[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-private-international-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":195},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":193,"page":14,"limit":194},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},60,"private-international-law-nl","Private International Law","NL","2026-07-08T16:54:05.559Z",2026,[13,15,17,19,21,23,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":14},2,{"month":18,"count":14},3,{"month":20,"count":14},4,{"month":22,"count":18},5,{"month":24,"count":25},6,8,{"month":27,"count":16},7,{"month":25,"count":29},0,{"month":31,"count":29},9,{"month":33,"count":29},10,{"month":35,"count":29},11,{"month":37,"count":29},12,[39,53,61,71,78,88,98,106,114,123,131,140,150,159,168,176,185],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"653","ECLI:NL:RBNHO:2026:7435","ecli-nl-rbnho-2026-7435","",73,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12142575 \\ EJ VERZ 26-97 WD\n\nBeschikking van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. P.F. Keuchenius,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nte [plaats 2] ( [land] ),\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. E.Z. Anink.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, met 16 producties;\n\n- het verweerschrift, met een verzoek in het incident, met 12 producties; - de brief van mr. Keuchenius met de juiste versie van productie 12; - het verweerschrift in het incident.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De uitgangspunten\n\n2.1.. Op [datum] 2023 is [erflater] overleden (hierna: de erflater).\n\n2.2.. De erflater was bij leven in tweede echt gehuwd met [verweerder] . Zij waren getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. In artikel 1 van de notariële huwelijksvoorwaarden is bepaald dat de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk zullen worden bepaald door Nederlands recht, met uitzondering van het aan partijen toebehorende in Frankrijk gelegen registergoed, waarop het Franse huwelijksvermogensrecht van toepassing is verklaard.\n\n2.3.. \n [verzoeker] is de zoon van [verzoeker] uit een eerder huwelijk. Voor het overige had de erflater geen afstammelingen.2.4.. De erflater heeft ten overstaan van een Nederlandse notaris bij testament van 16 februari 2010 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft hij, voor zover thans van belang: - bepaald dat de vererving en de wijze van afwikkeling van zijn nalatenschap zullen worden beheerst door Nederlands recht; - [verzoeker] benoemd tot enig erfgenaam; - [verweerder] benoemd tot executeur; - aan [verzoeker] gelegateerd een in [plaats 3] gelegen woning; - aan [verweerder] gelegateerd het aandeel van de erflater in de beperkte gemeenschap van inboedel, een bedrag van € 100.000,00 en het vruchtgebruik van zijn nalatenschap;\n\n2.5.. \n [verzoeker] heeft de nalatenschap van de erflater beneficiair aanvaard.\n\n2.6.. \n [verweerder] heeft haar benoeming tot executeur aanvaard en een ruimschoots verklaring afgegeven.\n\n2.7.. Tot de nalatenschap van de erflater behoren – onder meer -: - de in [plaats 3] gelegen woning; - een onverdeeld aandeel in een in Frankrijk gelegen woning; - een 100% belang in Calenus B.V. - een positief saldo bij de ING-bank - belastingschulden; - een schuld van de erflater aan Calenus B.V.3. Het verzoek en het verweer in de hoofdzaak\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt dat de kantonrechter [verweerder] ontslaat uit haar hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer.\n\n4. Het verzoek en het verweer in het incident\n\n4.1.. \n [verweerder] verzoekt dat de kantonrechter zich niet bevoegd verklaart om van de zaak kennis te nemen.\n\n4.2.. \n [verweerder] voert daartoe, kort gezegd, als volgt aan. De laatste verblijfplaats van de erflater was gelegen in Frankijk. Dit brengt mee dat de Franse rechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Voor zover de Nederlandse rechter bevoegd is, is dat de rechter van de rechtbank Den Haag.\n\n4.3.. \n [verzoeker] voert het volgende verweer. De afwikkeling van de nalatenschap is in vele opzichten verbonden aan de Nederlandse rechtssfeer, onder meer doordat [verweerder] een Nederlandse notaris als boedelnotaris heeft benoemd, die zich in het Nederlandse boedelregister heeft laten inschrijven. Daarbij komt dat de erflater ten tijde van het opstellen en verlijden van het testament geen rekening heeft kunnen houden met de daarna ingevoerde Europese Erfrechtverordening, waar [verweerder] zich nu op beroept. Het beroep van [verweerder] op de bevoegdheid van de Franse rechter is onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [verzoeker] verwacht dat partijen een forumkeuze overeenkomst kunnen sluiten en verzoekt hierom dat de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast. Subsidiair verwacht [verzoeker] dat de Franse rechter zich op verzoek van [verzoeker] onbevoegd zal verklaren, omdat de Nederlandse rechter beter in staat is om uitspraak te doen over onderhavige kwestie. Daarom verzoekt [verzoeker] subsidiair dat de kantonrechter onderhavige procedure enige tijd aanhoudt.\n\n5. De beoordeling in het incident\n\n5.1.. Dit incident gaat over de vraag of de kantonrechter als Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek in de hoofdzaak kennis te nemen. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Europese Erfrechtverordening. Deze verordening is materieel van toepassing omdat de hoofdzaak betrekking heeft op de erfopvolging in nalatenschappen van overleden personen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de erfrechtverordening en het geschil niet ziet op de in lid 2 van voornoemd artikel voorkomende uitzonderingen. De erfrechtverordening is formeel van toepassing, omdat de erflater is overleden na 17 augustus 2015 (zie artikel 83 lid 1 van de Europese Erfrechtverordening).\n\n5.2.. De Europese Erfrechtverordening bepaalt in artikel 4 als hoofdregel dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel. Toepassing van de hoofdregel zou meebrengen dat niet een in Nederland zetelende kantonrechter, maar een Franse rechter bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen. Immers, tussen partijen staat vast dat de erflater ten tijde van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had in Frankrijk.\n\n5.3.. \n [verzoeker] betoogt dat in dit geval een uitzondering op voornoemde hoofdregel moet worden gemaakt. Derhalve moet de kantonrechter beoordelen of er onder de gegeven omstandigheden een uitzondering op de hoofdregel moet worden gemaakt. Anders dan [verzoeker] meent, komt bij deze beoordeling geen betekenis toe aan de eisen van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter gaat voorbij aan het op deze grond gevoerde verweer van [verzoeker] . Evenmin komt relevante betekenis toe aan het gegeven dat de erflater bij het verlijden van het testament de invoering van de Europese Erfrechtverordening niet heeft voorzien.\n\n5.4.. Dat partijen een forumkeuze-overeenkomst hebben gesloten als bedoeld in artikel 5 van de Europese Erfrechtverordening, is niet gebleken. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hiertoe, zoals [verzoeker] voorstelt, een mondelinge behandeling te houden. Partijen, voorzien van professionele gemachtigden, zijn in staat een dergelijke overeenkomst te sluiten. Een mondelinge behandeling heeft in dat kader geen toegevoegde waarde.\n\n5.5.. De kantonrechter ziet wel aanleiding om, zoals subsidiair voorgesteld door [verzoeker] , de behandeling van deze zaak enige tijd aan te houden om verwijzing door een Franse rechter op grond van artikel 6 van de Europese Erfrechtverordening mogelijk te maken. Gelet op de rechtskeuze in het testament heeft de Franse rechter op grond van voornoemd artikel de mogelijkheid om zich onbevoegd te verklaren, indien deze van oordeel is dat de Nederlandse rechter beter in staat zal zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging. Onder de gegeven omstandighedenacht de kantonrechter het niet onmogelijk dat de Franse rechter tot dit oordeel zou kunnen komen.\n\n5.6.. De kantonrechter zal deze zaak aanhouden tot maandag 5 oktober 2025. Beide partijen dienen zich uiterlijk op deze datum uit te laten over het opstarten en de voortgang van de in Frankrijk te voeren gerechtelijke procedure en de termijn waarbinnen zij verwachten dat de Franse rechter uitspraak doet over zijn bevoegdheid. Mocht de kantonrechter op basis van de berichtgeving van partijen tot het oordeel komen dat door één van beide partijen (of door allebei) in Frankrijk niet met voldoende voortvarendheid wordt geprocedeerd, zal de kantonrechter hieraan de gevolgen verbinden die hij gerade acht.\n\n5.7.. De behandeling van de hoofdzaak zal ook worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het incident6.1.. houdt de zaak aan tot maandag 5 oktober 2026 voor een akte van beide partijen over hetgeen hiervoor onder r.o. 5.6. is overwogen;\n\nin de hoofdzaak en in het incident\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n De kantonrechter ontleent deze opsomming aan de boedelbeschrijving die door [verweerder] is opgesteld en door [verzoeker] als productie 14 bij verzoekschrift in het geding is gebracht.\n\n VERORDENING (EU) Nr. 650\u002F2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring\n\n Zie 2.1. tot en met 2.7.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7435","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.395Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":45,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"1759","ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","ecli-nl-rbdha-2026-18180",58,"Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F703871 \u002F KG ZA 26\u002F427\n\nVonnis in kort geding van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A] B.V.te [plaats 1] ,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. M.F. de Jong te Haarlem,\n\ntegen:\n\n1. [partij B sub 1] VOF te [plaats 2] ,\n\n2. [partij B sub 2], te [plaats 2] ,\n\n3. [partij B sub 3] ,te [plaats 2] ,\n\ngedaagden in conventie,\n\neisers in reconventie,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nwaarin zich aan de zijde van [partij B] c.s. heeft gevoegd:\n\nCOMMERBAS S.R.L. te Civitanova Marche Italië,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [partij A] ’, ‘ [partij B] c.s.’ en ‘Commerbas’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 30 april 2026 met producties EP01 tot en met EP22;\n\n- de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst van Commerbas van 14 mei 2026 met producties 1 tot en met 3;\n\n- de conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie van 14 mei 2026 met producties GP01 tot en met GP09;\n\n- de aanvullende producties EP23 tot en met EP28 van 18 mei 2026;\n\n- het op 18 mei 2026 overgelegde kostenoverzicht van gedaagden;\n\n- de op 18 mei 2026 om 18:03 uur ingediende aanvullende producties GP10 tot en met GP13 (worden buiten beschouwing gelaten, zie hierna onder 1.2);\n\n- de op 19 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiseres een pleitnotitie is overgelegd.\n\n1.2.. Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [partij A] bezwaar gemaakt tegen de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst, de conclusie van antwoord met producties (minder dan een week voor de mondelinge behandeling) alsmede de nagekomen producties GP10 tot en met GP13 die de avond voor de behandeling van kort geding zijn ingediend. Deze stukken zijn – gelet op de termijnen in het toepasselijke landelijke procesreglement dan wel de instructies in het dagbepalingsbericht – te laat ingediend. Hierdoor is eiseres in haar verdedigingsbelang geschaad. De incidentele conclusie alsmede de conclusie van antwoord zijn ingediend op hemelvaartsdag, waardoor het te kort dag was om met cliënt te overleggen en adequaat te kunnen reageren, aldus mr. De Jong. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat de conclusie van antwoord, de daarbij behorende producties alsmede de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst worden toegestaan. Onder randnummer 2 van het meebetekende dagbepalingsbericht wordt aangeradeneen schriftelijke reactie op de dagvaarding in te dienen, gelet op de beperkte spreektijd. Een incidentele vordering kan pas worden ingesteld als partijen in het geding zijn verschenen en dient uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling te worden toegezonden (vgl. ook artikel 3.16, 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Er zijn dan ook geen termijnen geschonden. Dat er weinig tijd was voor overleg tussen de advocaat en zijn cliënt is eigen aan een kort geding procedure en kan dus op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat eiseres in haar verdediging is geschaad. De producties GP10 tot en met GP13 die gisteravond aan de voorzieningenrechter zijn toegezonden worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze zonder goede reden buiten de daarvoor geldende termijn zijn ingedienden daarmee sprake is van strijd met de goede procesorde.\n\n1.3.. De zaak is aangehouden tot 5 juni 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te onderzoeken. In brieven van 4 juni 2026 hebben partijen de rechtbank verzocht vonnis te wijzen. Mr. Richel heeft als bijlage bij de brief een geactualiseerde kostenstaat meegezonden, waartegen mr. De Jong bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter acht het moment van indienen van de productie in strijd met de goede procesorde en zal deze dan ook buiten beschouwing laten.\n\n1.4.. De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst en voeging\n\n2.1.. Commerbas heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [partij A] en [partij B] c.s. en zich te mogen voegen aan de zijde van [partij B] c.s. Volgens Commerbas heeft zij belang bij tussenkomst en voeging, aangezien zij bij toewijzing van de vorderingen jegens [partij B] c.s. failliet zullen gaan. De materialen die zij destijds ten behoeve van de productie van de schoenen voor [partij A] heeft aangeschaft, worden nu gebruikt voor de schoenen die zij maakt voor [partij B] c.s. Door de plotselinge orderstop van [partij A] bleef Commerbas zitten met de materialen en de opslagkosten daarvoor. Dat zij vervolgens voor [partij B] c.s. schoenen kon produceren, heeft gezorgd dat de materialen alsnog konden worden gebruikt. Indien de vorderingen tegen [partij B] c.s. worden toegewezen, wil Commerbas tussenkomen om de door haar geleden schade alsnog te verhalen op [partij A] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [partij B] c.s. verklaard geen bezwaar te hebben tegen de (voorwaardelijke) tussenkomst dan wel voeging. [partij A] heeft wel verweer gevoerd tegen de tussenkomst en voeging, primair omdat in kort geding geen conclusie tot voeging dan wel tussenkomst kan worden ingediend gelet op de vereisten van artikel 218 Rven het ontbreken van roldata in een kort gedingprocedure, subsidiair omdat Commerbas geen rechtstreeks belang heeft bij het tussen [partij A] en [partij B] c.s. aanhangig geding (als vereist in artikel 217 Rv) en meer subsidiair omdat zij geen spoedeisend belang heeft bij de door haar in de voorwaardelijke tussenkomst aangekondigde vordering.\n\n2.3.. Nadat partijen hun standpunt over het incident over en weer naar voren hebben kunnen brengen, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter beslist dat de vordering van Commerbas tot voeging aan de zijde van [partij B] c.s. wordt toegewezen en de vordering van Commerbas tot tussenkomst wordt afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n2.4.. Voeging en tussenkomst zijn vormen van interventie, vrijwillige deelname aan het geding door een derde. Op de voet van art. 217 Rv kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Indien aan deze eis is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens art. 218 Rv tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Bij tussenkomst wil de partij een eigen vordering instellen tegen (een van) de andere partijen. Er moet sprake zijn van voldoende belang om zich te mengen in het aanhangige geding. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.\n\n2.5.. Anders dan betoogd, kan ook in kort geding een vordering tot tussenkomst en\u002Fof voeging worden ingesteld. Commerbas heeft haar vordering tot voeging en tussenkomst voorafgaand aan de zitting aangekondigd en heeft deze ter zitting ingesteld (vgl. ook artikel 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). De voorzieningenrechter is van oordeel dat Commerbas haar belang bij voeging aan de zijde van [partij B] c.s. voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vraag of Commerbas voldoende belang heeft bij tussenkomst kan in het midden blijven, omdat de goede procesorde er in dit geval aan in de weg staat om de tussenkomst toe te staan. Het toestaan van de gevorderde tussenkomst zou – gelet op de door Commerbas geformuleerde zelfstandige vordering, waaraan grotendeels een ander feitencomplex ten grondslag is gelegd – een uitbreiding van het kort geding tot gevolg hebben, waarbij hoor en wederhoor in de knel dreigen te komen. Dit compliceert de voortvarende beoordeling van het geschil, hetgeen niet verenigbaar is met het karakter van een kort gedingprocedure.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n [partij A] , Panara B.V. en het PANARA merk\n\n3.1.. \n\n [partij A] heeft sinds begin jaren ’80 schoenen ontworpen en verkocht.\n\nHij is houder van het op 1 mei 1984 onder nummer 394494 ingeschreven Benelux woordmerk PANARA voor waren in onder meer klasse 25 (schoenen), hierna het PANARA merk. De schoenen zijn voorzien van het PANARA merk, de sinds 1984 ontworpen modellen onder voornoemd merk worden hierna gezamenlijk aangeduid als de PANARA schoencollectie.\n\n3.2.. In 1987 is [partij A] opgericht en is de productie en verkoop van de PANARA schoencollectie in die vennootschap ondergebracht. [partij A] heeft [partij A] hiertoe een licentie verstrekt, waarbij [partij A] tevens is toegestaan sublicenties te verstrekken en zelfstandig rechtsmaatregelen te nemen ter handhaving van het merkrecht.\n\n3.3.. \n [partij A] is een groothandel en verkocht de PANARA schoencollectie onder meer aan Pauw (23 winkels), aan diverse andere winkels en zogenaamde multibrandstores (winkels die meerdere schoenmerken verkochten) en webshops.\n\n3.4.. Een zustervennootschap van [partij A] , Panara B.V., exploiteerde van 1987 tot 2021 een Panara winkel in Amsterdam (waar alleen schoenen van het PANARA merk werden verkocht). Sinds 2017 heeft Panara B.V. ook een webshop onder de domeinnaam www.panaraonline.com. Deze webshop is tot op heden actief.\n\nCommerbas\n\n3.5.. De PANARA schoencollectie wordt met de hand gemaakt in Italië, laatstelijk door Commerbas.\n\n [partij B] c.s.\n\n3.6.. Op 1 oktober 2010 heeft [partij B] c.s. een schoenenzaak in Den Haag geopend onder de naam Panara Den Haag. Deze naam staat ook op de gevel van de winkel. Daarnaast heeft [partij B] c.s. een webshop onder de domeinnaam www.panaradenhaag.nl.\n\nOvereenkomst [partij A] en [partij B] c.s.\n\n3.7.. In september 2010 zijn [partij A] en [partij B] c.s. schriftelijk onder meer het volgende overeengekomen:\n\nBasis van deze overeenkomst is de verkoop van Panara in de vorm van een Panara Store.\n\n1. De naarn Panara mag uitsluitend worden gebruikt op basis van de presentatie van het volledige product, dus met uitsluiting van andere producten. Afwijkingen hierop niet anders dan met schriftelijke toestemming van [partij A] BV.\n\n5. Indien er sprake is van een of meer voornoemde situaties, dient de naam Panara onmiddellijk te worden verwijderd en zal de levering van Panara goederen eveneens met onmiddellijke ingang worden gestaakt.\n\n6. Duur van de overeenkomst geldt met ingang van seizoen winter 2010\u002F11 voor een onbepaalde periode.\n\n7. Beëindiging van de overeenkomst geschiedt door middel van een aangetekend schrijven met inachtname van twee (2) seizoenen, inbegrepen het op datum van opzegging lopende verkoopseizoen.\n\n8. Bij beëindiging van de samenwerking bestaat geen recht op enige vergoeding.\n\n3.8.. Op 14 november 2023 heeft [partij A] de Overeenkomst opgezegd.\n\nSommaties\n\n3.9.. In een aangetekende brief van 8 oktober 2025 heeft [partij A] aan [partij B] c.s. meegedeeld dat zij hebben geconstateerd dat [partij B] c.s. modellen uit de PANARA schoencollectie heeft gekocht bij Commerbas en voorzien van het naamlabel Borgesa (hierna: de Borgesa schoenen). In die brief heeft [partij A] [partij B] c.s. onder meer gesommeerd het PANARA merk te verwijderen uit de promotie voor de Borgesa schoenen.\n\n3.10.. Onder andere naar aanleiding van het hieronder opgenomen Instagram bericht schrijft [partij A] op 27 november 2025 aan [partij B] c.s. dat de overeenkomst is beëindigd en dat zij uiterlijk op 31 december 2025 de naam PANARA van de gevel dient te verwijderen alsmede de domeinnaam panaradenhaag.nl.\n\n3.11.. Op 12 februari 2026 werden onder de domeinnaam paranadenhaag.nl onder meer de Borgesa schoenen onder meer op de volgende wijze aangeboden:.\n\n3.12.. In een brief van 25 februari 2026 heeft de advocaat van [partij A] onder meer geconstateerd dat ter omschrijving en promotie van de Borgesa schoenen gebruik wordt gemaakt van het teken Panara en dat deze schoenen worden aangeboden onder de domeinnaam panaradenhaag.nl, waardoor inbreuk op het PANARA merk wordt gemaakt. In die brief wordt [partij B] c.s. onder meer gesommeerd de inbreuk op het PANARA merk te staken.\n\n3.13.. \n [partij A] heeft aan de sommaties geen gevolg gegeven.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. \n [partij A] vordert – na vermindering van eis – gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de aan [partij A] toekomende auteursrechten te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder te bevelen de openbaarmaking en verveelvoudiging van de Borgesa schoenen te staken en gestaakt te houden;\n\nII. hoofdelijk te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de merkenrechten van [partij A] in de gehele Benelux te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder gedaagden te verbieden gebruik te maken van het teken ‘Panara’ dan wel van andere tekens die overeenstemmen met dit merk;\n\nIII. hoofdelijk te bevelen aan de advocaat van [partij A] een volledig en juiste opgave te verstrekken, zowel digitaal als schriftelijk, voorzien van alle relevante documenten, waaronder mede begrepen maar niet beperkt tot facturen, prijslijsten, bestelformulieren, vervoersdocumenten, douanedocumenten, orderbevestigingen en (e mail)correspondentie, waarin de volgende informatie is vervat:\n\na. a) de fabrikant(en) en\u002Fof leverancier(s) van de Borgesa schoenen, met vermelding van volledige na(a)m(en), adres(sen), telefoon- en bankrekeningnummer(s);\n\nb) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan hen gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, vervaardigd, ingekocht, besteld en\u002Fof geleverd, zulks gerangschikt per leverancier, met vermelding van inkoopprijzen, besteldata en leverdata, tezamen met kopieën van de betreffende orderbevestigingen, facturen en correspondentie;\n\nc) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan gedaagden gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, aangeboden, verkocht en geleverd, zulks gespecificeerd per afnemer, met vermelding van verkoopprijzen en leverdata en volledige na(a)m(en), adres(sen) en telefoonnummers van (niet particuliere) klanten, tezamen met kopieën van de betreffende facturen, orderbevestigingen en correspondentie;\n\nd) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen, die door en\u002Fof ten behoeve van gedaagden dan wel aan gedaagden gelieerde ondernemingen in voorraad wordt gehouden; en (nvt want worden geen producten onder merknaam verkocht);\n\ne) de totale nettowinst die is behaald met het aanbieden en verkopen van de Borgesa schoenen, berekend vanaf het zomerseizoen 2025, waarbij gedaagden voor de berekening van deze nettowinst uitsluitend directe belastingen en directe variabele kosten zal aftrekken, en de exacte wijze waarop deze winst berekend. bestelformulieren, adres(sen);\n\nIV. te bevelen binnen veertien (14) dagen na dit vonnis een terugroepactie uit te voeren en een brief te sturen naar alle afnemers aan wie zij de Borgesa schoenen hebben verkocht en geleverd, met uitsluitend de volgende inhoud en zonder weglatingen, aanvullingen of opmerkingen, en dat zij kopieën van de verzonden brieven aan de advocaat van [partij A] zullen verstrekken: ‘RECTIFICATIE EN HERROEPING In het verleden hebben wij u (één van de) producten aangeboden en geleverd uit onze schoenencollectie ‘Borgesa’. Via deze kennisgeving informeren wij U dat deze producten inbreuk maken op de exclusieve auteursrechten van de heer [partij A] , bedenker en ontwerper van het schoenenlabel Panara. Wij vragen u de inbreukmakende producten op onze kosten aan ons te retourneren en danken u bij voorbaat voor uwmedewerking in dit verband. Ondergetekende, Panara Den Haag \u002F [partij B sub 1] v.o.f.’\n\nV. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Inbreukmakende Producten die krachtens het gestelde onder Romeinse IV aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVI. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Borgesa schoenen, die krachtens het hiervoor onder IV bepaalde aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVII. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare van EUR 10.000,- (tienduizend euro) per overtreding in geval het niet, niet volledig, niet correct of niet tijdig nakomen van een of meer van het gevorderde onder Romeinse I tot en met V, of — naar keuze van [partij A] — van EUR 1.000,- (duizend euro) voor iedere dag dat een dergelijke overtreding voortduurt, onverminderd het recht van [partij A] op volledige naleving en schadevergoeding;\n\nVIII. hoofdelijk te veroordelen, in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten op de voet van artikel 1019h Rv, en dit kort geding volgens de indicatietarieven in IE zaken, versie 1 februari 2026, in te schalen als een ‘normaal kort geding’, te betalen binnen tien (10) werkdagen na betekening van dit vonnis;\n\nIX. hoofdelijk te veroordelen om aan [partij A] de wettelijke (handels)rente over de proceskosten te betalen, wanneer deze niet binnen tien (10) werkdagen na het betekenen van het ten deze te wijzen vonnis zijn voldaan;\n\nX. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten.\n\n4.2.. \n [partij A] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [partij B] c.s. met de Borgesa schoenen inbreuk maakt op de auteursrechten van [partij A] op de PANARA schoencollectie. De schoenen koopt zijn van Commerbas en zijn identiek aan de modellen uit de PANARA schoencollectie, alleen voorzien van een andere naam. Na de beëindiging van de overeenkomst is [partij B] c.s. daarnaast het PANARA merk blijven gebruiken op de gevel van de winkel, in de domeinnaam en ter promotie van de Borgesa schoenen. Nu [partij B] c.s. na het beëindigen geen toestemming meer voor heeft, maakt zij inbreuk op het PANARA merk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n4.3.. \n [partij B] c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing. Zij betwist dat auteursrecht op de PANARA schoencollectie rust; het betreft klassieke Italiaanse schoenmodellen. Subsidiair betwist zij dat het auteursrecht bij [partij A] rust. [partij A] was de ontwerper van de schoenen en niet is gebleken dat het auteursrecht aan [partij A] is overgedragen. De overeenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd, zodat de overeenkomst nog geldt op grond waarvan [partij B] c.s. toestemming hebben het PANARA merk te gebruiken.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n4.4.. \n [partij B] c.s. vordert in reconventie, uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [partij A] te veroordelen om binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis alle door [partij B] c.s. bij [partij A] ingekochte en nog in voorraad zijnde Panara- schoenen (inclusief verpakkingen) terug te nemen op door [partij A] aan te wijzen wijze en op kosten van [partij A] ;\n\nII. [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] c.s. van de inkoopprijs van de terug te nemen schoenen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:u9 BW vanaf de datum waarop [partij B] c.s. die inkoopprijs aan [partij A] heeft betaald tot aan de datum van algehele voldoening door [partij A] , vast te stellen door de accountant van gedaagden, met een voorschot bij aflevering van € 100.000,-i\n\nIII. Subsidiair, indien een dergelijk verbod niet aan gedaagden wordt opgelegd:\n\n [partij A] te verbieden zich als detailhandelaar via internet op de markt te begeven met uitverkoopacties van Panara-schoenen, zonder overleg met en goedkeuring door gedaagden. Hierbij geldt dat gedaagden (eisers in reconventie) bereid zijn om de resterende voorraad Panara-schoenen die [partij A] en aan haar gelieerde entiteiten nog bezit(ten) over te nemen als voorschot op een schadevergoeding.\n\nIV. [partij A] te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.\n\n4.5.. Op de standpunten van partijen in voorwaardelijke reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie en voorwaardelijke reconventie\n\nBevoegdheid\n\n5.1.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gegrond op de gestelde inbreuk op het PANARA merk, is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikel 4.6 BVIE, aangezien [partij B] c.s. in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Benelux.\n\n5.2.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gebaseerd op de gestelde inbreuk op het auteursrecht is die bevoegdheid gegrond op artikel 4 Brussel I bis-Voomdat gedaagde in Nederland is gevestigd. De relatieve bevoegdheid volgt uit artikel 99 Rv.\n\n5.3.. Nu de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in conventie, is de rechtbank ook bevoegd om kennis te nemen van de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [partij B] c.s. [partij A] heeft die bevoegdheid ook niet bestreden.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.4.. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Nu [partij B] c.s. de vermeend inbreukmakende (voor wat betreft het auteursrecht) schoenen nog verkoopt en het teken PANARA nog gebruikt (hetgeen volgens de stellingen van [partij A] merkinbreuk oplevert), is daarmee het spoedeisend belang gegeven.\n\nIn conventie verder\n\nAuteursrechten modellen Panara schoencollectie\n\n5.5.. De stellingen van [partij A] waarop zij haar auteursrechtelijke vorderingen grondt, zijn toegespitst op de omstandigheid dat [partij B] c.s. door Commerbas dezelfde modellen van schoenen laat produceren als de modellen van de PANARA schoencollectie die zij voorheen inkocht bij [partij A] en verkocht in haar winkel. Daarmee is volgens [partij A] de inbreuk op de aan haar toekomende auteursrechten gegeven.\n\n5.6.. \n [partij A] heeft echter nagelaten inzichtelijk te maken op welke modellen uit de PANARA schoencollectie zij zich beroept, wanneer deze zijn ontworpen, waaruit de auteursrechtelijke beschermde kenmerken van de afzonderlijke modellen bestaan en hoe die zich weerspiegelen in het desbetreffende model.Er kan immers pas inbreuk worden gemaakt op het auteursrecht als sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. Of daarvan sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete vormgeving van (een combinatie van) kenmerken in de betreffende schoenen. Het is aan [partij A] om de feiten daarvoor naar voren te brengen.\n\n5.7.. In de dagvaarding heeft [partij A] meerdere malen geconcludeerd dat de modellen van de Panara schoencollectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn, met een eigen herkenbare signatuur van de collectie. Zo wordt gesteld dat “de ontwerpen (..) [zich] kenmerken door een consistente en herkenbare stijl, waarin vorm, pasvorm en materiaalgebruik in onderlinge samenhang werden ontwikkeld”en“deze werkwijze heeft geleid tot een eigen vormentaal, die in de loop der jaren een duidelijke plaats in de markt heeft ingenomen en waarmee de Panara Collectie zich onderscheidt van andere aanbieders”Een feitelijke uitwerking van wat per schoen de door haar ingeroepen“kenmerkende en beschermde elementen van de Panara-collectie”zijn ontbreekt. Omdat op het moment van het opstellen van de dagvaarding door [partij B] c.s. al was betwist dat de (modellen) van de Panara collectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn (omdat het klassieke schoenmodellen betreft volgens [partij B] c.s.), had het op de weg van [partij A] gelegen te onderbouwen welke creatieve keuzes zichtbaar zijn in de afzonderlijke modellen, waarop volgens [partij A] inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt. Om als auteursrechtelijk werk beschermd te kunnen zijn in de zin van artikel 10 Aw, moeten de schoenen immers uitdrukking geven aan vrije en creatieve keuzen die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen.Omdat voor auteursrechtelijke bescherming is vereist dat de persoonlijkheid van de maker wordt weerspiegeld in het voorwerp, moet bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid worden uitgegaan van het voorwerp zelf. Het scheppingsproces en de bedoelingen van de auteur kunnen slechts een rol spelen voor zover dit in het werk tot uitdrukking is gebracht.\n\n5.8.. Bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid dient dus te worden uitgegaan van de afzonderlijke modellen zelf. [partij A] verwijst in haar dagvaarding echter naar de PANARA schoencollectie, maar de afzonderlijke modellen schoenen waaruit die collectie bestaat en waarop volgens [partij A] dus auteursrechtelijke inbreuk wordt gemaakt, zijn niet omschreven en evenmin zijn hiervan afbeeldingen overgelegd. Er is wel een aantal modeltekeningen overgelegd bij de dagvaarding, waarover wordt opgemerkt dat dit de eigen herkenbare signatuur van de collectie onderstreept, maar waaruit die signatuur dan bestaat, is niet uitgewerkt. Van welke voorwerpen moet worden beoordeeld of zij een auteursrechtelijk beschermd werk zijn, is dus niet duidelijk. Verder zijn 103 pagina’s screenshot van de website van [partij B] c.s. overgelegd met de modellen, die zij thans aanbiedt onder het teken Borgesa. Zelfs als deze schoenen identiek zijn aan modellen van de Panara Collectie, dient eerst te worden vastgesteld dat de modellen van de Panara Collectie waarop inbreuk wordt gemaakt auteursrechtelijk beschermd zijn. Hiervoor zijn dus onvoldoende feiten gesteld.\n\n5.9.. Ook in de ter zitting door de advocaat van [partij A] voorgedragen spreekaantekeningen wordt niet ingegaan op het verweer dat de modellen uit de PANARA schoencollectie geen auteursrechtelijke beschermde werken zijn. De voorzieningenrechter heeft ter zitting een aantal malen gevraagd naar de specifieke kenmerken van de schoenen, die maken dat de schoenen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. In antwoord daarop zijn wederom algemene bewoordingen gebruikt, zoals strakke vormgeving, beste leer, geen stiknaden, uitstekende pasvorm, tijdloos, sober, strak, zwarte slipzool doorlopend over de neus van de schoen, zonder daarbij de vormgeving van de afzonderlijke modellen als uitgangspunt te nemen. Verder is “het samenspel van keuzes” genoemd als hetgeen dat de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en maakt dat de consument een schoen herkent als een Panara schoen.\n\n5.10.. \n\nOnder voornoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is dat de Panara schoencollectie bestaat uit voorwerpen die te kwalificeren zijn als auteursrechtelijk beschermde werken. Dat een selectie van de PANARA schoencollectie (welke modellen dat zijn, is ook weer niet gespecificeerd) is opgenomen in de collectie van het Schoenenkwartier is voor de beoordeling niet relevant, nu de beoordeling of een voorwerp een auteursrechtelijk beschermd werk is, dient plaats te vinden naar het moment waarop het werk werd ontworpen.\n\nHet onder I., III., IV. en V. gevorderde wordt dus afgewezen.\n\n5.11.. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande niet meer toe aan de bespreking van het door [partij B] c.s. subsidiair gevoerde verweer dat [partij A] niet de auteursrechthebbende zou zijn.\n\nmerkinbreuk\n\n5.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] c.s. het PANARA merk tot op vandaag in het economisch verkeer gebruikt door middel van het merk op de gevel van haar schoenenwinkel, door onder de domeinnaam panaradenhaag.nl schoenen te verkopen en op haar website en social media kanalen ter promotie van de door haar aangeboden schoenen voorzien van het teken BORGESA. Niet is betwist dat dit heeft te gelden als merkgebruik.\n\n5.13.. Volgens [partij B] c.s. geldt de Overeenkomst nog tussen, omdat deze niet rechtsgeldig is opgezegd. Zij heeft dus nog steeds toestemming om het PANARA merk te gebruiken, zodat de vordering tot het staken van het gebruik dient te worden afgewezen. Dit verweer slaagt niet en dat wordt hierna uitgelegd.\n\n5.14.. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst op 14 november 2023 (dus tijdens het winterseizoen, dat loopt van juli tot januari) door [partij A] mondeling is opgezegd tegen juli 2024 (einde zomerseizoen, dat loopt van januari tot juli). Dit is overeenkomstig de opzegtermijn van artikel 7 van de Overeenkomst. Dit betekent in beginsel dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het merk te gebruiken. Hoewel de overeenkomst conform het bepaalde in artikel 7 door middel van een aangetekende brief moet worden opgezegd, is de overeenkomst naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet blijven gelden omdat [partij A] deze mondeling heeft opgezegd. Voor [partij B] c.s. was het immers duidelijk dat de Overeenkomst werd opgezegd, dat [partij A] haar activiteiten zou gaan beëindigen en dat na het zomerseizoen dat liep tot juli 2024 geen nieuwe bestellingen meer zouden kunnen worden geplaatst. [partij B] c.s. heeft zich hiernaar ook gedragen door geen bestellingen meer bij [partij A] te plaatsen voor het laatste zomerseizoen (2024) en zich te gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Dit betekent dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het PANARA merk te gebruiken. Door het PANARA merk toch te blijven gebruiken, maakt zij inbreuk op de merkrechten van [partij A] op grond van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n5.15.. \n [partij B] c.s. heeft verder aangevoerd dat [partij A] gelet op de aard en inhoud van de Overeenkomst een langere opzegtermijn in acht had moeten nemen. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Los van de vraag of de Overeenkomst is te kwalificeren als een distributieovereenkomst – hetgeen door [partij A] wordt betwist – is de aan [partij B] c.s. gegeven toestemming om het PANARA merk te gebruiken verbonden aan de (ontbindende) voorwaarden dat zij geen andere merken mag verkopen. Tot de opzegging van 14 november 2023 heeft [partij B] c.s. dus 13 jaar lang enkel schoenen onder het PANARA merk verkocht en is haar bedrijf daardoor volledig ingericht op en afhankelijk van de verkoop van deze schoenen. Onder die omstandigheden kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, zoals een langere opzegtermijn. Dat die opzegtermijn meer dan twee jaar (sinds de opzegging op 13 november 2023) had moeten bedragen is echter gesteld noch gebleken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [partij B] c.s. geen modellen van het laatste zomerseizoen (2024) heeft ingekocht, heeft afgezien van het overnemen van de voorraad PANARA schoenen van Panara B.V. (in verband met het ontbreken van overeenstemming over de prijs) en zich – naast het verkopen van haar voorraad PANARA schoenen – is gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Zij heeft nimmer overleg gezocht met [partij A] om afspraken te maken over een langere overgangsperiode. De verkoop van de resterende voorraad Panara schoenen (thans nog 1000 paar) kan ook onder een andere winkelnaam en domeinnaam plaatsvinden. Voor het wijzigen van deze naam heeft [partij B] c.s. inmiddels meer dan voldoende tijd gehad. Het oordeel blijft dan ook dat [partij B] c.s. geen toestemming meer heeft het PANARA merk te gebruiken voor (de verkoop van) schoenen, zodat het onder II. gevorderde inbreukverbod wordt toegewezen. Aangezien dit tevens tot gevolg heeft dat de naam van de winkel (zowel op de gevel als online, domeinnaam en website) dient te worden gewijzigd zal het inbreukverbod vier weken na betekening van het vonnis ingaan. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [partij B] c.s. zeker na de brief van 27 november 2025 ervan op de hoogte was dat [partij A] niet langer toestemming gaf om het PANARA merk in de winkelnaam en de domeinnaam te gebruiken.\n\n5.16.. Als prikkel ter nakoming van het inbreukverbod acht de voorzieningenrechter een dwangsom zoals gevorderd aangewezen. Deze zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum is vermeld.\n\nProceskosten\n\n5.17.. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie worden gecompenseerd als na te melden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het inbreukverbod ten aanzien van het PANARA merk weliswaar wordt toegewezen, maar het gevorderde inbreukverbod op de vermeende auteursrechten en de daarmee samenhangende nevenvorderingen worden afgewezen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.\n\nIn voorwaardelijke reconventie verder\n\n5.18.. \n [partij B] c.s. heeft als voorwaarde aan haar reconventionele vorderingen verbonden: “uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert.”\n\n5.19.. Hoewel het in conventie gevorderde verbod is toegewezen, staat dit er niet aan in de weg om de rechtmatig ingekochte Panara schoenen, die [partij B] c.s. nog op voorraad heeft te verkopen. Deze voorraad bestaat immers uit schoenen, voorzien van het PANARA merk, die zij nog onder de Overeenkomst heeft ingekocht bij [partij A] . Los van het feit dat het recht van [partij A] om zich op grond van het merkrecht tegen de verkoop van die specifieke exemplaren te verzetten, is uitgeput, heeft [partij A] ook ter zitting benadrukt, dat het [partij B] c.s. vrij staat om rechtmatig ingekochte Panara schoenen te blijven verkopen. De aan de reconventionele vorderingen verbonden voorwaarde is dan ook niet in vervulling gegaan, zodat aan de beoordeling van de reconventionele vorderingen niet wordt toegekomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nIn conventie\n\n6.1.. beveelt gedaagden binnen vier weken na betekening van dit kort gedingvonnis iedere inbreuk op het PANARA merk in de Benelux te staken en gestaakt te houden;\n\n6.2.. veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [partij B] c.s. in strijd handelt met het onder 6.1 gegeven bevel, met een maximum van € 50.000,-;\n\n6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;\n\n6.5.. bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis;\n\n6.6.. wijst af het meer of anders gevorderde;\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n6.7.. stelt vast dat aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen is ingesteld niet is voldaan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n artikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken\n\n Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering\n\n Verordening (EU) 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.\n\n HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra)\n\n Auteurswet\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 50 en 61\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 71, 74 en 75\n\n Productie 12 bij de dagvaarding\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 77 en 81","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","2026-07-13T00:29:37.443Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"648","ECLI:NL:GHARL:2026:4229","ecli-nl-gharl-2026-4229",70,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.221\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577570\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant1] LLC ( [appellant1] )\n\ndie is gevestigd te Koeweit\n\n2. [appellant2] LLC ( [appellant2] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats1] (Verenigde Arabische Emiraten)\n\nadvocaat: mr. R.J.W. Pijls\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V. ( [geïntimeerde] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats2]\n\nadvocaat: mr. S. Booij\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant1] en [appellant2] , hierna gezamenlijk: [appellanten] , hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 12 februari 2025 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met de producties 22 tot en met 26\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met productie 27\n\n• een formulier van [geïntimeerde] met productie 7\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 14 april 2026 is gehouden (het proces-verbaal). Partijen hebben het hof aan het eind van de zitting gevraagd een arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant2] heeft in maart 2022 voor een partij zogenaamde Pure Ghee Butter die zou moeten worden afgeleverd in Saoedi-Arabië een bestelling geplaatst bij [naam1] . In april 2022 heeft [appellant2] daarvoor € 126.282 betaald op een rekening van [naam1] . De levering is niet verricht. [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling geplaatst voor een bedrag van € 251.748. Zij heeft toen € 94.303,50 aan [naam1] betaald. Ook die bestelling heeft niet tot levering geleid. [appellant2] heeft daarna in december 2022 bij [geïntimeerde] een partij Ghee Butter besteld, die door [geïntimeerde] is afgeleverd in Koeweit. [appellant1] heeft daarvoor € 195.039 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n2.2. \n [appellanten] stellen zich op het standpunt dat de levering door [geïntimeerde] een vervanging was van de niet-uitgevoerde bestellingen van maart en augustus 2022 en dat de door [geïntimeerde] geleverde producten al zijn betaald met wat eerder door [appellant2] aan [naam1] voor die bestellingen is voldaan. Volgens [appellanten] is daarmee de betaling door [appellant1] voor de wel geslaagde levering door [geïntimeerde] onverschuldigd, althans is [geïntimeerde] op grond van wanprestatie of onrechtmatig handelen jegens [appellant2] aansprakelijk voor de schade als gevolg van de niet-uitgevoerde maar wel betaalde bestellingen, althans is [geïntimeerde] ten koste van [appellanten] verrijkt doordat zij van [naam1] een betaling heeft ontvangen.\n\n2.3. \n [appellanten] hebben op deze gronden bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld, primair tot betaling aan [appellant1] van € 195.039, subsidiair tot betaling aan [appellant2] van € 220.585,50, meer subsidiair tot betaling aan [appellant1] of [appellant2] van € 75.524,40 althans door de rechtbank te bepalen bedragen, in alle gevallen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 september 2023 of 4 januari 2024 of de dag van dagvaarding, en met een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 2.725,39, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.\n\n2.4. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.5. Het hof zal beslissen, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank, dat de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen en licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n3.1. Het hof moet ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft vanwege de internationale aspecten van de zaak. [appellant1] en [appellant2] zijn immers gevestigd in Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten. Omdat [geïntimeerde] in Nederland is gevestigd is de Nederlandse rechter bevoegd van de tegen [geïntimeerde] ingestelde vorderingen kennis te nemen.3.2. Het hof gaat er met partijen vanuit dat het geschil moet worden beoordeeld met toepassing van het Nederlandse recht, omdat partijen niet hebben gegriefd tegen de toepassing van dat recht door de rechtbank.\n\nDe feiten\n\n3.3. \n [appellant1] en [appellant2] maken deel uit van een groep van vennootschappen. Aan het hoofd van die groep staat [naam2] (Holding), een vennootschap die is opgericht in de Verenigde Arabische Emiraten. Naast [appellant1] en [appellant2] maakt [naam3] . ( [naam3] ), die is gevestigd in Saoedi-Arabië, deel uit van deze groep. De kernactiviteit van deze groep is de productie van en de handel in bakkerij- en banketgrondstoffen en aanverwante machines.\n\n3.4. \n [geïntimeerde] is een in Nederland gevestigde vennootschap die is gespecialiseerd in de levering van zuivelproducten. [naam1] is ook een dergelijke vennootschap. Tussen deze vennootschappen, die niet tot hetzelfde concern of groep behoren, bestond sinds ongeveer begin 2022 een samenwerkingsverband, dat er in voorzag dat [naam1] als agent potentiële klanten aanbracht bij [geïntimeerde] , die vervolgens een overeenkomst met die partij kon sluiten. In een voor deze samenwerking opgesteld intern stuk staat daarover het volgende:\n\n“- Eindklant betaalt 100% verkoopprijs aan [geïntimeerde] [ [geïntimeerde] ; verduidelijking hof], facturatie door [geïntimeerde]\n\n- [naam1] factureert [geïntimeerde] een 'agent-commissie'. Deze commissie is het verschil tussen de\n\nverkoopprijs van [geïntimeerde] aan klant en de Kostprijs\u002Finkoopprijs van [geïntimeerde] van het betreffende product. [geïntimeerde] heeft het recht bij nog resterende openstaande schuld (een deel van) de gefactureerde commissie te verrekenen met deze schuld, e.e.a. in overleg met [naam1] ”.3.5. Vertegenwoordigers van [naam2] \u002F [appellant1] \u002F [appellant2] hebben in februari 2022 kennis gemaakt met [naam1] en [geïntimeerde] tijdens een tentoonstelling in Dubai. [naam1] en [geïntimeerde] hadden op die tentoonstelling een gezamenlijke stand. 3.6 [appellant2] heeft na die kennismaking op de tentoonstelling in Dubai een bestelling geplaatst bij [naam1] voor de levering van een partij Pure Butter Ghee ‘Natour’ voor een bedrag van € 126.282 (te weten 1560 boxes voor € 80,95 per box van 9 kg). Op de (pro forma) factuur van [naam1] voor die bestelling van 22 maart 2022 staan onder meer de bankgegevens van [naam1] , het logo van [naam1] en dat van [geïntimeerde] , en een stempel van [naam1] . [appellant2] heeft het gefactureerde bedrag op 7 april 2022 aan [naam1] betaald.\n\n3.7. De levering van het bestelde product zou moeten plaatsvinden bij [naam3] in Saoedi-Arabië, maar die levering heeft vanwege het ontbreken van een voor import in dat land noodzakelijk ‘halal-certificaat’ niet plaatsgevonden. Het daarvoor betaalde bedrag is niet aan [appellant2] terugbetaald.\n\n3.8. \n [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling bij [naam1] geplaatst voor hetzelfde product (te weten 25.200 kg voor € 9,99 per kg) en met dezelfde bestemming in Saoedi-Arabië. De prijs voor die bestelling was € 251.748. [appellant2] heeft daarvoor een factuur (‘Quotation’) ontvangen, met daarop onder meer de bankgegevens van [geïntimeerde] en de logo’s van [naam1] en [geïntimeerde] . [appellant2] heeft dit bedrag niet volledig voldaan. Zij heeft 11 oktober 2022 € 94.303,50, niet op de in de Quotation genoemde bankrekening van [geïntimeerde] , maar op een rekening van [naam1] betaald.\n\nAan die betaling gingen e-mails tussen [naam1] aan [naam2] van september\u002Foktober 2022 vooraf. In een e-mail van [naam1] van 27 september 2022 staat het volgende:\n\n“Dear [naam4] ,\n\nPlease to confirm as per below: and attached the Proforma lnvoice.\n\nPARTICULAR AMOUNT ACCOUNTS PAYABLE\n\nFIRST PAYMENT € 126.282,00\n\nFINAL QUOTATION -APPROVED € 251,748.00\n\n50% - DEPOSIT € 63,141.00\n\n505 - TO BE ADJUSTMENT IN FINAL ORDER € 63,141,00\n\nTOTAL PAYABLE € 188,607,00\n\nNOTE: APPROVED PRICE FOR C\u002FF-TO SAUDI ARABIA\n\nFor now, we will be preparing for the Booking schedule and your Product is fresh - production Date is\n\nSeptember 2022.\n\nOnce again, thank you so much”\n\nDoor [naam2] is daarop op diezelfde dag de volgende betaalinstructie gegeven:\n\n“Please proceed with the 50% payment of the remaining balance € 188,607 euro from attached order”.\n\n Ook de levering op basis van deze bestelling heeft, om dezelfde reden als voor de eerste bestelling, niet plaatsgevonden. Het door [appellant2] betaalde bedrag is niet aan haar terugbetaald.\n\n3.9. In oktober 2022 hebben [naam1] en [geïntimeerde] in e-mails over het uitblijven de leveringen contact gehad met elkaar. In een e-mail van 19 oktober 2022 van [geïntimeerde] ( [naam7] ) aan [naam1] staat onder meer, met als bijlagen een aantal contracten:\n\n“Dear [naam5] good evening,\n\nAttached you will find the contracts for the below first order for [naam2] \u002F [appellant2] .\n\nI have put shipment in November to Jeddah (exact date to be confirmed)\n\nFollowing actions to be done now:\n\n> transfer the prepayment of [naam2] \u002F [appellant2] already received by [naam1] to [geïntimeerde] with clear description that this concerns [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer]\n\n(…)\n\nChecking the stock level, I do not think there is enough pure butter ghee with the new label to fulfill this order, so some extra production to be scheduled on short term.\n\n(…) I will check with our QA department for the Halal certification that is also needed for this shipment (was scheduled for last or this week at [naam10] , so should be confirmed and documented soon) (…)”.\n\n3.10. Op 20 oktober 2022 heeft [naam1] op dit verzoek van [geïntimeerde] € 75.524,50 aan [geïntimeerde] doorbetaald. Op het betaalbewijs daarvan is bij de omschrijving verwezen naar ‘ [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer] ’. Dat bedrag correspondeert met 30% van het door [naam1] voor de tweede bestelling ontvangen bedrag.\n\n3.11. In december 2022 is vervolgens overleg geweest tussen [geïntimeerde] en [naam2] \u002F [appellant2] \u002F [appellant1] om alsnog een levering tot stand te brengen. Tussen een vertegenwoordiger van [naam2] ( [naam6] ) en van [geïntimeerde] ( [naam7] ) is daarover in december 2022 in e-mails over en weer gecommuniceerd.\n\n3.12. \n [geïntimeerde] heeft vervolgens een factuur van 4 januari 2023 op naam van [appellant2] verstrekt. Op de factuur is [appellant1] als ontvanger aangemerkt. Daarna is de partij bij [appellant1] in Koeweit afgeleverd. Volgens de factuur gaat het om 25.005 kilogram Ghee regular voor € 7,80 per kg, voor een totaalprijs van € 195.039,-. Als ‘payment terms’ is op de factuur vermeld dat 30% ‘in advance’ betaald moet worden en 70% ‘against copy of documents’. Op de factuur wordt verwezen naar het contractnummer [contractnummer] . [appellant1] heeft deze factuur op 23 januari 2023 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n3.13. \n [naam1] is op 4 april 2023 failliet verklaard.\n\n3.14. \n\n [appellant1] en [appellant2] hebben [geïntimeerde] , voor het eerst op 25 september 2023 en daarna op\n\n11 maart 2024 en 14 maart 2024, gesommeerd tot terugbetaling van het aan haar betaalde bedrag.\n\nDe beoordeling\n\nonverschuldigde betaling\u002F wanprestatie\u002F onrechtmatig handelen?\n\n3.15. \n [appellanten] baseren hun vorderingen primair op onverschuldigde betaling: doordat [geïntimeerde] de bestellingen van maart 2022 en augustus 2022 niet had geleverd, is volgens hen de afspraak gemaakt (is overeengekomen) in december 2022 dat de levering van januari 2023 niet (nogmaals) betaald hoefde te worden omdat voor de eerdere niet-uitgevoerde leveringen al € 220.585,50 was betaald. De levering van januari 2023 verving aldus de niet-uitgevoerde maar wel betaalde eerdere bestellingen. Daarom moet [geïntimeerde] € 195.039 terugbetalen, aldus [appellanten]3.16. Op [appellanten] rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden die de op deze grondslag ingestelde vordering kunnen dragen. Zij moet de feiten en omstandigheden stellen waaruit kan volgen dat de betaling van het bedrag van € 195.039 zonder rechtsgrondis gedaan. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist: volgens haar is de door [appellant1] gedane betaling gebaseerd op de overeenkomst die in december 2022 is gesloten.\n\n3.17. Voor het antwoord op de vraag of partijen de door [appellanten] gestelde afspraak hebben gemaakt komt het aan op een uitleg en waardering van de gedragingen en verklaringen van partijen jegens elkaar om vast te stellen wat zij op basis daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waarbij ook aan de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten van maart en augustus 2022 en aan de rol en positie van [naam1] betekenis kan toekomen.\n\n3.18. Een bouwsteen in het betoog van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling is dat [geïntimeerde] partij bij de niet-uitgevoerde overeenkomsten is (geworden) en op grond daarvan jegens [appellant2] een leveringsverplichting op zich heeft genomen. Ook het antwoord op de vraag of dat zo is vergt uitleg van de verklaringen en gedragingen van partijen conform de genoemde Haviltex-maatstaf, om vast te stellen wat zij op grond daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Ook gedragingen en verklaringen van na het sluiten van die overeenkomsten kunnen bijdragen aan de vraag wie partij daarbij is geworden, en wat de inhoud van die overeenkomsten is.\n\n3.19. \n [appellanten] hebben niet gesteld dat zij over de inhoud van de overeenkomst rechtstreeks met [geïntimeerde] hebben onderhandeld of anderszins contact hebben gehad; zij hebben in eerste aanleg verklaard dat zij alleen met [naam1] via e-mail contact hebben gehad. Dat sluit aan bij wat [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. Volgens haar is zij pas in oktober 2022 door [naam1] over diens leveringsproblemen geïnformeerd en heeft zij voor het eerst in december 2022 contact gehad met de bestuurder van [naam2] , de moedermaatschappij van [appellanten] Van enige rechtstreekse betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de totstandkoming van die overeenkomsten is niet gebleken.\n\n3.20. Ook anderszins zijn noch voor het eerste contract in maart 2022 noch voor het contract van augustus 2022 voldoende concrete en overtuigende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat toen op [geïntimeerde] jegens [appellant2] een leveringsverplichting is komen te rusten, bijvoorbeeld doordat [naam1] van [geïntimeerde] de bevoegdheid had gekregen haar te binden of dat [geïntimeerde] de schijn heeft gewekt dat van een dergelijke bevoegdheid sprake was. [appellanten] hebben in dat verband overigens gesteld dat zij van de interne afspraken van [naam1] en [geïntimeerde] niet op de hoogte waren. Het feit dat [naam1] en [geïntimeerde] een gezamenlijke stand op de tentoonstelling op de beurs hadden en de wijze van facturering van de eerste twee bestellingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijke contractuele binding van [geïntimeerde] aan [appellant2] (of [appellant1] ). Dat op beide facturen voor die bestellingen het logo van [geïntimeerde] voorkomt is kennelijk te verklaren uit de samenwerking tussen die partijen, maar los daarvan, op dat logo kan als zodanig geen (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid of binding van [geïntimeerde] worden gebaseerd. Dat geldt ook voor het feit dat op de Quotation de bankgegevens van [geïntimeerde] staan. Dat gegeven is kennelijk voor [appellant2] geen reden geweest om dan ook aan [geïntimeerde] te betalen: zij betaalde het op die Quotation genoemde bedrag, dat door [naam1] en niet door [geïntimeerde] is berekend in de e-mail van 27 september 2022 (zie 3.8), aan [naam1] , net als de betaling voor de eerste bestelling. [appellant2] ging er dus kennelijk steeds vanuit dat [naam1] haar contractspartij was. Voorzover [appellant2] derhalve heeft gesteld dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [naam1] ook [geïntimeerde] tot contractspartij maakte is daarvoor in deze feiten onvoldoende steun te vinden. Dat geldt ook voor de stelling dat [appellant2] voor deze bestellingen bevrijdend aan [geïntimeerde] heeft betaald, althans dat deze betalingen kunnen worden toegerekend aan de derde bestelling.\n\n3.21. Dat wordt niet anders als hierbij de e-mailwisseling in december 2022 tussen [geïntimeerde] en [naam2] wordt betrokken. Daarin leest het hof, anders dan [appellanten] doen, niet dat [geïntimeerde] daarmee te kennen heeft gegeven dat zij (alsnog) partij was bij de eerste twee, niet uitgevoerde, overeenkomsten. [appellanten] hebben daarbij vooral gewezen op de door [naam7] gekozen woorden ‘we have a contract’ en dat sprake was van een ‘closed and prepaid contract’ waaruit dat volgens [appellanten] zou volgen. Het hof legt de e-mails anders uit.\n\nDe relevante inhoud van e-mails is als volgt:\n\nIn een e-mail van 20 december 2022 (van [naam7] namens [geïntimeerde] ):\n\n“Dear [naam8] ,\n\nOnce again thanks for the teams call this morning.\n\nLike we discussed an issue occurred by the fact there is contracted 1 full container of Pure Butter Ghee at a price of € 9.99\u002Fkg CIF Jeddah.\n\nThis container was contracted at the beginning of this year and fully prepaid by [appellant2] but has not been delivered to Saudi Arabia because of missing Halal certification.\n\nMeanwhile this container has been produced and is ready for shipping as soon as Halal certification arrives (the company providing the certificates confirmed already all is ok verbally).\n\nThe situation we (you and me) are facing now is that Ghee is offered at lower levels, and we have a contract and costs price at higher levels. This we need to solve. You informed me already that most likely you will not ship the Ghee to Saudi Arabia anymore but towards Kuwait\u002F Lebanon or UAE, but you need a better price for that.\n\nFrom my side it will be difficult to adjust the price of a closed and prepaid contract.\n\nOn the other hand, 1 want to help you and I have a responsibility for that.\n\nTo solve the situation, 1 would like to propose as follows:\n\n1. container at € 9,99\u002Fkg (the pending order)\n\n2 containers at € 7.50\u002Fkg\n\nOn average the price will be 8.33\u002Fkg CIF tor these 3 containers (Kuwait \u002F Lebanon or UAE)\n\nDelivery shipment January \u002F February (depending on your instructions)\n\nTo prevent prepayments from your side in a way we had them in 2022, 1 would suggest in future prepayments of [appellant2] will be on our account 1 week prior to shipment. In this way we avoid a big part of the issues we have had during this year.\n\n [naam8] , note the above-mentioned solution is a losing operation for us, but I really believe in the fact that we will work together in a good and professional way. Therefore, I will take this loss in order to start building our relationship and do not want to stop it before it is started.\n\nFurthermore, I will inform you as soon as our Halal certification is finished, because than we could also consider shipments to Jeddah again.\n\nI am looking forward to your confirmation (hopefully before x-mas) on the above and hope this will be a start for a fruitful co-operation between us.”\n\n [naam2] is met het voorstel in deze e-mail niet akkoord gegaan, zo blijkt uit een e-mail van 20 december 2022:\n\n“Hi [naam9] ,\n\nThanks for your prompt reply,\n\nKindly note that this order is considered a trial order, hence I can not risk buying 3 containers for a product that I didn't try yet\n\nPlease note that I can not proceed with your offer, if you can amend the offer to somewhere between 7.5-7.8 per kg, I will ship it asap to end this dilemma”\n\nNa enig onderhandelen worden partijen het eens over een prijs van € 7,80 per kg.3.22. In de e-mail van [naam7] niet wordt gerefereerd aan de eerste bestelling, maar kennelijk alleen aan de tweede gezien de verwijzing naar de prijs per kilogram; een binding aan de eerste overeenkomst ligt om die reden al niet zonder meer voor de hand. Los daarvan, de mails zijn geschreven nadat [geïntimeerde] door [naam1] in oktober 2022 was geïnformeerd over de problemen met de levering van de tweede bestelling in Saoedi-Arabië, en [geïntimeerde] dat probleem wilde oplossen in lijn met de afspraken die zij in de samenwerkingsovereenkomst met [naam1] had gemaakt (en waarvan [appellanten] niet op de hoogte waren). [appellanten] hebben ook verder onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de eerste bestelling waarvoor door [naam1] € 126.282 in rekening is gebracht.\n\n [appellant2] had over het op grond van de tweede bestelling te leveren product al prijsafspraken met [naam1] gemaakt en in verband daarmee € 94.303,50 aan [naam1] voldaan. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] van deze tweede bestelling en betaling op de hoogte was toen zij in oktober 2022 is geïnformeerd door [naam1] .\n\n [appellant2] wilde kennelijk een aanpassing van de prijs en daarover zijn onderhandelingen gevoerd. In het kader daarvan heeft [naam7] een aantal voorstellen gedaan, tegen de achtergrond dat sprake was van een contract dat ‘closed and prepaid’ was terwijl inmiddels de kostprijzen zijn veranderd. [naam7] doet daarom een voorstel voor drie verdere leveringen met als gevolg een middeling van de prijs. Het hof leest de woorden ‘we have a contract’ dan ook in het kader van deze onderhandelingen en niet zo letterlijk zoals [appellanten] dat doen en verbindt daaraan niet de conclusie dat [geïntimeerde] als contractspartij al een leveringsverplichting had jegens [appellant2] . Ook het feit dat [naam7] zich verantwoordelijk achtte (‘responsibility’) leidt niet tot die conclusie. De betaling van € 75.524,40 en het sales-contract met als datum 19 oktober 2022- een intern stuk tussen [geïntimeerde] en [naam1] - moeten eveneens worden bezien tegen de achtergrond dat [geïntimeerde] de leveringsproblemen van [naam1] wilde oplossen, en niet als een bevestiging dat [geïntimeerde] een overeenkomst met [appellant2] had. Dat [naam7] schrijft dat hij het verlies wil nemen (‘take this loss’) moet zo worden begrepen dat dit ziet op de het verschil tussen de productiekosten en dalende marktprijzen, waaraan hij in de eerste alinea van zijn e-mail refereert. Ter zitting bij het hof heeft [geïntimeerde] nader toegelicht dat zij de verzendkosten voor de levering in Koeweit voor haar rekening heeft genomen die in het algemeen voor rekening van de afnemer zouden zijn gekomen. Het verlies nemen waarover wordt gesproken moet ook tegen die achtergrond worden bezien. Uit de e-mails blijkt dat het voor [geïntimeerde] ging om het opbouw van een relatie (‘start building our relationship) en dat het voor [appellanten] . ging om een ‘trial order’. Ook dat wijst niet op een eerdere contractuele relatie.\n\n3.23. Het argument van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling voor de uitgevoerde levering vanwege de contractuele binding van [geïntimeerde] aan de eerdere overeenkomsten is dus niet valide.\n\n3.24. Dat laat echter onverlet, althans dat sluit niet uit, dat ook zonder die binding de afspraak kan zijn gemaakt dat [geïntimeerde] voor de levering niet door [appellant2] of [appellant1] betaald kreeg.\n\n3.25. Uit wat door [appellanten] is gesteld en ter onderbouwing daarvan aan schriftelijke stukken is overgelegd valt niet af te leiden dat een afspraak met de door [appellanten] gestelde inhoud is gemaakt. Door [appellanten] wordt ook daarvoor sterk geleund op de e-mail van de zijde van [geïntimeerde] van 20 december 2022, waarvan de inhoud hiervoor in 3.21 is weergegeven en waaraan het hof hiervoor een uitleg heeft gegeven in het kader van de vraag of daaruit volgt dat [geïntimeerde] contractspartij was van [appellant2] bij de eerste overeenkomsten. Die uitleg is ook relevant voor de vraag of de gestelde afspraak is gemaakt. Ook die vraag beantwoordt het hof op basis van die uitleg ontkennend. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.\n\n3.26. In de e-mail wordt niet met zoveel woorden of anderszins specifiek stil gestaan bij de vraag of voor de levering betaald moet worden of niet, omdat die al eerder zou zijn betaald, of dat een beroep werd gedaan op verrekening met wat al eerder door [appellanten] was betaald aan [naam1] , bijvoorbeeld het bedrag van € 94.303,50. Woorden met die concrete inhoud of van die strekking zijn in de e-mails van 20 december 2022 en de reactie daarop van de zijde van [naam2] (optredende namens [appellanten] ) niet te lezen. Dat van de zijde van laatstgenoemde daaraan geen woord wordt gewijd is opvallend, omdat zij daarbij het meeste belang had, gezien de eerdere betalingen. Daarbij komt dat op initiatief van die zijde over een aanpassing van de prijs is onderhandeld, zoals onweersproken door [geïntimeerde] is gesteld, en dat daarover een akkoord is bereikt. Dat roept de – onbeantwoorde – vraag op waarom [naam2] het initiatief tot die onderhandeling om tot een lagere prijs te komen heeft genomen, indien zij ervan uitging dat de levering toch niet betaald hoefde te worden. [geïntimeerde] mocht er gezien die onderhandelingen redelijkerwijs op vertrouwen dat zij conform de uitonderhandelde prijs betaald zou krijgen, althans hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd op grond waarvan [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat dit niet het geval was.\n\n3.27. \n\nDat wordt niet anders als daarbij acht wordt geslagen op de in verband met de levering in Koeweit opgemaakte stukken en dat geen aanbetaling is gevraagd, welke omstandigheden volgens [appellanten] hun standpunt ondersteunen. Volgens [appellanten] is de factuur van 4 januari 2023 slechts om administratieve redenen opgemaakt in verband met een andere prijs en bestemming en douaneformaliteiten. Dat kan uit de factuur zelf niet worden afgeleid; dat de factuur ook volgens [geïntimeerde] slechts deze functie had is ook verder onvoldoende onderbouwd; niet is gesteld of gebleken op grond waarvan ook [geïntimeerde] hiervan uitging. Dat op 19 januari 2023 in het Supplier Creation Formdat is opgemaakt om te voldoen aan invoerformaliteiten voor de levering in Koeweit als betalingsvoorwaarden ‘Prepayment’ zijn genoemd legt daarbij ook niet voldoende gewicht in de schaal, omdat door [geïntimeerde] onweersproken is gesteld dat dit formulier algemene informatie betreft en niet specifiek ziet op deze transactie. In het formulier wordt ook niet verwezen naar deze transactie.\n\nHet staat op zich vast dat geen aanbetaling is gevraagd, terwijl dat wel op de factuur van januari 2023 staat. Niet gesteld of gebleken is echter dat daarover in december 2022 is gesproken en op grond waarvan [geïntimeerde] bij [appellanten] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij door het niet vragen van een aanbetaling helemaal van betaling af zou zien.\n\n3.28. \n [appellanten] hebben ook nog een beroep gedaan op een verklaring van de bestuurder van [naam1] . Ook met de inhoud van die verklaring heeft [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de afspraak waarop [appellanten] zich beroept is gemaakt, deze verklaring zowel op zich zelf bezien als in samenhang met de andere gestelde feiten en omstandigheden. De verklaring luidt als volgt:\n\n“(…) In March\u002F April 2022, [appellant2] placed an order with [naam1] for an amount of € 126,282. That amount was prepaid by [appellant2] to [naam1] on April 7, 2022.\n\nDue to circumstances, this order was cancelled. From that moment on, [appellant2] had a credit on [naam1] of € 126,282 that would be settled with the next new order. [geïntimeerde] agreed.\n\nThe next order took a very long time due to [geïntimeerde] 's incorrect working method, but was completed through delivery and invoicing in January 2023. This resulted in an invoice from [geïntimeerde] to [appellant2] of € 195,039. [appellant2] had again paid an amount in advance to [naam1] on that invoice, i.e. € 94,303,50 on October 4, 2022. In accordance with agreement with [geïntimeerde] , € 75,524.40 of the latter advance payment was paid by [naam1] to [geïntimeerde] on 20 October 2022, on condition that delivery by [geïntimeerde] to [appellant2] would take place without [appellant2] having any payment obligation towards [geïntimeerde] .\n\nIn total, [appellant2] has therefore paid € 220,585.50 to [naam1] , [naam1] has settled with [geïntimeerde] in accordance with the agreement. The amount overpaid by [appellant2] , i.e. € 220,585.50 minus €195,039 = € 25,546.50 should have been repaid by [geïntimeerde] to [appellant2] . [naam11] has taken care of that amount without obligation by offsetting with [appellant2] and is trying to recover it from [geïntimeerde] . It now appears that [appellant2] also paid the latter invoice of € 195,039 to [geïntimeerde] , which is completely unjustified. [geïntimeerde] received that amount incorrectly. It would have been morally right for them to have returned that receipt immediately. Now that it appears that this has not happened, I advise [appellant2] to take immediate action against [geïntimeerde] , if necessary using all legal means. Where possible, I would like to support them wholeheartedly. In summary: [appellant2] paid twice, 1 time to [naam1] and 1 time to [geïntimeerde] . The payment to [naam1] has been accepted by [geïntimeerde] as payment of the delivery and has been incorporated into the current account relationship with [naam1] . After receiving that payment to [naam1] , [geïntimeerde] delivered to [appellant2] . After that, [appellant2] paid [geïntimeerde] again by mistake. [geïntimeerde] is therefore obliged to return this wrongful payment to [appellant2] .”\n\n3.29. Volgens [geïntimeerde] is deze bestuurder [geïntimeerde] niet goedgezind omdat [geïntimeerde] het faillissement van [naam1] heeft aangevraagd. Dat kan zo zijn, maar dat maakt de verklaring om die reden niet direct ongeloofwaardig. Belangrijker is dat [appellanten] niet hebben gesteld dat deze bestuurder betrokken is geweest bij de totstandkoming van de afspraken die in december 2022 zijn gemaakt, en welke rol hij daarbij heeft gespeeld en waaraan hij zijn wetenschap ontleent. Daarbij komt dat de verklaring op onderdelen in strijd is met de door [appellanten] zelf gestelde en vaststaande feiten. Zo verklaart de bestuurder dat B& F een aanbetaling op de factuur van [geïntimeerde] van januari 2023 heeft gedaan, terwijl die aanbetaling volgens [appellanten] betrekking heeft op de tweede bestelling. Verder is de verklaring een beschrijving van de gang van zaken, die in grote lijnen overeenstemt met de standpunten van partijen, en wat betreft de betaling van ruim € 75.000,- met het standpunt van [geïntimeerde] dat dat in lijn was met de afspraken tussen [naam1] en [geïntimeerde] . Maar uit de verklaring blijkt niet van enige afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellanten] , noch dat [geïntimeerde] contractueel tot levering verplicht was als het gaat om de eerste twee bestellingen. De bestuurder heeft het in dat verband over een morele verplichting.\n\n3.30. Bij gebrek aan toereikende onderbouwing ziet het hof geen grond voor het honoreren van het bewijsaanbod van [appellanten] dat slechts inhoudt dat de bestuurder van [naam1] als getuige gehoord zou moeten worden. Dat aanbod is daarvoor bovendien niet specifiek genoeg. Er is gesteld dat deze bestuurder het nodige kan verklaren, maar niet is aangeboden feiten te bewijzen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden, dan wel is het aanbod niet ter zake dienend gelet op wat het hof al heeft geoordeeld over de door [appellanten] gestelde feiten.\n\nTussenconclusie\n\n3.31. Al het voorgaande betekent i) dat niet blijkt dat sprake is van onverschuldigde betaling en ii) dat niet blijkt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die een gevolg is van het niet uitvoeren van de eerste twee bestellingen. De op die grondslagen gebaseerde primaire en subsidiaire vorderingen zijn niet toewijsbaar. De schadevergoedingsvordering is dat ook niet voorzover die is gebaseerd op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . [appellanten] heeft niet voldoende gesteld om dat onrechtmatig handelen, dat niet zonder meer uit de feiten volgt, aan te nemen. De grievendie er toe strekken dat de vordering op deze grondslagen kunnen worden toegewezen falen.\n\nongerechtvaardigde verrijking\n\n3.32. De meer subsidiaire vordering tot betaling van € 75.524,40 is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Die is toewijsbaar indien [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellant1] of [appellant2] (die zijn verarmd) zodat [geïntimeerde] , voorzover dit redelijk is, de schade die zij daardoor lijden moet vergoeden tot het bedrag van haar verrijking.\n\n3.33. \n [appellant2] (en niet [appellant1] ) heeft het genoemde bedrag aan [naam1] betaald zonder dat zij daarvoor een daarmee corresponderende tegenprestatie heeft ontvangen. Zij heeft dit bedrag niet terugontvangen. Aannemelijk is daarom dat [appellant2] door de betaling van het genoemde bedrag is verarmd. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat [appellant2] mogelijk nog een vordering op [naam1] heeft, maar dat gegeven betekent als zodanig niet dat [appellant2] niet kan zijn verarmd ( [naam1] biedt overigens geen verhaal voor die vordering, gezien de stand van zaken in dat faillissement, waarbij geen uitkering aan faillissementscrediteuren is te verwachten).\n\n3.34. \n [geïntimeerde] is er vanwege de samenwerkingsafspraken met [naam1] vanuit gegaan dat [naam1] het bedrag terug moest betalen aan [appellant2] en dat zij gehouden was het bedrag met dat doel aan [naam1] terug te betalen. Zij stelt dat te hebben gedaan doordat zij haar schuld (terugbetaling aan [naam1] ) heeft verrekend met een vordering van haar op [naam1] uit andere hoofde. Indien dat juist is betekent dat dat [geïntimeerde] is verrijkt: zij heeft daarmee immers een verrekeningsmogelijkheid gekregen en benut, die zij niet zou hebben gehad indien zij het bedrag van ruim 75.000, - niet zou hebben ontvangen. Zij heeft dit bedrag ontvangen waar volgens haar eigen stellingen geen tegenprestatie van haarzelf tegenover staat. [geïntimeerde] heeft de ruim € 75.000,- immers aan zichzelf laten overmaken als ‘prepayment’ (zie rov. 3.9), maar heeft vervolgens het volle afgesproken bedrag voor de levering van januari 2023 van [appellant1] ontvangen, zonder dat zij op die factuur het ten titel van aanbetaling van [naam1] ontvangen bedrag daarop in mindering heeft gebracht. Voor de ontvangst van de ruim € 75.000,- is dan ook geen rechtvaardiging te vinden in de met [appellant2] gesloten overeenkomsten. Tussen de verarming van [appellant2] en de verrijking van [geïntimeerde] bestaat daarmee voldoende verband. Het is in de gegeven omstandigheden redelijk dat [geïntimeerde] dit bedrag aan [appellant2] terugbetaalt; niet valt in te zien dat [appellant2] van de gang van zaken en van het faillissement van [naam1] de dupe moet worden.\n\n3.35. Het hof zal daarom de meer subsidiaire vordering toewijzen, met daarover de gevorderde en als zodanig niet bestreden wettelijke rente met ingang van 25 september 2023 tot aan de dag van algehele betaling. Met het oog daarop zal het bestreden vonnis van de rechtbank worden vernietigd.\n\n3.36. Ook de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (de vordering sub VIII in de akte vermeerdering eis van 25 november 2024) is, als zijnde niet weersproken, toewijsbaar. Naar aard en omvang voldoen deze kosten aan de dubbele redelijkheidstoets. Daarbij gaat het hof er, gelet op het vermelde in de inleidende dagvaarding onder 74 en 81, vanuit dat het in de akte genoemde bedrag van € 2.750,39 een verschrijving is en van het bedrag van € 2.725,39 moet worden uitgegaan.\n\nDe conclusie\n\n3.37. Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [geïntimeerde] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten van [appellant2] zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Daarbij gaat het hof wat betreft het salaris van de advocaat uit van het toegewezen bedrag. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.Deze uitspraak brengt mee dat [appellant2] de proceskosten voor de procedure in eerste aanleg niet meer verschuldigd zijn. Het kan zijn dat zij die inmiddels aan [geïntimeerde] heeft betaald, maar een vordering tot terugbetaling heeft zij niet ingesteld, zodat het hof [geïntimeerde] daartoe niet kan veroordelen.\n\n3.38. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 12 februari 2025 voorzover de vorderingen van [appellant2] zijn afgewezen, beslist in zoverre opnieuw, en bekrachtigt het vonnis voor het overige:\n\n4.2. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 75.524,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\n4.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 2.725,39 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;\n\n4.4. \n\nveroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 6.617 aan griffierecht\n\n€ 115,12 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 2.428 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het destijds geldende tarief in tariefgroep IV)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] in hoger beroep:\n\n€ 6.803 aan griffierecht\n\n€ 122,25 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 4.704 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het per 1 februari 2026 geldende tarief in tariefgroep IV)\n\n4.5. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.7. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. M.A.M. Essed en mr. A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Het vonnis is gepubliceerd onder RBMNE:2025:323.\n\n Artikel 4 Brussel I bis (Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Artikel 6:203 BW\n\n Conform de zogenoemde Haviltex-maatstaf\n\n In de woorden [appellanten] : is toegetreden tot die overeenkomsten\n\n Productie 27\n\n Productie 25\n\n Grieven I-III, met subgrieven bij grief II, en grief V\n\n artikel 6:212 BW\n\n Grief IV, VI en VII treffen doel\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4229","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.986Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":51,"updatedAt":77},"664","ECLI:NL:GHARL:2026:4226","ecli-nl-gharl-2026-4226","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.547\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 513216\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. J.A.I. Verheul te Amsterdam\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde\n\nen2. Wiflo Holding B.V.3. Extreme Tenders Holding B.V.4. Extreme Tenders B.V.5. Xtenders Shipyard B.V.6. Xtenders Custom B.V.7. Xtenders Yard B.V.8. Xtenders Carbon Solutions B.V.9. Extreme Tenders Shipyard B.V.10. Extreme Tenders Yard B.V.11. Xtenders Design B.V.12. Xtenders Production B.V.13. Xtenders Superyacht Solutions B.V.14. Xtenders Services B.V.15. Extreme Electric B.V.\n\ndie allen zaken doen in Almere en die bij de rechtbank optraden als gedaagden\n\nhierna samen: [geïntimeerden]en ieder afzonderlijk[geïntimeerde1]enXtenders c.s.\n\nadvocaat: mr. L.M. Noordzij te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 11 oktober 2023tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis\n\n• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• de akte overlegging producties van [geïntimeerden]\n\n• de akte overlegging producties van [appellant]\n\n• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 mei 2026 is gehouden.\n\nNa de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] had een overeenkomst tot de bouw van een schip op maat. Die overeenkomst is ontbonden en zijn vordering tot terugbetaling van het al betaalde bedrag is toegewezen. Omdat de bouwende vennootschap geen verhaal meer bood, is [appellant] een aansprakelijkheidsprocedure gestart tegen [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt treft en hem veroordeeld tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag. De rechtbank heeft de vordering tegen Xtenders c.s. afgewezen. [appellant] wil dat zijn vordering alsnog volledig wordt toegewezen, zowel tegen [geïntimeerde1] als tegen Xtenders c.s. [geïntimeerde1] wil dat de tegen hem toegewezen vordering alsnog volledig wordt afgewezen. Dit alles zal hierna worden beoordeeld. Eerst zal worden beschreven wat de relevante feiten zijn en wat bij de rechtbank aan de orde was en door haar is beslist.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1. Extreme Tenders Custom B.V. (hierna: ETC) richt zich op het (op maat) bouwen en verkopen van vaartuigen, tenders geheten. Deze tenders worden gewoonlijk gebruikt door bezitters van (super)jachten om van en naar hun jacht te komen.\n\n3.2. \n [geïntimeerde1] is (enig) statutair bestuurder van ETC. Enig aandeelhouder van ETC is Extreme Tenders Holding. Enig aandeelhouder van Extreme Tenders Holding is Wiflo Holding. [geïntimeerde1] is enig aandeelhouder van Wiflo Holding en enig bestuurder van zowel Wiflo Holding als Extreme Tenders Holding.\n\n3.3. \n\nDe partijen 4. t\u002Fm 15. zijn zustervennootschappen van ETC. Ook van deze\n\nvennootschappen is [geïntimeerde1] enig bestuurder en, via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding, enig aandeelhouder.\n\n3.4. Op 18 maart 2018 heeft [appellant] met ETC een koopovereenkomst (hierna: ‘de koopovereenkomst’) gesloten. Daarbij heeft [appellant] van ETC gekocht een op maat te bouwen carbon vaartuig, de Custom XTender 12.3M, building [nummer] (hierna ‘het vaartuig’ te noemen). De koopprijs bedroeg € 800.013. ETC had op dat moment geen activiteiten.\n\n3.5. ETC was een ‘special purpose vehicle’ dat wil zeggen dat alleen de bouw van dit vaartuig daarin werd uitgevoerd. Alle betalingen door de klant zijn bestemd voor die bouw en alles wat wordt gebouwd, is bestemd voor de klant.\n\n3.6. In de koopovereenkomst (artikel A-4) is bepaald dat het vaartuig zal worden geleverd twaalf maanden nadat de eerste betaling is ontvangen. In artikel A-7 is een betaalschema opgenomen voor de termijnbetalingen die verschuldigd worden nadat een bepaalde fase in de bouw van het vaartuig is aangevangen of afgerond. De betreffende termijn moet betaald worden tien dagen na ontvangst van de factuur. Als tijdige betaling uitblijft, zo bepaalt dit artikel verder, mag ETC verdere werkzaamheden opschorten.\n\n3.7. \n\nHet eerste bedrag van € 80.000, dat na het tekenen van de koopovereenkomst\n\nverschuldigd werd, is door [appellant] betaald (betaling i.) en op 22 maart 2018 in goede orde door ETC ontvangen. De leverdatum van het vaartuig was daarmee aanvankelijk 22 maart 2019.\n\n3.8. Na de eerste betaling heeft [appellant] in de periode tot en met 11 februari 2019 nog vijf facturen van ETC betaald, in totaal € 520.000, te weten:\n\n 12 oktober 2018 t.b.v. ‘acceptance final design’ ad € 80.000\n\n 30 oktober 2018 t.b.v. ‘start carbon production’ ad € 160.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘order engine’ ad € 80.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘start paintjob hull’ ad € 120.000 en\n\n 11 februari 2019 t.b.v. ‘delivery engine’ ad € 80.000.\n\nIn totaal heeft [appellant] vanaf maart 2018 tot en met februari 2019 € 600.000 betaald.\n\n3.9. ETC heeft de door haar van [appellant] ontvangen bedragen – op € 1.026 na – vrijwel onmiddellijk overgemaakt aan Extreme Tenders Holding (partij 3.) en Extreme Tenders (partij 4.), te weten:\n\n€ 40.000 op 29 maart 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 39.974 op 3 april 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 80.000 op 12 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling ii.)\n\n€ 159.000 op 31 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling iii.)\n\n€ 200.000 op 6 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betalingen iv. en v.)\n\n€ 50.000 op 28 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.) en\n\n€ 30.000 op 1 maart 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.).\n\n3.10. In februari en maart 2019 heeft [appellant] viermaal bij [geïntimeerde1] geïnformeerd naar de voortgang van de bouw van het vaartuig.\n\n3.11. Op 26 april 2019 heeft [appellant] bij [geïntimeerde1] aangedrongen om de huidige situatie toe te lichten. Op 29 april 2019 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] geantwoord dat aflevering in juli 2019 niet mogelijk is, dat de planning is aangepast en dat het vaartuig in december 2019 zal worden geleverd. [geïntimeerde1] stelt vervolgens voor dat [appellant] in het seizoen 2019 een ander vaartuig van hen gaat gebruiken.\n\n3.12. \n [appellant] heeft de koopovereenkomst in een e-mail aan [geïntimeerde1] van 1 mei 2019 ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van het al betaalde bedrag.\n\n3.13. Op 4 juni 2019 heeft [appellant] rechterlijk verlof verkregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC, waarop [appellant] de termijnbetalingen van in totaal € 600.000 had overgemaakt. Het beslag heeft geen doel getroffen omdat de bankrekening geen saldo had.\n\n3.14. Op 14 juni 2019 heeft [appellant] ETC gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, en onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat hij de koopovereenkomst terecht heeft ontbonden, en daarnaast veroordeling van ETC tot (terug)betaling van € 600.000 alsmede tot vergoeding van de door hem geleden schade.\n\n3.15. \n\nOp 23 januari 2020 heeft [appellant] rechterlijk verlof gekregen voor het (opnieuw) leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC en voor het leggen van conservatoire beslagen op het vaartuig, de daarbij horende bootmotoren en een drietal “pre-owned” vaartuigen. Op 27 januari 2020 is het conservatoir derdenbeslag gelegd op de\n\nbankrekening van ETC. Wederom heeft het beslag geen doel getroffen omdat er geen saldo was. Op 27 januari 2020 heeft de deurwaarder in de werkplaats van ETC conservatoir beslag gelegd op het in aanbouw zijnde vaartuig, type Xtenders 12.3M, waarop [nummer] was geschreven. De deurwaarder is er niet in geslaagd beslag te leggen op twee bootmotoren, omdat het hem niet duidelijk werd (gemaakt) waar deze zich bevonden. Op 29 januari 2020 heeft de deurwaarder in de Jachthaven [plaats1] conservatoir beslag gelegd op twee schepen (hierna: ‘de schepen’) die eerder door ETC op haar website te koop waren aangeboden. Het gaat om twee ‘pre-owned’ tenders, één type Xtenders 12.3m met [registratienummer1] , en één type Xtenders 8.3m, met [registratienummer2] . Op 6 maart 2020 heeft de deurwaarder geconstateerd dat de twee schepen waarop op 29 januari 2020 beslag was gelegd, uit de jachthaven waren verdwenen.\n\n3.16. Het onafgebouwde vaartuig met opschrift ‘ [nummer] ’ is door ETC op enig moment verkocht aan Xtenders Production B.V. (partij 12.) die daarbij een beroep heeft gedaan op verrekening van de koopprijs met een vordering op ETC. Het vaartuig is afgebouwd en vervolgens door Xtenders Yard B.V. (partij 7.) aan een ander verkocht.\n\n3.17. Op 21 juli 2020 heeft [appellant] verlof gekregen voor het leggen van conservatoir beslag onder ETC op roerende zaken. Op 30 juli 2020 heeft de deurwaarder beslag gelegd ten laste van ETC op in het proces-verbaal omschreven roerende zaken, waaronder gereedschappen, een tweetal tenders in aanbouw, drie voltooide tenders en boottrailers.\n\n3.18. Op 3 juli 2020 heeft [appellant] , na daartoe op 2 juli 2020 verkregen rechterlijk verlof, conservatoir derdenbeslag gelegd onder [geïntimeerde1] ten laste van Wiflo Holding.\n\n3.19. In een vonnisvan 23 oktober 2020 heeft de kantonrechter in Amsterdam de in rov. 3.14 weergegeven vorderingen toegewezen, onder veroordeling van ETC in de beslagkosten van € 1.104,46 en de proceskosten van € 5.989,51, te vermeerderen met nakosten van € 131 en € 68. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. ETC biedt geen verhaal.\n\n4. Het geschil en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat:\n\ni) [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden, primair tot een bedrag van € 600.000, te vermeerderen met rente vanaf de dag der dagvaarding en subsidiair nader op te maken bij staat;\n\nii) [geïntimeerde1] wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\niii) Wiflo Holding wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\nmet hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] en Wiflo Holding in de kosten van de procedure, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n4.2. De rechtbank heeft op 11 oktober 2023 de vordering (i) tot een beloop van € 415.619,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2020, tegen [geïntimeerde1] toegewezen. [geïntimeerde1] is verder veroordeeld in de beslagkosten en de proceskosten. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen. [geïntimeerde1] heeft op 28 maart 2024 aan dit vonnis voldaan.\n\n4.3. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat wat van zijn vorderingen is afgewezen, alsnog wordt toegewezen. [appellant] heeft daarbij zijn vordering gewijzigd en vermeerderd als het gaat om sub (i) de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente en daarnaast (iv) gevorderd dat [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de ten laste van ETC toegewezen vergoeding van beslag- en proceskosten van € 1.104,46, € 5.989,51, € 131 en € 68.\n\n4.4. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde1] is dat de tegen hem toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [appellant] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat [geïntimeerde1] op basis van het vonnis van 11 oktober 2023 aan hem heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 maart 2024.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nInleiding\n\n5.1. Het hof zal oordelen dat het hoger beroep van [appellant] grotendeels slaagt en dat het gehele door hem aanbetaalde bedrag moet worden vergoed, maar niet door alle partijen die hij daarvoor aansprakelijk houdt. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) van partijen zullen daarbij thematisch worden behandeld.\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.2. Omdat [appellant] in [land1] woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. De internationale bevoegdheidsregels zijn in procesrechtelijke zin van openbare orde. Het hof dient daarom eerst ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. Aangezien de verwerende partijen [geïntimeerden] in een EU-land (Nederland) zijn gevestigd \u002F wonen, moet de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, worden beantwoord aan de hand van de Verordening Brussel I-bis.Deze bevoegdheid kan in dit geval (onder meer) worden gebaseerd op artikel 4 Verordening Brussel I-bis. Partijen hebben ook niet iets anders gesteld. De Nederlandse rechter is daarmee bevoegd.\n\n5.3. Tegen de impliciete vaststelling van de rechtbank dat op dit geschil Nederlands recht van toepassing is, hebben de partijen geen bezwaar gericht. Partijen hebben ook zelf Nederlandse wetsartikelen ingeroepen. Het hof is met partijen van oordeel dat het Nederlands recht hier van toepassing isen het zal de zaak dan ook naar Nederlands recht beoordelen.