[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-property-and-neighbor-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":126},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":26,"page":14,"limit":125},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},134,"property-and-neighbor-law-nl","Property and Neighbor Law","NL","2026-07-08T16:57:54.779Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":26},6,9,{"month":28,"count":15},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":26,"count":15},{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,61,70,80,89,98,107,116],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"998","ECLI:NL:GHDHA:2026:1983","ecli-nl-ghdha-2026-1983","",58,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.341.944\u002F02\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 10425701 CV EXPL 23-9386\n\nArrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nVereniging van Eigenaren Bergingen en Parkeerplaatsen aan [parkeerplaatsen] (ongenummerd) te [plaats],\n\ngevestigd in [plaats],\n\nappellante in het principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. A.J.C. Goldhoorn, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1] ,\n\nwonend in [plaats],\n\n2. [geïntimeerde 2],\n\nwonend in [plaats],\n\n3. [geïntimeerde 3] ,\n\nwonend in [plaats],\n\ngeïntimeerden in het principaal hoger beroep,\n\nappellanten in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Postma, kantoorhoudend in Rijswijk (Zuid-Holland).\n\nHet hof noemt partijen hierna VVE Parkeerplaatsen, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . Geïntimeerden worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.1. De zaak in het kort1.1. Deze zaak gaat over geluidsoverlast in een appartementencomplex. Het appartement op de begane grond fungeert als doorgang naar een achterliggend gebouw met parkeerplaatsen en bergingen. Na het plaatsen van een mechanische roldeur ervaren de bewoners van de bovengelegen woningen ( [geïntimeerden] ) geluidshinder. De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van onrechtmatige hinder en heeft VVE Parkeerplaatsen veroordeeld om de aanbevelingen van een geluidsdeskundige op te volgen. VVE Parkeerplaatsen heeft daarop aanpassingen doorgevoerd aan de constructie van de roldeur.1.2. In hoger beroep wijst het hof het gewijzigde gevorderde bevel toe om de door de deskundige aanbevolen en aanvullende maatregelen door te voeren, maar uitsluitend ten aanzien van [geïntimeerde 1] , omdat zij (nog steeds) geluidsoverlast ervaart. [geïntimeerde 2] woont niet meer in het gebouw en ervaart daarom geen geluidsoverlast meer. Bij [geïntimeerde 3] worden geen overschrijdingen van geluidsnormen gemeten en zij heeft niet onderbouwd dat zij onrechtmatige geluidshinder ervaart.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 2 januari 2024, waarmee VVE Parkeerplaatsen in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023;\n\nde memorie van grieven van VVE Parkeerplaatsen;\n\nde memorie van antwoord van [geïntimeerden] , met bijlagen 0 tot en met 12;\n\nde bijlage 13 die [geïntimeerden] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.2.2. Op 9 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht, die van VVE Parkeerplaatsen aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.3. Feitelijke achtergrond3.1. Bij splitsingsakte van 15 november 2006 is het gebouw gelegen aan de [adres] in [plaats] gesplitst in vier appartementsrechten en is de Vereniging van eigenaars gebouw [adres] te [plaats] (hierna: VVE Gebouw) opgericht. Het appartementsrecht met index 1 bevindt zich op de begane grond en geeft volgens de splitsingsakte recht op het uitsluitend gebruik van de poort met achterliggende plaats en verder toebehoren (hierna: appartement 1). De overige drie appartementsrechten hebben betrekking op de appartementen gelegen boven appartement 1 op respectievelijk de eerste, tweede, en derde en vierde verdieping en hebben als bestemming woning.3.2. VVE Parkeerplaatsen is thans eigenaar van appartement 1. VVE Parkeerplaatsen is opgericht als vereniging van eigenaars ten behoeve van het beheer en onderhoud van het gebouw met parkeerplaatsen en bergingen gelegen op het kadastrale perceel [perceelnummer]. Laatstgenoemd perceel bevindt zich direct achter appartement 1. Appartement 1 fungeert thans als doorgang ten behoeve van het kadastrale perceel [perceelnummer]. In het appartementencomplex woonde direct boven appartement 1 [geïntimeerde 2] (A-2). Op de tweede verdieping woont [geïntimeerde 1] (A-3) en op de derde en vierde verdieping woont [geïntimeerde 3] (A-4).3.3. Artikel 2 van het splitsingsreglement van het gebouw luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“3. De eigenaars zijn voor de in het eerste lid bedoelde breukdelen verplicht bij te dragen in de schulden en kosten, die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars zijn.\n\n(…)\n\n5. In afwijking van het vorenstaande zullen de kosten verbonden aan onderhoud, reparatie en vernieuwing daaronder begrepen, van kozijnen, ramen, deuren, glas, balkons, alsmede het hang- en sluitwerk aan de kozijnen, ramen en deuren, welke aan de buitengevel van het gebouw zitten, uitsluitend komen ten laste van de eigenaar(s) die daarvan gebruik maakt(maken).\n\nHet onderhoud, casu quo de vernieuwing, dient te geschieden volgens de richtlijnen van de vergadering en na verkregen toestemming van de vergadering.”3.4. Tot 2016 werd de toegang tot appartement 1 gevormd door houten openslaande deuren. In 2016 heeft VvE Parkeerplaatsen deze houten deuren (laten) vervangen door een mechanische roldeur, met daarin een loopdeur voor personen en fietsen. Vanaf dat moment is het onderwerp geluidsoverlast door de deur jaarlijks besproken in de vergadering van eigenaars van VvE Gebouw. [geïntimeerde 2] heeft over de geluidsoverlast veelvuldig contact gezocht met VvE Parkeerplaatsen.3.5. Op 21 september 2021 heeft [naam] van Strooming op verzoek van VvE Gebouw een geluidonderzoek gedaan naar de mechanische roldeur. In haar rapport van 26 oktober 2021 concludeert Strooming dat het geluidsniveau in de woon- en slaapkamers van de woningen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] bij gebruik van de roldeur de normwaardes uit het Bouwbesluit overschrijdt. Strooming deed in het rapport de volgende aanbevelingen om de roldeur in technische zin te laten voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit:\n\n“- Verbeteren van de ophang- en montageconstructie van overheaddeur zodat vibraties en trillingen zo min mogelijk in de constructie terecht kunnen komen. Een overweging kan zijn om een zelfdragende stalen portaal te plaatsen die alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond. De bestaande overheaddeur kan dan aan dit stalen portaal worden gehangen.- Aanbrengen van een geluiddempende omkasting rondom de aandrijfmotor. - Aanbrengen van een geluidwerende bekleding op het plafond. - Afstellen van de deurdranger en zo nodig aanslagrubber gebruiken bij de loopdeur.”3.6. In de definitieve versie van het rapport van 30 november 2021 heeft Strooming deze aanbevelingen herhaald en daarbij aan het eerste aandachtstreepje toegevoegd:\n\n“Het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie is in feite de enige en beste manier om de overdracht van de trillingen richting de bovengelegen woningen te voorkomen.\n\n(…)\n\nBovenstaande maatregelen zijn complementeer aan elkaar en dienen allen in zijn geheel worden toegepast om het juiste effect te kunnen bereiken.”3.7. Op 24 februari 2022 heeft VVE Parkeerplaatsen aan [geïntimeerden] een voorstel gedaan om de geluidsoverlast te verminderen. Dit voorstel vermeldt onder meer het volgende:\n\n“Om toch tot een voor ieder goede oplossing te komen stel ik het volgende voor;• Wij vragen een offerte aan voor het losmaken van de rail van de overhead deur d.m.v. een portaal naar wand of vloer.• Wij bekijken of er een ander sluiting op de loopdeur kan worden aangebracht die minder geluidsoverlast zal veroorzaken.• Wij vragen een tweetal offertes aan voor het isoleren van de verdiepingsvloer; één voor het gedeelte bij de deur alleen en één voor de gehele verdiepingsvloer (…)Wanneer de gehele vloer zal worden geïsoleerd is dat uiteraard niet voor onze rekening (…) Wel wil ik aangegeven dat wij niet tot de uitvoering van bovengenoemde maatregelen zullen overgaan voordat er een meer jaren onderhoudsplan is gemaakt, zoals afgesproken in de laatste vergadering.”3.8. \n [geïntimeerden] heeft niet met dit voorstel ingestemd en uiteindelijk in maart 2023 een procedure aanhangig gemaakt.3.9. Naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg heeft VVE Parkeerplaatsen eind oktober of begin november 2023 werkzaamheden aan de mechanische roldeur laten uitvoeren. [geïntimeerden] heeft VVE Parkeerplaatsen daarna bericht dat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd conform de aanbevelingen van Strooming. Ook zouden de klachten over het geluids- en trillingsniveau in de woningen zijn verergerd.3.10. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft [naam] (die nu werkzaam is bij Sonitus) onderzoek gedaan naar de door VVE Parkeerplaatsen uitgevoerde werkzaamheden. Sonitus heeft haar onderzoek uitgevoerd op basis van drie foto’s. In haar brief van 14 december 2023 concludeerde Sonitus (onder meer) dat “de huidige manier van monteren niet de optredende geluiden zal reduceren waardoor de afname van overlast zal uitblijven” en dat “de wijze van ophanging niet overeenkomt met de aanbevelingen zoals opgenomen in de rapportage van 26 oktober 2021 en 30 november 2021 omdat op de huidige wijze van monteren er nog steeds contact met de wanden wordt gemaakt”. Ook doet zij de volgende aanbevelingen om de geluidsoverlast (verder) te beperken:\n\n“2. Zelfdragende deurconstructie\n\nDe voorkeur zal zijn om de constructie van de overheaddeur zogenaamd vrijdragend te maken. Door deze geheel te ontkoppelen van de bestaande bouwkundige constructie zal de overdracht van het geluid, door middel van contact, aanzienlijk dalen.\n\nEen vrijdragende constructie zal gerealiseerd kunnen worden door langs de beide muren. De opbouw kan als volgt zijn;\n\n• Een horizontaal liggende betonnen balk waarop de stalen kolommen worden gemonteerd De betonnen balken niet tegen de wand aanleggen. Tussen de wand en de balk een dempende rubberstrook aanbrengen die geluidoverdracht zal voorkomen.• De geleiderails worden gemonteerd aan stalen kolommen die rusten op de liggende betonbalk• De constructie zal kunnen bestaan uit 2 stalen kolommen aan de linkerzijde en 2 stalen kolommen aan de rechterzijde. Deze kunnen boven de geleiderails met elkaar gekoppeld worden zodat een stijve onderlinge verbinding ontstaat die ongewenste bewegingen kan minimaliseren.• Bij de montage van de deurgeleiders in de voorgevel zullen Phonex ankers moeten worden toegepast.• De motor zal worden omkleed met een omkasting die aan de onderzijde open moet zijn. De nadruk zal gelegd moeten worden om een dempende laag tussen de motor en het plafond aan te brengen. Door de onderzijde open te houden kan het optredend geluid van de motor in de omliggende ruimte zich verstrooien en zal niet direct richting de bovenliggende woningen worden gestuurd.\n\nEen dergelijke constructie zal geheel vrijstaan van het gehele gebouw en zal de overdracht van geluid via contact minimaal zijn. De verwachting is dat ondergrond een dergelijke constructie zal kunnen dragen daar er ook voldoende autoverkeer is waardoor de ondergrond voldoende draagkracht zal hebben.”3.11. In februari 2024 heeft VVE Parkeerplaatsen opnieuw aanpassingen gedaan aan de roldeur. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft Sonitus deze aanpassingen onderzocht, wederom op basis van foto’s. In een mailbericht van 19 april 2024 verwoordt Sonitus haar bevindingen (onder meer) als volgt:\n\n“Als ik zo de foto's bekijk dan vind ik de stalen gele constructie aan de lichte kant. Het idee was om een constructie aan te brengen die de belasting van de dynamische rolbeweging van de deur kan absorberen. Deze constructie lijkt mij te licht om dit effect te kunnen bereiken. Verder is niet te zien hoe de verticale geleider aan de voorgevel is gemonteerd. Als dit op de bestaande manier is dan is het geluid boven net zo hoorbaar als ervoor. Tevens is niet te zien hoe de gele horizontale ligger aan de voorgevel is gemonteerd. Ook hoe onderling stalen delen zijn gemonteerd is niet goed zichtbaar. Er zijn rubber volgringen ed zichtbaar.\n\nIk moet concluderen dat op basis van de foto's ik verwacht dat de overlast nog steeds voortduurt.\"3.12. In maart 2025 heeft Sonitus nieuwe geluidsmetingen verricht in de appartementen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] . Sonitus heeft daarbij geconstateerd dat het geluidsvolume van de mechanische roldeur nog steeds de geluidsnormen in artikel 4.108 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (de vervanger van het Bouwbesluit 2012) overschrijdt. De maximale normwaarde is 30 dB(A), terwijl in het appartement op de eerste verdieping het geluidsvolume bij het openen en sluiten van de roldeur gemiddeld 36,6 dB(A) en maximaal 38,5 dB(A) bedraagt. In het appartement op de tweede verdieping bedraagt het geluidsvolume gemiddeld 30,4 dB(A), en maximaal 34,3 dB(A).3.13. In de zomer van 2025 heeft [geïntimeerde 2] het appartement op de eerste verdieping verkocht. Het appartementsrecht is in augustus 2025 overgedragen aan de nieuwe eigenaar.4. Procedure bij de kantonrechter4.1. \n [geïntimeerden] heeft, samen met VVE Gebouw, VVE Parkeerplaatsen gedagvaard en (na vermeerdering van eis en voor zover nog relevant in hoger beroep) gevorderd, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nVVE Parkeerplaatsen te gebieden om de aanbevelingen in het rapport van Strooming volledig op te volgen, en een gedeelte van de verdiepingsvloer te voorzien van akoestische en thermische isolatie, conform het voorstel van VVE parkeerplaatsen d.d. 24 februari 2022, op straffe van een dwangsom;\n\nVVE Parkeerplaatsen te gebieden na voltooiing van deze aanpassingen en geluidsmaatregelen een deskundige het geluidsniveau van de poortdeur met toebehoren te laten controleren en meten, binnen een termijn van 3 weken na voltooiing, en voorzover die geluidsniveaus en metingen het maximaal toegestane niveau (zoals opgenomen in het rapport Strooming) nog steeds overschrijden, de VVE Parkeerplaatsen te gebieden om aanvullende geluidsmaatregelen te laten treffen, op straffe van een dwangsom;\n\nmet veroordeling van VVE Parkeerplaatsen in de proceskosten.4.2. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerden] deels toegewezen en (voor zover in hoger beroep relevant) VVE Parkeerplaatsen veroordeeld om binnen vier weken na het vonnis de aanbevelingen in het rapport van Strooming volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De kantonrechter heeft de andere vorderingen van [geïntimeerden] (voor zover in hoger beroep relevant) afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter heeft VVE Gebouw niet-ontvankelijk verklaard in de hiervoor weergegeven vorderingen.