[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-local-taxes-nl-2026":3},{"detail":4,"years":211},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":209,"page":14,"limit":210},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},152,"local-taxes-nl","Local Taxes","NL","2026-07-08T17:00:05.844Z",2026,[13,16,18,21,23,25,27,29,31,33,35,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":20},3,6,{"month":22,"count":20},4,{"month":24,"count":19},5,{"month":20,"count":26},11,{"month":28,"count":15},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":26,"count":15},{"month":37,"count":15},12,[39,53,61,70,79,89,96,103,110,117,124,131,141,149,159,169,178,186,193,202],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1137","ECLI:NL:RBROT:2026:7385","ecli-nl-rbrot-2026-7385","",61,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F9800\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit [plaatsnaam], eiser\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam\n\n(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser heeft zeven paspoppen uitgestald op de stoep voor zijn winkelpand. De heffingsambtenaar heeft een aanslag precariobelasting opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar een onjuist tarief gehanteerd, omdat niet aannemelijk is dat de oppervlakte van de paspoppen in totaal meer dan een vierkante meter beslaat. Het beroep is gegrond. Eiser hoeft de aanslag precariobelasting niet te betalen.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 25 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar een aanslag precariobelasting aan eiser opgelegd.\n\n2.1.. Met de uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 juni 2024 ongegrond verklaard.\n\n2.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 4 juni 2026. Hieraan heeft de gemachtigden van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiser is met bericht van verhindering niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De heffingsambtenaar heeft een aanslag precariobelasting van € 243,60 voor het belastingjaar 2023 aan eiser opgelegd vanwege de aanwezigheid van paspoppen op de stoep voor het winkelpand van eiser aan de Noordmolenstraat 27 in Rotterdam.\n\n4. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar ten onrechte een aanslag heeft opgelegd. De paspoppen stonden zo uitgestald, dat deze onder de vrijstelling van de precariobelasting vallen.\n\n5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang. Onder de naam ‘precariobelasting’ wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.De belasting worden geheven naar de oppervlakte in vierkante meters van de voorwerpen.Het tarief van de precariobelasting is voor voorwerpen die bij een vestiging behoren nihil, indien de oppervlakte niet meer is dan een vierkante meter.\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar ten onrechte een aanslag precariobelasting van € 243,60 aan eiser opgelegd. Op de foto die de heffingsambtenaar heeft overgelegd, staan in totaal zeven paspoppen opgesteld aan weerszijden van de ingang van het winkelpand. De heffingsambtenaar heeft op de zitting erkend dat het op basis van de foto niet duidelijk is dat de oppervlakte van de paspoppen in totaal meer dan een vierkante meter beslaat. Dat betekent dat de heffingsambtenaar een onjuist tarief heeft gehanteerd en de aanslag in zoverre ten onrechte is opgelegd. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond, omdat de uitspraak op bezwaar in strijd is met artikel 5, vierde lid, van de Verordening. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de aanslag eveneens te vernietigen.Dat betekent dat eiser de aanslag precariobelasting niet hoeft te betalen.\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2024;\n\nvernietigt de aanslag precariobelasting van 25 juni 2024;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T.M. Helleman, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2 van de Verordening precario- en reclamebelasting 2023 van de gemeente Rotterdam (de Verordening).\n\n Artikel 4, eerste lid, van de Verordening.\n\n Artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, van de Verordening.\n\n Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7385","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:06.114Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":45,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"1970","ECLI:NL:RBZWB:2026:5578","ecli-nl-rbzwb-2026-5578",64,"RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F76\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 30 december 2025. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft vernietigd.\n\n1.1.. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De heffingsambtenaar heeft hierop niet gereageerd.\n\n1.2.. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nWanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?\n\n3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.\n\nIs de heffingsambtenaar aan belanghebbende tegemoetgekomen?\n\n4. De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen.\n\n4.1.. Bij brief met dagtekening van 5 januari 2026 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van belanghebbende ongegrond is verklaard. De heffingsambtenaar heeft op 2 februari 2026 laten weten dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting is vernietigd. Hiermee is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende.\n\nWelk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoeden?\n\n5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Belanghebbende krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld welke kosten belanghebbende bepleit. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.5.1.. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per procesbehandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 procespunt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde van € 934,-. Aangezien het gaat om een parkeerbelastingzaak, is sprake van een lichte wegingsfactor (een wegingsfactor van 0,5).De vergoeding bedraagt in het onderhavige geval dus € 467,-. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 333,- (1 procespunt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor van 0,5). Belanghebbende heeft niet onderbouwd dat overige kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 800.\n\nKrijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?\n\n6. De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden.Belanghebbende moet zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 800,- aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315\n\n Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5578","2026-07-13T00:29:47.860Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"1727","ECLI:NL:GHAMS:2026:1642","ecli-nl-ghams-2026-1642",56,"2026-06-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F738\n\n18 juni 2026\n\nuitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X], wonende te [Z], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: WOZ Consultants B.V., vertegenwoordigd door A. Oosters)\n\nalsmede op het incidenteel hoger beroep van\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], de heffingsambtenaar,\n\ntegen de uitspraak van 17 januari 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24\u002F1637 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak [A-straat] 6 te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 825.000.\n\n1.2.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde gehandhaafd.\n\n1.3.. \n\nOp het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank als volgt beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):\n\n“De rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 729.000,-;\n\n- bepaalt dat de voor de woning opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting overeenkomstig wordt verminderd;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de uitspraak op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.813,76 aan proceskosten aan eiser.”\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:\n\neen verweerschrift door de heffingsambtenaar;\n\neen incidenteel hoger beroep door de heffingsambtenaar;\n\neen geschrift omvattende het verweer op het incidenteel hoger beroep en een nadere toelichting door belanghebbende;\n\neen nader stuk door belanghebbende (8 mei 2025).\n\n1.5.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Geschil in hoger beroep\n\nIn hoger beroep is in geschil de hoogte van de voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding. In incidenteel hoger beroep is in geschil of de rechtbank af had moeten zien van ongegrondverklaring van het beroep, omdat partijen het reeds voor de zitting overeenstemming hadden bereikt over de WOZ-waarde (€ 729.000) en enkel nog de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase (de toepassing van artikel 30a Wet WOZ) in geschil was.\n\n3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen\n\n“4. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\n5. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 624,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. In geschil is de vraag of de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ moet worden vermenigvuldigd met 0,25.\n\n6. Eiser voert aan dat artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing moet worden gelaten omdat dit artikel volgens eiser bij de Hoge Raad geen stand zal houden. Eiser wijst op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2024, waarin het Hof het gelijkluidende artikel 13a, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) buiten toepassing heeft gelaten.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat per 1 januari 2024 artikel 30a van de Wet WOZ van kracht is. In het eerste en tweede lid heeft de wetgever bepaald dat de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd dienen te worden met de daar bepaalde factor. Gelet op het feit dat de uitspraak op bezwaar dateert van 1 februari 2024 is dit artikel van toepassing op de berekening van de proceskosten in beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding om vooruit te lopen op toekomstige onzekere gebeurtenissen waarbij dit artikel mogelijk buiten toepassing zal worden gelaten. De rechtbank heeft gezien dat Advocaat-Generaal P.J. Wattel de Hoge Raad heeft geadviseerd om artikel 30a van de Wet WOZ in stand te laten.\n\n8. Dit betekent dat eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 1.813,76\n\n(1 punt à € 624,- voor het indienen van het bezwaar, 1 punt à € 624,- voor het bijwonen van de hoorzitting, € 128,26 voor het taxatierapport, 1 punt à € 875,- x 0,25 voor het indienen van beroep en 1 punt à € 875,- x 0,25 voor het verschijnen ter zitting). Van dit bedrag heeft de heffingsambtenaar al een bedrag van € 1.646,01 aan eiser vergoed. Daarnaast dient de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.”\n\n4. Beoordeling van het principale en het incidentele hoger beroep\n\n4.1.. Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de rechtbank op de door haar berekende proceskostenvergoeding ten onrechte de in artikel 30a, lid 2 Wet WOZ genoemde factor 0,25 heeft toegepast, omdat zijn gemachtigde WOZ-Consultants B.V. (vertegenwoordigd door onder anderen A. Oosters, hierna: “WOZ-Consultants”) aan te merken is als “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Het Hof overweegt ter zake als volgt.\n\n4.2.. In voornoemde rechtsoverweging heeft de Hoge Raad vastgesteld dat de wetgever met de beperking van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ (en de bpm) het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Of het bedrijfsmodel van een gemachtigde aan deze drie cumulatieve voorwaarden voldoet dient te worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend (zie arrest Hoge Raad 26 september 2025, 24\u002F03394bis, ECLI:NL:HR:2025:1382, rechtsoverweging 2.3.3).\n\n4.3.. In zijn uitspraak van 20 januari 2026, nr. 24\u002F3390, ECLI:NL:GHAMS:2026:127, heeft het Hof geoordeeld dat het bedrijfsmodel van WOZ-Consultants vanaf 1 januari 2024 niet (meer) zodanig is ingericht dat sprake is van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay. In rechtsoverweging 5.10 en 5.11 van genoemde uitspraak heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat dit oordeel zich uitstrekt tot alle lopende procedures, voor zover het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend in het jaar 2024.\n\n4.4.. Het rechtsmiddel van beroep is door belanghebbende aangewend op 13 maart 2024. Omdat het bedrijfsmodel van WOZ-Consultants op dat moment niet zodanig was ingericht dat sprake was van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay, mist de factor van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ toepassing, zodat de grief van belanghebbende slaagt.\n\n4.5.. De heffingsambtenaar heeft ter zitting in hoger beroep de juistheid van de onder 4.3 genoemde uitspraak van het Hof betwist. Hij heeft daarbij verwezen naar het reeds genoemde arrest Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382, rechtsoverweging 2.3.3. Daarin is gepreciseerd dat, aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) diens gemachtigde “kennelijk niet” alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, buiten redelijke twijfelmoet komen vast te staan dat een of meer van deze kenmerken ontbreken. Hieruit volgt dat enkel een oordeel over het bedrijfsmodel van de gemachtigde kan worden geveld indien deze alle overeenkomsten, alle facturen en alle betaalbewijzen overlegt. Het Hof volgt de heffingsambtenaar hierin niet, nu niet wordt verlangd dat onomstotelijk, buiten alle twijfel, komt vast te staan dat genoemde kenmerken ontbreken, maar dat volstaat dat dit buitenredelijketwijfel komt vast te staan.\n\n4.6.. Gelet op het vorenoverwogene is de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van (2 punten x € 875 x 1 x 0,25 =) € 437,50 te laag. Ook de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase dient opnieuw te worden vastgesteld, omdat de rechtbank – zoals belanghebbende met juistheid heeft betoogd – is uitgegaan van de puntwaarde van het jaar 2024 in plaats van het jaar 2025. Het Hof stelt de vergoeding voor de bezwaarfase vast op 2 punten (bezwaarschrift + hoorgesprek) x € 666 x 1 = € 1.332 + € 128,26 = € 1.460,26. De vergoeding voor de beroepsfase wordt vastgesteld op 2 punten (beroepschrift + zitting) x € 934 x 1 = € 1.868. De vergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase bedraagt derhalve in totaal € 3.328,26.\n\nIncidenteel hoger beroep4.7.. Het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar is gebaseerd op de onjuiste vooronderstelling dat belanghebbende zijn beroep zou hebben ingetrokken. De brief van de gemachtigde aan de rechtbank van 18 november 2024 kan in redelijkheid niet worden aangemerkt als een intrekking van het beroep. De rechtbank heeft dan ook terecht uitspraak gedaan. Het incidenteel hoger beroep faalt derhalve.\n\nKostenvergoeding hoger beroep en incidenteel hoger beroep4.8.. Het onderwerpelijke hoger beroep is ingesteld op 6 februari 2025. Zoals vermeld in rechtsoverweging 5.11 van de onder 4.3 genoemde uitspraak van het Hof, dient in procedures waarin WOZ-Consultants na 31 december 2024 namens een belanghebbende hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld, opnieuw te worden bewezen dat de gemachtigde aangemerkt kan worden als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. Ter voldoening aan deze op hem rustende bewijslast heeft belanghebbende een groot aantal overeenkomsten en facturen overgelegd, betreffende het jaar 2025. Uit de overgelegde bewijsstukken volgt naar ’s Hofs oordeel buiten redelijke twijfel dat WOZ-Consultants ook in het jaar 2025 een bedrijfsmodel hanteerde dat niet kan worden aangemerkt als rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay.\n\n4.9.. Belanghebbende heeft recht op een (proces)kostenvergoeding voor beroep en incidenteel hoger beroep naar het tarief volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Die vergoeding bedraagt 3 punten (hogerberoepschrift, reactie op incidenteel hoger beroep, zitting Hof) x 0,5 (gewicht van de zaak) x € 934 = € 1.401. Gelet op het overwogene onder 4.6 bedraagt de vergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep in totaal € 3.328,26 + € 1.401 = € 4.729,26.\n\n4.10.. \n\nMet betrekking tot volgende beslissingen over de omvang van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in elke andere door de WOZ- Consultants, als professionele rechtsbijstandverlener in het jaar 2025 bij de rechtbank of het Hof aanhangig gemaakte procedure over de WOZ en OZB, wordt het volgende overwogen.\n\nNa de vaststelling in deze zaak dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, zal het Hof met het oog op praktische toepassing en uitvoerbaarheid van dat arrest bij het afdoen van elke volgende procedure waarin de gemachtigde namens een belanghebbende in het jaar 2025 beroep bij de rechtbank of hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld en die belanghebbende voor het Hof stelt dat zijn geval is aan te merken als zo een bijzonder geval, ervan uitgaan dat de gemachtigde niet werkt op basis van no cure no pay.\n\n4.11.. In procedures waarin WOZ-Consultants na 31 december 2025 namens een belanghebbende hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld, zal de belanghebbende die voor het Hof stelt dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, dit moeten bewijzen.\n\nSlotsom4.12.. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, maar enkel voor zover het de beslissing inzake de proceskostenvergoeding betreft.\n\n5. Beslissing\n\nHet Hof:\n\n- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar enkel voor zover het de beslissing inzake de proceskosten betreft;\n\n- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ter zake van het bezwaar, beroep en het hoger beroep, vastgesteld op € € 4.729,26 (zie 4.9);\n\n- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 143 te vergoeden.\n\nDe uitspraak is gedaan door mr. B.A. van Brummelen, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 18 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nbij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nhet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1642","2026-07-13T00:29:36.040Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":66,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":51,"updatedAt":78},"2011","ECLI:NL:RBZWB:2026:5520","ecli-nl-rbzwb-2026-5520",62,"RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 24\u002F4241\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde], verbonden aan WOZ kwadraat B.V.),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 maart 2024.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 818.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Sluis voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag OZB).\n\n1.2.. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. De heffingsambtenaar is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank merkt in dit kader op dat de heffingsambtenaar meermaals heeft verzocht om uitstel van de zitting, dan wel digitale deelname. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen. De rechtbank gaat vanaf r.o. 3.2. in op de afwijzing van deze verzoeken.\n\nFeiten\n\n2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een appartement met bouwjaar 2018.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is de waarde van de woning te hoog vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVooraf:\n\n3.2.. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 22 april 2026 verzocht om uitstel van de zitting. De heffingsambtenaar verzoekt als volgt:\n\n“In deze zaak is een zitting gepland op 8 mei aanstaande. Omdat op die dag in de ochtend ook door het Hof een zitting is gepland komen wij in tijdnood. Aangezien wij werken met een vaste gemachtigde verzoeken wij u vriendelijk de zittingen in\n\nMiddelburg te laten starten om 13:30 uur in de middag.”\n\nBij brief van 7 mei 2026 heeft de heffingsambtenaar dit verzoek herhaald:\n\n“Zoals eerder kenbaar gemaakt is op 8 mei ook een zitting gepland bij het Gerechtshof. Wij hebben zowel bij uw Rechtbank als het Hof een verzoek gedaan om te schuiven in het tijdstip. Dit verzoek is afgewezen. Het is voor ons mogelijk om vanaf 12:00 uur digitaal de zittingen bij te wonen. In dat geval ontvangen wij graag een link om deel te nemen. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan verzoek ik de zittingen te verplaatsen zodat wij vanaf 13 uur fysiek aanwezig kunnen zijn.”\n\n3.3.. De rechtbank merkt op dat in de zittingsuitnodiging het volgende is vermeld:\n\n“De zaak zal op zitting worden behandeld op vrijdag 8 mei 2026, om 14.15\n\nuur. De behandeling van het beroep op de zitting duurt ongeveer 25 minuten.”\n\n3.4.. Nu partijen om 14.15 uur zijn uitgenodigd voor de zitting, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het zittingstijdstip te wijzigen. De zitting is immers reeds gepland op een tijdstip waar de heffingsambtenaar om verzoekt. Het komt de rechtbank voor dat de heffingsambtenaar per abuis deze berichten in dit dossier heeft verstuurd. Overigens heeft geen gemachtigde zich gesteld in deze zaak namens de heffingsambtenaar.\n\n3.5.. Tevens heeft de rechtbank op de zittingsdag een e-mailbericht van de heffingsambtenaar ontvangen met het verzoek om digitaal aan de zitting deel te nemen. De heffingsambtenaar verzoekt als volgt:\n\n “Vanmiddag staat een zitting gepland in een aantal zaken waarin de gemachtigde van SaBeWa Zeeland namens ons zou optreden.\n\nEerder hebben wij al verzocht om deze zaken te verzetten, omdat onze gemachtigde diezelfde ochtend ook aanwezig moet zijn bij een hoger beroep bij het Gerechtshof in Den Bosch. Helaas bleek verplaatsing van beide zittingen niet mogelijk.\n\nDaarop hebben wij ervoor gekozen onze gemachtigde direct na afloop van de zitting in Den Bosch naar Middelburg te laten reizen, in de verwachting dat dit qua planning haalbaar zou zijn. Inmiddels blijkt echter dat de behandeling bij het Hof uitloopt, waardoor het voor onze gemachtigde niet mogelijk zal zijn om tijdig fysiek aanwezig te zijn.\n\nWij verzoeken u daarom vriendelijk of het mogelijk is een digitale deelnamelink toe te sturen, zodat onze gemachtigde alsnog op afstand aan de zitting kan deelnemen.”\n\n3.6.. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. De rechtbank overweegt dat van een bestuursorgaan zoals SaBeWa mag worden verwacht dat zij meer dan één fysieke zitting per dag in het land aan kan.\n\nSchending artikel 8:42 van de Awb?\n\n3.7.. Op grond van artikel 8:42 van de Awb dient de heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan de heffingsambtenaar. Binnen deze termijn kan de heffingsambtenaar ook een verweerschrift indienen. Indien de rechter om een verweerschrift heeft verzocht, is de heffingsambtenaar gehouden binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.\n\n3.8.. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar bij brief van 7 juni 2024 verzocht om uiterlijk 5 juli 2024 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Bij rappelbrief van 6 september 2024 heeft de rechtbank de heffingsambtenaar opnieuw verzocht om uiterlijk 4 oktober 2024 op het verzoek van de rechtbank te reageren. De heffingsambtenaar heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijnen op deze verzoeken gereageerd.\n\n3.9.. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar pas eerst op 7 mei 2026 – de zitting was op 8 mei 2026 - een document heeft ingediend zonder begeleidend schrijven wat kennelijk op de zaak betrekking heeft. Een verweerschrift is überhaupt niet ingediend. Ten aanzien van het door de heffingsambtenaar op 7 mei 2026 ingediende stuk, overweegt de rechtbank dat dit zodanig laat is, zonder dat daarbij een reden is gegeven waarom dit niet eerder kon, dat de rechtbank niet kan toestaan dit stuk nog toe te laten. De heffingsambtenaar ontneemt belanghebbende door dit onnodig late indienen de mogelijkheid om zich degelijk te kunnen voorbereiden op de zitting en om op een normale wijze te kunnen reageren op stukken. Op grond van de goede procesorde verklaart de rechtbank dit stuk dan ook tardief en aanleiding voor aanhouding ziet de rechtbank evenmin.