[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-immigration-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":197},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":40,"total":195,"page":14,"limit":196},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},146,"immigration-law-nl","Immigration Law","NL","2026-07-08T16:58:36.005Z",2026,[13,16,18,21,22,24,27,30,32,34,36,38],{"month":14,"count":15},1,4,{"month":17,"count":17},2,{"month":19,"count":20},3,0,{"month":15,"count":19},{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":26},6,28,{"month":28,"count":29},7,26,{"month":31,"count":20},8,{"month":33,"count":20},9,{"month":35,"count":20},10,{"month":37,"count":20},11,{"month":39,"count":20},12,[41,54,63,71,79,86,94,102,110,117,124,131,138,145,152,159,166,173,181,188],{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"305","ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","ecli-nl-rbdha-2026-18719","",65,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62090\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam], eiseres,geboren op [geboortedatum], van Oekraïense nationaliteit, V-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eiseres geen bescherming te bieden als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming(hierna: RTB). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft de Oekraïense nationaliteit. Zij heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de RTB. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat eiseres niet in aanmerking komt hiervoor. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening.Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\n3. De minister vindt dat eiseres niet onder de RTB valt. De minister is er niet van overtuigd dat eiseres door de oorlog ontheemd is geraakt oftewel gedwongen haar woonplek moest verlaten. Eiseres stelt voor het eerst uit Oekraïne te zijn vertrokken op 23 september 2024. Volgens de minister heeft eiseres echter niet kunnen aantonen dat zij voor haar vertrek in Oekraïne heeft gewoond. Ook uit het overgelegde paspoort dat is afgegeven op 20 augustus 2024 kan niet worden opgemaakt hoe lang en of eiseres duurzaam in Oekraïne heeft verbleven. In dit geval is er een recent uitgegeven paspoort en een uitreisstempel vlak daarna (23 september 2024). Daarom is er volgens de minister additioneel bewijs nodig waarmee aangetoond kan worden dat eiseres in de periode voorafgaand aan de uitgifte van haar paspoort duurzaam in Oekraïne heeft geleefd. Hierbij wordt er beoordeeld vanaf de periode 27 november 2021tot de uitgiftedatum van het paspoort van eiseres op 20 augustus 2024. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet heeft aangetoond en dus niet behoort tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland.Het beroep van eiseres\n\n4. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet onder de RTB valt. Eiseres vindt dat dat de minister een te strenge eis hanteert door van haar te verlangen dat zij over de gehele periode moet aantonen dat zij in Oekraïne verbleef. Eiseres stelt dat de minister een geloofwaardigheidstoets als bedoeld in WI2024\u002F6zou moeten verrichten. Volgens eiseres hoeft zij op grond van WI 2025\u002F6enkel aannemelijk te maken dat het feitelijke centrum van haar leven in Oekraïne was. Eiseres stelt dat ze verschillende bewijzen heeft overgelegd en dat de bewijslast daarom nu niet meer bij haar, maar bij de minister ligt. De minister moet aantonen dat eiseres niet in Oekraïne woonde.Toetsingskader\n\n5. De RTB biedt minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming bij massale toestroom van ontheemden.Uit de Richtlijn volgt dat het begrip ‘ontheemde’ van toepassing is op iemand die zijn land of regio van oorsprong heeft moeten verlaten als gevolg van – voor zover in eiseres geval relevant – een gewapend conflict.Door de inval van Rusland in Oekraïne op 24 februari 2022 werd de Europese Unie geconfronteerd met een groeiende toestroom van Oekraïense burgers en derdelanders die op dat moment al dan niet legaal in Oekraïne verbleven. De Raad van de Europese Unie heeft daarom in een Uitvoeringsbesluitvan 4 maart 2022 besloten de RTB toe te passen op ontheemden uit Oekraïne. Uit het Uitvoeringsbesluit blijkt dat Oekraïense onderdanen die voor 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven tijdelijke bescherming moeten krijgen.Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheidom die bescherming uit te breiden door te bepalen dat ook tijdelijke bescherming wordt toegekend aan Oekraïners die Oekraïne na 26 november 2021 zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Unie zijn gereisd. De uitwerking van deze keuze is opgenomen in artikel 3.9a van het VV.Oekraïners die vóór 27 november 2021 elders in Europaverbleven vallen niet onder de Richtlijn.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n6. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres een Oekraïense onderdaan is. Geschilpunt is of zij voor haar vertrek duurzaam in Oekraïne verbleef en of zij als ontheemde als bedoeld in de RTB kan worden aangemerkt. Meer concreet ligt ter beoordeling voor of eiseres haar duurzame verblijf in Oekraïne voldoende heeft bewezen.Geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. De rechtbank overweegt dat eiseres haar gronden met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in het kader van het Unierecht en WI 2024\u002F6 niet opgaan, nu deze zaak niet de asielaanvraag van eiseres behandelt. Het ‘voordeel van de twijfel’ in het licht van de geloofwaardigheidsbeoordeling is dan ook niet aan de orde. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat het begrip voordeel van de twijfel ook een rol speelt bij de omkering van de bewijslast. Daar gaat de rechtbank hierna op in.Bewijslast\n\n8. Zoals uit het hiervoor opgenomen toetsingskader volgt, is de RTB alleen van toepassing op ontheemden. Om als ontheemde in de zin van de RTB te kunnen worden aangemerkt, moet kunnen worden vastgesteld dat eiseres in een bepaalde periode haar hoofdverblijf in Oekraïne had. Tussen partijen staat niet er discussie dat de bewijslast bij eiseres ligt. Eiseres vindt dat zij haar duurzaam verblijf in Oekraïne aannemelijk heeft gemaakt en dat de bewijslast daarom is omgekeerd en de minister het tegendeel moet bewijzen. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt of heeft aangetoond. Volgens de minister geldt het strengere criterium van ‘aantonen’. De minister leidt dit af uit het feit dat het onder de RTB, gelet op de grote toestroom van ontheemden onder de RTB, niet de bedoeling is een uitgebreide individuele beoordeling te maken. De minister verwijst in dit kader ook naar de preambule van het Uitvoeringsbesluit.Eiseres is het met de minister eens dat het onder de RTB niet de bedoeling is een uitgebreide individuele toets te maken, maar betoogt in dat kader dat als dat toch noodzakelijk wordt geacht, zoals hier, dat dan de bewijslast omkeert en bij de minister ligt. Uit de door de minister aangehaalde passage in de preambule volgt volgens eiseres niet dat het criterium ‘aantonen’ van toepassing is, omdat deze overweging op derdelanders ziet.\n\n8.1.. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiseres met haar verklaringen en bewijsstukken niet heeft aangetoond dat zij Oekraïne niet vóór 27 november 2021 heeft verlaten en zij heeft ook niet kunnen aantonen dat zij vóór 23 september 2024 - de datum waarop zij stelt te zijn vertrokken uit Oekraïne - duurzaam in Oekraïne heeft gewoond. De minister heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd, waarom de door eiseres overgelegde bewijsstukken onvoldoende zijn. Zoals de minister terecht heeft overwogen, zien maar een paar van de bewijsstukken op het verblijf in Oekraïne in de periode tussen 27 november 2021 en 20 augustus 2024 (datum afgifte paspoort) of 23 september 2024 (datum van vertrek). De bonnen van pintransacties, foto’s, de verklaring van eiseres haar broer en de overige stukken zijn onvoldoende, om vast te stellen dat eiseres duurzaam in Oekraïne verbleef. Bovendien kan met de afgifte van eiseres haar paspoort op 20 augustus 2024, enkel vastgesteld worden dat zij toen haar paspoort in ontvangst heeft genomen, maar niet dat zij toen duurzaam in Oekraïne verbleef.\n\n8.2.. Nu eiseres onvoldoende bewijs heeft aangeleverd, is het niet relevant of zij haar duurzame verblijf in Oekraïne vóór 27 november 2021 moest aantonen of aannemelijk maken. Aan beide criteria heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij haar duurzaam verblijf aannemelijk heeft gemaakt of een begin van bewijs heeft geleverd, waardoor de bewijslast niet langer op haar, maar op de minister rust.8.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden besloten dat eiseres niet onder de RTB valt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt ook het griffierecht niet terug en geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001, betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n NL25.16846.\n\n De door de IND vastgestelde peildatum die volgt uit WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn tijdelijke bescherming.\n\n Artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Werkinstructie.\n\n WI 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.\n\n Artikel 1 van de RTB.\n\n Artikel 2, onder c, van de RTB.\n\n Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.\n\n Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit.\n\n het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Buiten Nederland, zie artikel 3.9a, eerste lid onder b van het VV.\n\n Zie overweging 12.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.584Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"818","ECLI:NL:RBDHA:2026:18692","ecli-nl-rbdha-2026-18692",56,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35737\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)\n\n(gemachtigde: mr. I. van Es).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig.Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser heeft afgezien van zijn recht om gehoord te worden en heeft dit via zijn gemachtigde laten weten. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich met een bericht afgemeld voor de zitting.\n\nOverwegingen\n\n3. Eiser heeft de Griekse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1979.\n\n4. Eiser voert aan dat de vreemdelingrechtelijke staandehouding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond ten tijde van de staandehouding. Hiermee is ook de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig.\n\n4.1.. Volgens paragraaf A2\u002F2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) mag een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- en omgevingsgegevens worden aangenomen als sprake is van aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie of aanwijzingen die door de politie zijn verkregen bij de controle van persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van politietaken.\n\n4.2.. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 26 juni 2026 blijkt dat eiser door de verbalisant ambtshalve werd herkend, omdat hij de afgelopen jaren veelvoudig met eiser in contact is gekomen. Bovendien heeft de verbalisant op 17 juni 2026 een e-mail ontvangen waarin hij erop werd geattendeerd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Nadat de verbalisant eiser op 26 juni 2026 om 14:30 uur zag lopen heeft hij eiser op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf staande gehouden en contact opgenomen met de vreemdelingenpolitie. Het voorgaande is volledig opgenomen in het proces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kan worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18692","2026-07-13T00:28:49.595Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":70},"913","ECLI:NL:RBDHA:2026:18537","ecli-nl-rbdha-2026-18537","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.4117\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. B.D. Lit),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).\n\nInleiding\n\n1.1.. Met een tussenuitspraak van 10 december 2025 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit met betrekking tot de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRMte herstellen.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, gelet op de gebreken die zijn geconstateerd in de tussenuitspraak. De rechtbank laat de rechtsgevolgen echter in stand, omdat verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dus terecht afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.\n\n2.2.. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, vastgesteld dat verweerder de belangenafweging niet zorgvuldig heeft gemaakt en daarmee het bestreden besluit van 11 januari 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd.\n\n2.3.. Verweerder heeft op 20 januari 2026 een aanvullend besluit genomen op het bestreden besluit van 11 januari 2024. Verweerder heeft in dit besluit een nieuwe belangenafweging gemaakt, met inachtneming van de tussenuitspraak.\n\n2.4.. Eiseres heeft op 16 februari 2026 schriftelijk een zienswijze ingediend over de wijze waarop het gebrek is hersteld.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen op 9 april 2026 laten weten een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over het jongvolwassenenbeleid af te wachten. De Afdeling heeft op 27 mei 2026 drie uitspraken gedaan over dit onderwerp.De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op deze uitspraken. Eiseres heeft op 24 juni 2026 gereageerd. Verweerder heeft niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.1.. De rechtbank beoordeelt of verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen.\n\n3.2.. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen.De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.\n\n3.3.. Eiseres voert aan dat verweerder met het aanvullende besluit van 20 januari 2026 nog steeds niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Eiseres voert daartoe het volgende aan.\n\nEerste toelating\n\n4.1.. Eiseres wijst allereerst op overweging 3.4 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de factor dat eiseres nooit eerder rechtmatig verblijf heeft gehad wel mag meenemen in de belangenafweging, maar dat deze factor niet in het nadeel van eiseres mag wegen. Volgens eiseres heeft verweerder in het aanvullende besluit echter wel in haar nadeel gewogen dat zij nooit in Nederland heeft gewoond. Verweerder heeft namelijk meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal is, dat zij daar bezig is met haar studie en dat nergens uit blijkt dat het voor de uitoefening van het gezinsleven noodzakelijk is dat zij hier in Nederland onder één dak woont, of dat er een specifieke afhankelijkheid is waarom eiseres niet zonder haar ouders kan. Verweerder heeft ook meegenomen dat eiseres geen banden heeft met Nederland, omdat zij daar nooit heeft gewoond.\n\n4.2.. De rechtbank volgt hierin eiseres niet. In overweging 3.4ging het er om dat de omstandigheid dat sprake is van een eerste toelating niet als factor op zichzelf in het nadeel van een betrokkene mag meewegen in de belangenafweging. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft die omstandigheid neutraal meegewogen, zo heeft verweerder dat gesteld op pagina 3 van het aanvullende besluit:\n\n‘U hebt nog nooit een verblijfsvergunning in Nederland gehad. Het gaat in dit geval om een eerste toelating. Rekening houdend met rechtsoverweging 3.4 van de tussenuitspraak weeg ik in deze belangenafweging neutraal mee dat het gaat om een eerste toelating.’\n\nVerweerder heeft verder de omstandigheid dat eiseres nooit in Nederland heeft gewoond alleen meegenomen om te bepalen hoeveel gewicht er toekomt aan andere belangen. De rechtbank kan deze beoordeling van verweerder volgen.\n\nOmstandigheden van het jongvolwassenenbeleid\n\n5.1.. Eiseres wijst verder op overweging 3.5 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de omstandigheid dat eiseres valt onder het jongvolwassenenbeleid is betrokken in de belangenafweging. Volgens eiseres heeft verweerder nog steeds nagelaten om in positieve zin mee te wegen dat het zijn van een jongvolwassene inhoudt dat er nog altijd een sterke afhankelijkheid bestaat ten opzichte van de ouders.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit voorop gesteld dat eiseres als jongvolwassene wordt gezien. Verweerder heeft verder de omstandigheden op grond waarvan verweerder tot de conclusie is gekomen dat eiseres valt onder het jongvolwassenenbeleid expliciet genoemd, namelijk dat eiseres ten tijde van de aanvraag nog bij haar ouders woonde, dat zij na vertrek van haar vader naar Nederland bij haar moeder en broertje heeft gewoond en dat zij geen eigen inkomen had en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Uit het aanvullende besluit volgt ook dat verweerder in het voordeel van eiseres heeft gewogen dat sprake is van familieleven. Verweerder heeft echter beoordeeld hoe sterk het familieleven is, en in dat kader heeft verweerder overwogen dat aan het familieleven tussen een jongvolwassene en diens ouders minder gewicht toekomt dan aan het familieleven van een kerngezinslid en diens ouders. Verweerder heeft in dat kader ook overwogen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont en bezig is met haar studie, en dat het de verwachting bij een jongvolwassene is dat deze op korte termijn zelfstandig zal worden.\n\n5.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit het aanvullende besluit blijkt dat verweerder de omstandigheden die tot de toepassing van het jongvolwassenenbeleid hebben geleid, expliciet en voldoende heeft betrokken in de belangenafweging. Verweerder heeft deze omstandigheden echter ook meegenomen bij de weging van hoe sterk het familielieven is, en in dat kader heeft verweerder een ander gewicht toegekend aan die omstandigheden dan eiseres zou wensen. Dat maakt echter nog niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd.\n\n5.4.. Dat verweerder in de belangenafweging dezelfde feiten en omstandigheden moet betrekken (en dat in dit geval dus ook heeft gedaan) als in de beoordeling of familieleven bestaat, staat namelijk los van de vraag welk gewicht hij aan de belangen moet toekennen. De context en inhoudelijke beoordeling verschillen immers.Weliswaar impliceert de toepasselijkheid van het jongvolwassenenbeleid dat de jongvolwassene in enige mate afhankelijk is van zijn ouders, maar dat betekent niet dat aan die afhankelijkheid in de belangenafweging zonder meer een zodanig zwaar gewicht moet worden toegekend, dat alleen al daarom de belangenafweging in het voordeel van betrokkenen zou moeten uitvallen.Er is sprake van twee beoordelingskaders waarbij de weging van de feiten kan verschillen. Dit brengt met zich dat verweerder in de belangenafweging ook rekening mag houden met bijvoorbeeld de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling ten tijde van het bestreden besluit zelfstandig functioneert.De rechtbank volgt eiseres dus niet in haar standpunt dat verweerder de omstandigheden van het jongvolwassenenbeleid in positieve zin had moeten meewegen.