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. VVE Parkeerplaatsen is in hoger beroep gekomen omdat zij het deels niet eens is met het vonnis. VVE Parkeerplaatsen vordert het vonnis te vernietigen voor zover zij daarin is veroordeeld om werkzaamheden uit te voeren. Daarnaast vordert VVE Parkeerplaatsen in hoger beroep [geïntimeerden] te veroordelen tot vergoeding van de kosten die VVE Parkeerplaatsen heeft gemaakt ter uitvoering van het vonnis en een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] onbevoegd opdracht tot onderzoek heeft gegeven aan Strooming en onbevoegd een opdracht heeft verstrekt aan mr. Postma om namens VVE Gebouw VVE Parkeerplaatsen in rechte te betrekken. VVE Parkeerplaatsen vordert tot slot een proceskostenveroordeling in beide instanties, buitengerechtelijke kosten en rente.5.2. Kort gezegd zien de bezwaren van VVE Parkeerplaatsen op het volgende. Ten eerste is de roldeur onderdeel van de gemeenschappelijke delen van het appartementencomplex en een gemeenschappelijke zaak (grief 5). Het geschil gaat dus over geluidsoverdracht door een gemeenschappelijke zaak (de roldeur) naar de appartementen. [geïntimeerden] spreken daarom de verkeerde partij aan: niet VVE Parkeerplaatsen is verantwoordelijk voor het voorkomen van geluidsoverlast door de roldeur, maar de VVE Gebouw (grief 1 en grief 2). Om dezelfde reden is VVE Parkeerplaatsen niet bevoegd om zelfstandig werkzaamheden aan de roldeur uit te voeren (grief 1 en grief 5) en moeten de kosten voor aanpassingen aan de roldeur worden verdeeld over de leden van de VVE Gebouw. Het is in elk geval niet redelijk dat [geïntimeerden] eist dat de VVE Parkeerplaatsen alle kosten draagt (grief 6). Ten tweede bevinden de appartementen zich in een oud gebouw. Het gebouw was al gehorig voordat de roldeur werd geplaatst en de staat van het gebouw moet worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatige hinder (grief 3). Omdat het gebouw oud is, zijn de normen uit het Bouwbesluit niet van toepassing. Dat die normen worden overschreden rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van onrechtmatige hinder (grief 4). Ten derde zijn de maatregelen die VVE Parkeerplaatsen heeft doorgevoerd kostbaar, en moet worden meegewogen dat de VVE Gebouw ook minder kostbare maatregelen had kunnen treffen (grief 8). Tot slot weegt bij beoordeling of VVE Parkeerplaatsen onrechtmatig heeft gehandeld, mee dat [geïntimeerden] via de vergadering van eigenaars van VVE Gebouw had kunnen besluiten om, voor gemeenschappelijke rekening, andere maatregelen te nemen. Door dat niet te doen, heeft de VVE Gebouw de onrechtmatige hinder in stand gelaten. [geïntimeerden] had dus de VVE Gebouw moeten aanspreken (grief 7).5.3. \n\n [geïntimeerden] wil dat het vonnis wordt bekrachtigd. In hoger beroep heeft zij haar vorderingen gewijzigd en vermeerderd. Na wijziging van eis heeft zij gevorderd:\n\nI. VVE Parkeerplaatsen te gebieden de aanbevelingen in het rapport van Strooming d.d. 30 november 2021 en de brief van Sonitus d.d. 14 december 2023, volledig op te volgen, in het bijzonder het realiseren van een zelfdragend stalen portaal die alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond en het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie van het gebouw, met inachtneming van de bevindingen van de geluidsdeskundige d.d. 19 april 2024, naar aanleiding van de namens VVE Parkeerplaatsen aan [geïntimeerden] toegezonden foto's van de doorgevoerde aanpassingen aan de roldeurconstructie, op straffe van een dwangsom;\n\nII. VVE Parkeerplaatsen te gebieden aanvullende geluidsmaatregelen te treffen, voorzover na realisering van de hiervoor onder I vermelde constructie het geluidsniveau van het gebruik van de roldeurinstallatie en constructie de maximaal toelaatbare niveaus in het Bouwbesluit, in het bijzonder artikel 3.8 als bedoeld in het rapport van Strooming van 30 november 2021, de maximale waardes en normen overschrijdt, binnen een termijn van 2 weken na datum arrest uit te laten voeren, op straffe van een dwangsom;\n\nIII. te bepalen dat, althans voor recht te verklaren, dat VVE Parkeerplaatsen niet, althans niet tijdig, voldaan heeft aan de veroordeling onder 3.3. in het vonnis van de kantonrechter van 6 oktober 2023, en dat het maximum van € 15.000,00 aan dwangsommen verbeurd is en de VVE Parkeerplaatsen te veroordelen om dit bedrag aan dwangsommen aan [geïntimeerden] te voldoen binnen twee weken na de datum van het arrest in deze procedure.5.4. \n [geïntimeerden] legt aan haar gewijzigde eis ten grondslag dat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming onjuist, althans onvolledig heeft opgevolgd, en dat de geluidsoverlast niet voldoende is verholpen. In het bijzonder heeft VVE Parkeerplaatsen nagelaten om een zelfdragend stalen portaal te plaatsen, waarmee de roldeurconstructie in het geheel wordt losgemaakt van de wanden en het plafond van het appartement 1. Omdat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen onjuist of onvolledig is nagekomen, heeft zij niet voldaan aan het vonnis van de kantonrechter, en zijn dwangsommen verbeurd, aldus [geïntimeerden]5.5. VVE Parkeerplaatsen voert hiertegen verweer en voert aan dat zij de aanbevelingen van Strooming wel is nagekomen. Ook stelt zij dat [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen belang hebben bij hun vorderingen. [geïntimeerde 2] woont niet meer in het gebouw en zij ervaart daarom geen overlast van de roldeur. In de appartementen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] worden geen geluidswaarden gemeten die de norm uit het Bouwbesluit overschrijden. Voor het overige begrijpt het hof de stellingen van VVE Parkeerplaatsen zo dat zij tegen de gewijzigde vordering sub I dezelfde bezwaren heeft als tegen het vonnis waarvan beroep (zie 5.1 hiervoor).6. Beoordeling in hoger beroep6.1. \n\nOmdat [geïntimeerden] in hoger beroep haar vorderingen heeft gewijzigd, zal het hof hierna eerst beoordelen of die eiswijzigingen toelaatbaar zijn. Daarna bespreekt het hof het meest verstrekkende verweer van VVE Parkeerplaatsen, namelijk dat [geïntimeerden] geen belang (meer) hebben bij hun vorderingen. Het hof beoordeelt daarna of de vorderingen van [geïntimeerden] en van VVE Parkeerplaatsen toewijsbaar zijn.\n\nWijziging van eis [geïntimeerden]6.2. heeft haar vorderingen gewijzigd bij memorie van antwoord. VVE Parkeerplaatsen heeft tegen deze eiswijzigingen geen bezwaar gemaakt en het hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding om de gewijzigde vorderingen sub I en III buiten beschouwing te laten.6.3. Het hof vat de gewijzigde vordering sub I van [geïntimeerden] op als incidenteel hoger beroep. Met de gewijzigde vordering sub I beoogt [geïntimeerden] dat VVE Parkeerplaatsen wordt veroordeeld om de aanbevelingen in het definitieve rapport van Strooming op te volgen, met inachtneming van nadere aanbevelingen van Sonitus. Deze vordering vormt daarmee een nadere uitwerking en specificatie van de vordering die door de kantonrechter is toegewezen onder 3.3 van het dictum van het bestreden vonnis. Omdat [geïntimeerden] op dit punt een ander dictum nastreeft, moet de eiswijziging in zoverre worden opgevat als incidenteel hoger beroep. Gelet op de inhoud en het verloop van het debat tijdens de mondelinge behandeling ziet het hof geen aanleiding om de eiswijziging om deze reden wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten. De opmerking van de advocaat van [geïntimeerden] dat [geïntimeerden] geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft gericht, had uitdrukkelijk slechts betrekking op de vordering sub II (zie ook 6.4 hierna). Uit de spreekaantekeningen van de advocaat van VVE Parkeerplaatsen leidt het hof af dat ook VVE Parkeerplaatsen de wijziging van eis heeft opgevat als incidenteel hoger beroep. Zo is namens VVE Parkeerplaatsen opgemerkt: “ hebben hun eisen inmiddels gewijzigd en vorderen niet langer nakoming van de aanbevelingen van Strooming maar nieuwe maatregelen daarvoor in de plaats” en: “Bij een nieuwe uitspraak kunnen de oude maatregelen niet meer opgelegd worden, er is alleen ruimte voor het opleggen van nieuwe” (pleitnota mr. Goldhoorn, sub 18, eerste en laatste volzin). Gelet op deze uitlatingen van de advocaat van VVE Parkeerplaatsen en het feit dat VVE Parkeerplaatsen ook inhoudelijk op de gewijzigde vordering is ingegaan, is evenmin sprake van een verrassingsbeslissing als het hof rechtdoet op grond van de gewijzigde eis. Ook hierom staan de eisen van een goede procesorde niet in de weg aan deze eiswijziging van [geïntimeerden]6.4. \n\nHet hof laat de gewijzigde vordering sub II wel buiten beschouwing. Met deze vordering wil [geïntimeerden] dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om aanvullende geluidsmaatregelen te nemen als na uitvoering van de door de deskundigen aanbevolen maatregelen blijkt dat de geluidsvolumes in de appartementen de normen uit het Bouwbesluit nog steeds overschrijden. Deze vordering bouwt (kennelijk) voort op de in eerste aanleg als sub II ingestelde vordering, die er eveneens toe strekte dat VVE Parkeerplaatsen zou worden bevolen om aanvullende geluidsmaatregelen te nemen als uitvoering van de aanbevelingen van Strooming niet voldoende zou blijken (zie 4.1 onder b hiervoor). De kantonrechter heeft die vordering van [geïntimeerden] afgewezen (zie punt 3.6 van het vonnis). Deze vordering is geen onderdeel van het principaal hoger beroep en de advocaat van [geïntimeerden] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat [geïntimeerden] op dit punt geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft gericht. Bij die stand van zaken maakt deze vordering geen deel uit van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het hof laat dit onderdeel van de eiswijziging daarom buiten beschouwing. Het hof oordeelt in aanvulling hierop dat, ook als deze eiswijziging toelaatbaar zou zijn, het gevorderde bevel om “aanvullende geluidsmaatregelen” te nemen, te onbepaald is om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen.\n\nHebben [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] belang bij hun vorderingen?6.5. Uit artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat een partij alleen een rechtsvordering kan instellen als zij daarbij voldoende belang heeft. Het hof beoordeelt hierna of elk van [geïntimeerden] belang heeft bij de gewijzigde vorderingen sub I en III.6.6. \n [geïntimeerde 2] is sinds augustus 2025 geen eigenaar meer van het appartementsrecht met betrekking tot het appartement op de eerste etage (A-2). Zij ervaart dus geen geluidsoverlast meer. Het hof is van oordeel dat zij daarom geen belang heeft bij de vordering sub I. Het enkele feit dat [geïntimeerde 2] de onderhavige procedure heeft “gemeld” aan de nieuwe eigenaar, zoals tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht, maakt dat niet anders. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde 2] met de nieuwe eigenaar afspraken heeft gemaakt over (de voorzetting van) deze procedure. Het hof zal [geïntimeerde 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de gewijzigde vordering sub I.6.7. \n [geïntimeerde 2] heeft wel belang bij de gewijzigde vordering sub III. Die vordering stelt de vraag aan de orde of de VVE Parkeerplaatsen op grond van het vonnis dwangsommen heeft verbeurd. Deze dwangsommen zijn verbeurd in de periode dat [geïntimeerde 2] eigenaar was van appartement 1 en daar woonde (aldus [geïntimeerden] ). In zoverre heeft [geïntimeerde 2] dus (financieel) belang bij de vordering sub III.6.8. \n\n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] wonen in de appartementen A-3 en A-4 en stellen dat zij geluidshinder ervaren in hun woningen die VVE Parkeerplaatsen moet voorkomen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben daarom belang bij de vordering sub I. Het hof zal het verweer van VVE Parkeerplaatsen dat in de appartementen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen geluidswaarden worden gemeten die de normen uit het Bouwbesluit\u002FBesluit bouwwerk Leefomgeving overschrijden, bespreken bij de inhoudelijke beoordeling van die vorderingen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben om dezelfde redenen als [geïntimeerde 2] belang bij de vordering sub III.\n\nInleiding vordering ter zake van geluidsoverlast (vordering sub I)6.9. Met hun eiswijziging hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hun oorspronkelijke vordering in die zin gewijzigd dat het gevorderde bevel om aanpassingen aan de roldeur door te voeren, nader is uitgewerkt en gespecificeerd. Het hof zal bij beoordeling van die (gewijzigde) vordering uitgaan van de situatie zoals die op dit moment is. In deze situatie heeft VVE Parkeerplaatsen op basis van het vonnis van de kantonrechter aanpassingen aan de deur verricht. Dit leidt ertoe dat het hof in hoger beroep moet beoordelen of de roldeur, ook nadat VVE Parkeerplaatsen daaraan aanpassingen heeft verricht, onrechtmatige geluidshinder veroorzaakt en of VVE Parkeerplaatsen gehouden is om die geluidshinder (verder) te beperken.6.10. \n\nVoordat het hof toekomt aan de beoordeling of aan de roldeur verdere aanpassingen moeten worden doorgevoerd, zal het hof beoordelen of VVE Parkeerplaatsen voor de roldeur verantwoordelijk is en – in het verlengde daarvan – of zij de kosten voor die eventuele aanpassingen moet dragen.