[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-inheritance-tax-nl-2026":3},{"detail":4,"years":73},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":72},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},159,"inheritance-tax-nl","Inheritance Tax","NL","2026-07-08T17:00:45.441Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"390","ECLI:NL:RBNHO:2026:5134","ecli-nl-rbnho-2026-5134","",67,"2026-04-21T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 24\u002F7638 en HAA 25\u002F2299\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaken tussen\n\nmr. [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. L.C.A. Wijsman),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nHAA 24\u002F7638\n\nMet dagtekening 8 maart 2024 heeft verweerder aan belanghebbende een aanslag schenkbelasting opgelegd, berekend naar een belaste schenking van € 10.997.792 (hierna: de aanslag schenkbelasting).\n\nBij uitspraak op bezwaar met dagtekening 7 oktober 2024 heeft verweerder de aanslag schenkbelasting vernietigd.\n\nHAA 25\u002F2299\n\nMet dagtekening 14 december 2023 heeft verweerder aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd, berekend naar een belaste verkrijging van € 11.126.984 (hierna: de aanslag erfbelasting).\n\nBij uitspraak op bezwaar met dagtekening 27 maart 2025 heeft verweerder de aanslag erfbelasting verminderd naar een belaste verkrijging van € 126.984.\n\nBeide zaken\n\nBelanghebbende heeft beroepen ingesteld.\n\nVerweerder heeft verweerschriften ingediend.\n\nBelanghebbende heeft nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026 te Haarlem.\n\nBelanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] MSc en mr. [naam 4] .\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\nAlgemeen\n\n1. Belanghebbende is op 13 september 1985 gehuwd met mevrouw [naam 5] (hierna: erflaatster) buiten elke gemeenschap van goederen.\n\n2. Belanghebbende en erflaatster hebben op 8 september 2010 hun huwelijkse voorwaarden gewijzigd. In de voorwaarden is opgenomen dat, indien het huwelijk eindigt door overlijden, wordt afgerekend tussen hen alsof een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan (hierna: het finaal wederkerig verrekenbeding).\n\n3. Op 30 juni 2020 hebben belanghebbende en erflaatster hun huwelijkse voorwaarden gewijzigd. Het finaal wederkerig verrekenbeding bij overlijden is ingetrokken.\n\n4. Erflaatster is op 22 juli 2020 overleden. Erfgenamen van erflaatster zijn belanghebbende en hun drie kinderen.\n\nDe aanslag erfbelasting\n\n5. Belanghebbende vraagt bij schrijven met dagtekening 25 maart 2021 uitstel voor het indienen van een aangifte erfbelasting tot 22 augustus 2021.\n\n6. Tot de gedingstukken behoort een brief van verweerder met dagtekening 20 april 2021, gericht aan belanghebbende. In deze brief is het volgende vermeld:\n\n‘(…)\n\nOp 31 maart 2021 hebt u uitstel aangevraagd voor het doen van uw aangifte erfbelasting van de erfenis van de overledene [rechtbank: erflaatster] (…).\n\nIk verleen u hiervoor uitstel tot 22 augustus 2021.\n\n(…)’\n\n7. Tot de gedingstukken behoort een door verweerder overgelegd document genaamd ‘Rapport Datum Verzending’ ten aanzien van de hiervoor onder 6 genoemde brief. In dit stuk is onder meer vermeld dat de brief ‘(…) met dagtekening 20 april 2021 (…) t.n.v. [belanghebbende] is gearchiveerd en verzonden is aan het adres [adres] ’, dat de brief ‘is opgenomen in een samengestelde partij documenten’, dat is ‘waargenomen dat de partij documenten (…) is aangeboden aan POSTNL, ter verzending’ en dat ‘de partij documenten (…) tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending’.\n\n8. Op 7 september 2021 doet belanghebbende aangifte erfbelasting.\n\n9. Met dagtekening 27 september 2021 stuurt verweerder aan belanghebbende een herinnering tot het doen van aangifte erfbelasting. In die herinnering is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘U hebt uitstel gekregen om deze aangifte vóór 22 augustus 2021 in te leveren.’\n\n10. Tussen partijen heeft in de periode juni tot en met december 2023 divers overleg plaatsgevonden over de nalatenschap van erflaatster.\n\n11. Zo heeft verweerder bij e-mailbericht van 23 oktober 2023 het volgende aan belanghebbende gevraagd:\n\n‘(…)\n\nWijziging huwelijkse voorwaarden\n\n[Erflaatster] was met [belanghebbende] gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In de huwelijksvoorwaarden was sprake van koude uitsluiting met finale verrekening bij einde huwelijk door overlijden. Drie weken voor overlijden, op 30 juni 2020, zijn de huwelijksvoorwaarden gewijzigd en is het finale verrekenbeding bij overlijden geschrapt. Dit kan een belastbaar feit voor de schenkbelasting inhouden. Ik ontvang graag nadere informatie hieromtrent.\n\nIk verneem graag van u wat de reden\u002Faanleiding is geweest voor de wijziging van de huwelijksvoorwaarden en wie de initiatiefnemer tot de wijziging is geweest?\n\n(…)’\n\n12. In een e-mailbericht van 14 november 2023 van verweerder aan de notaris van belanghebbende schrijft verweerder:\n\n‘(…)\n\nIk ben voornemens de aanslagen erfbelasting vast te stellen. U dient er rekening mee te houden dat ter behoud van rechten afgeweken wordt van de gedane aangifte.\n\nDenkbaar is een bijtelling op basis van art. 12 Sw in verband met een schenking binnen 180 dagen, danwel, onder verwijzing naar de conclusie van de AG in de cassatiezaak, bekend onder nummer: ECLI:NL:PHR:2023:188, dat het standpunt van fraus legis wordt ingenomen.\n\n(…)’\n\n13. In een e-mailbericht van 4 december 2023 van verweerder aan belanghebbende is het volgende vermeld:\n\n‘(…)\n\n Ik heb u zojuist gebeld inzake de aanslagen erfbelasting (…)\n\n Ik deel u hierbij mede dat ik van de aangifte ben afgeweken.\n\n In dit bericht zal ik toelichten waarom ik van de aangifte ben afgeweken.\n\nFictieve verkrijging ex art. 12 SW\n\nIn de mail van 23 oktober 2023 en 14 november 2023 aan notaris (…) heb ik om informatie gevraagd verband houdend met de wijziging van de huwelijkse voorwaarden (het schrappen van het finale verrekenbeding).\n\nNaar onze mening wordt door deze wijziging afstand gedaan van het recht tot verrekening, zijnde een belastbaar feit voor de schenkbelasting. (…)\n\nOmdat de schenking binnen 180 dagen voor het overlijden heeft plaatsgevonden is art. 12 Successiewet toepasselijk. Er vindt derhalve ook een belastbaar feit voor de erfbelasting plaats.\n\nDe waarde van de fictieve verkrijging is ambtshalve vastgesteld op € 11 miljoen.\n\nTelefonisch contact\n\nIk heb u zojuist geprobeerd te bellen. Indien u dit nog telefonisch wil bespreken, dan is dat mogelijk op onderstaand telefoonnummer.\n\n(…)’\n\n14. Met dagtekening 14 december 2023 legt verweerder aan belanghebbende de aanslag erfbelasting op. De aanslag erfbelasting wijkt – conform hetgeen opgenomen onder 13 – af van de door belanghebbende ingediende aangifte.\n\n15. Op 22 januari 2024 maakt belanghebbende (pro forma) bezwaar tegen de aanslag erfbelasting. Bij schrijven met dagtekening 8 maart 2024 wordt het bezwaar gemotiveerd.\n\n16. Met dagtekening 24 juli 2024 stuurt belanghebbende aan verweerder een nader stuk aangaande de aanslag erfbelasting (en de aanslag schenkbelasting).\n\n17. Vervolgens vindt tussen partijen telefonisch contact en (e-mail)correspondentie plaats, onder meer over de verzending van de brief genoemd onder 6, de voortgang van de bezwaarbehandeling en het plannen van een hoorgesprek.\n\n18. In een (vooraankondigings)brief met dagtekening 7 november 2024 van verweerder aan belanghebbende is het volgende vermeld:\n\n‘(…) Vooraankondiging uitspraak op bezwaar\n\n (…)\n\n2. Fictieve bijtelling artikel 12\n\nWat uw bezwaar onderdeel 2 bent u inmiddels op de hoogte gesteld dat de aanslag schenkbelasting ten aanzien van [belanghebbende] is herzien tot nihil per verminderingsaanslag dagtekening 17 oktober 2024. Hierdoor is toepassing van artikel 12 Successiewet voor een bedrag van € 11.000.000 niet meer mogelijk. Ik zal uw bezwaar wat dat betreft toe wijzen.\n\n(…)\n\nKostenvergoeding\n\nIk ben voornemens u een kostenvergoeding toe te kennen in verband met het herzien van de aanslag erfbelasting in verband met het laten vallen van de fictieve verkrijging ex artikel 12 Successiewet 1956. Ik ontvang graag van u de naam en rekeningnummer waarop de kostenvergoeding ad € 624 kan worden gestort.\n\n(…)\n\nVerzoek kostenvergoeding\n\nIk wijs u een kostenvergoeding toe.\n\n(…)’\n\n19. Bij schrijven met dagtekening 4 december 2024 reageert belanghebbende op de vooraankondiging. Belanghebbende vermeldt in zijn bericht onder meer:\n\n‘(…)\n\nIn uw voornemen schrijft u dat u voornemens bent een kostenvergoeding toe te kennen van EUR 624, d.w.z. forfaitair. De werkelijke gemaakte kosten zijn vele malen groter (ook voor de schenkbelasting). Gelet op het vorenstaande wil ik daarover ook met u het gesprek aangaan. (…)\n\nDe kosten die o.g.v. facturen van mij en de [naam 2] (financieel adviseur) alsook notaris [notaris] zijn toe te rekenen aan de bestreden aanslagen schenk- en erfbelasting bedragen bij benadering in totaal circa EUR 135.000 (incl. BTW).\n\n(…)’\n\n20. Op 16 december 2024 vindt een hoorgesprek plaats. Op 14 januari 2025 reageert belanghebbende op het hoorverslag.\n\n21. Bij uitspraak op bezwaar van 27 maart 2025 vermindert verweerder de aanslag erfbelasting met de (fictieve) verkrijging van € 11.000.000.\n\nDe aanslag schenkbelasting\n\n22. Tussen partijen heeft in de periode juni tot en met december 2023 divers overleg plaatsgevonden over de nalatenschap van erflaatster (waarbij zij verwezen naar hetgeen hiervoor opgenomen onder 11, 12 en 13).\n\n23. Met dagtekening 8 maart 2024 legt verweerder de aanslag schenkbelasting op, uitgaande van een schenking van erflaatster aan belanghebbende ten bedrage van € 11.000.000.\n\n24. Met dagtekening 12 april 2024 maakt belanghebbende bezwaar tegen de aanslag schenkbelasting waarbij hij het bezwaar gelijktijdig motiveert.\n\n25. Met dagtekening 24 juli 2024 stuurt eiser aan verweerder een nader stuk aangaande (de aanslag erfbelasting en) de aanslag schenkbelasting.