[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-planning-permit-nl-2024":3},{"detail":4,"years":84},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":21,"page":14,"limit":83},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},104,"planning-permit-nl","Planning Permit","NL","2026-07-08T16:56:40.776Z",2024,[13,15,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":14},12,[39,53,63,73],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1532","ECLI:NL:RBDHA:2024:24033","ecli-nl-rbdha-2024-24033","",58,"2024-12-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F3138\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. V. Boender-Wiebenga).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor een woningvormingsvergunning (aanvraag).\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag van 21 april 2021 met het besluit van 16 juni 2021 (primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 april 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 6 maart 2024 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en voor verweerder zijn gemachtigde.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, omdat zij nog niet over alle informatie beschikt die nodig is om het onderzoek op de zitting te kunnen afronden. Partijen hebben vervolgens een nadere schriftelijke reactie aan de rechtbank gestuurd. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien om de uitspraak in deze zaak aan te houden in afwachting van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over schaarse woonruimte. De Afdeling heeft op 28 augustus 2024 uitspraak gedaan.Partijen hebben hierop vervolgens schriftelijk gereageerd. Nadat partijen toestemming hebben verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n Beoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser is eigenaar van een woning aan [adres] . De woning is een zogenoemd herenhuis en telt zes kamers, die eiser sinds 2006 afzonderlijk verhuurt. Hiervoor is destijds een gebruiksvergunning verleend. Eiser wil de woning verbouwen tot drie zelfstandige woningen.\n\n2.1.. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de woning in het [wijk] in Den Haag ligt en daarmee in een gebied waar een verbod op woningvorming geldt.Dit verbod is ingesteld vanwege negatieve gevolgen van woningvorming op zowel het woningaanbod als de leefomgeving in het [wijk] .\n\n2.2.. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser is advies uitgebracht door de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie). In het adviesheeft de commissie geconcludeerd dat uitsluitend voor zelfstandige woningen een vergunningplicht geldt. Voor onzelfstandige woningen geldt dit niet. Volgens de commissie gaat het in dit geval om een onzelfstandige woning, omdat de woning bestaat uit zes kamers die afzonderlijk worden verhuurd. De commissie is daarom van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en adviseert verweerder het bestreden besluit in te trekken en de aanvraag buiten behandeling te stellen.\n\n2.3.. \n\nVerweerder heeft dit advies van de commissie bij het nemen van het bestreden besluit niet gevolgd. Volgens verweerder gaat het om een zelfstandige woningondanks de kamerverhuur en niet om een onzelfstandige woning waarvoor geen vergunning is vereist.\n\nVerweerder heeft verder gewezen op een uitspraakwaarin is geoordeeld dat het aanwijzen van een vergunningplicht voor het gehele grondgebied, in alle prijssegmenten noodzakelijk en geschikt is geacht voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte. In deze uitspraak is geoordeeld dat verweerder voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er nu sprake is van schaarste in alle prijssegmenten. Ook in het duurdere segment is het instellen van een vergunningplicht volgens verweerder daarom een geschikt en noodzakelijk instrument om de onevenwichtige effecten van schaarste in de gehele woningvoorraad te bestrijden. Het pand ligt in het [wijk] in Den Haag. Daarvoor geldt een verbod op woonvorming. Dit betekent dat een aanvraag om woonvormingsvergunning moet worden geweigerd.Verder ziet verweerder in dit geval geen mogelijkheid om in afwijking van het beleid de hardheidsclausule toe te passen. Met deze aanvullende motivering heeft verweerder het bezwaar van eiser met het bestreden besluit ongegrond verklaard.\n\nWat stellen partijen in beroep?\n\n3. Eiser voert aan dat geen vergunning nodig is, omdat het hier gaat om een onzelfstandige woning, omdat de woning al sinds 2006 wordt verhuurd. Als de woningvormingsvergunning niet wordt verleend, zal de kamerverhuur worden voortgezet. Hierdoor keert de woning niet terug naar de woningvoorraad. Verweerder heeft het advies van de commissie onvoldoende gemotiveerd opzij geschoven en ten onrechte geconcludeerd dat de woning ondanks de kamerverhuur altijd een zelfstandige woning is gebleven. Deze stelling heeft verweerder niet onderbouwd en is feitelijk onjuist. De woning is al sinds 1985 als kamerverhuurpand in gebruik, zodat de woning al sindsdien aan de woningvoorraad is onttrokken. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering.Als wordt afgeweken van een advies geldt een verzwaarde motiveringsplicht.\n\n3.1.. \n\nVerweerder handhaaft zijn standpunt dat sprake is van een vergunningplicht. Verweerder heeft gewezen op een uitspraakwaarin is geoordeeld dat het aanwijzen van een vergunningplicht voor het gehele grondgebied, in alle prijssegmenten noodzakelijk en geschikt is geacht voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte. Gelet hierop geldt de vergunningplicht ook voor woningen die vallen binnen het hogere segment aan woningen. Het pand ligt in het [wijk] in Den Haag. Daarvoor geldt een verbod op woonvorming. Dit betekent dat een aanvraag om woonvormingsvergunning moet worden geweigerd.Verweerder heeft in het verweerschrift nader toegelicht dat het in dit geval gaat om een woning die mag worden gebruikt voor kamerverhuur (onzelfstandige bewoning). Met dit gebruik blijft het pand een zelfstandige woning.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nIs sprake van een zelfstandige of onzelfstandige woning?\n\n4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen dient de vraag of sprake is van een zelfstandige woning beoordeeld te worden aan de hand van de feitelijke situatie.Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor de uitleg van het begrip zelfstandige woonruimte aansluiting moet worden gezocht bij de definitie ervan in artikel 7:234 van het Burgerlijk Wetboek en de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel.Hieruit volgt dat het gebruik van de wezenlijke voorzieningen exclusief aan de bewoner moet toekomen. Verder wordt onder zelfstandige woning ook de onvrije woning verstaan. Dat wil zeggen een woning waarbij de bewoner voor wezenlijke voorzieningen niet afhankelijk is van gemeenschappelijke voorzieningen en waarbij de ruimten afsluitbaar zijn en bereikbaar zijn via een gemeenschappelijke verkeersruimte waarover anderen niet krachtens zakelijk of persoonlijk recht bij uitsluiting zeggenschap hebben.\n\n4.1.. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de woning als een zelfstandige woning is aan te merken. Zoals verweerder in zijn verweerschrift nader heeft toegelicht gaat het hier om een woning die mag worden gebruikt voor kamerverhuur (onzelfstandige bewoning). De woning blijft als bouwwerk echter een zelfstandige woonruimte met een eigen toegang waarachter de wezenlijke voorzieningen liggen. Het pand blijft ook op grond van de BAG, een verblijfsobject, een zelfstandige woonruimte. Onzelfstandige woonruimte zijn geen verblijfsobjecten en krijgen daarom geen huisnummer. Als deze woning als onzelfstandige woonruimte moeten worden beschouwd dan zou het geen huisnummer hebben. Gelet hierop slaagt het betoog van eiser dat geen vergunning nodig is, omdat het gaat om een onzelfstandige woning niet slagen.\n\nWelk recht is van toepassing op de aanvraag?\n\n5. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag heeft beoordeeld met toepassing van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (versie 3 geldend van 24\u002F12\u002F2020 – 31\u002F5\u002F2021 en versie 4 geldend van 1\u002F6\u002F2021 – 28\u002F2\u002F2022).\n\n5.1.. Eiser stelt in zijn brief van 20 maart 2024 dat de aanvraag had moeten worden beoordeeld volgens het recht dat gold op het moment van aanvraag. Op dat moment was de Huisvestingsverordening 2019 van toepassing. Uit de uitspraken van deze rechtbankvolgt dat deze verordening in ieder geval op dat moment buiten toepassing moest worden gelaten voor de categorie zelfstandige woningen in het hogere segment. Op dat moment was namelijk de noodzaak door de gemeenteraad nog niet aangetoond voor die categorie zelfstandige woningen in het hogere segment.\n\n5.2.. In zijn brief van 8 april 2024 geeft verweerder aan dat de juiste wet- en regelgeving is toegepast en dat met de notitie voldoende is onderbouwd dat sprake is van schaarste in alle prijssegmenten en categorieën.5.3.. Verweerder heeft in het geschil het juiste recht toegepast. Tussen versie 3 en versie 4 van de Huisvestingsverordening 2019 is er inhoudelijk geen verschil wat betreft de voor eiser geldende normstelling. Uit de door eiser genoemde uitspraak volgt niet dat de Huisvestingsverordening 2019 onverbindend was, maar dat die in die zaak buiten toepassing moest worden gelaten.\n\nMocht verweerder eiser een algemene vergunningplicht tegenwerpen?\n\n6. Recent heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder met de notitie,gelet op de daarin gehanteerde onderzoeken en de op de gemeente Den Haag toegesneden analyse, toereikend heeft onderbouwd dat sprake is van schaarste in alle segmenten, en dat een vergunningplicht voor omzetting noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onevenredige effecten van schaarste aan woonruimte. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ten behoeve van het behoud van de woningvoorraad en de doorstroming binnen de markt het aanwijzen van het gehele grondgebied wenselijk is. De gemeenteraad mocht dus een vergunningplicht voor het omzetten van woonruimte in de Huisvestingsverordening 2019 opnemen. Het cijfermateriaal dat verweerder in de notitie betrokken heeft, ziet op de periode 2015-2022. De Afdeling is van oordeel dat daarmee ook voor de Huisvestingsverordening 2023 een voldoende toereikende motivering voor de vergunningplicht is gegeven. Met de notitie is nu ook voor het hogere segment voldoende gemotiveerd dat sprake is van schaarste en onevenredige en onevenwichtige effecten daarvan.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat het in de zaak van eiser weliswaar niet om een omzettings- maar om een woningvormingsvergunning gaat, maar ziet daarin geen aanleiding voor een ander oordeel. Het gaat immers ook in dit geval om de onderbouwing door verweerder dat sprake is van schaarste in alle segmenten en dat een vergunningplicht noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onevenredige effecten van schaarste aan woonruimte.\n\n6.2.. De rechtbank volgt eiser, gelet op het voorgaande, niet in zijn betoog dat verweerder met de notitie onvoldoende heeft onderbouwd dat op het moment van de aanvraag ook schaarste bestond in het hogere segment. Volgens eiser ziet de motivering die verweerder hiervoor achteraf heeft gegeven niet op de betreffende periode en wijk en onderbouwt daarmee niet waarom de toegepaste bepalingen uit de Huisvestingsverordening en daarmee de vergunningplicht in dit geval mocht worden toegepast. In voormelde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat in beginsel niet is uitgesloten dat verweerder in een procedure over een besluit dat met toepassing van de Huisvestingsverordening is genomen en waarin een algemeen verbindend voorschrift uit die verordening exceptief moet worden getoetst, alsnog onderbouwt waarom de toegepaste bepaling rechtmatig is en in dat geval toegepast mocht worden. Het moet dan gaan om een motivering die in lijn is met dat voorschrift en die het standpunt van de gemeenteraad weergeeft. Omdat de notitie in lijn is met het standpunt van de gemeenteraad oordeelde de Afdeling dat deze mocht worden meegenomen als onderbouwing van de in de Huisvestingsverordening 2019 opgenomen vergunningplicht.\n\nHad verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?\n\n7. De rechtbank is niet gebleken van zodanige bijzondere feiten en omstandigheden dat verweerder in redelijkheid toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank constateert dat eiser dit in bezwaar ook heeft aangevoerd en dat verweerder in het bestreden besluit uitgebreid heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank kan deze motivering van verweerder volgen.\n\nMocht verweerder afwijken van het advies van de commissie?\n\n8. In artikel 7:13, zevende lid, van de Awb is bepaald dat indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld, en indien de beslissing op bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.\n\n8.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het voorgaande, voldoende gemotiveerd aangegeven waarom wordt afgeweken van het advies van de commissie. Het bestreden besluit is op dit punt niet onzorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de woningvormingsvergunning mocht weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:3424.\n\n Op grond van artikel 21, onder d, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 5:2 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Huisvestingsverordening).\n\n Van 21 januari 2022.\n\n Als bedoeld in artikel 7:234 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin is bepaald dat onder zelfstandige woning wordt verstaan de woning die een eigen toegang heeft en die de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13735.\n\n Op grond van artikel 5:6, zevende lid, van de Huisvestingsverordening.\n\n De motivering van verweerder voldoet niet aan de wettelijke eisen van de artikelen 3:46 en 7:13, zevende lid van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5633.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13735.\n\n Op grond van artikel 5:6, zevende lid, van de Huisvestingsverordening.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1109.\n\n Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0658, r.o. 4.1, en de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2070, r.o. 4.3.\n\n Kamerstukken II 1997\u002F98, 26 089, nr. 3, p. 38-39.\n\n Uitspraken van deze rechtbank van 26 april 2022, ECLI:NL:RBDHA: 2022:4114.\n\n De notitie ‘Schaarste aan woonruimte in Den Haag’ van 29 augustus 2022.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3424, overwegingen 15.3 en 15.4.