\n\n3.10.. De heffingsambtenaar heeft voorts verzuimd een verweerschrift in te dienen en de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Dat levert een schending van artikel 8:42 van de Awb op en op grond van 8:31 van de Awb kan de rechtbank daar gevolgen aan verbinden, wat ook zal gebeuren. De rechtbank ziet geen aanleiding om nog een termijn aan de heffingsambtenaar te verstrekken omdat het verzoek sinds juni 2024 met herhaling en nieuwe termijnen ruimschoot voldoende is geweest.\n\n3.11.. De rechtbank stelt vast dat het voor de rechtbank niet mogelijk is om de zaak op een juiste wijze inhoudelijk te beoordelen nu het dossier in verregaande mate incompleet is. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar zich desgevraagd niet verweerd en is niet ter zitting verschenen. De gevolgtrekking die de rechtbank, gelet op al deze feiten en omstandigheden geraden voorkomt is om de WOZ-waarde te verminderen zoals belanghebbende heeft betoogd.\n\n3.12.. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift een waarde van € 739.000 voorgesteld. De rechtbank zal de waarde van de woning gelet op het hiervoor overwogene verminderen tot € 739.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de bij beschikking vastgestelde waarde moet worden verminderd tot € 739.000. De aanslag OZB moet dienovereenkomstig worden verminderd.\n\n4.1.. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n4.2.. Ook krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 666 per punt, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt, met een wegingsfactor 1. De totale vergoeding bedraagt € 3.200.\n\n4.3.. Voor toepassing van een vermenigvuldigingsfactor 0,25 op grond van het bepaalde in artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ is geen aanleiding. De vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a van de Wet WOZ is van toepassing indien aan belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat: I) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, II) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, III) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die niet de hiervoor opgesomde kenmerken hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Bpb berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gemachtigde aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het arrest van de Hoge raad van 17 januari 2025. Gemachtigde heeft aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijfsmodel niet is gebaseerd op het principe van no cure no pay. Hiertoe heeft gemachtigde een overzicht van zijn omzetgegevens over de jaren 2025 en 2026 overgelegd. Daarnaast heeft gemachtigde specifiek voor deze zaak aangetoond dat belanghebbende het financiële risico loopt bij de beroepsprocedure. Uit de door gemachtigde overgelegde factuur en betaalgegevens volgt dat € 350 aan belanghebbende in rekening is gebracht voor de beroepsfase en dat dit ook is betaald.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 739.000;\n\n- vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;\n\n- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Ingevolge artikel 8:31 van de Awb.\n\n Zie Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5520","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.807Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"949","ECLI:NL:GHSHE:2026:1435","ecli-nl-ghshe-2026-1435",72,"2026-06-03T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F1697\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 27 oktober 2023, nummer SHE 22\u002F2045 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Reusel-De Mierden,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) voor het jaar 2022 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een vrijstaande woning uit 1932. De woning, gelegen in [woonplaats] , bestaat uit een hoofdbouw met een oppervlakte van 154 m², een vrijstaande garage met een oppervlakte van 35 m² en een berging van 31 m². Verder is er sprake van asbest. De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 545 m².\n\n2.2.. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 355.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd tot € 330.000 en de aanslag OZB evenredig verminderd. Aan belanghebbende is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 538.\n\n2.3.. De heffingsambtenaar heeft in beroep een taxatiematrix overgelegd, opgesteld op 26 juli 2023 door [heffingsambtenaar] , WOZ-gediplomeerd taxateur. In de matrix is de waarde van de woning bepaald op € 352.000. De taxateur heeft de volgende vergelijkingsobjecten in aanmerking genomen:\n\n- [adres 2] te [woonplaats] , verkocht op 11 maart 2020 voor € 350.000;\n\n- [adres 3] te [woonplaats] , verkocht op 12 juni 2020 voor € 292.000;\n\n- [adres 4] te [woonplaats] , verkocht op 16 juni 2020 voor € 375.000.\n\n2.4.. \n\nIn de matrix zijn de kenmerken van de woning en de vergelijkingsobjecten vermeld, en de koopprijzen zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum en onderverdeeld over de verschillende objectkenmerken.\n\nDe heffingsambtenaar heeft in hoger beroep nadere foto’s overgelegd van de vergelijkingsobjecten. Belanghebbende heeft in hoger beroep eveneens nadere foto’s overgelegd.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot verlaging van de WOZ-waarde tot een waarde tussen € 200.000 en € 236.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. De waarde van de onroerende zaak is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die de hoogst biedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor de onroerende zaak. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd.\n\n4.2.. De hiervoor bedoelde waarde voor woningen wordt in principe bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.\n\nStijging ten opzichte van de WOZ-waarde in eerdere jaren\n\n4.3.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de aan de woning toegekende waarde te hard is gestegen ten opzichte van de waarde die aan de woning is toegekend met waardepeildatum 1 januari 2020. Naar de mening van belanghebbende houdt deze waardestijging verband met de gewijzigde methode - van m3 naar m2 - van waarderen door de gemeente.\n\n4.4.. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald, aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum voordoen, waarbij voorbij wordt gegaan aan de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de woning is toegekend. De waarde van de woning is vastgesteld op basis van rond de waardepeildatum behaalde verkoopcijfers van de met de woning vergelijkbare objecten. De procentuele stijging van de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende, op zichzelf beschouwd dan wel in relatie tot andere woningen in of buiten de gemeente [woonplaats] , is om die reden niet relevant voor de waardebepaling van de woning. Het is het hof, gelijk de rechtbank, voorts niet gebleken dat door de wijziging van de manier van waarderen van m3 naar m2 de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld.\n\nVergelijkingsobjecten\n\n4.5.. Belanghebbende stelt dat de vergelijkingsobjecten niet representatief zijn. Zijn woning heeft een slechtere ligging dan de vergelijkingsobjecten, omdat zijn woning aan een 80km-weg is gelegen, terwijl de vergelijkingsobjecten aan een rustigere weg zijn gelegen. Ook bevindt de woning van belanghebbende zich in een slechtere staat van onderhoud en kwaliteit dan de vergelijkingsobjecten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende een aantal foto’s in het geding gebracht, waarop optrekkend vocht in zijn woning zichtbaar is. Ook heeft belanghebbende foto’s overgelegd van zijn CV-ketel uit 1993. Deze CV-ketel is niet energiezuinig en is daardoor slechter dan die van de vergelijkingsobjecten, aldus belanghebbende.\n\n4.6.. De stelling van belanghebbende dat bij de waardebepaling onvoldoende rekening is gehouden met de ligging aan een drukkere weg dan waar de vergelijkingsobjecten zijn gelegen, slaagt. Het hof stelt vast dat de woningen aan de [adres 2] en [adres 4] te [woonplaats] een factor 3 (gemiddeld) hebben voor de ligging. De woning aan de [adres 3] te [woonplaats] heeft, gelijk de woning van belanghebbende, een factor 2 gekregen voor de ligging. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar onvoldoende rekening gehouden met de specifieke ligging van de woning van belanghebbende, in het bijzonder vergeleken met de woning aan de [adres 3] . De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat de woning aan de [adres 3] is gelegen tegenover een horecagelegenheid en winkelpanden, maar dat maakt naar het oordeel van het hof de ligging van deze woning niet voldoende vergelijkbaar met de ligging van een woning aan een doorgaande 80km-weg. Ook de stelling van belanghebbende dat de voorzieningen in zijn woning van een mindere kwaliteit zijn dan die in de vergelijkingsobjecten slaagt. De heffingsambtenaar heeft de voorzieningen in de woning van belanghebbende, gelijk de voorzieningen in de vergelijkingsobjecten, een factor 3 gegeven. Het hof is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de voorzieningen in zijn woning zich in een minder goede staat bevinden dan die in de vergelijkingsobjecten.\n\nWaarde berging\n\n4.7.. Belanghebbende stelt verder dat de waarde van de berging negatief is vanwege de slechte bouwkundige\u002Fvervallen staat en tevens omdat er asbest aanwezig is in onder andere het dak. In hoger beroep heeft belanghebbende een tweetal foto’s overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. De heffingsambtenaar heeft de beoordelingsaspecten ‘kwaliteit’, ‘onderhoud’, ‘uitstraling’, ‘doelmatigheid’ en ‘voorzieningen’ van de berging beoordeeld als voldoende en hieraan een factor 3 toegekend. De heffingsambtenaar heeft een aftrek toegepast voor, in totaal € 816, vanwege de aanwezigheid van asbest. Van de vergelijkingsobjecten beschikt enkel de woning aan de [adres 4] te [woonplaats] over een vrijstaande berging.\n\n4.8.. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende, met de door hem overgelegde foto’s van de berging aannemelijk gemaakt dat deze van een matige kwaliteit en onderhoud is. Nu de heffingsambtenaar geen foto’s, of andere bewijsmiddelen, in het geding heeft gebracht waaruit de kwaliteit en staat van onderhoud van de berging van het vergelijkingsobject aan de [adres 4] blijkt, volgt het hof belanghebbende in zijn standpunt dat de heffingsambtenaar de waarde van de berging, behorende bij de woning van belanghebbende, op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de heffingsambtenaar ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat een factor 2 voor de berging wellicht meer op zijn plaats zou zijn geweest. Het hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de waarde van de berging negatief is. De heffingsambtenaar heeft reeds een bedrag in mindering gebracht vanwege de aanwezigheid van asbest en uit de door belanghebbende overgelegde foto’s volgt niet dat de berging in een dusdanige staat verkeerd dat hieraan een negatieve waarde moet worden toegekend.\n\n4.9.. Het hof stelt voorop dat de in geschil zijnde (WOZ-)waarde de woning in haar geheel betreft. Daarbij vormen de aan de samenstellende onderdelen van de woning toegekende waarden een hulpmiddel om de waarde van de woning als geheel inzichtelijk te maken. Dit in aanmerking nemende en alles overziende heeft de heffingsambtenaar de door hem vastgestelde waarde niet aannemelijk gemaakt. Nu de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door hem bepleite waarde van tussen de € 200.000 en € 236.000 aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende heeft in (hoger) beroep verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat de waarde tot het door hem bepleite bedrag moet worden vastgesteld. Gelet hierop maakt ook belanghebbende de door hem bepleite waarde niet aannemelijk.\n\n4.10.. Het vorenstaande maakt dat geen van beide partijen erin is geslaagd het van hen gevergde bewijs te leveren voor de door hen bepleite waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. Het hof bepaalt de waarde, rekening houdend met alle ter zake doende feiten en omstandigheden, in goede justitie op € 310.000.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 136, in totaal € 186, te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.\n\n4.14.. Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het beroep bij de rechtbank op een bedrag aan reis- en verletkosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank van respectievelijk € 30,44 en € 297,78, is in totaal € 328,22.\n\n4.15.. Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het hoger beroep bij het hof op een bedrag aan reis- en verletkosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting bij het hof van respectievelijk € 30,44 en € 297,50, is in totaal € 327,94. Het hof is daarbij, in afwijking van het door belanghebbende overgelegde formulier, uitgegaan van een zittingsduur van een half uur.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nverklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nwijzigt de WOZ-beschikking en stelt de waarde van [adres 1] per waardepeildatum van 1 januari 2021 vast op € 310.000;\n\nvermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en hoger beroep van in totaal € 186 vergoedt;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van in totaal € 656,16.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 4, lid 1, letter a, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1435","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.278Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":93,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":95},"391","ECLI:NL:GHSHE:2026:1447","ecli-nl-ghshe-2026-1447","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F867\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 april 2024, nummer BRE 23\u002F1853, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [plaats] (hierna: het object) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd.\n\n1.6.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , als gemachtigden van belanghebbende,\n\nen, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .\n\nOp deze zitting is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 24\u002F868.1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van het object. Het object betreft een PV-installatie (zonne-energieinstallatie), bestaande uit zonnepanelen, inclusief draagconstructie en bevestigingsmaterialen, omvormers, bekabeling\u002Fleidingen en meet- en regelapparatuur. De installatie is geplaatst op het dak van een distributiecentrum, gevestigd aan de [adres] te [plaats] . De PV-installatie is niet vast verankerd aan het dak, maar ligt los op het dak met alleen ballast om de PV-installatie op de plaats te houden. De installatie is eigendom van en wordt geëxploiteerd door belanghebbende. Het distributiecentrum is eigendom van een derde, met wie ten behoeve van het gebruik maken van het dak een huurovereenkomst is gesloten en tevens een recht van opstal is gevestigd.\n\n2.2.. De waarde van het object is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 847.000.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de waarde van het object te hoog is vastgesteld.\n\n3.2.. Niet in geschil is dat de werktuigenvrijstelling van toepassing is op de omvormers, bekabeling\u002Fleidingen en meet- en regelapparatuur.\n\n3.3.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vaststellen van de waarde op nihil. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Volgens artikel 16 Wet WOZ wordt als één onroerende zaak aangemerkt:\n\na. een gebouwd eigendom;\n\nb. een ongebouwd eigendom;\n\nc. een zelfstandig gedeelte daarvan;\n\nd. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel aof onderdeelbbedoelde eigendommen, of in onderdeelcbedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen.\n\n4.2.. De waarde van het object is de waarde in het economisch verkeer.Dat is de prijs die de hoogst biedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor het object.\n\n4.3.. Artikel 17, lid 3, Wet WOZ bepaalt dat de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, wordt bepaald op vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid.\n\n4.4.. Op grond van artikel 18, lid 4, Wet WOZ in verbinding met artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel e, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking gelaten de waarde van de werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken (de zogenoemde werktuigenvrijstelling).\n\n4.5.. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd.\n\n4.6.. De heffingsambtenaar heeft de PV-installatie aangemerkt als één onroerende zaak, een gebouwd eigendom, als bedoeld in de zin van artikel 16 Wet WOZ.\n\n4.7.. Volgens de Hoge Raaddient bij beantwoording van de vraag of een PV-installatie op zichzelf als gebouwd eigendom is aan te merken als maatstaf worden gehanteerd of de installatie naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij komt geen betekenis toe aan de vraag of de zonnepanelen direct of indirect zijn verenigd met de grond. Alleen indien het gaat om de vraag of een onderdeel van een afzonderlijk WOZ-object op zichzelf is aan te merken als een gebouwd eigendom, moet de vraag worden beantwoord of een PV-installatie zelfstandigheid in bouwkundig opzicht heeft. De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat een opstalrecht niet kan worden aangemerkt als een onroerende zaak in de zin van artikel 16 Wet WOZ.\n\n4.8.. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat, anders dan waarvan is uitgegaan in de zaak waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld, de PV-installatie geen werk is in de zin van artikel 3:3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en dus geen onroerende zaak is. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat uit de omstandigheid dat de zonnepanelen los op het dak liggen en enkel door ballast (stoeptegels) op hun plaats worden gehouden blijkt dat het de bedoeling is dat de zonnepanelen verplaatsbaar blijven.Uit de huurovereenkomst blijkt volgens belanghebbende ook dat verplaatsing noodzakelijk is als de eigenaar van het dak dat verlangt.\n\n4.9.. Artikel 3:3 BW bepaalt dat onroerend zijn de grond, alsmede de met de grond verenigde gebouwen en werken. Een gebouw of werk kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van artikel 3:3 BW doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet van belang is dan meer dan technisch de mogelijkheid bestaat om het gebouw of gebouw of werk te verplaatsen. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten toe kenbaar is. Onder de bouwer moet mede worden verstaat degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.\n\n4.10.. Hieruit volgt dat de maatstaf of sprake is van een werk als bedoeld in artikel 3.3 BW verschilt niet wezenlijk van de maatstaf of sprake is van een gebouwd eigendom (zie 4.7).\n\n4.11.. Het hof is van oordeel dat de PV-installatie een werk in de zin van artikel 3:3 BW is. De PV-installatie is naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het een technisch complexe samenstelling van zonnepanelen, onderstel en kabels betreft en dat de installatie is verzwaard met ballast. Aan de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven doet niet af dat de PV-installatie door een eenvoudige demontage kan worden verplaatst. Evenmin doet daaraan af dat op grond van de huurovereenkomst in bijzondere omstandigheden de installatie zou moeten worden verplaatst, omdat dit niet een fysiek aspect betreffende de aard en inrichting is dat naar buiten kenbaar is.\n\n4.12.. Het vorenstaande betekent dat de PV-installatie voor de toepassing van de Wet WOZ als een onroerende zaak moet worden aangemerkt.\n\n4.13.. \n\nVoor dat geval heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de PV-installatie niet moet worden aangemerkt als een afzonderlijk WOZ-object, maar een samenstel vormt met het dak van het distributiecentrum, waarop de PV-installatie is aangebracht. Belanghebbende stelt dat de (dak) huurovereenkomst een exclusief gebruiksrecht geeft op het dak, en dat dit exclusieve gebruiksrecht een onroerende zaak is (in de zin van art 16 Wet WOZ) en een apart WOZ-object. Het (gebruiksrecht op het) dak is volgens belanghebbende dan zelf ook een gebouwd eigendom.\n\nHet WOZ-object bestaat dan volgens belanghebbende uit het gebruiksrecht op het dak en de PV-installatie, dus twee gebouwde eigendommen en dan moet volgens belanghebbende de vraag worden beantwoord of de PV-installatie zelfstandigheid in bouwkundig opzicht heeft.\n\n4.14.. Het hof is van oordeel dat ook dit standpunt van belanghebbende niet kan worden gevolgd, reeds omdat een gebruiksrecht middels een huurovereenkomst niet betekent dat belanghebbende het dak in eigendom heeft of daarop een beperkt recht heeft. Van een samenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder d, Wet WOZ kan slechts sprake zijn als beide eigendommen eenzelfde eigenaar of beperkt gerechtigde hebben. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dat daarnaast een recht van opstal is gevestigd doet hieraan niet af. Een opstalrecht kan immers niet worden aangemerkt als een onroerende zaak in de zin van artikel 16 Wet WOZ (zie 4.7).4.15.. \n\nVoor het geval de PV-installatie een afzonderlijk WOZ-object is, is niet in geschil dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.\n\nTussenconclusie\n\n4.16.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.17.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.18.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M.E. Smorenburg en\n\nJ.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE. Royakkers L.B.M. Klein Tank\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 17, lid 2, Wet WOZ.\n\n Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:56.\n\n Hoge Raad 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabin).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1447","2026-07-13T00:28:27.398Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":100,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":102},"856","ECLI:NL:GHSHE:2026:1450","ecli-nl-ghshe-2026-1450","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F31\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 november 2023, nummer BRE 22\u002F1633 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [plaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in Mijn Rechtspraak geplaatst.1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .\n\n1.7.. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Het hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en\u002Fof stukken in te zenden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan. De schriftelijke inlichten en\u002Fof nadere stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\n1.8.. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.2. 2. Feiten\n\n2.1.. De heffingsambtenaar heeft bij WOZ-beschikking de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 222.000. Belanghebbende heeft tegen die WOZ-beschikking tijdig bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft dit bezwaar gegrond verklaard en de waarde bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 215.000.\n\n2.2.. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 24 december 2021. De heffingsambtenaar heeft op die dag een bulk van 3.636 brieven aangeboden aan [mail] B.V. (hierna: [mail] ).\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in een brief van 4 februari 2022 aan de heffingsambtenaar geschreven:\n\n“(…) Op 17-1-2022 ontvingen wij van u een bedrag van € 530,00 aan proceskostenvergoeding, waarvoor onze dank. Volgens de omschrijving in de betaling heeft dit bedrag betrekking op uw aanslagnummer (…). De corresponderende uitspraak op het bezwaarschrift hebben wij echter nog niet ontvangen. In verband met het beoordelen van de uitspraak en het verstrijken van de beroepstermijn, verzoeken wij u vriendelijk ons zo spoedig mogelijk de uitspraak op bezwaar te doen toekomen. Aangezien wij tot op heden geen kennis hebben kunnen nemen van de uitspraak, zal de beroepstermijn aanvangen op het moment van ontvangen van de uitspraak (…).”