weten dat zij niet op de hoogte was van de zitting van 29 april 2026 omdat zij geen zittingsuitnodiging had ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens heropend en het beroep op\n\n13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3.1.. Eiseres is een 43-jarige alleenstaande vrouw. Eiseres heeft één minderjarig kind, geboren op [geboortedag] 2014 (11 jaar) en twee meerderjarige kinderen. Eiseres staat sinds 23 oktober 2015 ingeschreven op het adres [adres] . Het betreft een vijfkamerwoning van 125 vierkante meter. De woning heeft twee woonlagen en is gelegen op de begane grond. Op 26 mei 2025 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een veiligheidsurgentie. Bij de aanvraag heeft eiseres aangegeven dat er tussen 15 januari 2025 en 13 mei 2025 vijf explosies hebben plaatsgevonden bij haar woning en dat de burgemeester met het besluit van 16 mei 2025 de woning met onmiddellijke ingang heeft gesloten voor de duur van drie maanden.\n\n3.2.. Op 25 augustus 2025, heeft eiseres een urgentieverklaring aangeboden gekregen voor een passende vierkamerwoning. Eiseres heeft deze geweigerd, omdat zij eerder per e-mail een toezegging had ontvangen voor een urgentieverklaring voor een vijfkamerwoning. Op basis van maatwerk heeft eiseres vervolgens op 1 september 2025 een nieuw besluit ontvangen met een urgentieverklaring voor een vijfkamerwoning. Op 3 september 2025 is eiseres teruggekeerd naar haar eigen woning. Het bezwaar van eiseres richt zich op het feit dat zij medische klachten heeft en geen trappen kan lopen met boodschappen. Eiseres wenst daarom etagebinding waarbij zij enkel in aanmerking komt voor een gelijkvloerse woning of een woning bereikbaar met lift. Daarnaast vindt eiseres de wachttijd voor een nieuwe woning te lang en wenst zij dat de nieuwe woning van een gelijkwaardig afwerkingsniveau is als haar huidige nieuwbouwwoning.\n\n3.3.. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de medische situatie van eiseres niet eerder is meegenomen bij de verlening van de urgentieverklaring omdat dat tijdens de aanvraagprocedure niet is aangevoerd. Eiseres heeft de urgentieverklaring aangevraagd vanwege veiligheidsredenen. In het kader van het bezwaar heeft verweerder de medische situatie van eiseres alsnog meegewogen en beoordeeld. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de aanvullende voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 11 van de Nadere regels van de Huisvestingsverordening 2024 voor het verkrijgen van een eventuele etagebinding of een gelijkvloerse woning. De overgelegde medische informatie beschrijft weliswaar dat eiseres langdurig rugpijn ervaart, met uitstraling naar de benen en een beperkt uithoudingsvermogen, maar de arts kwalificeert deze klachten niet als ernstig of levensontwrichtend. Er ontbreekt een medische duiding van de gevolgen van deze klachten voor de dagelijkse levensvoering van eiseres. Daarnaast stelt verweerder dat een urgentie op basis van veiligheidsredenen eiseres geen snellere toewijzing van een woning oplevert. Na toekenning komt eiseres op dezelfde wachtlijst terecht als andere woningzoekenden met urgentie. Factoren zoals woninggrootte en uitgesloten wijken bepalen de wachttijd. Tot slot benadrukt verweerder in het bestreden besluit dat er op diverse vlakken coulance is getoond naar eiseres, zoals het meenemen van haar meerderjarige kinderen bij de urgentieverklaring en het toestaan van het uitsluiten van stadsdelen, maar dat verweerder niet kan tegemoetkomen aan alle wensen van eiseres. Zo kan er geen rekening worden gehouden met het afwerkingsniveau van de woning, zoals een nieuwbouwwoning.\n\nOverwegingen\n\n4. Eiseres voert in haar beroepschrift aan dat verweerder de inhoud en strekking van de overgelegde medische informatie miskent. Uit de specialistische bevindingen van de afdeling orthopedie van het OLVG volgt immers dat eiseres beperkt is in haar loopafstand, dat opwaartse belasting - waaronder traplopen - leidt tot directe toename van radiculaire pijn en dat sprake is van progressieve neurologische klachten. Traplopen vormt voor eiseres een medisch niet-uitvoerbare belasting van de lumbale wervelkolom en veroorzaakt verergering van zenuwpijn, verhoogd valgevaar en verdere beperking van haar mobiliteit. De functionele beperkingen zijn daarmee structureel en rechtstreeks van invloed op haar woonsituatie. Voor zover verweerder meent dat onvoldoende expliciet is benoemd dat sprake is van een medische noodzaak voor een gelijkvloerse woning of liftvoorziening, geldt dat behandelend specialisten hun diagnoses en bevindingen opstellen vanuit medisch inhoudelijk perspectief en niet vanuit het specifieke toetsingskader van de verordening. Het enkele feit dat een specialist niet letterlijk de terminologie van het toetsingskader hanteert, kan niet afdoen aan de objectieve medische bevindingen die de functionele beperkingen van eiseres aantonen. Indien verweerder van oordeel was dat nadere medische duiding noodzakelijk was, had het op zijn weg gelegen om eiseres op te roepen voor een onafhankelijk medisch onderzoek, bijvoorbeeld via de GGD of een andere deskundige instantie. Door dit na te laten en zonder nader onderzoek te concluderen dat geen sprake is van ernstige of structurele beperkingen, heeft verweerder gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n5. Eiseres heeft ter zitting verduidelijkt dat zij, gelet op haar problemen met traplopen, graag een woning op de begane grond of bereikbaar met lift wenst. Een woning met meerdere woonlagen, zoals bij een woning met een benedenverdieping en een bovenverdieping, is geen probleem. Eiseres kan, net als in haar huidige woning, ongeveer 15 traptreden lopen.\n\n6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(de Afdeling) volgt dat verweerder niet de eis kan stellen dat uit de verklaring van een medische behandelaar de medische noodzaak blijkt voor een urgentieverklaring. Een verklaring waarin de arts een oordeel geeft over de patiënt en of die patiënt bijvoorbeeld in aanmerking moet komen voor een (andere) woonruimte, is een geneeskundige verklaring. Op grond van de richtlijnen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) mogen behandelend artsen geen geneeskundige verklaring afgeven over hun eigen patiënten. Een dergelijke verklaring kan alleen door een onafhankelijke arts worden afgegeven. Voorgaande neemt niet weg dat verweerder wel de eis kan stellen dat de aanvrager stukken, zoals bijvoorbeeld een diagnose van de behandelend arts of een afschrift van het medisch dossier, moet overleggen waaruit de ernstige en levensontwrichtende aard van het medische probleem volgt. Als een dergelijke verklaring voldoende aanknopingspunten bevat dat de medische problematiek samenhangt met het huisvestingsprobleem, ligt het in de rede dat verweerder de GGD om advies vraagt voor een onafhankelijk advies.\n\n7. In bezwaar heeft eiseres medische informatie van de afdeling orthopedie van het OLVG West van 10 september 2025 overgelegd. Hieruit blijkt dat eiseres bekend is met chronische rugklachten en een lichte scoliose. Eiseres heeft last van uitstralende pijn maar in het onderzoek zijn geen duidelijke afwijkingen geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze medische informatie geen aanleiding hoeven zien om de GGD om advies te vragen. Deze medische informatie bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het vermoeden dat de medische problemen van eiseres van zodanige ernstige en levensontwrichtende aard zijn en bovendien samenhangen met haar huisvestingsprobleem, dat verweerder aan haar een indicatie voor een woning op de begane grond of een woning met lift had moeten toekennen. De stelling van eiseres dat uit de medische informatie zou volgen dat traplopen voor haar een medisch niet-uitvoerbare belasting van de lumbale wervelkolom veroorzaakt en dat traplopen een verergering van zenuwpijn, verhoogd valgevaar en verdere beperking van haar mobiliteit veroorzaakt, volgt de rechtbank niet. In de medische informatie die eiseres heeft overgelegd wordt dit namelijk niet vermeld. Er blijkt ook niet uit dat eiseres niet meer in staat is om trap te lopen of andere aanknopingspunten dat een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift noodzakelijk is. Kortom, de medische informatie toont aan dat eiseres rugklachten heeft, maar onderbouwt onvoldoende dat een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift noodzakelijk is.\n\n8. Daar komt bij dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft opgemerkt dat sprake is van contra indicaties voor de stelling van eiseres dat zij niet kan traplopen. De huidige woning van eiseres heeft namelijk een trap van de benedenverdieping naar de bovenverdieping die eiseres gebruikt en waar zij geen problemen mee heeft. Daarnaast heeft eiseres in het voortraject voorafgaand aan het toekennen van de urgentieverklaring nooit aangegeven dat sprake was van medische problematiek. Eiseres heeft in een adviesgesprek bij verweerder juist aangegeven geen woning op de begane grond te wensen en dat er desgevraagd geen problemen waren met traplopen.\n\n9. Op basis van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat eiseres (dusdanige) medische problemen heeft met traplopen dat verweerder de GGD daarover om advies had moeten vragen. Verweerder heeft dan ook terecht besloten om aan de urgentieverklaring van eiseres niet de voorwaarde voor een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift toe te voegen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4157 en 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:420.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5662","2026-07-13T00:29:27.348Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":43,"courtId":127,"decisionDate":128,"fullText":129,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":131,"parsedAt":50,"updatedAt":132},"1694","ECLI:NL:RBZWB:2026:5279","ecli-nl-rbzwb-2026-5279",85,"2026-05-06T00:00:00.000Z","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Bergen op Zoom\n\nZaaknummer: 12196593 \\ VV EXPL 26-20\n\nVonnis in kort geding van 6 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte zonder vaste woon- of verblijfplaats,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens,\n\ntegen\n\nSTICHTING ALWEL,\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Alwel,\n\ngemachtigde: mr. B. Boos, LAVG.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 22 april 2026 met producties, - de akte van Alwel met producties, - de mondelinge behandeling van 28 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De feiten in het kort\n\n2.1.. Alwel heeft de woning aan de [adres] aan [eiser] verhuurd. Bij verstekvonnis van 15 februari 2023 is de huurovereenkomst ontbonden wegens een huurachterstand, waarbij [eiser] is veroordeeld tot ontruiming van de woning en tot betaling van de huurachterstand, een gebruiksvergoeding, rente en kosten. Na dit vonnis heeft [eiser] maandelijks een (gebruiks)vergoeding, vermeerderd met € 25,00 aan aflossing, aan Alwel voldaan. In de periode van 28 december 2025 tot en met 24 maart 2026 verbleef [eiser] in Congo. Gedurende zijn afwezigheid heeft Alwel bij exploot van 9 januari 2026 de ontruiming van de woning aangezegd, waarbij [eiser] is gesommeerd de woning binnen veertien dagen te verlaten. Vervolgens heeft Alwel hem op 20 januari 2026 per e-mail verzocht contact op te nemen in verband met de geplande ontruiming op 27 januari 2026. De woning is na de ontruiming door Alwel aan nieuwe huurders verhuurd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert - samengevat en uitvoerbaar bij voorraad -:\n\nI. gedaagde te veroordelen:\n\na. het aanbieden van een woning in [plaats] binnen zes weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis, gelijkwaardig wat betreft het aantal kamers en het (grond)oppervlak,\n\nb. het ter beschikking stellen van een hotelkamer ter waarde van € 150,00 per nacht, totdat [eiser] weer over een woning beschikt,\n\nc. het vervoeren van de goederen van [eiser] naar de (nieuwe) woning,\n\nII. dat aan het onder I gevorderde een dwangsom wordt verbonden van € 250,00 per dag voor iedere dag dat gedaagde niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 30.000,00\n\nIII. te veroordelen in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Alwel, hoewel zij beschikte over een geldige titel voor de ontruiming, in de gegeven omstandigheden niet tot ontruiming had mogen overgaan. Volgens hem is die maatregel, gelet op zijn persoonlijke situatie, te vergaand. Hij wijst er verder op dat hij na het verstekvonnis steeds de gebruiksvergoeding heeft betaald en daarnaast maandelijks € 25,00 heeft afgelost op de achterstand. Daarmee is hij de betalingsregeling blijven nakomen. Tegen die achtergrond en gezien zijn omstandigheden, had Alwel volgens hem niet tot ontruiming mogen overgaan.\n\n3.3.. Alwel voert gemotiveerd verweer en voert daarbij het volgende aan. Allereerst betwist zij dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Verder wijst zij erop dat in juli 2025 de gebruiksverhoging is verhoogd. [eiser] heeft deze verhoging één keer betaald, maar heeft daarna de ‘oude’ gebruiksvergoeding betaald. Alwel heeft [eiser] hier meermaals op geattendeerd, maar er was geen contact met hem te krijgen.\n\n3.4.. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. \n\nVolgens Alwel heeft [eiser] geen spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat de woning al in januari 2026 is ontruimd en het kort geding pas in april 2026 is ingesteld. De kantonrechter volgt dit verweer niet.\n\nHet spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering zelf. [eiser] beschikt thans niet over woonruimte en leeft daardoor op straat. Gelet hierop kan van hem niet worden verlangd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Daarmee is voldoende aannemelijk dat sprake is van een spoedeisend belang.\n\nDe ontruiming\n\n4.2.. De kantonrechter oordeelt dat de ontruiming niet was gerechtvaardigd. Zij overweegt hiertoe het volgende.\n\n4.2.1.. Alwel heeft het verstekvonnis pas na geruime tijd ten uitvoer gelegd, namelijk bijna drie jaar na de uitspraak. Hoewel de bevoegdheid tot executie niet is verjaard, brengt de ontruiming mee dat een belangenafweging dient plaats te vinden. In dat kader ligt het op de weg van Alwel om te motiveren waarom tot ontruiming is overgegaan. Als reden voor de ontruiming heeft Alwel aangevoerd dat [eiser] de huurverhoging per juli 2025 niet heeft voldaan en dat hij daarnaast gedurende langere tijd slechts € 25,00 per maand heeft afgelost, terwijl de betalingsregeling een looptijd van zes maanden had. Zij heeft hem meermaals gevraagd de afspraken behoorlijk na te komen, maar heeft geen reactie ontvangen.\n\n4.2.2.. Daartegenover staat het belang van [eiser] . Hij bevindt zich in een zeer kwetsbare positie, nu hij momenteel op straat leeft en kampt met zowel fysieke als mentale klachten. Daarnaast beheerst hij de Nederlandse taal niet, hetgeen zijn vermogen om zelfstandig te functioneren en passende hulp of voorzieningen te vinden aanzienlijk belemmert. Dit maakt dat hij in sterke mate afhankelijk is van derden en beperkt zelfredzaam is. Het verlies van woonruimte heeft voor hem dan ook ingrijpende en ontwrichtende gevolgen. De reden dat hij ruim twee maanden niet bereikbaar was komt doordat hij bij zijn zieke vrouw in Congo was. Tijdens zijn verblijf daar is zijn vrouw overleden.\n\n4.2.3.. Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat het belang van Alwel bij tenuitvoerlegging van het verstekvonnis in dit geval niet zwaarder weegt dan het belang van [eiser] . Daarbij weegt mee dat de tekortkoming aan de zijde van [eiser] in essentie beperkt is gebleven tot het niet voldoen van de huurverhoging per juli 2025 en daarmee van relatief geringe aard is. Hoewel vaststaat dat de overeengekomen betalingsregeling na zes maanden had moeten worden herzien, heeft [eiser] wel structureel afgelost en de lopende (oude) gebruiksvergoeding voldaan, zodat er geen sprake is van een situatie waarbij zonder ontruiming de schuld verder zal oplopen. Daarnaast kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat [eiser] onvoldoende heeft begrepen dat hij de verhoogde gebruiksvergoeding diende te betalen.