[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-local-taxes-nl-2024":3},{"detail":4,"years":74},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":73},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},152,"local-taxes-nl","Local Taxes","NL","2026-07-08T17:00:05.844Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1604","ECLI:NL:RBROT:2024:9837","ecli-nl-rbrot-2024-9837","",61,"2024-10-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 23\u002F2712\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [plaats] , eiser,\n\ngemachtigde: mr. A. Bakker,\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,\n\ngemachtigde: mr. R.P.M.M. Mols.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van 8 maart 2023.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] (de woning) per 1 januari 2021 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 339.000,- (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [plaats] voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslag).\n\n1.2.. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de WOZ-waarde gehandhaafd.\n\n1.3.. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eiser heeft nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Namens de heffingsambtenaar is ook [taxateur] verschenen.\n\nFeiten\n\n2. Eiser is eigenaar van de woning, een twee-onder-één-kapwoning uit het jaar 1981. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 131 m² en een perceeloppervlakte van 250 m². De woning heeft een garage.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde van de woning per 1 januari 2021 niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHeeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?\n\n4. Eiser betoogt dat de waarde van de woning ten hoogste € 268.000,- bedraagt. De heffingsambtenaar heeft slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat met eventuele verschillen tussen de woning en niet met name genoemde vergelijkingsobjecten rekening zou zijn gehouden. Eiser bestrijdt dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Eiser bestrijdt bij gebrek aan wetenschap dat de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten juist zijn. De heffingsambtenaar heeft niet duidelijk aangegeven welk deel van het perceel onder de vrijstelling voor waterverdedigingswerken valt. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de slechte ligging van de woning nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser een WOZ-deskundigenrapport van 19 juli 2024 en overzichten van ‘De Juiste Waarde B.V.’ overgelegd. Ook heeft eiser informatie van Vastgoedpro (prijsontwikkeling woningen) overgelegd. De heffingsambtenaar heeft volgens eiser geen rekening gehouden met het achterstallig onderhoud en de minder goede voorzieningen van de woning.\n\n5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit het door verweerder overgelegde taxatierapport blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De vergelijkingsobjecten ( [vergelijkingsobject 1] , [vergelijkingsobject 2] , [vergelijkingsobject 3] , [vergelijkingsobject 4] en [vergelijkingsobject 5] ) zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type en gebruiksoppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten is hoger dan de vierkantemeterprijs van de woning.\n\n7. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Met de matrix heeft de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten zijn verdisconteerd. In de matrix heeft de heffingsambtenaar de waarde van de objectonderdelen vermeld. Het besluit is terzake voldoende gemotiveerd. Eiser heeft de juistheid van die objectkenmerken niet (gemotiveerd) betwist.\n\n7.1. Op de zitting heeft eiser verklaard dat de ligging van de woning aan of op een waterverdedigingswerk en nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen geen punten van geschil meer zijn. De rechtbank zal deze stellingen (en in combinatie daarmee het beroep op het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel) daarom verder niet bespreken. Eiser heeft zijn stelling dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, uitsluitend onderbouwd, door te wijzen op het verschil in bouwjaar waardoor met gebruikmaking van andere NEN-normen is gebouwd, hetgeen vooral tot verschil in de mogelijkheid tot energiebesparing leidt. Eiser heeft niet onderbouwd dat verweerder het onderhoudsniveau en het niveau van de voorzieningen van de woning anders had moeten waarderen dan hij heeft gedaan.