\n\nWie draagt de kosten voor maatregelen aan de roldeur?6.11. Het hof laat in het midden of de roldeur privé-eigendom is van VVE Parkeerplaatsen (zoals [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] stellen) of gemeenschappelijk eigendom is van de leden van VVE Gebouw (zoals VVE Parkeerplaatsen stelt). De reden daarvoor is dat de kosten voor verdere maatregelen, als die benodigd zijn, in beide gevallen voor rekening van VVE Parkeerplaatsen komen. Als de roldeur privé-eigendom is, dient VVE Parkeerplaatsen de kosten om die reden te dragen. Als de roldeur behoort tot de gemeenschappelijke delen van VVE Gebouw, volgt uit het splitsingsreglement dat de kosten voor rekening komen van VVE Parkeerplaatsen. Artikel 2 lid 5 van het splitsingsreglement bepaalt immers dat kosten verbonden aan onderhoud, reparatie en vernieuwing van deuren die aan de buitengevel van het gebouw zitten, uitsluitend ten laste komen van de eigenaar die daarvan gebruikt maakt (zie ook 3.3 hiervoor). Niet in geschil is dat de roldeur in de buitengevel van het gebouw zit en slechts wordt gebruikt om toegang te krijgen tot het achtergelegen perceel. De deur wordt feitelijk dus slechts gebruikt door personen die parkeren op het perceel van VVE Parkeerplaatsen of daar een berging hebben. Dat betekent dat VVE Parkeerplaatsen de exclusieve gebruiker is van de roldeur. Op grond van het splitsingsreglement moet zij daarom de kosten dragen voor aan de roldeur te verrichten aanpassingen. In dat verband overweegt het hof dat [geïntimeerden] niet kan worden verweten dat zij niet op een eerder moment een meerderheidsbesluit hebben genomen ter beperking van de hinder, aangezien dat zou hebben betekend dat [geïntimeerden] , als gedupeerden van de hinder, hiervoor de kosten mede zouden hebben moeten dragen.6.12. VVE Parkeerplaatsen heeft in dit verband nog aangevoerd dat de vergadering van eigenaars van VVE Gebouw op enig moment heeft besloten om de kosten voor de vervanging van deuren die toegang geven tot privégedeelten van eigenaars, te verdelen over de vier VVE-leden. Dat in dat geval van de vervanging van de deuren (kennelijk) eenmalig van artikel 2 lid 5 van het splitsingsreglement is afgeweken, doet aan het voorgaande niets af. De hoofdregel is immers dat kosten voor een deur in de buitengevel ten laste komen van die eigenaar(s) die ervan gebruik maken.6.13. VVE Parkeerplaatsen heeft verder aangevoerd dat zij niet bevoegd is aanpassingen te verrichten aan de roldeur, omdat zij daarvoor toestemming nodig heeft van (de vergadering van eigenaars van) VVE Gebouw. Ook als die toestemming benodigd is (het hof laat dat in het midden), vormt dat echter geen belemmering voor toewijzing van de vordering van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben immers aangegeven in te stemmen met een voorstel van VVE Gebouw om noodzakelijke maatregelen uit te voeren. Daar is hun vordering ook op gericht. Met de aanvullende stem van VVE Parkeerplaatsen zelf is er daarmee hoe dan ook een meerderheid voor een besluit van die strekking.6.14. \n\nDe conclusie is dus dat VVE Parkeerplaatsen verantwoordelijk is voor het doorvoeren van aanpassingen aan de roldeur en daarvan de kosten moet dragen. De vervolgvraag is of VVE Parkeerplaatsen gehouden is om aanvullende werkzaamheden uit te voeren.\n\nVeroorzaakt de roldeur (nog steeds) onrechtmatige hinder?6.15. Tussen partijen is niet in geschil dat het openen en sluiten van de mechanische roldeur hoorbaar is in de bovengelegen appartementen en dat dit geluidshinder oplevert. Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden.6.16. Uit de rapportage van Sonitus van 21 maart 2025 (zie ook 3.12 hiervoor) blijkt dat, ook nadat VVE Parkeerplaatsen geluidsbeperkende maatregelen heeft genomen, bij het openen en sluiten van de roldeur aanzienlijke geluidsvolumes worden gemeten in de appartementen op eerste en tweede verdieping. In het appartement op de tweede verdieping (waar [geïntimeerde 1] woont) is dit gemiddeld 30,4 dB(A) en maximaal 34,3 dB(A). VVE Parkeerplaatsen heeft de juistheid van deze metingen niet weergesproken en het hof gaat daar dus vanuit.6.17. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (voorheen Bouwbesluit) bevat normen voor de maximale geluidsoverdracht tussen aangrenzende percelen. Artikel 3.2 Bouwbesluit bepaalde dat installaties zoals een lift in een aangrenzend perceel een geluidsniveau van ten hoogste 30 dB mogen veroorzaken en deze normwaarde is thans opgenomen in artikel 4.108 Besluit Bouwwerken Leefomgeving. VVE Parkeerplaatsen heeft aangevoerd dat deze norm uit het Bouwbesluit niet van toepassing is op een oud gebouw. Net als in eerste aanleg, heeft zij echter niet toegelicht welke geluidsnorm wel van toepassing is, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Het hof zal daarom, in navolging van Strooming\u002FSonitus, de norm uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving als richtlijn hanteren.6.18. Het gemeten geluidsniveau ten gevolge van het gebruik van de roldeur in het appartement van [geïntimeerde 1] overschrijdt de norm uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Er is daarom sprake van aanzienlijke geluidshinder in de woning van [geïntimeerde 1] . De roldeur geeft bovendien toegang tot een perceel met vijftien parkeerplaatsen en tien bergingen. Dat betekent dat de roldeur regelmatig wordt gebruikt en dit potentieel gedurende de hele dag (en nacht), op tijdstippen die voor [geïntimeerde 1] niet te voorspellen zijn. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 1] dergelijke frequente geluidshinder in haar woning niet hoeft te dulden. Dat betekent dat het veroorzaken van de geluidshinder onrechtmatig is en dat VVE Parkeerplaatsen is gehouden om redelijke maatregelen te nemen om die hinder te verminderen.6.19. Het hof volgt VVE Parkeerplaatsen niet in haar verweer dat de staat van het gebouw mede de oorzaak is van de geluidsoverlast. VVE Parkeerplaatsen heeft die stelling niet onderbouwd, bijvoorbeeld door te verwijzen naar een onderzoek waaruit de staat van het gebouw blijkt. De enkele stelling dat het gebouw al gehorig was voordat de roldeur is geplaatst, is hiertoe onvoldoende. Daar komt bij dat ook als vast zou komen te staan dat de staat van het gebouw bijdraagtaan de overdracht van het geluid van de roldeur naar de appartementen, dit VVE Parkeerplaatsen niet ontslaat van haar verplichting om maatregelen te nemen. De roldeur is immers de bron van de geluidsoverlast, en uit het onderzoek van Strooming\u002FSonitus volgt dat het mogelijk is om de constructie van de roldeur zodanig aan te passen dat de geluidsoverdracht naar bovengelegen appartementen wordt verminderd. Voor zover VVE Parkeerplaatsen meent dat ook andere (minder ingrijpende of minder kostbare) maatregelen genomen kunnen worden, had het op haar weg gelegen om dat te onderbouwen, wat zij niet heeft gedaan.6.20. \n\nHet voorgaande heeft betrekking op [geïntimeerde 1] . Ten aanzien van [geïntimeerde 3] heeft VVE Parkeerplaatsen terecht aangevoerd dat uit de rapportage van Sonitus niet blijkt dat in het appartement op de derde en vierde verdieping (waar [geïntimeerde 3] woont) geluidsniveaus worden gemeten die de normen uit het Besluit Bouwwerk Leefomgeving overschrijden. Omdat [geïntimeerde 3] verder niet heeft onderbouwd dat en op welke wijze zij geluidshinder ervaart, zal het hof de vordering sub I ten aanzien van [geïntimeerde 3] afwijzen.\n\nDe door VVE Parkeerplaatsen te nemen maatregelen6.21. Strooming heeft meerdere aanbevelingen gedaan om geluidsoverlast door de roldeur te verminderen. Strooming heeft er daarbij op gewezen dat de aanbevolen maatregelen complementair aan elkaar zijn en gezamenlijk moeten worden gerealiseerd om “het juiste effect” (het hof begrijpt: geluidsreductie) te bereiken (zie nader 3.5 en 3.6 hiervoor). Het is niet in geschil dat deze maatregelen geluidsbeperkend zijn en ook niet dat het haalbaar is om deze te realiseren. VVE Parkeerplaatsen is daarom gehouden om alle aanbevelingen van Strooming op te volgen.6.22. De vervolgvraag is of VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming reeds juist en volledig heeft opgevolgd met de werkzaamheden die zij sinds het vonnis aan de roldeur heeft verricht. Volgens [geïntimeerde 1] is dit niet het geval en zij verwijst daarbij naar onderzoek van Sonitus. Sonitus heeft geconstateerd dat, anders dan Strooming heeft aanbevolen, de roldeur niet vrijdragend is gemaakt door deze geheel los te koppelen van de bestaande bouwkundige constructie (zie ook 3.11 en 3.12 hiervoor). Sonitus beveelt aan om dit alsnog te doen, en geeft daarvoor een concreet stappenplan. Sonitus beveelt tevens aan om bij het plaatsen van de deurgeleiders in de voorgevel zogeheten Phonex-ankers toe te passen. Ook beveelt zij aan om de motor van de roldeur te omkleden met een omkasting die aan de onderzijde open is, en om aan de bovenkant een dempende laag aan te brengen tussen de motor en het plafond. Ook op deze punten is VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming onvoldoende nagekomen, aldus Sonitus.6.23. Tegenover deze gemotiveerde onderbouwing van [geïntimeerden] voert VVE Parkeerplaatsen slechts aan dat zij de aanbevelingen van Strooming wel heeft opgevolgd. Zij onderbouwt dat verder echter niet, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Bij die stand van zaken staat naar oordeel van het hof vast dat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen uit het rapport van Strooming onvoldoende heeft opgevolgd. Zij is daarom gehouden om deze alsnog uit te voeren, met inachtneming van de aanvullende aanbevelingen van Sonitus van 14 december 2023. Zoals bij 6.22 is overwogen, geeft Sonitus een lijst met concrete punten om de geluidsoverlast te verminderen. Het gaat dus niet om “weinig concreet gemaakt[e]” aanbevelingen, zoals VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming typeert.6.24. \n\nVVE Parkeerplaatsen heeft nog aangevoerd dat niet vaststaat dat het doorvoeren van de aanbevelingen van Strooming\u002FSonitus zal leiden tot het geheel oplossen van de geluidsoverlast, omdat het pand verouderd en gehorig is. VVE Parkeerplaatsen heeft deze stelling niet onderbouwd, en bovendien niet gemotiveerd weersproken dat het opvolgen van de aanbevelingen van Strooming\u002FSonitus zal leiden tot verminderingvan de geluidshinder. Daarmee staat naar oordeel van het hof voldoende vast dat het nut heeft om de aanbevolen maatregelen uit te voeren.\n\nTermijn en dwangsom6.25. \n\n [geïntimeerde 1] heeft gevorderd dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om de werkzaamheden uit te voeren binnen twee weken na de datum van het arrest. Het hof acht die termijn praktisch niet haalbaar en zal deze daarom vaststellen op drie maanden na betekening van dit arrest. Het hof zal de door [geïntimeerde 1] gevorderde dwangsom toewijzen, maar deze – in lijn met de kantonrechter – matigen op de wijze zoals weergegeven in het dictum.\n\nZijn dwangsommen verbeurd naar aanleiding van het vonnis (vordering sub III)?6.26. Met haar eiswijziging heeft [geïntimeerden] haar vordering dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om de aanbevelingen van Strooming op te volgen, in die zin gewijzigd dat het gevorderde bevel nader is uitgewerkt en gespecificeerd. Omdat de eiswijziging van [geïntimeerden] op dit punt moet worden opgevat als incidenteel hoger beroep (zie rechtsoverweging 6.3 hiervoor), zal het hof het vonnis op dit punt niet bekrachtigen, maar een nieuwe veroordeling uitspreken met inachtneming van de gewijzigde eis.6.27. \n\nNu het vonnis op dit punt niet wordt bekrachtigd, ontvalt met terugwerkende kracht de grondslag aan de dwangsom die de kantonrechter aan de veroordeling heeft verbonden. Dat betekent dat er geen grondslag is voor de door [geïntimeerden] gevorderde verklaring voor recht dat dwangsommen zijn verbeurd en de veroordeling van VVE Parkeerplaatsen om € 15.000,- aan verbeurde dwangsommen aan [geïntimeerden] te betalen. Het hof zal de gewijzigde vordering sub III van [geïntimeerden] daarom afwijzen.\n\nReconventie6.28. \n\nVVE Parkeerplaatsen heeft bij memorie van grieven twee vorderingen in reconventie ingesteld. VVE Parkeerplaatsen was immers bij de kantonrechter verweerder. Uit artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat het niet mogelijk is om voor het eerst in hoger beroep een vordering in reconventie in te stellen. Het hof zal VVE Parkeerplaatsen daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vorderingen.\n\nConclusie en proceskosten6.29. De conclusie is dat het principale hoger beroep van VVE Parkeerplaatsen niet slaagt, het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde 1] wel slaagt en de gewijzigde vordering sub I van [geïntimeerde 1] voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof zal het vonnis daarom deels vernietigen, maar slechts voor wat betreft het aan VVE Parkeerplaatsen opgelegde bevel.6.30. Omdat VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 1] .6.31. \n\nHet hof begroot de proceskosten in het principale hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] op: griffierecht € 116,33 (1\u002F3 × € 349,-) salaris advocaat € 860,- (1\u002F3 × 2 punten × tarief II) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.165,33\n\nOmdat in het incidentele hoger beroep geen afzonderlijke proceshandelingen zijn verricht, begroot het hof de proceskosten van [geïntimeerde 1] in het incidentele hoger beroep op nihil. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6.32. Voor het overige zijn de partijen in het principale en incidentele hoger beroep over en weer in het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom de proceskosten tussen hen compenseren in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep\n\n- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023, doch uitsluitend voor wat betreft de veroordeling onder 3.3;\n\nen in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nten aanzien van [geïntimeerde 2] :\n\n- verklaart [geïntimeerde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering sub I;\n\nten aanzien van [geïntimeerde 3] :\n\n- wijst de vordering sub I af;\n\nten aanzien van [geïntimeerde 1] :\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen om binnen drie maanden na betekening van dit arrest de aanbevelingen in het rapport van Strooming van 30 november 2021 en de brief van Sonitus van 14 december 2023 volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, in het bijzonder door het realiseren van een zelfdragend stalen portaal dat alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond en het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie van het gebouw, met inachtneming van de bevindingen van de geluidsdeskundige van 19 april 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat VVE Parkeerplaatsen hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,-;\n\nbekrachtigt het vonnis voor het overige;\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] tot op heden begroot op € 1.165,33, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als VVE Parkeerplaatsen deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als VVE Parkeerplaatsen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, VVE Parkeerplaatsen de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op nihil;\n\ncompenseert voor het overige de proceskosten in hoger beroep in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. D. Stoutjesdijk, A.A. Muilwijk-Schaaij en T. Heikens en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106, r.o. 3.2.2.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1983","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.192Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":45,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"1119","ECLI:NL:RBOVE:2026:3672","ecli-nl-rbove-2026-3672",57,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 26\u002F1538\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [verzoeker 1] en [verzoeker 2] uit [woonplaats], verzoekers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Wierden\n\n(gemachtigde: mr. J.J.C. Wenno).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (hierna: [verzoeker 1]) gericht tegen een brief van het college van 23 december 2021. In die brief wordt [verzoeker 1] meegedeeld dat het college niet meewerkt aan de verkoop\u002Fverhuur van een aan het woonperceel van verzoekers grenzend perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 1] en wordt verzoekers verzocht het betreffende perceel uiterlijk op 1 december 2022 te ontruimen.