\n\n4.2.4.. Voorts acht de kantonrechter van belang dat Alwel, als sociale verhuurder, een bijzondere verantwoordelijkheid draagt in de omgang met haar huurders. In een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van een huurder met beperkte taalvaardigheid en aantoonbare kwetsbaarheid, mocht van Alwel een meer actieve en zorgvuldige opstelling worden verwacht. Het had op haar weg gelegen om [eiser] op begrijpelijke wijze te wijzen op de dreigende ontruiming en de gevolgen daarvan, en om zo nodig telefonisch contact met hem op te nemen teneinde escalatie te voorkomen. Alwel heeft slechts niet aangetekende brieven gestuurd en één keer gemaild met met [eiser] . Volgens Okombi Obata heeft hij een ander emailadres, zodat die email hem niet heeft bereikt. Voorts heeft [eiser] onwweersproken gesteld dat hij geen brieven heeft ontvangen omdat de brievenbus kapot was. Dat het verstekvonnis als waarschuwing kan gelden, maakt dit in de gegeven omstandigheden niet anders, nu ter zitting is gebleken dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat [eiser] de reikwijdte en consequenties daarvan daadwerkelijk heeft begrepen, zeker gelet op het feit dat hij na dat verstekvonnis nog drie jaar in de woning heeft gewoond.\n\n4.3.. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat Alwel jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis over te gaan. De nadelige gevolgen daarvan dienen door Alwel te worden hersteld. Dit brengt mee dat Alwel gehouden is [eiser] passende vervangende woonruimte aan te bieden, die wat betreft omvang en aard aansluit bij de eerder gehuurde woning.\n\n4.4.. Aan deze verplichting zal een dwangsom worden verbonden voor het geval Alwel hiermee in gebreke blijft. De dwangsom zal worden toegekend zoals in de beslissing is vermeld.\n\n4.5.. De vordering met betrekking tot het beschikbaar stellen van een hotelkamer ter waarde van € 150,00 per nacht zal in die zin worden toegewezen dat Alwel veroordeeld wordt tot het ter beschikking stellen van een overnachtingsmogelijkheid met wasgelegenheid. Dat kan een hotel zijn, maar het kan ook een tijdelijke ander onderkomen zijn. De gevorderde vergoeding voor hotelovernachtingen zal, bij gebreke van een onderbouwing, worden afgewezen. De kantonrechter merkt daarbij op dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Dit brengt mee dat Alwel, ongeacht een eventueel rechtsmiddel of het verdere verloop van de procedure, gehouden is om aan de veroordeling te voldoen.\n\nDe proceskosten\n\n4.6.. Alwel is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n965,94\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Alwel om binnen zes weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis een woning in [plaats] aan [eiser] aan te bieden welke gelijk is aan de woning gelegen te [plaats] op het gebied van het aantal kamers en (grond)oppervlak,\n\n5.2.. veroordeelt Alwel om aan [eiser] een overnachtingsmogelijkheid met wasgelegenheid ter beschikking te stellen totdat hij weer over een woning beschikt.\n\n5.3.. veroordeelt Alwel tot het vervoeren van de goederen van [eiser] vanuit de plaats waar zij de goederen heeft doen opslaan naar de woning bedoeld onder 5.1.,\n\n5.4.. veroordeelt Alwel om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 200,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,\n\n5.5.. veroordeelt Alwel in de proceskosten van € 965,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Alwel niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5279","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.010Z",{"id":134,"ecli":135,"slug":136,"caseNumber":43,"courtId":137,"decisionDate":138,"fullText":139,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":140,"sourceTimestamp":141,"parsedAt":50,"updatedAt":142},"1017","ECLI:NL:RBNHO:2026:3806","ecli-nl-rbnho-2026-3806",73,"2026-04-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummers: 12107695 \\ KG EXPL 26-25 en 12133212 \\ KG EXPL 26-43\n\nVonnis in kort geding van 10 april 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nSTICHTING WOONWAARD NOORD-KENNEMERLAND,\n\ngevestigd in Alkmaar ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Woonwaard,\n\ngemachtigden: mr. K. Straathof, mr. M.J. Dekker en mr. K. Hollenberg,\n\nin de zaak- rolnummer 12107695 \\ KG EXPL 26-25 tegen:\n\n1. [gedaagde 1 (26-25)] ,\n\n2. [gedaagde 2 (26-25)],\n\nbeiden wonende in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden (26-25)] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Weel.\n\nen in de zaak- rolnummer 12133212 \\ KG EXPL 26-43 tegen:\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2],\n\n3. [gedaagde 3],\n\n4. [gedaagde 4],\n\n5. de besloten vennootschap VAN AMERONGEN BEWINDVOERING B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van[naam 1],\n\nniet verschenen,\n\n6. [gedaagde 6],\n\n7. [gedaagde 7]en[gedaagde 7],\n\n8. [gedaagde 8],\n\n9. [gedaagde 9],\n\n10. [gedaagde 10]en [gedaagde 10],\n\n11. [gedaagde 11],\n\n12. [gedaagde 12],\n\n13. [gedaagde 13]en [gedaagde 13],\n\n14. [gedaagde 14],\n\n15. [gedaagde 15]en[gedaagde 15],\n\n16. [gedaagde 16],\n\n17. [gedaagde 17]\n\n18. [gedaagde 18],\n\n19. [gedaagde 19],\n\n20. [gedaagde 20],\n\n21. [gedaagde 21] ,\n\n22. [gedaagde 22],\n\n23. de besloten vennootschap BERGEN BEWIND B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van[naam 2],\n\n24. [gedaagde 24],\n\n25. [gedaagde 25],\n\n26. [gedaagde 26],\n\n27. [gedaagde 27],\n\nniet verschenen,\n\n28. [gedaagde 28],\n\nniet verschenen,\n\n29. [gedaagde 29],\n\nniet verschenen,\n\n30. [gedaagde 30],\n\nniet verschenen,\n\n31. [gedaagde 31],\n\nniet verschenen,\n\n32. [gedaagde 32],\n\nallen wonende\u002Fgevestigd in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: de bewoners,\n\nprocederend in persoon, dan wel procederend in persoon vertegenwoordigd door [gedaagde 1] .\n\nTen behoeve van de leesbaarheid worden de zaken in de rest van het vonnis als volgt aangehaald: de zaak met zaak- \u002F rolnummer 12107695 \\ KG EXPL 26-25 als 26-25 en de zaak met zaak- \u002F rolnummer 12133212 \\ KG EXPL 26-43 als de zaak 26-43.\n\nGedaagden zullen hierna zowel in de zaak 26-25 als in de zaak 26-43 gezamenlijk de bewoners genoemd worden.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak wil een verhuurder (Woonwaard) met het oog op verduurzaming de woningen in een wooncomplex in [plaats] aansluiten op het warmtenet. Een deel van de bewoners van het wooncomplex wil daaraan niet meewerken. Daarom vordert de verhuurder in kort geding medewerking van deze bewoners aan de werkzaamheden die volgens de verhuurder dringend zijn. De kantonrechter wijst de vordering van de verhuurder toe. De kantonrechter oordeelt dat de werkzaamheden noodzakelijk zijn en niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld (de verhuurder moet nu verduurzamen), dat de verhuurder bij de uitvoering van deze werkzaamheden een spoedeisend en zwaarwegend belang heeft en dat dit belang prevaleert boven de belangen van de bewoners.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het dossier in de zaak 26-25 bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 11 maart 2026 met producties 1 tot en met 20,\n\nde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10,\n\nde aanvullende producties 21 tot en met 29 van de zijde van Woonwaard,\n\nde aanvullende producties 30 tot en met 32 van de zijde van Woonwaard.\n\n1.2.. Het dossier in de zaak 26-43 bestaat uit de volgende processtukken:\n\n- de dagvaarding van 23 maart 2026 met producties 1 tot en 24,\n\n- de overgelegde producties 1 tot en met 15 van de zijde van de bewoners, - de conclusie van antwoord, versie 28 maart 2026, met productie 16,\n\n- de aanvullende producties 25 tot en met 27 van de zijde van Woonwaard, - de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagden.1.3.. De gelijktijdige mondelinge behandeling van beide zaken heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. De gemachtigden van Woonwaard, [gedaagden (26-25)] en [gedaagde 1] namens de bewoners hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier.\n\n1.4.. In zaak 26-43 heeft Woonwaard haar vordering ten aanzien van gedaagden, [gedaagde 27] (gedaagde sub 27), [gedaagde 30] (gedaagde sub 30) en [gedaagde 31] (gedaagde sub 31) ingetrokken.\n\n1.5.. Partijen hebben op vragen van de kantonrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is [gedaagde 1] met instemming van partijen nog drie dagen de tijd gegeven om een machtiging van de bewindvoerders van [naam 1] (gedaagde sub 5) en [naam 2] (gedaagde sub 23) in de zaak 26-43 te overleggen. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] een machtiging van de bewindvoerder van [naam 2] in de zaak 26-43 overgelegd. Tegen de niet verschenen gedaagden is verstek verleend.\n\n1.6.. Tot slot is vonnis in de zaken 26-25 en 26-43 bepaald op 14 april 2026, of zoveel eerder als mogelijk.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Woonwaard is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet. Zij is werkzaam op het gebied van volkshuisvesting en is eigenaar van ongeveer 17.000 woningen.\n\n2.2.. De bewoners zijn allen huurders van woningen die onderdeel uitmaken van het [complex] in [plaats] (hierna: [complex] of het wooncomplex). [complex] bestaat uit totaal 93 appartementen en 13 bedrijfsruimten en is gelegen in de [buurt] in de [wijk] .\n\n2.3.. Op alle afzonderlijke huurovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte van Woonwaard van toepassing verklaard.\n\n2.4.. Woonwaard wil haar woningen in (onder meer) [complex] verduurzamen. Hiervoor moeten werkzaamheden worden uitgevoerd. Het gaat om de aansluiting van de woningen op het warmtenet van HVC, waarvoor de cv-ketels en gasmeters uit de woningen worden weggehaald en een warmte-unit wordt geplaatst en aangesloten op het warmtenet.\n\n2.5.. Voor deze werkzaamheden ontvangt Woonwaard een subsidie van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) in het kader van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (hierna: SAH). De subsidie bedraagt € 3.922,50 per woning en verkrijgt Woonwaard alleen als de werkzaamheden vóór 1 mei 2026 zijn uitgevoerd.\n\n2.6.. In verband met de voorgenomen aansluiting heeft Woonwaard op 12 april 2024 alle bewoners uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst op 30 april 2024 over aansluiting op het warmtenet. De bijeenkomst heeft op 30 april 2024 plaatsgevonden.\n\n2.7.. Naar aanleiding van deze bijeenkomst heeft Woonwaard een nieuwsbrief aan alle bewoners gestuurd. In januari 2025 heeft Woonwaard vervolgens een informatiebrochure naar alle bewoners gestuurd waarin de praktische en financiële consequenties voor de bewoners uiteen zijn gezet.\n\n2.8.. Op 8 april 2025 heeft Woonwaard het definitieve besluit genomen om alle woningen van [complex] aan te sluiten op het warmtenet. Dit is bij brief van 9 april 2025 aan alle bewoners medegedeeld. Ook is in deze brief uitleg gegeven over het warmtenet en de te maken stappen voor aansluiting daartoe, waaronder een huisbezoek.\n\n2.9.. Woonwaard heeft daarnaast op 11 april 2025 een flyer over het huisbezoek op verschillende plekken in het wooncomplex opgehangen.\n\n2.10.. \n\nWoonwaard heeft op 11 juli 2025 vervolgens aangekondigd dat zij vanaf\n\n18 augustus 2025 zou beginnen met de voorbereidende werkzaamheden in het complex. Hierin is ook aangekondigd dat zij verwacht in het eerste kwartaal 2026 te kunnen starten met de werkzaamheden in de woning.\n\n2.11.. In oktober 2025 zijn de bewoners per brief ingelicht over huisbezoeken aan het gehuurde. Deze huisbezoeken hebben in november 2025 plaatsgevonden.\n\n2.12.. De SAH is per 1 januari 2026 vervallen.\n\n2.13.. In januari 2026 heeft Woonwaard per adres aangekondigd wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd.\n\n2.14.. De bewoners hebben aangegeven niet te willen meewerken aan de uitvoering van de werkzaamheden door en namens Woonwaard. Onder andere bij brief van 12 en 18 februari 2026 zijn de bewoners gesommeerd vrijwillig mee te werken aan de uitvoering van de werkzaamheden. Daaraan hebben zij geen gehoor gegeven.\n\n2.15.. Tot op heden is ongeveer twee derde van de woningen in het wooncomplex aangesloten op het warmtenet. De woningen van de bewoners zijn tot op heden niet op het warmtenet aangesloten.\n\n3. Het geschil\n\nin de zaak 26-25 en in de zaak 26-43:\n\n3.1.. Woonwaard vordert op grond van artikel 7: [nummer 21] Burgerlijk Wetboek (BW) medewerking van de bewoners aan de aansluiting op het warmtenet, waartoe volgens Woonwaard de volgende (dringende) werkzaamheden moeten worden verricht: het weghalen van de cv-ketel, het plaatsen van de warmte-unit, het aansluiten van de warmte-unit op het verwarmingssysteem in de woning, het vervangen van de radiator in de keuken en woonkamer, het vervangen van de radiatorknoppen in alle ruimtes, het aanbrengen van roosters in de vensterbanken (indien nodig), het maken van een perilex stopcontact en een extra groep in de meterkast (als dit nog niet is gebeurd), het weghalen van de gasmeter (door Liander) en het maken van planken in de stookruimte (als de bewoners daarvoor gekozen hebben). Woonwaard vordert daarom van de kantonrechter – enigszins samengevat – bij wijze van voorlopige voorziening:\n\nI. (hoofdelijke) veroordeling van elk van de individuele bewoners om binnen één dag na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de dringende werkzaamheden in en aan de woning inclusief aanhorigheden die de bewoners van Woonwaard huren, alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom;\n\nII. veroordeling van elk van de individuele bewoners om voor de duur van de werkzaamheden de woning te ontruimen en ontruimd te houden, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woonwaard te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nIII. de bewoners hoofdelijk, in zowel zaak 26-25 als zaak 26-43, te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, en te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. De bewoners voeren hiertegen gemotiveerd verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Woonwaard in de proceskosten. Voor zover enige voorziening wordt overwogen verzoeken zij:\n\nin de zaak 26-25\n\nI. de aanleg van het warmtenet in de woning van [gedaagden (26-25)] voor (on)bepaalde duur op te schorten;\n\nVoor zover de rechtbank van oordeel is dat de werkzaamheden aan het warmtenet doorgang dient te vinden:\n\nII. te bepalen dat [gedaagden (26-25)] niet meer zullen betalen dan hun huidige energielasten, althans dat eventuele meerkosten volledig door Woonwaard wordt gecompenseerd;\n\nIII. te bepalen dat voorafgaand aan de werkzaamheden voor de aanleg van het warmtenet de gebreken aan de woning worden vastgesteld en hersteld;\n\nIV. de veroordeling te beperken tot concreet omschreven werkzaamheden;\n\nV. geen dwangsom vast te stellen;\n\nVI. de vordering tot tijdelijke ontruiming van de woning en afgifte van sleutels af te wijzen;\n\nVII. te bepalen dat de werkzaamheden dienen aan te vangen vanaf 10:00 uur.