[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-mental-health-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":206},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":204,"page":14,"limit":205},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},67,"mental-health-law-nl","Mental Health Law","NL","2026-07-08T16:54:19.252Z",2026,[13,16,18,20,22,25,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,2,{"month":15,"count":17},0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":24},5,12,{"month":26,"count":21},6,{"month":28,"count":17},7,{"month":30,"count":17},8,{"month":32,"count":17},9,{"month":34,"count":17},10,{"month":36,"count":17},11,{"month":24,"count":17},[39,53,62,69,76,86,93,103,110,117,124,131,139,147,154,161,169,177,187,194],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1292","ECLI:NL:RBOBR:2026:4805","ecli-nl-rbobr-2026-4805","",72,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats ’s-Hertogenbosch\n\nzaaknummers : 12105467 TD VERZ 26-110 & 12133250 TD VERZ 26-165\n\ndatum : 25 juni 2026\n\n [griffier]beschikking op een verzoek tot onderbewindstelling en instelling mentorschap\n\nop verzoek van\n\n [verzoeker] ,\n\nwonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,\n\nhierna te noemen: de zus,\n\nmet betrekking tot\n\n [betrokkene] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,\n\nwonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,\n\nhierna te noemen: betrokkene,\n\ngemachtigde mr. J.B.G. Gelissen.\n\nprocedure\n\nDe kantonrechter heeft kennisgenomen van:\n\nhet verzoek van de zus tot het instellen van een bewind voor betrokkene, met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2026;\n\nde e-mails van de zus met bijlage, ontvangen op 3 maart 2026;\n\nhet verzoek van de zus tot het instellen van een mentorschap voor betrokkene, met bijlagen, waaronder haar bereidverklaringen bewindvoerder en mentor, ontvangen op 10 maart 2026;\n\nhet verweerschrift van [nicht] (hierna te noemen: de nicht), ontvangen op 18 maart 2026;\n\nde brief met bijlagen van de zus, ontvangen op 20 maart 2026;\n\nde brief van de zus van 31 maart 2026;\n\nde e-mail van [broer] (hierna te noemen: de broer), ontvangen op 26 maart 2026;\n\nde e-mail van de gemachtigde van betrokkene, ontvangen op 15 april 2026;\n\nde e-mail van de broer, met als bijlage een verweerschrift houdende een zelfstandig verzoek, ontvangen op 25 april 2026;\n\nhet verweerschrift met bijlagen van betrokkene, ingediend door zijn gemachtigde, ontvangen op 22 mei 2026;\n\nde e-mail van de gemachtigde van betrokkene met aanvullende producties, waaronder de bereidverklaringen bewindvoerder en mentor van de nicht, ontvangen op 26 mei 2026;\n\nde aanvullende informatie en bereidverklaringen van de broer, ontvangen op 23 juni 2026.\n\nHet verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 28 mei 2026. Ter zitting zijn verschenen: betrokkene en zijn gemachtigde mr. J.B.G. Gelissen, de zus van betrokkene met haar echtgenoot, en de nicht van betrokkene (dochter van een overleden zus van betrokkene). De broer van betrokkene is via een Teams videoverbinding over het verzoek gehoord.\n\nbeoordeling\n\nSamengevat moet de kantonrechter beoordelen of het noodzakelijk is de goederen van betrokkene onder bewind te stellen en een mentorschap ten behoeve van betrokkene in te stellen. Als die noodzaak bestaat, moet worden bepaald wie de maatregelen zal gaan uitvoeren. Betrokkene en zijn familieleden verschillen hierover onderling van mening.\n\nDe nadere inhoudelijke beoordeling door de kantonrechter is uit privacyoverwegingen voor betrokkene opgenomen in een aparte bijlage bij deze beschikking. Deze bijlage maakt in zijn geheel onderdeel uit van de beschikking.\n\n Uit de processtukken en de behandeling op de zitting blijkt dat betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand onvoldoende in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Daarom zal de kantonrechter bewind instellen. De kantonrechter zal de in de beslissing genoemde personen tot bewindvoerders benoemen, nu daartegen geen gegronde bezwaren zijn gebleken.\n\nBetrokkene is (op dit moment) niet in staat om de rekening en verantwoording te beoordelen. Betrokkene is (op dit moment) niet in staat om toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek.\n\nUit de processtukken en behandeling op de zitting blijkt ook dat betrokkene vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand onvoldoende in staat is zijn niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Daarom zal de kantonrechter naast het bewind een mentorschap instellen. De kantonrechter zal de in de beslissing genoemde mentoren benoemen, nu daartegen geen gegronde bezwaren zijn gebleken.beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n- stelt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking\n\neen bewind in over de goederen die [betrokkene](zullen) toebehoren vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand;\n\n- benoemt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking tot bewindvoerders: [nicht] , wonende te [postcode] ’ [woonplaats] , [adres] , en [broer] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ;\n\n- stelt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking\n\neen mentorschap in ten behoeve van [betrokkene];\n\n- benoemt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking tot mentoren: [nicht] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] , en [broer] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ;\n\n- wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S.M. Morel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger\n\nberoep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:\n\na. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan\n\nof nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nBijlage\n\nOverwegingen van de kantonrechter\n\nDe verzoeken en de verweren\n\nDe zus van betrokkene verzoekt de goederen van betrokkene onder bewind te stellen, met benoeming van zichzelf tot bewindvoerder. Zij verzoekt ook een mentorschap in te stellen ten behoeve van betrokkene, met benoeming van zichzelf tot mentor.\n\nDe zus acht betrokkene niet meer in staat om zelfstandig zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijk belangen naar behoren te behartigen. Zij verwijst naar een verklaring van de casemanager dementie uit [woonplaats] van 31 januari 2026, waarin staat dat betrokkene is gediagnosticeerd met dementie en dat zijn cognitieve vermogens afnemen.\n\nZij verwijst ook naar de brief van een notaris van 9 juli 2024, waaruit blijkt dat deze notaris betrokkene op dat moment niet wilsbekwaam achtte. De nicht regelt veel zaken voor betrokkene. In de afgelopen jaren heeft echter een aantal zaken plaatsgevonden waardoor de zus haar vertrouwen in de nicht is verloren. Bovendien is betrokkene recent door zijn nicht van [woonplaats] naar ’ [woonplaats] verhuisd zonder dat de zus daarover is geïnformeerd. Hoewel zij op dat moment eerste contactpersoon was voor de zorg in [woonplaats] , wist zij enige tijd niet waar betrokkene zich bevond en of alles in orde was met hem. Zij maakt zich zorgen.\n\nNa indiening van haar verzoeken heeft de zus verklaard niet langer zelf benoemd te willen worden tot bewindvoerder en mentor van betrokkene. Zij acht in plaats daarvan benoeming van een onafhankelijke professionele bewindvoerder en mentor aangewezen.\n\nDe nicht vraagt in haar verweerschrift een onafhankelijk medisch deskundige aan te wijzen om de wilsbekwaamheid en de aard van het hersenletsel van betrokkene objectief vast te stellen. Zij acht betrokkene nog voldoende in staat om zelfstandig zijn belangen te behartigen. Zij twijfelt aan de diagnose dementie. Betrokkene is in het voorjaar van 2026 in overleg met de nicht en de broer verhuisd, iets waar zij al een aantal jaar mee bezig waren. Hij is sindsdien behandeld voor het syndroom van Wernicke en het gaat veel beter met hem, nu hij al enige tijd veel minder drinkt dan voorheen. Voor het geval de kantonrechter instelling van een bewind en mentorschap noodzakelijk acht, verzoekt zij onafhankelijke professionals te benoemen. In een later schrijven heeft zij zichzelf bereid verklaard om tot bewindvoerder en mentor benoemd te worden. Zij is de meest betrokken mantelzorger en nauw betrokken contactpersoon en vertrouwenspersoon van haar oom. Zij ziet zich in haar mogelijkheden om haar oom bij te staan in financiële en medische zaken gesaboteerd door de zus. Betrokkene heeft volgens haar veel last van de strijd die binnen de familie is ontstaan.\n\nDe broer (oom van de nicht) vraagt in zijn verweerschrift het verzoek van de zus af te wijzen en op dit moment geen enkel verzoek tot het instellen van een bewind en mentorschap te behandelen, omdat er geen spoed voor bestaat. Betrokkene woont op een goede nieuwe plek binnen de muren van een verzorgingshuis, waar het goed met hem gaat. De broer wenst dat de huidige situatie in stand blijft. Als de kantonrechter toch een maatregel noodzakelijk acht, dan verzoekt hij om de vertrouwensband tussen betrokkene en zijn mantelzorger, de nicht, niet los te koppelen, en de nicht én zichzelf tot bewindvoerders en mentoren te benoemen.\n\nDe gemachtigde van betrokkene vraagt in het verweerschrift de verzoeken van de zus nietig of niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen omdat op geen enkele wijze is aangetoond dat betrokkene niet in staat zou zijn om zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Betrokkene heeft geen schulden. Hij is onlangs verhuisd en woont momenteel zelfstandig in een appartement in een zorgcomplex. Uit niets blijkt dat het niet goed zou gaan. Mocht de kantonrechter instelling van bewind en mentorschap noodzakelijk achten, is het de wens van betrokkene dat zijn nicht en zijn broer benoemd worden tot bewindvoerders en mentoren.\n\nDe overwegingen van de kantonrechter – procedureel verweer\n\nDe gemachtigde van betrokkene heeft primair gesteld dat de inleidende verzoeken van de zus nietig of niet-ontvankelijk zijn. Zij zouden niet aan de wettelijke eisen voldoen, omdat in het mentorschapsverzoek het actuele adres van betrokkene niet juist is vermeld en ten onrechte de broer als medeverzoeker is genoemd. Ook is de nicht niet als belanghebbende vermeld, zijn de stellingen van de zus niet deugdelijk onderbouwd en heeft zij niet alle onderdelen van de formulieren volledig ingevuld.\n\nDe kantonrechter wijst dit verweer af. De gestelde tekortkomingen leiden niet tot nietigheid van het verzoekschrift. Voor niet-ontvankelijkheid ziet de kantonrechter geen aanleiding. Zoals ter zitting is gebleken, was het op grond van de stukken en de toelichting daarop voor alle betrokkenen en ook voor de kantonrechter (over)duidelijk welke verzoeken ter beoordeling voorliggen en op welke gronden. De verzoeken zijn vervolgens uitgebreid besproken, waarbij alle betrokkenen op elkaars stellingen en argumenten hebben kunnen reageren.\n\nDe overwegingen van de kantonrechter – bewind en mentorschap\n\n Op grond van de stukken en hetgeen is besproken op de zitting acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat betrokkene als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand niet langer in staat is zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelfstandig voldoende te behartigen.\n\nBetrokkene is eerder gediagnosticeerd met dementie. Ook als die diagnose niet juist zou zijn, is volgens zijn nicht sprake van niet-aangeboren hersenletsel, mogelijk als gevolg van langdurig alcoholgebruik. Hij valt regelmatig. De kantonrechter heeft op de zitting geconstateerd dat betrokkene moeite heeft met zijn kortetermijngeheugen en dat hij zich veel dingen uit het recente verleden niet herinnert. Betrokkene heeft dat ook zelf bevestigd. Om die reden schrijft hij zaken in zijn agenda op. Hij gebruikt dit als geheugensteuntje. Op de zitting heeft betrokkene zijn agenda onder meer bekeken toen het ging over zijn adres, de gang van zaken rondom zijn verhuizing en zijn ziekenhuisverblijf in het voorjaar, dat hij zich in eerste instantie niet herinnerde. Duidelijk is dat betrokkene hulp nodig heeft bij het regelen van financiële en niet-financiële zaken.\n\nBetrokkene heeft op de zitting aangegeven dat hij zich neerlegt bij de beslissing van de kantonrechter, maar dat hij liefst heeft dat de situatie blijft zoals die nu is. Zoals op de zitting echter duidelijk is geworden, lopen zowel de zus als de nicht tegen problemen aan omdat niet eenduidig is geregeld wie betrokkene mag vertegenwoordigen. Door de conflicten tussen beiden kunnen bepaalde zaken op dit moment niet (goed) geregeld worden.\n\nDe kantonrechter zal om de hiervoor genoemde redenen een bewind en mentorschap instellen ten behoeve van betrokkene.\n\nVervolgens is de vraag wie als bewindvoerder en mentor benoemd moet worden. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt.\n\nHet uitgangspunt van de wet is dat bij de benoeming van een bewindvoerder en\u002Fof mentor de voorkeur van betrokkene wordt gevolgd, tenzij er gegronde redenen zijn die zich daartegen verzetten. Op de zitting heeft betrokkene een duidelijke voorkeur te kennen gegeven voor zijn nicht als bewindvoerder en mentor. Hij vertrouwt zijn nicht en hij accepteert haar. Zij hebben altijd veel contact gehouden en nu zij dichter bij elkaar wonen zien ze elkaar nog vaker. Hij voelt zich prima in zijn nieuwe woning en leven in ’s-Hertogenbosch. Als iemand hem moet helpen, dan moet zijn nicht dat doen. Daarnaast vindt hij het goed als ook zijn broer tot bewindvoerder en mentor wordt benoemd.\n\nDe kantonrechter ziet geen gegronde reden om af te wijken van de duidelijke voorkeur van betrokkene en licht dat als volgt toe.\n\nDuidelijk is dat sprake is van verstoorde familieverhoudingen tussen de zus enerzijds en de broer en nicht anderzijds. Zij maken elkaar over en weer verwijten en vertrouwen elkaar niet meer, hoewel zij allemaal het beste met betrokkene voor hebben en de afgelopen jaren betrokkene op verschillende momenten en manieren hebben bijgestaan.\n\nDe zus heeft aangegeven dat zij heeft gezien dat de nieuwe woonsituatie van betrokkene prima is. Zij meent echter vanwege haar eerdere ervaringen dat de nicht niet geschikt zou zijn als bewindvoerder en mentor. De nicht heeft dit in een uitgebreide reactie weersproken. Zij heeft de afgelopen maanden veel zorg geboden aan betrokkene en hij heeft ook een aantal weken bij haar gelogeerd na een val, voordat hij kon verhuizen. De broer (oom van nicht) heeft bevestigd dat het goed met betrokkene gaat en dat zijn nicht in overleg met betrokkene en de broer de verhuizing heeft geregeld naar een geschikte nieuwe woonplek. Hij meent dat de belangen van betrokkene op dit moment goed worden behartigd door de nicht als mantelzorger. Zij kent de wensen van betrokkene en is nauw betrokken bij zijn dagelijkse zorg en onderhoudt een goede relatie met de hulpverleners. Volgens de gemachtigde van betrokkene zijn er geen aanwijzingen voor financieel misbruik en heeft de bank van betrokkene dit bevestigd. Naar het oordeel van de kantonrechter is aldus niet gebleken van concrete feiten en omstandigheden die in de huidige situatie een belemmering vormen om de nicht en de broer als bewindvoerders en mentoren van betrokkene te benoemen.\n\nDe kantonrechter zal daarom de voorkeur van betrokkene volgen en de nicht en de broer gezamenlijk benoemen tot bewindvoerders en mentoren ten behoeve van betrokkene. De kantonrechter zal op de gebruikelijke wijze toezicht houden op de uitvoering van het bewind en het mentorschap. Dat betekent dat de bewindvoerders-mentoren verantwoording zullen afleggen aan de kantonrechter. Omdat betrokkene niet in staat wordt geacht om toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek, zullen de bewindvoerders voor dergelijke handelingen steeds tevoren toestemming aan de kantonrechter moeten verzoeken. Voor een nadere toelichting op de taken en verantwoordelijkheden van bewindvoerder en mentor verwijst de kantonrechter onder meer naar de informatie die is opgenomen op de website van de rechtspraak en in de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4805","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:14.270Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1065","ECLI:NL:GHARL:2026:4027","ecli-nl-gharl-2026-4027",60,"2026-06-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.786\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11502285)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nZ&H Bewind B.V.(Z&H Bewind).\n\ndie is gevestigd in Harderwijk ,\n\nadvocaat: mr. L.H.S. de Baar,\n\ndie bewindvoerder was van\n\n [de rechthebbende](de rechthebbende),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen de belanghebbende in hoger beroep,\n\nStichting Zij aan Zij(Zij aan Zij),\n\ndie is gevestigd in Ommen,\n\ndie nu bewindvoerder is van de rechthebbende.\n\n1. Samenvatting\n\nDe kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen en Zij aan Zij tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 25 september 2014 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over alle goederen die de rechthebbende (zullen) toebehoren, vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden.\n\n2.2.. Op 29 september 2021 heeft de kantonrechter de grondslag van het bewind gewijzigd naar bewind als gevolg van de geestelijke of lichamelijke toestand.\n\n3. De procedure bij de kantonrechter\n\n3.1.. De kantonrechter heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen als bewindvoerder, met ingang van 1 mei 2025.\n\n3.2.. In die beschikking heeft de kantonrechter Zij aan Zij tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Zij aan Zij door Z&H Bewind moet worden vergoed en dat Z&H Bewind geen beloning ontvangt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. Z&H Bewind is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Z&H Bewind wil dat het hof voor recht verklaart dat het ontslag van Z&H Bewind als bewindvoerder onterecht is. Verder wil zij dat het hof bepaalt dat:\n\n- de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Zij aan Zij niet door de Z&H Bewind hoeft te worden vergoed, en\n\n- Z&H Bewind een beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording van € 300,08 inclusief btw.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.2.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2025;\n\neen brief namens Z&H Bewind van 5 september 2025;\n\neen brief namens Zij aan Zij van 30 oktober 2025;\n\neen bericht namens Z&H Bewind van 30 april 2026.\n\n4.3.. De zitting bij het hof was op 11 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\neen vertegenwoordiger van Z&H Bewind, met haar advocaat;\n\neen vertegenwoordiger van Zij aan Zij.\n\n4.4.. Tijdens de zitting heeft Z&H Bewind productie 18 (‘rapport inzake overeengekomen werkzaamheden 2024’ van de accountant) ingediend. Gelet op de inhoud van de productie wordt dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat in de wet staat\n\n5.1.. De kantonrechter kan een bewindvoerder ontslaan vanwege gewichtige redenen (artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).\n\nHet standpunt van Z&H Bewind\n\n5.2.. Z&H Bewind voert aan dat haar ontslag onterecht is. Het hoger beroep is door haar echter niet ingesteld om het ontslag terug te draaien, omdat zij het niet in het belang van de rechthebbende vindt als weer een wisseling van bewindvoerder plaatsvindt. Z&H Bewind wil echter wel dat het hof voor recht verklaart dat er geen gewichtige redenen zijn (geweest) voor haar ontslag als bewindvoerder. Zij betwist dat sprake was van disfunctioneren, zoals in de beschikking van de kantonrechter omschreven. Volgens Z&H Bewind heeft zij niet alles goed gedaan, maar is haar door de kantonrechter onvoldoende tijd gegeven om het functioneren van haar bedrijf te verbeteren. Z&H Bewind heeft op verzoek van de kantonrechter drie keer een plan van aanpak ingediend, met door te voeren verbeteringen. Deze plannen zijn vooraf besproken met de branchevereniging. Zij vond de plannen er goed uitzien. Volgens de kantonrechter waren de plannen niet voldoende, maar Z&H Bewind kreeg geen advies over de verbeteringen die zij moest doorvoeren. Verder voert Z&H Bewind aan dat de bewindvoering niet tot financiële schade bij cliënten heeft geleid. De rechthebbende had de wens om Z&H Bewind als bewindvoerder te houden. Dat gold ook voor andere rechthebbenden bij wie Z&H Bewind als bewindvoerder is ontslagen. Inmiddels heeft Z&H Bewind haar zaken op orde gekregen. Termijnen worden weer gehaald en de computersystemen zijn goed ingericht. Zij is nog steeds bewindvoerder voor twee rechthebbenden in Utrecht. Wel bestaat ook in die zaken het voornemen tot ambtshalve ontslag. De kantonrechter laat dat afhangen van de uitkomst van de onderhavige procedure. Volgens Z&H Bewind had de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging anders moeten uitvallen en had zij de bewindvoering moeten kunnen voortzetten.