\n\n1.1.. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.\n\nInleiding: feiten en procesverloop\n\n2.1. \n [verzoeker 1] is eigenaar van de woning met grond op het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 2]. De gemeente is eigenaar van de aangrenzende percelen kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 3] (hierna kavel A) en [kadastrale aanduidingen 1] (hierna kavel B). Het perceel van verzoekers ligt tussen beide gemeentelijke percelen.\n\n2.2. Bij brief van 27 september 2021 heeft [verzoeker 1] de gemeente Wierden gevraagd de percelen A en B aan hem te verkopen.\n\n2.3. \n\nMet de brief van 23 december 2021 heeft het college op het verzoek gereageerd.\n\nMeegedeeld is dat het college meewerkt aan de verkoop\u002Fverhuur van perceel A maar dat het college niet meewerkt aan verjaring\u002Fverkoop van kavel B.\n\nIn de brief verzoekt het college [verzoeker 1] perceel B uiterlijk op 1 december 2022 geheel ontruimd zonder hekwerk aan de gemeente op te leveren.\n\n2.4. \n [verzoeker 1] heeft op 28 januari 2022 (pro forma) bezwaar ingediend tegen de brief van 23 december 2021.\n\n2.5. Bij deurwaardersexploot van 15 mei 2025 is [verzoeker 1] aangezegd om het perceel binnen dertig dagen te ontruimen. Daaraan heeft [verzoeker 1] geen gevolg gegeven.\n\n2.6. \n\nPartijen hebben civielrechtelijk geprocedeerd over de vraag of sprake is van eigendomsverkrijging door verzoekers door verjaring ten aanzien van perceel B. Het college heeft de bezwaarprocedure aangehouden in afwachting van een onherroepelijk besluit van de civiele rechter.\n\nMet het arrest van 22 mei 2026 van de Hoge Raad staat onherroepelijk vast dat de gemeente Wierden eigenaar is van het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 1].\n\n2.7. \n\n [verzoeker 1] heeft de gronden van bezwaar aangevuld bij brief van 26 mei 2026 en bij brief van 27 mei 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.\n\n [verzoeker 1] vraagt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 23 december 2021 tot ontruiming van het perceel B te schorsen, althans de werking ervan op te schorten, tot 2 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.\n\n2.8. Verzoekers hebben op 29 juni 2026 nog nadere producties in het geding gebracht.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nToetsingskader\n\n3.1. De voorzieningenrechter is op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bevoegd om een voorlopige voorziening te treffen tijdens de bezwaarprocedure. Bij de beoordeling is van belang of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen als het niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan namelijk alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit.\n\nDe wettelijke regels die van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak staan in de bijlage.\n\n3.2. Het college heeft in het verweerschrift van 2 juni 2026 gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening. De brief van 23 december 2021, door [verzoeker 1] gekwalificeerd als ‘het ontruimingsbesluit’ is niet gericht op enig rechtsgevolg en heeft ook niet een publiekrechtelijk karakter. Het college stelt dan ook dat dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden.\n\n3.3. \n [verzoeker 1] is het niet met het college eens en vindt dat sprake is van een besluit.\n\n3.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb omdat geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het ontruimingsbesluit houdt een verzoek in om perceel B te ontruimen en zonder hekwerk aan de gemeente op te leveren. Met de brief van 23 december 2021 wordt geen verplichting door het college in het leven geroepen. In de brief wordt de ontruiming geformuleerd als een verzoek en in de brief is geen rechtsmiddelenclausule opgenomen. Dat, zoals [verzoeker 1] stelt, het college reeds voor de brief van 23 december 2021 op grond van het door haar gevoerde beleid had besloten kavel B te ontwikkelen tot woningbouwkavel en [verzoeker 1] het perceel voor een bepaalde datum volledig ontruimd diende op te leveren, maakt dat niet anders.\n\n3.5. \n\nVoor zover wel sprake is van een rechtshandeling ontbreekt het publiekrechtelijke karakter. Zoal het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 18 maart 2025 heeft overwogen spreekt (het college namens) de gemeente in de brief van 23 december 2021 aanspraken van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] op de eigendom van kavel B tegen en gebruikt zij daarin geen publiekrechtelijke bevoegdheid.\n\nDat het college, zoals [verzoeker 1] stelt, kavel B wil uitgeven als bouwkavel en daarmee uitvoering geeft aan het gemeentelijke woningbouwbeleid maakt dat niet anders.\n\n3.6. \n [verzoeker 1] stelt tot slot dat de brief van 23 december 2021 als een besluit moet worden aangemerkt om het door de gemeente gevoerde grond- en uitgiftebeleid in een concreet geval afdwingbaar te maken. Voor zover [verzoeker 1] hiermee beoogt te stellen dat de brief van 23 december 2021 geldt als bestuurlijk rechtsoordeel dat omwille van de rechtsbescherming als besluit aangemerkt dient te worden, wordt hij daarin niet gevolgd. Een bestuurlijk rechtsoordeel is een zelfstandig en als definitief bedoeld oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift waarvan de toepassing tot de bevoegdheid van het bestuursorgaan hoort.Daarvan is zoals overwogen onder 3.5 geen sprake nu het gaat om uitoefening van het eigendomsrecht door de gemeente als publiekrechtelijke rechtspersoon.\n\n3.7. Verzoekers dienen zich tot de civiele rechter te richten indien zij wensen te voorkomen dat uitvoering wordt gegeven aan de ontruiming van het in geding zijnde perceel grond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4.1. Op grond van de systematiek van de Awb kan alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit. Nu de brief van 23 december 2021 niet als besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt, leidt dit tot de conclusie dat het bezwaar van [verzoeker 1] naar alle verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\n4.2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het bezwaar van [verzoeker 1] geen redelijke kans van slagen heeft.\n\n4.3. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nde voorzieningenrechter is buiten staat de uitspraak te tekenen\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.Bijlage: voor deze zaak van belang zijnde wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nartikel 1:3\n\n1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.\n\n(…)\n\nartikel 7:1\n\n1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:\n\nartikel 8:81\n\n1. Indien tegen een besluit (…) voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt (…) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3222, rechtsoverweging 4","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3672","2026-07-13T00:29:05.119Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"1914","ECLI:NL:RBMNE:2026:3684","ecli-nl-rbmne-2026-3684",71,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F611924 \u002F KL ZA 26-139\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij sub 1] ,\n\n te [woonplaats] , 2. [eisende partij sub 2],\n\n te [woonplaats] , 3. [eisende partij sub 3],\n\n te [woonplaats] , 4. [eisende partij sub 4],\n\n te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisende partij c.s.] ,\n\nadvocaat: mr. W.J.R. Okx,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 3 juni 2026 met producties (1-9), - de nadere producties van [eisende partij c.s.] (10-15),\n\n- een nader bericht van 10 juni 2026 van [eisende partij c.s.] .\n\n1.2.. Op 11 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eisende partij c.s.] hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat op 25 juni 2026 vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Met uitzondering van [eisende partij sub 1] zijn partijen directe buren van elkaar. [gedaagde partij] woont tussen de woning van [eisende partij sub 2] en de woning van [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] in. [eisende partij sub 1] is eigenaar van de woning van [eisende partij sub 2] en verblijft daar ook regelmatig.\n\n2.2.. Volgens [eisende partij c.s.] is de woning van [gedaagde partij] in zo’n slechte staat dat er sprake is van een bouwkundig en brandveilig problematische woning. Ook zou [gedaagde partij] ernstige geluidshinder veroorzaken. Volgens [eisende partij c.s.] hebben zij om die reden recht op en spoedeisend belang bij de gevorderde ordemaatregelen. [gedaagde partij] stelt dat zij al opdracht heeft gegeven om diverse bouwkundige herstelwerkzaamheden aan haar huis uit te laten voeren (o.a. het plaatsen van nieuwe dakkapellen). Voor het overige betwist [gedaagde partij] de door [eisende partij c.s.] gestelde bouwkundige klachten, net als het verwijt dat zij geluidshinder veroorzaakt.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een deel van de door [eisende partij c.s.] ingestelde vorderingen toe te wijzen.\n\n 3. De beoordeling\n\n [eisende partij c.s.] hebben een spoedeisend belang\n\n3.1.. In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.\n\n3.2.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eisende partij c.s.] in de aard van de zaak besloten ligt.\n\nLast onder bestuursdwang\n\n3.3.. Op 5 maart 2026 heeft de gemeente Hilversum [gedaagde partij] een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege brand- en bouwonveiligheid van haar woning. [gedaagde partij] is opgedragen de in de last omschreven werkzaamheden uit te (laten) voeren, waarbij [gedaagde partij] , totdat de woning brandveilig en bouwveilig is verklaard, haar woning niet mag bewonen. Deze last is onherroepelijk geworden. Het merendeel van de werkzaamheden moeten vóór 6 juli 2026 zijn uitgevoerd. In de last onder bestuursdwang is ook gemeld dat sprake is van onvoldoende wering van vocht. De dakkapellen zijn volgens de gemeente Hilversum namelijk niet wind- en waterdicht.\n\nWat willen [eisende partij c.s.] dat [gedaagde partij] moet doen?\n\n3.4.. Kort samengevat vorderen [eisende partij c.s.] dat [gedaagde partij] veroordeelt wordt tot:\n\nhet vervangen van de gebrekkige panlatten van haar dak;\n\nhet laten herstellen van haar dakkapellen;\n\nherstel van achterstallig schilderwerk bij het aanzicht van haar woning;\n\nhet verwijderen en verwijderd houden van diverse losliggende materialen afval uit haar voor- en achtertuin;\n\nherstel van een lekkende kraan op de eerste verdieping van haar woning en herstel van de door de lekkende kraan (ook bij [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] ) ontstane schade;\n\nhet aanbrengen van adequaat isolatiemateriaal op de binnenmuren van haar woning.\n\nDe vorderingen die zien op de gestelde vochtproblemen\u002Flekkages zijn toewijsbaar\n\n3.5.. \n [eisende partij c.s.] stellen dat zij in hun woning last hebben van grote vochtproblemen die veroorzaakt worden door de slechte bouwkundige staat van de woning van [gedaagde partij] . Volgens [gedaagde partij] is dit niet juist en worden de vochtproblemen veroorzaakt omdat de regenpijp aan de voorzijde van de woning van [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] verwijderd is. Dat de vochtproblemen zijn ontstaan door het ontbreken van deze regenpijp is niet aannemelijk. In de door [eisende partij c.s.] overgelegde eerste offerte van 4 juni 2026 van DGB wordt namelijk gemeld dat de waterschade in de woning van [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] is ontstaan door de lekkage vanuit het slechte dak van [gedaagde partij] en het optrekkende vocht in de scheidingsmuur vanuit de doorweekte gemetselde plantenbak waar de hemelwaterafvoer in uitkomt van het zadeldak van de woning van [gedaagde partij] .Verder geldt dat in de last onder bestuursdwang staat dat geconstateerd is dat er gaten in de wangen van de huidige dakkapellen van [gedaagde partij] zitten. Dit betekent dat bij regen het water door deze gaten op het dak van de woning van [gedaagde partij] kan komen en zich verder kan verspreiden. Ook uit de door [eisende partij c.s.] overgelegde foto van de boeidelen van de woning van [gedaagde partij] is goed zichtbaar dat er sprake is van vochtschade dat veroorzaakt wordt doordat het water niet goed wegloopt.\n\n3.6.. Op de zitting is wel gebleken dat er niet vanuit kan worden gegaan dat een lekkende kraan op de eerste verdieping in de woning van [gedaagde partij] lekkage(schade) in de woning van [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] heeft veroorzaakt. Maar gelet op de inhoud van de last onder bestuursdwang en de offerte van 4 juni 2026 van DGB, kan voorshands wel worden aangenomen dat in de woning van [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] waterschade is geconstateerd waarvoor [gedaagde partij] aansprakelijk is. En zonder het treffen van adequate maatregelen zullen de vochtproblemen\u002Flekkages zich blijven voordoen.\n\n3.7.. Op 20 april 2024 heeft [gedaagde partij] bij de gemeente Hilversum een aanvraag voor een vergunning tot het plaatsen van nieuwe dakkapellen ingediend. Volgens [eisende partij c.s.] zal de vergunning niet worden verleend, omdat zij van (een medewerker van) de Gemeente vernomen hebben dat de bij de aanvraag ingediende bouwtekening van de dakkapellen niet zal worden geaccepteerd. [gedaagde partij] heeft hierop gereageerd door slechts te stellen dat de dakkapellen worden vervangen, maar dat dit niet voor juli 2026 zal plaatsvinden. Dit is weinig concreet en bieden [eisende partij c.s.] geen enkele houvast dat de problemen aan de dakkapellen adequaat worden opgelost. Ook met betrekking tot de overige op grond van de last onder bestuursdwang opgelegde maatregelen heeft [gedaagde partij] op geen enkele wijze gemotiveerd gesteld of anderszins inzichtelijk gemaakt dat de woning snel weer brand- en bouwveilig wordt gemaakt.Het treffen van een ordemaatregel is dan ook op zijn plaats.\n\n3.8.. Op grond van alle hiervoor genoemde omstandigheden is er voldoende aanleiding om de vorderingen die zien op de aanpak van de vochtproblemen\u002Flekkages veroorzaakt door de staat van de woning van [gedaagde partij] in na te melden zin toe te wijzen.\n\nDe overige onder 3.4 omschreven vorderingen zijn niet toewijsbaar\n\n3.9.. Ook als ervan uitgegaan wordt, zoals [eisende partij c.s.] stellen, dat er in de voor- en achtertuin van [gedaagde partij] nog materialen aanwezig zijn en dat er sprake is van ernstig achterstallig onderhoud aan het verfwerk van de woning van [gedaagde partij] , leidt dit niet tot toewijzing van het op dit punt gevorderde. Zo is niet gesteld of gebleken dat er sprake is van (ernstige) stankoverlast of ongedierte of dat er brandgevaarlijke spullen in de tuin van [gedaagde partij] liggen. En dat de slechte staat van de verf op de woning van [gedaagde partij] op termijn mogelijk tot nieuwe lekkages kan leiden, zoals door [eisende partij c.s.] wordt gesteld, is voor nu ook geen reden om in kort geding [gedaagde partij] de op deze punten gevraagde ordemaatregelen op te leggen.