\n\n26. Vervolgens vindt tussen partijen telefonisch contact en (e-mail)correspondentie plaats, onder meer over de voortgang van de bezwaarbehandeling en het plannen van een hoorgesprek.\n\n27. Bij e-mailbericht van 1 oktober 2024 stuurt verweerder naar belanghebbende het volgende:\n\n‘(…)\n\nIn navolging van ons telefonisch onderhoud kreeg ik zoals verwacht een positieve terugkoppeling van de vaktechnische deskundige na het intern overleg. Het ging in deze zaak om de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een schenking vanwege het schrappen van een wederkerig finaal verrekenbeding alleen werkend bij overlijden. Het standpunt dat ten aanzien van deze vraag is ingenomen luidt dan ook als volgt:\n\nHet schrappen van een wederkerig finaal verrekenbeding alleen werkend bij overlijden in het zicht van overlijden wordt op dit moment niet gezien als een schenking.\n\nDerhalve, zal ik uw bezwaar gericht tegen de aanslag schenkbelasting volledig toewijzen en de aanslag schenkbelasting conform uw bezwaar verminderen naar nihil. U ontvangt van mij binnenkort een definitieve uitspraak op uw bezwaar gericht tegen de aanslag schenkbelasting met de toekenning van de kostenvergoeding.\n\n(…)’\n\n28. Bij uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2024 vernietigt verweerder de aanslag schenkbelasting. Daarbij kent hij een kostenvergoeding toe van € 624 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 624).\n\nGeschil 29. In geschil is of de aanslag erfbelasting terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de aanslag erfbelasting binnen de wettelijke aanslagtermijn is opgelegd.\n\n30. Verder is voor beide zaken in geschil of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van de bezwaren.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nTijdigheid aanslag erfbelasting\n\n31. Belanghebbende betoogt dat de aanslag erfbelasting buiten de aanslagtermijn is opgelegd en zodoende dient te worden vernietigd. Volgens belanghebbende heeft hij weliswaar verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte, maar de toekenning van dit verzoek heeft hem nooit bereikt. De termijn om de aanslag op te leggen is daarom niet verlengd met de termijn van het verzochte uitstel.\n\n32. Volgens verweerder is (op verzoek van belanghebbende) vijf maanden uitstel voor het doen van aangifte erfbelasting verleend, zodat de termijn voor het opleggen van de aanslag verloopt op 22 december 2023. Verweerder weerspreekt dat de brief van 20 april 2021 niet (juist) zou zijn verzonden en heeft daartoe verzendadministratie overgelegd (zie hetgeen is opgenomen onder 7).\n\n33. De rechtbank stelt vast dat de (reguliere) wettelijke termijn voor het opleggen van de aanslag erfbelasting (als bedoeld in artikel 11, derde lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 1, van de Successiewet 1956) eindigde op 22 juli 2023. Verder staat vast dat belanghebbende bij schrijven met dagtekening 25 maart 2021 heeft verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte erfbelasting tot 22 augustus 2021 (zie 5) en dat belanghebbende het schrijven met dagtekening 27 september 2021 (zie 9) heeft ontvangen. De aanslag erfbelasting is met dagtekening 14 december 2023 opgelegd.\n\n34. De rechtbank stelt voorop dat voor verlenging van de aanslagtermijn met de duur van het uitstel (als bedoeld in artikel 11, derde lid, tweede volzin, van de AWR) nodig is dat door of namens de belastingplichtige is verzocht om uitstel en dat dit uitstel hem duidelijk kenbaar is verleend (zie HR 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2484). De bekendmaking van het verleende uitstel moet plaatsvinden voor het verstrijken van de reguliere driejaarstermijn (zie HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9336).\n\n35. Nu ervan kan worden uitgegaan dat belanghebbende om uitstel voor het indienen van de aangifte heeft verzocht en verweerder bij brief van 27 september 2021 belanghebbende heeft medegedeeld dat ‘[U] (…) uitstel [hebt] gekregen om deze aangifte vóór 22 augustus 2021 in te leveren’, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bekendmaking (als bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht) van het besluit tot het verlenen van het gevraagde uitstel. Nu voorts die mededeling bij brief van 27 september 2021 is gedaan voor het verstrijken van de termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 11, derde lid, eerste volzin, van de AWR, is de termijn voor het vaststellen van de aanslag verlengd met de duur van het (door belanghebbende verzochte) uitstel. Dit betekent dat de aanslag erfbelasting binnen de wettelijke termijn is opgelegd en dat het betoog van belanghebbende niet slaagt.\n\n36. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een oordeel of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 20 april 2021 is verzonden.\n\nIntegrale vergoeding van kosten voor de bezwaarfase?\n\n37. Belanghebbende betoogt dat hij recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten van de bezwaarfase omdat beide aanslagen zonder (wettelijke) grondslag zijn opgelegd en verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Wat betreft het betoogde ontbreken van een wettelijke grondslag verwijst belanghebbende onder meer naar een arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:239). Wat betreft het betoogde onzorgvuldig handelen van verweerder voert belanghebbende (onder meer) aan dat (i) hij door verweerder onbehoorlijk is bejegend in de aanslagfase en de bezwaarfase – waarbij belanghebbende onder meer verwijst naar een e-mailbericht van 1 oktober 2024 en een e-mailbericht van 7 november 2024, (ii) Bureau Vaktechniek van de Belastingdienst heeft aangespoord de onderhavige aanslagen op te leggen zodat een en ander (rechterlijk) getoetst kon worden en (iii) in de aanslagen is uitgegaan van een veel te groot vermogen, terwijl dit verweerder bekend moet zijn geweest.\n\n38. Belanghebbende heeft de kosten beraamd op € 118.197,29, waarbij belanghebbende 60% (€ 70.918,37) toerekent aan de aanslag erfbelasting en 40% (€ 47.278,92) toerekent aan de aanslag schenkbelasting. Deze kosten hebben betrekking op werkzaamheden van de gemachtigde, de financieel adviseur en de notaris.\n\n39. Volgens verweerder volstaat een forfaitaire vergoeding van de kosten in de bezwaarfase (als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit)).\n\n40. Vooraf merkt de rechtbank op dat, alhoewel in de uitspraak op bezwaar aangaande de aanslag schenkbelasting geen kostenvergoeding is vastgesteld, de rechtbank van de situatie uitgaat – en zoals door partijen bevestigd ter zitting – dat (ook) bij de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag schenkbelasting een forfaitaire kostenvergoeding (als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit) is toegekend.\n\n41. De rechtbank overweegt dat in beginsel het beloop van een vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt bepaald met toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem. In artikel 2, derde lid, van het Besluit is echter bepaald dat in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de op grond van in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, op forfaitaire wijze, berekende bedragen. Voor een dergelijke afwijking is grond indien het bestuursorgaan een verwijt treft dat het een beschikking geeft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Ook is grond voor een afwijkende vergoeding als verweerder bij het opleggen van de aanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (zie HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).\n\n42. De rechtbank vat het betoog van belanghebbende (zoals opgenomen onder 37) aldus op dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat (i) verweerder de aanslagen heeft vastgesteld terwijl hij op dat moment wist dat de aanslagen in een daartegen ingestelde procedure geen stand zouden houden (tegen beter weten in) en (ii) verweerder bij het opleggen van de aanslagen in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\n43. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat verweerder tegen beter weten in de aanslagen heeft opgelegd. De rechtbank acht hierbij relevant dat verweerder de aanslagen heeft opgelegd omdat hij ten tijde van het opleggen van de aanslagen van mening was dat bij het opheffen van een finaal verrekenbeding een voltooide vermogensverschuiving plaatsvindt en daarom een schenking. Dat de aanslag schenkbelasting na het arrest van 16 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:239) is vastgesteld, is volgens verweerder niet relevant omdat de onderhavige situatie (opheffen van een finaal verrekenbeding) anders is dan de situatie in het laatstgenoemde arrest (aangaan van huwelijkse voorwaarden). Nergens uit de stukken valt op te maken dat verweerder de aanslagen heeft vastgesteld en dat het hem op dat moment duidelijk was dat de aanslagen in een daartegen ingestelde procedure geen stand zouden houden.\n\n44. Ook het feit dat de aanslagen in de desbetreffende uitspraken op bezwaar zijn verminderd\u002Fvernietigd, leidt op zichzelf bezien evenmin tot het oordeel dat verweerder tegen beter weten in de aanslagen heeft vastgesteld. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat, ondanks dat de onderhavige situatie verschilt van de situatie in het voornoemde arrest van de Hoge Raad, hij zijn standpunt destijds heeft herzien omdat hij op enig moment na het opleggen van de aanslagen heeft gesignaleerd dat de notariële praktijk zich niet bewust was van het feit dat het opheffen van een finaal verrekenbeding een voltooide vermogensverschuiving en derhalve een schenking kan inhouden. Dit zou betekenen dat veel mensen zouden worden geconfronteerd met een aanslag schenkbelasting, zonder dat zij zich van een schenking bewust waren en het tegenovergestelde destijds aan hen was geadviseerd. Dit was onwenselijk en de reden waarom de uitspraak op bezwaar vermeldt dat het feit ‘op dit moment’ niet als een schenking wordt gezien, aldus nog steeds verweerder. Dat verweerder vanwege beleidsmatige redenen zijn beslissing(en) heeft herzien, betekent niet dat hij reeds daarom tegen beter weten in heeft gehandeld.