.\n\n2.4.. De heffingsambtenaar heeft bij e-mail van 8 februari 2022 de uitspraak op bezwaar als bijlage aan belanghebbende toegestuurd.\n\n2.5.. Belanghebbende heeft bij beroepschrift met dagtekening 22 maart 2022 beroep ingesteld. Het beroepschrift is diezelfde dag door de rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding gezien.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Partijen hebben tijdens de zitting bij het hof verzocht om, indien het hof oordeelt dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank af te doen.\n\n2.7.. Belanghebbende heeft het hof na de zitting schriftelijk medegedeeld dat de waarde, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, niet langer in geschil is en het geschil alleen nog ziet op de ontvankelijkheid van het beroep. Partijen hebben schriftelijk verklaard geen gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot een ontvankelijk beroep. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep door de rechtbank. De rechtbank heeft overwogen dat, nu de heffingsambtenaar geen deugdelijke verzendadministratie heeft overgelegd, niet aannemelijk is gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 is verstuurd. Het beroepschrift is ingediend zes weken nadat belanghebbende kennis had genomen van de uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank was er onvoldoende aanleiding om het indienen van een beroepschrift na pas zes weken redelijk te vinden.\n\n4.2.. Volgens de heffingsambtenaar moet ervan uit worden gegaan dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar meteen heeft ontvangen. Op 24 december 2021 is een bulk van 3.636 uitspraken bij [mail] aangeboden, waaronder de onderhavige uitspraak op bezwaar. Belanghebbende had ook een pro-forma beroepschrift kunnen indienen, aldus de heffingsambtenaar.\n\n4.3.. Belanghebbende betwist dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 is verstuurd. Hij heeft de uitspraak op bezwaar pas op 8 februari 2022 onder ogen gekregen en de beroepstermijn ving toen aan. Het beroepschrift is op 22 maart 2022, binnen zes weken na de aanvang van de beroepstermijn en dus tijdig ingediend. De rechtbank had het beroep ontvankelijk moeten verklaren, aldus belanghebbende.\n\nDe wet\n\n4.4.. In de wet is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.\n\n4.5.. De bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan belanghebbende.\n\nToezending aan belanghebbende\n\n4.6.. Belanghebbende betwist dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 aan hem is toegestuurd. Hij betwist dan ook de verzending daarvan. Voor dat geval is het aan de heffingsambtenaar om die verzending aannemelijk te maken.\n\n4.7.. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 aan belanghebbende is verzonden. Uit de overgelegde printscreen van de verzendadministratie van de bulk van 3.636 uitspraken kan niet worden afgeleid dat de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk aan [mail] is aangeboden en dat de verzending heeft plaatsgevonden.De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat dit niet verder aannemelijk kan worden gemaakt, omdat een nadere specifieke verzendadministratie met betrekking tot de uitspraak op bezwaar zelf ontbreekt.4.8.. Nu ook overigens niet kan worden vastgesteld wanneer de uitspraak op bezwaar is verzonden, moet ervan worden uitgegaan dat deze niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In dat geval moet worden aangenomen dat belanghebbende pas in de gelegenheid is geweest om kennis te nemen van de uitspraak op bezwaar op de dag waarop hij een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen en de beroepstermijn van zes weken pas op die dag aanvangt.In dat geval geldt niet de eis dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ingesteld.\n\nBeroep binnen zes weken\n\n4.9.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op 8 februari 2022 feitelijk kennis heeft genomen van de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroepschrift is ingediend binnen zes weken na die datum, waarop belanghebbende een afschrift van de uitspraak onder ogen kreeg, is het beroep ten onrechte wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk verklaard.\n\n4.10.. Nu het beroepschrift niet na overschrijding van de beroepstermijn is ingediend, is de vraag of het van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om een pro-forma beroepschrift in te dienen, waarin nog niet de gronden van het beroep zijn opgenomen, niet relevant.\n\nWaarde niet in geschil4.11.. Belanghebbende heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de rechtbank het beroep ontvankelijk had moeten verklaren. Dit kan echter niet tot een gegrond hoger beroep leiden omdat de waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil is. Het hof zal het hoger beroep daarom ongegrond verklaren.\n\nTussenconclusie\n\n4.12.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.13.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.14.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof verklaart het hoger beroep ongegrond.\n\nDe uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw M.E. Smorenburg\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\n Artikel 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Artikel 6:9, lid 1, Awb.\n\n Artikel 3:41 Awb.\n\n Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, onder 2.4.4.\n\n Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175, onder 2.2.3.\n\n Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, onder 2.3.1 en Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, onder 2.4.4.\n\n Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, onder 2.3.1.\n\n Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960 onder 2.3.2.\n\nHoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, onder 4.2.4.\n\n Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1283, onder 2.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1450","2026-07-13T00:28:51.483Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":107,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":109},"861","ECLI:NL:GHSHE:2026:1468","ecli-nl-ghshe-2026-1468","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F957\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 mei 2024, nummer SHE 23\u002F1124 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde invorderingsambtenaar van de gemeente Helmond,\n\nhierna: de invorderingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De invorderingsambtenaar heeft belanghebbende aangemaand om een naheffingsaanslag parkeerbelasting te betalen. Daarbij is € 8 aan aanmaningskosten in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De invorderingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Aan belanghebbende zijn aanmaningskosten van € 8 in rekening gebracht wegens het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de aanmaningskosten gegrond verklaard en geoordeeld dat deze ten onrechte in rekening zijn gebracht.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de invorderingsambtenaar veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van belanghebbende in de bezwaar- en beroepsfase.\n\nDe rechtbank heeft met betrekking tot de proceskostenvergoeding in haar uitspraak onder r.o. 6 overwogen:\n\n“Nu het beroep van eiseres gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de invorderingsambtenaar te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten van eiseres in de bezwaar- en beroepsfase. Dit levert op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de bezwaarfase 2 punten op (à € 296) en voor de beroepsfase 1 punt (à € 875) met wegingsfactor 1. De rechtbank ziet, gelet op bijzondere omstandigheden die zich voordoen, aanleiding deze proceskostenvergoeding te matigen. Het belang dat in deze zaak kan worden nagestreefd is namelijk slechts € 8,-. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ziet in dergelijke gevallen aanleiding om een wegingsfactor 0,5 te hanteren.Daarbij komt dat de gemachtigde van eiseres rechtsbijstand verleent in een veelvoud van soortgelijke invorderingszaken over dezelfde geschilpunten, met dezelfde juridische argumenten over de verzendadministratie. Daarnaast zijn zowel het bezwaar- als beroepsschrift van eiseres (dat door haar gemachtigde is opgesteld) van zeer algemene aard en standaardmatig. Als met deze omstandigheden geen rekening zou worden gehouden, dan leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Daarom zijn er niet alleen redenen om de wegingsfactor aan te passen naar 0,5 maar ook bijzondere omstandigheden aan te nemen zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank stelt het door de invorderingsambtenaar te betalen bedrag aan proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase vast op € 200.”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft de hoogte van de aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en een vergoeding van de kosten die in deze procedure redelijkerwijs zijn gemaakt. De invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Belanghebbende stelt dat voor de kostenvergoeding in de bezwaarfase ten onrechte is uitgegaan van een te laag tarief per punt. Het tarief dient op grond van onderdeel B2 punt 2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht € 624 te bedragen. Verder stelt hij dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de proceskostenvergoeding gematigd moet worden. Ook is het financiële belang geen reden om af te wijken van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).\n\n4.2.. Het hof leidt uit de stukken af dat tussen partijen niet in geschil is dat voor de bezwaarfase twee punten moeten worden toegekend en voor de beroepsfase één punt (belanghebbende is niet ter zitting verschenen). Verder leidt het hof uit de stukken af dat tussen partijen niet in geschil is dat kan worden uitgegaan van een wegingsfactor 0,5.\n\n4.3.. Met betrekking tot het door de rechtbank gehanteerde tarief voor de kostenvergoeding in de bezwaarfase is het hof van oordeel dat belanghebbende in het gelijk moet worden gesteld. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een tarief van € 296 per punt. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juli 2024heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Bpb buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het onderscheid in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen naar een tarief per punt van € 666 (tarief 2026). Dit leidt echter niet tot een gegrond hoger beroep gelet op hetgeen hierna is overwogen.\n\n4.4.. \n\nMet betrekking tot de matiging van de proceskostenvergoeding op de grond dat sprake is van bijzondere omstandigheden overweegt het hof als volgt.\n\nIn artikel 2, lid 3, Bpb is bepaald dat de rechter in bijzondere omstandigheden kan afwijken van de forfaitaire of gelimiteerde tariefstelling als bedoeld in artikel 2, lid 1, Bpb.\n\nHet hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep aanvullend nog heeft aangevoerd, werpt geen nieuw of ander licht op de zaak. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende betoogt is het hof van oordeel dat in dit geval rekening moeten worden gehouden met de omstandigheid dat het geschil betrekking had op een zeer gering financieel belang. Het hof verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 11 juli 2025.\n\n4.5.. Indien met deze bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan het puntensysteem zoals opgenomen in het Bpb, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Het hof acht dit onwenselijk gelet op het doel en de strekking van het Bpb. De vergoedingen op grond van het Bpb hebben immers het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.Het hof wijkt daarom af van het puntensysteem en stelt de kostenvergoeding, zoals de rechtbank terecht heeft gedaan, voor de bezwaar- en beroepsfase vast op € 200.\n\nTussenconclusie\n\n4.6.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.7.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.8.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Vergelijk: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9827.\n\n ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, zie r.o. 4.6.4.3. onder b en c.\n\n Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.\n\n Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o 4.6.\n\n Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o 4.3 tot en met 4.6.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1468","2026-07-13T00:28:51.760Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":114,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":116},"947","ECLI:NL:GHSHE:2026:1434","ecli-nl-ghshe-2026-1434","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F771\n\nUitspraak op het incidentele hoger beroep van\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk,\n\nhierna: de heffingsambtenaar,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 april 2023, nummer BRE 21\u002F117, in het geding tussen\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\nen\n\nde heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft vervolgens het hoger beroep ingetrokken.\n\n1.7.. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. De rechtbank heeft de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting in stand gelaten. Zij heeft wel geoordeeld dat sprake is van schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd en om die reden een proceskostenveroordeling uitgesproken. Zij heeft daarover overwogen:\n\n“10. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837, en een wegingsfactor 1). De heffingsambtenaar dient tevens het griffierecht van € 49 te vergoeden.”\n\n2.2.. De rechtbank heeft ook een vergoeding van immateriële schade toegewezen wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\ni. is sprake van (veronderstelde) spanning en frustratie bij belanghebbende op grond waarvan terecht een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende is toegekend?\n\nii. heeft de rechtbank terecht een proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend?\n\n3.2.. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de vergoeding van immateriële schade en toekenning van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4Gronden\n\n4.1.. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van spanning en frustratie zodat een vergoeding van immateriële schade niet op zijn plaats is.\n\n4.2.. Het hof overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in belastingzaken, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, wordt verondersteld dat de belanghebbende daardoor immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.Van bijzondere omstandigheden is het hof in het onderhavige geval niet gebleken.\n\n4.3.. Voor de vraag of iemand recht heeft op toekenning van een vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is niet relevant of de belanghebbende daadwerkelijk immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie heeft geleden.\n\n4.4.. Verder staat volgens de Hoge Raad aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in de weg dat aan de belanghebbende bijstand is verleend op basis van no cure no pay. Evenmin staat daaraan in de weg dat belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald.\n\n4.5.. De rechtbank heeft dus terecht een vergoeding van immateriële schade toegekend aan belanghebbende. Het betoog van de heffingsambtenaar slaagt niet.\n\nProceskostenvergoeding\n\n4.6.. De heffingsambtenaar betoogt dat de rechtbank ten onrechte een proceskostenvergoeding heeft uitgesproken omdat deze slechts is gebaseerd op de omstandigheid dat een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn is toegekend. Ook is ten onrechte een wegingsfactor 1 toegepast, aldus de heffingsambtenaar.\n\n4.7.. De rechtbank heeft de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het hof stelt vast dat de rechtbank in verband met toepassing van artikel 6:22 Awb aan belanghebbende een proceskostenvergoeding heeft toegekend en niet in verband met het toekennen van een immateriële schadevergoeding, zoals de heffingsambtenaar verondersteld. Indien de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt gepasseerd en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in beginsel recht op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding. Alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden kan de rechter afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechter moet in zo’n geval motiveren waarom hij daarvan afziet.\n\n4.8.. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden een proceskostenvergoeding aan belanghebbende heeft toegekend. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor het afzien daarvan is niet gebleken. Het betoog van de heffingsambtenaar faalt in zoverre.\n\n4.9.. De heffingsambtenaar stelt dat ten onrechte een wegingsfactor 1 is toegepast, en dat deze 0,5 moet bedragen. Het hof stelt voorop dat ten aanzien van de toekenning van een proceskostenvergoeding de beoordelende instantie zelfstandig, op grond van een eigen waardering, dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Indien, zoals in dit geval, in hoger beroep wordt geklaagd over een door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding, toetst het hof ten volle de proceskostenvergoeding van de vorige procesfase. Deze toets ziet ook op het gewicht van de zaak.\n\n4.10.. In deze zaak speelden in eerste aanleg verschillende geschilpunten, waaronder de schending van de toezendplicht zoals bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De rechtbank heeft belanghebbende alleen ten aanzien van schending van de toezendplicht in het gelijk gesteld. Het hof ziet in de geschilpunten die bij de rechtbank voorlagen en de inhoudelijke behandeling daarvan, geen aanleiding om uit te gaan van een lager dan gemiddeld gewicht, en daarmee van een lagere wegingsfactor dan 1. Dit neemt niet weg dat gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 2, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), de proceskostenvergoeding kan worden gematigd. Dat kan als een belanghebbende uitsluitend in het gelijk wordt gesteld op een punt van ondergeschikt belang.Het hof ziet in de omstandigheid dat het beroep in eerste aanleg alleen voor wat betreft de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geslaagd, geen aanleiding om de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2, Bpb te matigen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het geschilpunt omtrent de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet van ondergeschikt belang was en er tevens een inhoudelijk debat is gevoerd over de WOZ-waarde. Een matiging van de proceskosten zou dan – gelet op de specifieke omstandigheden van deze zaak – te veel afbreuk doen aan de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener en het belang van de zaak. Dit betekent dat ook dit betoog van de heffingsambtenaar faalt en dat diens incidentele hoger beroep ongegrond moet worden verklaard.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het incidentele hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13.. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het incidenteel beroep bij het hof omdat het door de heffingsambtenaar ingestelde incidentele hoger beroep ongegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 punt x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak), is in totaal € 233,50.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nVergoeding van immateriële schade5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 233,50.\n\nDe uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw M.E. Smorenburg\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.1.\n\n Zie ook gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 februari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:345, r.o. 4.3.5.\n\n Vgl. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965.\n\n Hoge Raad 25 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.\n\n Vgl. Hoge Raad 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.\n\n Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1447.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1434","2026-07-13T00:28:56.209Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":121,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":123},"948","ECLI:NL:GHSHE:2026:1432","ecli-nl-ghshe-2026-1432","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F1441\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 6 september 2023, nummer ROE 23\u002F671 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend maar verwezen naar de stukken zoals deze in de loop van de bezwaarprocedure en bij de rechtbank reeds zijn ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2 Feiten\n\n2.1.. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken] die op 8 november 2022 omstreeks 15:48 uur geparkeerd stond aan [adres] in [plaats] .\n\n2.2.. Een parkeercontroleur van de gemeente heeft op de hiervoor vermelde datum en tijdstip geconstateerd dat achter de voorruit geen parkeerkaartje zichtbaar was. Hij heeft daarop aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag) ten bedrage van € 67,50, bestaande uit € 1 aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten voor de naheffingsaanslag.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op 8 november 2022 omstreeks 15:48 uur geparkeerd stond aan [adres] in [plaats] en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.\n\n4.2.. Belanghebbende stelt dat zij de verschuldigde parkeerbelasting wel degelijk heeft voldaan en heeft bij haar bezwaarschrift een parkeerbonnetje van 8 november 2022 overgelegd waarop een aankomsttijd van 15:24 uur staat vermeld en een eindtijd van 15:54 uur. Het bonnetje vermeldt een betaald bedrag van € 0,50. Belanghebbende heeft verklaard dit bedrag contant te hebben voldaan via de parkeerautomaat. Belanghebbende stelt dat dit parkeerkaartje met het sluiten van de autodeur op de grond moet zijn gevallen omdat zij deze bij terugkomst op de vloer van haar auto aan de bestuurderskant aantrof.\n\n4.3.. Het hof overweegt dat naheffing alleen mogelijk is indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, waardoor te weinig belasting is geheven.Van belang is dus of de verschuldigde belasting is betaald en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan.Het enkele feit dat een parkeerbonnetje niet zichtbaar achter de voorruit ligt, is dus onvoldoende voor het opleggen van een naheffingsaanslag. De bewijslast dat de verschuldigde belasting niet is betaald rust op de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft het brondocument overgelegd waarin wordt aangegeven dat is geparkeerd zonder zichtbaar geldig kaartje en heeft fotomateriaal bijgevoegd waarop geen parkeerkaartje in de auto zichtbaar is. In het algemeen kan dit toereikend worden geacht en heeft de heffingsambtenaar daarmee voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan.\n\n4.4.. \n\nHet ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om bewijs aan te dragen voor haar stelling dat zij de verschuldigde parkeerbelasting wel heeft voldaan. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar stelling in bezwaar en beroep een kopie van het parkeerkaartje overgelegd. Het hof stelt vast dat de datum en de parkeertijd op het kaartje overeenkomen met de datum en het tijdstip waarop de naheffingsaanslag is opgelegd.\n\nHet hof is echter van oordeel dat het door belanghebbende achteraf overleggen van een parkeerkaartje op zichzelf onvoldoende bewijs vormt dat belanghebbende heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling van de parkeerbelasting, omdat een directe link tussen het overgelegde parkeerkaartje en belanghebbende ontbreekt. Het hof kan hierdoor niet uitsluiten dat het parkeerkaartje op andere wijze – bijvoorbeeld door een derde - is verkregen. Dit betekent dat meer nodig is dan het enkel achteraf overleggen van een parkeerkaartje om het hof ervan te overtuigen dat aan de betalingsverplichting is voldaan. Nu door belanghebbende geen aanvullend bewijs is ingebracht is het hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de verplichting om parkeerbelasting te betalen is voldaan. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is daarom terecht aan belanghebbende opgelegd.\n\nTussenconclusie\n\n4.5.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.6.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.7.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 20, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Hoge Raad 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1593.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1432","2026-07-13T00:28:56.244Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":128,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":130},"952","ECLI:NL:GHSHE:2026:1441","ecli-nl-ghshe-2026-1441","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F292\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 januari 2024, nummer BRE 23\u002F3398 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen belanghebbende. Voor de zitting heeft de heffingsambtenaar laten weten dat hij niet zal verschijnen.\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, omdat diens auto met kenteken [kenteken] op 11 april 2023 omstreeks 16.37 uur stil stond aan [adres] te [woonplaats] . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.\n\n2.2.. Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 69,25 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,20 en € 68,05 aan kosten van de naheffingsaanslag.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de vraag of toepassing van de menselijke maat het opleggen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting in het onderhavige geval verhindert.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Belanghebbende voert aan dat hij slechts voor een zeer korte periode heeft geparkeerd, omdat zijn kleindochter de hockeytas was vergeten en dat zij tot doel hadden tijdig bij de hockeytraining aanwezig te zijn. Belanghebbende is van mening dat, onder deze omstandigheden, toepassing van de menselijke maat noopt tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat er geen ruimte is geweest om de omstandigheden van zijn geval toe te kunnen lichten aan de heffingsambtenaar. Het hof begrijpt het betoog van belanghebbende als een beroep op het evenredigheidsbeginsel.\n\n4.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende heeft geparkeerd op een locatie waar betaald parkeren geldt en dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan.\n\n4.3.. Over de toepassing van evenredigheidsbeginsel bij het heffen van parkeerbelasting is door een rechtbank een vraag aan de Hoge Raad gesteld. De rechtbank wilde van de Hoge Raad weten of het bedrag van de kosten door de rechter mag worden verminderd, als de rechter tot het oordeel komt dat dit bedrag te hoog is in verhouding tot het verwijt dat iemand in een bepaald geval kan worden gemaakt door geen parkeerbelasting te betalen. De Hoge Raad heeft bij prejudiciële beslissing van 25 oktober 2024 als volgt geantwoord:\n\n“5.6.1. Voor zover de Rechtbank met de vierde vraag wenst te vernemen in hoeverre de in die vraag bedoelde beoordeling van besluiten tot het naheffen van parkeerbelasting met kostenopslag in een individueel geval kan plaatsvinden door toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, overweegt de Hoge Raad als volgt.\n\n5.6.2.. Zowel het besluit tot naheffing van verschuldigde parkeerbelasting die niet is voldaan, als het besluit om daarbij de aan het opleggen van de naheffingsaanslag verbonden kosten tot het wettelijke maximumbedrag in rekening te brengen, berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een wet in formele zin. Dergelijke besluiten kunnen slechts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur voor zover zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarbij gaat het onder meer om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.\n\n5.6.3.. Met het invoeren van de mogelijkheid voor gemeenten om bij de naheffing van parkeerbelasting tevens een vast, wettelijk gemaximeerd bedrag in rekening te brengen tot verhaal van de met die naheffing gemoeide kosten, heeft de wetgever beoogd de gemeenten in staat te stellen op een efficiënte en financieel verantwoorde wijze hun parkeerbeleid te realiseren.\n\n5.6.4.. Zoals de Advocaat-Generaal uiteen heeft gezet in de onderdelen 13.55 en 13.57 van zijn conclusie, heeft de wetgever daarbij onder ogen gezien dat een besluit tot naheffing van parkeerbelasting met een kostenopslag en de omvang van het in rekening te brengen bedrag aan kosten niet afhankelijk zijn van de mate van verwijtbaarheid van de aan de naheffing ten grondslag liggende gedraging of van de overige omstandigheden van het geval. Buiten [bepaalde] situaties, waarin naheffing met kostenopslag niet is toegestaan, kan daarom niet worden gezegd dat in gevallen van ontbrekende of geringe verwijtbaarheid en in gevallen waarin het bedrag van de kostenopslag naar het oordeel van de rechter niet passend en geboden zou zijn, sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Het evenredigheidsbeginsel kan daarom in die gevallen niet tot gevolg hebben dat de heffingsambtenaar bij zijn besluitvorming de wettelijke regeling geheel of ten dele buiten toepassing moet laten.\n\n5.6.5. […]. Voor zover vraag 4 tevens betrekking heeft op de toetsing van de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting met de daaraan verbonden kosten aan het evenredigheidsbeginsel, moet vraag 4 aldus worden beantwoord dat deze toetsing […] niet aan de orde is in gevallen van ontbrekende of geringe verwijtbaarheid en evenmin in gevallen waarin het bedrag van de kostenopslag naar het oordeel van de rechter niet passend en geboden zou zijn.”\n\n4.4.. Kort samengevat volgt uit het antwoord van de Hoge Raad dat de heffingsambtenaar noch de belastingrechter in het geval van belanghebbende kunnen toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.\n\n4.5.. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 3.6 van haar uitspraak juist heeft geoordeeld is niet van belang dat belanghebbende voor slechts korte duur heeft geparkeerd. Ook het gegeven dat belanghebbende - vanwege de haast om tijdig bij de training van zijn kleindochter te kunnen zijn - over het hoofd heeft gezien dat op de desbetreffende plek betaald parkeren geldt, kan hem niet baten. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de wet onder ogen gezien dat dit soort gevallen van geringe verwijtbaarheid er kunnen zijn, maar heeft gekozen om de gemeenten ook dan de mogelijkheid te geven tot het in rekening brengen van een vast (wettelijk gemaximeerd) bedrag. Het hof heeft dan geen ruimte om op grond van het evenredigheidsbeginsel de kosten, en daarmee de naheffingsaanslag, te verlagen.\n\n4.6.. Het hof verenigt zich dan ook met de beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (rechtsoverwegingen 3.6 t\u002Fm 3.8) tot de zijne. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nTussenconclusie\n\n4.7.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.8.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.9.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 junim 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n ECLI:NL:HR:2024:1535.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1441","2026-07-13T00:28:56.377Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":43,"courtId":135,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":51,"updatedAt":140},"1987","ECLI:NL:RBROT:2026:7840","ecli-nl-rbrot-2026-7840",59,"2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nZittingsplaats Dordrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ROT 24\u002F7602 en ROT 24\u002F7603\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen\n [naam 1] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht\n\n(gemachtigde: mr. R.H. Kastelein).\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Met de beschikking van 31 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [straatnaam] in [locatie 1] (de woning) per de waardepeildatum van 1 januari 2023 vastgesteld op € 195.000,- op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag onroerendezaakbelasting voor het belastingjaar 2024 opgelegd.\n\n1.2.. Met de beschikking van 30 april 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser voor het belastingjaar 2024 een aanslag riool- en afvalstoffenheffing opgelegd.\n\n1.3.. Met de uitspraak op bezwaar van 25 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 31 mei 2024 ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Met de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 30 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.5.. Eiser heeft beroepen ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 25 juni 2024 (ROT 24\u002F7602) en de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 (ROT 24\u002F7603).\n\n1.6.. De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op de zitting van 20 mei 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [naam 2] , taxateur.\n\nFeiten\n\n2. Eiser is eigenaar van de woning [straatnaam] in [locatie 1] . Het is een hoekwoning met een woonoppervlakte van 52 m² en een grondoppervlakte van 189 m². De woning beschikt over een berging\u002Fschuur. Het bouwjaar is 1977.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWOZ-waarde (ROT 24\u002F7602)\n\n3. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. Volgens eiser bedraagt de waarde van de woning € 185.000,-. De door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn van een andere prijsklasse en qua woonoppervlakte niet vergelijkbaar met zijn woning. Daarnaast is de taxateur die de WOZ-waarde van de woning heeft vastgesteld bij de gemeente in dienst, zodat sprake is van belangenverstrengeling. Er is nooit een taxateur bij eiser thuis geweest. Het opgestelde taxatierapport voor het belastingjaar 2024 is hetzelfde als het taxatierapport voor het belastingjaar 2022. Dat de gemeente het tarief van de onroerendezaakbelasting zelf mag bepalen, is in strijd is met de wet. Bovendien wordt de straat van eiser niet goed schoongemaakt, terwijl de opbrengsten van de onroerendezaakbelastingen daar wel aan zou moeten worden besteed.\n\n3.1.. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Aan een onroerende zaak wordt een waarde toegekend.Deze waarde is gelijk aan de prijs die de meestbiedende koper zou betalen bij een verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.\n\n3.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. De waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woningen en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De heffingsambtenaar heeft in beroep de woning vergeleken met vijf vergelijkingsobjecten, namelijk [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 4] in [locatie 1] . De vergelijkingsobjecten zijn gelegen in dezelfde wijk als de woning en hebben een vergelijkbaar bouwjaar. Net als de woning hebben de vergelijkingsobjecten een relatief kleinere woonoppervlakte en een relatief grotere perceeloppervlakte. De vergelijkingsobjecten zijn daarom bruikbaar bij de waardering. Anders dan eiser betoogt, hoeven de vergelijkingsobjecten niet identiek te zijn aan de te waarderen woning. Uit de taxatiematrix blijkt dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, zowel wat betreft de ondergemiddelde voorzieningen en staat van onderhoud van de woning als de verschillen in woon- en perceeloppervlakte tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Voor zover het perceel van de woning groter is dan de gemiddelde perceeloppervlakte van de vergelijkingsobjecten, heeft de heffingsambtenaar daaraan geen waarde toegekend.3.3.. Wat eiser verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De heffingsambtenaar is niet verplicht een inpandige opname van de woning van eiser te doen. Dat de taxateur van de heffingsambtenaar in dienst is van de gemeente Dordrecht, doet geen afbreuk aan de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld, omdat het taxatierapport inzichtelijk en transparant de waarde van de woning onderbouwt. De heffingsambtenaar heeft betwist dat het taxatierapport voor het belastingjaar 2024 gelijk is aan dat van 2022. Eiser heeft het taxatierapport voor het belastingjaar 2022 niet overgelegd, zodat de rechtbank de stelling van eiser niet kan controleren. De gemeenteraad is bevoegd het tarief van de onroerendezaakbelasting vast te stellen.Anders dan bij de heffing van gemeentelijke rechten, zoals bedrijfsreinigingsrechten, is de gemeente Dordrecht geen tegenprestatie verschuldigd voor de onroerendezaakbelasting.Dat de straat van eiser volgens hem niet schoon genoeg is, tast de bevoegdheid van de heffingsambtenaar om een aanslag onroerendezaakbelasting op te leggen dus niet aan.\n\n3.4.. \n\nOp verzoek van eiser overweegt de rechtbank ter voorlichting als volgt. Het staat iemand die het niet eens is met de WOZ-waarde van zijn woning vrij om op eigen kosten een taxatie van de woning te laten verrichten. Als de rechtbank in beroep tot het oordeel komt dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, dan kan de rechtbank bepalen dat de heffingsambtenaar de taxatiekosten geheel of gedeeltelijk moet vergoeden. Daarbij past de rechtbank het Besluit proceskosten bestuursrecht toe. Aanslag riool- en afvalstoffenheffing (ROT 24\u002F7603)\n\n4. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij de aanslag riool- en afvalstoffenheffing, met dagtekening 30 april 2024, gelijktijdig heeft ontvangen met de aanslag onroerendezaakbelasting, met dagtekening 31 mei 2024. Eiser heeft vervolgens tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt op 12 juni 2024. Verder is eiser het er niet mee eens dat hij zowel rioolheffing betaalt als eigenaar en als gebruiker van de woning.\n\n4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De heffingsambtenaar heeft geen verzendadministratie overgelegd van de aanslag riool- en afvalstoffenheffing. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser die aanslag inderdaad gelijktijdig heeft ontvangen met de aanslag onroerendezaakbelasting. Dat betekent dat eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag riool- en afvalstoffenheffing. Het beroep is gegrond en de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 zal worden vernietigd.\n\n4.2.. Eiser heeft de rechtbank verzocht een inhoudelijk oordeel te geven over de zaak.De rechtbank verwijst de zaak daarom niet terug naar de heffingsambtenaar, maar zal zelf in de zaak voorzien.4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht een aanslag rioolheffing eigenaren en een aanslag rioolheffing gebruikers aan eiser opgelegd. Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet mogen twee soorten rioolheffing worden geheven, ter zake van, kort gezegd, huishoudelijk afvalwater en afvloeiend hemelwater. Op grond van artikel 3 van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2024 van de gemeente Dordrecht wordt de rioolheffing inzake huishoudelijk afvalwater geheven van eigenaren van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Op grond van dezelfde bepaling wordt de rioolheffing inzake afvloeiend hemelwater geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Eiser is eigenaar en gebruiker van het perceel. Hij heeft niet betwist dat zijn perceel is aangesloten op de gemeentelijke riolering en dat vanuit zijn perceel water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. De aanslagen zijn daarom terecht opgelegd.\n\n4.4.. Het voorgaande betekent dat het bezwaar van eiser tegen de aanslag riool- en afvalstoffenheffing ongegrond moet worden verklaard. Conclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep in de zaak ROT 24\u002F7602 is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde hetzelfde blijft. Eiser krijgt het griffierecht in deze zaak niet terug.\n\n6. Het beroep in de zaak ROT 24\u002F7603 is gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 vernietigen. De heffingsambtenaar moet in deze zaak het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren. Dat betekent dat de aanslag riool- en afvalstoffenheffing in stand blijft.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep in de zaak ROT 24\u002F7602 ongegrond;\n\nverklaart het beroep in de zaak ROT 24\u002F7603 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024;\n\nverklaart het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 30 april 2024 ongegrond;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ.\n\nKamerstukken II1992\u002F93, 22885, nr. 3, p. 44.\n\n HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n Artikel 220f, eerste lid, van de Gemeentewet.\n\n Vgl. artikel 229 van de Gemeentewet.\n\n Vgl. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7330.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7840","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:48.536Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":136,"fullText":145,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":51,"updatedAt":148},"1995","ECLI:NL:RBROT:2026:6165","ecli-nl-rbrot-2026-6165","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F6064\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen\n [naam] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam\n\n(gemachtigde: mr. R.P.M.M. Mols).\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 29 september 2023 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [adres] MO001 voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 562.000,- op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en aanslagen onroerendezaakbelasting aan eiser opgelegd.\n\n1.1.. Met de uitspraak op bezwaar van 21 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen het besluit van 29 september 2023 ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 13 maart 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van de uitspraak op bezwaar\n\n2. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak. Het is een kantoorpand uit 1908 met een vloeroppervlakte van 237 m². De heffingsambtenaar heeft de onroerende zaak aangemerkt als niet-woning en aan eiser aanslagen onroerendezaakbelasting voor eigenaren en gebruikers van een niet-woning opgelegd. Met de uitspraak op bezwaar is de heffingsambtenaar daarbij gebleven.\n\nObjectafbakening\n\n3. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar de onroerende zaak onjuist heeft afgebakend. De onroerende zaak bestaat uit drie verdiepingen, die aan verschillende bedrijven worden verhuurd. Iedere verdieping moet als een afzonderlijk WOZ-object worden beschouwd.\n\n3.1.. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Voor de toepassing van de Wet WOZ wordt als één onroerende zaak aangemerkt een gedeelte van een eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt.Om als afzonderlijk geheel te kunnen worden gebruikt, moet het gedeelte redelijk afsluitbaar zijn en zo kunnen worden gescheiden van de overige gedeelten van het gebouw.Bij een gebouwd eigendom dat als kantoor wordt gebruikt, is vereist dat dit gedeelte over alle voor een kantoorruimte noodzakelijke voorzieningen beschikt, waaronder een toiletvoorziening.\n\n3.2.. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De onroerende zaak heeft drie verdiepingen. Iedere verdieping wordt aan een ander bedrijf verhuurd. Op iedere verdieping is een toiletvoorziening aanwezig. Deze voorzieningen zijn bereikbaar via het gemeenschappelijke trappenhuis. De kantoorruimtes op iedere verdieping zijn afsluitbaar, maar de toiletvoorzieningen bevinden zich in het niet-afsluitbare gedeelte van het gemeenschappelijke trappenhuis.\n\n3.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de onroerende zaak juist afgebakend. De verdiepingen zijn niet blijkens hun indeling bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Het afsluitbare gedeelte van de kantoorruimtes beschikt niet over alle noodzakelijke voorzieningen, nu de toiletvoorzieningen per verdieping zijn gelegen op het niet-afsluitbare gedeelte van het gemeenschappelijke trappenhuis. Om als afzonderlijke geheel te kunnen gelden in de zin van de Wet WOZ, moet de toiletvoorziening zich bevinden in het afsluitbare gedeelte van de kantoorruimte. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers\n\n4. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar ten onrechte aan hem een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers heeft opgelegd. Hij is eigenaar van het hele pand, maar alle verdiepingen worden verhuurd, waarvan slechts één verdieping aan het bedrijf van eiser.\n\n4.1.. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken kan onder de naam onroerende-zaakbelastingen worden geheven een belasting van degenen die onroerende zaken gebruiken.Bij de gebruikersbelasting wordt gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers terecht aan eiser opgelegd. Eiser heeft de verdiepingen in gebruik gegeven aan zijn huurders. Op grond van de Verordening wordt eiser dan aangemerkt als gebruiker voor de gebruikersbelasting en is hij bevoegd die belasting te verhalen op zijn huurders. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBelastingtarief voor niet-woningen\n\n5. Eiser is het niet eens met het belastingtarief voor niet-woningen. Het verschil tussen de aanslag onroerendezaakbelasting voor het belastingjaar 2022 en het belastingjaar 2023 is onevenredig. Dit grote verschil is volgens eiser ingegeven door winstbejag van de gemeente en gefabriceerd om kosten te dekken. De naastgelegen woningen, die ook deels bedrijfsruimten zijn, zijn voor een veel lagere bedrag aangeslagen. Daarmee is sprake van rechtsongelijkheid.\n\n5.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd tegen het belastingtarief voor niet-woningen. De onroerende zaak van eiser is aangemerkt als niet-woning en eiser heeft die kwalificatie niet betwist. Voor een niet-woning geldt het tarief van 0,3682% van de WOZ-waarde.De heffingsambtenaar heeft onbetwist gesteld dat de naastgelegen panden zijn aangemerkt als woning, waarvoor het lagere tarief van 0,0652% van de WOZ-waarde geldt. De gemeenteraad is grotendeels vrij in het vaststellen van de tarieven van de onroerendezaakbelastingen.Niet is gebleken van een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad bij het toekennen van de bevoegdheid om onroerendezaakbelastingen in te voeren. Evenmin is gebleken dat de nadelige gevolgen van het tarief voor niet-woningen onevenredig zijn in verhouding tot de met de tariefstelling te dienen doelen.De enkele stelling dat de aanslag onroerendezaakbelasting in het belastingjaar 2023 hoger is dan in het belastingjaar 2022, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nWOZ-waarde\n\n6. Eiser heeft op de zitting herhaaldelijk verklaard dat hij het eens is met de WOZ-waarde die de heffingsambtenaar heeft vastgesteld. Eiser handhaaft echter zijn bezwaren tegen de waarderingsmethoden die de heffingsambtenaar heeft gebruikt. Eiser is het ook niet eens met de kwalificatie van de onroerende zaak als monument. De rechtbank laat de bezwaren van eiser tegen de gebruikte waarderingsmethoden onbesproken, omdat eiser bij een bespreking geen belang heeft, nu hij het eens is met de vastgestelde WOZ-waarde. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat met de uitspraak op bezwaar geen monumentale status aan de onroerende zaak van eiser is toegekend, maar dat bij de waardering slechts is gezocht naar objecten die, net als de onroerende zaak, een monumentale uitstraling hebben. Conclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T.M. Helleman, griffier. Uitgesproken op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 16, aanhef en onder c, van de Wet WOZ.\n\n HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6698.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2105.\n\n Artikel 220, aanhef en onder a, van de Gemeentewet.