\n\n7.2. In het door eiser overgelegde WOZ-deskundigenrapport wordt de waarde onderbouwd met verkoopcijfers van woningen die weliswaar een bouwjaar hebben dat meer overeenkomt met dat van de woning, maar die zijn gelegen in een andere wijk. De heffingsambtenaar heeft ter zitting uitgelegd dat de wijk waarin de woning van eiser ligt ( [wijk 1] ) een ander waardeniveau heeft dan de wijk waarin de woningen zijn gelegen waarmee in het door eiser overgelegde taxatierapport wordt vergeleken ( [wijk 2] ). De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de vergelijkingsobjecten in het taxatierapport van eiser daardoor minder goed bruikbaar zijn.\n\n7.3. Tot slot is in de matrix van de heffingsambtenaar sprake van een bandbreedte van € 76.111,- (door het verschil) tussen de vierkantemeterprijs van de woning en de gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten, waarin eventuele nadere verschillen, waaronder die in bouwjaar, geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde van de woning hetzelfde blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, rechter, in aanwezigheid van mr.Y.W. Geerts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2024.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\n Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, blz. 44.\n\n HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n € 2.539 - € 1.958 * 131 = € 76.11.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:9837","2024-10-09T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:29.204Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1881","ECLI:NL:GHARL:2024:4329","ecli-nl-gharl-2024-4329",60,"2024-06-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummer BK-ARN 22\u002F1855\n\nuitspraakdatum: 25 juni 2024\n\nUitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 7 juli 2022, nummer UTR 21\u002F4925, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht(hierna: de heffingsambtenaar)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 6 te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 556.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.\n\n1.2.. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.\n\n1.3.. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord, [naam1] namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] , taxateur.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. De woning is een in 1960 gebouwde twee-onder-een-kapwoning, met een gebruiksoppervlak van 154 m² en een grondkavel van 328 m². Verder beschikt de woning over een garage van 15 m².\n\n2.2.. In het bezwaarschrift en de aanvulling hierop is verzocht om verstrekking van het taxatieverslag, de grondstaffel, de KOUDV- en liggingsfactoren en -correcties, alsmede (de onderbouwing van) de gehanteerde indexering naar de waardepeildatum voor zowel de woning als de gebruikte vergelijkingspanden.\n\n2.3.. De heffingsambtenaar heeft een taxatieverslag beschikbaar gesteld aan belanghebbende. Het taxatieverslag bevat een algemene toelichting op de daarin gehanteerde objectgegevens, waaronder het type woning, de onderdelen, het bouwjaar en de oppervlakte van de woning en van drie vergelijkingsobjecten. Het taxatieverslag bevat voor de woning en de gehanteerde vergelijkingsobjecten tevens een oordeel over de secundaire objectkernmerken, uitgedrukt in ‘onderhoud’ en ‘voorzieningen’.\n\n2.4.. Aanvullend op het voornoemde taxatieverslag heeft de heffingsambtenaar bij e-mail van 26 mei 2021 een grondstaffel en bij e-mail van 13 september 2021 het voor het objecttype en waardegebied van de woning gemiddelde indexeringspercentage verstrekt.\n\n2.5.. In het beroepschrift in eerste aanleg voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar niet aan zijn toezendplicht heeft voldaan en dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld.\n\n2.6.. De Rechtbank heeft overwogen dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde met de taxatiematrix gebrekkig heeft onderbouwd, omdat de kadastrale informatie van de marktgegevens, die ten grondslag liggen aan het indexeringspercentage in die taxatiematrix, niet is overgelegd. Hiermee is het indexeringspercentage oncontroleerbaar, aldus de Rechtbank. Volgens de Rechtbank tast dit evenwel niet de aannemelijkheid van de WOZ-waarde aan, aangezien de gebruikte vergelijkingsobjecten – met uitzondering van de [adres1] 11 en 33, die de Rechtbank buiten beschouwing laat – zonder indexering al de vastgestelde waarde onderbouwen. Het beroep is daarop ongegrond verklaard. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding heeft de Rechtbank geen aanleiding gezien.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In hoger beroep is in geschil of de waarde van de woning per de waardepeildatum te hoog is vastgesteld.\n\n3.2.. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en bepleit een waarde van € 530.000. De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend.\n\n3.3.. Verder is in geschil of de heffingsambtenaar de toezendplicht van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden door niet de onderbouwende (markt)gegevens te verstrekken aan de hand waarvan de gehanteerde indexeringspercentages zijn bepaald en, zo ja, of dit moet leiden tot het toekennen van een proceskostenvergoeding.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nDe vastgestelde waarde4.1.. De waarde als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever \"de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding\".Bij de beoordeling van de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak gelden de normale regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast.Dit houdt in dat de rechter ten aanzien van de door een partij aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen in hoeverre die zijn bestreden en, zo ja, in hoeverre die door deze partij aannemelijk zijn gemaakt, met inachtneming van al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd.De bewijslast met betrekking tot deze waarde rust op de heffingsambtenaar. Slechts indien de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of de belanghebbende de (eventueel) door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter zelf tot een vaststelling in goede justitie van de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.\n\n4.2.. In hoger beroep bepleit belanghebbende voor de woning een lagere waarde. In dat geval rust op de heffingsambtenaar de last feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is.\n\n4.3.. Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op een taxatiematrix van 20 januari 2022, opgesteld door [naam4] , taxateur. Hierin is de waarde van de woning op € 556.000 getaxeerd aan de hand van verkoopcijfers van vijf woningen die omstreeks de waardepeildatum zijn verkocht, alle aan de [adres1] gelegen twee-onder-een-kapwoningen.\n\n4.4.. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de daarop gegeven toelichting aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning per de waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld. Het Hof is met partijen van oordeel dat de [adres1] 11 en 14 gezien de vergelijkbare bouwperiode en uitstraling het meest geschikt zijn om als vergelijkingsobject te dienen. Uit de verkoopcijfers van die vergelijkingsobjecten zijn in de taxatiematrix woningwaarden herleid van € 2.688\u002Fm2 voor [adres1] 11 en € 2.936\u002Fm2 voor [adres1] 14, terwijl voor de woning wordt uitgegaan van een woningwaarde van € 2.360\u002Fm2.\n\n4.5.. Naar het oordeel van het Hof komt uit het door belanghebbende verstrekte fotomateriaal van de woning niet voren dat moet worden uitgegaan van lagere kwalificaties van de onderhoudstoestand en het voorzieningenniveau dan waarvan de taxateur is uitgegaan (‘matig’ respectievelijk ‘eenvoudig\u002Fverouderd’). Ook overigens ziet het Hof daarvoor geen aanleiding.\n\n4.6.. De hogere woningwaarde van [adres1] 14 wordt verklaard door een bovengemiddelde staat van onderhoud en een wat hoger voorzieningenniveau. Die bovengemiddelde kwalificaties komen voldoende naar voren uit de overgelegde verkoopdocumentatie van dat vergelijkingsobject.\n\n4.7.. Wat betreft [adres1] 11 heeft de taxateur ter zitting (onweersproken) gesteld dat de gebruiksoppervlak 121 m2 bedraagt, zodat de woningwaarde per m2 in feite nog hoger ligt. Verder heeft de taxateur ter zitting verklaard dat de onderhoudstoestand van dat vergelijkingsobject inderdaad wat beter is (tussen matig en voldoende), maar dat met name de onderhoudstoestand aan de binnenzijde minder dan gemiddeld is. Anders dan belanghebbende betoogt, vormt de aanwezigheid van zonnepanelen op het dak van de garage geen indicatie dat de onderhoudstoestand als geheel als ‘voldoende’ of beter moet worden gekwalificeerd. In de verkoopdocumentatie van dit object ziet het Hof daarvoor evenmin aanknopingspunten. De wat betere onderhoudstoestand van [adres1] 11 komt voldoende tot uitdrukking in een hogere woningwaarde.\n\n4.8.. Aldus heeft de taxateur bij de herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopcijfers van [adres1] 11 en [adres1] 14 voldoende rekening gehouden met de onderlinge verschillen. De taxatiematrix biedt daarmee steun aan de door de heffingsambtenaar verdedigde waarde.\n\n4.9.. Belanghebbende heeft weliswaar terecht gewezen op diverse gebreken in de taxatiematrix, maar dat betreft vooral de vergelijkingsobjecten die – ook in de optiek van belanghebbende – minder goed vergelijkbaar zijn met de woning. Mede om die reden heeft het Hof zich gericht op de vergelijkingsobjecten [adres1] 11 en [adres1] 14.