\n\nin de zaak 26-43\n\nI. te bepalen dat de voorgenomen werkzaamhedenworden opgeschort totdat in een bodemprocedure duidelijkheid bestaat dan wel rechtsgeldige instemming is verkregen, zodat de bewoners hun rechten kunnen uitoefenen en eventuele schade of beperkingen kunnen worden voorkomen;\n\nII. te bepalen dat de bewoners niet gehouden zijn de woning tijdelijk te ontruimen of sleutels af te geven, en dat werkzaamheden dienen plaats te vinden terwijl de bewoners in de woning verblijven en zelf toegang verlenen, om de redelijkheid en veiligheid te waarborgen tijdens de uitvoering;\n\nIII. te bepalen dat, ook indien sprake zou zijn van dringende werkzaamheden, Woonwaard gehouden blijft om werkzaamheden in de woning, inclusief de meterkast die zich in de algemene ruimte bevindt, maar exclusief gekoppeld is aan de individuele woning, tijdig en schriftelijk aan te kondigen met een redelijke termijn, zodat de bewoners voorafgaand aan de uitvoering hun positie kunnen bepalen;\n\nIV. te bepalen dat Woonwaard zonder voorafgaande schriftelijke aankondiging van minimaal vijf werkdagen en zonder toestemming van gedaagden geen toegang verkrijgt tot de woning, waaronder de meterkast, behoudens aantoonbare acute calamiteiten, ter waarborging van naleving en bescherming van de belangen van de bewoners;\n\nV. te bepalen dat Woonwaard een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per overtreding voor iedere keer dat zonder voorafgaande aankondiging en zonder toestemming werkzaamheden in de woning, inclusief de meterkast, worden verricht; alsmede te bepalen dat Woonwaard een dwangsom verbeurt van € 150,00 per dag (of gedeelte daarvan) voor iedere dag dat de bewoners, in strijd met het vonnis, afgesloten zijn of worden gehouden van essentiële voorzieningen, waaronder gas, verwarming en warm water, dan wel dat de cv-installatie is verwijderd, buiten werking is gesteld of niet functioneert, met een maximum van € 10.000 per woning, een en ander na betekening van het vonnis, althans naar de kantonrechter begrijpt een in goede justitie te bepalen dwangsom.3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De aard van een kort geding brengt mee dat toewijzing van de gevorderde voorziening, die in de kern neerkomt om het verlenen van medewerking aan de aansluiting op het warmtenet, afhankelijk is van een belangenafweging. Mede gelet op wat partijen over en weer hebben aangevoerd, neemt de kantonrechter bij deze belangenafweging in elk geval het voorlopig oordeel over de aard en kwalificatie van de werkzaamheden, de spoedeisendheid bij de gevraagde voorziening, het ingrijpende en onomkeerbare karakter van de voorziening en de wederzijdse belangen in aanmerking. Daarbij merkt de kantonrechter op dat zij geen uitspraak doet over de vraag of de aansluiting op het warmtenet al dan niet wenselijk is. Zij beslist alleen of, met inachtneming van het hiervoor genoemd kader, over de vraag of het Woonwaard moet worden toegestaan de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet in de woningen van de betrokken bewonersin [complex] uit te voeren. Die vraag beantwoordt zij bevestigend. Dat wordt hierna uitgelegd.\n\nde zaken lenen zich voor kort geding\n\n4.2.. De bewoners stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat deze zaken zich niet lenen voor een beoordeling in kort geding, omdat de gevraagde voorziening een definitief en onomkeerbaar karakter heeft. Na verwijdering van de cv-installatie en de gasaansluiting is terugkeer naar de oude situatie feitelijk uitgesloten. Bovendien bestaat er tussen partijen een fundamenteel verschil van mening over onder meer de kwalificatie van de werkzaamheden en de gevolgen van de aansluiting op het warmtenet voor de bewoners.\n\n4.3.. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Dat toewijzing van de gevraagde voorziening leidt tot feitelijke gevolgen die niet of alleen met veel moeite of tegen hoge kosten ongedaan kunnen worden gemaakt, maakt op zichzelf genomen niet dat deze zaken op voorhand ongeschikt moeten worden geacht voor een beoordeling en beslissing in kort geding. Wel is dit een element dat, zoals hierboven al weergegeven, een rol speelt in de afweging bij de vraag of de gevraagde voorziening toewijsbaar is. Het belangrijkste punt van discussie tussen partijen betreft in de kern een juridische vraag, namelijk de vraag of sprake is van dringende werkzaamheden. Daarbij speelt in de zaak van [gedaagden (26-25)] de bijkomende vraag of de beoogde werkzaamheden moeten worden aangemerkt als renovatiewerkzaamheden. Deze juridische vraag kan worden beantwoord in kort geding en partijen hebben daarover ook, zowel in hun schriftelijke stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling als op de mondelinge behandeling, een standpunt kunnen innemen. Op deze standpunten baseert de kantonrechter de beslissing. Daarbij beschikt de kantonrechter met alle stukken die partijen hebben verstrekt ook overigens over voldoende informatie om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen.\n\ner is sprake van dringende werkzaamheden en niet van renovatie\n\n4.4.. In de wet is bepaald dat de huurder gelegenheid moet geven om dringende werkzaamheden aan de woning uit te voeren.Een huurder moet deze werkzaamheden dus gedogen. Dringende werkzaamheden zijn werkzaamheden die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Het nadeel kan bestaan uit schade, maar bijvoorbeeld ook uit extra kosten. De huurder moet ook renovatiewerkzaamheden aan de woning gedogen, als de verhuurder daartoe een redelijk renovatievoorstel heeft gedaan aan de huurder.Van renovatie is (onder meer) sprake bij gedeeltelijke vernieuwing van de woning door veranderingen of toevoegingen aan te brengen waardoor het woongenot objectief gezien toeneemt.\n\n4.5.. Namens [gedaagden (26-25)] is betoogd dat de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet moeten worden aangemerkt als renovatiewerkzaamheden, omdat deze diep ingrijpen op de woning, de installatie, het gebruik en het comfortregime. Daarbij wijzen de bewoners er op dat ook Woonwaard zelf uitgaat van de voordelen van verduurzaming, zoals comfort en toekomstbestendigheid en bijvoorbeeld een beter energielabel. Volgens Woonwaard kwalificeren de werkzaamheden uitdrukkelijk niet als renovatie, omdat deze niet zijn gericht op toename van het woongenot. De aansluiting op het warmtenet leidt daar volgens Woonwaard niet toe. Het gaat simpelweg om het vervangen van het ene verwarmingssysteem door het andere verwarmingssysteem, zonder dat daaraan noemenswaardige voor- of nadelen kleven voor een huurder, waartoe Woonwaard onder meer verwijst naar de rapporten van de door haar ingeschakelde deskundige [technisch adviesbureau] .Er worden volgens Woonwaard geen andere werkzaamheden uitgevoerd dan het aansluiten van de woningen op het warmtenet en, zo nodig, het vervangen van radiatoren en de woningen hebben al een goed energielabel, variërend van (in een paar gevallen) B tot A++. Bijkomende werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld isolatiewerkzaamheden, zijn niet nodig en worden dus niet verricht.\n\n4.6.. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat werkzaamheden die zijn gericht op toename van het woongenot kwalificeren als renovatiewerkzaamheden. In dat geval gelden andere regels dan voor het verrichten van (alleen) dringende werkzaamheden. Een verhuurder moet in zo’n geval immers een redelijk voorstel doen en mag er daarbij bovendien voor kiezen om de huur te verhogen. Niet iedere werkzaamheid die mede leidt tot een toename van woongenot moet echter worden gekwalificeerd als renovatie. Ook het uitvoeren van enkel dringende werkzaamheden kan immers mede tot gevolg hebben dat sprake is van toegenomen woongenot, zonder dat de werkzaamheden daar primair op zijn gericht. Daarbij valt te denken aan de situatie van dringende reparaties of preventief onderhoud. De wet beperkt het begrip dringende werkzaamheden niet tot deze situaties. Ook bijvoorbeeld het uitvoeren van energiebesparende maatregelen, zoals hier aan de orde is, kan onder dat begrip worden gebracht. De aansluiting op het warmtenet die in dit geval plaatsvindt moet worden gezien als een noodzakelijke maatregel die primair is gericht op het voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen en -verplichtingen van Woonwaard en het nakomen van de door Woonwaard daarover gemaakte afspraken, en niet als een maatregel die primair is gericht op het vermeerderen van het wooncomfort van de bewoners.Om die reden is in dit geval sprake van dringende werkzaamheden in de zin van de wet. Hoewel niet uitgesloten is dat de werkzaamheden ook hier een toegenomen wooncomfort tot gevolg zullen hebben (hoewel de bewoners daaraan twijfelen), leidt dat dus niet tot de conclusie dat sprake is van renovatie. Van bijkomende werkzaamheden die objectief gezien wel zijn gericht op het vermeerderen van het woongenot, zoals bijvoorbeeld isolatiewerkzaamheden, is geen sprake, zoals Woonwaard heeft toegelicht.\n\n4.7.. Hoewel sprake is van een voorlopig oordeel in kort geding, realiseert de kantonrechter zich dat dit een oordeel is dat voor bewoners ingrijpende gevolgen kan hebben en dat zij zich daardoor geconfronteerd kunnen zien met een warmtevoorziening waar zij grote zorgen over hebben. De kantonrechter hecht er echter aan op te merken dat alleen een oordeel wordt gegeven over de aard van de werkzaamheden in deze specifieke zaak. In elk geval waarin een verhuurder verduurzamingsmaatregelen wil treffen en daartoe wil overgaan op bijvoorbeeld aansluiting op het warmtenet, zal steeds moeten worden nagegaan of inderdaad sprake is van (alleen) dringende werkzaamheden in de zin van de wet, en niet (ook) renovatie. Het oordeel in deze zaak betekent dus niet dat per definitie ieder ander geval ook kwalificeert als het verrichten van dringende werkzaamheden, zeker niet als de werkzaamheden in die andere gevallen niet primair zijn gericht op verduurzaming en deze werkzaamheden worden uitgevoerd samen met andere werkzaamheden gericht op vermeerdering van het woongenot. Ook staat het iedere verhuurder vrij om, ook als alleen sprake zou zijn van dringende werkzaamheden, desondanks te kiezen voor de weg van het redelijk renovatievoorstel om de acceptatie onder de betrokken bewoners te vergroten.\n\n4.8.. Omdat in dit geval sprake is van dringende werkzaamheden en niet van renovatiewerkzaamheden, wordt aan de vraag of aan de bewoners een redelijk voorstel is gedaan niet toegekomen.\n\nde werkzaamheden zijn noodzakelijk en kunnen niet zonder nadeel worden uitgesteld\n\n4.9.. Woonwaard heeft de noodzaak tot het verrichten van de dringende werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet goed uitgelegd. Verduurzaming is voor Woonwaard geen keuze, maar zij is daartoe daadwerkelijk gehouden. Niet alleen op basis van het Klimaatakkoord uit 2019, maar ook op basis van haar eigen Duurzaamheidsbeleid 2026-2030,de [plaats] Warmtevisie en de bindende prestatieafspraken die zij op grond van de Woningwet als toegelaten instelling verplicht is te maken met de gemeente. Om aan de landelijke doelen te voldoen moeten in 2050 alle woningen in [plaats] volledig aardgasvrij zijn en daarvoor moeten de gemeente en de corporaties, in samenwerking met de andere betrokken partijen, een strakke planning en gemeentelijke (sub)doelstellingen hanteren. Daarbij staat vast dat op korte termijn de wijken [buurt] en [wijk] helemaal aardgasvrij moeten zijn.Er is voor Woonwaard geen ruimte om te onderhandelen of om andere keuzes te maken, zelfs als zij dat zou willen. Die ruimte heeft zij ook niet bij de totstandkoming van de nieuwe prestatieafspraken (op grond van de Woningwet) met de gemeente voor de periode 2026-2030. Bepalend voor deze afspraken zijn immers, naast de landelijke doelstellingen uit het Klimaatakkoord, onder meer de Woonvisie [plaats] 2040 en de [plaats] Warmtevisie 2025, waarin het uitgangspunt van 1.600 bestaande woningen per jaar aardgasvrij maken onverkort is gehandhaafden waarin [wijk] en [buurt] als eerste en belangrijkste startbuurt zijn aangewezen. Tegen deze achtergrond is de aansluiting van [complex] op het warmtenet dan ook noodzakelijk en onvermijdelijk. Daarbij geldt dat aan Woonwaard als eigenaar van de woningen in beginsel de vrijheid toekomt om een keuze te maken tussen de verschillende verduurzamingsmaatregelen, en dus te kiezen welk systeem van warmtevoorziening zij het meest geschikt acht. In dat kader is van belang dat zij als toegelaten instelling zorgvuldig en verantwoord moet omgaan met gemeenschapsgeld en dus financiële overwegingen daarin een belangrijke rol mag laten spelen.Van belang is verder dat inmiddels ongeveer 80% van de hele wijk aardgasvrij is en dat ongeveer 66% van de woningen in het wooncomplex van de bewoners is aangesloten op het warmtenet. Om haar doelstellingen te halen moet Woonwaard daarom ook de overige bewoners in het complex, degenen waar het in deze zaken om gaat, op het warmtenet kunnen aansluiten.\n\n4.10.. Naast een goede uitleg over de noodzaak van de werkzaamheden heeft Woonwaard ook voldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd dat de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat dit nadeel in de eerste plaats is gelegen in het niet behalen van de klimaatdoelstellingen en de verplichtingen die in dat kader op Woonwaard rusten. Daarnaast is echter ook sprake van aanzienlijk financieel en organisatorisch nadeel. In het geval van dringende werkzaamheden moet onder nadeel ook worden begrepen het mislopen van subsidie, extra kosten of het mislopen van voordeel door werkzaamheden projectmatig uit te voeren. Dat is hier aan de orde. Woonwaard heeft subsidie aangevraagd en aan haar is ook subsidie verleend voor de aansluiting van de woningen op het warmtenet op basis van op grond van de – inmiddels vervallen – SAH. Deze subsidie is verleend voor in totaal 594 woningen voor een totaalbedrag van € 2.329.965,00, dus € 3.922,50 per woning. Daarbij is de helft van het subsidiebedrag bij wijze van voorschot uitgekeerd en zal de andere helft worden uitgekeerd als is voldaan aan de voorwaarde dat de woningen volledig aardgasvrij zijn. Woonwaard heeft geen ruimte om de aansluiting op het warmtenet (verder) uit te stellen, de aansluiting op het warmtenet van deze bewoners achterwege te laten dan wel te kiezen voor een ander verwarmingssysteem. De subsidie betreft immers nadrukkelijk de aansluiting op het warmtenet en is verleend voor specifieke adressen (waaronder de woningen van de bewoners in deze zaken). Toegelicht is dat inmiddels op alle adressen waarvoor subsidie is verleend de aansluiting op het warmtenet is uitgevoerd, behalve bij deze bewoners. Woonwaard is op grond van de subsidiebeschikking bovendien verplicht de aansluiting op het warmtenet te realiseren binnen vijf jaar na de aanvraagdatum van 1 mei 2020, met een verlengingsmogelijkheid van een jaar. Deze (verlengde) periode is inmiddels bijna verstreken. Kortom, als Woonwaard de aansluiting op het warmtenet van de bewoners niet vóór 1 mei 2026 realiseert, loopt zij een reëel risico de daarvoor verleende subsidie mis te lopen, wat alleen daarom al leidt tot veel hogere kosten. Op de mondelinge behandeling is daarover namens de bewoners nog gesteld dat als Woonwaard deze subsidie misloopt zij mogelijk aanspraak zou kunnen maken op een andere subsidie, gelet op de toezeggingen van het nieuwe kabinet. Dit betreft echter niet meer dan een enkele toezegging. Van Woonwaard kan, gelet op haar doelstellingen en verplichtingen op korte en op langere termijn op het gebied van verduurzaming, niet worden gevergd de huidige toegekende subsidieaanspraak te laten lopen en af te wachten of zij misschien op basis van een eventuele nieuwe regeling in de toekomst opnieuw aanspraak zou kunnen maken op subsidie, met alle onzekere gevolgen van dien.\n\n4.11.. Naast het mislopen van subsidie heeft het niet aansluiten van deze bewoners bovendien ook andere nadelige gevolgen. Het projectmatig en in een aaneengesloten stroom aansluiten van de bewoners van het wooncomplex op het warmtenet is dan immers niet meer mogelijk, wat onder meer leidt tot hogere kosten voor de aannemer. Deze kosten zijn begroot op een bedrag van ongeveer € 1.800,00 per bewoner,zodat het niet (tijdig) aansluiten op het warmtenet per woning in totaal ongeveer € 5.700,00 kost. Daarbij is, zoals Woonwaard op de mondelinge behandeling heeft toegelicht, nog geen rekening gehouden met eventuele extra personeelskosten van Woonwaard en schade door huurderving. Dat is, anders dan namens de bewoners is betoogd, een concreet en aannemelijk nadeel dat in een geval als dit zwaar weegt. Woonwaard is immers niet zomaar een bedrijf dat een ondernemersrisico loopt, maar is een toegelaten instelling die maatschappelijk verantwoord met gemeenschapsgeld moet omgaan. Tot slot heeft Woonwaard ook een rol mogen laten spelen dat de levensduur van de cv-installaties van de bewoners ergens in de komende jaren mogelijk tot een einde komt, gelet op de gemiddelde levensduur van dergelijke installaties, ook al doen zich nu nog geen technische problemen of defecten voor. Van Woonwaard kan niet worden verwacht dat zij de werkzaamheden uitstelt tot dat de levensduur van de cv-installaties daadwerkelijk zijn verstreken of dat zij tegen die tijd nieuwe cv-ketels ophangt. Dat verdraagt zich niet met klimaatdoelstellingen en de op haar rustende verduurzamingsverplichtingen.