[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-parental-authority-nl-2026":3},{"detail":4,"years":219},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":217,"page":14,"limit":218},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},74,"parental-authority-nl","Parental Authority","NL","2026-07-08T16:54:48.686Z",2026,[13,16,18,20,22,25,28,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":24},5,15,{"month":26,"count":27},6,7,{"month":27,"count":14},{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,53,62,71,79,89,98,108,118,128,137,144,151,158,165,172,181,190,200,209],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1175","ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","ecli-nl-rbnne-2026-2630","",65,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Groningen\n\nZaaknummers: C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 (vots en muhp)\n\n C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-3093 (schorsing gezag)\n\nC\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-3759 (beëindiging gezag)\n\nBeschikking van 7 juli 2026 over de beëindiging van het gezag over\n\n [Naam minderjarige],\n\ndie is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2019 in de gemeente [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna ' [de minderjarige] ' wordt genoemd,\n\nnaar aanleiding van de verzoeken van:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nregio Noord Nederland, locatie Groningen,\n\ndie hierna 'de Raad' wordt genoemd.\n\nDe kinderrechter wijst als belanghebbenden aan:\n\n [Naam van de moeder],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen die hierna 'de moeder' wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. [naam van de advocaat] , die kantoor houdt in [plaatsnaam] ,\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,\n\ndie is gevestigd in Groningen,\n\nen die hierna 'de GI' wordt genoemd.\n\n1. Het (verdere) verloop van de procedure\n\nIn de zaken met zaaknummers C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 en C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-30931.1.. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-37591.2.. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 5 juni 2026.\n\nIn alle zaken1.3.. Op 10 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, haar advocaat, drs. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , die de Raad vertegenwoordigen, en [naam 4] en [naam 5] , die de GI vertegenwoordigen.\n\n1.4.. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.\n\n1.5.. Omdat de wet bepaalt dat de “kinderrechter” het verzoek over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing behandelt en de “rechtbank” beslist over de verzoeken met betrekking tot het gezag, moet in deze beschikking onder “de kinderrechter” worden verstaan: de kinderrechter of de rechtbank, afhankelijk van het behandelde verzoek.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten die onweersproken blijken uit wat de Raad en de GI hebben gerapporteerd en wat in toelichting en reactie daarop is verteld tijdens de mondelinge behandeling van de zaken.\n\n2.2.. \n [De minderjarige] (7) is geboren uit de relatie van zijn ouders. De vader heeft hem erkend. De ouders hebben niet geregeld dat zij samen het ouderlijk gezag over hem uitoefenen: de moeder oefent daarom van rechtswege dat gezag alleen uit.\n\n2.3.. Tot voor kort woonde [de minderjarige] bij de moeder en zag hij de vader vrijwel alle weekenden, waarbij [de minderjarige] geregeld bij de vader logeerde. De moeder werkte niet en ontving een uitkering; de vader werkt in de wegenbouw en verblijft doordeweeks (maandag tot en met donderdag) in Duitsland, waarna hij op donderdag naar huis komt. De ouders hebben een zogeheten “latrelatie”.\n\n2.4.. De moeder had een intensieve vriendschapsrelatie met vriendin [voorletter 1] , die samen met haar dochter [voorletter 2] veelvuldig in de woning van de moeder verbleef.\n\n2.5.. Op 1 mei 2026 ontvangt de GI via het ouder-kind-huis waar vriendin [voorletter 1] op dat moment verblijft, onthullingen van vriendin [voorletter 1] over de aanleiding van [voorletter 2] haar ziekenhuisopname in februari 2026.\n\n2.6.. In het weekend van 2 en 3 mei 2026 vertelt vriendin [voorletter 1] in het ouder-kind-huis over ernstige strafbare kindermishandeling, door haar en de moeder gepleegd ten aanzien van [voorletter 2] Dat geeft aanleiding om een spoedrapportage op te stellen dat op 4 mei 2026 bij de Raad terechtkomt. Daarin wordt beschreven dat vriendin [voorletter 1] verklaart dat [voorletter 2] onder invloed van de moeder gedurende langere periode in de kelder van de woning van de moeder is opgesloten, met kabelbinders is vastgebonden aan een verwarmingsbuis, geen eten kreeg, werd geslagen en geschopt en alleen voor school uit de kelder mocht; deze handelingen zouden door de moeder zijn gefilmd.\n\n2.7.. Naar aanleiding van deze informatie wordt de kelder van de woning van de moeder door de Raad bekeken; het betreft een kleine, donkere kelder zonder raam, waar een volwassen persoon niet rechtop kan staan, met enkele opgeslagen spullen en een deken.\n\n2.8.. De moeder en vriendin [voorletter 1] zijn op 14 mei 2026 aangehouden en verblijven sindsdien in voorlopige hechtenis op verdenking van onder meer poging tot doodslag, vrijheidsberoving, zware mishandeling en het in hulpeloze toestand brengen en laten van [voorletter 2] De tenlastelegging ziet op de ernstige ondervoeding, het vastbinden in de kelder, het slaan en schoppen en andere mishandelingen.\n\n2.9.. Hoewel de moeder geen gezag heeft over [voorletter 2] , speelt de strafbare mishandeling zich volgens justitie hoofdzakelijk af in haar woning en heeft zij zich veelal bemoeid met de zorg en opvoeding van [voorletter 2] , zodat ook jegens haar een verantwoordelijkheid wordt aangenomen voor het leed dat door de moeder van [voorletter 2] aan [voorletter 2] is toegebracht.\n\n2.10.. Op 4 mei 2026 maakt de Raad op basis van de beschikbare informatie de inschatting dat [de minderjarige] getuige moet zijn geweest van de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] en daardoor zelf ernstig in zijn ontwikkeling en veiligheid is en wordt bedreigd. De Raad gaat op grond van zijn onderzoeksbevindingen ervan uit dat [de minderjarige] langdurig en structureel is blootgesteld aan zeer ernstige kindermishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] in zijn directe woonomgeving, waarbij de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] zich veelal in de woning van de moeder hebben afgespeeld.\n\n2.11.. De Raad heeft (nog) niet definitief vastgesteld of, en zo ja, op welke wijze en in welke mate [de minderjarige] zelf direct fysiek slachtoffer is geweest van mishandeling. De Raad constateert gelijktijdig dat de gevolgen van het getuige zijn van fysieke mishandeling van [voorletter 2] , voor de ontwikkeling van [de minderjarige] vergelijkbaar is met die van eigen fysieke mishandeling. [De minderjarige] wordt volgens de Raad daardoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd.\n\n2.12.. Gezien de ernst van de bedreiging acht de Raad direct ingrijpen noodzakelijk en hij verzoekt op 4 mei 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige] .\n\n2.13.. De kinderrechter wijst deze verzoeken toe. [De minderjarige] wordt diezelfde dag geplaatst in een gezinshuis op een geheimgehouden adres.\n\n2.14.. Op basis van aanvullende informatie verzoekt de Raad vervolgens om schorsing van het gezag van de moeder en in samenhang daarmee een voorlopige voogdijmaatregel, met benoeming van de GI als voogd. Ook deze maatregelen worden door de kinderrechter uitgesproken.\n\n2.15.. Uit wat verder wordt gerapporteerd over [de minderjarige] voor zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat hij bekend was met lichamelijke problemen, waaronder darm‑ en plasproblemen; er was contact met een kinderarts en er werden darmspoelingen voorbereid.\n\n2.16.. Uit wat wordt gerapporteerd over [de minderjarige] na zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat [de minderjarige] in het gezinshuis goed eet, voor hem nieuw eten probeert en dat hij opvallend weinig voedsel kent. Ook valt op dat zijn eerdere darm‑ en plasproblemen in het gezinshuis niet meer worden waargenomen, waardoor de geplande darmspoelingen niet nodig zijn.\n\n2.17.. Bij [de minderjarige] wordt in het gezinshuis een seksuele preoccupatie gezien die niet passend is voor zijn leeftijd: hij pakt veelvuldig zijn geslachtsdeel vast aan tafel, spreekt over “neukende mensen” en bekijkt en ‘liked’ filmpjes op sociale media waarin mensen seks hebben.\n\n2.18.. \n [De minderjarige] vertelt wisselend en vaak warrig over belastende thuissituaties, zoals het smeren met ontlasting waarin [voorletter 2] zou moeten liggen, het bonken van [voorletter 2] haar hoofd op de grond, de aanwezigheid van drugs in de woning en spinnen en slangen in de kelder. [De minderjarige] geeft aan bang te zijn voor die kelder.\n\n2.19.. \n [De minderjarige] weigert een gesprek met de politie, kan niet goed uitleggen waarom en wil ook niet met de GI in gesprek of reageert met ontwijkende antwoorden; hij is alleen naar de gezinshuismoeder opener.\n\n2.20.. Na plaatsing in het gezinshuis had [de minderjarige] aanvankelijk frequent (beeld)belcontact met de moeder, deels via zijn eigen telefoon, waarbij hij zijn locatie aan haar doorstuurde. Naar aanleiding hiervan is zijn eigen telefoon ingenomen en is een AOL op het adres van het gezinshuis geplaatst.\n\n2.21.. In het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wordt door het gezinshuis een dynamiek gezien die eerder op een gelijkwaardige partner‑interactie lijkt dan op een moeder‑kindinteractie die past bij de leeftijd van [de minderjarige] . Daarbij blijkt dat [de minderjarige] gezien zijn leeftijd veel weet van wat er speelt.\n\n2.22.. Sinds de aanhouding van de moeder op 14 mei 2026 is er geen contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders; [de minderjarige] reageert op de uitleg dat de moeder “bij de politie is om haar kant van het verhaal te vertellen” relatief passief, stelt geen nadere vragen en heeft in de daaropvolgende weken niet gevraagd wanneer hij zijn ouders weer mag zien of spreken.\n\n2.23.. In de eerste week na de uithuisplaatsing vraagt [de minderjarige] wel of hij “voor altijd” in het gezinshuis mag blijven wonen.\n\n2.24.. In gesprekken met de Raad, de GI en tijdens de mondelinge behandeling erkent de moeder dat [voorletter 2] ernstig en structureel is mishandeld door vriendin [voorletter 1] in haar woning, maar ontkent zij daaraan zelf actief deel te hebben genomen. Zij stelt dat zij soms wel wat heeft gezegd, maar geen mogelijkheden zag om in te grijpen vanwege angst en bedreiging door vriendin [voorletter 1]\n\n2.25.. De moeder ontkent dat [de minderjarige] door haar is mishandeld en stelt dat hij niet is geslagen.\n\n2.26.. De moeder is thans gedetineerd; het strafrechtelijk onderzoek zal naar verwachting veel tijd in beslag nemen en er is geen zicht op beëindiging van haar detentie binnen een afzienbare termijn.\n\n2.27.. De Raad is op grond van deze feiten en omstandigheden tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en de GI tot voogd over hem wordt benoemd.\n\n3. De (verdere) beoordeling\n\n3.1.. Het gaat in de gevoegd behandelde zaken over de nu zeven jaar oude [de minderjarige] . Ten aanzien van [de minderjarige] zijn uiteenlopende kinderbeschermingsmaatregelen verzocht en genomen. Inmiddels is de Raad tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder over hem wordt beëindigd en heeft de Raad een daarop gericht verzoek gedaan. De Raad heeft daarbij verzocht om de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen.\n\n3.2.. De kinderrechter zal beide verzoeken in deze beschikking toewijzen. Hij legt hierna uit waarom hij vindt dat de gezagsbeëindiging in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is en waarom op grond van de nu bekende feiten en omstandigheden hij vindt, net als de Raad, dat de GI (eerst) tot voogd over [de minderjarige] moet worden benoemd.\n\nWaarom vindt de Raad dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd?3.3.. De Raad acht het uitermate zorgwekkend dat de moeder een situatie van zeer ernstige en langdurige onveiligheid in haar woning heeft laten voortbestaan, zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij als primaire opvoeder van [de minderjarige] een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving.\n\n3.4.. De Raad stelt vast dat [de minderjarige] hierdoor gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met ingrijpende gevolgen voor zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling, ook op de langere termijn.\n\n3.5.. De Raad ziet geen reëel perspectief dat de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn alsnog in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding op een veilige en adequate wijze te dragen, mede gezien de ernst van de verdenkingen tegen haar, de te verwachten duur van het strafproces, haar detentie en het ontbreken van voldoende probleembesef en beschermend handelen.\n\n3.6.. Om [de minderjarige] duidelijkheid te bieden over zijn woon‑ en opvoedperspectief en zijn veiligheid duurzaam te waarborgen, acht de Raad het noodzakelijk dat dit perspectief niet langer bij de moeder wordt gezocht, maar bij een neutrale derde.\n\n3.7.. De Raad verzoekt daarom de kinderrechter het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen.\n\nWaarom wil de Raad dat de GI de voogd over [de minderjarige] wordt?3.8.. Ten aanzien van de vader acht de Raad het op dit moment, gelet op de ernst en complexiteit van de situatie en de nog bestaande zorgen over zijn veiligheidsinschatting, te vroeg om hem met het gezag te belasten. De Raad meent dat binnen de voogdijmaatregel moet worden onderzocht welke rol de vader op langere termijn in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] kan vervullen.\n\n3.9.. De Raad acht in dit verband bovendien het vrijwillige hulpverleningskader gezien de ernst van de zorgen en de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders volstrekt ontoereikend om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen.\n\n3.10.. De Raad verzoekt de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen, zodat een onafhankelijke professionele instantie zijn belangen kan behartigen, de regie kan voeren over contacten en passende hulpverlening kan inzetten.\n\nWaar vindt de Raad dat [de minderjarige] moet wonen?3.11.. Zowel de moeder als de vader geven aan dat zij kunnen instemmen met onderzoek naar plaatsing bij opa en oma vaderszijde, met [de minderjarige] in de weekenden bij de vader. De Raad acht het echter aangewezen dat de GI binnen het kader van de voogdijmaatregel onderzoekt wat het duurzame woonperspectief van [de minderjarige] is: bij zijn vader, bij zijn grootouders of elders, en welke rol de ouders nog kunnen spelen in het leven van [de minderjarige] , steeds beoordeeld vanuit het belang van [de minderjarige] .\n\nWat vindt de moeder van het verzoek?3.12.. De moeder heeft verteld, samengevat weergegeven, dat zij [de minderjarige] mist en dat zij bij de vorige mondelinge behandeling op advies van haar strafrechtadvocaat nauwelijks heeft kunnen verklaren, maar nu haar verhaal wil doen.\n\n3.13.. De moeder erkent vervolgens een aandeel in de gebeurtenissen, maar betwist dat zij [de minderjarige] zelf heeft mishandeld en ontkent ook dat hij in de kelder heeft gezeten. De moeder ervaart dat zij net als beide kinderen, zelf slachtoffer is van het geweld van vriendin [voorletter 1] , die haar sloeg, haar hand brak en tegen wie [de minderjarige] vaak moest ingrijpen.\n\n3.14.. Volgens de moeder zijn haar herhaalde zorgen over [voorletter 2] niet serieus genomen, heeft zij achteraf grote spijt dat zij [voorletter 2] niet zelf uit de situatie heeft gehaald, en werden de door haar geuite zorgen door vriendin [voorletter 1] gebagatelliseerd en door de omgeving “door de vingers gezien”.\n\n3.15.. Zij voert verder verschillende signalen aan waarin [voorletter 2] uitspraken deed over seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader van [voorletter 2] De moeder verwijst naar derden die zij ook bij naam noemt, die hierover iets zouden hebben gehoord of (bij haar) gemeld, waarmee zij de stelling van vriendin [voorletter 1] weerspreekt dat alle verhalen over seksueel misbruik zouden zijn gelogen. De moeder beschrijft ook een ernstig incident waarbij vriendin [voorletter 1] een groot mes aan [voorletter 2] gaf en haar aanspoorde haar te steken, waarna [de minderjarige] het mes afpakte, en zij schetst vriendin [voorletter 1] als iemand die plots agressief kan worden en ook fysiek geweld tegen [voorletter 2] gebruikt wanneer [voorletter 2] bijvoorbeeld verwijst naar de vader van [voorletter 2]\n\n3.16.. In haar voorstelling speelt zich rond 2024 een complex relatieverloop af tussen vriendin [voorletter 1] en de vader van [voorletter 2] en anderen, waarbij de vader van [voorletter 2] volgens haar rond augustus 2024 definitief bij vriendin [voorletter 1] is vertrokken en vriendin [voorletter 1] daarna met [voorletter 2] bij haar kwam, wat gepaard ging met geweld tegen [voorletter 2]\n\n3.17.. Ten aanzien van [de minderjarige] benadrukt de moeder dat zij hem niet heeft mishandeld en dat zijn ontlastingsproblemen al langer bestaan en samenhangen met angst sinds het overlijden van zijn opa in februari 2024. De moeder herkent het geschetste beeld van een seksuele preoccupatie en online zoekgedrag van [de minderjarige] niet, mede omdat hij thuis geen vrije toegang tot zijn telefoon had.\n\n3.18.. De moeder stelt dat zij momenteel geen contact met haar partner heeft, licht toe dat zij samen hebben afgezien van het formaliseren van zijn gezag om praktische redenen, dat zij begrijpt dat zij vanuit detentie geen gezag kan uitoefenen, maar vindt dat de vader dat wel zou kunnen. De moeder geeft tot slot aan opgelucht te zijn dat zij nu meer heeft kunnen vertellen dan bij de vorige mondelinge behandeling.\n\nWat vindt de vader van het verzoek?3.19.. De vader oefent geen gezag uit over [de minderjarige] . De verzochte maatregel die nu wordt genomen betreft uitsluitend de beëindiging van het gezag van de moeder en grijpt rechtstreeks en uitsluitend in in de rechtsbetrekking tussen de moeder en [de minderjarige] . De rechtspositie van de vader wordt hierdoor niet rechtstreeks geraakt. Zijn eventueel nog te realiseren wens om zelf met het gezag over [de minderjarige] te worden belast, kan hij desgewenst in een afzonderlijke procedure aan de orde stellen.\n\n3.20.. De kinderrechter acht de vader daarom in deze gezagsbeëindigingsprocedure niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 798, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kinderrechter heeft wel kennisgenomen van het standpunt van de vader zoals dat kenbaar is uit het onderzoeksrapport van de Raad en de daarop door hemzelf gegeven reactie, die in het onderzoeksrapport integraal is opgenomen. Die reactie vertaalt zich echter niet in een relevant argument dat in de beoordeling kan worden betrokken, behoudens voor zover de vader opmerkt dat hij doordeweeks in Duitsland werkt en daardoor in de huidige situatie beperkt beschikbaar is voor de dagelijkse verzorging en dat hij daarom ook een optie ziet waarin zijn ouders als pleegouders fungeren, met [de minderjarige] in de weekenden bij hem.\n\nWat beslist de kinderrechter?3.21.. De kinderrechter stelt op grond van de hiervoor onder de kop “De feiten” weergegeven feiten en omstandigheden vast dat bij [de minderjarige] sprake is van een zeer ernstige en langdurige ontwikkelingsbedreiging. [de minderjarige] is gedurende langere tijd blootgesteld aan extreem geweld, ernstige mishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] , die zich grotendeels in de woning van de moeder hebben afgespeeld. [De minderjarige] is daarvan herhaaldelijk oor‑ en ooggetuige geweest en daardoor slachtoffer geworden van zeer ernstige emotionele kindermishandeling in een chronisch onveilige en traumatiserende opvoedomgeving.\n\n3.22.. De kinderrechter acht het bijzonder zorgwekkend dat de moeder, ondanks haar positie als primaire opvoeder en beschermer van [de minderjarige] , deze situatie van dermate ernstige onveiligheid gedurende langere tijd heeft laten ontstaan en\u002Fof voortbestaan zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving van [de minderjarige] .\n\n3.23.. Daarbij betrekt de kinderrechter dat de moeder thans gedetineerd is wegens verdenking van het medeplegen van zeer ernstige, stelselmatige kindermishandeling en verwaarlozing en dat het strafrechtelijk onderzoek naar verwachting nog geruime tijd zal voortduren.\n\n3.24.. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat er geen zicht is op het ontstaan van (voldoende) probleembesef en - inzicht, en daarom op verandering en beschermend handelen bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn.\n\n3.25.. Gelet op de ernst en duur van de ontwikkelingsbedreiging, het ontbreken van perspectief op herstel van voldoende opvoedingscapaciteit bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn, en de noodzaak om [de minderjarige] onmiddellijk duidelijkheid en stabiliteit te bieden ten aanzien van zijn woon‑ en opvoedperspectief, is de kinderrechter van oordeel dat beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] in zijn belang noodzakelijk is, zoals bedoeld is in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n3.26.. De kinderrechter oordeelt verder dat het gezag over [de minderjarige] (vooralsnog) moet worden belegd bij een neutrale derde, te weten de GI.\n\n3.27.. De kinderrechter ziet geen aanleiding om in het kader van deze procedure te (laten) onderzoeken of de vader gezag over [de minderjarige] kan uitoefenen. Met de Raad heeft de kinderrechter zorgen over de mate waarin de vader in staat is de volledige impact van de situatie op [de minderjarige] onder ogen te zien, eerdere signalen te herkennen en een adequate veiligheidsinschatting te maken, mede gezien zijn (aanvankelijke) nadruk op de belangen van de moeder.\n\n3.28.. De kinderrechter vindt dat de noodzaak tot beëindiging van het gezag en benoeming van de GI als voogd mede wordt bepaald door de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders, die volstrekt ontoereikend is om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. Uitgaande van de onderzoeksbevindingen van de Raad en wat tijdens de mondelinge behandeling daarover is gebleken, dringt zich het beeld op dat beide ouders denken en redeneren vanuit hun eigen of elkaars belangen, verlangens en wensen, en (nog) niet tot het inzicht en besef zijn gekomen dat onder hun verantwoordelijkheid [de minderjarige] gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met grote impact op zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling.\n\n3.29.. Gelet op de aard en ernst van de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] , de veelheid aan lopende en te verwachten strafrechtelijke en civiele trajecten rondom de moeder, de noodzaak van gespecialiseerde hulpverlening en de ingewikkelde vragen over zijn woon‑ en contactperspectief met de ouders, acht de kinderrechter het aangewezen dat de voogdij niet wordt belegd bij een persoon uit het netwerk, maar bij een professionele instantie. De GI beschikt over de noodzakelijke deskundigheid en onafhankelijkheid om als neutrale derde de regie te voeren over de zorg, behandeling, schoolgang en contactregeling. De GI is ook in staat de veiligheid van [de minderjarige] structureel te bewaken en in de verschillende procedures consistent zijn belangen te behartigen. Daarom zal de kinderrechter de GI tot voogd over [de minderjarige] benoemen.\n\n3.30.. De beëindiging van het gezag en de benoeming van de GI tot voogd over [de minderjarige] brengen met zich dat geen belang meer bestaat bij een behandeling van en beslissing op de overige verzoeken die ten aanzien van [de minderjarige] zijn gedaan.\n\nWaarom wordt deze beschikking gepubliceerd?3.31.. Deze zaak valt onder meerdere categorieën die volgens het door de Rechtspraak gehanteerde “Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2024” aanleiding geven tot publicatie.\n\n3.32.. Het gaat om een zaak waarin (een vorm van) kindermishandeling en andere ernstige feiten aan de orde zijn. Volgens de selectiecriteria komen uitspraken over ernstige strafbare feiten en zaken met groot maatschappelijk belang in aanmerking voor publicatie. Daarnaast is sprake van aanzienlijke mediabelangstelling. In het besluit en in het daarop gebaseerde beleid is opgenomen dat mediabelangstelling een zelfstandige grond vormt om een uitspraak te publiceren. In de praktijk worden uitspraken in zaken met duidelijke mediabelangstelling vaak op of kort na de dag van de uitspraak gepubliceerd. Dit verklaart waarom de eerder gegeven beschikking op de dag van de uitspraak is gepubliceerd en ook deze beschikking op de dag van de uitspraak zal worden gepubliceerd. Ten derde betreft het een maatschappelijk relevante kwestie, hetgeen eveneens als expliciet criterium in het besluit wordt genoemd.\n\n3.33.. Het besluit bevat geen bepaling die expliciet voorziet in het achterwege laten van publicatie op grond van wensen of belangen van procesdeelnemers, het Openbaar Ministerie of andere “ketenpartners”. De in het besluit genoemde criteria zijn gericht op de inhoud en betekenis van de uitspraak en niet op (institutionele) belangen van bij de zaak betrokken partijen of instanties.\n\n3.34.. De criteria die tot publicatie van uitspraken leiden, zijn in overwegende mate objectief geformuleerd en hebben betrekking op factoren als juridische relevantie, maatschappelijk belang en (eventuele) mediabelangstelling. Dit sluit aan bij de openbaarheidsfunctie van de rechtspraak: het publiekelijk toegankelijk maken van uitspraken die richtinggevend zijn, de rechtsontwikkeling verduidelijken of anderszins van belang zijn voor de samenleving.\n\n3.35.. De openbaarheid van rechtspraak is een fundamenteel beginsel van de rechtsstaat, dat zijn basis vindt in onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in nationale rechtspraak en regelgeving. Op de website van de Rechtspraak wordt vermeld dat de selectiecriteria voor publicatie zijn gebaseerd op Aanbeveling R (95) 11 van de Raad van Europa over “de selectie, verwerking, presentatie en archivering van rechterlijke uitspraken in zoeksystemen voor juridische informatie”. Deze aanbeveling benadrukt dat selectie en publicatie primair moeten worden gestuurd door juridische en maatschappelijke relevantie, niet door de belangen van uitvoerende instanties of andere actoren buiten de rechterlijke macht.\n\n3.36.. De kinderrechter neemt gelet op alles wat is overwogen de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n4.1.. beëindigt het gezag van de moeder over [de minderjarige] ;\n\n4.2.. benoemt de GI tot voogd over [de minderjarige] ;\n\n4.3.. gelast de administratie van deze rechtbank om die beslissingen over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;\n\n4.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R.C. Bernard, griffier.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.\n\n“AOL” staat voor Afspraak Op Locatie: een veiligheidsstatus waarbij op een specifiek adres extra maatregelen gelden en de politie bij een melding direct en zonder extra verificatie kan worden ingeschakeld.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:08.124Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"2009","ECLI:NL:RBAMS:2026:6613","ecli-nl-rbams-2026-6613",56,"2026-06-30T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F782767 \u002F FA RK 26-863\n\nBeschikking van 30 juni 2026 betreffende voorziening in het gezag op de voet van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nen\n\n [de stiefvader] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de stiefvader,\n\ngezamenlijk bijgestaan door advocaat mr. A.M.E. Derks te Woerden.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nwoon- of verblijfplaats onbekend,\n\nhierna te noemen de vader.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het gezamenlijk verzoek met bijlagen van de moeder en de stiefvader, ingekomen op 3 februari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026.\n\nVerschenen zijn: de moeder en de stiefvader, bijgestaan door hun advocaat, en de vader.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd.\n\n2.2.. Uit deze relatie zijn geboren:\n\n [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017,\n\n [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020,\n\nhierna soms ook te noemen de kinderen.\n\n2.3.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. De moeder is belast met de uitoefening van het gezag. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de moeder.\n\n2.4.. De moeder heeft, na de verbreking van de relatie met vader, in november 2021 een relatie gekregen met de stiefvader. Op 1 april 2022 is de stiefvader officieel bij de moeder en de kinderen ingetrokken.\n\n2.5.. Op 18 september 2024 zijn de moeder en de stiefvader met elkaar getrouwd. Uit dit huwelijk is geboren: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2024 in [geboorteplaats 1] . De moeder en de stiefvader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar.\n\n2.6.. Tussen de moeder en de vader is er geen contact meer. De laatste keer dat er contact was, was op 19 februari 2024 via Whatsapp. Vanaf 2023 is er geen omgang meer tussen de vader en de kinderen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoek strekt ertoe, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, om de moeder en de stiefvader gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te belasten op grond van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek, en te bepalen dat de griffier dit laat aantekenen in het gezagsregister.