[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-insolvency-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":214},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":212,"page":14,"limit":213},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},32,"insolvency-law-nl","Insolvency Law","NL","2026-07-08T16:53:14.213Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":26},6,18,{"month":28,"count":14},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,54,64,72,79,89,99,109,116,123,132,141,148,155,163,172,180,187,195,203],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"997","ECLI:NL:RBMNE:2026:4006","ecli-nl-rbmne-2026-4006","",63,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F26\u002F1033 R\n\nuitspraakdatum: 2 juli 2026\n\nVonnis op grond van artikel 350 lid 3 Fw (tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling)\n\nIn de zaak van:\n\n [verzoeker] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoeker,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mrs. A. Coppelmans en M.E.R. van Herpen, kantoorhoudend in Den Haag,\n\ntegen\n\n [verweerster] ,\n\nwonende op een, bij de rechtbank bekend, geheim adres,\n\nverweerster,\n\nhierna te noemen: [verweerster] ,\n\nadvocaat: mr. R. van Biezen, kantoorhoudend in Den Haag.\n\n1. Het procesverloop\n\nBij vonnis van 12 februari 2026 is ten aanzien van [verweerster] de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) uitgesproken met benoeming van mr. G. Konings tot rechter-commissaris en dhr. B.L. Menting tot bewindvoerder.\n\nMet een verzoekschrift, gedateerd op 6 maart 2026, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht om de toepassing van de Wsnp tussentijds te beëindigen. Vervolgens is de mondelinge behandeling bepaald op 4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft vóór de mondelinge behandeling kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nverzoekschrift ingediend door [verzoeker] met bijlage 1 t\u002Fm 44;\n\nverweerschrift van [verweerster] met bijlage N01 t\u002Fm N05 en de referentieset;\n\nde aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 1 juni 2026 met bijlage 45 t\u002Fm 49;\n\nde aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlage 50;\n\nde aanvullende reactie van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlages N01 t\u002Fm N08;\n\nde nagestuurde referentieset bij het verweer van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026.\n\nOp de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 zijn [verzoeker] en zijn beide advocaten verschenen. Mr. Coppelmans heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. [verweerster] is eveneens verschenen en bijgestaan door haar advocaat voornoemd. [verweerster] heeft aan het einde van de mondelinge behandeling een “nadere toelichting”voorgedragen en overgelegd. Verder heeft [verweerster] nog een aan haar gerichte“werkgeversverklaring mbt reintegratie werkzaamheden”, gedateerd 3 juni 2026, overgelegd. Op de mondelinge behandeling is tenslotte nog verschenen dhr. B.L. Menting, bewindvoerder van [verweerster] .\n\nVonnis is bepaald op heden.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.\n\n [verzoeker] verzoekt de rechtbank “de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van mevrouw [verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1972, op grond van artikel 350 lid 3 sub e en\u002Fof sub f Fw tussentijds te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”\n\nIn zijn verzoekschrift voert [verzoeker] aan dat er sprake is van benadeling van schuldeisers en schulden te kwader trouw. Indien, aldus [verzoeker] , [verweerster] alle relevante informatie had gedeeld was de toepassing van de schuldsanering nimmer uitgesproken. De toepassing van de Wsnp dient dan ook tussentijds te worden beëindigd, zonder toekenning van de schone lei. [verzoeker] beroept zich op twee gronden:\n\ni) artikel 350, lid 3 sub e Fw: [verweerster] tracht haar schuldeisers te benadelen;\n\nii) artikel 350, lid 3 sub f Fw: er zijn feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van indiening van het verzoek tot toelating reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen.\n\n2.2.\n\n [verweerster] verzoekt de rechtbank: “het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling af te wijzen en het vonnis van 13 februari 2026, waarbij verweerster tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten, in stand te laten.”\n\nIn haar verweerschrift concludeert [verweerster] dat de door [verzoeker] , in zijn verzoekschrift, aangevoerde “feiten en omstandigheden” ofwel feitelijk onjuist zijn, ofwel niet onderbouwd, ofwel bekend waren bij de toelatingsrechter en bij de toelating zijn meegewogen. Er is geen sprake van benadeling van schuldeisers in de zin van artikel 350, lid 3 sub e Fw. Er zijn geen naderhand bekend geworden feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub f Fw die tot afwijzing van het toelatingsverzoek hadden geleid. Het verzoek tot tussentijdse beëindiging is, aldus [verweerster] , niet gegrond en dient te worden afgewezen.\n\n3. De beoordeling van het verzoek\n\n3.1.\n\nBij de beoordeling van het verzoek gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten.\n\n- Partijen zijn ex-echtelieden. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag d.d.\n\n [datum echtscheiding] 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.\n\nBij beschikking van 31 januari 2022 heeft de rechtbank Den Haag beslist over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding.\n\nNadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld tegen voormelde beschikking van 31 januari 2022 en [verweerster] incidenteel hoger beroep had ingesteld heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 7 december 2022 de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 vernietigd en -opnieuw rechtdoende- een andere wijze van verdeling gelast en [verweerster] veroordeeld tot betaling van een bedrag ad\n\n€ 278.372,50 aan [verzoeker] . Bij beschikking van 29 maart 2023 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van 7 december 2022 verbeterd aldus dat het door [verweerster] aan [verzoeker] te betalen bedrag is bepaald op € 289.304,30.\n\nDirect ná de beschikking van 31 januari 2022 heeft [verweerster] diverse beslagen ten laste van [verzoeker] doen leggen. In de daarop volgende procedures zijn -voor zover einduitspraak is gedaan- de vorderingen van [verweerster] afgewezen.\n\nBij vonnis in kort geding d.d. 16 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag alle ten laste van [verzoeker] gelegde beslagen opgeheven, [verweerster] verboden opnieuw executoriaal beslag te leggen ter zake partneralimentatie en - kort en zakelijk samengevat- [verweerster] veroordeeld mee te werken aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals bepaald bij beschikking van\n\n7 december 2022 (en aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023).\n\nEind 2024 heeft [verweerster] de rechtbank Midden-Nederland verzocht om toegelaten te worden tot de Wsnp.\n\nHet verzoek van [verweerster] om toegelaten te worden tot de Wsnp is door de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 25 februari 2025 afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 6 juni 2025 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 25 februari 2025 bekrachtigd.\n\nEind 2025 heeft [verweerster] zich opnieuw tot de rechtbank Midden-Nederland gewend met een verzoek toegelaten te worden tot de Wsnp.\n\nBij vonnis van 13 februari 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland [verweerster] toegelaten tot de Wsnp. Voor zover thans van belang heeft de rechtbank daarbij het volgende overwogen:\n\n“De rechtbank overweegt dat hetgeen het hof heeft overwogen over het gebrek aan goede trouw van [verweerster] ten aanzien van het laten ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, in beginsel nog steeds in de weg staat aan toelating tot de Wsnp. [verweerster] heeft immers in augustus 2023 een recht van hypotheek aan [bedrijf 1] B.V. verstrekt. De in artikel 288, eerste lid, onder b, van de Faillissementswet opgenomen driejaarstermijn verstrijkt dus pas in augustus 2026.\n\nHoewel deze omstandigheid toelating tot de Wsnp in beginsel in de weg staat, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval op grond van de uitzichtloze situatie van [verweerster] en ter voorkoming van verdere neergang, een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank zal evenwel ter compensatie van het geconstateerde verwijtbare handelen van [verweerster] , de duur van de schuldsanering verlengen en licht dit als volgt toe.”\n\nen verder:\n\n“De rechtbank is verder van oordeel dat, gelet op de uiteenzetting van [verweerster] in het verzoekschrift en de aanvullende stukken van 21 januari 2026 en 8 februari 2026 waarin [verweerster] aannemelijk heeft gemaakt welke gerechtelijke procedures er thans lopen en dat er voor haar geringe financiële risico’s aan zijn verbonden, dit aspect een toewijzing tot de Wsnp niet in de weg staat. De rechter-commissaris zal verder de voortzetting en aanvang van (nieuwe) procedures dienen te beoordelen.”\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2026 heeft het gerechtshof het hiervoor vermelde kort geding vonnis van 16 september 2024 bekrachtigd met veroordeling van [verweerster] in de geliquideerde proceskosten. Daarbij heeft het gerechtshof Den Haag het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot de procedures die zij tegen de man heeft gevoerd. Ook van haar kan worden verlangd dat zij op een correcte wijze uitvoering geeft aan rechterlijke beslissingen en van haar kan ook in redelijkheid worden verlangd dat zij niet nodeloos de man in rechte betrekt. Ook de advocaat van de vrouw heeft hier een rol in om nodeloze procedures te voorkomen. Gezien de proceshouding van de vrouw ziet het hof thans aanleiding haar in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen. Het hof zal thans nog uitgaan van het liquidatietarief.”\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 2 juni 2026 -waarbij het gerechtshof de door [verweerster] bestreden vonnissen van de rechtbank Den Haag d.d. 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 heeft bekrachtigd, is [verweerster] veroordeeld in de werkelijke proceskosten van [verzoeker] . Daarbij heeft het gerechtshof het volgende overwogen: “Uit de gewisselde stukken volgt dat [verweerster] een veelvoud aan procedures (waaronder naast bodemprocedures meerdere kortgedingen en beslagprocedures in twee instanties) tegen [verzoeker] heeft opgestart, waarop zij ook in eerdere procedures reeds onherroepelijk besliste geschilpunten veelal opnieuw -al dan niet in een andere vorm- naar voren brengt. Het hof concludeert dat [verweerster] , nadat zij daar al eerder op is gewezen, (ook) in deze procedure in hoger beroep weer een groot aantal stellingen naar voren brengt, zonder daarbij duidelijk aan te geven tegen welke oordelen zij zich richt en welke bezwaren (grieven) er precies tegen die oordelen worden aangevoerd, hetgeen de positie van de wederpartij onnodig verzwaart ook stelt het hof vast dat [verweerster] geen uitvoering heeft gegeven aan de in gezag van gewijsde gegane beschikkingen van dit hof van 7 december 2022 en 29 maart 2023, en ook niet aan een aantal andere onherroepelijke veroordelingen, al dan niet op straffe van een dwangsom opgelegd (bijvoorbeeld ten aanzien van het huisje in België). Daarmee bemoeilijkt ze de afronding van andere geschilpunten en procedures die tussen partijen lopen zonder dat daar een goede grond voor is gebleken. Ook zijn er beslagprocedures gevoerd, waarbij het door [verweerster] gelegde beslag moest worden opgeheven omdat daar geen of te weinig grondslag voor bleek te bestaan. Dit alles heeft geleid tot hoog opgelopen proceskosten voor [verzoeker] en nu ook de BV, die mede de oorzaak zijn voor het feit dat in de onderhavige procedure niet tot afstorting van pensioen kan worden overgegaan. Bij arrest van 26 maart 2026 van dit hof heeft het hof al overwogen dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot het voeren van procedures tegen de man en heeft het hof de vrouw in de proceskosten veroordeeld, het hof verwijst naar productie 72 van de akte van geïntimeerden. Uit productie 73 van voormelde akte volgt dat [verweerster] op 7 april 2026 wederom in hoger beroep heeft gedagvaard met betrekking tot appel van een vonnis van 11 maart 2026. Er komt geen eind aan alle procedures die [verweerster] voert en blijft voeren. Gezien de proceshouding van [verweerster] is het hof van oordeel dat zij hiermee al met al misbruik van procesrecht maakt ten opzichte van [verzoeker] . Het hof zal [verweerster] veroordelen in de werkelijke proceskosten conform de opgave van de advocaat van geïntimeerden (….), nu deze opgave in hoger beroep onbestreden is gebleven. Het gaat dan om een bedrag van € 15.888,--, inclusief griffierecht ad € 6.803,--”.\n\nAlvorens de door [verzoeker] aangevoerde twee gronden voor tussentijdse beëindiging te\n\nbespreken overweegt de rechtbank het volgende.\n\nIn haar aan de toelating tot de Wsnp ten grondslag liggend verzoekschrift is het volgende verwoord:\n\n“Mevrouw [verweerster] is bij arrest van het gerechtshof van 29 maart 2023 veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan haar ex-partner.\n\nNaar aanleiding van deze uitspraak is de heer [verzoeker] vanaf 1 oktober 2023 overgegaan tot het inhouden van een substantieel deel van de door hem verschuldigde partneralimentatie. Hierdoor is het inkomen van mevrouw [verweerster] drastisch gedaald.\n\nOm zich te verweren tegen de voortdurende juridische conflicten met haar ex-partner heeft mevrouw [verweerster] noodgedwongen verschillende deskundigen moeten inschakelen, waaronder advocaten, deurwaarders en pensioenadviseurs. De aanzienlijke kosten die hieruit zijn voortgevloeid hangen allemaal rechtstreeks samen met de te hoge verrekening van de partneralimentatie door de heer [verzoeker] en daarnaast ook door de onrechtmatige onttrekking van dividend, de weigering van [verzoeker] van de waardeoverdracht pensioenreserve naar een andere toegelaten pensioenaanbieder en zijn weigering tot medewerking aan de overname van het eigendomsaandeel van mevrouw [verweerster] van het chalet in de [plaats 1] als ook de medewerking van de verkoop aan derden.\n\nDeze schulden zijn dan ook niet het gevolg van verwijtbaar financieel gedrag, maar vinden hun oorsprong in omstandigheden die buiten de invloedssfeer van mevrouw [verweerster] liggen. In oktober 2024 heeft mevrouw [verweerster] , gelet op de uitzichtloze situatie waarin zij verkeert, een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Dit verzoek is in zowel eerste aanleg als hoger beroep afgewezen.\n\nSinds die tijd is haar financiële positie verder verslechterd. De heer [verzoeker] is nog minder alimentatie gaan betalen, waardoor het inkomen van mevrouw [verweerster] verder is gedaald. Daarnaast is zij inmiddels arbeidsongeschikt geraakt door de langdurige financiële stress en onzekerheid. Ondanks deze omstandigheid blijft mevrouw [verweerster] zich volledig inspannen om haar lopende verplichtingen te voldoen.”\n\nDe rechtbank vindt dat [verweerster] met deze inleiding in haar verzoekschrift toelating Wsnp een vertekend beeld heeft gegeven van de werkelijkheid. Er zijn diverse procedures tussen partijen gevoerd (en er lopen nog procedures) die zijn begonnen nadat [verweerster] beslag en executiemaatregelen is gaan nemen op basis van de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 wetende dat tegen deze beschikking hoger beroep was ingesteld. Hier komt bij dat, nadat de beschikking van de rechtbank Den Haag door het gerechtshof Den Haag was vernietigd en het gerechtshof een andere wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden had gelast, [verweerster] is doorgegaan met beslagen en executiemaatregelen, daarbij de inhoud van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 niet in acht nemend. Het beeld dat uit de vele procedures opkomt is dat [verweerster] geen uitvoering wenst te geven aan de onherroepelijke beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 (aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023), daarbij talloze procedures heeft geïnitieerd met als meest recente uitkomst twee proceskostenveroordelingen door het gerechtshof Den Haag .\n\nArtikel 350, lid 3 sub e Fw\n\n3.3.\n\nVoor zijn beroep op artikel 350, lid 3 sub e Fw heeft [verzoeker] aangevoerd dat [verweerster] :\n\n- vermogen heeft verschoven naar derden via een web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen. In haar Wsnp-verzoek heeft [verweerster] als onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven en KvK-uittreksels van [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] , [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] overgelegd. Uit deze uittreksels volgt enkel dat [naam 1] bestuurder is. Hiermee poogt [verweerster] , aldus [verzoeker] , haar betrokkenheid bij deze vennootschappen te verbergen. Eerst na haar toelating tot de Wsnp is [verzoeker] gebleken Dat [bedrijf 1] B.V. onder [bedrijf 2] hangt welke stichting voorheen gevestigd was op het woonadres van de ouders van [verweerster] . Op 23 maart 2024 heeft [verweerster] [bedrijf 5] B.V. opgericht van welke B.V. de dochter van partijen, [naam 2] , sedert 17 mei 2024 enig aandeelhouder is. [naam 2] was op dat moment 18 jaar en was bezig met het afronden van de middelbare school in Italië. Op 18 april 2025 is [bedrijf 5] B.V. enig aandeelhouder geworden van [bedrijf 5] B.V., eveneens gevestigd op het adres van de ouders van [verweerster] . Eveneens op naam van dochter [naam 2] is op\n\n26 april 2024 [bedrijf 6] B.V. opgericht, ook gevestigd op het adres van de ouders van [verweerster] . [bedrijf 6] B.V. is enig aandeelhouder van [bedrijf 7] B.V. en [bedrijf 8] B.V. Deze laatste B.V. heeft als omschrijving: handel in onroerend goed en bemiddeling in en beheer van onroerend goed voor een vast bedrag dan wel bedrag op contractbasis. Dit past bij [verweerster] die makelaar is, niet bij [naam 2] die -voor zover [verzoeker] bekend- nog student is aan de [onderwijsinstelling] . Op 15 februari 2022 heeft [verweerster] [bedrijf 3] B.V. opgericht en één dag later [bedrijf 9] B.V. waarvan [bedrijf 3] B.V. enig aandeelhouder is. Sinds 2023 is mevrouw [naam 1] (bestuurder van [bedrijf 1] B.V.) bestuurder van de B.V. en is de [bedrijf 4] enig aandeelhouder van de B.V. en de deelnemingen. Het is onbekend of [verweerster] haar aandelen heeft verkocht en, zo ja, voor welk bedrag. Ook is onbekend of [verweerster] nog inkomen ontvangt uit deze ondernemingen. En tenslotte: [verweerster] was haar opheffing op 15 oktober 2024 gevolmachtigde van [bedrijf 10] B.V., gevestigd op het adres van haar ouders. Het is onbekend wat de rol van [verweerster] is geweest;\n\ndrie percelen grond in Italië heeft verkocht aan een offshore entiteit in een niet transparante jurisdictie. In mei 2022, slechts enkele dagen nadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld, heeft [verweerster] drie percelen grond in Italië verkocht aan [bedrijf 11] , gevestigd te [plaats 2] en [plaats 3] . Niet duidelijk is onder welke voorwaarden deze verkoop heeft plaatsgevonden. In haar verzoekschrift toelating Wsnp vermeldt [verweerster] dat zij een bedrag ad € 120.000,-- heeft ontvangen maar dat is niet geloofwaardig nu in de procedure bij het gerechtshof Den Haag de onroerende zaken zijn gewaardeerd op € 384.000,--. De verkoop aan een offshore entiteit in een niet-transparante jurisdictie, kort ná aanvang van het hoger beroep, was kennelijk gericht op het onttrekken van vermogen aan het verhaal van schuldeisers;\n\nonrechtmatig hypotheek heeft gevestigd op een woning die reeds aan [verzoeker] was toegedeeld. In haar Wsnp-verzoek stelt [verweerster] dat [verzoeker] weigert zijn medewerking te verlenen aan de overname van het eigendomsdeel van [verweerster] dan wel het verkopen aan derden. Het tegendeel is echter het geval, aldus [verzoeker] . [verweerster] is, eerst vanwege de beschikking van 7 december 2022 en later het vonnis van 16 september 2024, gehouden tot het verlenen van haar medewerking aan toedeling van het chalet in België aan [verzoeker] . [verweerster] heeft echter (i) geen enkele actie ondernomen om tot doorhaling van de hypotheek op de woning te komen en (ii) heeft door het weigeren van medewerking een bedrag ad € 60.000,-- aan dwangsommen verbeurd;\n\nde beslagvrije voet kunstmatig hoog gehouden door structureel onjuiste en onvolledige inkomensgegevens te verstrekken, waardoor het voor verrekening beschikbare gedrag werd geminimaliseerd en [verzoeker] als schuldeiser direct werd benadeeld;\n\nde aard van haar schulden onjuist voorgesteld door haar eigen agressieve processtrategie en onrechtmatig handelen te presenteren als noodzakelijk verweer.\n\nDit alles, aldus [verzoeker] , levert in samenhang en los bezien een grond op voor tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350, lid 3 sub e Fw.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het beroep van [verzoeker] op artikel 350, lid 3 sub e Fw opgaat. Bij de toepassing van artikel 350, lid 3 sub e Fw gaat het in wezen om gedrag dat in de gegeven omstandigheden niet als te goeder trouw kan worden geschetst. Daarvan is in ieder geval sprake bij de hiervoor in 3.3. eerste, derde en vijfde gedachtestreepje genoemde handelingen en nalatigheden. Voor wat betreft het hiervoor genoemde “web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” blijkt uit het verzoekschrift toelating Wsnp in ieder geval dat [verweerster] onvolledig is geweest. Dat had wel gemoeten met een deugdelijke toelichting waarom meerdere vennootschappen waarbij [verweerster] betrokken was over zijn gegaan naar een medewerker van haar vennootschap en de net meerderjarige dochter van [verzoeker] en [verweerster] . Door aldus te handelen heeft [verweerster] objectief de schijn gewekt vermogen achter te houden en daarmee haar schuldeisers, waaronder [verzoeker] , te benadelen.\n\nVan benadeling van schuldeisers, althans schuldeiser [verzoeker] , is in ieder geval ook sprake voor zover het betreft de vakantiewoning in België. Nu uit de beschikking van het gerechtshof Den Haag d.d. 7 december 2022 volgt dat partijen het eens zijn dat de vakantiewoning wordt toegedeeld aan [verzoeker] heeft [verweerster] deze toedeling gefrustreerd door een recht van hypotheek te vestigen op het door haar aan [verzoeker] over te dragen aandeel in de woning. Onbegrijpelijk is dat [verweerster] nog steeds niets heeft gedaan om tot doorhaling van de hypotheek te komen.\n\nVan benadeling van schuldeisers, althans schuldeiser [verzoeker] , is verder sprake voor zover het betreft de recente proceskostenveroordelingen. Dit betreffen nieuwe schulden aan [verzoeker] . De in de door [verweerster] overgelegde “werkgeversverklaring mbt reïntegratie werkzaamheden” genoemde schenking maakt dit niet anders. De schenking is immers gedaan onder de voorwaarde dat [verweerster] in de Wsnp blijft en dat is niet het geval zoals hierna zal worden beslist.\n\nArtikel 350, lid 3 sub f Fw\n\n3.5.\n\nVoor zijn beroep op artikel 350, lid 3 sub f Fw heeft [verzoeker] aangevoerd dat [verweerster] :\n\nondernemingen heeft verzwegen. [verweerster] heeft in het Wsnp-verzoek als (ex-)onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven. Ten tijde van de toelating was [verweerster] echter (in)direct betrokken bij meerdere vennootschappen. Van [bedrijf 3] B.V. is weliswaar een KvK-uittreksel bijgevoegd, maar uitsluitend in de huidige staat (met [bedrijf 4] als bestuurder), zonder enige toelichting op de eerdere betrokkenheid van [verweerster] . Hiermee poogt [verweerster] haar eerdere betrokkenheid bij deze vennootschap te verhullen;\n\ncruciale gerechtelijke uitspraken niet in het Wsnp-verzoek heeft opgenomen. Het betreft:\n\n(i) het vonnis in kort geding van 16 september 2024, waarin alle beslagen ten laste van [verzoeker] zijn opgeheven, [verweerster] diverse ge- en verboden zijn opgelegd (waaronder een verbod tot het leggen van executoriaal beslag voor partneralimentatie, versterkt met dwangsommen tot € 75.000 respectievelijk € 60.000 en een gebod tot medewerking aan levering van aandelen en de woning in België);\n\n(ii) het vonnis van 21 augustus 2024, waarin de pensioenvordering van [verweerster] is afgewezen en de reconventionele vorderingen van [verzoeker] (onverschuldigde betaling ad € 123.336,44 en proceskosten ad € 4.437,00 zijn toegewezen);\n\n(iii) de beslissing van het Tribunal de Premiere Instance du Luxembourg, Division Neufchateau, van 23 april 2023, waarbij het verzoek van [verweerster] tot openbare verkoop van de woning in België is afgewezen en [verweerster] is veroordeeld in de proceskosten;\n\n(iv) de beschikking van 26 juni 2023, waarbij het verzoek van [verweerster] tot openbare verkoop van de aandelen in [bedrijf 12] B.V. is afgewezen en zij is veroordeeld in de proceskosten.\n\nIn het bijzonder, aldus [verzoeker] , is het vonnis van 16 september 2024 van groot belang, nu daaruit een patroon blijkt van onrechtmatige beslaglegging, het frustreren van gerechtelijke uitspraken en de noodzaak tot het opleggen van ge- en verboden versterkt met aanzienlijke dwangsommen. Indien deze uitspraken bij de toelating bekend waren geweest, hadden zij aanleiding gegeven het verzoek af te wijzen wegens het ontbreken van goede trouw.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het beroep van [verzoeker] op artikel 350, lid 3 sub f Fw opgaat.\n\nZoals de rechtbank hiervoor in 3.4. heeft overwogen heeft [verweerster] met “het web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” de schijn gewekt vermogen achter te houden. Daarmee ontbreekt in ieder geval de goede trouw zoals vereist voor toelating tot de Wsnp. Dat geldt ook voor wat betreft het onvolledig zijn met betrekking tot het vermelden van gerechtelijke procedures in haar verzoek om toelating tot de Wsnp. De rechtbank is met [verzoeker] van oordeel dat vermelding en bespreking van in ieder geval het kort geding vonnis van 16 september 2024 niet had mogen ontbreken. Met dit vonnis en de daarmee niet strokende inleiding van haar verzoek tot toelating Wsnp (zie hiervoor 3.2) zou [verweerster] niet zijn toegelaten tot de Wsnp.\n\n3.7.\n\nHet vorenstaande leidt tot toewijzing van het verzoek zoals hierna in het dictum van dit vonnis verwoord. De rechtbank merkt hierbij overigens nog het volgende op.\n\nAan dit vonnis ligt ten grondslag de in 1.3. genoemde stukken en het verhandelde van 4 juni 2026. De rechtbank heeft geenkennis van andere stukken zoals bijvoorbeeld de aantekeningen van de zitting van 14 januari 2026.