\n\n45. Ter aanvulling heeft verweerder betoogd dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslagen het vermoeden had dat sprake kon zijn van wetsontduiking (fraus legis). Dit vermoeden volgt, anders dan belanghebbende stelt, uit de gedingstukken (zie onder meer onder 12).\n\n46. Wat betreft de vraag of verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de door belanghebbende aangehaalde e-mailberichten van 7 november 2024 (zie onder 18) en 1 oktober 2024 (zie onder 27) maakt de rechtbank niet op dat sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen van verweerder. Anders dan belanghebbende stelt, bevestigt verweerder in zijn e-mailbericht van 1 oktober 2024 niet dat hij de aanslag(en) heeft opgelegd zonder wettelijke grondslag. In het laatstgenoemde bericht is enkel vermeld dat het schrappen van een wederkerig finaal verrekenbeding alleen werkend bij overlijden in het zicht van overlijden op dit moment door verweerder niet wordt gezien als een schenking. De daaraan ten grondslag liggende reden is niet in het e-mailbericht vermeld.\n\n47. Ook anderszins zijn in het procesdossier geen aanknopingspunten te vinden waaruit volgt dat verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Het door belanghebbende gestelde ‘zwalkende gedrag’ en ontwijkende gedrag van verweerder volgt niet uit het procesdossier.\n\n48. Dat Bureau Vaktechniek van de Belastingdienst verweerder heeft aangespoord de onderhavige situatie te laten toetsen (door een rechter), wat daar verder ook van zij, is niet onwettig. De rechtbank ziet daarin eveneens geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft voor een integrale kostenvergoeding.\n\n49. Dat de aanslag schenkbelasting is opgelegd na publicatie van het arrest van 16 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:239) is op zichzelf bezien evenmin dermate onzorgvuldig dat dit een bijzondere omstandigheid vormt. De rechtbank verwijst daarbij ook naar hetgeen is overwogen onder 43.\n\n50. De rechtbank is voorts van oordeel dat het enkele feit dat verweerder in de uitspraken op bezwaar niet meer uitgaat van een (fictieve) verkrijging ter hoogte van € 11.000.000, niet maakt dat reeds daarom sprake is van een bijzondere omstandigheid. De rechtbank verwijst daarbij ook naar hetgeen is overwogen onder 44.\n\n51. Belanghebbende heeft zijn stelling dat verweerder bij het vaststellen van de aanslagen is uitgegaan van een (veel) te groot vermogen en dat dit kenbaar moet zijn geweest, tegenover de betwisting van verweerder onvoldoende gemotiveerd. Belanghebbende heeft niet nader onderbouwd waarom verweerder in dezen in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld, mede gelet op het feit dat verweerder de aanslagen heeft gebaseerd op onder meer WOZ-gegevens en gegevens uit de aangifte inkomstenbelasting van belanghebbende.\n\n52. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, anders dan belanghebbende betoogt, de situatie dat de aanslagen hoge bedragen betreffen en drie adviseurs (een advocaat, een notaris en een financieel adviseur) hoge kosten hebben gemaakt, niet zonder meer meebrengt dat sprake is van dermate onzorgvuldig handelen door verweerder (vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929).\n\n53. Gelet op hetgeen hierboven vermeld en overwogen bestaat geen aanleiding voor een hogere vergoeding van kosten dan de reeds toegekende forfaitaire vergoedingen voor de bezwaarfase(s). Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de door belanghebbende (gestelde) gemaakte kosten in bezwaar.\n\nSlotsom\n\n54. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n55. Omdat de beroepen ongegrond worden verklaard, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de beroepsfase. De rechtbank komt daarom niet toe aan een behandeling van de door belanghebbende gewenste integrale proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. M.C. van As en\n\nmr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5134","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:27.354Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"735","ECLI:NL:RBDHA:2026:8341","ecli-nl-rbdha-2026-8341",58,"2026-04-07T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F4506\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. I.A. Koele),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiseres een aanslag erfbelasting (de aanslag) opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 april 2025 de aanslag verminderd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026.\n\nEiseres is verschenen, vergezeld door haar zus [naam 1] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , mr. [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .\n\nDe zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van de andere erfgenamen [erfgenaam 1] (zaaknummer SGR 25\u002F3031) en [erfgenaam 2] (zaaknummer SGR 25\u002F3032).\n\nEiseres heeft na afloop van de zitting nog een aanvullend formulier proceskosten ingediend waarbij zij haar reiskosten voor het bijwonen van de zitting als proceskosten heeft opgevoerd.\n\nEiseres en de andere erfgenamen hebben ter zitting nog een stuk willen overleggen betreffende een ‘fiscaal rapport SB voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2021 van de heer [broer van erflater]’ (de broer van erflater). Verweerder heeft tegen overlegging van dit stuk bezwaar gemaakt, omdat hij daarvan geen kennis had en niet in staat was daar ter zitting op te reageren. Gelet op het protest van verweerder – wat naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden rust en terecht is – heeft de rechtbank overlegging van dit stuk geweigerd, omdat het te laat en daarmee in strijd met een goede procesorde is ingediend. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat ook niet is gesteld of gebleken dat dit stuk niet eerder overlegd had kunnen worden.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Op [datum] 2019 is de [erflater] (erflater), overleden.\n\n2. Erflater was onder huwelijksvoorwaarden inhoudende koude uitsluiting gehuwd met [erfgenaam 1] . De huwelijksvoorwaarden zijn bij akte d.d. 28 juli 2005 aangevuld met een wederkerig verplicht finaal verrekenbeding bij einde van het huwelijk.\n\n3. Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Zijn twee dochters, [erfgenaam 1] en [eiseres] (eiseres), zijn ieder voor een gelijk deel erfgenaam. Aan zijn echtgenote, [erfgenaam 1] (hierna samen met [erfgenaam 1] en [eiseres] gezamenlijk te noemen: de erfgenamen), is het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap gelegateerd.\n\n4. Een derde dochter van erflater, [naam 6] , is niet benoemd tot erfgenaam. Zij heeft in verband met het overlijden van erflater een beroep gedaan op haar legitieme portie. In het testament is bepaald dat de legitieme vordering pas na het overlijden van [erfgenaam 1] kan worden opgeëist.\n\n5. Tot de nalatenschap behoren 625 aandelen C in B.V. [bedrijfsnaam 1] ( [bedrijfsnaam 1] ). Deze aandelen (de aandelen) vertegenwoordigen een belang van 31% in [bedrijfsnaam 1] .\n\n6. [bedrijfsnaam 1] heeft blijkens de statuten ten doel:\n\n- het deelnemen in, oprichten van, samenwerken met, financieren (het verstrekken van leningen en kredieten, eventueel onder hypothecair verband) van, het zich op enigerlei andere (financiële) wijze interesseren bij vennootschappen en ondernemingen, hetzij direct, hetzij indirect alsmede het stellen van zekerheid voor schulden van anderen;\n\n- het voeren van bestuur over andere vennootschappen en ondernemingen;\n\n- de verkrijging (eventueel middels financiering), het beheer, de exploitatie en de vervreemding van onroerende zaken en andere vermogenswaarden;\n\n- het verrichten van (rechts-)handelingen op financieel commercieel en industrieel gebied in het algemeen;\n\n- het verrichten van al hetgeen in de meest uitgebreide zin direct of indirect met het vorenstaande verband houdt of tot het doel der vennootschap bevorderlijk kan zijn.\n\n7. [bedrijfsnaam 1] houdt 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] BV.\n\n8. [bedrijfsnaam 2] BV bezit een pand (het pand). Het pand is gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] en [adres 3] . Het pand is bestemd voor de verhuur en betreft een vastgoedbelegging.\n\n9. [bedrijfsnaam 2] BV dreef in het verleden in het pand een onderneming, zijnde het luxe warenhuis [bedrijfsnaam 3] . De vader van erflater, wijlen [vader van erflater] , was de directeur. Na een grote brand in het warenhuis in 1971 heeft [bedrijfsnaam 3] haar deuren definitief gesloten omdat er meer vraag was naar goedkopere producten. Vanaf dat moment wordt het pand verhuurd aan winkeliers.\n\n10. Het pand stond in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 1 februari 2022, waaronder de overlijdensdatum, leeg. In deze periode is het pand verbouwd en deels teruggebracht in de oorspronkelijke staat. Bij de verbouwing van het pand zijn tevens twee appartementen gecreëerd. De appartementen worden verhuurd aan expats.\n\n11. In de periode voor 1 januari 2018 werd het pand verhuurd aan modewinkelketen H&M.\n\n12. Per 1 februari 2022 wordt het pand verhuurd aan modewinkelketen C&A. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van tien jaar, met een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid voor uitsluitend huurder op de einddatum van het zevende huurjaar.\n\n13. De intentie van de familie [familie] is het pand ook na beëindiging van het lopende huurcontract te blijven verhuren.\n\n14. [erfgenaam 1] was in de periode 2017-2020 in loondienst bij [bedrijfsnaam 2] BV. De verloning heeft als volgt plaatsgevonden:\n\n2017: 12 verloonde uren; € 600 loon\n\n2018: 26 verloonde uren; € 1.250 loon\n\n2019: 60 verloonde uren; € 3.000 loon\n\n2020: 20 verloonde uren; € 975 loon\n\n2021: geen verloonde uren\n\n2022: geen verloonde uren\n\n2023: geen verloonde uren\n\n15. Eiseres is vanaf 2024 in loondienst bij [bedrijfsnaam 2] BV. De verloning heeft als volgt plaatsgevonden:\n\n2024: 420 verloonde uren; € 10.020\n\n16. Er zijn geen andere werknemers in loondienst geweest van [bedrijfsnaam 2] BV of [bedrijfsnaam 1] .