\n\nSchending toezendplicht4.10.. Volgens belanghebbende levert het niet verstrekken van de onderbouwende (markt)gegevens aan de hand waarvan de gehanteerde indexeringspercentages zijn bepaald een schending op van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, welke schending tot een proceskostenvergoeding dient te leiden. Steun hiervoor vindt belanghebbende in de uitspraak van de Rechtbank, waarin zijn betoog in de kern wordt onderschreven en ook wordt geconcludeerd tot een gebrekkige onderbouwing van de WOZ-waarde. De Rechtbank heeft hier ten onrechte geen conclusies aan verbonden in de vorm van een proceskostenvergoeding, aldus belanghebbende.\n\n4.11.. De heffingsambtenaar stelt dat de onderbouwing van de indexeringspercentages berust op voor belanghebbende beschikbare informatie, namelijk openbare (markt)gegevens van objecten in de gemeente.\n\n4.12.. Het Hof overweegt als volgt. Op de gronden die zijn vermeld in de uitspraak van het Hof van 23 april 2024 vallen de indexeringspercentages en de onderbouwingen daarvan niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, zodat de heffingsambtenaar niet verplicht is om deze gegevens aan belanghebbende te verstrekken.Van een schending van de toezendplicht is daarom geen sprake. Dit brengt met zich dat de hogerberoepsgrond van belanghebbende ten aanzien van deze onderbouwende (markt)gegevens niet slaagt.\n\n4.13.. Nu naar oordeel van het Hof geen sprake is van een schending van de in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ opgenomen toezendplicht, bestaat ook geen aanleiding om op die grond een proceskostenvergoeding toe te kennen. Ook overigens ziet het Hof daarvoor geen aanleiding. Het Hof merkt daarbij op dat de Rechtbank met de gebrekkige onderbouwing doelt op de taxatiematrix die in de beroepsfase is overgelegd ter onderbouwing van de vastgestelde waarde. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft dat gebrek niet afgedaan aan de bewijskracht van de taxatiematrix dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, heeft de Rechtbank zich dus in zoverre niet uitgelaten over een schending van de toezendplicht als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ of een ander gebrek in de bezwaarfase.\n\nSlotsom\n\nOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\nHet Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nJ. Hollander V.F.R. Woeltjes\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 27 juni 2024.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, blz. 44.\n\n Hoge Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571.\n\n Hoge Raad 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, r.o. 3.2.\n\n Hoge Raad 14 oktober 2005, nr. 40.299, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2837, r.o. 4.14.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:4329","2024-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:43.571Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"1369","ECLI:NL:GHSHE:2024:699","ecli-nl-ghshe-2024-699",72,"2024-03-06T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 22\u002F00148\n\nTussenuitspraak als bedoeld in hoofdstuk V, afdeling 2a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 december 2021, nummer SHE 19\u002F3481, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Vught,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de woning) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2019 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en vervolgens met dagtekening 14 september 2022 een aanvulling op het verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 1 juni 2023 in ’sHertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [taxateur] (de taxateur) en [heffingsambtenaar] .\n\n1.6.. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en\u002Fof stukken in te zenden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan.\n\n1.7.. De enkelvoudige kamer van het hof heeft vervolgens bepaald dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling. Tevens heeft de meervoudige kamer vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord.\n\n1.8.. Het hof heeft vervolgens besloten tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.\n\n1.9.. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om de Hoge Raad prejudiciële vragen voor te leggen alsmede over de inhoud van die vragen. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 15 februari 2024. De heffingsambtenaar heeft gereageerd bij brief van 19 februari 2024.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een rijwoning met bouwjaar 1936. De woning is gelegen in [woonplaats] en heeft een inhoud van 338 m3 en beschikt over twee aanbouwen van gezamenlijk 34 m3, een vrijstaande berging van 35 m3 en een dakkapel. Het perceel heeft een oppervlakte van 143 m2.