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling en bepaalt dat de schuldsaneringsregeling zal eindigen na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis;\n\n- stelt het salaris van de bewindvoerder, dhr. Menting, vast op € 3.052,50 incl. btw en voorschotten, voor zover het boedelactief toereikend is.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen, rechter, in samenwerking met de griffier, R.A. Oelen, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\nHoger beroep tegen dit vonnis kan alleen worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de uitspraak van dit vonnis.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4006","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.121Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":63},"1865","ECLI:NL:GHAMS:2026:1799","ecli-nl-ghams-2026-1799",56,"2026-06-30T00:00:00.000Z","AMSTERDAM COURT OF APPEAL\n\nNetherlands Commercial Court of Appeal\n\nCase numbers Court of Appeal : 200.358.029\u002F01 and 200.358.754\u002F01\n\nCase number District Court : NCC C\u002F13\u002F768479\n\nJudgment given on 30 June 2026\n\nin the case with number 200.358.029\u002F01 of:\n\nDELTROIT DIRECTIONAL OPPORTUNITIES MASTER FUND LIMITED,\n\nGeorge Town, Cayman Islands,\n\nclaimant in appeal,\n\nclaimant in the incidental motion,\n\n(“Deltroit”),\n\nrepresented by S.C. Pepels, J.R. Berkenbosch and G. te Winkel, lawyers,\n\nagainst\n\nKROLL TRUSTEE SERVICES LIMITED,\n\nLondon, England,\n\ndefendant in appeal,\n\ndefendant in the incidental motion,\n\n(“Kroll”),\n\nrepresented by J.W. Volkers, W.N.M. Bouman and T.B. Klerks, lawyers,\n\n and\n\n1. SELECTA GROUP AG IN LIQUIDATION,\n\nCham, Switzerland,\n\n(the “Parent”),\n\n2. SELECTA GROUP B.V.,\n\nAmsterdam, the Netherlands,\n\n(the “Company”),\n\ninterested parties,\n\n(the Parent and the Company together: “Selecta”),\n\nrepresented by V.R. Vroom and B. Kemp, lawyers,\n\n3. SEAGULL BIDCO LIMITED,\n\nFolkstone, Kent, United Kingdom,\n\ninterested party,\n\n(“Seagull”),\n\nrepresented by E.R. Meerdink, F.J.L. Kaptein and R.G.A. Elkerbout-Kok, lawyers,\n\nand in the case with number 200.358.754\u002F01 of:\n\n1. CQS GLOBAL FUNDS (IRELAND) P.L.C.in respect of its sub-funds CQS Credit\n\nMulti Asset Fund, CQS Brunel Multi Asset Credit Fund and CQS Alternative Credit Fund,\n\nDublin, Ireland,\n\n2. CQS NEW CITY HIGH YIELD FUND LIMITED,\n\nSt. Helier, Jersey,\n\n3. MERCER QIF FUND P.L.C.in respect of its sub-fund Mercer Multi-Asset Credit Fund,\n\nDublin, Ireland,\n\n4. ALGEBRIS UCITS FUND P.L.C.,\n\nDublin, Ireland,\n\n5. FINECO ASSET MANAGEMENT DAC,\n\nDublin, Ireland,\n\nclaimants in appeal,\n\nclaimants in the incidental motion,\n\n(“CQS”),\n\nrepresented by C.B. Schutte, R. van den Berg and T.J.P.H. de Bekker, lawyers,\n\nagainst\n\nKROLL TRUSTEE SERVICES LIMITED,\n\nLondon, England,\n\ndefendant in appeal,\n\ndefendant in the incidental motion,\n\n(“Kroll”),\n\nrepresented by J.W. Volkers, W.N.M. Bouman and T.B. Klerks, lawyers,\n\nand\n\n1. SELECTA GROUP AG IN LIQUIDATION,\n\nCham, Switzerland,\n\n(the “Parent”),\n\n2. SELECTA GROUP B.V.,\n\nAmsterdam, the Netherlands,\n\n(the “Company”),\n\ninterested parties,\n\n(the Parent and the Company together: “Selecta”),\n\nrepresented by V.R. Vroom and B. Kemp, lawyers,\n\n3. SEAGULL BIDCO LIMITED,\n\nFolkstone, Kent, United Kingdom,\n\ninterested party,\n\n(“Seagull”),\n\nrepresented by E.R. Meerdink, F.J.L. Kaptein and R.G.A. Elkerbout-Kok, lawyers.\n\nDeltroit and CQS together: the “Appellants”.\n\nKroll, Selecta and Seagull together: the “Respondents”.\n\n1. Summary of the case\n\nBy judgment of 13 May 2025, the NCC District Court granted Kroll leave to transfer all the shares in the Company by way of a private enforcement sale pursuant to Article 3:251(1) Dutch Civil Code (DCC). The Appellants, who were not involved in the proceedings before the NCC District Court, filed an application for appeal with the NCC Court of Appeal requesting the Court to annul the judgment. Before their requests can be considered on the merits, the NCC Court of Appeal will in this interim judgment first decide (i) if Deltroit and CQS can be qualified as ‘interested parties’, and (ii) if there is ground to lift the applicable prohibition against appealing the judgment.\n\n2. The procedural history\n\n2.1.. The case file of the NCC Court of Appeal (“Court”) includes the following documents:\n\n­ the appeal against application ex Art. 3:251(1) DCC and the incidental motion to provide copies and access pursuant to Art. 195 and 195a Dutch Code of Civil Procedure (DCCP), including Exhibits nos. 1 to 40, of Deltroit, in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the appeal against application ex Art. 3:251(1) DCC and the incidental motion to provide copies and access pursuant to Art. 195 and 195a DCCP, including Exhibits nos. 1 to 41, of CQS et al, in the case with number 200.358.754\u002F01;\n\n­ the statement of defence on admissibility of Kroll in both cases;\n\n­ the statement of defence on the admissibility of the appeals and the prohibition against appeal in pledge enforcement proceedings on the basis of Article 3:251(1) DCC, of Selecta, including Exhibits nos. 1 to 13, in both cases;\n\n­ the statement of defence on the admissibility of the appeals and the prohibition against appeal in Article 3:251(1) DCC proceedings, of Seagull, including Exhibits nos. 1 and 2, in both cases;\n\n­ the statement of submission of supplemental exhibits of Seagull, including Exhibits nos. 3 and 4, in both cases;\n\n­ the brief submitting additional exhibits of Selecta, including Exhibits nos. 14 to 19, in both cases;\n\n­ the brief submitting exhibits of Deltroit, including Exhibits nos. 41 to 53in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the brief submitting exhibits of CQS, including Exhibits nos. 42 to 54, in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the letters of Kroll, Selecta and Seagull dated 9 April 2026, in both cases, requesting the Court to refuse Exhibit 46 of Deltroit and Exhibit 47 of CQS, which request was denied during the hearing;\n\n­ the letter of Deltroit of 10 April 2026, in the case with number 200.358.029\u002F01.\n\n2.2.. The cases were heard together on 16 April 2026. Deltroit was represented by S.C. Pepels and G. te Winkel mentioned above, and by Q. Rook and E.L.R. Mendes Aguiar, lawyers. CQS was represented by C.B. Schutte and T.J.P.H. de Bekker mentioned above. Kroll was represented by its lawyers mentioned above. Selecta was represented by its lawyers mentioned above and by K. de Bruijn, lawyer. Seagull was represented by E.R. Meerdink and F.J.L. Kaptein mentioned above and by P. van der Veen, lawyer. The lawyers argued their case using pleading notes that are part of the case file.\n\n2.3.. Judgment regarding the admissibility of the appeals was subsequently set for today.\n\n3. The facts\n\nThe facts, in so far as relevant for this interim judgment, are as follows.\n\n3.1.. The Company heads the “Selecta Group”, a group of companies that operates a Europe-wide food technology business, amongst other things in the field of coffee roasting and coffee vending machines throughout Europe. The Company is a holding company for the operating companies of the Selecta Group. The shares in the Company were owned by the Parent until 11 June 2025, when the shares were sold to Seagull as part of a restructuring.\n\n3.2.. Prior to the aforementioned restructuring, the Selecta Group was financed by multiple layers of secured debt, with various levels of seniority, totalling approximately EUR 1,445.5 million including accrued but unpaid interest. Until 2025, the Selecta Group’s capital structure included:\n\na EUR 150 million super senior revolving credit facility dated 15 January 2018, maturing in January 2026 (the “RCF”);\n\nfirst-lien senior secured notes, publicly traded and held by individual noteholders through clearing agencies, representing an aggregate principal amount of EUR 810.3 million, governed by the 1L Indenture, maturing in April 2026 (the “1L Notes”);\n\nsecond-lien senior secured notes, publicly traded and held by individual noteholders through clearing agencies, representing an aggregate principal amount of EUR 370.1 million, governed by the 2L Indenture, maturing in July 2026 (the “2L Notes”).\n\n3.3.. An intercreditor agreement under English law dated 31 January 2018 (the “ICA”) governed, amongst other things, the rankings of the creditors under the financing arrangement and the enforcement of the transaction security.\n\n3.4.. Under the ICA, Kroll was appointed as agent and as security agent. Kroll held the notes and the security rights on behalf of certain of the Selecta Group’s creditors who were granted certain security instruments, including a first ranking share pledge over the entire issued share capital of the Company. Pursuant to the ICA and the deeds of pledge, Kroll had the authority to enforce the security, in accordance with their terms and upon instructions of the requisite majority of the applicable creditors, in case of an ‘enforcement event’, as defined in the ICA. Broadly stated, such event includes outstanding amounts under a financing instrument becoming immediately due and payable.\n\n3.5.. In January 2025, the Company failed to meet an interest payment obligation to the 1L Noteholders. However, the contractual grace period was extended by the requisite majority of holders under the 1L Notes. To address the Selecta Group’s liquidity shortfall, a EUR 50 million super senior short-term interim facility dated 10 January 2025 maturing on 22 May 2025 (the “IFA”) was put in place, provided by a group of the Selecta Group’s creditors (the “Majority Noteholders”). To address the Selecta Group’s financial issues, the Company, Kroll and the Majority Noteholders reached an agreement for the restructuring of Selecta Group’s debt.\n\n3.6.. On 30 April 2025, Kroll received notice of an event of default under the 1L Indenture from the Company. At the instruction of the Majority Noteholders, representing more than 50% of the aggregate principal amount of the 1L Notes, Kroll issued a notice to the Company resulting in the outstanding amounts in respect of the 1L Notes becoming immediately due and payable. On that same day, the Majority Noteholders instructed Kroll to enforce the pledge over the shares in the Company.\n\n3.7.. On 30 April 2025, Kroll filed an application with the NCC District Court in Summary Proceedings (“District Court”) requesting approval to enforce the pledge by means of sale of the shares in the Company to Seagull, as laid down in a share purchase agreement. This proposed private sale involved, in essence, Seagull paying a cash consideration of EUR 1 for all shares in the Company, and Seagull releasing the Selecta Group from a portion of its outstanding debt.\n\n3.8.. \n\nLater on 30 April 2025, Kroll issued a notification via the clearing agencies to the noteholders. This notice included, insofar as relevant, the following text:\n\n“NOTICE IS HEREBY GIVEN, in accordance with Section 7.05 (Notice of Defaults) of the Indenture, that the Trustee has received a notice from the Issuer dated 30 April 2025 (the “Issuer Notice”) in which the Issuer informed the Trustee that an Event of Default has occurred and is continuing under Section 6.01(a)(1) of the Indenture. The Security Agent has subsequently filed on 30 April 2025 a petition with the court in preliminary relief proceedings (voorzieningenrechter) of the Netherlands Commercial Court requesting its approval to enforce Transaction Security (as defined in the Intercreditor Agreement) over the shares of the Issuer without a hearing”.\n\n3.9.. Also on 30 April 2025, the Selecta Group announced in a press release that it had secured a “transformative recapitalisation agreement”, explaining that “ownership of Selecta Group will transfer to a Consortium of the Group’s existing long-term institutional investors” and that this transaction was to be “implemented using a controlled enforcement process”.\n\n3.10.. The proposed private sale was approved by the District Court in a judgment dated 13 May 2025 (the judgment challenged in appeal). The pledged shares in the Company were transferred to Seagull on 11 June 2025. Seagull was established by certain members of the Majority Noteholders for the purpose of this transfer. This transfer was part of a more comprehensive restructuring of the Company.\n\n4. The case in first instance\n\n4.1.. By application of 30 April 2025, Kroll, in its capacity as security agent and as pledgee, requested the District Court, by means of an immediately enforceable decision, to grant Kroll leave pursuant to Article 3:251(1) DCC to transfer the Shares (as defined in the application) to Seagull. In these proceedings, Selecta and Seagull were involved as interested parties.\n\n4.2.. The District Court granted the requested leave by judgment of 13 May 2025. The District Court considered that, under the circumstances, the proposed sale of the shares in the Company to Seagull is the best possible outcome and will deliver maximum value for the shares.\n\n5. The cases in appeal\n\n5.1.. The applications in appeal of Deltroit and CQS are virtually identical. Both parties request the Court to annul the judgment of the District Court and to re-adjudicate Kroll’s application, denying the request to enforce the share pledge over the shares in the Company, and to order that Kroll pay the costs of the proceedings in appeal.\n\n5.2.. Deltroit and CQS further request the Court, by incidental motion, to order the Respondents to provide them with a copy of the information listed in their application for appeal. As follows from the Court notice dated 17 September 2025, this incidental motion will not be decided on in this interim judgment.\n\n5.3.. The Respondents each request – in summary – that the Court declare Deltroit and CQS inadmissible or dismiss their appeals, and order Deltroit and CQS to pay the costs of the proceedings.\n\n6. The issues: “interested party” and prohibition against appeal\n\n6.1.. In this first phase of the proceedings, the Court will rule on the admissibility of the appeals, more specifically on the qualification of ‘interested party’ and the prohibition against appeal, based on statutory provisions of the DCC and related Supreme Court case law. These matters are governed by Dutch civil procedural law.\n\n6.2.. The Respondents each argue that the Appellants should be declared inadmissible or, alternatively, their appeal should be dismissed. They come to this conclusion because (i) the Appellants are not ‘interested parties’ and therefore not competent to lodge an appeal pursuant to Article 358(2) DCCP, and (ii) there are no grounds for lifting the prohibition against appeal judgments in proceedings based on Article 3:251 DCC.\n\nInterested party\n\n6.3.. Article 358(2) DCCP stipulates that an appeal against a judgment is open to the parties to the proceedings and to interested parties who appeared in the proceedings, as well as to other interested parties (belanghebbenden). As Deltroit and CQS were not parties to the proceedings before the District Court, it must be assessed whether they qualify as interested parties within the meaning of Article 282(1) DCCP.\n\n6.4.. It must first be noted that Article 282(1) DCCP does not specify who qualifies as an interested party in application proceedings. Whether or not the Appellants are interested parties must be derived from the nature of the proceedings and the related statutory provisions (Supreme Court 25 October 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387). In determining whether a person is an interested party, the extent to which that party may be affected in its own interest by the outcome of the proceedings must be considered, or the extent to which they are otherwise so closely involved, or have been involved, with the subject matter being dealt with that there is an interest in appearing in the proceedings (Supreme Court 6 June 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440).\n\n6.5.. The Court will therefore assess in light of the objective and the scope of the relevant proceedings, i.e. the proceedings pursuant to Article 3:251(1) DCC, whether the Appellants qualify as interested parties. These proceedings concern the execution of pledged assets by means other than a public auction, as regulated in Article 3:250 DCC. The objective of a public auction (Article 3:250 DCC) is to yield the highest possible proceeds and to minimise the risk that the enforcing pledgee might collude with the purchaser of the secured assets to the detriment of the pledgor and the other creditors. There may exist valid reasons, however, to sell the pledged shares by another procedure than a public auction, such as a private sale. Such other procedure is provided for in Article 3:251(1) DCC, for which leave from the court in summary proceedings is required. The underlying purpose of both Article 3:250 and 3:251(1) DCC is that the interests of the pledgor and the other creditors are safeguarded as much as possible. If leave for a private sale is requested pursuant to Article 3:251(1) DCC, it is for the court in summary proceedings to assess if their interests are sufficiently safeguarded in that private sale (Supreme Court 22 June 2018, ECLI:NL:HR:2018:972).\n\n6.6.. Considering the aforementioned rationale of Article 3:251(1) DCC, the Court sees no ground for limiting the concept of ‘interested parties’ to the formal parties to the share pledge and formal holders of a security right, attachment or other limited right, as argued by the Respondents.\n\n6.7.. The Respondents point out that Deltroit and CQS as individual beneficial noteholders do not hold the notes themselves, as these are legally held by the registered holder. The Court finds that this does not necessarily entail that they are not to be considered interested parties. The Court considers that the position of Deltroit and CQS in relation to the enforcement sale proceedings, under the circumstances outlined by the Appellants, is comparable to the position of creditors whose interests have to be safeguarded (as mentioned in Supreme Court 22 June 2018, ECLI:NL:HR:2018:972) and that they have a right to be heard as interested parties. Moreover, the Appellants have extensively and rightly argued that their legal and economic interests are directly affected by the outcome of the proceedings before the District Court.\n\n6.8.. In short, the Appellants state the following. The Appellants were both 1L Noteholders, in an aggregate amount of approximately EUR 31 million. They argue that whilst prior to restructuring all holders of 1L Notes had the same rights and interests, the Majority Noteholders after the restructuring held the highest ranking, most secured and first repaid notes, while the Appellants only held 3O Notes. This was effectuated by first exchanging all 1L Notes for new lower value third priority notes (“3O Notes”) issued by Seagull. After this exchange, the Majority Noteholders were able to exchange their own 3O Notes for more valuable first priority notes (“1O Notes”). The other noteholders holding the minority of the shares, including Deltroit and CQS, were later also offered to exchange their 3O Notes for 1O Notes. This offer, however, included unacceptable non-market conditions that could only further benefit the Majority Noteholders. The result of this restructuring, that was engineered and effectuated behind the backs of the minority noteholders, is that the recovery position of the minority noteholders vis-à-vis the Company has decreased substantively. It was only in mid-June 2025 that the minority noteholders including the Appellants were confronted with a fait accompli. According to the Appellants, the Respondents did not properly inform the District Court of this unreasonable and discriminatory result of the proposed sale, as the District Court would not have allowed such result without hearing the prejudiced parties, i.e. the minority noteholders including Deltroit and CQS.\n\n6.9.. The Respondents contest the various allegations made by the Appellants. However, they do not dispute the outlined general restructuring method as such, pursuant to which the Appellants as holders of 1L Notes, amongst others, were to receive notes issued by a third party on substantially different terms and that hence the economic position of the Appellants was affected by the proposed restructuring in respect of which the District Court’s permission was sought. Nor do the Respondents dispute that the leave granted by the District Court played an indispensable role in the restructuring process. Given these circumstances, the Appellants clearly may be affected in their own interest by the outcome of the proceedings, even though: (i) they are individual beneficial noteholders and the notes are legally held by the registered holder, and (ii) the share pledges were granted in favour of Kroll as Security Agent under the ICA. Therefore, the Appellants are to be considered interested parties, who may express their view on the arguments of the Respondents in the request pursuant to Article 3:251(1) DCC. Their specific interests as beneficial noteholders are sufficient to warrant their participation in the proceedings to protect that interest, given the impact of the resulting judgment.\n\n6.10.. The Court acknowledges that Article 3:251(1) DCC aims to achieve definitive legal certainty about the sale of the pledged assets within a short term, as the Respondents argue. This – legitimate – objective however does not relieve the court in summary proceedings of its responsibility to identify who the interested parties are and to summon these parties to appear in the proceedings pursuant to Article 279(1) DCCP.\n\n6.11.. \n\nThe Respondents further argue that the terms of the relevant contractual documentation lead to the conclusion that the Appellants cannot be qualified as interested parties. They refer in this context to the ICA, which restricts individual creditors to pursue enforcement action, and the 1L Indenture, which contains a ‘no action’ clause.\n\nThis argument has no merit in this phase of the proceedings. Leaving aside that the Appellants dispute that these clauses prevent them from participating in the present proceedings as interested parties, the contractual restrictions in the ICA and the 1L Indenture cannot set aside the obligation of the court in summary proceedings to consider the interests of the Appellants (as interested parties) pursuant to Article 3:251 DCC. Consequently, the Court will uphold the protection of the interests of Appellants resulting from this statutory obligation.\n\nProhibition against appeal\n\n6.12.. In principle, a judgment granting leave pursuant to Article 3:251(1) DCC is not open to appeal (Supreme Court 17 June 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, Rabobank\u002FSporting Connection, par. 3.2). However, according to settled case law, the prohibition against appeal may be lifted under certain conditions (doorbrekingsgronden). The prohibition can be lifted if the relevant lower court: (i) acted beyond the scope of the relevant statutory provision, i.e. Article 3:251(1) DCC, (ii) wrongly failed to apply that provision, or (iii) disregarded such fundamental procedural forms that the proceedings cannot be considered fair and impartial (Supreme Court 29 March 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989).\n\n6.13.. The Appellants argue that two of the grounds for lifting the prohibition against appeal are applicable in the present proceedings. Firstly, they argue that their fundamental right to be heard has been breached, and secondly, that the District Court acted outside the scope of Article 3:251(1) DCC. Given that the Appellants have invoked these grounds, they are admissible in their appeal (Supreme Court 17 June 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, Rabobank\u002FSporting Connection, par. 3.4).\n\n6.14.. The Court finds that the first ground brought forward by the Appellants is well-founded. It is undisputed that the Appellants were not summoned by the District Court as interested parties in accordance with the requirements of the DCCP. By not summoning the Appellants and ruling on Kroll’s application without giving them the opportunity to express their views, the District Court failed to observe the Appellants’ rights as interested parties.\n\n6.15.. Even if the Appellants had knowledge of the District Court’s share pledge proceedings through the notice by Kroll of 30 April 2025 sent via the clearing agencies, as the Respondents argue and as Deltroit disputes, this knowledge would not change the findings of the Court since this notice does not qualify as a notice to appear within the meaning of Article 272 DCCP. This equally applies to the press release of the same date, which does not mention the District Court, and to any correspondence between the Appellants and Selecta’s advisors regarding the Company’s financial situation. The Appellants were allowed to await formal notice from the District Court regarding the application and the course of the proceedings. Therefore, not taking immediate action in response to the notice of 30 April 2025 does not impair their entitlement to invoke this ground to lift the prohibition against appeal.\n\nConclusion and next steps\n\n6.16.. The considerations above lead to the conclusions that Deltroit and CQS are to be regarded as interested parties and that the prohibition against appeal is to be lifted.\n\n6.17.. The Court notes that Article 290(1) DCCP stipulates that the Appellants, as interested parties, are entitled to inspect and receive copies of the documents in the case file. As this right follows from the law, a request to that end, or the grant of such request, appears to be unnecessary. The Court assumes that the Respondents will provide a copy of the case file to the Appellants.\n\n6.18.. Following this interim judgment, the cases may be dealt with on the merits in the next phase. The next step would be for the Respondents to submit a statement of defence on the merits. However, it may be useful to first hold a case management conference in order to discuss the further course of the proceedings. The Court suggests that the parties consult each other and – if possible – provide the Court with a joint proposal. Each party may inform the Court in this respect by submitting a brief, simultaneously, of no more than 5 pages.\n\n6.19.. At the hearing of 16 April 2026, the possible wish to lodge an interim Supreme Court appeal was discussed. Based on what the parties have brought forward, the Court will allow an interim Supreme Court appeal against this judgment.\n\n6.20.. All further decisions, including those regarding the cost orders, will be stayed.