\n\n17. Uit een namens de erfgenamen opgesteld taxatierapport van Cushman & Wakefield d.d. 25 september 2019 blijkt een marktwaarde van het pand per overlijdensdatum van € 33.910.000. Een afschrift van dit taxatierapport (het taxatierapport) behoort tot de gedingstukken.\n\n18. In de door\u002Fnamens de erfgenamen ingediende aangiften erfbelasting zijn de aandelen aangegeven voor een waarde van € 5.815.000. Deze waarde is gebaseerd op de taxatiewaarde van het pand van € 33.910.000, een VPB-latentie van 25% en een afslag van 25% in verband met incourantheid van de aandelen vanwege het feit dat het om een minderheidsbelang (31%) gaat. Verder is in de aangifte ter zake van het ondernemingsvermogen (de waarde van de aandelen) een beroep gedaan op toepassing van de zogenoemde bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) als bedoeld in artikel 35b e.v. van de Successiewet 1956 (Sw).\n\n19. Verweerder heeft op 31 december 2021 hangende het overleg met de erfgenamen over de waarde van de aandelen en de toepassing van de BOR ter behoud van rechten aanslagen erfbelasting aan de erfgenamen opgelegd (de aanslagen). Bij het vaststellen van de aanslagen heeft verweerder de waarde van het ondernemingsvermogen (de aandelen) verhoogd naar € 11.500.000. Daarbij is verweerder uitgegaan van een taxatiewaarde van € 46.600.000 en een VPB-latentie van 20% en is geen rekening gehouden met een afslag in verband met incourantheid van de aandelen. De taxatiewaarde van € 46.600.000 heeft verweerder overgenomen uit de jaarrekening 2018 van [bedrijfsnaam 2] B.V., meer specifiek de toelichting op de balans, waarin deze waarde staat vermeld als de taxatiewaarde na verbouwing. Ook is bij de aanslagregeling de toepassing van de BOR niet geaccepteerd, omdat volgens verweerder in ieder geval per ultimo 2021 niet langer is voldaan aan de zogenoemde voortzettingseis.\n\n20. De erfgenamen hebben tegen de aan hen opgelegde aanslagen erfbelasting bezwaar gemaakt.\n\n21. Na het opleggen van de aanslagen heeft verweerder door een taxateur van de Belastingdienst een taxatiebeoordeling (de hertaxatie) laten uitvoeren. De uitkomsten hiervan zijn neergelegd in een rapport (het hertaxatierapport) waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort. Bij de hertaxatie is geconcludeerd dat de oorspronkelijk aangegeven marktwaarde van het pand per overlijdensdatum van € 33.910.000 kan worden gevolgd.\n\n22. Hangende de bezwaarfase zijn de erfgenamen ook nog aanvullende vragen gesteld in verband met de verzochte toepassing van de BOR. Daarbij is door dan wel namens de erfgenamen onder de vraag: “4. Welke kwalificerende arbeid heeft plaatsgevonden?” het volgende geantwoord:\n\n“Het exploiteren van het modemagazijn is onze primaire ondernemingsactiviteit. Daarbij hebben wij een duurzaam streven naar winst en is de bedrijfsvoering sinds oprichting telkens aan de wijzigende marktomstandigheden aangepast. Hier zouden wij graag in herinnering willen brengen wat wij tijdens het hoorgesprek mondeling hebben toegelicht. Zie hiervoor ook het hoorverslag. In het kort, er is altijd sprake van een onderneming in de textielbranche geweest waarbij het exploiteren van de modemagazijnen altijd centraal heeft gestaan, en nog steeds als ondernemingsactiviteit centraal staat. Meerdere generaties binnen onze familie hebben zich ingezet om het exploiteren van modemagazijnen rendabel te maken – en te houden – in tijden van de tweede wereldoorlog, later in tijden van de opkomst van de fast-fashion industrie, daarna ten tijde van onvoorziene omstandigheden als corona en thans door toename in het online winkelen. Na het plotselinge overlijden van onze vader, hebben wij als jonge generatie het stokje overgenomen van hem en de generaties daarvoor, om de onderneming voort te blijven zetten. Wij vinden het belangrijk om met ons modemagazijn een actieve bijdrage te leveren aan de Retail-sector in [plaats] en tevens door onze werkzaamheden een stukje iconisch Nederland in stand te houden en in ere te herstellen. Hieronder zullen wij nog specifieker ingaan op de arbeid die verricht is en wordt.\n\nIn het kader van het exploiteren van ons modemagazijn, is er grootschalige arbeid verricht om een geheel nieuwe uitstraling van het modemagazijn te creëren, zowel van binnen als van buiten en daarnaast twee geheel nieuwe appartementen te creëren, met zeer nauwe betrokkenheid van de aandeelhouders en directie. Het projectteam bestaande uit de directie van de onderneming, een aantal van de aandeelhouders en de bouwkundig adviseur kwamen o.a. een of tweewekelijks (als nodig vaker) samen op locatie in de [straat] , per video call of bij het bouwbedrijf [bedrijfsnaam 4] om de voortgang te bespreken, bij te sturen en beslissingen te nemen ten aanzien van het project. Dit projectteam had een sturende en instigerende rol bij de herontwikkeling van het modemagazijn. Binnen het projectteam werden onder andere opdrachten gegeven aan de bouwkundig adviseur, welke deze vervolgens vertaalde naar de betrokken uitvoerders op de vloer. Ook is te denken aan overleg met- en sturing van uitvoerende partijen als o.a. de architect, techneuten, aannemers et cetera.\n\nTot de arbeid behoorde ook het nemen van besluiten die ons doel, het behalen van winst met het exploiteren van ons modemagazijn, faciliteerden. De beslissing (i.e., de arbeid) is gemaakt om de ruimtes te herindelen zodat door een nieuwe functie een hogere vierkante meterprijs kon worden gerealiseerd. Ruimtes zijn doorgebroken, kleine ruimtes zijn samengevoegd tot grote ruimtes, pilaren en het middenstuk zijn verwijderd en later opnieuw opgebouwd om meer ruimte en een open karakter te creëren, de vele hoogteverschillen zijn nagenoeg geheel weggewerkt door het egaliseren van de vloeren, het draagvlak is aangepast, en voorheen kantoor- en opslagruimte op de begane grond is winkeloppervlak geworden. Op verzoek kunnen tekeningen van de oorspronkelijke en de nieuwe situatie verstrekt worden. Als gevolg hiervan is het totale winkeloppervlak vergroot, en zijn er meer verhuurbare meters gecreëerd welke door de door ons gemaakte aanpassingen beoogd waren een hogere vierkante meter prijs te rechtvaardigen. Ook is bijv. meer lichtinval gecreëerd en een tweede extra etalageruimte aan de achterkant van het pand. Op die wijze kan de huurder meer winkelend publiek aan zowel de voorzijde als aan de achterzijde aaspreken en daarmee het aantal bezoekers en daarmee klanten en daarmee vervolgens ook diens omzet vergroten. Deze unieke mogelijkheid vertaalt zich uiteraard in een hogere huurprijs en daarmee voor ons hoger rendement.\n\nOok is arbeid verricht m.b.t. de appartementen die in overleg met de gemeente [plaats] zijn gecreëerd. De vraag naar woonruimte in [plaats] is urgent en door kale magazijnruimte of eventuele winkelruimte op hoge etages met een lage vierkante meter prijs om te functioneren tot volledig nieuwe appartementen met een veel hogere vierkante meter opbrengst, hebben wij ons rendement aanzienlijk kunnen verhogen en tegelijkertijd op de vraag in de gemeente in kunnen spelen. Op verzoek kunnen wij graag gedetailleerde informatie m.b.t. de specifieke (bouwkundige) werkzaamheden verstrekken.\n\nEen deel van het pand is monumentaal erfgoed. Wij hebben er arbeid, aandacht en zorg aan besteed om bijvoorbeeld de monumentale gevel in ere in oorspronkelijke staat te herstellen. Hiermee willen wij aangeven dat wij met onze werkzaamheden ook graag bij willen dragen aan de historische waarde welke het pand vallend binnen onze onderneming heeft, de geschiedenis en het verhaal waaraan onze onderneming bijdraagt.\n\nOm ons rendement duurzaam te kunnen verhogen en de herontwikkelingsactiviteiten te kunnen verrichten met het oog op betere verhuurbaarheid nadien, hebben wij eigen tegoeden en reserves geïnvesteerd en zijn we ook externe leningen aangegaan om dit te kunnen realiseren. Deze externe financieringen, vragen tevens arbeid in de vorm van continue overleggen met de bank over (wijzigingen in) de financiering.\n\nVoor de volledigheid: De appartementen zijn inmiddels verhuurd en de winkelruimte is recentelijk, sinds februari 2022 verhuurd aan C&A. Let wel; de kasstroom is pas weer volledig sinds mei 2023. Voor beide appartementen hebben wij voor betere verhuurbaarheid en rechtvaardiging van een hogere huurprijs ook deels de inrichting verzorgd. In het verhuurproces van het modemagazijn (de winkelruimte) is extra arbeid verricht om tegemoet te komen aan wensen van een potentieel huurder, om ons modemagazijn voor hen nóg aantrekkelijker te maken. Deze extra bijdragen zijn wederom geleverd met het oog op een nóg betere verhuurbaarheid en rechtvaardiging van de huurprijs. Onder andere zijn kosten gemaakt om aanvullende werkzaamheden te verrichten door bijvoorbeeld draairichtingen van deuren aan te laten passen, en bij te dragen aan extra trapvoorzieningen bijvoorbeeld. Deze werkzaamheden waren niet noodzakelijk voor de verhuurbaarheid, maar door deze extra arbeid te verrichten welke specifiek gericht was op een specifieke huurder en anticipeerde op diens behoeften, konden we de winkelruimte voor hen nog aantrekkelijker maken. Door deze werkzaamheden hebben we uiteindelijk een succesvolle huurovereenkomst kunnen sluiten met een zo optimaal mogelijke huurprijs. De algehele nieuwe indeling, staat, functie en uitstraling van het modemagazijn, maar ook de aanvullende werkzaamheden welke specifiek gericht waren op de wensen van de huurder, hebben hieraan bijgedragen. We willen benadrukken dat onze werkzaamheden erop gericht waren ons modemagazijn zodanig te ontwikkelen en te verbeteren, dat wij op de wensen van de markt als ook de specifieke wensen van de huurder in konden spelen om zodoende een aanzienlijk hoger rendement te kunnen behalen. Het was ons doel de best passende modezaak te vinden, om daarmee ons modemagazijn zo optimaal mogelijk te blijven exploiteren. De werkzaamheden en activiteiten zijn van dien omvang en aard dat zij dus ver aan enkele onderhoudswerkzaamheden voorbijgaan.