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:24033","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:25.677Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"583","ECLI:NL:RBOBR:2024:4571","ecli-nl-rbobr-2024-4571",72,"2024-10-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 24\u002F1896\n uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2024 in de zaak tussen\n\nBrabant Luchtvaart Beheer B.V., handelend onder de naam “Kempen Airport”, gevestigd in [vestigingsplaats] , Kempen Airport (gemachtigde: mr. R.M. Schnitker),\n\nen\n\nHet college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, het college\n\n(gemachtigde: mr. H. Vermeulen).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaak deel: - Nyrstar Budel B.V. (gemachtigde: mr. S.L. Kombrink), Nyrstar, en - de raad van de gemeente Cranendonck (gemachtigde: mr. D.C.F.J. Velings), de raad.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Kempen Airport tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een zonneveld gelegen in een gebied tussen de [straatnaam] en de [straatnaam] in Budel-Dorplein, gemeente Cranendonck (de omgevingsvergunning). Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 15 februari 2024 verleend.\n\n1.1.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Nyrstar heeft schriftelijk gereageerd. Kempen Airport heeft daarop gereageerd en op 22 augustus 2024 een nader stuk ingediend.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld van [naam] , directeur van Kempen Airport, de gemachtigde van het college, vergezeld van [naam] , net als de gemachtigde van het college werkzaam bij de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, en [naam] , werkzaam bij de provincie, de gemachtigde van Nyrstar, vergezeld van [naam] , hoofd projectontwikkeling bij Statkraft Nederland, [naam] , werkzaam bij Nyrstar en [naam] , adviseur, en de gemachtigde van de raad.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning voor het zonneveld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Deze beslissing staat aan het einde van deze uitspraak onder het kopje “beslissing”. Hierna legt de rechtbank eerst uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omgevingswet niet van toepassing\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag van Nyrstar is ingediend voor 1 januari 2024. Dat betekent dat oud recht van toepassing is, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De rechtbank verwijst op dit punt naar artikel 4.3, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing\n\n5. Op deze zaak is verder afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing, omdat het project ziet op de aanleg van een productie-installatie ten behoeve van hernieuwbare elektriciteit met behulp van zonne-energie, zoals bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw. Dat betekent onder meer dat de gronden van het beroep binnen de beroepstermijn van zes weken aangevoerd moeten worden en daarna niet meer aangevuld kunnen worden.\n\n6. Het college heeft bij de kennisgeving in het gemeenteblad niet laten weten dat op het instellen van beroep de Chw van toepassing is. De rechtbank heeft bij de bevestiging van ontvangst van het beroep ook niet laten weten dat de Chw op het beroep van toepassing is. Verder heeft de rechtbank bij de uitnodiging voor de zitting weliswaar laten weten dat de Chw van toepassing is, maar niet dat geen nieuwe gronden meer konden worden aangevoerd. De rechtbank vindt het daarom niet redelijk, en uit een oogpunt van rechtsbescherming ook ongewenst, om wat Kempen Airport heeft aangevoerd met het nadere stuk van 22 augustus 2024 buiten beschouwing te laten. Het feit dat het college in de overwegingen van de omgevingsvergunning te kennen heeft gegeven dat de Chw van toepassing is, maakt haar oordeel dan ook niet anders. Niet aannemelijk is dat Kempen Airport moet hebben geweten van de toepasselijkheid van de Chw. Daarvoor acht de rechtbank de wisselende en impliciete informatievoorziening van zowel het college als de rechtbank van belang. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 augustus 2014.De rechtbank laat bij haar oordeel overigens in het midden of het nadere stuk een nadere onderbouwing is van eerder aangevoerde gronden of, zoals in het opschrift van het stuk is vermeld, aanvullende gronden bevat.Kern van het geschil\n\n7. Nyrstar wil het zonneveld realiseren om via dit veld op een duurzame manier te voldoen aan een gedeelte van haar energiebehoefte. Het zonneveld komt te liggen op het industrieterrein en wordt aangelegd op een voormalige stortplaats, waarvan de bodem is of wordt gesaneerd. Het zonneveld wordt ontwikkeld door Statkraft Nederland.\n\n8. Kempen Airport exploiteert luchthaven Budel. Zij richt zich met name op de kleine (zakelijke) luchtvaart (General- en Business Aviation; hierna: GA) die gebruik maakt van een verharde landingsbaan. Het vliegveld beschikt daarnaast over een grasbaan voor Micro Light Aircrafts (MLA’s), die gelegen is tussen de verharde hoofdbaan en de Loozerheide. Het zonneveld komt te liggen ten zuidwesten van de landingsbaan, in de directe nabijheid van de geadviseerde aanvliegroute voor GA. Kempen Airport vreest dat GA het zonneveld gaat mijden en daardoor in een rechte lijn over Budel Dorplein gaat vliegen waardoor er klachten gaan komen over geluidsoverlast. Kempen Airport vindt dat het college ten onrechte geen overleg met haar heeft gevoerd daarover.\n\n9. Het college ziet geen aanleiding om de omgevingsvergunning te weigeren, ook niet in de argumenten die Kempen Airport naar voren heeft gebracht. Volgens het college is de verwachting dat piloten naar een andere vliegroute uitwijken ongegrond. Ook als dat wel het geval zou zijn, kan Kempen Airport blijven voldoen aan de gestelde geluidnormen.\n\n10. De raad omarmt het initiatief van Nyrstar. Het past in het beleid van de gemeente om de uitstoot van CO2 terug te dringen door het opwekken van duurzame energie. In ruimtelijk opzicht heeft de raad geen bezwaren tegen de komst van het zonneveld op het perceel. Totstandkoming van het besluit\n\n11. Op 23 februari 2022 heeft Nyrstar een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo ingediend voor de activiteiten bouwen, handelen in strijd met ruimtelijke regels en milieu. Het zonneveld is voorzien op de percelen, kadastraal bekend, raad Budel, sectie G, nummer [nummer] (het perceel), plaatselijk gelegen aan de [straatnaam] .\n\n12. Ten behoeve van het project heeft de raad op 11 juli 2023 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven, als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo.\n\n12. Het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning heeft van 1 september 2023 tot en met 12 oktober 2023 ter inzage gelegen.\n\n12. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a), “uitvoeren van een werk” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b), “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c) en “milieu” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e). Overeenkomstig de aanvraag heeft de omgevingsvergunning een geldigheidsduur van 25 jaar (voorschrift 1.1.4).\n\n15. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo. Op het perceel geldt op grond van het bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” (het bestemmingsplan) de bestemming “Bedrijventerrein 1a”. De op de plankaart als \"Bedrijventerrein\" aangewezen\n\ngronden zijn bestemd voor de functies bedrijven, groenvoorzieningen, natuurlijk gebied en openbare nutsvoorzieningen. Het zonneveld is in strijd daarmee. Op het perceel geldt ook het bestemmingsplan “Zoneringen Luchthaven Budel”. Het zonneveld is, naar ook niet in geschil is, niet in strijd met één van deze aanduidingen die op grond van dat bestemmingsplan aan het perceel zijn toegekend. Bespreking van de beroepsgronden\n\n16. Tijdens de zitting heeft Kempen Airport laten weten geen zelfstandig oordeel van de rechtbank te willen over de grond dat met het zonneveld de vliegveiligheid in geding komt. Deze grond heeft zij op vragen van de rechtbank dan ook ingetrokken. De verschillende argumenten over de vliegveiligheid heeft zij aangevoerd om te onderstrepen dat met de komst van het zonneveld de kans reëel is dat gezagvoerders de vliegroute over het zonneveld gaan mijden en alleen nog voor een vliegroute zullen kiezen over Budel-Dorplein, zo heeft Kempen Airport tijdens de zitting toegelicht. Ontbreken vooroverleg\n\n17. Kempen Airport betoogt dat het college ten onrechte geen overleg met haar heeft gevoerd. Zij vindt dat onzorgvuldig van het college. Haar belangen zijn in het bijzonder in het geding door de komst van het zonneveld. Nu zij geen overleg met het college heeft gehad, had de omgevingsvergunning niet verleend mogen worden. Het feit dat zij niet meer deelneemt aan het overleg van de zogenoemde CROBD kan haar niet worden tegengeworpen. Dat betreft geen overleg met het college maar met een onafhankelijke commissie die de provincie adviseert. Op deze adviezen reageert de provincie overigens niet, wat één van de redenen is voor Kempen Airport om niet meer aan dat overleg deel te nemen. Met het contact dat Nyrstar met haar heeft gezocht, heeft het college niet aan zijn zorgvuldigheidsverplichting voldaan. Dan gaat het nog steeds niet om overleg met het college als bevoegd gezag, aldus Kempen Airport.\n\n18. Voor zover Kempen Airport in haar beroepschrift ter ondersteuning van dit betoog heeft gewezen op Verordening (EU) nr. 139\u002F2014 van 12 maart 2014, heeft zij tijdens de zitting op vragen van de rechtbank uitdrukkelijk laten weten met die verwijzing niet te willen betogen dat de omgevingsvergunning in strijd met deze Verordening is verleend. Zij heeft ook niet willen betogen dat de Verordening rechtstreekse werking heeft en door haar in dit geding kan worden ingeroepen. Met de verwijzing naar de Verordening heeft zij alleen willen benadrukken dat het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld en dat het naar haar mening logisch is dat met de exploitant van een luchthaven overleg wordt gevoerd door het bevoegd gezag als zich initiatieven aandienen in de nabije omgeving van een luchthaven.\n\n18. De Wabo kent geen verplichting om overleg te voeren met belanghebbenden voorafgaande aan het verlenen van een omgevingsvergunning. In dit geval kan ook aan het zorgvuldigheidsbeginsel een dergelijke verplichting niet worden ontleend. Het enkele feit dat het belang van Kempen Airport betrokken is bij de omgevingsvergunning is, brengt niet mee dat het college met Kempen Airport moest overleggen voordat het de omgevingsvergunning. Verder heeft het college in de aanloop naar de vergunningverlening of op een ander moment bijvoorbeeld niet toegezegd overleg te zullen voeren met Kempen Airport. Het college heeft voor de mogelijkheid van overleg dan ook kunnen verwijzen naar de uitgebreide voorbereidingsprocedure, in welk verband Kempen Airport een zienswijze naar voren heeft kunnen brengen. Het betoog van Kempen Airport slaagt niet. Vrees voor toename geluidklachten door mijden zonneveld\n\n18. Kempen Airport vreest voor toename van klachten van inwoners van Budel-Dorplein over geluidhinder van de vliegverkeer. Piloten van GA zouden de vliegroute over het zonneveld gaan mijden, onder meer omdat het zonneveld niet meer als noodlandingslocatie wordt gezien. Hierdoor zullen zij uitwijken naar een route over Budel-Dorplein. Dat leidt dan weer tot meer klachten van inwoners van Budel-Dorplein. Daarbij verwijst Kempen Airport naar een rapport van adviesbureau To70 (To70) waarin staat dat het vlieggedrag zal wijzigen door de komst van het zonneveld. Dat het terrein nu voornamelijk bestaat uit bomen en beplanting doet daar niet aan af. Een zonneveld bestaat uit schuin opstaande onder stroom staande panelen\u002Fobjecten die nog minder geschikt zijn om op te landen dan een veld met bomen en beplanting. Ook bij andere luchthavens bevinden de panelen zich langs de start- en landingsbaan. Nergens worden vanwege de vliegveiligheid zonnepanelen aangelegd onder een vertrek- of naderingsroute, aldus Kempen Airport.\n\n18. Tijdens de zitting is gebleken dat de grond van Kempen Airport over de gevreesde toename van klachten over geluidhinder, alleen betrekking heeft op mogelijk gedrag van vliegtuigen voor GA. Voor zover Kempen Airport in het beroepschrift heeft aangevoerd dat ook MLA het zonneveld zal mijden, zal de rechtbank op dat punt van het beroep niet ingaan.\n\n18. Het college verwacht niet dat gezagvoerders hun vliegroutes zullen aanpassen door de komst van het zonneveld. Daarvoor verwijst het in de eerste plaats naar de conclusie van het onderzoek door Adecs Airinfra consultants B.V. van 14 september 2021 met kenmerk [kenmerk] (in het dictum van het bestreden besluit “Quickscan vluchtuitvoering”). Het rapport van To70 dat Kempen Airport heeft ingebracht, is gebaseerd op een enquête onder slechts 13 MLA-vliegers. De resultaten zijn daarmee niet representatief en hebben bovendien betrekking op een gedateerd plan. Verder acht het college de vrees van Kempen Airport dat de komst van het zonneveld tot meer geluidsoverlast zal leiden ongegrond. Uit de door de luchthaven op kwartaalbasis uit te brengen rapportage over de geluidsproductie door de vliegtuigen blijkt dat Kempen Airport ruimschoots voldoet aan de geluidnormen.Het college heeft dan ook niet de verwachting dat als gezagvoerders afwijken van de aanbevolen vliegroutes, niet meer wordt voldaan aan de geluidnormen.\n\n23. In de aanloop naar de zitting hebben partijen van gedachten gewisseld over de betekenis van de zogenoemde Aeronautical Information Publication (AIP) over Kempen Airport voor de omgevingsvergunning. Daarbij is de vraag opgekomen of, en zo ja, in hoeverre gezagvoerders verplicht zijn om vliegroutes van en naar Kempen Airport te gebruiken die op de AIP zijn weergegeven. Tijdens de zitting is bij bestudering van de verbeelding die bij de AIP hoort, gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat gezagvoerders verplicht zijn om de “Entry” en “Exit” punten te volgen. Stippellijnen op de verbeelding zijn alleen adviesroutes voor GA, waar de gezagvoerder hoe dan ook niet aan gebonden is. Binnen het circuit van Kempen Airport dat daarop is weergegeven, is de gezagvoerder van GA vrij om een route te kiezen van en naar de verharde landingsbaan. Voor zover partijen standpunten naar voren hebben gebracht over de betekenis van de AIP voor de afweging die het college bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft gemaakt, zal de rechtbank die standpunten buiten beschouwing laten. De betekenis van de AIP is namelijk niet in geschil, zo is tijdens de zitting gebleken.