\n\nOmstandigheden ten tijde van de aanvraag\n\n6.1.. Eiseres wijst op overweging 3.6 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de belangenafweging moet worden gemaakt op basis van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Volgens eiseres wijdt verweerder echter een te groot deel van het aanvullende besluit aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden ver na het moment van de aanvraag. Zo heeft verweerder meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont en bezig is met haar studie. Volgens eiseres heeft verweerder verder nagelaten inzichtelijk mee te nemen dat eiseres ten tijde van de aanvraag net achttien jaar oud was.\n\n6.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit vooropgesteld dat de belangenafweging is gemaakt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Verweerder heeft daarbij genoemd dat eiseres ten tijde van de aanvraag achttien jaar oud was en dat zij als jongvolwassene wordt gezien. De rechtbank is van oordeel dat hieruit duidelijk blijkt dat verweerder is uitgegaan van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag en dat eiseres net achttien jaar oud was. Verweerder heeft echter, voor de weging van het familieleven, meegenomen dat eiseres op dit moment studeert en dat zij al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit mogen doen. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt namelijk dat verweerder in de belangenafweging rekening mag houden met de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling of referent inmiddels zelfstandig functioneert. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat verweerder een te groot deel van het aanvullende besluit heeft gewijd aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden ver na het moment van de aanvraag.\n\nRestrictief toelatingsbeleid\n\n7.1.. Eiseres wijst op de volgende overweging van verweerder uit het aanvullende besluit: ‘Mijn conclusie is dat, alles samengenomen, uw belang om familieleven uit te oefenen in Nederland niet opweegt tegen het algemeen belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.’\n\nVolgens eiseres miskent verweerder hiermee dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid geen op zichzelf staand belang is, maar een middel om een ander belang te bevorderen, zoals het economisch belang.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid onderdeel is van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin, en dat dit op meer ziet dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas. In de overweging van verweerder die eiseres heeft geciteerd, heeft verweerder wel alleen het restrictief toelatingsbeleid genoemd als algemeen belang. Uit het aanvullende besluit blijkt echter verder dat verweerder ook andere belangen van de Nederlandse overheid heeft genoemd, namelijk het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden van anderen en de volksgezondheid van het land. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit worden opgemaakt dat verweerder niet is uitgegaan van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid als een op zichzelf staand belang. Dat verweerder alleen het restrictief toelatingsbeleid heeft genoemd in de overweging die eiseres heeft geciteerd, maakt dit niet anders.\n\nEconomisch belang\n\n8.1.. Eiseres voert aan dat het aanvullende besluit niet voldoet aan het door de Afdeling geformuleerde toetsingskader in de uitspraken van 27 mei 2026. Verweerder heeft ten onrechte een categorische weging van het economisch belang gedaan en volstaat met algemene, abstracte verwijzingen naar het restrictieve toelatingsbeleid. Verweerder heeft niet kenbaar inzichtelijk gemaakt waarom het economisch belang in dit concrete geval prevaleert boven het gestelde gezinsleven. Verweerder had in dit geval het economisch belang minder zwaar moeten wegen, omdat referent al meer dan vier jaar onafgebroken in Nederland werkzaam is als kok en in het onderhoud van eiseres kan voorzien.\n\n8.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het aanvullende besluit volgt dat verweerder aan eiseres haar beroep op de openbare kas en de oververhitte woningmarkt niet meer heeft tegengeworpen. Verweerder heeft wat dat betreft dus voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak in overweging 3.9. Verweerder heeft verder in de weging van het economisch belang meegenomen dat referent de kosten kan dragen en dat eiseres bij referent kan wonen. Verweerder heeft dit in het voordeel van eiseres gewogen. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder een categorische weging van het economisch belang heeft gedaan. Verweerder heeft de individuele omstandigheden van eiseres betrokken in de weging en heeft deze in haar voordeel gewogen. Verweerder heeft aan die omstandigheden echter niet doorslaggevend gewicht toegekend, zoals eiseres wel zou wensen. Maar dat maakt niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd.\n\n8.3.. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte als negatieve factor de onzekere toekomstige gebeurtenis heeft betrokken dat eiseres als jongvolwassene op korte termijn zelfstandig zou worden. Verweerder heeft nagelaten te waarderen hoe concreet de verwachte zelfstandigheid in het individuele geval van eiseres is. Volgens eiseres had verweerder dit wel moeten doen, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 27 mei 2026.\n\n8.4.. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 27 mei 2026 in het kader van de weging van het economisch belang geoordeeld hoe verweerder om moet gaan met een beroep van een vreemdeling op te verwachten toekomstige ontwikkelingen. Volgens de Afdeling mag verweerder, wanneer een vreemdeling een beroep doet op te verwachten toekomstige ontwikkelingen waarmee hij aan het economisch welzijn van Nederland zal kunnen bijdragen, dat niet alleen afdoen met de overweging dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Verweerder zal deze omstandigheid in zijn beoordeling moeten betrekken en afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe concreet de omstandigheid in het individuele geval is, meer of minder gewicht aan deze omstandigheid mogen toekennen. In het geval van eiseres heeft verweerder de verwachting dat zij op korte termijn zelfstandig zal worden meegenomen in de weging van hoe sterk het familieleven is. In de weging van het economisch belang heeft verweerder niet in het nadeel van eiseres meegenomen dat zij op korte termijn zelfstandig zou worden, maar heeft verweerder juist in haar voordeel betrokken dat referent voor haar de kosten kan dragen en dat zij bij referent kan wonen. De rechtbank kan deze weging volgen, zoals al is geoordeeld in overweging 8.2. Verweerder heeft verder in de weging van hoe sterk het familieleven is wel meegenomen dat eiseres op korte termijn zelfstandig zou worden, maar daar heeft verweerder wel gewaardeerd hoe concreet deze verwachte zelfstandigheid in het individuele geval van eiseres is. Verweerder heeft hier namelijk meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal is en dat zij bezig is met haar studie. De rechtbank kan deze beoordeling van verweerder volgen.\n\nBanden broertje met Nederland\n\n9.1.. Eiseres voert aan dat verweerder in het aanvullende besluit voor het eerst stelt dat haar broertje nog niet veel banden heeft met Nederland en zich nog goed kan aanpassen. Volgens eiseres is dit standpunt gebaseerd op eigen aannames van verweerder en eiseres betwist dit.\n\n9.2.. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder in het aanvullende besluit heeft gesteld dat eiseres niet heeft betwist dat haar broertje ook nog niet zo veel banden heeft met Nederland en dat hij zich goed kan aanpassen aan een nieuwe situatie in Nepal. Verweerder heeft daarom gesteld niet anders te kunnen concluderen dan dat het gezinsleven ook in Nepal kan worden uitgeoefend. Verweerder heeft dit meegenomen bij de weging hoe sterk de banden van het gezin met Nederland is. De rechtbank kan begrijpen dat verweerder dat in dat kader heeft meegenomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10.1.. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn aanvullende besluit het gebrek voldoende hersteld. Verweerder heeft alle feiten en omstandigheden betrokken in de belangenafweging en heeft de belangen op navolgbare wijze in de belangenafweging betrokken. De gemaakte belangenafweging is in zijn algemeenheid een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres om een mvv terecht heeft afgewezen.\n\n10.2.. \n\nOmdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het aanvullende besluit en 0,5 punt voor de reactie na de uitspraken van de Afdeling van\n\n27 mei 2026, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:3046, ECLI:NL:RVS:2026:3048 en ECLI:NL:RVS:2026:3049.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.\n\n En zo blijkt dit ook uit WI 2020\u002F16, waarnaar de rechtbank in overweging 3.4 heeft verwezen.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.3.\n\n Dit heeft de Afdeling zeer recent nog bevestigd in de uitspraken van 27 mei 2026.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.4.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449. Dit heeft de Afdeling ook recentelijk bevestigd in haar uitspraken van 27 mei 2026.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, r.o. 2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18537","2026-07-13T00:28:54.273Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":45,"courtId":75,"decisionDate":67,"fullText":76,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":78},"1725","ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","ecli-nl-rbdha-2026-18570",62,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35733\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. K. Bruin).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 28 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw (Vreemdelingenwet 2000) van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Ophouding\n\nEiser voert ter zitting aan dat hij op de onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat zijn identiteit niet direct kon worden vastgesteld. Na eisers aanhouding is zijn identiteit op het bureau onmiddellijk vastgesteld. Eisers identiteit was daarmee wel bekend bij verweerder. Te meer omdat hij eerder in bewaring is gesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat eisers ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 27 juni 2026 volgt dat eiser ten tijde van zijn staandehouding niet beschikte over identificerende documenten en zich niet onmiddellijk kon legitimeren. In zoverre kon eisers identiteit niet onmiddellijk worden vastgesteld. Dat de verbalisanten na aankomst op het bureau in het kader van het strafrechtelijk voortraject hebben vastgesteld wie eiser is, maakt niet dat zijn identiteit daarmee onmiddellijk kon worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nMaatregel van bewaring\n\n4. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op de grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb zich voordoen.\n\n5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als gronden vermeld dat eiser:\n\na. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h) heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n6. Eiser voert aan dat de gronden van de maatregel in algemene zin onvoldoende zijn gemotiveerd. In de gronden wordt steeds verwezen naar omstandigheden uit 2024 en 2025, terwijl eiser op basis van die omstandigheden in het verleden al in bewaring is gesteld.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarmee kan worden aangenomen dat er een risico bestaat op onderduiken en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Lichter middel\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen bij het opleggen van de maatregel van bewaring en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder niet heeft kunnen volstaan met een lichter middel. De eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring is opgeheven na een belangenafweging en verweerder heeft niet heeft beoordeeld of deze belangen nog actueel zijn.\n\n9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. Eiser heeft ter zitting niet geconcretiseerd welke belangen verweerder anders had moeten betrekken bij deze beoordeling. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.\n\nAmbtshalve toets\n\n10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.Conclusie\n\n11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 6 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","2026-07-13T00:29:35.958Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":67,"fullText":83,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":85},"1520","ECLI:NL:RBDHA:2026:18513","ecli-nl-rbdha-2026-18513","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.29972 en NL26.30215\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam 1], eiseres,\n\nV-nummer: [nummer 1],\n\n(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),\n\nmede namens haar minderjarige kind:\n\n [naam 2]\n\nV-nummer: [nummer 2]\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van beperking van de vrijheid opgelegd,zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 29 mei 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n1.2.. De minister heeft de vrijheidsbeperkende maatregel per 1 juni 2026 beëindigd, vanwege continuering van opvang op het AZC.\n\n1.3.. Eiseres heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 juni 2026 ingetrokken en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres.\n\n1.4.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.\n\nOverwegingen\n\n2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten veroordelen.\n\n3. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487) is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel nadien verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een kostenveroordeling.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het instellen van beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, deze maatregel nog heeft voortbestaan en pas na het indienen van beroep is beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op de mededeling van de minister dat er sprake is van continuering van de opvang op het AZC, sprake van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Voornoemde tegemoetkoming vormt naar het oordeel van de rechtbank grond voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De rechtbank wijst het verzoek om verzoek om vergoeding van de proceskosten toe.\n\n6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten verband houdend met het indienen van een beroepschrift en een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1868,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tigglaar, griffier.\n\nDe uitspraak is bekend gemaakt en openbaar gemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18513","2026-07-13T00:29:25.207Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":45,"courtId":90,"decisionDate":67,"fullText":91,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":93},"1556","ECLI:NL:RBDHA:2026:18516","ecli-nl-rbdha-2026-18516",66,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F2838\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1981, Colombiaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [V-nummer],\n\neiseres,\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. E. de Bonth).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 13 januari 2026 een terugkeerbesluit vastgesteld waarin Colombia als land van terugkeer is aangemerkt en een termijn van 28 dagen voor vrijwillig vertrek is bepaald. Op 16 februari 2026 heeft verweerder een inreisverbod met een duur van 2 jaar uitgevaardigd.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het inreisverbod van 16 februari 2026. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer Awb 26\u002F3260.\n\nVerweerder heeft schriftelijk verweer gevoerd.\n\nDe rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Verweerder heeft uitdrukkelijk toestemming verleend om uitspraak te doen zonder het beroep op zitting te behandelen. Omdat eiseres niet om een zitting heeft gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. Verweerder heeft op 13 januari 2026 bij een uitreiscontrole op luchthaven Schiphol vastgesteld dat eiseres de vrije termijn met 828 dagen heeft overschreden. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien om een terugkeerbesluit vast te stellen en een voornemen tot een inreisverbod uit te brengen met de mededeling dat eiseres na terugkeer in Colombia haar zienswijze mag geven en vervolgens mogelijk een besluit tot het opleggen van een inreisverbod zal ontvangen.\n\n2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het inreisverbod. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij sinds juni 2023 in Spanje heeft verbleven overeenkomstig Spaanse regelgeving en zich in Spanje heeft verloofd met een Zweedse onderdaan. Eiseres had voor haar terugkeer naar Spanje reeds een verblijfsvergunning in Spanje aangevraagd, maar gelet op de duur van de procedure, hebben eiseres en haar verloofde besloten om een verblijfsvergunning voor eiseres in Zweden aan te vragen. Om aan alle voorwaarden hiervoor te voldoen is eiseres, via luchthaven Schiphol, teruggekeerd naar haar land van herkomst en heeft zij, samen met haar Zweedse verloofde, op 19 januari 2026 een gehoor gehad met de Zweedse autoriteiten op de Zweedse ambassade in Bogotá. Eiseres heeft gesteld dat de regelgeving complex is en dat zij altijd de regelgeving waarvan zij weet had, in Spanje heeft gevolgd. Eiseres heeft gedetailleerd en onderbouwd aangegeven dat zij voldeed aan de voorwaarden voor de ‘Spaanse amnestieregeling’ en vindt dat zij daardoor niet formeel ‘irregulier’ was. Ten tijde van het indienen van de beroepsgronden op 19 februari 2026, hebben eiseres en haar verloofde 13 maanden een relatie. De verloofde van eiseres heeft een schriftelijke verklaring overgelegd en waarin hij heeft aangegeven dat eiseres en hij gezamenlijk waren ingeschreven in Spanje maar dat hij inmiddels duurzaam is gevestigd in Zweden, het land waarvan hij een onderdaan is, en dat hij een stabiel en toereikend inkomen heeft. In deze verklaring is ook vermeld dat hij mede-eigenaar is van een onderneming waarin onder meer een restaurant en ‘bed and breakfast’ worden geëxploiteerd. Indien de Zweedse autoriteiten een verblijfsvergunning aan eiseres verlenen, zal zij binnen deze onderneming werkzaamheden gaan verrichten. Eiseres vindt dat een inreisverbod met een duur van 24 maanden zeer ingrijpend en onevenredig is. Eiseres verzoekt de rechtbank in aanmerking te nemen dat zij actief heeft geprobeerd overeenkomstig de regelgeving te handelen door Spanje te verlaten en de aanvraagprocedure via de Zweedse ambassade te volgen en zo heeft geprobeerd om haar situatie te regulariseren.