\n\nWijziging van eis\n\n5.4. De in rov. 4.3 bedoelde eisvermeerdering heeft processueel op het juiste moment plaatsgevonden en [geïntimeerden] hebben daartegen als zodanig geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten.\n\nBestuurdersaansprakelijkheid [geïntimeerde1]\n\n5.5. \n [appellant] stelt allereerst dat [geïntimeerde1] als bestuurder van onder meer ETC op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor het door de ETC onbetaald laten van de onherroepelijk door de kantonrechter toegewezen terugbetaling van € 600.000.\n\nMaatstaf aansprakelijkheid\n\n5.6. De vordering van [appellant] betreft een vordering jegens [geïntimeerde1] als bestuurder van ETC, omdat [appellant] benadeeld is door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering op ETC.\n\n5.7. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijtkan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.8. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. [appellant] heeft zijn vordering niet gebaseerd op schending van deze zogenoemde ‘Beklamel-norm’, zodat het hof die verder buiten beschouwing zal laten.\n\n5.9. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.In de onder (ii) bedoelde gevallen draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.\n\nStelplicht en bewijslast\n\n5.10. De stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast voor de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd, rusten in beginsel op [appellant] als partij die zich op deze grondslag beroept (artikel 150 Rv). In geval als dit, waarin een partij die schade lijdt door wanprestatie van een vennootschap daarom verhaal zoekt op de bestuurder tevens (middellijk) enig aandeelhouder van die vennootschap, geldt niet een bijzondere regel van bewijslastverdeling, die meebrengt dat degene die volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, wordt belast met het bewijs.\n\nUitgangspunt\n\n5.11. De betalingsverplichting van ETC staat definitief vast. Die is in een vonnis van 23 oktober 2020 (zie rov. 3.19) vastgesteld en die beslissing is onherroepelijk geworden. Daarmee moet in deze procedure worden uitgegaan van de verschuldigdheid door ETC van het in dat vonnis toegewezen bedrag van € 600.000. [geïntimeerden] . kunnen in deze procedure niet opnieuw discussie voeren over de verschuldigdheid van dat bedrag omdat zij niet worden aangesproken voor dat verschuldigde bedrag als zodanig, maar voor de schade die [appellant] door hun handelen heeft geleden. Tegen dat laatste, op een onrechtmatig handelen gebaseerd verwijt kunnen en mogen zij zich ook ten volle verweren. Voor zover [geïntimeerden] menen dat niet van een betalingsverplichting van ETC kan worden uitgegaan en daarom al het verwijt van [appellant] onjuist is, faalt dat. Dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 23 oktober 2020 tegenover [geïntimeerden] geen gezag van gewijsde heeft, maakt een en ander niet anders.\n\nOnrechtmatig handelen van [geïntimeerde1]\n\n5.12. Voorop staat dat het Xtender-concern in wezen een eenpersoonsconcern is. [geïntimeerde1] is van alle vennootschappen de enig bestuurder en via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding de enig aandeelhouder. Uit het navolgende blijkt ook dat de onderneming van [geïntimeerde1] om een ‘custom made’-vaartuig te bouwen, hoewel ingericht over meerdere vennootschappen, feitelijk één geheel is. Al deze vennootschappen treden naar buiten onder dezelfde handelsnaam en zijn gevestigd op hetzelfde adres en zijn bereikbaar via hetzelfde mailadres en telefoonnummer. Naar verklaring van [geïntimeerde1] tijdens de mondelinge behandeling wordt het terrein met bedrijfsgebouwen gehuurd door Extreme Tenders Holding die dat ter beschikking stelt aan de andere vennootschappen. Deze vennootschap heeft naar zeggen van [geïntimeerde1] ook de machines en de gereedschappen van de Xtenders-onderneming in eigendom. Het personeel van de onderneming is per 1 juni 2018 overgeheveld van Extreme Tenders (verwerende partij 4.) naar Xtenders Design (verwerende partij 11.). Via Xtenders Production (verwerende partij 12.) wordt de inkoop van al het benodigde materiaal gedaan en extern personeel ingeleend. De administratie van een en ander wordt op holding-niveau gedaan, waarna periodiek – zo blijkt ook uit de door [geïntimeerde1] overgelegde rapportages van de accountant – de doorbelasting van kosten e.d. via rekening-courantverhoudingen tussen de verschillende vennootschappen plaatsvindt. Alle hier niet-benoemde vennootschappen zijn volgens [geïntimeerde1] dan de ‘special purpose vehicles’, waarbinnen conform specifieke wensen van een klant een vaartuig wordt gebouwd.\n\n5.13. \n [appellant] heeft zijn overeenkomst gesloten met ETC, die is ingezet als zo’n ‘special purpose vehicle’ oftewel een projectvennootschap. In dat verband is overeengekomen dat [appellant] in termijnen de bouw van het vaartuig voorfinanciert. Hoewel geen bankgaranties of zekerheden zijn verstrekt, is, zo staat tussen partijen vast, met deze handelwijze bedoeld [appellant] te beschermen: zijn betalingen zijn alleen bedoeld voor de bouw van het vaartuig en alles wat gebouwd wordt, is voor hem bestemd. Dit betekent dat alles wat door [appellant] wordt betaald, aan de bouw van het vaartuig moet worden besteed. Het gegeven dat ETC een projectvennootschap was met bijhorende specifieke besteding van de ter beschikking gestelde gelden, die afhankelijk waren van de voortgang van de bouw (vgl. rov. 3.6) brengt mee dat verwacht mocht worden dat ETC een projectadministratie zou voeren en dienovereenkomstig verantwoording zou kunnen afleggen.\n\n5.14. In dit geval moet worden vastgesteld dat van meet af aan anders is gehandeld dan met [appellant] is afgesproken en hij redelijkerwijs mocht verwachten. De van [appellant] ontvangen gelden zijn onmiddellijk doorbetaald aan andere vennootschappen van de Xtender-onderneming. Uit de overgelegde rapportages van de accountant blijkt dat dit is gedaan om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van andere onderdelen van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [geïntimeerde1] verklaard dat ETC ten behoeve van de bouw geen projectadministratie bijhield. De administratie van de gehele onderneming werd op holding-niveau gedaan, waarna achteraf via de tussen de vennootschappen bestaande rekening-courantverhoudingen gemaakte kosten e.d. werd toe- en\u002Fof afgerekend. Op basis waarvan dat plaatsvond, is niet duidelijk geworden.\n\n5.15. Immers, niet kenbaar zijn vóóraf met de andere vennootschappen van de Xtender-onderneming die bij de bouw van het vaartuig betrokken werden, afspraken gemaakt over kosten, uren en tarieven e.d. Er is ook niet kenbaar vooraf een kostprijscalculatie van de bouw van het vaartuig gemaakt. Verder is de financiële verantwoording van een en ander zoals die blijkt uit de verkorte balansen van ETC aangaande 2018 en 2019 ondoorzichtig; op de balans 2018 staat in essentie niet meer dan dat ETC (aan actiefzijde) een voorraad had van € 319.211 en (aan passiefzijde) een schuld van € 320.000. Hoe zich dit per einde 2018 verhoudt tot de voortgang van de bouw van het vaartuig (zo werd de romp van carbon op dat moment geproduceerd bij een derde) en tot de omvang van wat [appellant] al had aanbetaald, is onduidelijk gebleven. Uit de balans 2018 blijkt verder dat ETC voorafgaand aan het sluiten met de overeenkomst met [appellant] op 18 maart 2018 een schuld\u002Fnegatief eigen vermogen had van € 13.285. Hoe zich dit verhoudt met de met [appellant] overeengekomen bescherming van alles wat hij zou aanbetalen zoals hiervoor in rov. 5.13 is uiteengezet, is niet door [geïntimeerde1] uitgelegd.\n\n5.16. Het voorgaande verklaart waarom de besteding van de door [appellant] aanbetaalde bedragen niet helder is geworden en dat [geïntimeerde1] (ook) daarover tegenstrijdige stellingen heeft ingenomen. In eerste instantie heeft [geïntimeerde1] met beroep op een op 10 februari 2021 opgestelde proef- en saldibalans betoogd dat (zeker) € 680.990,50 is besteed aan de bouw van het vaartuig, waarna de door hem ingeschakelde accountant heeft gesteld, na onder meer toerekening van uren en kosten – al dan niet op basis van schatting, dat uitgegaan moet worden van € 576.989 in totaal. In dat bedrag zijn begrepen, zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd, ook alle uren die volgens [geïntimeerde1] zijn besteed ter wijziging van het ontwerp nadat de overeenkomst met [appellant] was opgesteld. Over die extra uren is [geïntimeerde1] verder weinig helder geweest; eerst is gesteld dat die uren een waarde hadden van tenminste de omvang van de koopsom van € 139.128 voor de romp en de twee motoren, terwijl in zijn memorie van antwoord die extra kosten op € 113.000 worden gesteld. Volgens [geïntimeerde1] gaven die extra kosten\u002Furen hem het recht om bedoelde koopsom te verrekenen in plaats van feitelijk aan ETC te betalen. Volgens de opgaaf van zijn eigen accountant dekten de aanbetalingen van [appellant] van € 600.000 in totaal echter alles al wat aan materiaal, inkoop en uren was besteed aan de bouw van het vaartuig. Hierop komt het hof hierna in rov. 5.19 nog terug. Hoe dan ook zijn de stellingen over wat is besteed aan de bouw van het vaartuig, zo al niet tegenstrijdig, niet sluitend.\n\n5.17. Het onmiddellijk doorbetalen van de van [appellant] ontvangen bedragen maakt – naast de kennelijk ongestructureerde bouw van het vaartuig – in voldoende mate aannemelijk dat daardoor ook onmiddellijk vertraging in de voortgang van de bouw ontstond. Daardoor was van meet af aan voorzienbaar dat ETC niet op het afgesproken moment zou kunnen leveren. [geïntimeerde1] had er dus al vanaf de eerste doorbetaling serieus rekening mee moeten houden dat [appellant] de vertraging in de levering van het vaartuig niet zou accepteren en conform wat daarover in de overeenkomst was afgesproken, de overeenkomst zou ontbinden.\n\n5.18. Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert, is de vertraging niet in relevante mate terug te voeren op door hem gestelde en door [appellant] bestreden (substantiële) wijzigingen in het ontwerp van het vaartuig. Allereerst geldt dat in het vonnis van 23 oktober 2020, dat ook op dit aspect het hof tot uitgangspunt dient, is beslist dat ETC nog in mails van 8 en 18 mei 2028 heeft bevestigd dat op 19 maart 2018 zou worden geleverd (rov. 19) en dat als onvoldoende onderbouwd moet worden voorbijgegaan aan de stelling van ETC dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de levering tot juli 2019 werd uitgesteld (rov. 21). Verder is in dat vonnis vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat ETC naar aanleiding van gestelde wijzigingen in het ontwerp [appellant] (schriftelijk) erop heeft gewezen dat de overeengekomen leverdatum hierdoor zou worden vertraagd en evenmin dat ETC voor de gestelde wijzigingen aan [appellant] extra kosten in rekening heeft gebracht en dat [appellant] in dat verband onbetwist heeft gesteld dat, in het geval ETC naar aanleiding van een verzochte wijziging heeft gezegd dat die wijziging tot extra kosten leidde, hij daarvan heeft afgezien (rov. 32). Het hof heeft, gezien het voorgaande, geen reden om in de aansprakelijkheidsprocedure tegen [geïntimeerde1] van iets anders uit te gaan. Het hof voegt daaraan nog toe dat uit de overeenkomst zelf volgt dat ná het sluiten daarvan per 18 maart 2018 nog ontwerpwerk verricht zou worden. In het in artikel A-7 van de overeenkomst opgenomen betaalschema is immers bepaald dat de tweede termijn van 10% van de koopsom ofwel € 80.000 moet worden betaald bij ‘acceptance final design’. Dat de wijzigingen in – en daarmee het finaliseren van – het ontwerp meer hebben omvat dan waarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst werd uitgegaan, is onvoldoende toegelicht. Daaraan gaat het hof dan ook voorbij.\n\n5.19. Ten tijde van de ontbindingsverklaring door [appellant] per 1 mei 2019 behoorden in ieder geval de onafgebouwde, inmiddels wel gespoten romp van het vaartuig (met dekplaat, zwemplatform, achterbankdelen en console) en de twee daarvoor aangeschafte motoren tot het vermogen van ETC, zoals beschreven in het taxatierapport van [naam1] van 5 september 2019. De waarde van een en ander is daarbij getaxeerd op € 95.000 excl. btw voor de romp met componenten en € 44.128 excl. btw voor de zich nog in de originele verpakking bevindende motoren, in totaal € 139.128. Van welk waardebegrip daarbij is uitgegaan, blijkt niet uit het rapport, maar evident is dat een en ander voor [geïntimeerde1] als kort gezegd bouwer van tenders een grotere waarde had dan voor een willekeurige derde. Voor alleen al de productie van de carbon romp en het zwemplatform is door de Zweedse leverancier Marstrom € 180.000 en € 20.000 berekend, terwijl de leverancier voor de motoren kort voordien € 51.486 excl. btw heeft gefactureerd. [geïntimeerde1] heeft genoemde zaken door een andere vennootschap (Xtenders Production) van zijn eenpersoonssconcern laten overnemen voor de hiervoor genoemde lagere taxatiewaarde, en het vaartuig afgebouwd. [geïntimeerde1] heeft geen inzicht gegeven in die verdere afbouw, daaronder begrepen de verdere kosten daarvan en de uiteindelijke daarmee gerealiseerde opbrengst. Gelet op de voor Xtenders Production gehanteerde koopsom moet het er echter voor gehouden worden dat [geïntimeerde1] met deze transactie een aanzienlijke besparing op de bouwkosten van die andere tender heeft gerealiseerd, die hij anders – dus als [appellant] niet om reden van het tekortschieten van ETC de overeenkomst had ontbonden – niet had gerealiseerd. Het laten toevallen van dat voordeel aan een andere vennootschap van zijn onderneming in plaats van aan [appellant] aan wie hij – via ETC – had terug te betalen, maakt dat ook deze handelwijze verwijtbaar onzorgvuldig is geweest tegenover [appellant] . Daarbij komt dat [geïntimeerde1] de tot uitgangspunt genomen koopsom van € 139.128 niet aan ETC heeft betaald maar met een beroep op een tegenvordering door Xtenders Production heeft doen behouden. Die tegenvordering is echter gefingeerd. In rov. 5.16 is immers al vastgesteld dat [appellant] al meer ter voorfinanciering had aanbetaald dan wat door de accountant van [geïntimeerde1] aan kosten van materiaal, inkoop en bestede uren aan de bouw van het vaartuig is toegerekend, zodat geen tegenvordering bestond, nog daargelaten de wisselende bedragen die daarvoor zijn gesteld. Daarbij komt dat ETC een eventuele vergoeding voor meer bestede uren aan design en engineering in beginsel verschuldigd zou zijn aan Xtenders Design omdat naar [geïntimeerde1] zelf heeft verklaard zijn personeel in dienst is bij die vennootschap. Dat Xtenders Production dan toch daarvoor een vordering zou hebben, is van iedere uitleg verstoken gebleven. Een en ander kan naar het oordeel van het hof geen andere conclusie dragen dan dat [geïntimeerde1] welbewust zijn eigen belang voorop heeft gesteld door een andere vennootschap van hem te bevoordelen en ETC ten koste van [appellant] te ontdoen van voor verhaal vatbare goederen en\u002Fof middelen. [geïntimeerde1] heeft ook in dat opzicht hoogst onzorgvuldig en verwijtbaar gehandeld.\n\n5.20. In de gegeven omstandigheden wist [geïntimeerde1] al onmiddellijk na de ontvangst van de (eerste) betaling(en) van [appellant] , dan wel moest hij begrijpen, dat bij een ontbinding van de overeenkomst ETC een verplichting tot terugbetaling van alles wat [appellant] ter voorfinanciering van de bouw van het vaartuig ter beschikking had gesteld, niet zou kunnen nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden. Ook na de ontbindingsverklaring heeft [geïntimeerde1] hoogst onzorgvuldig gehandeld door ETC te ontdoen van haar laatste vermogensbestanddelen en door te handelen zoals hierna wordt omschreven in rov. 5.37 met betrekking tot frustratie van verhaal op hem persoonlijk. [geïntimeerde1] kan daarom in zijn hoedanigheid van bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij heeft geen feiten aangevoerd die – indien bewezen – alsnog kunnen leiden tot het oordeel dat het aan hem te maken verwijt niet voldoende ernstig is. [geïntimeerde1] heeft aldus ernstig verwijtbaar onrechtmatig tegenover [appellant] gehandeld en is aansprakelijk voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden.\n\nRelativiteit\u002Fcausaal verband\u002Fschade\n\n5.21. Wat betreft de schade die [appellant] heeft geleden die aan [geïntimeerde1] moet worden toegerekend, geldt het volgende. De norm die door [geïntimeerde1] is geschonden, strekte bij uitstek tot bescherming van de (financiële) belangen van [appellant] . Doordat de voor de bouw van [appellant] ’s vaartuig betaalde bedragen onmiddellijk zijn doorgeleid naar andere vennootschappen om te voorzien in hun liquiditeitsbehoefte, konden die bedragen niet, zoals afgesproken, worden aangewend voor die bouw, zodat vertraging daarin voorzienbaar was en daarmee het niet halen van de afgesproken leverdatum en bijgevolg een ontbinding van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot terugbetaling. Daarmee is voldaan aan het zogeheten relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\n5.22. Het hof verwerpt verder het verweer van [geïntimeerde1] dat geen causaal verband bestaat tussen zijn onrechtmatig handelen en de door [appellant] gestelde schade. Als het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] niet zou hebben plaatsgevonden, zou de bouw van het vaartuig niet zijn vertraagd en had ETC het vaartuig op de afgesproken leverdatum kunnen leveren. [appellant] zou daardoor niet de ontbinding van de overeenkomst hebben kunnen inroepen en dus was dan geen terugbetalingsverplichting ontstaan. Daarmee is het causaal verband aanwezig. [geïntimeerde1] heeft ook geen zodanige feiten of omstandigheden gesteld die dit causale verband zouden doorbreken.\n\n5.23. Doordat ETC – op € 1.026 na – alle van [appellant] ontvangen bedragen onmiddellijk heeft doorbetaald aan andere vennootschappen van de eenpersoons-onderneming van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde1] ETC – na de op goede grond ingeroepen ontbinding van de overeenkomst – de romp van het vaartuig, de twee motoren en de overige onderdelen heeft laten overdragen aan een zustervennootschap, onder verrekening van de bepaalde koopsom met, zoals hiervoor is vastgesteld, een fictieve tegenvordering, was daarmee gegeven dat ETC haar verplichting tot terugbetaling van alles wat ter voorfinanciering door [appellant] was betaald (zie rov. 3.7 en 3.8) niet kon nakomen. Dat uitblijvende bedrag is daarmee de omvang van de door [appellant] geleden schade.\n\nEigen schuld\n\n5.24. \n [geïntimeerden] beroepen zich op ‘eigen schuld’ (in de zin artikel 6:101 BW) van [appellant] , kennelijk met als doel dat de schade van [appellant] voor zijn eigen rekening moet worden gelaten. Op [geïntimeerden] rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten die zo’n beroep kunnen dragen.\n\n5.25. \n [geïntimeerden] beroepen zich daartoe op het niet door [appellant] accepteren van een volwaardig en redelijk alternatief voor de te late levering van het vaartuig in de vorm van een leen van een andere tender voor de zomer van 2019. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] zelf schuld aan het intreden van zijn schade en heeft hij daarmee bovendien zijn plicht geschonden om zijn schade te beperken.\n\n5.26. [geïntimeerden] miskennen hiermee dat in het vonnis in de procedure tegen ETC onherroepelijk is vastgesteld dat [appellant] het recht had om de ontbinding van de overeenkomst met ETC in te roepen en dat [appellant] redelijkerwijs niet valt te verwijten dat hij niet alsnog is ingegaan op een aanbod tot tijdelijke bruikleen van een ander vaartuig (rov. 38. e.v.). Belangrijker is nog dat het hier gaat om een vanaf begin af aan ten onrechte negeren van de ter bescherming van [appellant] overeengekomen constructie om de bouw van het vaartuig onder te brengen in ETC als een ‘special purpose vehicle’. Van dat negeren is [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Ook bij een aanbod als gesteld, had [geïntimeerde1] , zoals hiervoor is vastgesteld, niet mogen handelen zoals hij heeft gedaan, waarbij niet valt in te zien hoe [appellant] een verwijt van dát handelen valt te maken. Daarmee faalt het beroep op eigen schuld van [appellant] .\n\n5.27. Voor zover [geïntimeerden] met dit verweer ook het oog hebben op de omstandigheid dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot voorfinanciering van de bouw van het vaartuig, geen zekerheden heeft bedongen, faalt dat eveneens. [appellant] mocht immers verwachten dat ETC de aanbetaalde bedragen alleen zou gebruiken voor de bouw van het vaartuig. Hij mocht verder verwachten dat [geïntimeerde1] bij zijn onmiddellijk negeren van de overeengekomen specifieke besteding van de aanbetalingen ernstig rekening zou houden met het mogelijk ontstaan van vertraging in de bouw van het vaartuig met als gevolg een ingeroepen ontbinding en het ontstaan van een terugbetalings-verplichting. Dat [appellant] geen zekerheden voor terugbetaling heeft verkregen, doet daarom niets af van wat hij mocht verwachten en wat van [geïntimeerde1] mocht worden gevergd.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.28. Daar waar geen eigen schuld van [appellant] kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:101 BW en dus geen vergoedingsplicht wordt verminderd ofwel schade wordt verdeeld tussen [geïntimeerden] en [appellant] , bestaat er evenmin ruimte voor een billijkheidscorrectie op een verdeling van die schade. Ook dat beroep van [geïntimeerden] . faalt.\n\nMatiging\n\n5.29. Wat betreft het beroep van [geïntimeerden] op matiging van de schadevergoeding, geldt dat niet is onderbouwd dat zij hun vermogen zullen kwijtraken en zij hun zakelijke activiteiten zullen hebben te beëindigen bij toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. De omstandigheid dat [appellant] vermogend is, acht het hof geen zelfstandige grond voor matiging. Het gevorderde bedrag komt het hof in de gegeven omstandigheden niet bovenmatig of onevenredig voor, in welk verband geldt dat het niet aannemelijk is (geworden) dat er oorzaken zijn voor de non-betaling door ETC die buiten de invloedsfeer van [geïntimeerde1] liggen. Het is wel aannemelijk dat de non-betaling is veroorzaakt door het handelen van [geïntimeerde1] als hiervoor is vastgesteld. Een en ander leidt ertoe dat het beroep op matiging van de schadevergoeding faalt.\n\nGroepsaansprakelijkheid\n\n5.30. \n [appellant] heeft aangevoerd dat naast [geïntimeerde1] ook Wiflo (als grootmoeder-vennootschap), Extreme Tenders Holding (als moedervennootschap) en de sub 4. tot en met 15. genoemde entiteiten als zustervennootschappen aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade. In de kern voert [appellant] daartoe onder meer aan dat die vennootschappen hebben meegewerkt aan het onttrekken van alle middelen aan ETC.\n\n5.31. In de rechtspraak is aanvaarddat aansprakelijkheid bestaat voor schade die het gevolg is van in groepsverband verrichte handelingen. Daarvoor bestaat grond als de aangesproken groepsleden zich bewust moeten zijn geweest van de kans op schade als gevolg van het onrechtmatige groepsoptreden, wat hen van verdere deelname daaraan had moeten weerhouden. In dit verband is relevant dat wetenschap van een bestuurder van een rechtspersoon in beginsel wordt toegerekend aan die vennootschap.Voor handelingen van een bestuurder is dit niet anders.\n\n5.32. Zoals hiervoor in rov. 5.12 is vastgesteld, handelt [geïntimeerden] met zijn groep vennootschappen als een eenpersoonsconcern. In dat verband zijn door of op instructie van [geïntimeerde1] de door ETC ontvangen bedragen overgeheveld aan Extreme Tenders Holding en Extreme Tenders; dat gebeurde om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van die en andere vennootschappen van dat eenpersoonsconcern. Die vennootschappen profiteerden daarmee van voormelde schending van de aan [appellant] toegezegde bescherming. Hetzelfde geldt voor de overdracht van de romp van het vaartuig, de motoren en diverse onderdelen, aan Xtenders Production en de daaropvolgende doorlevering van een en ander (al dan niet in (geheel of gedeeltelijk) afgebouwde staat aan Xtenders Yard. Deze ook door [geïntimeerde1] geleide vennootschappen hebben geprofiteerd van het gegeven dat de romp en de motoren met diverse onderdelen tegen een lagere waarde zijn overgedragen dan zij ten behoeve van ETC zijn geproduceerd of ingekocht, waarbij de koopsom daarvoor niet feitelijk is betaald aan ETC maar is verrekend met een niet-bestaande tegenvordering. Ook op die wijze heeft [geïntimeerde1] met de niet anders dan als instrumenteel aan te merken inzet van Xtenders Production en Xtenders Yard, geprofiteerd van de ontstane situatie ter zake waarvan hem, zoals vastgesteld, een ernstig persoonlijk verwijt treft. Ook op die wijze is sprake geweest van een gezamenlijk optreden van genoemde vennootschappen via steeds [geïntimeerde1] , wier kennis en handelen aan hen moet worden toegerekend, dat heeft geresulteerd in het ontstaan en blijven voortbestaan van schade bij [appellant] .\n\n5.33. Met een en ander is er voldoende grond om ook de vennootschappen Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 3., 4., 7. en 12.) aansprakelijk te houden voor de bij [appellant] veroorzaakte schade.\n\n5.34. Behoudens ten aanzien van grootmoedervennootschap Wiflo Holding heeft [appellant] geen steekhoudende reden aangevoerd om de andere zustervennootschappen (verwerende partijen 5., 6., 8 t\u002Fm 11., 13. t\u002Fm 15.) aansprakelijk te houden voor voormelde schade. Gesteld noch gebleken is dat die vennootschappen in enig opzicht hebben geprofiteerd en\u002Fof instrumenteel zijn ingezet als hiervoor is beschreven. In zoverre is de tegen hen gerichte vordering niet toewijsbaar en faalt het hoger beroep van [appellant] .\n\n5.35. Voor zover [appellant] zich richt tegen Wiflo Holding in verband met de onttrekking aan ETC van de door hem ontvangen gelden en\u002Fof van de romp van het vaartuig, de motoren en andere onderdelen, is dat vergeefs. Gesteld noch gebleken is dat deze vennootschap door toedoen van [geïntimeerde1] daarvan heeft geprofiteerd en\u002Fof daarvoor instrumenteel is ingezet.\n\n5.36. Voor zover [appellant] Wiflo Holding aansprakelijk houdt vanwege een schending van een bijzondere zorgplicht, erin bestaande dat zij gehouden was nieuwe opdrachten onder te brengen in ETC en\u002Fof ETC aanvullend had moeten financieren en\u002Fof ten behoeve van ETC kredietruimte had moeten benutten, kan hij daarin niet worden gevolgd. Wiflo Holding is immers (via Extreme Tenders Holding) alleen aandeelhouder en niet ook bestuurder van ETC. Gesteld noch gebleken is dat Wiflo Holding betrokken of ingezet is geweest bij de aan [geïntimeerde1] te verwijten handelwijze, daaronder begrepen de met [appellant] overgekomen inzet van ETC als hem te beschermen ‘special purpose vehicle’. Zonder bijkomende omstandigheden is dan het enkele feit dat Wiflo Holding concernleiding moet worden toegedicht onvoldoende om het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] ook aan haar toe te rekenen. Daarnaast blijkt uit niets dat Wiflo Holding tegenover [appellant] instond voor kredietwaardigheid van ETC en\u002Fof voor terugbetaling van wat ETC eventueel aan hem verschuldigd zou worden. Ook zo bezien is er geen reden om Wiflo Holding (mede) aansprakelijk te houden voor de omstandigheid dat ETC – door verwijtbaar toedoen van [geïntimeerde1] – niet in staat is [appellant] terug te betalen.\n\n5.37. \n\nDat [geïntimeerde1] in verband met het in rov. 3.18 bedoelde conservatoir beslag een hypothecaire vordering van Wiflo Holding op hem, heeft overgedragen aan de oorspronkelijke geldschieter en die vordering, en daarmee ook de hypothecaire zekerheid met terugwerkende kracht uit het vermogen (van de vennootschap) van [geïntimeerde1] verdween – waarvoor [geïntimeerde1] inmiddels wegens valsheid in geschrift en onttrekken aan beslag strafrechtelijk is veroordeeld – moet Wiflo Holding wel worden aangerekend. De strafkamer van de rechtbank van Midden-Nederland heeft in dat verband in een vonnis van 14 november 2025 ( [parketnummer] )overwogen, waarbij voor verdachte [geïntimeerde1] moet worden gelezen:\n\n“De vordering van Wiflo op de verdachte was een vordering binnen het vermogen van de verdachte omdat hijzelf aandeelhouder\u002Fbestuurder van Wiflo was. Doordat aangever beslag had gelegd op het woonhuis ten laste van de verdachte en beslag op vorderingen van Wiflo op de verdachte bestond de kans dat de aangever bij winst van de civiele procedures tegen de verdachte en zijn vennootschappen, verhaal zou kunnen nemen op de woning van de verdachte. Door inschrijving van de akte van cessie later diezelfde dag, werd ervoor gezorgd dat de vordering van Wiflo op de verdachte met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de verdachte verdween, en overging naar CRD; en dat ook de hypothecaire rechten met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de (vennootschappen\n\nvan de) verdachte verdwenen. Beslag op de woning van de verdachte kwam toen dus na het recht van hypotheek, dat zich niet meer in het vermogen van de verdachte bevond.\n\nIn de akte van cessie van 3 juli 2020 staat dat al op 18 april 2019 zou zijn afgesproken om de lening van Wiflo aan CRD te cederen. Dat gelooft de rechtbank niet. Dat staat niet in de driepartijen-lening-overeenkomst, terwijl daarin wel een zogenaamde ‘entire agreement clause’ is opgenomen. Kortom: wat er niet staat, is niet afgesproken. Dat het niet was afgesproken wordt ook ondersteund door de hypothecaire inschrijving in december 2019 ten gunste van Wiflo en de verlenging van de driepartijen-overeenkomst in december 2019. Dat is allemaal totaal onlogisch als al in april 2018, althans uiterlijk in september 2019 cessie van de lening en de hypotheek zou zijn overeengekomen en met de notaris zou zijn gecommuniceerd.\n\nDe gang van zaken op 3 juli 2020 en de tekst van de akte van cessie van 3 juli 2020 vallen niet anders uit te leggen dan dat de notaris opdracht kreeg van de verdachte om het nodige te doen om de lening van Wiflo aan de verdachte en de rechten van hypotheek op de woning van de verdachte aan het beslag te onttrekken. De verdachte heeft daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het valselijk opmaken van de akte cessie en inschrijving daarvan.\n\nDe verklaring van de verdachte dat hij de notaris geen opdracht zou hebben gegeven en dat hij alleen heeft gebeld om te vragen wat hij in de verklaring derdenbeslag moest opnemen, gelooft de rechtbank niet. (…)”\n\nHet hof heeft, gelet op wat door partijen is aangevoerd, geen reden om er anders over te denken. Dit betekent dat als [geïntimeerde1] (als enig aandeelhouder en bestuurder van Wiflo Holding) die overdracht had nagelaten, [appellant] in dit verband een verhaalsmogelijkheid had gehad. Door (ook) deze verhaalsmogelijkheid te frustreren en Wiflo Holding daarvoor in te zetten, heeft [geïntimeerde1] ook in dat opzicht onzorgvuldig gehandeld. Er is, kortom, sprake van samenwerkende oorzakenvoor de onmogelijkheid bij [appellant] om verhaal te nemen. Een en ander leidt ertoe dat, omdat kennis en handelen van [geïntimeerde1] aan Wiflo Holding wordt toegerekend, ook Wiflo Holding aansprakelijk is.\n\n5.38. Gezien het voorgaande is de vordering van [appellant] ook tegen Wiflo Holding toewijsbaar en slaagt zijn hoger beroep.\n\nWettelijke rente\n\n5.39. De rechtbank heeft de door [appellant] gevorderde wettelijke rente toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding van 7 augustus 2020. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt en gesteld dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de data dat ETC de van [appellant] ontvangen bedragen heeft doorbetaald, dan wel vanaf het moment van ontbinding van de koop\u002Faanneemovereenkomst per vanaf 1 mei 2019.\n\n5.40. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 mei 2019. Hoewel het onrechtmatig handelen zich eerder heeft voorgedaan, is de schade daardoor pas ontstaan op het moment dat [appellant] – terecht, zoals onherroepelijk is vastgesteld – de overeenkomst met ETC ontbond en vergeefs aanspraak maakte op terugbetaling van wat hij had aanbetaald.\n\nBeslag- en executiekosten\n\n5.41. De rechtbank heeft aan beslagkosten € 5.790,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020, aan [appellant] toegewezen. Dit gaat om kosten die [appellant] heeft gemaakt ter verzekering van zijn vordering op [geïntimeerden] In de formulering van zijn vordering aan het slot van zijn memorie van grieven komt deze vergoeding niet meer voor, maar het hof neemt aan dat dit op een vergissing berust. In die memorie zijn immers geen aanknopingspunten te vinden voor een aanname dat [appellant] geen aanspraak meer maakt of wil maken op deze vergoeding. Integendeel, [appellant] vordert in hoger beroep als vermeerdering van eis (ook) de vergoeding van de in de procedure tegen ETC gemaakte beslag- en proceskosten. Uit de memorie van antwoord is niet af te leiden dat [geïntimeerden] ervan uit zijn gegaan dat [appellant] zijn aanspraak op vergoeding van die kosten heeft laten varen. Tegen de toewijzing van deze kosten is door [geïntimeerden] ook geen afzonderlijk bezwaar gericht. Met deze post zal het hof dan ook rekening houden.\n\n5.42. \n [appellant] heeft in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis een vergoeding gevorderd voor de in de procedure tegen ETC toegewezen beslag- en proceskosten (inclusief nakosten) van € 7.297,97 in totaal. [geïntimeerden] hebben deze vordering in hun memorie van antwoord niet besproken en daarmee niet bestreden. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen, daaronder begrepen de vanaf 4 juni 2019 over de beslagkosten van € 1.104,46 gevorderde wettelijke rente.\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.43. Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk voor het aan [appellant] verschuldigde bedrag. Deze (hoofdelijke) aansprakelijkheid is gebaseerd op het volgende. [geïntimeerde1] is aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW wegens onrechtmatig handelen zoals hiervoor omschreven (zie rov. 5.20). Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production hebben dit onrechtmatig handelen mede mogelijk gemaakt. Het hof kwalificeert hun handelen zoals beschreven in rov. 5.32, 5.33 en 5.37 als een bijdrage in de zin van artikel 6:166 BW (groepsaansprake-lijkheid). Zij zijn daarom op die grond aansprakelijk. Omdat het gaat om dezelfde schade worden zij daarom hoofdelijk veroordeeld.\n\nGeen bewijslevering\n\n5.44. \n [geïntimeerden] hebben nog bewijs aangeboden van hun stellingen. Voor zover dat ziet op het alsnog overleggen van stukken uit de administratie van de Xtenders-groep of het (laten) geven van toelichting daarop, wordt dat gepasseerd omdat [geïntimeerden] dat al eerder hadden kunnen en moeten doen. Dat aanbod wordt voor het overige gepasseerd. Enerzijds omdat die stellingen (m.b.t. tot wat aan het vaartuig is besteed en de getaxeerde waarde van de romp van het vaartuig en de motoren) al wegens een onvoldoende gemotiveerde betwisting zijn komen vast te staan. Anderzijds omdat die stellingen (m.b.t. de onbereidwilligheid van een kredietverschaffer om andere afspraken te maken of een aanvullend krediet te verlenen en\u002Fof de bereidheid van andere klanten om aanvullende kosten te betalen of een alternatief te accepteren bij vertraging van de bouw) niet relevant zijn voor de beoordeling.\n\nAndere gronden en verweren\n\n5.45. Wat partijen voor het overige hebben aangevoerd, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.\n\nDe conclusie\n\n5.46. Het hoger beroep van [appellant] slaagt (deels) wel en dat van [geïntimeerden] niet. De vordering tot volledige vergoeding van de schade wordt toegewezen tegen [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) en afgewezen voor zover het de andere verwerende partijen betreft.5.47. Omdat in hoger beroep meer partijen worden veroordeeld om aan [appellant] een hoger bedrag aan schadevergoeding te betalen, zal voor alle duidelijkheid het bestreden vonnis in haar geheel worden vernietigd en zal het hof zijn beslissing daarvoor in de plaats stellen. Voor zich spreekt dat voor zover aan het bestreden vonnis is voldaan, niet opnieuw hoeft te worden betaald.\n\n5.48. Omdat [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten veroordelen, zowel in die van beide hoger beroepen als in die bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.49. Omdat gesteld noch gebleken is dat de andere verwerende partijen meer of andere proceskosten hebben gemaakt dan die partijen waartegen de vordering van [appellant] wordt toegewezen, zal een veroordeling van [appellant] in de proceskosten van die andere verwerende partijen achterwege worden gelaten.\n\n5.50. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 11 oktober 2023 en beslist opnieuw als volgt:\n\n6.2. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van:\n\n€ 600.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2019 tot de dag van betaling;\n\n€ 5.790,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020 tot de dag van betaling;\n\n€ 7.297,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.104,46 vanaf 4 juni 2019 tot de dag van betaling;\n\n6.3. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.639,- aan griffierecht\n\n€ 83,38 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 15.358,50 aan salaris van de advocaat van [appellant] (4,5 procespunten × tarief VII à € 3.413)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:\n\n€ 2.053 aan griffierecht\n\n€ 112,37 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 12.880 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten × appeltarief VII à € 5.152)\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n6.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.F Boele, M. Aksu en M.L. Lennarts, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351\u002F1 (Verordening Brussel I-bis).\n\n Conform artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).\n\n Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ).\n\n Vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (New Holland).\n\n Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air).\n\n HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, laatstelijk geduid in genoemd arrest van 5 september 2014.\n\n HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ) en vergelijk laatstelijk de conclusie van de AG van 28 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1304).\n\n HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1393 ( [naam3] \u002F [naam4] ).\n\n Vgl. HR 6 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914 (TVM).\n\n HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413 (HDI\u002FTreston).\n\n HR 6 april 1979, NJ 1980\u002F34( [naam5] ), bevestigd in HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7344 (P&F Project Furniture).\n\n Vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033 (Comsys).\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Vgl. HR 24 december 1999, NJ 2000, 351.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4226","2026-07-13T00:28:41.943Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":43,"courtId":82,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":51,"updatedAt":87},"1908","ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","ecli-nl-rbams-2026-6092",56,"2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F783627 \u002F HA RK 26-55\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. M.A. Hupkes,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap naar het recht van St. Vincent en de Grenadines KYRREX LTD,\n\ngevestigd te Kingstown, St. Vincent en de Grenadines, 2. de vennootschap naar Maltees recht REAL EXCHANGE (REX) LTD,\n\ngevestigd te Saint Julian, Malta,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen Kyrrex Ltd en Rex Ltd,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 19 februari 2026.\n\n1.2.. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden, omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet hebben gereageerd op het verzoek van de rechtbank te laten weten of zij gehoord wensen te worden op het verzoek van [eiser].\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is in de periode juni tot en met augustus 2025 slachtoffer geworden van online beleggingsfraude via het platform Horizons28. Nadat hij zich via de website van dat platform had aangemeld, is hij benaderd door personen die zich voordeden als medewerkers van Horizons28 en hem hebben bewogen aanzienlijke bedragen te investeren. Daarbij heeft [eiser] in totaal meer dan € 650.000,- overgemaakt ten behoeve van de aanschaf van cryptovaluta, die vervolgens naar door de fraudeurs aangewezen blockchainadressen zijn verzonden.\n\n2.2.. Toen [eiser] in augustus 2025 een deel van zijn vermeende belegging wilde opnemen, bleek dat niet mogelijk. Hij heeft daarop op 4 september 2025 aangifte gedaan van fraude.\n\n2.3.. \n [eiser] heeft vervolgens onderzoek laten verrichten naar de bestemming van de door hem verzonden cryptovaluta. Uit dat onderzoek blijkt volgens [eiser] dat een aanzienlijk deel van de cryptovaluta uiteindelijk terecht is gekomen op depositadressen die via een zogenoemde nested service-constructie zijn te herleiden tot het platform van Kyrrex, dat volgens [eiser] gezamenlijk door Kyrrex Ltd en Rex Ltd wordt geëxploiteerd.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [eiser] verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Kyrrex Ltd en Rex Ltd te bevelen binnen veertien dagen na de te geven beschikking in digitale vorm inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij hen bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van de te geven beschikking.3.2.. Daarnaast verzoekt [eiser] de rechtbank te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd een dwangsom verschuldigd zijn van € 50.000,- indien niet binnen de termijn aan het bevel wordt voldaan, vermeerderd met € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-. Tot slot vraagt [eiser] de rechtbank om Kyrrex Ltd en Rex Ltd te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.3.. Aan zijn verzoek legt [eiser] ten grondslag dat hij de gevraagde gegevens nodig heeft om zijn rechtspositie te kunnen bepalen en om te beoordelen of hij een civielrechtelijke procedure (op grond van onrechtmatige daad) kan instellen tegen de personen of entiteiten die de uit fraude afkomstige cryptovaluta hebben ontvangen, dan wel tegen Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf.\n\n4. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n4.1.. \n [eiser] woont in Nederland. Kyrrex Ltd is gevestigd in Saint Vincent en de Grenadines en Rex Ltd in Malta. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De rechtbank zal (ambtshalve) beoordelen of haar rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.4.2.. Op grond van artikel 3 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de rechtbank rechtsmacht om kennis te nemen van het verzoek van [eiser] tegen Kyrrex Ltd.\n\n4.3.. De rechtsmacht ten aanzien van Rex Ltd moet worden beoordeeld aan de hand van Brussel I-bis, nu het geschil zowel formeel, materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van die verordening valt. Rex Ltd is gevestigd in Malta. De aan het verzoek ten grondslag gelegde voorgenomen vordering betreft een vordering uit onrechtmatige daad. [eiser] stelt (onweersproken) dat de schade zich in Nederland heeft voorgedaan. Op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis is de Nederlandse rechter daarom bevoegd.\n\n4.4.. Het verzoek is gebaseerd op artikel 196 Rv. Dit betreft formeel procesrecht. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands recht van toepassing.\n\nHet verzoek\n\n4.5.. Voordat een procedure aanhangig is, kan een belanghebbende de rechter verzoeken om inzage in, afschrift van of een uittreksel van gegevens (zie artikel 196 Rv). Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:\n\na. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek,\n\nb. de aard en het beloop van de vordering,\n\nc. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv moet de rechtbank het verzoek toewijzen, tenzij zij van oordeel is dat:\n\n- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald\n\n- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat\n\n- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde\n\n- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of\n\n- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.\n\n4.7.. Omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet zijn verschenen, is geen beroep gedaan op één van voornoemde afwijzingsgronden. Dat betekent dat de rechtbank alleen kan toetsen of het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde (zie Parl. Gesch. Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht 2024\u002FII.33.5\u002FNota naar aanleiding van het Verslag, waarin wordt verwezen naar ECLI:NL:HR:2006:AX7774). Daarvan is geen sprake.\n\n4.8.. Op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens zijn op grond van artikel 204 Rv, de artikelen 194 Rv, 195 en 195a Rv van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen is geregeld dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens heeft als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, ook als dit een derde is die geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gegevens betrekking hebben, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.\n\n4.9.. \n [eiser] heeft onweersproken gesteld dat aan deze vereisten is voldaan. Gezien het voorgaande zal het verzoek om afgifte van de verzochte gegevens worden toegewezen voor zover dat betrekking heeft op informatie waarover Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf beschikken. Conform artikel 194 Rv moet [eiser] de kosten van Kyrrex Ltd en Rex Ltd dragen die voor de verstrekking moeten worden gemaakt.\n\nDwangsom\n\n4.10.. \n [eiser] heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd bij gebrek aan tijdige of volledige nakoming van het bevel tot inzage\u002Fafschrift van de gevraagde gegevens een dwangsom verbeuren van € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-.\n\n4.11.. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gevorderde inzage, het belang van [eiser] bij tijdige verkrijging van de gevraagde gegevens, het uitblijven van enig verweer van Kyrrex Ltd en Rex Ltd en de noodzaak de nakoming van het bevel voldoende te waarborgen, aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen. De rechtbank acht de hoogte van de gevorderde dwangsom, mede gelet op de ernst van de gestelde feiten en de hoogte van de vermeende schade, gerechtvaardigd.\n\nProceskosten\n\n4.12.. Nu het verzoek wordt toegewezen, zal de rechtbank Kyrrex Ltd en Rex Ltd, zoals verzocht, veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n653,00\n\n(1 punt × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.556,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst het verzoek toe en beveelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij haar bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van deze beschikking;\n\n5.2.. bepaalt dat het verstrekken van inzage in en afschrift van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk 15 dagen na betekening van deze beschikking in een digitaal en doorzoekbaar formaat;\n\n5.3.