\n\n23. De rechtbank deelt niet het standpunt van het college dat het relativiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de weg staat aan vernietiging van de omgevingsvergunning vanwege de door Kempen Airport gevreesde toename van geluidklachten van bewoners van Budel-Dorplein. De norm van een goede ruimtelijke ordening, die van toepassing is op een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, ziet namelijk ook op de belangen van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf als het gaat om de borging van goed woon- en leefklimaat. Degene die een bedrijf uitoefent kan, omdat hij geconfronteerd kan worden met klachten van de bewoners van een woning over de milieugevolgen van zijn bedrijf, aanvoeren dat in de omgeving vanwege de milieugevolgen van zijn bedrijf geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Dat betekent dat de mogelijke toename van geluidhinder niet alleen naar voren kan worden gebracht door omwonenden en inwoners van Budel-Dorplein, maar ook door Kempen Airport. De rechtbank wijst in dit verband op vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals die onder meer blijkt uit de uitspraak van 11 november 2020.\n\n24.1.. In het bestemmingsplan “Zonering Luchthaven Budel” is de Verordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant (de verordening) verwerkt. De verordening is een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.43 van de Wet luchtvaart. Een luchthavenbesluit bevat regels over het luchthavenluchtverkeer, de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond een luchthaven, geluidregels over het luchthavenverkeer en regels die nodig zijn voor vliegveiligheid. Daarnaast wordt in een luchthavenbesluit een beperkingengebied vastgesteld en kan dit regels bevatten over de functie en het gebruik van het gebied rond de luchthaven, waaronder de hoogte van bouwwerken. Op grond van artikel 8.47, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 8.9, eerste lid, van de Wet luchtvaart, zoals die luidden tot inwerkingtreding van de Omgevingswet, moet bij een besluit over een omgevingsvergunning om van een bestemmingsplan af te wijken een luchthavenbesluit in acht worden genomen. De afweging wat in verband met de vliegveiligheid rond een luchthaven wel en niet mag, wordt daarmee in beginsel in een luchthavenbesluit gemaakt. Als geen strijd bestaat met het luchthavenbesluit, zoals in dit geval, moet het luchthavenbesluit niet in acht worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college er daarom van uitgaan dat het zonneveld niet in strijd komt met het belang van de luchthaven en van de vliegveiligheid. Het college diende bij de beslissing over de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan wel rekening te houden met die belangen. Die belangen zijn namelijk bij het besluit over de omgevingsvergunning betrokken. Bij de beslissing om al dan niet in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, komt het college echter beleidsruimte toe. Dat betekent dat de rechtbank niet in de plaats van het college zelf gaat bepalen wat redelijk is, maar beoordeelt of de keuze van het college niet onredelijk is. De keuze van het college toetst de rechtbank dus terughoudend, tenzij de verlening van de omgevingsvergunning in strijd met het recht is.\n\n24.2.. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank in de door Kempen Airport gevreesde toename van geluidhinder en daarmee samenhangende mogelijke klachten van inwoners van Budel-Dorplein, in redelijkheid geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning voor het zonneveld te weigeren. Ook als moet worden aangenomen dat gezagvoerders de route over het zonneveld zullen mijden, blijkt uit de stukken en wat op de zitting aan de orde is gekomen niet dat de geluidnormen die gelden voor Kempen Airport worden overschreden. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat bij gebruik van andere vliegroutes dan de aanbevolen vliegroutes de geluidnormen (ruimschoots) kunnen worden nageleefd. Dan blijft alleen de vrees voor de toename van klachten van inwoners Budel-Dorplein over. Het college heeft in alleen de vrees voor toename van de klachten in redelijkheid geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning te weigeren. Het betoog van Kempen Airport slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Nyrstar het zonneveld mag aanleggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Huijben, voorzitter, en mr. R. Grimbergen en mr. J.J.H. van Kempen, leden, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2014:2959.\n\n Deze normen zijn vastgelegd in de door provinciale staten van Noord-Brabant vastgestelde Verordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant van 20 september 2013 en laatstelijk gewijzigd in de Eerste wijzigingsverordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant van 19 januari 2018.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o 10.6.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:4571","2024-10-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.042Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"528","ECLI:NL:RBMNE:2024:2630","ecli-nl-rbmne-2024-2630",63,"2024-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 23\u002F6316\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.E. Silbermann),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. B. Dekker).\n\nInleiding\n\n1.1.. Eiseres is eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (het perceel). Zij dacht dat zij aan de zijgevel van de woning vergunningsvrij een aanbouw met twee bouwlagen mocht bouwen. In maart 2022 heeft de bouwinspecteur van het college haar er tijdens de bouw op gewezen dat de aanbouw zoals ze die aan het bouwen was, niet vergunningsvrij is. Daarop heeft eiseres bij het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend.\n\n1.2.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het weigeren van haar aanvraag voor een omgevingsvergunning (de weigering). Met de beslissing op bezwaar van 1 november 2023 (het bestreden besluit) is het college bij de weigering gebleven.\n\n1.3.. Daarnaast heeft eiseres aan het college een ingebrekestelling gestuurd vanwege het niet binnen twee weken publiceren van de volgens haar van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Met het besluit van 16 mei 2023 (het tweede bestreden besluit) heeft college aan eiseres meegedeeld dat de omgevingsvergunning niet van rechtswege is verleend en daarom ook geen dwangsom is verbeurd.\n\n1.4.. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het tweede bestreden besluit. Het beroep tegen de weigering heeft van rechtswege mede betrekking op het tweede bestreden besluit.Daarom heeft het college het bezwaarschrift doorgestuurd aan de rechtbank.\n\n1.5.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 8 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [A] (de partner van eiseres), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt: - of het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren; - of het besluit dat geen dwangsom is verbeurd juist is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.\n\nIs de omgevingsvergunning van rechtswege verleend?