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n\nDe moeder en de stiefvader voeren aan dat zij aan de formele eisen voldoen om gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te worden belast. Zij dragen al langer dan een jaar de zorg voor de kinderen en de moeder is langer dan drie aaneengesloten jaren alleen met het gezag belast geweest. Er is sprake van een stabiele gezinssituatie waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al jaren deel van uitmaken. In 2024 is hun halfzusje, [minderjarige 3] , geboren. De moeder en de stiefvader zijn dagelijks belast met de verzorging en opvoeding van de kinderen en vinden het in het belang van de kinderen dat de juridische situatie voor wat het gezag betreft, aansluit bij deze feitelijke situatie. Er zijn geen feiten of omstandigheden die maken dat er vrees is dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. De vader is in 2023 uit het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verdwenen en sindsdien speelt hij geen enkele rol meer in de verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder heeft altijd geprobeerd het contact tussen de kinderen en de vader te behouden. De vader heeft in de afgelopen jaren geen stappen ondernomen om tot contactherstel met de kinderen te komen en heeft niet gereageerd op contactverzoeken van de moeder. De moeder is niet bekend met het woonadres van de vader en in het BRP blijkt hij te zijn uitgeschreven op zijn laatst bekende woonadres. De moeder en de stiefvader zullen het contact tussen de kinderen en de vader bevorderen indien blijkt dat de vader hier ruimte voor heeft in zijn leven en dit ook in het belang van de kinderen kan worden geacht. De kinderen zien stiefvader als een eigen ouder en noemen hem ook ‘papa’. De moeder neemt de gezagsbeslissingen over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al geruime tijd in gezamenlijk overleg met de stiefvader. De stiefvader behandelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op dezelfde wijze als [minderjarige 3] en draagt ook in financiële zin zorg voor hen. De moeder en de stiefvader vinden het ook van belang dat er qua juridische gezagssituatie geen onderscheid bestaat tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , ook met het oog als de moeder onverhoopt zou komen te overlijden.\n\nDesgevraagd geeft de moeder aan dat zij bereid is te kijken of het mogelijk is om de vader informatie te verstrekken over de kinderen, mits dit in het belang van de kinderen is en in overleg met de hulpverlening die zij momenteel krijgen. Ook ten aanzien van het opstarten van omgang\u002Fcontactherstel in de toekomst geeft de moeder aan dat dit alleen kan in overleg met de hulpverlening en uiterst zorgvuldig zal moeten gebeuren nu de kinderen niet opnieuw teleurgesteld moeten worden in hun vader.\n\n4.2.. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij het verzoek van de moeder en de stiefvader begrijpt en dat hij geen verweer zal voeren. De vader voert aan dat hij uit een lastige periode komt waarin hij zichzelf verloren had, zijn leven niet stabiel was en er sprake was van persoonlijke problematiek. Ook had hij geen eigen woonruimte. Hij heeft hulp gekregen om zijn leven weer op te bouwen en is inmiddels in wat rustiger vaarwater terecht gekomen. De vader geeft aan dat het laatste contact met de kinderen begin 2023 is geweest. De vader hoopt dat in de toekomst, als zijn situatie weer helemaal stabiel en rustig is, het contact tussen hem en de kinderen hersteld kan worden. Hij begrijpt dat dat zorgvuldig moet gebeuren en dat daarbij gekeken moet worden naar het belang van de kinderen.\n\n5. De beoordeling\n\nWijziging gezag\n\n5.1.. Het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:253t, eerste lid, van het BW kan de rechtbank, indien het gezag bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien:\n\na. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en\n\nb. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.\n\nHet derde lid van dit artikel bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.\n\n5.3.. De rechtbank stelt op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht vast dat de stiefvader samen met de moeder al ruim vier jaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgt en hen opvoedt. De stiefvader ziet [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als zijn kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noemen hun vader ‘oude papa’ en zien de stiefvader als hun vader. Aan het vereiste dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan en aan het vereiste dat de moeder en de stiefvader op de dag van het verzoek gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een jaar gezamenlijk voor hen hebben gezorgd, is dan ook voldaan. Ook is voldaan aan het vereiste van de driejaarstermijn van artikel 1:253t, tweede lid, onder b van het BW, gedurende welke termijn de moeder alleen met het gezag over de kinderen belast moet zijn geweest. De moeder oefent vanaf de geboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] namelijk alleen het ouderlijk gezag over hen uit.\n\n5.4.. Verder is de rechtbank niet gebleken van feiten en\u002Fof omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden worden verwaarloosd als bedoeld in artikel 1:253t, derde lid, van het BW. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al vanaf begin 2023 geen enkel contact meer met de vader. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij in de toekomst het contact met de kinderen wenst te herstellen als zijn situatie stabiel is en als de kinderen daar aan toe zijn. De vader begrijpt het verzoek van de moeder en de stiefvader en heeft het verzoek ook niet weersproken. De moeder en de stiefvader hebben aangegeven open te staan voor eventueel contactherstel\u002Finformatieverstrekking aan de vader in de toekomst, maar wensen dit in overleg te doen met de hulpverlening nu de kinderen kwetsbaar zijn en niet weer teleurgesteld moeten worden in hun vader. Verder blijkt dat de moeder, de stiefvader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun (half)zusje [minderjarige 3] een gezin vormen en dat het de bedoeling is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hen opgroeien, waarbij de moeder en de stiefvader de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen behartigen. De juridische situatie wordt door toewijzing van het verzoek ook in overeenstemming gebracht met de al jaren bestaande feitelijke situatie, waarbij de moeder beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen en in goed overleg met de stiefvader neemt.\n\n5.5.. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder en de stiefvader als niet weersproken en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toewijzen en hen gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n5.6.. De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.\n\nProceskosten\n\n5.7.. Gelet op de aard van het geschil zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren.\n\n5.8.. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. bepaalt dat [de stiefvader] , geboren op [geboortedag 4] 1988 te [geboorteplaats 3] , gezamenlijk met de moeder met de uitoefening van het gezag wordt belast over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017;\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020,\n\nvoor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;\n\n6.2.. draagt de griffier op van deze beschikking een aantekening te maken in het gezagsregister;\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door de rechter mr. D.G. Bertsch, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker, griffier, op 30 juni 2026.\n\nVoor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 \u002F Postbus 1312, 1000 BH). Het beroep moet worden ingesteld: - door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6613","2026-07-13T00:29:49.737Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":44,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"1911","ECLI:NL:GHARL:2026:4193","ecli-nl-gharl-2026-4193",60,"2026-06-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.365.414\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland 452145\n\nbeschikking van 25 juni 2026\n\nover de beëindiging van het gezag over [de minderjarige1]\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.E.M. Messink\n\nen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\nregio Gelderland, locatie Arnhem\n\nen\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)\n\ndie is gevestigd in Arnhem\n\nen\n\n [belanghebbende1](de pleegmoeder)\n\ndie woont in [woonplaats2] .\n\nHet hof merkt als informant aan:\n\n [informant1](de vader)\n\ndie woont in [woonplaats3] , gemeente [gemeentenaam] .\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe ouders hebben een kind: [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), die is geboren [in]\n\n 2019.\n\n2.2.. De moeder heeft het gezag over [de minderjarige1] .2.3.. \n [de minderjarige1] verblijft sinds [datum1] 2022 bij de pleegmoeder in een netwerkpleeggezin.\n\n2.4. \n [de minderjarige1] is op 13 januari 2023 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd tot 13 januari 2027.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.\n\n3.2.. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 19 november 2025. De beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing zijn blijven doorlopen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.\n\n4.2.. De raadwil dat de beslissing in stand blijft.\n\n4.3.. De GIwil dat de beslissing in stand blijft. Ook de pleegmoeder wil dat de beslissing in stand blijft.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.4.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 9 februari 2026\n\nde spreekaantekeningen van de raad\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad\n\neen vertegenwoordiger van de GI\n\nde dochter van de pleegmoeder, als informant\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.\n\nWat vinden partijen?\n\n5.3.. Volgens de moeder is de zogenoemde ‘aanvaardbare termijn’ nog niet verstreken. De moeder vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat zij een traject bij [naam1] is gestart om aan haar persoonlijke problematiek te werken. De moeder heeft goede hoop dat zij op enig moment weer zelf voor [de minderjarige1] kan zorgen. Voor de moeder werkt het niet om meerdere therapieën en trajecten tegelijk te volgen. Zij wil eerst focussen op haar therapie bij [naam1] , daarom heeft zij niet meegewerkt aan het NIKA-traject en de begeleide omgang. Inmiddels is er volgens de moeder wel een intakegesprek ingepland met een instantie die de omgang gaat begeleiden. Volgens de moeder ontvangt zij niet altijd alle informatie over [de minderjarige1] en verloopt de communicatie met de pleegmoeder niet goed. Hierdoor is het voor haar lastig om toestemming te geven voor gezagsbeslissingen. De moeder heeft geen toestemming gegeven voor speltherapie van [de minderjarige1] , omdat zij vindt dat de problemen van [de minderjarige1] voortkomen uit het feit dat [de minderjarige1] niet meer bij haar woont. Het uitbreiden van het contact is volgens de moeder de oplossing voor de problemen van [de minderjarige1] .\n\n5.4.. De raad vindt dat is voldaan aan de voorwaarden voor het beëindigen van het gezag. De raad benadrukt dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling veel hulpverlening is ingezet, gericht op de behandeling van de moeder, het versterken van de opvoedvaardigheden van de moeder en het onderzoeken van een terugplaatsing. Veel van de ingezette hulpverlening heeft de moeder vroegtijdig stopgezet. Volgens de raad ontwikkelt [de minderjarige1] zich goed in het gezin van de pleegmoeder en ligt zijn perspectief daar. Dat de moeder weigert toestemming te geven voor de speltherapie van [de minderjarige1] baart de raad zorgen. Volgens de raad laat de moeder hiermee zien dat zij geen inzicht heeft in wat [de minderjarige1] nodig heeft. De raad vindt het positief dat de moeder hulpverlening bij [naam1] is aangegaan, maar dit traject is niet meer van invloed op het perspectief van [de minderjarige1] . [de minderjarige1] heeft een instabiel verleden en er is sprake van hechtingsproblematiek. Hij heeft daardoor extra behoefte aan stabiliteit, structuur en duidelijkheid. Volgens de raad is het daarom ook in het belang van [de minderjarige1] dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en dat duidelijk is dat zijn perspectief binnen het pleeggezin ligt.\n\n5.5.. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] heel belangrijk is. Hier heeft de GI twee jaar lang op ingezet, maar dit komt nog niet goed van de grond. Volgens de GI is het een terugkerend patroon dat de moeder de hulpverlening en de omgang stopt op het moment dat het te dichtbij komt. Dit is volgens de GI heel moeilijk voor [de minderjarige1] . Volgens de GI is het belangrijk dat de moeder de hulpverlening afrondt.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.6.. De rechtbank heeft het gezag van de moeder op goede gronden beëindigd. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen). Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.\n\n5.7.. Het hof overweegt, zoals de rechtbank dat ook heeft gedaan, dat het voor [de minderjarige1] , voor de pleegmoeder, maar ook voor de moeder belangrijk is dat er duidelijkheid komt over het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] . Dit is vooral belangrijk, omdat bij de moeder de - heel begrijpelijke - wens blijft bestaan dat zij zelf voor [de minderjarige1] zal zorgen. Het hof vindt dat echter niet in het belang van [de minderjarige1] , omdat de aanvaardbare termijnruimschoots is verstreken. [de minderjarige1] woont immers al sinds hij drie maanden oud is (eerst in het kader van een vrijwillige plaatsing) bij de pleegmoeder en hij kan daar ook blijven wonen. De pleegmoeder biedt [de minderjarige1] een stabiele en veilige opvoedomgeving. Aan de zijde van de moeder is - ook nu nog - geen sprake van een stabiele leefsituatie. De moeder heeft het traject bij [naam1] nog niet volledig doorlopen, zij heeft geen ruimte om mee te werken aan het NIKA-traject en tot voor kort wilde de moeder niet deelnemen aan de begeleide omgang met [de minderjarige1] . Er is hierdoor al langere tijd geen contact meer tussen [de minderjarige1] en de moeder. Ook de belafspraken tussen [de minderjarige1] en de moeder verlopen nog niet goed. De moeder kan [de minderjarige1] iedere dinsdag bellen, maar het lukt de moeder niet om die afspraak iedere week na te komen.\n\n5.8.. Het hof vindt het een positieve ontwikkeling dat de moeder gestart is met haar behandeling bij [naam1] en dat zij inmiddels openstaat voor begeleide omgang. Het hof hoopt dat de moeder de opgaande lijn kan vasthouden zodat ook het NIKA-traject in de toekomst opgestart kan worden. De moeder speelt een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] . Zij blijft altijd zijn moeder. De raad en de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat zij het heel belangrijk vinden dat de moeder in het leven van [de minderjarige1] betrokken blijft. Het hof sluit zich daarbij aan. Het hof gunt het de moeder dat zij de opgaande lijn doorzet, zodat zij een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] kan (blijven) spelen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van\n\n19 november 2025.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW\n\n Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind\n\n De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4193","2026-07-13T00:29:45.056Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":44,"courtId":66,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":78},"1722","ECLI:NL:GHARL:2026:4133","ecli-nl-gharl-2026-4133","2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.014\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580285)\n\nbeschikking van 23 juni 2026\n\nover het gezag over en omgang met\n\n [de minderjarige]\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de vader)\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nverder te noemen: de vader\n\nadvocaat: mr. A. Azauiyat\n\nen\n\n [verweerster](de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nadvocaat: mr. R. Vermeer\n\nen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\nals adviseur van het hof.\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , heeft op 29 september 2025 de verzoeken van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een zorgregeling vast te stellen afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven. Het hof zal een voorlopige omgangsregeling bepalen in afwachting van de uitkomsten van een te gelasten onderzoek naar gezag en omgang door de raad en legt hierna uit waarom.2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023.\n\n2.2.. De vader heeft van de rechtbank op 29 september 2025 toestemming gekregen om [de minderjarige] te erkennen.2.3.. De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .\n\n2.3.. \n [de minderjarige] woont bij de moeder.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. \n\nDe vader heeft de rechtbank verzocht:\n\n* de vader vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen\n\n* de geslachtsnaam van [de minderjarige] te wijzigen in ‘ [naam1] ’ of ‘ [naam2] ’\n\n* een zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te stellen van eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, plus de helft van de vakanties, feest- en bijzondere dagen\n\n* als de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling niet toewijst, de raad te gelasten een onderzoek daarnaar te verrichten.\n\n3.2.. De rechtbank heeft de vader vervangende toestemming gegeven om [de minderjarige] te erkennen. Alle andere verzoeken van de vader zijn afgewezen. De rechtbank heeft wel bepaald dat de moeder een keer per drie maanden een e-mail met daarbij een foto aan de vader stuurt over de gezondheid van [de minderjarige] , hoe het met [de minderjarige] gaat op school en zijn hobby’s. De beslissing over het sturen van een-email aan de vader is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat die beslissing direct werkt, ook als er hoger beroep is ingesteld.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank om zijn verzoeken over het gezag en de zorgregeling af te wijzen. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. De vader verzoekt het hof in de eerste plaats hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en om een zorgregeling vast te stellen van eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, plus de helft van de vakanties, feest- en bijzondere dagen. Als het hof zijn verzoeken niet toewijst, dan vraagt de vader het hof om de raad te gelasten een onderzoek te doen naar het gezag en de zorgregeling.\n\n4.2.. De moederis het eens met de beslissingen van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en dat het hof de vader veroordeelt in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 26 december 2025\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader ingediend op 16 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 20 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 24 april 2026.\n\n4.4.. De zitting bij het hof was op 30 april 2026. Aanwezig waren:\n\n- de vader met zijn advocaat\n\n- de advocaat van de moeder\n\n- een vertegenwoordiger van de raad.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1. \n\nDe tot het gezag bevoegde vader, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, kan het verzoek slechts worden afgewezen indien\n\na. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n5.2.. \n\nDe rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van\n\n het kind, of b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang\n\n met zijn ouder heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\nAdvies raad\n\n5.3.. De raad heeft het hof op de mondelinge behandeling bij het hof het advies gegeven de behandeling van de zaak over het gezag aan te houden zodat de raad onderzoek kan doen naar het gezag en de omgang. Dat heeft er volgens de raad mee te maken dat het in de opvoeding van de oudere kinderen van de moeder heel erg is misgegaan: de moeder is een kwetsbare vrouw en de raad wil goed in beeld hebben wat de mogelijkheden van de moeder zijn om met betrekking tot [de minderjarige] het gezag samen met de vader te kunnen delen. Met betrekking tot de omgang vindt de raad wel dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] zo snel mogelijk hersteld moet worden. Dat contact hoeft in de ogen van de raad niet lang begeleid te zijn: als dit contact volgens de begeleiders goed verloopt, dan kan dit onbegeleid plaatsvinden.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.4.. Het hof heeft nog onvoldoende informatie om een beslissing over het gezag te nemen. Het hof zal daarom het advies van de raad overnemen en de raad vragen een onderzoek in te (doen) stellen naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over hem en de meest wenselijke omgangregeling.\n\n5.5.. Het hof ziet wel aanleiding in afwachting van het raadsonderzoek een voorlopige omgangsregeling vast te stellen. Het hof ziet in de stukken en in het advies van de raad geen contra-indicaties voor contact tussen de vader en [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] sinds begin december 2025 niet meer gezien. Gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] , hij is twee jaar, is het voor een gezonde emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] van belang dat het contact met zijn vader zo snel mogelijk wordt hersteld. Aangezien de moeder en de vader allebei open staan voor begeleiding van de omgang via het buurtteam, zal het hof de volgende voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vaststellen:\n\n- twee uur per week begeleid via het buurtteam\n\n- zodra de omgang volgens de begeleiders goed verloopt vier uur per week onbegeleid via het pleeggezin of een andere tussenpersoon.\n\n5.6.. De moeder en de vader dienen zich daarvoor allebei zo spoedig mogelijk aan te melden bij het buurtteam in de woonplaats van de moeder.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nverzoekt de raad nader onderzoek in te doen stellen naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over hem en de meest wenselijke omgangsregeling en daarover uiterlijk 18 december 2026te rapporteren\n\nstelt vast als voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] :\n\n- twee uur per week begeleid via het buurtteam\n\n- zodra de omgang volgens de begeleiders goed verloopt vier uur per week onbegeleid via het pleeggezin of een andere tussenpersoon\n\nbepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor de vader, de moeder en de raad zullen worden opgeroepen\n\nbepaalt dat het onderzoek door de raad zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. P.B. Kamminga\n\nbepaalt dat de raad zich voor vragen of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris\n\nbepaalt dat partijen hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.L. van der Bel en L.D.M. Rubens-Snijders, leden, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 23 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Dat staat in artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Dat staat in artikel 1:377a lid 3 BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4133","2026-07-13T00:29:35.813Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":44,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"1403","ECLI:NL:RBROT:2026:7323","ecli-nl-rbrot-2026-7323",61,"2026-06-16T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam familie\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F716055 \u002F FA RK 26-1844\n\nBeschikking van 16 juni 2026 over wijziging geslachtsnaam of vervangende toestemming voor het indienen van een aanvraag bij Justis tot wijziging van de geslachtsnaam\n\nin de zaak van:\n\n [de vrouw], hierna: de vrouw,\n\nwonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,\n\nadvocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’sHeer Arendskerke,\n\nt e g e n\n\n [de man], hierna: de man,\n\nwonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,\n\nadvocaat mr. E.E. Vas te Rotterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 6 maart 2026;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 13 mei 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .\n\n1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.\n\n1.4.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een samenvatting van twee uitspraken overgelegd, ter onderbouwing van het verweer van de man.\n\n1.5.. De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De kinderrechter heeft op 14 april 2026 met de minderjarige gesproken.\n\n2. De vaststaande feiten\n\n2.1.. Het huwelijk van partijen is op 16 december 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.\n\n2.2.. Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .\n\n2.3.. Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Wijziging geslachtsnaam en vervangende toestemming\u002F bijzondere curator\n\n3.1.1.. \n\nDe vrouw verzoekt primair de geslachtsnaam van de minderjarige te wijzigen van\n\n“ [achternaam vader] ” in “ [achternaam moeder] ”. Subsidiair verzoekt de vrouw, zo begrijpt de rechtbank, haar vervangende toestemming te verlenen voor het indienen van een aanvraag bij Justis tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige zoals hiervoor omschreven.\n\n3.1.2.. De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek een bijzondere curator te benoemen over de minderjarige, dan wel de raad te gelasten een onderzoek in te stellen.\n\n3.1.3.. De raad heeft bij de mondelinge behandeling geadviseerd het verzoek van de man tot benoeming van een bijzondere curator toe te wijzen en de behandeling van het verzoek van de vrouw in afwachting van het resultaat hiervan aan te houden. Indien geen bijzondere curator wordt benoemd adviseert de raad het verzoek van de vrouw af te wijzen.\n\nWijziging geslachtsnaam\n\n3.1.4.. Het primaire verzoek van de vrouw, tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige, vindt geen steun in de wet. Gezien het bepaalde in artikel 1:7 BW kan de rechter niet de geslachtsnaam van een persoon wijzigen. De vrouw is daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek.\n\nBenoeming bijzondere curator of raadsonderzoek\n\n3.1.5.. De rechtbank wijst het verzoek van de man tot benoeming van een bijzondere curator af, omdat dit verzoek geen steun vindt in de wet, gelet op het bepaalde in artikel 1:250 BW. Dit artikel betreft aangelegenheden over de verzorgingenopvoedingvan de minderjarige, waarbij de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, in strijd zijn met die van de minderjarige. Daarvan is in onderhavige procedure, die betrekking heeft op de geslachtsnaam, geen sprake. Nog los daarvan is de rechtbank in staat om een beslissing te nemen op basis van de bekende standpunten van partijen en de minderjarige en bestaat ook daarom geen aanleiding een bijzondere curator te benoemen.\n\n3.1.6.. De rechtbank ziet voorts niet in wat een raadsonderzoek in deze zaak kan bijdragen aan de te nemen beslissing en wijst daarom ook dat verzoek van de man af.\n\nVervangende toestemming\n\n3.1.7.. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de vrouw strekkende tot het verlenen van vervangende toestemming tot het indienen van een aanvraag bij Justis oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n3.1.8.. In artikel 1:5 BW is bepaald hoe een kind een geslachtsnaam verkrijgt. Op grond van deze bepaling kunnen ouders gezamenlijk een keuze maken voor de geslachtsnaam van hun kind. Een keuze voor een geslachtsnaam gebeurt bij de ambtenaar van de burgerlijke stand en moet door beide ouders worden ondertekend. Dit kan voorafgaand aan de geboorte of uiterlijk bij de geboorteaangifte. Terugkomen op de geslachtsnaamkeuze is niet mogelijk.\n\n3.1.9.. \n\nIn artikel 1:7 lid 1 BW is bepaald dat de achternaam van een persoon op zijn verzoek of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger kan worden gewijzigd. Lid 5 van dat artikel bepaalt dat bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) regels zijn gegeven voor de gronden voor zo’n verzoek en de wijze van indiening en behandeling daarvan.\n\nDeze AMvB is het Besluit Geslachtsnaamwijziging. Justis, de screeningsautoriteit, behandelt namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verzoeken tot wijziging van een achternaam. In de brochure Naamswijziging van Justis is het volgende vermeld:\n\n“Wilt u de achternaam van uw kind(eren) wijzigen en hebben beide ouders het gezag? Dan moeten beide ouders het schriftelijke aanvraagformulier ondertekenen. De aanvraag voor naamswijziging wordt niet in behandeling genomen als maar één van de ouders het formulier ondertekent. Ook niet als het kind de naamswijziging zelf graag wil. Wilt u zonder de andere ouder die het gezag heeft toch een aanvraag indienen? Dan moet u eerst de rechtbank om vervangende toestemming vragen. Dit proces kan alleen een advocaat opstarten. Als de rechter vervangende toestemming geeft, dan kunt u een aanvraag om naamswijziging bij Justis indienen.”\n\n3.1.10.. In de praktijk behandelen rechtbanken en gerechtshoven verzoeken om vervangende toestemming in het kader van artikel 1:253a BW, dat bepaalt dat bij gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Daarbij neemt de rechtbank een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\n3.1.11.. \n\nDe wetgever heeft de keuze voor de naam van een kind gegeven aan alle juridische ouders en niet enkel aan ouders die met het gezag zijn belast. Zo is het ook geregeld in artikel 1:5 lid 4 BW: het gaat erom of een kind in familierechtelijke betrekking tot beide ouders staat, niet of beide ouders het gezag hebben.\n\nHet kiezen van een naam of het vragen om wijziging van een naam is dan ook geen gezagsbeslissing. Dat de ouders geen overeenstemming hebben over de vraag of aan de Koning moet worden verzocht om de naam van de minderjarige te wijzigen, is geen geschil omtrent het ouderlijk gezag en valt buiten de reikwijdte van artikel 1:253a BW.\n\n3.1.12.. Het vorenstaande betekent dat Justis als een ouder met gezag een verzoek op grond van artikel 1:7 BW indient ten onrechte de eis stelt van vervangende toestemming van de andere ouder met gezag. De procedure van artikel 1:7 BW is een bestuursrechtelijke procedure waarbij de andere juridische ouder als belanghebbende wordt betrokken (artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht).\n\n3.1.13.. Overigens speelt artikel 1:253i BW hier ook niet. Daarin gaat het om de vertegenwoordiging van het kind ‘in burgerlijke handelingen’. Daaronder valt niet vertegenwoordiging in de (bestuursrechtelijke) Kroonprocedure van artikel 1:7 lid 1 BW.\n\n3.1.14.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in de wet een concrete bepaling op grond waarvan het door Justis voorgeschreven verzoek – vervangende toestemming voor het doen van een aanvraag – kan worden ingediend bij de rechter.\n\nDe rechtbank realiseert zich dat de vrouw, zonder toewijzing van haar verzoek, niet in staat is een verzoek te doen op grond van artikel 1:7 BW en niet aan Justis kan vragen naam van de minderjarige te wijzigen. Nu het verzoek van de vrouw aansluit bij andere gevallen die wel in de wet zijn geregeld, maar hier rechtstreekse toepassing missen (artikel 1:253a BW en artikel 1:253i BW), zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toch beoordelen.\n\n3.1.15.. Nu gebleken is dat de ouders niet tot een vergelijk kunnen komen dient de rechtbank te beoordelen of vervangende toestemming voor geslachtsnaamwijziging van de minderjarige in het belang van de minderjarige wenselijk is; dat is het criterium van artikel 1:253a BW.\n\n3.1.16.. Naar het oordeel van de rechtbank dient het verzoek tot vervangende toestemming voor het indienen voor een verzoek tot geslachtsnaamwijziging te worden afgewezen.