\n\nBinnen onze onderneming gaan wij voortdurend nieuwe investeringen en risico’s aan. Momenteel hebben en dragen wij als ondernemers nog steeds een leegstandrisico. Helaas heeft leegstand door de gevolgen van de wereldwijde coronapandemie grote gevolgen (gehad) op onze liquiditeit en (verder beoogde) ontwikkelingsactiviteiten die binnen onze onderneming kunnen plaatsvinden. Onze activiteiten zijn gecentreerd in het hart van [plaats] dat zich in het midden van de lockdown bevond. De [straat] werd afgesloten voor toeristen en bezoekers. Toeristen, de primaire doelgroep verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de omzet voor de winkels in de [straat] , konden het land zelfs niet in. Alle potentiële huurders waarmee we met sommigen al in een onderhandelingsfase waren, trokken zich door de door de overheid opgelegde beperkingen terug. Net als andere ondernemers, kampen ook wij met de gevolgen van de coronapandemie op onze onderneming. Gedurende deze periode hebben wij activiteiten verricht om kortdurende huurders te werven, welke helaas maar beperkt vruchten hebben afgeworpen (bijv. tijdelijke pop-up stores). Als gevolg daarvan hebben wij veel langer dan verwacht te kampen (gehad) met leegstand en verliezen (i.e., een negatieve kasstroom), welke onze gaande en toekomstige omzetting van verdere ontwikkelingsprojecten vooralsnog sterk heeft beperkt. Verrichtte (voorbereidende) werkzaamheden om verdere woonruimte in de vorm van appartementen te ontwikkelen (waarnaar een zeer hoge vraag is en ons een hoger rendement voor de ruimtes oplevert), hebben wij door de niet op gang komende kasstroom vooralsnog niet kunnen finaliseren. Daarnaast is de haalbaarheid van andere ontwikkelingsobjecten op andere locaties geïnventariseerd, welke door de veel later (en lager) dan verwacht op gang komende kasstroom niet omgezet konden worden. Deze besluiten zijn genomen zodat de (langdurige) voortzetting van onze onderneming kon blijven worden gewaarborgd en om aan de financiële verplichtingen te kunnen blijven voldoen.\n\nOndanks onze intensieve arbeid, hebben wij moeten vaststellen dat de marktomstandigheden zijn gewijzigd (corona, exponentiele toename internetverkopen, faillissementen grote internationale warenhuizen voor wie juist onze winkelruimte aantrekkelijk is zoals bijv. Hudson Bay eind 2019) en ons rendement op dit moment lager uitvalt dan beoogt in 2017 door sterk gewijzigde marktomstandigheden, maar wel het op dit moment best mogelijke rendement is. Bij het exploiteren van ons modemagazijn blijven we (al sinds oprichting) hierop inspelen. In onze risicoanalyse hadden wij deze ontwikkelingen niet kunnen voorzien, beter gezegd, een omstandigheid van zéér geringe waarschijnlijkheid (wereldwijde pandemie) is ingetreden met wél zwaarwegende gevolgen van dien voor de specifieke sector waarbinnen wij als onderneming opereren.\n\nVerdere arbeid omvat ook het onderhandelen over incentives met huurder (zoals bijvoorbeeld huurvrije periodes). Deze zijn opgenomen in het huurcontract maar omvatten ook continue nieuwe onderhandelingen over de huurprijs a.d.h.v. de huidige ontwikkelingen op de rentemarkt en van de inflatie. Daarnaast hebben we binnen onze onderneming een duurzaam streven naar winst en oog om in de toekomst ook ons rendement te blijven vergroten. Zo onderzoeken wij momenteel mogelijkheden tot extra verduurzaming op energiegebied. Gezien het hoge energieverbruik zoals van toepassing bij de grote van ons betreffende modemagazijn en de huidige hoge energieprijzen is het als huurder mogelijk aantrekkelijk en voordelig gebruik te kunnen gaan maken van een eigen energievoorziening (bijv. zonnepanelen) en daarmee wordt onze concurrentiepositie t.o.v. anderen langdurig verbetert. De huidige, ofwel een nieuwe huurder zal voor ons blijven kiezen door de extra faciliteiten\u002Fmogelijkheden die wij overwegen aan te bieden. Op deze manier blijven wij continue een hoger en duurzaam rendement nastreven.”\n\n23. Bij het doen van uitspraak op bezwaar heeft verweerder de voor het pand in aanmerking genomen waarde van € 33.910.000 gevolgd en daarvan uitgaande de waarde van de aandelen uiteindelijk vastgesteld op € 7.420.000. Hierbij heeft verweerder rekening gehouden met een latentie voor de vennootschapsbelasting van 20% en een afslag van 10% in verband met incourantheid van de aandelen vanwege het feit dat het om een minderheidsbelang gaat. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar zijn standpunt gehandhaafd dat op de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen, de BOR niet van toepassing is. Verweerder heeft de aan eiseres opgelegde aanslag bij uitspraak op bezwaar met inachtneming hiervan verminderd.\n\n24. De erfgenamen hebben tegen hun respectievelijke uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.\n\n25. Hangende de beroepsprocedure hebben de erfgenamen een waarderingsrapportage van drs. [naam 7] (verbonden aan [bedrijfsnaam 5] ) overgelegd. Een afschrift van deze rapportage (de waarderingsrapportage) behoort tot de gedingstukken. In deze rapportage wordt geconcludeerd dat de waarde van de geërfde aandelen dient te worden bepaald op basis van de zogenoemde rendementswaarde-methode en € 891.552 bedraagt. Voor de onderbouwing van dit standpunt wordt gewezen op de verdeling van het eigendom van de aandelen (3 staken met ieder een minderheidsbelang), de wijze waarop de besluitvorming binnen de vennootschap is geregeld en de geschiedenis van het bezit van de vennootschap en daarmee de emotionele verbondenheid van de aandeelhouders met het bezit. Voor de berekening van de waarde van de aandelen geeft het rapport een uitgebreide cijfermatige onderbouwing met als basis de feitelijk uitgekeerde dividenden.\n\n26. Tot de gedingstukken behoort ook een hangende de beroepsfase in opdracht van verweerder opgesteld waarderingsadvies (het waarderingsadvies), opgesteld door drs. [naam 5] MSRE RT MBV RV en [naam 4] RA RV, zijnde Business Valuators verbonden aan de Belastingdienst\u002FMKB\u002FLandelijk Business Valuation Team. In dit waarderingsadvies (het waarderingsadvies) wordt geconcludeerd dat de door eiseres voorgestane rendementsmethode niet de juiste methode is. Gesteld wordt dat het in dit geval in feite gaat om een verhuurd (beleggings)pand, waarvan de waarde gelijk is aan de contante waarde van de huuropbrengsten. Deze waarde, ook wel de directe opbrengstwaarde genoemd, is gelijk aan de contante waarde van de kasstromen uit de onderneming, ook wel de indirecte opbrengstwaarde genoemd. Wij verwijzen hierbij naar BNB 1987\u002F87 waarbij de HR heeft aangegeven dat voor verhuurd vastgoed de directe en indirecte opbrengstwaarde aan elkaar gelijk zijn en dat de bedrijfswaarde gesteld kan worden op de marktwaarde plus kosten koper. De conclusie is dat de aandelen op de overlijdensdatum € 7.420.000 waard zijn, conform de berekening in de bezwaarfase.\n\nGeschil\n\n27. In geschil is of de aanslag juist is vastgesteld. Meer specifiek in geschil is of:\n\nde waarde in het economische verkeer van het door erflater gehouden aandelenbelang in [bedrijfsnaam 1] (de aandelen) per overlijdendatum juist is vastgesteld;\n\nop de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen de BOR van toepassing is.\n\nNiet meer in geschil is dat uitgaande van de momenteel in aanmerking genomen waarde voor de aandelen de omvang van de schuld van erflater op grond van het finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden juist is vastgesteld.\n\n28. Eiseres neemt in beroep de volgende standpunten in.\n\nDe waarde van de aandelen per overlijdendatum is onjuist vastgesteld, omdat de aandelen gewaardeerd dienen te worden op basis van de rendementswaardemethode bij voortgezette exploitatie van het vastgoed. Op basis hiervan bedraagt de waarde van het aandelenbelang in de nalatenschap € 891.552.\n\nDe erfgenamen kunnen een beroep doen op de BOR voor de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen, omdat sprake is van een vastgoedonderneming welke door de erfgenamen wordt voortgezet.\n\nVolgens de erfgenamen bedraagt de verkrijging van [erfgenaam 1] € 615.674 waardoor de verschuldigde erfbelasting - na toepassing van de geldende vrijstelling - nihil bedraagt, en de verkrijging van ieder van de kinderen, [erfgenaam 1] en [eiseres] , € 154.381 waardoor voor hen de verschuldigde erfbelasting - na toepassing van de geldende vrijstelling - € 14.279 bedraagt.\n\n29. Verweerder neemt in beroep de volgende standpunten in.\n\nDe waarde van de aandelen is juist vastgesteld; deze bedraagt per overlijdensdatum € 7.420.000.\n\nDe erfgenamen kunnen geen beroep doen op de BOR voor de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen; er is geen sprake van een onderneming, en zo daar wel sprake van zou zijn geweest, wordt niet voldaan aan het voortzettingsvereiste als bedoeld in artikel 35e van de Sw.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nWaarde van de aandelen per overlijdensdatum\n\n30. Ingevolge het bepaalde in artikel 21, eerste lid van de Sw wordt “het verkregene in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend”.\n\n31. Als voor goederen een markt bestaat - zoals in casu voor de aandelen het geval is -, zal in beginsel de verkoopprijs op die markt de waarde in het economische verkeer vormen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in het arrest van 5 februari 1969, nr. 16 047, BNB 1969\u002F63, waarin het de verkoopprijs omschrijft als “de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed”. Dit is – naar overigens als zodanig tussen partijen ook niet in geschil is – het uitgangspunt voor de voor de aandelen in aanmerking te nemen waarde.\n\n32. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met alles wat hij heeft aangevoerd en overgelegd, met name het hertaxatierapport en het waarderingsadviesadvies, aannemelijk gemaakt dat de waarde van € 7.420.000 waartegen de aandelen in aanmerking zijn genomen, niet te hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank sluiten de uitgangspunten waarop de waardering(en) van verweerder zijn gebaseerd – zoals uitgebreid weergegeven in het hertaxatierapport en meer in het bijzonder nog het waarderingsadvies – goed aan bij het hiervoor weergegeven uitgangspunt dat geldt voor de onderhavige waardering van de aandelen. De rechtbank heeft ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bij die taxaties\u002Fberekeningen in aanmerking genomen uitgangspunten en\u002Fof de cijfermatige berekeningen en uitwerking(en) daarvan. De argumenten die eiseres in haar pleitnota naar voren heeft gebracht, vindt de rechtbank onvoldoende concreet en overtuigend en ook niet voldoende (cijfermatig) onderbouwd om tot een ander oordeel te komen.