\n\n3.10.. Voor wat betreft de gestelde geluidsoverlast geldt het volgende. [gedaagde partij] betwist dat zij geluidsoverlast veroorzaakt. Volgens [gedaagde partij] wordt er zelfs geklaagd over geluidsoverlast wanneer zij niet eens in Nederland was, zoals in oktober en november 2025. [eisende partij c.s.] hebben ter onderbouwing van de geluidshinder volstaan met een korte verklaring van [eisende partij c.s.] dat sprake is van geluidsoverlast en het hoofdzakelijk geven van een kale opsomming van hoeveel momenten van overlast er per jaar geconstateerd zijn.De overlast is dan verder onderverdeeld in onder meer geluidsoverlast, lichtoverlast, vernielingen en mishandeling. Op de zitting is meegedeeld dat er een veel gedetailleerder overzicht bestaat waaruit zou blijken wanneer en om wat voor geluidsoverlast het gaat en er zouden ook geluidsopnames zijn. Deze maken echter geen onderdeel uit van dit kort geding. Maar ook als van de juistheid van de gestelde geluidsoverlast wordt uitgegaan, is het nog maar de vraag welk spoedeisend belang [eisende partij c.s.] hebben bij de gevraagde voorziening. In de verklaring van [eisende partij c.s.] wordt gesteld dat de geluidshinder in de nachtelijke uren plaatsvindt en dat het wordt veroorzaakt door het werken met boormachines, hamers en ander gereedschap. Niet aannemelijk is dat het aanbrengen van isolatiemateriaal op de binnenmuren van de woning van [gedaagde partij] de gestelde geluidsoverlast in de nachtelijke uren in voldoende mate kan doen stoppen. Ook dit deel van het gevorderde komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.\n\nDwangsommen en proceskosten.\n\n3.11.. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als volgt.\n\n3.12.. \n [gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij c.s.] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.860,02\n\n3.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde partij] om de gebrekkige panlatten van het dak van haar woning te laten vervangen,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde partij] de lekkages in haar dakkapellen te laten herstellen,\n\n4.3.. veroordeelt [gedaagde partij] om de lekkages vanuit de gemetselde plantenbak van haar woning te laten herstellen,\n\n4.4.. veroordeelt [gedaagde partij] om de in de woning van [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] ontstane lekkageschade te laten herstellen,\n\n4.5.. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij c.s.] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordelingen voldoet,\n\n4.6.. bepaalt dat uit hoofde van dit vonnis niet meer dwangsommen worden verbeurd dan € 25.000,00,\n\n4.7.. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.8.. veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n4428\n\n Zie productie 12 voor de offerte van 4 juni 2026 betreffende waterschade (€ 5.812,90).\n\n Zie de tweede foto van productie 11.\n\n In de last onder bestuursdwang wordt gemeld dat de woning overvol is onder meer vanwege de aanwezigheid van grote hoeveelheden brandbare (chemische) middelen. Ook is er sprake van brandgevaar vanwege de vele onveilige elektrische installaties, zoals niet afgedekte stopcontacten, lichtknoppen, aansluitpunten verlichting, openliggende elektriciteitsdraden en een onveilige elektrische kachel en een onveilige open haard.\n\n Zie productie 13.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3684","2026-07-13T00:29:45.233Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":51,"updatedAt":79},"1638","ECLI:NL:RBNHO:2026:7578","ecli-nl-rbnho-2026-7578",67,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 11961316 \\ CV EXPL 25-7568\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1], 2. [eiser 2],\n\nbeiden wonende te [plaats 1],\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers],\n\ngemachtigde: mr. L.C. Pitters,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] H.O.D.N. [bedrijf 1],\n\nwonende en zaakdoende te [plaats 2],\n\nprocederend in persoon,\n\n2. [gedaagde 2], 3. [gedaagde 3],\n\nbeiden wonende te [plaats 1],\n\ngemachtigde: mr. E. Aslan,\n\n gedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2].\n\nDe zaak in het kort\n\n [eisers] en [gedaagde 2] zijn buren. In 2019 is bij verbouwingswerkzaamheden aan de woning van [gedaagde 2] een schoorsteen verwijderd. Dit is gedaan door [gedaagde 1], die door [gedaagde 2] was ingeschakeld als aannemer. Volgens [eisers] is door het verwijderen van de schoorsteen een ventilatiekanaal van zijn woning afgesloten, waardoor hij ventilatieproblemen ervaart en schade lijdt. [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] zijn volgens [eisers] aansprakelijk voor deze schade. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Zij betogen allebei dat er door het verwijderen van de schoorsteen geen schade kan zijn toegebracht aan een ventilatiekanaal van de woning van [eisers].\n\nDe kantonrechter concludeert dat het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en het gestelde schadeveroorzakende feit niet is komen vast te staan en wijst de vordering daarom af.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 4 november 2025 met producties 1-34 - het mondeling antwoord van [gedaagde 1] van 12 november 2025 - de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] van 7 januari 2026 met producties 1-8 - de akte houdende eisvermeerdering tevens akte houdende overleggen aanvullende productie met productie 35, door de griffie ontvangen op 11 mei 2026\n\n- het tussenvonnis van 11 februari 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitaantekeningen die namens [eisers] en [gedaagde 2] zijn voorgedragen.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisers] is sinds 2014 eigenaar van de woning aan de [adres 1] in [plaats 1]. [gedaagde 2] is sinds 2019 eigenaar van de woning aan de [adres 2] in [plaats 1]. Deze partijen zijn buren van elkaar.\n\n2.2.. \n [gedaagde 1] heeft in 2019 in opdracht van [gedaagde 2] de schoorsteen van de woning van [gedaagde 2] verwijderd.\n\n2.3.. \n\nIn opdracht van [eisers] heeft [bedrijf 2] op 27 november 2023 onderzoek uitgevoerd in zijn woning. [betrokkene 1] van [bedrijf 2] heeft in zijn rapport van 30 november 2023 dat aan de hand van dat onderzoek is opgesteld, geconcludeerd dat nader onderzoek geboden was. Verder staat in het rapport van [bedrijf 2] (p. 8-9):\n\n“(…) het is mogelijk (ook nog niet uit te sluiten) dat de verminderde werking van de ventilatie opening in de kelder het gevolg is van de werkzaamheden aan de schoorsteen van de buren.\n\nOndergetekende heeft het mogelijk verband hiertussen nog niet kunnen vaststellen. Hiervoor dient het dak van de woning veilig te worden betreden.\n\nOp basis van de bouwkundige tekeningen is het sterke vermoeden dat de ventilatiekanalen niet in de schoorsteen van de buren zijn uitgekomen maar dat deze afzonderlijk uitmonden onder de dakpannen ter hoogte van de woningscheidende wand. Ondergetekende houdt het nog voor mogelijk dat bij het verwijderen van de schoorsteen op nummer [adres 2] vuil in het kanaal terecht is gekomen. Dit is echter niet vastgesteld door ondergetekende. Uiteraard is ook op andere wijze verstopping of gedeeltelijke afdichting van het kanaal mogelijk, bijvoorbeeld gedierte(…)”.2.4.. Op 19 maart 2024 is een vervolgonderzoek gepland. In het e-mailbericht van [betrokkene 2] van [bedrijf 2] van 15 april 2024 staat: “(…) Op dinsdag 19 maart 2024 heeft er een aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar de vochtproblematiek in de woning van familie [eisers] te [plaats 1]. Hierbij het dak aan de achterzijde, voor zover dat mogelijk was, geïnspecteerd met een lange ladder. Daarbij is de woning binnen geïnspecteerd. Ter plaatse van de badkamer op de 2e verdieping, de overloop op de 1e verdieping en de trapkast, allen ter plaatse van de woningscheidende muur, zijn geen vocht gerelateerde problemen waargenomen.Op basis van de gedane waarnemingen kan er worden geconcludeerd dat er geen vocht gerelateerde problemen aanwezig zijn in de woning. Ik zie derhalve niet de noodzaak om een aanvullend onderzoek uit te voeren, waarbij een maatregel, zoals het plaatsen van een steiger, dient te worden getroffen om het dak nader te inspecteren.(…)”.\n\n2.5.. In opdracht van [eisers] heeft [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4]) op 29 augustus 2024 onderzoek uitgevoerd in zijn woning. In het rapport van [bedrijf 4] van 16 oktober 2024, pagina 3, staat: “(…)Vraag 1. Werkt de onluchting\u002Fventilatie in de eensteensmuur in de kelder naar behoren?Antwoord:(…) Uit ons onderzoek naar het bouwdossier van de woning hebben wij vastgesteld dat de gesloopte schoorsteen diende als ventilatiekanaal voor de keuken, w.c., douche en kelderkast van partij 1[[eisers], kantonrechter].(…)Als bewijs dienen de volgende bouwtekeningen, zie ook debijlagen 1 tot en met 3:(…)”.\n\n{afbeelding 1}\n\nTer onderbouwing van het antwoord op vraag 1 zijn in het rapport van [bedrijf 4] de volgende afbeeldingen opgenomen:\n\nVerder staat in het rapport van [bedrijf 4], meer specifiek op pagina 5 in antwoord op vraag 3: “Op basis van de door ons gewonnen informatie uit het bouwdossier en de in de woning van partij 1 geconstateerde routes van de ventilatiekanalen, achten wij een causaal verband aangetoond tussen de ontstane gebrekkige ventilatie en het handelen van partij 2 en\u002Fof haar aannemer.”\n\n2.6.. \n [eisers] heeft [gedaagde 2] (onder meer) op 1 april 2025 per brief aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, waarbij [gedaagde 2] is gesommeerd deze schade aan [eisers] te vergoeden. Hiertoe is [gedaagde 2] niet overgegaan.\n\n2.7.. \n [eisers] heeft [gedaagde 1] op 21 juli 2025 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, waarbij [gedaagde 1] is gesommeerd om deze schade aan [eisers] te vergoeden. Hiertoe is [gedaagde 1] niet overgegaan.\n\n Tekst3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eisers] vordert – na vermeerdering van eis - veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 8.083,99, alsook veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 100,00 per maand vanaf oktober 2025, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. \n [eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisers] vordert schadevergoeding uit onrechtmatige daad. Hij stelt daartoe dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schade hebben (laten) veroorzaken aan de woning van [eisers]. Door het op onrechtmatige wijze (laten) verwijderen van de schoorsteen van de woning van [gedaagde 2] is het ventilatiekanaal in de woning van [eisers] gedicht en lijdt hij schade. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] danwel [gedaagde 1] moet(en) deze schade aan [eisers] vergoeden. De schade bestaat uit de herstelkosten en immateriële schade bestaande uit gederfd woongenot.\n\n3.3.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Op hun verweren gaat de kantonrechter – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil in.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Voor toewijzing van de vordering is vereist dat de gedragingen en\u002Fof het nalaten van [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt, waarna zij (dan wel een van hen) de schade die [eisers] door die gedraging lijdt en heeft geleden moet(en) vergoeden. Daarbij moet een oorzakelijk verband bestaan tussen de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] en de schade die [eisers] lijdt. Omdat [eisers] zich op de stelling beroept dat sprake is van een onrechtmatige daad waardoor hij schade lijdt en heeft geleden, draagt hij daarvan de stelplicht en bewijslast.\n\nHet oorzakelijk verband ontbreekt4.2.. \n [eisers] stelt dat [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld door de schoorsteen die (grotendeels) op de woning van [gedaagde 2] stond, te (laten) verwijderen. In de schoorsteen mondden volgens [eisers] twee gescheiden kanalen uit; het rookkanaal van de woning van [gedaagde 2] en het ventilatiekanaal van de woning van [eisers]. Door het verwijderen van de schoorsteen is een ventilatiekanaal van de woning van [eisers] afgedicht. Het ventilatiekanaal diende ter ventilering van de keuken, de w.c., de douche en de kelderkast van de woning van [eisers]. Door het verwijderen van de schoorsteen en het in verband daarmee afdichten van het ventilatiekanaal lijdt [eisers] schade in de vorm van onder meer schimmelvorming in zijn woning. Ter onderbouwing heeft [eisers] onder meer de rapporten van [bedrijf 2] en [bedrijf 4] overgelegd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het voorgaande gemotiveerd betwist. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] had de schoorsteen geen functie voor enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] en kwam er geen ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uit in de schoorsteen.\n\n4.3.. De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat door het verwijderen van de schoorsteen enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] is afgedicht. Niet is namelijk komen vast te staan dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uitkwam in de schoorsteen. Er kan daarom ook geen oorzakelijk verband bestaan tussen verwijdering van de schoorsteen en de (gestelde) problemen met de ventilatie in de woning van [eisers]. De vragen of sprake is van een onrechtmatige gedraging of nalaten, schade en, zo ja, in hoeverre schade aan [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] kan worden toegerekend, behoeven daarom geen beantwoording. De vordering is niet toewijsbaar. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.\n\n4.4.. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [eisers] gewezen op het rapport van [bedrijf 4]. Hierin is geconcludeerd dat “de gesloopte schoorsteen diende als ventilatiekanaal voor de keuken, w.c., douche en kelderkast” van de woning van [eisers]. Ter onderbouwing daarvan zijn een aantal afbeeldingen onder die conclusie in het rapport opgenomen, waaruit volgens de deskundige zou blijken dat het ventilatiekanaal voor de woning van [eisers] uitkomt in de schoorsteen. De kantonrechter heeft [eisers] tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat de afbeeldingen zoals opgenomen in het rapport van [bedrijf 4] een dergelijke verbinding tussen het ventilatiekanaal en de schoorsteen niet laten zien. [eisers] heeft in reactie daarop toegelicht dat de afbeeldingen in samenhang moeten worden gezien.4.5.. \n\nHoewel afbeelding 1 een ingezoomde afbeelding afkomstig uit afbeelding 2 lijkt, is deze door [eisers] gestelde samenhang zonder nadere toelichting en onderbouwing niet begrijpelijk. Weliswaar zijn op afbeelding 1 mogelijk twee kanalen te zien, maar hiermee staat niet vast dat een van deze twee kanalen een ventilatiekanaal is. In dit verband is van belang dat [gedaagde 2] gemotiveerd en met stukken onderbouwd heeft toegelicht dat op de schoorsteen alleen de rookkanalen voor de haard op de begane grond en de kachel op de eerste verdieping van de woning van [gedaagde 2] waren aangesloten en dat dit een gesloten systeem was. De twee kokers die te zien zijn op afbeelding 1 zijn volgens [gedaagde 2] waarschijnlijk de rookkanalen voor de haard en de kachel van de woning van [gedaagde 2]. Technisch is het volgens [gedaagde 2] bovendien niet mogelijk het ventilatiekanaal van de woning van [eisers] langs het rookkanaal dat was aangesloten op de schoorsteen te laten lopen. Volgens de destijds en nu geldende normen moet er namelijk een veilige afstand (van anderhalve meter) zitten tussen een ventilatiekanaal en een rookkanaal. Het ventilatiekanaal voor de woning van [eisers] komt volgens [gedaagde 2] uit in het dak van de woning van [eisers].