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd tot betaling van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere dag dat zij vanaf 15 dagen na betekening van deze beschikking niet aan het bevel in 5.1. voldoen, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt;\n\n5.4.. bepaalt dat [eiser] aan Kyrrex Ltd en Rex Ltd de kosten zal vergoeden die zij eventueel moeten maken voor het verstrekken van de afschriften, binnen twee weken nadat Kyrrex Ltd en Rex Ltd, onderbouwd met stukken, aan [eiser] opgave van die kosten heeft gedaan;\n\n5.5.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd hoofdelijk in de proceskosten van € 1.556,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.E.M James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nde Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.919Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":43,"courtId":92,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":51,"updatedAt":97},"473","ECLI:NL:RBLIM:2026:4453","ecli-nl-rblim-2026-4453",66,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F346740 \u002F HA ZA 25-467\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nte [plaats 1] (België),\n\neisende partij in conventie, tevens verwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de man] ,\n\nadvocaat: mr. R.M.J.K.M. Teeuwen,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie, tevens eisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de vrouw] ,\n\nadvocaat: mr. R.A.J. van der Leeuw.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 oktober 2025,\n\n- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, - de conclusie van antwoord in reconventie,\n\n- de mondelinge behandeling van 16 april 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling\n\novergelegde spreekaantekeningen van [de vrouw] en de door [de man] overgelegde uitspraak van het gerechtshof Den Haag.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben gedurende een periode van vier jaren een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is in november 2024 geëindigd. Zij zijn niet gehuwd (geweest) en\u002Fof geregistreerd partners van elkaar (geweest) en hebben ook geen samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten.\n\n2.2.. Op 5 oktober 2020 zijn partijen gezamenlijk eigenaar geworden van de woning aan [adres] (hierna: de woning). De woning is aangekocht voor een bedrag van € 195.000,-. Voor de aanschaf van de woning hebben partijen een hypothecaire geldlening afgesloten bij NIBC Bank. Op 25 november 2024 bedroeg deze hypothecaire geldlening € 174.164,82.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. \n [de man] vordert - samengevat - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nTen aanzien van de overeenkomst d.d. 16 november 2024:\n\nvoor recht verklaart dat deze:\n\nI. Primair: nietig is op grond van art. 3:40 lid 2 BW, althans dat de daarin opgenomen bepalingen zoals onder punt 26 en 27 van de dagvaarding zijn opgenomen nietig zijn, zodat de overeenkomst als geheel geen rechtsgevolg kan hebben, althans dat de overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW vernietigd dient te worden nu de overeenkomst naar haar strekking in strijd is met de wet;\n\nII. Subsidiair: bij schrijven d.d. 28 maart 2025 buitengerechtelijk is vernietigd op grond van art. 3:44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden), althans deze te vernietigen op grond van art. 3:44 lid 4 BW;\n\nIII. Meer subsidiair: bij schrijven d.d. 28 maart 2025 buitengerechtelijk is vernietigd op grond van art. 6:228 BW (dwaling), althans deze te vernietigen op grond van art. 6:228 BW;\n\nIV. Nog meer subsidiair: nietig is, althans buiten toepassing blijft wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 6:248 BW en daaraan aldus geen rechtsgevolgen kunnen worden ontleend;\n\nUiterst subsidiair\n\nV. de overeenkomst d.d. 16 november 2024 op grond van art. 67:74 [de rechtbank begrijpt: 6:74] jo. 6:265 BW ontbindt wegens wanprestatie;\n\nIn alle gevallen:\n\nVI. [de vrouw] op straffe van een dwangsom veroordeelt haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan [makelaar 1] , althans een door de rechtbank aan te wijzen makelaar\u002Ftaxateur, om tot taxatie van de woning over te gaan op grond van art. 3:178 jo 3:300 BW, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken binnen 7 dagen na vonnis, waarbij de kosten van de taxatie voor haar rekening komen nu de woning aan haar toegedeeld zal worden;\n\nalthansvoor het geval [de vrouw] ondanks de dwangsom weigerachtig blijft haar medewerking aan de taxatie te verlenen, bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verstrekken van de opdracht aan de taxateur, waarbij uitdrukkelijk wordt bepaald dat de kosten van de taxatie voor rekening van [de vrouw] zullen komen op grond van art. 3:300 BW;\n\nVII. De verdeling van de woning gelast op grond van art 3:178 jo 3:300 BW, waarbij de woning aan [de vrouw] wordt toegedeeld tegen betaling van de helft van de getaxeerde waarde aan [de man] , met inbegrip van de op deze woning rustende hypotheek bij NIBC onder ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [de man] ter zake de aan de woning verbonden hypotheekschuld, binnen 3 maanden na het in dezen te wijzen vonnis, waarbij zij binnen 4 weken na kennisneming van de taxatiewaarde ondubbelzinnig schriftelijk aan [de man] te kennen dient te geven of zij de woning voor de taxatiewaarde over zal nemen, zonder enig financieringsvoorbehoud en waarbij de (notariële) kosten van de overname van de woning door [de vrouw] volledig ten laste van [de vrouw] zullen komen,\n\nalthans, bij gebreke van toedeling aan [de vrouw] omdat [de rechtbank begrijpt: zij] binnen de gestelde termijn van 4 weken na kennisneming van de getaxeerde waarde schriftelijk heeft aangegeven de woning niet over te nemen, beveelt dat de woning aan een derde wordt verkocht en binnen 14 dagen na de schriftelijke mededeling van [de vrouw] dat zij de woning niet over zal nemen, te koop wordt aangeboden via een gecertificeerd makelaar (lid van NVM of VBO), met verdeling van de opbrengst bij helfte tussen partijen, waarbij [de vrouw] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan deze makelaar, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken, waarbij de kosten van de verkoop tussen partijen bij helfte worden gedeeld,\n\nalthansvoor het geval [de vrouw] ondanks de genoemde dwangsom weigerachtig blijft haar medewerking aan het verkooptraject te verlenen, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verstrekken van de opdracht aan de makelaar met een verdeling van de kosten van de verkoop bij helfte tussen partijen op grond van art. 3:300 BW;\n\nVIII. De verdeling van de (voormalig) gemeenschappelijke bankrekening bij de Rabobank met kenmerk [rekeningnummer 1] gelast op grond van art 3:166 jo. 3:178 jo. 3:300 BW met verdeling van het saldo per 16 november 2024 bij helfte tussen partijen en [de vrouw] op straffe van een dwangsom veroordeelt tot betaling van het aandeel van [de man] aan hem alsmede haar medewerking te verlenen aan het verstrekken van het saldo d.d. 16 november 2024, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis,\n\nalthansbepaalt dat, voor het geval [de vrouw] ondanks de genoemde dwangsom weigerachtig blijft het saldo op de peildatum prijs te geven, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verkrijgen van het banksaldo op grond van art. 3:300 BW;\n\nIX. De verdeling van de auto merk Ford Focus met [kenteken 1] gelast op grond van art 3:178 BW, waarbij de auto aan [de vrouw] wordt toegedeeld tegen betaling van de helft van de waarde, zijnde € 3.750,- aan [de man] binnen 14 dagen na vonnis, althans een dusdanig bedrag dat de rechtbank geraden acht;\n\nX. [de vrouw] veroordeelt in de reële kosten van deze procedure, alsmede de nakosten en buitengerechtelijke kosten ad € 1.175,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans, [de vrouw] te veroordeelt in de kosten van deze procedure overeenkomstig het liquidatietarief, alsmede de nakosten, buitengerechtelijke kosten ad € 1.175,- en wettelijke rente.\n\nIn reconventie\n\n3.2.. \n [de vrouw] vordert dat de kantonrechter [begrepen wordt: de rechtbank] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [nummering aangebracht door de rechtbank]:\n\nverklaart voor recht dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toegescheiden, dan wel de eigendom van de woning is geleverd aan de koper;\n\nverklaart voor recht dat de overeenkomst van 16 november 2024 rechtsgeldig is overeengekomen en [de man] gehouden is tot nakoming daarvan;\n\n [de man] veroordeelt tot nakoming van de overeenkomst en de wijze van verdeling van de gemeenschap dienovereenkomstig als volgt vast stelt:\n\nAan [de vrouw] wordt toegedeeld:\n\nde auto merk Ford, type Focus met [kenteken 1] , zonder nadere verrekening;\n\nde woning tegen de openstaande hypotheeksom, althans tegen de WOZ-waarde onder de voorwaarde dat:\n\n- [de vrouw] in staat is om uiterlijk vóór 16 november 2029, althans binnen drie maanden na de datum vonnis de overname van het aandeel van [de man] in de woning te financieren en dat [de man] zal kunnen worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldlening;\n\n- dat de overwaarde volledig aan [de vrouw] toekomt;\n\n- dat de kosten van het notariële transport voor rekening van [de vrouw] komen, in het geval de woning aan haar wordt toegedeeld.\n\nIn het geval [de vrouw] niet uiterlijk 16 november 2029, althans niet binnen drie maanden na datum van het vonnis in staat is de overname van de woning te financieren bepaalt:\n\n- dat de woning uiterlijk op 16 november 2029, althans onverwijld nadat drie maanden zijn verstreken na vonnis, te koop wordt gezet bij [makelaar 2] te [plaats 2] ;\n\n- dat beide partijen bevoegd zijn namens hen beiden de opdracht aan de makelaar te verstrekken;\n\n- dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de beste mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de beste mogelijke prijs is, dan zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;\n\n- dat [de man] verplicht is zijn medewerking te verlenen aan het tekenen van de koopovereenkomst en aan het notariële transport van de woning aan de koper;\n\n- dat iedere partij gehouden is om de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten terzake de verkoop en levering van de woning te dragen;\n\n- dat de hypotheekschuld zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;\n\n- dat de netto-verkoopopbrengst aan [de vrouw] toekomt.\n\nIn alle gevallen te bepalen dat [de man] gehouden is aan de verkoop en de daaropvolgende overdracht en notariële levering zijn medewerking te verlenen aan alle daartoe benodigde handelingen en dat indien [de man] die medewerking niet op eerste verzoek van [de vrouw] verleent, het vonnis in de plaats treedt van de toestemming, medewerking, wilsverklaring en \u002Fof handtekening van\n\n [de man] .\n\n4. [de man] te veroordelen in de kosten van deze procedure.\n\nIn conventie en in reconventie\n\n3.3.. Partijen voeren over en weer verweer.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zal de rechtbank de vorderingen gezamenlijk beoordelen.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht4.2.. \n [de man] woont in België; [de vrouw] in Nederland. De zaak heeft daarmee een internationale component. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en welk recht van toepassing is op het geschil.\n\n4.2.1.. Omdat sprake is van een handelszaak is in deze zaak van toepassing de Herschikte EEX-Vo.Omdat de gedaagde partij in conventie ( [de vrouw] ) in Nederland woont en er geen gerecht is dat op grond van de verordeningexclusief bevoegd is, komt de rechtbank ten aanzien van de vordering in conventie rechtsmacht toe.Nu de reconventionele vorderingen voortspruiten uit hetzelfde rechtsfeit waarop de conventionele vordering is gegrond, heeft de Nederlandse rechter ook ten aanzien van die vorderingen rechtsmacht.Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.\n\n4.2.2.. Ten aanzien van het toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. [de man] baseert de vorderingen op vernietiging c.q. nietigheid van de op 16 november 2024 tussen partijen geslotenovereenkomst en vordert verdeling op basis van de wet. De vorderingen in reconventie zijn gebaseerd op contractuele verbintenissen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Op de niet op de overeenkomst gebaseerde vorderingen is de Rome-II verordening van toepassing.Daaruit volgt(eventueel in samenhang met artikel 10:159 BW) dat op die vorderingen Nederlands recht van toepassing is. Voor wat betreft de verdeling van de woning volgt dat uit artikel 10:127 BW. Op de vorderingen die zijn gebaseerd op contractuele verbintenissen (uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst) is van toepassing de Rome-I Verordening.Daaruit volgt dat ook op die vorderingen Nederlands recht van toepassing is.\n\nDe overeenkomst van 16 november 20244.3.. Niet in geschil is dat [de vrouw] op 16 november 2024 een door haar in de Nederlandse taal opgemaakte, handgeschreven overeenkomst aan [de man] heeft voorgelegd en dat [de man] die overeenkomst die dag heeft ondertekend (hierna: de overeenkomst). Hierin is opgenomen dat partijen “in verband met het beindigen [sic] van hun relatie de volgende zaken zijn overeengekomen”. Samengevat worden vervolgens de volgende afspraken genoemd [nummering aangebracht door de rechtbank]:\n\n [de man] verlaat eind november 2024 definitief de woning;\n\n [de vrouw] zal samen met haar kinderen in de woning blijven;\n\n [de man] blijft voor onbepaalde tijd medeverantwoordelijk voor de door bij partijen bij NIBC afgenomen hypotheek;\n\n [de man] wordt per direct vrijgesteld van zijn verplichtingen t.o.v. de woning en lening, [de vrouw] neemt deze verplichtingen op zich;\n\n [de man] doet afstand van al zijn rechten t.o.v. de woning en de lening;\n\n [de man] doet afstand van zijn rechten op een af-\u002Fuitkoopsom en van zijn deel bij verkoop van de woning en van zijn deel van de woning bij het overlijden van [de vrouw] ;\n\nBij het overlijden van [de vrouw] zal haar deel van de woning en het deel van [de man] worden overgedragen aan de drie kinderen van [de vrouw] ;\n\nBij het overlijden van [de man] zal zijn deel overgedragen worden aan [de vrouw] ;\n\n [de vrouw] zal € 4000,- en een auto van het merk Audi (TT) met het [kenteken 2] aan [de man] geven;\n\n [de man] neemt zijn eigen bezittingen mee uit de woning, de overige spullen blijven achter bij [de vrouw] ;\n\nVerder zijn partijen elkaar niets verschuldigd.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen in de overeenkomst kennelijk getracht overeenstemming over de verdeling in de zin van artikel 3:182 BW te bereiken. In die overeenkomst heeft [de man] verklaard afstand te doen “van al zijn rechten ten opzichte van de woning en de lening” en van “een af-\u002Fuitkoopsom” en “zijn deel bij verkoop van de woning”. Van een overeenstemming over de verdeling als bedoeld in voornoemd artikel is evenwel slechts sprake indien partijen het niet alleen eens zijn geworden over de feitelijke verdeling maar ook over de financiële consequenties daarvan.Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval in ieder geval vereist dat bij partijen bekend was wat de waarde was van de woning, zodat partijen duidelijk was waarvan afstand werd gedaan door [de man] . Uit de overeenkomst volgt niet dat partijen zich bewust waren wat de financiële consequenties van de overeenkomst en bijvoorbeeld bekend waren met de (over)waarde van de woning. Ter zitting is door [de man] ook bevestigd dat hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet bekend was met de waarde van de woning. De rechtbank is derhalve van oordeel dat tussen partijen niet een rechtsgeldige verdeling in de zin van artikel 3:182 BW tot stand is gekomen.\n\n4.5.. Voor wat betreft het deel van de overeenkomst waarin partijen hebben beschikt over hun uiterste wil geldt het volgende. Ten aanzien van de bepaling waarin is opgenomen dat bij het overlijden van [de man] [de vrouw] zijn deel van de woning zal ontvangen (h.), geldt dat partijen het erover eens zijn dat deze bepaling nietig is. Voor wat betreft de bepaling uit de overeenkomst waarin is bepaald dat bij het overlijden van [de vrouw] [de man] afstand doet van zijn rechten op een af-\u002Fuitkoopsom en van zijn deel bij verkoop van de woning en van zijn deel van de woning (f.) en dat bij het overlijden van [de vrouw] haar deel van de woning en het deel van [de man] zal worden overgedragen aan de drie kinderen van [de vrouw] (g.), geldt het volgende. De rechtbank begrijpt een en ander aldus dat [de man] zijn deel van de woning zal overdragen aan de kinderen van [de vrouw] onder de opschortende voorwaarde dat [de vrouw] overlijdt en de ontbindende voorwaarde dat [de man] op dat moment nog in leven is. De kinderen zijn evenwel geen partij bij de overeenkomst. Er is derhalve sprake van een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW. Dat het derdenbeding de kinderen heeft bereikt en\u002Fof dat zij het hebben aanvaard is niet door [de vrouw] gesteld en ook overigens niet gebleken. Nu uit de overeenkomst niet volgt dat partijen het recht om het beding te herroepen hebben uitgesloten (en de situatie van lid 4 dus niet aan de orde is), kan het beding op grond van het bepaalde in artikel 6:253 lid 2 BW door degene die het heeft gemaakt tot de aanvaarding worden herroepen. [de man] was dus bevoegd het derdenbeding te herroepen middels een verklaring gericht tot [de vrouw] of de kinderen. De rechtbank merkt in ieder geval de brief van 28 maart 2025 van [de man] aan [de vrouw] (productie 6 bij dagvaarding) waarbij de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst wordt ingeroepen aan als een herroeping van het derdenbeding. Dit leidt tot de conclusie dat de door [de vrouw] op de overeenkomst gebaseerde vorderingen moeten worden afgewezen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nader in te gaan op de gestelde nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst. De door [de man] ter zake gevorderde verklaringen voor recht zullen worden afgewezen.\n\n4.6.. Uit het bovenstaande volgt dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van overeenstemming over de verdeling van de woning. Voor zover [de vrouw] bedoeld heeft zich subsidiair te beroepen op uitsluiting van de bevoegdheid om verdeling te vorderen voor onbepaalde tijd overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 3:178 lid 1 BW is voor zover hier van belang bepaald dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. In lid 5 is bepaald dat zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst kunnen uitsluiten, maar telkens voor ten hoogste vijf jaren. [de vrouw] heeft gesteld dat partijen uitsluiting van de verdeling voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen door af te spreken dat [de man] , ‘ondanks zijn vertrek, voor onbepaalde tijd stilzwijgend samen met mevr. [de vrouw] deze hypotheek aanhouden, zodat mw. [de vrouw] de mogelijkheid heeft in deze woning te blijven’. Nu dat in strijd is met een dwingende wetsbepaling is [de vrouw] van mening dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de afspraak tussen partijen om de verdeling uit te sluiten geldt voor vijf jaar. [de man] bestrijdt dit. [de man] stelt dat de afspraken de strekking hadden om [de vrouw] en haar kinderen tijdelijk in de woning te laten wonen. Volgens [de man] is het nimmer de zijn bedoeling geweest dat [de vrouw] (op grond van deze afspraken) in de woning zou blijven, terwijl [de man] hieraan tot in lengte der dagen verbonden zou blijven. De rechtbank overweegt dat [de vrouw] dit in feite ook erkent, zij stelt immers dat sprake was van een gebruiksrecht tot de woning zou worden verkocht of tot het moment dat zij de bestaande hypothecaire lening zou kunnen overnemen. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat partijen met de gemaakte afspraken nimmer beoogd hebben de bevoegdheid tot het vorderen van verdeling (voor vijf jaar) uit te sluiten als bedoeld in artikel 3:178 lid 5 BW.\n\n4.7.. Nu geen verdeling tot stand is gekomen en de bevoegdheid verdeling te vorderen ook niet is uitgesloten zal de rechtbank de (wijze van) verdeling vaststellen. Tussen partijen staat vast dat ten aanzien van onderstaande zaken sprake is van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW:\n\nde woning;\n\nde gemeenschappelijke bankrekeningen\n\nDe woning4.8.. Partijen zijn het erover eens dat de woning in beginsel kan worden toegedeeld aan [de vrouw] . Naar het oordeel van de rechtbank moet de woning derhalve eerst worden getaxeerd. [de vrouw] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door [de man] voorgestelde taxateur, [makelaar 1] . De rechtbank zal de door [de man] ter zake van de taxatie van de woning en toedeling van de woning aan [de vrouw] ingestelde vorderingen toewijzen zoals in het dictum is bepaald. Omdat een dwangsom naar het oordeel van de rechtbank geldt als voldoende prikkel tot nakoming wordt de vordering van [de man] die ertoe strekt het vonnis in de plaats te laten treden afgewezen. Dit geldt voor alle vorderingen van [de man] waaraan zowel een dwangsom als een indeplaatstreding van het vonnis is gevorderd. De gevorderde dwangsom (€ 500,- per dag, met een maximum van € 25.000,-) zal worden toegewezen.\n\n4.9.. De rechtbank zal bepalen dat [de vrouw] binnen vier weken nadat de taxatiewaarde bekend is, schriftelijk aan [de man] kenbaar zal dienen te maken of zij de woning voor die waarde aan haar toebedeeld wenst te zien. Voor het geval [de vrouw] dit wenst, zal de rechtbank bepalen dat die toedeling c.q. levering binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden, zijn beslag zal moeten krijgen; [de vrouw] dient dan de volledige hypotheekschuld op zich te nemen (zo nodig met ontslag van [de man] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid) en dient dan de helft van de overwaarde aan [de man] te vergoeden. Beide partijen hebben gesteld dat zij uit hun eigen vermogen geïnvesteerd hebben in (verbouwing van) de woning, maar geen van beide partijen heeft dat onderbouwd en geen van partijen heeft daar een rechtsgevolg aan verbonden, zodat dit geen gevolgen heeft voor de verdeling van de overwaarde die derhalve bij helfte dient te geschieden. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit vonnis in het geval dat de woning aan [de vrouw] wordt toebedeeld ex artikel 3:300 BW in de plaats te laten treden van de medewerking van [de man] aan de notariële levering aan [de vrouw] .\n\n4.10.. \n\nIndien [de vrouw] afziet van toedeling van de woning aan haar tegen de taxatiewaarde, of binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden toedeling c.q. levering aan haar niet heeft plaatsgevonden, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde zoals door beide partijen gevorderd en zoals -met aanpassingen-toegewezen zoals in het dictum weergegeven. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat partijen een verkoopopdracht zullen geven aan de door [de vrouw] genoemde makelaar ( [makelaar 2] te [plaats 2] ), waartegen door [de man] geen inhoudelijk verweer is gevoerd. [de man] vordert dat de verkoop ter hand wordt genomen door een gecertificeerd makelaar. Nu [makelaar 2] een NVM-makelaar is wordt aan die wens tegemoetgekomen. Indien [makelaar 2] de opdracht weigert zullen partijen in onderling overleg een andere makelaar moeten benaderen. De rechtbank ziet aanleiding om aan de noodzakelijke medewerking aan de verkoop voor beide partijen een dwangsom te verbinden.\n\nHet nu reeds veroordelen van [de man] tot het meewerken aan verkoop en notariële levering aan een derde is naar het oordeel van de rechtbank prematuur. Er zal vooreerst duidelijk moeten worden of [de vrouw] de woning wenst en kan overnemen dan wel deze moet worden verkocht aan een derde. Dit deel van de vordering in reconventie wordt afgewezen.\n\nNu door geen van beide partijen een ander standpunt is ingenomen dient de overwaarde na verkoop bij helfte te worden verdeeld.\n\nBankrekeningen4.11.. Tussen partijen is niet in geschil dat er ten tijde van de verbreking van de samenwoning sprake was van een tweetal gezamenlijke bankrekeningen met een gezamenlijk banksaldo. Deze vertoonden op 16 november 2024 de volgende saldi:\n\n [rekeningnummer 1] (Rabo Totaalrekening) ad € 103,30 en\n\n [rekeningnummer 2] (Rabo SpaarRekening) ad € 5.000,-.\n\n4.12.. De bankrekeningen staan inmiddels op naam van [de vrouw] . Aangezien [de vrouw] lopende de procedure inzage heeft verschaft in de saldi op voornoemde rekeningen, hoeft de vordering van [de man] strekkende tot inzage ter zake geen bespreking meer.\n\n4.13.. De rechtbank is van oordeel dat de saldi op datum 16 november 2024 bij helfte moeten worden verdeeld. [de vrouw] dient [de man] in dat kader een bedrag van € 2.551,65 te betalen. De daarop door [de man] toegespitste vordering kan worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat geen dwangsom kan worden verbonden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom.\n\nFord Focus4.14.. Tot slot debatteren partijen over de Ford Focus met [kenteken 1] (hierna: de auto). [de man] stelt dat de auto gezamenlijk eigendom is en dat deze verdeeld moet worden. [de vrouw] stelt zich op het standpunt dat de auto haar eigendom is. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat [de vrouw] de auto heeft gekocht, dat het kenteken op haar naam is gesteld en dat zij degene was die gebruik maakte van de auto. De rechtbank is van oordeel dat de auto niet verdeeld hoeft te worden omdat deze eigendom van [de vrouw] is, althans niet is gebleken dat deze gezamenlijk eigendom is. Het enkele feit dat de auto mogelijk voor een deel is voldaan uit van [de man] afkomstige middelen kan eventueel leiden tot een vorderingsrecht (waarop geen beroep is gedaan), maar is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van gezamenlijk eigendom van de auto. Ook het feit dat [de man] de opbrengst van de Audi, die zijn eigendom was, wel heeft gedeeld met [de vrouw] kan er niet toe leiden dat de Ford Focus als gezamenlijk eigendom moet worden aangemerkt.\n\nGebruiksrecht woning4.15.. \n [de vrouw] vordert voor het overige nog om voor recht te verklaren dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toegescheiden, dan wel de eigendom van de woning is geleverd aan de koper. Deze vordering wordt toegewezen zoals in het dictum is bepaald.\n\nProceskosten4.16.. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen zowel in conventie als in reconventie compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van het gebruik dat proceskosten in geval van ex-partners worden gecompenseerd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin conventie en in reconventie\n\nten aanzien van de woning\n\n5.1.. veroordeelt [de vrouw] om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan [makelaar 1] te [plaats 2] om tot taxatie van de woning over te gaan, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken,\n\n5.2.. veroordeelt [de vrouw] tot betaling van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij niet aan het in 5.1 genoemde voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\n5.3.. bepaalt dat de kosten van de in 5.1 genoemde taxatie voor rekening van [de vrouw] komen nu de woning aan haar toegedeeld zal worden,\n\n5.4.. bepaalt dat [de vrouw] binnen vier weken nadat de taxatiewaarde bekend is, schriftelijk aan [de man] kenbaar dient te maken of zij de woning voor die waarde aan zich toebedeeld wenst te zien, in welk geval de toedeling c.q. levering binnen drie maanden na bekendmaking van de taxatiewaarde dient te geschieden tegen:\n\novername van de volledige hypotheekschulden (en eventuele daaruit ontstane betalingsachterstanden) door [de vrouw] ,\n\nvergoeding door [de vrouw] aan [de man] van de helft van de overwaarde,\n\nbetaling van de (notariële) kosten verbonden aan de overname van de woning door [de vrouw] .\n\n5.5.. bepaalt dat indien [de vrouw] de woning tegen de taxatiewaarde toebedeeld wenst te zien en is voldaan aan de in 5.4. genoemde voorwaarden [de man] gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de notariële levering aan [de vrouw] en alle daartoe benodigde handelingen te verrichten,\n\n5.6.. bepaalt, in het geval dat [de vrouw] afziet van toedeling, dan wel in het geval dat binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden toedeling c.q. levering van de woning aan [de vrouw] niet heeft plaatsgevonden, de woning aan een derde moet worden verkocht en door [makelaar 2] te [plaats 2] (voor zover deze laatste daarmee instemt) in de verkoop gebracht zal worden, waarbij ieder der partijen voor de helft gerechtigd is tot de netto verkoopopbrengst. Indien [makelaar 2] de verkoopopdracht weigert dienen partijen zich tot een andere in onderling overleg te bepalen makelaar te wenden,\n\n5.7.. bepaalt, in het geval de woning ingevolge het bepaalde onder 5.6 aan een derde wordt verkocht:\n\ndat beide partijen hun medewerking dienen te verlenen aan het geven van de opdracht aan voornoemde makelaar dan wel de in onderling overleg bepaalde makelaar, waaronder begrepen de verplichting om hun handtekeningen te zetten onder de benodigde stukken en veroordeelt partijen over en weer tot betaling van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij hier niet aan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\ndat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover partijen het erover eens zijn dat die prijs de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zullen zij zich conformeren aan het advies van de makelaar, op straffe van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij hier niet aan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\ndat ieder van partijen gehouden is om de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten ter zake de verkoop en levering van de woning te dragen,\n\nten aanzien van de bankrekeningen5.8.. bepaalt onder verwijzing naar r.o. 4.13 dat [de vrouw] aan [de man] uit hoofde van verdeling van de voormalig gemeenschappelijke bankrekeningen met rekeningnummers: [rekeningnummer 1] (Rabo Totaalrekening) en [rekeningnummer 2] (Rabo SpaarRekening) een bedrag van € 2.551,65 moet betalen en veroordeelt [de vrouw] tot betaling daarvan aan [de man] ,\n\nvoor het overige5.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. verklaart voor recht dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toebedeeld, dan wel de eigendom van de woning is overgedragen aan een derde,\n\n5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\n5.12.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n van 19 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1638\n\n Verordening (EU) nr. 2015\u002F2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van de Raad van 12 december 2012 (herschikking), (Brussel Ibis), artikel 1 EEX-Vo II\n\n artikel 24 EEX-Vo II\n\n op grond van artikel 4 van de EEX-Vo II\n\n artikel 8 lid 3 EEX-Vo II\n\n Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen\n\n artikel 10 lid 2 Rome II-Vo\n\n Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst\n\n artikel 4 lid 4 Rome I-Vo\n\n HR 08-02-2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279 met noot L.C.A. Verstappen en zie ook: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1853","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4453","2026-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.222Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":43,"courtId":6,"decisionDate":93,"fullText":102,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":51,"updatedAt":105},"1260","ECLI:NL:RBGEL:2026:5214","ecli-nl-rbgel-2026-5214","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F453863 \u002F HA ZA 25-275\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser 1] ,\n\n2. [naam eiser 2],\n\nbeiden wonende te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna te noemen: [de eisers] ,\n\nadvocaat: mr. Z.J. Rittersma, op de voet van art. 16e van de Advocatenwet in samenwerking met mr. S. Wijnkamp, Rechtsanwalt te Mils bei Imst, Oostenrijk,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nGENERALI DEUTSCHLAND AG,\n\ngevestigd te München, Duitsland,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Generali,\n\nadvocaat: mr. A.A.M. Zeeman.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 13 november 2023, aangebracht tegen de rol van 13 december 2023 en geregistreerd onder zaaknummer C\u002F05\u002F429092 \u002F HA ZA 23-538\n\n- de herhaalde en ingewilligde eenstemmige verzoeken om uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord\n\n- de rolbeslissing van 16 april 2024, waarbij de zaak ambtshalve is doorgehaald op de rol\n\n- de rolbeslissingen van 16 en 18 april 2024, waarbij niet is teruggekomen van de beslissing tot doorhaling\n\n- het opbrengen van de zaak op de rol van 9 juli 2025, onder het huidige zaaknummer\n\n- de akte bij hervatting, tevens houdende eiswijziging\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- het tussenvonnis van 22 oktober 2025\n\n- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 februari 2026 en de daarin genoemde aanvullende producties\n\n- de rolberichten van partijen 24 maart 2026.\n\n1.2.. \n\nTen slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nOp 2 januari 2017 is [vader eisers] , bestuurder van Topparken Holding B.V en vader van [de eisers] , in Gerlos, Oostenrijk, op straat aangereden door een bij (een rechtsvoorgangster van) Generali verzekerde personenauto. [eiser 1] heeft het ongeval zien gebeuren, [eiser 2] niet. [vader eisers] is aan zijn verwondingen overleden.\n\n [de eisers] waren destijds respectievelijk 17 en 13 jaar oud. [vader eisers] was tot de echtscheiding in 2016 gehuwd met [naam 1] .\n\n2.2.. De begrafenis van [vader eisers] vond plaats op 19 januari 2017. De uitvaartondernemer heeft de erven daarvoor een rekening gestuurd van € 31.589,47. In verband met de uitvaart zijn aan Topparken Holding B.V. (verder: Topparken) bedragen van in totaal € 211.204,20 in rekening gebracht. Voor de kosten van het grafmonument is aan [naam 2] een factuur van € 5.993,00 gezonden.\n\n2.3.. Bij e-mail van 19 juli 2017 heeft het Ausländerschadensbüro van het Verband der Versicherungsunternehmen Österreichs te Wenen (verder: het Verband) aan [de eisers] laten weten dat de belangen bij auto-ongevallen in Oostenrijk van de rechtsvoorgangster van Generali worden behartigd door Generali Versicherung AG, gevestigd in Wenen, Oostenrijk (verder: Generali Oostenrijk).\n\n2.4.. Bij vonnis van 9 augustus 2017 heeft het Landesgericht Innsbruck de bestuurder van de personenauto veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens dood door grove nalatigheid (grob fahrlässige Tötung). Vastgesteld werd dat de bestuurder in het donker en met door sneeuwval verminderd zicht, zonder licht te voeren en in beschonken toestand reed en [vader eisers] , die zich op de rijbaan bevond, over het hoofd heeft gezien en heeft aangereden, waardoor hij traumatisch hersenletsel heeft opgelopen, als gevolg waarvan hij is overleden. De bestuurder is daarbij tevens veroordeeld om aan de benadeelde partijen (Privatbeteiligten) [eiser 1] en [eiser 2] (lees: [de eisers] , rb) ieder € 500,00 te betalen. Dit Oostenrijkse strafvonnis is onherroepelijk.\n\n2.5.. Bij brief van 24 oktober 2017 heeft Generali Oostenrijk aan [de eisers] bericht “dass wir in den Schadenfall eintreten können”. Generali Oostenrijk heeft daarbij meegedeeld een becijfering van de vordering met bijbehorende bewijsstukken te verwachten en ook een toelichting op de gezinssituatie.\n\n2.6.. Bij e-mail van 18 oktober 2019 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 15 december 2020 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.7.. Op 11 mei 2020 heeft Generali aan [de eisers] ieder een bedrag van € 15.000,00 betaald ter zake van smartengeld c.q. shockschade.\n\n2.8.. Bij e-mail van 27 november 2020 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 31 december 2021 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.9.. Bij e-mail van 7 december 2021 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 30 juni 2022 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.10.. Bij e-mail van 26 mei 2023 heeft de afdeling “SVL-KFZ Ost” van Generali Oostenrijk aan [de eisers] laten weten dat zij de verlangde bewijsstukken nog niet heeft ontvangen, dat de termijn van afzien van een beroep op verjaring al meerdere keren is verlengd, dat zij dit nu voor de laatste maal zal doen en tot 30 november 2023 geen verjaringsverweer zal tegenwerpen.\n\n2.11.. Op 23 augustus 2023 heeft Generali betreffende smartengeld c.q. shockschade een aanvullend bedrag van € 10.000,00 betaald aan [eiser 1] onder de vermelding “Betreffend Trauerschmerzengeld\u002FSchockschaden stellen wir lhrem Mandanten [eiser 1] , der diesen tragischen Unfall miterlebte, einen weiteren Betrag von 10.000,00 Euro zur Verfügung”. Ook heeft Generali toen de leges die [de eisers] als benadeelde partijen in de strafzaak hebben moeten betalen, in totaal een bedrag van € 1.761,42, aan hen betaald.\n\n2.12.. Bij e-mail van 16 november 2023 heeft de afdeling “SVL-KFZ Ost” van Generali Oostenrijk aan [de eisers] laten weten dat na ruggenspraak met haar contactpersoon tot 31 december 2023 wordt afgezien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [de eisers] vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,\n\n1) voor recht zal verklaren dat Generali aansprakelijk is voor alle door [de eisers] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 2 januari 2017,\n\n2) Generali zal veroordelen om wegens geleden schade tot en met 2020 te betalen, aan [eiser 1] een bedrag van € 369.425,05 en aan [eiser 2] een bedrag van € 366.871,63, althans in goede justitie vast te stellen schadevergoedingen, te vermeerderen met rente,\n\n3) voor recht zal verklaren dat Generali aan [eiser 1] en [eiser 2] met ingang van 1 januari 2021, althans een in goede justitie vast te stellen begindatum, ieder een jaarlijkse vergoeding voor gemiste onderhoudsbijdrage, gemiste bijdragen aan huishoudelijke taken en gemiste zelfwerkzaamheid van de overledene verschuldigd is, op te maken bij staat,\n\n4) voor recht zal verklaren dat Generali aansprakelijk is voor de door [de eisers] te lijden belastingschade c.q. het belastingnadeel over de door hen te ontvangen schadevergoeding(en),\n\nmet veroordeling van Generali in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met rente.\n\n3.2.. \n [de eisers] baseren hun vorderingen kort gezegd erop dat zij als nabestaanden naar Oostenrijks recht jegens de bestuurder aanspraak hebben op vergoeding van smartengeld c.q. shockschade, van de begrafeniskosten, van gemist levensonderhoud, van de gemiste bijdragen aan de gemeenschappelijke huishouding en aan het onderhoud van de gezinswoning en van de belasting die zij over de te ontvangen schadevergoeding zullen moeten afdragen. Zij kunnen deze aanspraken rechtstreeks te gelde maken tegen Generali, bij wie de door de bestuurder bestuurde auto ten tijde van het ongeval tegen aansprakelijkheid was verzekerd, aldus [de eisers] .\n\n3.3.. \n\nDe aanspraak op vergoeding van smartengeld c.q. shockschade hebben [de eisers] becijferd op respectievelijk € 30.000,00 en € 15.000,00, waarvan Generali reeds respectievelijk € 25.000,00 en € 15.000,00 heeft betaald, zodat in dit verband nog een aanspraak van [eiser 1] resteert van € 5.000,00.\n\nDe aanspraak op vergoeding van de kosten van de begrafenis hebben [de eisers] geraamd op € 248.786,67, het totaal van de in 2.2. genoemde bedragen. Voor zover deze kosten door Topparken Holding B.V,. zijn voldaan, heeft deze vennootschap haar vordering op de bestuurder c.q. Generali aan [de eisers] overgedragen. [de eisers] vorderen ieder de helft van de begrafeniskosten.\n\nDe aanspraak op gemiste onderhoudsbijdrage, waaronder opleidingskosten en ten behoeve van dit onderhoud door de overledene opgebouwd vermogen van € 100.000,00 per kind, en gemiste zelfwerkzaamheid hebben [de eisers] tot en met 2020 becijferd op respectievelijk € 240.531,71 en € 242.978,29. Hun aanspraken op wezenpensioen en uit een lijfrente hebben zij daarin verdisconteerd.\n\nOp hun aanspraak hebben [de eisers] ieder de € 500,00 in mindering gebracht die zij op basis van het Oostenrijkse strafvonnis van de bestuurder hebben ontvangen.\n\n3.4.. Generali voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eisers] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [de eisers] in de (na)kosten van deze procedure, vermeerderd met rente.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nGeen nadere akte\n\n4.1.. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om [de eisers] nog bij akte op productie 8 van Generali te laten reageren. Zij hebben zich over dit juridisch advies van dr. [adviseur] genoegzaam kunnen uitlaten, in aanmerking genomen dat de strekking ervan al grotendeels in de conclusie van antwoord was vervat, zij mede worden bijgestaan door een Oostenrijkse advocaat en zij zich vervolgens ook daadwerkelijk ter zitting hebben uitgelaten. Een nadere akte is dan, met het oog op hoor en wederhoor of een goede instructie van de zaak, niet noodzakelijk.\n\nIPR\n\n4.2.. In deze zaak met internationale aspecten heeft deze rechtbank rechtsmacht op grond van art. 11 lid 1 sub b j° art. 13 lid 2 en art. 26 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening (nr. 1215\u002F2012). Het betreft hier een vordering die door getroffenen rechtstreeks tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar wordt en kan worden ingesteld, Generali heeft woonplaats op het grondgebied van een lidstaat van de EU en [de eisers] wonen in het rechtsgebied van deze rechtbank. Generali is bovendien verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten.\n\n4.3.. Het ongeval heeft plaatsgevonden op het grondgebied van Oostenrijk. Uit art. 3 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971\u002F118), welk Verdrag gelet op art. 10:158 BW en art. 28 van de Rome II-Verordening (nr. 864\u002F2007) voor gaat op die Verordening en bij welk Verdrag Nederland en Oostenrijk partij zijn, volgt dan dat Oostenrijks recht van toepassing is. Ingevolge art. 8 van dit Verdrag bepaalt Oostenrijks recht onder meer welke personen recht hebben op vergoeding van persoonlijk door hen geleden schade, alsmede de termijn voor de verjaring of het verval van een aanspraak op schadevergoeding, alsmede het tijdstip van aanvang van die termijn en van zijn stuiting of schorsing. [de eisers] en ook Topparken, die haar vordering aan hen heeft overgedragen, hebben krachtens Oostenrijks recht een rechtstreekse vordering tot schadevergoeding op Generali, de verzekeraar van de aansprakelijke partij, in de zin van art. 9 lid 1 van het hiervoor bedoelde Verdrag.\n\nCessies\n\n4.4.. \n [de eisers] hebben bij akte van 1 juli 2025, vlak voordat de zaak opnieuw werd opgebracht, hun vorderingen op Generali overgedragen aan Topparken. Generali heeft bij antwoord opgeworpen dat [de eisers] daarom niets meer van haar te vorderen te hebben, zodat het gevorderde moet worden afgewezen. Bij akte van 10 februari 2026, vlak voor de mondelinge behandeling, heeft Topparken haar vorderingen op Generali overgedragen aan [de eisers] , zoals klaarblijkelijk van aanvang af de bedoeling was. Het verweer van Generali slaagt daarom niet.\n\nVerjaring\n\n4.5.. Generali beroept zich erop dat de vorderingen die [de eisers] hebben ingesteld zijn verjaard, in de eerste plaats omdat de verklaringen dat dit verweer niet zal worden gevoerd, niet namens Generali zijn gedaan en dus jegens haar geen werking hebben. De verjaringstermijn, naar Oostenrijks recht drie jaar nadat de benadeelde bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke partij (§ 1489 Allgemeines bürgerliches Gesetzbuch, verder: ABGB), is daarom verstreken zodat de vorderingen zijn verjaard, aldus Generali.\n\n4.6.. Dit verweer slaagt niet. Generali leidt uit de verklaringen van Generali Oostenrijk af dat Generali Oostenrijk uitsluitend namens het Verband tijdelijk afstand heeft gedaan van een beroep op verjaring en niet namens Generali. De rechtbank verwerpt dat standpunt.\n\n4.7.. Zoals [de eisers] in de dagvaarding onbetwist hebben gesteld en ter zitting met een citaat uit de betreffende e-mail hebben onderbouwd, heeft het Verband op 19 juli 2017 aan [de eisers] laten weten dat de belangen van de rechtsvoorgangster van Generali bij ongevallen met motorrijtuigen in Oostenrijk worden behartigd door Generali Oostenrijk, als de bevoegde contactpersoon. Daarbij is hun gevraagd zich voor de verdere correspondentie over de schadeafwikkeling tot Generali Oostenrijk te wenden. Generali Oostenrijk heeft zich vervolgens ook als zodanig gemanifesteerd, bijvoorbeeld door [de eisers] op 24 oktober 2017 te berichten “dass wir in den Schadenfall eintreten können” met het verzoek om een becijfering van de vordering met bijbehorende bewijsstukken en een toelichting op de gezinssituatie. Op 26 mei 2023 heeft Generali Oostenrijk nog gerappelleerd over ontbrekende bewijsstukken. De contacten van [de eisers] met Generali Oostenrijk hebben bovendien geleid tot betalingen door Generali.\n\n4.8.. Generali Oostenrijk is aldus opgetreden als schaderegelaar (Schadenregulierungs-beauftragte) van Generali, in de zin van art. 21 van Richtlijn 2009\u002F103\u002FEG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (verder: Richtlijn 2009\u002F103\u002FEG). Zie voor de verplichting van Generali om in Oostenrijk een schaderegelaar aan te wijzen § 163 van het huidige Duitse Versicherungsaufsichtsgesetz. Een dergelijke schadebehandelaar moet, gelet op lid 1 van dit art. 21 en lid 1 van deze § 163, geacht worden de verzekeraar ter zake van de behandeling en afwikkeling van een vordering als de onderhavige bevoegd te vertegenwoordigen. De verklaringen van Generali Oostenrijk over het afzien van een beroep op verjaring binden Generali dus wel degelijk, nog daargelaten dat Generali Oostenrijk in de e-mailberichten van 26 mei 2023 en 16 november 2023 niet heeft verklaard dat zij namens het Verband afziet van een beroep op verjaring. Dit betekent dat de vorderingen van [de eisers] in ieder geval tot 31 december 2023 niet zijn verjaard.\n\n4.9.. Dit geldt niet voor de aan [de eisers] overgedragen vordering van Topparken ter zake van de aan haar in rekening gebrachte kosten van de uitvaart. Zoals [de eisers] aanvoeren en Generali onderschrijft, heeft Topparken naar Oostenrijks recht jegens de bestuurder en Generali een eigen recht op vergoeding van kosten die zij in verband met het ongeval heeft gemaakt, althans tot op zekere hoogte. Gesteld noch gebleken is echter dat Topparken tegenover de bestuurder, Generali, het Verband of Generali Oostenrijk op enigerlei wijze de verjaring heeft gestuit. Dat er door of namens Topparken enige communicatie is geweest in de richting van een van deze partijen totdat in 2025 mededeling werd gedaan van de eerste cessie, is niet gesteld en blijkt ook nergens uit. Haar aanspraak op vergoeding van deze kosten is dan verjaard. Dit betreft het totaal van de rekeningen die ter zake van het overlijden en de uitvaart aan Topparken zijn gezonden, ter hoogte van het in 2.2. bedoelde bedrag van € 211.204,20. Dat Topparken haar vordering aan [de eisers] heeft overgedragen maakt het voorgaande niet anders. Die vordering was toen al verjaard.