\n\n33. Uit het waarderingsadvies volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat, ook indien eiseres zou worden gevolgd in haar standpunt dat de aandelen gewaardeerd dienen te worden op basis van de zogenoemde rendementswaardemethode, dat niet zou leiden tot een lagere waarde dan de in aanmerking genomen waarde. In de door eiseres overgelegde waarderingsrapportage is weliswaar geconcludeerd dat de rendementswaardemethode bij voortgezette exploitatie van het vastgoed € 891.552 bedraagt, echter uit de in het waarderingsadvies van verweerder opgenomen berekening van de waarde volgens de rendementswaardemethode volgt dat deze aanmerkelijk hoger is, namelijk € 9.321.670. De rechtbank acht de waardering zoals opgenomen in het waarderingsadvies – die uitvoerig en overtuigend gemotiveerd is en ook cijfermatig goed inzichtelijk is gemaakt en is onderbouwd – goed aansluiten bij de werkelijkheid. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook indien de rendementswaardemethode wordt gevolgd, dit niet zou leiden tot een verlaging van de waarde van de aandelen per overlijdensdatum. De rechtbank overweegt hierbij ook dat de berekening volgens de rendementswaardemethode van de erfgenamen is gebaseerd op een dividendstroom van € 120.000 per jaar. Dit komt weliswaar overeen met de feitelijke dividenduitkeringspolitiek – welke door omstandigheden zoals de (verstoorde) verhoudingen tussen de verschillende aandeelhouders (familieleden en - na het overlijden van een oom - inmiddels ook goede doelen) niet voor iedere aandeelhouder \u002F tak van aandelen (A, B en C) op dezelfde wijze wordt toegepast –, maar de rechtbank acht niet aannemelijk dat die dividendstroom ook de juiste maatstaf is om voor onafhankelijke derden de werkelijke rendementswaarde van de aandelen te bepalen. De rechtbank acht ook op dit punt de berekening van verweerder zoals weergegeven in het waarderingsadvies beter aansluiten bij de – voor onafhankelijke derden geldende – werkelijkheid.\n\n34. De rechtbank overweegt nog het volgende. De erfgenamen doen hun stelling dat de waarde van de aandelen veel lager is met name steunen op de omstandigheid dat – kort weergegeven – er sprake is van een minderheidsbelang van 31% waarbij in dit specifieke geval geldt dat dit een heel lastig te gelde te maken actief is. De erfgenamen wijzen er hierbij op dat “de bijzondere statutaire regeling rondom zeggenschap en soortaandelen in de Vennootschap is vormgegeven om primair als langdurige bron van levensonderhoud voor de respectieve familiestaken te functioneren waarbij ook rekening wordt gehouden met de belangen van de andere staken; dit verklaart waarom altijd een meerderheid besluit over een uitkering uit een specifieke dividendreserve wat een uitzonderlijke statutaire vormgeving is”.\n\nDit komt, aldus de erfgenamen, enerzijds doordat de erfgenamen en de andere aandeelhouders (zijnde familieleden) door de beladen (familie)geschiedenis in zulke mate verknocht zijn aan de onderneming, dat verkoop van het pand voor hen geen optie is en dus de enige optie is voortzetting van de verhuur. Anderzijds komt dit doordat de houders van de aandelen slechts zeer beperkte mogelijkheden hebben om ten aanzien van de dividendpolitiek invloed uit te oefenen, daar in de statuten van de vennootschap is vermeld dat beslissingen binnen de vennootschap enkel op basis van meerderheid kunnen worden genomen, wat feitelijk betekent dat geen van de drie staken (A, B of C) kan besluiten om aan zichzelf dividenden uit te keren, nu zij daar altijd tenminste de medewerking van een andere staak voor nodig heeft. De erfgenamen menen dat deze zeer beperkende en nadelige aan de aandelen klevende omstandigheden een zeer sterk drukkende invloed op de waarde van de aandelen hebben waarmee volstrekt onvoldoende rekening is gehouden.\n\n35. De rechtbank stelt in voornoemd verband voorop dat zij er niet aan twijfelt dat de erfgenamen verknocht zijn aan de wijze waarop het pand wordt geëxploiteerd, namelijk verhuur van het pand met als doel dat de aandeelhouders (althans voor zover het familieleden betreffen) kunnen leven van de dividendinkomsten uit de holding waarin de huurinkomsten terecht komen. De rechtbank begrijpt eveneens dat, gelet op de familiegeschiedenis van de erfgenamen voor hen verkoop van het pand geen optie is daar zij zich verplicht voelen de verhuur (en eigendomssituatie van het pand) in stand te houden. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat het onder de geldende omstandigheden lastig is om een andere dividendpolitiek te voeren. Echter, dit betreffen naar het oordeel van de rechtbank vooral subjectieve belemmeringen die bij de erfgenamen spelen die - hoe begrijpelijk en wezenlijk die voor de erfgenamen ook zijn - geen objectieve belemmeringen vormen. Dat het vooral om een subjectieve belemmering gaat, wordt naar het oordeel van de rechtbank ook onderschreven door de volgende passage uit de motivering van de beroepen van de erfgenamen: “Hoewel de familie bij diverse gelegenheden de vraag heeft gekregen of het niet beter zou zijn om dit pand te verkopen en in plaats daarvan te diversifiëren en risico’s te spreiden in de portefeuille, heeft de familie altijd gekozen voor het risicovolle perspectief van dit ene grote warenhuis aan de [straat] . Die redenen zijn niet rationeel, maar emotioneel. Het is een anker met het donkere verleden, dat ook de oorzaak is van hun bestaan”.\n\nDe rechtbank overweegt daarbij dat zij weliswaar aannemelijk acht dat voorgaande omstandigheden zeker ook in enige mate een waardedrukkend effect (kunnen) hebben op de waarde van de aandelen, maar de rechtbank vindt niet aannemelijk dat dit tot een zodanige forse waardevermindering leidt zoals door de erfgenamen bepleit. De rechtbank overweegt daarbij tevens dat wat er ook zij van al de door de erfgenamen genoemde beperkingen en moeilijkheden bij het uitoefenen van de dividendpolitiek, dat niet wegneemt dat een nieuwe aandeelhouder wel degelijk recht heeft op zijn deel (naar rato) in de (dividend)reserves en dergelijke, en dat het voor zo’n nieuwe aandeelhouder geenszins uit te sluiten valt dat die beperkende omstandigheden op termijn - al dan niet via tussenkomst van (een) juridische procedure(s) - afnemen ofwel geheel verdwijnen, ook omdat (een) nieuwe willekeurige aandeelhouder(s) niet of minder verknocht zal zijn aan het pand en de manier waarop de exploitatie daarvan nu is vormgegeven. Al met al acht de rechtbank niet aannemelijk dat de objectieve invloed van de geschetste beperking dusdanig is dat dit dient te leiden tot een grotere waardevermindering dan verweerder reeds heeft toegepast door middel van een afslag van 10% in verband met incourantheid van de aandelen vanwege het feit dat het om een minderheidsbelang gaat.\n\n36. De erfgenamen hebben ter zitting, onder verwijzing naar recente aankooponderhandelingen aangaande de aandelen die momenteel in handen zijn van goede doelen (de staak A van een inmiddels overleden oom), erop gewezen dat de werkelijkheid ook toont dat de aandelen een heel lastig te gelde te maken actief vormen. De erfgenamen wijzen er daarbij op dat bij die onderhandelingen is gebleken dat in feite enkel de vennootschap zelf een geschikte koper is van de aandelen, terwijl de vennootschap momenteel zeer beperkt is in haar koopkracht, ook omdat zij niet in staat is een (aanvullende) hypothecaire financiering voor zo’n aankoop te verkrijgen omdat dit volgens de Rabobank ‘niet verantwoord’ is. Dit brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Enerzijds omdat de erfgenamen de stelling dat er geen aanvullende hypothecaire lening kan worden verkregen niet hebben onderbouwd en ook niet inzichtelijk hebben gemaakt onder welke omstandigheden die dan zou zijn aangevraagd. Anderzijds omdat deze stelling is gebaseerd op de aanname dat de vennootschap de enige geschikte koper is, welke stelling niet de juridische werkelijkheid (juridisch kunnen de aandelen ook aan een willekeurige derde worden verkocht) weergeeft maar ‘slechts’ de kennelijk huidige stand van zaken binnen de onderhandelingen over de aankoop van de bewuste aandelen.\n\n37. Dat, naar de erfgenamen eerst ter zitting hebben gesteld, een vrijwel identiek aandelenpakket (de aandelen vormende de staak A) in de aan de overleden oom ter gelegenheid van zijn overlijden opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor een veel lager bedrag (de erfgenamen stellen: € 2.262.198) in aanmerking is genomen, brengt de rechtbank, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel. Dit reeds omdat 1) dit kennelijk een voorlopige aanslag betreft en dus, zo de gestelde waarde juist is, daarvan bij de definitieve aanslag nog kan worden afgeweken, en 2) de rechtbank geen enkel inzicht heeft in de wijze waarop en de omstandigheden waaronder die waarde tot stand is gekomen.\n\nToepassing van de BOR\n\n38. De BOR wordt alleen verleend voor zover sprake is van een bedrijfsopvolging. Tot het voor de BOR kwalificerend ondernemingsvermogen behoren een “onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet Inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan” of een direct of indirect gehouden aanmerkelijk belang, mits de vennootschap waarop dat aanmerkelijk belang betrekking heeft een onderneming in vorenbedoelde zin drijft.