\n\n Artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening onroerende-zaakbelasting 2023 van de gemeente Rotterdam (de Verordening).\n\n Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening.\n\n Artikel 219, tweede lid, en artikel 220f, eerste lid, van de Gemeentewet.\n\n Vgl. Hof Den Haag 31 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:114.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6165","2026-05-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.187Z",{"id":150,"ecli":151,"slug":152,"caseNumber":43,"courtId":153,"decisionDate":154,"fullText":155,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":157,"parsedAt":51,"updatedAt":158},"1502","ECLI:NL:RBLIM:2026:5000","ecli-nl-rblim-2026-5000",74,"2026-05-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 1846\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , wonend te [woonplaats] , belanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,de heffingsambtenaar (gemachtigden: A. van den Dool en L. Westhovens).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit met dagtekening 25 februari 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar aanslagen onroerende zaakbelasting gebruiker, rioolheffing gebruik (waterverbruik), zuiveringsheffing bedrijven en reclamebelasting (hierna: de aanslagen) opgelegd voor de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nBij besluit van 3 augustus 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslagen rioolheffing gebruik (waterverbruik) en reclamebelasting verlaagd.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\nBelanghebbende heeft op 16 september 2025 een nader stuk ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Belanghebbende is in persoon ter zitting verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\n1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar ten onrechte de aanslagen heeft opgelegd omdat de onderneming aan het begin van het belastingjaar 2025 was beëindigd.\n\n2. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de aanslagen terecht zijn opgelegd omdat de huurovereenkomst nog twee maanden na het begin van het belastingjaar doorliep.\n\n3. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de aanslagen rioolheffing gebruik (waterverbruik) en zuiveringsheffing bedrijven niet meer in geschil zijn. Derhalve zijn enkel nog de aanslagen onroerende zaakbelasting gebruiker en reclamebelasting in geschil.\n\n4. De rechtbank oordeelt als volgt.\n\n5. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende de onroerende zaak heeft gehuurd voor zijn onderneming ‘ [handelsnaam] ’. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming op 31 december 2024 is beëindigd en dat de huurovereenkomst op 28 februari 2025 is beëindigd. Evenmin is tussen partijen in geschil dat in de periode tussen voornoemde datums de onroerende zaak enkel nog werd ontruimd zodat deze leeg kon worden opgeleverd.\n\nOnroerende zaakbelasting gebruiker\n\n6. Naar de rechtbank begrijpt, betwist belanghebbende dat hij als ‘gebruiker’ van de onroerende zaak kan worden aangemerkt.\n\n7. Ingevolge artikel 220, aanhef en onder a, van de Gemeentewet wordt, ter zake van de binnen de gemeente gelegen onroerende zaken, onder de naam onroerende-zaakbelastingen een belasting geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruiken.\n\n8. In de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2025 van de gemeente Valkenburg aan de Geul (hierna: Verordening OZB) is – voor zover van belang – het volgende bepaald.\n\nIngevolge artikel 1, aanhef onder a, van de Verordening OZB, wordt onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken een gebruiksbelasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak, die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.\n\n9. Volgens vaste jurisprudentie dient onder het begrip ‘gebruik’, het metterdaad bezigen van een onroerende zaak ter bevrediging van de eigen behoeften, te worden verstaan.In dit geval kan naar het oordeel van de rechtbank worden gezegd dat belanghebbende de onroerende zaak op 1 januari 2025 in gebruik heeft omdat deze toen door belanghebbende werd ontruimd. Aangezien de onroerende zaakbelasting een zogenoemde tijdstipbelasting is, is degene die op 1 januari 2025 het gebruik heeft voor het gehele jaar (2025) onroerende zaakbelasting verschuldigd.\n\n10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht een aanslag onroerende zaakbelasting gebruiker heeft opgelegd.\n\nReclamebelasting\n\n11. Ingevolge artikel 227 van de Gemeentewet kan, ter zake van vanaf de openbare weg zichtbare aankondigingen, een reclamebelasting worden geheven.\n\n12. In de Verordening reclamebelasting Valkenburg aan de Geul 2024 (hierna: Verordening Reclamebelasting) is – voor zover van belang – het volgende bepaald.\n\nIngevolge artikel 2 van de Verordening Reclamebelasting wordt onder de naam reclamebelasting een directe belasting geheven voor een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij de Verordening Reclamebelasting behorende kaarten.\n\nIngevolge artikel 3 van de Verordening Reclamebelasting wordt de reclamebelasting geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie de openbare aankondiging wordt aangetroffen.\n\n13. Naar de rechtbank begrijpt, betwist belanghebbende dat er sprake is van een belastbaar feit.\n\n14. De rechtbank overweegt dat reclamebelasting wordt geheven voor een ‘openbare aankondiging’. Gelet op vaste jurisprudentiedient onder een ‘openbare aankondiging’ alle tot het publiek gerichte mededelingen te worden verstaan, die erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wat wordt aangekondigd. Onder het voorgaande dient echter niet slechts reclame in enge zin te worden aangemerkt, maar ook elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap.\n\n15. De rechtbank stelt voorop dat de onderneming van belanghebbende vóór het begin van het belastingjaar was beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank was er aan het begin van het belastingjaar geen dienst, product of boodschap meer aanwezig waarvoor de belangstelling van het publiek nog kon worden getrokken. Van een ‘openbare aankondiging’ als bedoeld in artikel 2 van de Verordening Reclamebelasting was naar het oordeel van de rechtbank toen ook geen sprake meer.\n\n16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar ten onrechte een aanslag reclamebelasting heeft opgelegd.\n\nConclusie\n\n17. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het primaire besluit voor zover deze zijn gericht tegen de aanslag reclamebelasting.\n\n18. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende vergoeden.\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit, voor zover het de aanslag reclamebelasting betreft;\n\nvernietigt het primaire besluit, voor zover het de aanslag reclamebelasting betreft;\n\ndraagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, rechter, in aanwezigheid van A. Henskens, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 21 mei 2026\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Zie Hoge Raad 5 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2715, Hoge Raad 7 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2318 en Hoge Raad 18 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1354.\n\n Zie onder meer Hoge Raad 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AX2154.\n\n Zie bijvoorbeeld gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2005, ECLI:2005:AU0787, gerechtshof Den Haag van 25 augustus 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BN5744 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 maart 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW2256.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5000","2026-05-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:24.246Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":43,"courtId":163,"decisionDate":164,"fullText":165,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":166,"sourceTimestamp":167,"parsedAt":51,"updatedAt":168},"736","ECLI:NL:GHDHA:2026:1839","ecli-nl-ghdha-2026-1839",58,"2026-04-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F485 tot en met BK-25\u002F487\n\nuitspraak van 23 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: A. Oosters)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 mei 2025, nummers SGR 24\u002F8510 tot en met SGR 24\u002F8512.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021, 2022 en 2023 (de waardepeildata) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als de [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022, 2023 en 2024 vastgesteld op respectievelijk € 2.652.000, € 2.916.000 en € 2.907.000 (de beschikkingen). Met de beschikkingen is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022, 2023 en 2024 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (de aanslagen).\n\n1.2.. De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikkingen en de aanslagen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft geoordeeld:\n\n“De rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.747,50;\n\ndraagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\ndraagt de heffingsambtenaar op om de toegekende proceskosten en het griffierecht (ingevolge artikel 30a, vierde en vijfde lid, Wet WOZ) te betalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.”\n\n1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen op 21 februari 2026.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de woning.\n\n2.2.. De Heffingsambtenaar heeft op 24 januari 2025 een compromisvoorstel gedaan, inhoudende dat de waarde van de woning voor het belastingjaar 2022 wordt vastgesteld op € 2.140.000 en voor 2023 en 2024 op € 2.360.000. Op 10 februari 2025 heeft de Heffingsambtenaar een aanvulling gedaan op zijn voorstel voor zover het de proceskostenvergoeding betreft. De voorgestelde proceskostenvergoeding bedraagt € 1.520,75. Voor de bezwaarfase bestaat deze uit 1 punt vastgesteld op € 647 voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt vastgesteld op € 646 voor de hoorzitting. De toegepaste wegingsfactor voor de bezwaarfase is 1. Voor de beroepsfase heeft de Heffingsambtenaar 1 punt vastgesteld op € 907 toegekend voor het indienen van het beroepschrift. In de beroepsfase is op grond van artikel 30a Wet WOZ een wegingsfactor van 0,25 toegepast.\n\n2.3.. Het in hoger beroep ingediende nader stuk van belanghebbende omvat een uitgebreide onderbouwing met diverse bijlagen ter ondersteuning van het standpunt van de gemachtigde van belanghebbende, dat hij dient te worden aangemerkt als een “bijzonder geval” zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. De bijlagen bestaan onder meer uit de overeenkomst zoals die door de gemachtigde van belanghebbende wordt gebezigd sinds oktober 2024, een aantal overeenkomsten en facturen uit 2024, overeenkomsten uit 2026, een Excel-overzicht met winstcijfers en de winst- en verliesrekeningen van de onderneming van de gemachtigde over de jaren 2012 tot en met 2023.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:\n\n“1. De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase bij e-mailbericht van 24 januari 2025, met een aanvulling op 10 februari 2025, een compromisvoorstel gedaan. Dit compromisvoorstel houdt in dat de waarde van de woningen voor belastingjaar 2022 op € 2.140.000 wordt vastgesteld en voor de belastingjaren 2023 en 2024 op € 2.360.000 wordt vastgesteld. In het compromisvoorstel biedt de heffingsambtenaar € 1.520,75 proceskostenvergoeding aan, bestaande uit 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift (met een waarde per punt van € 647,-), 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting (met een waarde per punt van € 647,-) en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift. Hierbij heeft de heffingsambtenaar de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 toegepast voor de beroepsfase. De (nader voorgestelde) waarden van de woning en de proceskostenvergoeding in bezwaar zijn niet langer in geschil. Het beroep ziet slechts op de toepassing van vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ in beroep.\n\n(…)\n\n3. Belanghebbende bepleit wat betreft de kosten voor het beroep dat de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ niet op hem van toepassing is omdat hij voldoet aan de uitzonderingen zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.[1]\n\n4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodeleruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm[2] worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.[3]\n\n5. Het is aan de gemachtigde om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van zo’n bijzonder geval. Gemachtigde stelt dat hij tot 2024 diensten op basis van no cure no pay verleende en dat hij vanaf 2024 diensten verleent op basis van een uurtarief. Gemachtigde heeft een overeenkomst overgelegd die ziet op het uitvoeren van werkzaamheden voor de beroeps- en hoger beroepsfase. Ook heeft gemachtigde een betalingsbewijs overgelegd. Niet gebleken is dat er naast de overgelegde documenten nog andere kosten in rekening kunnen worden gebracht. Daarmee heeft de gemachtigde naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust[4], heeft met de enkele verwijzing door zijn gemachtigde naar diens website geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfactor(en) wel geld(t)(en). In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2025[5] geldt dat het uitblijven van een dergelijke onderbouwing ertoe leidt dat geen sprake is van een bijzonder geval. Daarnaast kan de rechtbank op een enkele factuur niet oordelen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde een bijzonder geval is. Nog daargelaten dat het doel van de proceskostenvergoeding niet eruit bestaat de werkelijke kosten te vergoeden, maar het bieden van een tegemoetkoming in die kosten. Gelet hierop past de rechtbank de vermenigvuldigingsfactor 0,25 toe.\n\n6. In artikel 3, eerste lid, van het Bpb is bepaald dat samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit worden beschouwd als één zaak. Op grond van het tweede lid zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarbij dient per fase van de procedure (bezwaar- dan wel beroepsfase) te worden beoordeeld of sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank stelt vast dat deze zaken in de beroepsfase op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en de werkzaamheden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek is geweest. Ze zijn in beroep gezamenlijk en in samenhang met elkaar behandeld. De rechtbank merkt de zaken daarom aan als samenhangend.\n\n7. De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Bpd voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.747,50 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- (tarief 2025) en wegingsfactor 1 (totaal bezwaarfase € 1294,-); 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- (tarief 2025), en een wegingsfactor 0,25[6] (totaal beroepsfase € 453,50).\n\n8. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij, gelet op artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Over de vraag of deze wettelijke bepaling onrechtmatig is, zoals belanghebbende meent, laat de rechtbank zich niet uit. De rechtbank is als bestuursrechter namelijk niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.[7]\n\n(…)\n\n[1] ECLI:NL:HR:2025:46.\n\n[2] Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507.\n\n[3] ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2.\n\n[4] ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2, laatste volzin.\n\n[5] ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.2 t\u002Fm 3.4.6.\n\n[6] Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.\n\n[7] Zie ECLI:NL:HR:2025:156.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In hoger beroep is in geschil of de gemachtigde van belanghebbende is aan te merken als een “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vaststelling van de proceskostenvergoeding zonder toepassing van artikel 30a Wet WOZ en terugbetaling van de betaalde griffierechten.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n5.1.1. Op het beroep, dat is ingesteld tegen de in 2024 gedane uitspraken op de bezwaren, is artikel 30a, lid 2, Wet WOZ van toepassing. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat zijn bedrijfsmodel meebrengt dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 30a, lid 1 en lid 2, Wet WOZ (r.o. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46) en heeft daartoe in hoger beroep financiële en andere informatie over zijn bedrijf in het geding gebracht.\n\n5.1.2. Uit die informatie blijkt volgens de gemachtigde van belanghebbende in de onderhavige zaak zijn werkzaamheden verricht op basis van afspraken die zijn gemaakt ruim vóór de inwerkingtreding op 1 januari 2024 van de WHpkv, op basis van no cure no pay.\n\n5.2.1. Sinds 1 januari 2024 werkt de gemachtigde van belanghebbende in nieuwe zaken niet langer op basis van no cure no pay, zo heeft hij verklaard. Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst van opdracht waarin onder andere het volgende is bepaald:\n\n“Artikel 3.1: Kosten controle voor bezwaarfase\n\nDe kosten voor het beoordelen bedragen € 99,- inclusief BTW per aanslagbiljet. Het bezwaarschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 250,- inclusief BTW per gemotiveerd aanslagbiljet. Staan er meer dan 3 objecten op een aanslagbiljet moeten er aanvullende maatwerkafspraken gemaakt worden.\n\nAls het bezwaar gegrond wordt verklaard kent de gemeente, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de bezwaarfase zal voor 75% aan [kantoor gemachtigde] toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever.\n\n [kantoor gemachtigde] behoudt zich het recht voor om, indien de wettelijke proceskostenvergoeding naar het oordeel van [kantoor gemachtigde] op een te laag bedrag is vastgesteld, namens belanghebbende bij de rechtbank beroep in te stellen. In dat geval\n\nontvangt u geen extra factuur van [kantoor gemachtigde] .\n\nArtikel 3.2: Kosten controle voor beroep, hoger beroep- of cassatiefase\n\nDe kosten voor het beoordelen van een uitspraak bedragen € 99,- inclusief BTW per uitspraak. Het beroepschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 395,- inclusief BTW per procedure. Indien we voor u de bezwaarprocedure gevoerd hebben, dan bedragen de kosten voor beroep alleen € 395,- want de beoordelingskosten van € 99,- worden dan niet in rekening gebracht.\n\nAls het (hoger)beroep gegrond wordt verklaard kent de rechtbank\u002Fgerechtshof, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de (hoger)beroepsfase zal voor 75% aan [kantoor gemachtigde] toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever. Indien we voor u in hoger beroep of cassatie gaan nadat we voor u in de voorgaande fase geprocedeerd hebben, dan gelden dezelfde voorwaarden als voor die voorgaande fase.\n\n [kantoor gemachtigde] behoudt zich het recht voor om, indien de wettelijke proceskostenvergoeding naar het oordeel van [kantoor gemachtigde] op een te laag bedrag is vastgesteld, namens belanghebbende bij de rechtbank, het gerechtshof en\u002Fof de Hoge Raad daartegen (hoger)beroep, verzet en\u002Fof cassatie in te stellen. In dit geval ontvangt u geen extra\n\nfactuur van [kantoor gemachtigde] .\n\nArtikel 3.3: Verbod op winst\n\nOpdrachtgever kan nooit meer vergoeding ontvangen dan de gemaakte kosten. In dat geval\n\nvervalt het meerdere aan [kantoor gemachtigde] .\n\n(…)\n\nArtikel 5: Ambtshalve verzoek\n\nAls het bezwaar gegrond wordt verklaard en de WOZ-waarde met 20% of meer wordt verlaagd, dan kan [kantoor gemachtigde] namens opdrachtgever een ambtshalve verzoek indienen bij de gemeente om de WOZ-waarden en\u002Fof OZB-aanslagen van de afgelopen vier jaren op juistheid te beoordelen. Als het verzoek deels of geheel wordt gehonoreerd wordt bij opdrachtgever 25% excl. BTW van het voordeel in de gemeentebelastingen in rekening gebracht. Opdrachtgever dient de factuur binnen 14 dagen na ontvangst van de belastingvermindering te voldoen.”\n\n5.2.2.. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd bevestigd dat hij voor zijn diensten bij een eventueel hoger beroep op verzoek van de cliënt wederom de in artikel 3.2 genoemde bedragen aan de cliënt in rekening brengt. Voor het ambtshalve verzoek als bedoeld in artikel 5 brengt de gemachtigde geen extra bedrag in rekening, nu het ambtshalve verzoek enkel plaatsvindt na afloop van een afgeronde (bezwaar)procedure. De gemachtigde heeft verklaard dat het op eigen initiatief procederen over de proceskostenvergoeding en het indienen van een ambtshalve verzoek slechts in een klein aantal gevallen aan de orde is.\n\n5.2.3.. De gemachtigde heeft individuele overeenkomsten en facturen overgelegd die het jaar 2024 betreffen. De gemachtigde van belanghebbende heeft toegelicht dat de bedragen volgens de eerder in 2024 gesloten overeenkomsten variëren als gevolg van de ontwikkeling van het nieuwe bedrijfsmodel. Overgelegde facturen voor een bezwaar- dan wel een beroepsprocedure op basis van in april tot en met december 2024 gesloten overeenkomsten variëren in kosten (inclusief btw) van € 240 tot € 387 tot € 484 tot € 580 tot € 851. Volgens een op 18 juli 2024 gesloten overeenkomst bedragen de kosten van een beroepschrift en een taxatierapport € 774,40 inclusief btw.\n\n5.3.. In zijn arrest van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1383, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:\n\n“2.3.2 In het arrest van 17 januari 2025 [Hof: ECLI:NL:HR:2025:46] heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het doel van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n2.3.3. Gevallen die kennelijk niet de drie hiervoor in 2.3.2 bedoelde kenmerken hebben, zijn aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 2.1 bedoeld. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, kennelijk niet deze drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Het is aan de belanghebbende om daarvan het bewijs te leveren. Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) diens gemachtigde “kennelijk niet” alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat een of meer van deze kenmerken ontbreken.\n\nDe door belanghebbende verstrekte gegevens2.4.1. Belanghebbende heeft in zijn bericht van 13 mei 2025 betoogd dat met de door hem verstrekte gegevens wordt bewezen dat op het moment waarop in deze zaak beroep in cassatie werd ingesteld (4 september 2024), het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde (hierna: de gemachtigde) noch het eerste kenmerk van optreden op basis van no cure no pay, noch het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft. De gemachtigde is een in 2018 opgerichte besloten vennootschap, [A B.V.] , met een advies- en procespraktijk, gespecialiseerd in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm).\n\n2.4.2. Over het eerste kenmerk stelt belanghebbende dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde in het algemeen nooit gebaseerd is geweest op het principe van no cure no pay en dit in elk geval niet meer zo is met ingang van 20 september 2023. Volgens belanghebbende brengt de gemachtigde sindsdien haar klanten voor iedere procedure, dat wil zeggen voor elk bezwaar tegen een betaling op aangifte of elk bezwaar tegen een naheffingsaanslag, inclusief eventuele opvolgende procedures, een instapvergoeding per betrokken auto in rekening. Die instapvergoeding blijft de klant verschuldigd aan de gemachtigde, ook als de procedure wordt verloren. Tussen 1 januari 2020 en 20 september 2023 bedroeg de instapvergoeding tussen de € 125 en € 265, exclusief omzetbelasting. Vanaf 20 september 2023, het moment waarop de gemachtigde kennisnam van het wetsvoorstel van de WHpkv, rekent de gemachtigde een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting, behoudens in een verwaarloosbaar aantal uitzonderingsgevallen. Volgens belanghebbende kan van zo’n hoog bedrag niet worden gezegd dat de klant géén risico loopt bij het geven van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand.\n\n(…)\n\nBeoordeling optreden op basis van no cure no pay2.6.1. Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv moet bij optreden op basis van no cure no pay worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan. Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. Voor de verder strekkende opvatting van de Staatssecretaris (neergelegd in de hiervoor in 2.2 bedoelde reactie) dat wanneer het bedrijfsmodel van de gemachtigde zo is vormgegeven dat de winstgevendheid of het voortbestaan van het bedrijf volledig afhankelijk is van bedragen aan proceskostenvergoedingen en vergoedingen van immateriële schade, dat bedrijfsmodel op één lijn moet worden gesteld met optreden op basis van no cure no pay, valt geen steun te ontlenen aan de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv.\n\n2.6.2. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener in het kader van de WHpkv worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. In dat kader wordt namelijk onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n2.7.1. Met de overlegging van de hiervoor in 2.4.3 en 2.5 bedoelde gegevens heeft belanghebbende naar het oordeel van de Hoge Raad buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop beroep in cassatie is ingesteld, niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft. Met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde vanaf 20 september 2023 voor elke op te starten procedure een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto in rekening brengt, ongeacht de uitkomst van die procedure. Een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto is niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Bij een instapvergoeding ter hoogte van dit bedrag staat vast dat klanten van de gemachtigde financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure. Daaraan staat niet in de weg dat de klant van de gemachtigde – de belanghebbende in een bpm-procedure – vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt.\n\n2.7.2. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.7.1 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom zonder inachtneming van de WHpkv.”\n\n5.4.. Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad (in het bijzonder r.o. 2.7.1) volgt dat het bedrijfsmodel van de beroepsmatig optredende gemachtigde moet worden beoordeeld naar het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is ingesteld en dat voor de toets of wordt opgetreden op basis van no cure no pay moet worden gekeken naar hetgeen volgens dat bedrijfsmodel voor elke op te starten procedure in rekening wordt gebracht. Hierbij heeft de Hoge Raad klaarblijkelijk niet van belang geacht dat de desbetreffende procedure reeds vóór ingang van het nieuwe door de Hoge Raad in aanmerking genomen bedrijfsmodel werd opgestart (de uitspraak van de rechtbank in die procedure is van 26 juni 2023 terwijl het nieuwe bedrijfsmodel startte per 20 september 2023).\n\n5.5.. Het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belanghebbende (zie 5.2) ten tijde van het instellen van beroep op 24 oktober 2024, heeft niet het kenmerk van no cure no pay. Anders dan in de uitspraak van dit Hof van 18 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:227, heeft de gemachtigde van belanghebbende met hetgeen hij in deze zaak in hoger beroep heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2024 voor elke op te starten procedure bedragen in rekening brengt die dusdanig hoog zijn dat niet kan worden gezegd dat sprake is van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Bij bedragen zoals door de gemachtigde in rekening worden gebracht staat vast dat zijn klanten financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof erkend dat de klanten van de gemachtigde financieel risico lopen.\n\n5.6.. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.5 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een “bijzonder geval”. Het vorenoverwogene brengt mee dat de vergoeding van de proceskosten in de fase van het beroep moet worden berekend zonder inachtneming van de vermenigvuldigingsfactoren van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ, waaraan de omstandigheid dat in de onderhavige zaak (zoals voorheen) nog geprocedeerd wordt op basis van no cure no pay niet afdoet.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n6.1.. Er is aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de in hoger beroep betaalde griffierechten. Het Hof laat de vergoeding van kosten voor de bezwaarfase (€ 1.294) zoals bepaald door de Rechtbank in stand, aangezien deze niet in geschil is.\n\nBeroepsfase\n\n6.2.. Wat betreft de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep, worden deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, gesteld op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 1).\n\nHogerberoepsfase\n\n6.3.. De vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep wordt, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vastgesteld op € 934 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 0,5).\n\nGriffierechten\n\n6.4.. Verder dient de Heffingsambtenaar het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143 aan belanghebbende te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof:\n\n- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de vergoeding van proceskosten in beroep betreft;\n\n- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van het beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 2.802;\n\n- draagt de Heffingsambtenaar op aan belanghebbende de in hoger beroep betaalde griffierechten van € 143 te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en R.A. Bosman in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door H.A.J. Kroon.\n\nDe griffier, de raadsheer,\n\nD.W. Renes H.A.J. Kroon\n\nDe beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1839","2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.676Z",{"id":170,"ecli":171,"slug":172,"caseNumber":43,"courtId":163,"decisionDate":173,"fullText":174,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":175,"sourceTimestamp":176,"parsedAt":51,"updatedAt":177},"1677","ECLI:NL:GHDHA:2026:1889","ecli-nl-ghdha-2026-1889","2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-25\u002F416\n\nUitspraak van 21 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] B.V., te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: D.A.N. Bartels)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 april 2025, nummer SGR 24\u002F1072.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte van het Hoogheemraadschap van Rijnland opgelegd ten bedrage van € 64,60 (de voorlopige aanslag).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft tegen de voorlopige aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de voorlopige aanslag gehandhaafd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is € 371 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een vergoeding van immateriële schade afgewezen.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Voor de behandeling van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Op 7 juli 2025, 31 december 2025, 8 januari 2026 (drie stukken) en 20 januari 2026 zijn door belanghebbende nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft in 2021 het gebruik van de bedrijfsruimte [adres] te [woonplaats] . De bedrijfsruimte bestaat uit een kantoorgebouw met een hal. De bedrijfsruimte staat in 2021 leeg.\n\n2.2.. De voorlopige aanslag ten bedrage van € 64,60 is opgelegd met dagtekening 28 februari 2021 en is berekend naar 1,0 vervuilingseenheid.\n\n2.3.. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 december 2023 de aanslag gehandhaafd. De uitspraak op bezwaar vermeldt, voor zover van belang, het volgende:\n\n“(…)\n\nBezwaar\n\nU heeft een bezwaarschrift ingediend tegen [aanslagnummer] waarvan u een kopie bij uw\n\nbezwaarschrift heeft gevoegd. De aanslag betreft de Zuiveringsheffing Bedrijfsruimten voor het object [adres] [woonplaats] . In uw motivatie bespreekt u alleen de WOZ-waarde e.d.\n\nOverwegingen\n\n [aanslagnummer] betreft een voorlopige aanslag Zuiveringsheffing Bedrijfsruimten 2021\n\n(ZUIB).\n\nIn uw motivatie benoemt u alleen WOZ-waarde gerelateerde zaken. De ZUIB staat geheel los van de WOZ. Zodoende beschouw ik uw huidige motivatie niet als een motivatie in het kader van de aanslag ZUIB. Dit betekent dat u het bezwaarschrift niet gemotiveerd heeft en\n\nderhalve niet aan de wettelijke eisen voldoet.\n\nArtikel 6:5 Awb vermeldt waaraan een bezwaarschrift dient te voldoen. Twee van de eisen (lid c en d) betreffen het aangeven van een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is en het vermelden van de gronden van bezwaar.\n\nConform het gestelde in artikel 6:6 Awb heb ik u de mogelijkheid geboden om deze fout te\n\nherstellen.\n\nIk heb u per brief met dagtekening 6 juli 2021verzocht om ons een duidelijke motivatie toe te zenden waaruit blijkt op welke gronden u het niet eens bent met de opgelegde aanslag ZUIB 2021. U heeft ons een kopie van onze brief toegezonden, waar u de volgende tekst bij heeft geschreven:\n\n“geen aansluiting”.\n\nMet dagtekening 30 december 2021heb ik u wederom een brief gezonden met het verzoek uw bezwaar toe te lichten, daar Dunea op het betreffende adres wel melding maakt van een\n\nwatermeter ten name van [belanghebbende] In deze brief hebben wij u tevens verzocht ons te voorzien van een machtiging waaruit blijkt dat u gerechtigd bent om [belanghebbende] te vertegenwoordigen. 13 januari 2022hebben wij uw machtiging ontvangen, zonder verdere toelichting op uw bezwaar.\n\nD.d. 5 juli 2022(per abuis 5 juli 2021 vermeld op de brief), hebben wij u wederom een brief\n\ngezonden om nogmaals de machtiging op te vragen, dan wel een verduidelijking van de\n\nbevoegdheid van de persoon waarvan u reeds de machtiging heeft toegezonden. Tevens hebben wij u nogmaals te verzocht uw bezwaar toe te lichten. U heeft ons 20 juli 2022 een nieuwe machtiging toegezonden.\n\nIn uw reactie heeft u aangegeven dat uw verdere motivatie pas volgt bij een mondelinge\n\nhoorzitting. U heeft geen verdere motivatie gegeven.\n\nNu u geen nadere toelichting op uw motivatie in kader van de zuiveringsheffing heeft aangegeven zullen wij een besluit nemen op basis van uw argument ‘geen aansluiting’.\n\nWij hebben u in onze brieven verzocht om aan te geven welk soort aansluiting er volgens u, dan wel uw cliënt, niet aanwezig is op het object [adres] [woonplaats] , voorzien van een bewijsstuk en verdere toelichting. Nu u uw bezwaar niet verder heeft toegelicht, hebben wij de situatie beoordeeld op basis van de informatie die ons ter beschikking staat.\n\nDunea geeft ons jaarlijks na afloop van het jaar het waterverbruik op de locatie door. Er is sprake van een wateraansluiting op het adres.\n\nHoren\n\nMet dagtekening 6 december 2023 hebben wij u een brief gezonden met daarin de uitnodiging voor een hoorgesprek, met daarbij de keuze uit twee momenten. Ook hebben wij vermeld dat indien u geen keuze door zou geven, wij het tweede moment, donderdag 21 december 2023 14:00 zouden kiezen.\n\nU heeft geen van beide momenten gekozen. U bent niet verschenen. U heeft niet bij ons\n\naangegeven of u de voorgestelde momenten mogelijk verhinderd was.\n\nUitspraak\n\nUw bezwaar is tijdig ingediend, u bent ontvankelijk in uw bezwaar.\n\nEr is een aansluiting aanwezig op het adres. Om deze reden wijs ik uw bezwaar af.\n\n(…)”\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:\n\n“Beoordeling van het geschil\n\n6. Het bezwaarschrift van eiseres tegen de aanslag bevat enkel stellingen en verzoeken omtrent de WOZ-waardering. Bij brief van 6 juli 2021 verzocht verweerder eiseres om het bezwaarschrift van een op de aanslag betrekking hebbende motivering te voorzien. De gemachtigde van eiseres heeft deze brief geretourneerd met daarop de handgeschreven toevoeging: “geen aansluiting”. Bij brief van 30 december 2021 liet verweerder weten dat volgens opgave van Dunea er in 2021 een aansluiting op naam van eiseres was, met watergebruik, en verzocht hij eiseres om een nadere motivering van het bezwaar. Daar heeft eiseres niet op gereageerd. Nadat eiseres de haar geboden gelegenheden voor een hoorzitting ongebruikt heeft gelaten, heeft verweerder het bezwaar afgewezen.\n\n7. Het beroepschrift en de verdere in de beroepsprocedure namens eiseres ingediende stukken bevatten vele stellingen die op de WOZ-waardering betrekking hebben, maar niets dat verband houdt met zuiveringsheffing. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde naar voren gebracht dat het object in 2001 leeg stond en in verband daarmee van het water was afgesloten. Verweerder heeft daartegenover ter zitting benadrukt dat blijkens de gegevens van Dunea er in 2021 niet alleen een aansluiting was, maar ook water is verbruikt.\n\n8. In aanmerking genomen dat a priori aannemelijk dat is bij tijdelijke leegstand van een object als het onderhavige de wateraansluiting gehandhaafd blijft, alsmede gelet op de manier en de momenten waarop de gestelde afsluiting door de gemachtigde naar voren is gebracht, beoordeelt de rechtbank die stelling tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder als ongeloofwaardig. Gelet daarop moet het beroep ongegrond worden verklaard.\n\nVerzoek om vergoeding van immateriële schade\n\n9. De gemachtigde heeft in naam van eiseres verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 10 maart 2021, zodat de redelijke termijn ten tijde van het doen van deze uitspraak is overschreden. Op grond van de navolgende overwegingen is de rechtbank van oordeel dat die overschrijding geen aanleiding kan geven tot vergoeding van immateriële schade. Uit de correspondentie rond de totstandkoming van de volmacht, in het bijzonder uit de e-mail van 10 mei 2021, leidt de rechtbank af dat de machtiging door eiseres is verstrekt met het oog op de krachtens onderlinge afspraak door de gemachtigde te controleren beschikkingen WOZ en aanslagen OZB. Mede in aanmerking genomen dat verweerder in de bezwaarfase al had gewezen op het waterverbruik in 2021 acht de rechtbank niet geloofwaardig dat eiseres heeft gewild dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet dat het object in 2021 van het waternet was afgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dan ook geen spanning en frustratie ter zake van de lange duur van de procedure kunnen ondervinden.\n\nProceskosten\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. De gemachtigde heeft in het hoger beroepschrift en de nadere stukken volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaak. Daarom is hem ter zitting gevraagd welke hoger beroepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Daarop heeft hij verklaard dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de hierna onder 4.1.2 genoemde punten.\n\n4.1.2.. \n\nIn geschil is:\n\n(i) of de voorlopige aanslag terecht is opgelegd; en\n\n(ii) of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade.\n\nBelanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. De Heffingsambtenaar beantwoordt de vragen tegenovergesteld.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de voorlopige aanslag, toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaar-, de beroeps- en de hogerberoepsfase en tot vergoeding van immateriële schade.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nDe voorlopige aanslag\n\n5.1.. Naar aanleiding van het door de gemachtigde van belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 10 maart 2021, heeft de Heffingsambtenaar op 6 juli 2021 ingevolge het bepaalde in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hem onder meer verzocht om gronden van het bezwaar tegen de voorlopige aanslag in te dienen. De gemachtigde van belanghebbende heeft deze brief, ingekomen bij de Heffingsambtenaar op 27 juli 2021, retour gezonden met daarop onder meer de handgeschreven tekst “geen aansluiting”. De Heffingsambtenaar heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 30 december 2021 medegedeeld dat volgens de gegevens van Dunea op het adres van de bedrijfsruimte sprake is van een wateraansluiting met waterverbruik op naam van belanghebbende. De Heffingsambtenaar heeft dit gedurende de gehele procedure gesteld, hetgeen belanghebbende steeds heeft betwist. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende dit verduidelijkt door te stellen dat de bedrijfsruimte niet beschikt over een wateraansluiting noch een rioolaansluiting.\n\n5.2.. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de Verordening zuiveringsheffing Rijnland 2021 (de Verordening), wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren. Onder afvoeren wordt verstaan het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap (artikel 1, aanhef en onderdeel c, van de Verordening). Aan de zuiveringsheffing wordt ingevolge het bepaalde in artikel 3, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening onder meer onderworpen ter zake van het afvoeren vanuit een bedrijfsruimte degene die het gebruik heeft van die ruimte. Daarbij wordt in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven ingevolge artikel 3, aanhef en onderdeel b, van de Verordening verstaan degene die dat deel in gebruik heeft gegeven.\n\n5.3.. Naar het oordeel van het Hof brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar die een belastingaanslag oplegt, de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het daarin vermelde belastbare feit zich heeft voorgedaan tegenover de gemotiveerde betwisting door de belastingplichtige aannemelijk maakt.\n\n5.4.. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende heeft betwist dat er in de bedrijfsruimte een aansluiting op het waternet en op het riool is – en aldus heeft betoogd dat geen sprake is van het feitelijk afvoeren van afvalwater zoals bedoeld in 5.2 – had het op de weg van de Heffingsambtenaar gelegen om zijn stelling dat volgens de gegevens van Dunea sprake is van waterverbruik en aldus sprake moet zijn geweest van het feitelijk afvoeren van afvalwater, met stukken te onderbouwen. Mede gelet op het feit dat niet in geschil is dat de bedrijfsruimte in het onderhavige jaar leegstond, is niet aannemelijk geworden dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. De voorlopige aanslag is derhalve ten onrechte opgelegd en dient te worden vernietigd.\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n5.5.. Belanghebbende heeft in beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn weliswaar is overschreden, maar dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat uit de correspondentie rond de totstandkoming van de volmacht, afgeleid kan worden dat de machtiging door belanghebbende is verstrekt met het oog op de krachtens onderlinge afspraak door de gemachtigde te controleren beschikkingen WOZ en aanslagen onroerende-zaakbelastingen en dat het niet geloofwaardig is dat belanghebbende gelet op het verloop van de procedure heeft gewild dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet dat de bedrijfsruimte in 2021 van het waternet was afgesloten.\n\n5.6.. In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat de belanghebbende daardoor immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden moeten onder meer worden gerekend de situatie dat degene die een rechtsmiddel heeft aangewend daartoe niet is gerechtigd, en de situatie dat de belanghebbende geen weet ervan heeft (gehad) dat namens hem of haar een belastingprocedure wordt gevoerd (HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775). Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Hierbij geldt dat voor de bezwaarfase een termijn van een half jaar als redelijk wordt beschouwd en dat voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar als redelijk wordt beschouwd (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853).\n\n5.7.. Het bezwaarschrift is door de Heffingsambtenaar ontvangen op 6 mei 2021 en hij heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 11 januari 2024. Het beroepschrift is op 19 januari 2024 door de Rechtbank ontvangen en de Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 22 april 2025. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Heffingsambtenaar tot en met de datum waarop de Rechtbank uitspraak doet, zijn (afgerond) vier jaar verstreken, zodat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden.\n\n5.8.. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, zoals bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, die afdoen aan de veronderstelling dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Naar het oordeel van het Hof is uit de omstandigheden die hebben geleid tot de totstandkoming van de volmacht niet gebleken dat belanghebbende niet heeft gewild (of geweten) dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet de stelling dat de bedrijfsruimte in 2021 van het waternet was afgesloten. Het Hof wijst daarbij op de omstandigheid dat naar aanleiding van een daartoe gedaan verzoek van de Heffingsambtenaar van 5 juli 2022, waarin ook een passage over de aansluiting op het waternet staat vermeld, een nieuwe volmacht (gedateerd 6 juni 2022) is overgelegd. In de titel van deze volmacht staat de zuiveringsheffing expliciet vermeld en de inhoud van deze volmacht ziet op “ten onrechte (teveel) betaalde WOZ\u002FOZB en andere lokale belastingen\u002Fheffingen”. Tevens wordt in aanmerking genomen dat het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de gestelde aansluiting op het waternet inhoudelijk is behandeld. Hieruit volgt dat de Rechtbank de volmachten kennelijk toereikend achtte voor een ontvankelijk beroep.\n\n5.9.. Aangezien het financiële belang groter is dan € 15 is er ook op die grond geen aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 5.3). Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000. De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Het Hof zal de Heffingsambtenaar veroordelen tot betaling van genoemd bedrag van € 2.000.\n\nProceskosten\n\n6.1.. Het Hof ziet aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt de kosten voor het bezwaar, het beroep en het hoger beroep, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 4.275 (1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647 x wegingsfactor 1, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de Rechtbank, 1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 x wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding.\n\n6.2.. Voorts dient de Heffingsambtenaar de voor de behandeling in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van respectievelijk € 371 en € 579 aan belanghebbende te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof:\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvernietigt de voorlopige aanslag;\n\ngelast de Heffingsambtenaar een bedrag van € 2.000 als vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende te vergoeden;\n\nveroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.275; en\n\ngelast de Heffingsambtenaar de voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 950 aan belanghebbende te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, M.J.M. van der Weijden en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nJ. Azmi Shenouda C. Maas\n\nDe beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1889","2026-06-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.049Z",{"id":179,"ecli":180,"slug":181,"caseNumber":43,"courtId":163,"decisionDate":182,"fullText":183,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":184,"sourceTimestamp":176,"parsedAt":51,"updatedAt":185},"1605","ECLI:NL:GHDHA:2026:1886","ecli-nl-ghdha-2026-1886","2026-04-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-24\u002F965\n\nUitspraak van 16 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: A. Bakker)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 oktober 2024, nummer SGR 23\u002F2712.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 339.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende zaakbelastingen van de gemeente Rotterdam (de aanslag).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar afgewezen.