\n\n7. The decision\n\nThe NCC Court of Appeal:\n\n7.1.. declares Deltroit and CQS admissible in their appeals against the judgment of the District Court of 13 May 2025;\n\n7.2.. rules that an interim Supreme Court appeal may be lodged against this judgment;\n\n7.3.. directs the parties to submit the briefs as set out in paragraph 6.19, via eNCC, no later than 28 July 2026.\n\nDone by C.A. Joustra, P.M. Arnoldus-Smit and A.C. Metzelaar, appeal judges, assisted by the Clerk of the Court.\n\nIssued in public on 30 June 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1799","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.723Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":44,"courtId":68,"decisionDate":59,"fullText":69,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":52,"updatedAt":71},"297","ECLI:NL:GHARL:2026:4281","ecli-nl-gharl-2026-4281",60,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.368.921\n\nrekestnummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, [zaaknummer]\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [appellant] ( [appellant] )\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. J.A.M. Kuijlaars\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\nDe rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij vonnis van 7 mei 2026 het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp) afgewezen.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Bij op 13 mei 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. [appellant] verzoekt het hof het vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toelating tot de wsnp toe te wijzen.\n\n2.2.. Het hof heeft kennisgenomen van:\n\nhet tijdig ingediend beroepschrift met producties;\n\nde brief van 19 juni 2026 van mr. Kuijlaars met producties.\n\n2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Kuijlaars.\n\n3. De feiten, het oordeel van de rechtbank en het standpunt van [appellant]\n\nDe feiten\n\n3.1.. Als gevolg van psychische en lichamelijke klachten ontvangt [appellant] een (oude) Wajong-uitkering van het UWV. Zij heeft schulden laten ontstaan die in mei 2023 zijn opgelost door een (eerder, minnelijk) schuldsaneringstraject. In dat kader stond zij tot 1 september 2023 onder beschermingsbewind. In deze periode is [appellant] , met toestemming van het UWV en met behoud van haar Wajong-uitkering, gestart met de (online) opleiding tot fitnesstrainer A en voedingsdeskundige. Het UWV heeft met [appellant] afgesproken dat zij deze opleiding op haar eigen tempo kan volgen zonder dat zij hiernaast betaald werk hoeft te verrichten.\n\n3.2.. Niet alle schulden waren in het schuldsaneringstraject van mei 2023 in de schuldenlijst opgenomen, waardoor een aanzienlijke schuld (op dit moment de grootste) is blijven bestaan en [appellant] het overzicht over haar financiën kwijtraakte en nieuwe schulden zijn ontstaan. [appellant] heeft zich daarvoor bij de gemeentelijke schuldhulpverlening gemeld. [appellant] heeft geprobeerd om met haar schuldeisers een minnelijke schuldregeling overeen te komen, maar niet alle schuldeisers zijn akkoord gegaan. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Aangezien [appellant] over onvoldoende middelen beschikt om haar schuldeisers te voldoen, heeft zij op 19 januari 2026 een verzoek om toelating tot de wsnp ingediend bij de rechtbank.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.3.. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle verplichtingen die horen bij de wsnp naar behoren zal nakomen. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat één van die verplichtingen de arbeids- en sollicitatieplicht is die meebrengt dat een schuldenaar fulltime beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt. Doordat [appellant] een voltijdopleiding volgt is zij naar verwachting voor een jaar niet beschikbaar voor betaalde arbeid en kan zij niet voldoen aan deze inspanningsverplichting. Het feit dat [appellant] door het UWV is ontheven van haar arbeidsverplichting betekent niet dat vooraf vaststaat dat zij van de arbeidsverplichting in de wsnp zal worden ontheven. Indien de schuldenaar niet in staat is om te werken, bestaat de inspanningsverplichting erin dat de schuldenaar zich dient in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden.\n\nHet standpunt van [appellant]\n\n3.4.. \n [appellant] kan zich niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank. Zij is van mening dat zij wel aan haar inspanningsverplichting kan voldoen. Doordat haar opleiding een flexibele thuisopleiding is, betekent het volgen daarvan niet dat zij niet kan werken. Volgens de Recofa-richtlijnen is het toegestaan om een opleiding te volgen gedurende de wsnp en het is zeer waarschijnlijk dat [appellant] in de wsnp zal worden ontheven van de sollicitatieverplichting. Bovendien geldt voor haar Wajong-uitkering dat, om ervoor in aanmerking te komen, er nooit meer gewerkt kan worden vanwege een ziekte of handicap en er een re-integratieplicht bestaat die niet specifiek beschikbaarheid voor betaald werken impliceert. Door het volgen van een opleiding spant [appellant] zich maximaal in om haar arbeidsperspectief te verbeteren. Tot slot zou het verrichten van betaalde arbeid verrekend worden met haar Wajong-uitkering, waardoor betaalde arbeid niet leidt tot een hogere uitdeling aan de schuldeisers. Het gaat bij de inspanningsverplichting niet om het financiële resultaat, maar om de mate van inspanning, aldus [appellant] .\n\n4. Motivering van de beslissing in hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n4.1.. Een verzoek om toelating tot de wsnp wordt op grond van artikel 288 lid 1 Fw slechts toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk maakt dat de schuldenaar:\n\nniet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;\n\nten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest; en\n\nde uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.\n\nNiet kunnen voortgaan met betalen\n\n4.2.. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Zij ontvangt een Wajong-uitkering van ongeveer € 1.350 netto per maand. Naar het oordeel van het hof is het voldoende aannemelijk dat [appellant] met deze uitkering niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden.\n\nTe goeder trouw\n\n4.3.. Het hof stelt vast dat de grootste schuld van [appellant] (€ 9.576,94) is ontstaan op 1 januari 2015 en dus meer dan drie jaar voorafgaand aan de dag waarop [appellant] haar verzoekschrift tot toepassing van de wsnp heeft ingediend. Dit betekent dat het ontstaan van deze schuld niet in de weg staat aan toelating van [appellant] tot de wsnp. Bovendien heeft [appellant] voldoende toegelicht dat deze schuld in mei 2023 al gesaneerd zou zijn als die toen door de beschermingsbewindvoerder was meegenomen in dat schuldsaneringstraject. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat zij door het feit dat deze schuld nog bestond en door het begin van haar opleiding veel stress heeft ervaren en het overzicht over haar financiële situatie heeft verloren. De overige schulden die binnen de driejaarstermijn zijn ontstaan zijn gelet op de beperkte omvang en de aard van deze schulden niet zodanig aan [appellant] te verwijten dat die aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan. [appellant] heeft hulp gezocht bij het oplossen van haar financiële situatie door zich te melden bij de gemeentelijke schuldhulpverlening en gebruik te maken van een budgetbeheerder en een budgetcoach. Deze hulp heeft ertoe geleid dat [appellant] sinds 30 juni 2025 heeft gespaard voor haar schuldeisers en dat de afgelopen zestien maanden geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Voor het inlopen van haar huurachterstand is een betaalplan gemaakt, dat [appellant] nakomt. De schuld aan haar zorgverzekeraar wordt betaald via beslag op haar Wajong-uitkering, waardoor die ook wordt ingelopen. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden.\n\nNakoming wsnp-verplichtingen\n\n4.4.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] in staat zal zijn de uit de wsnp voorvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen en dat zij zich voldoende zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ten aanzien van de inspanningsverplichting oordeelt het hof als volgt. [appellant] volgt momenteel een thuisopleiding. Deze opleiding mag er niet aan de in weg staan dat zij voldoet aan haar arbeids- en sollicitatieplicht. [appellant] heeft er in dat kader terecht op gewezen dat het volgen van deze opleiding geen nadelige gevolgen heeft voor haar Wajong-uitkering. Het UWV heeft haar opleiding bekostigd en [appellant] behoudt haar volledige uitkering gedurende de opleiding. Dat volgt ook uit het werkplan dat [appellant] heeft overgelegd en op de mondelinge behandeling bij het hof heeft toegelicht. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat de (oude) Wajong-uitkering van [appellant] in beginsel een levenslange uitkering is waarbij het UWV geen mogelijkheden ziet voor betaalde arbeid. Het hof heeft op de mondelinge behandeling benadrukt dat het oordeel van het UWV dat zij geen arbeid kan verrichten niet per definitie wil zeggen dat zij een ontheffing krijgt van haar sollicitatieplicht in het kader van de wsnp. [appellant] heeft daarop verklaard bereid te zijn om gedurende de wsnp een nieuwe arbeidsgeschiktheidskeuring te ondergaan en te solliciteren, zolang de rechter-commissaris geen ontheffing verleent van de sollicitatieplicht.\n\n4.5.. Op de mondelinge behandeling heeft [appellant] op de vraag van het hof ook verklaard dat zij alle relevante informatie aan de bewindvoerder zal verstrekken. Zij heeft daarbij verklaard dat zij nu ook steeds alle relevante informatie aan de betrokken hulpverleners verstrekt en dat zij dit ook logisch vindt om te doen. Ook heeft zij toegelicht dat zij gebruik zal blijven maken van de budgetcoach om te voorkomen dat er nieuwe schulden ontstaan. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zal doen wat binnen haar vermogen ligt om aan haar verplichtingen uit de wsnp te voldoen.\n\nHet alternatieve aanvangsmoment\n\n4.6.. De termijn van de wsnp bedraagt anderhalf jaar (artikel 349a lid 1 Fw). Die termijn begint (a) op de dag van de uitspraak tot toepassing van de wsnp of (b) de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de minnelijke schuldregeling (het alternatieve aanvangsmoment). Het gaat bij het bepalen van het alternatieve aanvangsmoment om de dag waarop de eerste aflossing is gedaan tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening. Als ‘eerste aflossing’ is onder andere aan te merken een aflossing die ten goede is gekomen aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan ook als een eerste aflossing worden aangemerkt. Dat geldt ook voor een eerste bedrag dat wordt gespaard tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening.\n\n4.7.. Om in aanmerking te komen voor het alternatieve aanvangsmoment, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Als aan de geldende voorwaarden is voldaan moet de rechter het alternatieve aanvangsmoment ambtshalve toepassen, aldus de Hoge Raad.\n\n4.8.. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [appellant] tussen 30 juni 2025 en 30 november 2025 op basis van het vrij te laten bedrag maximaal heeft gespaard voor haar schuldeisers. Op 30 januari 2026 kon [appellant] niet meer sparen voor de schuldeisers, omdat op die datum beslag gelegd is op haar Wajong-uitkering inzake haar schuld aan de zorgverzekeraar. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat de door haar ontvangen belastingteruggave ook volledig is gespaard. Het hof kan op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, vaststellen dat [appellant] vanaf 30 juni 2025 begon met sparen voor haar schuldeisers en dat zij vervolgens de aflossing heeft voortgezet via het beslag. Het hof is van oordeel dat [appellant] zich daarmee maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor haar schuldeisers te verwerven en dat [appellant] tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening heeft voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien.\n\n4.9.. Het voorgaande brengt mee dat [appellant] zal worden toegelaten tot de wsnp. Het aanvangsmoment wordt vastgesteld op 30 juni 2025.\n\nConclusie\n\n4.10.. Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 mei 2026 en beslist als volgt:\n\n5.2.. verklaart de wsnp van toepassing ten aanzien van [appellant] , met 30 juni 2025 als aanvangsmoment;\n\n5.3.. verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, ter uitvoering van die regeling.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, G.P. Oosterhoff en J.G.B. Pikkemaat en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.\n\n Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4281","2026-07-13T00:28:23.225Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":76,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":52,"updatedAt":78},"678","ECLI:NL:RBAMS:2026:6600","ecli-nl-rbams-2026-6600","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nfaillissementsnummer: C\u002F13\u002F26\u002F195 F\n\nTer griffie van deze rechtbank is op 19 mei 2026 een verzoekschrift met rekestnummer C\u002F13\u002F788026 \u002F FT RK 26\u002F206 ingekomen van:\n\n [verzoeker] handelend onder de naam [handelsnaam verzoeker] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoeker, hierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.\n\nHet verzoek strekt tot faillietverklaring van:\n\nbesloten vennootschap\n\n [schuldenaar] B.V.,\n\ningeschreven bij de Kamer van Koophandel onder [nummer] ,\n\nstatutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nvestigingsadres: [postcode 1] [vestigingsplaats] , [adres] ,\n\nhierna te noemen: [schuldenaar] .\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van [verzoeker] van 19 mei 2026, met bijlagen;\n\nde aanvullende brief met bijlagen van [verzoeker] van 19 juni 2026;\n\nhet verweerschrift van [schuldenaar] van 22 juni 2026, met bijlagen.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is op 23 juni 2026 behandeld. Daarbij is [verzoeker] bijgestaan door mr. Van Dam verschenen. Namens [schuldenaar] zijn mrs. D. van Rein en R.H. Dask verschenen.\n\n1.3.. Na de behandeling ter terechtzitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de woonplaats van de bestuurder van [schuldenaar] en het centrum van de voornaamste belangen (verder: COMI) van [schuldenaar] . Op 23 juni en 26 juni 2026 heeft mr. Van Rein e-mails naar de rechtbank gestuurd. Op 26 juni 2026 heeft mr. Van Dam een schriftelijke reactie naar de rechtbank gestuurd.\n\n1.4.. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.\n\n2. De beoordeling2.1.. Allereerst dient de rechtbank vast te stellen of zij bevoegd is kennis te nemen van dit verzoek. Ingevolge artikel 3 lid 1 van verordening (EU) 2015\u002F848 (IVO) is hiervoor bepalend waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is. Bij vennootschappen wordt, zolang het tegendeel niet bewezen is, de plaats van de statutaire zetel vermoed de COMI te zijn.\n\n2.2.. Vast staat dat [schuldenaar] een in Nederland gevestigde vennootschap is met als statutaire zetel [plaats 2] . Daarmee is (in beginsel) het Nederlandse faillissementsrecht op haar van toepassing. Dit is een vermoeden dat weerlegd kan worden. Daarvoor is slechts plaats indien aan de hand van objectieve, voor derden verifieerbare factoren kan worden aangetoond dat de werkelijke situatie verschilt van die welke de aanknoping bij de statutaire zetel wordt geacht te weerspiegelen.\n\n2.3.. De rechtbank stelt vast dat in de [schuldenaar] Investment Memorandum van maart 2026 als adres: ‘ [adres] , [postcode 1] [vestigingsplaats] , The Netherlands’ staat genoemd, dat in artikel 12.1 van de tussen partijen gesloten managementovereenkomst Nederlands recht van toepassing is verklaard en dat deze overeenkomst ook vermeld dat [schuldenaar] het hoofdkantoor te [vestigingsplaats] heeft, dat de meeste activiteiten van [schuldenaar] online plaatsvinden, dat de COO van [schuldenaar] , de heer [naam 1] , in Nederland werkzaam is, dat de vergaderingen in Nederland of online plaatsvonden en dat de contracten met buitenlandse partijen voor [schuldenaar] een Nederlands vestigingsadres vermelden. De hiertegenover genoemde omstandigheden dat dat de bestuurder, de heer [naam 2] , sinds 2021 niet langer als ingezetene in Nederland staat ingeschreven en een woonadres in [plaats 1] Portugal heeft, dat de werkzaamheden voor [schuldenaar] door [naam 2] voornamelijk vanuit Portugal worden verrichten, dat [schuldenaar] internationale klanten heeft en dat [naam 2] in Nederland inkomstenbelasting voor buitenlandse belastingplichtigen betaalt, zijn onvoldoende om het rechtsvermoeden dat de COMI in Nederland was gelegen te ontkrachten. [schuldenaar] laat in al haar uitingen naar derden blijken dat zij gevestigd is te [plaats 2] \u002FNederland. De rechtbank is dan ook bevoegd tot het uitspreken van het faillissement.\n\n2.4.. Voor het uitspreken van een faillissement is onder meer vereist dat summierlijk blijkt van een vorderingsrecht van de aanvrager. Vast staat dat partijen op 31 juli 2025 een managementovereenkomst zijn overeengekomen. [schuldenaar] heeft geen van de overeengekomen maandelijkse termijnen van € 12.000,00 exclusief btw aan [verzoeker] voldaan. [schuldenaar] blijft in gebreke met de betaling, omdat zij van mening is dat [verzoeker] zijn werkzaamheden niet naar behoren heeft uitgevoerd. Uit de werkzaamheden van [verzoeker] zijn geen leads en contracten voortgekomen. Verder stelt [schuldenaar] dat [verzoeker] niet aan zijn contractuele rapportageplicht heeft voldaan. [schuldenaar] stelt dat zij een tegenvordering heeft op [verzoeker] . Deze wil zij in een civiele procedure aanhangig maken. Ter zitting heeft [verzoeker] de stellingen van [schuldenaar] gemotiveerd weersproken. Volgens [verzoeker] was sprake van een inspanningsverplichting. Daar heeft hij aan voldaan. Er is nooit door [schuldenaar] aangegeven dat hij zijn werkzaamheden niet naar behoren uitvoerde. Daarbij heeft hij doorlopend gerapporteerd aan [naam 2] via Whatsapp en Google Chat. Verder waren er wekelijks managementmeetings, waarvan notulen zijn opgesteld. [verzoeker] heeft deze notulen ter zitting getoond aan de advocaten van [schuldenaar] .\n\n2.5.. Niet is gebleken dat [schuldenaar] heeft geklaagd over de wijze waarop de werkzaamheden door [verzoeker] werden uitgevoerd, voordat de ontbinding van de overeenkomst op 23 april 2026 werd ingeroepen. Ook is gebleken dat [verzoeker] aan bestuurder heeft gerapporteerd. Gelet op het voorgaande is summierlijk gebleken van een vorderingsrecht van [verzoeker] .\n\n2.6.. Voorts verlangt artikel 6 lid 3 Fw dat summierlijk is gebleken van een steunvordering. [verzoeker] heeft tijdens de behandeling stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van schulden aan [bedrijf] en aan [naam 3] . [schuldenaar] heeft de vordering van [naam 3] van € 15.000,00 erkend. Er is volgens [schuldenaar] navraag gedaan over de rente component, waardoor dit bedrag nog niet is betaald.\n\n2.7.. Gebleken is van het bestaan van meer dan één schuldeiser, terwijl tenminste één vordering (die van [verzoeker] ) opeisbaar is. Hierdoor is voldoende aangetoond dat [schuldenaar] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.\n\n2.8.. De rechtbank heeft acht geslagen op de artikelen 1, 2, 4, 6 en 14 van de Faillissementswet en zal het faillissement van [schuldenaar] uitspreken.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart [schuldenaar] B.V.voornoemd in staat van faillissement;\n\n- benoemt tot rechter-commissaris mr. V.G.T. van Emstede, rechter in deze rechtbank, en tot curator mr. M.W.J. ridder Huyssen van Kattendijke , [postcode 2] [plaats 2] , [postbus] ;\n\n- geeft aan de curator last tot het openen van de aan gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.E. de Vos en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 te 12:00 uur.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6600","2026-07-13T00:28:42.807Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":44,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":52,"updatedAt":88},"985","ECLI:NL:RBLIM:2026:6577","ecli-nl-rblim-2026-6577",74,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nRekestnummers: NL:TZ:2615347:R-RK en NL:TZ:2615362:R-RK\n\nUitspraak van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1979 te [geboorteplaats 1]\n\nen\n\n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats 2] ,\n\nbeiden wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen verzoekers\n\ntegen\n\n [verweerster],\n\ngevestigd te [adres 2] , [vestigingsplaats] ,\n\ngemachtigde: mr. D.E.M. Ghijsen,\n\nhierna te noemen verweerster,\n\ntot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet (Fw).\n\nSamenvatting\n\nEr is verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe rechtbank wijst de verzoeken af.\n\n1. De procedure1.1.. Verzoekers hebben bij verzoek ingekomen op 16 juni 2026 verzocht om de vaststelling van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287 lid 4 Fw en vervolgens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.\n\n1.2.. \n\nTer zitting van 23 juni 2026 zijn verschenen:\n\n- verzoekers;\n\n- [naam 1] , namens Kredietbank Limburg;\n\n- [naam 2] namens verweerster, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D.E.M. Ghijsen;\n\n- [naam 3] namens de beschermingsbewindvoerder.\n\n1.3.. Verweerster heeft ter zitting een verweerschrift overgelegd.1.4.. \n\nDe uitspraak is bepaald op vandaag.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1.. De rechtbank is verzocht om verweerster gedurende een termijn van zes maanden te verbieden om het beslag op het loon en de openbare verkoop van de woning van verzoekers, met het adres [adres 1] , [woonplaats] , voort te zetten.\n\n2.2.. Ter zitting is hier naar aanleiding van het verweer nog aan toegevoegd dat de opbrengst van de verkoop van het bedrijf ca. € 120.000,- is geweest en dat daarvan in eerste instantie € 80.000,- en later nog eens € 27.000,- naar de belastingdienst zijn gegaan. Van het restant is een auto voor verzoekster gekocht voor € 9.000,-. De rest is gebruikt om van te leven. De privéonttrekkingen hebben daar ook betrekking op. Na de opheffing van het bedrijf is verzoeker per 1 april 2023 als ZZP’er gaan werken onder hetzelfde KvK-nummer.\n\n2.3.. \n\nVerzoeker heeft als ZZP’er nimmer fulltime gewerkt. In de periode dat verzoeker nog door het Leger des Heils werd ingehuurd (tot begin dit jaar) kwam hij samen met de uren voor Zo Wonen gemiddeld op 25-30 uur per week. Per 7 mei 2026 is verzoeker vervolgens via uitzendbureau Job Place gaan werken, maar dit was maar van korte duur. Deze week heeft verzoeker een dag meegelopen bij Jeugdzorg en dat gaat hij nog twee dagen doen. De vooruitzichten voor verzoeker zijn goed: hij kan er een opleiding volgen en het is het werkgebied waarin verzoeker graag zou willen werken. Verzoeker ontkent dat er sprake is van een alcoholverslaving. Hij zou niet bij Jeugdzorg kunnen werken als hij verslaafd is. In de periode dat verzoeker thuis zat, maakte hij hoogstens 1-1,5 fles wijn per dag open, maar dan is er geen sprake van een verslaving, aldus verzoeker.\n\nInmiddels is er nog maar één auto. De motor en scooter die op naam van verzoeker staan, zijn van familieleden.\n\n2.4.. Verzoekster werkt 24 tot 28 uur per week bij Vivantes en heeft daarnaast nog een eigen nagelstudio waar zij gemiddeld 17 klanten per maand ontvangt. Zelf heeft zij berekend dat zij 13 uur per week werkzaam is in haar nagelstudio. Per klant is verzoekster ca. 2 uur bezig. Als de rechter haar voorhoudt dat zij volgens een berekening gemiddeld 7,75 uur per week besteedt aan klanten, geeft verzoekster aan dat zij toch wel 13 uur per week zit. Van haar inkomen kan verzoekster ondanks het beslag toch alle vaste lasten betalen. Er blijft echter niet veel geld over.\n\n3. Het verweer\n\n3.1.. Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.\n\n3.2.. Hiertoe is door verweerster aangevoerd dat de ontstaansgeschiedenis van de vordering van verweerster anders is dan wordt vermeld in het verzoek. De vordering van verweerster is oorspronkelijk ontstaan bij [naam BV] . Doordat verzoeker niet reageerde op betalingsverzoeken is er op 11 oktober 2024 een notariële akte opgemaakt. Het was dus niet allemaal zo vrijblijvend als verzoekers aangeven in het verzoek. Ook daarna heeft verzoeker opnieuw niet voldaan aan de in de notariële akte opgenomen betalings-regeling. Ook op andere momenten toen verzoeker de beschikking moet hebben gehad over financiële middelen, zoals na de verkoop van het bedrijf omstreeks april 2023 met een opbrengst van vermoedelijk tussen de € 100.000,- en € 150.000,- of na de verkoop van 1200 banden die bij [naam BV] zijn afgenomen en waarvan mag worden aangenomen dat die zijn doorverkocht, is er niets terugbetaald van de vordering.\n\n3.3.. Met betrekking tot het juridisch kader wordt aangevoerd dat:\n\ner geen deugdelijk minnelijk traject is doorlopen nu alleen aan verweerster een aanbod van € 25.000,- is gedaan zonder dat er een berekening van de afloscapaciteit is gemaakt en er geen pro-rato aanbod aan alle schuldeisers is gedaan;\n\nhet onaannemelijk is dat verzoekers toegelaten zullen gaan worden tot de Wsnp, aangezien de goede trouw ontbreekt. Vóór de verkoop van zijn onderneming heeft verzoeker zeer veelvuldig en omvangrijke bestellingen geplaatst zonder daarvoor te betalen. Het ging om ca. 1200 banden. De geschatte omzet van de verkoop van deze banden van ca. € 300.000,- is niet gebruikt om de vordering (deels) af te lossen. Ook de opbrengst van de verkoop van het bedrijf is niet gebruikt voor betaling van de vordering;\n\nhet niet aannemelijk is dat verzoekers de Wsnp-verplichtingen gaan nakomen. De continuïteit van het inkomen van verzoeker is niet onderbouwd, stukken worden niet op tijd aangeleverd en verzoeker kampt met een alcoholprobleem. De verklaring van verzoekster dat de alcoholverslaving onder controle zou zijn nu verzoeker weer werkt, is geen verklaring van een hulpverlener zoals vereist in de Wsnp;\n\ner geen serieuze intentie is om tot een minnelijke regeling te komen.\n\n3.4.. Daar komt bij dat het belang van verweerster zwaarwegend is. Verweerster wordt geconfronteerd met een schuldenaar die zijn verplichtingen gedurende meerdere jaren niet nakomt (de vordering is ontstaan in 2022-2023), waardoor er hoge kosten zijn gemaakt nu de hele executieprocedure is doorlopen, meerdere beslagen zijn gelegd en de veiling is georganiseerd. Als er een Wsnp wordt ingesteld vervalt het beslag van verweerster van rechtswege en wordt haar vordering concurrent en zal verweerster slechts een fractie van haar vordering ontvangen, terwijl de woning de enige substantiële verhaalsmogelijkheid is en overwaarde aanwezig is. Daarnaast is het zeer aannemelijk dat de woning alsnog in het Wsnp-traject verkocht moet worden.