\n\n39. Een beroep op de – voorwaardelijke – vrijstelling van artikel 35b Sw (de BOR) kan – kort gezegd – gehonoreerd worden indien voldaan is aan de volgende vereisten:\n\nEr is sprake van ondernemingsvermogen zoals benoemd in artikel 35c lid 1 onder a tot en met d van de Sw;\n\nEr is voldaan aan het bezitsvereiste van een jaar door de erflater zoals beschreven in artikel 35d van de Sw;\n\nVervolgens moet de verkrijger voldoen aan het voortzettingsvereiste van vijf jaar zoals beschreven in artikel 35e van de Sw;\n\nBij het doen van aangifte is een beroep gedaan op de BOR (artikel 35b, lid 1 jo. lid 7 van de Sw).\n\n40. Van het drijven van een onderneming in vorenbedoelde zin is sprake bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om winst te behalen. Bij de exploitatie van onroerende zaken – zoals hier aan de orde – geldt dat deze activiteiten slechts als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt indien de arbeid naar aard en omvang meer heeft omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer (arbeid-plus) en deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat (rendement-plus).\n\n41. In dit geval wordt door verweerder betwist dat sprake is van een onderneming in vorenbedoelde zin. Subsidiair neemt verweerder het standpunt in dat niet is voldaan aan het hiervoor in rechtsoverweging 38, onder c, weergegeven voortzettingsvereiste, omdat volgens verweerder in ieder geval vanaf ultimo 2021 geen sprake (meer) is van zulk een onderneming.\n\n42. Op eiseres, die een beroep doet op toepassing van de BOR, rust de bewijslast aannemelijk te maken dat dat de faciliteit van toepassing is, dat wil zeggen dat zij\n\nfeiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken die het standpunt kunnen dragen dat de ter zake van de verhuur van het pand verrichte werkzaamheden meer omvatten dan normaal vermogensbeheer (arbeid-plus en rendement-plus) én dat, gegeven het subsidiaire standpunt van verweerder, ook gedurende de vijf navolgende jaren na de verkrijging daarvan (nog) sprake was (het voorzettingsvereiste van vijf jaar).\n\n43. Verweerder wijst er terecht op dat uit de geldende jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling of sprake is van arbeid-plus, de arbeid:\n\nin verhouding tot de omvang van de vastgoedportefeuille moet worden beoordeeld; en\n\ndat arbeid dient te worden vergeleken met een belegger in zodanige goederen om te beoordelen of er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer.\n\nDaarbij geldt dat werkzaamheden die onder verhuuractiviteiten vallen, zeer uiteenlopend zijn, waarbij het bijvoorbeeld gaat om:\n\n- het innen van de huur en alle hiermee verband houdende activiteiten;\n\n- het zoeken naar huurders;\n\n- het opstellen van de huurovereenkomsten;\n\n- het onderhouden van contact met financiers\u002Fbanken;\n\n- het in ontvangst nemen van klachten en vragen, en het afhandelen daarvan;\n\n- het plegen van klein en grootonderhoud.\n\nDaarbij ontkomt geen investeerder in vastgoed eraan door grotere ingrepen het vastgoed economisch en technisch up to datete houden, teneinde de huurstroom op peil te kunnen houden. Deze werkzaamheden behoren in beginsel tot hetgeen een willekeurige vastgoedexploitant aan werkzaamheden moet verrichten teneinde het reguliere rendement te kunnen realiseren.\n\n44. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van het pand sprake is van arbeid-plus, zeker niet vanaf ultimo 2021. De rechtbank baseert dit oordeel op de weergave van de werkzaamheden zoals door\u002Fnamens de erfgenamen beschreven in de beantwoording van de vraag ‘Welke kwalificerende arbeid heeft plaatsgevonden’ (zie rechtsoverweging 22). In beroep hebben de erfgenamen geen wezenlijk andere (aanvullende) werkzaamheden voor het voetlicht gebracht. De rechtbank stelt vast dat de erfgenamen hiermee in wezen stellen dat door de arbeid die gemoeid is met de verhuur van het pand aan de arbeid-plus eis wordt voldaan. De rechtbank volgt de erfgenamen – en daarmee eiseres – daarin niet. In de weergave van de werkzaamheden door de erfgenamen, ziet de rechtbank geen werkzaamheden die omvangrijker zijn dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Al die werkzaamheden vallen naar het oordeel van de rechtbank, ook in samenhang bezien, onder het hiervoor geschetste kader van wat ‘normaal vermogensbeheer’ is. Daarbij overweegt de rechtbank dat de beschreven werkzaamheden – kort gezegd – zien op de verbouwing van het pand, mogelijke verduurzaming in de toekomst en onderhandelingen met de huurder over incentives. Dit zijn, zoals verweerder ook terecht concludeert, allemaal juist werkzaamheden die inherent zijn aan het beheren van onroerend goed en het behalen van een wenselijk rendement; het zijn werkzaamheden die een belegger moet verrichten om zijn bron van inkomen in stand te houden en kwalificeren als normaal vermogensbeheer. Overige werkzaamheden die – al dan niet in samenhang bezien met de andere werkzaamheden – de conclusie kunnen dragen dat wel sprake is normaal vermogensbeheer overstijgende werkzaamheden (arbeid-plus), zijn niet gesteld en zijn ook niet anderszins gebleken.\n\nDat er een werknemer (directeur) fulltime in dienst was van de vennootschap die de verhuur regelde en daar activiteiten\u002Fwerkzaamheden voor verrichtte, welke taken nu door (een van) de erfgenamen worden uitgevoerd, maakt dit niet anders. Dat doet namelijk niet af aan de aard van de activiteiten\u002Fwerkzaamheden die worden verricht, en dat zijn in dit geval – zoals hiervoor geoordeeld – geen activiteiten die normaal vermogensbeheer overstijgen.\n\n45. Het vorenstaande betekent dat er geen sprake is van een materiële onderneming, zodat er geen recht bestaat op toepassing van de BOR. Dit betekent dat de erfgenamen de volle aanmerkelijk belangclaim op de aandelen in de vennootschap moeten afrekenen. Gelet op dit oordeel behoeft de vraag of aan rendement-plus-eis wordt voldaan geen behandeling meer.\n\n46. Dat de inspecteur inkomstenbelasting voor het jaar 2019 heeft beoordeeld dat sprake is van gekwalificeerd ondernemingsvermogen op het moment van overlijden en dat om die reden de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in artikel 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is, maakt de aard en omvang van de bewuste werkzaamheden niet anders en brengt de rechtbank in deze zaak dan ook niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat zo aanvankelijk, bijvoorbeeld tijdens de verbouwing van het pand, wél sprake is geweest van een onderneming in vorenbedoelde zin, daarvan dan naar het oordeel van de rechtbank – overeenkomstig het subsidiaire standpunt van verweerder – ultimo 2021 in ieder geval geen sprake meer van is. De verbouwing is immers begin 2020 volledig afgerond, waarna geen sprake meer is geweest van (ingrijpende) verbouwing doch enkel van ‘reguliere’ verhuur. Onder die omstandigheden is, gegeven de werkzaamheden zoals door de erfgenamen beschreven, naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval per ultimo 2001 geen sprake van meer dan normaal vermogensbeheer. Dat betekent dat in ieder geval niet is voldaan aan het voortzettingsvereiste van vijf jaar, zodat ook in zoverre geen recht bestaat op toepassing van de BOR.\n\n47. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n48. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. J.J. Arts en mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Vergelijk HR 17 augustus 1994, (ECLI:NL:HR: 1994:ZC5731), HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:633 en ook HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1321.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8341","2026-04-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.621Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"1277","ECLI:NL:RBZWB:2026:1738","ecli-nl-rbzwb-2026-1738",64,"2026-03-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht zaaknummer: BRE 25\u002F222\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende\n\n(gemachtigden: mr. M.H.J.M. Oosterbosch en [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 december 2024.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd, tot een bedrag van € 134.354, ter zake van een verkrijging in het jaar 2020.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Van hetgeen op de zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft\n\nFeiten\n\n3. Op [datum] 2020 is [erflater] , de broer van belanghebbende (erflater), overleden.\n\n3.1.. \n\nErflater heeft bij testament van 20 juni 2020 over zijn nalatenschap beschikt. In dat testament staat, voor zover hier van belang (en zonder het in de akte opgenomen renvooi):\n\n“Ik legateer, zulks niet vrij van rechten en kosten en af te geven binnen acht maanden na mijn overlijden:\n\na. (…);\n\nb. tezamen en voor gelijke delen aan:\n\n- (…);\n\n- [belanghebbende]; en\n\n- (…);\n\neen cultuurgrond, gelegen te [plaats 2] , (…).\n\nLEGAAT OVERIGE SPAARTEGOEDEN\u002FBELEGGINGEN\n\nIk legateer tezamen en voor gelijke delen aan:\n\n- (…);\n\n- [belanghebbende];\n\n- (…):\n\n- (…); en\n\n- (…);\n\nniet vrij van rechten en kosten, zonder bijberekening van rente en af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden hetgeen resteert van de door mij in privé aangehouden spaartegoeden\u002Fbeleggingen na uitbetaling van het legaat hiervoor onder IV.B gemeld en de betaling van de uitvaartkosten.(…)\n\nERFSTELLING\n\nIk benoem, onder de verplichting tot afgifte van voormeld legaten, tot mijn enige en algehele erfgenaam: mijn neef (…)”\n\n3.2.. Erflater dreef samen met de in 3.1 bedoelde neef een vennootschap onder firma, [V.O.F.] , waarin een melkveehouderij werd uitgeoefend (de VOF).\n\n3.3.. Naast het in 3.2 bedoelde aandeel in de VOF had erflater buitenvennootschappelijk vermogen, waaronder het in 3.1 bedoelde stuk cultuurgrond (de cultuurgrond). Erflater had het gebruik en genot van de cultuurgrond ingebracht in de VOF.