\n\n3.1.17.. De identiteit van de minderjarige wordt mede bepaald door wie zijn ouders zijn. De vader én zijn naam zijn derhalve onderdeel van zijn identiteit. Daaraan doet niet af dat de minderjarige een hele fijne band heeft met de familie [achternaam moeder] , waarvan hij ook onderdeel is.\n\n3.1.18.. Volgens de vrouw is het bij de minderjarige een gevoelskwestie waardoor de intrinsieke wens is ontstaan en heeft het niets van doen met zijn band met de man. De rechtbank deelt echter de zorg van de raad en acht het in de levensfase waarin de minderjarige zich bevindt niet in zijn belang om zijn achternaam te wijzigen. Hoewel er fysiek bij de minderjarige niets door een naamswijziging verandert, zal het wel de wijze waarop hij in het leven staat en de wijze waarop hij zich verder in zijn leven zal ontwikkelen kunnen beïnvloeden. De minderjarige bevindt zich in de puberteit en het is zeker niet uit te sluiten dat hij in een latere fase van zijn leven andere opvattingen zal ontwikkelen over de band die hij met de man wil of kan onderhouden.\n\n3.1.19.. Verder is van belang dat relaties in het leven altijd twee betrokkenen en dus twee kanten hebben. De minderjarige kan nog honderd keer zeggen of schrijven dat de verandering van geslachtsnaam geen afwijzing is van zijn vader, maar dat dat gevoel wel bij de man ontstaat is menselijk en dat dat negatieve gevolgen gaat hebben voor hun onderlinge verhouding is zeer waarschijnlijk. Die gevolgen worden op dit moment onderschat, zo niet volledig genegeerd, door de minderjarige.\n\n3.1.20.. De rechtbank acht het daarom op dit moment en in deze fase van het leven niet in het belang van de minderjarige om de geslachtsnaam te laten wijzigen. Het belang van de minderjarige bij een goede identiteitsontwikkeling weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de door de vrouw en\u002Fof de minderjarige genoemde belangen om de naam te dragen van degene die hem (hoofdzakelijk) opvoedt en om als familielid een naam te dragen die gelijk luidt aan die van de overige familieleden.\n\n3.1.21.. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de minderjarige als hij meerderjarig is de consequenties van geslachtsnaamwijziging beter kan overzien. De (nu nog) minderjarige kan dan zelf nog steeds een verzoek tot wijziging van zijn geslachtsnaam indienen bij de Koning.\n\n3.2.. Proceskosten\n\n3.2.1.. Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar primaire verzoek;\n\n4.2.. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n4.3.. wijst het anders of meer verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M. Wijk, griffier, op 16 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.\n\nDoor verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7323","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:19.761Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":44,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":97},"616","ECLI:NL:RBLIM:2026:5981","ecli-nl-rblim-2026-5981",66,"2026-06-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F352443 \u002F JE RK 26-890\n\nDatum uitspraak: 9 juni 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over vervangende toestemming medische behandeling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, kantoorhoudend in Venlo,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [de minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonend op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonend in [plaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2026.\n\n1.2.. \n\nDe zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij was aanwezig:\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\nBeide ouders hebben zich via de GI afgemeld voor de zitting.\n\n1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld.Deze beschikking is de schriftelijke uitwerking van die uitspraak.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .\n\n2.2.. \n [de minderjarige] woont bij de moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 12 juni 2026.\n\n2.4.. De vader heeft toestemming geweigerd voor de medische behandeling van [de minderjarige] bij [zorgverlener] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt vervangende toestemming te verlenen voor de medische behande-ling van [de minderjarige] . Deze medische behandeling betreft de plaatsing binnen de vroegbehandelgroep van [zorgverlener] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De GI onderbouwt het verzoek als volgt. [de minderjarige] heeft een ernstige taal- en spraak-achterstand in combinatie met een gehoorbeperking. [de minderjarige] is pas op een latere leeftijd gestart met het dragen van gehoorapparatuur, wat een negatieve invloed heeft gehad op zijn taalontwikkeling. [de minderjarige] verblijft op dit moment binnen de reguliere [kinderopvang] . Deze opvang heeft meerdere keren aangegeven dat zij niet de specialistische ondersteuning kunnen bieden die passend is bij zijn ontwikkelingsbehoeften, waardoor zijn taalontwikkeling fors achter blijft. Ondanks dat er enige vooruitgang zichtbaar is in de concentratie en deelname aan activiteiten, blijft er sprake van beperkte communicatie, imitatiegedrag en onvoldoende taalverwerking. Het is noodzakelijk dat [de minderjarige] geplaatst wordt binnen een gespecialiseerde vroegbehandelgroep. Deze behandelgroep is specifiek gericht op kinderen met ernstige taal- en spraakproblematiek en biedt intensieve specialistische begeleiding die [de minderjarige] op dit moment nodig heeft. Uitstel van passende behandeling vergroot de kans op ontwikkelingsschade, terwijl juist op een jonge leeftijd specialistische stimule-ring van taal en communicatie essentieel is. De moeder stemt in met de voorgenomen plaatsing, de vader weigert echter toestemming te verlenen. De vader heeft herhaaldelijk aangegeven niet akkoord te gaan met een plaatsing binnen een gespecialiseerde setting, zonder een duidelijk argument te geven waarom hij niet akkoord gaat. Dit past binnen een breder patroon, waarbij de vader vaker noodzakelijke beslissingen rondom de kinderen belemmerd heeft. De vader is beperkt betrokken bij de dagelijkse opvoeding van de kinderen. De kinderen wonen volledig bij de moeder en de vader heeft sporadisch en onregelmatig contact met de kinderen. De vader is formeel gezaghebbende ouder, maar levert in de praktijk nauwelijks een bijdrage aan de dagelijkse verzorging en opvoeding. De weigering van de vader leidt tot stagnatie van de noodzakelijke hulpverlening en brengt risico’s mee voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . De GI is van mening dat noodzakelijke behandeling niet kan worden uitgesteld totdat de ouders mogelijk alsnog een overeenstem-ming bereiken, nu eerdere ervaringen hebben laten zien dat dit een langdurige vertraging oplevert. Het belang van [de minderjarige] dient hierbij voorop te staan.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De moeder is niet naar de zitting gekomen en heeft geen verweer gevoerd.\n\n4.2.. De vader is niet naar de zitting gekomen en heeft geen verweer gevoerd.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit. Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De kinderrechter is van oordeel, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland ligt. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op de verzoeken van toepassing.\n\n5.2.. De kinderrechter kan, gelet op artikel 265h van het Burgerlijk Wetboek, vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert.\n\n5.3.. De kinderrechter is van oordeel dat een plaatsing op de gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] , zoals de GI heeft verzocht, in het belang van [de minderjarige] is. [de minderjarige] heeft een gehoorbeperking en hij kan niet goed mee bij de huidige kinderopvang, omdat hij de juf niet begrijpt of verstaat. Ook anderen verstaat en begrijpt hij niet goed. De huidige kinderopvang kan [de minderjarige] niet bieden wat hij nodig heeft. Daardoor blijft hij achter in zijn ontwikkeling en komt hij niet toe aan zijn ontwikkeltaken. De gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] is specifiek ingesteld op kinderen van [de minderjarige] leeftijd met een ontwikkelingsachterstand en ernstige gehoorbeperking. Het gaat om een medische behandeling. Gelet op [de minderjarige] beperkingen en om hem in zijn ontwikkeling te kunnen ondersteunen, is het noodzakelijk dat [de minderjarige] gaat deelnemen aan deze behandelgroep. De vader weigert – ten nadele van [de minderjarige] – hier toestemming voor te geven. Daarom zal de kinderrechter de vervangende toestemming verlenen die in plaats treedt van de toestemming van de vader.\n\n5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verleent vervangende toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, voor de medische behandeling van [de minderjarige] , inhoudende: een plaatsing binnen de gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] ;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. dr. Van Binnebeke, kinderrechter, in aanwezigheid van Kock als griffier, en op schrift gesteld op 23 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5981","2026-07-13T00:28:39.449Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":44,"courtId":102,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":51,"updatedAt":107},"1662","ECLI:NL:RBMNE:2026:3853","ecli-nl-rbmne-2026-3853",63,"2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F599247 \u002F FO RK 25-1114\n\nMeerderjarigverklaring\n\nBeschikking van 3 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder],\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de moeder\n\nadvocaat mr. N.J. Hos,\n\nbetreffende het kind: [minderjarige].\n\nmet als belanghebbenden\n\n [grootouder1],\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de opa\n\nen\n\n [grootouder2],\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de oma,\n\nhierna samen genoemd: de grootouders van moederszijde,\n\nmet als informant\n\n [de vader],\n\nwonende in [woonplaats 3] ,\n\nhierna te noemen: de vader.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De kinderrechter heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift van de moeder met bijlagen, binnengekomen op [geboortedatum 2] 2025;\n\nhet bericht met bijlage van de moeder van 6 november 2025;\n\nhet bericht met bijlage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 9 december 2025;\n\nhet bericht van de moeder van 28 januari 2026;\n\nhet bericht van de opa van 4 mei 2026.\n\n1.2. Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling gehouden op 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde oma;\n\nde vader;\n\nmevrouw [A.] namens de Raad.\n\n1.3. De opa is (na afmelding) niet naar de zitting gekomen.\n\n2. De belangrijke feiten\n\n2.1. De grootouders zijn de ouders van: [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] (hierna: de moeder).\n\n2.2. De grootouders hebben samen het ouderlijk gezag over de moeder.\n\n2.3. De moeder is bevallen van een dochter: [minderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [woonplaats 1] .\n\n2.4. De vader heeft [minderjarige] erkend. Omdat de moeder minderjarig is, is de vader niet belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n2.5. De moeder woont bij haar vader (de opa) in [woonplaats 1] . De vader woont bij zijn ouders in [woonplaats 3] .\n\n2.6. Partijen hebben allen de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. De moeder verzoekt de kinderrechter om haar meerderjarig te verklaren.\n\n3.2. De grootouders en de vader zijn het eens met het verzoek.\n\n4. De beoordeling\n\nConclusie4.1. De kinderrechter wijst het verzoek toe en verklaart de moeder meerderjarig. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\nWettelijk kader4.2. Zoals vermeld, is de moeder minderjarig. Dit heeft tot gevolg dat zij onbevoegd is om het gezag over haar kind uit te oefenen.Dit betekent dat de moeder geen beslissingen mag nemen over [minderjarige] . In dit soort gevallen kan de kinderrechter een voogd over het kind benoemen.\n\n4.3. De kinderrechter kan ook een minderjarige vrouw van zestien of zeventien jaar meerderjarig verklaren als de vrouw haar kind wil verzorgen en opvoeden als degene die het gezag heeft. Dit verzoek wordt alleen toegewezen als de kinderrechter dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk vindt.\n\nToelichting4.4. De kinderrechter is net als de Raad van oordeel dat het in het belang van de moeder en [minderjarige] is dat de moeder meerderjarig wordt verklaard en het gezag over [minderjarige] krijgt. Uit het onderzoek van de Raad blijkt dat de moeder goed in staat is om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. De moeder is nog jong en haar zwangerschap was onverwacht, maar zij toont desondanks haar verantwoordelijkheid als moeder. Daarnaast is er een warm en betrokken netwerk. De vader is ook veel betrokken en ondersteunt de moeder in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ook de ouders van de moeder zijn betrokken en ondersteunen haar waar nodig. Alle betrokkenen staan bovendien achter de meerderjarigverklaring van de moeder. Tot slot staat de moeder open voor hulpverlening indien nodig. De kinderrechter is dan ook voldoende op toegerust dat moeder (en vader) op het moment dat zij wel een hulpvraag hebben hiervoor contact zullen opnemen met het wijkteam.\n\nGezag en ingangsdatum4.5. De meerderjarigverklaring kan niet eerder ingaan dan per de datum van deze beschikking. Door de meerderjarigverklaring krijgt de moeder van rechtswege het gezag over [minderjarige] .\n\nUitvoerbaar bij voorraad4.6. De moeder heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De kinderrechter zal dit verzoek toewijzen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1. verklaart [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] , meerderjarig;\n\n5.2. stelt vast dat [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] , door haar meerderjarigverklaring het ouderlijk gezag krijgt over haar dochter:[minderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [woonplaats 1] ;\n\n5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Artikel 1:246 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 1:253q lid 2 BW\n\n Artikel 1:253ha BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3853","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.257Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":44,"courtId":112,"decisionDate":113,"fullText":114,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":51,"updatedAt":117},"338","ECLI:NL:RBOVE:2026:3909","ecli-nl-rbove-2026-3909",69,"2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nlocatie Almelo\n\nteam familie- en jeugdrecht\n\nzaaknummer: C\u002F08\u002F337368 \u002F FA RK 25-2135\n\nbeschikking van 1 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n1. [pleegmoeder] ,\n\nen\n\n2. [pleegvader] ,\n\nverder te noemen: de pleegouders,\n\nwonend in [woonplaats 1] ,\n\nverzoekers,\n\nadvocaat: mr. A.A.M. Ruys-van Essen,\n\nover de minderjarige:\n\n [minderjarige] ,geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] .\n\nAls belanghebbende is aangemerkt:\n\n [de (biologische) vader] ,\n\nverder te noemen: de (biologische) vader,\n\nwonend in [woonplaats 2] .\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. De rechtbank heeft kennis genomen van:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 19 augustus 2025;\n\nde op 22 en 29 september 2025 door mr. Ruys-Van Essen ingediende nadere stukken;\n\nhet op 29 september 2025 binnengekomen gewijzigd verzoekschrift;\n\neen op 3 oktober 2025 binnengekomen bericht van mr. Ruys-Van Essen met bijlage;\n\nde op 30 oktober 2025 binnengekomen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede;\n\nhet rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 5 januari 2026, verder te noemen: de raad; en\n\neen op 19 januari 2026 binnengekomen bericht van mr. Ruys-Van Essen.\n\n1.2.. De rechter heeft op 4 mei 2026 met [minderjarige] gesproken.\n\n1.3.. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Verschenen zijn:\n\n- de pleegouders, bijgestaan door mr. Ruys-Van Essen,\n\n- [medewerker raad] namens de raad.\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De pleegmoeder is geboren op [geboortedatum 2] 1970 in [geboorteplaats 2] en de pleegvader is geboren op [geboortedatum 3] 1968 in [geboorteplaats 3] . Zij zijn op [huwelijksdatum] 2009 te [plaats 1] gehuwd en hebben in ieder geval sinds die datum met elkaar samengeleefd.\n\n2.2.. \n [minderjarige]is geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] tijdens de relatie van haar moeder[naam 1], geboren te [geboorteplaats 4] op [geboortedatum 4] 1976, overleden op [overlijdensdatum] 2013 te [plaats 2] , en de vader.\n\n2.3.. Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 2 oktober 2008 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Overijssel, laatstelijk verlengd tot 28 november 2016.\n\n2.4.. \n [minderjarige] woont feitelijk sinds 22 september 2012 bij pleegouders (in het kader van een machtiging tot uithuisplaatsing) en staat sinds 1 juli 2013 ingeschreven op het adres van de pleegouders. Zij wordt sindsdien door pleegouders samen verzorgd en opgevoed.\n\n2.5.. Met toestemming van de rechtbank Almelo is [minderjarige] op 14 november 2013 erkend door de vader. Op de erkenning is Turks recht toegepast. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 28 november 2013 is de vader belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n2.6.. Bij beschikking van 16 november 2016 is het gezag van de vader over [minderjarige] beëindigd en is de Stichting Jeugdbescherming Overijssel benoemd tot voogd over [minderjarige] . Bij beschikking van 24 juni 2022 is de Stichting Jeugdbescherming Overijssel ontslagen als voogd en de pleegmoeder benoemd tot voogdes over [minderjarige] .\n\n2.7.. \n [minderjarige] heeft een broer, [naam 2] , en drie zussen, [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .\n\n2.8.. Verzoekers en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Turkse nationaliteit. [minderjarige] heeft door afstamming van rechtswege eveneens de Turkse nationaliteit.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Na wijziging verzoeken pleegouders de rechtbank bij beschikking de adoptie van [minderjarige] door hen uit te spreken en vast te stellen dat de voornamen van [minderjarige] zullen luiden: [gewenste voornaam] en haar achternaam [achternaam van pleegvader] .\n\n3.2.. Zij stellen dat adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is, omdat momenteel vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer van haar biologische vader in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft en aan de voorwaarden voor adoptie is voldaan. [minderjarige] kent, voor zover haar leeftijd dit toelaat, haar status. Met [minderjarige] is de adoptie uitgebreid besproken en zij heeft daarbij ook aangegeven dat het haar uitdrukkelijke wens is dat zij door pleegouders wordt geadopteerd, zodat de feitelijke situatie ook juridisch geformaliseerd wordt. [minderjarige] wenst de achternaam van haar pleegvader - [achternaam van pleegvader] - te dragen. Zij wenst daarnaast, als eerbetoon aan haar moeder, de voornaam van haar moeder aan haar voornamen toe te voegen, zodat haar naam zal luiden: [gewenste voornaam] [achternaam van pleegvader] .\n\n4. De standpunten van [minderjarige] en de vader\n\n4.1.. \n [minderjarige] stemt in met het verzoek. Adoptie betekent voor haar het hoofdstuk afsluiten. Zij woont al sinds haar derde jaar bij pleegouders en zij heeft heel veel geluk gehad dat zij altijd in hetzelfde gezin kon blijven wonen. Haar moeder is overleden toen [minderjarige] heel jong was en ook haar vader is er nooit voor haar geweest. Hij zoekt [minderjarige] nooit op en zij heeft hem sinds haar zesde of achtste jaar niet meer gezien. Pleegouders zijn er altijd voor haar geweest en hebben de ouderrol vervuld. [minderjarige] heeft al heel lang het gevoel dat zij tot de familie van haar pleegouders hoort. Zij wil daarom graag geadopteerd worden. Zij begrijpt dat daardoor de juridische band tussen haar en haar vader en moeder verbroken wordt. Adoptie is met name voor haarzelf van belang. Dan hoort zij op papier ook bij haar pleegouders en is de juridische situatie in overeenstemming met de feitelijke situatie. Pleegouders zijn er altijd voor [minderjarige] geweest. [minderjarige] heeft nog wel veel contact met haar broer [naam 2] en hij staat ook achter het adoptieverzoek. Ook heeft zij regelmatig contact met haar zusje [naam 3] . Haar andere zusjes [naam 5] en [naam 4] spreekt zij niet zo vaak. Zij groeiden allemaal op in andere pleeggezinnen. [minderjarige] wil graag de achternaam [pleegvader] en als eerbetoon aan haar overleden moeder wil zij haar voornaam wijzigen in [gewenste voornaam] .\n\n4.2.. De vader is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. Tegenover de raad heeft hij verklaard in te stemmen met het verzoek. Hij wil dat [minderjarige] een mooie toekomst heeft en als zij de adoptie graag wil, zal hij haar hierin in liefde loslaten. Vader kent pleegouders en de plek waar [minderjarige] opgroeit. Over pleegouders zegt hij dat zij uitstekende mensen zijn en dat zij het goed doen met [minderjarige] . Hij wil het beste voor haar en daarmee is adoptie door pleegouders in het belang van [minderjarige] . Vader geeft aan dat hij er geen behoefte aan heeft om bij de zitting aanwezig te zijn. Bij de door mr. Ruys-Van Essen ingediende stukken zit een instemmingsverklaring van vader die op 19 september 2025 door hem is ondertekend.\n\n5. Het advies van de raad\n\nDe raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de pleegouders om [minderjarige] te adopteren, toe te wijzen. De raad adviseert de rechtbank daarnaast om het verzoek tot voor- en achternaamswijziging toe te wijzen. Volgens de raad is een adoptie door pleegouders op dit moment in het kennelijk belang van [minderjarige] . Het verzoek komt van [minderjarige] zelf en zij wordt door pleegouders als hun dochter beschouwd. Ze leven al veertien jaar in gezinsverband en zijn vergroeid met elkaar. De onderlinge band is sterk en vertrouwd. De raad vindt het passend om deze band te formaliseren door adoptie toe te kennen waardoor [minderjarige] ook wettelijk gezien verbonden is aan pleegouders. De rol van de vader als ouder is al lange tijd geleden gestopt. [minderjarige] was nog maar een peuter toen zij uit huis is geplaatst en bij pleegouders ging wonen. Gedurende haar opgroeien is vader niet in de rol als ouder in beeld geweest.\n\nNu [minderjarige] richting volwassenheid gaat en de opvoeding in die zin vrijwel voltooid is, kan gesteld worden dat [minderjarige] niets meer van de vader in zijn hoedanigheid als ouder te verwachten heeft. Tot slot is aan de eisen voor adoptie voldaan.\n\n Ten aanzien van het verzoek tot naamswijziging ziet de raad geen bezwaar in het toekennen van dit verzoek. Net als [minderjarige] en pleegouders is de raad van mening dat het een mooie manier is om moeder te eren door haar naam toe te voegen aan de voornamen van [minderjarige] . De achternaamswijziging is inherent aan adoptieverzoek en daarmee ook passend bij de situatie.\n\n6. De beoordeling\n\nde bevoegdheid6.1.. De zaak draagt een internationaal karakter, nu [minderjarige] en de pleegouders de Nederlandse nationaliteit hebben en de vader de Turkse nationaliteit. Nu de pleegouders en [minderjarige] in Nederland wonen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek tot adoptie kennis te nemen.\n\nhet toepasselijke recht6.2.. Op een in Nederland uit te spreken adoptie is het Nederlandse recht van toepassing.Op de toestemming dan wel raadpleging of de voorlichting van de ouders van het kind of van andere personen of instellingen is het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit van toepassing. Als het kind de Nederlandse nationaliteit bezit, dan is het Nederlandse recht van toepassing, ongeacht of het kind naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere nationaliteit bezit.\n\nde ontvankelijkheid6.3.. \n\nAdoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen.Uit de overgelegde stukken blijkt dat de pleegouders meer dan drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. De pleegouders zijn daarom ontvankelijk in hun verzoek tot adoptie.\n\nde inhoudelijke beoordeling6.4.. Het verzoek tot adoptie wordt toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van de minderjarige is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat de minderjarige niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Ook dient aan de voorwaarden van artikel 1:228 BW te worden voldaan.\n\n6.5.. Bij het kennelijk belang van [minderjarige] dient - naast hetgeen hieronder nog wordt overwogen - in dit verband niet alleen te worden gelet op de positie die [minderjarige] door adoptie verkrijgt, maar ook op wat zij verliest. Hierbij moet in de eerste plaats worden gedacht aan de aanspraak op verzorging en opvoeding. De bepaling dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het te adopteren kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, ziet op het dragen van verantwoordelijkheid jegens een kind, in het bijzonder de verzorging, de opvoeding en het uitoefenen van het gezag en staat daarmee los van de vraag of een kind nog contact kan hebben met een ouder na adoptie.\n\n6.6.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat het volgende vast. [minderjarige] is al op jonge leeftijd uit huis geplaatst, net als haar broer en zussen, en woont sindsdien in het gezinshuis van de pleegouders. Zij groeit al veertien jaar op in het gezin van de pleegouders, samen met haar pleegbroertjes. De pleegouders hebben al die tijd onafgebroken de zorg voor [minderjarige] gehad. Na het overlijden van de moeder van [minderjarige] heeft de vader [minderjarige] met toestemming van de rechtbank erkend. Hoewel hij nadien belast is met het gezag over [minderjarige] , is dit gezag beëindigd bij beschikking van 16 november 2016. De stichting Jeugdbescherming Overijssel heeft toen de voogdij over [minderjarige] gekregen. De voogdij is nadien overgedragen aan de pleegmoeder. Het gaat heel goed met [minderjarige] bij de pleegouders.\n\nDe vader is niet betrokken in het leven van [minderjarige] . Hoewel zij af en toe nog Whatsapp contact heeft met haar vader, heeft zij hem al jaren niet meer gezien. De vader neemt ook geen initiatief tot contact of het tonen van interesse. Zo heeft hij bijvoorbeeld nooit een kaartje voor haar verjaardag gestuurd en laat niets van zich horen. [minderjarige] heeft regelmatig contact met haar broer [naam 2] en zus [naam 3] , met de andere zusjes heeft zij minder contact. In het kader van deze procedure heeft de vader een verklaring getekend waaruit blijkt dat hij geen bezwaar heeft en akkoord gaat met de adoptie van [minderjarige] . Ook aan de raad heeft hij laten weten dat hij instemt met de adoptie. Hij wil het beste voor haar en meent dat adoptie door de pleegouders in het belang van [minderjarige] is. Hij heeft voorts laten weten dat hij er geen behoefte aan heeft om bij de geplande mondelinge behandeling aanwezig te zijn. Uit voorgaande blijft dat de pleegouders in de praktijk al jarenlang de ouderrol voor [minderjarige] vervullen. [minderjarige] beschouwt de pleegouders als haar ouders en zij zien [minderjarige] ook als hun eigen dochter.\n\n6.7.. De raad adviseert het verzoek tot adoptie toe te wijzen. Volgens de raad is de adoptie is in het kennelijk belang van [minderjarige] en aan de vereisten van adoptie is voldaan. [minderjarige] heeft niets meer van haar vader te verwachten in de ouderrol.\n\n6.8.. De rechtbank is van oordeel dat aan de (wettelijke) voorwaarden is voldaan: de adoptie is in het kennelijk belang van [minderjarige] en [minderjarige] heeft niets meer van de vader te verwachten in de hoedanigheid van ouder.\n\n6.9.. Ook aan de in artikel 1:228 lid 1 BW genoemde voorwaarden is voldaan:\n\n- [minderjarige] is op de dag van het eerste verzoek minderjarig en heeft geen bezwaar tegen de adoptie;\n\n- [minderjarige] is geen kleinkind van de pleegouders;\n\n- de pleegouders zijn ten minste achttien jaar ouder dan [minderjarige] ;\n\n- de vader heeft het verzoek niet tegengesproken;\n\n- de pleegouders hebben [minderjarige] tenminste een jaar verzorgd en opgevoed; en\n\n- de vader heeft niet langer het gezag over [minderjarige] .\n\n6.10.. \n\nGelet op bovenstaande zal de rechtbank het verzoek tot adoptie van [minderjarige] door de pleegouders toewijzen.\n\nrechtsgevolgen6.11.. Een in Nederland uitgesproken adoptie heeft, wat betreft het ontstaan en de verbreking van de familierechtelijke betrekkingen, de rechtsgevolgen die daaraan worden toegekend door het Nederlands recht.Dit brengt mee dat door de adoptie naar Nederlands recht familierechtelijke betrekkingen tussen de pleegouders en [minderjarige] ontstaan. Tegelijkertijd houdt de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de vader en zijn bloedverwanten op te bestaan.\n\n6.12.. De adoptie heeft haar gevolgen vanaf de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.Dit betekent dat de adoptie pas van kracht wordt nadat er drie maanden zijn verstreken na de datum van de beschikking en er geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing. De rechtbank zal de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede gelasten een latere vermelding van de adoptie aan de geboorteakte van [minderjarige] te hechten.\n\nhet gezag6.13.. Door de adoptie worden de pleegouders de juridische ouders van [minderjarige] . Gelet op het huwelijk ontstaat van rechtswege gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\nwijziging van de voornaam en geslachtsnaam6.14.. De pleegouders hebben verzocht om wijziging van de voor- en achternaam van [minderjarige] , in die zin dat zij de voornamen “ [gewenste voornaam] ” zal dragen en dat haar achternaam “ [achternaam van pleegvader] ” zal zijn. [minderjarige] wil dit ook graag.\n\n6.15.. De raad heeft hiertegen geen bezwaar en adviseert de rechtbank om het verzoek tot voor- en achternaamswijziging toe te wijzen. Volgens de raad is dat een mooie manier is om moeder te eren door haar naam toe te voegen aan de voornamen van [minderjarige] . De achternaamswijziging is inherent aan adoptieverzoek en daarmee ook passend bij de situatie.\n\n6.16.. De geslachtsnaam en de voornamen van een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit, worden, ongeacht de vraag of hij nog een andere nationaliteit heeft, bepaald door het Nederlandse recht.\n\n6.17.. De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken voldoende is gebleken van een zwaarwichtig belang bij toewijzing van het verzoek tot voornaamswijziging. De gevraagde wijziging is ook geoorloofd naar de maatstaven van artikel 1:4 lid 2 BW en van bezwaren hiertegen is niet gebleken.