\n\nHet standpunt van Zij aan Zij\n\n5.3.. Zij aan Zij voert aan dat Z&H Bewind zaken heeft laten liggen. Zo zijn belastingaangiftes niet gedaan en is een boete bij het CJIB opgelopen, doordat die niet op tijd is betaald. Verder stonden nog achterstallige betalingen open voor de gemeentelijke belastingen en de waterschapsbelasting. Die openstaande bedragen zijn opgelopen door aanmaningskosten en kosten voor een dwangbevel.\n\nHet oordeel van het hof\n\nDe gewichtige redenen voor ontslag\n\n5.4.. De kantonrechter heeft in januari 2023 geconstateerd dat in verschillende dossiers sprake was van achterstanden in het aanleveren van de jaarlijkse rekening en verantwoording en de vijfjaarlijkse evaluaties. In mei 2023 heeft hierover een gesprek met Z&H Bewind plaatsgevonden. Daarnaast heeft de kantonrechter een melding vanuit het Landelijk Kwaliteitsbureau (LKB) ontvangen. Z&H Bewind heeft op 26 januari 2024 het handhavingsverzoek over 2022 ingediend. Een professioneel bewindvoerder moet ieder jaar een handhavingsverzoek bij het LKB indienen, zodat kan worden gecontroleerd of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. Na de inhoudelijke beoordeling van het handhavingsverzoek is Z&H Bewind op 30 januari 2024, 28 februari 2024, 14 maart 2024 en 5 juli 2024 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Z&H Bewind heeft hier niet op gereageerd, waardoor het handhavingsverzoek over 2022 door het LKB is afgewezen.\n\n5.5.. Verder heeft de kantonrechter klachten ontvangen van een gemeente over een dossier van een rechthebbende, waarin Z&H Bewind bewindvoerder was. Z&H Bewind heeft herhaaldelijk de gevraagde documenten niet aangeleverd, waardoor de aanvraag kwijtschelding gemeentebelastingen over verschillende jaren is afgewezen, schulden zijn opgelopen en de PW-uitkering van de betreffende rechthebbende is opgeschort. Z&H Bewind kreeg de opdracht voor 4 oktober 2024 een plan van aanpak met verbeteringen in het bewindvoerderskantoor in te dienen, zodat kon worden voorkomen dat achterstanden ontstaan en dat niet op verzoeken van de kantonrechter wordt gereageerd. Het plan van aanpak van Z&H Bewind was onvoldoende concreet. In het plan van aanpak werd niet omschreven welke maatregelen worden genomen om direct te voorkomen dat er opnieuw achterstanden ontstaan. Z&H Bewind heeft vervolgens de kans gekregen om een verbeterd plan van aanpak aan te leveren, maar Z&H Bewind heeft dit pas na de afgesproken termijn aangeleverd.\n\n5.6.. Z&H Bewind heeft bovendien meermalen niet tijdig de jaarlijkse rekening en verantwoording ingediend. Daarnaast heeft zij niet gereageerd op verzoeken van het LKB om aanvullende informatie, die het LKB nodig had om het ingediende handhavingsverzoek over 2022 te beoordelen. Deze manier van handelen zorgt ervoor dat de kantonrechter en het LKB worden belemmerd in het uitoefenen van hun toezichthoudende taak. Z&H Bewind voert aan dat de kantonrechter niet in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt welke verbeteringen van haar werden verwacht. Het hof gaat hier niet in mee. Hoewel het niet de taak is van de kantonrechter om Z&H Bewind uit te leggen hoe zij haar taken als bewindvoerder moet uitvoeren, heeft de kantonrechter wel voldoende duidelijk gemaakt wat van Z&H Bewind werd verwacht. De kantonrechter heeft in de brief van 11 november 2024 beschreven dat concrete maatregelen worden verwacht om te voorkomen dat opnieuw achterstanden ontstaan. In het plan van aanpak ontbraken ook concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat op vragen en verzoeken van de kantonrechter tijdig wordt gereageerd of op tijd uitstel wordt gevraagd. Z&H Bewind heeft nagelaten om deze maatregelen te nemen en het verbeterde plan van aanpak op tijd aan te leveren.\n\n5.7.. Uit het dossier en ook tijdens de zitting bij het hof is het hof gebleken dat Z&H Bewind niet inziet dat haar wijze van handelen zodanig is dat de kantonrechter niet in staat is om adequaat toezicht te houden en te controleren of zij haar taken als bewindvoerder naar behoren uitvoert. Dit maakt dat Z&H Bewind niet geschikt is als bewindvoerder. Gelet op het voorgaande is het hof, net als de kantonrechter, van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om Z&H Bewind als bewindvoerder te ontslaan. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter daarom op dit onderdeel bekrachtigen.\n\nDe vergoedingen voor de eindrekening en verantwoording en aanvangswerkzaamheden\n\n5.8.. De kantonrechter heeft bepaald dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording en dat zij de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder aan de rechthebbende moet vergoeden. In de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap is niet opgenomen dat deze kosten voor rekening van een ambtshalve ontslagen bewindvoerder (zouden kunnen) komen. In recente uitspraken in zaken waarin een bewindvoerder ambtshalve is ontslagen, is bepaald dat de ontslagen bewindvoerder geen kosten in rekening mag brengen voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.Het hof zal in diezelfde lijn beslissen en bepaalt dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording. Op dat punt zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n5.9.. In die zaken is ook bepaald dat de opvolgend bewindvoerder de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening mag brengen. Die kosten komen dan voor rekening van de betreffende rechthebbende, niet voor de ontslagen bewindvoerder. Het hof volgt de lijn in die uitspraken en bepaalt dat de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Zij aan Zij niet door Z&H Bewind hoeft te worden vergoed. Op dit onderdeel zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, voor zover het de beslissing betreft dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Zij aan Zij door Z&H Bewind moet worden vergoed;\n\nbepaalt in plaats daarvan dat Zij aan Zij gerechtigd is om een éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;\n\nbekrachtigt de beschikking voor het overige;\n\nwijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:1363, ECLI:NL:RBDHA:2025:5607 en ECLI:NL:GHDHA:2021:1545.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4027","2026-07-13T00:29:02.273Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":68},"313","ECLI:NL:GHARL:2026:4026","ecli-nl-gharl-2026-4026","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.783\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11502438)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nZ&H Bewind B.V.(Z&H Bewind),\n\ndie is gevestigd in Harderwijk,\n\nadvocaat: mr. L.H.S. de Baar,\n\ndie bewindvoerder was van\n\n [de rechthebbende](de rechthebbende),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen de belanghebbende in hoger beroep\n\nLicht Twee B.V.(Licht Twee),\n\ndie is gevestigd in Kampen,\n\ndie nu bewindvoerder is van de rechthebbende.\n\n1. Samenvatting\n\nDe kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen en Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\nOp 20 januari 2020 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over alle goederen die de rechthebbende (zullen) toebehoren, vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand.\n\n3. De procedure bij de kantonrechter\n\n3.1.. De kantonrechter heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen als bewindvoerder, met ingang van 1 mei 2025.\n\n3.2.. In die beschikking heeft de kantonrechter Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed en dat Z&H Bewind geen beloning ontvangt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. Z&H Bewind is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Z&H Bewind wil dat het hof voor recht verklaart dat het ontslag van Z&H Bewind als bewindvoerder onterecht is. Verder wil zij dat het hof bepaalt dat:\n\n- de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door de Z&H Bewind hoeft te worden vergoed, en\n\n- Z&H Bewind een beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording van € 300,08 inclusief btw.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.2.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2025;\n\neen brief namens Z&H Bewind van 5 september 2025;\n\neen bericht namens Z&H Bewind van 30 april 2026.\n\n4.3.. De zitting bij het hof was op 11 mei 2026. Een vertegenwoordiger van Z&H Bewind en haar advocaat waren daarbij aanwezig.\n\n4.4.. Tijdens de zitting heeft Z&H Bewind productie 18 (‘rapport inzake overeengekomen werkzaamheden 2024’ van de accountant) ingediend. Gelet op de inhoud van de productie wordt dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat in de wet staat\n\n5.1.. De kantonrechter kan een bewindvoerder ontslaan vanwege gewichtige redenen (artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).\n\nHet standpunt van Z&H Bewind\n\n5.2.. Z&H Bewind voert aan dat haar ontslag onterecht is. Het hoger beroep is door haar echter niet ingesteld om het ontslag terug te draaien, omdat zij het niet in het belang van de rechthebbende vindt als weer een wisseling van bewindvoerder plaatsvindt. Z&H Bewind wil echter wel dat het hof voor recht verklaart dat er geen gewichtige redenen zijn (geweest) voor haar ontslag als bewindvoerder. Zij betwist dat sprake was van disfunctioneren, zoals in de beschikking van de kantonrechter omschreven. Volgens Z&H Bewind heeft zij niet alles goed gedaan, maar is haar door de kantonrechter onvoldoende tijd gegeven om het functioneren van haar bedrijf te verbeteren. Z&H Bewind heeft op verzoek van de kantonrechter drie keer een plan van aanpak ingediend, met door te voeren verbeteringen. Deze plannen zijn vooraf besproken met de branchevereniging. Zij vond de plannen er goed uitzien. Volgens de kantonrechter waren de plannen niet voldoende, maar Z&H Bewind kreeg geen advies over de verbeteringen die zij moest doorvoeren. Verder voert Z&H Bewind aan dat de bewindvoering niet tot financiële schade bij cliënten heeft geleid. De rechthebbende had de wens om Z&H Bewind als bewindvoerder te houden. Dat gold ook voor andere rechthebbenden bij wie Z&H Bewind als bewindvoerder is ontslagen. Inmiddels heeft Z&H Bewind haar zaken op orde gekregen. Termijnen worden weer gehaald en de computersystemen zijn goed ingericht. Zij is nog steeds bewindvoerder voor twee rechthebbenden in Utrecht. Wel bestaat ook in die zaken het voornemen tot ambtshalve ontslag. De kantonrechter laat dat afhangen van de uitkomst van de onderhavige procedure. Volgens Z&H Bewind had de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging anders moeten uitvallen en had zij de bewindvoering moeten kunnen voortzetten.\n\nHet oordeel van het hof\n\nDe gewichtige redenen voor ontslag\n\n5.3.. De kantonrechter heeft in januari 2023 geconstateerd dat in verschillende dossiers sprake was van achterstanden in het aanleveren van de jaarlijkse rekening en verantwoording en de vijfjaarlijkse evaluaties. In mei 2023 heeft hierover een gesprek met Z&H Bewind plaatsgevonden. Daarnaast heeft de kantonrechter een melding vanuit het Landelijk Kwaliteitsbureau (LKB) ontvangen. Z&H Bewind heeft op 26 januari 2024 het handhavingsverzoek over 2022 ingediend. Een professioneel bewindvoerder moet ieder jaar een handhavingsverzoek bij het LKB indienen, zodat kan worden gecontroleerd of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. Na de inhoudelijke beoordeling van het handhavingsverzoek is Z&H Bewind op 30 januari 2024, 28 februari 2024, 14 maart 2024 en 5 juli 2024 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Z&H Bewind heeft hier niet op gereageerd, waardoor het handhavingsverzoek over 2022 door het LKB is afgewezen.\n\n5.4.. Verder heeft de kantonrechter klachten ontvangen van een gemeente over een dossier van een rechthebbende, waarin Z&H Bewind bewindvoerder was. Z&H Bewind heeft herhaaldelijk de gevraagde documenten niet aangeleverd, waardoor de aanvraag kwijtschelding gemeentebelastingen over verschillende jaren is afgewezen, schulden zijn opgelopen en de PW-uitkering van de betreffende rechthebbende is opgeschort. Z&H Bewind kreeg de opdracht voor 4 oktober 2024 een plan van aanpak met verbeteringen in het bewindvoerderskantoor in te dienen, zodat kon worden voorkomen dat achterstanden ontstaan en dat niet op verzoeken van de kantonrechter wordt gereageerd. Het plan van aanpak van Z&H Bewind was onvoldoende concreet. In het plan van aanpak werd niet omschreven welke maatregelen worden genomen om direct te voorkomen dat er opnieuw achterstanden ontstaan. Z&H Bewind heeft vervolgens de kans gekregen om een verbeterd plan van aanpak aan te leveren, maar Z&H Bewind heeft dit pas na de afgesproken termijn aangeleverd.\n\n5.5.. Z&H Bewind heeft bovendien meermalen niet tijdig de jaarlijkse rekening en verantwoording ingediend. Daarnaast heeft zij niet gereageerd op verzoeken van het LKB om aanvullende informatie, die het LKB nodig had om het ingediende handhavingsverzoek over 2022 te beoordelen. Deze manier van handelen zorgt ervoor dat de kantonrechter en het LKB worden belemmerd in het uitoefenen van hun toezichthoudende taak. Z&H Bewind voert aan dat de kantonrechter niet in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt welke verbeteringen van haar werden verwacht. Het hof gaat hier niet in mee. Hoewel het niet de taak is van de kantonrechter om Z&H Bewind uit te leggen hoe zij haar taken als bewindvoerder moet uitvoeren, heeft de kantonrechter wel voldoende duidelijk gemaakt wat van Z&H Bewind werd verwacht. De kantonrechter heeft in de brief van 11 november 2024 beschreven dat concrete maatregelen worden verwacht om te voorkomen dat opnieuw achterstanden ontstaan. In het plan van aanpak ontbraken ook concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat op vragen en verzoeken van de kantonrechter tijdig wordt gereageerd of op tijd uitstel wordt gevraagd. Z&H Bewind heeft nagelaten om deze maatregelen te nemen en het verbeterde plan van aanpak op tijd aan te leveren.\n\n5.6.. Uit het dossier en ook tijdens de zitting bij het hof is het hof gebleken dat Z&H Bewind niet inziet dat haar wijze van handelen zodanig is dat de kantonrechter niet in staat is om adequaat toezicht te houden en te controleren of zij haar taken als bewindvoerder naar behoren uitvoert. Dit maakt dat Z&H Bewind niet geschikt is als bewindvoerder. Gelet op het voorgaande is het hof, net als de kantonrechter, van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om Z&H Bewind als bewindvoerder te ontslaan. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter daarom op dit onderdeel bekrachtigen.\n\nDe vergoedingen voor de eindrekening en verantwoording en aanvangswerkzaamheden\n\n5.7.. De kantonrechter heeft bepaald dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording en dat zij de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder aan de rechthebbende moet vergoeden. In de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap is niet opgenomen dat deze kosten voor rekening van een ambtshalve ontslagen bewindvoerder (zouden kunnen) komen. In recente uitspraken in zaken waarin een bewindvoerder ambtshalve is ontslagen, is bepaald dat de ontslagen bewindvoerder geen kosten in rekening mag brengen voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.Het hof zal in diezelfde lijn beslissen en bepaalt dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording. Op dat punt zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n5.8.. In die zaken is ook bepaald dat de opvolgend bewindvoerder de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening mag brengen. Die kosten komen dan voor rekening van de betreffende rechthebbende, niet voor de ontslagen bewindvoerder. Het hof volgt de lijn in die uitspraken en bepaalt dat de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door Z&H Bewind hoeft te worden vergoed. Op dit onderdeel zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, voor zover het de beslissing betreft dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed;\n\nbepaalt in plaats daarvan dat Licht Twee gerechtigd is om een éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;\n\nbekrachtigt de beschikking voor het overige;\n\nwijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:1363, ECLI:NL:RBDHA:2025:5607 en ECLI:NL:GHDHA:2021:1545.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4026","2026-07-13T00:28:23.995Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":73,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":75},"318","ECLI:NL:GHARL:2026:4023","ecli-nl-gharl-2026-4023","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.787\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11502417)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nZ&H Bewind B.V.(Z&H Bewind).\n\ndie is gevestigd in Harderwijk,\n\nadvocaat: mr. L.H.S. de Baar,\n\ndie bewindvoerder was van\n\n [de rechthebbende](de rechthebbende),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nen de belanghebbende in hoger beroep,\n\n [de bewindvoerder]( [de bewindvoerder] ),\n\nin haar hoedanigheid als huidige bewindvoerder van de rechthebbende,\n\ndie woont in [woonplaats2] (Gemeente [gemeentenaam] ).\n\n1. Samenvatting\n\nDe kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen en [de bewindvoerder] tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\nOp 15 februari 2017 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over alle goederen die de rechthebbende (zullen) toebehoren, vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand.\n\n3. De procedure bij de kantonrechter\n\n3.1.. De kantonrechter heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen als bewindvoerder, met ingang van 1 mei 2025.\n\n3.2.. In die beschikking heeft de kantonrechter [de bewindvoerder] tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van [de bewindvoerder] door Z&H Bewind moet worden vergoed en dat Z&H Bewind geen beloning ontvangt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. Z&H Bewind is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Z&H Bewind wil dat het hof voor recht verklaart dat het ontslag van Z&H Bewind als bewindvoerder onterecht is. Verder wil zij dat het hof bepaalt dat:\n\n- de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van [de bewindvoerder] niet door de Z&H Bewind hoeft te worden vergoed, en\n\n- Z&H Bewind een beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording van € 300,08 inclusief btw.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.2.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2025;\n\neen brief namens Z&H Bewind van 5 september 2025;\n\neen brief van [de bewindvoerder] van 10 oktober 2025;\n\neen bericht van ’s Heeren Loo namens de rechthebbende, van 15 december 2025;\n\neen bericht namens Z&H Bewind van 30 april 2026.\n\n4.3.. De zitting bij het hof was op 11 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\neen vertegenwoordiger van Z&H Bewind, met haar advocaat;\n\n [de bewindvoerder] .\n\n4.4.. Tijdens de zitting heeft Z&H Bewind productie 18 (‘rapport inzake overeengekomen werkzaamheden 2024’ van de accountant) ingediend. Gelet op de inhoud van de productie wordt dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat in de wet staat\n\n5.1.. De kantonrechter kan een bewindvoerder ontslaan vanwege gewichtige redenen (artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).\n\nHet standpunt van Z&H Bewind\n\n5.2.. Z&H Bewind voert aan dat haar ontslag onterecht is. Het hoger beroep is door haar echter niet ingesteld om het ontslag terug te draaien, omdat zij het niet in het belang van de rechthebbende vindt als weer een wisseling van bewindvoerder plaatsvindt. Z&H Bewind wil echter wel dat het hof voor recht verklaart dat er geen gewichtige redenen zijn (geweest) voor haar ontslag als bewindvoerder. Zij betwist dat sprake was van disfunctioneren, zoals in de beschikking van de kantonrechter omschreven. Volgens Z&H Bewind heeft zij niet alles goed gedaan, maar is haar door de kantonrechter onvoldoende tijd gegeven om het functioneren van haar bedrijf te verbeteren. Z&H Bewind heeft op verzoek van de kantonrechter drie keer een plan van aanpak ingediend, met door te voeren verbeteringen. Deze plannen zijn vooraf besproken met de branchevereniging. Zij vond de plannen er goed uitzien. Volgens de kantonrechter waren de plannen niet voldoende, maar Z&H Bewind kreeg geen advies over de verbeteringen die zij moest doorvoeren. Verder voert Z&H Bewind aan dat de bewindvoering niet tot financiële schade bij cliënten heeft geleid. De rechthebbende had de wens om Z&H Bewind als bewindvoerder te houden. Dat gold ook voor andere rechthebbenden bij wie Z&H Bewind als bewindvoerder is ontslagen. Inmiddels heeft Z&H Bewind haar zaken op orde gekregen. Termijnen worden weer gehaald en de computersystemen zijn goed ingericht. Zij is nog steeds bewindvoerder voor twee rechthebbenden in Utrecht. Wel bestaat ook in die zaken het voornemen tot ambtshalve ontslag. De kantonrechter laat dat afhangen van de uitkomst van de onderhavige procedure. Volgens Z&H Bewind had de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging anders moeten uitvallen en had zij de bewindvoering moeten kunnen voortzetten.