\n\n4.12.. De bewoners hebben terecht de vraag aan de orde gesteld of Woonwaard zichzelf niet in deze situatie heeft gebracht met de door haar gekozen aanpak van de verduurzamingsmaatregelen, waarbij zij onder meer wijzen op het in een vroegtijdig stadium aanvragen van subsidie voor een groot aantal woningen. Deze vraag is ook op de mondelinge behandeling aan de orde gekomen en Woonwaard heeft daarop een overtuigende toelichting gegeven. Het Klimaatakkoord uit 2019, met de daarin neergelegde klimaatdoelstelling, en de daaruit voortvloeiende subsidieregeling waren voor alle partijen, en dus ook voor Woonwaard, op het moment van het aanvragen van de subsidie een relatief nieuw en onbekend fenomeen. Duidelijk was al wel dat er verduurzaming op grote schaal moest plaatsvinden en Woonwaard wilde niet het risico lopen dat de regeling zou vervallen, waardoor zij subsidie zou mislopen. Daarom heeft zij de keuze gemaakt om de subsidie voor 594 woningen tegelijk aan te vragen. Op dat moment kon zij redelijkerwijs niet voorzien dat de ruime subsidietermijn van vijf jaar niet zou worden gehaald. Niet voorzienbaar was dat de feitelijke uitvoering vanwege maatschappelijke en organisatorische ontwikkelingen (waaronder ook het gezamenlijk optrekken met de gemeente, HVC, Liander en aannemer Hemubo) zoveel meer tijd in beslag zou nemen dan verwacht.\n\n4.13.. Ook heeft Woonwaard toegelicht dat zij er inderdaad al in juni 2024 door het indienen van een petitie van op de hoogte was dat niet alle bewoners van het wooncomplex achter de aansluiting op het warmtenet stonden, maar dat zij er niettemin voor heeft gekozen om pas in een laat stadium, kort voor het verstrijken van de verlengde subsidietermijn, een juridische procedure te beginnen. Procederen tegen haar huurders is voor Woonwaard een allerlaatste stap en het uiterste middel. Gezien haar rol en positie als sociale verhuurder is haar handelen er vooral op gericht om tot een onderlinge oplossing en draagvlak te komen door de bewoners waar mogelijk te informeren en het gesprek aan te gaan. Daarin is Woonwaard ook voor een groot deel geslaagd, omdat aanvankelijk ongeveer 94% van de bewoners van dit wooncomplex bezwaren had tegen de aansluiting op het warmtenet en daar nu nog slechts ongeveer 30% van over is. Inmiddels resteert ten aanzien van deze laatste groep bewoners alleen nog de juridische weg, hoewel op de mondelinge behandeling ook gebleken is dat de vordering ten aanzien van drie bewoners is ingetrokken, omdat zij in weerwil van hun aanvankelijke bezwaren alsnog wilden instemmen met de aansluiting op het warmtenet. Gezien deze toelichting is de keuze van Woonwaard om zo lang mogelijk te wachten met procederen een begrijpelijke en de kantonrechter volgt dan ook niet het standpunt dat Woonwaard de bewoners eerder in rechte had moeten betrekken om het werk uitgevoerd te krijgen en zichzelf dus in deze positie heeft gebracht.\n\ntussenconclusie: Woonwaard heeft een zwaarwegend en spoedeisend belang\n\n4.14.. Dat sprake is van dringende werkzaamheden maakt dat de bewoners gehouden zijn de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet te gedogen en daaraan hun medewerking te verlenen. De dringende aard van de werkzaamheden maakt ook dat Woonwaard daarbij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft.\n\nhet belang van Woonwaard prevaleert boven de belangen van de bewoners\n\n4.15.. Tegenover het belang van Woonwaard moeten de belangen van de bewoners worden afgewogen.\n\n4.16.. Duidelijk is dat er bij de bewoners onrust en zorgen bestaan over de aansluiting op het warmtenet en dat in algemene zin binnen de [gemeente] de ontwikkelingen rond het warmtenet eveneens een onderwerp van zorg en gesprek zijn. Dat blijkt ook uit het feit dat de gemeenteraad op 2 maart 2026 een motie heeft aangenomen die er kort gezegd toe strekt met HVC en Woonwaard in gesprek te gaan om bewoners die in financiële problemen zijn gekomen te compenseren of ondersteunen en problemen met het warmtenet op te lossen, en uit het feit dat ook de woonbond zich kritisch heeft uitgelaten over de voorgenomen aansluiting op het warmtenet, zoals de bewoners hebben aangevoerd. Dat staat echter, gezien het belang van Woonwaard daarbij, niet in de weg aan aansluiting van dit specifieke wooncomplex op het warmtenet. In juridisch opzicht bestaat daarvoor onvoldoende grond.\n\n4.17.. \n\nAnders dan de bewoners betogen, heeft Woonwaard de geschiktheid van dit –\n\nrelatief jonge (2002) en goed geïsoleerde – wooncomplex voor de aansluiting op het warmtenet met de rapporten van [technisch adviesbureau] voldoende toegelicht en onderzocht. Op basis van een warmtetransmissieberekening is vastgesteld hoeveel vermogen er nodig is om de woningen warm te krijgen en of het nodig is om de capaciteit van het afgiftesysteem (de radiatoren) te verhogen, waarbij vervolgens per woning de capaciteit van de radiatoren is gecontroleerd. Dit onderzoek is later – vanwege de zorgen van de bewoners – aangevuld met een controle ter plaatse (in ieder geval drie woningen, waarvan één op de begane grond boven de parkeergarage, één op de vijfde verdieping en één verdeeld over twee verdiepingen) om na te gaan of de uitgangspunten uit de berekening overeenkomen met de werkelijkheid. Op basis hiervan is geconcludeerd dat het wooncomplex in bouwkundig opzicht geschikt is voor de aansluiting op het warmtenet. Er zijn geen situaties geconstateerd die tot grote verliezen en hoge energieverbruiken zullen leiden. Wel is er een aantal aanbevelingen gedaan om een goede werking van het warmtenet te bevorderen,maar deze maken niet dat op voorhand moet worden aangenomen dat de installatie niet goed zal functioneren.\n\n4.18.. Er is geen reden voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de door Woonwaard ingeschakelde deskundige. De bewoners hebben daar niet een onderzoek van een eigen deskundige tegenover gesteld. Zij hebben er op gewezen dat het onderzoek is gebaseerd op een 3D-model met uitgangspunten uit 2002, maar daaruit volgt, anders dan zij menen, niet dat het onderzoek niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Het wooncomplex zelf is en wordt immers niet aangepast (er is energetisch dus niets gewijzigd), zodat op zichzelf genomen van de definitieve bouwtekeningen en situatie uit 2002 mocht worden uitgegaan, zoals ook volgt uit de rapporten van de deskundige. Bovendien heeft de deskundige daarmee niet volstaan, omdat, zoals hiervoor al vermeld, daarnaast in een aantal woningen feitelijk is nagegaan of de gehanteerde uitgangspunten nog steeds van toepassing zijn. Daarmee voldoet het onderzoek aan wat daarvan mag worden verwacht, waarbij ook van belang is de stelling van Woonwaard dat er iedere drie of vier jaar een visuele inspectie van het complex plaatsvindt en dat uit het meest recente rapport van 2025 blijkt dat de conditie van de gevels en kozijnen als uitstekend is aangemerkt.\n\n4.19.. Tot het verrichten van een woningspecifiek onderzoekkan Woonwaard niet worden gehouden. De stelling dat er in een deel van de woningen sprake zou zijn van gebreken, zoals bijvoorbeeld tocht bij ramen of deuren of spouwmuurproblematiek, die van invloed zouden kunnen zijn op het functioneren van het warmtenet (en daarmee ook de hoogte van verbruikskosten) leidt daar niet toe. Los van het feit dat bij Woonwaard maar drie woningen uit het complex bekend zijn waar sprake is van gebreken, waar zij bezig is deze te verhelpen, geldt, zoals Woonwaard terecht stelt, hiervoor de reguliere gebrekenregeling.Op grond van die regeling zijn bewoners gehouden eventuele gebreken bij Woonwaard te melden (dat geldt ook voor eventuele storingen in de werking van het warmtenet als zodanig) en Woonwaard als verhuurder is vervolgens op haar beurt gehouden deze binnen redelijke termijn te (laten) verhelpen, bij gebreke waarvan de huurders aanspraak kunnen maken op huurvermindering of vergoeding van schade. De aanwezigheid van eventuele gebreken staat dan ook los van de voorgenomen aansluiting op het warmtenet en heeft geen invloed op het algemene uitgangspunt dat het wooncomplex daarvoor in bouwkundig opzicht geschikt is. Bovendien moet worden aangenomen dat eventuele bouwkundige gebreken ook nu al invloed zullen hebben op de huidige warmtelevering door gas. Er is in dit verband niet gebleken van een relevant verschil tussen verwarming door gas dan wel door het warmtenet. Dat geldt evenzeer voor het verschil in ligging van de verschillende appartementen (waaronder begrepen de invloed van zon, wind, specifieke isolatie en aanwezigheid van bijvoorbeeld boven- en onderburen), waarop de bewoners hebben gewezen. Er is geen reden om aan te nemen dat een verschil in ligging in het complex bij het warmtenet tot wezenlijk andere gevolgen zal leiden dan bij verwarming door de huidige cv-installatie. De kantonrechter kan Woonwaard dan ook volgen in de conclusie dat als verwarmen met gas lukt, aangenomen moet worden dat dit ook lukt met het warmtenet.\n\n4.20.. De onzekerheid van de bewoners over de financiële gevolgen van de aansluiting op het warmtenet kan niet volledig worden weggenomen, maar dat behoort ook niet tot de taak en verantwoordelijkheid van Woonwaard. Sommige prijsontwikkelingen zijn immers mede afhankelijk van omstandigheden die buiten de invloedssfeer van Woonwaard liggen, zoals bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen (waaronder ontwikkelingen op de energiemarkt door de situatie in de wereld en de ontwikkeling van het Consumentenprijsindex (CPI)). Dit geldt bovendien ook in geval van warmtelevering door middel van gas. Ook daar kan sprake zijn van prijsstijgingen buiten toedoen van Woonwaard. Niet aannemelijk is geworden dat het warmtenet per definitie een duurdere warmtevoorziening is dan gasen dat de aansluiting van de bewoners op het warmtenet daadwerkelijk tot een substantiële verhoging voor warmtekosten zal leiden. Naast de bescherming die de Warmtewet (via het Niet-Meer-Dan-Anders-principe)en de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) (via de jaarlijkse vaststelling van maximale tarieven) al bieden, heeft Woonwaard zich in voldoende mate ingespannen om aan de bewoners tegemoet te komen door de aansluiting op het warmtenet zoveel mogelijk met (financiële) waarborgen te omkleden. Zo heeft Woonwaard zich door middel van een afzonderlijke overeenkomst met HVC verbonden een deel van het vast recht van de bewoners voor haar rekening te nemen (een vast bedrag van € 263,75 exclusief btw per jaar). Dit zal Woonwaard doen zolang de huurovereenkomst met de huidige bewoners voortduurt. Daarnaast hanteert HVC een lager verbruikstarief dan volgens de ACM is toegestaan en wordt bovendien een korting van 5% gegeven aan huurders van Woonwaard die worden aangesloten op het warmtenet, dus ook aan deze bewoners. Los daarvan compenseert Woonwaard in individuele gevallen nog extra, waaronder in het geval van [gedaagden (26-25)] vanwege lagere netbeheerkosten. Hieruit volgt dat Woonwaard zich rekenschap heeft gegeven van mogelijke nadelige financiële gevolgen en heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om deze gevolgen te voorkomen. Een garantie dat de kosten van warmte helemaal gelijk blijven kan en hoeft zij niet te geven.\n\n4.21.. In het geval van [gedaagden (26-25)] blijkt verder uit de overgelegde proefberekening niet dat er sprake zal zijn van een substantiële verhoging van de warmtekosten. Daaruit moet juist worden opgemaakt dat de kosten min of meer gelijk zullen blijven, nu er in die berekening geen rekening mee is gehouden dat Woonwaard een bedrag van € 263,75 exclusief btw aan vastrecht voor haar rekening neemt. Namens de andere bewoners is naar voren gebracht dat hun zorg niet zozeer de kosten van het warmtenet als zodanig betreft, maar dat het hen gaat om de vrees voor hogere kosten vanwege de aanwezigheid van gebreken. Daarover is hierboven echter al overwogen dat eventuele gebreken los staan van de noodzakelijk geachte dringende werkzaamheden en dat daarvoor de reguliere gebrekenregeling geldt. Het ligt dus op de weg van bewoners om melding te doen van aanwezige gebreken en indien dit niet tot het gewenste resultaat leidt, kunnen zij zich wenden tot de huurcommissie of de rechter. Dat er bij de aansluiting op het warmtenet geen vrije keuze meer bestaat tussen energieleveranciers, zoals de bewoners ook naar voren hebben gebracht, is nu eenmaal het gevolg van deze vorm van warmtelevering en om de onwenselijke gevolgen daarvan te voorkomen is voorzien in regulering en aanvullende maatregelen op de hiervoor omschreven wijze.4.22.. Tot slot vinden de bezwaren van de bewoners mede hun grondslag in de door hen ervaren gebrekkige informatievoorziening door Woonwaard en het gebrek aan serieuze aandacht voor hun bezwaren en omstandigheden. De kantonrechter heeft echter moeten vaststellen dat zich in het dossier veel concrete informatie bevindt over onder meer de werking van het warmtenet, de financiële gevolgen en de aard, omvang en duur van de werkzaamheden. Deze informatie is in de periode vanaf april 2024 tot en met maart 2026 ook aan de bewoners beschikbaar gesteld. Ook in deze procedure en op de mondelinge behandeling is Woonwaard niet terughoudend geweest in het verstrekken van informatie en heeft zij benadrukt open te staan voor het gesprek. Gelet hierop kan de stelling dat de bewoners niet adequaat zijn geïnformeerd niet zonder meer worden gevolgd, waarbij ook van belang is dat Woonwaard als verhuurder niet gehouden is om een gedetailleerd antwoord te geven op alle vragen die worden gesteld, en er op de bewoners als huurders op hun beurt ook verplichtingen rusten. Dat er bewoners zijn die zich niet serieus genomen hebben gevoeld en het gesprek met Woonwaard zo hebben ervaren dat zij onder druk werden gezet, is – ook volgens Woonwaard zelf – betreurenswaardig en dat kan ook niet de bedoeling zijn geweest. In de juridische beoordeling kan dat echter verder geen rol spelen.\n\nconclusie: de gevorderde medewerking aan de aansluiting op het warmtenet wordt toegewezen\n\n4.23.. De conclusie is dat de gevorderde medewerking aan de aansluiting op het warmtenet, ofschoon ingrijpend en moeilijk ongedaan te maken, in dit kort geding toewijsbaar is. Het spoedeisende en zwaarwegende belang van Woonwaard prevaleert boven de belangen van de bewoners en gelet op de dringende aard van de werkzaamheden kan van Woonwaard niet worden gevraagd dat zij een bodemprocedure aanhangig maakt. Dat de bewoners hun medewerking moeten verlenen, betekent dat zij de werkzaamheden moeten gehengen en gedogen en dat zij op eerste verzoek toegang moeten verschaffen aan Woonwaard en degenen die de werkzaamheden uitvoeren. Dit verschaffen van toegang kan door thuis te blijven, een buur te vragen de deur te openen of een sleutel af te geven aan Woonwaard.\n\n4.24.. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, ondanks de toezegging van [gedaagden (26-25)] dat bij een toewijzend vonnis medewerking zal worden verleend. Gelet op de korte termijn waarbinnen de werkzaamheden moeten worden verricht en de hoeveelheid bewoners die in deze procedure betrokken zijn, is begrijpelijk dat Woonwaard een dwangsom noodzakelijk acht als stok achter de deur om vertraging te voorkomen. Daarbij hoeven de bewoners indien zij hun toezegging dat zij mee zullen werken gestand doen, zich geen zorgen te maken over het verbeuren van een dwangsom. De dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 500,- per dag of dagdeel dat de bewoners in gebreke blijven de veroordeling na te komen, met een maximum van € 7.500,-.