\n\n6.18.. Ten aanzien van de geslachtsnaam bij adoptie geldt naar Nederlands recht, voor zover hier van belang, het volgende. Indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van een ouder komt te staan, houdt het zijn geslachtsnaam, tenzij de ouder en diens echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam zal hebben van die ouder dan wel de geslachtsnaam van de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel of van hun beiden in een vrij te bepalen volgorde of van één van hen in combinatie met de oorspronkelijke geslachtsnaam van het kind in een vrij te bepalen volgorde, dan wel de geslachtsnaam van die ouder. De rechterlijke uitspraak inzake de adoptie vermeldt de verklaring van de adoptanten omtrent de geslachtsnaamkeuze.\n\n6.19.. De pleegouders hebben verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de pleegvader wenst te dragen. Dit is ook de wens van [minderjarige] . De rechtbank zal daarom verstaan dat de geslachtsnaam van [minderjarige] na de adoptie ‘ [achternaam van pleegvader] ’ zal zijn.\n\n6.20.. De volledige namen van [minderjarige] zullen na de adoptie dan ook luiden: “ [gewenste voornaam] [achternaam van pleegvader] ”.6.21.. De rechtbank zal de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede gelasten een latere vermelding van de wijzigingen van de namen van [minderjarige] aan haar geboorteakte te hechten.\n\n7. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n7.1.. spreekt de adoptie uit van:\n\n [minderjarige] ,geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ,\n\ndochter van [naam 1] en [de (biologische) vader] ,\n\ndoor [pleegmoeder]en[pleegvader], beiden wonende te [woonplaats 1] ;\n\n7.2.. gelast de voornaamswijziging van de minderjarige [minderjarige] in “[gewenste voornaam]”;\n\n7.3.. stelt vast dat verzoekers gezamenlijk hebben verklaard dat zij kiezen voor de geslachtsnaam “[achternaam van pleegvader]”is , zodat de volledige namen van de minderjarige na de adoptie zijn“ [gewenste voornaam] [achternaam van pleegvader] ”;\n\n7.4.. gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede een latere vermelding(en) van de adoptie en de naamswijziging aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen;7.5.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. H.M. Jongebreur en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman, griffier.\n\nEen afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.\n\nTegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:\n\ndoor verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nAfschrift verzonden d.d.\n\nAan:\n\n Raad voor de Kinderbescherming\n\n Mr. Ruys-van Essen\n\n De heer [de (biologische) vader]\n\nAfschrift verzonden na appèltermijn d.d.\n\nAan:\n\n gezagsregister\n\n gemeente Enschede, afdeling Burgerzaken\n\nArtikel 3 Wetboek van Rechtsvordering\n\nArtikel 10:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW)\n\nArtikel 10:105 lid 2 BW\n\nArtikel 1:227 lid 1 BW\n\nArtikel 1:227 lid 2 BW\n\nArtikel 1:227 lid 3 BW\n\nArtikel 10:106 BW\n\nArtikel 1:230 Burgerlijk Wetboek\n\nArtikel 10:20 BW\n\nArtikel 1:5 lid 3, derde volzin BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3909","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.115Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":44,"courtId":122,"decisionDate":123,"fullText":124,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":126,"parsedAt":51,"updatedAt":127},"1931","ECLI:NL:RBDHA:2026:17486","ecli-nl-rbdha-2026-17486",58,"2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummers: I. C\u002F09\u002F698273 \u002F FA RK 26-697\n\n II. C\u002F09\u002F698787 \u002F JE RK 26-172\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de meervoudige kamer\n\nI. Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij;\n\nII. Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.\n\nIn de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,regio Haaglanden (I),\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nen\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden (II),\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek I:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [grootmoeder vaderszijde],\n\nhierna te noemen: de grootmoeder vaderszijde\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. J.A. Hoste te Den Haag,\n\nde gecertificeerde instelling.\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek II:\n\nde moederende grootmoeder vaderszijdevoornoemd.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 6 maart 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (bij de grootmoeder vaderszijde) verlengd tot 31 mei 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van de meervoudige kamer op 12 mei 2026, zodat het verzoek gecombineerd behandeld kon worden met het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging en het benoemen van de voogdij (C\u002F09\u002F698273 FA RK 26-697). De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift (I) met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026;\n\nhet verzoekschrift (II) met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026;\n\nhet gezinsplan van de gecertificeerde instelling van 5 februari 2026, ontvangen op 6 februari 2026;\n\nde beschikking van 6 maart 2026;\n\nhet verweerschrift van de grootmoeder vaderszijde met zelfstandig verzoek van 6 mei 2026;\n\nde concept-vaststellingsovereenkomst van de mediation van 7 mei 2026, overlegd ter zitting van 12 mei 2026;\n\nde bereidverklaring van de grootmoeder vaderszijde van 12 mei 2026, overlegd ter zitting van 12 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde grootmoeder vaderszijde met haar advocaat;\n\n [naam 1] namens de Raad;\n\n- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.\n\n1.3.. De moeder is niet verschenen. De moeder is wel juist opgeroepen. In het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand bij gezagsbeëindiging is op 16 februari 2026 mr. J. Gravesteijn (op dat moment de voorkeursadvocaat van de moeder) toegevoegd aan de moeder, nadat hij te kennen heeft gegeven bereid te zijn de moeder bij te staan. Op 8 april 2026 heeft mr. J. Gravesteijn de rechtbank bericht zich te onttrekken in de zaken C\u002F09\u002F698273 (het verzoek tot gezagsbeëindiging) en C\u002F09\u002F698787 (het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling). Desgevraagd heeft mr. J. Gravesteijn de rechtbank telefonisch toegelicht dat hij voordat hij zich onttrok de moeder een maand de tijd had gegeven om een nieuwe advocaat te vinden, zodat er een warme overdracht kon plaatsvinden. Nu er zich geen nieuwe advocaat stelde heeft de rechtbank op 28 april 2026 de moeder een brief gestuurd, waarin zij er op werd gewezen dat zij recht heeft op juridische bijstand en dat zij hiervoor zelf een advocaat kon benaderen of de rechtbank kon vragen om een (nieuwe) advocaat aan te wijzen. De moeder diende dit zo snel als mogelijk aan de rechtbank door te geven. De moeder heeft naar aanleiding van de brief niets aan de rechtbank laten weten. Een uur voor aanvang van de zitting heeft de moeder gebeld naar de rechtbank en te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn, omdat zij niet naar de rechtbank durfde te komen zonder een advocaat. Een advocaat had haar niet teruggebeld en die zou zij vandaag gaan bellen. Ter zitting heeft de rechtbank telefonisch contact met de moeder opgenomen en haar naar haar standpunt gevraagd. Gezien het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid en nu de moeder de mogelijkheid tot rechtsbijstand heeft gehad, heeft de rechtbank alles afwegende besloten de behandeling van de verzoeken niet aan te houden. Desgevraagd door de voorzitter heeft de moeder laten weten geen behoefte te hebben de zitting verder telefonisch bij te wonen.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] is erkend door de vader, [de vader] .\n\n2.2.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij de grootmoeder vaderszijde en verblijft uit hoofde van een contactregeling met de moeder een aantal nachten per week bij de moeder.\n\n2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 mei 2026.\n\n2.5.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 31 mei 2026.\n\n2.6.. De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 19 januari 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.\n\n2.7.. De grootmoeder vaderszijde heeft zich bij brief van 12 mei 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.\n\n3. Het verzoek\n\nVerzoek I: gezagsbeëindiging en benoeming voogdij\n\n3.1.. De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De moeder kampt met jarenlange verslavingsproblematiek en is in het verleden wisselend beschikbaar geweest voor [minderjarige] . Sinds 2022 is er sprake van een machtiging tot uithuisplaatsing en sindsdien verblijft [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde. Ondanks de ondertoezichtstelling en de ingezette hulpverlening, is het niet gelukt om te komen tot een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder is niet in staat om de volledige zorg over [minderjarige] te dragen en het lukt haar onvoldoende – door de terugvallen in middelengebruik die zij heeft – een structurele stabiele factor te zijn in het leven van [minderjarige] . In januari 2025 heeft de gecertificeerde instelling bepaald dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal opgroeien. Het perspectief ligt volgens de gecertificeerde instelling bij de grootmoeder vaderszijde. De moeder kan dit opvoedperspectief niet goed begrijpen, omdat het volgens haar juist het afgelopen jaar – waarmee de moeder doelt op 2025 – beter gaat. De Raad ziet dat het vanaf december 2025 opnieuw minder goed gaat met de moeder, waarbij er twee incidenten zijn geweest waarbij de moeder weer is teruggevallen in haar middelengebruik. Gelet op de terugkerende zorgen over het persoonlijk functioneren van de moeder zal [minderjarige] volgens de Raad ernstig bedreigd worden in zijn ontwikkeling als hij volledig teruggeplaatst zou worden bij de moeder. Daarbij is de Raad van mening dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Zoals reeds genoemd verblijft [minderjarige] al sinds 2022 bij de oma vaderszijde en ligt het perspectief niet meer bij de moeder. De Raad heeft niet de verwachting dat de moeder de volledige verzorging voor [minderjarige] zal kunnen dragen. Daarnaast is het op dit moment voor [minderjarige] onduidelijk waar hij op de langere termijn mag opgroeien en ervaart hij last van de onzekerheid over zijn opvoedplek.\n\n3.3.. De Raad ziet het belang van de voortzetting van het verblijf bij de grootmoeder vaderszijde, maar vindt het op dit moment te vroeg om de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde te beleggen. De grootmoeder vaderszijde is namelijk voornemens om naar [land] te verhuizen. Die wens is al lange tijd bekend bij de gecertificeerde instelling. Als de voogdij bij de grootmoeder zal komen te liggen, dan zal ook [minderjarige] naar [land] verhuizen en zal de hulpverlening wegvallen. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Daarbij heeft [minderjarige] op dit moment een uitgebreide zorgregeling met de moeder en die zal dan worden beperkt. De Raad heeft in dat licht ook zorgen over het grillige en ambivalente contact tussen de moeder en de grootmoeder vaderszijde. Als hij in [land] verblijft zou de grootmoeder vaderszijde het contact tussen de moeder en [minderjarige] zelfstandig kunnen stoppen. Het is belangrijk dat een gecertificeerde instelling hierin nog ondersteuning kan bieden. Verder is het van belang dat er nog toezicht kan worden gehouden op het contact tussen [minderjarige] en de vader. De vader is bekend met agressie- en verslavingsproblematiek en is in december 2025 vrij gekomen uit detentie, waarna er opnieuw een incident heeft plaatsgevonden bij de moeder. Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling deze situatie met de vader kan vormgeven. Als [minderjarige] in [land] verblijft is het zicht volledig weg. De Raad is zich bewust van het feit dat dit een complex besluit is, nu haar advies inhoudt dat [minderjarige] niet mee naar [land] kan en de grootmoeder hierdoor of niet naar [land] kan verhuizen of [minderjarige] in een neutraal pleeggezin terecht zal komen, wat voor hem ook heel ingrijpend zal zijn. Desondanks is de Raad van mening dat er op dit moment nog te veel risico’s en drempels zijn voor het beleggen van de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde en daarmee de verhuizing naar [land] . Volgens de Raad is het op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] dat de gecertificeerde instelling wordt belast met de voogdij. De gecertificeerde instelling kan zich voor de hiervoor genoemde punten inzetten – waarbij het van belang is dat er meer regie wordt gepakt dan de afgelopen periode – en zij kunnen vervolgens zelf inschatten wanneer het mogelijk wél passend is dat de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde wordt belegd. Ter zitting heeft de Raad benadrukt dat zij niet van mening is dat de voogdij nooit naar de grootmoeder vaderszijde zou kunnen, maar dat het daarvoor op dit moment volgens de Raad nog te vroeg is.\n\nVerzoek II: verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n3.4.. De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] – als het verzoek tot gezagsbeëindiging wordt afgewezen – in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. De gecertificeerde instelling stelt daartoe als volgt. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is nog onverminderd aanwezig. Deze bedreiging is met name gelegen in de aanhoudende onzekerheid over zijn toekomst, de complexe dynamiek tussen de betrokken volwassenen en de blijvende zorgen over het persoonlijke functioneren van de moeder. Ondanks de ingezette hulpverlening is de moeder structureel onvoldoende in staat om een duurzame, stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving te bieden. Het blijft daarom nodig dat de gecertificeerde instelling regie blijft voeren om de belangen van [minderjarige] te bewaken, escalaties te voorkomen, afstemming tussen de betrokkenen te blijven faciliteren en te blijven onderzoeken welke route en verblijfplaats het minst schadelijk zijn voor zijn ontwikkeling. Daarbij is het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat de plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde wordt gecontinueerd. Er zijn op dit moment geen alternatieven die minder belastend zijn en hij ervaart een voor hem vertrouwde, veilige en stabiele opvoedomgeving bij de grootmoeder. Een plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin is op dit moment voor [minderjarige] zeer onwenselijk en schadelijk voor zijn emotionele ontwikkeling en gevoel van veiligheid. Binnen de plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde kan zorgvuldig gezocht worden naar een toekomstperspectief dat recht doet aan ieders belang.\n\n4. De standpunten\n\nVerzoek I\n\n4.1.. De moeder heeft telefonisch medegedeeld achter de concept-vaststellingsovereenkomst te staan die ter zitting is ingediend door de grootmoeder vaderszijde. Daarnaast wil de moeder absoluut niet dat de gecertificeerde instelling de voogdij krijgt. De afgelopen maanden is er geen contact geweest met de jeugdbeschermer en de moeder ziet haar andere dochter – waarvan haar gezag is beëindigd – niet meer. De moeder wil daarom niet dat de gecertificeerde instelling de voogdij krijgt over [minderjarige] , omdat zij dan denkt dat zij nog een kind – in haar eigen woorden – kwijt is. Dan wil de moeder liever dat de grootmoeder vaderszijde de voogdij krijgt, als zij een goede contactregeling met [minderjarige] heeft en hem elke maand ziet.\n\n4.2.. Door en namens de grootmoeder vaderszijde is verweer gevoerd tegen het benoemen van de gecertificeerde instelling als voogd. De grootmoeder vaderszijde verzoekt op basis van artikel 1:275 lid 2 BW om te worden belast met de voogdij (en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren). [minderjarige] verblijft al sinds zijn geboorte in de weekenden bij de grootmoeder vaderszijde. Vanaf 2021 is de grootmoeder pleegouder geworden en de afgelopen drieënhalf jaar draagt de grootmoeder de dagelijkse zorg over [minderjarige] . Volgens de grootmoeder heeft zij haar wens om naar [land] te verhuizen al in 2023 kenbaar gemaakt bij de gecertificeerde instelling. Op dat moment was er nog sprake van een plan voor terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Door de gecertificeerde instelling is toen aangegeven dat er een tweesporenbeleid zou gaan gelden, één gericht op terugplaatsing bij de moeder en als dit niet mogelijk was, een verblijf van [minderjarige] bij de grootmoeder vaderszijde in [land] . In 2023 heeft de grootmoeder vaderszijde haar huis verkocht en in 2024 is het huis in [land] gekocht. Omdat er nog steeds sprake was van een mogelijke terugkeer van [minderjarige] naar de moeder, is [minderjarige] in [plaats 2] naar school gegaan. Toen het perspectief niet meer bij de moeder lag is besloten om [minderjarige] in [plaats 2] op school te laten. Dit om te voorkomen dat [minderjarige] , gezien zijn kwetsbaarheid en grote behoefte aan structuur, twee keer in korte tijd van school zou moeten wisselen – één keer in Nederland en één keer bij vertrek naar [land] . Om dit te faciliteren is de grootmoeder vaderszijde tijdelijk verhuisd naar [plaats 1] . Tijdens het perspectiefonderzoek is onderzocht of een neutraal pleeggezin passend is voor [minderjarige] , maar dit wordt door de gecertificeerde instelling niet passend geacht. Ook de pleegzorgbegeleider en de systeemtherapeut hebben te kennen gegeven dat het heel belangrijk is dat [minderjarige] bij de grootmoeder blijft, nu dit de stabiele persoon is in zijn leven. De Raad heeft naar voren gebracht dat hun voornaamste bezwaar is dat de hulpverlening wegvalt, maar op dit moment regelen de moeder en de grootmoeder vaderszijde bijna alles onderling. De grootmoeder vaderszijde heeft één keer per jaar een huisbezoek van de pleegzorgbegeleider en daarnaast houdt zij de gecertificeerde instelling op de hoogte als de contactmomenten anders lopen dan gepland. Daarnaast hebben de betrokken instanties ook aangegeven dat zij verwachten dat de grootmoeder – als zij hulp nodig heeft – deze hulpverlening goed zal weten te vinden in [land] . Verder heeft de grootmoeder vaderszijde de afgelopen jaren – ook de afgelopen maanden toen de jeugdbeschermer was uitgevallen – het contact tussen [minderjarige] en de moeder altijd gefaciliteerd. Door de instanties wordt de regie voor het contact tussen [minderjarige] en de moeder al jarenlang grotendeels bij de grootmoeder vaderszijde gelegd. Het was daarbij steeds aan de grootmoeder vaderszijde om te bepalen of het contact met de moeder op dat moment verantwoord en veilig was. Het verwijt van de Raad dat de grootmoeder vaderszijde eventueel zelf het contact zou kunnen stoppen, heeft haar diep gekwetst. Zij heeft zich juist de afgelopen jaren maximaal ingespannen om het contact met de moeder vorm te geven, hoe ingewikkeld het soms ook was, en heeft laten zien dat zij goed met de moeder afspraken kan maken. Door grootmoeder vaderszijde met de voogdij te belasten wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Daarnaast kan [minderjarige] door de voogdijbenoeming meeverhuizen naar [land] , zodat de huidige opvoedsituatie, waarin [minderjarige] een stabiele hechtingsrelatie met de grootmoeder heeft opgebouwd, kan worden gecontinueerd. Ter zitting heeft de grootmoeder vaderszijde een door haar en de moeder ondertekende vaststellingsovereenkomst overgelegd die is opgesteld naar aanleiding van een gesprek met een mediator. In deze overeenkomst staat dat de moeder instemt met het eenhoofdig gezag bij de grootmoeder vaderszijde én met de verhuizing van [minderjarige] naar [land] mét een maandelijkse weekendregeling met de moeder en nog een aantal extra afspraken over dit contact. De grootmoeder vaderszijde zal zich tot het uiterste inspannen om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te blijven waarborgen. In dit licht verzoekt de grootmoeder aan de rechtbank om te bepalen dat [minderjarige] en de moeder minimaal eenmaal per maand contact hebben, waarbij de grootmoeder vaderszijde en [minderjarige] naar Nederland zullen reizen, tenzij de moeder die betreffende maand naar [land] komt. Ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de vader heeft de grootmoeder vaderszijde ter zitting naar voren gebracht dat zij de afgelopen jaren al heeft moeten kiezen voor [minderjarige] , door haar eigen zoon de deur te wijzen en niet bij haar te laten slapen, ondanks dat hij geen eigen woning heeft. Zij heeft de ontwikkeling van [minderjarige] altijd boven die van [minderjarige] vader gezet en zal dit ook blijven doen. Als het in niet in het belang van [minderjarige] is om contact te hebben met de vader, dan zal er ook geen contact plaatsvinden.\n\n4.3.. De gecertificeerde instelling kan instemmen met het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet meer bij de moeder en de aanvaardbare termijn is verstreken. De gecertificeerde instelling ziet dat het ten aanzien van het benoemen van de voogdij gaat om een zeer complexe situatie. In januari 2025 heeft de gecertificeerde instelling bepaald dat het perspectief van [minderjarige] bij de grootmoeder ligt. Op dat moment is het plan ontstaan dat [minderjarige] mee kan verhuizen naar [land] , zodat hij bij een voor hem veilige en vertrouwde opvoeder kan opgroeien, zonder de ingrijpende plaatsing in een neutraal pleeggezin. Na overleg met de Centrale Autoriteit lijkt de enige aangewezen route om [minderjarige] met de grootmoeder vaderszijde mee te laten verhuizen dat zij als pleegouder de voogdij krijgt. De Raad heeft daarentegen, nadat zij onderzoek heeft gedaan, aangegeven dat zij dit niet in belang van [minderjarige] acht. De gecertificeerde instelling ziet de door de Raad genoemde risico’s ook, maar ziet daarnaast ook veel mogelijkheden bij de grootmoeder vaderszijde. Dit maakt dat er sprake is van een heel ingewikkeld dilemma. Daarbij benadrukt de gecertificeerde instelling dat volgens hen een plaatsing in een neutraal pleeggezin onwenselijk is. Desondanks zien zij ook de ambivalentie in het contact tussen de moeder en grootmoeder vaderszijde en is de rol van de vader nog niet heel duidelijk uitgekristalliseerd. Dit zou de komende periode dan nog verder uitgezocht moeten worden. Daarentegen ziet de gecertificeerde instelling dat het ook belangrijk is dat er een keuze wordt gemaakt over het verblijf, nu juist de onzekerheid over zijn toekomst als een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] wordt gezien.\n\nVerzoek II\n\nDe moeder en de grootmoeder vaderszijde hebben zich niet over dit verzoek uitgelaten.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:\n\na. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of\n\nb. de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.\n\n5.3.. De rechtbank overweegt in dit geval als volgt. De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en de beëindiging van het gezag van de moeder een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het privé- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] is enkele dagen na zijn geboorte (voorlopig) onder toezicht gesteld – waarna de ondertoezichtstelling tot op heden telkens is verlengd – en sinds 2022 is er sprake van een formele uithuisplaatsing bij de grootmoeder vaderszijde. Ondanks de kinderbeschermingsmaatregelen is het de afgelopen jaren niet gelukt om te komen tot een daadwerkelijke duurzame en structurele verbetering voor [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder kampt met complexe problematiek in haar persoonlijk functioneren en de rechtbank constateert dat er sprake is van een hardnekkig patroon waarin de moeder lijkt te profiteren van de hulpverlening, haar leven beter op orde heeft en dan alsnog terugvalt in haar (verslavings-)problematiek. Hoewel de rechtbank ziet dat de moeder nu gedeeltelijk de verzorging en opvoeding draagt over haar oudste twee kinderen (van 13 en 15 jaar), constateert de rechtbank ook dat deze kinderen een andere opvoedingsbehoefte hebben en de vader van deze kinderen een stabiele factor vormt in hun leven. Bij een onrustige periode in het leven van de moeder kan deze vader de kinderen opvangen en hij kan ook de moeder in het algemeen ontlasten doordat de kinderen elke week in het weekend bij hem verblijven. Hiertegenover staat dat de vader van [minderjarige] een (extra) trigger lijkt te zijn voor (de problematiek van) de moeder. Dit zorgt voor extra spanning bij de moeder en heeft een aantal maanden geleden nog tot een heftig incident geleid dat opnieuw impact heeft gehad op [minderjarige] (en zijn veiligheidsgevoel). De rechtbank is van oordeel dat de moeder [minderjarige] op dit moment nog steeds een onvoldoende veilige en stabiele opvoedomgeving kan bieden – die hij gezien zijn jonge leeftijd en kwetsbaarheid wel nodig heeft – en dat hij hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij deelt de rechtbank, gelet op het patroon van de afgelopen jaren, de verwachting van de Raad en de gecertificeerde instelling dat de moeder ook in de nabije toekomst onvoldoende in staat zal zijn om zelfstandig de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging over [minderjarige] te dragen.\n\n5.4.. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het voor [minderjarige] van groot belang is dat hij duidelijkheid krijgt over waar hij gaat opgroeien. Hoewel de gecertificeerde instelling begin 2025 al heeft bepaald dat niet meer actief wordt gewerkt aan een terugplaatsing bij de moeder, blijft er onzekerheid over zijn verblijfsplek bestaan. Er blijft onduidelijkheid voor [minderjarige] of hij met de grootmoeder kan meeverhuizen naar [land] – welk voornemen ook bij hem al langer bekend was – of dat hij toch in Nederland zal blijven met het gevolg dat hij dan in een neutraal pleeggezin zal moeten worden geplaatst. Ondanks zijn jonge leeftijd krijgt [minderjarige] de onrust over zijn verblijfsplek in de toekomst mee. Hij laat ook bepaalde kindsignalen zien die mogelijk te herleiden zijn naar deze onduidelijkheid, zoals onder meer opstandig gedrag. Gelet op het feit dat het niet meer de verwachting is dat de moeder de opvoeding en verzorging kan dragen, in combinatie met de onrust en onduidelijkheid die [minderjarige] zelf ervaart, is de rechtbank van oordeel dat de zogenoemde aanvaardbare termijn – de termijn hoe lang een kind onduidelijkheid kan ervaren over zijn toekomstperspectief – is verstreken. De maatregelen van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank niet langer passend. Uit het systeem van de wet volgt immers dat deze maatregelen niet geëigend zijn als terugplaatsing niet meer aan de orde is. Dat verhoudt zich niet tot de tijdelijkheid van die maatregelen, die er in beginsel op gericht zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen. Daarbij is de rechtbank er ook niet van overtuigd dat het de moeder gaat lukken – gelet op haar persoonlijk problematiek en de complexe relaties met de grootmoeder vaderszijde en de vader – om in het vrijwillig kader zelfstandig de hulp vorm te geven die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen. Volgens de rechtbank is er op dit moment dan ook geen minder ingrijpende maatregel mogelijk en wordt aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals gesteld in artikel 8 EVRM, voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder dan ook toewijzen.\n\nBenoeming voogdij\n\n5.5.. Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, moet de rechtbank een voogd over [minderjarige] benoemen. De Raad heeft verzocht om de gecertificeerde instelling te belasten met de voogdij en de grootmoeder vaderszijde heeft een zelfstandig verzoek gedaan om haar met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Zowel de gecertificeerde instelling als de grootmoeder vaderszijde hebben zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.\n\n5.6.. De rechtbank constateert dat los van de vraag wie gezagsbeslissingen over [minderjarige] mag nemen, het bepalen van de voogdij in de huidige situatie ook van grote invloed is op de vraag waar [minderjarige] de komende jaren zal opgroeien en verblijven. Immers, mocht de grootmoeder vaderszijde de voogdij over [minderjarige] verkrijgen dan zal [minderjarige] in de aankomende zomer met de grootmoeder verhuizen naar [land] . Mocht de voogdij bij de gecertificeerde instelling komen te liggen dan is het niet mogelijk dat [minderjarige] met de grootmoeder meeverhuist. Dit zal betekenen dat een neutraal pleeggezin voor [minderjarige] gevonden zal moeten worden.\n\n5.7.. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de het het meest in het belang is van [minderjarige] als de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde wordt belegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In beginsel heeft het de voorkeur dat de voogdij wordt belegd bij een natuurlijk persoon, te weten degene die met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige is belast. Per slot van rekening weet doorgaans de dagelijkse verzorger en opvoeder wat het meest in het belang van het kind is en kan daarop snel acteren. Sinds de geboorte van [minderjarige] is de grootmoeder vaderszijde actief betrokken in het leven van [minderjarige] en zij heeft al die jaren (eerst gedeeltelijk) een verzorgende en opvoedende rol gehad voor [minderjarige] . De afgelopen jaren heeft de grootmoeder vaderszijde daarbij laten zien de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en keuzes gemaakt – onder meer in het vormgeven van het contact met de vader, het uitstellen van de verhuizing naar [land] en het tijdelijk verhuizen naar [plaats 1] , zodat [minderjarige] op zijn huidige school kon blijven – die het belang van [minderjarige] hebben gediend. Dit is bewonderingswaardig, omdat deze keuzes ook ingrijpend zijn geweest voor de grootmoeder vaderszijde zelf. De grootmoeder vaderszijde heeft zich daarnaast telkens ingezet om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te waarborgen en ervoor te zorgen dat deze contactregeling veilig verloopt. De grootmoeder vaderszijde heeft vanuit de verschillende hulpverleningsinstanties ook de regie gekregen over dit contact en de rechtbank stelt vast dat dit de afgelopen jaren goed is verlopen en dat er geen stukken of signalen zijn waaruit blijkt dat de gecertificeerde instelling hierop moest ingrijpen. De rechtbank ziet dat er soms sprake was van ambivalentie in het contact tussen de moeder en de grootmoeder vaderszijde, maar ziet ook dat het contact telkens weer werd hersteld. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat de grootmoeder vaderszijde in staat is om de juiste gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen.\n\n5.8.. Vervolgens komt de vraag aan de orde of het in het belang van [minderjarige] is dat hij meeverhuist naar [land] , nu dit in de huidige situatie verbonden is aan het beleggen van de voogdij bij grootmoeder vaderszijde. Anders dan de Raad is de rechtbank van oordeel dat dit wel in het belang is van [minderjarige] , mede gelet op de andere realistische alternatieven. Duidelijk is dat de grootmoeder vaderszijde in het instabiele leven dat [minderjarige] heeft gekend, de afgelopen jaren een zeer belangrijk en stabiel hechtingsfiguur voor hem is geweest. De rechtbank vindt het van het grootste belang dat de grootmoeder vaderszijde deze rol voor [minderjarige] kan blijven vervullen. Daarbij ziet de rechtbank dat de grootmoeder vaderszijde al jarenlang het plan heeft om naar [land] te verhuizen en dit ook al jaren geleden kenbaar heeft gemaakt aan de gecertificeerde instelling. De rechtbank stelt vast dat de grootmoeder vaderszijde de verhuizing zorgvuldig en doordacht heeft voorbereid. Zo is er een huis met een kamer voor [minderjarige] , is er een school gevonden en is hij al bekend met de verblijfplaats in [land] – hij heeft zelfs al een vriendje – doordat hij hier al meermaals is geweest. De rechtbank is van oordeel dat een plaatsing in een neutraal pleeggezin een nog ingrijpender inbreuk zal zijn in het leven van [minderjarige] . Naast de veranderingen die hij dan ook hoogstwaarschijnlijk mee zal maken in de vorm van een nieuwe school en een nieuw huis, zal hij dan ook te maken krijgen met nieuwe (hoofd)opvoeders en zal hij de grootmoeder vaderszijde als hechtingsfiguur moeten missen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de situatie op dit moment – los van de verhuizing naar [land] – ook tijdelijk is. De grootmoeder is immers tijdelijk verhuisd naar [plaats 1] om dichter in de buurt van de school van [minderjarige] in [plaats 2] te zijn, wat in zal houden dat ook indien zij in Nederland zou blijven, mogelijk op korte termijn grote veranderingen zullen plaatsvinden ten aanzien van zijn verblijfsplaats en school (en daaruit volgend mogelijk ook ten aanzien van het contact met de moeder).\n\n5.9.. De rechtbank is zich er verder van bewust dat de verhuizing naar [land] betekent dat [minderjarige] minder contact zal hebben met de moeder. De rechtbank begrijpt dat dit ook een grote impact heeft op de moeder. Desondanks acht de rechtbank het belang van [minderjarige] dat zijn grootmoeder vaderszijde als hoofdopvoeder betrokken blijft op dit moment zwaarder wegen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging mee dat de moeder zelf duidelijk te kennen heeft gegeven niet te willen dat [minderjarige] naar een neutraal pleeggezin gaat en dat de voogdij bij de gecertificeerde instelling komt te liggen. De moeder heeft daarbij ook een (concept) vaststellingsovereenkomst getekend, waarin onder meer staat dat de moeder kan instemmen met een verhuizing van [minderjarige] naar [land] en met het eenhoofdig gezag bij de grootmoeder vaderszijde, mits er een duidelijke contactregeling is, die in deze vaststellingsovereenkomst is vastgelegd. De rechtbank kan in de onderhavige procedure het verzoek van de grootmoeder vaderszijde om een zorgregeling (conform de vaststellingsovereenkomst) vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] niet toewijzen, maar de rechtbank heeft kennis genomen van de regeling in de vaststellingsovereenkomst en kan deze regeling onderschrijven. De rechtbank is van oordeel dat deze regeling tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] . De moeder heeft een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] en het is van groot belang voor zijn ontwikkeling dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder op structurele basis wordt voortgezet. De rechtbank heeft gezien het verloop van de contactregeling in de afgelopen jaren – waarin de grootmoeder vaderszijde heeft aangetoond dit contact ondanks soms uitdagende omstandigheden telkens te kunnen faciliteren – voldoende vertrouwen dat de grootmoeder vaderszijde in samenspraak met de moeder in staat is om dit contact vorm te geven en uit te voeren.\n\n5.10.. Eén van de voornaamste bezwaren die de Raad naar voren heeft gebracht voor de verhuizing naar [land] is het wegvallen van de hulpverlening. Uit het onderzoek van de Raad volgt echter dat zowel de regressietherapeut als de pleegzorgbegeleider te kennen hebben gegeven dat zij verwachten dat de grootmoeder vaderszijde in staat is om zelf hulp te vinden in [land] als zij die nodig heeft. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de huidige hulpverlening op dit moment minimaal is en slechts bestaat uit (beperkte) pleegzorgbegeleiding en de betrokkenheid van een jeugdbeschermer. Dit contact ziet met name – zoals naar voren gebracht door de grootmoeder vaderszijde en niet weersproken door de gecertificeerde instelling – op de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] , waarin de grootmoeder vaderszijde zelf de regie heeft. Daarnaast heeft de Raad zorgen over het contact tussen de vader en [minderjarige] en het gebrek aan toezicht hierop. De rechtbank stelt vast dat het de afgelopen jaren met de aanwezigheid van de gecertificeerde instelling niet is gelukt om tot een vaste contactregeling te komen, mede door de problematiek en detentie van de vader. Recent is opnieuw geprobeerd om tot contactherstel te komen, maar dit is niet van de grond gekomen. Op dit moment zit de vader opnieuw in detentie. De rechtbank erkent dat er risico’s zullen zijn in dit contact, maar heeft er voldoende vertrouwen in dat de grootmoeder vaderszijde hierin de belangen van [minderjarige] voorop zal stellen, zoals zij altijd heeft gedaan.\n\nRekening en verantwoording vermogen van [minderjarige]\n\n5.11.. De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de grootmoeder vaderszijde die tot voogdes wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] .Dit betekent dat zij de grootmoeder vaderszijde op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de pleegmoeder vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.5.12.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.13.. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank acht het gezien de behoefte aan duidelijkheid van [minderjarige] niet in zijn belang dat hij nog langer onzekerheid ervaart over zijn verblijfplek. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat de verhuizing nog deze zomer kan plaatsvinden, zodat [minderjarige] na de zomervakantie direct kan starten op zijn nieuwe school, en de overgang van Nederland naar [land] op de minst ingrijpende wijze voor hem kan plaatsvinden. Het voorgaande weegt volgens de rechtbank zwaarder dan het risico dat [minderjarige] na een eventueel andersluidende beslissing in hoger beroep weer terug zal moeten verhuizen naar Nederland.\n\nAfwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n5.14.. Door het beëindigen van het gezag van de moeder komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en zij zal dit verzoek afwijzen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nbeëindigt het ouderlijk gezag van\n\n- [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1992 in [geboorteplaats 2] ;\n\nover de minderjarige:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;\n\n6.2.. \n\nbenoemt tot voogdes over voornoemde minderjarige:\n\n- [grootmoeder vaderszijde] ,geboren op [geboortedatum 3] 1973 in [geboorteplaats 2] ;\n\n6.3.. bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van voornoemde minderjarige;\n\n6.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.5.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. T.E.F. Reijnders en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.\n\n Artikel 1:276, eerste lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17486","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.103Z",{"id":129,"ecli":130,"slug":131,"caseNumber":44,"courtId":122,"decisionDate":132,"fullText":133,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":51,"updatedAt":136},"521","ECLI:NL:RBDHA:2026:17469","ecli-nl-rbdha-2026-17469","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummers: C\u002F09\u002F692121 \u002F JE RK 25-1662 en C\u002F09\u002F705647 \u002F FA RK 26-5095\n\nDatum uitspraak: 28 mei 2026\n\nBeschikking van de meervoudige kamer\n\nBeëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij\n\nAfwijzing aangehouden verzoek machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaken van\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\nhierna te noemen de gecertificeerde instelling,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming ’sGravenhage,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover de minderjarige\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbende aan:\n\n [de moeder], hierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. A. Ramsaroep uit Den Haag.\n\nDe rechtbank merkt in de zaak van de Raad ook als belanghebbenden aan:\n\nmr. K. Moene, hierna te noemen de bijzondere curator,\n\nen\n\nde gecertificeerde instellingvoornoemd.\n\nDe rechtbank betrekt de Raadin de zaak van de gecertificeerde instelling voor het inwinnen van advies.\n\n1. Het (verdere) verloop van de procedure(s)\n\n1.1.. Bij beschikking van 14 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 22 mei 2026. Het verzoektot de machtiging tot uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden en voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Aan de Raad is verzocht een adviesrapport uit te brengen ten behoeve van deze zitting.\n\n1.2.. Bij beschikking van 26 februari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg aansluitend verleend tot 1 juni 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden en de verdere behandeling is bepaald op 28 mei 2026 bij de meervoudige kamer van deze rechtbank.\n\n1.3.. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank een briefrapportage van de gecertificeerde instelling ontvangen van 12 mei 2025 met twee bijlagen.\n\n1.4.. Op 21 mei 2026 heeft de rechtbank het verzoekvan de Raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag ontvangen, met zeven bijlagen, waaronder het rapport van 20 mei 2026.\n\n1.5.. Op 28 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling en het verzoek van de Raad gecombineerd behandeld. Daarbij waren aanwezig:\n\n [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\n [naam 3] namens de Raad;\n\nde advocaat van de moeder;\n\nde bijzondere curator;\n\n [minderjarige] .\n\n1.6.. De moeder is niet in persoon bij de zitting aanwezig geweest. De advocaat heeft de reden daarvoor medegedeeld en namens de moeder tijdens de zitting haar standpunt naar voren gebracht. De advocaat heeft daarbij zijn spreekaantekeningen overgelegd.\n\n1.7.. Op 27 mei 2026 heeft de kinderrechter, tevens voorzitter van de meervoudige kamer, apart met [minderjarige] gesproken over hoe het met haar gaat en wat zij vindt van de verzoeken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met goedvinden van [minderjarige] , samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] is erkend door [naam 4] .\n\n2.2.. Bij beschikking van 26 augustus 2025 is bepaald dat de moeder eenhoofdig is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] woont sinds augustus 2026 bij de ouders van haar vriend (hierna: haar schoonouders), samen met haar vriend en hun dochtertje, dat op [datum] 2025 is geboren.\n\n2.4.. Bij beschikking van 22 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 november 2026 en de huidige machtiging tot uithuisplaatsing verleend.\n\n2.5.. Bij beschikking van 19 maart 2026 heeft de kantonrechter in deze rechtbank de bijzondere curator benoemd.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1.. Het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling strekt tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (te weten bij de schoonouders) voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\n3.2.. De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen en de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogd. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling van de rechtbank\n\n4.1.. De rechtbank beoordeelt eerst het verzoek van de Raad, omdat beëindiging van het gezag een verderstrekkende kinderbeschermingsmaatregel is dan het kader waarbinnen een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend (ondertoezichtstelling).\n\n4.2.. Beëindiging van ouderlijk gezag op verzoek van de Raad is een kinderbeschermingsmaatregel. Het doel daarvan is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is of als de ouder het gezag misbruikt.Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. De rechtbank beoordeelt ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.\n\n4.3.. In het geval van [minderjarige] en de moeder is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag is voldaan en dat de inmenging van deze maatregel in het privé- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] gerechtvaardigd is. De rechtbank legt hierna uit waarom.\n\n4.4.. De relatie tussen de moeder en [minderjarige] is complex en staat al langere tijd ernstig onder druk. De moeder is het oneens met keuzes die [minderjarige] heeft gemaakt ten aanzien van haar geloof en haar relatie en maakt zich naar eigen zeggen zorgen dat [minderjarige] in een slechte situatie is beland waarvan zij de gevolgen niet kan overzien. Op die zorgen zal de rechtbank later terugkomen. Voor het oordeel over het gezag is voor de rechtbank van belang hoe de moeder haar rol als gezaghebbende ouder vervult. Het beeld dat de Raad hierover heeft geschetst, gesteund door de gecertificeerde instelling, is door de moeder niet met concrete argumenten weerlegd. Wel is namens de moeder naar voren gebracht dat zij een andere visie heeft, samenhangend met haar zorgen, maar dat zij zich erbij neerlegt als haar ouderlijk gezag wordt beëindigd. Zij hoopt dat [minderjarige] daarmee geholpen is en rust krijgt.\n\n4.5.. De rechtbank overweegt daarom als volgt. Sinds [minderjarige] ervoor gekozen heeft de relatie met de vader van haar dochtertje te herstellen heeft de moeder haar handen van [minderjarige] afgetrokken en geen verantwoordelijkheid meer genomen als gezaghebbende ouder. [minderjarige] is toen met haar dochtertje bij haar schoonouders gaan wonen (augustus 2025). Vast staat dat dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal gaan wonen. Ze willen dat allebei niet. De moeder heeft duidelijk gemaakt dat [minderjarige] thuis niet meer welkom is. De moeder heeft ook niet vrijwillig meegewerkt aan belangrijke zaken die nodig zijn als [minderjarige] niet thuis kan wonen, zoals inschrijvingen (voor de huisarts) en het verlenen van toestemming (voor vakanties). Daarnaast kan door toedoen van de moeder [minderjarige] niet over haar bankrekening beschikken en geen nieuwe rekening openen. Dat is de reden geweest voor de benoeming van de bijzondere curator door de kantonrechter. Ook is er kinderbijslag van de rekening van [minderjarige] (bedoeld voor haar dochtertje) gehaald door de moeder. Ter zitting is daarover namens de moeder verklaard dat zij dit geld wilde veiligstellen en heeft bewaard voor haar kleindochter, maar eerder heeft zij gezegd dat zij daarmee een mobiele telefoon heeft verrekend. Wat de reden ook is, de moeder heeft [minderjarige] financieel klem gezet. [minderjarige] heeft daar veel last van en het zorgt enkel voor verdere verwijdering van elkaar. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat de moeder niet in het belang van [minderjarige] handelt en schade toebrengt aan de ontwikkeling en toekomst van [minderjarige] . Het is een verdrietige constatering dat [minderjarige] – als kind en jonge moeder – niet kan rekenen op haar moeder en daarmee een belangrijke steunfiguur in haar leven mist.4.6.. Voor de rechtbank is duidelijk dat de moeder de verzorging en opvoeding van [minderjarige] feitelijk niet draagt en dat ook niet meer zal doen.Daarnaast is de rechtbank ook van oordeel dat de moeder, anders dan zij stelt, bewust op een kwalijke manier met haar gezagspositie omgaat omdat ze het oneens is met de keuze van [minderjarige] voor haar relatie en geloofsovertuiging. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van misbruik van gezag.In het licht van de zorgen die de moeder zegt te hebben is haar handelen ook onbegrijpelijk voor de rechtbank. Door haar weigerachtige houding en het financieel klemzetten moet [minderjarige] juist steunen op haar schoonfamilie, die door de moeder wordt beticht van slechte intenties.\n\n4.7.. De onderliggende zorgen van de moeder maken het oordeel van de rechtbank over het gezag niet anders. De rechtbank hecht eraan deze zorgen wel te bespreken, mede omdat deze aanleiding zijn geweest voor de kinderrechter om de Raad om advies te vragen.4.8.. Kort gezegd is volgens de moeder sprake van een afhankelijkheidsrelatie van [minderjarige] ten opzichte van haar vriend, tevens de vader van hun dochtertje, en zijn familie. De moeder heeft [minderjarige] zien veranderen en keuzes zien maken die zij niet op een andere manier kan verklaren. Die afhankelijkheid zou onder meer blijken uit een Islamitisch huwelijk gesloten op haar 14e verjaardag (in 2024). De moeder is het er daarom niet mee eens dat [minderjarige] onder toeziend oog van de gecertificeerde instelling bij de schoonouders verblijft.4.9.. De kinderrechter heeft deze zorgen serieus genomen en op basis van de verklaringen geoordeeld dat de signalen van een religieuze huwelijksvoltrekking tijdens de minderjarigheid van [minderjarige] moeten worden onderzocht. De signalen waren onder meer verklaringen over een ceremoniële setting in het bijzijn van een Imam en een foto op de 14e verjaardag van [minderjarige] en haar vriend met een document voor zich dat [minderjarige] in haar bezit zou hebben. Op verzoek van de kinderrechter heeft de Raad onderzoek gedaan naar de situatie van [minderjarige] om advies te kunnen geven over de machtiging tot uithuisplaatsing.\n\n4.9.. Op basis van zijn onderzoek heeft de Raad niets kunnen vinden dat erop duidt dat hier sprake is van een Islamitisch huwelijk, een gedwongen huwelijk of een gedwongen kindhuwelijk. Aan geen van de formele vereisten daarvoor is voldaan. De signalen berusten volgens de Raad op misverstanden. [minderjarige] en haar vriend hebben -in aanwezigheid van een vriend- op haar 14e verjaardag hun verkering naar elkaar uitgesproken, met een zelf gemaakt document. Dit is weggegooid toen [minderjarige] de relatie voor de geboorte van het dochtertje heeft verbroken. Ook is, aldus de Raad, niet gebleken van een gedwongen of ongewenste afhankelijkheid van [minderjarige] ten opzichte van haar vriend en schoonouders. Evenals de gecertificeerde instelling ziet de Raad geen aanleiding om de bedoelingen van de schoonouders in twijfel te trekken. Zij bieden haar geborgenheid en veiligheid en ondersteunen haar op alle gebieden, met oog en ruimte voor haar ontwikkeling als adolescent. Ze gaat weer volledig naar school en pakt samen met haar vriend de verzorging van hun dochtertje goed op. De slotsom is dat het juist fijn is voor [minderjarige] dat zij door dit gezin is opgevangen, nu zij geen steun vindt bij haar moeder.\n\n4.10.. De rechtbank constateert dat de zorgen over een vermeend kindhuwelijk voldoende zijn weggenomen door het rapport van de Raad. De beschikbare informatie wijst niet uit dat het religieuze huwelijk heeft plaatsgevonden. Overigens zou het nietig zijn als dat wel het geval was. Verder worden de zorgen van de moeder over een gedwongen of onwenselijke afhankelijkheidspositie van [minderjarige] ten opzichte van haar schoonfamilie niet door de feiten gesteund. De vrees dat [minderjarige] in een situatie zit waar zij niet uit kan komen is voldoende weggenomen door het onderzoek van de Raad. Daarbij merkt de rechtbank op dat de relatie tussen [minderjarige] en haar vriend eerder een periode verbroken geweest, en ook toen zijn er geen zorgen ontstaan over dwang vanuit of (negatieve) beïnvloeding door (de familie van) haar vriend. Tot slot zijn er veiligheidsafspraken gemaakt door de gecertificeerde instelling met de schoonouders om risico’s weg te nemen, zoals de afspraak dat indien de relatie tussen [minderjarige] en haar vriend zou uit gaan, zij met het dochtertje bij de schoonouders kan blijven wonen en hij zal verhuizen. Feit is dat zij nu ook samen ouders zijn en de zorg dragen voor hun dochtertje, over wie overigens geen zorgen bestaan.\n\n4.11.. Uit het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie, voor zover dat aan haar oordeel is onderworpen, dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in het gezin van haar schoonouders op dit moment in haar belang is.4.12.. Door de beëindiging van het gezag van de moeder moet de rechtbank een voogd over [minderjarige] benoemen die voortaan de gezagsbeslissingen neemt.De gecertificeerde instelling heeft verklaard dat te willen doen en de rechtbank vindt dat in het belang van [minderjarige] . De jeugdbeschermers hebben [minderjarige] intensief gesteund in de afgelopen maanden. Daardoor is het [minderjarige] gelukt om ondanks de onrust positieve stappen te zetten, zoals op school en ten aanzien van haar eigen moederschap. De rechtbank heeft het vertrouwen dat de gecertificeerde instelling de belangen van [minderjarige] zal behartigen en in het bijzonder oog zal houden voor de kwetsbare positie van [minderjarige] in relatie tot haar moeder en schoonfamilie. Bovendien draagt de gecertificeerde instelling ook de voogdij over het dochtertje.\n\n4.13.. Bij de benoeming van de voogdij zal de rechtbank bepalen dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] .Dat betekent dat zij de gecertificeerde instelling op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.4.14.. De beslissing tot beëindiging van het ouderlijk gezag wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n4.15.. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat.\n\n4.16.. Als gevolg van de beslissing over het gezag, de voogdij en de uitvoerbaarheid bij voorraad is er geen belang meer bij een beslissing op het aangehouden verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing. Voor de volledigheid zal de rechtbank dat verzoek voor het overige afwijzen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. \n\nbeëindigt het ouderlijk gezag van de moeder\n\n [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\n over de minderjarige\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\n5.2.. \n\nbenoemt tot voogd over voornoemde minderjarige\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\n5.3.. bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van voornoemde minderjarige;5.4.. wijst het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling over de machtiging tot uithuisplaatsing af;5.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. R.G. de Lange-Tegelaar, mr. M.H. Rochat en mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.\n\nDe beslissing is schriftelijk vastgesteld op 25 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 810, eerste lid, Rv.\n\n Zaaknummer C\u002F09\u002F692121 \u002F JE RK 25-1662\n\n Zaaknummer C\u002F09\u002F705647 \u002F FA RK 26-5095.\n\n Zaaknummer 12118647 EJ26-71285, pro forma aangehouden tot 19 september 2026.\n\n Artikel 1:266, eerste lid, BW.\n\n Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.\n\n Artikel 1:266, eerste lid, sub a, BW.\n\n Artikel 1:266, eerste lid, sub b, BW.\n\n Artikel 1:275, eerste lid, BW.\n\n Artikel 1:276, eerste lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17469","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.578Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":44,"courtId":122,"decisionDate":132,"fullText":141,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":51,"updatedAt":143},"544","ECLI:NL:RBDHA:2026:17453","ecli-nl-rbdha-2026-17453","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-9531\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F696236\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Vervangende toestemming erkenning en gezag\n\nBeschikking op het op 10 december 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. E.D. Radenovska te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende ten aanzien van het verzoek aangaande de vervangende toestemming tot erkenning wordt aangemerkt:\n\n [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,\n\nde minderjarige,\n\nin rechte vertegenwoordigd door mr. E.G.S.N. Asselbergs,\n\nadvocaat te ’s-Gravenhage,\n\nin de hoedanigheid van bijzondere curator.\n\nAls belanghebbende ten aanzien van het verzoek aangaande het gezag wordt aangemerkt:\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden,\n\nde voorlopige voogdes,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van:\n\n- het verzoekschrift, ingekomen op 10 december 2025;\n\n- het verslag van de bijzondere curator, ingekomen op 4 maart 2026;\n\n- het bericht van 11 maart 2026 van de zijde van de man;\n\n- het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de bijzondere curator;\n\n- het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de man.\n\nFeiten\n\n-Uit de affectieve relatie tussen de man en [de moeder] (hierna: de moeder) is [de minderjarige] op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] geboren.\n\n-[de minderjarige] is niet erkend.\n\n-De moeder is op [datum] 2025 overleden.\n\n-De moeder was van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.\n\n-[de minderjarige] verblijft sinds het overlijden van de moeder bij de man en diens moeder.\n\n-Bij beschikking van deze rechtbank van 28 oktober 2025 is de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] tot 20 januari 2026. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 18 december 2025 verzocht om de man te belasten met de voogdij over [de minderjarige] . Op dit verzoek is nog geen beslissing genomen, zodat de voorlopige voogdij van de gecertificeerde instelling na 20 januari 2026 is blijven doorlopen.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 6 januari 2026 is mr. E.G.S.N. Asselbergs voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [de minderjarige] ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de man strekt ertoe:\n\n- primair: de man vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij [de minderjarige] kan erkennen;\n\nsubsidiair: het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen;\n\n- de man met het gezag over [de minderjarige] te belasten,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe bijzondere curator verzoekt zelfstandig het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nBeoordeling\n\nVervangende toestemming erkenning\n\nDe man heeft primair verzocht hem vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Subsidiair heeft de man verzocht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.\n\nVoor de bijzondere curator staat vast dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] . Zij acht het in het belang van [de minderjarige] dat het vaderschap van de man komt vast te staan. De bijzondere curator heeft op zich geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Haar voorkeur gaat echter uit naar gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man omdat dit terugwerkt tot de geboorte van [de minderjarige] .\n\nNadat de man kennis heeft genomen van het verslag van de bijzondere curator, heeft hij gepersisteerd bij zijn primaire verzoek.\n\nDe rechtbank ziet in erkenning geen nadeel voor [de minderjarige] en nu dit de uitdrukkelijke wens van de vader is, zal de rechtbank het primaire verzoek van de man beoordelen.\n\nArtikel 1:204, derde lid, BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.\n\nDe moeder kan door haar overlijden geen toestemming meer geven voor de erkenning door de man. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 1:204 BW dient onder het ontbreken van toestemming ook te worden begrepen het geval dat de moeder geen toestemming meer kan geven omdat zij is overleden.\n\nNu voldoende is komen vast te staan dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , alle betrokkenen het eens zijn met het verzoek en de rechtbank niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang kan komen, zal de rechtbank het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen, toewijzen. Het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator om het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen, zal worden afgewezen.\n\nUit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.\n\nGezag\n\nDe rechtbank zal de beslissing op het verzoek van de man om hem met het gezag over [de minderjarige] te belasten aanhouden. Op dit verzoek kan pas worden beslist nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na de datum van deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. Het verzoek van de man aangaande het gezag zal samen met het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot voorziening in de voogdij (zaaknummer C\u002F09\u002F696516) worden behandeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1984 te [geboorteplaats 1] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1983 te [geboorteplaats 2] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;\n\nwijst af het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator;\n\nbeschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;\n\nbepaalt dat de beslissing ten aanzien van het gezagpro forma wordt aangehouden tot1 november 2026;\n\nbepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door\n\nmr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17453","2026-07-13T00:28:36.001Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":44,"courtId":122,"decisionDate":132,"fullText":148,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":149,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":51,"updatedAt":150},"387","ECLI:NL:RBDHA:2026:17436","ecli-nl-rbdha-2026-17436","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-7121\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F691898\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 29 september 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende te op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.J.M. Vélu te Rotterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.\n\n Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .\n\n De vader heeft [de minderjarige] met toestemming van de moeder op 23 juni 2023 erkend.\n\n De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.\n\n [de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden sinds oktober 2024 zijn gewijzigd.