\n\n4. Eiseres voert primair aan dat het college de weigering niet alleen per e-mail aan haar had mogen verzenden. En subsidiair dat de verzending per e-mail niet voldoende betrouwbaar was. Volgens haar heeft het college daarom niet tijdig op haar aanvraag voor een omgevingsvergunning beslist en is de omgevingsvergunning daardoor van rechtswege verleend.Het college had de van rechtswege verleende omgevingsvergunning binnen twee weken moeten publiceren.Nu het college dit niet heeft gedaan en eiseres het college in gebreke heeft gesteld, vindt eiseres dat het college aan haar een dwangsom is verschuldigd.\n\n5. Eiseres heeft haar aanvraag voor een omgevingsvergunningsvergunning ingediend op 18 juli 2022. Als gevolg van een verzoek om aanvullende gegevens is de beslistermijn opgeschort geweesten het college heeft de beslistermijn tijdig verlengd.De rechtbank stelt vast dat het college uiterlijk op 20 maart 2023 op de aanvraag van eiseres had moeten beslissen.\n\n6. De rechtbank stelt voorop dat eiseres bij het indienen van de aanvraag [B] van [bedrijf] als gemachtigde heeft vermeld op het aanvraagformulier en het e-mailadres van deze gemachtigde op het aanvraagformulier heeft opgegeven. Op de zitting heeft het college toegelicht dat als op het aanvraagformulier is aangegeven dat de aanvrager correspondentie per e-mail wil ontvangen, hij ook de beslissing op die aanvraag altijd bekend maakt door deze per e-mailbericht naar het op het aanvraagformulier vermelde e-mailadres toe te sturen.\n\n7. Het college heeft de weigering op 17 maart 2023 per e-mail tegelijk aan eiseres persoonlijk en aan haar gemachtigde, de heer [B] , verzonden. Tussen partijen is niet in geschil dat het persoonlijke e-mailadres van eiseres dat in deze e-mail is gebruikt niet juist is en dat het e-mailbericht haar daardoor niet heeft bereikt. Op het aanvraagformulier is door of namens eiseres een typefout in het persoonlijke e-mailadres van eiseres gemaakt, welke door het college bij het verzenden van de weigering is overgenomen. Het door het college gebruikte e-mailadres van de gemachtigde van eiseres is wel juist. Dit is ook het e-mailadres waarmee door het college met de gemachtigde van eiseres is gecommuniceerd over de aanvulling van de aanvraag. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de e-mail met daarin als bijlage de weigering de gemachtigde van eiseres op 17 maart 2023 heeft bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de weigering daarmee tijdig aan eiseres verzonden en dus bekend gemaakt. Het is voor eiseres vervelend dat het college bij de verzending van de weigering gebruik heeft gemaakt van het door of namens eiseres onjuiste persoonlijke e-mailadres van eiseres uit het aanvraagformulier, ondanks dat hij door andere communicatie ook beschikte over haar juiste e-mailadres. Maar dit maakt het oordeel van de rechtbank dat het college de weigering op juiste wijze aan eiseres heeft verzonden niet anders.\n\n8. Het voorgaande betekent dat het college tijdig op de aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft beslist en dus is geen omgevingsvergunning van rechtswege verleend. Daarom hoefde het college ook niet bekend te maken dat er een omgevingsvergunning van rechtswege was verleend. Er is geen dwangsom verbeurd. Dit heeft het college met het tweede bestreden besluit juist vastgesteld.\n\nHad het college moeten afwijken van de beleidsregels?\n\n9. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat de aanbouw in twee bouwlagen in strijd is met het voor het perceel geldende bestemmingsplan ‘ [woonplaats] 2009’.\n\n10. Het college is op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2o, van de Wabo in combinatie met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) bevoegd om voor de aanbouw een omgevingsvergunning te verlenen voor planologisch strijdig gebruik. Het college heeft met betrekking tot deze bevoegdheid de ‘Beleidsregels artikel 2.12 lid 1 onder a onder 2 Wabo jo. artikel 4 van Bijlage II Bor, 5de wijziging, Gemeente De Bilt 2014’ (de beleidsregels) vastgesteld. Tussen partijen is niet in geding dat de aanbouw in twee bouwlagen ook in strijd is met deze beleidsregels. Het college heeft de aanvraag overeenkomstig de beleidsregels geweigerd.\n\n11. Eiseres voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het college in dit geval had moeten afwijken van de beleidsregels. De rechtbank is het daar niet mee eens en zal dat hieronder toelichten.\n\n12. De bijzondere omstandigheden die eiseres aanvoert zijn dat de aanbouw grotendeels al is gebouwd en het weer moeten afbreken hiervan voor haar grote financiële gevolgen zal hebben. Ook haar directe buren hebben tegelijk met eiseres een aanbouw gebouwd die in strijd is met de beleidsregels. Deze aanbouw is verbonden met de aanbouw van eiseres. Deze buren hebben geen bezwaar tegen een aanbouw met twee bouwlagen. Door eiseres is een verklaring overgelegd waaruit dit blijkt. Bovendien is de aanbouw van twee bouwlagen volgens eiseres niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.\n\n13. Op de zitting hebben eisers en haar partner aan de rechtbank duidelijk gemaakt wat de impact is van de weigering. Eiseres heeft verteld dat zij al langere tijd met haar gezin in een woning woont waarvan de verbouwing maar half is afgerond. Toch is de rechtbank van oordeel dat het college in dit geval niet hoeft af te wijken van de beleidsregels. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de oprechte bedoelingen van eiseres, is zij van oordeel dat eiseres voordat zij begon met de verbouwing beter had moeten uitzoeken of hiervoor een omgevingsvergunning nodig was. Dat zij dit niet heeft gedaan komt voor haar eigen rekening en risico. Ook komt voor haar eigen risico dat eiseres een schuld is aangegaan voor de verbouwing waarvoor zij niet de benodigde omgevingsvergunning krijgt. Dit zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college zou moeten afwijken van de beleidsregels.\n\n14. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat het college ook aan de andere buurtbewoners geen omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw van bijbehorende bouwwerken die volgens eiseres in strijd zijn met de beleidsregels. Eiseres heeft de beroepsgrond over het gelijkheidsbeginsel daarom op de zitting ingetrokken.\n\n15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de weigering met een verwijzing naar de beleidsregels voldoende gemotiveerd.Het college hoefde eiseres verder niet in de gelegenheid te stellen om een ruimtelijke onderbouwing aan te leveren om daarmee te kunnen aantonen dat de aanbouw niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Het beroep is ongegrond. De rechtbank laat zowel de weigering, als de beslissing dat geen dwangsom is verbeurd in stand. Dit heeft tot gevolg dat het deel van de aanbouw dat al is gerealiseerd, door eiseres is gebouwd zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Het is aan het college of hij daaraan consequenties zal verbinden. Daarover kan de rechtbank in deze procedure die gaat over de weigering verder geen oordeel geven.\n\n17. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep tegen de weigering en het tweede bestreden besluit ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2024.\n\n De rechter is verhinderd de\n\n uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Hij heeft dit gedaan op grond van de artikel 6:15 van de Awb.\n\n Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:20d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.\n\n Artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo.\n\n Artikel 4:84 van de Awb.\n\n Artikel 4:82 van de Awb.\n\n De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:58.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:2630","2024-04-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.922Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":43,"courtId":77,"decisionDate":78,"fullText":79,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":51,"updatedAt":82},"345","ECLI:NL:RBAMS:2024:179","ecli-nl-rbams-2024-179",56,"2024-01-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F3232\n uitspraak van de meervoudige kamer van 2 januari 2024 in de zaak tussen\n de besloten vennootschap Fastned B.V. ( Fastned ) , uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. I.A. Siskina),\n\nen\n\nde minister van Infrastructuur en Waterstaat, (de minister) , verweerder\n\n(gemachtigden: mr. L.J. Hamstra en mr. K.E. Haan).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel:\n\nde besloten vennootschap EG Retail B.V. (EG )uit Breda\n\n(gemachtigde: mr. V.J. Leijh).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Fastned tegen de aan haar verleende vergunningop verzorgingsplaats [naam 2] .\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Fastned , de gemachtigden van de minister en de gemachtigde van EG Retail .\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Fastned heeft op 20 december 2011 een aanvraag gedaan voor het realiseren van een basisvoorziening energielaadpunt met acht laadplekken voor elektrisch snelladen op verzorgingsplaats [naam 2] langs Rijksweg 6 (A6) in de gemeente Noordoostpolder. Fastned heeft de aanvraag aangevuld op 20 april 2022, 26 juli 2022 en 7 oktober 2022.\n\n2. Op verzorgingsplaats [naam 2] is al een vergunde en gerealiseerde basisvoorziening energieoplaadpunt van Mister Green Fast Charging Network B.V. (Fast Charging Network) aanwezig in de vorm van één laadpaal met twee laadplekken op de algemene parkeervoorziening aan de rechterzijde van de verzorgingsplaats. Daarnaast is op de verzorgingsplaats het benzinestation van EG gevestigd, dat geëxploiteerd wordt door Esso . Het benzinestation heeft vier tankzuilen met acht opstelplaatsen, waar in totaal acht voertuigen tegelijkertijd kunnen tanken.\n\n3. De minister heeft de vergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ontwerpbeschikking heeft van 23 december 2022 tot 3 februari 2023 ter inzage\n\ngelegen. EG heeft tegen de ontwerpvergunning een zienswijze ingediend.\n\n4. Met het bestreden besluit van 25 april 2023 heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend. Ten opzichte van de ontwerpvergunning heeft de minister een wijziging aangebracht. In plaats van een looptijd van vijftien jaar is aan de vergunning een looptijd van iets meer dan zeven jaar verbonden. Het verkorten van de looptijd houdt verband met de Tijdelijke beleidsregel, welke op 23 december 2022 is gepubliceerd.In deze Tijdelijke beleidsregel heeft de minister aanvullende regels gesteld over de geldigheidsduur van Wbr-vergunningen en heeft hij een vergunningenstop opgenomen. Op grond van de Tijdelijke beleidsregel moet de minister bij de vergunningverlening aan Fastned rekening houden met de looptijd van de vergunning van Fast Charging Network voor een basisvoorziening. Deze vergunning loopt op 22 juli 2030 af. Om die reden heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend tot 22 juli 2030.\n\n5. Het beroep van Fastned tegen het bestreden besluit richt zich uitsluitend tegen de looptijd van de vergunning.\n\nJuridisch kader\n\n6. Artikel 3, eerste lid, van de Wbr bepaalt, voor zover hier relevant, dat een vergunning slechts kan worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken. Een aanvraag tot wijziging van een Wbr-vergunning moet, kort gezegd, worden beoordeeld op veiligheid en doelmatigheid.\n\n7. Het toetsingskader voor aanvragen om een vergunning voor het aanbieden van voorzieningen op een verzorgingsplaats langs rijkswegen, als bedoeld in artikel 3 van de Wbr, is het beleid, zoals neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (de Kennisgeving). De Kennisgeving is in 2004 vastgesteld en in 2011, 2013, 2017, 2021 en 2022 gewijzigd. Daarnaast is in aanvulling op de Kennisgeving op 23 december 2022 de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd in de Staatscourant.\n\n8. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt een vergunning slechts verleend of gewijzigd met een geldigheidsduur die in ieder geval is beperkt (a) tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van een voor inwerkingtreding van deze beleidsregel verleende vergunning voor een basisvoorziening energielaadpunt op de betreffende verzorgingsplaats, of (b) als voor de betreffende verzorgingsplaats geen vergunning als bedoeld in onderdeel a, is verleend, tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van de voor inwerkingtreding van deze beleidsregel gesloten huurovereenkomst van een locatie voor een motorbrandstoffenverkooppunt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen op deze verzorgingsplaats. De Tijdelijke beleidsregel beoogt de implementatie van de beleidsvisie van de minister tot herordening van de inrichting van verzorgingsplaatsen te faciliteren. Volgens de beleidsvisie is het eindbeeld in 2050 een verzorgingsplaats die voorziet in de (energie)behoeften van een zero-emissie wagenpark door middel van één laadlocatie per verzorgingsplaats. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat concurrentie plaatsvindt tussen de verzorgingsplaatsen en niet óp de verzorgingsplaatsen.\n\n9. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt geen vergunning verleend, indien toepassing van het eerste lid zou leiden tot een geldigheidsduur van minder dan vijf jaar.\n\n10. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel treedt de beleidsregel in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, dus op 24 december 2022.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in dit beroep of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de Wbr-vergunning met een geldigheidsduur tot 22 juli 2030 aan Fastned te verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van Fastned .\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.\n\n13. De rechtbank heeft in een soortgelijke zaak over verzorgingsplaats Haarrijn een uitspraak gedaan op 21 juli 2023.Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat de Tijdelijke beleidsregel op zichzelf niet kennelijk onredelijk en ook niet in strijd met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie is. De hiervoor relevante overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd. In zoverre is de Tijdelijke beleidsregel niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Voor zover Fastned deze grond herhaalt, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 21 juli 2023.\n\nMoest de minister afwijken van het beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb?\n\n14. Fastned stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de minister in dit geval van het beleid had moeten afwijken op grond van artikel 4:84 van de Awb. Fastned wijst ten eerste op de overschrijding van de wettelijke beslistermijn. Als de minister deze termijn wel in acht zou hebben genomen, dan zou de vergunning aan Fastned zijn verleend vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke beleidsregel. Fastned zou in dat geval een vergunning met een looptijd van vijftien jaar hebben gekregen. Fastned heeft op verzorgingsplaats [naam 2] al veel investeringen gedaan met het oog op een langere looptijd van de vergunning. De minister neemt het voorgaande ten onrechte niet mee in de belangenafweging, hetgeen volgens Fastned onzorgvuldig en onevenwichtig is.