\n\n3.5.. Verder wordt er nog melding gemaakt dat er naast twee auto’s ook nog een motor en een scooter in bezit zijn van verzoekers. Tevens wordt er gewezen op de privéonttrekkingen die er blijkens de jaarcijfers hebben plaatsgevonden. In de periode 2023 t\u002Fm 2025 betreft het ruim € 169.000,-.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De rechtbank wijst de verzoeken af, omdat het heel onaannemelijk is dat de schuldsaneringsverzoeken gaan slagen. Er heeft geen minnelijk traject plaatsgevonden en schulden lijken niet te goeder trouw onbetaald te zijn gelaten. Dit blijkt onder andere doordat van een deel van de verkoopopbrengst van het bedrijf een auto is gekocht, terwijl de enkele reisafstand naar het werk van verzoekster slechts 7 km bedraagt, er al langere tijd niet fulltime is gewerkt door beiden. Dit terwijl er geen beperkingen zijn. Ook zijn er ca 1200 banden verkocht, maar hiermee is niet een deel van de vordering van verweerster betaald. Daarnaast is het de vraag of verzoekers klaar zijn voor een Wsnp, aangezien het aanleveren van een ID-bewijs bij de beschermingsbewindvoerder nu al niet is gelukt, waardoor de beschermingsbewindvoerder haar werkzaamheden niet kan starten.\n\n4.2.. Verder is het niet mogelijk om de woning te behouden. Ook in de schuldsanerings-regeling dient de woning te worden verkocht. Het kan immers niet zo zijn dat een schuldenaar na het verkrijgen van de schone lei nog een zo waardevol vermogensbestand-deel heeft met een overwaarde van vermoedelijk ca. € 150.000,-.\n\n4.3.. Daar komt nog bij dat verweerster een zwaarwegend belang heeft. Bij een Wsnp moet de opbrengst van de woning worden gedeeld met de andere schuldeisers, maar nu mag verweerster de gehele opbrengst zelf houden. Het belang van verzoekers is om de woning te behouden, maar dat mag dus ook in de Wsnp niet. Bij verweerster zou het niet doorzetten van de veiling te veel financieel nadeel opleveren. Het belang van verweerster weegt daarom zwaarder dan dat van verzoekers.4.4.. Met betrekking tot het beslag op het inkomen ziet de rechtbank ook niet dat de belangen van verzoekers zwaarder wegen. Helemaal nu verzoekers hun vaste lasten van het overgebleven inkomen kunnen betalen.\n\n4.5.. Verzoekers wordt verzocht om uiterlijk 10 juli 2026 aan te geven of zij hun verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling nog ter zitting behandeld willen hebben of dat zij deze verzoeken intrekken. In afwachting van dit bericht worden de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af;\n\n5.2.. houdt de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aan in afwachting van de reactie van verzoekers uiterlijk 10 juli 2026.\n\nDit is de beslissing van mr. G.M. Drenth, rechter, in samenwerking met N.W.M. Clement, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.\n\nHoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden bij het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6577","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.531Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":44,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":52,"updatedAt":98},"1610","ECLI:NL:RBOVE:2026:3808","ecli-nl-rbove-2026-3808",69,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F338354 \u002F HA ZA 25-304\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nERIK NIJHOFF Q.Q.,\n\nin de hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TWENTE TRADING ALMELO B.V.,\n\nkantoorhoudend in Almelo,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: de curator,\n\nadvocaat: mr. G.J. Ligtenberg,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,2 [gedaagde 2] ,\n\nwonend in [woonplaats 1] ,3 [gedaagde 3] ,\n\nwonend in [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, die is betekend op 19 december 2024, met 15 producties,\n\n- het herstelexploot, dat is betekend op 17 februari 2025,\n\n- de e-mail van mr. Ligtenberg van 4 juni 2026,\n\n- het tegen gedaagden verleende verstek.\n\n1.2. Aansluitend is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1. De rechtbank constateert dat gedaagden niet in het geding zijn verschenen. Niet naar aanleiding van de dagvaarding, die is betekend op 19 december 2024, en evenmin naar aanleiding van het herstelexploot, dat is betekend op 17 februari 2025.\n\n2.2. Het herstelexploot van 17 februari 2025 is betekend op het kantoor van advocaat mr. A.C. Huisman. Volgens het herstelexploot hebben gedaagden op dat kantoor woonplaats gekozen. Bij e-mail van 4 juni 2026 heeft de rechtbank aan mr. Ligtenberg gevraagd om aan te geven waaruit blijkt dat gedaagden op het kantooradres van mr. Huisman woonplaats hebben gekozen. In antwoord daarop heeft mr. Ligtenberg bij e-mail van 4 juni 2026 een e-mail van mr. Huisman van 12 februari 2025 overgelegd, waarin door mr. Huisman is aangegeven dat het herstelexploot op zijn kantooradres kan worden betekend. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee in voldoende mate gebleken dat gedaagden woonplaats hebben gekozen op het kantooradres van mr. Huisman.\n\n2.3. Tegen gedaagden is door de rechtbank verstek verleend, omdat de rechtbank niet is gebleken dat bij het dagvaarden de voorgeschreven termijnen en formaliteiten niet in acht zijn genomen, een en ander als bedoeld in artikel 139 Rv.\n\n2.4. De vorderingen van de curator blijken uit de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.\n\n2.5. De vorderingen van de curator komen de rechtbank in zijn algemeenheid niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vorderingen van de curator worden daarom grotendeels toegewezen, zoals geformuleerd in het dictum van dit vonnis.\n\n2.6. De vorderingen van de curator worden deels afgewezen, omdat sommige deelvorderingen uit het petitum niet goed op elkaar aansluiten. Zo vordert de curator onder 3 een verwijzing naar de schadestaatprocedure op basis van het gevorderde onder 1, terwijl in het gevorderde onder 1 al een concreet bedrag wordt genoemd (en toegewezen). Het door de curator onder 3 gevorderde wordt daarom afgewezen.\n\n2.7. Het door de curator onder 4 gevorderde wordt ook afgewezen. Die vordering betreft een rentevordering waarbij wordt verwezen naar een bedrag dat is genoemd in het petitum onder 2, maar in het petitum onder 2 staat geen bedrag genoemd. Vordering sub 4 is daarom niet toewijsbaar.\n\n2.8. De gevorderde buitengerechtelijke kosten (petitum, onder 6) worden afgewezen, omdat die door de curator op geen enkele wijze zijn toegelicht en\u002Fof onderbouwd.\n\n2.9. Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n112,37\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.723,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n3.723,00\n\n(1 punt × € 3.723,00)\n\n- beslagkosten\n\n€\n\n2.906,67\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n9.654,04\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1. veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan de boedel van Twente Trading Almelo B.V., respectievelijk de curator, te betalen een bedrag van € 30.854,00,\n\n3.2. verklaart voor recht dat gedaagden jegens de boedel van Twente Trading Almelo B.V. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van Twente Trading Almelo B.V., voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten van Twente Trading Almelo B.V. kunnen worden voldaan, zoals het tekort zal zijn na het houden van de verificatievergadering, te vermeerderen met de faillissementskosten in het faillissement van Twente Trading Almelo B.V.,\n\n3.3. veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan de boedel van Twente Trading Almelo B.V., respectievelijk de curator, te betalen een bedrag van € 850.000,00 bij wege van voorschot,\n\n3.4. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 9.654,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de beslissingen onder 3.1, 3.3 en 3.4,\n\n3.6. wijst af het anders of meer gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3808","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.515Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":44,"courtId":103,"decisionDate":104,"fullText":105,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":52,"updatedAt":108},"886","ECLI:NL:RBNNE:2026:2690","ecli-nl-rbnne-2026-2690",80,"2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1201 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen: verzoeker,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\nHajjar heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 4 mei 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB).\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoeker is 35 jaar en heeft een eenmanszaak gehad handelend onder de naam [bedrijf]. Verzoeker dreef deze onderneming vanaf 11 december 2020. Volgens verzoeker heeft hij de onderneming in 2022 laten uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en heeft hij de Belastingdienst op de hoogte gesteld van het eindigen van de onderneming. De schuldenlast van verzoeker bedraagt € 50.817,23. Een groot deel van de schulden zijn ontstaan uit de onderneming van verzoeker, waaronder een deel van de belastingschulden. Verder heeft verzoeker schulden laten ontstaan aan het CJIB.\n\n2.6.. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de onderneming door de Corona maatregelen niet meer liep en dat hij daardoor niet meer aan zijn financiële verplichten kon voldoen. Ook lag verzoeker ten tijde van het ontstaan van zijn schulden in echtscheiding. Dit alles bij elkaar bezorgde verzoeker veel stress. Verzoeker is nu in rustiger vaarwater beland, zodat het naar omstandigheden goed met hem gaat. Verzoeker wil graag weer aan het werk, maar kampt met lichamelijke klachten waardoor werken momenteel niet lukt.\n\n2.7.. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat de belastingschulden ouder zijn dan uit het verzoekschrift volgt. Wellicht dat er op een later moment iets is geregistreerd, maar schulden zijn van voor de start van het budgetbeheer. Verzoeker is gemotiveerd om van zijn schulden af te komen. Het budgetbeheer verloopt prima en nieuwe schulden zijn al geruime tijd niet meer ontstaan.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft aangetoond dat van de situatie zoals die was ten tijde van het ontstaan van zijn schulden geen sprake meer is. Zo heeft verzoeker zijn bedrijfsactiviteiten gestaakt en zijn er na het starten van het budgetbeheer bij de GKB op 4 januari 2024 alleen in het begin nog wat schulden ontstaan. Het budgetbeheer verloopt nu goed. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.\n\n3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoeker],\n\n geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. \n\nstelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van\n\n dit vonnis;\n\n3.3.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.4.. \n\ngeeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte\n\n brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2690","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.991Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":44,"courtId":103,"decisionDate":104,"fullText":113,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":52,"updatedAt":115},"880","ECLI:NL:RBNNE:2026:2688","ecli-nl-rbnne-2026-2688","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1199 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen verzoekster,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\n [verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoekster heeft op 5 maart 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met [beschermingsbewindvoerders namens bewindvoeringsbedrijf] B.V., beschermingsbewindvoerder.\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoekster heeft een schuldenlast van in totaal € 27.202,57, waaronder schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB. De schulden van verzoekster zijn ontstaan in de periode van januari 2022 tot en met juli 2024. Door het overlijden van haar opa, die als een tweede vader voor haar was, is verzoekster in een depressie geraakt. Door haar depressie kon het haar allemaal niet meer schelen en is zij goederen gaan bestellen zonder te betalen, wat mede geleid heeft tot het ontstaan van haar schulden. Verzoekster zag op enig moment door de bomen het bos niet meer en heeft ingezien dat het zo niet langer kon en is in 2024 hulp gaan zoeken bij de gemeente voor haar financiële problemen.\n\n2.6.. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij momenteel alles weer goed op de rit heeft en dat zij inmiddels voor 32 uur in de week aan het werk is.\n\n2.7.. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat er sinds het uitspreken van het beschermingsbewind op 9 augustus 2024 geen nieuwe schulden zijn ontstaan en dat verzoekster de afgelopen jaren geen bestellingen meer heeft gedaan bij postorderbedrijven. Het beschermingsbewind verloopt mede door de opstelling van verzoekster goed.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft aangetoond dat van de situatie zoals die was ten tijde van het ontstaan van haar schulden geen sprake meer is. Sinds het uitspreken van het beschermings-bewind op 9 augustus 2024 zijn er geen schulden meer ontstaan en het beschermingsbewind loopt goed. Ook de omstandigheid dat verzoekster momenteel werkzaam is, waardoor er meer ruimte in het budget is ontstaan, maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. \n\nVerzoekster heeft verzocht om de Wsnp eerder in te laten gaan, te weten vanaf\n\n9 januari 2025 omdat zij vanaf dat moment heeft afgedragen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de ingangsdatum op de verzochte datum te bepalen, omdat ter zitting is gebleken dat verzoekster gedurende het minnelijk traject niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Om die reden voldoet zij niet aan de vereisten voor een eerdere toelating en zal het verzoek daartoe worden afgewezen.\n\n3. 3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoekster],\n\n geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;\n\n3.3.. wijst het verzoek om een eerdere toelatingsdatum af;\n\n3.4.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.5.. geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2688","2026-07-13T00:28:52.609Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":44,"courtId":103,"decisionDate":104,"fullText":120,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":52,"updatedAt":122},"890","ECLI:NL:RBNNE:2026:2691","ecli-nl-rbnne-2026-2691","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1198 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen: verzoekster,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\nHutten heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoekster heeft op 23 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB).\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoekster heeft een schuldenlast van in totaal € 15.988,98, waaronder schulden aan de Belastingdienst en het CJIB. De schulden van verzoekster zijn ontstaan in de periode van april 2024 tot en met mei 2025. Door een turbulente periode in haar privéleven is verzoekster mentaal langzaam bergafwaarts gegleden. Verzoekster is verslaafd geraakt en is haar fulltimebaan verloren, waardoor de schulden zijn ontstaan.\n\n2.6.. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de schuld aan de Belastingdienst middels verrekening met een teruggave is opgelost. Zij is inmiddels meer dan vier maanden clean en gaat binnenkort in behandeling voor haar problemen uit het verleden, ook om een herhaling te voorkomen. Daarna wil zij zo snel mogelijk weer aan het werk. Met een oud-werkgever heeft zij inmiddels contact gelegd.\n\n2.7.. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat verzoekster goed bezig is geweest om alles weer op de rit te krijgen. Het budgetbeheer verloopt goed en er zijn sindsdien geen nieuwe schulden ontstaan. De schuldhulpverlener heeft er vertrouwen in dat de behandeling bij de verslavingszorg goed zal uitpakken. Hij heeft er alle vertrouwen in dat verzoekster de Wsnp met goed gevolg zal doorlopen, ook omdat verzoekster in het verleden een goede baan heeft gehad en dus verdiencapaciteit heeft.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft hard aan zichzelf gewerkt, wat ertoe heeft geleid dat zij inmiddels clean en stabiel is. Het budgetbeheer verloopt goed, waardoor er al geruime tijd geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan. Ook de omstandigheid dat verzoekster binnenkort weer werkzaam zal zijn, waardoor er meer ruimte in het budget zal ontstaan, maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen, temeer nu verzoekster gedurende het minnelijk traject niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht.\n\n3. 3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoekster],\n\n geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;\n\n3.3.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.4.. geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2691","2026-07-13T00:28:53.132Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":44,"courtId":127,"decisionDate":128,"fullText":129,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":131},"1138","ECLI:NL:RBOVE:2026:3765","ecli-nl-rbove-2026-3765",57,"2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F347355 \u002F HA RK 26-53\n\nBeschikking van 16 juni 2026\n\nop verzoek van\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon met wettelijke taak,\n\n(RWT) POLITIE,\n\nte 's-Gravenhage,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: de Politie,\n\nadvocaat: mr. T. Straetemans.\n\ntot heropening van de vereffening van\n\nde stichting STICHTING VER- EN NIEUWBOUW POLITIEBUREAUS REGIOPOLITIE IJSSELLAND,\n\nvoorheen statutair gevestigd te Zwolle,\n\nhierna: De Stichting.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift.\n\n1.2. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat is geregistreerd dat Stichting Ver- en Nieuwbouw Politiebureaus Regiopolitie IJsselland is ontbonden en beëindigd met ingang van 31 december 1997.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. De Politie verzoekt heropening van de vereffening van Stichting Ver- en Nieuwbouw Politiebureaus Regiopolitie IJsselland en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n3.2. Aan het verzoek heeft De Politie het volgende ten grondslag gelegd. De Politie is eigenaar van het perceel gelegen aan de Europaweg 39 te Hardenberg (hierna: het Perceel). Ten behoeve van de Stichting is bij akte van 27 april 1995 een recht van erfpacht gevestigd. Uit artikel 1 van de vestigingsakte blijkt dat het erfpachtrecht is aangegaan voor de duur van 9 jaar en 249 dagen en dat het erfpachtrecht om die reden op 31 december 2004 zal eindigen. Verder blijkt uit artikel 2 van de vestigingsakte dat het erfpachtrecht eveneens eindigt bij ontbinding van de erfpachter. Volgens het uittreksel van de Stichting is de Stichting met ingang van 31 december 1997 ontbonden, omdat geen bekende baten meer aanwezig waren. Op 13 juli 1998 is bij de Kamer van Koophandel daarom geregistreerd dat de Stichting is opgehouden te bestaan.\n\n3.3. De gemeente Hardenberg (hierna: de Gemeente) heeft de Politie verzocht om een deel van het Perceel aan de gemeente te verkopen. De Gemeente en de Politie hebben in dat kader een koopovereenkomst gesloten op 17 februari 2026. Het erfpachtrecht is niet doorgehaald in de openbare registers van het Kadaster voor het moment dat de Stichting uit de kamer van Koophandel werd uitgeschreven. De Politie wenst dit alsnog te bewerkstelligen nu zij op grond van de koopovereenkomst is gehouden het Perceel vrij van gebruiksrecht, en dus vrij van erfpachtrecht, aan de Gemeente over te dragen.\n\n3.4. Teneinde een waardeloosverklaring ex artikel 3:28 BW af te kunnen geven, dient de Stichting te herleven.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De rechtbank is bevoegd omdat de Stichting voorheen statutair gevestigd was in het rechtsgebied van deze rechtbank.\n\n4.2. De Politie kan als belanghebbende bij het verzoek tot heropening worden beschouwd, vanwege de waardeloosverklaring, zodat de inschrijving van het erfpachtrecht kan worden doorgehaald, waarna het Perceel door de Politie aan de Gemeente zal kunnen worden geleverd.\n\n4.3. Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 2:23c BW is, in dit specifieke geval, het volgende. Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen op grond van artikel 2:23c lid 1 BW. In de rechtspraak wordt voorts aangenomen dat de rechtbank tevens de vereffening kan heropenen, als het herleven van de rechtspersoon nodig is voor het verrichten van een rechtshandeling.\n\n4.4. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een noodzaak tot heropening van de vereffening. Tevens is gebleken van de noodzaak van benoeming van een vereffenaar.\n\n4.5. De in het verzoekschrift voorgestelde vereffenaar zal als zodanig worden benoemd.\n\n4.6. \n\nAangezien niet is gebleken dat er mogelijk nog andere belanghebbenden zijn bij het verzoek, heeft de rechtbank afgezien van een mondelinge behandeling.\n\n5 De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. heropent de vereffening van het vermogen van Stichting Ver- en Nieuwbouw Politiebureaus Regiopolitie IJsselland, laatstelijk gevestigd te Zwolle,\n\n5.2. benoemt tot vereffenaar mr. T. Straetemans, kantoorhoudende te Zwolle,\n\n5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026. (jb)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3765","2026-07-13T00:29:06.148Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":44,"courtId":136,"decisionDate":137,"fullText":138,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":52,"updatedAt":140},"854","ECLI:NL:RBNNE:2026:2687","ecli-nl-rbnne-2026-2687",65,"2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Assen\n\nzaaknummer: NL:TZ:2607580:R-RK\n\nvonnis van 15 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], wonende op een geheim adres,\n\nverzoekster, hierna te noemen: [verzoekster],\n\ntegen\n\nBelastingdienst, Postbus 100, 6400 AC te Heerlen,\n\nverweerster, hierna te noemen: de Belastingdienst,\n\nen\n\nIB-Krediet B.V., vertegenwoordigd door Vesting Finance, [adres],\n\nverweerster, hierna te noemen: IB-Krediet.\n\nPROCESGANG\n\nOp 25 maart 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw)en tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) ontvangen. Beide verzoeken zijn ingediend door Bresz.\n\nOp 30 april 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift van IB-Krediet ontvangen.\n\nOp 6 mei 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift met bijlagen van de Belastingdienst ontvangen.\n\nDe schuldhulpverlener heeft op 7 mei 2026 correspondentie met de Belastingdienst en betaalbewijzen van betalingen aan de Belastingdienst nagezonden.\n\nHet verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van\n\n7 mei 2026. Hierbij is verzoekster tezamen met de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] (hierna te noemen: de schuldhulpverlener) verschenen. Namens de Belastingdienst zijn verschenen, mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2].\n\nDe behandeling is vervolgens aangehouden om [verzoekster] de gelegenheid te geven om nadere stukken aan de Belastingdienst te verstrekken en de Belastingdienst in de gelegenheid te stellen om aan de hand van die stukken haar definitieve standpunt te bepalen.\n\nOp 19 mei 2026 heeft [verzoekster] de rechtbank de nadere stukken gestuurd en verzocht om op het verzoek te beslissen.\n\nDe Belastingdienst heeft op 22 mei 2026 haar definitieve standpunt aan de rechtbank doorgegeven.\n\nTen slotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nHet aanbod en de toelichting daarop\n\n [verzoekster] heeft op 19 september 2025 een schuldregeling aan haar schuldeisers aangeboden. Dit akkoord houdt – samengevat – in: [verzoekster] zal gedurende 18 maanden haar afloscapaciteit van € 1.125,94 per maand ten behoeve van haar schuldeisers sparen tegen finale kwijting voor het restant. Op basis van de huidige inkomenssituatie is prognose dat er 65,70% aan de preferente schuldeiser en 32,85% aan de concurrente schuldeisers kan worden uitgekeerd.\n\nUit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat [verzoekster] inkomsten uit een eigen onderneming verkrijgt. [verzoekster] werkt gemiddeld 35 uur per week. Op de zitting heeft [verzoekster] nader toegelicht dat zij soms 35 uur en soms 40 uur per week werkt. Verder is [verzoekster] alleenstaand moeder van twee kinderen van twee en vijf jaar oud. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde vergelijkingstool blijkt dat de schuldeisers in de Wsnp een lagere uitkering zullen ontvangen. Omdat [verzoekster] een onderneming heeft, zijn de kosten die aan het Wsnp-traject zijn verbonden veel hoger dan de kosten van het minnelijk traject. Volgens [verzoekster] is het aanbod dan ook het maximaal haalbare.\n\nDe weigerachtige schuldeisers\n\nDe schuldregeling is door alle schuldeisers behalve de Belastingdienst en IB-Krediet aanvaard.\n\nHet verweer van IB-KredietIB-Krediet heeft aan haar weigering ten grondslag gelegd dat het aanbod niet in verhouding staat tot de hoogte van de vordering. Daarbij voert IB-Krediet aan dat een dwangakkoord niet is bedoeld voor situaties waarin de weigerachtige schuldeiser het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigt. Daarnaast is IB-Krediet van mening dat de schuldenlast niet problematisch is. Gelet op de leeftijd, het aantal arbeidsjaren dat in het verschiet ligt en de huidige afloscapaciteit, zou [verzoekster] de totale schuldenlast in 5 jaar kunnen afbetalen.\n\nHet verweer van de Belastingdienst\n\nDe Belastingdienst gaat niet akkoord, omdat zij van mening is dat zij over onvoldoende stukken en informatie beschikt om te kunnen beoordelen of de onderneming van [verzoekster] levensvatbaar is of niet. Zo is er geen liquiditeitsprognose van de komende twee jaren verstrekt. Verder ontbreekt de jaarrekening van 2023, waardoor de Belastingdienst de cijfers van 2023 niet kan vergelijken met die van 2024. Ook komen volgens de Belastingdienst de jaarstukken van 2024 en 2025 niet overeen met de gegevens die in de vtlb-berekening zijn opgenomen. In de vtlb-berekening wordt namelijk uitgegaan van een maandinkomen inclusief vakantiegeld van € 3.078,00, wat neerkomt op circa € 36.936,00 per jaar, terwijl uit de jaarstukken een lager jaarinkomen blijkt. De Belastingdienst vindt verder de onderbouwing van de verwachte omzet voor 2026 onvoldoende inzichtelijk. Gelet op de al ingediende aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2026 is de verwachte omzet volgens de Belastingdienst niet aannemelijk. Daarbij komt [verzoekster] tot op heden de lopende verplichtingen niet na, want [verzoekster] betaalt de openstaande belastingschulden niet of niet tijdig. Ook heeft [verzoekster] voor het jaar 2026 nog geen voorlopige aanslag Inkomstenbelasting\u002FPremie Volksverzekeringen aangevraagd. Hierdoor voldoet [verzoekster] niet aan de lopende verplichtingen wat volgens de Belastingdienst een indicatie is dat de onderneming niet levensvatbaar is.