\n\nOok volgens [gedaagde 1] is het technisch niet mogelijk de ventilatie voor de woning van [eisers] via het rookkanaal en de schoorsteen te laten lopen. Dit zou gevaar voor koolomonoxidevergiftiging opleveren.\n\n4.6.. Een en ander strookt met hetgeen het [bedrijf 2] heeft gerapporteerd over de opening in de kelder\u002Ftrapkast: “De oorspronkelijke functie van de opening is een natuurlijke ventilatie van de kelderruimte. De opening komt uit in een in de woning scheidende wand gemetseld ventilatiekanaal (met ruwe wanden) dat zeer waarschijnlijk uitmond onder de dakpannen van de woning (…)”.\n\n4.7.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] aan de hand van een afbeelding waarop beide woningen te zien zijn bovendien nog toegelicht dat boven de badkamer van de woning van [eisers] een ontluchting is geplaatst. [gedaagde 2] concludeert dat die uitgang boven de badkamer dient ter ventilatie. [eisers] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat dakdekker [bedrijf 3] in 2023 de badkamerventilatie boven op het dak heeft vervangen. Dit was echter geen ventilatie, volgens [eisers] zagen de werkzaamheden op de vervanging van een ontluchtingspijp. Hoewel [eisers] een andere benaming aanhoudt, acht de kantonrechter aannemelijk dat die pijp dient als ventilatie voor de badkamer. De redenering van [eisers] dat de “ontluchtingspijp” niet dient ter ventilatie van de badkamer wordt bij deze stand van zaken daarom verworpen. Dit betekent dat de kantonrechter aanneemt dat het ventilatiekanaal van de badkamer niet uitkwam in de schoorsteen.\n\n4.8.. In het licht van de gemotiveerde betwistingen en het rapport van [bedrijf 2] had het op de weg van [eisers] gelegen nader te onderbouwen dat in de schoorsteen wel een ventilatiekanaal voor zijn woning uitkam, en dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan dit betoog van [eisers].\n\n4.9.. Ook afbeelding 3 van het rapport van [bedrijf 4] ondersteunt de stellingen van [eisers] niet. In die afbeelding staat “ventilatiekanalen voor keuken, w.c., douche en kelderkast opnemen in speciale B2 blokken”. Daaruit kan evenwel niet worden geconcludeerd dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] samenkwam met de rookkanalen in de schoorsteen. Op de vraag van de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling of deze passage mogelijk kan zien op de functie van een apart ventilatiekanaal heeft [eisers] geantwoord dat dit deel van de tekst behoort bij de bouw van de schoorsteen. Dit betoog is door [eisers] echter niet toegelicht of onderbouwd en blijkt ook niet uit de bijlagen bij het rapport van [bedrijf 4], zodat de kantonrechter aan dit betoog voorbij gaat.\n\n4.10.. De kantonrechter heeft [eisers] tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat zij een deskundigenrapport en de onderbouwing daarvan moet kunnen begrijpen alvorens zij deze kan overnemen. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat de kantonrechter voorbij gaat aan de conclusies in het rapport van [bedrijf 4], zoals opgenomen in antwoord op vraag 1 en vraag 3 van het rapport. [eisers] heeft in dit verband nog gesteld dat het rapport voor de deskundige logisch is opgesteld, omdat hij dit soort werkzaamheden dagelijks uitvoert. Dit standpunt kan hem, gelet op het voorgaande, niet baten. De kantonrechter concludeert dat uit het rapport van [bedrijf 4] niet de conclusie kan worden getrokken dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uitkwam in de schoorsteen. Door het verwijderen van de schoorsteen kan dus ook geen ventilatiekanaal zijn afgedicht, zodat geen oorzakelijk verband bestaat tussen het verwijderen van de schoorsteen en de (gestelde) gebrekkige ventilatie in de woning van [eisers].\n\n4.11.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter [eisers] voorgehouden dat in het rapport van [bedrijf 2] staat: “(…) Op basis van de bouwtekeningen is het sterke vermoeden dat de ventilatiekanalen niet in de schoorsteen van de buren zijn uitgekomen maar dat deze afzonderlijk uitmonden onder de dakpannen ter hoogte van de woningscheidende wand.(…)”. Ook heeft de kantonrechter de inhoud van het e-mailbericht van de inspecteur van [bedrijf 2] van 15 april 2024 aan [eisers] voorgehouden. [eisers] heeft toegelicht dat het rapport van Bureau van Bouwpathologie niet zo uitvoerig is uitgevoerd als [bedrijf 4], zodat de inhoud van het rapport van [bedrijf 4] bij de beoordeling van dit geschil als uitgangspunt moet worden genomen. Aan dit betoog gaat de kantonrechter voorbij gelet op hetgeen zij in rechtsoverwegingen 4.4. tot en met 4.10. over het rapport van [bedrijf 4] heeft overwogen.\n\n [eisers] wordt veroordeeld in de kosten4.12.. \n [eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.\n\nDe proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:\n\n- verletkosten\n\n€\n\n100,00\n\nTotaal\n\n€\n\n100,00\n\n De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n864,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eisers] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde 1] van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend\n\n5.3.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde 2] c.s. € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Pagina 3 van het rapport van [bedrijf 4] van 16 oktober 2024.\n\n Op grond artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 150 van het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7578","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:30.977Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":84,"decisionDate":75,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"586","ECLI:NL:RBGEL:2026:5282","ecli-nl-rbgel-2026-5282",68,"RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F454310 \u002F HZ ZA 25-189\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser in conventie 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [naam eiser in conventie 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser in conventie] ,\n\nadvocaat: mr. C. Cenik,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde in conventie],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde in conventie] ,\n\nadvocaat: mr. K.W. Janssen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 maart 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de eiser in conventie] hebben op 11 april 2016 van [de gedaagde in conventie] en haar voormalige partner de eigendom verkregen van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer 1] te [woonplaats] . [de gedaagde in conventie] is eigenares van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer 2] te [woonplaats] . Partijen zijn (directe) buren van elkaar.\n\n2.2.. \n\nIn de akte waarbij de woning aan [de eiser in conventie] is geleverd zijn verschillende erfdienstbaarheden gevestigd. In de akte staat in dit verband onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\nVESTIGING ERFDIENSTBAARHEDEN\n\nVerkoper en koper zijn voorts blijkens voormelde overeenkomst overeengekomen en vestigen ter uitvoering daarvan:\n\n(…)\n\nten behoeve en ten laste van het bij deze verkochte, het woonhuis (voorhuis) [straatnaam] [huisnummer 1] [postcode] [woonplaats] , het heersende erf, en ten behoeve en ten laste van het aan de verkoper in eigendom verblijvende gedeelte (…) het woonhuis (achterhuis) [straatnaam] [huisnummer 2] te [postcode] [woonplaats] , over en weer als heersende en dienende erven, erfdienstbaarheden, inhoudende te dulden, dat de toestand waarin de erven zich ten opzichte van elkaar bevinden wordt gehandhaafd, speciaal voor wat betreft (…) toevoer van licht en lucht (…);\n\nde gemeenschappelijke muren zullen gezamenlijk eigendom zijn en de eigendomsgrens zal door het hart van die muren lopen;\n\nvoormelde zojuist gevestigde erfdienstbaarheden worden door verkoper en koper aangenomen.\n\n(…)”\n\n2.3.. Tussen partijen zijn door de jaren heen verschillende geschilpunten ontstaan.\n\n2.4.. \n [de gedaagde in conventie] heeft, toen [de eiser in conventie] met vakantie waren en zonder hun medeweten, een deel van het bordes van de entree tot de woning van laatstgenoemden verwijderd en een zwarte houten wand geplaatst tegen de zijkant van deze entree. Aan de ene kant was de wand bevestigd aan de eiken paal die het afdak boven de entree ondersteunt, aan de andere zijde aan de muur naast de entree. De lichtinval bij de entree van de woning van [de eiser in conventie] werd daardoor aanzienlijk verminderd.\n\n2.5.. \n [de gedaagde in conventie] heeft aan de achterzijde van haar perceel een haagbeuk geplaatst.\n\n2.6.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar perceel naast de mandelige scheidsmuur op slordige wijze een muur gemetseld waarop van boven naar beneden de letters “A J A X” zijn gemetseld. Later heeft zij voor deze letters een groen geschilderde houten plank gehangen.\n\n2.7.. \n [de gedaagde in conventie] heeft, zonder toestemming van [de eiser in conventie] houten planken op de mandelige tuinmuur geplaatst. Deze heeft zij na ontvangen sommaties verwijderd en vervolgens bevestigd aan de achtergelegen pergola.\n\n2.8.. Aan de achterzijde van de woningen staat langs de erfgrens op het perceel van [de gedaagde in conventie] een dubbel hekwerk, dat wil zeggen een binnen- en buitenhekwerk met daartussen een beukenhaag. [de gedaagde in conventie] heeft op en langs het buitenste deel van het hekwerk, aan de zijde van [de eiser in conventie] , stroomdraad bevestigd.\n\n2.9.. \n [de eiser in conventie] zijn eigenaar van de toegangsweg vanaf de openbare weg naar de woning van [de gedaagde in conventie] . Bij de levering van de woning aan [de eiser in conventie] is ten behoeve van het perceel van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid gevestigd op grond waarvan [de gedaagde in conventie] van en naar haar woning mag lopen of rijden.\n\n2.10.. \n [de gedaagde in conventie] heeft aan de achterzijde van de woning de houten balk van haar pergola bevestigd aan de muur.2.11.. Nadat verschillende incidenten tussen partijen hadden plaatsgevonden hebben [de eiser in conventie] op advies van de politie beveiligingscamera’s geplaatst. Deze bevinden zich op het schuurtje in de zijtuin, aan de zijgevel en aan de voorgevel. Ook heeft de deurbel een camera.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [de eiser in conventie] vorderen dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis\n\nI. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het bordes in de oorspronkelijke staat te herstellen, welke oorspronkelijke staat blijkt uit de als productie 5 overgelegde foto’s, alsmede de zwarte wand te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag per overtreding met een maximum van € 50.000,00,\n\nII. [de gedaagde in conventie] zal gebieden de haag op maximaal 2 meter hoogte te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [de gedaagde in conventie] met deze verplichting in overtreding is, met een maximum van € 50.000,00,\n\nIII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de AJAX-muur, zoals blijkt uit de als productie 7 overgelegde foto’s, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nIV. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de houten plank aan de pergola achter de mandelige tuinmuur te verwijderd en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nV. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het stroomdraad op en langs het buitenste scheidingshek te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nVI. [de gedaagde in conventie] zal verbieden om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] te betreden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding met een maximum van € 50.000,00,\n\nVII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis de aan de muur van [de eiser in conventie] bevestigde houten balk van de pergola te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nVIII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, alles tevens te vermeerderen met de wettelijke rente indien de kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis.\n\n3.2.. \n [de gedaagde in conventie] voert verweer. [de gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald.\n\n3.3.. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n\n [de gedaagde in conventie] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nI. [de eiser in conventie] zal veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de beukenhaag die binnen de verboden zone staat te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 1.000,00,\n\nII. [de eiser in conventie] zal veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het verwijderen en verwijderd houden van alle camera’s, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag en \u002F of dagdeel met een maximum van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze,\n\nsubsidiair:\n\nIII. [de eiser in conventie] zal veroordelen c.q. gelasten om binnen\n\n48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het fysiek vergrendelen en afschermen en fysiek vergrendeld en afgeschermd houden van alle camera’s, zodat deze geen zicht hebben op het perceel van [de gedaagde in conventie] en de openbare weg, alsmede daarbij te bepalen dat voornoemde camera’s niet (meer) over de mogelijkheid mogen beschikken om audio opnames te maken en daarbij te bepalen dat [de eiser in conventie] binnen dezelfde termijn als voornoemd bewijs van de vergrendelde c.q. afgeschermde situatie inclusief de onmogelijkheid van het maken van geluidsopnamen door voornoemde camera’s dienen te overleggen door een opname daarvan aan [de gedaagde in conventie] te verstrekken, dan wel op enigerlei andere wijze bewijs aan [de gedaagde in conventie] te overleggen waaruit blijkt dat aan de veroordeling op dit onderdeel is voldaan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag per dag en \u002F of dagdeel met een maximum van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze,\n\nin alle gevallen:\n\nIV. [de eiser in conventie] zal veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 278,00 zonder betekening en\n\n€ 370,00 met betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.