\n\n4.10.. Generali beroept zich in de tweede plaats erop dat de vorderingen van [de eisers] zijn verjaard, omdat zij de onderhavige procedure, die voor 31 december 2023 werd ingeleid, onvoldoende voortvarend hebben voortgezet.\n\n4.11.. Volgens § 1497 ABGB wordt de verjaring gestuit door de schuldenaar in rechte aan te spreken en die procedure behoorlijk voort te zetten (Die Verjährung wird unterbrochen wenn er (degene die zich op verjaring wil beroepen, rb) von dem Berechtigten belangt, und die Klage gehörig fortgesetzt wird). Wordt een procedure gestart, maar niet behoorlijk vervolgd, dan verjaart dus alsnog de vordering. Volgens vaste Oostenrijkse rechtspraak is pas sprake van onbehoorlijke voortzetting als de eiser een ongebruikelijke inactiviteit aan de dag legt, waaruit kan worden afgeleid dat hij niet langer belang hecht aan het bereiken van het procesdoel. (… wenn der Kläger eine ungewöhnliche Untätigkeit an den Tag legt, die darauf schließen lässt, dass ihm an der Erreichung des Prozesszieles nicht mehr gelegen ist.)\n\n4.12.. Generali wijst in dit verband erop dat [de eisers] , na doorhaling van de zaak op de rol bij beslissing van 16 april 2024, totdat zij op 1 juli 2025 aankondigden dat de zaak opnieuw zou worden opgebracht, niet van zich hebben laten horen. Deze inactieve periode van 14½ maand betekent dat [de eisers] de procedure niet behoorlijk hebben vervolgd. Daarom is de vordering verjaard, aldus Generali.\n\n4.13.. Dit verweer slaagt niet. Naar Oostenrijks recht is inactiviteit slechts relevant voor zover deze inactiviteit valt in de periode na het vollopen van de (oorspronkelijke) verjaringstermijn. (Die Untätigkeit ist nur soweit relevant, als sie in die Zeit nach Ablauf der (ursprünglichen) Verjährungsfrist fällt.)\n\n4.14.. Uit § 1497 ABGB volgt dat de verjaring ook wordt gestuit als degene die zich op verjaring wil beroepen vóór het vollopen van de verjaringstermijn het recht van de ander uitdrukkelijk of stilzwijgend erkent. (Die Verjährung wird unterbrochen wenn derjenige, welcher sich auf dieselbe berufen will, vor dem Verlaufe der Verjährungszeit entweder ausdrücklich oder stillschweigend das Recht des Andern anerkannt hat.) De erkenning hoeft niet uitdrukkelijk te geschieden; gedrag waaruit kan worden afgeleid dat de schuldenaar zich ervan bewust is tot betaling verplicht te zijn, is voldoende. De verjaring wordt onderbroken door elke handeling van de schuldenaar die op enigerlei wijze uitdrukking geeft aan zijn besef dat hij uit hoofde van de betreffende schuldverhouding verplicht is jegens de schuldeiser, waarbij de objectieve verklarende waarde van de wilsuiting doorslaggevend is. Door deelbetalingen wordt de verjaring onderbroken wanneer er geen twijfel over bestaat dat de schuldenaar daarmee slechts een deel van zijn schuld wilde dekken. (Die Anerkennung muss nicht ausdrücklich erfolgen; ein Verhalten, aus dem sich entnehmen lässt, dass der Schuldner das Bewusstsein hat, zur Zahlung verpflichtet zu sein, ist ausreichend. Die Unterbrechung der Verjährung bewirkt jede Handlung des Schuldners, die in irgendeiner Weise sein Bewusstsein, aus dem betreffenden Schuldverhältnis dem Gläubiger verpflichtet zu sein, zum Ausdruck bringt, wobei es auf den objektiven Erklärungswert der Willensäußerung ankommt. Durch Teilzahlungen wird die Verjährung dann unterbrochen, wenn zweifelsfrei ist, dass der Schuldner mit ihnen nur einen Teil seiner Schuld abdecken wollte.)\n\n4.15.. Uit de door [de eisers] gestelde feiten volgt dat Generali laatstelijk op 23 augustus 2023 ter zake van smartengeld c.q. shockschade en ter vergoeding van leges, betalingen heeft gedaan aan [de eisers] , zonder twijfel ter delging van slechts een deel van haar schuld aan hen. Die schuld bestond immers uit meer dan smartengeld c.q. shockschade, zoals Generali, getuige de herhaalde verzoeken om bewijsstukken ten aanzien van gederfd levensonderhoud, ook wist. Uit voormelde deelbetalingen van Generali aan [de eisers] kan worden afgeleid dat Generali zich bewust was tot betaling verplicht te zijn. De betalingen geven immers objectief beschouwd blijk van haar besef van de aanspraken van [de eisers] jegens haar uit hoofde van het ongeval. De verjaring is dan ook wegens erkenning gestuit op 23 augustus 2023. Op dat moment is de verjaringstermijn van drie jaar uit § 1489 ABGB opnieuw aangevangen. Volgens Oostenrijks recht wordt door de erkenning de lopende verjaringstermijn gestuit; deze begint volledig opnieuw te lopen zodra de reden voor de stuiting is weggevallen. (Durch die Anerkennung wird die laufende Verjährung unterbrochen; sie beginnt nach Wegfall des Unterbrechungsgrundes völlig neu zu laufen.) Sinds 23 augustus 2023 zijn nog geen drie jaar verstreken. Talmen van [de eisers] tijdens de onderhavige procedure kan dan naar Oostenrijks recht hun vorderingen niet doen verjaren, wat daarvan verder zij.\n\nAansprakelijkheid\n\n4.16.. Niet in geschil is dat de bestuurder en houder van de bij Generali verzekerde personenauto jegens [de eisers] aansprakelijk is uit hoofde van § 1 en § 5 van het Eisenbahn- und Kraftfahrzeughaftpflichtgesetz (verder: EKHG). Onbetwist is ook dat [de eisers] op basis van § 26 van het Kraftfahrzeug-Haftpflichtversicherungsgesetz 1994 deze schadevergoedingsaanspraak rechtstreeks jegens Generali geldend kunnen maken. Over de schade waarvan [de eisers] vergoeding vorderen, wordt, uitgesplitst per schadepost, het volgende overwogen.\n\nBegrafeniskosten\n\n4.17.. In § 12 van het EKHG, dat de inhoud van de schadeloosstelling betreft, is in lid 1 aanhef en onder 5 bepaald dat, in geval van overlijden, degene die de kosten van de begrafenis moet dragen of deze kosten daadwerkelijk heeft gedragen, aanspraak heeft op vergoeding van de kosten van een passende begrafenis. Niet in geschil is dat [de eisers] jegens Generali recht hebben op vergoeding van de kosten van de begrafenis die zij hebben gemaakt, voor zover deze passend was.\n\n4.18.. Ter zake van de begrafenis is, zoals gezegd, aan de erven een bedrag van € 31.589,47 in rekening gebracht, van welk bedrag [de eisers] in deze procedure vergoeding vorderen. Generali betwist dat [de eisers] deze kosten hebben voldaan. Omdat (vrijwel) alle andere facturen ter zake van de begrafenis door Topparken zijn betaald acht Generali aannemelijk dat ook de factuur van de uitvaartondernemer door Topparken is voldaan en niet door [de eisers] . Daarbij heeft Generali gewezen op de eerste cessieakte, waarin staat dat Topparken een belangrijk deel van de kosten van de uitvaart heeft voldaan. De kosten van de uitvaart hebben volgens [de eisers] in totaal € 248.786,67 bedragen, waarvan een bedrag van € 211.204,20 door Topparken is voldaan, zoals hiervoor in 4.9. is aangenomen. Dit sluit aan bij de tekst van de cessieakte waarin staat dat de kosten slechts voor een belangrijk deel en dus niet (bijna) volledig door Topparken zijn voldaan. De cessieakte lijkt dan juist het standpunt van [de eisers] te ondersteunen dan zij het verhoudingsgewijs geringe bedrag van € 31.589,47 wel zelf hebben voldaan. In ieder geval heeft Generali dit aldus onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat zonder bewijslevering wordt vastgesteld dat [de eisers] zelf voor een bedrag van € 31.589,47 de kosten van de begrafenis hebben moeten dragen, zoals Generali uiteindelijk ook ‘hooguit’ wel wil aannemen. [eiser 1] heeft in de dagvaarding vergoeding van dit volledige bedrag gevorderd. Na wijziging van eis vorderen [de eisers] ieder de helft van deze kosten. In het juridisch advies van dr. [adviseur] dat Generali in het geding heeft gebracht worden aan deze eiswijziging verjaringsgevolgen verbonden, maar dat is niet concreet gebeurd in de processtukken of ter zitting, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.\n\n4.19.. De kosten van het grafmonument ad € 5.993,00 zijn bij [naam 2] in rekening zijn gebracht. [de eisers] hebben niet toegelicht dat en hoe deze kosten toch voor hun rekening zijn gekomen. In zoverre is het gevorderde daarom niet toewijsbaar.\n\n4.20.. Ter zake van de hoogte van het gevorderde bedrag is het volgende van belang. Niet in geschil is dat de factuur van de begrafenisondernemer diensten en zaken betreft die naar Oostenrijks recht als kosten van de begrafenis hebben te gelden. De vraag is vervolgens wat de kosten van een passende begrafenis in dit geval zijn, omdat slechts in zoverre een vergoedingsplicht bestaat. Volgens Generali is het gevorderde bedrag onredelijk hoog. Volgens haar wordt in Oostenrijk doorgaans een bedrag van tussen € 10.000,00 en € 20.000,00 als redelijk beschouwd, waaraan in het advies van [adviseur] is toegevoegd dat zelfs als rekening wordt gehouden met de hoge beroepsstatus van [vader eisers] de gevorderde kosten ad € 248.000,00 onredelijk hoog zijn.\n\n4.21.. Zoals [de eisers] aanvoeren moet voor de uitleg van het begrip ‘passende begrafenis’ in § 12 lid 1 aanhef en onder 5 EKHG § 549 ABGB analoog worden toegepast, waarin is bepaald dat de gewoonten van de plaats, alsmede de stand en het vermogen van de overledene doorslaggevend zijn.Niet in geschil is dat de stand en het vermogen van [vader eisers] aanzienlijk bovengemiddeld waren. Dan kan een bedrag dat iets hoger ligt dan anderhalf keer een kennelijk doorgaans nog passend bedrag, niet bovenmatig worden beschouwd. Gelet hierop is aan [de eisers] ieder een bedrag van € 15.794,74 voor begrafeniskosten toewijsbaar. Zoals gevorderd zal dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente (in de zin van § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB) over dit bedrag en wel vanaf 28 juli 2023. Generali heeft onweersproken opgeworpen dat naar Oostenrijks recht de wettelijke rente pas gaat lopen vanaf het moment waarop een concreet bedrag aan schadevergoeding wordt gevorderd. Dit is volgens [de eisers] gebeurd door bij brief van 29 juni 2023 uiterlijk op 28 juli 2023 betaling te verlangen. [de eisers] hebben er dan geen belang meer bij dat voor recht wordt verklaard dat Generali aansprakelijk is voor deze schade. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.\n\nSmartengeld [eiser 1]\n\n4.22.. Niet in geschil is dat [eiser 1] , nu de bestuurder grove schuld heeft aan het ongeval, aanspraak heeft op vergoeding van het verdriet om het verlies van zijn vader (zogenoemd Trauerschmerzengeld). Generali heeft hem in dit verband buiten rechte al een vergoeding betaald van in totaal € 25.000,00. [eiser 1] vordert nu € 5.000,00 meer. Daartoe wijst hij erop dat hij destijds als minderjarige in gezinsverband samenleefde met zijn vader met wie hij de gebruikelijke intensieve emotionele band had, dat hij persoonlijk getuige was van het ongeval en heeft moeten zien hoe zijn stervende vader met zware hoofdwonden op de grond was gevallen en dat hij nog steeds lijdt aan slaap- en concentratiestoornissen, onevenwichtigheid en depressie. Hij heeft daarbij verwezen naar § 273 Zivilprozessordnung (ZPO), waarin een algemene regeling voor bewijsnood in gevallen van schadevergoeding is gegeven. Omdat in deze zaak Nederlands procesrecht moet worden toegepastgaat de rechtbank hieraan voorbij, met dien verstande dat het in dit geval, gelet op het hierna volgende, niet op bewijslevering aankomt.\n\n4.23.. Generali heeft de door [eiser 1] aangevoerde omstandigheden niet betwist, maar meent dat de reeds uitgekeerde vergoeding meer dan redelijk is.\n\n4.24.. In de door [de eisers] aangehaalde uitspraak van het Oberste Gerichtshof werd de € 20.000,00 die in eerste aanleg werd toegewezen aan ieder van de ouders van een kind van zes jaar dat op 31 maart 2004 bij een verkeersongeval om het leven kwam, door het Oberste Gerichtshof in stand gelaten.Die € 20.000,00 bedroeg, rekening houdend met de geldontwaarding in Oostenrijk tussen 31 maart 2004 en 2 januari 2017, op laatstgenoemde datum ongeveer € 25.000,00. De benadeelden hadden in dat geval, anders dan [eiser 1] in de onderhavige zaak, het ongeval niet zien gebeuren. Zoals ook volgt uit de nabetaling door Generali op 23 augustus 2023 en de reden die zij daarvoor toen heeft opgegeven, is het feit dat de benadeelde getuige was van het verongelukken, een wezenlijk verhogende omstandigheid voor het verschuldigde Trauerschmerzengeld. Generali heeft niet concreet betwist dat de overige omstandigheden van de door het Oberste Gerichtshof berechte geval vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak. In het licht hiervan overvraagt [eiser 1] niet door in totaal € 30.000,00 aan smartengeld c.q. shockschade te verlangen. De nog niet vergoede € 5.000,00 zal dus aan hem worden toegewezen. Zoals onbetwist gevorderd zal dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente (in de zin van § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB) over dit bedrag vanaf 28 juli 2023, op de hiervoor genoemde gronden. Het belang van een verklaring voor recht dat wordt verklaard dat Generali aansprakelijk is voor deze schade komt daarmee te ontvallen. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.\n\nGemist levensonderhoud en gemiste zelfwerkzaamheid\n\n4.25.. Ingevolge § 12 lid 2 j° § 19 EKHG en § 1327 ABGB moeten in een geval als dit, waarin lichamelijk letsel de dood tot gevolg heeft, de nabestaanden, voor wier onderhoud de overledene volgens de wet moest zorgen, schadeloos worden gesteld voor hetgeen hun daardoor ontgaat. Niet in geschil is dat tot dit gemiste onderhoud ook behoort de gemiste zelfwerkzaamheid van de overledene in het huishouden en aan de gezinswoning. De sub 1 en sub 3 gevorderde verklaringen voor recht zijn dan ook toewijsbaar in die zin dat voor recht verklaard zal worden dat Generali aansprakelijk is voor het levensonderhoud en de zelfwerkzaamheid in het huishouden en aan de gezinswoning die [de eisers] moeten missen als gevolg van het overlijden van [vader eisers] . Ter zitting hebben [de eisers] verklaard dat met de eiswijziging na hervatting van de procedure bedoeld is de term ‘levenslang’ in het petitum van de dagvaarding sub 3 te laten vervallen en dat de rechtbank het zo moet begrijpen dat het gaat om de periode totdat de kinderen in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Ook volgens Generali is dat zo. De toe te wijzen verklaring voor recht zal in deze zin worden aangevuld.\n\n4.26.. \n [de eisers] hebben sub 2 een veroordeling gevorderd tot betaling van de volgens hen tot en met 2020 in dit verband concreet verschenen schade. Voor nadien in dit verband verschenen en te verschijnen schade vorderen zij sub 3 klaarblijkelijk een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat.\n\n4.27.. Ter zake van de tot en met 2020 verschenen schade geldt het volgende. Niet in geschil is dat [de eisers] aanspraak (kunnen) hebben op enig bedrag als compensatie voor het missen van onderhoud. Het is aan hen om in dit verband het nodige te stellen en te bewijzen. Om dit schadebedrag te kunnen becijferen is inzicht nodig in het gezinsinkomen, in het bijzonder het vrij besteedbare gezinsinkomen en het aandeel van de afzonderlijke gezinsleden daarin, de zogenoemde Konsumquote.Ook is hiervoor van belang of en zo ja in welke mate de moeder van [de eisers] in hun onderhoud voorzag of (volgens het echtscheidingsconvenant) moest voorzien. Verder moet daarvoor in kaart worden gebracht op welke bedragen [de eisers] vanwege het overlijden jegens derden aanspraak konden maken, zoals bijvoorbeeld uit wezenpensioen en lijfrente. Als [de eisers] zelf inkomsten genereerden is dat ook van belang.\n\n4.28.. \n [de eisers] hebben in dit verband stellingen betrokken en hebben op basis van deze stellingen de schade laten berekenen. Zij hebben echter nagelaten om hun stellingen behoorlijk met stukken concreet toe te lichten en te onderbouwen, hoewel van de zijde van Generali vanaf 24 oktober 2017 bij herhaling om dergelijke stukken is verzocht. Als bewijs voor studiekosten wordt bijvoorbeeld verwezen naar een simpel staatje, zonder onderliggende bewijsstukken te delen. De basis voor de Konsumquote, een bedrag van € 49.717,00 in 2016, hebben zij als feit gepresenteerd, zonder concrete onderbouwing. Over de inkomsten van de overledene en hun eigen inkomsten hebben [de eisers] geen concrete, met stukken onderbouwde informatie verschaft. Bovendien hebben [de eisers] , hoewel zij onderkennen dat hun aanspraken door het Oostenrijkse recht worden bepaald, hun berekening van de schade gebaseerd op Nederlands recht, omdat het rekenprogramma van hun actuaris daarop is ingericht.\n\n4.29.. Het rapport met deze berekening bevat, behalve jaaropgaven van een pensioenfonds en een offerte voor een lijfrente, geen bewijsstukken van de uitgangspunten die aan de berekening ten grondslag zijn gelegd. Deze uitgangspunten zijn volgens het rapport aangedragen door dr. Wijnkamp en een accountant, waarnaar [de eisers] vervolgens in hun dagvaarding weer verwijzen ten bewijze van hun stellingen. Dit is een cirkelredenering. Ter zake van bewijs voor gemiste zelfwerkzaamheid hebben [de eisers] in de dagvaarding nog verwezen naar een berekening met bijlagen van [expertisekantoor] B.V. van 6 november 2014, zonder deze stukken, die overigens gelet op het jaartal dateren van voor het ongeval, in het geding te brengen. Bij akte na hervatting hebben zij deze verwijzing weer teruggenomen.\n\n4.30.. Generali heeft in haar conclusie van antwoord aandacht gevraagd voor deze voortdurende gebrekkige onderbouwing van stellingen. In reactie daarop hebben [de eisers] 14 dagen voor de zitting een groot aantal bewijsstukken overgelegd. Zij hebben echter nagelaten de rechtbank en Generali wegwijs te maken in die stukken, in die zin dat niet duidelijk is gemaakt hoe deze stukken hun vorderingen concreet onderbouwen. Ter zitting hebben [de eisers] over deze stukken in de eerste plaats opgemerkt dat ze vooral van belang zijn voor zover concrete beslissingen nodig zijn over een andere berekeningsmethode dan hun actuaris heeft toegepast of als na bewijslevering over de omvang van de schade moet worden geconcludeerd. Onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. Verder is ter zitting door [de eisers] over de stukken opgemerkt dat het te ver voert om die allemaal in detail te bespreken, maar dat daarmee de vordering ter zake van gemist onderhoud is onderbouwd. Aldus is de concrete relevantie van de stukken voor de vorderingen niet inzichtelijk gemaakt. [de eisers] refereren in dit verband nog aan de gang van zaken in een Oostenrijkse schadevergoedingsprocedure, waarin een deskundige het voortouw neemt. Reeds omdat deze zaak naar Nederlands procesrecht moet worden behandeld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Naar Nederlands procesrecht kan weliswaar een deskundige worden benoemd om de schade te berekenen, maar het begint ermee dat vorderingen deugdelijk worden toegelicht en onderbouwd, ook om verweer daartegen en bespreking ervan mogelijk te maken.\n\n4.31.. Het voorgaande leidt ertoe dat tot op heden geen inhoudelijk partijdebat over de omvang van deze schadepost heeft kunnen plaatsvinden. Dit brengt mee dat weliswaar vastgesteld kan worden dat Generali aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar dat de rechtbank niet in staat is het beloop van de schade in dit vonnis te bepalen. [de eisers] hebben daarover bovendien zoveel onduidelijk gelaten dat de rechtbank geen nader onderzoek in de hoofdzaak zal gelasten, maar een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat zal uitspreken.\n\n4.32.. Van de na 2020 verschenen en nog te verschijnen schade vorderen [de eisers] , naast de in 4.25. bedoelde verklaring voor recht, klaarblijkelijk een veroordeling tot vergoeding op te maken bij staat. De mogelijkheid van deze schade is ook voldoende aannemelijk. De vordering zal worden toegewezen.\n\n4.33.. Het verweer van Generali dat de vordering tot vergoeding van schade die is verschenen vanaf 2021 tot de dag van dagvaarding niet toewijsbaar is, wordt verworpen. Generali heeft haar verweer erop gebaseerd dat het naar Oostenrijks recht niet mogelijk is om ter zake van deze verschenen schade alleen een verklaring voor recht te vorderen. [de eisers] hadden deze schade concreet moeten vorderen en dat hebben zij niet gedaan, aldus Generali. Dit betreft klaarblijkelijk een regel van Oostenrijks procesrecht. Het Nederlandse procesrecht, dat hier geldt, kent een dergelijke regel niet. Voor zover Generali zich in dit verband op verjaring beroept slaagt ook dat verweer niet, omdat, zoals gezegd, de verjaring reeds door erkenning is gestuit.\n\nFiscaliteit\n\n4.34.. Generali heeft niet betwist dat zij gehouden is op te komen voor door [de eisers] eventueel te lijden schade in de vorm van belasting die zij verschuldigd zijn over te ontvangen schadevergoedingen. De daartoe strekkende verklaring voor recht is toewijsbaar.\n\nProceskosten\n\n4.35.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. veroordeelt Generali om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 20.794,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt Generali om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 15.794,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. verklaart voor recht dat Generali aansprakelijk is voor het levensonderhoud en de zelfwerkzaamheid in het huishouden en aan de gezinswoning die [de eisers] moeten missen als gevolg van het overlijden van [vader eisers] , tot het moment dat zij in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien,\n\n5.4.. veroordeelt Generali om de in 5.3. bedoelde schade te vergoeden, op te maken bij staat,\n\n5.5.. verklaart voor recht dat Generali aansprakelijk is voor de door [de eisers] te lijden belastingschade c.q. het belastingnadeel over de door hen te ontvangen schadevergoeding(en),\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mrs. K. van Vlimmeren-van Ommen, S.J. Peerdeman en A.J.J.M. Weijnen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n167\u002F512\n\n Zie bijvoorbeeld OGH 21 februari 2023, 2Ob12\u002F23p, ECLI:AT:OGH0002:2023:0020OB00012.23P.0221.000 en Rechtssatznummer RS0034765.\n\n Zie OGH 23 maart 2011, 4Ob191\u002F10g, ECLI:AT:OGH0002:2011:0040OB00191.10G.0323.000, r.o. 2.2., onder verwijzing naar OGH 17 november 2009, 1Ob165\u002F09k, ECLI:AT:OGH0002:2009:0010OB00165.09K.1117.000.\n\n OGH 28 april 2015, 8Ob10\u002F15a, ECLI:AT:OGH0002:2015:0080OB00010.15A.0428.000.\n\n Zie OGH 21 april 1995, 2Ob26\u002F94, ECLI:AT:OGH0002:1995:0020OB00026.94.0421.000.\n\n Zie OGH 26 november 1998, 6Ob297\u002F98i, ECLI:AT:OGH0002:1998:0060OB00297.98I.1126.000.\n\n Zie OGH 6 mei 2001, 2Ob84\u002F01v, ECLI:AT:OGH0002:2001:0020OB00084.01V.0516.000.\n\n Zie art. 1 lid 3 Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen en art. 10:3 BW.\n\n Zie OGH 12 juli 2007, 2Ob263\u002F06z, ECLI:AT:OGH0002:2007:0020OB00263.06Z.0712.000.\n\n Zie bijvoorbeeld OGH 28 januari 2021, 8Ob98\u002F20z, ECLI:AT:OGH0002:2022:E130646, r.o. 65 e.v.\n\n Vergelijk bijvoorbeeld HR 21 december 1984, NJ 1985\u002F904.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5214","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.628Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":43,"courtId":110,"decisionDate":93,"fullText":111,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":113},"1372","ECLI:NL:RBZWB:2026:5959","ecli-nl-rbzwb-2026-5959",62,"vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCluster II Handelszaken\n\nMiddelburg\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F443636\u002F HA ZA 26-3\n\nIncidenteel vonnis van 17 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\nKYRREX UK LTD.,\n\ngevestigd in London in de United Kingdom,\n\neiseres in de incidenten,\n\ngedaagde sub 2 in de hoofdzaak,\n\nadvocaat mr. F.M. Peters te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [persoon] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nverweerder in de incidenten,\n\neiser in de hoofdzaak,\n\nadvocaat mr. M.A. Hupkes te Amsterdam.\n\nEiseres in de incidenten zal hierna worden aangeduid als ‘Kyrrex’ en verweerder als ‘ [persoon] ’.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding met producties van 23 oktober 2025;\n\nde incidentele conclusie houdende exceptief verweer tot onbevoegdheid van de rechtbank, althans verwijzing strekkende tot voeging van zaken met producties van 29 april 2026;\n\nde conclusie van antwoord in het incident van 27 mei 2026.\n\n1.2.. Vonnis is bepaald op heden.\n\n2. De incidenten\n\n2.1.. In dit vonnis volstaan -dus geen feitenvaststelling in dit tussenvonnis- (i) een weergave van de stellingen van partijen in verband met de door Kyrrex opgeworpen incidenten: vorderingen tot onbevoegdheidverklaring van de rechtbank en verwijzing naar de rechtbank Den Haag (ii) een beoordeling en tot slot (iii) een beslissing.\n\n2.2.. Kyrrex betoogt dat de Nederlandse rechter op grond van de eerste afdeling van Boek I, Titel 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) geen bevoegdheid toekomt om op de vordering van [persoon] te beslissen, ook niet op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv (‘De Nederlandse rechter heeft eveneens rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schade(toe)brengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen.’). Op deze geciteerde bepaling beroept [persoon] zich en dit voorschrift brengt volgens [persoon] de bevoegdheid van de Nederlandse rechter mee.\n\n2.3.. Kyrrex weerspreekt de toepasselijkheid van deze bepaling. Kyrrex betoogt in dit verband dat de rechter in de United Kingdom bevoegdheid toekomt. Kyrrex is aldaar gevestigd. Kyrrex verricht in Nederland geen bedrijfsactiviteiten. Kyrrex is nog niet eens operationeel bij gebreke van een aan haar verstrekte vergunning. Bij zuiver financiële schade -zoals in het te beoordelen geval- biedt de plaats van de door gelaedeerde aangehouden bankrekening onvoldoende aanknoping voor de bevoegdheid van de rechtbank. Ter zake van de plaats waar het vermogen van gelaedeerde zich bevindt, geldt nadrukkelijk niet de regel dat de woonplaats van deze gelaedeerde bevoegdheid schept, aldus Kyrrex. In dit verband is volgens Kyrrex van belang dat zij zich nimmer heeft gericht op de Nederlandse markt of het Nederlandse publiek. Verder is voor Kyrrex niet redelijkerwijs voorzienbaar geweest dat de Nederlandse rechter rechtsmacht en bevoegdheid heeft om een vordering uit onrechtmatige daad tegen Kyrrex te beoordelen. Er zijn geen aanknopingspunten om Nederland als ‘Erfolgsort’ van de door de onrechtmatige daad dientengevolge geleden schade aan te wijzen. Voor Kyrrex bestaan in Nederland geen openbaarmakingsverplichtingen en Kyrrex heeft geen marketingmateriaal in Nederland of prospectus verspreid. Tot slot voert Kyrrex aan dat de uitspraak van de rechtbank Den Haag 18 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7315 waarop [persoon] zich beroept op verscheidene onderdelen onjuist is onder andere de (onjuiste) vaststelling van de rechtbank dat de benadeelden een consumentenovereenkomst met Kyrrex zijn aangegaan. Dat is namelijk niet het geval.\n\n2.4.. Subsidiair betoogt Kyrrex dat de zaak dient te worden verwezen naar de rechtbank Den Haag omdat deze rechtbank al twintig andere handelszaken tegen Kyrrex behandelt met dezelfde advocaten en deze rechtbank zich in deze zaken bij ECLI:NL:RBDHA:2026:7315 reeds bevoegd heeft verklaard. De feiten zijn in deze zaken gelijksoortig en [persoon] wijst ter onderbouwing van zijn vordering in deze zaak ook op die andere zaken. [persoon] weerspreekt de wenselijkheid en\u002Fof noodzaak van verwijzing naar de rechtbank Den Haag strekkende tot voeging. Volgens [persoon] is niet voldaan aan het vereiste van verknochtheid. [persoon] is immers geen partij in het Haagse geding. Inhoudelijk zijn de zaken ook niet vergelijkbaar: de uitvoering van de gepleegde fraude komt niet overeen met die van de twintig andere benadeelden. Ook is de bewijspositie van [persoon] anders dan van de twintig andere boilerroomslachtoffers. [persoon] beschikt bovendien over meer bewijsmiddelen dan de andere slachtoffers. Verwijzing strekkende tot voeging betekent volgens [persoon] verlies van procesregie en het risico dat afbreuk wordt gedaan aan een individuele beoordeling. Verwijzing tot voeging zal voorts leiden tot verdere vertraging van de behandeling van de zaak.\n\n2.5.. Kyrrex vordert voorts een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren proceskostenveroordeling van [persoon] .\n\n3. De beoordeling3.1.. De rechtbank merkt op dat [persoon] niet alleen Kyrrex in rechte heeft betrokken maar ook de in St. Vincent & The Grenadines gevestigde Kyrrex Ltd., de in Nicosia in Cyprus gevestigde Kyrrex Finacial Holding Ltd. en de in St. Julian in Malta gevestigde Real Exchange (REX) Ltd. Ook andere in vreemde jurisdicties gevestigde -waaronder de Seychellen- entiteiten zijn volgens[persoon] bij de fraude betrokken.\n\n3.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij haar bevoegdheid op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv zal hebben te beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om van de vordering van [persoon] tegen Kyrrex op deze wettelijke grondslag kennis te nemen. Hiertoe dient het volgende.\n\n3.3.. \n\nIn verband met het bepaalde in artikel 6 aanhef en onderdeel e Rv stelt de rechtbank vast dat de geplunderde bankrekening in Nederland werd aangehouden en dat de vermogensvermindering in Nederland is geleden alwaar [persoon] woonachtig is. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit voor [persoon] dat zijn schade als gevolg van de crypto boilerroom fraude in Nederland is geleden mede gelet op zijn woonplaats in Nederland. De stelling dat Kyrrex haar activiteiten zich niet richtte op het Nederlandse publiek wordt gelogenstraft door het relatief grote aantal in Nederland woonachtige benadeelde partijen.\n\nHet uitgangspunt in internationale zaken dat het voor een partij voorzienbaar behoort te zijn voor welke rechter hij kan worden gesleept, geldt niet onverkort voor een zogenoemde medeplegende facilitator van digitale crypto fraude, die zich in verscheidene jurisdicties afspeelt en die in verscheidene jurisdicties wordt versluierd alwaar benadeelden geen dan wel onvoldoende rechtsbescherming wordt geboden. Deze voorzienbaarheid mag zo’n facilitator dan niet met succes tegenover consumenten\u002Fbenadeelden inroepen. Dat met deze consumenten\u002Fbenadeelden geen consumentenovereenkomst is gesloten en dat niet uit dien hoofde tegen de facilitator wordt geageerd, maar uit hoofde van een delictuele aansprakelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank irrelevant. De facilitator behoort in de gegeven omstandigheden ervanuit te gaan dat hij zich in Nederland ten overstaan van de Nederlandse rechter zal moeten kunnen verantwoorden.\n\n3.4.. Deze zaak en de Haagse zaken kenmerken zich verder door de talrijke rechtspersonen die zich volgens[persoon] met de fraude hebben ingelaten en dat deze rechtspersonen zijn gevestigd in verschillende jurisdicties waarin een effectieve rechtsbescherming niet (altijd) is gewaarborgd. Het is voor een benadeelde natuurlijk persoon\u002Fconsument ondoenlijk wanneer hij door een ondoorzichtig web van al dan slechts virtueel bestaande rechtspersonen moet achterhalen wie verantwoordelijk is voor de fraude en aan wie de opbrengst van deze fraude ten goede is gekomen. Een deugdelijke rechtsbedeling en effectieve rechtsbescherming behoren mee te brengen dat de rechtbank zijn bevoegdheid in zulke gevallen ruimhartig uitlegt en zich bevoegd acht om van vorderingen tegen al degenen die hebben deelgenomen aan deze digitale crypto fraude kennis te nemen ook al is één vermeend medepleger in een jurisdictie gevestigd waar effectieve rechtsbescherming nu juist wel kan worden geboden.\n\n3.5.. Onder de geschetste omstandigheden schept de plaats waar de benadeelden woonachtig zijn rechtsmacht en bevoegdheid van de Nederlandse rechter waar voorts de bankrekeningen worden aangehouden, waar het vermogen van de benadeelden zich bevindt en waar de vermogensvermindering ingevolge de fraude is veroorzaakt.\n\n3.6.. De Nederlandse rechter is dan ook (mede) bevoegd om van de vordering van [persoon] kennis te nemen. De primair geformuleerde incidentele vordering zal de rechtbank afwijzen.\n\n3.7.. Resteert de beoordeling van de rechtbank over de subsidiair geformuleerde incidentele vordering, de vordering tot verwijzing naar de rechtbank Den Haag strekkende tot voeging met de twintig Haagse zaken.\n\n3.8.. De rechtbank zal deze zaak [persoon] tegen Kyrrex niet verwijzen naar de rechtbank Den Haag ten overstaan van wie reeds de zaken met zaaknummer C\u002F02\u002F694014 aanhangig zijn. Ongetwijfeld vertoont deze zaken deze gelijkenis met de Haagse zaken, maar [persoon] behoudt belang bij de zelfstandige beoordeling van zijn vordering door de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Ook de procesregie wenst [persoon] niet te delen met andere benadeelden hetgeen in overeenstemming is met zijn in rechtsvordering voortsvloeiende partijautonomie. [persoon] meent ook dat de wijze waarop hem nadeel is berokkend, afwijkt van de Haagse zaken en dat hij over meer en\u002Fof andere bewijsmiddelen beschikt waarvan anderen geen profijt behoren te hebben, althans zo begrijpt de rechtbank de stelling van [persoon] . Naar het oordeel van de rechtbank wegen deze belangen van [persoon] zwaarder dan het belang van Kyrrex dat deze zaak uiteindelijk zal worden gevoegd met de Haagse zaken. Proceseconomie is immers aan de genoemde belangen van [persoon] ondergeschikt. Eventueel verschillende uitspraken van de rechterlijke colleges zal op de koop toe moeten worden genomen.\n\n3.9.. Op grond van het voorgaande zal Kyrrex als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de incidenten worden veroordeeld die op het bedrag van € 1.306,00 (2 x € 653,00) aan salaris advocaat zullen worden vastgesteld.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin het bevoegdheidsincident4.1.. \n\nwijst af de vordering en verklaart zich bevoegd om van de vordering van [persoon] tegen Kyrrex (zaaknummer C\u002F02\u002F443636 HA ZA 26-3) kennis te nemen;\n\nin het verwijzingsincident4.2.. wijst af vordering tot verwijzing van de hoofdzaak (zaaknummer C 02\u002F443636\u002F HA ZA 26-3) naar de rechtbank Den Haag;\n\nin de beide incidenten\n\n4.3.. veroordeelt Kyrrex in de kosten van de incidenten die op € 1.306,00 worden vastgesteld te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden indien en voor zover Kyrrex alsdan niet aan de veroordeling heeft voldaan;\n\n4.4.. verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\nin de hoofdzaak:\n\n4.5.. verwijst de zaak naar de rol van 29 juli 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie [plaats] , voor de conclusie van antwoord zijdens Kyrrex;\n\n4.6.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is bij vervroeging gewezen door mr. drs. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\naij","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5959","2026-07-13T00:29:18.476Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":43,"courtId":118,"decisionDate":93,"fullText":119,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":51,"updatedAt":122},"1663","ECLI:NL:RBMNE:2026:3745","ecli-nl-rbmne-2026-3745",84,"RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Amersfoort\n\nZaaknummer: 11992947 \\ AC EXPL 25-2708\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres],\n\ngevestigd te [gemeente] in Frankrijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2],\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]\n\nprocederend in persoon,\n\ngedaagde partijen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 13 november 2025 met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4, - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.\n\n1.2. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn eigenaar van een woning gelegen in een villawijk aangeduid als [...] dat ligt in [gemeente] in Frankrijk. [eiseres] is een vereniging die het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen die behoren tot de villawijk verzorgt. Hiervoor betalen de woningeigenaren een jaarlijkse ledenbijdrage. [eiseres] vordert betaling van twee facturen met een totaalbedrag van € 2.928,37 over de periode 1 januari tot en met 31 december 2024 en over de periode 1 januari tot en met 31 december 2025. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten de facturen verschuldigd te zijn, omdat zij volgens hen geen lid zijn van [eiseres] . Daarnaast stellen zij dat [eiseres] niet bevoegd is facturen te sturen en betwisten zij dat [eiseres] het beheer voert over het [...] .\n\nDe kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe.\n\n3. De beoordeling\n\nDe Nederlandse rechter is bevoegd\n\n3.1. Omdat [eiseres] een rechtspersoon is naar buitenlands recht en haar vordering een internationaal karakter heeft, moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.\n\n3.2. Op grond van artikel 3 lid 1 sub a EEX-Vo (Verordening (EG) 44\u002F2001) is de Nederlandse rechter bevoegd om over deze zaak te oordelen, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun woonplaats in Nederland hebben.\n\nHet Nederlands recht is van toepassing\n\n3.3. \n\nPartijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De kantonrechter\n\nbegrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat\n\npartijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.\n\n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de ledenbijdragen betalen\n\n3.4. \n [eiseres] vordert een totaalbedrag van € 2.928,37 aan ledenbijdragen. Zij stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als lid van [eiseres] verplicht is de jaarlijkse ledenbijdrage te voldoen. Over de periode 1 januari tot en met 31 december 2024 was de bijdrage € 1.446,38 en over de periode 1 januari tot en met 31 december 2025 was de bijdrage € 1.481,99 .\n\n3.5. Uit de persoonlijke koopakte van [eiseres] (productie 3 bij dagvaarding) volgt dat alle woningeigenaren van de percelen uit [.] van rechtswege lid zijn van [eiseres] . Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] sinds 2006 woningeigenaren zijn van een woning in [.] . Zij zijn daarmee in beginsel van rechtswege lid van [eiseres] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren echter aan alleen lid te zijn van de vereniging [..] [.] . Dit verweer hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook al gevoerd in een eerdere procedure bij de Rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:176) toen [eiseres] de ledenbijdrage over de periode 1 januari tot en met 31 december 2023 vorderde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De kanonrechter heeft toen in rechtsoverweging 3.4. overwogen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen stukken hebben overgelegd waaruit volgt dat [..] [.] een andere vereniging is dan [eiseres] . Dat hebben zij in deze procedure ook niet gedaan. Dat leidt tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] lid zijn van [eiseres] .\n\n3.6. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen daarnaast dat het bestuur (de heer [A] en de heer [B] ) van [eiseres] niet bevoegd is facturen te sturen, omdat [eiseres] geen gecertificeerde beheerder is. De kantonrechter volgt dit niet. Naar Nederlands recht hoeft [eiseres] geen VvE-certificaat te hebben om ledenbijdragen te kunnen innen. Dit verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gaat dan ook niet op.\n\n3.7. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verder aan dat hun woning is gelegen in het publieke domein van de gemeente en zij buiten hun woning verder niets in privé dan wel in gemeenschap hebben aangekocht. Uit de brief van de burgemeester van [gemeente] (productie 1 bij dagvaarding) volgt echter dat [...] geen deel uitmaakt van de openbare ruimte, maar privéterrein is van [eiseres] . Het beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen, met uitzondering van de individuele woningen, valt dan ook onder [eiseres] . Dit is ook bepaald in artikel 1 en 2 van de statuten. Hiervoor moet [eiseres] kosten maken, die de leden van [eiseres] volgens artikel 15 en 16 van de statuten naar rato gezamenlijk dragen. Ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen dus in deze kosten moeten bijdragen. De vordering van [eiseres] zal dan ook worden toegewezen.\n\nDe wettelijke rente\n\n3.8. \n [eiseres] vordert wettelijke renteover het bedrag van € 2.928,37 vanaf 1 januari 2024. Vanaf dat moment waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] echter nog niet in verzuim met de volledige betaling. Zij zijn pas in verzuim met de betaling van de eerste factuur op 31 januari 2024, omdat toen de vervaltermijn van die factuur is verstreken. Met de betaling van de tweede factuur zijn zij in verzuim per 31 januari 2025. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe buitengerechtelijke incassokosten\n\n3.9. \n [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.\n\nDe vordering van de toekomstige jaarlijkse facturen wordt afgewezen\n\n3.10. De vordering van de toekomstige, jaarlijkse facturen is niet toewijsbaar, omdat nog niet duidelijk is hoe hoog de ledenbijdrage in aankomende jaren gaat zijn.\n\nDe proceskosten\n\n3.11. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n122,98\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.269,48\n\nHoofdelijkheid\n\n3.12. De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.928,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:\n\n- het bedrag van € 1.446,38, met ingang van 31 januari 2024, - het bedrag van € 1.481,99, met ingang van 31 januari 2025, telkens tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.269,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n69134\n\n Zoals bedoeld in artikel 6:119 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3745","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.301Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":127,"fullText":128,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":51,"updatedAt":130},"1191","ECLI:NL:RBDHA:2026:17334","ecli-nl-rbdha-2026-17334","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684680\u002F HA ZA 25-386\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw], te [woonplaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. D. Rezaie,\n\ntegen\n\n [de man], te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. R.J. Bouwmeester.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 april 2025, met producties 1 tot en met 5;\n\n- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;\n\n- het tussenvonnis van 9 juli 2025, waarin de mondelinge behandeling is bevolen;\n\n- de brief van 1 september 2025 van mr. Bouwmeester, met drie bijlagen;\n\n1.2.. \n\nDe rechtbank heeft op 12 september 2025 een vertaling opgevraagd van de\n\nhuwelijksakte en een vertaling van de religieuze echtscheiding en heeft partijen ook\n\ngevraagd zich uit te laten over het toepasselijk recht op de vordering tot betaling van de\n\nbruidsgave en over hun nationaliteit ten tijde van het sluiten van hun huwelijk. Hierna hebben partijen de volgende berichten aan de rechtbank gestuurd:\n\n- het rolbericht van 15 september 2025 van mr. Rezaie, met de beëdigde vertaling van de\n\n religieuze echtscheiding;\n\n- het rolbericht van 17 september 2025 van mr. Rezaie over de uitlating van het toepasselijk\n\n recht, met producties 6 tot en met 8;\n\n- het rolbericht van 22 september 2025 van mr. Rezaie, met de beëdigde vertaling van de\n\n Iraanse huwelijksakte, behorende bij productie 6.\n\n- het rolbericht van 22 september 2025 van mr. Bouwmeester met uitlating over de\n\n nationaliteit en nieuwe informatie met bijlagen over nationaliteit.\n\n1.3.. \n\nOp 24 september 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak\n\nplaatsgevonden. Beide partijen zijn verschenen, zowel de vrouw als de man zijn bijgestaan\n\ndoor een tolk. Partijen hebben de zaak mondeling toegelicht en vragen van de rechtbank\n\nbeantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge\n\nbehandeling is besproken.\n\n1.4.. \n\nNa de mondelinge behandeling is de zaak naar de rol van 25 oktober 2025 verwezen\n\nvoor akte uitlaten partijen in verband met onderhandelingen over een regeling. Partijen\n\nhebben uiteindelijk vonnis gevraagd. De datum voor vonnis is bepaald op heden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe man is ruim dertig jaar geleden uit Irak naar Nederland gevlucht. Met ingang\n\nvan eind oktober 1996 is de man in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) opgenomen.\n\n2.2.. Partijen stellen op [datum 1] 2003 met elkaar in Iran te zijn gehuwd. De beëdigde vertaling van (een kopie van) de huwelijksakte luidt als volgt:\n\n“Volledige gegevens van de echtgenoot\n\nVoornaam: de heer [voornaam 1] Familienaam: [familienaam 1]\n\n(…)\n\nBeroep: student opleiding tandtechnicus Religie en geloofsstroming; moslim – Sjiitisch\n\nNationaliteit: Iran\n\nWoonachtig te: Nederland, [plaats 1] (…)\n\nHeeft de echtgenoot een andere echtgenote? Heeft hij niet\n\nMet vreugde en welslagen\n\nVolledige gegevens van de echtgenote\n\nVoornaam: Mejuffrouw [voornaam 2] Familienaam: [familienaam 2]\n\n(…)\n\nBeroep: huisvrouw Religie en geloofsstroming: Moslima, Sjiitisch\n\nNationaliteit: Iran\n\nWoonachtig te: [plaats 2] (…), in aanwezigheid met toestemming van vader van betrokkene\n\nHandtekening voogd\u002F vertegenwoordiger van de echtgenote: [getekend]\n\nSoort huwelijk: het huwelijk is permanent\n\nBruidsgave en handtekening echtpaar: een bedrag van tweehonderdentweeënzestig duizend en een halve courante Rials bij wijze van geschenk, een Koran en ‘mahr al-Sunnah’ [bruidsgave], daarbij dertienhonderdvierenvijftig [1354] stuks gouden, hele ‘Bazar-e azadi’ muntenstukken van onbepaalde waarde, een bedrag van zevenhonderdduizend Rials bij wijze van de waarde van spiegel en kandelaar, het geheel door de echtgenoot verschuldigd aan de echtgenote, hetwelk op aanvraag van echtgenote dient te worden voldaan.”\n\nDit huwelijk (hierna: het Iraanse huwelijk) is in Nederland niet in de GBA ingeschreven.\n\n2.3.. Na dit huwelijk heeft de man geprobeerd om de vrouw, op basis van de Iraanse huwelijksakte, via gezinshereniging naar Nederland te halen. Dit is mislukt.\n\n2.4.. Vervolgens zijn partijen op [datum 2] 2004 in [plaats 3] , Syrië, met elkaar gehuwd. In de daarvan opgemaakte Syrische huwelijksakte is – vertaald in het Engels en voor zover van belang – het volgende opgenomen:\n\n“MARRIAGE DEED\n\nThe First Party: The Husband\n\nName, Father’s Name & Surname [voornaam 1] [naam vader 1] [familienaam 1]\n\nDate and Place of Birth [geboortedatum 1] 1964, [geboorteplaats 1]\n\nPlace of Residence and Domicile Number - Iraqi citizen, holing the Netherlands passport No. [paspoortnummer] (…)\n\n- Muslim\n\nHusband’s representative Himself (…)\n\nThe Second Party: The Wife\n\nName, Father’s Name & Surname [voornaam 2] [naam vader 2] [familienaam 2] (…)\n\nMarital status Single\n\nDate and Place of Birth [geboortedatum 2] 1975, [geboorteplaats 2]\n\nPlace of Residence and Domicile Number - Iranian citizen (…)\n\n Muslim\n\nWife’s Proxy General Guardianship\n\nFirst Witness (…)\n\nSecond witness (…)\n\n(…)\n\nThe Dowry:\n\nAdvance Dowry US$ 5000 Five thousand US dollars paid\n\nDeferred Dowry US$ 1.000.000 One million US dollars (…) unpaid\n\n(….)