\n\n15. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat de wettelijke beslistermijn is overschreden op zichzelf geen omstandigheid is die ertoe leidt dat het geldende beleid buiten toepassing behoort te blijven. Voor zover Fastned wijst op de belangenafweging stelt de rechtbank vast dat in de toelichting van artikel 3 en 4 van de Tijdelijke beleidsregel is gemotiveerd waarom de looptijd van vergunningen wordt bekort. De rechtbank stelt verder vast dat de looptijd van de vergunning rekening houdt met het belang van het met het toekomstig beleid te dienen doel, zoals neergelegd in de beleidsvisie, alsook het belang van Fastned door de vergunning niet verder te bekorten dan zeven jaar. Fastned heeft daarnaast de gestelde financiële investeringen op [naam 2] niet met concrete stukken onderbouwd en ook niet aannemelijk gemaakt dat binnen de looptijd van de vergunning de gestelde investeringen niet kunnen worden terugverdiend. In zoverre is geen sprake van onzorgvuldigheid of onevenwichtige besluitvorming.\n\n16. Volgens Fastned is het niet noodzakelijk om de looptijd voor verzorgingsplaats\n\n [naam 2] te bekorten. Een vergunning voor deze locatie met een looptijd van vijftien jaar staat namelijk de algemene implementatie van de nieuwe beleidsvisie niet in de weg. Daarvoor is immers nog geen planning opgesteld, er is nog geen verdelingsmethode gekozen en er is nog niet begonnen met de inrichtingsplannen per verzorgingsplaats. Fastned stelt verder dat zij op deze locatie bovendien al voldoet aan de voorwaarden van het toekomstig beleid op de punten van exclusiviteit en het gebiedscriterium. De minister heeft toegelicht dat het beleid is gericht op het zo snel mogelijk invoeren van een nieuwe verdelingssystematiek. Daarbij leiden uitzonderingen ertoe dat de nieuwe verdelingssystematiek wordt ondergraven. Een langere looptijd voor deze verzorgingsplaats betekent bovendien ook dat andere partijen niet kunnen toetreden tot de markt. Verder heeft de minister toegelicht dat het toekomstig beleid nog in ontwikkeling is en daarom niet op voorhand vaststaat dat Fastned daaraan voldoet. Met deze toelichting heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom het bekorten van de looptijd in dit geval ook noodzakelijk is.\n\n17. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de minister artikel 4:84 van de Awb had moeten toepassen.\n\nArtikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet\n\n18. Fastned voert verder aan dat de vergunning in strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet is verleend voor de duur van zeven jaar. Zij wijst ter ondersteuning daarvan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 juli 2021.\n\n19. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet. Uit de genoemde uitspraak volgt weliswaar dat de minister er rekening mee moet houden dat aan vergunninghouders voldoende tijd wordt geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en de investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunning redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven, maar deze termijn hoeft niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder te worden bepaald. Wel kan volgens de uitspraak per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, worden vastgesteld binnen welke termijn de hiervoor bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. In de Tijdelijke beleidsregel heeft de minister dit gedaan door een zogenoemde ‘kap’ te zetten op vijf jaar en in de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel heeft hij deze kap gemotiveerd. De rechtbank heeft de kap in bovengenoemde uitspraak van 21 juli 2023 niet onredelijk gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. De rechtbank overweegt aanvullend dat het Fastned vrijstaat om minder laadpunten te realiseren om tijdig de investeringen terug te verdienen. Voor zover Fastned stelt dat zij haar investeringen niet zou kunnen terugverdienen, ook niet met minder laadpunten, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt.\n\nBeleidswijziging en lopende aanvraag\n\n20. Fastned stelt dat het toepassen van de Tijdelijke beleidsregel in strijd is met de systematiek van de verdeling van schaarse vergunningen. Fastned beroept zich opnieuw op een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012.Daarnaast wijst Fastned op een uitspraak van de Afdeling van 7 september 2016.Fastned betoogt dat uit deze uitspraken volgt dat de uitspraak van 21 juli 2023 van deze rechtbank onjuist is.\n\n21. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 juli 2023 geoordeeld dat de vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012 niet opgaat omdat, anders dan in die uitspraak, de beleidswijziging in dit geval niet direct ziet op de methode aan de hand waarvan wordt bepaald aan wie de vergunningen worden verleend, maar slechts op de duur van de vergunning. De rechtbank ziet in hetgeen Fastned aanvullend heeft gesteld geen aanleiding om terug te komen van dit oordeel. De rechtbank is van oordeel dat Fastned ook niet aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze zij aan de uitspraak van 7 september 2016 steun kan ontlenen voor de stelling dat in haar voordeel van het beleid moet worden afgeweken.\n\n22. Volgens Fastned is het toepassen van de verkorte looptijd in haar geval ook in strijd met de rechtszekerheid. Als sprake is van rechtmatig gevoerd beleid dat wordt gewijzigd, dan moet die wijziging wel tijdig bekend worden gemaakt en mag niet zonder meer een kortere looptijd worden toegepast op lopende aanvragen. Fastned verwijst, evenals in andere beroepen, naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 3 september 2019en stelt dat de rechtbank die uitspraak ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.\n\n23. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 heeft overwogen gaat de vergelijking met de uitspraak van het CBb over subsidies niet op. De hiervoor relevante overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd. De rechtbank ziet in hetgeen Fastned aanvullend heeft gesteld geen aanleiding om anders te oordelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n24. De minister heeft aan Fastned in redelijkheid een Wbr-vergunning kunnen verlenen met een looptijd tot 22 juli 2030.\n\n25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Fastned geen gelijk krijgt. Fastned krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).\n\n Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 december 2022, tot vaststelling van een tijdelijke beleidsregel inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen, Stcrt, 23 december 2022, nr. 32554.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2023:4789.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1588\n\n ECLI:NL:RVS:2012:BW7592.\n\n ECLI:NL:RVS:2016:2423.\n\n ECLI:NL:CBB:2019:378.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:179","2024-01-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.381Z",20,[85,11,86],2026,2023]