\n\n2.2.. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2018 bij beschikking van 28 februari 2019 vastgesteld op € 253.000.\n\n2.3.. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van zijn standpunt bij brief van 14 september 2022 een taxatierapport overgelegd, opgesteld door [taxateur] (hierna: de taxateur). In het taxatierapport worden de volgende referentiepanden opgenomen, alle gelegen in [woonplaats] :\n\nReferentiepand\n\nVerkoopdatum\n\nVerkoopprijs\n\n [adres 2]\n\n16-09-2019\n\n€ 289.500\n\n [adres 3]\n\n03-04-2017\n\n€ 312.500\n\n [adres 4]\n\n02-11-2018\n\n€ 325.000\n\n [adres 5]\n\n03-07-2017\n\n€ 333.000\n\n [adres 6]\n\n24-08-2017 en 16-07-2018\n\n€ 237.500 en € 359.000\n\n [adres 7]\n\n15-07-2018\n\n€ 347.500\n\nTer zitting bij de rechtbank en bij het hof heeft de heffingsambtenaar referentieobject [adres 2] uit de vergelijking gehaald gelet op de transactiedatum. [adres 6] is tweemaal gebruikt voor de onderbouwing van de waarde, omdat een transactiecijfer van zowel in 2017 als in 2018 beschikbaar is. Bij het taxatierapport is een matrix gevoegd, waarin de vastgestelde WOZ-waarde wordt herleid uit bovenstaande verkopen.\n\n2.4.. In de bezwaarfase heeft de heffingsambtenaar stukken ter inzage gelegd. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van zijn inzagerecht. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase verzocht om de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren. De heffingsambtenaar heeft de grondstaffel pas in hoger beroep verstrekt. De heffingsambtenaar heeft geen gebruik gemaakt van de KOUDV- en liggingsfactoren.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft de heffingsambtenaar de indexering van de verkoopcijfers voldoende inzichtelijk gemaakt?\n\nIs de WOZ-waarde naar een te hoog bedrag vastgesteld?\n\nHeeft de heffingsambtenaar artikel 40 Wet WOZ geschonden en wat zijn de gevolgen voor de proceskostenvergoeding?\n\nHeeft belanghebbende recht op een vergoeding voor immateriële schade en zo ja, voor welk bedrag?\n\nIndien belanghebbende uitsluitend ten aanzien van vraag iv in het gelijk wordt gesteld, heeft hij dan recht op vergoeding van het griffierecht?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de WOZ-waarde tot € 223.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. In verband met de hierna te stellen prejudiciële vragen beperkt het hof deze tussenuitspraak tot de in geschil zijnde vragen iv en v, en gaat het hof er – in verband met de beantwoording van vraag v – veronderstellenderwijs vanuit dat de vragen i, ii en iii, in het nadeel van belanghebbende worden beantwoord.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft bij brief van 19 juni 2023 verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft in dat kader aangevoerd dat het bezwaarschrift bij de heffingsambtenaar op 22 maart 2019 is ingekomen en dat de redelijke termijn van vier jaar is overschreden.\n\n4.3.. \n\nDe heffingsambtenaar heeft in reactie daarop gesteld dat:\n\n(i) het niet aannemelijk is dat sprake is van spanning en frustratie bij belanghebbende, omdat – gelet op de werkwijze van zogenoemde no-cure-no-pay-bureaus – moet worden betwijfeld dat belanghebbende op de hoogte is van de procedure;\n\n(ii) er geen sprake is van spanning en frustratie, omdat belanghebbende in de verstrekte machtiging reeds afstand heeft gedaan van een te ontvangen vergoeding ten gunste van gemachtigde;\n\n(iii) de vergoeding voor immateriële schade moet worden gematigd, omdat het financiële belang bij de door belanghebbende verdedigde waardevermindering ver onder de € 500 ligt en slechts € 115,89 bedraagt, bestaande uit vermindering van onroerendezaakbelasting, watersysteemheffing en inkomstenbelasting;\n\n(iv) de vergoeding voor immateriële schade in dit soort geschillen moet worden beperkt tot € 50 per half jaar overschrijding, onder verwijzing naar diverse uitspraken van rechtbanken.\n\n4.4.. Het hof is bekend met de conclusie van de Advocaat-Generaal van 17 november 2023.Het hof onderschrijft de door hem getrokken conclusies, inhoudende dat de vergoeding voor immateriële schade in procedures over de WOZ en de Bpm in beginsel moet worden vastgesteld op € 50 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn, de vergoeding moet worden gemaximeerd op het pleitbare financiële belang bij de procedure en de bagatelgrens fors hoger moet worden gesteld dan € 15.