\n\nDaarnaast stelt de Belastingdienst zich op het standpunt dat het aanbod niet het maximaal haalbare is, omdat [verzoekster] op peildatum 31 december 2025 over een spaarvermogen beschikte dat niet in het aanbod van de schuldeisers is meegenomen. In het voorstel wordt niet vermeld hoe de schulden zijn ontstaan. Ook heeft de Belastingdienst geconstateerd dat [verzoekster] tijdens het minnelijk traject een auto van het merk Ford Focus heeft ingeruild tegen een auto (Opel Mervia) met een hogere dagwaarde, terwijl een toelichting hierop ontbreekt.\n\nNa de zitting van 7 mei 2026 heeft de Belastingdienst na ontvangst van nadere informatie van [verzoekster] aan de rechtbank laten weten dat zij haar weigering om in te stemmen handhaaft. De Belastingdienst is van mening dat er tot op heden stukken ontbreken om akkoord te kunnen gaan alsmede dat de omzet uit 2025 niet correspondeert met de aangeleverde gegevens en de aangifte omzetbelasting van het eerste kwartaal van 2026.\n\nDe reactie van [verzoekster] op het verweer van de Belastingdienst\n\n [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij voldoende stukken c.q. informatie heeft verstrekt aan de Belastingdienst om het aanbod te kunnen beoordelen. [verzoekster] verwijst daarbij naar de jaarrekening van 2024, waarin een vergelijking met 2023 is opgenomen. Hieruit blijkt dat de omzet van [verzoekster] in 2024 serieus is gestegen en ook dat deze stijgende lijn zich voortzet in 2025. De omzet voor 2026 wordt geschat op € 40.000,00. Onder verwijzing naar de al ingediende en opgelegde aanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2026 stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat zij op schema ligt. Ten aanzien van de geschatte omzet voor 2026 van € 40.000,00 heeft de schuldhulpverlener op de zitting verklaard dat [verzoekster] door een fout van hun kantoor niet met btw belaste omzet heeft gehad, waardoor de aanslag op 0 is uitgekomen. Ter onderbouwing van de geschatte omzet heeft [verzoekster] gegevens van de boekhouder overgelegd, waaruit blijkt dat de omzet over het eerste kwartaal een ruime € 15.000,00 euro was. Op verzoek van de Belastingdienst heeft [verzoekster] na de zitting nog de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027 overgelegd. De kosten uit de onderneming bedragen maximaal € 3.000,00 op jaarbasis. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij in staat is om rond te blijven komen met de inkomsten uit haar onderneming. Zij heeft inmiddels 12 maanden afgedragen boven het vrij te laten bedrag. Daarbij heeft [verzoekster] binnen het vtlb zelfs nog extra voor de schuldeisers gespaard, doordat het vtlb te laag is vastgesteld. Het lukt [verzoekster] om maandelijks van dit vtlb rond te komen.\n\n [verzoekster] betwist dat zij de lopende verplichtingen niet kan nakomen. Zij heeft betalingsbewijzen overgelegd, waaruit betalingen uit 2025 en 2026 blijken aangaande de aanslagen Zorgverzekeringswet 2025 en de Kinderopvangtoeslag 2025. Daarbij heeft [verzoekster] opgemerkt dat de Kinderopvangtoeslag 2025 bijna is afbetaald en dat de aanslag Zorgverzekeringswet 2025 uiterlijk op 31 december 2026 moet zijn betaald. Op beide aanslagen wordt maandelijks afbetaald. Ook heeft [verzoekster] een betalingsbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat zij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting van 2026 betaalt.\n\n [verzoekster] heeft over het spaarsaldo op 31 december 2025 verklaard dat zij op dat moment nog samen was met haar ex-partner met wie zij toen nog fiscaal partner was. Het deel van het spaarsaldo dat aan [verzoekster] toebehoorde is volgens [verzoekster] meegenomen in de schuldregeling.\n\n [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het minnelijk traject gunstiger is voor de schuldeisers vanwege haar inkomen uit ondernemerschap, omdat zij daarmee maandelijks een aanzienlijke afdracht voor haar schuldeisers kan sparen. Wanneer [verzoekster] tot de Wsnp zou worden toegelaten, zal zij moeten stoppen met haar onderneming en in loondienst moeten gaan werken. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij door haar ondernemerschap flexibele werktijden heeft, waarmee zij de zorg voor haar jonge kinderen goed kan combineren met haar werk. Het aanbod is volgens [verzoekster] dan ook het maximaal haalbare.\n\n [verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om het verzoek toe te wijzen. Dat zij een levensvatbare onderneming heeft blijkt volgens [verzoekster] niet alleen uit de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027, maar ook uit het feit dat [verzoekster] al lange tijd conform de vastgestelde vtlb-berekening afdraagt.\n\n DE BEOORDELING\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.\n\nBlijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004\u002F05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.\n\nZo is onder meer van belang:\n\nof het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);\n\nof het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd;\n\nof voldoende duidelijk is dat het bod dat is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht;\n\nof het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht biedt voor de schuldeisers en hoe groot de kans is dat zij in dat geval dan evenveel of meer zullen ontvangen;\n\nhoe groot het aandeel van de weigerachtige schuldeiser(s) in de totale schuldenlast is.\n\nAllereerst stelt de rechtbank vast dat het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij, te weten Brezs.\n\nDaarnaast is de rechtbank van oordeel dat het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd. In het aanbod aan de schuldeisers van 19 september 2025 is namelijk informatie gegeven over de hoogte van de schuldenlast, het aantal schuldeisers, het ontstaan van de schulden, de ondernemingsactiviteiten en de persoonlijke situatie van [verzoekster]. Daarbij is een berekening van het vrij te laten bedrag bij het voorstel gevoegd. Na de zitting heeft [verzoekster] nadere informatie over haar onderneming toegezonden, waaronder de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027 en een verklaring van haar boekhouder. Hieruit volgt dat de onderneming van [verzoekster] positieve resultaten behaalt en dat er vanaf 2024 sprake is van een stijgende lijn die zich tot op heden voortzet. De rechtbank concludeert hieruit dat [verzoekster] gedurende 18 maanden in staat zal zijn om voor haar schuldeisers te sparen. Het verweer van de Belastingdienst dat [verzoekster] niet aan haar lopende verplichtingen kan voldoen, is door [verzoekster] onderbouwd weersproken, zodat de rechtbank aan dit verweer voorbij zal gaan.\n\nDe rechtbank stelt verder vast dat [verzoekster] nu al ruim 12 maanden maandelijks fors aflost voor de schuldeisers. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener hierover verklaard dat het vtlb voor de zekerheid iets lager is vastgesteld, zodat er extra voor de schuldeisers kan worden gespaard. Het lukt [verzoekster] om van dit lager vastgestelde vtlb rond te komen. Ook heeft de schuldhulpverlener nader toegelicht dat de vtlb-berekening uitgaat van een gemiddeld bedrag. [verzoekster] heeft een prognoseakkoord aangeboden wat betekent dat de schuldhulpverlener om de zoveel maanden het inkomen controleert en narekent wat er precies voor de schuldeisers had moeten worden afgedragen. De rechtbank acht de kans dat de schuldeisers een hogere uitkering tegemoet zullen zien wanneer op [verzoekster] de Wsnp van toepassing is uiterst gering. Niet alleen vanwege de hogere kosten die aan het Wsnp-traject zijn verbonden, maar ook doordat in de Wsnp ondernemerschap slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt toegestaan. [verzoekster] is in de huidige situatie in staat om als alleenstaande moeder van twee jonge kinderen gemiddeld genomen 35 uur per week te werken, omdat zij flexibele werktijden heeft. Gelet op de gezinssituatie en de hulpverlening die bij verzoekster betrokken is, acht de rechtbank niet aannemelijk dat [verzoekster] hetzelfde aantal uren zal maken wanneer zij in loondienst werkt, omdat zij in die situatie aan vaste werktijden gebonden zal zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het aanbod dan ook het maximaal haalbare.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de Belastingdienst en IB-Krediet het merendeel van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, te weten 58,5%. Zoals hierboven uiteengezet is het totale aandeel van de weigerachtige schuldeisers in de totale schuldenlast één van de punten is die rechtbank in haar oordeel betrekt. Dat betekent echter niet dat dit punt altijd doorslaggevend hoeft te zijn. De rechtbank vindt in dit geval doorslaggevend dat de schuldeisers een veel hogere uitkering tegemoet kunnen zien in het minnelijk traject door het inkomen dat [verzoekster] als ondernemer verkrijgt.\n\nOok voor het overige ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden die tot afwijzing van het verzoek zouden moeten leiden. Wat betreft het verweer van Vesting Finance over de problematische schuldenlast merkt de rechtbank op dat er sinds de wetswijziging van juli 2023 van moet worden uitgegaan dat een schuldenlast als problematisch wordt beschouwd wanneer deze niet binnen 18 maanden kan worden afbetaald. Aan dat criterium is in dit geval voldaan, zodat dit verweer geen stand kan houden.\n\nOver het spaarsaldo is ter zitting verklaard dat dit grotendeels toebehoorde aan de ex-partner van [verzoekster] en dat het deel dat aan [verzoekster] toebehoorde is meegenomen in de schuldregeling. Ook hierin ziet de rechtbank geen reden voor afwijzing van het verzoek. Evenmin ziet de rechtbank reden om het verzoek af te wijzen, omdat [verzoekster] haar auto zou hebben ingeruild tegen een auto met een dagwaarde die € 1.500,00 hoger is, al dient de schuldhulpverlener dit punt wel nader te onderzoeken en te betrekken in het minnelijk traject.\n\nGelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen.\n\nAangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de Wsnp achterwege blijven. De rechtbank beschouwt dit verzoek tot toelating tot de Wsnp als zijnde ingetrokken.\n BESLISSING\n\nDe rechtbank\n\n- beveelt de Belastingdienst en IB-Krediet in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2687","2026-07-13T00:28:51.379Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":44,"courtId":68,"decisionDate":137,"fullText":145,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":137,"parsedAt":52,"updatedAt":147},"287","ECLI:NL:GHARL:2026:3925","ecli-nl-gharl-2026-3925","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.369.189\n\nfaillissementsnummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo [zaaknummer]\n\narrest van 15 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [appellant] ( [appellant] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nadvocaat: mr. G. de Gelder\n\ntegen\n\n1. Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid\n\ndie is gevestigd in Amsterdam2. Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra\n\ndie is gevestigd in Harderwijk3. Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra\n\ndie is gevestigd in Harderwijk\n\nhierna gezamenlijk: de aanvragers\n\nadvocaat: mr. S.K. Tuithof\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\nBij vonnis van 13 mei 2026 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, [appellant] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. G.W. Weenink tot curator.\n\n2. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n2.1.. \n [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof tegen dat vonnis. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet tijdig ingediend beroepschrift met bijlagen;\n\nde brief van de curator van 4 juni 2026 met het boedelverslag en een reactie op het beroepschrift, met bijlagen;\n\nde brief van 5 juni 2026 van mr. De Gelder met bijlage;\n\nhet e-mailbericht van 8 juni 2026 van mr. Tuithof; en\n\nde brief van 8 juni 2026 van mr. De Gelder met bijlagen.\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Hierbij zijn verschenen:\n\nnamens [appellant] de heer [bestuurder van appellant] , bijgestaan door mr. De Gelder;\n\nnamens de aanvragers mr. Tuithof via Teams-verbinding; en\n\nde curator.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.1.. De rechtbank heeft [appellant] in staat van faillissement verklaard omdat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van de aanvragers en van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [appellant] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.\n\nHet juridisch kader\n\n3.2.. Het hof stelt voorop dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken als summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager en ook van het (op het moment van het wijzen van dit arrest) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft (het zogenoemde pluraliteitsvereiste) is een noodzakelijke, maar niet een voldoende, voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand. Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, moet worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.\n\nHet vorderingsrecht en pluraliteit van schuldeisers\n\n3.3.. In hoger beroep staat vast dat ieder van de aanvragers een vordering op [appellant] heeft en die drie vorderingen samen zijn inmiddels opgelopen tot een totaalbedrag van ongeveer € 90.000,- inclusief rente en kosten. Daarmee is voldaan aan het pluraliteitsvereiste, terwijl uit het door de curator in hoger beroep overgelegde crediteurenoverzicht overigens blijkt dat [appellant] een schuldenlast heeft van € 32.881,62, bij diverse andere schuldeisers.\n\nDe toestand van te hebben opgehouden te betalen\n\n3.4.. Het hof stelt voorop dat per het moment van het wijzen van dit arrest (ex nunc) moet worden beoordeeld of [appellant] in de toestand van te hebben opgehouden te betalen verkeert. Daarbij is van belang of op dat moment voldoende middelen beschikbaar zijn om de vorderingen van de aanvragers, de vorderingen van de geverifieerde schuldeisers en de kosten van het faillissement te voldoen.\n\n3.5.. \n [appellant] heeft ter zitting verklaard en met bankafschriften onderbouwd, dat een bedrag van € 50.000,- is overgeboekt op de derdengeldenrekening van haar advocaat. Dit bedrag zal bij vernietiging van het faillissement worden aangewend om haar schuldeisers te voldoen, aldus [appellant] . Daarnaast volgt uit het boedelverslag en de verklaringen van de curator en [appellant] dat het saldo op de boedelrekening ongeveer € 80.000,- bedraagt en dat deel van het saldo op de g-rekening dat in de boedel valt ongeveer € 10.000,- bedraagt. Dit betekent dat er een saldo van ongeveer € 140.000,- beschikbaar is om de schuldeisers te voldoen. Afgezet tegen het totaalbedrag van de vorderingen van de aanvragers ter hoogte van ongeveer € 90.000,- inclusief rente en kosten, de bij de curator ingediende vorderingen van in totaal € 32.881,62 en de kosten van het faillissement ter hoogte van € 11.500,- exclusief btw volgt hieruit dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de schuldeisers af te kunnen lossen. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat de curator [appellant] beschouwt als een levensvatbare onderneming met voldoende verdiencapaciteit. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] niet (meer) in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.\n\nDe conclusie\n\n3.6.. Het vonnis zal worden vernietigd. Daarbij wordt [appellant] veroordeeld om de faillissementskosten zoals opgenomen in het dictum te voldoen.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 13 mei 2026 en beslist als volgt:\n\n4.2.. wijst het verzoek tot faillietverklaring ten aanzien van [appellant] af;\n\n4.3.. veroordeelt [appellant] in de faillissementskosten, vastgesteld op € 11.500,- exclusief btw voor het salaris van de curator.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, G.J. Meijer, en N.M. Brouwer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2026.\n\n HR 7 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2743, NJ2001\u002F550 (Blase\u002FNoort, Meynhof\u002FSplíet); HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1995,NJ2004\u002F321 (De Bok.\u002FGunnewijk); HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681,NJ2014\u002F407 (ABN AMRO\u002FBerzona).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3925","2026-07-13T00:28:22.788Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":44,"courtId":136,"decisionDate":137,"fullText":152,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":52,"updatedAt":154},"853","ECLI:NL:RBNNE:2026:2686","ecli-nl-rbnne-2026-2686","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Groningen\n\nzaaknummer: NL:TZ:2608415:R-RK\n\nvonnis van 15 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], wonende te [adres],\n\nhierna te noemen: verzoeker,\n\ntegen\n\n [verweerster] B.V., vertegenwoordigd door Levelink Gerechtsdeurwaarders en Incasso, gevestigd te [adres], hierna te noemen: verweerster.\n\nPROCESGANG\n\nOp 2 april 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw). Het verzoek is ingediend door de Kredietbank Midden-Groningen (hierna te noemen: de Kredietbank). In het verzoekschrift wordt verwezen naar het Wsnp-verzoekschrift dat op 16 september 2025 is ingediend.\n\nOp 2 april 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift van verweerster ontvangen.\n\nHet verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 28 mei 2026. Hierbij zijn verschenen:\n\n- verzoeker, voornoemd, tezamen met zijn vader;\n\n- de heer [schuldhulpverlener], schuldhulpverlener bij de Kredietbank;\n\n- mevrouw [directrice], directrice van [verweerster] B.V.;\n\n- mr. [juriste], juriste bij [verweerster] B.V.\n\nOp 1 juni 2026 heeft de Kredietbank de rechtbank de bankafschriften van verzoeker toegezonden.\n\nTen slotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nVerzoeker heeft op 16 december 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers dat gebaseerd is op de JPF-aanpak van de Kredietbank. Het akkoord houdt in dat de Kredietbank een saneringskrediet van € 1.231,98 ter beschikking stelt, waarmee de (concurrente) schuldeisers 3,38% van hun vordering ineens tegemoet kunnen zien tegen finale kwijting voor het restant. De JPF-aanpak is bedoeld om schulden zo snel mogelijk op te lossen om jongeren tussen de 18 en 27 jaar met problematische schulden direct te kunnen ondersteunen bij het opbouwen van een schuldenvrije zelfstandige toekomst. De jongere in kwestie volgt een intensief begeleidingstraject en betaalt de schuld aan de gemeente terug door een maatschappelijke tegenprestatie te leveren.\n\nDe schuldregeling is door alle schuldeisers behalve verweerster aanvaard. Verweerster heeft geweigerd om met het aanbod in te stemmen, omdat het aanbod niet in verhouding staat tot de hoogte van haar vordering. De schuld van verweerster vertegenwoordigt ruim 30% van de totale schuldenlast. Verder betaalt verzoeker de huurtermijnen sinds het toegewezen moratoriumvonnis nog steeds niet tijdig en vervuilt hij de huurwoning. Verweerster heeft verzocht om het verzoek daarom af te wijzen.\n\nVerzoeker heeft de rechtbank verzocht verweerster te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat verzoeker uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Op basis van deze inkomenssituatie heeft verzoeker geen afdrachtplicht.\n\nBEOORDELING\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.\n\nBlijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004\u002F05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.\n\nZo is onder meer van belang:\n\nof het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd;\n\nof voldoende duidelijk is dat het bod dat is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht;\n\nof het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht biedt voor de schuldeisers en hoe groot de kans is dat zij in dat geval dan evenveel of meer zullen ontvangen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het voorstel gebaseerd is op een nieuw project van de Kredietbank dat bedoeld is om jongeren met schuldenproblematiek te helpen. Hoewel de rechtbank het doel en de intenties van dit project kan begrijpen, blijft ook in die gevallen maatwerk van toepassing. Nu een saneringskrediet wordt aangeboden, waarbij schuldeisers genoegen moeten nemen met een gering percentage van hun vordering, dient verzoeker te onderbouwen waarom er de komende 18 maanden geen zicht is op betaald werk. In onderhavig verzoek ontbreekt die (medische) onderbouwing, terwijl uit het Wsnp-verzoekschrift juist blijkt dat verzoeker in juni 2025 nog loon ontving. Ter zitting is namens verzoeker aangegeven dat hij nog geen behandeling krijgt voor zijn trauma. Nu een nadere toelichting op de arbeidssituatie ontbreekt, kan de rechtbank niet beoordelen of het aanbod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht en ook niet of een alternatief traject evenveel of meer zal opleveren voor de schuldeisers.\n\nGelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerster in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek zal dus worden afgewezen. De rechtbank weegt ook mee dat op de bankafschriften die in het Wsnp-verzoekschrift zijn opgenomen alsmede de bankafschriften die na de zitting van 28 mei 2026 zijn overgelegd tot op heden uitgaven staan die zich moeilijk laten rijmen met het aanbod dat voorligt. De rechtbank vraagt zich dan ook af of de situatie van verzoeker voldoende gestabiliseerd is en of budgetbeheer afdoende is.\n\nVerzoeker dient binnen twee weken na de datum van dit vonnis bij de rechtbank aan te geven of hij zijn verzoek tot toelating tot de Wsnp handhaaft. Wanneer de rechtbank na ommekomst van deze termijn geen reactie heeft ontvangen, zal dit verzoek als ingetrokken worden beschouwd. Wanneer het Wsnp-verzoek wordt gehandhaafd, zal op dit verzoek bij afzonderlijk vonnis worden beslist.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDit vonnis is gewezen door M.C. Groenewegen, en in het openbaar uitgesproken op\n\n15 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2686","2026-07-13T00:28:51.331Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":44,"courtId":136,"decisionDate":159,"fullText":160,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":52,"updatedAt":162},"848","ECLI:NL:RBNNE:2026:2685","ecli-nl-rbnne-2026-2685","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Groningen\n\nzaaknummers: C\u002F18\u002F25\u002F230-231 F en C\u002F18\u002F26\u002F1187-1188 R\n\nvonnis van 11 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [schuldenaar 1], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , en\n\n [schuldenaar 2], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,\n\n beiden wonende te [adres] , voormalig vennoten van [bedrijf] V.O.F.,\n\nvoorheen gevestigd te [adres] ,\n\nmet als correspondentieadres [adres] ,\n\ningeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,\n\nhierna te noemen: de schuldenaren.\n\nPROCESGANG\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 5 augustus 2025 zijn de schuldenaren in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. H.J. Idzenga tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. G.W. Breuker tot curator.\n\nDe schuldenaren hebben een verzoekschrift ingediend tot opheffing van hun op 5 augustus 2026uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\nIn de faillissementen is op grond van artikel 15b Fw geen verificatievergadering gehouden.\n\nDe rechter-commissaris heeft bovenvermelde faillissementen voorgedragen voor opheffing.\n\nDe rechtbank heeft het verzoekschrift en de voordracht behandeld op de zitting van\n\n28 mei 2026, alwaar zijn verschenen de schuldenaren voornoemd tezamen met hun [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] . Namens de curator is verschenen,\n\nmr. T. van Dijken, advocaat te Groningen.\n\nTenslotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nDe rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaren in Nederland ligt.\n\nHet verzoekschrift van de schuldenaren voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Er is geen grond gebleken voor afwijzing van het verzoek. De rechtbank zal het faillissement opheffen onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaren.\n\nDe schuldenaren hebben de rechtbank verzocht om de schuldsaneringsreling te laten aanvangen op 1 oktober 2025, omdat er sinds die datum is afgedragen in het faillissement. De curator heeft aangegeven dat de schuldenaren sinds 1 oktober 2025 ononderbroken een maandelijkse boedelbijdrage ex artikel 21 Fw. hebben gedaan. De schuldenaar heeft vanaf die datum fulltime gewerkt. Ten aanzien van de schuldenares is een uitgebreide medische documentatie ontvangen, waaruit blijkt dat zij in die periode niet kon werken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaren te bepalen op 1 oktober 2025.\n\nDe rechtbank zal het bedrag van de faillissementskosten en het salaris van de curator vaststellen. Voor zover de kosten van de in het faillissement bevolen publicaties niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- beveelt de opheffing van bovenvermelde faillissementen;\n\n- stelt het salaris en de verschotten van de curator, mr. G.W. Breuker, in bovenvermelde faillissementen vast op € 8.484,23 exclusief omzetbelasting, te vermeerderen met eventueel terug te ontvangen rente;\n\n- spreekt de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van\n\n [schuldenaar 1], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , en[schuldenaar 2], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , beiden wonende te [adres] ;\n\n- bepaalt de duur van de schuldsaneringsregelingen op 18 maanden, te rekenen vanaf 1 oktober 2025;\n\n- benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga en tot bewindvoerder [bewindvoerder] , correspondentieadres [adres] , tel.nr. [telefoonnummer] ;\n\n- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaren gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2685","2026-07-13T00:28:51.037Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":44,"courtId":167,"decisionDate":168,"fullText":169,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":137,"parsedAt":52,"updatedAt":171},"1216","ECLI:NL:RBROT:2026:6834","ecli-nl-rbrot-2026-6834",61,"2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F707012 \u002F HA ZA 25-825\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonend in [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\nadvocaat: mr. C. Havelaar-Langereis,\n\ntegen\n\n1. DWW HOLDING B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. J.A.Th. van den Berg,\n\n2. [gedaagde sub 2],\n\nwonend in [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. J.A.Th. van den Berg,\n\n3. [gedaagde sub 3],\n\nwonend in [woonplaats 3] , [land] ,\n\ngedaagde,\n\nniet verschenen.