\n\nBeoordeling\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over het kind blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien\n\nb) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nDe moeder stelt dat de vader niet goed voor [de minderjarige] zorgt wanneer zij bij hem is. Zij heeft autisme en is op extra hulp aangewezen. Volgens de moeder is het te druk bij de vader thuis voor [de minderjarige] , gelet op de aanwezigheid van de andere kinderen van de vader. De moeder heeft in oktober 2024 de omgangsregeling stopgezet, omdat zij aan [de minderjarige] merkte dat deze vorm van contact haar geen goed deed. Daarnaast geeft zij aan geen contact te hebben met de vader en als er wel contact is, dat dit slecht verloopt. De moeder stelt dat de vader een eigen leven heeft met een nieuw gezin en dat [de minderjarige] daar niet tussen past. Momenteel ondervindt de moeder geen problemen met de gezamenlijke gezagsuitoefening, maar zij geeft aan graag problemen in de toekomst voor te blijven.\n\nOp de zitting heeft de vader aangegeven dat hij [de minderjarige] sinds oktober 2024 niet meer gezien heeft. Wel hebben de vader en [de minderjarige] wekelijks contact waarbij zij elkaar berichten sturen via de telefoon. De vader heeft aangegeven dat hij niet uit het gedrag van [de minderjarige] heeft kunnen afleiden dat het haar te druk was bij hem thuis, hij dacht dat zij het juist leuk bij hem had. De vader heeft zich neergelegd bij het verbreken van het contact, omdat hij ervan uitgaat dat de moeder het beste weet wat goed is voor [de minderjarige] . Nooit heeft de vader de gezamenlijke gezagsuitoefening dwars willen zitten en hij heeft daarom dan ook altijd de benodigde documenten ondertekend. Op die manier bleef hij ook op de hoogte omtrent huidige ontwikkelingen van [de minderjarige] .\n\nOp de zitting is gebleken dat de vader [de minderjarige] graag zou willen zien en beide ouders hebben de bereidheid uitgesproken om zich hiervoor in te gaan zetten. Op aanraden van de Raad zal de moeder zal hiervoor een aanmelding doen bij het wijkteam of Family Supporters. Het doel hiervan is dat de vader handvatten krijgt zodat hij kan leren om te gaan met het autisme van [de minderjarige] en er gewerkt kan worden aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] .\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting daarnaast gebleken dat er een aantal misverstanden tussen de ouders zijn geweest waardoor er nu een gebrek aan contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Om het gezamenlijk gezag te beëindigen moet de rechtbank toetsen of [de minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders. De rechtbank concludeert dat hier geen sprake van is, nu de vader vooralsnog altijd de benodigde documenten heeft ondertekend binnen een redelijke termijn. Ook is niet gebleken dat het anderszins in het belang van [de minderjarige] is dat de moede het eenhoofdig gezag verkrijgt. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag daarom afwijzen.\n\nBeslissing De rechtbank:\n\nwijst het verzoek van de moeder af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17436","2026-07-13T00:28:27.211Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":44,"courtId":122,"decisionDate":132,"fullText":155,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":51,"updatedAt":157},"465","ECLI:NL:RBDHA:2026:17439","ecli-nl-rbdha-2026-17439","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-8765\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F694899\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 14 november 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift.\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een brief aan de rechter laten weten wat zij van het verzoek vinden.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde vader;\n\nmevrouw [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2019.\n\n- Zij zijn de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats];\n\n- Partijen zijn ook de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats],\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats],\n\n- De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.\n\n- Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 13 maart 2019 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 november 2020 zijn [jongmeerderjarige], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland van 11 november 2020 tot 11 november 2021. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 oktober 2022 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 11 november 2023.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 16 november 2022 is – voor zover van toepassing – het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag afgewezen en is ten aanzien van de zorgregeling bepaald dat het contact tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden onder regie van de jeugdbeschermer.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 3 november 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd voor de periode van 11 november 2023 tot 11 november 2024. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 november 2024 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 11 november 2025.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt te bepalen dat haar voortaan alleen het ouderlijk gezag toekomt over de minderjarige kinderen van partijen;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vader heeft op de zitting heeft gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nGezag\n\nWettelijk kader\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er al een tijd geen contact meer is tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Voor [minderjarige 2] is dat het geval sinds begin 2024 en voor [minderjarige 1] is dat al langer het geval, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. De communicatie tussen partijen is, ondanks de ondertoezichtstelling, onverminderd slecht en er is al geruime tijd geen communicatie mogelijk tussen de ouders. Hierin valt volgens de moeder op korte termijn geen verbetering te verwachten. [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] hebben al jarenlang geen contact met de vader. Het is de jeugdbeschermer niet gelukt om contact tussen [minderjarige 2] en de vader tot stand te brengen. [minderjarige 2] heeft bij de jeugdbeschermer aangegeven geen contact meer te willen met de vader. Volgens de moeder heeft de vader aan de jeugdbeschermer laten weten dat hij geen contact meer wenst met de moeder en de jeugdbeschermer en ook niet mee wil werken aan eventuele hulpverlening. Ook heeft hij aangegeven geen toestemmingsformulieren meer te zullen tekenen. Dit brengt voor de moeder onherroepelijk problemen met zich mee voor te nemen gezagsbeslissingen, zoals een schoolkeuze of de aanvraag van reisdocumenten. Handhaving van het gezamenlijk gezag betekent hierdoor dat de kinderen klem of verloren raken tussen partijen. Daarom is wijziging van het gezag noodzakelijk, zodat de moeder gezagsbeslissingen voortaan alleen kan nemen.\n\nDe vader heeft op de zitting verweer gevoerd. Hij heeft bevestigd dat hij heeft gezegd geen contact meer te willen met de hulpverlening en geen toestemmingsformulieren meer te zullen tekenen. Dit komt door hoe het de afgelopen jaren is gegaan. De moeder heeft de zorgregeling eenzijdig stopgezet. Er is hem niet eerder om toestemming voor gezagsbeslissingen gevraagd. De vader heeft van [minderjarige 1] begrepen dat voor organisaties verzwegen is dat hij de gezaghebbende vader is, waardoor hem niet om toestemming is gevraagd. Volgens de vader komen de kinderen klem te zitten als hij contact heeft met de moeder. Dat gaat altijd lelijk en daar heeft hij geen zin meer in en wil hij de kinderen niet aandoen. De vader wil het gezag wel uit blijven oefenen, maar contact hebben met de moeder gaat niet. In deze situatie acht de vader het beter als de moeder alles zelf gaat doen. De deur voor de kinderen blijft altijd open, maar voor de moeder is deze dicht.\n\nDe Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader mee heeft gewerkt aan het eerder uitgevoerde Raadsonderzoek voor [minderjarige 1]. De vader heeft overal toestemming voor gegeven en was betrokken. De Raad wilde dan ook graag de zitting afwachten om te horen hoe de vader denkt over het gezag. De Raad vindt het knap wat de vader zegt in het belang van de kinderen. De Raad acht het wel van belang dat de moeder de vader blijft informeren.\n\nDe rechtbank overweegt dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er is geen communicatie tussen hen. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat hij moegestreden is. Hij wil op geen enkele manier contact met de moeder en heeft haar overal geblokkeerd. Hij wil niet betrokken worden in het leven van de kinderen, omdat hij dan contact moet hebben met de moeder en dat wil hij niet in het belang van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken de minimale basis voor gezamenlijk ouderlijk gezag ontbreekt. Het is daarom in het belang van de kinderen dat de moeder alleen met het gezag wordt belast, zodat de rechtbank het verzoek van de moeder zal toewijzen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarigen:\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats];\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats];\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17439","2026-07-13T00:28:31.749Z",{"id":159,"ecli":160,"slug":161,"caseNumber":44,"courtId":122,"decisionDate":132,"fullText":162,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":163,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":51,"updatedAt":164},"459","ECLI:NL:RBDHA:2026:17438","ecli-nl-rbdha-2026-17438","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-1055\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F680135\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026\n\nGezag, vervangende toestemming, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, informatieregelingBeschikking op het op 5 februari 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Schuerman te [geboorteplaats 1] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.V. Paniagua te [geboorteplaats 1] .\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet aanvullend verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoeken;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 14 februari 2025;\n\n-het F9-bericht met de brief d.d. 12 januari 2026 van de zijde van de moeder;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 3 februari 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht met de brief d.d. 5 februari 2026 van de zijde van de moeder;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 6 februari 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 13 april 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 27 april 2026 met bijlagen.\n\nDe minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben op 2 februari 2026 in een gesprek met de rechter hun mening gegeven.\n\nOp 5 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde advocaat van de moeder;\n\n [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nOp de zitting heeft de advocaat van de moeder een wrakingsverzoek gedaan en ter onderbouwing daarvan een pleitnota overgelegd. Na het voordragen van de pleitnota door de advocaat van de moeder is de zitting gesloten.\n\nHet wrakingsverzoek is afgewezen door de wrakingskamer.\n\nOp 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam 2] namens de Raad.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2015 tot [datum 2] 2023.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] .\n\n- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de vader.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2023, die is hersteld bij beschikking van 16 maart 2023, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is – voor zover hier van belang – een co-ouderschapsregeling bepaald waarbij de kinderen de ene week bij de vader zijn en de andere week bij de moeder met een wisselmoment op maandag om 19.00 uur, waarbij de ouders in onderling overleg in het traject ouderschapsbemiddeling nadere afspraken kunnen maken.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] voortaan bij de vader zal zijn en zijn de ouders verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding, met voorkeur voor het Wilmahuis en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe vader verzoekt:\n\nte bepalen dat hij alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per datum indiening verzoekschrift;\n\nvervangende toestemming te verlenen voor de bijschrijving van de minderjarige kinderen op de zorgverzekering van de vader;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nDaarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:\n\nindien de verzoeken van de vader niet direct worden afgewezen, doorverwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer;\n\nde Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar de verzoeken van de vader en de rechtbank te adviseren;\n\nde minderjarigen (voorlopig) onder toezicht te stellen van een GI;\n\nde zorgregeling\u002Fomgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen te wijzigen naar een zorgregeling waarbij de kinderen om de 14 dagen een weekend van vrijdag tot zondag bij de moeder zijn en alle vakanties bij helfte worden verdeeld;\n\neen informatieregeling vast te stellen waarbij de vader de moeder eens per vier weken dient te informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarige en dat de vader de moeder telkens informeert onder meer met toezending van een recente foto van de minderjarige, althans een informatieregeling te treffen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;\n\nBij wijze van voorlopige voorziening:\n\neen voorlopige zorgregeling\u002Fomgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen en de moeder middels begeleide bezoeken naar de uitbreiding van een zorgregeling werken;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vader heeft op de zitting verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nVoorlopige voorziening\n\nOp grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp dat in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige zorgregeling\u002Fomgangsregeling afwijzen bij gebrek aan belang.\n\nVerwijzing naar de meervoudige kamer\n\nJuridisch kader\n\nAls een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer, bestaande uit drie leden. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen (artikel 15 lid 2 Rv).\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt om een verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer, omdat het de zoveelste rechtszaak is tussen de ouders na een langlopende en ingewikkelde echtscheiding en de beslissing over het verzoek van de vader over het eenhoofdig gezag een zo vergaande beslissing is dat deze volgens haar meervoudig genomen moet worden.\n\nDe vader ziet geen reden om de zaak meervoudig te behandelen en is van mening dat de kinderrechter de zaak in een eindbeschikking kan afdoen op basis van de stukken en de zitting.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is de zaak geschikt voor behandeling en beslissing door één rechter. Daarom wijst zij dit verzoek van de moeder af.\n\nOnderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming\n\nDe rechtbank acht zich op grond van de stukken en de zitting voldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen in het belang van de kinderen en ziet ook verder geen redenen om een raadsonderzoek te gelasten. Daartoe overweegt de rechtbank dat er al veel hulpverlening betrokken is geweest bij partijen, waaronder een bijzondere curator. De kinderen hebben aangegeven rust te willen; ze hebben al heel veel gesprekken met hulpverleners gevoerd en ze hopen dat daar een einde aan komt. Zoals ook door de Raad op de zitting naar voren gebracht, is het de vraag of het in het belang van de kinderen is om ze aan nog een onderzoek bloot te stellen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat een raadsonderzoek tot nieuwe inzichten zal leiden. Daarbij komt, zoals ook door de vader aangevoerd, dat de kinderen behoefte hebben aan rust en duidelijkheid. Een raadsonderzoek gaat lang duren en brengt ook weer onzekerheid met zich mee. Dit alles overwegende zal de rechtbank het verzoek van de moeder om een raadsonderzoek afwijzen.\n\nGezag\n\nWettelijk kader\n\nUitgangspunt is dat de ouders, ook na een scheiding, gezamenlijk het gezag over hun kinderen blijven uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er al geruime tijd geen contact meer is tussen de moeder en de kinderen, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vader verzoekt hem te belasten met het éénhoofdig gezag over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , omdat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. Voor het nemen van gezagsbeslissingen moet een ouder voldoende betrokken zijn en ook weten hoe het staat met het welzijn en de behoefte van de kinderen. De moeder is al jaren niet betrokken bij het leven van de kinderen en heeft geen zicht op hun ontwikkeling. Met [de minderjarige 2] is er vanaf juni 2022 geen contact en met [de minderjarige 1] vanaf medio 2023. De kinderen verzetten zich tegen het contact met de moeder. De vader ervaart bovendien moeilijkheden in de communicatie met de moeder. De moeder werkt onvoldoende mee bij te nemen gezagsbeslissingen, zoals vakanties, het aanvragen van identiteitsbewijzen voor de kinderen en de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dat geeft de vader en kinderen spanning en stress. Als de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag dan sluit dat aan bij de feitelijke situatie. Ook geeft dat de kinderen rust, stabiliteit en duidelijkheid.\n\nDe moeder stelt zich op het standpunt dat er niet is voldaan aan de wettelijke vereisten om het gezamenlijke gezag te kunnen beëindigen. Het klopt dat er geen contact is tussen haar en de kinderen, zij wordt structureel buitengesloten door de vader. Desondanks blijft zij zoveel mogelijk actief betrokken bij de kinderen. De moeder is gestart met het documenteren van de ontwikkelingen van de kinderen. Op deze manier heeft zij zicht op het leven van de kinderen en is zij in staat samen met de vader gezagsbeslissingen te nemen. Hoewel er al geruime tijd geen constructief overleg tussen de ouders heeft plaatsgevonden is er geen sprake van een gezagsvacuüm, volgens de moeder. De vader heeft gezagsbeslissingen zelfstandig kunnen nemen. Zij heeft geen gezagsbeslissingen tegengewerkt. De moeder is bang dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt als de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast. Het ouderlijk gezag is op dit moment het enige wat haar verbindt met de kinderen.\n\nDe rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de kinderen het gezag aan één van de ouders moet toekomen.\n\nDe rechtbank ziet zich in dit geval gesteld voor een keuze tussen twee kwaden. In stand houden van het gezamenlijk gezag betekent dat partijen gezamenlijk beslissingen moeten nemen over de kinderen terwijl de verstandhouding tussen hen heel slecht is en de communicatie feitelijk niet bestaand. Dat maakt het samen nemen van beslissingen voor de kinderen heel lastig zo niet onmogelijk. Dit levert voor de kinderen veel onzekerheid en onrust op. Daar staat tegenover dat wanneer de moeder geen gezag meer heeft, het risico bestaat dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt. Het gezag is op dit moment het laatste lijntje van de moeder met de kinderen. Beide situaties zijn niet goed voor de kinderen en de rechtbank moet daarin een belangafweging maken.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de moeder aangegeven niet aan gezagsbeslissingen in de weg te willen staan. Tegelijkertijd is het de rechtbank uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken gebleken dat het partijen vaker niet dan wel lukt om samen gezagsbeslissingen te nemen. Er is steeds tussenkomst van een derde nodig, zoals de bijzondere curator, de advocaten of de rechtbank zoals in deze procedure waar het gaat om de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat partijen niet in staat zijn samen beslissingen te nemen. Gelet op de al jaren ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders, ligt het niet in de lijn der verwachting dat dit (in de nabije toekomst) zal veranderen. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben hier last van, het levert voor hen steeds stress en onzekerheid op. Daarbij komt dat er bij de kinderen door gebeurtenissen uit het verleden grote weerstand is tegen contact met de moeder, waardoor het voor hen extra belastend is als gezagsbeslissingen niet kunnen worden genomen. De rechtbank weegt ook mee dat de moeder op dit moment geen rol speelt in het leven van de kinderen. Ook daar is niet de verwachting dat dit (op korte termijn) zal veranderen. Zij kan daarom niet een sparring partner voor de vader zijn waar het gaat om gezagsbeslissingen die in het belang van de kinderen moeten worden genomen. De rechtbank ziet een moeder die van haar kinderen houdt en niets liever wil dan betrokken worden in het leven van haar kinderen, maar door alles wat er is gebeurd niet altijd in staat lijkt mee te werken in het belang van de kinderen.\n\nDit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat het in het belang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] noodzakelijk is dat de vader alleen de beslissingen over hen kan nemen en dat hij met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen. Anders dan de vader verzoekt zal de rechtbank bepalen dat dit geldt vanaf de datum van deze beschikking.\n\nVervangende toestemming zorgverzekering\n\nNu de rechtbank de vader met het eenhoofdig gezag zal belasten, kan hij zelfstandig de kinderen bijschrijven op zijn zorgverzekering en heeft hij de toestemming van de moeder niet meer nodig. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen wegens een gebrek aan belang.\n\n(Voorlopige) ondertoezichtstelling\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en: (a) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en (b) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen. Op grond van het tweede lid is een ouder bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat.\n\nOp grond van artikel 1:257 lid 1 BW kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Op grond van artikel 1:257 lid 2 BW is artikel 1:255 lid 2 BW overeenkomstig van toepassing. De kinderrechter bepaalt de duur van dit toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.\n\nOntvankelijkheid\n\nDe rechtbank overweegt dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek op grond van artikel 1:255, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu de Raad op de zitting heeft laten weten niet over te gaan tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat er gewerkt moet worden aan het negatieve en vertekende beeld dat de kinderen van haar hebben. Volgens de moeder is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en zijn de ouders tot op heden niet in staat gebleken om hulp te regelen die nodig is om deze zorgen weg te nemen.\n\nDe vader is het hier niet mee eens. De kinderen worden volgens hem helemaal niet in hun ontwikkeling en veiligheid bedreigd, zodat er niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten.\n\nOp basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor een (spoed) ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op een eerdere zitting is er ook al gesproken over een mogelijke ondertoezichtstelling. In de beschikking van 8 augustus 2024 is hierover het volgende opgenomen: “Op de zitting is nog gesproken over een mogelijk raadsonderzoek naar een eventuele kinderbeschermingsmaatregel, zodat een jeugdbeschermer met de ouders mee kan kijken. De Raad vindt dit echter niet in het belang van de kinderen is. Een jeugdbeschermer wordt dan verantwoordelijk gemaakt voor het probleem dat de ouders niet lijken te kunnen oplossen.”Dat is naar het oordeel van de rechtbank nog altijd de situatie. Daarbij komt dat de Raad op deze zitting wederom heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor een ondertoezichtstelling.\n\nOmgang\n\nJuridisch kader\n\nNu de rechtbank de vader zal belasten met het eenhoofdig gezag, zal de rechtbank hierna daar waar van toepassing de term omgang gebruiken.\n\nOp grond van artikel 1:377e lid 1 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders, van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt, als de kinderen niet onder toezicht gesteld worden, om een regeling waarbij de kinderen, al dan niet met een opbouwregeling, om de veertien dagen één weekend van vrijdag tot zondag en de vakanties bij helfte bij haar verblijven. Op de zitting heeft de advocaat van de moeder aangegeven dat de moeder begrijpt dat dit verzoek niet volledig kan worden toegewezen. Zij zet echter hoog in, in de hoop dat er op deze manier contactherstel tussen de moeder en de kinderen tot stand komt. Het is aan de rechtbank om hierin een afweging te maken.\n\nDe vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij te allen tijde het contact van de kinderen met de moeder heeft aangemoedigd en gestimuleerd. Op enig moment hebben de kinderen aangegeven dat zij zich dusdanig gepusht voelden terwijl ze niet naar de moeder wilden, dat ze het vertrouwen in hem aan het verliezen waren. Daar heeft de vader de grens getrokken in het stimuleren. Als de kinderen contact willen met hun moeder dan zal de vader dat ondersteunen. De kinderen weten wie hun moeder is en ze hebben een leeftijd waarop ze hierin zelfstandig een keuze kunnen maken. Voor contactherstel en het opstarten van de zorgregeling is al veel hulpverlening ingezet, zonder resultaat. De kinderen verzetten zich steeds. Gelet op de leeftijd van de kinderen moet er rekening worden gehouden met hun mening.\n\nHet is de rechtbank duidelijk geworden dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er zijn meerdere procedures gevoerd en verschillende hulpverleningstrajecten opgestart. Het laatste traject, begeleide omgang via ’t Zorghuisje, is vastgelopen omdat de weerstand bij de kinderen te groot was. ‘t Zorghuisje heeft geconcludeerd dat herstel van het contact een beladen thema is en dat verdere stappen in het tempo van de kinderen moeten gebeuren. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de kinderen consequent zijn in hun verhalen. Hun ervaringen zijn heftig. De rechtbank constateert dat dit voor de moeder moeilijk is om te horen. Zij herkent de door de kinderen aangehaalde ervaringen niet en kan dit ook niet begrijpen. Zoals ook eerder door de bijzondere curator opgemerkt, is voor een mogelijk contactherstel nodig dat de kinderen zich gezien en gehoord voelen. Zij hebben het nodig om serieus genomen te worden. Dit is voor de moeder (op dit moment) niet haalbaar. De rechtbank ziet, evenals in eerdere procedures, geen draagvlak bij de kinderen en partijen om een omgangsregeling te bepalen. Het verzoek van de moeder zal de rechtbank dan ook afwijzen.\n\nInformatieregeling\n\nJuridisch kader\n\nOp grond van artikel 1:377b, lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen. Over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt een informatieregeling, waarbij de vader de moeder eens per vier weken moet informeren over de kinderen. De vader kan zich hierin vinden, maar wil mede gelet op de leeftijd van de kinderen ééns per kwartaal de moeder informeren.\n\nDe rechtbank acht het gelet de leeftijd op de kinderen niet nodig dat de vader de moeder elke vier weken op de hoogte houdt. De rechtbank gaat mee in de voorgestelde frequentie door de vader en stelt vast dat de vader de moeder eens per kwartaal informeert over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarigen met toezending van een recente foto van de minderjarigen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ;\n\n*\n\nbepaalt een informatieregeling waarbij de vader de moeder eens per kwartaal moet informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de kinderen met toezending van een recente foto van de kinderen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17438","2026-07-13T00:28:31.378Z",{"id":166,"ecli":167,"slug":168,"caseNumber":44,"courtId":122,"decisionDate":132,"fullText":169,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":51,"updatedAt":171},"407","ECLI:NL:RBDHA:2026:17449","ecli-nl-rbdha-2026-17449","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-7613\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F692764\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 7 oktober 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.G. Nagel in Almere.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nAls informant wordt aangemerkt:\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, zich onbevoegd verklaard van het verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin die zich op dat moment bevond, verwezen naar deze rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift.\n\nOp 19 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam 1] namens William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (de jeugdbeschermer);\n\n [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nDe minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] .\n\nDe vader heeft [de minderjarige] erkend.\n\nDe ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 9 mei 2019.\n\n [de minderjarige] is in juli 2023 uit huis geplaatst. Tot zijn uithuisplaatsing verbleef hij bij de vader en ging hij om de week gedurende het weekend naar de moeder.\n\nBij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, bepaald:\n\ndat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] wordt verlengd tot 13 juli 2026;\n\ndat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt verlengd tot 13 juli 2026, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;\n\ndat het gezag over [de minderjarige] , voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling, gedurende de periode van de machtiging tot uithuisplaatsing, te weten tot 13 juli 2026, wordt uitgeoefend door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nBevoegdheid\n\nArtikel 265 Rv bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd is. Een minderjarige volgt op grond van artikel 1:12 lid 1 BW de woonplaats van de persoon die het gezag over hem uitoefent. Als beide ouders tezamen het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. De ouders van [de minderjarige] hebben niet dezelfde woonplaats. [de minderjarige] verblijft feitelijk bij geen van hen, omdat hij uithuisgeplaatst is. Daarvoor verbleef hij feitelijk bij zijn vader. De woonplaats van de vader van [de minderjarige] bevindt zich in het arrondissement van de rechtbank Den Haag, die daarom bevoegd is.