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 12 mei 2025 en 11 juni 2025 nadere stukken overgelegd.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n1.6.. Na afloop van de zitting zijn het Hof, onder meer via openbare gegevens van het zogenoemde WOZ-waardeloket (www.wozwaardeloket.nl), gegevens ter kennis gekomen waardoor twijfel is ontstaan over het bouwjaar van de woning. Hierin heeft het Hof aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Bij bericht van 1 december 2025 heeft het Hof, onder verwijzing naar de genoemde openbare gegevens, partijen verzocht het bouwjaar van de woning uiterlijk op 15 december 2025 met stukken te onderbouwen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Heffingsambtenaar op 10 december 2025 bij nader stuk (met bijlagen) gereageerd en het Hof inlichtingen verstrekt. Van de zijde van belanghebbende is binnen de termijn geen reactie ingekomen. Het Hof heeft belanghebbende vervolgens bij bericht van 18 december 2025 uitstel verleend tot 9 januari 2026 voor het verstrekken van de gevraagde inlichtingen. Belanghebbende heeft op 9 januari 2026 gereageerd op het verzoek van het Hof met het bericht dat hij wacht op de reactie van de Heffingsambtenaar omtrent het bouwjaar. Het Hof heeft belanghebbende bij bericht van 13 januari 2026 een afschrift van de door de Heffingsambtenaar op 10 december 2025 verstrekte inlichtingen toegezonden en in de gelegenheid gesteld daarop uiterlijk op 27 januari 2026 te reageren. Van de zijde van belanghebbende is binnen deze termijn geen reactie ingekomen. Het Hof heeft belanghebbende bij bericht van 29 januari 2026 een laatste uitstel voor een reactie verleend tot 12 februari 2026. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. Op 17 februari 2026 heeft het Hof partijen laten weten geen aanleiding te zien een nadere zitting te houden omdat het Hof zich voldoende voorgelicht acht, tenzij een van partijen uiterlijk op 3 maart 2026 kenbaar maakt dat hij op een zitting wil worden gehoord. Partijen hebben niet kenbaar gemaakt te willen worden gehoord. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten en partijen hierover op 5 maart 2026 bericht.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning betreft een twee-onder-een- kapwoning die is gelegen in de wijk [Wijk 1] . De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 131 m2 en staat op een perceel van 250 m2. Op het perceel staat een garage.\n\n2.2.. De Heffingsambtenaar heeft in beroep een taxatierapport en een matrix overgelegd. De matrix bevat gegevens van de woning en vijf, volgens de Heffingsambtenaar, met de woning vergelijkbare objecten (de vergelijkingsobjecten). Het taxatierapport bevat onder meer foto’s van het aanzicht en luchtfoto’s van de ligging van de woning en de vergelijkingsobjecten. Alle vergelijkingsobjecten zijn twee-onder-een-kapwoningen gelegen in de wijk [Wijk 1] in [woonplaats] . In de matrix zijn onder meer de volgende gegevens opgenomen:\n\nAdres\n\n [adres 1]\n\n [adres 2]\n\n [adres 3]\n\n [adres 4]\n\n [adres 5]\n\n [adres 6]\n\nBouwjaar\n\n1981\n\n2004\n\n2004\n\n2001\n\n2003\n\n2004\n\nGO (m2)\n\n131\n\n163\n\n174\n\n207\n\n209\n\n148\n\nPerceel\n\n250\n\n256\n\n306\n\n290\n\n335\n\n258\n\nVLOK\n\n3-1-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\nWOZ waarde\n\n€ 339.000\n\nVerkoopdatum\n\n13-1-2020\n\n18-1-2021\n\n17-2-2020\n\n31-3-2020\n\n14-9-2020\n\nKoopsom\n\n€ 650.000\n\n€ 740.000\n\n€ 772.500\n\n€ 640.000\n\n€ 625.000\n\nKoopsom op waardepeildatum\n\n€ 721.867\n\n€ 740.000\n\n€ 849.466\n\n€ 695.170\n\n€ 646.277\n\nWaardeverandering (%) naar waardepeildatum\n\n11,06\n\n0,00\n\n9,96\n\n8,62\n\n3,40\n\nGarage\u002Fparkeerplaats\n\n€ 22.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\nAanbouw\u002Fserre\n\n€ 0\n\n€ 39.684\n\n€ 86.077\n\n€ 31.747\n\nDakkapel\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 4.000\n\n€ 0\n\nOverige onderdelen\n\n-€ 64.000\n\n € 4.000\n\nGrondwaarde\n\n€ 124.468\n\n€ 144.880\n\n€ 171.460\n\n€ 163.240\n\n€ 185.380\n\n€ 145.960\n\nGrondprijs per m2\n\n€ 498\n\n€ 566\n\n€ 560\n\n€ 563\n\n€ 553\n\n€ 566\n\nHoofdgebouwwaarde na correctie\n\n€ 256.532\n\n€ 507.303\n\n€ 452.463\n\n€ 656.226\n\n€ 471.790\n\n€ 438.570\n\nPrijs opstal per m2\n\n€ 1.958\n\n€ 3.112\n\n€ 2.600\n\n€ 3.170\n\n€ 2.257\n\n€ 2.963\n\nCorrectie VLOK naar object belanghebbende\n\n€ 2.801\n\n€ 2.340\n\n€ 2.853\n\n€ 2.032\n\n€ 2.667\n\nOverige onderdelen betreft vrijstelling water verdedigingswerken\n\nUitgezonderd is 112 m2\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in beroep een WOZ-deskundigenrapport met daarin opgenomen een matrix overgelegd (de referentiematrix). In de referentiematrix is als bouwjaar van de woning 1981 vermeld en zijn drie objecten opgenomen die naar de mening van belanghebbende vergelijkbaar zijn met de woning, te weten [adres 7] (bouwjaar 1989), [adres 8] (bouwjaar 1987) en [adres 9] (bouwjaar 1989). Deze objecten zijn eveneens twee-onder-een-kapwoningen. Ze zijn gelegen in de wijk [Wijk 2] in [woonplaats] . In de referentiematrix wordt de waarde van de woning bepaald op € 268.237. Voorts heeft belanghebbende gegevens van [A B.V.] van de woningen in de referentiematrix en gegevens over de prijsontwikkeling vanaf de verkoop van die woningen tot aan de waardepeildatum van Vastgoedpro overgelegd.\n\n2.4.. Bij het nader stuk van 10 december 2025 heeft de Heffingsambtenaar gegevens uit het Stadsarchief overgelegd, te weten een Pandkaart, gegevens over de sloop van de voormalige woning in 1997 en bestektekeningen van de bouw van de woning uit 1997.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser:\n\n“Heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?\n\n(…)\n\n5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.[1] De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.[2]\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit het door verweerder overgelegde taxatierapport blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De vergelijkingsobjecten ( [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] ) zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type en gebruiksoppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten is hoger dan de vierkantemeterprijs van de woning.\n\n7. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Met de matrix heeft de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten zijn verdisconteerd. In de matrix heeft de heffingsambtenaar de waarde van de objectonderdelen vermeld. Het besluit is terzake voldoende gemotiveerd. Eiser heeft de juistheid van die objectkenmerken niet (gemotiveerd) betwist.\n\n7.1. Op de zitting heeft eiser verklaard dat de ligging van de woning aan of op een waterverdedigingswerk en nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen geen punten van geschil meer zijn. De rechtbank zal deze stellingen (en in combinatie daarmee het beroep op het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel) daarom verder niet bespreken. Eiser heeft zijn stelling dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, uitsluitend onderbouwd, door te wijzen op het verschil in bouwjaar waardoor met gebruikmaking van andere NEN-normen is gebouwd, hetgeen vooral tot verschil in de mogelijkheid tot energiebesparing leidt. Eiser heeft niet onderbouwd dat verweerder het onderhoudsniveau en het niveau van de voorzieningen van de woning anders had moeten waarderen dan hij heeft gedaan.\n\n7.2. In het door eiser overgelegde WOZ-deskundigenrapport wordt de waarde onderbouwd met verkoopcijfers van woningen die weliswaar een bouwjaar hebben dat meer overeenkomt met dat van de woning, maar die zijn gelegen in een andere wijk. De heffingsambtenaar heeft ter zitting uitgelegd dat de wijk waarin de woning van eiser ligt ( [Wijk 1] ) een ander waardeniveau heeft dan de wijk waarin de woningen zijn gelegen waarmee in het door eiser overgelegde taxatierapport wordt vergeleken ( [Wijk 2] ). De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de vergelijkingsobjecten in het taxatierapport van eiser daardoor minder goed bruikbaar zijn.\n\n7.3. Tot slot is in de matrix van de heffingsambtenaar sprake van een bandbreedte van € 76.111,- (door het verschil) tussen de vierkantemeterprijs van de woning en de gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten[3], waarin eventuele nadere verschillen, waaronder die in bouwjaar, geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n(…)\n\n[1] Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, blz. 44.\n\n[2] HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300\n\n[3] € 2.539 - € 1.958 * 131 = € 76.11.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In hoger beroep is in geschil of de Heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking naar een waarde van de woning van € 268.000 en dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nOp de zaak betrekking hebbende stukken – artikel 8:42 Awb\n\n5.1.. Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar heeft verzuimd de bouwtekeningen en de iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten over te leggen aan de Rechtbank en het Hof. Volgens belanghebbende is sprake van een schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij verzoekt het Hof daaraan de gevolgen te verbinden die het geraden voorkomen (artikel 8:31 Awb).\n\n5.2.. Tot de op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb over te leggen stukken behoren alle stukken die de Heffingsambtenaar ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. De verplichting tot overlegging van stukken strekt zich ook uit tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de Heffingsambtenaar zijn gekomen. Indien dergelijke stukken ter beschikking van de Heffingsambtenaar komen na afloop van de in artikel 8:42 Awb bedoelde termijn, dient hij deze alsnog onverwijld aan de rechter toe te zenden. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren niet slechts de stukken die de Heffingsambtenaar heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Daartoe behoren in beginsel ook stukken die de Heffingsambtenaar wel ter beschikking staan of hebben gestaan maar die hij niet heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Stukken die de Heffingsambtenaar wel heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit, maar die voor de beoordeling van de zaak door de rechter niet (langer) van belang zijn, behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2).\n\n5.3.. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, behoren de bouwtekeningen en de iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten in beginsel niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Dat is slechts anders indien de Heffingsambtenaar in het kader van de onderhavige procedure de bouwtekeningen en de iWOZ-kaarten heeft opgevraagd en ingezien. In die situatie behoren die stukken tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Daarnaast geldt dat, als belanghebbende gemotiveerd heeft gesteld dat de door de Heffingsambtenaar in de matrix genoemde gebruiksoppervlakten en objectkenmerken van de woning of de vergelijkingsobjecten onjuist zijn, en hij daarmee voldoende twijfel zaait, het in reactie daarop op de weg van de Heffingsambtenaar kan liggen om de gebruiksoppervlakten en objectkenmerken te controleren en (als gevolg daarvan) bijvoorbeeld bouwtekeningen, iWOZ-kaarten of ander bewijs in te brengen. Dat is hier niet aan de orde. De gemachtigde voert standaard in zijn (hoger)beroepschriften aan dat hij de gebruiksoppervlakte en de objectkenmerken bestrijdt bij gebrek aan wetenschap. Iedere verdere motivering ontbreekt, zodat hij daarmee niet de minste twijfel zaait dat de Heffingsambtenaar is uitgegaan van de juiste gebruiksoppervlakten en objectkenmerken van de woning en de vergelijkingsobjecten.\n\nWaarde van de woning\n\n5.4.. De waarde van de woning wordt volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, p. 43-44).\n\n5.5.. De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571 geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag of aan de bewijslast is voldaan de normale regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast gelden. Die regels brengen mee dat de rechter ten aanzien van de door een partij aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen in hoeverre die zijn bestreden en, zo ja, in hoeverre die door deze partij aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd (HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332). Indien de heffingsambtenaar niet het van hem verlangde bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt, dient de rechter de waarde op een door hem gekozen grondslag vast te stellen. Indien de belanghebbende een beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waarde van de onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het derhalve aan hem te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776).\n\n5.6.. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde een taxatierapport en een matrix overgelegd (zie 2.2). Uit de matrix volgt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Daarbij is verwezen naar de opbrengst behaald bij verkoop van de vergelijkingsobjecten rondom de waardepeildatum. Niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Voldoende is dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen.\n\n5.7.. Naar het oordeel van het Hof zijn de vergelijkingsobjecten vergelijkbaar met de woning. Alle vergelijkingsobjecten zijn twee-onder-een-kapwoningen met een garage die zijn gelegen in dezelfde wijk van [woonplaats] als de woning, [Wijk 1] . De percelen zijn van een vergelijkbare oppervlakte. Qua uitstraling zijn de vergelijkingsobjecten eveneens vergelijkbaar met de woning.\n\n5.8.. Met de verschillen in gebruiksoppervlakte en in staat tussen de vergelijkingsobjecten en de woning is in de matrix in voldoende mate rekening gehouden. Dit komt naar voren doordat de Heffingsambtenaar aparte waardes heeft toegekend aan de grond en aan de deelobjecten van de woning en de vergelijkingsobjecten, en aan de woning voor ligging factor 1 heeft toegekend vanwege geluidsoverlast en als gevolg van de ligging nabij een snelweg. Uit de matrix blijkt een prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de woning van € 1.958. Dit is lager dan de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van elk van de vergelijkingsobjecten (zie 2.2). Ten opzichte van het gemiddelde van de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de vergelijkingsobjecten is de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de woning € 581 lager. Dit is ruim voldoende om eventuele verschillen die nog niet zijn verdisconteerd in de aan de grond en de deelobjecten toegekende waardes te absorberen. De Heffingsambtenaar heeft met de gerealiseerde verkoopcijfers van de door hem gebezigde vergelijkingsobjecten aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.\n\n5.9.. Belanghebbende betwist dat de door de Heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten kunnen dienen ter onderbouwing van de beschikte waarde van de woning, omdat de woning uit het bouwjaar 1981 is, terwijl de vergelijkingsobjecten zijn gebouwd in de periode 2001-2004. Gelet op het grote verschil in NEN-regime en bouwfysische kwaliteit in 1981 ten opzichte van de periode 2001-2004 zijn de vergelijkingsobjecten volgens belanghebbende onvoldoende vergelijkbaar met de woning. Belanghebbende wijst erop dat de vereisten die bij het bouwen van een woning aan energie- en geluidsisolatie werden gesteld in het jaar 1981 aanzienlijk lager waren dan de vereisten die in de periode 2001-2004 golden. Daarnaast zijn de vergelijkingsobjecten gelegen in een rustigere omgeving dan de woning, aldus belanghebbende.\n\n5.10.. Uit de bijlagen bij het nader stuk van de Heffingsambtenaar van 10 december 2025 blijkt dat de woning is gebouwd in 1998. De door belanghebbende aangevoerde verschillen in NEN-regime en bouwfysische kwaliteit tussen woningen gebouwd in 1981 en woningen gebouwd in de periode 2001-2004 zijn daarom niet relevant. Gesteld noch gebleken is dat in dat opzicht sprake zou zijn van relevante verschillen tussen woningen gebouwd in 1998 en woningen gebouwd in de periode 2001-2004. Het betoog van belanghebbende faalt.\n\n5.11.. Belanghebbende stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met de ligging van de woning nabij een industriegebied en in een gebied met veel geluidsoverlast. Ter onderbouwing heeft belanghebbende een luchtfoto van de ligging van de woning overgelegd en afbeeldingen uit de Atlas Leefomgeving waaruit een geluidsniveau van 61-65 dB volgt, volgens belanghebbende het geluidsniveau van een klein opstijgend vliegtuig, terwijl de vergelijkingsobjecten zijn gelegen in een gebied met een geluidsniveau van 46-50 dB. De Heffingsambtenaar heeft de stelling van belanghebbende betwist door erop te wijzen dat de woning aan de voorzijde uitzicht heeft op groen, wel met zicht op enige kassen, en aan de achterkant is gelegen aan een park. De snelweg […] is op 1,3 km afstand van de woning gelegen. De Heffingsambtenaar heeft foto’s overgelegd ter onderbouwing van zijn verweer.\n\n5.12.. Het Hof is op basis van de door beide partijen overgelegde stukken van oordeel dat de Heffingsambtenaar met het toekennen van factor 1 voor ligging (zeer slecht, ondergemiddeld) aan de woning en factor 3 voor ligging (voldoende, gemiddeld) aan de vergelijkingsobjecten voldoende rekening heeft gehouden met de ligging van de woning. Factor 1 betekent dat de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte met 10% verminderd wordt vanwege de zeer slechte ligging. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat met een nog grotere waardevermindering rekening moet worden gehouden.\n\n5.13.. Belanghebbende heeft in zijn referentiematrix (zie 2.3) drie objecten opgenomen die naar zijn mening beter vergelijkbaar zijn met de woning, omdat ze in dezelfde periode als de woning zijn gebouwd. Deze objecten zijn gelegen in de wijk [Wijk 2] . De Heffingsambtenaar heeft hiertegen, met stukken onderbouwd en door belanghebbende onweersproken, ingebracht dat de gemiddelde prijs per vierkante meter van woningen in de wijk [Wijk 2] € 3.538 is terwijl dat voor woningen in [Wijk 1] € 4.380 is en dat de door belanghebbende aangedragen objecten op ruime afstand van de woning liggen. Het Hof is van oordeel dat de door belanghebbende aangedragen objecten vanwege het lagere prijsniveau in de wijk [Wijk 2] en de afstand tot de woning niet vergelijkbaar zijn met de woning en laat deze daarom buiten beschouwing. Daar komt nog bij dat inmiddels is komen vast te staan (zie 5.10) dat het bouwjaar van de woning 1998 is en dat de door belanghebbende gehanteerde objecten bouwjaren hebben variërend van 1987-1989. Reeds daarom zijn deze objecten niet geschikt om de waarde van de woning te bepalen.\n\n5.14.. Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten zijn geïndexeerd. Het Hof stelt vast dat de indexeringspercentages, voor zover van toepassing, zijn opgenomen in de matrix (zie 2.2), zodat belanghebbendes stelling feitelijke grondslag mist.\n\n5.15.. Belanghebbende heeft zijn stellingen dat de oppervlakte en de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten niet kloppen op geen enkele manier onderbouwd. Hij heeft derhalve niet voldaan aan zijn stelplicht.\n\nSlotsom\n\n5.16.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, R.A. Bosman en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nJ. Azmi Shenouda M.J.M. van der Weijden\n\nDe beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1886","2026-07-13T00:29:29.259Z",{"id":187,"ecli":188,"slug":189,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":182,"fullText":190,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":191,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":51,"updatedAt":192},"781","ECLI:NL:GHAMS:2026:1782","ecli-nl-ghams-2026-1782","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F1409\n\n16 april 2026\n\nuitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X], wonende te [Z], belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van 10 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24\u002F7665 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats], de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard.\n\n1.2.. In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft belanghebbende een hogerberoepschrift ingediend en de heffingsambtenaar een verweerschrift.\n\n1.3.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Met een scanauto is geconstateerd dat de auto van belanghebbende op 26 september 2024 om 13:14 uur stond geparkeerd langs de [straat] in [plaats], terwijl de op die plaats en op dat moment verschuldigde parkeerbelasting ter zake van dat parkeren niet was voldaan. Daarom heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, welke aanslag hij bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.\n\n2.2.. Op de [straat] gelden stopverboden. Parkeren is nochtans (in elk geval) toegestaan in diverse verharde parkeervakken, al dan niet gelegen op een parkeerterrein, en op een strook langs de rijbaan bij de golfbaan. Op die laatste strook, waarvan de bovenlaag uit zand met wat grind, split of schelpen bestaat, stond de auto van belanghebbende geparkeerd.\n\n2.3.. In de stukken van het geding bevinden zich diverse foto’s van de [straat] en de directe omgeving, met daarop zichtbaar allerlei bebording over betaald parkeren en diverse parkeermeters. Onmiddellijk aan de strook waar de auto van belanghebbende geparkeerd stond, staat geen betaaldparkerenbord of een parkeermeter, maar wel enige meters verderop bij het direct naastgelegen, verharde parkeerterrein. Aan het begin van de [straat] hing in september 2024 verder een geel bord waarop met zwarte letters was vermeld:\n\n“Let op! Per 1 juli 2023\n\nverkeerssituatie gewijzigd\n\nVanaf 1 juli enkel\n\nbetaald-\u002Fvergunning\n\nparkeren”\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nIn geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\n4.1.. De rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij heeft overwogen dat zoveel borden over betaald parkeren en parkeermeters staan in de omgeving van de plek waar de auto van belanghebbende stond geparkeerd, dat duidelijk is dat (ook) daar betaald parkeren geldt, net als in de rest van [plaats], en dat de modderigheid van de bewuste parkeerplek daaraan niet afdoet.\n\n4.2.. In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de door hem naar voren gebrachte argumenten. Die argumenten komen erop neer dat voor de strook langs de rijbaan waar zijn auto stond geparkeerd het betaald parkeren niet duidelijk kenbaar is gemaakt. De situatie ter plaatse wijst volgens belanghebbende zelfs erop dat op die strook het betaald parkeren juist niet geldt. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing mede naar de “(verkeers)psychologische begrippen perceptie, schema’s en inattentional blindness”.\n\n4.3.. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat, door de aanwezigheid van vele borden en parkeermeters, te zien op de foto’s in de stukken, voldoende kenbaar is dat ten tijde van het parkeren op de gehele [straat] betaald parkeren gold, zoals in de Verordening Parkeerbelastingen 2024 van Gemeente [plaats] is bepaald. Belanghebbende is langs die borden en meters gereden naar de plek waar hij zijn auto heeft geparkeerd en kon, nog steeds gezien de foto’s in de stukken, bij het uitstappen in zijn directe nabijheid een parkeermeter zien. De bewuste parkeerplek was bovendien duidelijk openbaar terrein, behorende bij de weg, terwijl nergens een uitzondering op het alom in de omgeving (i.e.de plaats [plaats]) geldende betaald parkeren kenbaar is gemaakt. Het ontbreken van bestrating met belijning op de bewuste strook, het ontbreken van een bord of parkeermeter specifiek bij die strook, en de ligging naast een golfclub, wijzen in redelijkheid evenmin op een dergelijke uitzondering.