\n\nCertified on [datum 2] \u002F2004\n\nLegalized by Ministry of Justice in [plaats 3] ”\n\nDit huwelijk (hierna: het Syrische huwelijk) is wel opgenomen in de GBA. Met ingang van 8 maart 2005 is de vrouw in de GBA opgenomen.\n\n2.5.. \n\nOp 27 januari 2021 hebben partijen deze rechtbank gemeenschappelijk verzocht om\n\nde echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld op [datum 2] 2004 te [plaats 3] , Syrië, met elkaar te zijn gehuwd. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 augustus 2021 (C\u002F09\u002F606595\u002F FA RK 21-577) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tevens is, voor zover van belang, bepaald dat het aangehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking, dat de financiële behoefte van de minderjarige op een bedrag van € 165,00 per maand wordt bepaald en dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op nihil wordt bepaald zo lang de draagkracht daarvoor ontbreekt en dat de door de man [de rechtbank begrijpt: aan de vrouw] te betalen uitkering tot levensonderhoud op nihil wordt bepaald, zo lang de draagkracht daarvoor ontbreekt.\n\n2.6.. Het op 23 december 2020 opgemaakte echtscheidingsconvenant houdt onder meer het volgende in:\n\n“IN AANMERKING NEMENDE DAT:\n\n1. Partijen zijn op [datum 2] 2004 te [plaats 3] (Syrië) (…) gehuwd. Het huwelijk is door partijen bij de Nederlandse ambassade te [plaats 3] geregistreerd.\n\n2. De vrouw is na het huwelijk naar Nederland gereisd. De man is – nadat hij een visum verkreeg – naar Nederland gekomen.\n\n(…)\n\n4. De man woont thans in België, omdat hij daar zijn kans om betalend werk te vinden groter acht.\n\n(...)\n\nSTELLEN VAST EN KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:\n\n(…)\n\nPartneralimentatie\n\nArtikel 2\n\nDe vrouw maakt aanspraak op partneralimentatie voor de wettelijk bepaalde maximale termijn. De man, die thans een WIA-uitkering ontvangt, heeft geen draagkracht om partneralimentatie aan de vouw te betalen. (…)\n\nVerdeling der huwelijksgoederengemeenschap\n\nArtikel 4.1\n\nPartijen gaan hierbij over tot verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. De verdeling en de daaruit voortvloeiende leveringen vinden plaats onder de opschortende voorwaarde van de ontbinding van het huwelijk door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.\n\n(...)\n\nArtikel 4.3\n\nDe huwelijksgoederengemeenschap bestaat uit een auto (…) en de inboedel van de echtelijke woning. Partijen hebben de waarde van de auto geschat op € 3.000,00 en de waarde van de inboedel op € 6.000,00. De auto wordt toegescheiden aan de man en de inboedel aan de vrouw.\n\nArtikel 4.4\n\nDe volgende schulden van partijen worden toegescheiden aan de man: [volgt opsomming van diverse schulden tot een bedrag van circa € 2.225,00, rb.]. De man verbindt zich jegens de vrouw om deze schulden als eigen schuld af te lossen.\n\nDe volgende schulden van partijen worden toegescheiden aan de vrouw, met dien verstande dat als de gezamenlijke schulden niet de Belastingdienst worden kwijtgescholden, partijen over de betaling van die schulden met elkaar in overleg gaan; [volgt opsomming van diverse (belasting)schulden tot een bedrag van circa € 5.986,00, rb]. De vrouw verbindt zich jegens de man om deze schulden als eigen schuld af te lossen.\n\n(…)\n\nArtikel 4.6\n\nEr zijn geen bankrekeningen met een creditsaldo.\n\n(…)\n\nArtikel 4.9\n\nPartijen verklaren uitdrukkelijk dat behoudens de hierboven genoemde goederen, vorderingen op en van derden en overige rechten geen andere goederen, vorderingen en rechten tot de huwelijksgoederengemeenschap, waarin zij zijn gehuwd, behoren.\n\n(…)\n\nArtikel 6.3\n\nPartijen verklaren, dat wanner de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap conform deze overeenkomst is gerealiseerd zij niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben en dat zij elkaar dienovereenkomstig nu, voor alsdan, algehele kwijting verlenen.”\n\nIn het echtscheidingsconvenant is niets vermeld over een bruidsgave.\n\n2.7.. Op 16 september 2021 is de onder 2.5. vermelde echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hierdoor is het Syrische huwelijk (zie 2.4) ontbonden.\n\n2.8.. \n\nBij de, door beide partijen ondertekende, akte van 27 november 2024 heeft een\n\nreligieuze echtscheiding plaatsgevonden. Blijkens de hiervan door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling houdt de akte onder meer het volgende in:\n\n“Akte van Religieuze Echtscheiding\n\n(…)\n\nHet type van de echtscheiding: Religieuze echtscheiding, afstoten eerste beurt\n\nDe autoriteit voor het uitvaardigen van een lokaal echtscheidingsbeschikking; Rechtbank Den Haag, Nederland (…)\n\nEchtscheidingsbeschikking: 12 augustus 2021, (…) Nummer: C\u002F09\u002F606595\u002FFA-RK 21-577\n\n(…)\n\nGegevens van de echtscheidingsgever (man)\n\n(…) [de man] (…)\n\nGegevens van de echtscheidingsnemer (vrouw):\n\n(…) [de vrouw] (…)\n\nBeschrijving van de scheiding:\n\nHierdoor wordt het optreden van echtscheiding tussen het in dit document genoemde echtpaar volgens afstoten verklaard. Het is te vermelden dat mevrouw [de vrouw] van duizend munten van haar bruidsgave, die duizenddriehonderd vierenvijftig hele Bahar Azadi-munten, afgezien, voor de instemming van haar man met de echtscheiding. Zij eist de rest van de bruidsgave die driehonderdvierenvijftig hele Bahar Azadi-munten is. Mevrouw [de vrouw] zal beslissen over hoe en wanneer de rest van de bruidsgave geïnd moet worden.\n\nEerste getuige:\n\n(….)\n\nTweede getuige:\n\n(…)\n\nReligieuze echtscheiding werd voltrokken door aan alle geldige voorwaarden te voldoen. (…)\n\nDe plaats van uitvoering van de religieuze echtscheiding: Stad: [plaats 4] , Land: Nederland\n\n(….)\n\nDe voor- en achternaam van de uitvoerder van de religieuze echtscheiding, [iman] , de iman van het Sadeghieh Cultureel Centrum en leraar islamitische wetenschappen, en adviseur voor religieuze zaken, nationaliteit: Nederlandse (…)”\n\n2.9.. Bij brief van 26 maart 2025 heeft de vrouw de man gesommeerd om binnen vijftien dagen na bezorging van deze brief 353 volle (1) gouden Bahar-e Azadi munten aan haar over te dragen dan wel de waarde daarvan in euro’s à € 275.445,00 aan haar te vergoeden.\n\n2.10.. De man heeft de bruidsgave niet aan de vrouw voldaan.\n\n2.11.. De man ontvangt een WIA-uitkering van laatstelijk € 1.489,09 netto per maand.\n\n2.12.. De vrouw heeft de Iraanse nationaliteit. De man heeft in elk geval de Iraakse nationaliteit en inmiddels ook de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. De vrouw vordert – samengevat – dat de rechtbank de man bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt om binnen vier weken na betekening van dit vonnis 353 volledige Bahar-e Azadi gouden munten aan de vrouw te overhandigen, of een equivalent daarvan in euro’s ter hoogte van € 275.445,00, aan de vrouw te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede de man veroordeelt tot betaling van € 3.814,19 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van de man in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis.\n\n3.2.. De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. \n\nDe man betwist dat de vrouw aanspraak kan maken op betaling van de bruidsgave. Hij voert onder meer tot verweer dat de vrouw niet de huwelijksakte heeft overgelegd waaruit de aanspraak op de door haar gestelde bruidsgave blijkt. De man legt het echtscheidingsconvenant over. Hij beroept zich op het echtscheidingsconve-nant en de daarin opgenomen finale kwijting. De bruidsgave is daarin meegenomen. Als de vrouw de aanspraak op de bruidsgave heeft verzwegen, heeft zij deze aan de man verbeurd. Als finale kwijting toch niet ziet op de bruidsgave omdat dit een aanspraak sui generis is, kan dit uitsluitend zien op de Syrische voorwaarden.\n\nDe man stelt dat de status van het Iraanse huwelijk onduidelijk is. Een eventueel Iraanse voorwaarde geldt dan als een gewone overeenkomst die, indien zij nog bestaat, hetgeen de man betwist, onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht valt en geraakt wordt door het finale kwijtingsbeding.\n\nDe vordering tot nakoming van de bruidsgave is volgens de man inmiddels verjaard.\n\nHij beroept zich verder op artikel 22 van de Iraanse wet op de gezinsbescherming (2012). Dit artikel verplicht de rechter de draagkracht van de man mee te wegen. De man kan de vordering van de vrouw onmogelijk voldoen: hij ontvangt een WIA-uitkering. Daarom moet de vordering worden afgewezen dan wel gematigd of uitgesteld tot hetgeen de man gelet op zijn daagkracht redelijkerwijs kan voldoen.\n\nIn reconventie\n\n3.4.. In reconventie vordert de man de vrouw te veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie en in reconventie\n\nRechtsmacht\n\n4.1.. Partijen wonen beiden in Nederland. Tussen hen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van de bij dagvaarding ingeleide vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave kennis te nemen. De rechtbank is ook van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is daarover te oordelen.\n\nToepasselijk recht\n\n4.2.. De vrouw vordert (naar inmiddels genoegzaam is gebleken en de man ook heeft begrepen) betaling van de bruidsgave op grond van het Iraanse huwelijk (zie 2.2). Bij het Syrische huwelijk is immers niet overeengekomen dat de man aan de vrouw een bruidsgave van hele gouden Bahar-e Azadi munten zal overhandigen. Beide partijen zijn het er over eens dat de vordering van de vrouw moet worden beoordeeld naar Iraans recht. De rechtbank deelt dat standpunt. Zij licht dat als volgt toe.\n\n4.3.. \n\nOm te bepalen welk recht op de bruidsgave van toepassing is volgens het Nederlands internationaal privaatrecht moet deze eerst worden gekwalificeerd. Daarvoor is het volgende van belang. De bruidsgave vormt een essentieel onderdeel van het huwelijk in Iran. De wettelijke regeling van de Iraanse bruidsgave is te vinden in art. 1078 t\u002Fm 1101 Iraans BW. De bruidsgave betreft een overeenkomst waarbij de man in het kader van de huwelijksvoltrekking zich ertoe verbindt om een geldbedrag, een bepaalde hoeveelheid goud of iets anders van waarde aan de vrouw te geven. De aard en omvang van de bruidsgave kunnen partijen zelf bepalen. De bruidsgave is geen vereiste voor een rechtsgeldig huwelijk. Als partijen hebben nagelaten om afspraken te maken over de bruidsgave, is de vrouw gerechtigd tot een redelijke bruidsgave.\n\n De bruidsgave wordt doorgaans vermeld in de huwelijksakte. De bruidsgave is een exclusief recht van de vrouw. Zij is vanaf de huwelijksvoltrekking eigenaar van de bruidsgave en kan deze van de man opeisen. In de praktijk wordt een bruidsgave doorgaans niet opgeëist tijdens het huwelijk. Partijen kunnen ook afspreken dat een (beperkt) deel van de bruidsgave bij de huwelijksvoltrekking wordt voldaan en het resterende deel wordt uitgesteld tot het einde van het huwelijk. De bruidsgave dient (mede) als financieel vangnet voor de vrouw in geval van echtscheiding. Dit moet worden gezien in het licht van het wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen (behoudens andersluidende afspraken) en het (nagenoeg) ontbreken van een wettelijke aanspraak op levensonderhoud na echtscheiding voor de vrouw.\n\n4.4.. Het Nederlandse rechtssysteem kent de bruidsgave niet. De bruidsgave wordt in Nederland gekwalificeerd als een rechtsfiguur sui generis(een eigensoortige rechtsfiguur), die niet valt binnen één van de bestaande IPR-verwijzingscategorieën, zoals alimentatie of huwelijksvermogensrecht. Omdat de bruidsgave onlosmakelijk met het huwelijk verbonden is, ligt inbedding in het huwelijksrecht voor de hand.De rechtbank gaat er daarom vanuit dat op de bruidsgave het recht van toepassing is volgens welke het huwelijk is gesloten. In dit geval is dat Iraans recht. De vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave wordt daarom beoordeeld naar Iraans recht. Deze uitkomst strookt met de basisgedachte binnen het conflictenrecht om een rechtsverhouding onder te brengen bij het recht dat het nauwst is betrokken bij die rechtsverhouding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.5.. Op de mondelinge behandeling van 24 september 2025 is met partijen besproken het voornemen van de rechtbank om advies te vragen aan het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag (hierna: het IJI) in verband met de omstandigheid dat de Nederlandse rechtspraak in toenemende mate wordt geconfronteerd met de bruidsgave, in het bijzonder de Iraanse variant, en de daaraan verbonden juridische complicaties, die zich ook in deze zaak voordoen. In Iran worden nogal eens exorbitant hoge bruidsgave afspraken gemaakt, en de Iraanse echtscheidingsregeling en praktijk wijken (aanzienlijk) af van de Nederlandse praktijk.Hierdoor ontstaan regelmatig problematische situaties. De rechtbank ziet er bij nader inzien vanaf advies aan het IJI te vragen, nu de vordering van de vrouw op een voorliggend punt afstuit. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.\n\n4.6.. De vrouw vordert betaling van de bruidsgave op grond van het Iraanse huwelijk (zie 2.2). Dit huwelijk is niet in de GBA geregistreerd. De status van het Iraanse huwelijk in Nederland is onduidelijk. Als het Iraanse huwelijk in Nederland niet als rechtsgeldig kan worden erkend, dan kan de vrouw ook niet de in de huwelijksakte van dat huwelijk opgenomen bruidsgave vorderen. Immers, als een huwelijk in Nederland niet rechtsgeldig is, kunnen hier aan dat huwelijk geen rechten worden ontleend. De bruidsgave is onlosmakelijk met het Iraanse huwelijk verbonden.\n\n4.7.. Of het Iraanse huwelijk in Nederland kan worden erkend is een beslissing die (uiteindelijk) aan de familierechter is voorbehouden. Er loopt op dit moment geen procedure; gesteld noch gebleken is dat partijen of één van hen voornemens is\u002Fzijn om een dergelijke procedure te starten. Het had op de weg van de vrouw gelegen om over de status van het Iraanse huwelijk in Nederland duidelijkheid te verschaffen. Bij deze stand van zaken wordt haar vordering tot betaling van de bruidsgave afgewezen.\n\n4.8.. Hieraan voegt de rechtbank, ten overvloede, het volgende toe. De rechtbank acht niet uitgesloten dat een familierechter, als daartoe een verzoekschrift wordt ingediend, zal oordelen dat erkenning van het Iraanse huwelijk in dit bijzondere geval in strijd komt met de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 10:32 van het Burgerlijk Wetboek. Immers, partijen hebben het Iraanse huwelijk in Nederland niet bij de bevoegde autoriteiten gemeld. Partijen hebben zich weliswaar al die jaren in de Nederlandse rechtssfeer gedragen als waren zij met elkaar gehuwd, maar dan op basis van het Syrische huwelijk. Het Syrische huwelijk hebben partijen hier wel laten registreren. Het Syrische huwelijk is inmiddels al jaren geleden ontbonden, door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een door een Nederlandse rechter uitgesproken echtscheiding (zie 2.7). Erkenning van het Iraanse huwelijk zou betekenen dat partijen in Nederland nog steeds als met elkaar gehuwd moeten worden aangemerkt, terwijl zij hier al jaren als van elkaar gescheiden staan geregistreerd.\n\n4.9.. Alle overige verweren behoeven geen bespreking meer.\n\nProceskosten\n\n4.10.. Aangezien partijen (voormalige) echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie en in reconventie:\n\n5.1.. wijst het gevorderde af,\n\n5.2.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Vgl. Hof Den Haag 18 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1153, r.o. 6.1.\n\n Ontleend aan par. 3.3 van de conclusie van A-G mr. Ibili van 22 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:509.\n\n Noot Th.M. de Boer onder Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2188HR, NJ 2020\u002F22, par. 3.\n\n Conclusie A-G mr. Ibili van 22 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:509.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17334","2026-07-13T00:29:09.036Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":135,"fullText":136,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":51,"updatedAt":139},"346","ECLI:NL:RBDHA:2026:17375","ecli-nl-rbdha-2026-17375","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank Den HAAG\n\nMeervoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-3228\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F702557\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Internationale kinderontvoering\n\nBeschikking in het kader van het op 1 april 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een voor de rechtbank bekend adres in Portugal,\n\nadvocaat: mr. R.H. Ebbeng te Veldhoven.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een voor de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift van 1 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.\n\nOp 14 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn\n\nverschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk I. Harderman (telefonisch);\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\nHet betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A. Emmens. De behandeling op de zitting is aangehouden.\n\nNa genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van\n\ncrossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum\n\nInternationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 30 april 2026\n\nheeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is\n\ngeslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.\n\nBij beschikking van deze rechtbank van 1 mei 2026 is vervolgens drs. A. van Teijlingen benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .\n\nDe rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:\n\nhet verweerschrift van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;\n\nhet verslag van de bijzondere curator van 10 mei 2026.\n\nOp 13 mei 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk, in de Portugese taal, J.M. van der Boom;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam] namens de Raad;\n\nA. van Teijlingen als bijzondere curator.\n\nDoor de advocaat van de vader zijn op de zitting pleitnotities overgelegd.\n\nFeiten\n\nDe vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland].\n\nDe moeder heeft een kind uit een eerdere relatie, [minderjarige 2] , van thans 8 jaar oud. De moeder heeft samen met de vader van [minderjarige 2] het gezag over haar.\n\nDe vader heeft [minderjarige 1] erkend.\n\nDe vader en de moeder oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] uit.\n\nOp 10 augustus 2025 heeft de moeder met [minderjarige 1] de woning van de ouders in Portugal verlaten en kort daarna is zij met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland vertrokken.\n\nDe vader heeft de Portugese en Kaapverdische nationaliteit, de moeder en [minderjarige 1] hebben blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) de Nederlandse nationaliteit.\n\nDe vader heeft zich op 14 november 2025 gewend tot de Portugese Centrale Autoriteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe vader heeft verzocht:\n\n met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te bevelen, althans de terugkeer van [minderjarige 1] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder [minderjarige 1] dient terug te brengen naar haar woonadres te [adres] , [plaats 1] , Portugal, dan wel – indien de moeder nalaat [minderjarige 1] terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder [minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de [minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar haar woonadres te [adres] , [plaats 1] , Portugal;\n\n de vader te machtigen, althans hem toestemming te verlenen om deze beschikking zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;\n\n de moeder te veroordelen in de nader te specificeren proceskosten aan de zijde van de vader gevallen ingevolge artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet en de kosten van deze procedure,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nRechtsmacht\n\nHet verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Portugal zijn partij bij het Verdrag.\n\nDe Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.\n\nHet Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.\n\nOngeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag\n\nEr is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of\n\ngezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).\n\nGewone verblijfplaats en gezag\n\nTussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige 1] onmiddellijk voor haar overbrenging naar Nederland haar gewone verblijfplaats in Portugal had, dat de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] zijn belast en dat zij dit gezag daadwerkelijk gezamenlijk uitoefenden op het tijdstip van de overbrenging, dan wel dat dit gezag gezamenlijk zou zijn uitgeoefend als de moeder niet met [minderjarige 1] naar Nederland zou zijn vertrokken. Evenmin is in geschil dat de vader geen toestemming heeft gegeven aan de moeder voor de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland.\n\nVoor zover de moeder heeft betoogd dat zij toestemming heeft van de Portugese autoriteiten voor de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland en om hier samen te blijven en dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] door een beslissing van de Portugese autoriteiten is gewijzigd van Portugal naar Nederland, gaat de rechtbank hier niet in mee. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nDe moeder voert aan dat zij een beschikking heeft gekregen van de Portugese rechtbank waaruit blijkt dat zij vervangende toestemming heeft gekregen voor haar vertrek naar Nederland. Omdat in die beschikking ook is aangegeven “Aangezien zij momenteel op Nederlands grondgebied woont, moet aldaar over de regeling voor de ouderlijke macht worden beslist” is de moeder van mening dat haar verblijf in Nederland rechtmatig is en dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] bij dit rechterlijk besluit is gewijzigd naar Nederland.\n\nDe moeder heeft genoemde beschikking met Nederlandse vertaling overgelegd als productie 7. Dit document heeft als titel ‘Departamento de Investigagào e Agào Penal Regional de Lisboa’, als ondertitel ‘administratieve procedure’ en is op 24 september 2025 ondertekend door de officier van justitie. Het is aan de moeder verstrekt door een justitieel medewerker bij brief van 20 januari 2026.\n\nNu deze beschikking dateert van ná het vertrek van de moeder met [minderjarige 1] naar Nederland, is dus in ieder geval geen sprake van voorafgaande toestemming van de Portugese autoriteiten die de toestemming van de vader kon vervangen. Echter, ook als de beschikking moet worden beschouwd als een bekrachtiging van reeds in Portugal door de autoriteiten mondeling gegeven toestemming om met [minderjarige 1] naar Nederland te vertrekken, kan deze niet de toestemming van de vader vervangen. Evenmin kan de beschikking worden beschouwd als een wijziging van de hoofdverblijfplaats. De rechtbank legt dat als volgt uit.\n\nDe overwegingen van de beschikking luiden als volgt:\n\nZoals blijkt uit het raadplegen van het onderzoek, alsmede uit de voorgaande berichten, bevindt de moeder zich momenteel met de minderjarige in Nederland.\n\nNadat hiernaar onderzoek is gedaan, heb ik niet kunnen vaststellen dat er een civiele voogdijprocedure loopt in naam van de minderjarige of de vader;\n\n*\n\nGezien de inhoud van de voorgaande eisen, wordt er geen onrechtmatigheid gezien in het gedrag van de moeder door naar Nederland te reizen met de minderjarige, omdat er geen enkele voorziening nodig is.\n\nWelnu, uit deze stukken alsmede uit het raadplegen van onderzoek [nummer], blijkt dat:1. De moeder haar adres heeft doorgegeven, ofwel in de processtukken, ofwel aan de gedaagde;2. Voordat zij deze reis heeft gemaakt, verbleef zij in een Blijf-van-mijn-lijf huis vanwege vermeend huiselijk geweld, een procedure die loopt onder Onderzoek [nummer];3. Zij is teruggegaan naar haar land van herkomst waar zij familieleden heeft die haar kunnen helpen, en die zij niet heeft in dit land, vooral in een heel instabiele en angstige periode, omdat zij bang was slachtoffer te worden van psychische en fysieke agressie;4. en haar vader zat in zijn terminale fase en is uiteindelijk ook overleden;\n\nDeze feiten leiden ertoe dat er begrip voor is dat zij dit nationale grondgebied heeft verlaten uit noodzaak, die van haar en die van haar dochter die zij samen met haar agressor heeft, omdat de dochter als getuige van deze agressie tevens slachtoffer is.\n\nDerhalve wordt het als rechtmatig beschouwd dat zij de minderjarige heeft meegenomen en wordt haar gedrag op geen enkele wijze als onrechtmatig beschouwd.\n\nAangezien zij momenteel op Nederlands grondgebied woont, moet aldaar over de regeling voor de ouderlijke macht worden beslist;\n\nDe moeder moet worden geïnformeerd over dit deel van de beschikking;\n\n*\n\nEr moet 60 dagen gewacht worden voordat het onderzoek wordt voortgezet\n\nUit de overgelegde stukken en de verklaringen van de moeder op zitting, leidt de rechtbank af dat de beschikking moet worden gelezen in samenhang met de (ongedateerde) e-mails die de moeder als productie 9 heeft overgelegd en die kennelijk eind augustus 2025 zijn verzonden. In één van de twee overgelegde e-mailberichten, schrijft de moeder het volgende:\n\nMijn jongste dochter, [minderjarige 1] , en ik bevinden ons momenteel in Nederland. Wij hebben op 20-08-2025 aangifte gedaan bij het politiebureau van [plaats 2] en de rechtbank (zie bijlage). Wij kwamen negen dagen geleden aan in Nederland nadat wij in een noodopvang voor slachtoffers van huiselijk geweld hadden verbleven. Ik, [de moeder] , kom uit Nederland en heb in Portugal geen familie of sociaal vangnet.\n\nNu is mijn opa van moederskant overleden op zondag [datum 1] 2025 en de uitvaart was op\n\nzaterdag [datum 2] 2025. In de week voorafgaand aan de uitvaart heb ik gesproken met een\n\nadvocaat via CRIAR-T (de hulpverleningsdienst voor slachtoffers) om te vragen of ik,\n\naangezien de zaak nog aanhangig is, naar mijn geboorteland mocht reizen voor de uitvaart en daar mocht verblijven tot aan de rechtszaak. Er werd mij verteld dat dit geen probleem was, zolang ik de autoriteiten (politie en rechtbank) zou informeren waar ik tijdelijk zou verblijven, zodat de gerechtelijke mededelingen verzonden konden worden.\n\nHet adres waar wij momenteel verblijven, het huis van mijn moeder, is: (…)\n\nNaar ik heb begrepen, heb ik een verklaring van het Openbaar Ministerie nodig om mijn\n\nverblijf in Nederland tot aan de rechtszaak toe te staan. Wij zijn momenteel betrokken bij een zaak van huiselijk geweld. Kunt u deze informatie bevestigen en, indien dit het geval is, een schriftelijke verklaring hiervoor verstrekken? Tevens verzoek ik om de start van de regeling van de ouderlijke verantwoordelijkheid.\n\nDe beschikking is afgegeven door de officier van justitie die leiding geeft aan strafzaken. Als de beschikking wordt gelezen in samenhang met genoemd e-mailbericht, blijkt dat het gaat om een rechtmatigheidsoordeel over een tijdelijk verblijf van [minderjarige 1] in Nederland. De rechtbank begrijpt de beschikking als een beslissing in een strafrechtelijk kader waarbij de moeder hangende een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van de moeder tegen de vader, samen met [minderjarige 1] Portugal mocht verlaten. De beschikking heeft daarmee niet het karakter van een gezagsbeslissing die in Nederland op grond van artikel 30 Brussel II-ter voor erkenning in aanmerking komt. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet is gebleken dat aan de beslissing van de officier van justitie een behoorlijk onderzoek of een behoorlijke rechtspleging vooraf is gegaan. De vader is niet in de procedure betrokken en evenmin is sprake van een maatregel als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub b Brussel II-ter. De rechtbank gaat daarom aan deze beschikking voorbij. Aan de beschikking kan daarom geen vervangende toestemming aan de moeder worden ontleend om met [minderjarige 1] in Nederland te blijven en evenmin kan op basis van deze beschikking worden aangenomen dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] is gewijzigd. De rechtbank stelt daarom vast dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] nog steeds Portugal is.\n\nNu de vader noch de Portugese autoriteiten toestemming hebben gegeven voor de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland en de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Portugees recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.\n\nOnmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag\n\nIngevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.\n\nNu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige 1] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden.\n\nDe moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 20 van het Verdrag.\n\nWeigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag\n\nOp grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.\n\nDe moeder stelt dat bij een terugkeer naar Portugal er ernstig risico bestaat dat [minderjarige 1] wordt blootgesteld aan lichamelijk en geestelijk gevaar of daardoor op een andere manier in een ondragelijke toestand komt. Er was volgens de moeder sprake van huiselijk geweld, zowel psychisch als fysiek. De vader kwam ook regelmatig onder invloed van alcohol thuis. De moeder was vaak het slachtoffer van het geweld, maar geeft aan dat de vader ook wel eens zijn boosheid op [minderjarige 1] heeft gericht. [minderjarige 1] is in ieder geval meerdere malen getuige geweest van het huiselijk geweld jegens de moeder. Na een incident op 10 augustus 2025 heeft de moeder aangifte gedaan van huiselijk geweld waarna zij vervolgens noodgedwongen tien dagen in een safe house in Portugal heeft verbleven. De moeder stelt ook dat zij de primaire verzorger is van [minderjarige 1] en dat [minderjarige 1] bij een terugkeer naar Portugal van haar primaire verzorger en van haar halfzus [minderjarige 2] (met wie zij als sinds de geboorte in familieverband samen woont) zal worden gescheiden. De moeder kan namelijk niet terugkeren naar Portugal. Zij kan niet samen met de vader wonen in hun gezamenlijke woning en heeft inmiddels geen werk meer in Portugal, waardoor zij ook geen andere woning kan krijgen. De vader weigert de woning van partijen te verlaten. De moeder heeft in Portugal geen familie of vrienden waar zij met haar twee kinderen kan verblijven. In Nederland heeft zij inmiddels alles geregeld qua medische zaken en opvang, en een eigen inkomen en woning. Er loopt nog een strafrechtelijk onderzoek in Portugal waardoor de kans bestaat dat de vader wordt vervolgd en veroordeeld in Portugal. Het is bovendien voor de andere dochter van de moeder ook niet meer veilig om terug te keren gelet op het incident dat zich in Nederland met de vader van die dochter heeft voorgedaan. Veilig Thuis is toen betrokken geraakt bij het gezin en de moeder en de kinderen krijgen nu ondersteuning van Veilig Thuis en Stichting Moviera voor het verwerken van hun trauma’s. Dat betekent dat als de terugkeer van [minderjarige 1] wordt gelast, zij in een ondragelijke toestand wordt gebracht.\n\nDe vader betwist dat [minderjarige 1] bij terugkeer naar Portugal wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De vader weerspreekt dat er sprake was van overmatig alcoholgebruik en stelt dat er sprake was van een gelijk verdeelde zorg voor [minderjarige 1] . De vader heeft ook ouderschapsverlof opgenomen om samen met de moeder voor [minderjarige 1] te kunnen zorgen. Ook nadien verrichtte de vader verschillende zorgtaken. Hij bracht beide kinderen, dus niet alleen [minderjarige 1] maar ook [minderjarige 2] , bijvoorbeeld naar school en hij gaf vrijwillig capoeira les op de crèche van [minderjarige 1] . De vader erkent dat er een incident heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2025, maar heeft hier een andere visie op dan de moeder. De moeder heeft aangifte gedaan tegen de vader, maar de vader heeft ook aangifte gedaan tegen de moeder. De vader is in het kader van het strafrechtelijk onderzoek nog niet door de politie verhoord en het onderzoek loopt nog. Veilig Thuis is betrokken geraakt naar aanleiding van een incident met de vader van de andere dochter van de moeder. Vader en [minderjarige 1] hebben een goede band en de vader wijst erop dat de Raad heeft bevestigd dat [minderjarige 1] tijdens de begeleide contacten in Nederland goed op de vader reageerde en dat de vader goed aansluit bij [minderjarige 1] . Ook is niet gebleken dat de vader [minderjarige 1] fysiek iets heeft aangedaan of dat [minderjarige 1] een trauma heeft opgelopen als gevolg van het handelen van de vader. Als de moeder niet met [minderjarige 1] mee kan terugkeren naar Portugal, kan hij voor haar zorgen. De vader heeft met zijn werkgever overlegd en kan van ploegendienst naar een normale dienst, zodat hij [minderjarige 1] kan brengen en halen van de crèche en voor haar kan zorgen.\n\nDe bijzondere curator heeft aangegeven dat zij in het gesprek met [minderjarige 1] een heel leuk en enthousiast kind heeft gezien dat ook enthousiast heeft gereageerd op de foto’s van beide ouders.\n\nDe Raad zag geen risico’s voor onbegeleide omgang, maar heeft op het verzoek van de moeder twee keer de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] begeleid. De Raad heeft geen zorgen over de interactie tussen de vader en [minderjarige 1] . [minderjarige 1] was heel blij om de vader te zien. Er was een liefdevolle interactie tussen de vader en [minderjarige 1] .\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het doel en de strekking van het Verdrag met zich brengen dat de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd en dat een beroep daarop slechts in extreme situaties kan worden gehonoreerd.\n\nAls uitgangspunt geldt daarom dat terugkeer in het belang van [minderjarige 1] is en dat terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. Dit houdt in dat de rechter van de aangezochte staat de in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten, enkel op grond van het oordeel dat het belang van [minderjarige 1] in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar [minderjarige 1] haar uiteindelijke hoofdverblijf dient te hebben, moet plaatsvinden in een bodemprocedure en past niet in deze procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen. Ook kan de dreigende scheiding van een kind van een van de ouders slechts onder stringente voorwaarden de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van een ernstig risico dat een kind wordt blootgesteld aan het gevaar als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.\n\nDe rechtbank oordeelt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat er een ernstig risico bestaat dat [minderjarige 1] door haar terugkeer naar Portugal zal worden blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, of dat [minderjarige 1] op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de moeder haar stelling dat zij niet veilig terug kan keren naar Portugal omdat sprake is geweest van huiselijk geweld, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door de moeder overgelegde aangifte volledig is gebaseerd op de eigen verklaring van de moeder. De vader heeft het relaas van de moeder betwist. Beide ouders hebben op de zitting verklaard dat het onderzoek in de strafrechtelijke procedure in Portugal nog loopt, waardoor niet is komen vast te staan wat er daadwerkelijk gebeurd is op 10 augustus 2025. De rechtbank overweegt voorts dat in (aanvullingen op) het proces-verbaal is opgenomen dat er getuigen zijn van het incident en dat de moeder heeft verklaard dat de vader haar schriftelijk heeft bedreigd, maar dat de moeder geen verklaringen van deze getuigen, noch afschriften van de bedreigende berichten van de vader heeft overgelegd. Daarnaast heeft de moeder geen stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat al voor 10 augustus 2025 sprake is geweest van psychisch of fysiek huiselijk geweld.\n\nDat er van de vader van [minderjarige 2] een zodanige dreiging uitgaat dat de moeder en [minderjarige 2] niet veilig kunnen terugkeren naar Portugal, is evenmin onderbouwd. De gestelde problemen met de vader van [minderjarige 2] zijn door de moeder uitsluitend onderbouwd met een verslag van Veilig Thuis, maar ook deze melding bevat enkel een weergave van het relaas van de moeder. Andere stukken waaruit bedreigingen door de vader van [minderjarige 2] zouden kunnen blijken, zijn niet overgelegd.\n\nTen overvloede wijst de rechtbank erop dat in Portugal hulpverlening en\u002Fof bescherming voor de moeder, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] beschikbaar is. Zij zijn eerder goed opgevangen door de Portugese autoriteiten (eerst in een hotel en daarna in een safe house met beveiliging). De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de Portugese autoriteiten [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de moeder na terugkeer geen adequate bescherming zouden kunnen of willen bieden.\n\nDe Raad heeft bovendien op de zitting aangegeven dat zij een zorgmelding kan doen bij de Portugese Centrale autoriteit zodat de eventueel noodzakelijke hulpverlening voor de moeder en de kinderen in Portugal makkelijker kan worden geregeld.\n\nDat [minderjarige 1] bij terugkeer naar Portugal in een ondragelijke toestand zou worden gebracht, omdat zij dan gescheiden zou worden van haar moeder en halfzus, volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat de moeder bij terugkeer naar Portugal niet in staat zou zijn om een baan en een woning te vinden. Aan de door de moeder gestelde praktische bezwaren bij de terugkeer, gaat de rechtbank daarom voorbij.\n\nTot slot stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat de vader van [minderjarige 2] zich zal verzetten tegen een terugkeer van [minderjarige 2] met haar moeder naar Portugal. De vader van [minderjarige 2] heeft zijn gewone verblijfplaats immers net als de vader in Portugal.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag faalt.\n\nWeigeringsgrond ex artikel 20 van het Verdrag\n\nDe moeder heeft ook een beroep gedaan op artikel 20 van het Verdrag. Op grond van artikel 20 van het Verdrag kan de terugkeer van het kind overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Verdrag worden geweigerd wanneer deze op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte Staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet zou zijn toegestaan. Deze bepaling moet worden gezien in samenhang met het Verdrag van Istanbul dat staten verplicht om geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorkomen, slachtoffers te beschermen en daders te vervolgen.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat artikel 20 van het Verdrag ziet op uitzonderlijke gevallen waarin wordt aangetoond dat het kind in de staat van herkomst tekort dreigt te worden gedaan in de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een dergelijke weigeringsgrond. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het huiselijk geweld en de beschikbare adequate voorzieningen in Portugal.\n\nConclusie\n\nNu geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid b en artikel 20 van het Verdrag en ook niet is gebleken dat er sprake is van een van de overige in het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige 1] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\nOp grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [minderjarige 1] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk maandag 15 juni 2026, zijnde de derde werkdag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.\n\nWijze van terugkeer\n\nDe vader verzoekt specifiek de teruggeleiding van [minderjarige 1] te gelasten naar het woonadres van de voormalig gezamenlijk woning van de ouders in Portugal.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. In artikel 12 van het Verdrag is niet opgenomen naar welke plaats het kind dient te worden teruggeleid. De strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) is dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst zodat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. Het is niet de bedoeling van het Verdrag dat in een teruggeleidingsprocedure wordt beslist over het hoofdverblijf van het kind. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om teruggeleiding van [minderjarige 1] naar de gezamenlijke woning in Portugal te gelasten. De rechtbank zal de teruggeleiding van [minderjarige 1] naar Portugal gelasten.\n\nSterke arm\n\nDe vader verzoekt terugkeer van [minderjarige 1] zo nodig met behulp van de sterke arm te gelasten. O grond van artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.\n\nKosten\n\nDe vader verzoekt te bepalen dat de moeder wordt veroordeeld in de nader te specificeren kosten aan de zijde van de vader gevallen op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet en de kosten van deze procedure.\n\nDe rechtbank overweegt dat op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet de moeder, zo nodig, kan worden veroordeeld tot betaling van de door de vader gemaakte noodzakelijke kosten in verband met de achterhouding en teruggeleiding van [minderjarige 1] . De vader heeft de door hem gemaakte kosten niet nader gespecificeerd zodat het verzoek van vader op dit punt zal worden afgewezen.\n\nWat betreft de kosten van de procedure is uitgangspunt dat deze worden gecompenseerd. De rechtbank kan daar van afwijken als de ernst van de ontvoering daar aanleiding toe geeft. Daarvan is geen sprake zodat de rechtbank de proceskosten zal compenseren.\n\nBijzondere curator\n\nDe rechtbank merkt op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld, beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\ngelast de terugkeer van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland] naar Portugal uiterlijk op maandag 15 juni 2026, waarbij de moeder [minderjarige 1] dient terug te brengen naar Portugal en beveelt, indien de moeder nalaat [minderjarige 1] terug te brengen naar Portugal, dat de moeder [minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 15 juni 2026, opdat de vader [minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar Portugal;\n\n*\n\ncompenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten betaalt;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte;\n\n*\n\nbeschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 27 juni 2026 als beëindigd.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. C.L. Strop, A.M. Brakel en R.S. Matthijssen, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 mei 2026.\n\nVan deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17375","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.420Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":43,"courtId":144,"decisionDate":145,"fullText":146,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":147,"sourceTimestamp":148,"parsedAt":51,"updatedAt":149},"304","ECLI:NL:RBZWB:2026:5380","ecli-nl-rbzwb-2026-5380",64,"2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447086 \u002F FA RK 26-1887\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking over voorziening voogdij\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling\n\nSTICHTING NIDOS,\n\ngevestigd te Utrecht, hierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [de minderjarige],\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2012,\n\nthans verblijvende op het [adres] , [plaats] ,\n\nhierna te noemen de minderjarige.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\nhet verzoek met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026;\n\nde bereidverklaring van de GI tot aanvaarding van de voogdij over de minderjarige, gedateerd 13 april 2026;\n\nde akkoordverklaring van de minderjarige van 4 maart 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De minderjarige heeft, met onderbouwing van onder meer een kopie van een laissez-passer, het volgende verklaard. Zij is samen met haar broertje en haar neefje gereisd. Zij is op 25 mei 2025 in Nederland aangekomen. Zij heeft zich bij de vreemdelingendienst gemeld met een visum in het kader van gezinshereniging en zal in dat verband voor langere tijd in Nederland verblijven. De naam van haar moeder is [naam moeder] en van haar vader [naam vader] . Beide ouders zijn overleden. Zij heeft zich herenigd met [persoon] . [persoon] is een zus van haar moeder. Haar [pleegmoeder] is ook haar oma (pleegmoeder). De pleegmoeder heeft de zorg voor haar op zich genomen toen zij twee jaar was. Zij heeft de Somalische nationaliteit. Zij maakt onderdeel uit van het gezin van de pleegmoeder.\n\n2.2.. Op dit moment verblijft de minderjarige bij de pleegmoeder op bovengenoemd adres.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt om als voogdes over de minderjarige te worden benoemd en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling\n\nInternationale bevoegdheid\n\n4.1.. Vanwege het feit dat de minderjarige niet in Nederland is geboren en zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.\n\n4.2.. Uit het inleidende verzoek van de GI volgt dat het verzoek te kwalificeren is als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiermee valt het verzoek binnen het materieel toepassingsgebied van artikel 1 lid 1 sub a van de Verordening (EU) 2019\u002F1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (hierna: de Brussel II-terVerordening). Aangezien het verzoek na 1 augustus 2022 is ingediend is de Brussel II-terVerordening temporeel van toepassing. De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld en overweegt in dit kader als volgt.\n\n4.3.. Het begrip gewone verblijfplaats is meermalen door het Hof van Justitie van de Europese Unie geïnterpreteerd. Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld, betreft het een autonoom Unierechtelijke begrip, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Brussel II-bisVerordening (en inmiddels de Brussel II-terVerordening), met name het doel dat de bevoegdheidsregels zijn opgezet in het belang van het kind, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (zie arresten 2 april 2009,A, C-523\u002F07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 34 en 35; 22 december 2010,Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 44-46; 8 juni 2017,OL v. PQ, C-111\u002F47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 40).\n\n4.4.. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, alsmede de Hoge Raad, dient het begrip gewone verblijfplaats bovendien een eenvormige betekenis te hebben. Volgens diezelfde rechtspraak stemt de gewone verblijfplaats van het kind overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet door de nationale instantie worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk zaak (zie onder meer de arresten 2 april 2009, A, C-523\u002F07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 42 en 44; 22 december 2010,Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 47; 8 juni 2017,OL v. PQ, C-111\u002F47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 42).\n\n4.5.. Het begrip moet aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf waaronder het naar school gaan, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (zie arrest 2 april 2009, A, C-523\u002F07, ECLI:NL:EU:C:2009:225).\n\n4.6.. Op basis van de feiten en omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld. Ten tijde van de aanhangig making van deze procedure verbleef zij naar eigen zeggen pas vanaf 25 mei 2025 in Nederland en is niet vast komen te staan dat er sprake is van een zekere integratie in Nederland.