\n\nHet standpunt van [de bewindvoerder]\n\n5.3.. \n [de bewindvoerder] voert aan dat de bewindvoering goed verloopt en dat zij sinds de overname van de bewindvoering geen bijzonderheden heeft gezien. Z&H Bewind had aangegeven dat de rechthebbende een uitvaartverzekering zou hebben, maar dat bleek niet het geval te zijn. Dit heeft [de bewindvoerder] inmiddels geregeld.\n\nHet oordeel van het hof\n\nDe gewichtige redenen voor ontslag\n\n5.4.. De kantonrechter heeft in januari 2023 geconstateerd dat in verschillende dossiers sprake was van achterstanden in het aanleveren van de jaarlijkse rekening en verantwoording en de vijfjaarlijkse evaluaties. In mei 2023 heeft hierover een gesprek met Z&H Bewind plaatsgevonden. Daarnaast heeft de kantonrechter een melding vanuit het Landelijk Kwaliteitsbureau (LKB) ontvangen. Z&H Bewind heeft op 26 januari 2024 het handhavingsverzoek over 2022 ingediend. Een professioneel bewindvoerder moet ieder jaar een handhavingsverzoek bij het LKB indienen, zodat kan worden gecontroleerd of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. Na de inhoudelijke beoordeling van het handhavingsverzoek is Z&H Bewind op 30 januari 2024, 28 februari 2024, 14 maart 2024 en 5 juli 2024 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Z&H Bewind heeft hier niet op gereageerd, waardoor het handhavingsverzoek over 2022 door het LKB is afgewezen.\n\n5.5.. Verder heeft de kantonrechter klachten ontvangen van een gemeente over een dossier van een rechthebbende, waarin Z&H Bewind bewindvoerder was. Z&H Bewind heeft herhaaldelijk de gevraagde documenten niet aangeleverd, waardoor de aanvraag kwijtschelding gemeentebelastingen over verschillende jaren is afgewezen, schulden zijn opgelopen en de PW-uitkering van de betreffende rechthebbende is opgeschort. Z&H Bewind kreeg de opdracht voor 4 oktober 2024 een plan van aanpak met verbeteringen in het bewindvoerderskantoor in te dienen, zodat kon worden voorkomen dat achterstanden ontstaan en dat niet op verzoeken van de kantonrechter wordt gereageerd. Het plan van aanpak van Z&H Bewind was onvoldoende concreet. In het plan van aanpak werd niet omschreven welke maatregelen worden genomen om direct te voorkomen dat er opnieuw achterstanden ontstaan. Z&H Bewind heeft vervolgens de kans gekregen om een verbeterd plan van aanpak aan te leveren, maar Z&H Bewind heeft dit pas na de afgesproken termijn aangeleverd.\n\n5.6.. Z&H Bewind heeft bovendien meermalen niet tijdig de jaarlijkse rekening en verantwoording ingediend. Daarnaast heeft zij niet gereageerd op verzoeken van het LKB om aanvullende informatie, die het LKB nodig had om het ingediende handhavingsverzoek over 2022 te beoordelen. Deze manier van handelen zorgt ervoor dat de kantonrechter en het LKB worden belemmerd in het uitoefenen van hun toezichthoudende taak. Z&H Bewind voert aan dat de kantonrechter niet in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt welke verbeteringen van haar werden verwacht. Het hof gaat hier niet in mee. Hoewel het niet de taak is van de kantonrechter om Z&H Bewind uit te leggen hoe zij haar taken als bewindvoerder moet uitvoeren, heeft de kantonrechter wel voldoende duidelijk gemaakt wat van Z&H Bewind werd verwacht. De kantonrechter heeft in de brief van 11 november 2024 beschreven dat concrete maatregelen worden verwacht om te voorkomen dat opnieuw achterstanden ontstaan. In het plan van aanpak ontbraken ook concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat op vragen en verzoeken van de kantonrechter tijdig wordt gereageerd of op tijd uitstel wordt gevraagd. Z&H Bewind heeft nagelaten om deze maatregelen te nemen en het verbeterde plan van aanpak op tijd aan te leveren.\n\n5.7.. Uit het dossier en ook tijdens de zitting bij het hof is het hof gebleken dat Z&H Bewind niet inziet dat haar wijze van handelen zodanig is dat de kantonrechter niet in staat is om adequaat toezicht te houden en te controleren of zij haar taken als bewindvoerder naar behoren uitvoert. Dit maakt dat Z&H Bewind niet geschikt is als bewindvoerder. Gelet op het voorgaande is het hof, net als de kantonrechter, van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om Z&H Bewind als bewindvoerder te ontslaan. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter daarom op dit onderdeel bekrachtigen.\n\nDe vergoedingen voor de eindrekening en verantwoording en aanvangswerkzaamheden\n\n5.8.. De kantonrechter heeft bepaald dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording en dat zij de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder aan de rechthebbende moet vergoeden. In de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap is niet opgenomen dat deze kosten voor rekening van een ambtshalve ontslagen bewindvoerder (zouden kunnen) komen. In recente uitspraken in zaken waarin een bewindvoerder ambtshalve is ontslagen, is bepaald dat de ontslagen bewindvoerder geen kosten in rekening mag brengen voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.Het hof zal in diezelfde lijn beslissen en bepaalt dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording. Op dat punt zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n5.9.. In die zaken is ook bepaald dat de opvolgend bewindvoerder de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening mag brengen. Die kosten komen dan voor rekening van de betreffende rechthebbende, niet voor de ontslagen bewindvoerder. Het hof volgt de lijn in die uitspraken en bepaalt dat de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van [de bewindvoerder] niet door Z&H Bewind hoeft te worden vergoed. Op dit onderdeel zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, voor zover het de beslissing betreft dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van [de bewindvoerder] door Z&H Bewind moet worden vergoed;\n\nbepaalt in plaats daarvan dat [de bewindvoerder] gerechtigd is om een éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;\n\nbekrachtigt de beschikking voor het overige;\n\nwijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:1363, ECLI:NL:RBDHA:2025:5607 en ECLI:NL:GHDHA:2021:1545.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4023","2026-07-13T00:28:24.193Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":43,"courtId":80,"decisionDate":81,"fullText":82,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":51,"updatedAt":85},"950","ECLI:NL:RBDHA:2026:17307","ecli-nl-rbdha-2026-17307",58,"2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\n Team Jeugd- en Zorgrecht\n\nZaak-\u002Frekestnr.: C\u002F09\u002F705623 \u002F FA RK 26-5081\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026\n\nMachtiging tot voortzetting van de crisismaatregel\n\nBeschikkingnaar aanleiding van het op 22 mei 2026 door de officier van justitie ingediende verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:\n\n [betrokkene],\n\nhierna te noemen: betrokkene,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nthans verblijvende in de accommodatie [zorginstelling], te [plaats],\n\nadvocaat: mr. A.G.P. de Boon te Zoetermeer.\n\nProcesverloop\n\nBij verzoekschrift heeft de officier van justitie verzocht om voortzetting van de op 21 mei 2026 genomen crisismaatregel.\n\nBij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:\n\neen afschrift van de beschikking van de burgemeester van de [gemeente] tot het nemen van de crisismaatregel;\n\neen op 21 mei 2026 ondertekende medische verklaring van [psychiater], psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;\n\n- een brief van de officier van justitie van 22 mei 2026, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn en betrokkene geen justitiële documentatie heeft.\n\nDe mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:\n\n- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de physician assistant, mevrouw [naam].\n\nOmdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.Beoordeling\n\nDaargelaten of er sprake is van sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, is ter zitting gebleken dat betrokkene zich niet langer verzet tegen de noodzakelijke zorg ter behandeling van het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft de physician assistant een overleg gepland met de ambulante psychiater van betrokkene. Op 29 mei 2026 zal worden besproken hoe de behandeling in het ambulante kader weer kan worden opgestart. De physician assistant heeft daarbij uitgesproken dat het de voorkeur heeft om de opname in de tussentijd op vrijwillig basis voort te zetten als een time-out. Betrokkene is hiermee ter zitting akkoord gegaan, mits zij kan worden overgeplaatst naar de Medium Care in [gemeente]. Bij navraag door de physician assistant is dit mogelijk gebleken.\n\nNu er geen sprake meer is van verzet tegen de zorg, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke eisen voor het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nwijst het verzoek af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door K.S. Versteegen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.\n\nDe schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17307","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.310Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":43,"courtId":80,"decisionDate":81,"fullText":90,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":51,"updatedAt":92},"977","ECLI:NL:RBDHA:2026:17299","ecli-nl-rbdha-2026-17299","RECHTBANK DEN HAAG\n\n Team Jeugd- en Zorgrecht\n\nZaak-\u002Frekestnr.: C\u002F09\u002F705572 \u002F FA RK 26-5053\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026\n\nMachtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling\n\nBeschikkingnaar aanleiding van het op 21 mei 2026 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:\n\n [cliënt],\n\nhierna te noemen: cliënt,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats], [geboorteland],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nthans verblijvende in de accommodatie [zorginstelling 1], te [plaats],\n\nadvocaat: mr. M. van Olffen te Nootdorp.\n\nProcesverloop\n\nHet procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 21 mei 2026.\n\nBij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:\n\n- de beschikking tot inbewaringstelling van de burgemeester van de [gemeente] van 20 mei 2026;\n\n- de op 20 mei 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1], die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;\n\n- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 16 september 2024.\n\nDe mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:\n\n- cliënt, bijgestaan door mr. P. Arkema-Hummel, waarnemend voor de advocaat;\n\n- de arts, mevrouw [naam 2].\n\nStandpunten ter zitting\n\nDe arts heeft ter zitting naar voren gebracht dat betrokkene zowel op de open afdeling van [zorginstelling 2] als in de huidige accommodatie momenten heeft met onrust en agitatie. Zij wil op deze momenten naar buiten en weigert te eten en drinken. De komende tijd is nodig om de situatie verder te laten kalmeren, waarna kan worden gekeken naar een passende plek bij [zorginstelling 2].\n\nBetrokkene heeft ter zitting geen uitdrukkelijk verweer gevoerd tegen het verzoek. Zij erkent verward te zijn geraakt. Zij wil het verblijf in de huidig instelling wel een kans geven, maar begrijpt dat een inbewaringstelling nodig is voor haar eigen veiligheid.\n\nBeoordeling\n\nUit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van cliënt als gevolg van een psychogeriatrische aandoening, te weten een ongespecificeerde neurocognitieve stoornis, dit ernstig nadeel veroorzaakt.\n\nHet onmiddellijk dreigend ernstig nadeel bestaat uit:\n\n- levensgevaar;\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige materiële schade;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- bedreiging van de veiligheid van cliënt al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;\n\n- de situatie dat cliënt met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;\n\n- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.\n\nTijdens de opname op een open afdeling van een verpleeghuis voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft betrokkene zich suïcidaal geuit en met spullen door de kamer gegooid. Ook dwaalde zij door de zorginstelling en ging in de avonden zelfstandig naar buiten. Zij wordt echter niet in staat geacht om de weg terug naar het huis te vinden of aan anderen uit te leggen waar zij verblijft. Verder kan betrokkene achterdochtig zijn, waarbij zij onder meer verwijten maakt richting verplegend personeel en verbaal en fysiek agressief gedrag kon tonen. Ten slotte riep zij mogelijk de agressie van medebewoners op met haar gedrag, waaronder ongevraagd de kamer van anderen binnenlopen. Ook op de huidige afdeling worden momenten gezien waarbij betrokkene onrustig en geagiteerd gedrag toont.\n\nOm het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is\n\nvoortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.\n\nGebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie. Betrokkene heeft tijdens haar verblijf op zowel de open afdeling als de gesloten afdeling verbaal verzet getoond tegen de opname. Ook heeft zij zich eerder suïcidaal geuit als de open opname zou worden gecontinueerd.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes weken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ten aanzien van:\n\n [cliënt],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats], [geboorteland],\n\nbepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 7 juli 2026.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door K.S. Versteegen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.\n\nDe schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17299","2026-07-13T00:28:57.224Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":43,"courtId":97,"decisionDate":98,"fullText":99,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":51,"updatedAt":102},"358","ECLI:NL:RBZWB:2026:5393","ecli-nl-rbzwb-2026-5393",64,"2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448207 \u002F FA RK 26-2503\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking voortzetting crisismaatregel\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats 1] ,\n\nnu verblijvende in de [accommodatie] te [plaats 2] ,\n\nadvocaat mr. A.A. Nunnikhoven uit Tilburg.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 18 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde heer [persoon 1] , psychiater, behandelaar;\n\n [persoon 2] , verpleegkundige;\n\nmevrouw [persoon 3] , agoog.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Betrokkene verblijft met een crisismaatregel in [accommodatie] te [plaats 2] . De burgemeester van Tilburg heeft de crisismaatregel op 16 mei 2026 afgegeven.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene geeft tijdens de zitting aan dat de opname van de afgelopen dagen rust bij hem heeft gebracht, mede door de medicatie en het herstel van zijn knie. Betrokkene merkt verder op dat een langer verblijf in de instelling hem juist depressief zal maken. Volgens betrokkene is er geen sprake van een manische episode of verslavingsproblematiek. De problemen zijn pas ontstaan na zijn knieletsel, waardoor hij de dagelijkse structuur in zijn leven heeft verloren. Betrokkene wil dan ook niet langer opgenomen blijven en terug naar zijn ouders met duidelijke afspraken. Ook wil hij geen verdere verplichte behandeling.\n\n4.2.. De behandelaar zegt dat betrokkene een bipolaire stoornis heeft waarbij hij recent manisch is ontregeld, mede door middelengebruik en ernstig slaaptekort. Sinds de opname is het toestandsbeeld van betrokkene verbeterd door rust, structuur en medicatie. Van voldoende stabiliteit is echter nog geen sprake. De behandelaar vindt een voortzetting van de crisismaatregel noodzakelijk zodat betrokkene verder kan herstellen en stabiliseren. Daar komt bij dat betrokkene ook zijn huis is kwijtgeraakt, zorg mijdt en het risico bestaat op een depressieve episode na de manische ontregeling.\n\n4.3.. De advocaat voert aan dat betrokkene gemotiveerd is om terug te keren naar zijn ouders en dat van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel onvoldoende is gebleken. De advocaat zegt verder dat er volgens betrokkene nu geen sprake is van een manie of verslavingsproblematiek en dat de spanningen binnen het gezin steeds bespreekbaar zijn geweest. Omdat de crisismaatregel al rust heeft gebracht bij betrokkene verzoekt de advocaat dan ook het verzoek tot voortzetting af te wijzen.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van drie weken. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;\n\n- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.\n\n5.3.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene ernstig ontremd en grensoverschrijdend gedrag vertoont. Betrokkene heeft zich agressief gedragen richting zijn omgeving, vernielingen aangericht en conflicten veroorzaakt, onder meer met zijn huisbaas, huisgenoten, ouders en personen op straat. Daarbij heeft betrokkene zichzelf en anderen in gevaar gebracht. Betrokkene blijft zijn knie ondanks het letsel daaraan belasten, slaapt niet en gebruikt aanhoudend verdovende middelen waaronder cocaïne. Daarnaast ontbreekt het betrokkene aan een stabiele huisvesting en adequate zelfzorg.\n\n5.4.. Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. Bij betrokkene is namelijk sprake van een manische episode bij een bipolaire stoornis gecombineerd met middelengebruik.\n\n5.5.. De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.\n\n5.6.. De rechtbank is op grond van de medische verklaring en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn om het nadeel af te wenden:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- het verrichten van medische controles;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- insluiten;\n\n- onderzoek aan kleding of lichaam;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n5.7.. De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank afgewezen, omdat deze niet noodzakelijk worden geacht om het ernstig nadeel af te wenden.\n\n5.8.. Betrokkene verzet zich tegen de zorg. Hij wijst hulpverlening af.\n\n5.9.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de volgende maatregelen kunnen worden toegepast:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- het verrichten van medische controles;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- insluiten;\n\n- onderzoek aan kleding of lichaam;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 9 juni 2026;\n\n6.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5393","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.955Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":43,"courtId":97,"decisionDate":98,"fullText":107,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":51,"updatedAt":109},"349","ECLI:NL:RBZWB:2026:5381","ecli-nl-rbzwb-2026-5381","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447840 \u002F FA RK 26-2307\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking zorgmachtiging\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats]\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nadvocaat mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 4 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- betrokkene (telefonisch), bijgestaan door haar advocaat, mr. Bronsveld;\n\nmevrouw [persoon 1] , verpleegkundig specialist in opleiding, behandelaar;\n\nmevrouw [persoon 2] , gz psycholoog,\n\nmevrouw [persoon 3] , verpleegkundig specialist,\n\nde moeder en stiefvader van betrokkene;\n\neen begeleidster van de instelling van betrokkene.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Door de rechtbank is op1 december 2025 een zorgmachtiging aan betrokkene verleend tot en met 1 juni 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene geeft tijdens de zitting telefonisch aan akkoord te zijn met een verlenging van de zorgmachtiging. Voor het overige heeft betrokkene geen nadere opmerkingen.