\n\n3. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat terecht aan eiseres een inreisverbod is opgelegd omdat zij op 11 juli 2023 Spanje is ingereisd en de vrije termijn met 828 dagen heeft overschreden, wat is geconstateerd bij de uitreis op luchthaven Schiphol. Verweerder vindt het opleggen van het inreisverbod niet onredelijk of onevenredig omdat dit een sanctie op langdurig illegaal verblijf is en zij gedurende de looptijd van het inreisverbod in haar land van herkomst of elders invulling kan geven aan haar relatie met haar Zweedse partner. Als het inreisverbod de enige belemmering is die aan het verlenen van een verblijfsvergunning door de Zweedse autoriteiten in de weg staat, kunnen de Zweedse autoriteiten de IND hiervan in kennis stellen en dan zal verweerder, conform zijn geldende beleid, de signalering in SIS wissen en ambtshalve nagaan of het inreisverbod moet worden opgeheven.\n\n4. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder op 13 januari 2026 terecht heeft vastgesteld dat sprake is geweest van illegaal verblijf. Dit blijkt namelijk uit de door verweerder overgelegde stukken waaronder een kopie paspoort met een inreisstempel en uit het ontbreken van stukken waaruit blijkt dat eiseres op enig moment na deze inreis in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf in een van de lidstaten. Dat eiseres stelt en meent dat zij overeenkomstig de regels heeft gehandeld, laat onverlet dat zij niet heeft onderbouwd dat zij rechtmatig in Spanje heeft verbleven. Dit betekent dat verweerder in beginsel verplicht was om een terugkeerbesluit te nemen. Verweerder heeft ook terecht vastgesteld dat eiseres de vrije termijn met 828 dagen heeft overschreden. Ook dit blijkt uit de door verweerder overgelegde stukken die door eiseres niet zijn betwist. Gelet op het beleid dat verweerder voert is verweerder gehouden om in deze situatie een inreisverbod uit te vaardigen. De rechtbank overweegt dat beleid waarbij een inreisverbod wordt gehanteerd als sanctie voor illegaal verblijf niet onverenigbaar met het Unierecht is. De rechtbank stelt in aanvulling hierop vast dat eiseres een zeer aanzienlijke periode illegaal in de Unie heeft verbleven. De rechtbank zal evenwel het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.\n\n5. Eiseres heeft geen beroep tegen het terugkeerbesluit ingesteld. De rechtbank is bekend met de Afdelingsjurisprudentie over de omvang van het geding en dat de rechtbank daarom alleen de rechtmatigheid van het besluit waartegen beroep is ingesteld mag controleren. De rechtbank overweegt dat in deze specifieke procedure aanleiding bestaat om die jurisprudentie niet onverkort en niet strikt van toepassing te achten omdat het terugkeerbesluit de grondslag is voor het uitvaardigen van het inreisverbod en deze besluiten dus naar hun aard met elkaar verweven zijn. Ook zonder de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit ten gronde te beoordelen moet namelijk wel worden nagegaan of sprake is van een terugkeerbesluit dat ten grondslag kan liggen aan het in deze procedure te beoordelen inreisverbod.\n\n6. Verweerder is, zoals hiervoor overwogen, in beginsel verplicht om een terugkeerbesluit vast te stellen als sprake is van illegaal verblijf. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres illegaal in Nederlandheeft verbleven. Eiseres is de Unie in 2023 via Spanje ingereisd en is (kennelijk) vanwege een tussenlanding op luchthaven Schiphol bij de uitreis op 13 januari 2026 bevraagd door de KMar. Eiseres heeft zich, gelet op deze feiten, enkel in de transitruimte bevonden en is nimmer toegelaten geweest tot Nederland. Ook in dat geval is verweerder gehouden om na te gaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 genoemde belangen en\u002Fof het beginsel van non-refoulement aan de vaststelling van een terugkeerbesluit en aan de uitvaardiging van een inreisverbod in de weg staan. Het formulier dat is genaamd ‘Gehoor terugkeerbesluit’ volstaat niet om dit onderzoek te verrichten. Op het formulier dat in het dossier is gevoegd, is vermeld ‘voornemenprocedure Spaans’, maar dit voornemen heeft betrekking op het voornemen om een inreisverbod uit te vaardigen. Er wordt immers niet eerst een voornemen uitgebracht alvorens een ‘kaal terugkeerbesluit’ vast te stellen. Er is geen Spaanstalig document getiteld ‘gehoor terugkeerbesluit’ in het dossier gevoegd en in de stukken is niet vermeld dat eiseres is gehoord met behulp van een tolk in de Spaanse taal of een andere taal die zij voldoende beheerst. Tevens is weliswaar vermeld dat het terugkeerbesluit en het voornemen tot opleggen van een inreisverbod aan eiseres zijn uitgereikt, maar ook bij de dagtekening en ondertekening van de uitreiking is niet vermeld dat de uitreiking is geschied met tussenkomst van een tolk of in een taal die eiseres in voldoende mate beheerst. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat eiseres heeft begrepen wat er in dat formulier staat.\n\n7. In het document dat is getiteld ‘gehoor terugkeerbesluit’ is voorts enkel toegelicht dat een terugkeerbesluit het opleggen van een terugkeerverplichting behelst. Niet is vermeld dat een terugkeerbesluit de grondslag kan vormen voor een inreisverbod en dat het overschrijden van de visumvrije termijn dergelijke gevolgen heeft. De vragen waar eiseres ‘ja’ of ‘nee’ op kan antwoorden volstaan ook niet om als een dergelijke toelichting te kunnen worden beschouwd.\n\n8. De rechtbank stelt vast dat een informatiefolder over een terugkeerbesluit ontbreekt. Eiseres is niet daadwerkelijk gehoord over het uit te vaardigen inreisverbod, maar heeft bij uitreis een voornemen ontvangen met een folder en de mededeling dat zij een zienswijze kan geven als ze is teruggekeerd. Uit het aankruisen van de standaardvragen in het formulier ‘gehoor terugkeerbesluit’ kan geen andere conclusie volgen dan dat eiseres niet heeft begrepen wat een terugkeerbesluit is. Aan eiseres had dit moeten worden uitgelegd zodat zij ook haar zienswijze daarop had kunnen geven. Eiseres had moeten worden uitgelegd dat het terugkeerbesluit weliswaar door haar vertrek uit de Unie wordt uitgevoerd, maar dat dit terugkeerbesluit tevens een vereiste is om een inreisverbod uit te kunnen vaardigen. Indien eiseres dit zou hebben doorgrond, had zij met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op de vierde vraag ‘Zijn er voor u overige nog andere redenen en\u002Fof bijzondere omstandigheden waarom zou moeten worden afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit?’ bevestigend geantwoord. De omstandigheden die zij in beroep heeft aangevoerd tegen het inreisverbod zijn namelijk ook relevant voor de beoordeling of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. Dat eiseres is opgekomen tegen het inreisverbod, betekent niet dat zij heeft begrepen wat de vaststelling van een terugkeerbesluit betekent, wat de rechtsgevolgen hiervan zijn, dat zij hier zelfstandig argumenten tegen kan aandragen en dat zij het recht had om beroep in te stellen tegen het terugkeerbesluit en daartoe, volgens vaste Afdelingsjurisprudentie, ook gehouden zou zijn om een rechtmatigheidscontrole van het terugkeerbesluit door de rechtbank te verkrijgen.\n\n9. Verweerder heeft door op deze wijze, zonder uitleg te verschaffen en zonder eiseres te bevragen over de in artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 genoemde belangen en\u002Fof het beginsel van non-refoulement, en zonder in het terugkeerbesluit hier op in te gaan niet alleen een terugkeerbesluit vastgesteld dat de rechtbank zou vernietigen als eiseres daartegen beroep zou hebben ingesteld. Verweerder heeft door aldus te handelen ook het inreisverbod onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Het zorgvuldig voorbereiden van een inreisverbod is mééromvattend dan aan eiseres bij haar uitreis zonder deugdelijke uitleg een terugkeerbesluit mee te geven en na een schriftelijk gehoor met een beperkt aantal standaardvragen een voornemen tot een zienswijze mee te geven en af te wachten of er een zienswijze komt. Eiseres heeft dit als zodanig niet aangevoerd, maar artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 bevat verplichtingen voor verweerder en voor de rechtbank, die de rechtbank nopen om ook zo nodig ambtshalve na te gaan of sprake is van beletselen om een terugkeerbesluit en\u002Fof inreisverbod op te leggen. De rechtbank realiseert zich dat de Afdeling, anders dan bij bewaring, geen bevoegdheid tot het verrichten van een ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van een terugkeerbesluit aanneemt, maar de rechtbank kan zich hier niet in vinden. Weliswaar is elke maatregel van bewaring een zeer ernstige inbreuk op het recht op vrijheid en is dit meermalen uitdrukkelijk benoemd door het Hof. Het vaststellen van een terugkeerbesluit en daarmee het opleggen van een terugkeerverplichting kan echter ook gevolgen hebben voor grondrechten die door het Handvest worden gegarandeerd. De rechtbank beoordeelt in de onderhavige procedure overigens niet de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit dat reeds is uitgevoerd, maar beoordeelt of ‘er een terugkeerbesluit is dat als grondslag kan dienen van het inreisverbod’ en doet dat ambtshalve omdat eiseres het grondrecht op een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van het Handvest heeft.\n\n10. In het document ‘gehoor terugkeerbesluit’ is voorts het navolgende vermeld:\n\n(…)\n\nIndien u één van de bovenstaande vragen met “JA” heeft beantwoord kunt u nader worden gehoord tenzij u nadrukkelijk aangeeft daar geen belang aan te hechten. De tijdsduur van het gehoor bedraagt ongeveer 30 minuten. Mocht u hierdoor uw terugvlucht missen, dan komt dit voor eigen rekening en risico.\n\n(…)\n\n11. Daargelaten dat het terugkeerbesluit zodanig onzorgvuldig tot stand is gekomen dat dit niet als grondslag van het inreisverbod kan dienen, overweegt de rechtbank dat deze standaard-mededeling op het document ‘gehoor terugkeerbesluit’ onzorgvuldig is. De autoriteiten kiezen ervoor om derdelanders zoals eiseres, die nimmer in Nederland heeft verbleven, bij haar uitreis als het ware op de vliegtuigtrappen een terugkeerbesluit op te leggen in de wetenschap dat dit uitsluitend geschiedt om een inreisverbod uit te kunnen vaardigen. Het is namelijk weinig zinvol om een terugkeerbesluit op te leggen aan een derdelander die de Unie verlaat en daardoor reeds aan zijn terugkeerverplichting voldoet nog voordat dat de inkt van het terugkeerbesluit is opgedroogd. Dit betekent dat verweerder zorgvuldig moet handelen en de vreemdeling daadwerkelijk moet horen en uitleg moet geven over de gevolgen van het vaststellen van het terugkeerbesluit en dan ook daadwerkelijk de gelegenheid moet bieden om zijn zienswijze naar voren te brengen. Door derdelanders op deze wijze bij de uitreis te controleren en nog een terugkeerbesluit in de hand te drukken met de mededeling dat een nader gehoor wel kan plaatsvinden, maar de kans groot is dat de vlucht dan wordt gemist, veronachtzaamt verweerder zijn verplichtingen en geeft hij zich onvoldoende rekenschap van de belangen van, in dit geval, eiseres. Dat deze werkwijze onzorgvuldig is, geldt temeer nu verweerder het uitvaardigen van een inreisverbod als sanctie voor illegaal verblijf beschouwt. Het opleggen van een sanctie vereist zorgvuldig handelen van de autoriteiten.\n\n12. Verweerder heeft onvoldoende invulling gegeven aan zijn verplichtingen die volgen uit artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 en daardoor het inreisverbod onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank overweegt dat een verdere beoordeling van de inhoudelijke argumenten niet nodig is omdat reeds gelet op het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat het inreisverbod moet worden vernietigd. Dit betekent ook dat verweerder het inreisverbod uit het SIS moet verwijderen. Verweerder weet dat eiseres op 13 januari 2026 vanuit luchthaven Schiphol de Unie heeft verlaten en dat het terugkeerbesluit dus is geëffectueerd. Voor zover verweerder dit nog niet uit eigen beweging heeft gedaan, zal verweerder alsnog het terugkeerbesluit ook uit het SIS moeten verwijderen. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat de rechtbank het terugkeerbesluit niet vernietigt omdat eiseres, hoewel dat gelet op de werkwijze van verweerder bij de uitreiscontrole nauwelijks verwijtbaar te noemen is, geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit. De rechtbank overweegt tevens dat indien het inreisverbod wel zorgvuldig zou zijn voorbereid en de rechtbank de gronden inhoudelijk zou moeten beoordelen, de rechtbank wellicht tot de conclusie zou zijn gekomen dat het beroep ongegrond zou moeten worden verklaard. Verweerder heeft namelijk terecht aangevoerd dat een aantal stellingen van eiseres niet is onderbouwd en dat uit de beroepsgronden niet blijkt dat het familieleven niet buiten de Unie kan worden uitgeoefend totdat het inreisverbod zou zijn uitgewerkt. Verweerder heeft eiseres ook terecht gewezen op de omstandigheid dat de Zweedse autoriteiten zich tot verweerder kunnen wenden indien uitsluitend het door verweerder uitgevaardigde inreisverbod aan de verlening van een verblijfsvergunning in de weg staat.\n\n13. Het beroep is gelet op al het voorgaande gegrond. Van proceskosten die wegens verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. De rechtbank spreekt daarom geen proceskostenvergoeding uit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het op 16 februari 2026 uitgevaardigde inreisverbod;\n\n- bepaalt dat verweerder het op 16 februari 2026 uitgevaardigde inreisverbod uit het SIS verwijdert.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18516","2026-07-13T00:29:26.996Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":45,"courtId":98,"decisionDate":67,"fullText":99,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":52,"updatedAt":101},"658","ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","ecli-nl-rbdha-2026-18615",60,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34750 en NL26.34805\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 6 juni 2026 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nHeeft de minister zijn bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel van bewaring gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven?\n\n1. Eiser betoogt allereerst dat bij de oplegging van de maatregel van bewaring sprake is geweest van détournement de pouvoir. De maatregel van bewaring is enkel opgelegd omdat eiser overlast gaf en verward was, maar de crisisdienst hem niet wilde opnemen. Daar is de maatregel van bewaring niet voor bedoeld.\n\n1.1.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat sprake is van détournement de pouvoir wanneer het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.\n\n1.2.. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2026 volgt dat bij de politie een melding binnenkwam dat een jongen, eiser, overlast veroorzaakte, verward overkwam en voor het politiebureau stond. Hierop hebben verbalisanten met eiser gesproken. Nadat zij in het politiesysteem zagen dat eiser verwijderbaar was maar dat de vreemdelingenpolitie hier eerder niet op had ingezet, hebben zij eiser weggestuurd. Enkele minuten later zagen de verbalisanten echter dat eiser voor het politiebureau zich al zwaaiend met een deksel van een prullenbak naar een man bewoog. Hierop hebben de verbalisanten eiser in de hal van het politiebureau gezet. Nadat de crisisdienst liet weten eiser niet op te nemen, is hij aangehouden voor verstoring van de openbare orde.\n\n1.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit deze gang van zaken volgt dat sprake is van een strafrechtelijke aanhouding. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing om eiser aan te houden en na afronding van het strafrechtelijke traject over te dragen aan de vreemdelingenpolitie, niet op juistheid kan toetsen.De bewaringsrechter is namelijk niet bevoegd te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Bovendien is het niet de minister van Asiel en Migratie die beslissingen neemt in het strafrechtelijke voortraject. In die zin kan de beslissing om eiser aan te houden nadat een overdracht aan de crisisdienst niet mogelijk bleek, niet aan de minister worden toegerekend. Van misbruik van bevoegdheid bij het vervolgens opleggen van de maatregel van bewaring is dan ook geen sprake. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en de minister heeft vervolgens een eigen afweging gemaakt om eiser in bewaring te stellen.\n\nBestaat er zich op uitzetting?\n\n2. Eiser betoogt verder dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn geval ontbreekt. Hij is al vanaf 2018 in aanraking gekomen met justitie, maar de vreemdelingenpolitie heeft nooit een poging ondernomen om eiser uit te zetten. Hieruit volgt dat uitzetting waarschijnlijk niet zal slagen en dat de kans dat een laissez-passer (lp) zal worden afgegeven daarom ook klein is. Bovendien heeft eiser als minderjarige Marokko verlaten en geen identificerende documenten. Het is daarom maar de vraag of hij geregistreerd staat in Marokko.\n\n2.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt.Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit in het specifieke geval van eiser anders is. Het enkele feit dat niet eerder een poging is ondernomen om eiser uit te zetten, betekent niet dat alleen daarom zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft bovendien op geen enkele manier onderbouwd dat minderjarigen in Marokko niet zijn geregistreerd, en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat aan eiser een lp zal worden verstrekt.\n\n2.2.. Het betoog van eiser dat vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting geen aanvullend terugkeerbesluit opgelegd had kunnen worden, slaagt daarom evenmin.