\n\nEenhoofdig gezag\n\nWettelijk kader\n\nDe rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder stelt dat er geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Ondanks de pogingen van de gecertificeerde instelling lukt het niet om de vader te bewegen tot onderhouden van contact met [de minderjarige] . Daarnaast komt de vader zijn verplichtingen niet na als gezaghebbende ouder, zodat er wordt voldaan aan het klem en verloren-criterium. De vader ondertekende de formulieren voor het onderwijs van [de minderjarige] niet, waardoor de gecertificeerde instelling genoodzaakt was om gedeeltelijke gezagsuitoefening te verzoeken. Nu het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wel goed is en er gekeken wordt of er toegewerkt kan worden naar thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, acht de moeder het van belang dat haar alleen het ouderlijk gezag toekomt. Het is immers noodzakelijk dat alle benodigde hulpverlening kan worden aangevraagd indien dit nodig is vanwege problematiek van [de minderjarige] en voorts dat ook overschrijvingen naar bijvoorbeeld een andere school kunnen worden gerealiseerd, zonder dat de minderjarige klem en verloren dreigt te raken, omdat de vader daartoe niet zijn benodigde medewerking verleent.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat er sinds de uithuisplaatsing in 2023 geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] , ondanks meerdere pogingen tot contactherstel van de gecertificeerde instelling. De vader geeft dus geen invulling aan zijn ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat beeld wordt versterkt door het feit dat de vader in deze procedure geen verweer heeft gevoerd en dat hij niet op de zitting is verschenen. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat gezagsbeslissingen over [de minderjarige] niet genomen kunnen worden vanwege het ontbreken van de toestemming van de vader. De moeder en de jeugdbeschermer hebben op de zitting toegelicht dat er eerder vervangende toestemming nodig is geweest voor inschrijving van [de minderjarige] op school en dat de vader al twee jaar lang weigert om de inschrijving van [de minderjarige] in de Basisregistratie Personen (BRP) te wijzigen ondanks dat de gecertificeerde instelling dit heeft verzocht. Gelet op de onbereikbaarheid van de vader voorziet de rechtbank, net als de moeder en de gecertificeerde instelling, problemen als er in de toekomst gezagsbeslissingen over [de minderjarige] genomen moeten worden, met name met betrekking tot de hulpverlening voor [de minderjarige] . De rechtbank acht het gelet op voorgaande in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] zal uitoefenen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.\n\nBrief aan [de minderjarige]\n\nDe rechter heeft in een aparte brief aan [de minderjarige] de beslissing uitgelegd. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [de minderjarige] heeft ontvangen.\n\nBeste [de minderjarige] ,\n\nIk ben de kinderrechter met wie je een tijdje terug gepraat hebt. Ik vond het erg knap van je dat je alleen naar binnen durfde. Je vond het namelijk best wel spannend, zei je.\n\nVoor jou is het allerbelangrijkste dat je bij mama mag wonen. Daar kan ik helaas niet over beslissen. Ik weet dat je dat erg jammer vindt. Je moeder vindt dat ook erg jammer.\n\nIk heb besloten dat je vader geen gezag meer over jou heeft. Dat betekent dat hij bijvoorbeeld niet mag meebeslissen als je naar de dokter toe moet.\n\nIk vond het erg leuk om met je te praten, [de minderjarige] . Je lijkt me een aardige jongen. En je kunt goed nadenken over wat je wil en dat vertellen. Ik wens je veel succes met alles!\n\nMet vriendelijke groet,\n\nErik Boot\n\nKinderrechter\n\nBeslissing De rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan aan de moeder het eenhoofdig gezag toekomt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17449","2026-07-13T00:28:28.165Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":44,"courtId":122,"decisionDate":176,"fullText":177,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":179,"parsedAt":51,"updatedAt":180},"289","ECLI:NL:RBDHA:2026:17381","ecli-nl-rbdha-2026-17381","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-5736\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F689278\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 25 juli 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J.J. van Kuijk in ‘s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.F. Mandos in Rijswijk.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 23 september 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 16 april 2026 met bijlagen van de moeder.\n\nOp 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nDe minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van de volgende kinderen:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] .\n\nDaarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedag 2] 2005 in [geboorteplaats 2] .\n\nDe vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 20 juni 2017.\n\n [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt haar met het eenhoofdig gezag te belasten over [minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nEenhoofdig gezag\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253n, eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, hierop ook van toepassing. Het gezamenlijk\n\ngezag kan daarom worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nStandpunten\n\nDe moeder stelt dat is voldaan aan de wettelijke criteria om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De vader is jarenlang niet betrokken geweest bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De vader heeft herhaaldelijk gedetineerd gezeten en de afwezigheid van de vader heeft een behoorlijke impact gehad op [minderjarige] . Inmiddels verblijft [minderjarige] weer regelmatig bij haar vader, maar dan houdt de vader zich niet aan de regels en structuur die de ouders voor [minderjarige] hebben afgesproken. De moeder is van mening dat de vader daarmee niet in het belang van [minderjarige] handelt.\n\nDe vader stelt dat er geen overleg plaatsvindt tussen de ouders en dat dit aan de moeder te wijten is, die de regels bepaalt en vader dan alleen maar de optie geeft om daarmee in te stemmen. De vader erkent dat hij de regels met betrekking tot het internetgebruik van [minderjarige] in het verleden niet altijd strak heeft gehandhaafd, maar stelt dat hij dat nu wel doet. De vader betwist dat er een risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt en stelt dat het ook niet noodzakelijk is dat het gezag wordt gewijzigd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt, op basis van de stukken en de nadere toelichting op de zitting, vast dat de communicatie tussen de ouders niet op constructieve wijze verloopt. Dit heeft er echter tot op heden niet toe geleid dat de ouders niet in staat waren om gezamenlijk beslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen reëel risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken.\n\nDe rechtbank overweegt voorts dat de problematiek die de moeder het meeste zorgen baart, namelijk dat de vader zich niet altijd heeft gehouden aan de eerder gemaakte afspraken, niet wordt opgelost door beëindiging van het gezag van de vader. Daarom acht de rechtbank wijziging van het gezag ook niet anderszins noodzakelijk. De rechtbank merkt in dit kader het volgende op. De oplossing voor deze problematiek is gelegen in het gezamenlijk overleg tussen de ouders over wat [minderjarige] nodig heeft en wat passend is voor haar leeftijd en ontwikkeling. Op de zitting is gebleken dat beide ouders inzien dat [minderjarige] een beïnvloedbaar meisje is en dat het daarom van belang is dat op een aantal leefgebieden – in ieder geval bij het gebruik van social media – strenge regels gelden en dat die regels consequent gehandhaafd worden. Het ligt op de weg van de moeder, als hoofdverzorger, om goed uit te leggen waarom zij bepaalde regels van belang vindt. Als de vader het niet (langer) eens is met regels die de ouders voor [minderjarige] zijn overeengekomen, ligt het op zijn weg om daarover met moeder in overleg te treden en tot er nieuwe afspraken zijn gemaakt, de oude regels te handhaven tegenover [minderjarige] .\n\nDit alles leidt tot de conclusie dat de rechtbank het verzoek van de moeder zal afwijzen.\n\nBeslissingDe rechtbank:\n\nwijst het verzoek van de moeder af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17381","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.861Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":44,"courtId":122,"decisionDate":185,"fullText":186,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":188,"parsedAt":51,"updatedAt":189},"1602","ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","ecli-nl-rbdha-2026-17233","2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1859\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700170\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.G. de Jong te ‘s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;\n\nhet verweerschrift, tevens verzoekschrift.\n\nOp 12 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- het minderjarige kind van partijen, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw wordt toevertrouwd;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nTevens heeft de man zelfstandig verzocht:\n\n- primair: te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];\n\n- subsidiair: te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is;\n\n- het minderjarige kind van partijen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de man toe te vertrouwen;\n\n- en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders verblijft, met dien verstande dat:\n\n- in de even weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- in de oneven weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n en daarbij te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,-- met een maximum van € 25.000,-- verbeurt per dag dat zij haar medewerking niet verleent aan de voorlopige zorgregeling;\n\n en te bepalen dat de feestdagen afwisselend in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;\n\neen en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordelingToevertrouwing minderjarige, uitsluitend gebruik echtelijke woning en zorgregeling\n\nStandpunten van partijen\n\nDe vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij bij uitsluiting gebruik mag maken van de echtelijke woning, dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd en dat de contacten tussen de man en [minderjarige] onder professionele begeleiding worden opgestart. De vrouw voert daartoe aan dat zij vermoedt dat de man kampt met psychiatrische problematiek, dat er een patroon is van intieme terreur en verbaal en fysiek geweld, waarvan [minderjarige] getuige is geweest. Professionele omgangsbegeleiding is gelet op deze voorgeschiedenis noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw te waarborgen. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij – samen met de vrouw, die altijd zijn hoofdverzorger is geweest – in zijn vertrouwde omgeving kan wonen, zodat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend zou moeten worden. De vrouw verblijft nu met [minderjarige] bij haar moeder, maar dat is voor zowel de vrouw als [minderjarige] onwenselijk.\n\nDe man heeft betwist dat de vrouw altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest en gesteld dat er sprake is geweest van gedeelde zorg. De man wenst dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd, nu hij [minderjarige] sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning niet meer heeft gezien en de vrouw hiermee heeft laten zien dat zij niet in het belang van [minderjarige] handelt. De man heeft geen beschikking over andere woonruimte waar hij voor [minderjarige] kan zorgen en daarom wil hij dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank om een birdnestingregeling vast te stellen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n [minderjarige] is getuige is geweest van hoogoplopende ruzies tussen partijen. Dat is onwenselijk, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te oordelen dat het contact tussen de man en [minderjarige] alleen onder begeleiding zou kunnen worden opgestart. Dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn als hij bij de man verblijft – doordat sprake is van psychiatrische problematiek bij de man en\u002Fof omdat sprake is van een patroon van geweld of intieme terreur – is door de vrouw niet onderbouwd en ook niet anderszins aannemelijk geworden. Dat betekent dat de rechtbank een onbegeleide zorgregeling zal vaststellen. De rechtbank vindt voor de voorlopig vast te stellen zorgregeling een opbouwregeling als na te melden nodig, omdat [minderjarige] pas 2 jaar is en hij de man na enkele hoogopgelopen ruzies 3 maanden niet heeft gezien. De rechtbank zal het verzoek om te bepalen dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld afwijzen, nu de vast te stellen voorlopige zorgregeling er uiteindelijk op neerkomt dat de ouders [minderjarige] de helft van de tijd bij zich hebben en daarmee ook ongeveer de helft van de feestdagen.\n\nHet voorgaande houdt in dat de over en weer gedane verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] zullen worden afgewezen.\n\nMet betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank als volgt. Beide partijen hebben geen goed alternatief voor woonruimte. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij afwisselend door beide ouders verzorgd wordt. De rechtbank zal daarom vaststellen dat sprake zal zijn van birdnesting, waarbij [minderjarige] in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven en de ouders om en om met hem in de echtelijke woning verblijven. De rechtbank realiseert zich dat birdnesting geen ideale situatie is voor beide partijen, maar op dit moment is dit wel de situatie die het meest in het belang is van [minderjarige].\n\nHet verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.\n\nOp de zitting is nog gesproken over de overdracht. Nu er sprake zal zijn van birdnesting kan [minderjarige] in de echtelijke woning blijven en kunnen de ouders elkaar aflossen in de echtelijke woning. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich ervoor zullen inspannen om de overdrachten, in het belang van [minderjarige], rustig te laten verlopen en elkaar in het bijzijn van [minderjarige] geen verwijten te maken. Het ligt daarbij op de weg van de ouder die de woning moet verlaten om ervoor te zorgen dat alle benodigde spullen klaar staan op het moment van de wissel, zodat partijen niet langdurig gezamenlijk in de echtelijke woning hoeven te verblijven.\n\nDwangsom\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom afwijzen. De vrouw heeft zich ter zitting weliswaar verzet tegen onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de man, maar zij heeft tevens verklaard dat zij inziet dat het in het belang is van [minderjarige] om contact te hebben met zijn vader. De rechtbank verwacht dat de vrouw uitvoering zal geven aan de voorlopige zorgregeling, omdat zij inziet dat contact in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank vindt het opleggen van een dwangsom in dit stadium daarom prematuur.\n\nUniform hulpaanbod\n\nOp de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De vrouw zou graag zien dat ook het traject ook ziet op omgangsbegeleiding, maar de rechtbank ziet daartoe, zoals hiervoor is overwogen, geen aanleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.\n\nDe rechtbank verzoekt de ouders om in de scheidingsprocedure bekend onder kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het ouderschapsbemiddelingstraject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nstelt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], als volgt vast:\n\nde eerste twee weken na heden: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag van 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur en zondag van 9.00 uur tot maandag 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\ndaarna: [minderjarige] verblijft afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders, met dien verstande dat:\n\n- [minderjarige] in de even weken op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- [minderjarige] in de oneven weken op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en beveelt mitsdien dat de man gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is en beveelt mitsdien dat de vrouw gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n*\n\nstelt vast dat de ouders, te weten:\n\n [de man],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres;\n\nbij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;\n\nbeveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:\n\nKenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;\n\nbepaalt dat de ouders de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 informeren over het verloop van voornoemd traject;\n\nbepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.133Z",{"id":191,"ecli":192,"slug":193,"caseNumber":44,"courtId":194,"decisionDate":195,"fullText":196,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":197,"sourceTimestamp":198,"parsedAt":51,"updatedAt":199},"569","ECLI:NL:RBZWB:2026:5448","ecli-nl-rbzwb-2026-5448",64,"2026-05-21T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F422607 \u002F FA RK 24-2326\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nNadere beschikking over gezag, omgang en een informatieregeling\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel te Breda,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. M.C.G. Voogt te Breda.\n\nover de minderjarigen\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] , en\n\n- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe rechtbank merkt verder als belanghebbende aan:\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\ngevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de resterende verzoeken geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1.. In het dossier bevinden zich de volgende stukken:\n\nde in deze zaak gegeven beschikking van 12 november 2024 en alle daarin genoemde stukken;\n\nde F9-formulieren van mr. Van Riel van 13 november 2024, met bijlage, en van 1 oktober 2025;\n\nde e-mailberichten van de gemeente Breda van 3 september 2025, met bijlage, en van 28 oktober 2025, met bijlagen, waaronder het (definitieve) UHA-rapport;\n\nhet e-mailbericht van mr. Voogt van 18 september 2025;\n\nde brieven van de Raad van 13 november 2025 en van 6 maart 2026, met bij de laatste brief het rapport van het raadsonderzoek van dezelfde datum.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 7 mei 2026. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:\n\nde man, bijgestaan door mr. Van Riel;\n\nde vrouw, bijgestaan door mr. Voogt; en\n\neen vertegenwoordiger namens de Raad;\n\ntwee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling (op afstand, via een audiovisuele verbinding).\n\n1.3. Gelet op hun onderlinge samenhang, is deze zaak gelijktijdig op zitting behandeld met de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de zaaknummers C\u002F02\u002F446788 \u002F KG ZA 26-177 en C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Daaruit zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.\n\n2.2. De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .\n\n2.3. Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen. De man heeft [minderjarige 2] op 17 december 2025 erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] .\n\n2.4. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.\n\n2.5. Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank bij voormelde beschikking van 12 november 2024 eveneens een voorlopige informatieregeling bepaald. Partijen zijn daarnaast naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA), waarbij de rechtbank de definitieve beslissingen op de verzoeken van partijen ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een zorg- c.q. omgangsregeling en een informatieregeling heeft aangehouden.\n\n2.6. Partijen zijn in het UHA-traject een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen dat zij hebben ondertekend op 7 juli 2025. Daarin hebben partijen onder meer vastgelegd dat zij voornemens zijn het gezamenlijk gezag voor [minderjarige 2] te regelen, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee dagen per week bij de man zullen zijn en dat ouders elkaar over en weer op de hoogte zullen brengen omtrent gewichtige aangelegenheden.\n\n2.7. Uit het UHA-rapport van 7 oktober 2025 blijkt dat het ingezette (jeugd)hulptraject tot onvoldoende resultaat heeft geleid. De Raad heeft besloten om een gezags- en omgangsonderzoek en een beschermingsonderzoek uit te voeren (hierna: het raadsonderzoek).\n\n2.8. Nadat de vrouw de omgang tussen de man en de kinderen in augustus 2025 had beëindigd, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 1 december 2025 bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact\u002Fomgang met elkaar twee dagen per week van 09:00 uur tot 17:00 uur, waarbij de dagen in onderling overleg tussen partijen worden bepaald.\n\n2.9. Gelijktijdig met de toezending van het rapport van het raadsonderzoek op 6 maart 2026, heeft de Raad een verzoek ingediend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen. Dat verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410. De kinderrechter heeft bij mondeling gegeven beschikking van 7 mei 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI.\n\n2.10. Begin april 2026 heeft de vrouw haar medewerking aan de uitvoering van de voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen opgeschort. Zij heeft vervolgens een kortgedingprocedure gestart waarin zij vordert dat de voorzieningenrechter de omgangsregeling zoals die bij vonnis van 1 december 2025 is bepaald, schorst totdat partijen anders overeenkomen of een rechter anders beslist. Bij vonnis van vandaag (21 mei 2026) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van de vrouw bij gebrek aan belang afgewezen, omdat in deze bodemprocedure een definitieve beslissing over de contactregeling tussen de man en de kinderen wordt gegeven.\n\n3. De resterende verzoeken\n\n3.1. In deze procedure zijn nog aan de orde de verzoeken van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nhet eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] te wijzigen in die zin dat partijen voortaan het gezamenlijk ouderlijk gezag over haar uitoefenen;\n\neen (definitieve) contact-\u002Fomgangsregeling tussen de man en de minderjarigen te bepalen;\n\neen (definitieve) informatieregeling te bepalen op basis waarvan de vrouw de man eenmaal per maand dient te informeren over de gezondheid van de minderjarigen, de ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, de sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling van de minderjarigen en hun vrijetijdsbesteding.\n\n3.2. De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt:\n\nprimairom de man niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen. De vrouw kan instemmen met het verzoek om een informatieregeling vast te stellen, met dien verstande dat partijen geen direct contact met elkaar hebben;\n\nsubsidiairte bepalen dat het contact\u002Fde omgang tussen de man en de minderjarigen onder begeleiding plaatsvindt, tenminste eenmaal per week en maximaal tweemaal per week gedurende een uur.\n\n3.3. Daarnaast verzoekt de vrouw, bij wijze van zelfstandig verzoek, primairte bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag met betrekking tot [minderjarige 1] wordt gewijzigd, in die zin dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ensubsidiairom de beslissing omtrent het gezag aan te houden in afwachting van de hulpverlening die wordt ingezet in het kader van de ondertoezichtstelling.\n\n4. De verdere beoordeling\n\nGezag\n\n4.1. De man verzoekt om partijen gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige 2] . De vrouw verzet zich tegen toewijzing van dat verzoek van de man en verzoekt op haar beurt om aan haar het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] toe te kennen.\n\n4.2. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n4.3. In artikel 1:253n BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen zij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. De rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n4.4. De man voert aan dat het in het belang is van [minderjarige 2] dat de man betrokken is bij de totstandkoming van belangrijke beslissingen in haar leven. De man vindt het belangrijk dat [minderjarige 2] een goede band met haar vader kan opbouwen. Daarbij hoort dat hij actief betrokken is bij te nemen beslissingen.\n\n4.5. De vrouw voert daartegen verweer. Volgens haar bestaat er een onaanvaardbaar risico voor de kinderen dat zij klem of verloren zullen raken indien partijen gezamenlijk zijn belast met het gezag over hen. Partijen zijn niet daadwerkelijk in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Er is niet of nauwelijks contact tussen partijen. De relatie tussen de man en de vrouw is ernstig verstoord en er is vanuit de vrouw sprake van wantrouwen en zorgen over de man als opvoeder. Mede gelet op de voorgeschiedenis, valt volgens de vrouw niet te verwachten dat in die situatie, al dan niet met hulpverlening, binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Voor de ontwikkeling van de kinderen acht de vrouw het van belang dat zij als verzorgende ouder, in staat zal zijn en blijven om zelfstandig beslissingen te nemen met betrekking tot de opvoeding en verzorging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Om die reden verzoekt de vrouw om de huidige situatie te wijzigen in die zin dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] wordt gewijzigd naar eenhoofdig gezag, zodat de vrouw alleen met het gezag over beide kinderen zal zijn belast.\n\n4.6. In het raadsrapport adviseert de Raad om partijen te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] in stand te laten. Weliswaar ziet de Raad risico’s voor de kinderen omdat partijen op dit moment niet op een goede manier met elkaar kunnen communiceren en zij (nu) onvoldoende vorm kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap. De Raad ziet echter nog (hulpverlenings)mogelijkheden voor ouders om onder begeleiding van een jeugdbeschermer te komen tot gezamenlijk ouderschap. Met name op het gebied van de onderlinge communicatie tussen ouders zijn nog stappen te zetten, zodat partijen een modus weten te vinden waar zij zich beiden comfortabel bij voelen. Daarnaast verwacht de Raad dat gezamenlijk gezag de ouders ‘dwingt’ om hun eigen belang opzij te zetten en zich te richten op hetgeen belangrijk is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad ziet tot slot geen reden om de (definitieve) beslissing op de verzoeken die zien op de gezagsverhouding aan te houden in afwachting van de resultaten van de in het kader van de ondertoezichtstelling in te zetten hulpverlening. Het is voor alle betrokkenen van belang dat de langlopende juridische procedures worden afgesloten. De (definitieve) beslissing van de rechtbank biedt een duidelijk uitgangspunt voor de verdere hulpverlening.\n\n4.7. De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt van de wet is dat ouders belast zijn met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind(eren) in gezamenlijk overleg kunnen nemen.\n\n4.8. Hoewel partijen op dit moment niet in staat zijn op een respectvolle en passende wijze met elkaar te communiceren en dus het nodige overleg te voeren over beslissingen over Lavinia en Georginia, zal de rechtbank bepalen dat ouders het gezamenlijk gezag over beide kinderen krijgen\u002Fbehouden. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige 2] zal toewijzen, terwijl het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] zal worden afgewezen.\n\n4.9. Voor de rechtbank is daarbij met name van belang dat partijen in de zomer van 2025 hebben laten zien dat zij in staat zijn om te komen tot afspraken en omgangsvormen die in het belang zijn van de kinderen. Die afspraken hebben partijen neergelegd in het ouderschapsplan dat zij op 7 juli 2025 hebben ondertekend. Daarin hebben zij ook het voornemen opgenomen om het gezamenlijk gezag te regelen. De rechtbank heeft er dan ook vertrouwen in dat het partijen zal lukken om onder regie van de GI en met de hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling zal worden ingezet, te werken aan een basis van onderling vertrouwen en een passende vorm van communicatie. Dat is werkelijk in het belang van de kinderen. De rechtbank ziet geen reden om de definitieve beslissing omtrent het gezag aan te houden, zoals de vrouw subsidiair heeft verzocht. Met de Raad vindt de rechtbank het belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt voor partijen, juist ook met het oog op het in te zetten hulpverleningstraject. Dat traject is gericht op het toewerken naar een vorm van gezamenlijk ouderschap, een situatie waarin de kinderen positief contact kunnen hebben met beide ouders, zonder belast te worden met spanning en\u002Fof strijd die tussen de ouders bestaat. Daarbij past naar het oordeel van de rechtbank een gelijkwaardige rol voor beide ouders en dat impliceert dat zij beiden met het gezag zijn belast.\n\n4.10. Zoals ook tijdens de zitting benadrukt, merkt de rechtbank voor de volledigheid op dat het (gezamenlijk) gezag voor partijen ook verplichtingen meebrengt. Van beide partijen wordt verlangd dat zij zich volledig zullen inzetten om – in het belang van de kinderen – te komen tot een vorm van gezamenlijk ouderschap. Daar hoort bij dat ouders zich zullen laten leiden door de adviezen en inzichten van de hulpverlening en de GI en dat zij eventuele eigen problematiek onder ogen zullen zien en daaraan zullen werken. Omdat beide ouders met het gezag zijn belast, kan de GI zo nodig aan ieder van hen schriftelijke aanwijzingen geven.\n\nZorgregeling\n\n4.11. De man verzoekt een (nader te specificeren) zorgregeling waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (op termijn) doordeweeks, een weekend per 14 dagen, de helft van de vakanties en feestdagen, op de verjaardag van de man en op de verjaardag van de kinderen contact met elkaar hebben.\n\n4.12. De vrouw maakt zich zorgen over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn. Met name het onvoorspelbare gedrag van de man, zijn middelengebruik, de thuisomgeving van de man en zijn sociale kring baren de vrouw zorgen. Volgens de vrouw scheldt de man de minderjarigen regelmatig uit of spreekt hij ze toe op een denigrerende manier. Na een omgangsmoment zijn de kinderen vaak overstuur en ontregeld. Daarnaast wijst de vrouw erop dat zich op zaterdag 28 maart 2026 een incident heeft voorgedaan bij het ophalen van de kinderen. De man heeft zich agressief en onrustig gedragen richting de kinderen, waarbij hij de kinderen heeft uitgescholden en [minderjarige 2] op grove wijze bij haar arm heeft gepakt. De vrouw heeft ook krassen op het gezicht van [minderjarige 2] gezien, waarna zij aangifte heeft gedaan van mishandeling. Dat is voor de vrouw ook de reden geweest om haar medewerking aan de in kort geding voorlopig bepaalde omgangsregeling (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.8.) op te schorten. De vrouw zou het liefst zien dat de omgang weer onder begeleiding plaats gaat vinden en op neutraal terrein.