\n\n4.2.. De advocaat voert aan dat aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van een zorgmachtiging wordt voldaan en dat betrokkene zelf ook aangeeft de verplichte zorg nodig te hebben. Hij verzoekt wel om in het geval van toewijzing van het verzoek de vorm van verplichte zorg “medische controles” af te wijzen, omdat de noodzaak daarvan op dit moment onvoldoende concreet is.\n\n4.3.. De behandelaar van betrokkene licht tijdens de zitting toe dat bij betrokkene sprake is van angstklachten, stemmingswisselingen, psychotische kenmerken en problemen in de zelfzorg passend bij een bipolaire stoornis. Wanneer betrokkene langer met verlof is en haar medicatie onvoldoende inneemt, nemen de psychotische klachten en angsten toe. Volgens de behandelaar is toezicht op de medicatie-inname noodzakelijk en moet de mogelijkheid van klinische opname beschikbaar blijven gelet op het terugkerende risico op decompensatie bij middelengebruik. Betrokkene is aangemeld voor een verblijf bij [accommodatie] , wat ook haar wens is.\n\n4.4.. De ouders van betrokkene hebben naar voren gebracht dat betrokkene zich op haar huidige verblijfplaats niet veilig voelt en graag wil worden opgenomen bij [accommodatie] om af te kicken van de middelen. De ouders benadrukken dat middelengebruik thuis niet wordt toegestaan en dat zij streng toezien op de medicatie-inname van betrokkene.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Bij betrokkene is namelijk sprake van een chronisch psychotisch toestandsbeeld waarbij in het verleden al de diagnose bipolaire stoornis, type schizo-affectieve stoornis, is vastgesteld.\n\n5.3.. Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene onder invloed van een ander raakt;\n\n- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.\n\n5.4.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene in het verleden meerdere malen is opgenomen vanwege psychotische decompensaties. Tijdens deze periodes was er sprake van ernstige zelfverwaarlozing en verwaarlozing van de woonomgeving van betrokkene waarbij zij ook geagiteerd kan reageren richting haar omgeving. Op dit moment verblijft betrokkene in een instelling waar het vermoeden bestaat dat zij seksuele contacten aangaat met medebewoners om in haar drugsgebruik te kunnen voorzien.\n\n5.5.. Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.\n\n5.6.. Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Hoewel betrokkene heeft aangegeven in te stemmen met een verlenging van de zorgmachtiging, is het de rechtbank onvoldoende gebleken dat betrokkene vrijwillig en duurzaam bereid is de noodzakelijke zorg en behandeling te accepteren. Daarbij heeft betrokkene zich in het verleden meerdere keren aan de zorg onttrokken, haar medicatie niet adequaat ingenomen en zich onvoldoende gehouden aan gemaakte afspraken. Daarnaast ontbreekt ziektebesef en -inzicht waardoor niet kan worden vertrouwd op vrijwillige voortzetting van de behandeling. Daarom is verplichte zorg nodig.\n\n5.7.. De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- onderzoek aan kleding of lichaam;\n\n- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;\n\n- controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n5.8.. De door de officier verzochte vorm van verplichte zorg “medische controles” wordt door de rechtbank afgewezen, omdat deze niet noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden.\n\n5.9.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.7. staan kunnen worden toegepast;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 19 mei 2027;\n\n6.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5381","2026-07-13T00:28:25.551Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":43,"courtId":97,"decisionDate":98,"fullText":114,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":51,"updatedAt":116},"340","ECLI:NL:RBZWB:2026:5390","ecli-nl-rbzwb-2026-5390","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447976 \u002F FA RK 26-2383\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking zorgmachtiging\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 7 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nmevrouw [persoon 1] , casemanager regioteam, behandelaar,\n\nmevrouw [persoon 2] , psycholoog regioteam,\n\nde heer [persoon 3] , Zorg en Veiligheidshuis.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n3. De standpunten\n\n3.1.. Betrokkene geeft tijdens de zitting aan dat hij geen zorgmachtiging, behandeling of medicatie nodig heeft. Volgens hem is er geen sprake van een psychische stoornis maar van zwarte magie en personen die hem kwaad willen doen. Betrokkene herkent zich niet in hetgeen de behandelaar tijdens de zitting over hem vertelt. Hij merkt op dat hij enkel incidenteel cocaïne gebruikt. Daarnaast geeft betrokkene aan dat hij in het verleden altijd zelfstandig heeft gefunctioneerd en dat hij nu vooral behoefte heeft aan begrip.\n\n3.2.. De advocaat verzoekt primair om afwijzing van het verzoek omdat betrokkene zich niet herkent in de gestelde diagnose en onvoldoende duidelijk is of de psychotische klachten voortkomen uit een psychische stoornis dan wel uit middelengebruik. Volgens de advocaat ontbreekt daarmee een voldoende concreet causaal verband. Subsidiair verzoekt de advocaat de duur van de zorgmachtiging te beperken ook om te voorkomen dat betrokkene zijn woning verliest. Daarbij benadrukt de advocaat dat betrokkene wel altijd in gesprek blijft met de hulpverlening en openstaat voor ondersteuning vanuit de thuissituatie.\n\n3.3.. De behandelaar heeft naar voren gebracht dat er bij betrokkene sprake is van psychotische klachten waarbij hij volledig in beslag wordt genomen door wanen rondom zwarte magie. Hierdoor lukt het niet meer om zelfstandig en veilig te functioneren en veroorzaakt zijn gedrag ernstige overlast in de woonomgeving. De ambulante hulpverlening is onvoldoende gebleken omdat betrokkene zich verzet tegen een behandeling en geen structurele samenwerking aangaat. Daarom vindt de behandelaar een opname noodzakelijk zodat betrokkene kan stabiliseren en herstellen. Later kan dan behandeling en medicatie volgen vanuit een ambulante setting.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n4.2.. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Bij betrokkene is namelijk sprake van een psychotisch toestandsbeeld en een schizofreniespectrumstoornis waarbij middelengebruik een luxerende factor is.\n\n4.3.. Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.\n\n4.4.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene ernstig ontregeld gedrag laat zien voortvloeiend uit de psychotische klachten. Betrokkene heeft last van waangedachten en auditieve en visuele hallucinaties waarbij hij er onder meer overtuigd van is dat zwarte magie op hem wordt uitgevoerd en dat er een schorpioen in zijn hoofd zit. Daarnaast ziet hij lichtflitsen en overleden personen. Ook is er sprake van verwaarlozing en beschadiging van zijn woning en veroorzaakt zijn gedrag structurele geluidsoverlast waardoor het risico bestaat dat hij zijn woning zal verliezen.\n\n4.5.. Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.\n\n4.6.. Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene staat niet open voor behandeling en medicatie. Betrokkene wil naar de overkant van de oceaan worden gebracht omdat hij er van overtuigd is dat dat de enige manier is waarop zijn leven kan worden gered. Daarom is verplichte zorg nodig.\n\n4.7.. De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:\n\n- het toedienen van medicatie en het verrichten van medische controles;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- onderzoek aan kleding of lichaam;\n\n- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;\n\n- controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n4.8.. De door de officier verzochte vorm van verplichte zorg “uitoefenen van toezicht” wordt afgewezen omdat deze niet noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden.\n\n4.9.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 4.7. staan kunnen worden toegepast;\n\n5.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 19 november 2026;\n\n5.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5390","2026-07-13T00:28:25.190Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":43,"courtId":97,"decisionDate":98,"fullText":121,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":51,"updatedAt":123},"386","ECLI:NL:RBZWB:2026:5389","ecli-nl-rbzwb-2026-5389","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448044 \u002F FA RK 26-2418\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking rechterlijke machtiging\n\nop het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats 1] ,\n\nnu verblijvende in een [accommodatie] te [plaats 2] ,\n\nadvocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 11 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nmevrouw [persoon 1] , specialist ouderengeneeskunde, behandelaar;\n\nmevrouw [persoon 2] , verpleegkundige.\n\n1.3.. De rechtbank constateert bij aanvang van de zitting dat betrokkene niet is verschenen. Uit artikel 38 lid 3 Wzd volgt dat de rechtbank, voordat zij beslist op het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke betrokkene hoort, tenzij zij vaststelt dat deze niet in staat of niet bereid is zich te doen horen. De rechter is daarom samen met de behandelaar en de advocaat naar betrokkene toe gelopen. Betrokkene verbleef in de huiskamer van de instelling omdat hij niet bij de zitting aanwezig kon zijn vanwege zijn toestandsbeeld. Betrokkene heeft op de vragen van de rechter geen reactie gegeven en verdere communicatie bleek niet mogelijk. Gezien de reactie van betrokkene heeft de rechter hem verder met rust gelaten. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat betrokkene niet in staat is om zich te doen horen. De rechtbank heeft de zitting – met instemming van de advocaat van betrokkene en de behandelaar - voortgezet buiten de aanwezigheid van betrokkene.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Door de rechtbank is aan betrokkene een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend tot en met 11 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De advocaat verzoekt om afwijzing van het verzoek. Hij merkt op dat communicatie met betrokkene nauwelijks tot niet mogelijk is en dat hij zijn standpunt daarom baseert op het dossier. Volgens de advocaat verzet betrokkene zich tegen de opname en wenst hij geen rechterlijke machtiging.\n\n4.2.. De behandelaar van betrokkene heeft toegelicht dat er bij betrokkene sprake is van dementie met een progressief beeld waardoor hij voortdurend intensieve zorg nodig heeft. Hij heeft veel sturing nodig, laat verzorging regelmatig niet toe en vertoont ontremd en dwaalgedrag. Daarnaast is communicatie vrijwel onmogelijk mede vanwege de taalbarrière (Servische taal). Volgens de behandelaar is een plaatsing binnen een voorziening met 24-uurszorg noodzakelijk waarbij wordt gehoopt dat het verzet in de toekomst zal afnemen.\n\n4.3.. De verpleegkundige heeft gezegd dat betrokkene slechts beperkt lijkt te begrijpen wat tegen hem wordt gezegd en voornamelijk communiceert met gebaren en onverstaanbare woorden. Het zorgteam probeert zo voorspelbaar mogelijk te handelen en instructies veelvuldig te herhalen. Volgens de verpleegkundige laat betrokkene verzorging soms kortdurend toe, maar is dit meestal moeilijk uitvoerbaar vanwege zijn verzet.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening. Bij betrokkene is namelijk sprake van frontotemporale dementie. Het ontbreekt betrokkene aan ziekte-inzicht en ziektebesef.\n\n5.3.. Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel, namelijk:\n\n- levensgevaar;\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;\n\n- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.\n\n5.4.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene ernstig ontregeld gedrag vertoont als gevolg van zijn aandoening. Betrokkene dwaalt veelvuldig rond, heeft een sterke loopdrang en toont geen inzicht in verkeerssituaties waardoor er sprake is van een risico voor de verkeersveiligheid. Daarnaast is betrokkene niet georiënteerd in tijd, plaats en persoon. Verder is sprake van ernstige zelfverwaarlozing, ontremd gedrag en decorumverlies. Zo eet en drinkt betrokkene ook niet-eetbare producten, urineert en spuugt hij op de grond en vertoont hij gedrag waaruit het lijkt dat hij terug gaat naar de kindertijd.\n\n5.5.. De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene wil steeds naar buiten en zoekt naar openingen in de omheining van het terrein.\n\n5.6.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene heeft 24 uurs zorg nodig die hem in de thuissituatie niet geboden kan worden. Daarbij is het steunsysteem van betrokkene inmiddels ernstig overbelast geraakt.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] ;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 19 november 2026.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5389","2026-07-13T00:28:27.166Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":43,"courtId":97,"decisionDate":98,"fullText":128,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":51,"updatedAt":130},"351","ECLI:NL:RBZWB:2026:5388","ecli-nl-rbzwb-2026-5388","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448071 \u002F FA RK 26-2433\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking zorgmachtiging\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nadvocaat mr. E.J.L. Mulderink uit Breda.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 12 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\n- betrokkene, bijgestaan door mr. C. Gommers , waarnemend advocaat;\n\n- mevrouw [persoon] , psychiater, behandelaar.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Door de rechtbank is aan betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 27 juni 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene geeft aan dat een zorgmachtiging niet langer nodig is omdat zij zich goed voelt en haar medicatie liever vrijwillig wil gebruiken. Zij vindt dat zij goed functioneert en bewuster en rustiger in het leven staat. Volgens betrokkene zijn eerdere ontregelingen mede veroorzaakt door middelengebruik. Zij gebruikt inmiddels geen harddrugs meer. Zij verzet zich met name tegen het gedwongen karakter van de behandeling en wenst haar behandeling op vrijwillige basis voort te zetten.\n\n4.2.. De advocaat verzoekt om afwijzing van het verzoek. Volgens de advocaat is er in de afgelopen periode bewust voor gekozen om een kortdurende zorgmachtiging te verlenen zodat daarna kon worden beoordeeld of betrokkene vrijwillige behandeling zou accepteren. De advocaat benadrukt dat betrokkene gemotiveerd is om haar behandeling vrijwillig voort te zetten en dat zij zelf ook ervaart baat te hebben bij de medicatie. Daarbij wordt volgens de advocaat te snel aangenomen dat er sprake is van weigering van de medicatie. Dit terwijl praktische omstandigheden zoals te laat verschijnen op afspraken hierin een rol spelen.\n\n4.3.. De behandelaar zegt dat voortzetting van de zorgmachtiging noodzakelijk is. Er is sprake geweest van herhaaldelijke weigering van de medicatie in de afgelopen maanden, waaronder de essentiële lithiumbehandeling. Volgens de behandelaar leidt het uitblijven van tijdige medicatie snel tot een ontregeling en een verslechtering van het psychiatrisch beeld bij betrokkene. Hoewel betrokkene op sommige momenten bereid lijkt tot vrijwillige inname van de medicatie wordt dit als wisselend en onvoldoende betrouwbaar gezien. De behandelaar benadrukt dat begeleiding en behandeling zorgvuldig worden ingezet om stabiliteit te behouden en verdere ontregeling te voorkomen bij betrokkene.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene is al jaren bekend met een bipolaire stoornis, type I. Daarnaast is sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Het ontbreekt betrokkene aan ziekte-inzicht.\n\n5.3.. Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;\n\n5.4.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene tijdens een manische episode geluidsoverlast veroorzaakt, er sprake is van (seksuele) ontremming en zij medebewoners er toe aan zet ook hun medicatie te staken. Met haar ontremde gedrag kan zij daarnaast agressie van anderen over zichzelf afroepen. Ook is er sprake van maatschappelijke teloorgang.\n\n5.5.. Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.\n\n5.6.. Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene is wisselend in haar bereidheid om medicatie en behandeling te accepteren. Ook geeft betrokkene aan enkel GGZ-zorg te accepteren zodat zij over huisvesting beschikt. Daarom is verplichte zorg nodig.\n\n5.7.. De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.\n\n5.8.. De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank afgewezen, omdat deze niet noodzakelijk worden geacht om het ernstig nadeel af te wenden.\n\n5.9.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.7. staan kunnen worden toegepast;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 19 mei 2027;\n\n6.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5388","2026-07-13T00:28:25.622Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":43,"courtId":97,"decisionDate":135,"fullText":136,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":138},"1751","ECLI:NL:RBZWB:2026:5339","ecli-nl-rbzwb-2026-5339","2026-05-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447938 \u002F FA RK 26-2357\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking rechterlijke machtiging\n\nop het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1938 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nadvocaat mr. P. Doorakkers uit Oosterhout.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 7 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [persoon] , verpleegkundige huisartsenpraktijk;\n\nde zoon van betrokkene;\n\nde schoondochter van betrokkene.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1.. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n3. De standpunten\n\n3.1.. Betrokkene geeft aan dat het vrij goed met haar gaat en dat zij thuis wil blijven wonen. Zij raakt zeer geagiteerd wanneer er gesproken wordt over een mogelijke opname in een instelling en loopt de tuin in.\n\n3.2.. De verpleegkundige brengt, samengevat, naar voren dat betrokkene niemand toelaat voor haar persoonlijke verzorging. Het ziekte-inzicht is niet aanwezig bij betrokkene en haar ziekte is ook niet bespreekbaar met haar. Betrokkene ontving hulp van [hulpverlening] maar de zorg wordt zwaarder, mede vanwege de achterdocht van betrokkene. Volgens de verpleegkundige gaat het om de onvoorspelbaarheid van het gedrag van betrokkene (en dan vooral het dwaalgedrag in de nacht, haar groeiende achterdocht en de agressie richting echtgenoot) en de zorgen die daarbij komen kijken, die maken dat betrokkene niet meer thuis kan blijven.\n\n3.3.. De zoon van betrokkene verklaart dat zijn vader met één oog open licht ’s nachts. Voor hem vormt de situatie inmiddels ook een (te) zware belasting, mede gezien zijn eigen groeiende fysieke kwetsbaarheid. Betrokkene kan zichzelf niet meer wassen, andere dagelijkse handelingen m.b.t. bijvoorbeeld aankleden, eten en drinken niet meer uitvoeren en heeft continu aandacht en zorg nodig om dit nog enigszins in goede banen te leiden.\n\n3.4.. De advocaat bepleit afwijzing van het verzoek gelet op de nadrukkelijke wens van betrokkene om niet naar een verpleeghuis te hoeven verhuizen. Betrokkene herkent zich niet in het beeld wat van haar geschetst wordt.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n4.2.. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie.\n\n4.3.. Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene sinds enkele maanden geen seconde meer alleen kan worden gelaten. Betrokkene is namelijk al driemaal uit het huis weggeglipt en buiten in de winter gaan dwalen zonder jas. Daarnaast is betrokkene niet in staat bij een (medisch) noodgeval anderen te alarmeren, hetgeen niet alleen een gevaar vormt voor betrokkene zelf maar ook voor haar echtgenoot. Voorts is betrokkene wegens het snel geagiteerde gedrag en het weigeren van thuiszorg, huishoudelijke hulp en echtgenoot, niet langer in staat zichzelf te verzorgen. Vanuit de agitatie maakt betrokkene slaande bewegingen, balt zij haar vuisten en tracht zij met spullen te gooien of de tafel om te gooien. De echtgenoot van betrokkene is inmiddels ernstig overbelast.\n\n4.4.. De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er is voldoende gebleken dat de thuissituatie van betrokkene onhoudbaar is. Betrokkene heeft 24-uurs zorg nodig en die kan in de thuissituatie niet worden geboden. De feitelijke zorg zal (indien nodig) onder dwang uitgevoerd moeten worden om agitatie en agressie te verminderen en verdere zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang te voorkomen.\n\n4.5.. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene wil pertinent niets horen over dementie aangezien er niks mis zou zijn met haar geheugen. Wanneer gesproken wordt over het niet meer thuis kunnen wonen of verhuizen naar een accommodatie neemt het verzet alleen maar meer toe. Mevrouw wordt dan ontzettend boos en begint te schreeuwen.\n\n4.6.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Uit de overgelegde stukken blijkt dat in de thuissituatie niet meer de benodigde 24-uurs zorg kan worden geleverd. De inzet van thuiszorg wordt door betrokkene geweigerd, waarbij zij geagiteerd raakt, hen de deur wijst en zelf wegloopt. De thuissituatie is reeds langere tijd aan het escaleren, ondanks de inzet van mantelzorg en thuiszorg. Er is dan ook geen ander alternatief dan opname van betrokkene.\n\n4.7.. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1938 in [geboorteplaats] ;\n\n5.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 18 november 2026.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 29 mei 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5339","2026-07-13T00:29:36.999Z",{"id":140,"ecli":141,"slug":142,"caseNumber":43,"courtId":143,"decisionDate":135,"fullText":144,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":145,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":146},"1821","ECLI:NL:RBZWB:2026:5336","ecli-nl-rbzwb-2026-5336",62,"RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448079 \u002F FA RK 26-2439\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking voortzetting crisismaatregel\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1957 in [geboorteplaats],\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats],\n\nadvocaat mr. W. van der Sande uit Goes.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 13 mei 2026;\n\nhet e-mailbericht van [accommodatie] van 15 mei 2026 met bijlage.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde heer [naam 1], behandelaar;\n\nmevrouw [naam 2], verpleegkundige;\n\nde partner van betrokkene.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Betrokkene verblijft met een crisismaatregel in [accommodatie]. De burgemeester van de gemeente Goes heeft de crisismaatregel op 12 mei 2026 afgegeven.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene stelt dat het beter gaat met haar. Ze krijgt momenteel medicatie, maar als ze dit niet meer wil, hoeft ze het niet meer te nemen. Er is geen directe aanleiding geweest voor haar terugval en betrokkene wil dan ook graag weer naar huis.\n\n4.2.. De advocaat stelt dat het verzoek primair moet worden afgewezen. Betrokkene wil naar huis en wil geen medicatie meer nemen. Hiernaast heeft ze een zelfbindingsverklaring waarin wordt vermeld dat ze opgenomen wil worden en medicatie wil ontvangen op het moment dat het noodzakelijk is. Subsidiair kan het verzoek worden toegewezen met de vormen van verplichte zorg zoals de behandelaar tijdens de zitting noodzakelijk heeft geacht.\n\n4.3.. De behandelaar stelt dat betrokkene een katatoon beeld liet zien toen ze werd ogenomen. Er is medicatie gestart en sindsdien is dit beeld verbeterd. Echter is het ziektebesef en het ziekte-inzicht nog zeer beperkt. Ook is betrokkene nog erg zorgbehoeftig; er is bijna één op één begeleiding nodig. Echter wil betrokkene niet opgenomen zijn en neemt ze liever haar medicatie niet in. Haar medicatie neemt ze momenteel onder dwang. Opname in een klinische setting is momenteel nog noodzakelijk. Voor wat betreft de vormen van verplichte zorg zijn alleen de vormen ‘het toedienen van medicatie’, ‘het verrichten van medische controles’, ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’ noodzakelijk. De overige vormen zijn niet nodig. Betrokkene heeft een zelfbindingsverklaring, maar omdat er (soms actief) verzet is, kan hier momenteel geen gebruik van worden gemaakt.\n\n4.4.. De verpleegkundige stelt dat de zelfzorg van betrokkene iets is verbeterd ten opzichte van toen ze net werd opgenomen. Ze krijgt ook lorazepam en dit werkt goed voor haar.\n\n4.5.. De partner van betrokkene heeft aangegeven dat hij het niet ziet zitten als betrokkene op dit moment naar huis komt. Ze heeft op bepaalde momenten medicatie nodig en dit kan haar niet altijd op de juiste momenten in de thuissituatie geboden worden. Zonder medicatie gaat het niet goed met betrokkene.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van drie weken. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.\n\n5.3.. Sinds ongeveer vier weken is er sprake van een terugval in klachten bij betrokkene; ze spendeert uren voor de kledingkast waarbij zij repetitieve, niet doelgerichte handelingen uitvoert om haar kledingkast op orde te maken. Ze kwam niet meer uit de woning en deed dwanghandelingen, waarbij ze vergeet te eten en te drinken. Onder dwang van haar partner neemt zij minimaal eten en drinken tot zich, waardoor ze enkele kilo’s is afgevallen. Daarnaast slaapt betrokkene nauwelijks en put ze zichzelf uit. De thuissituatie is voor zowel haar als de partner niet meer houdbaar.5.4.. Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit psychische stoornissen. Betrokkene heeft namelijk neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (o.a. verstandelijke beperkingen en autismespectrumstoornissen), depressieve-stemmingsstoornissen en overige DSM-5 stoornissen.\n\n5.5.. De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.\n\n5.6.. De rechtbank is op grond van de medische verklaring en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn om het nadeel af te wenden:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- het verrichten van medische controles;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n5.7.. De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de behandelaar tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.\n\n5.8.. Betrokkene verzet zich tegen de zorg.\n\n5.9.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1957 in [geboorteplaats], wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.6. staan kunnen worden toegepast;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 8 juni 2026;\n\n6.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van drs. Swint, griffier en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5336","2026-07-13T00:29:40.435Z",{"id":148,"ecli":149,"slug":150,"caseNumber":43,"courtId":97,"decisionDate":135,"fullText":151,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":153},"1822","ECLI:NL:RBZWB:2026:5341","ecli-nl-rbzwb-2026-5341","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447936 \u002F FA RK 26-2355\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking rechterlijke machtiging\n\nop het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1948 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nadvocaat mr. C.J.M. Veth uit Rijen.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 7 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nmevrouw [naam 1] , mentor;\n\nmevrouw [naam 2] , casemanager;\n\nmevrouw [naam 3] , huishoudelijke coach;\n\nmevrouw [naam 4] , ambulant begeleider [hulpverlening].\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Voor betrokkene is mentorschap ingesteld.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene geeft aan dat het goed met hem gaat en dat hij liever thuis wil blijven wonen. Betrokkene is van mening dat hij geen mensen nodig heeft.\n\n4.2.. De casemanager verklaart dat het niet goed met betrokkene gaat en dat zijn spraakvermogen achteruitgaat. Betrokkene brengt veel tijd door op bed en de laatste periode is er veel bier aanwezig in het huis. Betrokkene doucht niet, is incontinent en valt regelmatig. Bovendien eet betrokkene rauw en bedorven voedsel. Voorts geeft de casemanager aan dat betrokkene de thuiszorg weigert.\n\n4.3.. De mentor verklaart dat betrokkene heel zorgmijdend is.\n\n4.4.. De huishoudelijke coach brengt, samengevat, naar voren dat betrokkene niet meer alert is, bijna niet meer buiten komt, vooral op bed ligt en onder de ontlasting zit. Betrokkene eet rauw en bedorven eten.\n\n4.5.. De ambulant begeleider vult de huishoudelijke coach aan door te verklaren dat betrokkene geen motivatie laat zien.\n\n4.6.. De advocaat bepleit afwijzing van het verzoek omdat betrokkene niet opgenomen wenst te worden.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie. Ook is er sprake van zwakbegaafdheid.\n\n5.3.. Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene zichzelf niet meer verzorgt en verzorging door het wijkteam niet toestaat. Sinds januari is betrokkene niet meer gedoucht of gewassen. Daarbij kan betrokkene zichzelf niet verzorgen na toiletgang waardoor hij geregeld onder de ontlasting wordt aangetroffen. Voorts lijkt betrokkene onvoldoende en bedorven voeding tot zich te nemen waarbij hij niks wil weggooien. Sinds een aantal weken haalt betrokkene grote hoeveelheden halve liters bier waarbij er geregeld open blikjes bier op tafel staan. Het geautomatiseerde medicatiesysteem geeft regelmatig een alarmmelding (i.v.m. niet of niet tijdig innemen van medicatie) waardoor het wijkteam langs moet komen. Voorts valt betrokkene geregeld wanneer hij uit bed komt en is hij niet in staat mensen of ziekenhuis te alarmeren bij een medisch noodgeval.\n\n5.4.. De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er is voldoende gebleken dat de thuissituatie van betrokkene inmiddels onhoudbaar is geworden. Betrokkene heeft 24-uurs zorg nodig en die kan in de thuissituatie niet worden geboden.\n\n5.5.. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene blijft herhaaldelijk aangeven niet opgenomen te willen worden. Hierbij kan hij niet aangeven waarom hij dit niet wil.\n\n5.6.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Uit de overgelegde stukken blijkt dat in de thuissituatie niet de benodigde zorg kan worden geleverd. Betrokkene weigert vrijwel alle aangeboden professionele zorg en ondersteuning en laat onbekenden niet binnen. Er is dan geen ander alternatief dan opname van betrokkene.\n\n5.7.. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1948 in [geboorteplaats] ;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 18 november 2026.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 29 mei 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5341","2026-07-13T00:29:40.480Z",{"id":155,"ecli":156,"slug":157,"caseNumber":43,"courtId":97,"decisionDate":135,"fullText":158,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":160},"1114","ECLI:NL:RBZWB:2026:5338","ecli-nl-rbzwb-2026-5338","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448132 \u002F FA RK 26-2461\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking voortzetting inbewaringstelling\n\nop het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nverblijvende in een [accommodatie] te [plaats] ,\n\nadvocaat mr. H. van der Sluis-Westerlaan uit Oosterhout.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 13 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door haar advocaat;\n\nmevrouw [persoon 1] , specialist ouderengeneeskunde;\n\nmevrouw [persoon 2] , dochter van betrokkene.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in de [accommodatie] te [plaats] . De burgemeester van de gemeente Breda heeft de inbewaringstelling op 12 mei 2026 afgegeven.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene brengt, samengevat, naar voren dat het prima met haar gaat en zij gewoon naar huis wil. Volgens betrokkene is er niks met haar aan de hand en geneest de wond vanzelf weer. Zij herhaalt een aantal keer, met stemverheffing, dat zij gewoon naar huis gaat en absoluut niet wil verblijven in de instelling.\n\n4.2.. De specialist ouderengeneeskunde verklaart dat het redelijk met betrokkene gaat. Betrokkene wil met momenten weg, uit dit verbaal, echter daarbij maakt zij geen aanstalten daadwerkelijk te vertrekken. Verder laat betrokkene zich moeilijk verzorgen, hetgeen ook het grootste probleem in de thuissituatie was. Voorts geeft de specialist ouderengeneeskunde aan dat de huidige afdeling waar betrokkene verblijft een tijdelijke plek is om te kijken waar betrokkene terecht kan gezien haar lichamelijke staat. Dit kan een hospice of een andere afdeling zijn omdat betrokkene stervende is.\n\n4.3.. De dochter van betrokkene verklaart dat betrokkene een heel zelfstandig type is. De dochter is zich ervan bewust dat haar moeder in een stervensfase zit en daarbij is zorg heel belangrijk. Tevens wil de dochter de wens van haar moeder respecteren zodat zij haar laatste tijd thuis kan verblijven.\n\n4.4.. De advocaat bepleit primair afwijzing van het verzoek omdat duidelijk is dat betrokkene naar huis wil. Aan de andere kant begrijpt de advocaat heel goed dat het nadeel zo ernstig is dat dit niet kan.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes weken. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel en ernstige verwaarlozing. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat betrokkene ontkent een wond te hebben, deze niet verzorgt of laat verzorgen, terwijl ze beweert dit wel te doen of niet nodig te vinden. Daarnaast houdt betrokkene dagenlang dezelfde kleding aan, verschoont zich niet en vergeet te eten. Betrokkene houdt alle hulp af, waarbij de thuisverpleging verbaal agressief wordt bejegend tot deze weggaat. Dit heeft er inmiddels toe geleid dat de wond reeds maden en tekenen van necrose bevat, waarbij betrokkene het risico loopt te overlijden ten gevolge van sepsis.\n\n5.3.. Thans wordt vermoed dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychogeriatrische aandoening, te weten Alzheimer.\n\n5.4.. Het ernstig nadeel is zodanig onmiddellijk dreigend dat een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht.\n\n5.5.. Voortzetting van de inbewaringstelling is noodzakelijk en geschikt om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene houdt in de thuissituatie alle hulp af. Het niet met regelmaat laten verzorgen van de wond onder haar arm verhoogt het risico om te overlijden ten gevolge van sepsis. Door de wond te verzorgen in een gedwongen kader wordt het risico op sepsis vermeden. Ook kan betrokkene begeleiding krijgen bij de zelfzorg, zoals persoonlijke verzorging en het eten. Zodra betrokkene stabiel functioneert zal gekeken worden of zij naar huis of hospice kan gaan om daar haar laatste levensfase door te brengen.\n\n5.6.. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene geeft aan dat er niets aan de hand is en geen hulp nodig te hebben. Betrokkene blijft aangeven naar huis te willen.\n\n5.7.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene houdt alle hulp af.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] ;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 29 juni 2026.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 29 mei 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5338","2026-07-13T00:29:04.855Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":165,"fullText":166,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":167,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":168},"1268","ECLI:NL:RBOBR:2026:4795","ecli-nl-rbobr-2026-4795","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nZaaknummer: C\u002F01\u002F425155 \u002F FA RK 26-1524\n\nDatum uitspraak: 13 mei 2026\n\nBeschikking over een zorgmachtiging\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. A.A.W.A. Vissers uit 's-Hertogenbosch.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Deze beschikking volgt op de beschikking van deze rechtbank van 29 april 2026. Zij heeft daarin – kort gezegd – de beslissing op het verzoek aangehouden en de officier van justitie verzocht een nieuwe medische verklaring over te leggen.\n\n1.2.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 10 april 2026;\n\nhet bericht van de mentor van betrokkene van 24 april 2026;\n\nde nieuwe medische verklaring van 4 mei 2026;\n\nde reactie van de advocaat van betrokkene van 8 mei 2025.\n\n1.3.. De rechtbank acht zich, gelet op de nader ingekomen stukken, voldoende voorgelicht om de zaak zonder hervatting van de zitting af te doen. De rechtbank heeft de beschikking bepaald op vandaag.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Voor betrokkene is een mentorschap ingesteld.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De officier van justitie heeft naar aanleiding van de beschikking van 29 april 2026 een nieuwe medische verklaring van een andere onafhankelijke psychiater overgelegd. Deze psychiater heeft betrokkene in persoon onderzocht en komt tot de diagnose dat bij betrokkene sprake is van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol in combinatie met een uitgebreide neurocognitieve stoornis.\n\n4.2.. In reactie hierop betwist de advocaat van betrokkene dat de onafhankelijk psychiater de stoornis in het gebruik van alcohol rechtstreeks heeft waargenomen. Daarnaast stelt de advocaat dat onvoldoende is onderbouwd dat de verslaving van zodanige ernst is dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend wordt beïnvloed dat sprake is van een psychische stoornis. Verder valt de neurocognitieve stoornis volgens de advocaat van betrokkene onder de reikwijdte van de Wet zorg en dwang (Wzd) en staat de inbreuk op de vrijheid van betrokkene niet in een redelijke verhouding tot het doel van de zorgmachtiging.\n\n4.3.. De rechtbank is zich ervan bewust dat deze zaak zich beweegt op het grensvlak tussen de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), Wzd en vrijwilligheid. Dat heeft er in het verleden toe geleid dat verzoeken niet zijn toegewezen. Uit de stukken en de toelichting van de zorgverleners is gebleken dat er pas duidelijkheid kan komen over de aard van de neurocognitieve stoornis als de alcohol-afhankelijkheid van betrokkene is teruggedrongen. Daarom zal de rechtbank – nu de onafhankelijk psychiater een stoornis in de zin van de Wvggz aanneemt – de gevraagde machtiging voor zes maanden verlenen. De rechtbank zal hierna verder uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.\n\n4.4.. De rechtbank is van oordeel dat de stoornis deugdelijk is vastgesteld door de onafhankelijk psychiater. De onafhankelijk psychiater heeft voldoende aanleiding gezien in het gesprek met betrokkene en in het dossier om aan te nemen dat bij betrokkene sprake is van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol. Betrokkene koopt wekelijks grote hoeveelheden alcohol en lijkt niet zonder te kunnen. Hieraan doet niet af dat betrokkene op het moment van de onafhankelijke beoordeling niet duidelijk onder invloed van alcohol was. Temeer niet nu deze beoordeling plaatsvond op een maandag (4 mei 2026). Uit het zorgplan blijkt immers dat betrokkene op woensdag zijn weekgeld ontvangt en dan veel drinkt totdat het geld en de alcohol op is. Dan stopt hij met drinken totdat hij opnieuw weekgeld ontvangt. Dit kan ook verklaren waarom betrokkene tijdens de zitting niet zichtbaar onder invloed van alcohol was. De zitting vond namelijk plaats op een dinsdag (28 april 2026). Bovendien zou een diagnose – als de redenering van de advocaat wordt gevolgd – in alle gevallen onderuit gehaald kunnen worden door ofwel tijdelijk abstinent te zijn dan wel min of meer toevallig een goede dag te hebben. Het is – zeker in deze zaak – belangrijk om het geheel aan informatie te beschouwen en daar conclusies aan te verbinden.\n\n4.5.. Ten aanzien van de stoornis is volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat de stoornis betrokkene in zijn greep heeft. Het veroorzaakte gevaar kan hem niet worden aangerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Uit de nieuwe medische verklaring volgt dat betrokkene wantrouwend en paranoïde is naar de instanties. Hij geeft aan bang te zijn dat de instanties zijn woning willen afnemen. Tijdens de zitting gaf betrokkene ook aan bang te zijn dat de medewerkers van Novadic Kentron zijn platencollectie in beslag willen nemen. De rechtbank heeft dus ook zelf de onrealistische gedachten van betrokkene gehoord. Hoewel nader onderzoek zal moeten plaatsvinden, lijkt het erop dat deze gedachten ontstaan onder invloed van de verslaving en dat betrokkene hier niet zelf de regie over heeft. Daarbij komt dat de mentor zich grote zorgen maakt. De mentor geeft in een uitgebreide brief aan dat betrokkene zich uitstekend kan verwoorden, maar niet in staat is om hetgeen hij zegt tot uitvoering te brengen. De mentor maakt zich ernstige zorgen over het welzijn van betrokkene. Deze mentor heeft bij uitstek zicht op betrokkene, kent betrokkene goed en kan dus ook met argument pleiten voor een opname. Aan deze brief kan daarom niet zomaar voorbij worden gegaan.4.6.. De rechtbank ziet in de paranoïde gedachten en de door de mentor geuite zorgen voldoende aanleiding om aan te nemen dat betrokkene zodanig wordt beïnvloed door zijn stoornis dat hij niet langer in staat is om de gevolgen van zijn handelingen en uitspraken te overzien, waardoor er gevaarlijke situaties voor hemzelf en anderen ontstaan. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat betrokkene als een ‘willoos werktuig’ van zijn verslaving kan worden beschouwd.\n\n4.7.. De rechtbank is dan ook, anders dan de advocaat, van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, namelijk een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol in combinatie met een uitgebreide neurocognitieve stoornis. Uit de stukken volgt dat de stoornis in het gebruik van alcohol op dit moment op de voorgrond staat. Er dient namelijk eerst een klinische detox en uitgebreid diagnostisch onderzoek plaats te vinden, waarna vastgesteld kan worden welke vorm van nazorg het meest passend is. Dat kan in theorie ook betekenen dat zal blijken dat een Wzd-machtiging nodig is. 4.8. De rechtbank verwijst in dit verband naar onderdeel 2.8 van de conclusie van A-G Lückers van 29 juli 2022 (te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2022:728) waarin onder meer het volgende is overwogen: “De onduidelijkheid waar het middel naar verwijst (…) en waarvoor observatie en diagnostiek nodig is, ziet - na bestudering van het dossier en de bestreden uitspraak - niet zo zeer op de vraag óf er sprake is van een geestelijke stoornis (…), maar op onderzoek naar de oorzaak van de geestelijke stoornis en welke behandeling betrokkene adequate hulp kan geven en verandering kan bewerkstellingen (…). Die vraag kan alleen beantwoord worden door opname van betrokkene (observatie) en stabilisatie (….). De onduidelijkheid over de psychiatrische kwalificatie, over de oorzaken van de psychische stoornis en over de behandeling hoeft de verlening van een zorgmachtiging niet in de weg te staan. Dit volgt ook uit de wetsgeschiedenis waarin is overwogen dat in de medische verklaring moet worden ingegaan op de symptomen en, zo mogelijk, een diagnose moet worden gesteld. Een (definitieve) diagnose is niet altijd direct te stellen en vergt vaak - na opname - nadere observatie en stabilisatie van betrokkene.” De rechtbank leest hierin steun voor haar oordeel ten aanzien van de onduidelijkheid van de herkomst van de cognitieve stoornis en de noodzaak van diagnostiek. Een diagnose hoeft – kort gezegd - nog niet 100% duidelijk te zijn bij afgifte van een zorgmachtiging. Soms is (verdere) diagnostisering nodig na afgifte. 4.9. De stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.\n\n.4.10.. Er is bij betrokkene sprake van zelfverwaarlozing en vervuiling. Betrokkene lijkt al langere tijd niet goed in staat om voor zichzelf en voor zijn leefomgeving te zorgen. Zijn woning is met tijden zeer vervuild, zijn kleding is vuil en kapot en in de zomer klagen de buren vanwege ernstige stankoverlast door urine. De onafhankelijk psychiater heeft onlangs het bed van betrokkene vervuild met urine aangetroffen. Bovendien bestaat er een risico op brand doordat betrokkene onder invloed van alcohol brandende sigaretten laat vallen, waarvoor al meerdere keren de brandweer is gebeld. Betrokkene is verder wantrouwend, paranoïde en denigrerend richting de thuiszorg en verslavingszorg. Hij laat medewerkers van Novadic Kentron niet binnen in zijn woning en is bijzonder vocaal richting die medewerkers. Dit is ook tijdens de zitting gebleken. Betrokkene wilde pertinent niet dat de zitting zou plaatsvinden in aanwezigheid van hulpverleners van Novadic Kentron. Uit de stukken volgt ook dat betrokkene bedreigingen heeft geuit naar hulpverleners en dat hij regelmatig suïcidale uitspraken doet. De mentor van betrokkene maakt zich ernstige zorgen en geeft aan dat de huidige zelfstandige woonsituatie niet langer veilig en verantwoord is.\n\n4.11.. Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid en de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.\n\n4.12.. Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Er is herhaaldelijk geprobeerd om de zorg op een vrijwillige basis vorm te geven, maar dit is onvoldoende toereikend gebleken. Betrokkene weigert structureel zorg en diagnostiek. Daarbij laat betrokkene hulpverleners niet binnen. Daarom is verplichte zorg nodig.\n\n4.13.. De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- het verrichten van medische controles;\n\n- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- uitoefenen van toezicht op betrokkene;\n\n- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;\n\n- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n4.14.. De verzochte vorm van verplichte zorg ‘het toedienen van vocht en voeding’ zal worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat deze vorm noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden. Tegen de overige vormen van verplichte zorg is geen verweer gevoerd.\n\n4.15.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving. De voorgenomen klinische detox en de daaropvolgende diagnostiek zijn passend en noodzakelijk en rechtvaardigen – anders dan door de advocaat betoogd – de inbreuk op de rechten van betrokkene. 4.16. Zoals aan het begin van deze beschikking is overwogen zit deze casus op de grenzen van de verschillende wettelijke stelsels. Ook zijn er – afhankelijk van de belichtingswijze – andere pleitbare standpunten mogelijk. Dat hoeft volgens A-G Lückers (zie de eerder genoemde conclusie, onderdeel 2.9) niet te betekenen dat het oordeel van een rechtbank onjuist is:\n\n“Het is aan de rechtbank als feitenrechter voorbehouden welke waardering wordt gegeven aan de verklaringen van de verschillende partijen bij de verlening van de zorgmachtiging. Die vrijheid in de feitelijke afweging van de rechter brengt met zich mee dat - anders dan het middel stelt - de rechtbank ook niet in hoeft te gaan op elke verklaring die andersluidend is dan het oordeel, zoals de mening van de zorgverantwoordelijke (subonderdeel 2.1) 12, die overigens op p. 7 van het zorgplan heeft aangekruist dat is voldaan aan alle criteria voor verplichte zorg en dat de doelen van verplichte zorg zijn het afwenden van ernstig nadeel en het stabiliseren lichamelijke gezondheid. Het oordeel van de rechtbank dat aan de vereisten van artikel 2:1 Wvggz wordt voldaan (rov. 2.2 en 2.10), waaronder ook vallen effectiviteit, doelmatigheid en proportionaliteit van de verplichte zorg, kon mijns inziens op basis van de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting worden gedragen en is geenszins onbegrijpelijk. Dat een andere feitelijke beoordeling mogelijk was op basis van een opmerking van de zorgverantwoordelijke in het zorgplan\u002Fbehandelplan, maakt het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk of onjuist.”\n\n4.17. \n\nTot slot wil de rechtbank betrokkene nog het volgende meegeven. Betrokkene geeft aan dat het zijn keuze is om zijn leven te leiden zoals hij dat nu doet. De rechtbank vindt de autonomie ten aanzien van het eigen leven een groot goed en kan het tot op zekere hoogte eens zijn met betrokkene. Die autonomie moet zo lang mogelijk in stand gehouden worden, maar het hierboven omschreven ernstig nadeel rechtvaardigt een begrenzing van de autonomie ter bescherming van op de eerste plaats zijn psychische en fysieke gezondheid, zijn veiligheid en zijn maatschappelijke status. In de tweede plaats gaat het om de veiligheid van omwonenden en eigendommen van derden. De rechtbank gunt iedereen zijn leven. De rechtbank moet ook scherp in de gaten houden wanneer daarin een grens is bereikt. De rechtbank spreekt de hoop uit dat betrokkene hier – ook al is hij nu mordicus tegen verplichte zorg – uiteindelijk beter uit komt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in paragraaf 4.13. staan kunnen worden toegepast;\n\n5.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 13 november 2026;\n\n5.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M. de Vries, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026, in aanwezigheid van de griffier.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4795","2026-07-13T00:29:13.026Z",{"id":170,"ecli":171,"slug":172,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":173,"fullText":174,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":175,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":176},"1113","ECLI:NL:RBOBR:2026:4794","ecli-nl-rbobr-2026-4794","2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nZaaknummer: C\u002F01\u002F425155 \u002F FA RK 26-1524\n\nDatum uitspraak: 29 april 2026\n\nBeschikking zorgmachtiging\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. A.A.W.A. Vissers uit 's-Hertogenbosch.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 10 april 2026.\n\n1.2.. De zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [zorgverantwoordelijke 1] , zorgverantwoordelijke;\n\nJ [zorgverantwoordelijke 2] , zorgverantwoordelijke.\n\n1.3.. De mentor is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. Zij heeft per e-mail haar zienswijze kenbaar gemaakt aan de rechtbank.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Voor betrokkene is een mentorschap ingesteld.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De advocaat heeft tijdens de mondelinge behandeling de deugdelijkheid van de medische verklaring betwist, omdat de onafhankelijk psychiater niet met betrokkene heeft gesproken en ook onvoldoende heeft gedaan om betrokkene te spreken. De psychiater is samen met zorgmedewerkers van Novadic Kentron bij betrokkene aan de deur geweest. Betrokkene is echter zeer wantrouwig ten opzichte van Novadic Kentron en is om die reden niet in gesprek gegaan met de psychiater. De psychiater heeft daarna niet nogmaals een poging gedaan om betrokkene, buiten de aanwezigheid van de medewerkers van Novadic Kentron, te spreken. De advocaat heeft aangegeven dat betrokkene wel bereid zou zijn om in gesprek te gaan met de psychiater als er geen medewerkers van Novadic Kentron bij zijn.4.2.. De rechtbank ziet in deze gang van zaken een zorgvuldigheidsgebrek. Een persoonlijk gesprek tussen betrokkene en een psychiater is van belang om diverse redenen. Betrokkene moet met een medicus kunnen praten over wat er speelt in zijn leven, waarbij de psychiater hem in direct contact spreekt en observeert. Diezelfde medicus moet op basis van dat gesprek kunnen adviseren en een medische verklaring opstellen. Dat luistert extra nauw nu de machtiging zoals gevraagd niet gering is qua duur en omvang. Er zal dus een nieuwe onafhankelijke beoordeling moeten komen, waarbij het voorgaande in acht wordt genomen en geen medewerkers van Novadic Kentron betrokken zijn.\n\n4.3.. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de officier van justitie te verzoeken om een nieuwe medische verklaring te laten opmaken en over te leggen, waarbij betrokkene wordt onderzocht door een andere onafhankelijk psychiater en buiten de aanwezigheid van medewerkers van Novadic Kentron.\n\n4.4.. De rechtbank zal de zaak, gelet op het voorgaande en gelet op het bepaalde in artikel 6:1, vijfde lid Wvggz, aanhouden en de officier van justitie verzoeken en in de gelegenheid stellen om uiterlijk op 6 mei 2026 een nieuwe medische verklaring bij de rechtbank in te dienen. De rechtbank zal vervolgens partijen in de gelegenheid stellen om binnen een week op die verklaring schriftelijk te reageren en hen verzoeken om daarbij aan te geven of de onderhavige zaak verder wel of niet schriftelijk kan worden afgehandeld.\n\n4.5.. Gelet op het bepaalde in artikel 6:2, vierde lid, Wvggz wordt de beslistermijn tot 22 mei 2026 verlengd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. houdt de beslissing op het verzoek aan en verzoekt de officier van justitie om uiterlijk 6 mei 2026 een nieuwe medische verklaring over te leggen.\n\nDeze beschikking is gegeven op 29 april 2026 door mr. M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4794","2026-07-13T00:29:04.814Z",{"id":178,"ecli":179,"slug":180,"caseNumber":43,"courtId":181,"decisionDate":182,"fullText":183,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":184,"sourceTimestamp":185,"parsedAt":51,"updatedAt":186},"1845","ECLI:NL:RBROT:2026:7852","ecli-nl-rbrot-2026-7852",61,"2026-04-07T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nParketnummer: 10\u002F700023-20\n\nDatum uitspraak: 7 april 2026\n\nBeslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:\n\n [ter beschikking gestelde](de ter beschikking gestelde),\n\ngeboren op [geboorteland] op [geboortedatum] 1985,\n\nverblijvende in [tbs kliniek] te [plaats 1] (de instelling),\n\nraadsman mr. J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam.1. Inleiding\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 maart 2024 is de terbeschikkingstelling van [ter beschikking gestelde] gelast en is zijn verpleging van overheidswege (dwangverpleging) bevolen.\n\nDe terbeschikkingstelling is gelast ter zake van poging tot doodslag, meermalen gepleegd. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 5 april 2024.2. Procesverloop\n\nDe rechtbank heeft op 19 februari 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.\n\nDe vordering is op de openbare terechtzitting van 7 april 2026 behandeld. De officier van justitie mr. E. ter Braak, de ter beschikking gestelde, bijgestaan door zijn raadsman, en als deskundige [deskundige] , werkzaam bij de instelling, zijn gehoord.3. Adviezen\n\nAdvies instelling\n\nDe instelling adviseert in het rapport, gedateerd 26 januari 2026, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nBij de ter beschikking gestelde is sprake van een licht verstandelijke beperking, persoonlijkheidsproblematiek met antisociale kenmerken en verslavingsproblematiek.\n\nHet recidiverisico in geval van onmiddellijke beëindiging van de terbeschikkingstelling wordt ingeschat als hoog en matig tot hoog bij voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.\n\nDe ter beschikking gestelde bevindt zich in de delictgerelateerde behandeling, begeleide verloven zijn opgestart en hij laat geruime periode zien goed in behandeling te zijn, voldoende openheid te geven en adequate coping in te zetten. Hij is gebaat bij duidelijkheid en een aantal steunfiguren, waar hij zich veilig bij voelt en zaken mee deelt. De risicofactoren zijn in de huidige context verminderd actueel. In de huidige situatie lijkt een verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging nog steeds vereist, echter gericht op (stapsgewijze) uitbreiding van vrijheden en resocialisatie, aansluitend bij het lage niveau van emotioneel functioneren en beperkte cognitieve capaciteiten. In het verleden, binnen de eerste tbs-behandeling, is gebleken dat hij in zijn resocialisatie in eerste instantie aan de oppervlakte stabiel blijft functioneren. Echter, onderliggend is er sprake van het mijden van zorg, het ontbreken van openheid, zich niet houden aan afspraken en drugsgebruik, uiteindelijk leidend tot een ernstig recidive en een tweede tbs-oplegging.\n\nHij heeft laten zien dat hij geen middelen gebruikt en de afgelopen periode is er geen\n\nsprake van (fysieke) agressie geweest. Wel blijven het geringe oplossend vermogen en\n\nwantrouwen naar de omgeving belangrijke factoren waar aandacht voor moet zijn gedurende het traject. Zijn valkuil is om situaties negatief in te kleuren, wat kan leiden tot\n\nmoeilijkheden in de samenwerking. Een actieve en presente benadering is hierin helpend\n\ngebleken en noodzakelijk voor het verdere verloop van de behandeling. Er zal verder aandacht worden gegeven aan het bestendigen van arbeidsvaardigheden, een zinvolle daginvulling, het omgaan met stress en spanning en het inzetten en bestendigen van adequate copingvaardigheden. De huidige context waarin hij verblijft is beschermend, maar minder noodzakelijk om terugvallen in probleemgedrag, zoals agressie en middelengebruik te voorkomen. Het behandelteam is daarom voornemens om op termijn stappen te zetten richting onbegeleid verlof en vervolgens richting uitstroom te werken. De komende periode zal de behandeling van de ter beschikking gestelde zich hierop richten.\n\nOp de terechtzitting gegeven advies\n\nDe deskundige [deskundige] , als GZ-psycholoog verbonden aan de instelling, heeft het verlengingsadvies op de zitting toegelicht. Zij heeft onder meer verklaard – zakelijk weergegeven – dat voortzetting van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging nog is vereist, mede gelet op de ernst van het indexdelict, en zij niet verwacht dat over een jaar al kan worden gedacht aan voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Het is volgens haar een te grote stap om vanuit begeleid verlof toe te werken naar voorwaardelijke beëindiging. Zij acht meerdere tussenstappen nodig. De koers is dat hij onbegeleid verlof zal krijgen en vervolgens richting uitstroom zal worden gewerkt. Hij is recent overgegaan naar de uitstroomafdeling en het gaat daar goed. Op 13 april 2026 zal onbegeleid verlof worden aangevraagd. De instelling vindt het belangrijk dat daarna transmuraal verlof zal volgen en hij van daaruit naar begeleid wonen gaat. Hij wil echter geen transmuraal verlof. Een andere mogelijkheid is dat hij naar een woning op het terrein van de instelling gaat. Er is daarvoor wel een wachtlijst, maar als er vanuit de instelling urgentie wordt gevraagd, kan dat wel worden versneld. Hij zou dan vanuit begeleid wonen kunnen doorstromen naar een zelfstandige woning. Het is van belang dat deze stappen gecontroleerd worden gezet om hem goed te laten uitstromen, zeker omdat dit zijn tweede tbs-behandeling betreft en hij tijdens zijn eerste tbs-behandeling na lange tijd te zijn behandeld opnieuw de keuze heeft gemaakt om een delict te plegen. Dat is gebeurd toen hij terug was gegaan naar [plaats 2] , waar zijn oude vrienden zijn. Tijdens die tbs-behandeling is ook gebleken dat hij ‘onder water’ dingen bleef doen, zoals het in verkeerde milieus en in een verkeerde woning verblijven. Het zou kunnen zijn dat er toen een bepaalde mate van schijnaanpassing is geweest. Ook nu is hij niet altijd open. Soms is hij het ergens niet mee eens, maar zegt hij dat niet. De inschatting is dat hij ook wel beïnvloedbaar is. De inschatting is daarnaast dat als er meer ruimte in zijn leven komt, er ook meer uitdagingen komen. Het mooie van deze terbeschikkingstelling is dat hij nu wel echt ervaart dat het verstandig is om een bepaalde verbinding met iemand aan te gaan. Dat heeft hij nu gedaan met de therapeut en hij ziet in dat het verstandig is om dat ook te doen met de behandelaren in de instelling en daarnaast contact met familie op te bouwen. Hij wil in [plaats 1] blijven. Dat is belangrijk, want dan is er minder risico dat hij opnieuw de fout gaat, omdat hij daar geen oude vrienden heeft en daar wel familieleden van hem wonen.\n\nDe deskundige blijft gelet hierop bij het advies tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaren. Wel schat zij in dat over twee jaren mogelijk aan voorwaardelijke beëidinging van de dwangverpleging kan worden, als het blijft gaan zoals het nu gaat. Daarvoor is het ook wel nodig dat het contact met de reclassering tegen die tijd al wordt opgebouwd.4. Standpunt van partijen\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren.\n\nStandpunt van de ter beschikking gestelde\n\nDe ter beschikking gestelde en de raadsman hebben zich niet verzet tegen verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren. De raadsman heeft opgemerkt dat de ter beschikking gestelde in korte tijd al veel stappen heeft weten te zetten en het is mooi dat de instelling daaraan heeft meegewerkt en dus ook snelheid betracht. Er is door de deskundige een heel reëel tijdspad geschetst voor het vervolgtraject en het is goed om in die twee jaar in rust toe te werken naar een voorwaardelijke beëindiging.5. Beoordeling\n\nOp grond van het advies van de instelling en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat:\n\n- er nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en\u002Fof ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de ter beschikking gestelde;\n\n- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar wordt verlengd.\n\nDe rechtbank ziet dat de terbeschikking gestelde zich goed inzet en hij snel stappen heeft gezet in de behandeling. Het is van belang dat hij ditmaal goed uitstroomt en niet opnieuw zal recidiveren. Daarvoor is het van belang dat de vervolgstappen gecontroleerd worden gezet. Als alles goed blijft gaan is het de verwachting dat in deze periode zal worden toegewerkt naar voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Daarvoor is wel van belang dat de ter beschikking gestelde ook de openheid zal geven die nodig is.\n\n6. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverlengtde termijn van de terbeschikkingstelling met2 (twee)jaren.