\n\nHeeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?\n\n3. Eiser betoogt tot slot dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld voorafgaand aan de inbewaringstelling. De minister had al uitzettingshandelingen moeten verrichten tijdens de diverse eerdere straftrajecten.\n\n3.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld sinds de inbewaringstelling van eiser. Eiser is op 6 juni 2026 in bewaring gesteld en vier dagen later, op 10 juni 2026, heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Op 17 juni 2026 is vervolgens een lp-aanvraag ingediend en op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 26 juni 2026 is gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat de minister ook al voor de inbewaringstelling uitzettingshandelingen had moeten verrichten, volgt de rechtbank niet. In zoverre eiser in dat kader wijst op paragraaf A5\u002F6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 waaruit volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken, oordeelt de rechtbank dat deze inspanningsverplichting in dit geval niet geldt. In geval van eiser is namelijk geen sprake van een periode van strafrechtelijke detentie direct voorafgaand aan de inbewaringstelling.\n\nLeidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af..\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\n ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.\n\n Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","2026-07-13T00:28:41.586Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":106,"fullText":107,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":109},"1731","ECLI:NL:RBDHA:2026:18488","ecli-nl-rbdha-2026-18488","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.22558\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het terugkeerbesluit.\n\n1.1.. Bij besluit van 14 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft een kantoorgenoot van de gemachtigde van verweerder, mr. C.W.M. van Breda deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden een terugkeerbesluit aan eiser heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n2.1.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1978 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Aan eiser is een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen. Vanwege het terugkeerbesluit heeft verweerder eiser gesignaleerd in het SIS.\n\nHeeft verweerder terecht een terugkeerbesluit opgelegd?\n\n4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder aan hem ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Eiser had namelijk op grond van zijn paspoort en toeristenvisum rechtmatig verblijf in Nederland. In het gehoor verklaart eiser dat hij een geldig paspoort met een visum heeft, maar dat deze documenten in het hotel zijn achtergebleven. Verweerder heeft de hotelgegevens weliswaar opgezocht, maar daar ten onrechte verder geen actie op ondernomen. Ook heeft verweerder ten onrechte nagelaten de inhoud van het gehoor te betrekken in de besluitvorming.\n\n5. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat verweerder geen onderzoek zou hebben gedaan naar eiser zijn paspoort en toeristenvisum. Uit het dossier blijkt dat politieagenten op 14 mei 2025 naar aanleiding van de verklaring van eiser zijn bagage hebben opgehaald bij zijn hotel en is er geconstateerd dat er geen paspoort met visum aanwezig was. Er werd enkel een Algerijns rijbewijs aangetroffen. Verder volgt de rechtbank eiser niet in het standpunt dat de inhoud van zijn gehoor niet is betrokken in het terugkeerbesluit. In het terugkeerbesluit is immers opgenomen dat eiser niet in het bezit is van een geldig reisdocument en visum en hij daardoor niet voldoet aan de voorwaarden waaronder hij vrij in de Europese Unie dan wel Schengengebied mag reizen. Nu is gebleken dat het paspoort en visum niet in het hotel zijn aangetroffen ziet de rechtbank niet welke informatie uit het gehoor ten onterechte niet in het terugkeerbesluit is betrokken. Eiser heeft ook geen gehoor gegeven aan het verzoek van de rechtbank om deze stukken te overleggen. Omdat eiser heeft niet aangetoond dat hij een geldig verblijfsrecht had in Nederland, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n6. Ambtshalve stelt de rechtbank vast dat het opgelegde terugkeerbesluit niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM.In het gehoor van 14 mei 2025 heeft verweerder eiser bevraagd over zijn familie, zijn medische omstandigheden en of hij in Algerije te vrezen heeft voor vervolging en\u002Fof onmenselijke dan wel vernederende behandeling. Hierop heeft eiser geantwoord dat zijn gezin in Algerije woont en dat hij geen familie in Nederland heeft, er geen medische problematiek speelt en hij niets te vrezen heeft bij terugkeer naar Algerije. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de terugkeer van eiser in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Schengen Informatiesysteem.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18488","2026-07-13T00:29:36.201Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":106,"fullText":114,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":116},"1730","ECLI:NL:RBDHA:2026:18486","ecli-nl-rbdha-2026-18486","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.24419\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1984, van Surinaamse nationaliteit, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. J. Werner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster.\n\n2. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan tot afgifte van een verblijfsdocument EU\u002FEERop grond van het arrest Chavez-Vilchezvoor verblijf bij haar dochter [naam] , die de Nederlandse nationaliteit heeft.\n\n3. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 juni 2025 afgewezen. Met de beslissing op het bezwaar van 22 april 2026 (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verzoekster mag een eventueel beroep tegen dit besluit niet in Nederland afwachten.\n\n4. Op 30 april 2026 heeft verzoekster beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. In het verzoek heeft verzoekster verzocht om de werking van het bestreden besluit op te schorten. Dit houdt volgens verzoekster in ieder geval een verbod op uitzetting in tot nadat op het beroep is beslist en het voortzetten van haar recht om in Nederland te werken. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.\n\n4.2.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVrijstelling van het griffierecht\n\n5. Verzoekster heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.\n\nBeoordeling van het verzoek\n\n6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nSpoedeisend belang\n\n7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster mag het beroep immers niet in Nederland afwachten, zij kan dus uit Nederland worden gezet. De stelling van verweerder dat geen sprake is van spoedeisendheid van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat er geen concreet voornemen is of voorbereidingen zijn getroffen om verzoekster uit te zetten, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat er nog geen concrete plannen voor uitzetting bestaan, is niet relevant. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang.\n\nRedelijke kans van slagen\n\n8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een Chavez-situatie bij een Nederlands kind. [naam] is geboren in [geboorteland] uit een Surinaamse moeder, verzoekster. [naam] is Nederlander geworden omdat zij door een Nederlander is erkend. Verweerder stelt dat die erkenning een schijnerkenning is, daarom heeft hij aan het college van B&Wvan de gemeente Utrecht een terugmelding gedaan op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP. Verweerder stelt dat hij daarom op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer hoeft uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van [naam] .\n\n9. Op de zitting heeft (de gemachtigde van) verzoekster aangevoerd dat voor het doen van een terugmelding voldoende aanleiding moet zijn en dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Bovendien bestaat er ernstige twijfel over het bestaan van een juridische grondslag voor verweerder om onderzoek te mogen doen naar de erkenning. De voorzieningenrechter doet over deze punten geen uitspraak, nu dit niet nodig is voor de toewijzing van het verzoek.\n\n10. De voorzieningenrechter vraagt zich af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij vindt het niet onbegrijpelijk dat verweerder twijfels heeft bij de situatie van verzoekster. De erkenner van [naam] heeft volgens de terugmelding van verweerder aan de gemeente Utrecht kennelijk elf kinderen erkend bij negen verschillende moeders, waarvan de moeders daarna allemaal aanspraak hebben gemaakt op dezelfde procedure als verzoekster.\n\n11. Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter wel twijfelt over of de werkwijze van verweerder met het doen van een terugmelding en daardoor niet uitgaan van de Nederlandse nationaliteit, wel klopt. [naam] heeft namelijk wel de Nederlandse nationaliteit verkregen, toen zij werd erkend door een Nederlandse man. Deze erkenner hoeft ook niet de biologische ouder te zijn, in een andere situatie kan ook erkend worden. In principe dient dan uit te gaan van die erkenning. Het klopt verder wel dat verweerder op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP een terugmelding kan doen. In artikel 1.7, eerste en tweede lid, onder b, van de Wet BRP staat vervolgens dat het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, voor die informatie dat gegeven gebruikt en dat het eerste lid niet van toepassing is indien het bestuursorgaan ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 2.34 van de Wet BRP doet. De voorzieningenrechter vraagt zich zeer af of dit betekent dat verweerder niet meer uit hoeft te gaan van de Nederlandse nationaliteit. Het verkrijgen en het verliezen van het Nederlanderschap wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze wet beschrijft ook welke procedures gevolgd moeten worden om te bepalen dat iemand geen Nederlander meer is. Zolang [naam] de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren conform die wet, gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van haar Nederlandse nationaliteit. Tot slot is ook gebleken dat de gemeente Utrecht (nog) niets met de terugmelding heeft gedaan. Concluderend vraagt de voorzieningenrechter zich dus af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep kan geen redelijke kans van slagen ontzegd worden.\n\nBelangenafweging\n\n12. De voorzieningenrechter zal vervolgens een belangenafweging maken. Hierin weegt zij de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan.\n\n13. De voorzieningenrechter acht het aan de kant van verweerder van groot belang dat misbruik wordt tegengegaan, dat betekent dus ook dat schijnerkenningen niet mogen worden beloond. Ook betekent dat, als inderdaad sprake is van een schijnerkenning, er geen verblijfsrecht ontstaat en dat degene die ten onrechte een beroep doet op die erkenning geen recht heeft om in Nederland te blijven. Daartegenover acht de voorzieningenrechter aan de kant van verzoekster van groot belang dat het onderzoek zorgvuldig wordt gedaan en dat geen verstrekkende beslissingen worden genomen, zoals het mogelijk uitzetten van verzoekster met gevolgen voor [naam] , die afhankelijk van haar is, zolang niet duidelijk is of het besluit wel stand kan houden. Bovendien gaat het om een tijdelijke maatregel, alleen totdat op het beroep is beslist. Dat maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoekster en haar dochter, die van haar afhankelijk is, zwaarder weegt dan het belang van verweerder.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep.\n\n15. Omdat het verzoek wordt toegewezen krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\n16. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026 door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.\n\nDit proces-verbaal is bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:2017:354.\n\n Burgemeester en wethouders.\n\n Wet basisregistratie personen.\n\n Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van\n\n10 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15606.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18486","2026-07-13T00:29:36.167Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":106,"fullText":121,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":52,"updatedAt":123},"1876","ECLI:NL:RBDHA:2026:18269","ecli-nl-rbdha-2026-18269","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34970\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van 23 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vween vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n1.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft op 29 juni 2026 een bericht in het dossier geüpload, waarin hij heeft meegedeeld dat eiser afziet van het recht om te worden gehoord en dat de gemachtigde zelf niet op de zitting zal verschijnen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het beroep is ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n3. Eiser is op 23 juni 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.\n\n4. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vbwordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\nHad de minister een lichter middel moeten opleggen?\n\n5. Eiser voert aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is omdat de minister niet heeft beoordeeld of het feit dat zijn vrouw en kinderen in een AZC in Nederland verblijven een bijzondere omstandigheid vormt die op grond van artikel 8 EVRMaanleiding geeft tot het toepassen van een lichter middel.\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Uit vaste rechtspraakvolgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.\n\n5.2.. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord. Daarbij heeft hij verklaard dat zijn vrouw en kinderen in Nederland verblijven, dat zij een asielaanvraag hebben lopen en dat zij in een AZC verblijven. De minister heeft deze verklaring betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestond een lichter middel toe te passen. Daarbij is overwogen dat het enkele feit dat familieleden in Nederland verblijven niet meebrengt dat eiser feitelijk toegang tot het grondgebied dient te worden verleend of dat van de grensprocedure moet worden afgezien. Verder is overwogen dat eiser als meerderjarige zonder zijn gezinsleden is gereisd, zodat niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsrelatie met de in Nederland verblijvende familieleden dat de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend is.\n\n5.3.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, toereikend heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser niet nader heeft onderbouwd waarom hij vanwege zijn gestelde familie- en gezinsleven al tot Nederland zou moeten worden toegelaten en niet in bewaring zou kunnen blijven. Daarmee zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die maken dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De maatregel kan in het licht van het grensbewakingsbelang in stand blijven.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.\n\n7. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18269","2026-07-13T00:29:43.250Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":106,"fullText":128,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":52,"updatedAt":130},"1875","ECLI:NL:RBDHA:2026:18268","ecli-nl-rbdha-2026-18268","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34631\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 4 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\n1.2.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op 26 juni 2026 schriftelijk gereageerd, waarna de minister op 30 juni 2026 een verweerschrift heeft ingediend.\n\n1.3.. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijften het onderzoek op 2 juli 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 mei 2026volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 8 mei 2026.\n\n3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\nWat vindt eiser?\n\n4. Eiser betoogt dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is. Daartoe stelt eiser te lijden aan medische en psychische klachten waarvoor hij onder medische behandeling staat. Gelet hierop is volgens eiser de voortduring van de bewaring voor hem onevenredig zwaar geworden en kan worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, waaraan hij bereid is zich te houden. Daarnaast stelt eiser beroep te hebben ingesteld tegen de negatieve beslissing op zijn artikel 64-aanvraag, welk beroep volgens eiser schorsende werking heeft.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n5. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 26 februari 2026geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Zoals reeds is overwogen in de eerdere uitspraak, kan eiser zich voor zijn medische en psychische klachten wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Niet is gesteld noch is gebleken dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n5.1.. Ten aanzien van eisers betoog dat hij beroep heeft ingesteld tegen de negatieve beschikking op zijn artikel 64 Vw-aanvraag, overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat een dergelijk beroep is ingesteld. De minister heeft dit bovendien op zitting uitdrukkelijk betwist. Verder overweegt de rechtbank dat, indien een dergelijk beroep al zou zijn ingesteld, het louter indienen daarvan geen schorsende werking heeft ten aanzien van de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond faalt ook.\n\n5.2.. De rechtbank is verder van oordeel dat zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraken is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet.Niet is gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. De minister heeft in zijn reactie op de beroepsgronden toegelicht dat de afdeling DIAheeft aangegeven dat de Nigeriaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser hebben bevestigd en dat de ambassade nog wacht op de foto die behoort bij het paspoortnummer dat uit het identiteitsonderzoek naar voren is gekomen. De verwachting is dat daarna, zonder dat een presentatie nodig is, een laissez-passer door de Nigeriaanse autoriteiten zal worden afgegeven.\n\n5.3.. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 8 mei 2026 op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.\n\n Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:11983.