\n\n4.4.. Het Hof heeft ook kennisgenomen van de verkeerspsychologische inzichten waarnaar belanghebbende heeft verwezen, maar die inzichten hebben niet tot een ander oordeel geleid. Indien belanghebbende inderdaad oprecht heeft gedwaald over het betaald parkeren, zoals hij stelt, ligt het veeleer in de rede dat die dwaling het gevolg is van een hem persoonlijk aangaande inattentional blindnessof onoplettendheid. Een perceptie en\u002Fof schematische indeling van de situatie ter plaatse in die zin dat het in de omgeving geldende en kenbaar gemaakte betaald parkeren specifiek op de bewuste strook niet zou gelden, en dat de parkeermeter enige meters verderop er slechts zou staan voor de met klinkers verharde en door belijning gemarkeerde parkeerplaatsen, is naar het oordeel van het Hof in elk geval niet objectief gerechtvaardigd. De situatie ter plaatse had belanghebbende minimaal aanleiding moeten geven het geldende parkeerregime nader te onderzoeken. De gestelde dwaling kan daarom niet afdoen aan de verschuldigdheid van de parkeerbelasting en de kosten van de naheffingsaanslag.\n\n4.5.. Ten slotte moge het zo zijn dat in diverse door belanghebbende aangehaalde uitspraken van andere rechters andere oordelen zijn geveld over de kenbaarheid van betaald parkeren dan wel van parkeerverboden, maar dat zijn casuïstische oordelen over andere plaatsen. Voor deze zaak zijn die uitspraken zonder betekenis.\n\n4.6.. De slotsom is daarom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.\n\n5. Kosten\n\nVoor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1782","2026-07-13T00:28:47.749Z",{"id":194,"ecli":195,"slug":196,"caseNumber":43,"courtId":163,"decisionDate":197,"fullText":198,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":199,"sourceTimestamp":200,"parsedAt":51,"updatedAt":201},"1658","ECLI:NL:GHDHA:2026:2164","ecli-nl-ghdha-2026-2164","2026-04-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F331 tot en met BK-25\u002F339\n\nUitspraak van 8 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: D.A.N. Bartels)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 april 2025, nummers SGR 23\u002F6557, SGR 23\u002F6558, SGR 23\u002F6559, SGR 23\u002F6561, SGR 23\u002F6562, SGR 23\u002F6563, SGR 23\u002F6564, SGR 23\u002F6566, SGR 23\u002F6567.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van negen verschillende objecten te [woonplaats 1] en [woonplaats 2] , voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld. Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Noordwijk (de aanslagen). De Heffingsambtenaar heeft de waarde van de objecten (onroerende zaken) als volgt vastgesteld:\n\n [adres 1]\n\n€ 260.000\n\n [adres 2]\n\n€ 244.000\n\n [adres 3]\n\n€ 244.000\n\n [adres 4]\n\n€ 317.000\n\n [adres 5]\n\n€ 339.000\n\n [adres 6]\n\n€ 319.000\n\n [adres 7]\n\n€ 1.341.000\n\n [adres 8]\n\n€ 671.000\n\n [adres 9]\n\n€ 1.108.000\n\n1.2.. De Heffingsambtenaar heeft de bezwaren tegen de beschikkingen en de aanslagen ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van eenmaal € 50. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van eenmaal € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en op 3 juli 2025, 21 januari 2026 en 3 februari 2026 nadere stukken ingediend. Van de zijde van belanghebbende zijn op 2 december 2025, 13 januari 2026, 14 januari 2026 en 23 januari 2026 nadere stukken ingekomen.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 5 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:\n\n“4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024[1] toegelicht hoe de bewijslastverdeling in WOZ-zaken over de waarde, rekening houdend met het zogenoemde ‘Oostflakkee’-arrest[2], moet worden uitgelegd. In dit eerstgenoemde arrest stelt de Hoge Raad voorop dat de bewijslastverdeling, anders dan vaak uit het Oostflakkee-arrest wordt afgeleid (en vaak wordt aangeduid als de drietrapsraket), niets anders behelst dan het toepassen van de gewone regels van bewijslastverdeling. Dat betekent dat de rechtbank eerst beoordeelt of verweerder de vastgestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt, bezien in het licht van de betwisting door eiseres. Als er aspecten zijn die volgens eiseres tot een lagere waardering zouden moeten leiden, is het ook aan eiseres om deze aspecten aan te dragen en aannemelijk te maken. Als verweerder er niet in slaagt om de door hem vastgestelde waarde aannemelijk te maken, dan moet de rechtbank, als eiseres een lagere waarde bepleit, beoordelen of eiseres die lagere waarde aannemelijk heeft gemaakt. Pas als beide partijen de door hen voorgestane waarde niet aannemelijk hebben gemaakt en dus niet het van hen te verlangen bewijs hebben geleverd, volgt volgens de Hoge Raad uit het Oostflakkee-arrest dat de rechter de waarde van de onroerende op een door hem gekozen grondslag mag vaststellen. De rechtbank zal de waarde van de onroerende zaken hierna dan ook op voormelde wijze beoordelen.\n\n5. De gemachtigde van eiseres heeft in zijn beroepschrift, nadere stukken en zijn zogenoemde “pinpoint”brief volstaan met een opsomming van algemene niet naar de zaken zelf geconcretiseerde beroepsgronden en een verwijzing naar het door hem ingediende bezwaarschrift. Nog afgezien van het feit dat een enkele verwijzing naar een bezwaarschrift onvoldoende is als beroepsgrond, heeft de gemachtigde in dat bezwaarschrift ook volstaan met algemene gronden en niet nader geconcretiseerd dat en in hoeverre deze algemene gronden van toepassing zijn in de onderhavige zaken.\n\n6. Door pas ter zitting zijn beroepsgronden concreet te maken, heeft de gemachtigde verweerder de kans ontnomen deze gronden te onderzoeken en een nadere toelichting of onderbouwing (met stukken) te verstrekken. Ter zitting heeft de gemachtigde voor het eerst concreet gemaakt waarom de vergelijkingsobjecten van de woningen niet goed vergelijkbaar zouden zijn en voor de twee winkelpanden gesteld dat deze ten onrechte als woning zijn gewaardeerd, de kelders van de winkelpanden ten onrechte verschillend zijn gewaardeerd en de in aftrek gebrachte coronavermindering op een te laag percentage is vastgesteld. De rechtbank acht dit in strijd met de goede procesorde en zal deze stellingen van eiseres derhalve niet betrekken in de beoordeling.[3] De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde veelvuldig procedeert, met de gang van zaken tijdens een belastingprocedure bekend is en voor de late inbreng van zijn concrete standpunten desgevraagd geen afdoende verklaring heeft kunnen geven.[4] Het ter zitting ingenomen standpunt van de gemachtigde dat de beroepsgronden in zijn stukken zijn opgenomen dan wel dat de rechtbank deze zelfstandig uit de stukken had kunnen afleiden miskent de rol van de rechtbank. De bezwaren van de gemachtigde die samenhangen met de door verweerder op 18 maart 2025 overgelegde iWOZ-rapportages voor [adres 9] worden niet buiten beschouwing gelaten, omdat van de gemachtigde redelijkerwijs niet mocht worden verwacht dat hij eerder op die rapportages zou reageren.\n\nWoningen [adres 1] [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6]\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarden van [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] per waardepeildatum niet te hoog zijn vastgesteld. Zoals volgt uit de waarderapporten, zijn de waarden van de woningen aan de [straat] bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Verweerder heeft de waarden van de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] onderbouwd met de verkoopgegevens van de vergelijkingsobjecten [adres 10] (verkocht op 7 januari 2021 voor € 325.000), [adres 11] (verkocht op 1 maart 2022 voor € 280.500) en [adres 12] (verkocht op 27 december 2021 voor € 450.000). De waarden van de [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] heeft verweerder onderbouwd met de verkoopgegevens van de vergelijkingsobjecten [adres 11] (verkocht op 1 maart 2022 voor € 280.500), [adres 13] (verkocht op 15 september 2022 voor € 450.000) en [adres 14] (verkocht op 29 september 2022 voor € 260.000). De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten gelet op het type woning, bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en objectkenmerken voldoende vergelijkbaar. Uit de waarderapporten volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met verschillen in primaire kenmerken (zoals bouwjaar en gebruiks- en perceeloppervlakte), secundaire kenmerken (ligging en niveau van kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen) en bijgebouwen tussen de vergelijkingsobjecten en de woningen in de [straat] . Met de verschillen is ook in voldoende mate rekening gehouden. Eiseres heeft de door haar bepleitte waarden niet onderbouwd.\n\n [adres 9]\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarde van [adres 9] per waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld. Zoals volgt uit het waarderapport is de waarde van [adres 9] bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, te weten [adres 15] (verkocht op 19 augustus 2022 voor € 1.050.000), [adres 16] (verkocht op 2 juni 2022 voor € 762.000) en [adres 17] (verkocht op 24 september 2021 voor € 1.345.000). De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten gelet op het type woning (vrijstaand), het identieke waardegebied (W053), de identieke ligging (3), bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en objectkenmerken goed vergelijkbaar. Uit het waarderapport volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met verschillen in primaire kenmerken (zoals bouwjaar en gebruiks- en perceeloppervlakte), secundaire kenmerken (ligging en niveau van kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen) en bijgebouwen tussen de vergelijkingsobjecten en [adres 9] . Met de verschillen is ook in voldoende mate rekening gehouden.\n\n9. In reactie op de door verweerder ingediende iWOZ-rapporten van de vergelijkingsobjecten voor [adres 9] heeft de gemachtigde ter zitting aangevoerd dat er verschillen bestaan in het aantal vierkante meters in de iWOZ-rapportages tussen de BAGoppervlakte en de gebruiksoppervlakte en dat er gegevens over de inhoud staan genoemd. De gemachtigde heeft vervolgens opgemerkt dat deze verschillen kunnen leiden tot een hogere of lagere waarde. De gemachtigde heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat en vooral in hoeverre dit tot een waardeverschil zou moeten leiden voor [adres 9] . Verder geldt dat de gegevens in iWOZ-rapportages marktinformatie betreft afkomstig uit de verkoopadvertenties van makelaars die de inhoud en oppervlakte op andere wijze vaststellen. Die informatie is dan ook niet bepalend. Een verschil in vierkante meters tussen de in de iWOZ-rapportages opgenomen gebruiksoppervlakte en BAG oppervlakte leidt niet tot de conclusie dat de vergelijkingsobjecten ongeschikt zijn om als vergelijkingsobject te dienen.\n\n10. De ter zitting overgelegde schriftelijke toelichting van eiseres op de onderhoudstoestand en het fotomateriaal, leiden evenmin tot een ander oordeel. Uit de foto’s kan weliswaar worden afgeleid dat er (water)schade is geweest en dat er werkzaamheden hebben plaatsgevonden, maar eiseres heeft hiermee niet onderbouwd dat de volgens haar met het herstel gemoeide kosten € 30.000 bedragen. De stelling van de gemachtigde ter zitting dat eiseres een dochter van een architect is en dus precies weet hoeveel de kosten bedragen is daartoe onvoldoende. Er is ook geen offerte of factuur overgelegd waaruit deze kosten blijken en evenmin is aannemelijk geworden dat deze kosten een waardevermindering op de woning rechtvaardigen van eenzelfde bedrag.\n\nWinkelpanden [adres 7] en [adres 8]\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarden van [adres 7] en [adres 8] per waardepeildatum niet te hoog zijn vastgesteld. De waarden van deze twee winkelpanden heeft verweerder bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. Voor [adres 7] heeft verweerder een kapitalisatiefactor van 11,3 toegepast en is uitgegaan van huurwaarden van € 239,50 per m² (winkelruimte), € 95,80 per m² (opslag) en € 60,35 per m² (kelder). Voor [adres 8] heeft verweerder eveneens een kapitalisatiefactor van 11,3 toegepast en is uitgegaan van huurwaarden van € 250,75 per m² (winkelruimte), € 100,30 per m² (opslag) en € 70,21 per m² (kelder). Deze gegevens heeft hij gebaseerd op huurtransacties van [adres 18] (verhuurd per 15 mei 2023 voor € 34.000) en [adres 19] (verhuurd per 1 september 2020 voor € 30.000) en op een verkooptransactie van [adres 20] (verkocht op 24 januari 2022 voor € 1.235.000), winkelpanden gelegen in dezelfde straat op een A1locatie. De door verweerder gehanteerde huurwaarden voor [adres 7] en [adres 8] vallen allemaal binnen de bandbreedte van de huurwaarden van de vergelijkingsobjecten. Vanwege de Coronacrisis heeft verweerder voor [adres 7] en [adres 8] over de totale huurwaarden een coulancekorting van 2% toegepast, gebaseerd op een advies van de Waarderingskamer. Verweerder heeft de kapitalisatiefactor van [adres 7] en [adres 8] berekend aan de hand van het object [adres 18] . Tot de gedingstukken behoort een afschrift van deze berekening. Hieruit blijkt dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een geïndexeerde transactieprijs en een onderbouwde huurwaarde. Daarmee heeft hij de gehanteerde kapitalisatiefactor in voldoende mate onderbouwd. Gelet op de gelijke ligging op een A1-locatie, heeft verweerder deze kapitalisatiefactor terecht toegepast voor [adres 7] en [adres 8] . Eiseres heeft tegen de onderbouwing geen concrete gronden aangevoerd en heeft de door haar bepleitte waarden niet onderbouwd.\n\n12. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de waarden van de onroerende zaken niet te hoog zijn vastgesteld.\n\n13. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 6 april 2023 en door de rechtbank is heden, op 4 april 2025, uitspraak gedaan. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.\n\n14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n(…)\n\n[1] ECLI:NL:HR:2024:571.\n\n[2] Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n[3] Vgl. Gerechtshof Den Haag 9 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:111.\n\n[4] Vgl. Gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:475.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. Gemachtigde heeft in het hogerberoepschrift en de nadere stukken (door hem onder meer “pinpoint brieven” genoemd) volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaken. Daarom is de gemachtigde ter zitting gevraagd welke hogerberoepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Uit de daarop aangevoerde hogerberoepsgronden blijkt dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op het hierna onder 4.1.2 genoemde punt.\n\n4.1.2.. In geschil is of de waarde van de onroerende zaken op te hoge bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikkingen aldus dat de waarde van de onroerende zaken wordt verminderd met 20% en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n5.1.. Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partij die hoger beroep instelt toekomt, is de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank op alle punten op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of in de beroepsfase zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Dit leidt tot de slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.\n\nSlotsom\n\n5.2.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra P.J.J. Vonk\n\nDe beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2164","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.028Z",{"id":203,"ecli":204,"slug":205,"caseNumber":43,"courtId":163,"decisionDate":197,"fullText":206,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":207,"sourceTimestamp":200,"parsedAt":51,"updatedAt":208},"1626","ECLI:NL:GHDHA:2026:2165","ecli-nl-ghdha-2026-2165","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F418 tot en met BK-25\u002F422\n\nUitspraak van 8 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X]te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [Y] )\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 april 2025, nummers SGR 24\u002F1604, 24\u002F1606, 24\u002F1607, 24\u002F1609 en 24\u002F1610.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van vijf verschillende objecten te [woonplaats] , voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld. Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Noordwijk (de aanslagen). De Heffingsambtenaar heeft de waarde van de objecten (onroerende zaken) als volgt vastgesteld:\n\nObject\n\nWaarde\n\nType\n\n [adres 1]\n\n€ 137.000\n\nniet-woning\n\n [adres 2]\n\n€ 240.000\n\nniet-woning\n\n [adres 3]\n\n€ 409.000\n\nwoning\n\n [adres 4]\n\n€ 409.000\n\nwoning\n\n [adres 5]\n\n€ 190.000\n\nniet-woning\n\n1.2.. De Heffingsambtenaar heeft de bezwaren tegen de beschikkingen en de aanslagen ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt:\n\n“De rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ten aanzien van [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] met zaaknummers 24\u002F1604, 24\u002F1606 en 24\u002F1610 niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart de beroepen ten aanzien van [adres 3] en [adres 4] met zaaknummers 24\u002F1607 en 24\u002F1609 ongegrond; en\n\n- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende zijn op 2 december 2025, 13 januari 2026, 14 januari 2026, 23 januari 2026 nadere stukken ingekomen.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 5 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. De Rechtbank heeft [Y] bij brief van 11 maart 2024 een termijn gegeven voor het indienen van een machtiging (uiterlijk 8 april 2024) met de mededeling dat de beroepen anders niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard.\n\n2.2.. \n [Y] heeft op 19 maart 2024 een machtiging ingediend op naam van [A] uit 2021, een machtiging op naam van [B] uit 2022 en een e-mailconversatie met [C] over de twee woningen [adres 3] en [adres 4] met waarderapporten opgemaakt voor die woningen.\n\n2.3.. De Rechtbank heeft [Y] bij brief van 18 maart 2025 in de gelegenheid gesteld uiterlijk ter zitting van 11 april 2025 een machtiging op de juiste naam in te dienen met een kopie van een geldig identiteitsbewijs.\n\n2.4.. Ter zitting van de Rechtbank heeft [Y] een kopie van e-mailconversatie tussen [C] en zijn dochter [belanghebbende] overgelegd van 8 april 2025 met aangehecht een machtiging, ondertekend op 9 april 2025 door [belanghebbende] met bijgevoegd een kopie paspoort. In deze e-mail schrijft [C] aan [belanghebbende] het volgende:\n\n“Namens ons heeft [Y] bezwaar gemaakt tegen de te grote waardestijging van de [adres 3] en [adres 4] (de woningen). Daar heb ik e.e.a. voor ingevuld. Formeel moet jij dat echter doen. Wil jij de volmacht in de bijlage invullen en tekenen(…).”\n\n2.5.. Op 22 mei 2025 heeft het Hof [Y] verzocht een recente machtiging te verstrekken. In die brief is verder vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien geen recente machtiging wordt overgelegd. Op 17 juni 2025 heeft [Y] dezelfde volmacht en email toegestuurd aan het Hof als hij aan de Rechtbank heeft overgelegd.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:\n\n“9. (…) Aangezien in de aan de machtiging gehechte e-mail uitdrukkelijk alleen over bezwaar tegen de woningen [adres 3] en [adres 4] wordt gesproken, evenals in de tot het dossier behorende correspondentie tussen [C] en [Y] , acht de rechtbank [Y] niet bevoegd beroep in te stellen namens [belanghebbende] tegen de waarde van de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] . De hiertegen, kennelijk op eigen initiatief, ingestelde beroepen door [Y] zijn daarom niet-ontvankelijk verklaard.\n\n10. Ten aanzien van de twee woningen heeft [Y] zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vastgestelde waarde van de woningen niet te hoog is als wordt uitgegaan van de waarde in vrije staat, maar dat de fictie in de Wet WOZ die vrij van huur wordt gewaardeerd onjuist is en gelet op de verhuurde staat buiten toepassing moeten blijven. [Y] bepleit een waarde (in verhuurde staat) van € 311.000. Dit beroep faalt. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Het betoog van [Y] ter zitting dat hij dit uitgangspunt van de wetgever niet redelijk vindt, kan nergens toe leiden, omdat de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag beoordelen. De beroepen tegen de woningen zijn daarom ongegrond verklaard.\n\n11. De rechtbank constateert dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 22 maart 2023 de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) twee maanden is overschreden. De rechtbank laat het bij die constatering. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024[1] wordt niet tegemoet gekomen aan een verzoek tot vergoeding van immateriële schade indien het financieel belang minder is dan € 1.000 én de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1000 bedraagt, zodat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.\n\n12. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\n(…)\n\n[1] ECLI:NL:HR:2024:853.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. Gemachtigde heeft in het hogerberoepschrift en de nadere stukken (door hem onder meer “pinpoint brieven” genoemd) volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaken. Daarom is de gemachtigde ter zitting gevraagd welke hogerberoepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Uit de daarop aangevoerde hogerberoepsgronden blijkt dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op het hierna onder 4.1.2 genoemde punt.\n\n4.1.2.. In geschil is of:\n\na. a) de beroepen met betrekking tot de waarde van de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank;\n\nb) de waarde van de onroerende zaken op te hoge bedragen zijn vastgesteld; en\n\nc) belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\nBelanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van de beroepen met betrekking tot de waarde van de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] . Belanghebbende concludeert verder tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikkingen aldus dat de waarde van de onroerende zaken wordt verminderd met 20% en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen. Voorts verzoekt belanghebbende om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nDe beroepen inzake de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5]\n\n5.1.. De Rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de beroepen met betrekking tot de waarde van de kantoren aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] niet-ontvankelijk zijn. In hoger beroep heeft [Y] geen nadere informatie overgelegd waaruit volgt dat hij bevoegd was (hoger) beroep in te stellen met betrekking tot de waarde van de kantoren aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] . Deze beroepen zijn derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\n [adres 3] en [adres 4]\n\n5.2.. \n\nMet inachtneming van de herkansingsfunctie die de partijen in hoger beroep toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en in zoverre terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of eerste aanleg zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven.\n\nVerzoek om vergoeding immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn\n\n5.3.. De Rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden en mocht het op grond van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, bij deze constatering laten. Hoewel belanghebbende voorafgaand aan de datum van voormeld arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, was de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure op de datum van dat arrest nog niet overschreden (r.o. 3.5 in voormeld arrest). Dit brengt mee dat de Rechtbank mocht beslissen conform dat arrest, aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het financiële belang bij de procedure meer dan € 1.000 bedroeg.\n\nSlotsom\n\n5.4.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra P.J.J. Vonk\n\nDe beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2165","2026-07-13T00:29:30.292Z",27,20,[11,212,213],2025,2024]