\n\n4.7.. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld, acht de rechtbank zich bevoegd op grond van artikel 11 lid 1 Brussel II-terVerordening, nu zij zich in Nederland en binnen haar rechtsgebied bevindt.\n\nToepasselijk recht\n\n4.8.. Op grond van artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek, als zijnde de lex fori,dat wil zeggen het Nederlands recht is van toepassing op een procedure voor de Nederlandse rechter.\n\nInhoudelijke beoordeling van het verzoek\n\n4.9.. Op het verzoek is van toepassing het bepaalde in artikel 1:295 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.\n\n4.10.. Op grond van de overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat de minderjarige niet onder ouderlijk gezag staat en er nog geen voogd is. Er is dan ook sprake van een gezagsvacuüm. Daarin dient te worden voorzien.\n\n4.11.. Gelet op de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, de bereidverklaring van de GI en de akkoordverklaring van de minderjarige, zal de rechtbank de GI benoemen tot voogdes over de minderjarige.\n\n4.12.. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. benoemt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2012, tot voogdes de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, gevestigd te Utrecht;\n\n5.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van de griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5380","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:23.548Z",{"id":151,"ecli":152,"slug":153,"caseNumber":43,"courtId":110,"decisionDate":154,"fullText":155,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":157,"parsedAt":51,"updatedAt":158},"1831","ECLI:NL:RBZWB:2026:5175","ecli-nl-rbzwb-2026-5175","2026-05-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019 (echtscheiding) en\n\nC\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329 (boedel)\n\nbeschikking d.d. 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen.\n\n1 Het procesverloop\n\nin beide zaken\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 15 april 2025 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding, met producties;\n\n- het verweerschrift echtscheiding tevens houdende zelfstandige verzoeken, ontvangen op 9 juli 2025, met producties;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken, met producties;\n\n- het op 18 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het F-formulier van 30 december 2025 van de kant van de vrouw, met bijlagen;\n\n- het F-formulier van 15 januari 2026 van de kant van de man, met een productie, met producties.\n\n1.2 De verzoeken zijn behandeld op de mondelinge behandeling van 29 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3. Na de mondelinge behandeling is – overeenkomstig daartoe tijdens die behandeling gemaakte afspraken – door de vrouw nog een akte houdende nadere producties overgelegd. De man heeft daarop bij akte uitlaten producties gereageerd. Daarna heeft de vrouw eigener beweging nog een akte houdende nadere productie genomen; nu de man bij brief op deze akte heeft gereageerd, zal de rechtbank deze akte – en ook de brief van de man – bij de beoordeling van de verzoeken betrekken.\n\n2 De feiten\n\nin beide zaken\n\n2.1. Partijen zijn op [datum] 1996 in het Marokkaanse consulaat te [plaats 1] , Duitsland, met elkaar gehuwd. Partijen hebben beiden de Marokkaanse nationaliteit; daarnaast heeft de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Duitse.3. De verzoeken\n\nin beide zaken\n\n3.1.. \n\nDe man verzoekt de rechtbank\n\n(I) om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken,\n\nen voorts – na vermeerdering van zijn verzoeken – om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nII. de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na de beschikking medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht tot bemiddeling aan een lokale makelaar in de omgeving [woonplaats 2] met betrekking tot de verkoop van de woning, gelegen aan de [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nIII. de vrouw te veroordelen om vervolgens medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning tegen een zo hoog mogelijke opbrengst, één en ander te bepalen door de betreffende makelaar;\n\nIV. de vrouw te veroordelen om de woning uiterlijk twee weken voor de levering leeg, ontruimd en in goede staat achter te laten en niet verder te betreden;\n\nV. de man te machtigen, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in II en III, de beschikking in de plaats te doen stellen van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper(s).\n\nDe man heeft zich verweerd tegen de verzoeken van de vrouw, hierna in rechtsoverweging 3.2 weergegeven onder B.\n\n3.2.. \n\nDe vrouw verweert zich niet tegen het verzoek onder (I) van de man. Bij zelfstandige verzoeken vraagt zij de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nA. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, subsidiair een scheiding van tafel en bed;\n\nB. primair:te bepalen dat de man ex art. 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), zijn aandeel in het onroerend goed te Marokko, de bank- en spaarrekeningen inclusief saldo in Marokko, de inboedel en de auto verbeurt aan de vrouw, nu de man opzettelijk diverse bedragen c.q. de genoemde vermogensbestanddelen heeft weggemaakt in het vooruitzicht van de echtscheiding (verzwijging c.q. zoek maken c.q. verborgen houden) ten einde de vrouw te benadelen, althans ex art. 1:164 BW te bepalen dat de man de gemeenschap binnen zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding goederen van de gemeenschap heeft verspild en hierdoor de gemeenschap heeft benadeeld door diverse geldbedragen c.q. vermogensbestanddelen zonder toestemming van de vrouw over te boeken naar derden en\u002Fof verborgen te houden, zodat de man verplicht is deze geldbedragen en vermogensbestanddelen aan de huwelijksgoederengemeenschap te vergoeden;\n\nsubsidiair:\n\n1. te bepalen dat de woning door [taxateur] dan wel door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige zal worden getaxeerd op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, waarna de woning aan de vrouw zal worden toegedeeld;\n\n2. de hypotheek welke rust op de woning aan de vrouw toe te scheiden, onder de verplichting van de vrouw om de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;\n\n3. de man te veroordelen tot overlegging van verificatoire (eigendoms)stukken ten aanzien van het appartementencomplex te Marokko alsmede ten aanzien van de bankrekeningen te Marokko inclusief saldi per peildatum, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of gedeelte van de dag dat de man hiermee in gebreke blijft;\n\n4. te bepalen dat het appartementencomplex te Marokko behoort tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap en dat dit appartementencomplex door een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijk deskundige zal worden getaxeerd op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, waarna dit onroerend goed aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van de overwaarde tussen partijen van zowel de voormalige echtelijke woning als het appartementencomplex;\n\n5. te bepalen dat de spaarrekening(en) in Marokko aan de man kan\u002Fkunnen worden toegedeeld en de bankrekening van de vrouw bij ING aan de vrouw kan worden toegedeeld onder verrekening van de saldi tussen partijen bij helfte, per peildatum;\n\n6. te bepalen dat de personenauto, merk Jeep, aan de man zal worden toegedeeld onder de verplichting van de man om de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen;\n\n7. te bepalen dat de inboedel van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld en de inboedel in de woning van de man in Marokko aan de man wordt toebedeeld;\n\nmeer subsidiair: een zodanige verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.\n\n3.3.. Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019\n\nEchtscheiding\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van ten minste één van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n4.2.. Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\n4.3.. Beide partijen verzoeken de echtscheiding in hun huwelijk uit te spreken. Zij hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329\n\nVerdeling van de huwelijksgoederengemeenschap\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.4.. De rechtbank heeft rechtsmacht om van de verzoeken van de man kennis te nemen, omdat de rechtbank rechtsmacht had ten aanzien van het echtscheidingsverzoek (artikel 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)\n\n4.5.. Volgens het Nederlandse internationaal privaatrecht wordt het toepasselijk recht op het huwelijksgoederenregime bepaald door het Verdrag van 14 maart 1987, Trb. 1988,130, inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (hierna te noemen: Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). Dit verdrag, dat op 1 september 1992 in werking is getreden, geldt voor echtgenoten die – zoals partijen – na 1 september 1992 in het huwelijk zijn getreden dan wel na die datum het toepasselijke recht op hun huwelijksvermogensregime hebben aangewezen.\n\n4.6.. Partijen hebben vóór of tijdens het huwelijk geen (geldige) rechtskeuze gemaakt overeenkomstig artikelen 3 en 6 van Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting allebei de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw had toen ook al de Duitse nationaliteit. De man heeft in 1997 naast de Marokkaanse ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Partijen zijn (kort) na de huwelijkssluiting in Nederland gaan wonen.\n\n4.7.. Partijen hadden aldus ten tijde van de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke nationaliteit, namelijk de Marokkaanse, terwijl hun gewone verblijfplaats na het huwelijk was gelegen in Nederland. Marokko is een zgn. nationaliteitsland en Nederland heeft een verklaring op grond van artikel 5 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 afgelegd. Dit betekent dat ten tijde van de huwelijkssluiting op grond van artikel 4 lid 2 onder a van dat verdrag Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen.\n\n4.8.. \n\nVervolgens is de vraag of op enig moment alsnog op het huwelijksgoederenregime van partijen Nederlands recht van toepassing is geworden. Artikel 7 lid 2 onder 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 bepaalt immers:\n\n“Het recht dat op grond van de bepalingen van het Verdrag van toepassing is, blijft van toepassing zolang de echtgenoten geen ander toepasselijk recht hebben aangewezen, zelfs in geval van wijziging van hun nationaliteit of gewone verblijfplaats.\n\nIndien de echtgenoten echter noch het toepasselijke recht hebben aangewezen, noch huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, wordt in plaats van het recht waaraan hun huwelijksvermogensregime tevoren was onderworpen het interne recht van de Staat waar de echtgenoten beiden hun gewone verblijfplaats hebben, toepasselijk 1. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien de nationaliteit van die Staat hun gemeenschappelijke nationaliteit is, dan wel vanaf het tijdstip waarop zij die nationaliteit verkrijgen, of 2. wanneer zij na het huwelijk gedurende meer dan tien jaar daar hun gewone verblijfplaats hebben gehad, of 3. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien hun huwelijksvermogensregime uitsluitend op grond van artikel 4, tweede lid, onder 3, was onderworpen aan het recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit.”4.9.. Nu partijen na de huwelijkssluiting Nederland als gewone verblijfplaats hadden, is dus na tien jaar gewone verblijfplaats in Nederland – dat wil zeggen: op [datum] 2006 – voldaan aan de vereisten voor een automatische wijziging overeenkomstig artikel 7, aanhef, sub 2 van het Verdrag van het op het huwelijksgoederenregime van partijen toepasselijke recht naar Nederlands recht.\n\n4.10.. Het vorenstaande betekent dat voor de tijdens het huwelijk door (een van) partijen verkregen goederen dan wel aangegane schulden geldt, dat zover deze goederen zijn verkregen of deze schulden zijn aangegaan vóór [datum] 2006; op de afwikkeling daarvan Marokkaans recht van toepassing is. Aangezien het Marokkaanse recht geen gemeenschap van goederen kent, betekent het vorenstaande voor die goederen\u002Fschulden dat deze blijven bij degene die ze had, heeft verkregen of is aangegaan. Vanaf [datum] 2006 geldt voor partijen het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, hetgeen betekent – nu zij geen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan – dat er sprake is van een gemeenschap van goederen.\n\ninhoudelijk\n\n4.11.. Voor de vaststelling van de omvang van de (sinds [datum] 2006 tussen partijen ontstane) bij de verdeling te betrekken huwelijksgoederengemeenschap geldt als peildatum de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, dus 15 april 2025.\n\n4.12.. De vrouw heeft de navolgende goederen genoemd als vermogensbestanddelen van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap behoren: - de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] ; - een appartementencomplex met grond, gelegen in [plaats 2] , Marokko; - spaartegoeden in Marokko op naam man, groot € 803.737,--; - een bankrekening op naam van de vrouw, met een saldo van € 784,15; - een auto, Jeep, in gebruik bij de man, met een waarde van € 40.000,--; - de inboedel van de woning [woonplaats 2] en van die in Marokko. Daarnaast noemt zij als in de gemeenschap vallende schuld: - hypothecaire schuld bij Woonfonds, groot € 31.346,--.. De man betwist dat de door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen in Marokko (het appartement en de spaartegoeden) en de auto tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoren; hij stelt dat deze zaken er helemaal niet zijn.\n\n4.13.. De rechtbank zal eerst ingaan op het verzoek van de vrouw (onder B, primair), om te bepalen dat de man zijn aandeel in een aantal door haar genoemde vermogensbestanddelen aan haar heeft verbeurd, zulks op grond van het bepaald in artikel 3:194 lid 2 BW, dan wel te bepalen dat de man op grond van artikel 1:164 BW gehouden is de vrouw door hem (gedurende de laatste zes maanden voor de indiening van het echtscheidingsverzoek) verspilde geldbedragen en goederen aan haar te vergoeden.\n\n4.14.. Artikel 3:194, lid 2 BW bepaalt dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgeno(o)t(en) verbeurt. De vrouw stelt dat de man verzwijgt dan wel verborgen houdt, dat in Marokko tot de gemeenschap behorende vermogensbestanddelen aanwezig zijn; zij noemt een stuk grond met daarop een appartement met inboedel, een spaarrekening met daarop een groot bedrag en een auto, Jeep. De man ontkent dat deze zaken er zijn.\n\n4.15.. De rechtbank overweegt en beslist ten aanzien van deze zaken als volgt:|\n\nde onroerende zaak (met inboedel) in Marokko4.16.1. Vast staat dat de man in juli 2006 in [plaats 2] , Marokko een tweetal stukken grond heeft gekocht. Gelet op het hiervoor onder 4.10 overwogene is die grond toen niet in een huwelijksgoederengemeenschap van partijen gevallen; de grond werd eigendom van alleen de man 4.16.2. De vrouw stelt dat de man op de grond een appartementencomplex heeft gebouwd, welk complex, zo stelt zij, tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. De man betwist dat; hij stelt de grond in 2010 te hebben verkocht. Hij heeft van die gestelde verkoop een stuk, in de vertaling geheten “Belofte tot verkoop” overgelegd. De vrouw betwist de betrouwbaarheid van dat stuk en stelt dat dit valselijk is opgemaakt. Dat de man (ver) na de datum van de “Belofte tot verkoop” nog over de grond beschikte en er een appartement op heeft gebouwd, kan, zo stelt de vrouw, worden afgeleid uit een door haar overgelegd stuk, waaruit blijkt dat in oktober 2018 aan de man voor de betreffende percelen een bouwvergunning is afgegeven. Van dit stuk heeft de man weer gesteld dat het valselijk is opgemaakt. De vrouw heeft diverse foto’s en beeldfragmenten overgelegd (zonder bezwaar daartegen zijdens de man), die de bouw, dan wel het bestaan van een gebouw laten zien. De vrouw stelt verder nadere kadastrale stukken in Marokko te hebben opgevraagd.. 4.16.3. De rechtbank is van oordeel dat met het door de man overgelegde stuk onvoldoende is komen vast te staan dat hij de grond heeft verkocht. Daarmee staat evenwel nog niet vast, dat de man op de grond een appartementencomplex heeft gebouwd. Weliswaar is hem – zo blijkt uit het door de vrouw overgelegde stuk, in 2018 een vergunning verleend, maar omdat de uitgewerkte bouwplannen, waarnaar genoemde vergunning verwijst en die bij die vergunning een bijlage zijn, niet zijn overgelegd, kan de rechtbank niet vaststellen waarop de bouwvergunning precies betrekking heeft. Of deze vergunning de bouw betreft van een appartementencomplex en dat die bouw zal plaatsvinden op de hier bedoelde grond van de man, kan de rechtbank niet vaststellen. Daarnaast kan ook uit de door de vrouw overgelegde foto’s en beeldfragmenten niet worden afgeleid (a) dat het daarop zichtbare gebouw wordt gebouwd op de hier bedoelde grond, (b) dat het de bouw betreft waarvoor genoemde bouwvergunning is verleend, en (c) dat de man bij die bouw betrokken was, terwijl voorts (d) niet blijkt dat de beelden zijn gemaakt in de door de vrouw genoemde – en door de man betwiste – jaren 2019 en 2020. Tenslotte moet worden vastgesteld dat het door de vrouw genoemde verzoek om kadastrale stukken uit Marokko– kennelijk – niet heeft geleid tot de verkrijging van stukken die erop wijzen dat er in [plaats 2] onroerende zaken op naam van de man zijn geregistreerd. De rechtbank ziet geen grond om nog langer op stukken te wachten. 4.16.4. Alles overziende oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat er op aan de man in eigendom toebehorende grond in [plaats 2] een appartementencomplex is gebouwd, dat onderdeel is van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen; dat zal dan ook voor een eventuele inboedel van dat complex gelden. Het door de vrouw aangeboden nadere bewijs – het als getuige doen horen van de zoon van partijen – zal hierin geen verandering kunnen brengen, nu de vrouw enkel heeft aangegeven dat de zoon kan verklaren over het bestaan van een appartementencomplex, maar niet van de omstandigheid dat dit complex onderdeel is geworden van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Dit bewijsaanbod zal dan ook worden gepasseerd. 4.16.5. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man de grond en een appartementencomplex in Marokko aan haar heeft verbeurd, zal op grond van het voorgaande moeten worden afgewezen.\n\nde spaarrekening met saldo in Marokko4.17.1. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat in Marokko een spaarrekening bestaat (of heeft bestaan) op naam van de man, met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire. Op deze rekening zijn in de jaren 2004 tot en met 2018 (grote) bedragen (tijdelijk) vastgezet, telkens voor één of twee jaar. In september 2018 bedroeg het saldo van deze rekening 8.500.000,-- MAD, zijnde de equivalent van € 803.734,--. De man betwist dat hij deze rekening heeft gehad – hij legt daartoe een verklaring over van de betreffende Banque Populaire, waarin wordt aangegeven dat de man bij die bank maar één bankrekening heeft, namelijk een rekening met [nummer 2] . 4.17.2. De door de man overgelegde verklaring is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de door de vrouw over de bankrekening met eindcijfers 009 overgelegde stukken – die betrekking hebben op een periode van veertien jaar –, onvoldoende om op grond daarvan te moeten vaststellen dat de genoemde spaarrekening 009 er nooit is geweest. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de rekening heeft bestaan en in 2018 het hierboven genoemde saldo had. De stellingen van de man moeten dan aldus worden begrepen, dat hij stelt dat die rekening\u002Fdat saldo er op de peildatum niet meer was. En het is dan aan de man – ook omdat de rekening op (alleen) zijn naam stond en werd aangehouden bij een bank in Marokko, waar partijen niet woonde maar waar, naar onbetwist is, de man al langere tijd verblijft – om toelichting te geven over wat er sinds 2018 met de rekening\u002Fhet saldo is gebeurd. De man heeft die toelichting niet gegeven; hij heeft enkel laten zien dat op dit moment de bankrekening niet meer bestaat. De rechtbank moet dan aannemen dat het saldo er nog wel is (zij het dat het mogelijk niet meer op de spaarrekening staat) en dat de man dat saldo bewust weghoudt uit deze (verdelings-)procedure. Vastgesteld moet dan worden dat het saldo onderdeel is van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap van partijen en dat de man ten aanzien van dat saldo handelt zoals is omschreven in artikel 3:194, lid 2 BW: hij verzwijgt het geld opzettelijk, dan wel houdt het opzettelijk verborgen. Hij verbeurt daarmee zijn aandeel in dit saldo, hetgeen tot gevolg moert hebben dat het saldo geheel toekomt taan de vrouw. Nu de man geen inzicht heeft gegeven in het verloop van het saldo na september 2018, kan de rechtbank niet anders dan uitgaan van het laatst bekende saldo. De man zal dus een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen.\n\nde auto Jeep4.18.1. De vrouw heeft gesteld dat tot de gemeenschap behoort een auto, Jeep, die door de man (in Marokko) wordt gebruikt. De man heeft ontkent over een auto te beschikken. De vrouw heeft een foto van een Jeep – naar zij onbetwist heeft gesteld: gemaakt in 2025 – overgelegd, en voorts bij haar laatste akte een proces-verbaal van uitvoering (met vertaling in het Nederlands), waaruit blijkt dat door een daartoe bevoegde instantie op 8 april 2026 onderzoek is gedaan bij het voertuigenregistratie-kantoor te [plaats 2] en dat in dat onderzoek is vastgesteld dat daar een auto, Jeep, met [kenteken] op naam van de man is geregistreerd. In onderlinge samenhang beschouwd, leveren deze stukken voldoende bewijs op van de stelling van de vrouw dat de man op de peildatum over deze auto beschikte, en dat de auto dus tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoort. 4.18.2. De man heeft nog twee stukken overgelegd, waaruit naar hij stelt blijkt dat de Jeep met genoemd kenteken bij een ander – en dus niet bij hem – in eigendom is. Deze stukken zijn echter in het Marokkaans gesteld en niet voorzien van een vertaling in het Nederlands; de rechtbank kan daardoor de juistheid van de stelling van de man niet uit die stukken afleiden. Wel ziet de rechtbank dat de stukken betrekking (lijken te) hebben op feiten van op en na 8 april 2026 (de datum waarop het door de vrouw overgelegde onderzoek is gedaan). De stukken zijn dan onvoldoende om het hiervoor vastgestelde – dat de auto op de peildatum in bezit van de man was en tot de huwelijksgoederengemeenschap behoord – te weerleggen. 4.18.3. De rechtbank gaat er dus vanuit, dat de auto onderdeel is van de huwelijksgoederen-gemeenschap van partijen. Dan moet worden vastgesteld dat de man ten aanzien van deze auto handelt zoals is omschreven in artikel 3:194, lid 2 BW: hij verzwijgt de auto opzettelijk, dan wel houdt deze opzettelijk verborgen. Hij verbeurt daarmee zijn aandeel in de auto, hetgeen feitelijk betekent dat die auto geheel zal toekomen aan de vrouw. De rechtbank zal aldus beslissen. Onder die omstandigheden is het niet meer nodig om een waarde van de auto vast te stellen.\n\n4.19.. Nu het primaire verzoek van de vrouw deels wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan de subsidiaire verzoeken. De verzoeken onder B, 1 en 2 hebben betrekking op de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats 2] . Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen deze woning bindend te laten taxeren door een – door hen beide geaccordeerde – taxateur. Bij haar latere akte heeft de vrouw het van die taxatie opgemaakte rapport overgelegd; de man heeft zich met dit rapport akkoord verklaard. De waarde van de woning is door de taxateur vastgesteld op € 450.000,--; De vrouw heeft verzocht de woning aan haar toe te delen. Daarbij zal zij de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Zij heeft gesteld tot de overname van de woning in staat te zijn; de man heeft dat betwist. Na de taxatie zijn partijen op deze discussie niet meer teruggekomen. De rechtbank zal daarom aannemen dat de woning – nu de waarde bekend is – voor die waarde (€ 450.000,--) aan de vrouw kan worden toegedeeld; zij zal daartoe beslissen en bepalen dat de vrouw de hypothecaire schuld (die onbetwist € 31.346,-- bedraagt) als haar eigen schuld op zich zal nemen en zal voldoen, onder de verplichting de man het doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van (€ 450.000,-- – € 31.346,--) : 2= € 209.327,--. De vrouw heeft verder – onder B, 7 verzocht de inboedel van de echtelijke woning zonder verrekening aan haar toe te delen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling daarmee ingestemd. De rechtbank zal aldus beslissen.\n\n4.20.. De rechtbank zal het onbetwiste verzoek van de vrouw onder B, 5 om het saldo van de bankrekening op haar naam bij ING-bank met nr. [iban] aan haar toe te delen, toewijzen; de vrouw zal wegens overbedeling de helft van het saldo, dus (€ 784,15 : 2 =) € 397,08, aan de man dienen uit te keren. Het saldo op de bankrekening op naam van de man bij Banque Populaire in Marokko met [nummer 2] wordt – nu daartegen geen verweer is gevoerd – toegedeeld aan de man. Wegens overbedeling zal hij de helft van het saldo op de peildatum (15 april 2025) aan de vrouw dienen te vergoeden. Op grond van de door de man overgelegde bankafschriften kan het saldo op genoemde datum worden vastgesteld op 35.460,38 MAD, zijnde € 3.190,--. De man dient dus een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw uit te keren.\n\n4.21.. Aan de subsidiaire verzoeken betreffende de grond en het appartementencomplex (inclusief de inboedel) in Marokko, de bankrekeningen aldaar en de auto komt de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.16, 4.17 en 4.18 is overwogen en beslist, niet toe.\n\n4.22.. Resumerend zal de rechtbank de wijze van verdelen van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap als volgt vaststellen: ● de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (inclusief de inboedel) wordt toegedeeld aan de vrouw; zij zal de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van € 209.327,--; ● het saldo van de bankrekening bij ING-bank met nr. [iban] wordt toegedeeld aan de vrouw; wegens overbedeling zal de vrouw € 397,08, aan de man dienen uit te keren ● het saldo op de bankrekening met [nummer 2] bij Banque Populaire in Marokko wordt toegedeeld aan de man; wegens overbedeling zal de man een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw dienen uit te keren; ● het saldo van de spaarrekening met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire in Marokko komt geheel toe aan de vrouw; de man zal een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen; ● de auto Jeep, met [kenteken] , komt geheel toe aan de vrouw; de man zal de auto aan de vrouw dienen af te geven.\n\n4.23.. De rechtbank zal overeenkomstig rechtsoverweging 4.19 beslissen, en afwijzen wat meer of anders is verzocht.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019\n\nspreekt de echtscheiding uit in het op [datum] 1996 tussen partijen in het Marokkaans consulaat te [plaats 1] gesloten huwelijk;\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329\n\nstelt – uitvoerbaar bij voorraad – de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:\n\n● de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (inclusief de inboedel) wordt toegedeeld aan de vrouw; zij zal de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van € 209.327,--; ● het saldo van de bankrekening bij ING-bank met nr. [iban] wordt toegedeeld aan de vrouw; wegens overbedeling zal de vrouw € 397,08, aan de man dienen uit te keren ● het saldo op de bankrekening met [nummer 2] bij Banque Populaire in Marokko wordt toegedeeld aan de man; wegens overbedeling zal de man een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw dienen uit te keren; ● het saldo van de spaarrekening met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire in Marokko komt geheel toe aan de vrouw; de man zal een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen; ● de auto Jeep, met [kenteken] , komt geheel toe aan de vrouw; de man zal de auto aan de vrouw dienen af te geven.\n\nwijst af hetgeen meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Dijk, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\n- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\n- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5175","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.942Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":43,"courtId":82,"decisionDate":163,"fullText":164,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":165,"sourceTimestamp":166,"parsedAt":51,"updatedAt":167},"879","ECLI:NL:RBAMS:2026:3521","ecli-nl-rbams-2026-3521","2026-04-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F773139 \u002F HA ZA 25-1328\n\nVonnis van 1 april 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n360 EUROPE ASSET MANAGEMENT LTD,\n\ngevestigd te Amstelveen, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n360 EUROPE CENTRE MANAGEMENT B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: 360 Europe c.s.,\n\nadvocaat: mr. L.P. Lustermans,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 AALSMEER B.V.,\n\ngevestigd te Aalsmeer, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 ALMERE B.V.,\n\ngevestigd te Almere, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 DORDRECHT B.V.,\n\ngevestigd te Dordrecht, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 EINDHOVEN B.V.,\n\ngevestigd te Eindhoven, 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 HOUTEN B.V.,\n\ngevestigd te Houten, 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 INNSBRUCKWEG B.V.,\n\ngevestigd te Rotterdam, 7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 LEIDERDORP B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam, 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 UTRECHT B.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: HCI 360 c.s.,\n\nadvocaat: mr. M. Deckers.\n\n1. De kern van de zaak1.1. 360. Europe c.s. hebben een procedure tegen HCI 360 c.s. gevoerd bij de Engelse rechter. De Engelse rechter heeft in twee vonnissen HCI 360 c.s. veroordeeld om een aantal bedragen aan 360 Europe c.s. te betalen. 360 Europe c.s. willen deze veroordelingen in Nederland ten uitvoer leggen en vorderen daarom in deze procedure dat HCI 360 c.s. worden veroordeeld tot hetgeen waartoe zij in de Engelse vonnissen zijn veroordeeld.\n\n1.2.. HCI 360 c.s. zijn het met name niet eens met de door 360 Europe c.s. gevorderde hoofdelijke veroordeling. HCI 360 c.s. menen dat het eerste Engelse vonnis zo moeten worden uitgelegd dat geen hoofdelijke veroordeling is uitgesproken, behalve als het gaat om de proceskosten.\n\n1.3.. De rechtbank geeft HCI 360 c.s. hierin geen gelijk en wijst daarom de vorderingen van 360 Europe c.s. toe. Hierna wordt nader uitgelegd waarom.\n\n2. De procedure2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 14 juli 2025, met producties,\n\n- de exploten van overbetekening dagvaarding aan derden, ontvangen ter griffie op 6 augustus 2025,\n\n- de conclusie van antwoord, tevens houdende verzoek tot aanhouding in verband met buitenlandse procedure tot verduidelijking Engels vonnis, met producties,\n\n- de akte uitlating verzoek tot aanhouding in verband met buitenlandse procedure tot verduidelijking Engels vonnis van 360 Europe c.s., met een productie,\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 februari 2026 en de daarin genoemde stukken, en de door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen die zich in het dossier bevinden,\n\n- de berichten van mr. Lustermans en mr. Deckers van 9 maart 2026, waarin verzocht is om vonnis te wijzen.\n\n3. De feiten3.1.. HCI 360 c.s. zijn eigenaar van onroerend goed in Nederland en houden zich bezig met het verhuren van bedrijfsruimte.\n\n3.2. 360. Europe c.s. hebben in opdracht van HCI 360 c.s. werkzaamheden uitgevoerd, bestaande uit het verrichten van commerciële en beheeractiviteiten voor HCI 360 c.s.\n\n3.3. 360. Europe c.s. zijn een procedure gestart tegen HCI 360 c.s. bij de County Court in Central London, Verenigd Koninkrijk, waarbij zij hebben gesteld dat HCI 360 c.s. hebben nagelaten om afgesproken vergoedingen te voldoen. Deze procedure heeft geleid tot een vonnis op tegenspraak van 12 mei 2025 (hierna: het eerste vonnis), waarin HCI 360 c.s. onder meer zijn veroordeeld tot betaling van € 960.887,12, GBP 72.577,70 en GBP 350.000,-. Dit is in het vonnis als volgt weergegeven:\n\n“2) By 4pm on 26 May 2025, it is ordered that the Defendants pay the Claimants the sum of EUR 960,887.12, (…)\n\n3) By 4pm on 26 May 2025, it is ordered that the Defendants pay the Claimants the sum of £72,577.70, (…)\n\n7) By 4 pm on 26 May 2025, the Defendants shall pay the Claimants the sum of £350,000 on account of costs.”\n\n3.4.. Op verzoek van 360 Europe c.s. heeft de Engelse rechter op 12 juni 2025 een verbeterd vonnis verstrekt, waarbij de juiste namen van de vennootschappen van HCI 360 c.s. op het vonnis zijn vermeld.\n\n3.5.. Bij brief van 21 mei 2025 hebben 360 Europe c.s. HCI 360 c.s. gesommeerd om uiterlijk op 26 mei 2025 om 16:00 uur aan de veroordelingen in het Engelse vonnis te voldoen.\n\n3.6. 360. Europe c.s. hebben in juni 2025 met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank conservatoire beslagen gelegd onder derden ten laste van HCI 360 c.s. en op onroerende zaken van HCI 360 c.s.\n\n3.7.. HCI 360 c.s. hebben in een kort geding procedure bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank opheffing van de conservatoire beslagen gevorderd. Bij proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 28 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het door 360 Europe c.s. gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak van HCI Aalsmeer opgeheven.\n\n3.8.. HCI 360 c.s. hebben in oktober 2025 via een Slip Ruleprocedure de Engelse rechter verzocht om het eerste vonnis te verduidelijken en zo aan te passen dat de veroordelingen (behalve de proceskosten) niet hoofdelijk zijn uitgesproken, maar dat elk van de door HCI 360 c.s. vennootschappen aan 360 Europe c.s. verschuldigde bedragen afzonderlijk worden weergegeven. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 januari 2026 heeft de Engelse rechter dit verzoek afgewezen. Dit heeft de Engelse rechter bij vonnis van 30 januari 2026 (hierna: het tweede vonnis) bevestigd en als volgt geformuleerd:\n\n“(…)the Defendants are jointly and severally liable to pay the Claimants the sums ordered in each of paragraphs 2, 3 (…) and 7 of the Order, which means that each Claimant is entitled to enforce such sums or any part of them against the Defendants or any combination of them in whole or part.”\n\nDaarnaast heeft de Engelse rechter bepaald dat HCI 360 c.s. worden veroordeeld in de kosten van de Slip Rule procedure van GBP 10.000,- en dat deze kosten uiterlijk op 5 februari 2026 om 16:00 uur moeten worden betaald.\n\n4. Het geschil4.1. 360. \n\nEurope c.s. vorderen na wijziging van eis – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat HCI 360 c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van:\n\nI. € 960.887,12, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025,\n\nII. GBP 72.577,70, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\nIII. GBP 350.000,-, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\nIV. GBP 10.000,-, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 4 februari 2026, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\nV. de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,-,\n\nVI. de beslagkosten,\n\nVII. de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n4.2. 360. Europe c.s. baseren hun vordering op artikel 431 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij leggen primair aan hun vorderingen ten grondslag dat gezag moet worden toegekend aan de Engelse vonnissen en subsidiair dat een nieuwe inhoudelijke beoordeling van deze rechtbank moet plaatsvinden. 360 Europe c.s. stellen dat de Engelse vonnissen in Nederland moeten worden erkend en ten uitvoer kunnen worden gelegd, omdat aan de in de rechtspraak ontwikkelde criteria is voldaan.\n\n4.3.. HCI 360 c.s. zijn het niet met de vorderingen eens en voeren aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van 360 Europe c.s. in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordelingRechtsmacht5.1.. Er is sprake van een internationaal geschil. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen van 360 Europe c.s. kennis te nemen. Dat is het geval, omdat gedaagden in Nederland gevestigd zijn (art. 2 Rv.).\n\nToetsingskader5.2.. \n\nDe vorderingen van 360 Europe c.s. zijn gebaseerd op artikel 431 lid 2 Rv. Ambtshalve dient de rechtbank echter ook uitvoering te geven aan het Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken (Pb EU L 187\u002F4 van 14 juli 2022). Zowel Nederland (door toetreding van de Europese Unie met inwerkingtreding op 1 september 2023) als het Verenigd koninkrijk (door toetreding met inwerkingtreding op 1 juli 2025) zijn partij bij dit verdrag.\n\nHet eerste vonnis valt niet onder de werking van dat verdrag, het tweede vonnis wel en dit wordt op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van genoemd verdrag in Nederland erkend en kan ten uitvoer worden gelegd.\n\n5.3.. Wat het eerste vonnis betreft is de vraag die in deze zaak centraal staat is of HCI 360 c.s. kunnen worden veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe zij in dat vonnis zijn veroordeeld, dat wil zeggen of in Nederland aan die beslissing gezag toekomt. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van een aantal voorwaarden zoals opgesomd in het zogenaamde Gazprombankarrest.Hieruit volgt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:\n\ni) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,\n\nii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,\n\niii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde,\n\niv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.\n\n5.4.. Op het moment dat aan de hiervoor vermelde voorwaarden is voldaan, moet de Nederlandse rechter als uitgangspunt nemen dat partijen aan de buitenlandse beslissing zijn gebonden. Een vordering op grond van artikel 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, is dan in beginsel toewijsbaar.\n\nDe veroordelingen in het eerste Engelse vonnis moeten als hoofdelijk worden begrepen5.5.. De kern van het geschil is hoe het eerste Engelse vonnis moet worden uitgelegd. In dat vonnis zijn HCI 360 c.s. veroordeeld tot betaling aan 360 Europe c.s. van € 960.887,12, GBP 72.577,70 en GBP 350.000,-. 360 Europe c.s. vorderen in deze procedure dat deze veroordelingen hoofdelijk worden uitgesproken. HCI 360 c.s. verzetten zich hiertegen en voeren aan dat 360 Europe c.s. in de Engelse procedure geen hoofdelijke veroordeling hebben gevorderd, dat dit niet in het partijdebat naar voren is gekomen en dat een dergelijke veroordeling niet uit het vonnis volgt. Volgens HCI 360 c.s. moeten daarom de veroordelingen in het eerste vonnis niet als hoofdelijk toegewezen begrepen worden, met uitzondering van de proceskosten.\n\n5.6.. De rechtbank volgt HCI 360 c.s. hierin niet. Het eerste vonnis bevat namelijk geen uitsplitsing van het door elk van de door HCI 360 c.s. vennootschappen afzonderlijk te betalen bedragen, maar slechts de bepaling dat “the Defendants” de daarin genoemde totaalbedragen dienen te betalen. Dat betekent dat de veroordelingen als hoofdelijk moeten worden begrepen, hetgeen ook door de Engelse rechter in het tweede vonnis is bevestigd. HCI 360 c.s. hebben namelijk via de Slip Rule procedure verduidelijking van het eerste vonnis gevraagd. Zij hebben de Engelse rechter verzocht om het eerste vonnis zo aan te passen dat zij niet hoofdelijk zijn verbonden tot betaling van de totaalbedragen aan 360 Europe c.s., maar om de elk door de HCI 360 c.s. vennootschappen afzonderlijk verschuldigde bedragen in de veroordeling te specificeren. De Engelse rechter heeft vervolgens in het tweede vonnis nadrukkelijk overwogen dat HCI 360 c.s. gezamenlijk en hoofdelijk (‘joint and several’) zijn veroordeeld tot de in het eerste vonnis toegewezen bedragen en heeft daarom de gevorderde aanpassing voor individuele veroordelingen van HCI 360 c.s. in het gedeelte van de totaalbedragen afgewezen. De conclusie is dan ook dat het eerste vonnis zo moet worden begrepen dat de veroordelingen hoofdelijk zijn uitgesproken.\n\nHet verweer van HCI 360 c.s. dat niet aan de voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest is voldaan slaagt niet5.7.. HCI 360 c.s. hebben zich erop beroepen dat als hun uitleg van het eerste vonnis niet wordt gevolgd, wat hier aan de orde is, niet voldaan wordt aan de voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest. Volgens HCI 360 c.s. levert een hoofdelijke veroordeling namelijk een strijd op met artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en de Nederlandse openbare orde, omdat een hoofdelijke veroordeling niet in de Engelse procedure was gevorderd. Nu HCI 360 c.s. zich hiertegen niet hebben kunnen verweren, heeft geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden. Daarnaast zou toewijzing van de vorderingen van 360 Europe c.s. ertoe leiden dat meer van HCI 360 c.s. kan worden geëxecuteerd dan in het eerste vonnis is toegewezen.\n\n5.8. 360. Europe c.s. hebben hiertegen ingebracht dat de tekst van het eerste vonnis van tevoren bij partijen bekend was en dat zij daar commentaar op mochten leveren. Daarnaast is een hoofdelijke veroordeling in de Slip Rule procedure onderdeel van het partijdebat geweest en zijn beide partijen in de gelegenheid geweest hun standpunten toe te lichten. Vervolgens heeft de Engelse rechter in het tweede vonnis het eerste vonnis bevestigd en uitgesproken dat de daarin opgenomen veroordelingen hoofdelijk zijn. Ten slotte hebben HCI 360 c.s. geen gebruik gemaakt van hun mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen tegen de vonnissen.\n\n5.9.. Het betoog van HCI 360 c.s. dat een hoofdelijke veroordeling in strijd is met artikel 6 EVRM en de Nederlandse openbare orde slaagt niet. De voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest hangen met elkaar samen en zien op de behoorlijke rechtspleging. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarden is voldaan, gaat het er niet om of de buitenlandse beslissing juist is. Er is geen plaats voor een inhoudelijke toetsing (het verbod van révision au fond). Het gaat erom dat voorkomen wordt dat een buitenlandse beslissing naar haar totstandkoming of haar inhoud in strijd is met beginselen en waarden die in de Nederlandse orde als fundamenteel worden aangemerkt. Als dat het geval is, kan de buitenlandse beslissing niet in Nederland worden erkend.In dit geval is hier echter geen sprake van. Zoals hiervoor is overwogen kan uit de tekst van het eerste vonnis worden afgeleid dat de veroordelingen hoofdelijk zijn uitgesproken. Verder staat vast dat HCI 360 c.s. via de weg van de Slip Rule procedure hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken dat zij vinden dat het eerste vonnis zo moet worden begrepen dat geen hoofdelijke veroordeling is toegewezen. De daaropvolgende beslissing van de Engelse rechter dat de veroordelingen uit het eerste vonnis wel hoofdelijk zijn toegewezen, is een beslissing die is voorbehouden aan de Engelse rechter. Als HCI 360 c.s. na het uitspreken van het eerste vonnis meenden dat de veroordelingen ten onrechte als hoofdelijk waren uitgesproken, hadden zij hiertegen hoger beroep moeten instellen. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat er geen sprake is geweest van een ‘fair trail’ als bedoeld in artikel 6 EVRM en ook niet dat sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde.\n\nHet Engelse vonnis is voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar5.10.. \n\nOmdat partijen het er verder over eens zijn dat aan de overige voorwaarden uit het Gazprombankarrest (zie 5.3) is voldaan, kan ook het eerste Engelse vonnis in Nederland worden erkend en ten uitvoer worden gelegd.\n\nSlotsom5.11.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van 360 Europe c.s. hoofdelijk worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde proceskosten van de Slip Rule procedure van GBP 10.000,-, omdat uit het tweede vonnis volgt dat deze kosten voor rekening van HCI 360 c.s. komen. Een hoofdelijke veroordeling betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Wat de één betaalt hoeft de ander niet meer te betalen. Op grond van artikel 6:123 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen 360 Europe c.s. de vorderingen II tot en met IV executeren in Nederlands geld. Dit moet overeenkomstig artikel 6:124 BW gebeuren door omrekening van de Britse pond in euro’s naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.\n\nRente5.12.. De gevorderde binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk over de vorderingen I tot en met IV wordt toegewezen, omdat deze niet door HCI 360 c.s. is betwist. 360 Europe c.s. vorderen binnenlandse rente over de vorderingen I tot en met III vanaf 12 mei 2025 en over de vordering IV vanaf 4 februari 2026. Uit het eerste vonnis blijkt dat de daarin opgenomen veroordelingen uiterlijk op 26 mei 2025 moeten worden betaald en uit het tweede vonnis volgt dat de proceskostenveroordeling op 5 februari 2026 moet worden voldaan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat vanaf die data binnenlandse rente is verschuldigd. De gevorderde rente wordt dan ook toegewezen zoals hierna in de beslissing is bepaald.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten5.13. 360. Europe c.s. vorderen hoofdelijk een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). 360 Europe c.s. hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. 360 Europe c.s. hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wordt een bedrag van € 6.775,- hoofdelijk toegewezen.\n\nBeslagkosten5.14. 360. Europe c.s. vorderen HCI 360 c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. HCI 360 c.s. voeren aan dat deze kosten moeten worden afgewezen omdat deze kosten geen deel uitmaken van de procedure als bedoeld in artikel 431 lid 2 Rv en deze kosten nodeloos zijn gemaakt. De rechtbank overweegt dat artikel 706 Rv bepaalt dat de beslagkosten voor rekening komen van de beslagene. Dit is alleen anders als de beslagen nietig, onnodig of onrechtmatig waren. In dit geval is het de rechtbank van dit laatste niet gebleken, zodat de beslagkosten voor rekening van HCI 360 c.s. komen. De beslagkosten worden vastgesteld op:\n\n€ 6.293,73 voor kosten deurwaardersexploten (de beslagexploten van 30 juni 2025 voor beslag onder VasteState en Rabobank en op onroerende zaken, de betekening van de beslagen aan HCI 360 c.s. op 2 juli 2025 en de overbetekening van de dagvaarding aan Rabobank op 16 juli 2025 en aan VasteState op 21 juli 2025),\n\n€ 714,00 voor griffierecht,\n\n€ 4.631,00 voor salaris advocaat (1 punt x 4.631,00).