\n\n3.5.. \n [de eiser in conventie] voeren verweer. [de eiser in conventie] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke behandeling van het geschil, zal zij ingaan op de stelling van [de gedaagde in conventie] dat – zo begrijpt de rechtbank – [de eiser in conventie] de waarheidsplicht als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben geschonden. Volgens [de gedaagde in conventie] hebben [de eiser in conventie] de door haar ingenomen standpunten buiten de dagvaarding gelaten en schetsen zij een eenzijdig beeld.\n\n4.2.. Op grond van artikel 21 Rv hebben partijen de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aan te voeren. Het is de rechtbank duidelijk dat partijen van mening verschillen over de feiten en omstandigheden die aan het geschil ten grondslag liggen. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat [de eiser in conventie] bewust voor de beslissing van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid hebben aangevoerd en in strijd hebben gehandeld met artikel 21 Rv.\n\nin conventie\n\n4.3.. De rechtbank begrijpt dat [de eiser in conventie] inbreuk op hun eigendomsrecht dan wel onrechtmatige hinder aan hun vorderingen ten grondslag leggen. Het juridisch kader van deze grondslagen zal eerst worden geschetst, dit kader zal vervolgens worden toegepast op de vorderingen van [de eiser in conventie] .\n\nHet juridisch kader\n\n4.4.. Artikel 5:1 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij om gebruik te maken van zijn zaak, mits dit gebruik niet in strijd is met rechten van anderen en daarbij de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen in acht worden genomen. De eigenaar kan zijn recht dus aan iedereen tegenwerpen en hij hoeft niet te dulden dat een ander zijn zaak op wat voor wijze dan ook gebruikt, tenzij die ander een bevoegdheid daartoe heeft verkregen. Het is in beginsel onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW om op een eigendomsrecht inbreuk te maken, tenzij voor die inbreuk een rechtvaardigingsgrond bestaat. Een vorm van een inbreuk op het eigendomsrecht is (onrechtmatige) hinder. Op grond van artikel 5:37 BW mag een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen. Voor de vraag of de hinder onrechtmatig is, zijn de criteria van artikel 6:162 BW bepalend. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder, de daardoor veroorzaakte schade en de omstandigheden waaronder de hinder plaatsvindt (ECLI:NL:HR:1991:ZC0235). Wanneer sprake is van onrechtmatige hinder, kan degene die van mening is dat zijn buur hem hindert, een verbod tot verdere veroorzaking van die hinder of een gebod tot herstel in de oude toestand vorderen.\n\nHet bordes en de houten wand\n\n4.5.. \n [de eiser in conventie] vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt veroordeeld om het bordes te herstellen in de oorspronkelijke staat en de houten wand te verwijderen. [de eiser in conventie] leggen aan hun vordering ten grondslag dat de entree, het bordes en de steunpaal van het afdak worden nagetrokken door de woning op grond van artikel 5:20 lid 1 onder e BW. Door de situatie zonder hun toestemming te wijzigen maakt [de gedaagde in conventie] inbreuk op hun eigendomsrecht, aldus [de eiser in conventie] . [de gedaagde in conventie] voert hiertegen aan dat de houten wand op haar perceel staat en is bevestigd aan een mandelige muur. Daarom maakt zij volgens haar op grond van artikel 5:67 BW geen inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] .\n\n4.6.. Uit artikel 5:20 lid 1 onder e BW vloeit voort dat de eigenaar van een perceel grond eigenaar is van de gebouwen en werken die duurzaam met die grond zijn verenigd, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak. Als een bestanddeel van een gebouw zich bevindt in, op of boven grond die aan een ander dan de eigenaar van het gebouw toebehoort, is dit bestanddeel geen eigendom van de grondeigenaar, maar van de eigenaar van het gebouw waarvan het deel uitmaakt (ECLI:NL:HR:1994:ZC1502). Het voorgaande brengt mee dat indien het bordes en het afdak met eiken paal bestanddelen zijn van de woning van [de eiser in conventie] , [de gedaagde in conventie] door het verwijderen van een deel van het bordes inbreuk maakt op hun eigendomsrecht.\n\n4.7.. In artikel 3:4 BW staat, kort gezegd, dat sprake kan zijn van een bestanddeel van de woning op grond van de verkeersopvatting (lid 1) en op grond van onverbrekelijke verbondenheid (lid 2). Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting een bestanddeel is, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd. Een andere aanwijzing kan zijn dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming (ECLI:NL:HR:2012:BX7474). Op grond van artikel 3:4 lid 2 BW is al hetgeen dat zodanig met de hoofdzaak is verbonden, dat het daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één van beide zaken, bestanddeel van die hoofdzaak (TM, Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 72).\n\n4.8.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [de eiser in conventie] ten aanzien van het bordes onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat van een situatie als bedoeld in artikel 3:4 lid 1 of 3:4 lid 2 BW sprake is. [de eiser in conventie] hebben bloot gesteld dat het bordes een bestanddeel is van hun woning. [de gedaagde in conventie] heeft onweersproken aangevoerd dat zij alleen stenen van het bordes heeft weggehaald die op haar eigen perceel lagen. [de eiser in conventie] hebben niet gesteld dat die stenen onverbrekelijk verbonden waren met de woning van [de eiser in conventie] , zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit niet het geval was. [de eiser in conventie] hebben verder onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat hun woning en het bordes constructief op elkaar zijn afgestemd of dat de woning niet aan zijn bestemming (wonen) kan beantwoorden zonder het bordes. In het licht hiervan hebben [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat het deel van het bordes dat is weggehaald door [de gedaagde in conventie] hun eigendom was en daarmee ook dat [de gedaagde in conventie] door het verwijderen van een deel van het bordes inbreuk heeft gemaakt op hun eigendomsrecht. De vordering van [de eiser in conventie] is daarmee niet toewijsbaar voor zover deze ziet op herstel van het bordes naar de oude situatie.\n\n4.9.. Over het plaatsen van de houten wand heeft [de gedaagde in conventie] betoogd dat de buitenmuur van de woning mandelig is en dat de houten wand is bevestigd aan haar deel van de mandelige muur. Volgens [de gedaagde in conventie] maakt zij op grond van artikel 5:67 lid 1 BW hiermee geen inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] . [de eiser in conventie] hebben hiertegenover aangevoerd dat alleen de binnenmuren mandelig zijn en de betreffende buitenmuur, die in het verlengde van een binnenmuur loopt, niet. Volgens [de eiser in conventie] heeft de buitenmuur namelijk geen gemeenschappelijk nut. Daarnaast moet de mandelige bestemming in een notariële akte zijn opgenomen, wat niet het geval is, aldus [de eiser in conventie] .\n\n4.10.. Contractuele mandeligheid in de zin van artikel 5:60 BW ontstaat wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en zij deze zaak bestemmen tot gemeenschappelijk nut van die erven. De toekenning van deze bestemming dient te geschieden bij notariële akte die wordt ingeschreven in de openbare registers. Door [de eiser in conventie] is onweersproken aangevoerd dat de betreffende muur de buitenmuur is van hun woning. De notariële akte waar beide partijen naar verwijzen bepaalt dat de gemeenschappelijke muren gezamenlijk eigendom zijn en de eigendomsgrens door het hart van die muren zal lopen. Nu de muur slechts aan één kant onderdeel is van een gebouw of werk (de woning van [de eiser in conventie] ) en aan de andere kant grenst aan onbebouwde grond (van [de gedaagde in conventie] ), heeft [de gedaagde in conventie] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een gemeenschappelijke muur in de zin van de notariële akte. De betreffende buitenmuur is daarom niet mandelig op grond van artikel 5:60 BW. Mandeligheid kan ook ontstaan op grond van de in artikel 5:62 BW genoemde gevallen. Artikel 5:62 BW maakt onderscheid tussen een vrijstaande scheidsmuur (lid 1) en een niet-vrijstaande scheidsmuur (lid 2). Onder een vrijstaande scheidsmuur moet worden verstaan een muur die twee erven scheidt en niet onderdeel is van een gebouw of werk (TM, Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 231). Een vrijstaande scheidsmuur is op grond van artikel 5:62 lid 1 BW van rechtswege mandelige mede-eigendom indien vaststaat dat de grens tussen de erven in de lengterichting onder de muur doorloopt. Op grond van artikel 5:62 lid 2 BW is een scheidsmuur die twee gebouwen of werken die aan verschillende eigenaren toebehoren, gemeen hebben, gemeenschappelijk eigendom en mandelig. Voor het ontstaan van de mandeligheid bij een niet-vrijstaande scheidsmuur is niet vereist dat de grens in de lengterichting onder de muur doorloopt.\n\n4.11.. \n [de eiser in conventie] hebben onweersproken aangevoerd dat de buitenmuur alleen aan hun zijde van de muur bebouwd is. Van een vrijstaande scheidsmuur is dus geen sprake. Tussen partijen is in geschil of in dit geval wel sprake is van een scheidsmuur als bedoeld in het tweede lid van artikel 5:62 BW. De woningen van partijen grenzen aan elkaar en de muur tussende beide woningen is mandelig op grond van artikel 5:62 lid 2 BW. Dit is ook niet tussen partijen in geschil. Partijen twisten wel over de vraag of deze mandeligheid zich ook uitstrekt tot de buitenmuur die in het verlengde van de mandelige (binnen)muur aan één zijde feitelijk de buitenmuur vormt van de woning van [de eiser in conventie] en aan de andere zijde aan de tuin van [de gedaagde in conventie] grenst. Omdat de muur op die plaats slechts aan één zijde bebouwd is, is deze op grond van artikel 5:62 BW niet mandelig. Door (horizontale) natrekking is de muur voor zover deze als buitenmuur kan worden aangemerkt (volledig) eigendom van [de eiser in conventie] . Het verweer dat de houten wand aan een kant is bevestigd aan een mandelige muur, slaagt dus niet.\n\n4.12.. De houten wand is aan de andere zijde bevestigd aan een eiken houten paal. Deze eiken houten paal ondersteunt het afdak van de woning van [de eiser in conventie] . Nu het afdak met de houten paal in constructief opzicht is afgestemd op de woning van [de eiser in conventie] , is de houten paal naar de verkeersopvatting een bestanddeel van de woning. Uit het voorgaande volgt dat zowel de muur als de houten paal waaraan de houten wand door [de gedaagde in conventie] bevestigd is, eigendom zijn van [de eiser in conventie] . Door het plaatsen van een houten wand tegen de muur en houten paal, maakt [de gedaagde in conventie] inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] . Dat [de eiser in conventie] vervolgens ook zelf een houten schutting hebben geplaatst, tegen de andere zijde van de eiken paal, doet hier niet aan af. Voor zover [de gedaagde in conventie] betoogt, dat [de eiser in conventie] daardoor geen belang bij verwijdering van de houten wand hebben, omdat die schutting ook het zicht en licht blokkeert, faalt dit betoog. De rechtbank heeft van [de eiser in conventie] begrepen dat zij deze schutting in reactie hebben geplaatst en deze zullen verwijderen als de houten wand is verwijderd. Daarbij komt dat, zoals [de eiser in conventie] op de zitting onweersproken hebben aangevoerd, de door [de gedaagde in conventie] geplaatste wand in strijd is met de in de leveringsakte opgenomen erfdienstbaarheid op grond waarvan de toestand moet worden gehandhaafd voor wat betreft de toevoer van licht en lucht. De vordering van [de eiser in conventie] zal daarom (ook) worden toegewezen voor zover deze ziet op verwijdering van de houten wand.\n\nDe beukenhaag\n\n4.13.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen perceel een beukenhaag geplaatst. [de eiser in conventie] vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt geboden om de beukenhaag op maximaal twee meter hoogte te houden. [de eiser in conventie] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [de gedaagde in conventie] heeft gezegd dat de beukenhaag hoger gaat reiken dan vijftien meter en het uitzicht van [de eiser in conventie] zal ontnemen. [de gedaagde in conventie] betwist de beukenhaag enkel te hebben geplaatst om [de eiser in conventie] te pesten en dat zij heeft aangegeven dat deze haag 15 meter hoog zou worden. Het laatste is volgens haar bovendien onmogelijk als gevolg van de wijze van beplanting. [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling daaraan toegevoegd dat de beukenhaag al twee jaar lang ongeveer twee meter hoog is, hetgeen niet is betwist, en dat zij niet van plan is om de beukenhaag (veel) hoger te laten groeien omdat het onderhoud dan problematisch wordt. De stelling van [de eiser in conventie] dat [de gedaagde in conventie] de beukenhaag tot meer dan vijftien meter zal laten groeien is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd betwist. Nu [de eiser in conventie] niet hebben gesteld dat zij bij de huidige hoogte van de beukenhaag hinder ondervinden, zal hun vordering tot het gebieden van [de gedaagde in conventie] om de beukenhaag op maximaal twee meter te houden worden afgewezen.\n\nDe AJAX-muur\n\n4.14.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen terrein een muur gemetseld met daarin de letters AJAX (hierna: de AJAX-muur). [de eiser in conventie] stellen dat de muur een rustig beeld verstoort en vorderen verwijdering van deze muur. In het midden kan worden gelaten of de AJAX-muur, waarvan kan worden aangenomen dat deze op deze wijze is gemetseld om [de eiser in conventie] dwars te zitten, voldoende is om onrechtmatige hinder aan te nemen. [de gedaagde in conventie] heeft immers een houten plank voor de letters geplaatst zodat deze niet meer zichtbaar zijn voor [de eiser in conventie] . [de eiser in conventie] stellen dat zij nog steeds hinder ondervinden omdat de muur niet net en passend is afgewerkt. Dit betoog kan hen niet baten. Er bestaat geen recht op vrij of mooi uitzicht. Dat de muur en de afwerking er volgens [de eiser in conventie] niet mooi uitzien, is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. De vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van de muur is daarom niet toewijsbaar.\n\nDe houten plank aan de pergola achter de mandelige tuinmuur\n\n4.15.