\n\n Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:3840.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2707) en 27 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2418).\n\n Directie Internationale Aangelegenheden.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18268","2026-07-13T00:29:43.205Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":106,"fullText":135,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":52,"updatedAt":137},"1877","ECLI:NL:RBDHA:2026:18270","ecli-nl-rbdha-2026-18270","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34986\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 27 mei 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.\n\n1.1.. De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld op 24 juni 2026. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft schriftelijk verklaard afstand te doen van het recht om op zitting te verschijnen en was om die reden niet aanwezig. Uit het dossier blijkt verder dat eiseres geen advocaat wenst om haar bij te staan. De gemachtigde van de minister heeft wel aan de zitting deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:\n\n(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;\n\n(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vbheeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.\n\n2.1.. De minister heeft op de zitting de zware grond 3d laten vallen.\n\n2.2.. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.\n\n2.3.. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.\n\nVoortraject\n\n3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.\n\nGrondslag\n\n4. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. Eiseres heeft op\n\n11 januari 2024 een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiseres valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.\n\nGronden\n\n5. De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 2 april 2026de zware gronden en de lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3i, 4c en 4d reeds rechtmatig heeft bevonden. Nu niet is gebleken dat hoger beroep tegen deze uitspraak is ingesteld, staat de rechtmatigheid van deze gronden in rechte vast. De rechtbank is mede gelet daarop van oordeel dat deze zware en lichte gronden in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, nog steeds voldoende zijn om ook de onderhavige maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de gronden 4a, 4b en 4f daarom onbesproken.\n\nLichter middel\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven.\n\n6.1.. Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiseres heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is en dat eiseres, indien deze zorg niet voldoende kan worden geboden, kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank is verder gebleken dat eiseres ten tijde van de zitting nog verbleef in het psychiatrisch centrum Veldzicht, waar zij dwangmedicatie ontvangt. De rechtbank is van oordeel dat de medische zorg voor eiseres hiermee voldoende is geborgd.\n\nVoortvarendheid\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. De minister heeft op de derde dag van de inbewaringstelling, te weten op 29 mei 2026, een vertrekgesprek met eiseres willen voeren. Dit gesprek heeft geen doorgang kunnen vinden omdat een psycholoog negatief advies had gegeven om dit gesprek met eiseres te voeren. Vervolgens heeft de minister op 3 juni 2026 een vertrekgesprek met eiseres gevoerd. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 1 juli 2026 opnieuw een vertrekgesprek met eiseres zal worden gevoerd en dat op 8 juli 2026 een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten staat gepland. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.\n\nZicht op uitzetting\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdelingvan 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiseres anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiseres te zullen verstrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.\n\n10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Vreemdelingebesluit 2000.\n\n Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 2 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7602.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18270","2026-07-13T00:29:43.302Z",{"id":139,"ecli":140,"slug":141,"caseNumber":45,"courtId":75,"decisionDate":106,"fullText":142,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":143,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":144},"708","ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","ecli-nl-rbdha-2026-18498","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.22282\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R. Deniz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).\n\nProcesverloop\n\nIn het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een mvvongegrond verklaard.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Metselaar. Ook waren aanwezig referent [referent] en de [tolk] .\n\nOverwegingen\n\n1. Middels besluit van 25 april 2023 is referent in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van asiel.Op 8 juni 2023 heeft referent voor zijn vrouw en biologische kinderen een aanvraag ingediend om verlening van een mvv. Op dezelfde dag heeft referent voor eiser bij verweerder ook een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis. De aanvraag voor zijn vrouw en biologische kinderen is ingewilligd. Eiser is het gestelde kind van [broer van referent] (broer van referent) en [persoon] . Referent is de gestelde oom en pleegvader van eiser.\n\n2. In het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is de identiteit van de biologische moeder van eiser en de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet aangetoond. De pleegrelatie en feitelijke gezinsband tussen eiser en referent hebben zij ook niet aannemelijk gemaakt. Tenslotte is er ook geen toestemmingsverklaring van de biologische vader overgelegd.\n\n3. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Referent is op 10 februari 2025 door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder alsnog de identiteit van de biologische moeder van eiser aannemelijk geacht. De familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders is nog altijd niet aannemelijk gemaakt, maar er is wel een begin van bewijs geleverd. Ditzelfde geldt voor de pleegrelatie tussen eiser en referent. De feitelijke pleegsituatie is nog altijd niet aannemelijk gemaakt.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe aan dat aan de overgelegde stukken meer bewijswaarde moet worden toegekend dan verweerder in het besluit toekent. De familierechtelijke relatie zou wel zijn aangetoond, net als de pleegrelatie en de feitelijke gezinsband. Verder acht eiser het besluit onlogisch en onduidelijk. Tenslotte wijst eiser op de belangen van het kind en artikel 8 van het EVRMen vindt hij dat de motivering daartoe zeer summier is.\n\n5. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is en dat terecht in het bestreden besluit de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt, zodat nader onderzoek zinledig is. Volgens verweerder heeft hij de belangen van het kind voldoende meegewogen in het besluit en heeft hij gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n6. Uit wet- en regelgevingvolgt dat een minderjarige die als pleegkind tot het gezin\n\nvan een asielstatushouder behoort eenzelfde verblijfsrecht als die asielstatushouder kan verkrijgen, als voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. De asielstatushouder (referent) moet daartoe binnen drie maanden na inwilliging van zijn asielstatus namens het gestelde pleegkind een mvv-aanvraag onder de beperking ‘nareis’ bij verweerder indienen. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke mvv nareis is dat het minderjarige pleegkind op het moment van de inreis van referent in Nederland (peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent behoort. Verweerder betrekt bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gestelde pleegkind in ieder geval:(-) de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn\u002Fhaar biologische ouders; (-) de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent; (-) de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent; (-) in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; (-) of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen. Ook komt het pleegkind niet in aanmerking voor nareis als er een positieve verplichting onder artikel 8 van het EVRM bestaat om de biologische ouders te herenigen met het pleegkind in Nederland.\n\n7. Verweerder heeft in de besluitvorming voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom\n\nde familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet is aangetoond met de door eiser overgelegde documenten. Verweerder heeft daarbij ook terecht het standpunt ingenomen dat nader onderzoek niet aangeboden hoeft te worden. Ook indien de familierechtelijke relatie zou worden vastgesteld, kan dit niet leiden tot de afgifte van een mvv. Er wordt namelijk niet voldaan aan de voorwaarde dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eiser is aangetoond. De rechtbank zal deze voorwaarde hierna verder bespreken.\n\n8. Niet in geschil is dat eiser vanaf zijn 4e levensjaar tot aan het vertrek van de\n\noverige gezinsleden van referent naar Nederland (in 2024) gewoond heeft bij het gezin van referent. Op zichzelf is het enkele verblijf binnen het gezin niet voldoende om de feitelijke gezinsband aan te nemen. Verweerder heeft terecht alle omstandigheden meegewogen in de integrale beoordeling. Onder verwijzing naar Werkinstructie 2024\u002F4 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat de biologische ouder niet meer voor een kind kan of wil zorgen bij eiser ligt. Verweerder heeft daarbij niet ten onterechte naar voren gebracht dat, wanneer een biologische ouder nog in beeld is en deze ook nog steeds betrokken is bij de zorg of opvoeding van een kind, zwaardere eisen mogen worden gesteld aan de onderbouwing van een gestelde pleegrelatie. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder in dit geval bij de beoordeling kunnen betrekken dat de moeder en vader van eiser nog steeds in beeld zijn en dat niet is gebleken dat ieder contact tussen eiser en zijn biologische ouders duurzaam is verbroken. Uit de inhoud van de overgelegde documenten, waaruit volgt dat de biologische vader bij de rechtbank is verschenen om toestemming te verlenen en een verklaring af te leggen, blijkt dat de vader nog in beeld is en zich uitlaat over de zorg die verleend wordt aan eiser. Ook heeft eiser zelf verklaard dat zijn vader hem bezoekt op islamitische feestdagen. De gestelde medische problematiek van zijn biologische vader is niet onderbouwd met medische documenten. Verweerder mocht dit wel van eiser verwachten, nu referent ter zitting heeft aangegeven dat het mogelijk is om contact te leggen met de biologische vader. Hoewel de biologische moeder woonachtig is bij haar ouders, is er niet aannemelijk gemaakt dat zij niet voor eiser kan zorgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een duurzame overdracht van de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid naar referent en zijn echtgenote. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat alle feiten en omstandigheden samengenomen onvoldoende zijn om te spreken van een pleegsituatie.\n\n9. Verweerder heeft daarbij met verwijzing naar C2\u002F4.1.2.2. van de Vc terecht\n\nmeegewogen dat niet aannemelijk is dat het contact tussen eiser en zijn biologische ouders zo beperkt is dat er geen positieve verplichting in het kader van artikel 8 van het EVRM zou ontstaan om eiser met zijn biologische ouders te herenigen in Nederland.\n\n10. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 7, 8 en 9 is overwogen heeft verweerder\n\nzich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij geen nader onderzoek hoefde te verrichten naar: (-)de familierechtelijke relatie tussen de biologische ouders en eiser, (-)de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn gestelde pleegouders en (-)de toestemmings-verklaringen.\n\n11. Eiser heeft tenslotte nog gewezen op het belang van het kind. Verweerder heeft\n\ngemotiveerd deze belangen meegewogen in het bestreden besluit. Daarbij is terecht meegewogen dat het in het belang van eiser is dat hij niet ongewenst wordt onttrokken aan het ouderlijk gezag. Bovendien heeft verweerder uitgelegd waarom eiser niet in schrijnende omstandigheden achterblijft in Jemen. Hij wordt verzorgd door de zus van referent en haar man, hij woont nog in hetzelfde huis, gaat naar school en referent heeft dagelijks contact met hem. Hiermee heeft verweerder voldoende kenbaar de belangen van eiser meegewogen in het bestreden besluit.\n\n12. Verder verwijst verweerder referent terecht naar de reguliere procedure voor een\n\ntoetsing aan artikel 8 van het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4804) volgt dat artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb van toepassing is in nareiszaken en dat verweerder in elke nareiszaak deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of, als de betreffende vreemdeling in het buitenland is, een mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt. In het bestreden besluit is enkel gewezen op de aanwezigheid van een reguliere procedure voor de aanvraag van eiser en dat verweerder deze nationale procedure niet wil overslaan door direct aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. Verweerder heeft met deze algemene motivering niet in eisers individuele geval toegelicht waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Ook heeft verweerder niet verwezen naar toepasselijk beleid. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. In het verweerschrift heeft verweerder alsnog een nadere individuele motivering gegeven voor het niet ambtshalve doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hij heeft verwezen naar het peilmoment en naar de ingebrachte medische stukken. Hiermee heeft verweerder alsnog voldaan aan het motiveringsvereiste zoals de Afdeling dit vereist. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.\n\n13. Het beroep is ongegrond.\n\n14. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank\n\nverweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor\n\nhet verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.\n\n Zie artikel 29, tweede en vierde lid van de Vw, in samenhang met paragraaf C2\u002F4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), geldig tot 12 juni 2026.\n\n Zie paragraaf C2\u002F4.1.2.2 van de Vc, geldig tot 12 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","2026-07-13T00:28:44.158Z",{"id":146,"ecli":147,"slug":148,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":106,"fullText":149,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":151},"907","ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","ecli-nl-rbdha-2026-18494","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.34569, NL26.33949 en NL26.34523\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. F. Schoot).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar, als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met deze besluiten en heeft daarnaast ook beroep ingesteld tegen de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van de Vw. Eiser voert tegen de bestreden besluiten een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, het inreisverbod, de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Ook gaat de rechtbank in op de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet-ontvankelijk is en dat de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring ongegrond zijn. Er is ook geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 11 mei 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001, een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op 19 juni 2026 heeft de minister eiser gedurende ruim vier uur opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw en hem aansluitend daarop de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Vervolgens heeft de minister de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\nin kennis gesteld.\n\n2.1.. Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaringen heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod beroep ingesteld. Ook heeft eiser beroep ingesteld tegen de ophouding. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank van het terugkeerbesluit en inreisverbod\n\n3. De rechtbank constateert dat het terugkeerbesluit en inreisverbod deel uitmaken van het meeromvattende (asiel)besluit van 11 mei 2026. Omdat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht en met onbekende bestemming is vertrokken is dat besluit gepubliceerd in de Staatscourant van 18 mei 2026, waarmee het besluit op rechtsgeldige wijze bekend is gemaakt. Eiser had een week de tijd om tegen dat besluit beroep in te stellen, maar hij heeft pas beroep ingesteld op 22 juni 2026. Eiser heeft dus niet tijdig beroep ingesteld.\n\n3.1.. Eiser stelt dat het niet aan hem te wijten is dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, omdat het besluit niet aan hem in persoon is uitgereikt.\n\n3.2.. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. Dat het besluit van 11 mei 2026 niet aan eiser in persoon is uitgereikt, is een logisch gevolg van het feit dat eiser destijds al met onbekende bestemming was vertrokken. Door publicatie in de Staatscourant moet eiser worden geacht toch op de hoogte te zijn van dat besluit. Dat eiser in werkelijkheid geen kennis heeft genomen van het besluit komt voor zijn rekening en risico. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\n3.3.. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Ook als eiser wel tijdig beroep zou hebben ingesteld zou dat in deze procedure niet hebben kunnen leiden tot een inhoudelijke beoordeling, nu het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod moet worden gezien als een beroep tegen het meeromvattende besluit van 11 mei 2026. Het terugkeerbesluit en inreisverbod maken daar immers deel van uit. De in artikel 94 van de Vw gestelde korte termijnen staan aan een zorgvuldige toetsing door de rechtbank van een meeromvattende beschikking samen met een maatregel van bewaring in de weg.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de ophouding\n\n4. Eiser heeft de rechtmatigheid van de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw niet betwist. Het beroep daartegen is ongegrond.