\n\n4.13. De Raad ziet op basis van de binnen het raadsonderzoek verkregen informatie geen reden om de omgang tussen de man en de kinderen begeleid en op neutraal terrein te laten plaatsvinden, zoals de vrouw wenst. Hoewel de vrouw haar zorgen blijft uiten, komt uit de informatie van de politie en uit het rapport van het UHA-traject naar voren dat er geen risico’s worden gezien voor de veiligheid van de kinderen in het contact met hun vader. Er is gedurende langere tijd sprake geweest van begeleide omgang en de omgangsbegeleider schetste daarvan een overwegend positief beeld. De Raad ziet geen reden om daaraan te twijfelen. De Raad adviseert daarom de huidige zorgregeling (tweemaal per week van 09:00 uur tot 17:00 uur) vast te leggen. Dat is op dit moment het hoogst haalbare en ook conform het eerder door ouders overeengekomen ouderschapsplan.\n\n4.14. De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd, waaronder kwesties over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.\n\n4.15. De rechtbank vindt het in het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat het contact met hun vader zo snel mogelijk en duurzaam wordt hersteld. Voor de kinderen is de huidige situatie verwarrend en emotioneel belastend. Het contact met hun vader is al meerdere malen (abrupt) weggevallen. Ze hebben een periode gehad waarin ze hun vader regelmatig zagen. Die omgang verliep goed en er was ruimte voor contact en flexibiliteit. Dat gaf de kinderen de kans om beide ouders te ervaren in een veilige setting. Nu is dat contact voor de vierde keer abrupt gestopt. Voor jonge kinderen, die nog volop bezig zijn met het vormen van vertrouwen en veiligheid in relaties, is zo’n breuk met een hechtingsfiguur moeilijk te begrijpen. Dat raakt aan hun basisgevoel van veiligheid en kan (op latere leeftijd) gevolgen hebben voor hoe zij zichzelf zien, hoe zij omgaan met emoties en hoe ze relaties met anderen aangaan. Vanwege die ontwikkelingsbedreiging heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI . Eén van de doelen waar partijen met hulpverlening aan moeten werken is een positief, veilig en onbelast contact tussen de man en de kinderen, volgens een vaste regeling.\n\n4.16. Een vaste regeling was er tot begin april van dit jaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleven wekelijks op woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de man. Omdat er geen concrete aanwijzingen zijn waaruit de rechtbank kan afleiden dat die regeling niet in het belang is van de kinderen, zal zij die regeling, die ook past bij de afspraken die partijen in het ouderschapsplan hebben opgenomen, als definitieve zorgregeling vastleggen in deze beschikking.\n\n4.17. Tijdens de zitting heeft de vrouw wederom haar zorgen uitgesproken over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn en aangedrongen op het (opnieuw) starten met begeleid contact. Daarom vordert de vrouw in kort geding schorsing van de huidige voorlopige regeling (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.10.). De rechtbank ziet op dit moment echter geen aanleiding om te concluderen dat het belang van de kinderen zich tegen (hervatting van) de hiervoor genoemde regeling verzet. Partijen hebben ieder een andere beleving bij wat er op 28 maart 2026 bij het overdrachtsmoment is voorgevallen en de man weerspreekt dat de kinderen bij hem niet veilig zouden zijn. Dat betekent niet dat de rechtbank de zorgen van de vrouw niet serieus neemt. Er is op dit moment echter te weinig zicht op de situatie van de kinderen om daaraan de door de vrouw gewenste conclusies te verbinden. Zoals ook tijdens de zitting besproken, biedt de ondertoezichtstelling een kader waarbinnen de zorgen van de vrouw een plaats hebben. Door de ondertoezichtstelling komt er meer zicht op de kinderen en de ouders. Met de GI heeft de vrouw, ook buiten kantoortijden, een vast aanspreekpunt bij wie zij met haar zorgen terecht kan. Dat kan al direct in het intake-\u002Fkennismakingsgesprek, maar ook gedurende de looptijd van de ondertoezichtstelling en tijdens de uitvoering van de zorgregeling, met name indien zich een incident heeft voorgedaan. Het is dan aan de betrokken professionals van de GI om te beoordelen of er nadere actie moet worden ondernomen, bijvoorbeeld in de vorm van het maken van veiligheidsafspraken. Op die manier moet de ondertoezichtstelling voorkomen dat de vrouw op eigen initiatief (opnieuw) het contact tussen de kinderen en hun vader verbreekt, terwijl de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gewaarborgd. De rechtbank hoopt dat de ondertoezichtstelling daarmee bijdraagt aan het ontstaan van een basis van vertrouwen tussen partijen.\n\nInformatieregeling\n\n4.18. Op grond van artikel 1:253a lid 2 BW kan de rechtbank op verzoek van (één van) de ouders een regeling vaststellen die betrekking heeft op de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.\n\n4.19. Bij beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige regeling bepaald dat de vrouw de man eenmaal per maand moet informeren over de kinderen met betrekking tot hun gezondheid, ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling en vrijetijdsbesteding.\n\n4.20. Aangezien de vrouw zich niet tegen het verzoek van de man om een informatieregeling verzet, zal de rechtbank de hiervoor weergegeven voorlopige regeling, die ook past bij de afspraak die partijen in het ouderschapsplan hebben opgenomen, als definitieve informatieregeling bepalen. Met hulpverlening zullen partijen moeten werken aan een geschikte vorm waarin de vrouw de man informeert. Daarnaast merkt de rechtbank op dat van de man als gezagsdragende ouder van beide kinderen ook verwacht wordt dat hij zich uit eigen beweging tot verschillende instanties (zoals kinderopvang, school, sportvereniging, medisch behandelaars) zal wenden om zich betrokken te tonen bij en op de hoogte te stellen van de ontwikkeling van de kinderen.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.12. De rechtbank zal de beslissingen over het gezag, de zorg- en informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat deze beslissingen, ondanks een eventueel hoger beroep, direct uitgevoerd kunnen worden.\n\nProceskosten\n\n4.21. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. \n\nbepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ;\n\n5.2. bepaalt dat de man en de minderjarigen\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] , en\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,\n\nin het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere week op woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur;\n\n5.3. bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per maand moet informeren over de gezondheid van de hiervoor genoemde kinderen, hun ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, hun sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling en hun vrijetijdsbesteding;\n\n5.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en, in tegenwoordigheid van mrs. Vos en Van Ham, griffiers, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5448","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.194Z",{"id":201,"ecli":202,"slug":203,"caseNumber":44,"courtId":194,"decisionDate":204,"fullText":205,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":206,"sourceTimestamp":207,"parsedAt":51,"updatedAt":208},"310","ECLI:NL:RBZWB:2026:5387","ecli-nl-rbzwb-2026-5387","2026-05-19T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F443877 \u002F FA RK 26-165\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking over gezamenlijk gezag\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna: de man,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel in Breda,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nhierna: de vrouw,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. M.M.H.B. Stoffels in Zevenbergen,\n\nover de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, hierna: [minderjarige 2] .\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1. Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:\n\n- het op 10 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het stelbericht van mr. Stoffels van 26 januari 2026;\n\n- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van Riel van 26 maart 2026, betreffende de geboorteakten van de minderjarigen;\n\n- het op 3 april 2026 ontvangen verweerschrift met bijlage;\n\n- het F9-formulier met bijlage van mr. Van Riel van 9 april 2026, betreffende productie 6.\n\n1.2. Op 15 april 2026 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord, partijen bijgestaan door hun advocaten. Ook is aanwezig een medewerker namens de Raad.\n\n1.3. Tevens was bij de zitting een kantoorgenoot van mr. Van Riel aanwezig, aan wie de rechtbank bijzondere toestemming heeft verleend om als toehoorder bij de zitting aanwezig te mogen zijn.\n\n1.4. Gelet op zijn leeftijd is de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken bij een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. [minderjarige 1] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Daarnaar gevraagd geeft de vrouw aan dat zij [minderjarige 1] te jong vond om over het verzoek met de kinderrechter in gesprek te gaan. De kinderrechter betreurt dit. Zij had graag met [minderjarige 1] gepraat.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).\n\n2.2. De man heeft de minderjarigen erkend.\n\n2.3. De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over de minderjarigen.\n\n2.4. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 januari 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken gedurende een weekend. Tevens heeft de rechtbank een bedrag aan kinderalimentatie bepaald en is bepaald dat de overige regelingen uit het ouderschapsplan deel uit maken van de beschikking.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De man verzoekt om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats] , kosten rechtens.\n\n3.2. \n\nDe vrouw is het niet eens met het verzoek en verzoekt, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair:\n\n- het verzoek van de man om hem tezamen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , beiden geboren te [geboorteplaats] , af te wijzen;\n\nsubsidiair:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een onderzoek in te stellen naar\n\n de (on)wenselijkheid van gezamenlijk gezag en de veiligheidsrisico's binnen de\n\n gezinssituatie;\n\n- iedere verdere beslissing aan te houden.\n\n4. De standpunten en het advies van de Raad\n\n4.1. De man legt aan zijn verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag. Partijen gingen ervan uit dat zij gezamenlijk gezag hadden over de minderjarigen, maar dit bleek niet zo te zijn. Ook de rechtbank ging er in een eerdere procedure onterecht van uit dat partijen belast waren met het gezamenlijk gezag. De man heeft de vrouw gevraagd om het gezamenlijk gezag alsnog samen te regelen, maar de vrouw verleende hieraan geen medewerking. De vrouw onderbouwt niet waarom zij het gezamenlijk gezag niet wil regelen, terwijl gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en er geen onaanvaardbaar risico is dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders als er gezamenlijk gezag zou zijn. Het verzoek tot gezamenlijk gezag voldoet dan ook aan de wettelijke maatstaven. De stelling van de vrouw dat er sprake zou zijn van disproportioneel straffen van [minderjarige 2] , grensoverschrijdend gedrag en stalking wordt door de man betwist. De vrouw onderbouwt haar stellingen bovendien niet. De e-mailcorrespondentie tussen partijen die de vrouw in het geding heeft gebracht, laat niets raars zien; sterker nog, de man toont zich betrokken en probeert invulling te geven aan zijn rol als vader. Als de man zorgpunten heeft over de minderjarigen, brengt hij dat bij de vrouw onder de aandacht. Zij reageert daar dan niet op. De man staat ervoor open om aan de communicatie tussen partijen te werken. Dit lijkt hem zinvol voor de toekomst. Dat de communicatie tussen partijen niet optimaal is, is geen reden om het verzoek van de man af te wijzen. De communicatie is niet dermate slecht dat er sprake is van het ‘klem-criterium’.\n\n4.2. \n\nDe vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Tussen partijen is sprake is van een extreem verstoorde verstandhouding waarin constructief overleg onmogelijk is. Volgens de vrouw is de communicatie tussen partijen structureel verstoord. De vrouw heeft de man en zijn partner moeten blokkeren vanwege aanhoudende stalking en grensoverschrijdend gedrag richting de vrouw. De man misbruikt de telefoon van [minderjarige 1] om contact met de vrouw af te dwingen. Volgens de vrouw moet bij de beoordeling van het verzoek van de man rekening worden gehouden met het verdrag van Istanbul. Tussen partijen is in het verleden sprake geweest van fysiek geweld, waarvan de vrouw aangifte heeft gedaab. Uit de jurisprudentie volgt dat het verzoek om gezamenlijk gezag afgewezen wordt bij een extreem verstoorde verstandhouding tussen de ouders en het ontbreken van communicatie. Daarvan is in deze zaak sprake. De minimale basis die nodig is voor communicatie ontbreekt.\n\nDaarnaast stelt de vrouw dat de minderjarigen stress-signalen vertonen na het contact met de man. Dit heeft geleid tot een melding bij Veilig Thuis. [minderjarige 2] wordt onderworpen aan disproportionele straffen. Hij heeft de vrouw verteld dat de man hem slaat. De pedagogische onmacht van de man vormt een contra-indicatie voor gezamenlijk gezag. Tevens bagatelliseert de man de emotionele staat van de kinderen. Volgens de vrouw laat de man na om bij te dragen aan de kosten van de kinderen. Hij heeft een alimentatieachterstand van\n\n€ 8.000,=. De man zou hierin zijn verantwoordelijkheid moeten nemen.\n\nGelet op al het voornoemde is er volgens de vrouw geen basis voor gezamenlijk gezag. Handhaven van eenhoofdig gezag is de enige manier om rust en veiligheid van de minderjarigen te waarborgen.\n\nDesgevraagd verklaart de vrouw dat zij geen tijd heeft gehad om de aangiften in het geding te brengen en dat zij niet reageert op de e-mails van de man, omdat deze vol staan met verwijten aan haar adres. Ook geeft de vrouw aan dat partijen een ingang hebben bij het CJG voor hulpverlening. Partijen zijn daar al bekend. De vrouw staat ervoor open om het CJG te vragen om hulpverlening in te zetten voor het verbeteren van de oudercommunicatie. De vrouw zegt toe om partijen bij het CJG aan te melden voor hulpverlening.\n\n4.3. De Raad adviseert de rechtbank als volgt. De Raad acht de communicatie tussen partijen zorgelijk. Zij hebben daarin het belang van de minderjarigen niet voor ogen. Ook de Raad heeft de e-mailberichten van de man aan de vrouw gelezen. De Raad ziet dat de man daarin neutraal is in zijn bewoordingen en hij zijn zorgen bespreekbaar probeert te maken. Zichtbaar is dat de man graag met de vrouw in gesprek wil om de zorgen samen op te lossen. Dat hiermee vervolgens niets wordt gedaan, baart de Raad zorgen. De Raad heeft ter voorbereiding op deze zaak contact opgenomen met Veilig Thuis. Daaruit is gebleken dat er een melding is gedaan bij Veilig Thuis door de man over de zorgen die hij heeft en die hij vervolgens niet bespreekbaar kan maken. De zaak staat bij Veilig Thuis op de wachtlijst voor verder onderzoek. De Raad verwacht dat Veilig Thuis gaat kijken naar hulpverlening rondom de communicatie tussen partijen en dat onderzocht gaat worden in hoeverre de minderjarigen worstelen met hun loyaliteit. De Raad kan zich daarbij voorstellen dat er voor de minderjarigen een kindbehartiger wordt ingezet. Dat er iets met de oudercommunicatie moet gebeuren, staat voor de Raad buiten kijf. Nu partijen bij Veilig Thuis op de wachtlijst staan, kan dat daar verder worden opgepakt. Partijen kunnen zich alvast bij het CJG melden, zodat de hulpverlening gedurende het onderzoek van Veilig Thuis alvast in gang kan worden gezet.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de wet?\n\n5.1. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n5.2. Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3. Gelet op hetgeen door partijen is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om in deze zaak af te wijken van het wettelijk uitgangspunt. Uit de stukken en de zitting is niet gebleken dat van uitzonderingsgronden voor gezamenlijk gezag sprake is. De stellingen van de vrouw over grensoverschrijdend gedrag van en stalking door de man worden niet met enige stukken onderbouwd. Van aangiften is niets gebleken. Ook van fysiek geweld in het verleden blijkt niets. Ook noemt de vrouw geen concrete voorbeelden. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt bovendien niet dat sprake is van misstanden tussen partijen of van een dermate verstoorde verhouding dat gezamenlijk gezag niet mogelijk zou zijn. De rechtbank ziet weliswaar dat de man veelvuldig e-mailt, echter uit de e-mails blijkt niet dat hij de vrouw in bewoordingen onheus bejegent, beledigt of zwartmaakt. De man probeert zijn zorgen over de minderjarigen met de vrouw te bespreken, maar krijgt daarop geen reactie. Anders dan de vrouw stelt, kan de rechtbank op basis van de overlegde stukken en hetgeen op de zitting is besproken, niet vaststellen dat sprake is van een situatie waarvan kan worden geconcludeerd dat de minderjarigen klem en verloren zullen raken tussen hun ouders wanneer sprake zal zijn van gezamenlijk gezag. Gelet hierop is de jurisprudentie waarnaar de vrouw in haar verweerschrift verwijst niet van toepassing. In die gevallen is er aantoonbaar sprake geweest van fysiek geweld en zijn er forse veiligheidszorgen. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Ook is, anders dan in de door de vrouw aangehaalde jurisprudentie, sprake van structureel contact tussen de man en de minderjarigen. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals partijen deze hebben afgesproken, wordt doorlopend nagekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stellingen van de vrouw onvoldoende zijn onderbouwd. Daarbij komt dat de rechtbank het in het belang van de minderjarigen acht dat de man wordt betrokken bij de belangrijke beslissingen over hen, nu niet is gebleken dat hij gezagsbeslissingen zal gaan tegenwerken. Gezamenlijk gezag doet recht aan het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap.\n\n5.4. De rechtbank heeft, met de Raad, wel geconstateerd dat de communicatie tussen partijen te wensen overlaat en verbetering behoeft. Het lukt partijen bijvoorbeeld niet om samen de zorgen die de man over de minderjarigen heeft, te bespreken. Het is aan partijen om hun huidige communicatieproblemen samen op te lossen. Tijdens de zitting geven zij beiden te kennen hiervoor open te staan en hieraan te willen werken. De vrouw heeft tijdens de zitting toegezegd om partijen hiervoor aan te melden bij het CJG, waar het gezin al bekend is. De rechtbank gaat uit van deze toezegging. De rechtbank spreekt de hoop uit dat nu er met deze beschikking duidelijkheid is over het gezamenlijk gezag, er mogelijk meer ruimte is om de oudercommunicatie, alsmede de onderlinge verhoudingen te verbeteren.\n\n5.5. De rechtbank concludeert als volgt. Met inachtneming van het vorenstaande en gelet op het uitgangspunt van de wet, is er naar het oordeel van de rechtbank geen onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen bij uitoefening van het gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Nu evenmin feiten of omstandigheden zijn gesteld die maken dat toewijzing van het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag anderszins niet in het belang van de minderjarigen is, zal de rechtbank het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag toewijzen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een raadsonderzoek.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.6. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Het is in het belang van de minderjarigen dat er duidelijk is en blijft dat de ouders samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.\n\nProceskosten\n\n5.7. Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.\n\n5.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1. bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016,\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021;\n\n6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.3. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n6.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5387","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:23.858Z",{"id":210,"ecli":211,"slug":212,"caseNumber":44,"courtId":213,"decisionDate":204,"fullText":214,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":215,"sourceTimestamp":207,"parsedAt":51,"updatedAt":216},"322","ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","ecli-nl-rbzwb-2026-5374",62,"RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F439595\u002F FA RK 25-4588\n\nbeschikking betreffende voorziening voogdij d.d. 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde Gecertificeerde Instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\ngevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen: de GI of de jeugdbescherming,\n\nbetreffende de minderjarigen\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\nverblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nhierna te noemen de minderjarigen respectievelijk [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n- [de pleegmoeder], de pleegmoeder\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. M. Kramer te Haarlem.\n\nAls informant wordt aangemerkt: - [de biologische moeder], de biologische moeder,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. C.M.M. Mikkers te Heeze.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, (hierna: de Raad), de rechtbank over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het verloop van het geding\n\n1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 29 augustus 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan de Raad van 7 oktober 2025;\n\n- de brief van de Raad van 9 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer van 17 oktober 2025;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan mr. Kramer d.d. 23 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer d.d. 4 mei 2026 met bijlagen;\n\n- het op 11 mei 2026 ingediend F9-formulier van mr. Kramer met bijlagen;\n\n- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.\n\n1.2. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig een vertegenwoordigster van de GI, de pleegmoeder bijgestaan door mr. Kramer, de biologische moeder en een vertegenwoordigster van de Raad. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening aan de rechter kenbaar te maken. Mr. Kramer heeft namens de pleegmoeder het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota die op 11 mei 2026 al aan de rechtbank en andere belanghebbenden was toegezonden.2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 augustus 2017 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogd over hen benoemd.\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 november 2022 is de GI benoemd tot (opvolgend) voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de rechtbank haar op grond van artikel 1:322, lid 1, sub c, van het Burgerlijk Wetboek te ontslaan van de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten gunste van de pleegmoeder.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De beslissing die de rechtbank moet nemen raakt in het bijzonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf. Het gaat er namelijk om wie er in de toekomst belangrijke beslissingen over hen mag nemen. De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk in begrijpelijke taal uitleggen welke beslissing zij heeft genomen en waarom.\n\nWat moet de rechtbank beslissen?\n\n4.2.. De jeugdbescherming heeft de rechtbank gevraagd om ervoor te zorgen dat niet zij, maar de pleegmoeder belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dat noemen we “voogdij” en dat is in de wet geregeld in artikel 322 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:322 BW). In de wet staan twee voorwaarden. Voorwaarde een is dat de pleegmoeder schriftelijk moet hebben verklaard dat zij bereid is om de voogdij over te nemen. Voorwaarde twee is dat de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nDe beslissing in het kort\n\n4.3.. De rechtbank zal de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overdragen van de jeugdbescherming naar de pleegmoeder.\n\nWat is er aan de rechtbank verteld?\n\n4.4.. De rechtbank heeft tijdens een apart gesprek gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de zitting heeft de rechtbank gesproken met de pleegmoeder en haar advocaat, met de jeugdbescherming, met de Raad en met de biologische moeder. Hierna zal de rechtbank in het kort opschrijven wat zij aan de rechtbank hebben verteld.\n\n4.5.. De jeugdbescherming heeft verteld dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al sinds zij 3 maanden oud waren bij de pleegouders wonen. Zij zijn daar samen opgegroeid. Sinds de scheiding van pleegouders wonen zij bij pleegmoeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegvader ook regelmatig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegouders als hun ouders. Zij hebben de jeugdbescherming meerdere keren verteld dat zij willen dat de pleegmoeder de voogdij over hen krijgt. Zij kan dan beslissingen over hen nemen zoals in een normaal gezin. Er is veel tijd en aandacht besteed om te onderzoeken wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben om fijn contact te hebben met hun biologische moeder. De jeugdbescherming heeft gezien dat zij geen hechte band hebben met hun biologische moeder. Uiteindelijk is er voor gekozen om het contact met de biologische moeder stop te zetten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich verder heel goed, ze hebben fijne sociale contacten en ze doen het zeer goed op school. In de thuissituatie bij pleegmoeder is de biologische moeder en de Indonesische afkomst van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd bespreekbaar. De pleegmoeder heeft het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de biologische moeder ook altijd ondersteund. Er is prettig contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De jeugdbescherming twijfelt er niet aan dat dat in de toekomst zo blijft.\n\n4.6.. De pleegmoeder en haar advocaat hebben de rechtbank verteld dat het overnemen van de voogdij een logische stap is. De pleegmoeder zorgt al jaren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook heeft de pleegmoeder altijd haar best gedaan om het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun biologische moeder te ondersteunen. Zij zal dit in de toekomst ook blijven doen.\n\n4.7.. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om de voogdij aan de pleegmoeder over te dragen. Zij zijn het eens met de jeugdbescherming.\n\n4.8.. De biologische moeder heeft de rechtbank verteld dat het voor haar niet zoveel uitmaakt wie de voogdij heeft. Het is voor haar vooral belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact met haar kunnen hebben. Dat er nu geen contact is tussen haar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt zij niet in hun belang.\n\n4.9.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld dat het goed met hun gaat. Zij geven hun leven op dit moment een hoog cijfer. Op school doen zij het heel goed. Ze hebben ook al een idee wat zij in de toekomst zouden willen gaan doen. Ze willen graag dat de pleegmoeder de voogdij overneemt. Zij denken dat zij dat heel goed kan, zij luistert goed naar hen. Dat maakt het dan vervolgens veel makkelijker om dingen te regelen.\n\nWat vindt de rechtbank\n\n4.10.. De rechtbank stelt vast dat de pleegmoeder schriftelijk heeft verklaard dat zij bereid is de voogdij over te nemen. Er is dus voldaan aan de eerste voorwaarde in de wet.\n\n4.11.. Dan moet de rechtbank nog vaststellen of het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt van de jeugdbescherming (de tweede voorwaarde). De rechtbank vindt dat er ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. De rechtbank zal dat hierna toelichten.\n\n4.12.. De pleegmoeder zorgt al voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds zij drie maanden oud zijn. Door haar goede zorgen (en die van de pleegvader) ontwikkelen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich goed. Zij doen het zeer goed op school, hebben fijne sociale contacten, hebben hobby’s en interesses en een toekomstbeeld. Ook tijdens het gesprek dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gehad op de rechtbank heeft de rechter gezien dat zij goed in hun vel zitten. Zij konden ook open vertellen over het contact met hun biologische moeder. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de pleegmoeder de biologische moeder in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een plek zal blijven geven. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat de pleegmoeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd zal helpen om het contact te herstellen met hun biologische moeder als zij dat willen. Er is ook (goed) contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De pleegmoeder informeert de biologische moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ongeveer vier keer per jaar. Er is door de jeugdbescherming een plan gemaakt waarin afspraken zijn vastgelegd. Dat kan de pleegmoeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] helpen als zij in de toekomst misschien tegen problemen aan lopen. Zij weten dan bij wie zij hulp kunnen vragen. Ook de Raad vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nConclusie\n\n4.13.. De rechtbank zal onder punt 5 nog in juridische woorden de beslissing opschrijven, zodat iedereen precies weet wat de beslissing is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. ontslaat de GI van de voogdij over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012;\n\n5.2.. benoemt [de pleegmoeder] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1961, wonende te [woonplaats 1] , tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van ‘t Westeinde, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nTegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeslissing betreft hoger beroep worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nHet beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te\n\n's-Hertogenbosch.\n\nIngevolge artikel 1:322, lid 1, sub c, van het BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","2026-07-13T00:28:24.340Z",24,20,[11,220],2025]