\n\nDeze beslissing is genomen door:\n\nmr. W.A.F. Damen, voorzitter,\n\nen mrs. J. van de Klashorst en E. Kranendonk, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting.\n\nDe oudste rechter, de jongste rechter en griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.\n\nTegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7852","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.657Z",{"id":188,"ecli":189,"slug":190,"caseNumber":43,"courtId":181,"decisionDate":182,"fullText":191,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":192,"sourceTimestamp":185,"parsedAt":51,"updatedAt":193},"1846","ECLI:NL:RBROT:2026:7853","ecli-nl-rbrot-2026-7853","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nParketnummer: 10\u002F267714-21\n\nDatum uitspraak: 7 april 2026\n\nBeslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:\n\n [ter beschikking gestelde](de ter beschikking gestelde),\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,\n\nverblijvende in [tbs kliniek 1] te [locatie] (hierna ook: de instelling),\n\nraadsvrouw mr. L. Schouten, advocaat te Amsterdam.1. Inleiding\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 29 maart 2022 is de terbeschikkingstelling van [ter beschikking gestelde] gelast en is zijn verpleging van overheidswege (dwangverpleging) bevolen.\n\nDe terbeschikkingstelling is gelast ter zake van poging tot zware mishandeling. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 30 maart 2022.\n\nBij beslissing van deze rechtbank van 13 maart 2024 is de terbeschikkingstelling verlengd met twee jaar.2. Procesverloop\n\nDe rechtbank heeft op 19 februari 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.\n\nDe vordering is op de openbare terechtzitting van 7 april 2026 behandeld. De officier van justitie mr. E. ter Braak, de ter beschikking gestelde (via videoverbinding), bijgestaan door zijn raadsvrouw, en als deskundige [deskundige] , werkzaam bij de instelling, zijn gehoord.3. Adviezen\n\nAdvies instelling\n\nDe instelling adviseert in het rapport, gedateerd 17 februari 2026, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nDe ter beschikking gestelde is op 10 november 2025 vanuit [tbs kliniek 2] overgeplaatst naar [tbs kliniek 1] voor een tweede behandelpoging. Aanleiding hiervoor was een incident op 18 september 2025 waarbij hij naar eigen zeggen een telefoon van een medepatiënt zou hebben gebruikt om kinderporno te downloaden en te bekijken. Als gevolg van dit incident was het voor hem niet meer veilig om onder medepatiënten in de instelling te verblijven, waardoor een duurzame behandeling niet meer mogelijk was.\n\nIn [tbs kliniek 2] is na psychologisch onderzoek geconcludeerd dat bij de ter beschikking gestelde sprake is van een autismespectrumstoornis, een anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, een stoornis in cannabisgebruik (matig tot ernstig) en een stoornis in alcoholgebruik (matig en in remissie in een gereguleerde omgeving). De in het verleden gestelde diagnose ADHD is verworpen, omdat het hyperactieve en impulsieve gedrag van de ter beschikking gestelde tevens kan worden verklaard vanuit de gestelde stoornissen en het psychologisch onderzoek onvoldoende aanwijzingen opleverde voor deze diagnose.\n\nIn [tbs kliniek 1] wordt na onderzoek een aanpassing van de diagnostiek overwogen. Zo worden er vragen gesteld bij de verworpen ADHD-diagnose, gezien het hyperactieve en impulsieve gedrag van de ter beschikking gestelde wat op de voorgrond staat. Verder wordt ook gezien dat sprake is van seksuele problematiek bij de ter beschikking gestelde. Hij heeft in gesprekken aangegeven last te hebben van agressieve en seksuele fantasieën. Hij worstelt met zijn seksualiteit en identiteit en heeft moeite met het aangeven van grenzen en het respecteren van andermans grenzen vanuit zijn problematiek. Gelet op hetgeen daarover is geconcludeerd in het rapport van [psychiater] , zal ook nog worden onderzocht of sprake is van een parafiele stoornis.\n\nHet recidiverisico in geval van onmiddellijke beëindiging van de terbeschikkingstelling en voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is hoog. Bij volledig verval van zorg en toezicht is het risico op terugval in gewelddadig gedrag matig tot hoog. Er zijn dan weinig beschermende factoren, omdat die dan grotendeels wegvallen. Het risicomanagement verloopt voorlopig vooral extern. De ter beschikking gestelde heeft zonder toezicht en structuur beperkte zelfcontrole. Als zorg wegvalt, neemt het risico op destabilisatie toe. Er bestaat een grote kans dat hij zonder externe sturing terugvalt in disfunctionele coping (zoals middelengebruik, zich sociaal terugtrekken en agressie). Hij is bovendien sterk gevoelig voor negatieve invloeden van anderen. Naarmate spanningen toenemen, neigt hij steeds sterker naar (seksueel) agressieve fantasieën en impulsief gedrag. Er is sprake van verhoogde impulsiviteit en de copingvaardigheden zijn onvoldoende toereikend, waarmee de kans op nieuw gewelddadig delictgedrag sterk aanwezig is en ook het risico op seksueel recidive toeneemt.\n\nDe verwachting is dat het behandel- en resocialisatietraject van de ter beschikking gestelde nog enkele jaren in beslag zal nemen, ook omdat de huidige tweede behandelpoging nog in de kinderschoenen staat. Door de overplaatsing naar [tbs kliniek 1] zal de koers opnieuw moeten worden bepaald en de hierbij bijbehorende prognose. Via begeleid-, onbegeleid- en transmuraal verlof zal hij mogelijk kunnen doorstromen\n\nnaar een FPA waar hij wederom fases zal moeten doorlopen, om vervolgens te kunnen worden geplaatst op een beschermd wonen voorziening.\n\nAdvies psychiater\n\n [psychiater] adviseert in het rapport, gedateerd 20 december 2025, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nAnders dan de instelling expliciteert de psychiater de seksuele problematiek van de ter beschikking gestelde binnen de DSM-classificatie, als een (mogelijk) met de autismespectrumstoornis samenhangende ongespecificeerde parafiele stoornis, waarbij men gaandeweg het behandeltraject wellicht tot een meer gespecificeerde classificatie zou kunnen komen.\n\nAdvies psycholoog\n\n [psycholoog] adviseert in het rapport, gedateerd 26 januari 2026, de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nOok de psycholoog classificeert de seksuele problematiek als een ongespecificeerde parafiele stoornis. Hij doet geen uitspraken over het risico op seksueel agressieve delicten, omdat het geen indexdelict betreft en omdat hij over onvoldoende valide informatie beschikt om het instrument voor het inschatten van dit risico te scoren.\n\nOp de terechtzitting gegeven advies\n\n [deskundige] , als verpleegkundig specialist GGZ en hoofd behandeling verbonden aan de instelling, heeft het verlengingsadvies op de zitting toegelicht. Zij heeft onder meer verklaard – zakelijk weergegeven – dat de instelling de parafilie ziet vanuit de autismespectrumstoornis van de ter beschikking gestelde. In de behandeling moet meer\n\ninzicht worden verkregen in zijn seksuele problematiek en de oorzaken voor zijn gewelddadige gedrag en seksuele problematiek. Dit is ook nodig om in te kunnen schatten of het alleen blijft bij gedachten en waar het mogelijk kan leiden tot handelen. Er is gestart met medicatie om zijn seksuele gedachten te remmen. De hoop is dat dat effect heeft,dat hij dan ook vaardigheden kan gaan aanleren en dat er meer intrinsieke motivatie zal volgen. Dat wordt nu ook al bij de ter beschikking gestelde gezien. Zij is positief over hoe hij de tweede behandelpoging is gestart. Voor het indienen van de aanvraag voor begeleid verlof moest worden afgewacht wat met de aangifte met betrekking tot het incident in [tbs kliniek 2] zou worden gedaan. Nu de officier van justitie op de zitting heeft opgemerkt dat deze zaak is geseponeerd, omdat er geen kinderporno op de telefoon is aangetroffen, kan deze aanvraag worden ingediend.4. Standpunt van partijen\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren.\n\nStandpunt van de ter beschikking gestelde\n\nDe ter beschikking gestelde en de raadsvrouw hebben zich niet verzet tegen verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren.5. Beoordeling\n\nOp grond van de adviezen van de instelling, de psychiater en de psycholoog en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat:\n\n- er nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en\u002Fof ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de ter beschikking gestelde;\n\n- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar wordt verlengd.\n\nDe totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging gaat door de verlenging een periode van vier jaar te boven. Verlenging is niettemin mogelijk, omdat de terbeschikkingstelling is opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.6. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverlengtde termijn van de terbeschikkingstelling met2 (twee)jaren.\n\nDeze beslissing is genomen door:\n\nmr. W.A.F. Damen, voorzitter,\n\nen mrs. J. van de Klashorst en J.C. Rous, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting.\n\nDe griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.\n\nTegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7853","2026-07-13T00:29:41.698Z",{"id":195,"ecli":196,"slug":197,"caseNumber":43,"courtId":198,"decisionDate":199,"fullText":200,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":201,"sourceTimestamp":202,"parsedAt":51,"updatedAt":203},"896","ECLI:NL:GHARL:2026:401","ecli-nl-gharl-2026-401",70,"2026-01-22T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003917-25\n\nUitspraakdatum: 22 januari 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\nArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 september 2025 met parketnummer 16-160266-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-091091-21, in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ( [land] ),\n\nop dit moment verblijvende in [instelling] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nHet hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 8 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering houdt in:\n\nhet niet-ontvankelijk verklaren van verdachte in het hoger beroep tegen de vrijspraak van feit 2;\n\nbevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging;\n\noplegging van een gevangenisstraf van 467 dagen, met aftrek van het ondergane voorarrest;\n\noplegging van de maatregel terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege (hierna genoemd als tbs met dwangverpleging) van ongemaximeerde duur; en\n\ntoewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Bruns, hebben aangevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep feit 2\n\nVerdachte is door de rechtbank vrijgesproken van feit 2. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak van feit 2.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen:\n\nvrijspraak van feit 2;\n\nbewezenverklaring van de feiten 1 primair en 3;\n\noplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest;\n\noplegging van tbs met dwangverpleging;\n\nafwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging; en\n\nonttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes.\n\nHet hof vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd ten aanzien van feit 2. Aan verdachte is – voor zover nog in hoger beroep aan de orde – ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1\n\nprimairhij op of omstreeks 11 mei 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, heeft gestoken naar het lichaam van die [aangever] , en\u002Fof met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nabijheid van (het lichaam van) die [aangever] (een) zwaaiende en\u002Fof stekende beweging(en) heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 11 mei 2024 te [plaats] [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, te steken naar het lichaam van die [aangever] , en\u002Fof met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nabijheid van (het lichaam van) die [aangever] (een) zwaaiende en\u002Fof stekende beweging(en) te maken;\n\nfeit 3\n\nhij op of omstreeks 19 mei 2024 te [plaats] een medewerker van de Penitentiaire Inrichting te [plaats] met het [dienstnummer1] heeft mishandeld door hem meerdere vuistslagen in het gezicht en tegen de hals\u002Fnek te geven.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsmiddelen\n\nHet hof past de volgende bewijsmiddelentoe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk is weergegeven. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nHet hof kan zich in het grootste deel van de bewijsmiddelen van de rechtbank vinden. Het hof heeft zich daarom bij de gebruikte bewijsmiddelen zoveel mogelijk aangesloten bij de bewijsmiddelen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast.\n\nFeit 1 primair\n\n1. De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:\n\nHet klopt dat ik op 11 mei 2024 op de [straatnaam 1] in [plaats] was met de scooter en dat aangever [aangever] daar ook was. Ik liep naar de coffeeshop toe. Ik heb aangever ergens bij de coffeeshop gezien. Aangever was uit zijn auto en rende naar zijn auto. Ik stond met mijn scooter op de parkeerplaats bij de uitgang van de parkeerplaats. Hij reed om mij heen. Ik ben naar hem toe gerend.\n\n2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangever] , opgenomen op pagina 32 en 33 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :\n\nVanavond (het hof begrijpt: 11 mei 2024)zat ik met mijn vriendin en schoonzusje in mijn auto. Wij stonden op de parkeerplaats naast de coffeeshop geparkeerd op de [straatnaam 2] (het hof begrijpt: in [plaats] ). Ik zag dat de man naar ons toe kwam rijden op een scooter. Ik zag dat hij naar mijn bestuurderszijde aangereden kwam waar ik zat. Ik zag dat hij een mes pakte vanuit zijn broek. Ik zag dat hij hem met zijn rechterhand trok en meteen een stekende beweging in mijn richting maakte. Ik zag dat hij op dat moment praktisch tegen mijn portier aanstond. Gelukkig had ik mijn auto stationair lopen waardoor ik meteen gas gaf om weg te kunnen vluchten. Daardoor kon ik erger voorkomen, want anders had het mes mij zeker geraakt. Ik kan het mes als volgt omschrijven: groot keukenmes, lemmet ongeveer 18 à 20 centimeter.\n\n3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangever] , opgenomen op pagina 35 en 36, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :\n\nVan mijn auto waren de ramen van de bestuurder en die van de passagier naast de bestuurder geopend. De deuren waren gesloten. De man (het hof begrijpt: verdachte) stond aan de bestuurderskant en leunde met zijn rechterheup tegen de middenstijl van de auto. Dat is ongeveer ter hoogte van de gordel van de bestuurder. Ik schrok dat hij zo dichtbij stond. Hij trok het mes ergens bij zijn broeksband vandaan. Vervolgens maakte hij met het mes een stekende beweging richting mij. Deze beweging was een rechte beweging waarbij de man zijn arm strekte en dus met de punt van het mes richting mij stak. Het mes stak hij door de opening van het raam die ontstaan was omdat ik mijn raam naar beneden had. Hij kon maar één stekende beweging maken, omdat ik vervolgens meteen vol gas kon geven om we te rijden. Ik zag wel in de spiegel dat hij op zijn scooter stapte en achter ons aan wilde rijden.\n\n4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige bij de\n\nrechter-commissaris van 21 januari 2025, los opgenomen in het strafdossier, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :\n\nVraag van de raadsvrouw van verdachte: We hebben camerabeelden van de parkeerplaats in het dossier zitten. Daarop is te zien dat u lopend weggaat bij de auto, maar dat u even later terug naar de auto rent. Waarom rende u?\n\nAntwoord getuige: Ik herkende hem (het hof begrijpt: verdachte). Ik heb eerder een voorval met hem gehad. Ik wilde daar gewoon weg. Hij stond bij de uitgang met een scooter. Ik reed richting de uitgang, want dat is de enige uitgang van de parkeerplaats. Ik rijd weg en hij volgt met de scooter. Ik moest stoppen voor het verkeer. Ik zag hem op een gegeven moment naast mij staan. Hij stak de auto in en ik gaf toen een beste berg gas.\n\n5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige1] , opgenomen op pagina 41 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige1] :\n\nOp 11 mei 2024 was ik samen met mijn vriend [aangever] en mijn zusje [getuige2] op pad in de auto van [aangever] . [aangever] bestuurde het voertuig, ik zat op de bijrijdersstoel en mijn zusje [getuige2] zat achterin op de achterbank. Wij bevonden ons op de parkeerplaats naast de coffeeshop aan de [straatnaam 1] in [plaats] . Wij reden van de parkeerplaats af, in de richting van de [straatnaam 1] te [plaats] . Op dit moment zag ik een persoon (het hof begrijpt: verdachte)op een snorfiets achter ons aanrijden. Ik zag dat de persoon richting ons voertuig liep en tegelijkertijd een mes uit zijn broeksband haalde. Ik zag dat de persoon met een dreigende houding en met getrokken mes in zijn rechterhand, richting de bestuurderszijde van ons voertuig liep. Ik zag dat de persoon op een gegeven moment een stekende beweging met dit mes maakte in de richting van [aangever] . De persoon stak met zijn mes door het geopende raam van [aangever] heen. Ik zag dat de steekbeweging met het mes in de richting van de borst van [aangever] wendde. Ik denk dat het mes op het heftigste moment ongeveer vijftien centimeter van de borst van [aangever] verwijderd was. Ik kan het mes van de persoon als volgt omschrijven: een keukenmes, ongeveer 30 centimeter lang inclusief handvat.\n\n6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige bij de\n\nrechter-commissaris van 21 januari 2025, los opgenomen in het strafdossier, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige2] :\n\nIk heb gezien dat de man (het hof begrijpt: verdachte) een mes in zijn handen had en dat hij wilde steken. Ik heb het mes gezien, maar heel snel. Het ging snel.Feit 3\n\n1. De verklaring van verdachte op de zitting van de rechtbank van 22 augustus 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:\n\nHet klopt dat ik die medewerker (het hof begrijpt: de medewerker met nummer [dienstnummer1]) klappen heb gegeven.\n\n2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer 030084608, opgenomen op pagina 97 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige onder nummer 030084608:\n\nOp 19 mei 2024 was ik werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Op een\n\ngegeven moment liep Ergün (het hof begrijpt: verdachte), langs mijn collega, [dienstnummer1] , toen hij hem naderde gaf hij hem een bodycheck, hiermee bedoel ik dat hij langs hem heenliep en expres tegen zijn schouder aanliep. Wij ging met z'n drieën naar de cel. Mijn collega, [dienstnummer1] , stond in de deuropening van de cel en sprak de gedetineerde aan op zijn gedrag. Ik zag dat de gedetineerde dichter bij hem ging staan. Geheel onverwachts gaf de\n\ngedetineerde hem twee vuistslagen in zijn gezicht. Ik zag dat hij dit deed met zijn rechtervuist. Ik zag dat hij mijn collega op zijn gezicht raakte net onder zijn oog.\n\n3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2024, opgemaakt door [verbalisant] , opgenomen op pagina 94 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als bevindingen:\n\nMedewerker (het hof begrijpt: de medewerker met nummer [dienstnummer1]) kreeg meerdere klappen te verduren op zijn aangezicht en hals. Als gevolg daarvan had de medewerker er een opgezwollen jukbeen en lip aan overgehouden. Ook had de medewerker een bebloede lip en bloed in zijn mond. Ook zijn de gevolgen voor de medewerker dat hij last heeft van zijn nek.\n\n4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer [dienstnummer2] , opgenomen op pagina 99 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige onder nummer [dienstnummer1] :\n\nIk was werkzaam in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Geheel onverwachts zag ik dat de gedetineerde (het hof begrijpt: verdachte) uithaalde naar mijn collega met nummer [dienstnummer1] . Ik zag dat hij hem sloeg, ik denk dat het twee keer was. Ik zag dat hij mijn collega in zijn gezicht raakte. Ik zag later dat mijn collega een schram net onder zijn oog had.\n\nBewijsoverweging\n\nIn hoger beroep is het strafrechtelijke verwijt aan verdachte een poging tot zware mishandeling, dan wel bedreiging (feit 1) en een mishandeling (feit 3). Verdachte ontkent deze feiten te hebben gepleegd.\n\nDe raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Verdachte verklaart te zijn bedreigd door aangever. Hij ontkent dat hij een mes bij zich had en geprobeerd heeft verdachte te steken.\n\nDe raadsvrouw voert geen verweer over feit 3. De verdediging laat de beslissing hierover aan het hof.