\n\nde overige vorderingen van Woonwaard worden ook toegewezen\n\n4.25.. Naast medewerking door het gehengen en gedogen van de werkzaamheden en het verlenen van toegang vordert Woonwaard ook de tijdelijke ontruiming van de woningen (voor de duur van de werkzaamheden) onder afgifte van de sleutels. De bewoners verzetten zich hiertegen en wensen in hun woning te kunnen blijven tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Hoewel de werkzaamheden in beginsel kunnen uitgevoerd, terwijl de bewoners in hun woning verblijven en het begrijpelijk is dat zij dat willen, heeft Woonwaard toch een belang bij de gevorderde tijdelijke ontruiming, namelijk in de situatie waarin bewoners toch niet volledig meewerken en gedwongen toegang en het tijdelijk vertrek uit de woning onverhoopt toch nodig blijkt. Voorstelbaar is dat een veroordeling tot tijdelijke ontruiming onder afgifte van de sleutels voor de bewoners als een ingrijpende maatregel voelt, maar dit is op zichzelf genomen een gebruikelijke maatregel bij het verrichten van werkzaamheden door een verhuurder, waarvan alleen gebruik wordt gemaakt als het niet anders kan en die beperkt is tot de duur van de werkzaamheden. Ook hier zal een gematigde dwangsom van € 500,- met een maximum van € 7.500,- worden vastgesteld.\n\nde overige vorderingen en verzoeken van de bewoners worden afgewezen\n\n4.26.. Bij deze uitkomst is er geen grond om de vordering van de bewoners tot het opschorten van de werkzaamheden (in beide zaken) toe te wijzen.\n\n4.27.. In de zaak 26-25 heeft [gedaagden (26-25)] verder verzocht om te bepalen dat er niet meer hoeft te worden betaald dan de huidige energielasten dan wel dat volledige compensatie van de meerkosten moet plaatsvinden. Uit wat hiervoor onder 4.20 is overwogen blijkt dat dat verzoek, voor zover dat zich al leent voor toewijzing in kort geding, moet worden afgewezen.\n\n4.28.. In die zaak is verder nog gevraagd om Woonwaard te veroordelen tot het beoordelen van de gebreken aan de woning en deze te herstellen. Ook die vordering wordt afgewezen: het is aan [gedaagden (26-25)] om van gebreken melding te doen bij Woonwaard en haar te verzoeken deze binnen een redelijke termijn op te lossen. De inhoudelijke beoordeling van eventuele gebreken valt buiten het bestek van deze procedure.\n\n4.29.. Aan het verzoek om de medewerking te beperken tot concreet omschreven werkzaamheden, wordt reeds door Woonwaard zelf voldaan doordat zij die werkzaamheden bij haar vordering al concreet heeft omschreven. Daarbij kan echter niet worden uitgesloten dat er voorafgaand of tijdens de uitvoering van de werkzaamheden meer of ook andere werkzaamheden nodig blijken te zijn om te komen tot een aansluiting op het warmtenet. Ook aan die werkzaamheden zal medewerking moeten worden verleend.\n\n4.30.. Ook het verzoek van [gedaagden (26-25)] om te bepalen dat de werkzaamheden aanvangen vanaf 10.00 uur in plaats van vanaf 7.30 uur komt niet voor toewijzing in aanmerking. Dat zou immers betekenen dat bij een werkdag tot ongeveer 16.00 uur, er veel minder tijd beschikbaar is voor het uitvoeren van de werkzaamheden in deze woning. Dat kan van Woonwaard redelijkerwijs niet worden gevergd. Daarbij komt dat Woonwaard heeft toegezegd met de persoonlijke situatie van [gedaagden (26-25)] rekening te zullen houden bij de planning van de werkzaamheden en waar mogelijk later dan om 7.30 uur te zullen beginnen.\n\n4.31.. In de zaak 26-43 hebben de bewoners tot slot nog verzocht te bepalen dat Woonwaard tijdig en schriftelijk de uitvoering van het werk moet aankondigen met een redelijke termijn, zodat de bewoners voorafgaand aan de uitvoering hun positie kunnen bepalen. Ook dat zal worden afgewezen. De uitvoering van de werkzaamheden is immers al aangekondigd en Woonwaard heeft toegezegd binnen een termijn van drie dagen na de mondelinge behandeling een gewijzigde planning aan alle bewoners te doen toekomen. Daarmee weten de bewoners wanneer hun woning aan de beurt is en dus ook waar zij aan toe zijn.\n\nde proceskosten\n\n4.32.. De bewoners zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten betalen).\n\n4.33.. De proceskosten van Woonwaard worden in de zaak 26-25 begroot op:\n\nkosten van de dagvaarding € [nummer 10] ,09\n\ngriffierecht € 139,00\n\nsalaris gemachtigde (tarief € 1. [nummer 10] ,00) € 1. [nummer 10] ,00\n\nnakosten € 144,00 +(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal: € 1.591,09\n\n4.34.. De proceskosten van Woonwaard worden in de zaak 26-43 begroot op:\n\nkosten van de dagvaarding € 185,32\n\ngriffierecht € 139,00\n\nsalaris gemachtigde (tarief € 1. [nummer 10] ,00) € 1. [nummer 10] ,00\n\nnakosten € 144,00 +(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal: € 1.622,32\n\n4.35.. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hieronder vermeld.\n\nhoofdelijkheid\n\n4.36.. \n\nDe veroordeling wordt, zoals gevraagd in de gevallen waar sprake is van meerdere gedaagden per adres en waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere gedaagde kan worden gedwongen tot medewerking aan het uitvoeren van de werkzaamheden voor zover het zijn of haar gehuurde betreft en ook dat iedere gedaagde kan worden gedwongen tot ontruiming. Verder wordt de hoofdelijkheid eveneens uitgesproken ten aanzien van de proceskosten. Dat betekent dat iedere gedaagde ten aanzien van de proceskosten kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nuitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.37.. Dit vonnis wordt, zoals gevorderd in de zaak 26-25 en 26-43, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat hiertegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin de zaak 26-25\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de werkzaamheden zoals vermeld onder 3.1 in hun woning inclusief aanhorigheden te ( [postcode] ) [plaats] aan [adres] , alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de dringende werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijven om deze veroordeling ten aanzien van hun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.2.. veroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, de woning inclusief aanhorigheden te ( [postcode] ) [plaats] aan [adres] tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden als genoemd onder 5.1, te ontruimen en ontruimd te houden, met alle zich daarin van hen, de hunnen en derden aanwezige personen en zaken, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels aan Woonwaard ter vrije beschikking te stellen van Woonwaard, teneinde Woonwaard in de gelegenheid te stellen om de werkzaamheden als genoemd onder 5.1 uit te (doen laten) voeren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] in gebreke blijven om deze veroordeling ten aanzien van hun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.3.. \n\nveroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.591,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen de kosten van betekening indien [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de zaak 26-43\n\nten aanzien van de woningen gelegen aan de [buurt] met de huisnummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] , [nummer 10] , [nummer 11] , [nummer 12] [nummer 13] , [nummer 14] , [nummer 15] , [nummer 16] , [nummer 17] , [nummer 18] , [nummer 19] , [nummer 20] , [nummer 21] , [nummer 22] , [nummer 23] , [nummer 24] , [nummer 25] , [nummer 26] , [nummer 27] , en de woningen die gedaagde sub 20 ( [gedaagde 20] ) en sub 29 ( [gedaagde 29] ) van Woonwaard huren:5.4.. veroordeelt iedere bewoner afzonderlijk, en hoofdelijk in geval zij gezamenlijk huurder zijn, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de werkzaamheden zoals vermeld onder 3.1 in de woning die hij\u002Fzij van Woonwaard huurt\u002Fhuren, alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de dringende werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij\u002Fzij in gebreke blijft\u002Fblijven om deze veroordeling ten aanzien van zijn\u002Fhaar\u002Fhun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.5.. veroordeelt iedere bewoner afzonderlijk, en hoofdelijk in geval zij gezamenlijk huurder\u002Fbewoner zijn, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis zijn\u002Fhaar\u002Fhun woning die zij van Woonwaard huurt\u002Fhuren tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden als genoemd onder 5.4, te ontruimen en ontruimd te houden, met alle zich daarin van hen, de hunnen en derden aanwezige personen en zaken, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels aan Woonwaard ter vrije beschikking te stellen van Woonwaard, teneinde Woonwaard in de gelegenheid te stellen om de werkzaamheden als genoemd onder 5.4 uit te (doen laten) voeren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat de betreffende bewoner(s) in gebreke blijft\u002Fblijven om deze veroordeling ten aanzien van zijn\u002Fhaar\u002Fhun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.6.. veroordeelt de bewoners hoofdelijk in de proceskosten van € 1.622,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen de kosten van betekening indien de bewoners niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de zaak 26-25 en in de zaak 26-43\n\n5.7.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.\n\n waaronder het verwijderen van cv-installaties, het loskoppelen van gasaansluitingen en de aansluiting op het warmtenet.\n\n Van de in totaal 93 appartementen betreft deze zaak 30 appartementen.\n\n Artikel 7:220 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:220 lid 2 BW.\n\n Rapportages van 8 december 2025 en 9 januari 2026, onder meer onder 3.0: “De stadsverwarming moet worden gezien als de nieuwe cv-ketel, maar dan gevoed vanuit het warmtenet van HVC in plaats van de gasleiding van Liander. Omdat het gebouw zelf niet wordt aangepast zal de energiebehoefte in de woningen niet veranderen.”.\n\n Vgl. ECLI:NL:RBNHO:2024:11673.\n\n Tot 2030 moet ongeveer 50% en 4000 woningen aangesloten zijn op het warmtenet van HVC.\n\n Wijkuitvoeringsplan [plaats] [wijk] en [buurt] .\n\n Aanvankelijk werd deze subdoelstelling niet gehaald. Inmiddels worden gemiddeld 1.660 woningen per jaar van het gas gehaald.\n\n Volgens het Wijkuitvoeringsplan is aansluiting op een warmtenet de goedkoopste aardgasvrije optie, waarbij ook de belasting van het elektriciteitsnet minder is dan bij een warmtepomp.\n\n Besluit minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (RVO) van 4 augustus 2020.\n\n De totale kosten voor aansluiting op het warmtenet per woning bedragen op dit moment ongeveer € 11.182,29 exclusief btw.\n\n Vgl. emailbericht Hemubo van 25 februari 2026 waarin de kosten per woning worden begroot op € 1.769,78 per woning.\n\n Zoals het aanbrengen van roosters of sleuven in de vensterbanken en een aanvullende isolatie met PUR isolatieschuim in het plafond van de parkeergarage.\n\n Dat wil zeggen een onderzoek per afzonderlijke woning.\n\n In artikel 7:204 BW en verder.\n\n Volgens het Nationaal Programma Landelijke Warmtetransitie zal de verwachte kostenstijging voor warmtenetten in de toekomst lager zijn dan de kosten voor gas of een warmtepomp.\n\n In de toekomst te vervangen door de Wet collectieve warmte.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3806","2026-04-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.317Z",{"id":144,"ecli":145,"slug":146,"caseNumber":43,"courtId":147,"decisionDate":148,"fullText":149,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":151,"parsedAt":50,"updatedAt":152},"1780","ECLI:NL:RBOBR:2026:2011","ecli-nl-rbobr-2026-2011",77,"2026-04-02T00:00:00.000Z","RECHTBANKOOST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Eindhoven\n\nZaaknummer: 11410150 \\ CV EXPL 24-8279\n\nVonnis van 2 april 2026\n\nin de zaak van\n\nGEMEENTE EINDHOVEN,\n\nte Eindhoven,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: “de gemeente”,\n\ngemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: “ [gedaagde] ”,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. Waar gaat deze zaak over?\n\n1.1.. De gemeente Eindhoven (hierna: de gemeente) is eigenaar van het Afwaterings-kanaal in Eindhoven, dat een uitloper is van het Beatrixkanaal. Aan weerszijden van het Afwateringskanaal ligt industrieterrein \"De Hurk\". Op het industrieterrein voorziet het (onherroepelijke) omgevingsplan in de mogelijkheid van de vestiging van zware industrie, dat wil zeggen bedrijven die vallen in categorie 5.2. Direct langs het Afwateringskanaal zijn bedrijven toegestaan in categorie 4.2., waarvoor een richtafstand geldt van normaliter 300 meter tot gevoelige bestemmingen zoals woningen en woonboten.\n\n1.2.. \n\nIn het Afwateringskanaal liggen 10 woonboten op ligplaatsen die van de gemeente\n\nwerden gehuurd. De gemeente wil De Hurk behouden als industrieterrein. Het is het enige\n\nindustrieterrein in Eindhoven waar zware industrie is toegestaan. Om te voorkomen dat\n\nbedrijven op het industrieterrein met beperkingen te maken zouden krijgen en om een\n\ngoed woon- en leefklimaat voor haar inwoners te borgen, heeft de gemeenteraad van\n\nEindhoven een bestemmingsplan vastgesteld op grond waarvan de woonboten planologisch gezien niet meer zijn toegestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep van de woonbootbewoners tegen dit bestemmingsplan ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nIn de loop van de jaren zijn veel gesprekken gevoerd, maar de gemeente en de woonbootbewoners kwamen niet dichter bij elkaar. De woonbootbewoners willen hun ligplaatsen behouden, maar de gemeente wilde de ligplaatsen beëindigen.\n\nDaarnaast is ook gesproken over een financiële vergoeding bij het beëindigen van de huurovereenkomsten. De gemeente was - en is - bereid om de woonbootbewoners financieel tegemoet te komen, maar niet zo ver als de bewoners willen. Omdat partijen hierover geen overeenstemming konden bereiken, heeft de gemeenteraad kaders vastgesteld op grond waarvan de woonbootbewoners een vergoeding kunnen krijgen. Deze kaders van de gemeenteraad zijn tussen partijen bekend komen te staan als het 'Scenario 3+'.\n\n1.4.. De gemeente heeft op 14 december 2023 de huurovereenkomsten met de woonbootbewoners opgezegd per 1 juli 2024. Daarbij heeft de gemeente de ontruiming aangezegd per 1 juli 2028. Vanaf 1 januari 2024 mogen de woonbootbewoners hun ligplaats ‘om niet’ (gratis) blijven gebruiken en hebben zij voldoende tijd om alternatieve woonruimte of een alternatieve ligplaats te zoeken. In de opzeggingsbrief heeft de gemeente de woonbootbewoners Scenario 3+ als vergoeding aangeboden.\n\n1.5.. \n\n [gedaagde] is een van de huurders van een ligplaats met wie de gemeente geen\n\novereenstemming heeft bereikt. [gedaagde] en de andere woonbootbewoners zijn het niet eens met het feit dat de gemeente hun huur wil beëindigen.\n\n1.6.. Om duidelijkheid te verkrijgen over de rechtmatigheid van haar huuropzegging en om tijdige ontruiming van de ligplaatsen zeker te stellen, start de gemeente deze procedure.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties (genummerd 1 t\u002Fm 8), - de conclusie van antwoord met producties (genummerd A t\u002Fm J), - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het aanvullend verweer van [gedaagde] , ingekomen op 12 november 2025 met producties (genummerd 1 t\u002Fm 4),\n\n- de akte overlegging nadere productie (genummerd 9) aan de zijde van de gemeente,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026, gezamenlijk met alle andere procedures van de gemeente tegen de overige woonbootbewoners.\n\nAlle partijen, waaronder ook [gedaagde] , hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\nDe gemachtigde van de gemeente en de gemachtigden van de overige woonbootbewoners, hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.\n\n2.3.. Aan het einde van de mondeling behandeling is gezegd dat op 26 maart 2026 een vonnis zal komen. Deze datum is wegens werk gerelateerde omstandigheden niet gehaald. Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.\n\n3. De relevante feiten\n\n3.1.. \n\nDe gemeente heeft op 1 maart 1992 een huurovereenkomst gesloten met [gedaagde] , op\n\ngrond waarvan [gedaagde] een ligplaats voor een woonboot huurt met het adres [adres]\n\n te [plaats] . De aanvangshuurprijs was fl. 50.- per maand.\n\nDe huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, met een opzegtermijn van zes\n\nmaanden. In de overeenkomst is bepaald dat, indien de gemeente besluit tot beëindiging\n\nvan de huurovereenkomst, de huurder geen recht heeft op schadevergoeding of het ter\n\nbeschikking stellen van een andere ligplaats.\n\n3.2.. \n\nAanvankelijk waren de woonboten planologisch niet geregeld. Het bestemmingsplan \"De Hurk\" uit 1988 kende aan het perceel de bestemming \"Overwegend industrie\" toe. Vanaf 2012 is de gemeente doende geweest om een bestemmingsplan op te stellen op grond waarvan de woonboten zouden moeten verdwijnen. In januari 2013 is een voorontwerpbestemmingsplan gepubliceerd dat daarin voorziet. Wonen op De Hurk vond de gemeenteraad om twee redenen onwenselijk. In de eerste plaats is er geen sprake van een goed en veilig woonmilieu en in de tweede plaats heeft het toestaan van wonen consequenties voor de bedrijfsvoering van bestaande en nieuwe bedrijven op De Hurk.\n\nUiteindelijk heeft de gemeenteraad op 19 december 2017 een bestemmingsplan\n\nvastgesteld dat (net als het voorafgaande plan De Hurk 1988) niet voorzag in een positieve\n\nbestemming van de woonboten. Daarbij ging de gemeenteraad ervan uit dat de\n\nwoonboten niet legaal aanwezig waren, aangezien ze in het voorafgaande bestemmingsplan ook niet positief waren bestemd.\n\n3.3.. Op 1 januari 2018 is de Wet verduidelijking voorschriften woonboten (Wvvw) in werking getreden. Onderdeel van die wet was het toevoegen van artikel 8.2a aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarin woonboten per 1 januari 2018 gelijkgesteld worden met een bouwwerk, waarvoor in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning was verleend.\n\n3.4.. \n\nBij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 februari 2020 is het beroep tegen voornoemd bestemmingsplan van een aantal van de woonbootbewoners gegrond verklaard. De Afdeling oordeelde dat de gemeenteraad rekening had moeten houden met de inwerkingtreding van de Wvvw per\n\n1 januari 2018.\n\nDe gemeenteraad moest gelet hierop een nieuwe afweging maken, waarin betrokken werd dat de woonboten legaal aanwezig waren.\n\nDe nieuwe afweging leidde voor de woonbootbewoners niet tot een beter resultaat. Bij\n\nbesluit van de gemeenteraad is op 22 juni 2021 het bestemmingsplan \"II Bedrijventerrein\n\nDe Hurk-Croy (reparatie)\" vastgesteld. In dit bestemmingsplan is ter plaatse van de\n\nwoonboten de bestemming \"water\" aan gronden toegekend. Daarbij hoort de volgende\n\nbestemmingsomschrijving:\n\n“6.1 Bestemmingsomschrijving\n\nDe voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. oppervlaktewateren, zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en\n\nandere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen;\n\n(...)\n\n6.3. \n\nSpecifieke gebruiksregels\n\nTot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 6.1 wordt in ieder geval gerekend:\n\na. het aanleggen van woonschepen”.\n\nOp grond van dit bestemmingsplan zijn woonboten ter plaatse dus niet meer toegestaan.\n\n3.5.. Een aantal woonbootbewoners is wederom een procedure gestart bij de Afdeling. Bij uitspraak van 31 mei 2023 heeft de Afdeling het beroep van de bewoners ongegrond verklaard. De Afdeling overwoog onder meer:\n\n“3.3. (...) De raad heeft, samengevat weergegeven, onderzocht op welke wijze de gronden\n\ndie door de woonboten worden gebruikt zouden kunnen worden bestemd en de raad heeft daarbij gekeken naar de vraag of ter plaatse van de woonboten een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Gelet op het \"Onderzoek woon- en leefklimaat Woonschepen Afwateringskanaal Eindhoven\" van adviesbureau [A] van 16 december 2020, dat in opdracht van de raad is uitgevoerd, kan ter plaatse van de woonboten geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. In dat onderzoek is niet alleen de feitelijke situatie van het woon- en leefklimaat voor de woonbootbewoners in beeld gebracht. Ook is onderzocht wat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat zijn van de planologische mogelijkheden voor bedrijven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad terecht niet volstaan met uitsluitend een beoordeling van de feitelijke situatie, maar is ook beoordeeld wat de gevolgen voor het\n\nwoon- en leefklimaat van de woonbootbewoners zijn bij benutting van de planologische\n\nmogelijkheden voor bedrijven.\n\n3.4.. \n\nMede gelet op het onder 3.3. genoemde onderzoek heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling de ligplaatsen voor de woonboten onder het algemeen overgangsrecht mogen brengen. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het behoud van De Hurk als middelzwaar bedrijventerrein en met het oog daarop het behoud van de planologische ruimte die het plan voor bedrijven biedt, niet samen kunnen gaan met het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonboten. Het standpunt van [appellant sub 2] en anderen dat in de feitelijke situatie wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, is, wat daar van zij, niet van doorslaggevend belang, omdat de raad bij de afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is uitgegaan van de planologische mogelijkheden van het onherroepelijke bestemmingplan en dat gelet op de door de raad gegeven motivering ook mocht doen. De raad heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat het positief bestemmen van de ligplaatsen ertoe zou leiden dat het karakter van een deel van het bedrijventerrein verschuift van middelzware tot zware bedrijvigheid naar lichte(re) bedrijvigheid. Dit zou raken aan de rechten die de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven ontlenen aan de in het bestemmingsplan \"Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017\" opgenomen bestemming ‘Bedrijventerrein -1’.\n\nDe Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan\n\nonvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de woonbootbewoners.\n\nDaartoe overweegt de Afdeling dat de raad in het Commissie advies van 30 maart 2021,\n\ndat deel uitmaakt van de bijlagen van de plantoelichting, heeft aangegeven de beëindiging van de woonsituatie te willen combineren met een (ruimhartige) uitkoopregeling voor de woonbootbewoners. Bij het besluit tot vaststelling van het reparatieplan heeft de raad in een separaat besluit neergelegd dat er een uitkoopregeling moet komen, in samenspraak met de bewoners. Anders dan [appellant sub 1] stelt, is de raad dus niet voorbijgegaan aan de financiële belangen van de woonbootbewoners, want naast dat is besloten om de ligplaatsen onder het algemeen overgangsrecht te brengen is er ook besloten om te komen tot een uitkoopregeling met de woonbootbewoners. Dat de verdere inhoud en uitvoering van de uitkoopregeling nog niet tot overeenstemming heeft geleid valt weliswaar te betreuren, maar raakt niet de rechtmatigheid van het vastgestelde reparatieplan.\n\n3.5.. \n\nNaar het oordeel van de Afdeling heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het\n\ngebruik van de ligplaatsen op termijn zal worden beëindigd.”\n\n3.6.. De eerste contacten tussen de gemeente en de woonbootbewoners over het beëindigen van de ligplaatsen stammen uit 2012, toen het eerste voorontwerp van een bestemmingsplan op grond waarvan de ligplaatsen zouden moeten verdwijnen ter inspraak werd gepubliceerd. De bewoners dienden zienswijzen in omdat zij het niet eens waren met het verdwijnen van de ligplaatsen en omdat zij compensatie wilden voor de waarde-vermindering van hun woonboten. De waarde van een woonboot hangt namelijk af van de vraag of er ook een ligplaats is waar de boot mag liggen. Een woonboot zonder ligplaats heeft weinig waarde. Omdat partijen hierover geen overeenstemming konden bereiken, heeft de gemeenteraad kaders vastgesteld op grond waarvan de woonbootbewoners een vergoeding kunnen krijgen. Deze kaders van de gemeenteraad zijn tussen partijen bekend komen te staan als het 'Scenario 3+'.\n\n3.7.. Scenario 3+ houdt het volgende in:\n\n- De gemeente is bereid de woonboten van de bewoners te kopen tegen de vrije\n\nverkoopwaarde van de woonboot, waarbij de fictie wordt gehanteerd dat elders\n\neen ligplaats beschikbaar is. Deze fictie is nodig omdat een boot zonder ligplaats\n\nveelal geen waarde heeft. De gemeente betaalt minimaal € 20.000,- per boot;\n\nAls alternatief is de gemeente bereid om de verplaatsingskosten van een woonboot binnen een straal van 100 kilometer om Eindhoven te betalen, waarbij de vergoeding niet hoger kan zijn dan de waarde van de boot;\n\nDe gemeente neemt de kosten voor haar rekening van het in de oorspronkelijke\n\nstaat terugbrengen van de kade;\n\nDe gemeente is bereid om de bewoners voortgezet gebruik van de ligplaatsen aan te bieden tot 1 juli 2028, om de bewoners voldoende tijd te geven alternatieve woonruimte of een alternatieve ligplaats te zoeken;\n\nDe gemeente biedt desgewenst op individuele basis hulp bij het zoeken van alternatieve woonruimte.\n\nDe woonbootbewoners zijn niet akkoord gegaan met dit voorstel. De gemeente heeft nog geprobeerd door de inzet van een onafhankelijke intermediair tot een oplossing te komen, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid.\n\n [gedaagde] heeft niet meegewerkt aan een taxatie van de woonboot door de gemeente.\n\n3.8.. \n\nNadat gesprekken over het Scenario 3+ niet tot een regeling hebben geleid, heeft de\n\ngemeente op 14 december 2023 de huurovereenkomst met [gedaagde] opgezegd per 1 juli 2024. Daarbij heeft de gemeente de ontruiming aangezegd per 1 juli 2028.\n\nVanaf 1 januari 2024 mag [gedaagde] de ligplaats ‘om niet’ (gratis) blijven gebruiken, zodat hij voldoende tijd heeft om alternatieve woonruimte of een alternatieve ligplaats te zoeken. In de opzeggingsbrief heeft de gemeente haar aanbod conform Scenario 3+ gestand gedaan.\n\n3.9.. Op 2 oktober 2023 heeft [gedaagde] de gemeente geïnformeerd dat hij niet zal instemmen met de voorgestelde uitkoopregeling. Vervolgens heeft gedaagde op 14 januari 2024 bestuursrechtelijk bezwaar gemaakt tegen de huuropzegging. De gemeente heeft het bezwaar bij brief van 22 januari 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat tegen de huuropzegging geen bezwaar open staat. [gedaagde] heeft hiertegen beroep ingesteld, maar dit beroep is bij uitspraak van de sector bestuursrecht van rechtbank Oost-Brabant van 27 september 2024 ongegrond verklaard.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\nDe gemeente vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair\n\nA. voor recht verklaart dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde] is geëindigd per 1 juli 2024;\n\nB. [gedaagde] veroordeelt de ligplaats aan het adres [adres] te [plaats] uiterlijk per 1 juli 2028 te ontruimen met al het zijne en de zijnen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de ligplaats niet is ontruimd, met een maximum van € 50.000,-, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom;\n\nSubsidiair\n\nC. het tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomst eindigt;\n\neen en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.\n\n4.2.. \n\n [gedaagde] voert verweer en verzoekt tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente.\n\nHij voert - samengevat - als verweer aan dat hij al sinds 1972 een ligplaats huurt en op zijn woonboot woont aan de [adres] . Sinds 1992 heeft hij een huurcontract met de gemeente. [gedaagde] heeft zelf de kade ingericht en onderhouden en is alle verplichtingen volgend uit de huurovereenkomst tot op heden nagekomen.\n\nIn de 53 jaar dat hij er woont is er geen voorbeeld bekend waar een bedrijf in zijn (maximale) mogelijkheden is belemmerd of gehinderd. Het woon-en leefklimaat is voor de woonbootbewoners geen probleem, wel zou er een verbetering kunnen komen door technische creaties om het woonmilieu te verbeteren wat is algemene zin niet best is in Eindhoven. Er is geen enkele poging ondernomen om problemen die er min of meer zijn op te lossen met hulpmiddelen\n\nMet de aangetekende brief van 14 december 2023, waarin de huur van de ligplaats door de gemeente is opgezegd, maakt de gemeente misbruik van haar machtspositie, aldus [gedaagde] .\n\nVoor de gemeente is er geen spoedeisend belang of zwaarwegend belang, want de gemeente wil alleen de kade terugbrengen in de oorspronkelijke toestand, grasveld.\n\nVoor [gedaagde] daarentegen is zijn belang, woonruimte in een overspannen woonmarkt met een zoektijd van 8 jaar, groot. Hij heeft broze gezondheid, heeft hart- en longproblemen en kanker waar begin februari 2025 bestralingen voor werden uitgevoerd. Daarbij komt dat de oude woonboot (monument) van [gedaagde] zonder ligplaats weinig waard is. Hierdoor zullen zijn woonkosten en medische kosten niet meer betaalbaar zijn, wanneer hij gedwongen wordt om na 53 jaar elders een leefplaats te vinden en te betrekken.\n\nEr is ook geen sprake van behoorlijk bestuur. Er zou een mogelijke ligplaats elders gevonden zijn, waarop vervolgens niets meer van de gemeente is vernomen. Verder is het Scenario 3+ compensatievoorstel zonder overleg door de gemeenteraad vastgesteld, terwijl dit in samenspraak gemaakt zou worden.\n\n [gedaagde] voert verder aan dat de Wet huurbescherming ligplaats van toepassing is. Daarmee is ook de ligplaats van zijn woonboot woonruimte geworden en is volgens hem huur-bescherming van kracht op de combinatie woonboot (object ) en de ligplaats. Deze wet is bij aanname gebaseerd op onderzoek naar de waarde van een ligplaats, ongeveer € 200.000,--. [gedaagde] verwijst daarbij naar het rapport van bureau [B] , genaamd “Vaste grond onder de voeten” van 10 april 2022, wat een analyse geeft van de rechtspositie van de ligplaatsen van de woonboten in De Hurk.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. \n\n [gedaagde] heeft aan het begin van de mondelinge behandeling aan de kantonrechter de vraag voorgelegd of dit wel een civiele zaak is. Hij is namelijk van mening dat dit niet het geval is.\n\nDe kantonrechter stelt daarom voorop dat zij bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen. De bevoegdheid van de burgerlijke rechter is geregeld in artikel 112 Grondwet.\n\nKort gezegd is de civiele rechter bevoegd in \"geschillen die [...] uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan\".\n\nEr bestaat in dit geval ook geen aanleiding om de gemeente niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren. Het oordeel van de bestuursrechter kan wel invloed hebben op het inhoudelijke oordeel van de burgerlijke rechter.\n\nHuurbeëindiging rechtsgeldig?\n\n5.2.. De vraag die allereerst voorligt is of de gemeente in de gegeven omstandigheden tot huurbeëindiging van de ligplaats van [gedaagde] kon komen.\n\n5.3.. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] sinds 1 maart 1992 een ligplaats van de gemeente huurt op basis van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, met een opzegtermijn van zes maanden. In de huurovereenkomst is bepaald dat wanneer de gemeente besluit tot beëindiging van de huurovereenkomst, [gedaagde] geen recht heeft op schadevergoeding of het ter beschikking stellen van een andere ligplaats.\n\nWettelijk toetsingskader5.4.. \n\n [gedaagde] kan geen beroep doen op de wetsbepalingen die huurders van woonruimte of huurders van bedrijfsruimte beschermen, omdat die wetsbepalingen niet van toepassing zijn op huurovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 juli 2022 waarbij een ligplaats voor een woonboot wordt gehuurd.\n\nOf de huuropzegging wel of niet aangetekend is verstuurd, doet daarom niet ter zake, want de (dwingendrechtelijke) bepaling van artikel 7:281 lid 4 BW is niet van toepassing op de huurovereenkomst van partijen.