\n\nPartijen worden hierna [eiser] en DWW c.s. genoemd. DWW c.s. worden afzonderlijk DWW, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [eiser] heeft werkzaamheden verricht in opdracht van De Woningwachter. Een deel van zijn facturen is onbetaald gebleven. De Woningwachter is in staat van faillissement verklaard en biedt geen verhaal voor de vordering van [eiser] .\n\n1.2.. In deze procedure spreekt [eiser] de (middellijk) bestuurders van De Woningwachter aan op grond van schending van de Beklamel-norm. De hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijk is in dit geval niet behaald. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Dat geldt zowel voor de verschenen bestuurders (DWW en [gedaagde sub 2] ) als voor de niet verschenen bestuurder ( [gedaagde sub 3] ).\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaardingen van 4, 7 en 14 augustus 2025, met producties 1 tot en met 7;\n\nde conclusie van antwoord van DWW en [gedaagde sub 2] , met producties 1 en 2;\n\nde brief van 16 december 2025 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;\n\nhet bericht van 16 maart 2026 van de rechtbank, met een zittingsagenda waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;\n\nde akte overlegging aanvullende productie 8 van [eiser] ;\n\nde mondelinge behandeling van 24 april 2026 en de door [eiser] overgelegde spreekaantekeningen.\n\n2.2.. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een datum bepaald waarop er vonnis wordt gewezen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] is ondernemer. Hij heeft, handelend onder de naam [naam bedrijf] , van november 2019 tot maart 2020 aannemingswerkzaamheden verricht in opdracht van Projectmanagement & Adviesbureau Langer Zelfstandig Thuiswonen Rotterdam B.V. (voorheen genaamd De Woningwachter Ledenservices B.V. en hierna te noemen: De Woningwachter).\n\n3.2.. DWW is bestuurder van De Woningwachter. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn (via hun houdstervennootschappen) bestuurders van DWW.\n\n3.3.. De facturen van [eiser] zijn voor een deel onbetaald gebleven.\n\n3.4.. Op 7 april 2020 is De Woningwachter in staat van faillissement verklaard. [eiser] heeft een vordering ingediend in het faillissement. De curator heeft deze vordering voor een totaalbedrag van € 27.439,52 op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen geplaatst.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert (samengevat) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, DWW c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:\n\n€ 27.439,52, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;\n\n€ 1.049,39 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nde proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met de nakosten.\n\n4.2.. DWW en [gedaagde sub 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.\n\n4.3.. De relevante stellingen van partijen worden hierna verder besproken.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Voor aansprakelijkheid van bestuurders van een vennootschap geldt een hoge drempel. Die drempel is in dit geval niet behaald. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen, zowel tegen de verschenen gedaagden (DWW en [gedaagde sub 2] ) als tegen de niet verschenen gedaagde ( [gedaagde sub 3] ). De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.\n\nDe vorderingen tegen DWW en [gedaagde sub 2]\n\nHet verjaringsverweer slaagt niet\n\n5.2.. DWW en [gedaagde sub 2] doen een beroep op verjaring. Als dat beroep slaagt, stranden de vorderingen van [eiser] tegen DWW en [gedaagde sub 2] daar op. De rechtbank behandelt dit verweer daarom als eerste.\n\n5.3.. DWW en [gedaagde sub 2] voeren aan dat zij op 6 maart 2025 voor het eerst aansprakelijk zijn gesteld door [eiser] . Omdat op dat moment al meer dan vijf jaar was verstreken na het aangaan van de overeenkomsten tussen [eiser] en De Woningwachter, is volgens DWW en [gedaagde sub 2] een eventuele vordering van [eiser] op hen verjaard.\n\n5.4.. De rechtbank licht hierna toe waarom het verjaringsverweer niet slaagt.\n\n5.5.. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.\n\n5.6.. Anders van DWW en [gedaagde sub 2] betogen, is de verjaringstermijn niet gaan lopen op het moment dat de overeenkomsten tussen [eiser] en De Woningwachter werden gesloten. Op dat moment wist [eiser] immers nog niet dat De Woningwachter zijn facturen onbetaald zou laten en dat hij daarvoor de bestuurders van De Woningwachter zou (kunnen of moeten) aanspreken.\n\n5.7.. De rechtbank gaat ervan uit dat de verjaringstermijn in dit geval is gaan lopen op 20 maart 2020. Op die dag heeft [eiser] De Woningwachter, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in een deurwaardersexploot gesommeerd om de openstaande facturen te betalen. Daaruit volgt dat hij op dat moment bekend was met de schade en met de (door hem gestelde) aansprakelijkheid van de bestuurders van De Woningwachter voor die schade. Dat hij daarmee al eerder bekend was, is niet door DWW en [gedaagde sub 2] gesteld en ook niet gebleken.\n\n5.8.. Dat het exploot van 20 maart 2020 niet ook gericht is aan DWW, is niet relevant. [eiser] was op 20 maart 2020 bekend met de (mogelijke) aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als indirect bestuurders van De Woningwachter en kan daarom op dat moment ook bekend worden geacht met de (mogelijke) aansprakelijkheid van DWW als direct bestuurder.\n\n5.9.. De vanaf 20 maart 2020 lopende verjaringstermijn van vijf jaar is op 6 maart 2025 (en dus tijdig) gestuit door de aansprakelijkstellingen van DWW en [gedaagde sub 2] van die datum. DWW en [gedaagde sub 2] komt daarom geen beroep op verjaring toe.\n\nDe Beklamel-norm is niet geschonden\n\n5.10.. Partijen hebben op de zitting toegelicht dat het faillissement van De Woningwachter zal worden opgeheven wegens een gebrek aan baten. Dat betekent dat de vordering van [eiser] op De Woningwachter onbetaald blijft.\n\n5.11.. Uitgangspunt is dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook aanleiding bestaan voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap. Voor het aannemen van deze aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder van de benadeling persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen gelden dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Het is daarbij aan de benadeelde crediteur om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de betreffende bestuurder persoonlijk ten opzichte van hem onrechtmatig heeft gehandeld.\n\n5.12.. Van een persoonlijk ernstig verwijt is in beginsel sprake indien, voor zover in deze zaak relevant, de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade. Met andere woorden, de bestuurder is in beginsel aansprakelijk als hij tegen beter weten in verbintenissen aangaat namens de vennootschap.\n\n5.13.. Volgens [eiser] kan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt aan de bestuurders van De Woningwachter, omdat zij in de gegeven omstandigheden geen verplichtingen tegenover hem hadden mogen aangaan. [eiser] voert daartoe het volgende aan.\n\n5.13.1.. Het is tweemaal mislukt om externe financiering voor De Woningwachter te verkrijgen. Begin 2019 werd een grote investering gedaan in softwareontwikkeling, vooruitlopend op een verwachte investering van een derde partij. Deze investeerder trok zich in april 2019 echter terug. Het bestuur probeerde vervolgens zonder succes een nieuwe financier aan te trekken. Eind 2019 werd exclusiviteit overeengekomen met een tweede investeerder, maar die trok zich in maart 2020 ook terug.\n\n5.13.2.. Het bestuur bleef desondanks verplichtingen aangaan. Na het afhaken van de eerste investeerder in april 2019 had het bestuur zich moeten realiseren dat de financiële positie van De Woningwachter precair was. Het voortzetten van de bedrijfsvoering en het aangaan van nieuwe verplichtingen zonder zekere dekking, terwijl de vennootschap afhankelijk was van een tweede investeerder, bracht een verhoogde zorgplicht mee. Deze tweede investeerder was immers nog niet gecommitteerd en het risico op opnieuw afhaken was reëel. Het bestuur had in deze omstandigheden geen nieuwe verplichtingen mogen aangaan zonder voorafgaande zekerheidstelling van financiering. Dat geldt temeer als, zoals hier vanaf eind 2019 aan de orde was, vertraagd en ad hoc-betalingsgedrag ontstaat. Daarnaast had het bestuur [eiser] moeten informeren over de afhankelijkheid van externe financiering en hadden de bedrijfsactiviteiten moeten worden beperkt tot wat financieel verantwoord was. Door dit na te laten hebben DWW en [gedaagde sub 2] willens en wetens het risico genomen dat schuldeisers onbetaald zouden blijven, aldus [eiser] .\n\n5.14.. DWW en [gedaagde sub 2] betwisten dat zij persoonlijk ernstig verwijtbaar hebben gehandeld. Zij voeren daartoe aan dat de problemen pas ontstonden toen op 13 maart 2020 de beoogde investeerder afhaakte. Eerder wisten zij niet en behoorden zij ook niet te weten dat De Woningwachter niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. De verplichtingen tegenover [eiser] zijn daarom verantwoord aangegaan, aldus DWW en [gedaagde sub 2] .\n\n5.15.. Uit de door [eiser] overgelegde debiteurenkaart blijkt dat zijn vordering is gebaseerd op onbetaald gebleven facturen die zijn gedateerd op 25 januari 2020, 1 februari 2020, 3 februari 2020, 4 februari 2020, 8 februari 2020, 11 februari 2020, 12 februari 2020, 16 februari 2020 en 29 februari 2020. De offertes die aan deze facturen ten grondslag liggen zijn uitgebracht in de periode tussen 2 januari 2020 en 11 februari 2020.\n\n5.16.. In deze procedure is relevant op welk moment DWW en [gedaagde sub 2] wisten of behoorden te begrijpen dat De Woningwachter haar verplichtingen niet meer kon nakomen. [eiser] heeft dat in de dagvaarding niet concreet onderbouwd. Op de zitting heeft hij desgevraagd toegelicht dat het peilmoment eind januari\u002Fbegin februari 2020 was.\n\n5.17.. Uit de debiteurenkaart kan niet worden afgeleid dat eind januari\u002Fbegin februari 2020 geen nieuwe verplichtingen namens De Woningwachter meer mochten worden aangegaan. Op 7 februari 2020 was de situatie bijvoorbeeld zo, dat twee facturen van [eiser] , die als vervaldatum 2 februari 2020 hadden, niet volledig waren betaald (er stonden bedragen van € 496,49 en € 1.143,35 open, die op 8 maart 2020 alsnog zijn voldaan). Een dag later, op 8 februari 2020, kwam daar een vervallen bedrag van € 1.820,00 bij. Dat is ook het eerste bedrag dat onbetaald is gebleven. Vervolgens zijn er, los van de hiervoor vermelde betalingen op 8 maart 2020, op 9 en 14 februari 2020 nog twee betalingen van € 4.000,00 gedaan, die in mindering strekten op facturen die vervielen op 14 en 17 februari 2020. Pas half\u002Feind februari 2020 liep de betalingsachterstand verder op. De opdrachten aan [eiser] waren op dat moment al (grotendeels) verstrekt. Op de zitting heeft [eiser] bevestigd dat hij de laatste opdracht medio of in de loop van februari 2020 kreeg.\n\n5.18.. Het enkele feit dat, toen nog opdrachten aan [eiser] werden verstrekt, niet al zijn facturen volledig waren voldaan binnen de vervaltermijn, rechtvaardigt geen aansprakelijkheid van DWW en [gedaagde sub 2] op grond van de Beklamel-norm. Dat geldt ook voor de door [eiser] aangevoerde omstandigheid dat eerder, in november 2019, al twee facturen te laat en in termijnen zijn voldaan. Daarmee is nog niet gezegd dat, toen De Woningwachter de onbetaald gebleven opdrachten aan [eiser] verstrekte, zij haar daaruit voortvloeiende verplichtingen niet meer kon nakomen en DWW en [gedaagde sub 2] dat wisten of behoorden te begrijpen.\n\n5.19.. Dat De Woningwachter al sinds begin 2019 op zoek was naar externe financiering, maakt het voorgaande niet anders. Het afhaken van een eerste investeerder in april 2019 is zonder nadere toelichting die ontbreekt niet relevant in het kader van de vraag of De Woningwachter eind januari\u002Fbegin februari 2020 nog opdrachten mocht verstrekken aan [eiser] .\n\n5.20.. Dat De Woningwachter begin 2020 opnieuw bezig was met het verkrijgen van externe financiering, betekent ook niet dat zij op dat moment geen nieuwe verplichtingen mocht aangaan. De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat DWW en [gedaagde sub 2] [eiser] (nader) hadden moeten informeren over de financiële stand van zaken bij De Woningwachter. Uit de door DWW en [gedaagde sub 2] overgelegde term sheetvan 15 januari 2020, waarin de voorwaarden van de voorgenomen investering zijn samengevat, blijkt dat deze investering een serieuze optie leek. Dat het aan de bestuurders van De Woningwachter zou zijn te wijten dat de investering niet is doorgegaan, is niet gesteld en ook niet gebleken. In de e-mail van de beoogde investeerder aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] van 13 maart 2020 staat het volgende:\n\n“Hierbij bevestig ik dat ik afzie van de investering van mij in jullie bedrijf.\n\nIk verwacht dat het bedrag waarmee ik in zou stappen onvoldoende is om het bedrijf op het level te krijgen waar ik deze zou willen krijgen met jullie\n\nDaarnaast verwacht ik dat de economische omstandigheden ivm Corona flink onzeker zullen zijn, misschien wel bovengemiddeld in jullie doelgroep”\n\n5.21.. \n [eiser] heeft verder nog aangevoerd dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in een gerelateerd faillissement (van DWW Wonen Nederland B.V.) door de curator zijn aangesproken in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurders, waarna een minnelijke regeling is getroffen. Voor de onderhavige procedure is dat echter niet relevant. Dat geldt ook voor de door [eiser] ingenomen (en door DWW en [gedaagde sub 2] betwiste) stelling dat de curator in het faillissement van De Woningwachter van oordeel was dat sprake was van onbehoorlijk bestuur, maar het niet in het belang van de boedel achtte om vervolgstappen te ondernemen. Deze stellingen kunnen geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of DWW en [gedaagde sub 2] in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurder aansprakelijk zijn tegenover een schuldeiser van De Woningwachter wegens schending van de Beklamel-norm.\n\n5.22.. Op de zitting heeft [eiser] toegelicht dat het faillissement van De Woningwachter nare gevolgen voor hem en zijn gezin heeft gehad. De rechtbank begrijpt heel goed dat het vervelend is dat [eiser] door het faillissement van De Woningwachter achterblijft met een onbetaalde vordering. Dat kan er echter niet aan afdoen dat de drempel voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap hoog is en dat die in dit geval niet is behaald.\n\nProceskosten\n\n5.23.. \n [eiser] krijgt geen gelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DWW en [gedaagde sub 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.995,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.672,00\n\n(2 punten × € 836,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.856,00\n\n5.24.. DWW en [gedaagde sub 2] maken aanspraak op de wettelijke rente over (alleen) de nakosten. Deze wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde sub 3]\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.25.. \n [gedaagde sub 3] woont in België. Daarom moet ambtshalve worden beoordeeld of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] en zo ja, welk recht toepasselijk is.\n\n5.26.. De internationale bevoegdheid van de rechtbank moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Verordening, die zowel materieel, formeel als temporeel van toepassing is. Tussen de vorderingen tegen iedere gedaagde bestaat een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Gelet daarop kunnen DWW en [gedaagde sub 2] de rol van ankergedaagden vervullen en is deze rechtbank op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Verordening ook bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] .\n\n5.27.. De vraag welk recht van toepassing is moet worden beantwoord aan de hand van de Rome II-Verordening, die materieel, formeel en temporeel van toepassing is. Omdat de gevorderde schade zich voordoet in Nederland, is op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening Nederlands recht van toepassing.\n\nVerstek\n\n5.28.. \n [gedaagde sub 3] is niet in de procedure verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Omdat door [eiser] , DWW en [gedaagde sub 2] verder is geprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 Rv één vonnis tussen alle partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.\n\n5.29.. In een geval waarin de rechtsbetrekking tussen partijen niet noopt tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing, strekt een door de verschenen gedaagden gevoerd en door de rechter aanvaard verweer niet mede ten gunste van de andere, niet verschenen gedaagde(n). Die situatie is hier aan de orde. Er is geen sprake van een ondeelbare rechtsverhouding. Op grond van artikel 139 Rv moet de rechtbank de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] daarom in beginsel toewijzen, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomen.\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde sub 3] komen ongegrond voor\n\n5.30.. De rechtbank is ook ten aanzien van [gedaagde sub 3] van oordeel dat de vordering onvoldoende onderbouwd is. In de dagvaarding is niet geconcretiseerd wanneer [gedaagde sub 3] wist of behoorde te begrijpen dat De Woningwachter haar verplichtingen niet meer kon nakomen en dus geen nieuwe verplichtingen meer mocht aangaan namens De Woningwachter. Daarmee is onvoldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagde sub 3] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid geldt ook als tegen de betreffende bestuurder verstek is verleend. Ook voor zover het de positie van [gedaagde sub 3] betreft is die drempel in dit geval niet behaald.\n\nProceskosten\n\n5.31.. \n [eiser] moet als de partij die geen gelijk krijgt ook in de zaak tegen [gedaagde sub 3] de proceskosten betalen. Omdat [gedaagde sub 3] niet in de procedure is verschenen en dus geen proceskosten heeft gemaakt, kan een veroordeling in dit kader achterwege blijven.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van DWW en [gedaagde sub 2] van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. 1977\u002F1918\n\n Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012\n\n Verordening (EG) nr. 864\u002F2007\n\n Hoge Raad 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6834","2026-07-13T00:29:10.488Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":44,"courtId":176,"decisionDate":168,"fullText":177,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":179},"574","ECLI:NL:RBDHA:2026:18503","ecli-nl-rbdha-2026-18503",58,"RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705835 \u002F HA ZA 26-519 (voorheen C\u002F09\u002F692095 \u002F HA ZA 25-839)\n\nVonnis van 10 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\nESSENT ENERGIE VERKOOP NEDERLAND B.V.te ‘s-Hertogenbosch,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Essent,\n\nadvocaat: mr. P. van Zwijndregt,\n\ntegen\n\nDE HEER [verweerder]te [woonplaats],\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder],\n\nadvocaat: mr. J.P. van Rossum.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet proces-verbaal van de verificatievergadering in het faillissement van [gefailleerde] B.V. (hierna: gefailleerde) van 18 september 2025, waarin de betwiste vorderingen zijn verwezen naar de rol van 8 oktober 2025 van deze rechtbank voor renvooi;\n\nde conclusie van eis van Essent met de producties 1 – 5;\n\nde conclusie van antwoord van [verweerder] met de producties 1 – 8;\n\nhet tussenvonnis van 4 februari 2026 (gewezen onder het voormalige zaaknummer), waarin een mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde door [verweerder] overgelegde producties A – L.\n\n1.2.. Bij voornoemd tussenvonnis is de mondelinge behandeling bepaald op 28 mei 2026. Op 26 mei 2026 heeft de rechtbank partijen bericht voornemens te zijn zich onbevoegd te verklaren en de procedure te verwijzen. Desgevraagd hebben partijen de rechtbank bericht af te zien van het recht om op die beslissing gehoord te worden. De mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden. Vervolgens is vonnis bepaald.\n\n2. De bevoegdheid van de rechtbank\n\n2.1.. Deze renvooi-procedure draait om de vraag of de door Essent in het faillissement van gefailleerde (hierna: het faillissement) ingediende vordering (hierna: de vordering) al dan niet terecht door [verweerder] is betwist tijdens de in het faillissement gehouden verificatievergadering.\n\n2.2.. De rechtbank maakt uit de door partijen overgelegde stukken op dat voorafgaand aan het faillissement al een procedure over de vordering aanhangig was tussen Essent en gefailleerde. Deze procedure heeft geleid tot een vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 18 augustus 2016, waartegen hoger beroep loopt bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) met kenmerk 200.203.353\u002F01.\n\n2.3.. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat zij om die reden niet bevoegd is. Immers bepaalt art. 29 Fw dat een lopende procedure, als de vordering ziet op voldoening van een verbintenis uit de boedel, na de faillietverklaring wordt geschorst, om voortgezet te worden als de verificatie betwist wordt. Alsdan wordt de betwister in plaats van gefailleerde partij (nog steeds art. 29 Fw.). Daarnaast bepaalt art. 122 Fw dat een op de verificatievergadering betwiste vorderingalleenvoor renvooi naar de rechtbank wordt verwezen als het geschil nog niet aanhangig is, wat zich hier niet voordoet.\n\n2.4.. Verder maakt de rechtbank uit de processtukken op dat partijen twisten over de vraag of tijdig hoger beroep is ingesteld (en op de juiste wijze) tegen het vonnis van de kantonrechter. Het is echter aan het hof om daar, als hoger beroepsinstantie, over te oordelen.\n\n2.5.. De slotsom is dat de vordering van Essent ten onrechte naar deze rechtbank is verwezen. De rechtbank zal de vordering alsnog verwijzen naar het hof, alwaar de hiervoor bedoelde procedure kan worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van de schorsing bevond.\n\n2.6.. De rechtbank wijst partijen erop dat zij dienen zorg te dragen voor voortzetting van de procedure bij het gerechtshof Den Haag.\n\n2.7.. Nu partijen door een beslissing van de (waarnemend) rechter-commissaris van Team Insolventies van deze rechtbank ten onrechte naar deze procedure zijn verwezen, zal de rechtbank bepalen dat de door partijen in deze procedure betaalde griffierechten aan hen worden gerestitueerd.\n\n2.8.. Nu inhoudelijk nog niet over het geschil tussen partijen is beslist en dus nog niet kan worden gezegd welke partij in het ongelijk is gesteld, zal de rechtbank een beslissing over de proceskosten aanhouden. Denkbaar is dat partijen bij het hof (grotendeels) dezelfde processtukken indienen als zij in deze procedure hebben gedaan, zodat de rechtbank ook de begroting van de kosten aan het hof overlaat.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vordering,\n\n3.2.. verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag, alwaar de zaak met zaaknummer 200.203.355\u002F01 kan worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt,\n\n3.3.. houdt iedere beslissing ten aanzien van de proceskosten aan,\n\n3.4.. wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.\n\nDit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18503","2026-07-13T00:28:37.502Z",{"id":181,"ecli":182,"slug":183,"caseNumber":44,"courtId":167,"decisionDate":168,"fullText":184,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":185,"sourceTimestamp":137,"parsedAt":52,"updatedAt":186},"1079","ECLI:NL:RBROT:2026:6826","ecli-nl-rbrot-2026-6826","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F714557 \u002F HA ZA 26-126\n\nVonnis in incident van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [curator],\n\nin zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam hotel] ,\n\nkantoorhoudend in [plaats] ,\n\neiser in de hoofdzaak,\n\nverweerder in het incident,\n\nadvocaat: mr. D.H. de Haan,\n\ntegen\n\n [persoon A],\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\ngedaagde in de hoofdzaak,\n\neiser in het incident,\n\nadvocaat: mr. M.W. Huijzer.\n\nPartijen worden hierna de curator en [persoon A] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 22 januari 2026, met producties 1 tot en met 54;\n\nde incidentele conclusie tot onbevoegdheid van [persoon A] ;\n\nde conclusie van antwoord naar aanleiding van de incidentele conclusie tot onbevoegdheid.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.\n\n2. De vordering in de hoofdzaak\n\n2.1.. \n\nDe curator vordert in de hoofdzaak, verkort weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [persoon A] te veroordelen tot betaling van € 49.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nII. [persoon A] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.2.. De curator legt hieraan, verkort weergegeven, ten grondslag dat het bedrag van € 49.500,00 onverschuldigd aan [persoon A] is betaald en daarom door hem moet worden terugbetaald.\n\n2.3.. \n [persoon A] heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd in de hoofdzaak.\n\n3. Het geschil in het incident\n\n3.1.. \n [persoon A] vordert in het incident, verkort weergegeven, dat de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het geschil, met veroordeling van de curator, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. De curator concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [persoon A] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.3.. De relevante stellingen van partijen worden hierna verder besproken.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Partijen twisten over de vraag of de rechtbank Rotterdam in de hoofdzaak bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de curator tegen [persoon A] . Volgens [persoon A] moet die vraag ontkennend worden beantwoord, omdat hij geen woonplaats heeft in een tot het arrondissement van de rechtbank Rotterdam behorende gemeente. Van een overeengekomen woonplaatskeuze (in de zin van artikel 1:15 BW) of van een exclusieve forumkeuze (in de zin van artikel 108 Rv) is volgens [persoon A] geen sprake. Volgens de curator is de rechtbank Rotterdam wel bevoegd, omdat [persoon A] woonplaats heeft gekozen in Papendrecht en dus binnen het arrondissement van de rechtbank Rotterdam (locatie Dordrecht).\n\n4.2.. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.