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n3.1.. \n\nIn de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen, maar hij betoogt dat de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring ten onrechte geen opgave heeft gedaan van de juridische grondslag. Het enkel vermelden van artikel 59 van de Vw is volgens eiser onvoldoende, nu in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) immers verder is uitgewerkt in welke gevallen de maatregel kan worden toegepast en in de maatregel niet expliciet is verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen van het Vb. Ook worden in de maatregel de Vreemdelingenwet en het Voorschrift Vreemdelingen enkel aangeduid met afkortingen. Volgens eiser maakt dit gebrek de maatregel onrechtmatig en is er ook aanleiding om in dat verband prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Zoals de Afdeling al heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 2019dient onderscheid te worden gemaakt tussen de juridische (of: wettelijke) grondslag en de feitelijke gronden. De wettelijke grondslag is algemeen en dwingend van aard en er is in bepaald wie met toepassing van welk vereiste of welke vereisten kan worden gedetineerd. Een feitelijke grond is een feitelijke en op de persoon van de vreemdeling toegespitste toelichting, waaruit volgt dat en waarom aan de in de wettelijke grondslag gestelde vereisten is voldaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in de maatregel de wettelijke grondslag dient te vermelden en dat een feitelijke en op de persoon toegespitste toelichting dient te worden gegeven. Daaraan is in eisers geval voldaan. De minister heeft in de maatregel vermeld dat eiser op grond van artikel 59, van de Vw in bewaring wordt gesteld en heeft daaronder een feitelijke en op de persoon van eiser toegespitste toelichting gegeven. Bij elke afzonderlijke feitelijke grond is immers toegelicht waarom die grond in het geval van eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank acht die toelichting voldoende, wat eiser overigens ook niet heeft betwist, en is van oordeel dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Er bestaat geen verplichting om daarnaast nog melding te maken van de artikelen waarin de criteria voor de inbewaringstelling nader zijn uitgewerkt. Dat dit, zoals eiser onderbouwd heeft gesteld, bij de inbewaringstellingen van andere vreemdelingen soms wel gebeurt, maakt dit niet anders noch willekeurig.\n\n3.4.. Gelet op voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod (NL26.34523)\n\nniet-ontvankelijk;\n\n- verklaart de beroepen tegen de ophouding (NL26.34506) en de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.34569) ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van\n\nD.P. van Middelkoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In het geval van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. In het geval van het terugkeerbesluit en inreisverbod bedraagt die termijn vier weken.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.\n\nStcrt.2026, 18598.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)\n\nvan 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1528.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","2026-07-13T00:28:54.047Z",{"id":153,"ecli":154,"slug":155,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":106,"fullText":156,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":157,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":158},"1729","ECLI:NL:RBDHA:2026:18484","ecli-nl-rbdha-2026-18484","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.16541 (beroep)\n\nNL25.16546 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [eiseres] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1933, van Turkse nationaliteit, eiseres\u002Fverzoekster (hierna: eiseres),\n\n(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. A. Al-Edani).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 23 augustus 2023 (het primaire besluit) is de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ’familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ voor verblijf bij haar zoon (die in deze procedure optreedt als referent), afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Met het besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.\n\n1.3.. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referent, M. Sivridag als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder.\n\n1.5.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond\n\n4. Eiseres woonde voor haar komst naar Nederland in Turkije. Haar echtgenoot is in oktober 2021 overleden. Referent en een dochter van eiseres wonen in Nederland. Twee andere dochters wonen in Oostenrijk en Zwitserland. Voordat eiseres naar Nederland kwam bezochten haar kinderen haar om de beurt en bezocht eiseres hen. Eiseres is laatstelijk in december 2022 voor een familiebezoek naar Nederland gekomen. Turkije werd vervolgens getroffen door aardbevingen die haar huis hebben verwoest. De gezondheid van eiseres is de afgelopen jaren achteruit gegaan. Gezien het vorenstaande kan eiseres niet langer in Turkije wonen. Daarom heeft zij een vergunning aangevraagd voor verblijf bij referent.\n\nBesluitvorming\n\n5. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet in het bezit is van een geldige mvven ook niet in aanmerking komt voor een vrijstelling daarvan. Eiseres kan niet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden, omdat zij in staat wordt geacht te reizen en er geen sprake is van een medische noodsituatie. Ook is er geen vrijstelling mogelijk op grond van het Turks associatierecht. Eiseres moet in dat geval een gezinslid van een Turkse werknemer zijn. Omdat zij de moeder van referente is, is zij alleen ‘gezinslid’ als zij ten laste van referente komt. Eiseres heeft volgens verweerder niet onderbouwd dat dit het geval is. Verder is haar uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ook om die reden komt eiseres niet in aanmerking voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. Volgens verweerder zijn er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid, zodat er tussen eiseres en haar familieleden in Nederland geen familie- of gezinsleven bestaat. Volgens verweerder is de uitzetting van eiseres ook niet in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt. Tot slot is er geen aanleiding om eiseres wegens bijzondere omstandigheden ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen zoals bedoeld in artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb.\n\nTurks associatierecht\n\n6. Allereerst voert eiseres aan dat zij ten laste van referent komt. Zij werd ook al vóór haar komst naar Nederland door haar zoon voor een belangrijk deel onderhouden, mede doordat hij steeds garant heeft gestaan. Dat hij de cash giften en de giften in natura niet heeft kunnen aantonen door de liquide aard ervan, doet hier niet aan af. Dat hij lange perioden bij zijn moeder heeft verbleven en zij ook lange perioden bij hem, en nu nog altijd voor haar eerste levensbehoeften financiële verantwoordelijkheid draagt maakt dat zij onder de werking van het Turks associatierecht valt. Verweerder heeft de lat voor de bewijsvoering dan ook ten onrechte te hoog gelegd.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat eiseres onder het begrip ‘gezinslid’ valt zoals bedoeld in artikel 7 van Besluit 1\u002F80. Een familielid komt ten laste van een Turkse werknemer als dit familielid, gelet op zijn economische en sociale toestand, niet in staat is om in zijn basisbehoeften te voorzien.Dat betekent dat de Turkse werknemer ondersteuning moet geven aan dit familielid en dat die ondersteuning noodzakelijk moet zijn. Verweerder moet dat beoordelen aan de hand van een of meerdere peilmoment(-en). Welke dat zijn, hangt af van de vraag wáár het familielid zich bevindt en hoe lang hij zich daar (al) bevindt.\n\n7.1.. Als het familielid zich op het moment van de aanvraag in zijn land van herkomst bevindt of zich slechts korte tijd in Nederland bevindt, dan kijkt verweerder naar de vraag of het familielid in zijn land van herkomst ten laste komt of zou komen van de Turkse werknemer. In dat geval moet het familielid dus aannemelijk maken dat hij in zijn land van herkomst noodzakelijke ondersteuning ontvangt of zou ontvangen.Bevindt het familielid zich al in Nederland, dan beoordeelt verweerder dus een fictieve situatie. Het peilmoment is in dit geval (dus) het moment waarop het familielid zijn aanvraag doet.\n\n7.2.. Verweerder stelt zich allereerst terecht op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij regelmatige financiële ondersteuning van referent heeft ontvangen en dat deze ondersteuning noodzakelijk was. Referent heeft niet tenminste één jaar ononderbroken op regelmatige basis een som geld betaald die voor eiseres noodzakelijk was om in haar basisbehoeften te voorzien. Eiseres heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij van april 2023 tot augustus 2023 een aantal keren geld van referent heeft ontvangen. Dat referent ook contante bedragen heeft betaald en aankopen voor zijn moeder heeft gedaan, is niet met stukken onderbouwd. Gelet op het feit dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij ten laste van referent kwam, mocht verweerder de overgelegde stukken van eiseres onvoldoende vinden en een nadere onderbouwing van haar verlangen. Die nadere onderbouwing ontbreekt echter.\n\n7.3.. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van haar komst naar Nederland ten laste van referent kwam. Daarom heeft verweerder zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet onder de reikwijdte van het Turks associatierecht valt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM?\n\nIs er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent?\n\n8. Allereerst stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent.\n\n8.1.. Het is vaste rechtspraak van het EHRMdat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen en meerderjarige broers en zussen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie; er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. De rechtbank toetst de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid – evenals het EHRM doet en conform de jurisprudentie van het EHRM– vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025en maakt deze overwegingen de hare.8.2.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat eiseres, die hoogbejaard is, sinds haar komst naar Nederland in december 2022 tot het bestreden besluit van 7 april 2025 met referent en zijn gezin heeft samengewoond en dat zij financieel door referent is onderhouden. Daarmee is er dus sprake van samenwoning en financiële afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Ook staat vast dat eiseres met meerdere gezondheidsklachten kampt, waaronder aortaklepstenose, staar en cognitieve en mobiliteitsbeperkingen. Daarom heeft eiseres van referent en zijn zus hulp nodig bij de dagelijkse praktische taken, zoals medicatie innemen, het aan- en uitkleden en haar zelfverzorging. Op de zitting is ook gesteld dat eiseres dementeert. Het vorenstaande is niet bestreden. Hiermee staat dus ook vast dat eiseres vanwege haar gezondheid afhankelijk is van referent en zijn gezin. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn en dat daarmee sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt.\n\nBelangenafweging ten aanzien van familieleven\n\n9. De belangenafweging zoals die nu beschreven staat in het bestreden besluit houdt geen stand nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hoewel strikt genomen ten overvloede, ziet de rechtbank in het kader van een finale beslechting van het geschil wel aanleiding om enkele handvatten te geven voor de nieuw te maken belangenafweging.\n\n9.1.. Eiseres was ten tijde van het bestreden besluit bijna 92 jaar. Zij heeft toegelicht in Turkije geen familieleden meer te hebben, behalve een neef met wie zij geen contact meer heeft. In Turkije zal zij na terugkeer naar alle verwachting in een verzorgingstehuis in [plaats 1] terechtkomen, aanzienlijk ver van [plaats 2] waar zij tot december 2022 woonde. Eiseres heeft voorts toegelicht dat zij tot de Armeens-Christelijke gemeenschap behoort en niet volledig de Turkse taal beheerst waardoor een verblijf in een verzorgingstehuis extra belastend is. Verweerder moet betrekken waarom het voor haar niet onredelijk belastend is om zonder enig sociaal netwerk naar een verzorgingstehuis te gaan in een regio waar zij nooit eerder heeft verbleven, terwijl zij ook de Turkse taal niet goed beheerst. Dit geldt ook voor de door verweerder genoemde mogelijkheid om de familieband voort te zetten door middel van digitale middelen en regelmatig bezoek. Volgens verweerder is niet gebleken dat referent (en zijn gezin) zich niet met eiseres in Turkije kunnen vestigen en dat zij daar geen bestaan kunnen opbouwen. Verweerder moet in de belangenafweging betrekken waarom dit, ondanks de hoge leeftijd van eiseres, en nu verweerder ook erkent dat dit waarschijnlijk niet makkelijk is, nog een realistische mogelijkheid is en dat dit toch van hen kan worden verlangd.\n\n9.2.. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder de eerste toelating van eiseres ten onrechte in de belangenafweging in haar nadeel heeft meegewogen, nu deze weging neutraal had moeten zijn.\n\nBelangenafweging ten aanzien van privéleven\n\n10. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van haar privéleven ten onrechte in haar nadeel uitvalt. Verweerder heeft ten onrechte niet betrokken dat eiseres al eerder op basis van tijdelijk legaal verblijf voor lange periodes bij referent in Nederland heeft verbleven. Daarnaast is het gezien de aardbevingen in Turkije en de leeftijd en gezondheid van eiseres onmogelijk en onredelijk om weer een bestaan op te bouwen in Turkije.\n\n10.1.. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de belangenafweging ten aanzien van het privéleven in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat eiseres in Nederland niet heeft gewerkt en geen opleiding heeft gevolgd en zij ook de Nederlandse taal niet spreekt. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat van bijzondere banden met Nederland niet is gebleken. Tot slot heeft eiseres weliswaar eerdere periodes legaal in Nederland verbleven, maar deze periodes zien enkel op het uitoefenen van haar familieleven en niet op haar privéleven. Verweerder heeft deze omstandigheid daarom niet bij de beoordeling van het privéleven hoeven betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSchrijnendheid\n\n11. Tot slot voert eiseres aan dat er sprake is van schrijnende individuele omstandigheden, gezien haar individuele omstandigheden.\n\n11.1.. De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Hierbij is van belang dat de individuele omstandigheden zich hebben voorgedaan in Nederland.11.2.. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de medische problemen van eiseres niet in Nederland zijn ontstaan. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat de aardbeving heeft zich heeft voorgedaan in Turkije en er met eiseres vele slachtoffers zijn waardoor er geen sprake is van een individuele omstandigheid. De situatie van eiseres voldoet daarmee echter niet aan het criterium dat er sprake moet zijn van individuele omstandigheden die binnen Nederland hebben plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat de situatie van eiseres geen schrijnende individuele omstandigheden zijn. Verweerder heeft eiseres ambtshalve daarom geen vergunning hoeven geven. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt.\n\n13. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n14. De rechtbank veroordeelt verweerder in het door eiseres betaalde griffierecht en de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.16541,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.16546,\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de\n\nuitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Besluit nr. 1\u002F80 van de Associatieraad d.d. 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 16 januari 2014, C-423\u002F12, ECLI:EU:C:2014:16 (Reyes), r.o. 22 en het arrest van het HvJEU van 9 januari 2007,\n\nC-1\u002F05, ECLI:EU:C:2007:1 (Yunying Jia), r.o. 37.\n\n Zie het arrest Reyes, r.o. 22 en Yunying Jia, r.o. 37.\n\n Zie het arrest van het HvJEU van 10 april 2025, C-607\u002F21, ECLI:EU:C:2025:264 (XXX), r.o. 35-37.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, r.o. 9-9.5.\n\n Zie IB 2019\u002F81 Ambtshalve toets schrijnende situatie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18484","2026-07-13T00:29:36.127Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":106,"fullText":163,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":164,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":165},"906","ECLI:NL:RBDHA:2026:18493","ecli-nl-rbdha-2026-18493","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.34263\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Timmer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. F. Schoot).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 19 juni 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n3.1.. \n\nIn de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Eiser betoogt echter dat de maatregel onrechtmatig is omdat uit de motivering in de maatregel niet blijkt dat de minister heeft meegewogen dat eiser in Spanje een beroep heeft gedaan op de recente regularisatieregeling.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. In de maatregel heeft de minister overwogen dat eisers verklaring dat hij een verblijfsaanvraag in Spanje heeft lopen is meegenomen in de beslissing. Volgens de minister maakt dat de vreemdelingenbewaring niet onevenredig bezwarend, omdat eiser de beslissing op die aanvraag niet heeft afgewacht en naar Nederland is gekomen, omdat hij liever in Nederland wil verblijven. Deze motivering acht de rechtbank toereikend, mede gelet op het feit dat eiser zelf ook heeft verklaard geen rechtmatig verblijf te hebben in Spanje. Zijn stelling dat de kans groot is dat hij een verblijfsvergunning krijgt in Spanje leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat eiser die stelling niet nader heeft onderbouwd. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van\n\nD.P. van Middelkoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18493","2026-07-13T00:28:54.009Z",{"id":167,"ecli":168,"slug":169,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":106,"fullText":170,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":171,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":172},"909","ECLI:NL:RBDHA:2026:18491","ecli-nl-rbdha-2026-18491","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.30546 (voorlopige voorziening)\n\n NL25.43387 (beroep)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1970, van Marokkaanse nationaliteit, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. J. Werner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een mvvom bij haar echtgenoot, de heer [referent] (referent), in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.\n\nVerzoekster is het niet eens met de afwijzing en stelde daarom beroep in. Daarnaast vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat zij tijdens de beroepsprocedure al tot Nederland wordt toegelaten. Als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat zij tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland wordt toegelaten.\n\nDe voorzieningenrechter doet in deze uitspraak ook uitspraak over het beroep. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep gegrond is. Het afwijzen van de aanvraag, alleen omdat verzoekster het inburgeringexamen niet heeft gehaald, is namelijk discriminatoir. Ook heeft de minister de hoorplicht geschonden. Daarom moet de minister een nieuw besluit op bezwaar nemen. Voor de volledigheid gaat de voorzieningenrechter ook in op de beroepsgrond dat verzoekster ontheffing moet krijgen van het inburgeringsvereiste.\n\nOmdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan over het beroep, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen voor de periode waarin de beroepsprocedure loopt. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van het nieuwe besluit op bezwaar, omdat er geen sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 17 januari 2025 wees de minister de aanvraag van verzoekster om een mvv af. Hiertegen maakte verzoekster bezwaar.\n\n1.1.. Met de beslissing op bezwaar van 11 augustus 2025 (het bestreden besluit) verklaarde de minister het bezwaar ongegrond.\n\n1.2.. Verzoekster stelde hiertegen op 8 september 2025 beroep in. Op 1 juni 2026 vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister haar tijdens de beroepsprocedure moet toelaten tot Nederland. Op zitting vulde verzoekster dit verzoek aan: als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat de minister haar tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland moet toelaten.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter behandelde de zaken op 29 juni 2026 op zitting. Referent, R. Dahman als tolk in de Arabische taal en de gemachtigden van partijen waren aanwezig.\n\nOverwegingen\n\n2. Na afloop van de zitting kwam de voorzieningenrechter tot de conclusie dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awbniet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\nInleiding\n\n3. Verzoekster trouwde op [datum] 2023 in Marokko met referent. Referent woont sinds 1992 in Nederland en heeft vanaf 1999 de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.1.. Op 13 juni 2024 vroeg verzoekster een mvv aan, omdat zij bij referent in Nederland wil verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. De minister zag geen aanleiding om verzoekster van dat vereiste te ontheffen. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag.\n\nDiscriminatieverbod\n\n4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij door de voorwaarde om voorafgaand aan een mvv-aanvraag het basisexamen inburgering te behalen, gediscrimineerd wordt op grond van nationaliteit en (indirect) op grond van etniciteit\u002Fras.\n\n4.1.. Ten aanzien van de afwijzing van een aanvraag voor een mvv, alleen op grond van het inburgeringsvereiste, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 16 april 2024overwogen dat een dergelijk besluit discriminatoir is. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof. Het Hof moet zich nog uitspreken over deze vraag. De voorzieningenrechter zal in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak van 16 april 2024 oordelen, namelijk dat het bestreden besluit in strijd is met de internationale discriminatieverboden neergelegd in (het 12e Protocol bij) het EVRM, het IVUR, en het Handvest. De beroepsgrond slaagt.\n\nHoorplicht\n\n5. Verzoekster stelt zich verder op het standpunt dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord.\n\n5.1.. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen.In veel gevallen is horen aangewezen, omdat een hoorzitting nu juist kan dienen om informatie boven tafel te krijgen, te zoeken naar oplossingen en een toelichting op de betrokken belangen te verkrijgen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.\n\n5.2.. De voorzieningenrechter overweegt dat er in dit geval geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat de bezwaargronden onder andere zagen op de zaakoverstijgende vraag over het discriminatieverbod, maakt niet dat het horen daarom geen verschil had kunnen maken voor de uitkomst van de zaak. Daarbij heeft verzoekster er juist terecht op gewezen dat de conclusie dat een bezwaar kennelijk ongegrond is, zich slecht verhoudt tot het feit dat er zodanige twijfel is over het antwoord op de rechtsvraag dat de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van verzoekster in beroep heeft toegelicht dat hij ervan uit was gegaan dat een hoorzitting zou plaatsvinden, zodat hij zich daarop kon voorbereiden en nog nadere stukken in kon dienen, wat mogelijk is tot tien dagen voor de hoorzitting. Door het onverwacht nemen van een beslissing op bezwaar, is dit niet gebeurd. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit dat er bij de minister nog onduidelijkheden bestonden over bijvoorbeeld hoelang verzoekster lessen heeft gevolgd, wat deze lessen inhielden en wat de achtergrond van de docent is. Een hoorzitting was bij uitstek het aangewezen moment om deze onduidelijkheden te verhelderen. De beroepsgrond slaagt.\n\nOntheffing\n\n6. Verzoekster stelt zich tot slot op het standpunt dat de minister heeft miskend dat zij zich over een lange periode heeft ingezet om het examen te behalen en gelet daarop voor ontheffing in aanmerking komt.\n\n6.1.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Een vreemdeling kan ontheffing krijgen van de plicht om te slagen voor het inburgeringsexamen. Of de vreemdeling ontheffing krijgt, hangt volgens de minister onder andere af van de inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het examen. Deze inspanningen om te slagen voor het examen mogen niet zo lang duren dat gezinshereniging onmogelijk of heel erg moeilijk wordt gemaakt.\n\n6.2.. De voorzieningenrechter is met de minister van oordeel dat niet is gebleken dat verzoekster zich op een passende manier lang genoeg heeft ingezet en heeft gedaan wat zij kan om zich voor te bereiden op het examen en te slagen voor het examen. In bezwaar heeft verzoekster ter onderbouwing van haar inspanningen slechts een verklaring van [persoon] van 30 mei 2024 overgelegd. Daarin staat onder andere dat verzoekster vanaf september 2023 tot heden (30 mei 2024) de inburgeringscursus Nederlandse taal heeft gevolgd en vanaf september 2023 tot begin april 2024 privélessen thuis heeft gekregen, vier uur per week, twee uur per les. De voorzieningenrechter volgt de minister in zijn standpunt dat de verklaring summier is, geen informatie geeft over de inhoud van de gestelde cursus of wat de achtergrond van de lerares is, niet is toegelicht wat verzoekster concreet heeft gedaan tijdens de cursus en op welke manier zij werd begeleid. De door verzoekster in beroep overgelegde uitslagen van drie basisexamen maken het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Hoewel uit de besluitvorming van de minister volgt dat behaalde scores voor afgelegde examens een indicatie geven voor de geleverde inspanningen, volgt hieruit niet dat verzoekster ook daadwerkelijk voldoende inspanningen heeft verricht om zich voor te bereiden op en te slagen voor (alle onderdelen van) het examen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen van het beroep\n\n7. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit discriminatoir is en de minister de hoorplicht heeft geschonden. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van verzoekster, met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt voor het nemen van het nieuwe besluit een termijn van zes weken.\n\nVoorlopige voorziening\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding om de primair verzochte voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter ziet verder ook geen aanleiding om de subsidiair verzochte voorzieningtoe te wijzen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.\n\n8.1.. Toewijzing van de gevraagde voorziening zou betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die zij met haar aanvraag beoogt. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden zal een dergelijk verzoek voor toewijzing in aanmerking komen en daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat er geen sprake is van een bijzonder zwaarwegend spoedeisend belang. De voorzieningenrechter stelt op basis van de verklaring van de huisarts vast dat referent wordt geopereerd aan zijn linkeroor en dat er een trommelvliessluiting zal plaatsvinden. Referent mag nadien niet tillen, bukken of huishoudelijk werk verrichten. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het voor referent wenselijk is dat verzoekster hem (emotioneel en) praktisch kan ondersteunen na de operatie, heeft verzoekster onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk is dat juist zij de zorg aan referent moet verlenen en zorg door bijvoorbeeld een wijkverpleegkundige dan wel huishoudelijk hulp (via de gemeente) niet voldoende zou zijn. De door verzoekster naar voren gebrachte omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als zodanig bijzondere omstandigheden dat haar de toegang tot Nederland moet worden verschaft nog voordat er opnieuw is besloten op haar bezwaar.\n\nProceskosten\n\n9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 11 augustus 2025;\n\ndraagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\nwijst het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening af;\n\nbepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D. de Hoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.\n\n Zie in dit verband de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3412, rechtsoverweging 8, waaruit volgt dat aangenomen kan worden dat een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep kan worden getransformeerd naar een verzoek hangende bezwaar.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18491","2026-07-13T00:28:54.120Z",{"id":174,"ecli":175,"slug":176,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":177,"fullText":178,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":180},"672","ECLI:NL:RBDHA:2026:18539","ecli-nl-rbdha-2026-18539","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 24\u002F11456 V-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser]\n\ngeboren op [geboortedag] 1961, van Mauritiaanse nationaliteit, eiser.\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de bestreden besluiten van 20 mei 2024 en 11 juni 2024. Met deze besluiten heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn terecht uitgevaardigd. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. In het besluit van 20 mei 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken uitgevaardigd.Eiser moet terugkeren naar Mauritius. Op 11 juni 2024 heeft verweerder een inreisverbod aan eiser uitgevaardigd met een duur van twee jaar.Het beroep van eiser is gericht tegen beide besluiten.\n\n2.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op een zitting behandeld. Hierbij waren eiser (via digitale verbinding) en de gemachtigde van verweerder aanwezig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt de uitvaardiging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Verweerder heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat tijdens de uitreiscontrole op Schiphol is gebleken dat eiser de maximale termijn die hij in de Schengenzone mocht verblijven met 179 dagen had overschreden.Eiser heeft een termijn van vier weken gekregen om het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland te verlaten. Daarnaast is middels de voornemenprocedureaan eiser een inreisverbod met een duur van twee jaar opgelegd.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat tijdens de uitreiscontrole ten onrechte is vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf (meer) zou hebben in de Schengenzone. Eiser verbleef namelijk in Polen en was in Polen in afwachting van een besluit op zijn aanvraag om een verblijfvergunning. Dit brengt volgens eiser met zich mee dat hij (procedureel) rechtmatig verblijf had in Polen en in de Schengenzone en dus niet illegaal op het grondgebied van Nederland verbleef.\n\n5.1.. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijneen terugkeerbesluit moet nemen als het illegaal verblijf van een vreemdeling is vastgesteld. Verweerder kan echter op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn geen terugkeerbesluit nemen als de betreffende vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf. Indien de vreemdeling stelt dat hij of zij in het bezit is van een verblijfsvergunning afgegeven door een andere lidstaat of een andere toestemming van verblijf, dan is het aan de vreemdeling om dat aan te tonen.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft geen enkel document overgelegd waaruit blijkt dat hij in het bezit is van een door de Poolse autoriteiten afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit de door eiser meegestuurde stukken volgt enkel dat hij een aanvraag heeft gedaan in Polen en dat het mogelijk was om zich in te schrijven met zijn bedrijf in Polen. Uit de stukken die eiser in beroep heeft ingediend, blijkt dat in de Poolse regelgeving staat, dat als er een verblijfsaanvraag is gedaan en gedurende de aanvraag iemand in Polen mag blijven, er een stempel in het reisdocument wordt aangebracht. Op Schiphol is deze stempel niet aangetroffen in het paspoort van eiser en dit wordt door eiser ook erkend in zijn beroepschrift. Indien eiser met de inschrijving van zijn bedrijf heeft willen zeggen dat zijn verblijf gedoogd werd in Polen in afwachting van een besluit op zijn aanvraag, volgt uit het Terugkeerhandboekdat een gedoogsituatie geen wettelijk verblijfsrecht is. Eiser heeft ook geen ander document overgelegd dat kwalificeert als ‘een verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf’. Dit is aan eiser om aan te tonen. Concluderend is niet gebleken dat eiser rechtmatig verblijf had in Polen.\n\n5.3.. Gelet op het voorgaande was eiser tijdens de uitreiscontrole onrechtmatig op het grondgebied van Nederland. Voor zover eiser op de zitting heeft betwist zich op Nederlands grondgebied te hebben begeven tijdens zijn transit op Schiphol, slaagt deze grond niet. Ook bij het enkel overstappen op Schiphol en het niet verlaten van het vliegveld, geldt dit gebied als Nederlands grondgebied.Hiervoor dient een reiziger, indien nodig, een doorreisvisum (ook wel airport transit visum) aan te vragen.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n6. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Eiser reisde samen met zijn vrouw en in haar geval is uiteindelijk afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Volgens eiser bevonden zij zich in exact dezelfde situatie en maakten zij dezelfde reisbewegingen.\n\n6.1.. Deze grond slaagt niet. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat bij de echtgenote van eiser het gehoor een verkeerde aanloop had en het voornemen niet aan haar is uitgereikt. Bij de echtgenote is dus niet op inhoudelijke gronden afgezien van het opleggen van de besluiten, maar omdat procedurele waarborgen niet in acht waren genomen. Om die reden is er geen sprake van gelijke gevallen.\n\nProcedurele waarborgen\n\n7. Eiser heeft naar voren gebracht dat ook bij hem procedurele waarborgen niet in acht zijn genomen. Eiser stelt in dat kader allereerst dat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Ten aanzien van het terugkeerbesluit staat niet ter discussie dat het formulier van het gehoor terugkeerbesluit aan eiser is uitgereikt. Dit formulier zit ook ingevuld in het dossier en betreft het gehoor. Hierop staat omcirkeld dat eiser heeft aangegeven niet nader te willen worden gehoord en dit formulier is opgesteld door een ambtenaar. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van dit formulier. Voor zover eiser zich onder druk gezet voelde vanwege de tijdsdruk die speelde, is dat onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de hoorplicht is geschonden. Relevant is dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken en dat is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebeurd.\n\n8. Ten aanzien van het inreisverbod constateert de rechtbank dat dit is uitgevaardigd volgens de voornemenprocedure die is vastgelegd in paragraaf A4\u002F2.4.3 van de Vc. Deze procedure wordt gevolgd wanneer de vreemdeling bij het volgen van de normale procedure zijn vlucht niet zou halen. In overeenstemming met de voornemenprocedure is aan eiser in persoon op de luchthaven het voornemen tot het uitvaardigen van een inreisverbod uitgereikt. Eiser heeft hierna 28 dagen de tijd gekregen om vanuit het buitenland een zienswijze op het voornemen in te dienen en heeft ook van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De Afdeling heeft op 19 januari 2021geoordeeld dat de voornemenprocedure is toegestaan. Verweerder heeft eiser dus voldoende zorgvuldig gehoord in het kader van het inreisverbod.\n\n9. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat hij het terugkeerbesluit niet in het Engels heeft ontvangen. De rechtbank constateert in dat kader dat op het terugkeerbesluit een QR-code is opgenomen onder het kopje “nadere informatie” met bijschrift “You have received a return decision. Read our leaflet with an explanation of the return decision on ind.nl\u002Ffolder-terugkeerbesluit. Or scan the QR code.” Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende duidelijk waar eiser een Engelse vertaling van het terugkeerbesluit kon vinden. Verder staat in het voornemen inreisverbod vermeld dat het terugkeerbesluit en het voornemen inreisverbod in het Engels zijn uitgereikt. Daarnaast heeft eiser in zijn nadere gronden van beroep in zijn overzicht zelf aangegeven van deze twee documenten een vertaling te hebben ontvangen. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat deze documenten niet in het Engels aan eiser zijn uitgereikt.