\n\nHet hof oordeelt dat de rechtbank in het vonnis bij de beslissingen over de feiten de juiste afweging heeft gemaakt. Het hof baseert de bewijsoverwegingen dan ook grotendeels op de bewijsoverwegingen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast.\n\nFeit 1 primair\n\nFeit 1 primair is wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 11 mei 2024 opzettelijk geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door te steken met een mes naar het lichaam van aangever.\n\nHet hof heeft op basis van de inhoud van het dossier bij de beoordeling van dit feit de volgende feiten – waaronder de context – in overweging genomen. Aangever zat als bestuurder in zijn auto. Hij stond met zijn auto op de parkeerplaats bij een coffeeshop in [plaats] . De ramen van de auto waren geopend vanwege de warmte die dag. Verdachte was met zijn scooter ook op deze parkeerplaats. Aangever herkende verdachte van een eerdere confrontatie. Aangever wilde met zijn auto wegrijden vanaf de parkeerplaats om weg te komen. Bij het wegrijden moest aangever even wachten en stilstaan. Vervolgens kwam verdachte op een naar de auto van aangever toe en stond daar dreigend, hij haalde uit zijn broekband een groot keukenmes. Door het openstaande raam van de auto heen maakte verdachte met dit mes een stekende beweging in de richting van het lichaam aangever. De verklaringen over deze gebeurtenissen van aangever en de personen die bij aangever in de auto zaten komen in essentie overeen.\n\nHet dossier, meer specifiek daarin: de camerabeelden, geeft geen enkel aanknopingspunt voor de verklaring van verdachte, namelijk dat aangever verdachte zou hebben bedreigd op de parkeerplaats. Het hof heeft ook geen enkele reden om aan de verklaringen van aangever en de getuigen te twijfelen. Aangever is direct na het incident gehoord door de politie. De getuigen beschrijven dat het incident erg snel verliep. Dat kan heel goed verklaren waardoor er wat de details in de verklaringen betreft onderlinge verschillen zitten tussen deze verklaringen. Het hof heeft daarnaast gezien dat aangever en de getuigen, die zich voor en achter in de auto van aangever bevonden, ieder voor zich vanuit eigen gezichtspunt verklaren. Het hof ziet geen aanwijzingen dat onderling is afgestemd tussen aangever en de getuigen en het hof vindt deze verklaringen dan ook betrouwbaar.\n\nVervolgens is het de vraag of verdachte met zijn handelen geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Onder zwaar lichamelijk letsel wordt op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) onder andere verstaan: letsel dat niet helemaal zal genezen of waardoor iemand blijvend arbeidsongeschikt is geworden. Daarnaast kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat letsel zo ernstig is dat dat naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel wordt gezien. Of iets zwaar lichamelijk letsel is, hangt af van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en\u002Fof het uitzicht op (volledig) herstel.\n\nHet hof oordeelt dat de aanmerkelijke kans bestond dat aangever door het steken van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte trok een groot keukenmes uit zijn broeksband en maakte meteen daarop met dat grote mes een stekende beweging richting de borst van aangever, die achter het stuur van zijn op dat moment net stilstaande auto zat. Aangever heeft direct gas gegeven om weg te komen. Het mes heeft de borst van aangever genaderd tot een afstand van 15 centimeter. In en om de borststreek zitten vitale delen van het lichaam. Wanneer deze geraakt worden, kan dat zwaar lichamelijk letsel opleveren. Ondanks dat heeft verdachte gehandeld zoals hij heeft gedaan. Het hof heeft in aanmerking genomen dat verdachte op een zeer agressieve wijze een groot mes in de auto heeft gestoken in de directe nabijheid van de borstkas van aangever. Op basis van hoe de gedragingen van verdachte eruitzien, stelt het hof vast dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nFeit 3\n\nFeit 3 is wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 19 mei 2024 een medewerker van de P.I. [plaats] heeft mishandeld door hem twee vuistslagen in het gezicht te geven. Hierdoor had de medewerker het volgende letsel opgelopen: een opgezwollen lip en jukbeen, een bebloede lip en bloed in de mond, een schram in het gezicht en last van de nek.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nfeit 1\n\nprimairhij op 11 mei 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes heeft gestoken naar het lichaam van die [aangever] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 3\n\nhij op 19 mei 2024 te [plaats] een medewerker van de Penitentiaire Inrichting te [plaats] met het [dienstnummer1] heeft mishandeld door hem meerdere vuistslagen in het gezicht te geven.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot zware mishandeling.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is van 10 februari 2025 tot 21 maart 2025 voor zes weken opgenomen en geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hierover is op 14 mei 2025 een Pro Justitia rapport uitgebracht, opgesteld door [psychiater] , psychiater en [psycholoog] ,\n\nGZ-psycholoog.\n\nVerdachte heeft geweigerd om mee te werken aan het PBC-onderzoek. Desondanks hebben de onderzoekers zich een indruk kunnen vormen van de psychische toestand van verdachte. Dit werd mogelijk door de uitvoerige observaties van de groepsleiding in het PBC, het forensisch milieurapport met informatie over zijn eerdere delicten en detentie en de gegevens uit het eerdere PBC-onderzoek van 2020. Ook de klinische indrukken van de onderzoekers waren, hoewel beperkt, informatief.\n\nHet PBC-rapport houdt onder andere in dat bij verdachte sprake is van een samenhangend beeld van beperkingen op meerdere gebieden: ze stellen een beperkt intellectueel vermogen, chronisch psychotische problematiek, problemen met emotie- en agressieregulatie, problematisch cannabis- en alcoholgebruik en pathologische persoonlijkheidstrekken vast. Deze stoornissen zijn chronisch van aard en waren hoogstwaarschijnlijk ook aanwezig tijdens het plegen van de tenlastegelegde feiten. Het is ondenkbaar dat zijn psychotische symptomen, gestoorde agressiehuishouding, beperkt verstandelijk functioneren en\u002Fof persoonlijkheidspathologie geen rol zou kunnen hebben gespeeld. De rapporteurs komen tot het advies om de ten laste gelegde feiten in ieder geval verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.\n\nHet hof sluit zich aan bij deze bevindingen van de gedragsdeskundigen. Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Deze waren ook aanwezig ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte beïnvloed bij de bewezenverklaarde feiten. Daarom kunnen de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.\n\nHet hof acht verdachte overigens strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nBij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.\n\nDe aard en de ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten. In beide gevallen is verdachte zonder enige aanleiding onverwachts en ernstig over de schreef gegaan door ineens geweld te gebruiken. Bij beide feiten heeft verdachte de slachtoffers angst aangejaagd en gezorgd voor een gevoel van onveiligheid. Dit soort feiten hebben vaak een grote en langdurige impact op de slachtoffers en op eventuele omstanders. Aangever [aangever] (feit 1) is er zonder letsel vanaf gekomen, maar dit had heel anders kunnen aflopen. In zijn aangifte beschrijft hij dat hij een tijd angstig is geweest, zich soms niet veilig voelde en dat het feit hem ook wakker heeft gehouden. Bij feit 2 is het kwalijk dat het slachtoffer een medewerker van de P.I. is. Hij deed gewoon zijn werk en heeft daarbij door toedoen van verdachte letsel aan zijn gezicht overgehouden.\n\nDe persoon van verdachte\n\nHet hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 10 december 2025. Daaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten. Uit zijn strafblad is een patroon van geweld af te leiden. Dit geweld was ook regelmatig gericht tegen mensen die hun werk uitoefenden. Daarnaast is verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het bezit van steekwapens.\n\nUit het PBC-rapport van 14 mei 2025 volgt dat in zijn algemeenheid kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een fors agressieregulatieprobleem. Agressief gedrag lijkt soms psychotisch gemotiveerd: vanuit achterdocht en gevoelens van angst en dreiging. Op andere momenten lijkt zijn beperkt verstandelijk functioneren een rol te spelen en loopt de spanning op vanuit onbegrip en gebrek aan overzicht op situaties. Ook zijn gebrekkige frustratietolerantie, moeite met grenzen en onvermogen om zijn agressie te reguleren speelt vaak een rol. En er is geregeld sprake van instrumenteel, meer intentioneel geweld, vanuit wraakzucht (vergelding) of verheerlijking van geweld.\n\nVolgens de deskundigen is bij verdachte sprake van chronische, onbehandelde en meervoudige psychische problematiek. Behandeling, eventueel inclusief het instellen op psychofarmaca, is noodzakelijk om het risico op recidive te verkleinen. Voor een gerichte behandeling is nadere diagnostiek nodig naar de aard en ernst van de psychopathologie, evenals naar eventuele persoonlijkheidsproblematiek.\n\nDe rapporteurs van het PBC spreken van een hoog risico op herhaling. Het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst wordt zonder behandeling van de psychische problemen als hoog ingeschat. Ook het risico dat verdachte zich na detentie opnieuw gaat bewapenen wordt als hoog ingeschat. Gelet op de forse psychopathologie in combinatie met aanwijzingen voor verheerlijking van geweld, wordt de kans op escalatie in nog ernstigere delicten ook als hoog ingeschat.\n\nDe behandeling van verdachte zal zich moeten richten op het verminderen van psychotische klachten met medicatie en structuur, het aanleren van emotieregulatie- en sociale vaardigheden, het terugdringen van middelengebruik en het bieden van intensieve begeleiding passend bij zijn verstandelijke beperking en mogelijke persoonlijkheidsproblematiek.\n\nVerdachte toont geen ziektebesef of -inzicht, ook niet in hoger beroep. Dit zal de behandeling naar verwachting bemoeilijken. Zijn psychische toestand is op dit moment instabiel, met een hoog risico op plotseling en ernstig geweld richting anderen. Om deze redenen is plaatsing in een klinische, sterk gestructureerde forensische setting met zeer hoog beveiligingsniveau en expertise op het gebied van verstandelijke beperking noodzakelijk.\n\nVoor het uitvoeren van de beschreven interventieadviezen achten de deskundigen tbs met dwangverpleging noodzakelijk.\n\nDe reclassering sluit zich in het rapport van 10 juni 2025 aan bij de door het PBC geadviseerde tbs met dwangverpleging. De reclassering acht toezicht, behandeling en begeleiding van verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden niet haalbaar. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Het verleden van verdachte met ernstige geweldsdelicten, de complexe problematiek, het beperkte probleeminzicht, het gewelddadige verloop van zijn detenties en zijn weigerende houding, in combinatie met de aanwijzingen voor het verheerlijken van geweld maakt dat de reclassering ernstige zorgen heeft over de risico's voor derden. Zij zijn dan ook van mening dat een tbs maatregel met voorwaarden onvoldoende veiligheid en kader biedt en sprake is van een hoog afbreukrisico.\n\nHet hof sluit zich aan bij deze bevindingen van de gedragsdeskundigen.\n\nOplegging gevangenisstraf\n\nDe strafoplegging van de rechtbank ziet het hof ook als passend en noodzakelijk. Hierbij heeft het hof met name de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, de omstandigheid dat verdachte in het verleden veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en het feit dat het slachtoffer van feit 3 een medewerker van de P.I. is meegewogen. Hierbij houdt het hof – net als de rechtbank – in strafverminderende zin rekening met het gegeven dat de feiten, zoals hiervoor onder ‘Strafbaarheid van verdachte’ is overwogen, in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. In wat door de raadsvrouw is aangevoerd over de op te leggen gevangenisstraf ziet het hof geen reden om in het voordeel van verdachte af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf.\n\nGelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, zal het hof net als de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van 12 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.\n\nDe tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.\n\nOplegging Tbs-maatregel met dwangverpleging\n\nHet hof stelt voorop dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, in de zin dat:\n\nsprake is van een tbs-waardig delict: de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling is een misdrijf waarop meer dan vier jaar gevangenisstraf is gesteld;\n\nis vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van dit delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een beperkt intellectueel vermogen, chronisch psychotische problematiek, problemen met emotie- en agressieregulatie, problematisch cannabis- en alcoholgebruik en pathologische persoonlijkheidstrekken;\n\nde veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gevaarscriterium); en\n\nhet hof beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht.\n\nHet hof schat het herhalingsgevaar en daarmee het gevaar dat verdachte vormt voor de veiligheid van anderen als hoog in. De rapporteurs van het PBC hebben aangegeven dat verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft. De deskundigen achten tbs met dwangverpleging noodzakelijk voor de behandeling en begeleiding van verdachte om het hoge recidiverisico af te wenden. Het hof acht de conclusies van de deskundigen navolgbaar en zal deze volgen.\n\nAnders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de tbs-maatregel de enige maatregel is die de mogelijkheid geeft om het gevaar dat van verdachte uitgaat en het bijbehorende recidiverisico te beperken. Oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals voorgesteld door de raadsvrouw volstaat niet om het recidiverisico op een verantwoorde wijze te beperken. De oplegging van de tbs-maatregel is daarvoor de enige en passende mogelijkheid.\n\nAlles overwegende gelast het hof de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt het hof dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nDe totale duur van de tbs-maatregel is niet gemaximeerd nu verdachte wordt veroordeeld voor een misdrijf d dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De tbs-maatregel kan daarmee langer duren dan 4 jaar.\n\nOplegging van tbs bij vreemdelingen\n\nDe rechtbank overweegt in het vonnis van 5 september 2025 als volgt over het verweer van de raadsvrouw over de oplegging van tbs bij vreemdelingen:\n\n“Oplegging van een tbs-maatregel is verenigbaar met de status van ongewenst vreemdeling. Ook bij vreemdelingen kan sprake zijn van een noodzaak tot behandeling in een tbs-kader ter beveiliging van de maatschappij. De achterliggende doelstelling bij een tbs-maatregel – om de verpleegde voor te bereiden op zijn terugkeer in de samenleving – impliceert niet noodzakelijk dat deze terugkeer zou dienen plaats te vinden in de Nederlandse samenleving. De\n\nre-integratie kan ook gericht zijn op terugkeer in het land van herkomst, in dit geval [land] .\n\nDe rechtbank acht het van groot belang dat aan verdachte de tbs maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat verdachte — bij een onbehandelde invrijheidstelling en repatriëring naar [land] — na enige tijd weer terugkeert naar Nederland en dus in Nederland een gevaar vormt voor de maatschappij. Verdachte woont immers sinds zijn zestiende in Nederland, zijn vader woont hier ook en verdachte spreekt de Nederlandse taal goed.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat het vinden van een passende voorziening in [land] lastig kan zijn. Per geval zullen de autoriteiten moeten bepalen of de algemeen beschikbare zorg in de ontvangende staat toereikend en passend is om de stoornis(sen) te behandelen. Het vinden van passende zorg voor verdachte in [land] is echter niet uitgesloten, dat volgt ook niet uit het door de raadsvrouw aangehaalde rapport van de RSJ. Er bestaat dan ook een reële kans op repatriëring. De kans dat verdachte langer op repatriëring moet wachten dan nodig, weegt niet op tegen de noodzaak van behandeling en bescherming van de maatschappij tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat.”\n\nDe rechtbank heeft een juiste afweging gemaakt. Het hof neemt deze overwegingen over. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.\n\nDe oplegging van een tbs-maatregel aan verdachte als ongewenst verklaarde vreemdeling heeft gevolgen voor de tenuitvoerlegging van deze tbs-maatregel. Zo zal verdachte niet in aanmerking komen voor resocialisatie in de Nederlandse samenleving in de vorm van verloven.\n\nDit zal echter afgewogen moeten worden tegen het belang van de samenleving om beschermd te worden tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. ‘De samenleving’ is niet beperkt tot de grenzen van Nederland en ziet op een bredere groep personen. Het gaat bij de oplegging van een tbs-maatregel om het beschermen van de mensen om een verdachte heen waarmee verdachte in aanraking kan komen. Het gaat om bescherming van personen waar dan ook.\n\nUit de PBC-rapporten volgt dat – ondanks het beperkte onderzoek dat vanwege de weigering van verdachte kon worden uitgevoerd – de deskundigen concluderen dat verdachte vanwege zijn psychische problematiek zonder behandeling een gevaar is voor andere personen. Op de zitting van het hof van 8 januari 2026 is gebleken dat verdachte sinds oktober 2025 anti-psychotische medicatie krijgt via dwangmedicatie in detentie. Verdachte heeft medicatie en doeltreffende behandeling nodig om te voorkomen dat hij weer in agressief gedrag vervalt, zo blijkt uit het PBC-rapport. Verdachte heeft geen\n\nziekte-inzicht en stelt zich niet open voor medicatie en behandeling. Op de zitting van het hof bevestigt verdachte dat uitdrukkelijk door te verklaren dat niet echt is vastgesteld dat hij psychische problemen heeft en dat hij bijvoorbeeld in [land] geen medicatie wil en zal gebruiken.\n\nHet voorgaande maakt dat het hof in het geval van verdachte geen andere mogelijkheid ziet om de samenleving voldoende te beschermen dan door het opleggen van de tbs-maatregel. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.\n\nBeslag\n\nOp de zitting van het hof heeft verdachte afstand gedaan van het onder hem in beslag genomen mes (goednummer 3345526). Het is daarom niet meer nodig dat het hof een beslissing neemt over dit mes.\n\nVordering tot tenuitvoerlegging\n\nIn de zaak met parketnummer 01-091091-21 is verdachte op door de rechtbank veroordeeld.\n\nAan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal vordert de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden, nu verdachte tijdens de proeftijd van deze voorwaardelijke straf nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. In principe moet deze vordering toegewezen worden, nu verdachte gewaarschuwd was en toch nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het hof zal deze vordering echter toch niet toewijzen. Verdachte heeft in deze strafzaak lange tijd in voorarrest gezeten. Deze periode overstijgt ruimschoots de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het hof op zal leggen. Daarnaast overweegt het hof dat het belangrijk is dat verdachte behandeld wordt. Een tbs-behandeling is (doorgaans) effectiever als de periode tussen het plegen van de strafbare feiten en de aanvang van de behandeling niet lang duurt. Gelet op het genoemde lange voorarrest, acht het hof het niet opportuun om verdachte eerst de voorwaardelijk opgelegde straf te laten ondergaan, voordat de tbs-behandeling begint.\n\nHet hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en\u002Fof maatregel is gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van12 (twaalf) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nWijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Midden-Nederland van 29 november 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 28 maart 2022, parketnummer 01-091091-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. J. Dolfing en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. K.M. Diender en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 januari 2026.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 25 juni 2024, genummerd 2024148560 en 024159493, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit\n\nprocessen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:401","2026-01-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.503Z",21,20,[11,207],2024]