\n\n4.5.. In beginsel ligt het in de rede om de beslissing van de Hoge Raad in de desbetreffende zaak af te wachten. Het hof acht echter de kans zeer wel aanwezig dat de Hoge Raad in die voorliggende zaak zich niet zal uitlaten over deze kwesties, aangezien het voor de beslissing in die zaak niet noodzakelijk is om op het punt van de vergoeding voor immateriële schade in te gaan op de voorstellen van de Advocaat-Generaal. Dit heeft te maken met het feit dat het financiële belang – afgezien van de nevenbeslissingen – slechts € 0,80 bedraagt. In dat geval zal de rechtspraktijk nog lange tijd in onzekerheid verkeren of de door diverse rechtbanken ingezette lijn om over te gaan tot het vergoeden van lagere bedragen bij overschrijding van de redelijke termijn in cassatie stand houdt en ook over de andere vraagpunten waarover de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd komt dan geen duidelijkheid. Om die reden heeft het hof besloten om in de onderhavige zaak prejudiciële vragen te stellen, aangezien deze zaak naar het oordeel van het hof uitermate geschikt is om op korte termijn helderheid te krijgen over de in de rechtspraktijk opgeworpen vraagpunten rond de vergoeding voor immateriële schade.\n\n4.6.. Het hof zal hierna de door de heffingsambtenaar verdedigde standpunten (zie onder 4.3 hiervoor) bespreken en vervolgens de prejudiciële vragen formuleren.\n\n4.7.. De heffingsambtenaar heeft in de eerste plaats gesteld dat moet worden betwijfeld of belanghebbende op de hoogte is van de procedure en dat om die reden geen sprake is van spanning of frustratie. Het hof verwerpt dit standpunt. De heffingsambtenaar heeft slechts gesteld en op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet op de hoogte is van deze procedure. Belanghebbende heeft een machtiging afgegeven voor het voeren van deze procedure. Uitgangspunt is dan ook dat daaruit mag worden afgeleid dat belanghebbende op de hoogte is van het bestaan van deze procedure. Het had op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om zijn stelling nader met bewijs te onderbouwen, bijvoorbeeld door navraag te doen bij belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft dat kennelijk niet gedaan en slechts volstaan met een blote stelling zonder nadere onderbouwing.\n\n4.8.. In de tweede plaats stelt de heffingsambtenaar dat geen sprake is van spanning en frustratie, omdat belanghebbende in de verstrekte machtiging reeds afstand heeft gedaan van een te ontvangen vergoeding ten gunste van de gemachtigde. In de door belanghebbende ondertekende machtiging is slechts het recht op vergoeding van proceskosten overgedragen aan gemachtigde. Over een eventuele vergoeding voor immateriële schade wordt niets gezegd. Het is het hof echter bekend dat gemachtigde algemene voorwaarden hanteert (te vinden op de website van gemachtigde) waarin is bepaald dat gemachtigde het recht heeft om ook andere rechten op schadevergoeding, die voortvloeien uit een handelen en\u002Fof nalaten van het bestuursorgaan dan wel de rechterlijke organisatie, te vorderen en dat de toegekende schadevergoeding in dat geval toekomt aan gemachtigde. Het is het hof niet bekend of deze algemene voorwaarde ook al gold ten tijde van het ondertekenen van de volmacht. Het hof gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat dit het geval is.\n\n4.9.. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 juni 2017 geoordeeld dat aan de toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in de weg staat dat aan de belanghebbende bijstand wordt verleend op basis van ‘no cure no pay’ en dat daaraan evenmin in de weg staat dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding voor immateriële schade aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald.De heffingsambtenaar heeft verwezen naar enkele uitspraken van rechtbanken die in andere zin hebben geoordeeld. Dit roept de vraag op of de ontwikkelingen in de rechtspraktijk en met name de wijze waarop sommige rechtsbijstandverleners opereren, aanleiding vormen om thans tot een ander oordeel te komen. Het hof is – evenals gerechtshof Amsterdam– geneigd die vraag ontkennend te beantwoorden. Om helderheid op dat punt te verkrijgen zal het hof op dit punt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorleggen. Hieraan staat niet in de weg dat inmiddels op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmis bepaald dat betaling van een dergelijke schadevergoeding aan de belanghebbende zelf dient plaats te vinden en dat dergelijke vorderingen tot uitbetaling niet vatbaar zijn voor vervreemding of verpanding. Dit sluit immers niet uit dat partijen afspraken maken over het vervolgens doorbetalen van een dergelijke vergoeding aan de rechtsbijstandverlener.\n\n4.10.. In de derde plaats meent de heffingsambtenaar dat reden voor matiging van de vergoeding voor immateriële schade op zijn plaats is vanwege het geringe financiële belang. De heffingsambtenaar heeft het financiële belang berekend op € 115,89. Belanghebbende heeft dit niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat.\n\n4.10.1.. De Hoge Raad heeft in het arrest van 24 februari 2017geoordeeld dat bij een financieel belang van ten hoogste € 15 kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder toekenning van een schadevergoeding (bagatelgrens). De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie bepleit om de bagatelgrens fors te verhogen. Het hof onderschrijft die visie. Relevant in dat verband is hetgeen de Advocaat-Generaal in onderdeel 8.12 van zijn conclusie opmerkt, dat de door de Hoge Raad gehanteerde bagatelgrens moeilijk te verenigen lijkt met de rechtspraak van de Hoge Raad als boeterechter, op grond waarvan bij een boete van niet meer dan € 1.000 geen matiging plaatsvindt bij overschrijding van de redelijke termijn.Een lijn die onlangs nog is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 19 januari 2024.\n\n4.10.2.. Naast de hierboven vermelde bagatelgrens, wordt door de Advocaat-Generaal geadviseerd om de vergoeding voor immateriële schade te maximeren op het pleitbare financiële belang van de zaak. In de onderhavige zaak bedraagt dat belang € 115,89. Naarmate de bagatelgrens hoger wordt gesteld, zal wellicht minder behoefte bestaan aan een dergelijke maximering. Desalniettemin lijkt niet goed verdedigbaar dat bij een belang van € 115,89 een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van minimaal € 500 wordt toegekend.\n\n4.11.. Ten slotte heeft de heffingsambtenaar verdedigd dat in het geval een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend, deze op € 50 per overschrijding van zes maanden moet worden gesteld overeenkomstig de door hem genoemde uitspraken van diverse rechtbanken. Ook de Advocaat-Generaal adviseert die benadering toe te passen. Het hof onderschrijft ook dat advies. Daaraan doet niet af dat inmiddels via de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm is voorzien in een vergoeding van € 50 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Deze wettelijke bepaling geldt immers pas voor vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn aanvangt na 1 januari 2024.\n\n4.12.. Zoals onder 4.5 hiervóór is opgemerkt acht het hof de kans aanwezig dat de Hoge Raad niet toekomt aan de beantwoording van de door de Advocaat-Generaal opgeworpen vragen. De kans is immers reëel dat de Hoge Raad het oordeel van het hof volgt dat het financiële belang slechts € 0,80 bedraagt en dat om die reden geen recht bestaat op een vergoeding voor immateriële schade.\n\n4.13.. Het hof is in 2023 begonnen met het registreren van het aantal gevallen waarin hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank waarin is geoordeeld dat bij overschrijding van de redelijke termijn de vergoeding voor immateriële schade moet worden beperkt tot € 50 per half jaar overschrijding. Op dit moment zijn dit 57 zaken en aannemelijk is dat dit aantal (fors) zal toenemen omdat de rechtbanken vermoedelijk nog geen aanleiding zien om van de door hen ingezette lijn af te wijken.\n\n4.14.. Indien het hoger beroep ongegrond is – dat wil zeggen indien de vragen i, ii en iii, in het nadeel van belanghebbende worden beantwoord – komt de vraag op of belanghebbende naast een proceskostenvergoeding ook recht heeft op vergoeding van griffierecht. Het hof constateert dat rechterlijke instanties daar verschillend over oordelen.\n\n4.14.1.. De Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest van 19 februari 2016overwogen:\n\n“3.14.1. Indien de rechter het (hoger) beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb toekent, is er aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende te laten vergoeden en, indien sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb, een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van de belanghebbende (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14\u002F01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015\u002F198). Dit is niet anders indien de rechter over de vergoeding van immateriële schade beslist in een afzonderlijke, nadere uitspraak als bedoeld in artikel 8:73, lid 2, Awb.”\n\n4.14.2.. Andere bestuursrechtershebben in gevallen waarin Titel 8:4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is, geoordeeld dat in het geval geen griffierecht is verschuldigd voor het afzonderlijke gedane verzoek om schadevergoeding,er geen aanleiding bestaat voor het vergoeden van griffierecht, dus ook niet het griffierecht voor het beroep of hoger beroep over het schadeveroorzakende besluit.\n\n4.14.3.. Het gerechtshof Amsterdam heeft in een geschil betreffende een heffing van lagere overheden in gelijkluidende zin geoordeeld.Ook diverse rechtbanken volgen (inmiddels) die lijn.