\n\n10. Tot slot heeft eiser op de zitting naar voren gebracht dat hij een vrije termijn had moeten krijgen om te vertrekken en dat in het besluit een onjuiste nationaliteit staat vermeld. Deze gronden volgt de rechtbank niet. Eiser heeft een vrije termijn van 28 dagen gekregen en vermeld staat dat eiser uit Mauritius komt.\n\nEvenredigheid\n\n11. Eiser voert aan dat de besluiten niet evenredig zijn gelet op de grote gevolgen die deze voor hem hebben gehad. Eiser was naar eigen zeggen in Polen in afwachting van een verblijfsvergunning, woonde in Polen en had daar een bedrijf. Dat aan hem twee jaar lang de toegang tot het gehele Schengengebied is ontzegd, heeft zeer zware persoonlijke gevolgen voor hem gehad omdat hij niet terug kon naar Polen om zijn bedrijf te runnen en zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning daar verder af te maken.\n\n11.1. Naar het oordeel van de rechtbank is er in het geval van eiser niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de opgelegde besluiten onevenredig zijn. Eiser heeft, zoals hierboven overwogen, niet aangetoond rechtmatig verblijf te hebben in Polen. Er zijn ook geen andere relevante bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd en onderbouwd. Dat eiser niet meer de Schengenzone in kon reizen is inherent aan het inreisverbod en een bedoeld gevolg van het besluit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Egmond, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE\n\nToepasselijk nationaal recht\n\nVreemdelingenwet (Vw)\n\nArtikel 62\n\nNadat tegen de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.\n\nOnze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:\n\neen risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;\n\nde aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of\n\nde vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.\n\n[…]\n\nArtikel 62a\n\n1. Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:\n\nreeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan,\n\nde vreemdeling in bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, of\n\nde vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie wordt teruggenomen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling.\n\n[…]\n\nArtikel 66a\n\n[…]\n\n2. Onze Minister kan een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.\n\n[…]\n\nVreemdelingencirculaire (Vc)\n\nA3\u002F1.1.3 Bevoegdheid nemen terugkeerbesluit\n\n[…]\n\nDe IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt geen terugkeerbesluit als:\n\ner eerder een rechtsgeldig terugkeerbesluit is gegeven terwijl de vreemdeling nog niet heeft voldaan aan zijn vertrekverplichting die is opgenomen in het terugkeerbesluit;\n\nde IND de aanvraag heeft afgewezen, maar er nog een andere aanvraag in Nederland loopt die procedureel rechtmatig verblijf geeft, waarop nog niet in eerste aanleg is beslist;\n\nde vreemdeling een alleenstaande minderjarige vreemdeling is en zolang niet is vastgesteld dat er adequate opvang aanwezig is in het land van terugkeer (zie paragraaf A3\u002F6.1 en B8\u002F6.1 Vc) (artikel 5 Terugkeerrichtlijn: belang van het kind);\n\ner is vastgesteld dat familie-, gezins- of privéleven in de zin van artikel 8 EVRM zich verzet tegen het nemen van een terugkeerbesluit;\n\nr is vastgesteld dat de vreemdeling in het land van terugkeer een risico loopt op vervolging, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a Vw of een reëel risico loopt op ernstige schade (artikel 3 EVRM), zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid onder b, Vw;\n\ner is vastgesteld dat er sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM als gevolg van de gezondheidstoestand van de vreemdeling bij uitzetting naar het land van terugkeer; (artikel 5 Terugkeerrichtlijn)\n\nals een overdrachtsbesluit ingevolge de Externe link:Dublinverordening (EU) 604\u002F2013 is genomen; of\n\nde vreemdeling valt onder het toepassingsbereik van Externe link:Richtlijn 2004\u002F38 (burger van de Europese Unie of familielid van de burger van de Europese Unie).\n\nA4\u002F2.2 Geen inreisverbod\n\nDe IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt geen inreisverbod uit als:\n\nde IND een ander land dat partij is bij Externe link:Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 heeft verzocht de vreemdeling op grond van deze verordening terug te nemen of over te nemen;\n\nde vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning, verleend door een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland, tenzij de vreemdeling in aanmerking komt voor een zwaar inreisverbod;\n\nhet uitvaardigen van een inreisverbod aan de vreemdeling een schending van artikel 8 EVRM betekent.\n\n[…]\n\nA4\u002F2.4.3 Opleggen inreisverbod met voornemenprocedure aan de grensdoorlaatpost\n\n[…]\n\nAlgemeen\n\nAls het niet meer mogelijk is om voor het vertrek van de vreemdeling een inreisverbod uit te vaardigen, dan geldt in afwijking van A4\u002F2.4.1 het volgende:\n\nWanneer de ambtenaar belast met de grensbewaking van oordeel is dat er gronden zijn voor het uitvaardigen van een inreisverbod, dan moet deze ambtenaar een voornemenprocedure starten.\n\nVoorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit geeft deze ambtenaar uitvoering aan de hoorplicht, zoals bedoeld in artikel 4:8 Awb. De vreemdeling wordt erop gewezen dat een inreisverbod kan worden opgelegd, ook als de vreemdeling aan de vertrekverplichting gaat voldoen.\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking biedt de vreemdeling in het kader van het voornemen de gelegenheid zijn adresgegevens in het buitenland kenbaar te maken.\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking maakt in het voornemen kenbaar:\n\nde grondslag voor het opleggen van een inreisverbod;\n\nde duur van het inreisverbod; en\n\nde mogelijkheid dat de vreemdeling een schriftelijke zienswijze in de Nederlandse taal naar voren kan brengen tegen het opleggen van een inreisverbod en de voorgenomen duur binnen vier weken na uitreiking van het voornemen.\n\nUitreiken van het voornemen\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking handelt bij de uitreiking van het voornemen als volgt:\n\nhij reikt het voornemen aan de vreemdeling in persoon uit;\n\nhij verstrekt een brochure in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal met betrekking tot het uitvaardigen van een inreisverbod; en\n\nhij verstrekt informatie op welke wijze de vreemdeling zijn zienswijze naar voren kan brengen.\n\nDe zienswijze, de beschikking en de wijze van bekendmaken\n\nDe hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee betrekt alle feiten en omstandigheden die de vreemdeling in de zienswijze naar voren brengt.\n\nDe hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod binnen acht weken nadat de termijn van vier weken voor het naar voren brengen van een zienswijze is verstreken. De beschikking wordt naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres in het buitenland gezonden en van de inhoud wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Als geen geldig (e-mail)adres van de vreemdeling in het buitenland bekend is, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Staatscourant. Als een gemachtigde bekend is, wordt tevens een kopie van het besluit naar de gemachtigde gezonden op dezelfde dag als die waarop het besluit naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres is gezonden.\n\n[…]\n\n Op grond van artikel 62a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw.\n\n Zie artikel 12 van de Vw en artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit (Vb).\n\n Zie paragraaf A4\u002F2.4.3, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075.\n\n Terugkeerhandboek van Aanbeveling (EU) 2017\u002F2338 van de Commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk „terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2026, ECLI:NL:RVS:2022:1256.\n\n Zie ECLI:NL:RVS:2021:89.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18539","2026-07-13T00:28:42.410Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":177,"fullText":185,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":186,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":52,"updatedAt":187},"1375","ECLI:NL:RBDHA:2026:18202","ecli-nl-rbdha-2026-18202","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.20139\n\n V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999 en van Marokkaanse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. Š. Petković),\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E. Konstapel).\n\nInleiding\n\nMet het primaire besluit van 9 augustus 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser om een visum voor kort verblijf afgewezen.\n\nMet het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser op 30 april 2025 beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door mr. L. Hu, waarneemster van de gemachtigde van eiser. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGriffierecht\n\n1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De griffier heeft dit verzoek met de brief van 1 mei 2025 voorlopig toegewezen. De rechtbank wijst het verzoek definitief toe.\n\nBeroep tegen het bestreden besluit\n\nAchtergrond\n\n2. Eiser heeft op 17 juli 2024 een visum kort verblijf aangevraagd om op bezoek te gaan bij [referent] (referent) in de periode van 16 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024. In het ‘Bewijs van garantstelling en\u002Fof Particuliere logiesverstrekking’ heeft referent verklaard dat eiser zijn neef is.\n\nBesluitvorming\n\n3. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Ook heeft eiser zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende aangetoond, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (tijdig) het Schengenbied zal verlaten.\n\nJuridisch kader\n\n4. De rechtbank overweegt dat in artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii) en b, van de Visumcode staat dat een visum wordt geweigerd als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe.De minister kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en\u002Fof sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.\n\nSociale binding\n\n5. Eiser voert aan dat hij wel een sterke sociale binding met Marokko heeft. Eiser maakt deel uit van een gezin. Hij woont bij zijn moeder en stiefvader en een aanzienlijk deel van zijn familie verblijft in Marokko. Eiser is geboren en getogen in Marokko, heeft daar een sociaal leven opgebouwd en volgt een [opleiding] aan de [universiteit] in [plaats] . De opvatting van de minister zou ertoe kunnen leiden dat bij geen enkele alleenstaande zonder zorgtaken sprake kan zijn van voldoende sociale binding en dat is slecht verdedigbaar. Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2023.\n\n5.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Eiser is 25 jaar oud, ongehuwd en heeft geen kinderen. Hij draagt dus niet de verantwoordelijkheid voor een eigen gezin. Ook is niet gebleken dat eiser zorgdraagt voor zijn moeder, stiefvader of overige directe familieleden of dat er zwaarwegende verplichtingen op hem rusten in Marokko. Verder kan de rechtbank zich indenken dat eiser een sociaal leven heeft in Marokko. Maar de enkele stelling dat dat zo is, zonder onderbouwing waaruit dit sociale leven dan bestaat, heeft de minister onvoldoende kunnen achten voor het aannemen van een dusdanige sociale binding naar Marokko dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Voor zover eiser aanvoert dat de studie van eiser een sociale binding met Marokko oplevert, vanwege het contact met bijvoorbeeld medestudenten, heeft eiser ook dit verzuimd te onderbouwen. Tot slot kan de verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van 24 april 2023 eiser niet baten, omdat dit volgens de rechtbank geen vergelijkbare zaak betreft. Zo vond de rechtbank in die uitspraak ook van belang dat de betrokkene sinds het overlijden van zijn vader de enige man in het gezin was, dat verder bestond uit een moeder en drie zussen Volgens de rechtbank had de minister dit in die zaak wel in zijn beoordeling moeten betrekken, omdat dat een bepaalde sociale binding met zijn gezinsleden en daarmee met het land van herkomst opleverde. In de huidige zaak is eiser echter niet de enige man in het gezin, omdat zijn stiefvader ook deel uitmaakt van het gezin. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nEconomische binding\n\n6. Eiser voert verder aan dat hij wel een sterke economische binding met Marokko heeft. Eiser volgt een [opleiding] aan de [universiteit] in [plaats] . Dit is een veeleisende studie, waarvan hij reeds meerdere vakken met succes heeft afgerond. Vanwege privéomstandigheden heeft hij de studie in de afgelopen periode tijdelijk niet actief kunnen voortzetten. Verder is van belang dat het een Arabischtalige [opleiding] betreft, die niet internationaal erkend is. Hierdoor is het feitelijk uitgesloten om de studie elders voort te zetten.\n\n6.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Het is niet in geschil dat eiser niet over een stabiel en regelmatig inkomen beschikt om zelfstandig in zijn onderhoud te voorzien in Marokko. Ten aanzien van de studie van eiser is de rechtbank ervan uitgegaan dat dit gaat om een studie over het recht in Marokko en niet over een (algemene) [opleiding] in het Arabisch, zoals de gemachtigde van de minister op zitting heeft gesteld. De rechtbank kan zich lastig indenken dat een studie over het recht in Marokko makkelijk elders kan worden voortgezet. Dit leidt echter niet tot een geslaagd beroep, omdat eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk die studie volgt. De inschrijvingen voor het leerjaar 2023-2024, de inschrijving voor het leerjaar 2024-2025 en een vakantierooster is daarvoor niet genoeg. De rechtbank is het met de minister eens dat het op de weg van eiser had gelegen om zijn studie(voortgang) nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met cijferlijsten of uitslagen van behaalde tentamens. Dat heeft eiser niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHoorplicht\n\n7. Eiser voert tot slot aan dat hij ten onrechte niet door de minister is gehoord. Het staat immers niet op voorhand vast dat hetgeen eiser mogelijk nog aanvullend zou kunnen verklaren of bewijzen niet kan leiden tot een ander oordeel en dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de uitkomst van het bezwaar.\n\n7.1.. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awbkan van horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit.\n\n7.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het geval van eiser kunnen afzien van het horen in bezwaar. In wat eiser in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om eiser nader te horen over het doel van zijn verblijf en zijn gestelde sociale en economische binding met het land van herkomst. Het is allereerst aan eiser om zijn sociale en economische binding met het land van herkomst aannemelijk te maken. Ook met de in de bezwaarfase overgelegde documenten is eiser daarin niet geslaagd. Een mondelinge toelichting had dat niet anders gemaakt. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 juni 2026, omdat in die zaak in de bezwaarfase meer stukken waren overgelegd. Zo had de betrokkene in die zaak naast registratiecertificaten ook afschriften van cijferlijsten over drie studiejaren overgelegd. Op grond daarvan kwam de rechtbank tot de conclusie dat eiser voldoende inspanningen had verricht om de door de minister verlangen informatie te verkrijgen en inzichtelijk te maken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag om een visum voor kort verblijf in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:6137.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie hierover ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:15428.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18202","2026-07-13T00:29:18.661Z",{"id":189,"ecli":190,"slug":191,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":177,"fullText":192,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":193,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":52,"updatedAt":194},"1352","ECLI:NL:RBDHA:2026:18169","ecli-nl-rbdha-2026-18169","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.23373\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. J. van Putten),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.\n\nInleiding\n\nBij besluit van 5 december 2025 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.\n\nDe minister heeft met het besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe om verzoeker toe te staan zijn werkzaamheden te continueren gedurende de beroepsprocedure.\n\nOp 24 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de minister verzocht binnen één week op dit verzoek te reageren. De minister heeft geen reactie gegeven.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak\n\nzonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.\n\n2. Verzoeker stelt dat hij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevraagde voorlopige voorzieningen. Dat verzoeker voor onbepaalde tijd zonder werk komt te zitten, de grote onzekerheid over zijn verblijfsrechtelijke positie en daarmee samenhangende dienstverband, brengen voor hem een grote mate van psychische spanning mee. Hierbij dient voor ogen gehouden te worden dat verzoeker in Nederland geen familie en, gelet op zijn relatief korte verblijf, slechts een beperkt sociaal netwerk heeft, dat grotendeels samenhangt met zijn werkomgeving. Zijn werkzaamheden als kok vormen voor hem dan ook niet alleen een bron van inkomsten, maar deze bieden ook structuur, sociale contacten en hij haalt er bovendien veel plezier uit. Het wegvallen hiervan zal dan ook van een negatieve impact zijn op zijn mentale gesteldheid.\n\n3. Omdat de minister desgevraagd zijn belangen niet kenbaar heeft gemaakt, valt de belangenafweging uit in het voordeel van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe.\n\n4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de\n\nminister in de door verzoeker gemaakte griffie- en proceskosten. De proceskosten stelt de\n\nvoorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht\n\nvoor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor\n\nhet indienen van het verzoekschrift met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor\n\n1).\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;\n\n- bepaalt dat de vertrekplicht wordt opgeschort en dat verzoeker gedurende de\n\nberoepsprocedure mag blijven werken;\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18169","2026-07-13T00:29:17.350Z",67,20,[11,198,199],2025,2024]