\n\n3.4.. \n\nBelanghebbende en twee zusters van haar hebben samen met de vennoten die met erflater een VOF zijn aangegaan in december 2020 een VOF-akte ondertekend waarin – voor zover relevant – het volgende is bepaald:\n\n‘In aanmerking nemende:\n\ndat [de vennoten die samen met erflater een VOF zijn aangegaan] vanaf 1 januari 2014 voor gezamenlijke rekening en risico een agrarische onderneming exploiteren in de vorm van een vennootschap onder firma samen met [erflater];\n\n(…)\n\ndat erflater op [datum] 2020 is overleden;\n\ndat [de neef en belanghebbende en haar zussen] vermogensbestanddelen hebben geërfd welke dienstbaar waren aan de bedrijfsuitoefening van de vennootschap onder firma;\n\ndat [de neef en belanghebbende en haar zussen] deze vermogensbestanddelen ter beschikking willen blijven stellen aan de vennootschap onder firma, waarbij [belanghebbende en haar zussen] toetreden tot deze vennootschap onder firma\n\nverklaren bij dezen met ingang van 15 augustus 2020 te zijn aangegaan een overeenkomst van vennootschap, zulks ter voortzetting van de tot die datum bestaande vennootschap onder firma tussen [de vennoten die met erflater een VOF zijn aangegaan] en erflater (…)\n\n5. Door [belanghebbende en haar zussen] wordt ingebracht het gebruik en genot van (ieders aandeel in) de onroerende zaken, bestaande uit de cultuurgronden door hen verkregen uit de nalatenschap van [erflater] (…).\n\nc) De resterende jaarlijkse winsten of verliezen worden als volgt verdeeld:\n\n(…)\n\n[Belanghebbende en haar zussen] ontvangt of draagt ieder 4,5% (…).\n\n3.5.. De door belanghebbende en haar zussen verkregen grond is op 19 juni 2020, door [bedrijf 1] B.V., per diezelfde datum, getaxeerd op € 972.000.\n\n3.6.. Dezelfde grond is op 23 april 2021, door [bedrijf 2] , per diezelfde datum, getaxeerd op € 784.000\n\n3.7.. In de aangifte erfbelasting is de cultuurgrond in aanmerking genomen voor de in 3.5 bedoelde waarde. Het totaalbedrag aan legaten dat belanghebbende heeft ontvangen is in de aangifte becijferd op € 369.778.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nJuridisch kader\n\n4. Artikel 21, eerste lid, van de Successiewet 1956 (SW) luidt (tekst 2020) als volgt:\n\n“1. Het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer ka worden toegekend.”\n\n4.1.. \n\nArtikel 35b van de SW luidt (tekst 2020), voor zover hier van belang:\n\n“1. Indien tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c, dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in het vijfde lid, wordt op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling verleend van:\n\na. indien de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft € 1.102.209 niet te boven gaat: 100%;\n\n(…)\n\n5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt onder een bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, (…) mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingsvereiste, bedoeld in artikel 35e.”\n\n4.2.. \n\nArtikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW (tekst 2020) luidt:\n\n“Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt onder de verkrijging van ondernemingsvermogen verstaan de verkrijging van:\n\na. een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan;”\n\n4.3.. \n\nIn de memorie van toelichtingvoorafgaand aan de wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten is onder meer het volgende opgemerkt:\n\n“Kern van de bedrijfsopvolgingsregeling is dat de verkrijger het verkregen ondernemingsvermogen voortzet. (…)\n\nIn beginsel volgt de bedrijfsopvolgingsregeling voor de zogenoemde voortzettingseis het stakings- en vervreemdingsbegrip van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit kan anders zijn wanneer de specifieke aard van de bedrijfsopvolgingsregeling daarom vraagt. Indien bijvoorbeeld bij de overdracht van een onderneming gebruik wordt gemaakt van artikel 3.63 Wet IB 2001, wordt de onderneming voor de inkomstenbelasting geacht niet te zijn gestaakt. Deze niet-stakingsfictie werkt niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling. In zoverre bestaat er overigens geen wijziging ten opzichte van de huidige regeling.”\n\nHeeft de inspecteur artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) geschonden?\n\n4.4.. Belanghebbende heeft de inspecteur, in de brief bij de in 1.4 bedoelde pleitnota, verzocht om haar, voor zover deze nog niet zijn aangeleverd in de bezwaarfase, de op de zaak betrekking hebbende stukken te doen toekomen. Ter zitting is aangevoerd dat de communicatie tussen de inspecteurs die zich bezig houden met de heffing van inkomstenbelasting en successierecht, welke is gevoerd in de periode tussen het hoorgesprek en het opleggen van de aanslagen erfbelasting, ontbreekt.\n\n4.5.. De rechtbank overweegt dat interne correspondentie van de Belastingdienst tot de op de zaak betrekking hebbende stukken kan behoren zodat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) bij de besluitvorming in zijn zaak.\n\n4.6.. Dat laatste is niet het geval. Belanghebbende voert niets aan over de vraag voor welk resterend geschilpunt deze stukken mogelijk van belang zouden kunnen zijn en de rechtbank ziet dat zelfstandig ook niet in. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank artikel 8:42 van de Awb niet geschonden nu alle stukken zijn overgelegd die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.\n\nIs de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?\n\n4.7.. Primair stelt belanghebbende dat al hetgeen zij bij legaat van erflater heeft ontvangen is vrijgesteld van erfbelasting op grond van artikel 35b en volgende van de SW. Zij voert daarbij aan dat hetgeen zij heeft verkregen bij erflater een gedeelte was van een door hem gedreven onderneming. Belanghebbende meent daarbij argumenten te kunnen ontlenen aan een arrest van de Hoge Raad.Voorts stelt belanghebbende dat moet worden gekeken naar de doorschuifregelingen die van toepassing zijn in de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet IB 2001) en dat voor de toepassing van artikel 3.62 van die wet van belang is of bij de erflater sprake was van een onderneming. Tot slot stelt belanghebbende dat zij voor het legaat van een onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen (uiteindelijk) is gecrediteerd in het ondernemingsvermogen van de VOF en dat om die reden ook op dát legaat artikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW van toepassing is.\n\n4.8.. \n\nDe rechtbank overweegt dat belanghebbende, gelet op de tekst van het testament van erflater (zie 3.1), een onverdeeld aandeel in een stuk cultuurgrond en een onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet aan te merken als (een gedeelte van) een onderneming als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW. Op zichzelf en gezamenlijk zijn de verkregen vermogensbestanddelen – en dat is tussen partijen niet in geschil – geen onderneming of een zelfstandig deel daarvan. Daaraan doet niet af dat het onverdeeld aandeel in het stuk cultuurgrond op een later moment in gebruik en genot is ingebracht in een VOF waar belanghebbende vennoot in is, en ook niet dat belanghebbende (uiteindelijk) het onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen kort gezegd uitbetaald heeft gekregen, maar voor dat bedrag is gecrediteerd in het vermogen van de VOF. Op het moment van de verkrijging kwalificeren de verkregen bestanddelen naar het oordeel van de rechtbank niet als een (gedeelte van) een onderneming, waardoor geen sprake is van ondernemingsvermogen in de zin van de SW.\n\nDat de situatie op het moment van de verkrijging beslissend is, wordt juist bevestigd in rechtsoverweging 2.4.4 van het door belanghebbende genoemde arrest.\n\n4.9.. Naar het oordeel van de rechtbank werkt artikel 3.62 van de Wet IB 2001 niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling omdat dit niet de bedoeling van de wetgever is geweest. Weliswaar heeft de wetgever als voorbeeld enkel artikel 3.63 van de Wet IB 2001 genoemd (zie 4.3), maar de rechtbank ziet niet in waarom dit anders zou zijn voor artikel 3.62 van de Wet IB 2001 ook gelet erop dat dit specifieke wetsartikel slechts als voorbeeld wordt genoemd.\n\nIs de cultuurgrond bij het opleggen van de aanslag tegen een te hoge waarde in aanmerking genomen?\n\n4.10.. Subsidiair stelt belanghebbende dat de cultuurgrond bij het opleggen van de aanslag tot een te hoog bedrag in aanmerking is genomen. Zij wijst daarbij op de in 3.6 bedoelde taxatie. De aanslag zou, uitgaande van laatstbedoelde taxatie, moeten worden verlaagd naar € 109.287. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst belanghebbende op een tweetal arresten van de Hoge Raad.\n\n4.11.. De rechtbank overweegt dat de cultuurgrond in het in 3.6 bedoelde taxatierapport is gewaardeerd uitgaande van een verwachte verkoopopbrengst exclusief omzetbelasting. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van een onroerende zaak maakt de aan de koper in rekening gebrachte omzetbelasting deel uit van de prijs die de koper bereid is gebleken te betalen ter verkrijging van de onroerende zaak. Indien de koper de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kan brengen, leidt zulks er niet toe dat deze omzetbelasting niet deel uitmaakt van de prijs, nu de aftrekbaarheid van de omzetbelasting een die koper persoonlijk betreffende omstandigheid is.Hetgeen is beslist in de door belanghebbende genoemde arresten brengt hierin geen verandering omdat in die arresten geen waardering naar de waarde in het economische verkeer aan de orde was, zoals vereist op grond van artikel 21, eerste lid, van de SW (zie 4), maar waardering naar de gecorrigeerde vervangingswaarde in het kader van de Wet waardering onroerende zaken. De in 3.6 bedoelde taxatie kan derhalve niet als juist worden aanvaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag wordt gehandhaafd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en prof. dr. G.J. van Norden, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier op 13 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Kamerstukken II 2008-2009, 31 930, nr. 3, p. 46.\n\n Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2.\n\n Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.4.\n\n Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.3.\n\n Hoge Raad 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5030 en Hoge Raad 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AW3876.\n\n Vgl. Hoge Raad 8 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0924, r.o. 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1738","2026-07-13T00:29:13.529Z",20,[11,74],2023]