\n\n4.14.4.. De vraag is of het onderscheid dat hier wordt gemaakt tussen enerzijds procedures waarop titel 8:4 Awb van toepassing is en procedures waarin de schadevergoeding wordt toegekend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb, juist is. De enige reden dat op grond van artikel 8:94, lid 2, Awb geen griffierecht is verschuldigd, is gelegen in het feit dat al griffierecht is voldaan in de procedure tegen het besluit. Dat geldt echter evenzeer voor procedures waarin titel 8:4 Awb nog niet van toepassing is. Ook in dat geval kan geen sprake zijn van het tweemaal heffen van griffierecht.\n\n4.15.. Het hof hanteert tot op heden de lijn dat ook in zaken van lagere overheden en de vennootschapsbelasting, griffierecht moet worden vergoed indien het hoger beroep weliswaar ongegrond is, maar aanleiding bestaat tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. Het hof acht dit nog steeds de juiste lijn, maar daarover kan worden getwijfeld gelet op de onder 4.14.2 en 4.14.3 vermelde rechtspraak.\n\n4.16.. Om voormelde redenen zal het hof de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorleggen:\n\nBeslissing\n\nHet hof verzoekt de Hoge Raad de volgende vragen door middel van een prejudiciële beslissing te beantwoorden:\n\n1. Staat een beding waarin is overeengekomen dat een door de rechter te bepalen vergoeding voor immateriële schade ten goede komt aan de rechtsbijstandverlener, in de weg aan het toekennen van een dergelijke vergoeding aan de belanghebbende?\n\n2. Dient de zogenoemde ‘bagatel-grens’ van € 15 - waarbij kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden zonder dat een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend - te worden verhoogd en zo ja, tot welk bedrag?\n\n3. Dient de vergoeding voor immateriële schade te worden gemaximeerd op het pleitbare financiële belang bij de procedure?\n\n4. Dient de vergoeding voor immateriële schade in procedures over de WOZ (en eventueel andere heffingen) te worden gemaximeerd op € 50 per zes maanden overschrijding?\n\n5. Dient griffierecht te worden vergoed in zaken waarin titel 8:4 Awb van toepassing is en het (hoger) beroep in de hoofdzaak ongegrond is, maar een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend?\n\nHet hof houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat de Hoge Raad naar aanleiding van de vorenstaande vragen uitspraak heeft gedaan.\n\nDeze tussenuitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe uitspraak is ondertekend door de griffier, en door A.J. Kromhout, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nE. Royakkers A.J. Kromhout\n\nTegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open (artikel 28, lid 5 Algemene wet inzake rijksbelastingen). Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489).\n\n Vergelijk rechtbank Noord-Holland 8 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:10940 en rechtbank Den Haag 13 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5695.\n\n O.a. rechtbank Midden-Nederland 21 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5547 en rechtbank Midden-Nederland 12 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2269.\n\n Conclusie Advocaat-Generaal Wattel van 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042.\n\n Het gerechtshof ArnhemLeeuwarden heeft in een uitspraak 9 januari 2024 expliciet afgezien van het stellen van prejudiciële vragen over de onderhavige problematiek, zie ECLI:NL:GHARL:2024:245, r.o. 4.6.\n\n Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3.\n\n Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3466, r.o. 4.4.\n\n Staatsblad 2023, 507.\n\n Hoge Raad 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, r.o. 2.3.\n\n Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3.\n\n Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:50, r.o. 4.3.1.\n\n De vraag of aanleiding bestaat tot een lagere vergoeding dan € 500 per overschrijding van zes maanden speelt overigens niet alleen in WOZ- en bpm-zaken, maar ook in andere zaken, zoals bijvoorbeeld zaken over de parkeerbelasting.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Centrale Raad van Beroep 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:102, r.o. 3.3 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1160, r.o. 6.1.\n\n Artikel 8:94, lid 2, Awb in verbinding gelezen met artikel 8:91, lid 1, Awb.\n\n Gerechtshof Amsterdam 12 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3068, r.o. 2.3.\n\n Vergelijk Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1032, r.o. 2.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:699","2024-03-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:18.303Z",20,[75,76,11],2026,2025]