\n\nVast staat dat de gemeente op 14 december 2023 de huurovereenkomst met [gedaagde] schriftelijk heeft opgezegd per 1 juli 2024 en dat deze opzegging [gedaagde] ook heeft bereikt.\n\n5.5.. \n\nVorenstaande heeft tot gevolg dat de kantonrechter op grond van de wetniet hoeft te toetsen of er sprake is van een zwaarwegend belang, want [gedaagde] heeft - als huurder van een ligplaats van een woonboot - geen huurbescherming. Dat had hij ook niet toen de huurovereenkomst werd aangegaan, daarin is dus niets veranderd.\n\nDit betekent dat de huurovereenkomst in beginsel zonder reden opgezegd kan worden en dat een voldoende zwaarwegende grond door de gemeente dus niet aangevoerd hoeft te worden.\n\nRedelijkheid en billijkheid5.6.. \n\n [gedaagde] stelt dat de gemeente geen spoedeisend belang of zwaarwegend belang heeft voor de huuropzegging van zijn ligplaats, want de gemeente wil enkel de kade terugbrengen in de oorspronkelijke toestand, grasveld, terwijl hij wel een zwaarwegend woon- en financieel belang heeft.\n\nDe kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] daarmee een beroep doet op artikel 6:248 lid 2 BW in die zin dat [gedaagde] van mening is dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gemeente de huurovereenkomst heeft opgezegd.\n\nDat is niet snel het geval en de kantonrechter oordeelt ook in deze concrete situatie dat het woon- en financiële belang van [gedaagde] niet maakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gemeente de huurovereenkomst van de ligplaats heeft opgezegd.\n\nDaarbij overweegt de kantonrechter het volgende.\n\n5.6.1.. \n\nDe gemeente is eigenaar van de ligplaats en eigendom is een sterk recht dat niet makkelijk beperkt kan en mag worden. Ook heeft de gemeente gemotiveerde en onderbouwde gronden voor de opzegging aangevoerd.\n\nDe gemeente heeft in de inleidende dagvaarding (in randnummer 39 en verder) toegelicht dat zij een zwaarwegend belang heeft voor opzegging, waarbij zij verwijst naar het rapport van [A] van 16 december 2020, waarin is geconcludeerd dat geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de woonbootbewoners. Immers, de ligplaatsen van de woonboten liggen op circa 20 meter van gronden waar zware industriebedrijven zijn toegestaan, terwijl de richtafstand van risicovolle inrichtingen 300 meter is. De Hurk is het laatste bedrijventerrein in Eindhoven waar zware industrie is toegestaan.\n\nDe stelling van [gedaagde] dat het woon-en leefklimaat voor de woonbootbewoners geen probleem is en dat er in de 53 jaar dat hij er woont geen voorbeeld bekend is waar een bedrijf in zijn (maximale) mogelijkheden is belemmerd of gehinderd, kan zo zijn, maar dat doet niet af aan het belang en de wens van de gemeente om (de mogelijkheid van vestiging of uitbreiding van) zware industrie toe te staan en daarmee werkgelegenheid in de maakindustrie te behouden.\n\nHierbij is mede van belang dat in de procedure van de wijziging van het bestemmingsplan de belangen van de woonbootbewoners, waaronder dus ook het belang van [gedaagde] , door de gemeenteraad uitvoerig is meegewogen. Verder heeft de Afdeling het ingestelde beroep van de woonboot-bewoners tegen wijziging van het bestemmingsplan ongegrond verklaard, ondanks dat de woonbootbewoners ook al in die procedure hebben gesteld dat de feitelijke situatie voor de woonbootbewoners wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is, althans dat dit kan worden gegarandeerd.\n\n5.6.2.. \n\nVoor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gemeente de huurovereenkomst heeft opgezegd, zonder daarbij rekening te houden met de financiële- en de woonbelangen van [gedaagde] en zonder dat hij wordt gecompenseerd in zijn vermogensverlies, wijst de kantonrechter er op dat de gemeente Scenario 3+ aan de woonbootbewoners aanbiedt (dat uit gemeenschapsgeld moet worden gefinancierd) en hen een ruime ontruimingstermijn gunt. De gemeente houdt dus wel degelijk rekening met de financiële belangen en de woonbelangen van [gedaagde] .\n\nHet klopt dat [gedaagde] geen andere ligplaats is aangeboden, maar die is in de gemeente Eindhoven (vooralsnog?) niet voorhanden. Het klopt ook dat [gedaagde] zonder ligplaats, waar zijn woonboot ligt, geen plek heeft om te wonen. De kantonrechter ziet dat woonbelang, maar dit is geen belang dat door de wet wordt beschermd, zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.4. is overwogen.\n\n [gedaagde] heeft ook terecht aangevoerd dat hij een financieel belang heeft. Zijn woonboot (monument) wordt minder waard als de huur eindigt en hij geen andere ligplaats kan vinden. Zijn woonkosten zullen ook (aanzienlijk) stijgen wanneer hij na 53 jaar elders een leefplaats moet vinden en betrekken.\n\nDaarbij moet echter niet uit het oog verloren worden dat [gedaagde] de ligplaats huurt en dus geen eigenaar is van de ligplaats. Hij heeft dus geen recht gekregen op vergoeding van de waarde van de ligplaats. Ook was het [gedaagde] vanaf het begin van de huurrelatie duidelijk dat hij geen huurbescherming had, althans dat had hij moeten zijn, want in de huurovereenkomst is bepaald dat wanneer de gemeente besluit tot beëindiging van de huurovereenkomst, [gedaagde] geen recht heeft op schadevergoeding of het ter beschikking stellen van een andere ligplaats. Het risico dat zijn woonboot minder waard wordt als de huur eindigt en hij geen andere ligplaats kan vinden, heeft dus altijd bestaan en komt voor rekening en risico van [gedaagde] .\n\nNaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid hoeft de gemeente niet meer aan te bieden dan Scenario 3+. Daarmee is voldoende aan de belangen van [gedaagde] tegemoetgekomen.\n\nAlgemene beginselen van behoorlijk bestuur5.7.. \n\n [gedaagde] is van mening dat de gemeente met de vordering zoals zij die nu aan de kantonrechter voorlegt, handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat het Scenario 3+ compensatievoorstel zonder overleg door de gemeenteraad is vastgesteld, terwijl dit in samenspraak gemaakt zou worden.\n\nDe kantonrechter oordeelt dat de gemeente niet handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij overweegt hij het volgende.\n\n5.7.1.. \n\nZoals hiervoor reeds overwogen, was de huuropzegging van de ligplaats van [gedaagde] toegestaan. Op grond van wet- of regelgeving hoeft de opzegging ook niet gepaard te gaan met het aanbieden van een uitkoopregeling.\n\nDe gemeente heeft, voordat zij het Scenario 3+ voorstel voor de woonbootbewoners heeft vastgesteld, met de woonbootbewoners gecorrespondeerd en overleg gevoerd over de hoogte van een vergoeding. Dat heeft niet tot overeenstemming geleid, omdat de verschillen te groot waren. De gemeente heeft Scenario 3+ tot uitgangspunt genomen, terwijl de woonbootbewoners Scenario 4willen.\n\nHierdoor is het overleg in een impasse geraakt en heeft de gemeenteraad uiteindelijk de knoop doorgehakt en Scenario 3+ als uitkoopregeling aangeboden. Dat mag, want “in samenspraak” betekent “in overleg”. Om uit de impasse te komen is de gemeente vervolgens overgegaan tot huuropzegging.\n\n5.7.2.. \n\nDe kantonrechter is - gelet op het hierna door de Afdeling gemelde Commissie advies van 30 maart 2021 - echter wel van oordeel dat de gemeente in strijd zou handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als zij de woonbootbewoners géén uitkoopregeling aanbiedt.\n\nBij uitspraak van 31 mei 2023 heeft de Afdeling hierover namelijk het volgende overwogen:\n\n“3.1. (…) Volgens de raadis de totstandkoming van een uitkoopregeling geen vereiste om de ligplaatsen voor woonboten onder het algemeen overgangsrecht te brengen, maaronderdeel van het proces om tot beëindiging van de bewoning van de woonboten te komen.\n\n(…)3.4. (…). \n\n (…) De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de woonbootbewoners.\n\nDaartoe overweegt de Afdeling datde raad in het Commissie advies van 30 maart 2021,\n\ndat deel uitmaakt van de bijlagen van de plantoelichting,heeft aangegeven de beëindiging van de woonsituatie te willen combineren met een (ruimhartige) uitkoopregeling voor de woonbootbewoners. Bij het besluit tot vaststelling van het reparatieplan heeft de raad in een separaat besluit neergelegd dat er een uitkoopregeling moet komen, in samenspraak met de bewoners. Anders dan [appellant sub 1] stelt, is de raad dus niet voorbijgegaan aan de financiële belangen van de woonbootbewoners, want naast dat is besloten om de ligplaatsen onder het algemeen overgangsrecht te brengen is er ook besloten om te komen tot een uitkoopregeling met de woonbootbewoners. Dat de verdere inhoud en uitvoering van de uitkoopregeling nog niet tot overeenstemming heeft geleid valt weliswaar te betreuren, maar raakt niet de rechtmatigheid van het vastgestelde reparatieplan”.\n\nDus dát er een uitkoopregeling moet komen, is in een raadsbesluit vastgelegd en dit is dus niet vrijblijvend.\n\n5.7.3.. Nu de gemeente tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat zij bij huur-beëindiging in onderling overleg, nog steeds onvoorwaardelijk bereid is om Scenario 3+ gestand te doen is dat - gelet op de hiervoor besproken concrete omstandigheden van de woonbootbewoners - voldoende om te spreken van een ruimhartige uitkoopregeling.\n\n5.7.4.. \n\nVoor zover [gedaagde] in dit verband een beroep doet op het rapport van [B] van\n\n10 april 2022, waarin voorbeelden van ‘succesvolle uitkoopregelingen’ worden besproken, waarbij vermogensverlies werd gecompenseerd aan de betrokken woonbooteigenaren analoog aan de gebruikelijke onteigeningsmethodiek, oordeelt de kantonrechter dat deze voorbeelden niet vergelijkbaar zijn met de situatie in Eindhoven. Immers, de gemeente is eigenaar van de ligplaats en de woonbootbewoners zijn huurders. Naar analogie van onteigening zou dus aan de eigenaar de waarde van de ligplaats toekomen en niet aan de huurder.\n\n5.7.5.. Slotsom is dat de gemeente, doordat zij Scenario 3+ heeft aangeboden en nog steeds onvoorwaardelijk bereid is om Scenario 3+ gestand te doen bij huurbeëindiging in onderling overleg met [gedaagde] , niet handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Evenmin is er sprake van misbruik van opzeggingsbevoegdheid van de gemeente.\n\nGevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot ontruiming toewijsbaar\n\n5.8.. De conclusie is dat de gemeente in de gegeven omstandigheden kon overgaan tot huurbeëindiging van de ligplaats van [gedaagde] en dat de primair gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde] is geëindigd per 1 juli 2024, toewijsbaar is.\n\n5.9.. Eveneens toewijsbaar is de vordering van de gemeente om [gedaagde] te veroordelen de ligplaats aan het adres [adres] te [plaats] uiterlijk per 1 juli 2028 te ontruimen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de ligplaats niet is ontruimd, met een maximum van € 50.000,-.\n\n5.10.. Omdat het primair gevorderde wordt toegewezen, behoeft het subsidiair gevorderde geen bespreking meer.\n\nProceskostenveroordeling\n\n5.11.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n135,97\n\n- griffierecht\n\n€\n\n130,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n434,00\n\n(2 punten × € 217,00)\n\nTotaal\n\n€\n\n699,97\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n6.1.. verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde] is geëindigd per 1 juli 2024,\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] om de ligplaats aan het adres [adres] te [plaats] uiterlijk per 1 juli 2028 te ontruimen met al het zijne en de zijnen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de ligplaats niet is ontruimd, met een maximum van € 50.000,-,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 699,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\n6.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.\n\n De onderstreping is ter verduidelijking aangebracht door de kantonrechter.\n\n Zie ECLI:NL:RVS:2023:2119.\n\n Ter verduidelijking merkt de kantonrechter op dat de Afdeling met de aanduiding ‘raad’ de gemeenteraad van Eindhoven bedoeld.\n\n Naar analogie van Hoge Raad 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3880 en Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9556, ligt het voor de hand dat, indien de bestuursrechter reeds heeft geoordeeld, de burgerlijke rechter zich aan dat oordeel zal conformeren.\n\nPer 1 juli 2022 is de Wet verbeteren huurbescherming voor huurders van ligplaatsen (hierna: de Wet) in werking getreden. Op grond van artikel 208ec Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek zijn de bepalingen van deze wetswijziging pas twee jaar na inwerkingtreding van toepassing op overeenkomsten tot verhuur van ligplaatsen die zijn gesloten vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet. De bepalingen gaan voor die overeenkomsten dus in vanaf 1 juli 2024. De huurovereenkomst tussen de gemeente en gedaagde was echter al door opzegging geëindigd op 1 juli 2024.\n\n Zie productie 6 bij inleidende dagvaarding.\n\n In Scenario 4 zou de uitkoopregeling inhouden dat de vergoeding dusdanig diende te zijn\n\ndat woonbootbewoners een middenklaswoning in Eindhoven kunnen kopen. Zie hiervoor de notitie van de gemeenteraad van 11 oktober 2021, productie 10 bij conclusie van antwoord.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2011","2026-03-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.427Z",{"id":154,"ecli":155,"slug":156,"caseNumber":43,"courtId":157,"decisionDate":158,"fullText":159,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":161,"parsedAt":50,"updatedAt":162},"1848","ECLI:NL:GHDHA:2026:468","ecli-nl-ghdha-2026-468",58,"2026-03-31T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.357.918\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11447058 \\ CV EXPL 24-4000\n\nArrest van 31 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant 1] ,\n\n2. [appellant 2] ,\n\nbeiden wonende te [woonplaats] ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. A.C. Mens, te Hoofddorp,\n\ntegen\n\n1. WOONSTICHTING STEK,\n\ngevestigd te Hillegom,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon, te Rotterdam.\n\nHet hof noemt partijen hierna [appellant 1] , [appellant 2] of gezamenlijk [appellant 1] c.s. enerzijds en Stek anderzijds.1. De zaak in het kort1.1. Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of [appellant 1] c.s. de huurovereenkomst met Stek mag voortzetten. De kantonrechter heeft geoordeeld dat van het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de inmiddels overleden huurder geen sprake was en heeft [appellant 1] c.s. veroordeeld tot ontruiming van de huurwoning. Het hof komt tot hetzelfde oordeel en concludeert daarnaast dat [appellant 1] c.s. niet de vereiste huisvestingsvergunning heeft. Anders dan de kantonrechter, verklaart het hof de ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad. Stek kan dus niet ontruimen zolang er nog een rechtsmiddel open staat of is aangewend.