\n\nHet wettelijk kader\n\n4.3.. In artikel 99 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij bevoegd is, tenzij de wet anders bepaalt.\n\n4.4.. Artikel 1:10 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt te zijner woonstede. Artikel 1:15 BW bepaalt dat een persoon een andere woonplaats dan zijn werkelijke woonplaats slechts kan kiezen, als de wet hem daartoe verplicht, of wanneer die keuze bij schriftelijk of langs elektronische weg aangegane overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is.\n\nRechtbank Rotterdam is relatief bevoegd\n\n4.5.. Er is in dit geval geen sprake van een uit de wet voortvloeiende, van de hoofdregel van artikel 99 Rv afwijkende bevoegdheidsbepaling. De bevoegde rechter is in beginsel dus de rechter van de woonplaats van [persoon A] . [persoon A] heeft geen woonplaats in een tot het arrondissement van de rechtbank Rotterdam behorende gemeente.\n\n4.6.. De rechtbank Rotterdam zou desalniettemin relatief bevoegd zijn als [persoon A] een vrijwillige woonplaatskeuze in de zin van artikel 1:15 BW heeft gemaakt voor een tot het arrondissement van de rechtbank Rotterdam behorende gemeente. Uit artikel 1:15 BW volgt dat voor een rechtsgeldige, vrijwillige woonplaatskeuze het volgende nodig is:\n\nDe woonplaatskeuze moet geschieden bij schriftelijk of langs elektronische weg aangegane overeenkomst.\n\nDe woonplaatskeuze kan slechts plaatsvinden voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen.\n\nVoor de gekozen woonplaats moet een redelijk belang aanwezig zijn.\n\n4.7.. De curator leidt uit een aan hem gezonden brief van mr. Huijzer, ook toen al de advocaat van [persoon A] , van 21 juli 2025 af dat [persoon A] in dit geval woonplaats heeft gekozen in Papendrecht. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“ (…) Uw opmerking dat - bij gebreke van betaling of ontvangst van een passend voorstel - een procedure in zicht komt, maakt dat niet anders. Een eventuele procedure wordt met vertrouwen tegemoet gezien. U kunt zo nodig de dagvaarding op mijn kantooradres betekenen; cliënt kiest aldaar uitdrukkelijk domicilie. Ik ga er echter van uit dat het zo ver niet behoeft te komen en het boek hiermee gesloten kan worden. (…)”\n\n4.8.. De rechtbank is van oordeel dat uit deze brief volgt dat [persoon A] met de curator is overeengekomen dat hij voor het voeren van de onderhavige procedure woonplaats kiest op het kantoor van zijn advocaat in Papendrecht. Dat staat in voldoende duidelijke bewoordingen in de brief en de curator heeft dat ook zo mogen begrijpen. Aan de hiervoor vermelde vereisten is voldaan: de woonplaatskeuze is schriftelijk gemaakt en door de curator aanvaard, is bedoeld voor deze procedure (die al door de curator was aangekondigd) en er is een redelijk belang aanwezig voor zowel [persoon A] als de curator. Dat de curator pas een half jaar later tot dagvaarding is overgegaan betekent, anders dan [persoon A] lijkt te betogen, niet dat hij zich niet (meer) op de woonplaatskeuze mocht beroepen.\n\n4.9.. \n [persoon A] stelt zich op het standpunt dat het bieden van een praktische manier voor het betekenen van de dagvaarding (namelijk op het kantooradres van de behandelend advocaat) nog geen woonplaats- of forumkeuze impliceert. De rechtbank acht dat standpunt in beginsel juist. In dit geval is in de brief echter niet slechts aangegeven dat de dagvaarding op het kantooradres van de advocaat betekend kon worden, maar is daaraan toegevoegd dat [persoon A] op dat adres uitdrukkelijk domicilie kiest. Dat die woonplaatskeuze uitsluitend betrekking zou hebben op het betekenen van de dagvaarding (en niet ook op het voeren van de procedure) kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet uit de brief worden afgeleid. Voldaan is dan ook aan de vereisten van artikel 1:15 BW.\n\n4.10.. Als een gedaagde overeenkomstig artikel 1:15 BW woonplaats heeft gekozen, dan is ingevolge artikel 99 lid 1 Rv de rechter van de gekozen woonplaats relatief bevoegd om van de zaak kennis te nemen. [persoon A] stelt dat vaste rechtspraak en literatuur bevestigen dat een domiciliekeuze geen invloed heeft op de relatieve bevoegdheid van de rechter, maar de rechtbank volgt hem daarin gelet op het voorgaande niet. Die conclusie kan ook niet worden getrokken uit de door [persoon A] genoemde rechtspraaken literatuur.\n\n4.11.. Voor zover [persoon A] nog heeft opgemerkt dat in de dagvaarding (randnummer 102) ten onrechte is vermeld dat de advocaat van [persoon A] kantoor houdt in Barendrecht (in plaats van Papendrecht), gaat de rechtbank daaraan voorbij. Sprake lijkt te zijn van een verschrijving. Op de eerste pagina van de dagvaarding is vermeld dat [persoon A] woonplaats heeft gekozen op het kantoor van zijn advocaat in Papendrecht en de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, is gebaseerd op die gemeente.\n\n4.12.. Conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. De incidentele vordering van [persoon A] zal dan ook worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.13.. \n [persoon A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.14.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.15.. De veroordeling in de proceskosten wordt, zoals onweersproken gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst de incidentele vordering af,\n\n5.2.. veroordeelt [persoon A] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon A] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [persoon A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen in 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.5.. verwijst de zaak naar de rol van 22 juli 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van [persoon A] ,\n\n5.6.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. 1977\u002F3669\n\n Zie onder andere GS Personen- en familierecht, art. 1:15 BW, aant. 4, T&C BW, commentaar op art. 1:15 BW, aant. 1 en de conclusie van AG De Bock van 9 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:484 (4.13).\n\n Rechtbank Noord-Nederland 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3445.\n\n [persoon A] verwijst naar “Asser Procesrecht\u002FVeegens-Korthals Altes-Groen 1, nr. 56”. Deze verwijzing lijkt niet te kloppen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6826","2026-07-13T00:29:03.015Z",{"id":188,"ecli":189,"slug":190,"caseNumber":44,"courtId":68,"decisionDate":191,"fullText":192,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":193,"sourceTimestamp":191,"parsedAt":52,"updatedAt":194},"682","ECLI:NL:GHARL:2026:3739","ecli-nl-gharl-2026-3739","2026-06-09T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.367.988\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 2604692\n\narrest van 9 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nhierna: [de schuldenaar]\n\nadvocaat: mr. E.R. Butin Bik\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\n1.1.. De Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (het pensioenfonds) heeft een verzoek ingediend tot faillietverklaring van [de schuldenaar] . Hierop heeft [de schuldenaar] op 12 februari 2026 bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht een voorwaardelijk verzoek ingediend om ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) uit te spreken. De faillissementsprocedure is geschorst totdat onherroepelijk is beslist op het schuldsaneringsverzoek.\n\n1.2.. Bij vonnis van 17 april 2026 heeft de rechtbank [de schuldenaar] niet-ontvankelijk verklaard in zijn (voorwaardelijke) verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Door middel van een op 27 april 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [de schuldenaar] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 april 2026. [de schuldenaar] wil met zijn hoger beroep bereiken dat zijn (voorwaardelijke) verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp alsnog wordt toegewezen. Het verzoek van [de schuldenaar] tot toelating tot de wsnp is voorwaardelijk, namelijk op voorwaarde dat is komen vast te staan dat zijn poging om een minnelijke schuldregeling tot stand te brengen niet is geslaagd.\n\n2.2.. Het hof heeft naast het beroepschrift met producties kennisgenomen van de tijdens de mondelinge behandeling bij het hof overgelegde brief van 24 april 2026 aan de belastingdienst.\n\n2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Hierbij is [de schuldenaar] verschenen, bijgestaan door mr. Butin Bik .\n\n3. De motivering van de beslissing in hoger beroep\n\nDe feiten\n\n3.1.. \n [de schuldenaar] heeft in de vorm van een eenmanszaak een transportbedrijf onder de naam [naam1] . Vanuit deze eenmanszaak verzorgt [de schuldenaar] als zzp-er transportopdrachten voor diverse bedrijven. Naast zijn werkzaamheden als zzp-er is [de schuldenaar] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende 32 uur per week werkzaam als nachtplanner. [de vof] , waarvan [de schuldenaar] vennoot was, is niet meer actief en de onderneming is uitgeschreven bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.\n\n3.2.. \n [de schuldenaar] heeft een aanzienlijke schuldenlast. Hiervoor heeft hij in augustus 2025 de hulp ingeschakeld van Advocatenkantoor Moerdijk als schuldbemiddelaar. Mr. Butin Bik is als advocaat verbonden aan dit kantoor. In een poging om een minnelijke schuldsaneringsregeling tot stand te brengen heeft [de schuldenaar] op 22 januari 2026, via zijn schuldbemiddelaar, een betalingsvoorstel gedaan aan de bij hem bekende schuldeisers waaronder het pensioenfonds en de belastingdienst.\n\n3.3.. In haar reactie op het betalingsvoorstel heeft het pensioenfonds, naar [de schuldenaar] heeft verklaard, op 28 januari 2026 aan de schuldbemiddelaar laten weten in plaats van het in het betalingsvoorstel opgenomen percentage van 13,21%, een bedrag gelijk aan een percentage van 20% van haar vordering te willen ontvangen.\n\n3.4.. Kort daarvoor had het pensioenfonds een verzoekschrift tot faillietverklaring van [de schuldenaar] ingediend. Vervolgens heeft [de schuldenaar] op 12 februari 2026 zijn (voorwaardelijke) verzoek om toelating tot de wsnp gedaan.\n\n3.5.. Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank [de schuldenaar] in de gelegenheid gesteld om in verband met zijn (voorwaardelijke) toelatingsverzoek nadere stukken aan te leveren. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 30 maart 2026, heeft (de raadsman van) [de schuldenaar] om uitstel gevraagd om een minnelijke regeling met zijn schuldeisers te kunnen bereiken. In reactie hierop heeft de rechtbank [de schuldenaar] en zijn raadsman erop gewezen dat het verzoek om toelating tot de wsnp moest worden aangevuld met de noodzakelijke stukken. Op 13 april 2026 heeft (de raadsman van) [de schuldenaar] opnieuw een verzoek ingediend om de behandeling van zijn toelatingsverzoek uit te stellen.\n\n3.6.. De belastingdienst heeft in reactie op het betalingsvoorstel van [de schuldenaar] met zijn brief van 3 april 2026 om aanvullende informatie verzocht. Met zijn brief van 24 april 2026 heeft (de schuldbemiddelaar van) [de schuldenaar] deze nadere gegevens aan de belastingdienst verstrekt. Op 29 mei 2026 heeft de belastingdienst aan de schuldbemiddelaar laten weten nog zo’n zes tot acht weken nodig te hebben om op het betalingsvoorstel te kunnen reageren.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.7.. De rechtbank heeft [de schuldenaar] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp omdat [de schuldenaar] , ondanks dat de rechtbank hem meerdere keren heeft gevraagd de ontbrekende stukken aan te vullen, geen compleet toelatingsverzoek heeft ingediend. Daar komt bij dat het naar het oordeel van de rechtbank niet past bij het karakter van de faillissementsprocedure en het in verband daarmee ingediende verzoek tot toepassing van de wsnp om de termijn die is bestemd voor het indienen van nadere stukken ten behoeve van de behandeling van het wsnp-verzoek te gebruiken om een minnelijke regeling te treffen, en met het oog op zo’n regeling, nogmaals nader uitstel te vragen.\n\nDe grieven van [de schuldenaar]\n\n3.8.. \n [de schuldenaar] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Gelet op het feit dat hij op 26 maart en 13 april 2026 aanvullende stukken heeft ingediend, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de ontbrekende stukken waar zij [de schuldenaar] om heeft gevraagd niet zijn ontvangen. Daar komt bij dat de rechtbank het verzoek ook zonder de ontbrekende stukken had kunnen beoordelen althans dat zij had moeten aangeven welke bijlagen essentieel waren om het verzoek inhoudelijk te kunnen beoordelen, aldus [de schuldenaar] . Volgens [de schuldenaar] was zijn aanhoudingsverzoek gerechtvaardigd omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. Bovendien heeft de rechtbank nagelaten te omschrijven wat met ‘het karakter van de faillissementsprocedure’ wordt bedoeld en heeft zij dit karakter miskent door toe te staan dat het pensioenfonds de faillissementsaanvraag als oneigenlijk pressiemiddel en \u002Fof incassomiddel heeft gebruikt, aldus [de schuldenaar] . Ook voert [de schuldenaar] aan dat rechtbank het voorwaardelijke karakter van het toelatingsverzoek ten onrechte niet in acht heeft genomen door dit niet pas te behandelen nadat het minnelijk traject is afgerond.\n\nHet oordeel van het hof\n\n3.9.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank om [de schuldenaar] niet-ontvankelijk te verklaren bekrachtigen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.\n\n3.10.. Het hof stelt vast dat het toelatingsverzoek van [de schuldenaar] ook in hoger beroep nog niet compleet is doordat [de schuldenaar] niet alle informatie heeft verstrekt die is voorgeschreven in artikel 285 lid 1 Faillissementswet (Fw). Zo ontbreken in elk geval een gespecificeerde opgave van de inkomsten van [de schuldenaar] als zzp-er (artikel 285 lid 1 onder c Fw) en een gespecificeerde opgave van zijn vaste lasten (artikel 285 lid 1 onder d Fw). Overigens ontbreken ook zijn bankafschriften van de laatste drie maanden en de financiële informatie over de onderneming(en) van [de schuldenaar] in het licht van artikel 285 lid 1 onder i Fw.\n\n3.11.. Onder de ontbrekende gegevens valt ook een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen zoals opgenomen in artikel 285 lid 1 onder f Fw. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de schuldenaar] toegelicht dat hij zo’n groot mogelijk deel van zijn schulden wil aflossen. Om die reden wil hij een minnelijke regeling treffen waarbij zijn schuldeisers een groter deel van hun vordering vergoed krijgen dan zij bij toelating van [de schuldenaar] tot de wsnp zullen ontvangen, doordat hij langer dan 18 maanden zal sparen en aflossen. Zo’n minnelijke regeling zal gelet op de mededeling van de belastingdienst van 29 mei 2026 nog tenminste zes weken op zich laten wachten. Voor die tijd kan hij geen verklaring zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw overleggen, aldus [de schuldenaar] .\n\n3.12.. \n [de schuldenaar] heeft verklaard dat hij met deze procedure wil bereiken dat hij voldoende tijd krijgt om een minnelijke regeling tot stand te brengen. Dat is de reden waarom hij om aanhouding van zijn wsnp-verzoek heeft gevraagd zodat hierop pas wordt beslist als duidelijk is dat er geen minnelijke regeling kan worden gerealiseerd.\n\n3.13.. Het hof ziet en begrijpt de goede intentie van [de schuldenaar] om zoveel mogelijk te willen aflossen. De oplossing die [de schuldenaar] voorstaat past echter niet in het systeem van de Faillissementswet. De behandeling van een faillissementsaanvraag, die met de meeste spoed moet plaatsvinden, wordt geschorst totdat (onherroepelijk) is beslist op een door de schuldenaar (tijdig) gedaan verzoek om toelating tot de wsnp (artikelen 3 en 3a Fw). Daarbij is het de verantwoordelijkheid van de schuldenaar om zijn verzoek te voorzien van de informatie vermeld in artikel 285 lid 1 Fw. Verstrekt de schuldenaar in (de bijlagen bij) zijn verzoekschrift niet al deze gegevens dan kan de rechter hem een termijn van ten hoogste een maand bieden om zijn verzoekschrift aan te vullen. Is het verzoek ook daarna niet compleet, dan wordt de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om toelating tot de wsnp (artikel 287 lid 2 Fw). De wet voorziet niet in de mogelijkheid om de schuldenaar na het indienen van zijn wsnp-verzoek een termijn te gunnen voor het beproeven van een minnelijke regeling. Dit betekent dat wat [de schuldenaar] wil bereiken, te weten het aanhouden van de toelatingsprocedure, en daarmee dus ook de faillissementsprocedure, voor de periode die nodig is om duidelijkheid te verkrijgen over de haalbaarheid van de minnelijke regeling, niet kan worden bereikt in deze procedure.\n\n3.14.. Ook het bezwaar dat [de schuldenaar] aanvoert tegen het gebruik (en handhaving) van de faillissementsaanvraag door het pensioenfonds als middel om in de betalingsregeling een hoger percentage van haar vordering vergoed te krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit argument van misbruik van recht hoort thuis in de faillissementsprocedure waarin, anders dan in deze wsnp-procedure, ook het pensioenfonds de gelegenheid heeft op het verwijt van [de schuldenaar] te reageren.\n\n3.15.. Uit het voorgaande blijkt, en [de schuldenaar] erkent dat ook, dat [de schuldenaar] tot op heden niet alle gegevens zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw heeft verstrekt. [de schuldenaar] is daarom niet-ontvankelijk in zijn wsnp-verzoek. Een nadere motivering met betrekking tot de ontbrekende informatie is daarvoor, anders dan [de schuldenaar] aanvoert, niet vereist.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof, recht doende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 april 2026.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. N.M. Brouwer, G.P. Oosterhoff en M.P.M. Hennekens en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3739","2026-07-13T00:28:43.035Z",{"id":196,"ecli":197,"slug":198,"caseNumber":44,"courtId":136,"decisionDate":199,"fullText":200,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":201,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":52,"updatedAt":202},"845","ECLI:NL:RBNNE:2026:2684","ecli-nl-rbnne-2026-2684","2026-06-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Groningen\n\nRekestnummer: NL:TZ:2609501:R-RK\n\nUitspraak van 8 juni 2026\n\nIn de zaak van\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [adres] ,\n\nverzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,\n\ntegen\n\nNijestee,\n\ngevestigd en kantoorhoudende te Groningen,\n\ngemachtigde: Flanderijn,\n\nhierna te noemen Nijestee,\n\ntot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).\n\nSamenvatting\n\n [verzoeker] heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. De procedure1.1. \n\nDe procedure bestaat uit:\n\n- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 17 maart 2026 en het exploot van waarin de ontruiming is aangezegd tegen 31 maart 2026, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;\n\n- het tussenvonnis van de rechtbank van 22 april 2026, waarbij de aangezegde ontruiming (voorlopig) is verboden onder de voorwaarde dat de lopende verplichtingen door [verzoeker] worden nagekomen;\n\n- de zitting van donderdag 28 mei 2026, waarbij aanwezig waren:\n\n- de heer [verzoeker] , voornoemd;\n\n- de heer [naam 1] , namens de Groningse Kredietbank;\n\n- mevrouw [naam 2] , namens Nijestee;\n\n- de heer [naam 3] , namens Nijestee.\n\n1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1. \n [verzoeker] verzoekt de rechtbank om te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 17 maart 2026. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij probeert tot een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te komen.\n\n2.2. Uit het tussentijds verslag van de Groningse Kredietbank is gebleken dat de huur van mei 2026 tijdig en volledig is voldaan. Op de zitting is hieraan toegevoegd dat verzoeker inmiddels budgetbeheer heeft en dat er beschermingsbewind is aangevraagd.\n\n3. Het verweer\n\n3.1. Nijestee stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen, omdat [verzoeker] overlast veroorzaakt. Daarnaast wil Nijestee de huurovereenkomst niet voortzetten vanwege dreigende taal door [verzoeker] richting medewerkers van Nijestee. Desgevraagd is namens Nijestee op de zitting bevestigd dat de huur sinds het tussenvonnis tijdig en volledig is betaald.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is om [verzoeker] in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat er een huurachterstand is ontstaan, maar constateert op basis van het verslag van de Groningse Kredietbank dat de huur tijdig en volledig is voldaan. Daarbij heeft [verzoeker] nu budgetbeheer en heeft hij beschermingsbewind aangevraagd, zodat betaling van de toekomstige huur lijkt te zijn gewaarborgd. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de discussie of al dan niet sprake is van overlast door [verzoeker] in een andere procedure moet worden gevoerd.\n\n4.2. Door de toewijzing van het verzoek is Nijestee de komende zes maanden niet bevoegd om de door [verzoeker] gehuurde woning vanwege de huidige huurachterstand te ontruimen. Wel geldt de uitdrukkelijke voorwaarde dat de huur [verzoeker] de huur vanaf nu steeds tijdig en volledig voldoet. Als [verzoeker] hier niet aan voldoet, kan Nijestee de ontruiming opnieuw aanzeggen.\n\n4.3. Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nu nog niet worden beslist. De mondelinge behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip.\n\n4.4. Als [verzoeker] tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers tot stand brengt, moet hij dit uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling intrekken. Indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand wordt gebracht en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vervolgens behandeling behoeft, dient dit ook uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank te worden gemeld.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. schorst de tenuitvoerlegging van het op 17 maart 2026 door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;\n\n5.2. \n\nbepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek\n\nverschuldigde huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden voldaan;\n\n5.3. bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden met ingang van 22 april 2026;5.4. bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;5.5. bepaalt dat de Groningse Kredietbank, die namens [verzoeker] de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.\n\nDit is de beslissing van mr. M.C. Groenewegen, rechter, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2684","2026-07-13T00:28:50.853Z",{"id":204,"ecli":205,"slug":206,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":207,"fullText":208,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":209,"sourceTimestamp":210,"parsedAt":52,"updatedAt":211},"863","ECLI:NL:GHAMS:2026:1520","ecli-nl-ghams-2026-1520","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nzaaknummer : 200.301.531\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank : C\u002F13\u002F676708\u002FHA ZA 19-1328\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026\n\ninzake\n\n [appellant],\n\nIn zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [appellant],\n\ngevestigd te [plaats 1] ,\n\nappellant,\n\nadvocaat: mr. J.P.M.Borsboom te Rotterdam,\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1] ,\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. M.S.J. Supičić te Amsterdam,\n\n2. [geïntimeerde 2].,\n\ngevestigd te [plaats 3] ,\n\nadvocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam,\n\n3. [geïntimeerde 3],\n\nwonende te [plaats 3] ,\n\nadvocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam,\n\ngeïntimeerden.\n\nPartijen worden hierna de curator respectievelijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] genoemd. De gefailleerde vennootschap wordt [naam] genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [geïntimeerde 1] is in de periode 2006-2010 bestuurder geweest van [naam] , een vennootschap die is opgericht vanwege het gunstige Nederlandse fiscaal regime. [naam] ontplooide geen ondernemingsactiviteiten en genereerde geen eigen inkomsten. [naam] behoorde tot de Russische Areti-groep. Tijdens het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] zijn, met gebruikmaking van door [geïntimeerde 1] verstrekte volmachten, leningen ten bedrage van USD 186 miljoen verstrekt aan drie vennootschappen in Belize en is een bedrag van USD 14 miljoen aan advieskosten betaald aan een vennootschap op Bermuda. Het totaalbedrag betrof (in ieder geval: vrijwel) het gehele vermogen van [naam] . [geïntimeerde 3] heeft in de desbetreffende periode als advocaat een aantal werkzaamheden verricht. De leningen zijn nooit terugbetaald en er is nooit rente betaald. De Belastingdienst heeft [naam] in verband met de leningen aanslagen Vpb opgelegd die onbetaald zijn gebleven. De curator acht [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] aansprakelijk voor het verdwijnen van het vermogen van [naam] en heeft op basis daarvan een aantal vorderingen tegen hen ingesteld. Aan [geïntimeerde 2] verwijt de curator het faciliteren van de onttrekking en [geïntimeerde 2] is in zijn visie bovendien aansprakelijk als werkgever van [geïntimeerde 3] . De rechtbank heeft de vorderingen van de curator afgewezen. Het hof heeft reeds eerder geoordeeld dat de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] niet toewijsbaar zijn. Met betrekking tot de meer subsidiaire vordering tegen [geïntimeerde 1] (het bedrag van de vpb 2009) heeft het hof nadere memoriewisseling nodig geacht. Bij dit arrest worden de formele verweren tegen de vordering verworpen (verjaring, decharge) en wordt de vordering, na matiging, toegewezen tot een bedrag van € 100.000,-.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nVoor het geding in hoger beroep tot 1 april 2025 verwijst het hof naar zijn op die datum uitgesproken tussenarrest en de daarin vermelde stukken.\n\nNa dat arrest hebben de curator en [geïntimeerde 1] gelijktijdig een nadere memorie genomen. De curator heeft daarbij producties overgelegd. Zij hebben vervolgens bij antwoordmemorie (die van de curator: met producties) op elkaars memories gereageerd.\n\nDaarna is weer arrest gevraagd.\n\n3. Verdere beoordeling\n\nInleiding\n\n3.1.. Bij het tussenarrest van 1 april 2025 heeft het hof reeds geoordeeld dat de op de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] betrekking hebbende grieven geen doel treffen en deze vorderingen niet voor toewijzing vatbaar zijn maar dat de beslissing in een dictum zal volgen als ook op de vordering tegen [geïntimeerde 1] kan worden beslist. Dat is nu het geval zodat het vonnis van de rechtbank, waarbij de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] zijn afgewezen, in zoverre zal worden bekrachtigd.