\n\nDe beslagkosten bedragen in totaal € 11.638,73 en HCI 360 c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld deze te betalen.\n\nProceskosten5.15.. HCI 360 c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van 360 Europe c.s. worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n143,00\n\n- griffierecht\n\n€\n\n9.474,00\n\n(verminderd met griffierecht voor beslag)\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n19.068,00\n\n5.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.17.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.\n\nUitvoerbaar bij voorraad5.18. 360. Europe c.s. vorderen dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. HCI 360 c.s. voeren hiertegen verweer. De rechtbank wijst de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring toe en legt hierna uit waarom.\n\n5.19.. Uitgangspunt is dat een veroordeling die is uitgesproken uitvoerbaar moet zijn en ten uitvoer kan worden gelegd, ook als er nog hoger beroep of een andere hogere voorziening mogelijk is. Dit kan anders zijn als het belang van de veroordeelde om de huidige situatie te behouden totdat op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling wil laten uitvoeren. Bij de beoordeling hiervan kijkt de rechter naar de beslissing die uitgevoerd moet worden en de feiten en oordelen die daaraan ten grondslag liggen. De rechter houdt geen rekening met de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel. Wel kan de rechter bij zijn oordeel betrekken of de beslissing die uitgevoerd moet worden berust op een kennelijke misslag.\n\n5.20.. Omdat het hier gaat om veroordelingen tot betalingen van geldsommen, is daarmee het belang van 360 Europe c.s. bij de tenuitvoerlegging gegeven. Er bestaat in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt. HCI 360 c.s. betogen dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaring voor hen tot onomkeerbare financiële gevolgen zal leiden, maar zij hebben het gestelde onaanvaardbare restitutierisico niet verder onderbouwd of toegelicht. Dat brengt mee dat het belang van HCI 360 c.s. niet zwaarder weegt dan het belang van 360 Europe c.s. Het argument van HCI 360 c.s. dat het niet aannemelijk is dat 360 Europe c.s. in hun verhaalsmogelijkheden worden beperkt en zij hun aanspraken kunnen waarborgen via conservatoire maatregelen, gaat niet op. HCI 360 c.s. hebben namelijk zelf tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij enorme verliezen lijden en dat er feitelijk gezien geen verhaal bij haar mogelijk is. De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt dan ook toegewezen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van € 960.887,12, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.2.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 72.577,70, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\n6.3.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 350.000,00, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\n6.4.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 10.000,00, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 5 februari 2026, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\n6.5.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n6.6.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 11.638,73,\n\n6.7.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 19.068,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als HCI 360 c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.8.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.9.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.\n\n HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprom).\n\n Zie HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54 (Yukos) r.o. 4.1.3 en 4.1.4.\n\n Hof Amsterdam 28 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:753.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3521","2026-04-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.554Z",{"id":169,"ecli":170,"slug":171,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":172,"fullText":173,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":174,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":51,"updatedAt":175},"1823","ECLI:NL:RBNHO:2026:2240","ecli-nl-rbnho-2026-2240","2026-03-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F360255 \u002F FA RK 24-6431 en C\u002F15\u002F366942 \u002F FA RK 25-3302\n\nBeschikking d.d. 5 maart 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. A.C. Mens, gevestigd te Hoofddorp,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] , [land] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. B.R. de Boer-Kühn, gevestigd te Amsterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 17 december 2024;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 20 mei 2025;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 24 juni 2025;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 18 september 2025;\n\n- het gewijzigd verzoek van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 26 januari 2026 en 27 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 3 februari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is burger van de Bondsrepubliek Duitsland.\n\n2.2.. Scheiding\n\n2.2.1.. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.2.2.. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n2.2.3.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de man zich in Nederland bevond, deze daar sinds ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had en ten tijde van de indiening reeds de Nederlandse nationaliteit bezat, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n2.2.4.. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\n2.2.5.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.3.. Onderhoudsbijdrage\n\n2.3.1.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) moet betalen van € 1.500,- per maand.\n\n2.3.2.. De vrouw heeft zich verweerd tegen dit verzoek en heeft verzocht de partnerbijdrage op nihil te stellen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw verzoekt het verzoek tot het vaststellen van een partnerbijdrage af te wijzen, omdat van nihilstelling pas sprake kan zijn als eerder een partnerbijdrage is vastgesteld.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.3.3.. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4\u002F2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.\n\n2.3.4.. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.\n\nBehoefte\n\n2.8.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond.\n\nIngangsdatum\n\n2.3.5.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.\n\nBehoefte\n\n2.3.6.. De man heeft zijn huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend, waartegen de vrouw zich niet heeft verweerd. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van partijen beoordelen aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen over 2023, zijnde het laatste volledige jaar voordat partijen medio 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat de behoefte moet worden berekend aan de hand van het inkomen van één echtgenoot. Tijdens haar studie heeft de vrouw immers evenals de man gewerkt en in Duitsland heeft de man ook gewerkt gelijktijdig met de vrouw. De rechtbank constateert verder dat geen van partijen duidelijk en volledig inzage heeft gegeven in zijn of haar inkomen over 2023. Van de vrouw is een salarisspecificatie van juni 2023 overgelegd, waaruit een netto inkomen volgt van € 2.048,- per maand, exclusief extra’s zoals de kerstbonus die zij stelt jaarlijks te ontvangen. Zij heeft zelf gesteld dat zij een netto besteedbaar inkomen had van € 2.115,- per maand, wat de rechtbank gelet op het bovenstaande netto inkomen van de vrouw niet onaannemelijk voorkomt, zodat hierbij zal worden aangesloten. De man heeft gesteld dat hij tijdens het huwelijk een salaris had van € 1.933,- netto per maand, welk bedrag door de vrouw niet is betwist, zodat de rechtbank daar eveneens van zal uitgaan.2.3.7.. Op grond van bovenstaande inkomens van partijen, bedroeg het netto besteedbaar inkomen van partijen in 2023 € 4.048,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedroeg dan 60% hiervan, te weten € 2.429,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.3.8.. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud. De man heeft gedurende het huwelijk altijd gewerkt en heeft voldoende mogelijkheden om een baan te vinden. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man gelijk aan het minimumloon voor een 36-urige werkweek ter hoogte van € 2.304,- netto per maand. De man heeft gesteld dat hij niet in staat is te werken vanwege zijn psychische gesteldheid. Hij lijdt aan een depressie als gevolg van de scheiding van partijen en de situatie waarin hij hierdoor is komen te verkeren. De man ontvangt sinds mei 2025 een bijstandsuitkering, waarbij hij is vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht.\n\n2.3.9.. De rechtbank stelt vast dat de man al langere tijd een bijstandsuitkering ontvangt. De man heeft verder voldoende onderbouwd dat hij om psychische redenen nu niet in staat is te werken. Om die reden zal de rechtbank niet uitgaan van een hogere verdiencapaciteit aan de zijde van de man. Wel wordt rekening gehouden met een eigen inkomen ter hoogte van de bijstandsuitkering die de man ontvangt van € 782,- netto per maand. Na aftrek van deze eigen inkomsten, resteert een aanvullende behoefte van de man van € 1.647,- netto per maand.\n\nDraagkracht vrouw\n\n2.3.10.. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\n2.3.11.. Bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw, sluit de rechtbank aan bij haar inkomen zoals blijkt uit haar salarisspecificatie van november 2025. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voldoende gegevens zijn af te leiden over het inkomen van de vrouw, mede gelet op de toelichting die de vrouw ter zitting heeft gegeven, zodat voorbij zal worden gegaan aan het verzoek van de man de vrouw te gelasten haar jaaropgave 2025 te overleggen, temeer nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat deze in beginsel niet wordt verstrekt in Duitsland.\n\n2.3.12.. Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht moet worden berekend aan de hand van het netto inkomen van de vrouw, omdat zij in Duitsland belastingplichtig is. Uit de salarisspecificatie van november 2025 blijkt een netto inkomen van de vrouw van € 2.358,- per maand, wat neerkomt op € 28.296,- netto per jaar. De vrouw heeft gesteld dat zij daarnaast jaarlijks een “kerstbonus” krijgt, welke in 2025 € 888,- netto bedroeg. De rechtbank houdt daarom rekening met een totaal inkomen van de vrouw van € 29.184,- netto per jaar.\n\n2.3.13.. Verder houdt de rechtbank rekening met de forfaitaire woonlast. De man heeft gesteld dat de vrouw bij haar ouders woont en geen woonlasten heeft. De vrouw heeft deze stelling weersproken en gesteld dat zij inmiddels weer een eigen woning heeft en hiervoor maandelijks huur betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt om rekening te houden met de forfaitaire woonlast.\n\n2.3.14.. Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank de draagkracht van de vrouw op € 202,- netto per maand. De rechtbank zal een door de vrouw aan de man te betalen partnerbijdrage vaststellen ter hoogte van dit bedrag, te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal de partnerbijdrage vaststellen als netto bijdrage, omdat partijen niet weten of deze bijdrage aftrekbaar is voor de vrouw in Duitsland.\n\n2.4.. Verdeling\n\n2.4.1.. Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.4.2.. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.\n\n2.4.3.. Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.\n\n2.4.4.. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.\n\n2.4.5.. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.\n\n2.4.6.. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het Nederlandse recht, van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.\n\n2.4.7.. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. Dit betekent dat tussen hen een wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap is ontstaan.\n\nPeildatum\n\n2.4.8.. De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift is, zijnde 17 december 2024. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling.\n\n2.4.9.. Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen.\n\nBestanddelen\n\n2.4.10.. De rechtbank zal hieronder de bestanddelen bespreken die volgens partijen of één van hen in de verdeling moeten worden betrokken.\n\n2.4.11.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. Inboedel\n\n2.4.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een bedrag van € 500,- zal voldoen aan de man, zijnde de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel. Nu partijen het hierover eens zijn, hoeft de rechtbank op dit punt geen beslissing meer te nemen.\n\n2. Bankrekeningen\n\n2.4.13.. De man had op de peildatum een bankrekening bij de ABN AMRO met rekeningnummer [nummer] . Uit de door man overgelegde bankafschriften leidt de rechtbank af dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum (nagenoeg) nihil was, zodat partijen in zoverre niets meer met elkaar hebben te verdelen.\n\n2.4.14.. De vrouw heeft geen inzage gegeven in haar banksaldi per peildatum. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling van de banksaldi vaststellen, inhoudende dat de vrouw alsnog inzage dient te geven aan de man in haar banksaldi per 17 december 2024, waarna deze saldi bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld, dan wel waarbij zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het negatieve saldo.\n\n3. Waarborgsom\n\n2.4.15.. Vast staat dat de waarborgsom voor de huurwoning van partijen € 2.400,- bedroeg. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe deze waarborgsom moet worden verdeeld.\n\n2.4.16.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw in haar verweerschrift heeft gesteld dat de waarborgsom van partijen nog niet is vrijgegeven, omdat de nevenkosten nog moesten worden voldaan en de hoogte daarvan nog moest worden vastgesteld. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de nevenkosten moeten worden verrekend met de waarborgsom die de vrouw heeft teruggekregen en dat het restant tussen partijen moet worden verdeeld. Uit de door de vrouw overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat over 2023 een bedrag van € 1.290,97 aan nevenkosten in rekening is gebracht en over 2024 een bedrag van € 588,-, derhalve in totaal € 1.878,97. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat zij de waarborgsom niet heeft teruggekregen en dat bovenstaande nevenkosten hier bovenop in rekening zijn gebracht. Nu de nevenkosten de waarborgsom niet overstijgen, zal de rechtbank bepalen dat het resterende deel van de waarborgsom bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen (€ 2.400 - € 1.878,97 \u002F 2).\n\n4. Tegemoetkoming DUO\n\n2.4.17.. Tussen partijen staat vast dat de vrouw tijdens het huwelijk een tegemoetkoming heeft ontvangen van de DUO ter hoogte van € 1.800,-. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem moet voldoen. De vrouw heeft hiertegen naar voren gebracht dat de tegemoetkoming niet in de gemeenschap valt, omdat deze is verknocht aan haar.\n\n2.4.18.. De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak alleen in uitzonderlijke gevallen op grond van bijzondere verknochtheid kan worden afgeweken van de hoofregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. De vraag of een goed op bijzondere wijze is verknocht en zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed, zoals mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. De omstandigheid dat de vrouw een tegemoetkoming heeft ontvangen, omdat zij in coronatijd is afgestudeerd, betekent niet reeds dat sprake is van verknochtheid. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de verknocht rust op de vrouw.\n\n2.4.19.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de tegemoetkoming die zij heeft ontvangen van de DUO, aan haar is verknocht. De tegemoetkoming is een financiële compensatie waar studenten tijdens de corona epidemie onder voorwaarden aanspraak op hebben, wat niet kan worden aangemerkt als verknocht aan de vrouw. Dit betekent dat de tegemoetkoming bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen, wat betekent dat de vrouw een bedrag van € 900,- aan de man moet voldoen.\n\n5. Schulden\n\n2.4.20.. Uit de door de man overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat op de peildatum een schuld aan de belastingdienst aanwezig was in verband met teveel ontvangen zorgtoeslag over de jaren 2018 tot en met 2020. De man heeft daarnaast gesteld dat op de peildatum een creditcardschuld aanwezig was van de ABN AMRO Credit Card, welke schuld is ontstaan tijdens het huwelijk. Ook heeft de man gesteld dat hij daadwerkelijk een schuld heeft aan [naam] vanwege een lening die hij heeft afgesloten om in de kosten van zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De man heeft daartoe ook een lening overeenkomst overgelegd.\n\n2.4.21.. Nu de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat bovenstaande schulden huwelijkse schulden betreffen die aanwezig waren op de peildatum, zal de rechtbank bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van deze schulden per peildatum (17 december 2024).\n\n2.5.. Proceskosten\n\n2.5.1.. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de vrouw € 202,- per maand dient te betalen aan de man als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.3.. gelast de wijze van verdeling van de banksaldi van partijen aldus, dat de vrouw de man inzage moet geven in de saldi van de op haar naam staande bankrekeningen per peildatum (17 december 2024), waarna zij de helft van de banksaldi aan de man moet betalen;\n\n3.4.. bepaalt verder in het kader van de verdeling dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen uit het restant van de waarborgsom, alsmede een bedrag van € 900,- inzake de tegemoetkoming van DUO;\n\n3.5.. bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van de schuld aan de belastingdienst, de creditcardschuld bij de ABN AMRO en de schuld aan [naam] per peildatum (17 december 2024);\n\n3.6.. verklaart de beslissing met betrekking tot de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;\n\n3.8.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 5 maart 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2240","2026-07-13T00:29:40.532Z",{"id":177,"ecli":178,"slug":179,"caseNumber":43,"courtId":82,"decisionDate":180,"fullText":181,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":182,"sourceTimestamp":183,"parsedAt":51,"updatedAt":184},"877","ECLI:NL:RBAMS:2026:3328","ecli-nl-rbams-2026-3328","2026-02-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11952989 \\ CV FORM 25-15277\n\nBeschikking van 23 februari 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] (Bonaire),\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nMETA PLATFORMS IRELAND LIMITED,\n\ngevestigd te Dublin (Ierland),\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Meta,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] (A&L Goodbody LLP).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. In het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening (EG) nr. 861\u002F2007, hierna: EPGV-Verordening) heeft [verzoeker] door middel van het Vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 EPGV-Verordening, met bijlagen, een vordering ingesteld.\n\n1.2.. Bij brief van 22 januari 2026 is aan Meta medegedeeld dat een procedure voor geringe vorderingen tegen haar is ingesteld en is een afschrift van het Vorderingsformulier A met bijlagen meegezonden. Meta is in de gelegenheid gesteld te reageren door formulier C in te vullen en met eventuele bewijsstukken te retourneren.\n\n1.3.. De gemachtigde van Meta heeft bij brief van 9 februari 2026 op de door de rechtbank aan Meta gezonden brief van 22 januari 2026 gereageerd en deze brief, met bijlagen, aan de rechtbank geretourneerd.\n\n1.4.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. De gemachtigde van Meta heeft de aan Meta gezonden brief met bijlagen van 22 januari 2026 geretourneerd en aangevoerd dat de documenten niet zijn gesteld in een taal die Meta begrijpt en niet zijn vertaald in de officiële taal of een van de officiële talen van Ierland, zoals vereist in de EPGV-Verordening. De gemachtigde van Meta stelt dat hij om deze reden de ontvangst van de stukken heeft geweigerd. De kantonrechter ziet momenteel (nog) geen aanleiding om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen op de weigering te reageren in verband met het navolgende.\n\n2.2.. De EPGV-Verordening is alleen van toepassing op zaken die “grensoverschrijdend” zijn in de zin van de Verordening. In artikel 3 lid 1 EPGV-Verordening is bepaald dat onder grensoverschrijdende zaak wordt verstaan, een zaak waarin ten minste een van de partijen haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie dan de lidstaat van het aangezochte gerecht.\n\n2.3.. De EPGV-Verordening is bedoeld om de goede werking van de interne markt van de Europese Unie te bevorderen. [verzoeker] heeft haar woonplaats in [woonplaats] , Bonaire. Bonaire is één van de dertien Overzeese land- of gebiedsdelen van verschillende lidstaten van de Europese Unie (hierna: Overseas Countries and Territories ofOCT’s). Zij maken deel uit van die lidstaten of zijn er aan gelieerd. Maar deze OCT’s maken geen deel uit van het grondgebied van de Europese Unie of van de interne markt van de Europese Unie. Wel hebben zij een associatieverdrag met de EU. Omdat Bonaire geen deel uitmaakt van het grondgebied of de interne markt van de Europese Unie, geldt de secondaire EU-wetgeving daar niet. Ook via het associatieverdrag OCT-EU geldt die wetgeving niet in Bonaire. Als een partij niet woont of gevestigd is op het grondgebied van de Europese Unie kan geen beroep worden gedaan op de EPGV-Verordening.\n\n2.4.. Omdat [verzoeker] niet woont op het grondgebied van de Europese Unie, wordt vooralsnog geoordeeld dat geen sprake is van een grensoverschrijdende zaak als bedoeld in artikel 3 lid 1 EPGV-Verordening. Het verzoek valt daarmee buiten het toepassingsbereik van de EPGV-Verordening.\n\n2.5.. Artikel 4 lid 3 van de EPGV-Verordening schrijft dan voor dat het gerecht de eiser ervan op de hoogte stelt dat de vordering buiten het toepassingsgebied van deze verordening valt en dat deze procedure dan, tenzij eiser de vordering intrekt, door het gerecht zal worden behandeld overeenkomstig het procesrecht dat geldt in de lidstaat waar de procedure wordt gevoerd.\n\n2.6.. Gelet op het voorgaande wordt [verzoeker] in de gelegenheid gesteld te reageren:\n\n2.6.1.. op de omstandigheid dat zij woonplaats heeft op Bonaire, terwijl een vordering op grond van de EPGV-Verordening alleen mogelijk is als beide partijen hun woonplaats of gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de Europese Unie,\n\n2.6.2.. of zij hierin aanleiding ziet de vordering in te trekken dan wel dat zij wenst dat de procedure wordt omgezet in een dagvaardingsprocedure naar het recht van het Europese deel van Nederland. In het laatste geval dient [verzoeker] ook toe te lichten op welke gronden zij de (kanton)rechter van het Europese deel van Nederland bevoegd acht en welk recht op de vordering van toepassing is en waarom.\n\n2.7.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. stelt [verzoeker] in de gelegenheid binnen 30 dagen na ontvangst van deze beschikking te reageren op hetgeen onder 2.6 is overwogen,\n\n3.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.\n\n64443","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3328","2026-04-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.449Z",{"id":186,"ecli":187,"slug":188,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":189,"fullText":190,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":191,"sourceTimestamp":189,"parsedAt":51,"updatedAt":192},"716","ECLI:NL:GHARL:2026:81","ecli-nl-gharl-2026-81","2026-01-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.349.155\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 562863)\n\nbeschikking van 8 januari 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de man),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverzoeker in het principaal hoger beroep,\n\nverweerder in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam,\n\nen\n\n [verweerster](de vrouw),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere.\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 11 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n)*, ingekomen op 10 december 2024;\n\n- een journaalbericht namens de man van 26 januari 2025 net bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;\n\n- een journaalbericht namens de man van 8 oktober 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vrouw van 28 oktober 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de man van 3 november 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de man van 10 november 2025 met bijlage(n).\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft op 11 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de man met zijn advocaat en een tolk in de taal Farsi en de vrouw met haar advocaat. De advocaat van de vrouw heeft mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n\nPartijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd in [plaats] ( Iran ). In de (vertaalde) huwelijksakte is onder andere het volgende opgenomen:\n\n“MARRIAGE PORTION : One volume of Holy Koran for Rls. 10,000 and one set of mirror and a candle holder for Rls.200,000 which are recieved and 100 gold coins which are indebted by the husband and payable on demand.signed.”\n\n3.2.. De man is in 1994 naar Nederland gekomen. De vrouw is in 1998 met de oudste dochter van partijen in het kader van gezinshereniging in Nederland bij de man komen wonen. In 2000 hebben de man en de vrouw samen nog een dochter gekregen.\n\n3.3.. Partijen hebben sinds ongeveer 2008 de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.4.. De man en de vrouw waren eigenaar van een woning aan de [adres] te [woonplaats] . Voor de aankoop van die woning hadden zij een hypothecaire lening afgesloten bij NIBC.\n\n3.5.. De vrouw heeft op 29 augustus 2023 een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking van 11 september 2024 de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 22 januari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is ontbonden.\n\n3.6.. \n\nBij beschikking van 2 december 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland in aanvulling op de bestreden beschikking als volgt beslist:\n\n“4.1. gelast, in aanvulling op de beschikking van 11 september 2024, de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] in [woonplaats] als volgt:e. in beide situaties, bij overname door de vrouw of bij verkoop van de woning aan een derde, dient de over- dan wel onderwaarde tussen partijen bij helfte te worden verdeeld, dan wel te worden gedragen. De over- of onderwaarde wordt als volgt berekend = taxatiewaarde of verkoopprijs -\u002F- hypotheekschuld op 26 november 2023;4.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;4.3. bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;4.4. wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.”3.7.. De voorzieningenrechter in kort geding in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 22 april 2025, in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat dat vonnis ex artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats treedt van de medewerking van de man en alle daarmee verband houdende stukken benodigd voor de juridische levering van de eigendom van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] aan de vrouw, de man veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders verzochte afgewezen. In reconventie heeft hij de vorderingen van de man afgewezen.\n\n3.8.. \n\nDe akte van verdeling van de bovenvermelde woning is op 17 juli 2025 gepasseerd. Hierbij is de woning toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 415.000,- en onder de verplichting voor de vrouw om: a. met ingang van de overnamedatum alle verplichtingen voortvloeiend uit de hypotheekschuld bij NIBC ter hoogte van (afgerond) € 256.870,- voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen;\n\nb. wegens overbedeling aan de man een bedrag van € 79.065,- te voldoen.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1.. Bij de bestreden beschikking van 11 september 2024 heeft de rechtbank, voor zover in dit hoger beroep van belang, als volgt beslist:\n\n“4.3. gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] in [woonplaats] als volgt:\n\na. de woning zal worden toegedeeld aan de vrouw tegen een nog te taxeren waarde, onder de ontbindende voorwaarden dat de vrouw binnen drie maanden na datum inschrijving echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand aan de man aantoont dat zij in staat is de woning over te nemen en hem te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nb. de woning wordt getaxeerd door [makelaardij] waartoe partijen binnen een week na vandaag gezamenlijk opdracht tot taxatie geven. Beide partijen behoren hun medewerking aan de taxatie te verlenen en geen van hen (ook geen derde) zal aanwezig zijn bij de taxatie. Partijen dienen de kosten van de taxatie bij helfte te dragen;\n\nc. indien aan de hiervoor onder a. genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de man zijn aandeel in de woning overdragen aan de vrouw, onder de voorwaarde dat hij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening wordt ontslagen;\n\nd. indien en voor zover niet aan de hiervoor onder a genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde, waartoe partijen gezamenlijk een verkoopopdracht zullen verstrekken aan de hiervoor bedoelde makelaar, die partijen, indien zij geen overeenstemming bereiken, bindend zal adviseren ten aanzien van de vraag- en laatprijs. Bij verkoop en levering van de woning dient uit de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldlening te worden afgelost en dienen de kosten verbonden aan de verkoop te\n\nworden voldaan;4.4.. bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen de bruidsgave, zijne het equivalent van 100 gouden munten, zijnde een bedrag van€ 49.820,-;\n\n4.5.. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;”.\n\n4.2.. De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n- de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissingen betreft met betrekking tot de bruidsgave en de toedeling van de woning aan de vrouw tegen een nog te taxeren waarde,\n\nen opnieuw beschikkende, te bepalen dat:\n\nde woning tegen een waarde van € 427.261,- aan de vrouw zal worden toegedeeld;\n\nde inboedelgoederen van de echtelijke woning onder verrekening van een bedrag van € 10.000,- door de vrouw aan de man, aan de vrouw worden toegescheiden,\n\nde sieraden van partijen onder verrekening van een bedrag van € 25.000,- door de vrouw aan de man, aan de vrouw worden toegescheiden.\n\n4.3.. \n\nDe vrouw voert verweer en is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Haar grief ziet op de waarde van de bruidsgave. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep: primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep en subsidiair de verzoeken van de man in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.in het incidenteel hoger beroep:1. A. de bestreden beschikking onder 4.4 van het dictum op het punt van de waarde van de\n\n100 gouden munten te vernietigen en\n\n B. te bepalen dat de man binnen één week na de door het hof uit te spreken beschikking aan de vrouw moet voldoen: 100 (honderd) Bahar Azadi gouden munten met de volgende specifieke informatie: maat 1 met een gewicht van 8,13598 (gram), met nettogewicht van puur goud 7.32238 (gram), 22 mm met de puurheid van 0.9000 en bij het uitblijven van deze betaling: het equivalent daarvan te bepalen aan de hand van de wisselkoers primair per datum beschikking, subsidiair per datum zitting.\n\n2. Te bepalen dat de man het onder 1 toegekende equivalent binnen één week en één dag na de beschikking dient te voldoen.\n\n3. Te bepalen dat het onder 1 vermelde bedrag na het verstrijken van de termijn van één week zal worden vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nIn het principaal en incidenteel hoger beroep:\n\n4. onder veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. De man voert verweer en hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in het incidenteel hoger beroep, dan wel die verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking op de punten waarop het incidenteel hoger beroep betrekking heeft te bekrachtigen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1.. De kern van het geschil betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk van partijen en meer in het bijzonder de waarde van de voormalige echtelijke woning, de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw dient te voldoen en zo ja, welke waarde aan de bruidsgave moet worden toegekend. Daarnaast ligt de vraag voor of de inboedel, de sieraden en het goud moeten worden verdeeld en zo ja, tegen welke waarde.\n\nRechtsmacht5.2.. \n\nDe zaak kent internationale elementen. Daarom zal het hof beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is de hiervoor vermelde nevenverzoeken in de echtscheidingsprocedure te beoordelen.\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de echtscheiding, komt de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht toe om beslissingen te nemen over zaken betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.Op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk is Iraans recht van toepassing (zie 5.7). Volgens Iraans recht ontstaat er geen gemeenschappelijk vermogen door het huwelijk, maar is er een strikte scheiding van vermogen gedurende het huwelijk. De voorliggende verzoeken betreffen, met uitzondering van het verzoek over de bruidsgave, dan ook verzoeken die hun grondslag vinden in het algemene vermogensrecht.\n\n5.3.. Volgens de in Nederland geldende heersende leer is de bruidsgave een rechtsfiguur met een geheel eigen karakter (sui generis). De rechtsmacht ten aanzien van het verzoek dat betrekking heeft op de bruidsgave wordt niet bestreken door internationale verdragen of verordeningen. Het betreft een nevenvoorziening bij het echtscheidingsverzoek. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzoek over de bruidsgave.\n\n5.4.. De eenvoudige gemeenschap van woning vindt zijn oorsprong niet in het relatievermogensrecht. Het verzoek heeft betrekking op de toedeling van de woning en de waarde van de woning in het kader van de verdeling van die woning en betreft dus een zakelijk recht. Omdat de ligging van de woning in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.\n\n5.5.. Ook de verzoeken ten aanzien van de inboedel, de sieraden en het goud vinden hun als gezegd hun grondslag in het algemene vermogensrecht. Omdat de man, verweerder in eerste aanleg, in Nederland woonplaats heeft, komt de Nederlandse rechter ook ten aanzien van deze verzoeken rechtsmacht toe.\n\nToepasselijk recht5.6. Partijen verschillen van mening over het van toepassing zijnde recht op de verzoeken die betrekking hebben op de bruidsgave en op de (verdeling van de) inboedel, de sieraden en het goud. Het hof dient daarom te beoordelen welk recht van toepassing is op de genoemde verzoeken.\n\n5.7.. Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] in Iran . Zij hebben geen rechtskeuze uitgebracht. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de [nationaliteit] . Gelet op het arrest Chelouche\u002FVan Leerdient – bij gebreke van een rechtskeuze – te worden aangesloten bij het recht van het land waarvan de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de nationaliteit hadden. Dat betekent dat het Iraans huwelijksvermogensrecht dient te worden toegepast. Partijen zijn het erover eens dat de woning, de inboedel, de sieraden en het goud op grond van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht niet gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn geworden.\n\n5.8.. De rechtsfiguur van de bruidsgave, die is gekwalificeerd als sui generis, wordt volgens de heersende leer onderworpen aan het recht dat het huwelijk beheerst, omdat de bruidsgave onlosmakelijk is verbonden met het huwelijk. Omdat op het huwelijk Iraans recht wordt toegepast, leidt dat ertoe dat de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave moet worden beoordeeld naar het Iraans recht. Dat kennelijk slechts in zeer geringe mate een nauwe band met Iran bestaat en een veel nauwere band met Nederland bestaat, zoals door de man aangevoerd, is door hem slechts ten dele en daarmee onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet gebleken.\n\n5.9.. Bij de mondelinge behandeling bij het hof is duidelijk geworden dat geen van partijen beoogd heeft een grief te richten tegen de toepassing van Nederlands recht op het verzoek van de man met betrekking tot de woning. Daarom zal ook het hof van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht op dit verzoek uit gaan.\n\n5.10.. \n\nDe verzoeken van de man met betrekking tot de (verdeling van de) inboedel, de sieraden en het goud betreffen het goederenrechtelijke regime van deze zaken. Omdat deze zaken zich op het grondgebied van Nederland bevinden, is hierop Nederlands recht van toepassing.\n\nBespreking van de geschilpunten\n\nDe bruidsgave5.11.. Aan de orde is de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw is verschuldigd en zo ja, wat het equivalent van de waarde van de gouden munten in euro’s is.\n\n5.12.. Het staat vast dat partijen bij de huwelijksvoltrekking in Iran een bruidsgave zijn overeengekomen van 100 gouden munten. Deze bruidsgave is naar Iraans recht opeisbaar. Ook staat vast dat de vrouw geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Dit heeft ze ter zitting expliciet verklaard. De man is dan ook de 100 gouden munten aan de vrouw verschuldigd.\n\n5.13.. Het hof moet vervolgens nagaan of de hiervoor vermelde uitkomst naar Iraans recht mogelijk in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De man voert aan dat er sprake is van een khul-echtscheiding op grond waarvan hij de bruidsgave in Iran niet zou zijn verschuldigd. De vrouw betwist dit. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van schending van de Nederlandse openbare orde. In Nederland is een echtscheidingsprocedure gevoerd waarbij Nederlands recht op de beslissing tot echtscheiding is toegepast. Dit echtscheidingsverzoek is tegelijk met het verzoek tot voldoening van de bruidsgave ingediend en tegen de echtscheidingsbeslissing is geen grief ingesteld, waardoor de beslissing met betrekking tot de naar Nederlands recht uitgesproken echtscheiding onherroepelijk is geworden. De aldus in Nederland gevoerde echtscheidingsprocedure kan niet worden gekwalificeerd als een khul-scheiding. Dat de vrouw in het kader van een kuhl-scheiding in Iran mogelijk afstand had moeten doen van de bruidsgave, maakt niet dat veroordeling van de man tot betaling van de bruidsgave in strijd komt met de Nederlandse openbare orde. Vaststaat immers dat de vrouw van de bruidsgave geen afstand heeft gedaan, zodat deze opeisbaar is. Ook in de hoogte van de bruidsgave ziet het hof geen reden om veroordeling van de man tot betaling daarvan in strijd te achten met de Nederlandse openbare orde. Wat er ook zij van het argument als zodanig, uit het dossier is voldoende gebleken dat de man geacht kan worden de bruidsgave te kunnen voldoen. Het hof zal het verzoek van de vrouw tot voldoening van de bruidsgave in gouden munten daarom toewijzen.\n\nDe waarde van de gouden munten5.14.. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hof toekomt aan de beoordeling van de vraag hoe de waarde van de gouden munten moet worden vastgesteld. Niet in geschil is dat met de gouden munten waar de bruidsgave op ziet, gedoeld wordt op de Iraanse Bahar Azadi munt, die als volgt is gespecificeerd: een diameter van 22 millimeter en een gewicht van 8,13598 gram waarvan 7,32238 gram puur goud met een fijnheid van 0.900.\n\n5.15.. In hoger beroep wenst de vrouw, anders dan in eerste aanleg, uit te gaan van een waarde in euro’s ter hoogte van de waarde op primair de datum van de uitspraak van het hof en subsidiair van de datum van de zitting bij het hof (11 november 2025).\n\n5.16.. Het hof constateert dat het Iraanse recht geen rechtsregel kent die iets bepaalt over de waarde van het equivalent van de gouden munten in andere (buitenlandse) valuta. Wel kent het Iraanse recht regels met betrekking tot de waarde van de bruidsgave als het bedrag daarvan is overeengekomen in Rial . Deze regels zijn opgenomen in de uitvoeringswetgeving bij artikel 1082 van het Iraans Burgerlijk Wetboek. Hierin is bepaald dat het moment waarop uitbetaling wordt gevraagd, beslissend is voor de bepaling van de waarde van de bruidsgave. Hierbij zal het hof naar analogie aansluiten. Dat betekent dat de waarde van de gouden munten moet worden bepaald tegen de koers op de dag dat de vrouw voor het eerst de bruidsgave in rechte heeft opgeëist. In dit geval is dat de dag van indiening van het echtscheidingsverzoek (29 augustus 2023).\n\n5.17.. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de vrouw wenst, op grond van de (Nederlandse) redelijkheid en billijkheid een andere waarde vast te stellen dan € 49.820,-, zijnde het bedrag dat de vrouw in eerste aanleg heeft verzocht en welk bedrag door de man niet wordt weersproken. Het Iraanse recht is van toepassing op de bruidsgave en dit recht biedt verder geen aanknopingspunten voor de vaststelling van de waarde per een andere datum. Dat geldt ook voor de door de vrouw verzochte toepassing van de wettelijke rente bij te late voldoening (volgens Nederlands recht).\n\n5.18.. \n\nUit rechtsoverweging 5.13 in combinatie met rechtsoverweging 5.17 en 5.18 volgt dat de man een bruidsgave van 100 gouden munten is verschuldigd aan de vrouw of een bedrag van € 49.820,- als equivalent voor de waarde van die munten per datum waarop de vrouw de bruidsgave voor het eerst in rechte heeft opgeëist. Omdat de vrouw in hoger beroep haar verzoek met betrekking tot de bruidsgave heeft aangepast, zal het hof de man veroordelen tot betaling van de gouden munten of de vervangende waarde daarvan in euro’s van € 49.820,-. Hieruit volgt dat grief I van de man faalt en grief A van de vrouw deels faalt en deels slaagt.\n\nDe woning in [woonplaats]5.19.. Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning. De man wil uitgaan van een waarde van € 427.261,- (het gemiddelde van de op pagina 29 van het taxatierapport van 24 september 2024 vermelde modelwaardes van € 429.318,- (Calcasa) en € 425.203,- (Ortax)). De vrouw vindt dat van de getaxeerde waarde van € 415.000,- moet worden uitgegaan.\n\n5.20.. \n\nPartijen hebben gezamenlijk een taxatierapport laten opmaken door [makelaardij] . Deze heeft de waarde van de woning getaxeerd op € 415.000,-.\n\nIn het taxatierapport wordt de afwijking van de door de man aangehaalde modelwaardes toegelicht: de kwaliteit van de verbouwing is matig uitgevoerd, de hal is weggehaald, waardoor het toilet grenst aan de woonkamer en ook de trap naar de verdieping is open, waardoor er warmteverlies is. Naar het oordeel van het hof heeft de makelaar hiermee de getaxeerde waarde van € 415.000,- onderbouwd. De man heeft op geen enkele wijze, bijvoorbeeld door een andere rapportage, onderbouwd dat de waarde van € 415.000,- niet klopt of dat de deskundige zijn werk niet goed heeft gedaan. Daarom faalt grief II van de man\n\nDe inboedel, de sieraden en het goud5.21.. De man vindt dat de inboedel, de sieraden en het goud moet worden verdeeld en dat alles aan de vrouw moet worden toegescheiden, waarbij zij aan hem dan voor de inboedel een bedrag van € 10.000,- is verschuldigd en een bedrag van € 25.000,- voor de sieraden en het goud. De vrouw stelt zich op het standpunt dat er niets hoeft te worden verdeeld, omdat het Iraanse recht geen huwelijksgemeenschap kent en de zaken ook overigens geen gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn geworden.\n\n5.22.. Het hof stelt voorop dat het toepasselijke Iraanse huwelijksvermogensrecht geen gemeenschap van goederen kent. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat de inboedel, de sieraden en het goud in Nederland zijn aangeschaft van gemeenschappelijke gelden, te weten de PGB-gelden die werden ontvangen ten behoeve van de dochter van partijen. Niet gebleken is echter dat de PGB-gelden gemeenschappelijke inkomsten van partijen waren. De vrouw nam de zorg voor de dochter van partijen voor haar rekening, wat de man niet heeft betwist. Het daarvoor ontvangen PGB behoort daarom tot het inkomen van de vrouw en is op basis van het toepasselijke Iraanse huwelijksvermogensrecht niet in enige gemeenschap gevallen. Overigens is niet komen vast te staan dat de vrouw de ontvangen PGB-gelden anders heeft besteed, dan waarvoor deze waren bedoeld. Ook verder is niet komen vast te staan dat de inboedel, de sieraden en het goud van (andere) gemeenschappelijke gelden zijn aangeschaft of anderszins gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn. Hieruit volgt dat de grieven III en IV van de man falen.\n\n6. De slotsom\n\n6.1.. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de man in het principaal hoger beroep en faalt grief A van de vrouw in het incidenteel hoger beroep voor zover het de waarde van de gouden munten betreft. Het hof zal vanwege het aanvullende verzoek van de vrouw in hoger beroep en ter voorkoming van misverstanden punt 4.4 van het dictum van de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna onder 7 vermeld.\n\n6.2.. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat het verzoek om een proceskostenveroordeling door de vrouw niet is gemotiveerd, partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke gevolgen van de ontbinding van hun huwelijk betreft.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:7.1.. vernietigt punt 4.4 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere , van 11 september 2024, en in zoverre opnieuw beschikkende:7.2.. bepaalt dat de man binnen één week van de datum van deze beschikking aan de vrouw dient te voldoen de bruidsgave van 100 gouden Bahar Azadi munten met de volgende specifieke informatie: een diameter van 22 millimeter en een gewicht van 8,13598 gram waarvan 7,32238 gram puur goud met een fijnheid van 0.900, althans het equivalent daarvan in euro’s, zijnde een bedrag van € 49.820,-;7.3.. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere , van 11 september 2024 voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;7.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.5.. compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;7.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, M.A.F. Veenstra en M. Kemmers, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 8 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Artikel 5 lid 1 Huwelijksvermogensrechtverordening.\n\n Artikel 4 lid 3 Rv.\n\n Artikel 24, aanhef en sub 1, Brussel I-bis.\n\n Artikel 4 lid 1 Brussel I-bis.\n\n HR 10 december 1976, NJ 1977, 275.\n\n Een en ander in de zin van artikel 10:8 BW.\n\n Artikel 10:127 lid 1 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:81","2026-07-13T00:28:44.473Z",17,20,[11,196],2025]