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 31 juli 2025 met grieven en bijlagen, tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring, waarmee [appellant 1] c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Leiden) van 25 juni 2025 (het bestreden vonnis);\n\nde conclusie van antwoord in het incident van 26 augustus 2025;\n\nde e-mail van 8 september 2025 tot intrekking van de vordering in het incident;\n\nde memorie van antwoord van 21 oktober 2025 met bijlagen.3. Feitelijke achtergrond3.1. Tussen (de rechtsvoorganger van) Stek en de heer [naam] (hierna: [naam] ) is per 1 juli 2003 een huurovereenkomst tot stand gekomen ten aanzien van de woning aan de [woonplaats] (hierna: de woning).3.2. Uit de basisregistratie blijkt dat [appellant 1] c.s. op het adres van de woning staan ingeschreven.3.3. Op 28 juli 2024 is [naam] overleden. Hij verbleef op dat moment in Marokko.3.4. Op 25 september 2024 heeft de dochter van [naam] (tevens erfgenaam) de huurovereenkomst namens de erfgenamen opgezegd tegen 25 oktober 2024. De huuropzegging is op diezelfde dag bevestigd door Stek. Daarbij heeft Stek aangegeven dat op 26 september 2024 de voorinspectie en op 25 oktober 2024 de eindinspectie zal plaatsvinden.3.5. Op 26 september 2024 bracht Stek een bezoek aan de woning in verband met de (aangekondigde) voorinspectie. De woning is geïnspecteerd op twee afgesloten slaapkamers na. Dat zijn de kamers waarvan [appellant 1] en [appellant 2] gebruik maken. De erven van [naam] hebben aan Stek verklaard [appellant 1] en [appellant 2] niet te kennen.3.6. De gemachtigde van [appellant 1] c.s. heeft in een brief van 8 oktober 2024 aan Stek bericht dat [appellant 1] c.s. de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 BW voortzetten en niet aan de ontruiming van de woning zullen meewerken. Op 25 oktober 2024 heeft geen eindinspectie en oplevering van de huurwoning plaatsgevonden.4. Procedure bij de rechtbank4.1. \n [appellant 1] c.s. hebben Stek gedagvaard en gevorderd dat de kantonrechter bepaalt dat zij de huurovereenkomst met betrekking tot de woning met Stek mogen voortzetten. Stek heeft verweer gevoerd. Verder heeft Stek in reconventie gevorderd dat [appellant 1] c.s. worden veroordeeld tot ontruiming van de woning, uitvoerbaar bij voorraad.4.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 25 juni 2025 de vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen en hen in reconventie veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [appellant 1] c.s. zijn in de kosten van het geding veroordeeld.4.3. De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2025 de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis geschorst totdat in hoger beroep op de op artikel 7:268 lid 2 BW gebaseerde vordering van [appellant 1] c.s. is beslist.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. \n [appellant 1] c.s. vorderen dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de beslissing op hun conventionele vordering om het huurrecht met betrekking tot de woning voort te zetten aan te houden nadat getuigen zijn gehoord en het hof in deze procedure arrest heeft gewezen. Bij incident hebben zij gevorderd dat het hof de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de veroordeling tot ontruiming van de woning schorst totdat onherroepelijk op hun conventionele vorderingen is beslist. Doordat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2025 al is geschorst hebben zij die incidentele vordering weer ingetrokken.5.2. Stek concludeert dat het hof het hoger beroep van [appellant 1] c.s. ongegrond verklaart en het bestreden vonnis bekrachtigt, met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de proceskosten in hoger beroep.6. Beoordeling in hoger beroepOnvoldoende gesteld voor duurzame gemeenschappelijke huishouding6.1. De vordering van appellanten in hoger beroep strekt strikt genomen niet tot toewijzing van de in eerste aanleg geformuleerde vorderingen van [appellant 1] c.s. , maar strekt ertoe dat iedere beslissing wordt aangehouden totdat getuigen zijn gehoord. Feitelijk is de vordering niets anders dan een bewijsaanbod. Zonder handhaving van de in eerste aanleg geformuleerde vordering bestaat daarbij geen belang. Omdat Stek er kennelijk ook vanuit gaat dat de vordering uit eerste aanleg ondanks de tekst van het petitum is gehandhaafd, zal het hof daar ook van uitgaan.6.2. Volgens [appellant 1] c.s. woont [appellant 2] al meer dan 20 jaar en [appellant 1] al bijna 12 jaar met [naam] in de woning. Volgens hen was er sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding omdat zij [naam] hielpen met het huishouden, zij de kosten daarvan deelden en zij [naam] hielpen met zijn gezondheidsklachten. Stek betwist dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.6.3. Het hof overweegt dat een persoon die in de woonruimte hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad op grond van artikel 7:268 lid 2 BW de huur voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder, en ook daarna als de rechter dit heeft bepaald op een vordering van die persoon, ingediend binnen de termijn van zes maanden en in elk geval zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist. Die persoon moet aan de volgende voorwaarden voldoen om de huur te mogen voortzetten: a) hij moet zijn hoofdverblijf in de woning hebben en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd; b) hij moet voldoende waarborg bieden voor de betaling van de huur, en c) als het gaat om een woning waarvoor op grond van de gemeentelijke Huisvestingsverordening een huisvestingsvergunning nodig is, moet hij in de procedure een huisvestingsvergunning over (kunnen) leggen. De rechter moet de vordering om voortzetting van de huur afwijzen als niet aan (een van) deze drie voorwaarden is voldaan (artikel 7:268 lid 3 BW).6.4. Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant 1] c.s. samen met [naam] in de woning woonden en daar hun hoofdverblijf hadden. Dat betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of zij met hem een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden. Bij die beoordeling moeten volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd, waarbij mede van belang kan zijn of de overleden huurder en degene die aanspraak maakt op voortzetting van de huur gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van de huisvesting of de kosten van levensonderhoud, alsmede of die andere persoon de verzorging van de huurder duurzaam op zich heeft genomen.Degene die een beroep doet op een gemeenschappelijke huishouding heeft een verzwaarde stelplicht.Als de verhuurder betwist dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, dan moet de samenwoner voldoende concrete feiten over de gestelde gemeenschappelijke huishouding aanvoeren om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies moet richten. Daarbij geldt dat naarmate de verhuurder concreter is in het betwisten van een gemeenschappelijke huishouding, de samenwoner concreter moet zijn in zijn stellingen dat wel sprake is van een gemeenschappelijke huishouding.6.5. Doordat [appellant 1] c.s. zich op het standpunt stellen dat zij een gemeenschappelijke huishouding hadden met [naam] , rust op hen dus een verzwaarde stelplicht. Met hun eerste grief stellen [appellant 1] c.s. dat zij daar aan de hand van bankafschriften en drie verklaringen van getuigen aan hebben voldaan en dat zij verder alleen door middel van getuigenbewijs de gemeenschappelijke huishouding kunnen bewijzen. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] c.s. niet aan hun verzwaarde stelplicht hebben voldaan en licht dat toe als volgt.6.6. Uit de door [appellant 1] c.s. overgelegde bankafschriften blijkt dat zij aan [naam] maandelijks een bedrag overmaakten. Volgens hen was dat voor de huur en energielasten en hebben zij alle overige kosten voor de huishouding voldaan. Uit de bankafschriften blijkt echter niet dat zij gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van levensonderhoud en huisvesting. In eerste aanleg heeft Stek dat reeds gemotiveerd betwist, door erop te wijzen dat er alleen kosten voor boodschappen uit blijken, maar dat die kosten geenszins de kosten voor drie volwassen mannen dekken. Ondanks die specifieke betwisting van Stek en de overweging van de kantonrechter dat de bankafschriften niet getuigen van een gemeenschappelijke huishouding, hebben [appellant 1] c.s. ook in dit hoger beroep geen concrete feiten en\u002Fof omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat er wel degelijk sprake was van een gemeenschappelijke huishouding.6.7. Ook uit de door hen overgelegde verklaringen blijken geen concrete feiten waaruit het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding kan worden afgeleid. Daartoe overweegt het hof dat het voor buitenstaanders in het algemeen lastig zal zijn om wetenschap te hebben van de huishouding waar zij zelf geen deel van uitmaken. Waarom deze getuigen daar wel specifiek over kunnen verklaren blijkt niet uit de verklaringen en is door [appellant 1] c.s. ook niet toegelicht. Die verklaringen zijn volledig identiek, in algemene bewoordingen opgesteld en niet voorzien van enige feiten en\u002Fof omstandigheden waaruit blijkt dat de ondertekenaars daadwerkelijk op de hoogte waren van de gestelde samenwoning, en waarop die verklaringen op zijn gebaseerd. Die verklaringen zijn aldus onvoldoende concreet om als onderbouwing van een gemeenschappelijke huishouding te dienen, laat staan dat ze iets zeggen over de duurzaamheid daarvan. Ook bij de duurzaamheid van de samenwoning zijn namelijk de nodige vragen te stellen: [appellant 1] en [appellant 2] zijn beiden gehuwd en hebben niet verklaard waarom zij desondanks een duurzame huishouding met een ander voeren. Daarnaast heeft Stek onbetwist en onderbouwd gesteld dat [appellant 1] met zijn echtgenote Mabruk en hun vier kinderen ingeschreven staan als woningzoekende en dat hij reageert op het woningaanbod.6.8. In hoger beroep hebben [appellant 1] c.s. niets over de verzorging van (de gezondheidsklachten van) [naam] aangevoerd. Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat de gemeenschappelijke huishouding uit die verzorging blijkt, komt het hof tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter. Tegenover de gemotiveerde betwisting van Stek dat [naam] in december 2023 al naar Marokko is vertrokken toen hij ziek werd en [appellant 1] c.s. hem dus niet hoefden te verzorgen hebben zij immers ook geen feiten en\u002Fof omstandigheden aangevoerd.6.9. Daarom komt het hof tot het oordeel dat [appellant 1] c.s. hun stelling dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met [naam] ook in hoger beroep onvoldoende concreet hebben onderbouwd. Dat betekent dat het hof niet aan bewijslevering toekomt, zodat het bewijsaanbod van [appellant 1] c.s. om enkele getuigen te horen wordt verworpen. Het hof wijst de vordering tot voortzetting van de huur van de woning door [appellant 1] c.s. dan ook af. Daarmee is het hof dus ook van oordeel dat [appellant 1] c.s. geen recht of titel hebben om in de woning te blijven en laat het de veroordeling tot ontruiming in stand. Aangezien de grieven 1, 3 en 4 van [appellant 1] c.s. uitgaan van het standpunt dat [appellant 1] c.s. in de woning mogen blijven, liggen die grieven voor afwijzing gereed. Ten aanzien van grief 4 voegt het hof daar het volgende aan toe. Zoals hierna zal blijken, is grief 2 terecht voorgesteld. Dat heeft echter geen gevolgen voor de conclusie dat [appellant 1] c.s. in eerste aanleg de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij waren, zodat zij terecht in de kosten zijn veroordeeld.6.10. \n\nHet hof overweegt nog het volgende. Stek heeft al in eerste aanleg gesteld dat voor de woning een huisvestingsvergunning nodig is en dat [appellant 1] c.s. deze niet hebben overgelegd. [appellant 1] c.s. hebben dat niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Op grond van artikel 7:268 lid 3 BW moet de vordering (ook) worden afgewezen indien [appellant 1] c.s. die huisvestingsvergunning niet overleggen. Zij hebben dat niet gedaan. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof ook bij het slagen van de grieven de vordering op deze grond zou moeten afwijzen.\n\nGeen grondslag voor uitvoerbaar bij voorraad verklaring bestreden vonnis6.11. De kantonrechter heeft de reconventionele vordering tot ontruiming toegewezen met de motivering dat niets zich daartegen verzet. Met hun tweede grief komen [appellant 1] c.s. op tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de ontruiming van de woning in het vonnis. Volgens hen is dat in strijd met artikel 7:268 lid 2 BW. Volgens Stek verzet dat artikel zich niet tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de ontruiming en voor zover dat wel het geval zou zijn, dan maken [appellant 1] c.s. volgens haar misbruik van recht.6.12. Het hof overweegt dat artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat een samenwoner de huur voortzet zolang op zijn daartoe strekkende vordering niet onherroepelijk is beslist. Anders dan Stek stelt, volgt uit dat artikel dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een tegenvordering tot ontruiming van de woning in beginsel is uitgesloten. Van dit - in de jurisprudentie bevestigde - wettelijke uitgangspunt kan (bij uitzondering) worden afgeweken indien wordt vastgesteld dat er sprake is van misbruik van recht door de huurder.6.13. Volgens Stek maken [appellant 1] c.s. misbruik van recht, omdat de vordering van [appellant 1] c.s. geen reële kans van slagen heeft en zij een groot belang heeft bij de door haar gevraagde ontruiming. Het hof overweegt dat van misbruik van recht sprake kan zijn als de eisende partij zijn vordering baseert op feiten of omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Dat moet terughoudend worden beoordeeld.6.14. Zoals hiervoor is overwogen is tussen partijen niet in geschil dat [appellant 1] c.s. hun hoofdverblijf in de woning hebben. Verder hebben [appellant 1] c.s. aan de hand van de bankafschriften onderbouwd dat zij aan [naam] maandelijks een bedrag voor de huur en energielasten hebben overgemaakt. [appellant 1] c.s. hebben hun vordering in zoverre dus niet op onjuiste feiten gebaseerd. Hoewel het hof van oordeel is dat [appellant 1] c.s. hun stelling dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding onvoldoende concreet hebben onderbouwd, betekent dat niet dat zij hadden moeten begrijpen dat hun vordering geen enkele kans van slagen had. Mede in het licht van de terughoudende toets, is het hof dan ook van oordeel dat [appellant 1] c.s. met hun vordering geen misbruik van recht maken. Dat betekent dat de tweede grief van [appellant 1] c.s. met betrekking tot de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de ontruiming van de woning slaagt. Conclusie en proceskosten6.15. De conclusie is dat de grieven 1, 3 en 4 van [appellant 1] c.s. niet slagen en grief 2 slaagt voor zover deze op de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling tot ontruiming van de woning ziet. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen voor zover het die uitvoerbaar bij voorraad verklaring betreft en voor het overige bekrachtigen.6.16. \n\nHet hof zal [appellant 1] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Stek op:\n\ngriffierecht € 827,- salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.306,-6.17. \n [appellant 1] c.s. hebben het incident pas ingetrokken nadat Stek een antwoordakte had genomen. Stek heeft dus wel een proceshandeling in het incident verricht. Die akte heeft zich echter beperkt tot twee korte alinea’s, omdat de voorzieningenrechter reeds de uitvoerbaar bij voorraadverklaring had geschorst. Gelet op de intrekking zal het hof [appellant 1] c.s. veroordelen in de kosten van het incident, maar die kosten aan de zijde van Stek begroten op nihil.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het bestreden vonnis voor zover de veroordeling tot ontruiming van de woning uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;\n\nen in zoverre opnieuw recht doende:\n\nwijst de reconventionele vordering tot uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling tot ontruiming af;\n\nbekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;\n\nwijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;\n\nveroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van Stek begroot op nihil;\n\nveroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Stek begroot op € 2.306,-;\n\nbepaalt dat als [appellant 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant 1] c.s. de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.H.J. Doornink, mr. J.J. van der Helm en mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n Vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:804, r.o. 3.2.2.\n\n HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1901, NJ1996\u002F181.\n\n Hof Den Haag 19 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:974. Hof Amsterdam 19 maart 2024,\n\nECLI:NL:GHAMS:2024:684.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:468","2026-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.911Z",13,20,[11,166,167,168],2025,2024,2021]