\n\n3.2.. Met betrekking tot de vordering tegen [geïntimeerde 1] heeft het hof de vordering op de grondslag van artikel 6:162 BW niet toewijsbaar geacht en de grieven II tot en met IX van de curator gegrond geacht voor zover daarmee wordt geklaagd over de verwerping van de vordering op de grondslag van artikel 2:9 BW, maar overwogen dat over de door [geïntimeerde 1] aangevoerde formele verweren en over de schadeomvang nog nadere uitwisseling van standpunten nodig is. Deze uitwisseling van standpunten heeft plaatsgevonden in de nadere memories van de curator en [geïntimeerde 1] en de antwoordmemories in reactie daarop.\n\nDe vordering uit hoofde van artikel 2:9 BW tegen [geïntimeerde 1]\n\nDe formele verweren\n\nHet beroep op verjaring\n\n3.3.. Het hof heeft nader debat nodig geacht over de vraag of de schadevordering van de curator die ziet op specifiek het bedrag van de onverhaalbaar gebleven belastingschuld van [naam] die is komen te ontstaan in de periode dat [geïntimeerde 1] bestuurder van [naam] is geweest, is verjaard en over de betekenis van de aan [geïntimeerde 1] door de vergadering van aandeelhouders verleende decharge.\n\n3.4.. Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dit impliceert in de eerste plaats dat de schade moet zijn ontstaan. Naar vaste rechtspraak vangt de termijn voorts pas aan als de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen.\n\n3.5.. In het onderhavige geval spitst de discussie over de schade zich thans toe op het bedrag van de belastingschuld die voor [naam] tijdens het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] is ontstaan. Het hof merkt daarbij nog op dat het niet gaat om de belastingschuld zelf (daarvoor is [geïntimeerde 1] niet rechtstreeks jegens [naam] aansprakelijk). Het gaat erom dat de belastingvordering niet kon worden betaald en de vennootschap met een schuld is blijven zitten die zij niet had behoren te hebben. Immers het hele vermogen is uit de vennootschap verdwenen maar het bedrag van de voorzienbare fiscale schuld had daar moeten blijven of voldoening van de schuld had op een andere manier zeker gesteld moeten worden. In de verhouding tussen [naam] en [geïntimeerde 1] is het moment van het ontstaan van de schade te stellen op het moment waarop de belastingdienst daadwerkelijk aanspraak maakte op betaling van de Vpb 2009.\n\n3.6.. De materiele belastingschuld is geformaliseerd in de aanslag Vpb 2009 van 13 oktober 2012. De belastingdienst werd daarmee inningsbevoegd. De belastingdienst is echter niet direct tot inning overgegaan en heeft naar aanleiding van het door [naam] ingediende bezwaar tegen de aanslag het verzoek van [naam] om uitstel van betaling gehonoreerd voor de duur van de bezwaarprocedure. Met de curator is het hof van oordeel dat de schade voor [naam] geacht moet worden te zijn ontstaan toen de belastingdienst na de verwerping van het bezwaar op 27 juli 2017 bij brief van 23 augustus 2017 aan [naam] heeft laten weten dat het verleende uitstel van betaling in verband met de beslissing op het bezwaarschrift was komen te vervallen. Op dat moment stond de aanslag wat de belastingdienst betrof vast en de brief bevat de aanzegging binnen tien dagen te betalen. De belastingdienst heeft bij brief van 23 oktober 2017 ook medegedeeld dat actief verder zal worden gegaan met invordering van de belastingschuld. Verdere verzoeken om uitstel van betaling en verzoeken om kwijtschelding van de aanslag zijn afgewezen.\n\n3.7.. Op 23 augustus 2017 was derhalve sprake van een belastingvordering waarvoor voor [naam] geen uitstel meer gold en die zij niet kon betalen. De curator heeft aangevoerd dat [naam] na het aftreden van [geïntimeerde 1] tot aan het faillissement steeds bestuurd is geweest door partijen die zijn aangesteld, gecontroleerd en geïnstrueerd door de aandeelhouder, de Areti-groep, die zelf betrokken was bij de constructie. Hij heeft betoogd dat hij de eerste objectieve betrokkene was die kennis kreeg van wat was gebeurd, de eerste die bekend werd met de schade en de aansprakelijke persoon en de eerste die namens [naam] in staat was tegen haar voormalig bestuurder [geïntimeerde 1] een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen. In het midden kan blijven of dit betoog ertoe leidt dat moet worden uitgegaan van een latere aanvangsdatum voor de verjaring dan 23 augustus 2017 omdat ook wanneer van laatstgenoemde datum wordt uitgegaan, de vordering niet is verjaard. De curator heeft [geïntimeerde 1] immers op 20 november 2019 gedagvaard. Het beroep van [geïntimeerde 1] op verjaring wordt dus verworpen.\n\nHet beroep op decharge\n\n3.8.. \n [geïntimeerde 1] heeft zich tevens beroepen op de decharge die hem is verleend in een buitengewone aandeelhoudersvergadering. In eerste aanleg heeft hij de notulen van die die vergadering, van 22 februari 2010, overgelegd. De curator heeft aangevoerd dat de decharge niet voldoet aan de statutaire eisen en gewezen op artikel 17.3 van de statuten van [naam] waarin staat dat vaststelling van de jaarrekening door de algemene vergadering van aandeelhouders strekt tot decharge van haar bestuur (tenzij de algemene vergadering daarvoor een voorbehoud maakt). Hij wijst erop dat de jaarstukken 2008 en 2009 pas na de decharge zijn opgesteld, respectievelijk op 19 augustus 2011 en 21 november 2011.\n\n3.9.. Artikel 2:210 lid 3 BW bepaalt (en bepaalde ook al ten tijde van de vaststelling van de jaarrekeningen 2008 en 2009) dwingendrechtelijk dat vaststelling van de jaarrekening niet tot kwijting aan een bestuurder strekt. Decharge moet afzonderlijk worden geagendeerd. Anders dan de curator aanvoert hoeft een dechargebesluit dat bij het defungeren van een bestuurder voorziet in een finale decharge niet te wachten op de vaststelling van de eerstvolgende jaarrekening.\n\n3.10.. De volgende vraag is of [geïntimeerde 1] zich met succes kan beroepen op de hem verleende decharge. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. [geïntimeerde 1] wordt in het onderhavige geval aangesproken in verband met handelingen van de aandeelhouder waarmee deze op grond van door [geïntimeerde 1] verstrekte volmachten over het gehele vermogen van [naam] heeft beschikt en waarop [geïntimeerde 1] geen zicht heeft gehad maar wel had moeten houden. Dit heeft tot gevolg gehad dat een onverhaalbare fiscale schuld is ontstaan. De benadeling van de fiscus weegt te meer zwaar nu [naam] een fiscaal vehikel betreft en verder geen banden heeft met Nederland. Onder deze omstandigheden is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde 1] zich beroept op een hem door diezelfde aandeelhouder verleende decharge. Dit beroep wordt dus verworpen.\n\nDe schade\n\n3.11.. Nu de formele verweren van [geïntimeerde 1] tegen de vordering op grond van artikel 2:9 BW worden verworpen, dient te worden bepaald welke schade kan worden toegerekend aan het handelen van [geïntimeerde 1] in strijd met genoemd artikel en of er gronden zijn voor matiging daarvan.\n\n3.12.. In het tussenarrest van 1 april 2025 heeft het hof met betrekking tot het ernstige verwijt dat [geïntimeerde 1] kan worden gemaakt overwogen dat dat is gelegen in het volledig loslaten van zijn bestuurlijke taken en verantwoordelijkheden. Meer in het bijzonder heeft hof geoordeeld dat [geïntimeerde 1] zich rekenschap had moeten geven van de fiscale verplichtingen die voor [naam] konden ontstaan op grond van feiten die zich tijdens zijn bestuurderschap voordeden. Meer concreet gaat het dan om de aanslag Vpb 2009 die verband houdt met de rente die moest worden betaald over de aan de vennootschappen te Belize verstrekte geldleningen.\n\n3.13.. \n [geïntimeerde 1] heeft in zijn memorie na tussenarrest betoogd dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het bedrag van deze aanslag. Voor zover hij daarmee de grond voor aansprakelijkheid zelf betwist, is dit te laat omdat het hof hierover al bindend heeft beslist. Gebondenheid aan de beslissing zou uitzondering kunnen leiden als sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag, als de beslissing berust op een, niet aan [geïntimeerde 1] toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag of als gebondenheid aan de beslissing anderszins onaanvaardbaar zou zijn.\n\n3.14.. \n [geïntimeerde 1] heeft, verspreid over de memorie, kort gezegd het volgende aangevoerd. Itera financierde de activiteiten van de Iteragroep met betrekking tot de Siberische olie- en gasbelangen in concernverband. Wat in de dagvaarding is gesteld is incompleet, misleidend en onvolledig. Uit niets is gebleken dat de verhanging na 28 maart 2008 gepaard is gegaan met feitelijke betaling, er was sprake van verhanging binnen de groep met schuldvernieuwing, Dit geldt ook voor de Belize-betalingen. Aannemelijk is dat de betaling van de leningen door de Itera-groep is gedaan. Na de eventuele betalingen aan Belize was er nog een aanzienlijk saldo op de rekening van [naam] , Niet uit te sluiten is dat er ook nog van andere vorderingen van [naam] op Itera sprake was. Ook de saldi op de Cypriotische [naam] rekeningen waren van Itera afkomstig. De curator heeft een en ander niet onderzocht en [geïntimeerde 1] beschikt niet over een dossier. Aannemelijk is dat de betalingen aan de Belize-vennootschappen niet alleen door de moeder zijn geïnstrueerd maar ook van haar afkomstig waren\u002Fdoor haar waren gefinancierd. Dat betekent dat het vermogen van [naam] niet verwijtbaar is aangetast of weggemaakt en niet was te verwachten dat niet aan de fiscale verplichtingen kon worden voldaan. [geïntimeerde 1] heeft telkens de aanwezigheid van investeringen respectievelijk gunstige\u002Fonbelaste constructies meegewogen. Er was destijds geen uitzicht op een harde fiscale vordering. [geïntimeerde 1] mocht op een correcte bedrijfsvoering door Itera in het belang van haar dochtervennootschappen afgaan. Hem ontbrak het totaaloverzicht zoals later zichtbaar is geworden. Als het verkapt dividend was moet het ervoor worden gehouden dat er dividendvrijstelling was, [geïntimeerde 1] gaf voor de leningen ook slechts een voorwaardelijke volmacht voor een jaar. Bovendien waren [naam] en de Iteragroep financieel en juridisch één. [geïntimeerde 1] had slechts beperkte taken\u002Fbevoegdheden. Alles past binnen de werkwijze van een trustverband en [geïntimeerde 1] ging uit van een grote en gegoede partij. De voordelige taxroute wordt vele duizenden keren per jaar toegepast en heeft zijn eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. De gekozen constructie was onmogelijk voorzienbaar voor [geïntimeerde 1] . Na de verhanging eiste [geïntimeerde 1] meer betrokkenheid en inzicht. Dat de aandeelhouders daar niet op in wensten te gaan is niet aan hem verwijtbaar, Itera stond [geïntimeerde 1] geen zeggenschap toe. Zijn enige dwangmiddel was opschorting van zijn werkzaamheden en aankondiging van zijn ontslag. Dit ontslag is pas veel later geeffectueerd, maar per eind mei 2008 verrichtte hij geen bestuursdaden meer. Het is in ieder geval niet redelijk hem aansprakelijk te houden voor de interregnum periode. Het ging bij Itera om een serieuze, internationaal opererende onderneming met een eigen juridische afdeling en een grote groep deskundige adviseurs. Er was dus sprake van serieuze bedrijfsvoering en [naam] had bovendien een vordering op Itera die in ieder geval voor een deel uit de doorlening ontstond. De instemmingen en volmachten zijn niet als onrechtmatig of onzorgvuldig te beschouwen en ook de voorwaardelijke toestemming om geldleningen tot USD 200 miljoen binnen de groep van aandeelhouders te verstrekken was niet ongebruikelijk of onrechtmatig gezien het concernverband en het feit dat alle geldmiddelen door Itera waren gefourneerd en alles in rekening-courant werd geregistreerd. [geïntimeerde 1] had geen vrijheid van handelen.\n\n3.15.. Dit betoog, dat deels eerder is gevoerd en deels eerder had kunnen worden gevoerd, geeft het hof geen aanleiding terug te komen van zijn beslissing over de aansprakelijkheid. Het hof merkt hierover nog het volgende op. Het verwijt aan [geïntimeerde 1] is niet dat hij zich inhoudelijk had moeten bemoeien met de bedrijfsvoering of zelfstandig maatregelen had moeten treffen. Naar zijn stelling fungeerde [geïntimeerde 1] als een trustbestuurder en werden alle belangrijke beslissingen aangaande [naam] door de aandeelhouder genomen. Dit ontslaat hem echter niet van zijn verantwoordelijkheden en verplichtingen als bestuurder van [naam] . [geïntimeerde 1] wordt in deze zaak met name verweten dat hij alle controle over en elk zicht op (het vermogen van) [naam] heeft losgelaten. Daarbij heeft hij zich bij de stukken die hij als bestuurder tekende geen rekenschap gegeven van de belangen van de vennootschap, en in dit geval van de verplichtingen die voor de vennootschap jegens de fiscus konden ontstaan. Bij het tekenen van de volmacht waarmee het hele vermogen van [naam] zou kunnen worden uitgeleend, had hij bij de aandeelhouder daarvoor aandacht moeten vragen en als dat niet tot resultaat leidde daaraan consequenties moeten verbinden. Als, zoals hij stelt, deze aandeelhouder hem nooit in staat zou hebben gesteld die verantwoordelijkheid als bestuurder te dragen (waarbij overigens niet blijkt dat hij daarom heeft gevraagd), had hem dat eens te meer te denken moeten geven. [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij uitging van intercompany leningen, maar, wat hier verder van zij, onduidelijk is waar hij dit op baseert. De volmacht is daartoe niet beperkt (deze ziet op leningen `to any legal entity`) en de stukken die zich in het dossier bevinden (de leningovereenkomsten en het debiteurenonderzoek, producties 9 tot en met 11 respectievelijk 34b bij de inleidende dagvaarding) ondersteunen dat niet. De leningen zijn verstrekt aan vennootschappen in Belize. In de fiscale procedure heeft [naam] betoogd dat het niet om intercompany leningen ging. [geïntimeerde 1] heeft ook geen zicht gehouden op wat er met de door hem verstrekte volmachten gebeurde, noch voor wat betreft de leningen noch voor wat betreft het bedrag van € 14 miljoen advisory fee.\n\n3.16.. Een deel van het betoog van [geïntimeerde 1] is echter ook van belang voor de vraag naar de omvang van de aan zijn handelen toe te rekenen schade.\n\n3.17.. De argumenten die [geïntimeerde 1] aanvoert laten zich als volgt samenvatten:\n\n [geïntimeerde 1] is niet betrokken geweest bij de fiscale procedure en hoeft de uitspraak met betrekking tot de Vpb 2009 niet tegen zich te laten gelden. De handhaving van de aanslag is alleen het gevolg van het feit dat [naam] destijds niet aan haar bewijslast kon voldoen, De vpb is materieel niet verschuldigd. Vast staat immers dat de leningen nooit zijn terugbetaald en dat nooit rente is betaald. Er was dus geen te belasten winst. Er is geen sprake van benadeling van de Nederlandse fiscus bij niet betaling van de aanslag, maar een onterecht voordeel bij wel betaling. Er is een bate belast die niet bestaat. Art. 32 Invorderingswet 1990 bepaalt voorts dat de belastingrente vervalt als de aanslag niet verschuldigd is. Voor die rente is [geïntimeerde 1] sowieso niet aansprakelijk.\n\nDe beslissing in de fiscale procedure was uitsluitend gebaseerd op het niet kunnen leveren van bewijs van de waardevermindering. Andere relevante aspecten, zoals op welke wijze de inbreng van de Siberische deelnames bij de [bank] hadden plaatsgevonden of waren gewaardeerd, zijn ten onrechte niet in de fiscale procedures niet aan de orde geweest. De uitkomst is van grote invloed op de werkelijke omvang van de schuldverhoudingen. Een lagere schuldverhouding dient te leiden tot lagere fictieve rente-inkomsten. De jaarcijfers 2009 zijn opgesteld door de opvolgende bestuurder en geven geen getrouw beeld.\n\nTen tijde van de opschorting door [geïntimeerde 1] van zijn functioneren eind mei 2008 evenals ten tijde van zijn uitschrijving uit de Kamer van Koophandel in februari 2010 beschikte [naam] over voldoende middelen om een aanslag over 2009 te voldoen, waarbij geldt dat [naam] een aanzienlijke vordering op haar aandeelhouders had op grond van de onder haar verantwoordelijkheid genomen beslissingen over de doorlening aan de Belize-vennootschappen.\n\nDe leningen mochten op grond van de door [geïntimeerde 1] verstrekte voorwaardelijke volmacht slechts voor maximaal een jaar worden verstrekt. Deze door [geïntimeerde 1] opgelegde beperking was destijds de enige mogelijkheid – naast het opschorten van zijn werkzaamheden in de zomer van 2008 – om enige invloed uit te oefenen, gegeven het geldende strakke concernregime en zijn beperkte bestuursmogelijkheden.\n\n3.18.. Ad a. Niet ter discussie staat dat [geïntimeerde 1] niet betrokken is geweest bij de fiscale procedure. Dit brengt mee dat de hoogte van de schade niet zonder meer kan worden bepaald door de aanslag en dat het hof de juistheid van deze aanslag zelfstandig moet toetsen (vgl. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686 en HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1188). Het gaat daarbij niet om een marginale toetsing – wat de curator betoogt – maar om een volledige toets.\n\n3.19.. Anders dan [geïntimeerde 1] aanvoert kan de constatering dat inmiddelsis gebleken dat de leningen nooit zijn terugbetaald en dat nooit rente is betaald, er niet toe leiden dat de belastingschuld over 2009 wordt verlaagd. Voor het vaststellen van de winst van 2009 gaat het om de werkelijke waarde van de hoofdsom en rentevorderingenop de balansdatum 2009. Gelet op zijn stelling is het aan [geïntimeerde 1] om aannemelijk te maken dat die toen minder bedroegen dan nominaal.\n\n3.20.. In de fiscale procedure heeft [naam] zich op het standpunt gesteld dat dat het geval was. Deze stelling is in die procedure onderzocht en de slotsom was dat er toen nog geen grond was voor afwaardering. [geïntimeerde 1] heeft geen aanwijzingen vertrekt dat dit onjuist was. Integendeel, [geïntimeerde 1] heeft in het kader van deze procedure aangevoerd dat het ging om intercompany leningen (zie hiervoor onder 3.15) en juist opgeworpen dat hij er om die reden destijds vanuit mocht gaan dat aan de verplichtingen zou worden voldaan. Nu ervan moet worden uitgegaan dat er op de balansdatum 2009 nog onvoldoende grond was voor afwaardering van de leningen, valt niet in te zien dat de overeengekomen rente niet als belastbare bate kon worden aangemerkt.\n\n3.21.. Ad b. Dit betoog van [geïntimeerde 1] is te weinig nader uitgewerkt om verder onderzoek te rechtvaardigen. De curator heeft in eerste aanleg een groot aantal stukken overgelegd, waaronder stukken met betrekking tot de gang van zaken bij [naam] vlak voor en tijdens de periode van het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] . Daarbij bevinden zich ook stukken met betrekking tot de verpanding van de aandelen INGA en Trans-Oil aan [bank] en de beëindiging daarvan op 2 januari 2007. [geïntimeerde 1] heeft bij conclusie van antwoord deze stukken ook genoemd en heeft ook de in het kader daarvan begrote waarde van de aandelen vermeld. [geïntimeerde 1] heeft niet uitgelegd op welke wijze dit invloed zou hebben op de hoogte van de aanslag vpb 2009. Vastgesteld is (door zowel rechtbank als hof en onderschreven door [geïntimeerde 1] , memorie van antwoord 2.8, 2.9, 2.11 en 2.12) dat [naam] op 28 maart 2008 de aandelen Inga en Trans-Oil voor USD 200.407.033,- heeft verkocht en geleverd en dat met de door [geïntimeerde 1] op 14 mei 2008 verstrekte volmacht kort daarna door [naam] tot een bedrag van USD 186 miljoen rentedragende leningen zijn verstrekt (en de daarmee gemoeide bedragen zijn overgemaakt) aan drie vennootschappen in Belize. Dit laatste ligt aan de basis van de aanslag vpb 2009. [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij niet over alle stukken beschikt en dat de curator ‘alle relevante stukken’ moet overleggen. Van [geïntimeerde 1] had in dit stadium van de procedure minstgenomen kunnen worden verwacht dat hij had gespecificeerd om welke stukken het in dit verband gaat en wat concreet de relevantie is voor de beoordeling van de aanslag vpb 2009. [geïntimeerde 1] heeft tal van feiten en omstandigheden genoemd waarvan in zijn visie mogelijk sprake zou kunnen zijn geweest, maar dat is te vaag om thans een verplichting tot overlegging van meer stukken op te baseren dan al in de procedure zijn overgelegd.\n\n3.22.. Ad c. De curator heeft stukken overgelegd (producties I en II bij zijn memorie na tussenarrest, waaruit volgt dat het saldo van de bankrekeningen van [naam] ten tijde van het aftreden van [geïntimeerde 1] (omgerekend) € 41.945,- bedroeg. Als al juist is dat [geïntimeerde 1] al voor de datum van zijn formele defungeren zijn werkzaamheden had opgeschort, betekent dat niet dat dan van de datum van die opschorting in plaats van de datum van aftreden in februari 2010 moet worden uitgegaan. Immers, daarmee is hij niet van zijn bestuurdersverantwoordelijkheden ontslagen. Dat de door de curator met betrekking tot februari 2010 verstrekte gegevens niet kloppen, is niet nader geconcretiseerd. Van voldoende saldo voor het voldoen van de fiscale schuld was dus geen sprake. Waarom [naam] in februari 2010 een vordering zou hebben op haar aandeelhouders die zou kunnen dienen als voldoende zekerheid voor die schuld, valt zonder nadere toelichting niet in te zien.\n\n3.23.. Ad d. Dit betoog gaat niet op, reeds vanwege het feit dat [geïntimeerde 1] de mogelijkheid had de volmacht, waarmee over het hele vermogen kon worden beschikt, pas te verstrekken wanneer voldoende zeker zou zijn gesteld dat te vennootschap aan de op grond daarvan te verwachten fiscale verplichtingen zou kunnen voldoen.\n\n3.24.. Slotsom van het vorenstaande is dat [geïntimeerde 1] naar het oordeel van het hof in beginsel aansprakelijk kan worden gehouden voor het bedrag van de aanslag vpb 2009. De heffingsrente is het gevolg van het niet kunnen voldoen van de aanslag en daarmee ook in beginsel als schade toerekenbaar. Het gaat dus om het totaalbedrag van € 621.495,- zoals de curator meer subsidiair vordert. De curator heeft in het petitum van zijn memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis geen rente over dit bedrag gevorderd. Dat hij dit in zijn laatste memorie alsnog heeft gedaan, is te laat.\n\n3.25.. Hoewel het hof van oordeel is dat [geïntimeerde 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt bij zijn bestuurlijk handelen en hij op de voet van artikel 2:9 BW aansprakelijk is jegens [naam] , neemt dit niet weg dat er gronden kunnen zijn de schade op de voet van artikel 6:109 lid 1 BW te matigen (vgl. recent HR 5 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1384).\n\n3.26.. In het onderhavige geval zijn er gronden voor matiging. Daarbij staat als belangrijk uitgangspunt voorop dat er geen enkele aanwijzing is van opzettelijk handelen van [geïntimeerde 1] of van handelen waarbij hij zelf gebaat is geweest. Verder spelen de volgende factoren een rol.\n\n3.27.. \n [geïntimeerde 1] ontving voor zijn werkzaamheden slechts een beperkte beloning van € 4.000,- per jaar. In de managementovereenkomst is een bepaling opgenomen met betrekking tot een vergoeding voor extra werkzaamheden van € 250,- per uur exclusief btw en 7,5% kantoorkosten, maar nergens blijkt uit dat hiervan (meer dan mogelijk incidenteel) sprake is geweest. Deze bedragen staan in schril contrast met de enorme bedragen waarmee [geïntimeerde 1] in het kader van zijn overeenkomst te maken heeft gehad en die nu aan de basis staan van het schadebedrag. Naar valt aan te nemen moet de schade uit het privé-vermogen van [geïntimeerde 1] worden voldaan. [geïntimeerde 1] heeft gemotiveerd aangevoerd dat er geen verzekeringsdekking is en hiervoor bestaat ook geen aanwijzing.\n\n3.28.. \n [geïntimeerde 1] is inmiddels 75 jaar. De relevante gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in 2008 en [geïntimeerde 1] is al sinds 2010 geen bestuurder meer van [naam] , De procedure is pas in november 2019 aangevangen en heeft ongetwijfeld een grote belasting gevormd voor [geïntimeerde 1] . In het voorgaande is geoordeeld dat het beroep van [geïntimeerde 1] op verjaring en decharge geen doel treft, maar dit neemt niet weg dat [geïntimeerde 1] voor zijn gevoel onverhoeds zal zijn geconfronteerd met een vordering uit het verleden en dat hij daarover, tot ver na de pensioengerechtigde leeftijd, in onzekerheid heeft moeten verkeren.\n\n3.29.. In het licht van het vorenstaande acht het hof toewijzing van het volledige schadebedrag tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leiden, ook wanneer daarbij de – op zichzelf zwaarwegende – belangen van de boedel en mogelijk nog van de fiscus als enige crediteur van [naam] in aanmerking worden genomen. Het hof acht in het onderhavige geval een aanzienlijke matiging op zijn plaats, te weten tot een bedrag van € 100.000,- met wettelijke rente vanaf heden. Het hof ziet voorts aanleiding de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nSlotsom\n\n3.30.. \n\nZoals hiervoor al is overwogen zal het vonnis waarvan beroep in de zaak tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] worden bekrachtigd. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.\n\nDeze kosten worden als volgt vastgesteld:\n\n- griffierecht € 5.610,-\n\n- salaris advocaat € 9.262,- (tarief VIII, 2 punten)\n\ntotaal € 14.872,-\n\nOok de gevorderde nakosten en wettelijke rente zullen worden toegewezen.\n\n3.31.. In de zaak tegen [geïntimeerde 1] heeft het slagen van de grieven II tot en met IX voor zover betrekking hebbend op de vordering ex artikel 2:9 BW tot gevolg dat het bestreden zal vonnis worden vernietigd en de vordering van de curator zal worden toegewezen tot een bedrag van € 100.000,-, met wettelijke rente vanaf heden. Nu partijen in deze zaak over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.\n\n4. Beslissing\n\nHet hof:\n\nIn de zaak tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2]\n\nbekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen de curator enerzijds en [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] anderzijds;\n\nveroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] vastgesteld op € 14.872,- en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;\n\nIn de zaak tegen [geïntimeerde 1]\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen de curator enerzijds en [geïntimeerde 1] anderzijds en, opnieuw rechtdoende,\n\nveroordeelt [geïntimeerde 1] om aan de curator te betalen het bedrag van € 100.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot de dag van betaling;\n\ncompenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat beide partijen de eigen kosten dragen;\n\nwijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, J.M. van den Berg en J.G. Sijmons, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1520","2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.870Z",24,20,[11,215,216],2025,1915]