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen terrein een houten plank aan een pergola bevestigd. [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van de houten plank, omdat zij er hinder dan wel last van ondervinden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [de eiser in conventie] aangegeven dat zij de plank geen gezicht vinden. Wederom is de enkele stelling van [de eiser in conventie] dat de plank lelijk is, onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van [de eiser in conventie] nog aangevoerd dat de plank, bezien vanuit het perceel van eisers, boven de twee meter uitsteekt, wat volgens hem in strijd is met artikel 5:49 lid 1 BW. Artikel 5:49 lid 1 BW bepaalt dat iedere eigenaar van aangrenzende erven kan vorderen dat de ander meewerkt aan een gemeenschappelijke scheidsmuur van twee meter hoogte. Blijkens de eigen stellingen van [de eiser in conventie] zit de houten plank aan de pergola niet (meer) op de tuinmuur, maar tien tot vijftien centimeter achter de muur. Naar het oordeel van de rechtbank kan de houten plank aan de pergola daarom niet (meer) worden aangemerkt als onderdeel van een erfscheiding in de zin van artikel 5:49 lid 1 BW, zodat ook artikel 5:49 lid 1 BW geen grondslag biedt voor de gevorderde verwijdering van de houten plank. De vordering is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet stroomdraad\n\n4.16.. \n [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van het stroomdraad op en langs het buitenste hekwerk. Voor zover [de eiser in conventie] hun vordering tot verwijdering van het stroomdraad vorderen op grond van onrechtmatige daad wegens gevaarzetting, geldt het volgende.\n\n4.17.. Vooropgesteld wordt dat niet iedere vorm van gevaarzetting onrechtmatig is en dat een zekere mate van risicoschepping geoorloofd is. Het stroomdraad op en langs het hek van [de gedaagde in conventie] is alleen onrechtmatig als dit naar de normen van het maatschappelijk verkeer onaanvaardbaar is. Of dat het geval is, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval (ECLI:NL:HR:1994:ZC1576). Daarbij zijn de volgende gezichtspunten van belang: de kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen (ECLI:NL:HR:1965:AB7079). Op [de eiser in conventie] rust de stelplicht en bewijslast dat sprake is van onrechtmatige gevaarzetting.\n\n4.18.. \n [de eiser in conventie] stellen dat zij bij normaal gebruik van hun tuin tegen de stroomdraden aan kunnen komen en daardoor een schok krijgen en dat dit ook al eens is gebeurd. Daarnaast komt er wel eens bezoek met kinderen, ook zij lopen het risico de stroomdraden te raken. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende gesteld dat sprake is van een gevaarzetting. [de gedaagde in conventie] heeft niet betwist dat het stroomdraad bij aanraking een schok geeft. Echter, [de gedaagde in conventie] heeft onweersproken aangevoerd dat het hek met de stroomdraden in zijn geheel op haar perceel staat. [de eiser in conventie] stellen in het kader van de onrechtmatigheid enkel dat het hek met stroom alleen is geplaatst om hun schade toe te brengen. [de gedaagde in conventie] betwist dit en voert aan dat het hek met de stroomdraden er staat om wild en honden weg te houden bij haar paarden en om haar paarden binnen te houden. Weliswaar staan er nu geen paarden in de wei, maar dit komt volgens [de gedaagde in conventie] omdat zij meermaals stenen in de wei heeft gevonden. [de gedaagde in conventie] heeft hiermee voldoende betwist dat het hek alleen is geplaatst om [de eiser in conventie] te schaden. De aard van de gedraging – het plaatsen van een hek op eigen perceel om wild en honden buiten te houden – is naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig. In het licht van het voorgaande hebben [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat de gevaarzetting door [de gedaagde in conventie] naar normen van het maatschappelijk verkeer onaanvaardbaar is, zodat geen sprake is van een onrechtmatige daad. De vordering van [de eiser in conventie] tot het verwijderen van de stroomdraden op en langs het hek is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet betreden van het erf\n\n4.19.. \n [de eiser in conventie] vorderen [de gedaagde in conventie] te verbieden om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] te betreden. [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat zij vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt verboden het gehele perceel, kadastraal aangeduid als [kadasternummer] , te betreden. Voor zover [de gedaagde in conventie] betwist dat de aan de overzijde van de weg gelegen strook grond, behorend tot dit perceel, eigendom van [de eiser in conventie] is, geldt dat zij deze betwisting, in het licht van de kadastrale tekeningen, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan. [de eiser in conventie] mogen op grond van artikel 5:1 lid 2 BW met uitsluiting van eenieder gebruik maken van hun eigendom. Dat betekent dat [de eiser in conventie] van [de gedaagde in conventie] mogen verwachten dat zij zich niet meer op hun perceel begeeft, als zij dat niet wensen.\n\n4.20.. Het perceel van [de eiser in conventie] omvat echter mede de toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van (het perceel van) [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat [de gedaagde in conventie] zonder recht en noodzaak hun perceel betreedt, hetgeen een onrechtmatige daad is en het gevorderde verbod rechtvaardigt. Voor zover [de eiser in conventie] hiermee doelen op de toegangsweg, geldt dat [de gedaagde in conventie] op grond van de erfdienstbaarheid het recht heeft om zich over de toegangsweg van en naar de openbare weg te begeven. [de eiser in conventie] dienen op grond van de erfdienstbaarheid daarom te dulden dat [de gedaagde in conventie] de toegangsweg betreedt. De rechtbank zal, als het mindere, [de gedaagde in conventie] verbieden om het perceel, kadastraal aangeduid met [kadasternummer] , te betreden, met uitzondering van de toegangsweg waarop de erfdienstbaarheid gevestigd is.\n\nDe houten balk aan de muur\n\n4.21.. \n [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van de balk van de pergola. Hun raadsman heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [de gedaagde in conventie] de houten balk van de pergola heeft losgemaakt van de muur, zodat dit geschilpunt feitelijk is opgelost. Voorts geldt het volgende. [de gedaagde in conventie] stelt dat de muur aan de achterzijde waar de houten balk aan was bevestigd, mandelig is op grond van de notariële akte. [de eiser in conventie] voeren aan dat de mandeligheid niet is bevestigd in de notariële akte. De buitenmuur is volgens [de eiser in conventie] geen gemeenschappelijk eigendom en daarmee niet mandelig. De rechtbank begrijpt dat hier zich eenzelfde soort situatie voordoet als bij de door [de gedaagde in conventie] bevestigde houten wand. De muur waaraan de houten balk aan was bevestigd, is immers ook alleen aan de woning van [de eiser in conventie] bebouwd en grenst aan de andere kant aan de (onbebouwde) tuin van [de gedaagde in conventie] . De betreffende buitenmuur is daarom niet mandelig op grond van artikel 5:60 BW of artikel 5:62 BW. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen dat is overwogen in rechtsoverweging 4.10 en 4.11. Door de houten balk aan de muur te bevestigen heeft [de gedaagde in conventie] inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] , zodat hun vordering zal worden toegewezen voor zover deze ziet op het verwijderd houden van de balk van de muur.\n\nDe gevorderde dwangsommen\n\n4.22.. De door [de eiser in conventie] gevorderde dwangsommen zullen worden afgewezen. [de eiser in conventie] hebben niet gesteld dat en onderbouwd waarom de dwangsommen noodzakelijk zijn.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.23.. \n [de gedaagde in conventie] heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring ingeval de vorderingen jegens haar toewijsbaar worden geacht. [de gedaagde in conventie] voert aan dat zij in dat geval in hoger beroep zal gaan en er sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen als zij wordt veroordeeld aanpassingen te doen in en om haar woning.\n\n4.24.. Het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, indien gevorderd, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd hangende een hogere voorziening. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze beoordeling blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aan te wenden rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (ECLI:NL:HR:2019:2026)\n\n4.25.. De vorderingen in conventie die worden toegewezen zijn – samengevat – dat [de gedaagde in conventie] de houten wand dient te verwijderen, dat zij het erf van [de eiser in conventie] niet mag betreden (met uitzondering van de toegangsweg) en dat zij de houten balk verwijderd dient te houden. [de gedaagde in conventie] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat in deze gevallen sprake is van een onomkeerbare situatie en evenmin dat zij, zolang niet in hoger beroep is beslist, een groter belang heeft bij handhaving bij de bestaande toestand dan [de eiser in conventie] bij tenuitvoerlegging van het vonnis. Er bestaat dan ook geen grond om van het onder 4.24 weergegeven uitgangspunt af te wijken. Het vonnis in conventie zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nDe proceskosten in conventie\n\n4.26.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nin reconventie\n\n4.27.. \n [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar vordering – samengevat – inhoudende dat [de eiser in conventie] worden veroordeeld om de beukenhaag die binnen de verboden zone staat te verwijderen, ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.. De overige vorderingen in reconventie zien op de door [de eiser in conventie] opgehangen camera’s.\n\nDe camera’s\n\n4.28.. \n [de gedaagde in conventie] vordert in reconventie primair verwijdering van alle door [de eiser in conventie] opgehangen camera’s. Subsidiair vordert [de gedaagde in conventie] dat [de eiser in conventie] de camera’s dienen te vergrendelen en af te schermen en dat de camera’s niet meer de mogelijkheid mogen hebben om audio opnames te maken. [de gedaagde in conventie] legt aan haar vorderingen onrechtmatige daad in de vorm van inbreuk op haar recht op privacy ten grondslag. [de eiser in conventie] voeren hiertegen aan dat de camera’s niet op het perceel van [de gedaagde in conventie] zijn gericht en ook geen geluidsopnames maken. Daarnaast hebben de camera’s beveiligingsdoeleinden en een bewijsvergaringsfunctie in het geschil tussen partijen.\n\n4.29.. Het recht op privacy is opgenomen in artikel 8 van het EVRM (Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) en artikel 10 van de Grondwet. Bij de beantwoording van de vraag of [de eiser in conventie] onrechtmatig inbreuk maken op het recht van [de gedaagde in conventie] op bescherming van de privacy, heeft in zijn algemeenheid als uitgangspunt te gelden dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (ECLI:NL:HR:2002:AD9609). Ook dient te worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.30.. \n [de gedaagde in conventie] stelt dat de camera’s van [de eiser in conventie] een deel van haar perceel filmen. Ter onderbouwing heeft zij door [de eiser in conventie] gemaakte afbeeldingen overgelegd, waarop een deel van haar perceel te zien is. [de eiser in conventie] hebben (onweersproken) aangevoerd dat de afbeeldingen waarop het perceel van [de gedaagde in conventie] te zien is, zijn gemaakt met een mobiele telefoon en niet door de camera’s. Verder hebben [de eiser in conventie] door middel van de overgelegde afbeeldingen en posities van de camera’s voldoende gemotiveerd betwist dat de camera’s het perceel van [de gedaagde in conventie] filmen. Dat de camera’s kunnen draaien en daarmee op het perceel van [de gedaagde in conventie] gericht kunnen worden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat [de eiser in conventie] inbreuk maken op het recht van privacy van [de gedaagde in conventie] . Niet althans onvoldoende gesteld of gebleken is immers dat een gerechtvaardigde vrees bestaat dat [de eiser in conventie] de camera’s aldus zullen draaien. Ten aanzien van de camera die op de schuur is bevestigd en gericht is op het erf van [de eiser in conventie] , de camera op de zijgevel van het woonhuis die gericht is op de tuin van [de eiser in conventie] en de deurbel met een camerafunctie die gericht is op de entree van het woonhuis van [de eiser in conventie] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een inbreuk op de privacy van [de gedaagde in conventie] . De vorderingen van [de gedaagde in conventie] zijn voor wat betreft de voorgenoemde camera’s daarom niet toewijsbaar.\n\n4.31.. Ten aanzien van de camera op de voorgevel van het woonhuis die gericht is op de tuin van [de eiser in conventie] , oordeelt de rechtbank als volgt. Door [de eiser in conventie] wordt erkend dat de toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van [de gedaagde in conventie] , wordt gefilmd. Hierdoor is sprake van een inbreuk op de privacy van [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] kunnen met deze camera immers de verkeersbewegingen van [de gedaagde in conventie] vastleggen, evenals die van haar eventuele bezoek. Dat [de eiser in conventie] tijdens de mondelinge behandeling hebben aangeven dat zij dit niet in de gaten houden, maakt dit niet anders. In beginsel is dus sprake van een onrechtmatige daad jegens [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] stellen dat zij een rechtvaardigingsgrond hebben voor de camera’s, te weten beveiliging en bewijsvergaring. Beveiliging omdat de camera’s een afschrikkende werking hebben voor ongenode gasten en bewijsvergaring ten aanzien van het gestelde onrechtmatige gedrag van [de gedaagde in conventie] .\n\n4.32.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [de eiser in conventie] een gerechtvaardigd belang om hun eigendommen te beschermen, zodat het hun in beginsel is toegestaan om de camera op te hangen. De primaire vordering van [de gedaagde in conventie] tot verwijdering van de camera is daarom niet toewijsbaar. Echter, het doel van beveiliging van de eigendommen van [de eiser in conventie] kan voor wat betreft de voorzijde van het perceel ook op een minder vergaande manier bereikt worden. Uit de door hen als productie 18 overgelegde afbeeldingen volgt namelijk dat er nog een stuk oprit zit tussen hun woning en de toegangsweg waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd. Indien zij de camera aan de voorgevel zo afstellen dat deze gericht is op de oprit, is alsnog sprake van de afschrikkende werking van de camera met als doel ongenode gasten buitenhouden. Ten aanzien van de bewijsvergaringsfunctie van de camera is de rechtbank van oordeel dat het recht op privacy van [de gedaagde in conventie] zwaarder weegt. Hierbij geeft het voor de rechtbank de doorslag dat de toegangsweg van [de eiser in conventie] voor [de gedaagde in conventie] aan die zijde van haar woning de enige manier is om de openbare weg te bereiken. Zowel [de gedaagde in conventie] als haar bezoek wordt altijd gefilmd bij het komen en gaan van en naar haar perceel, zodat [de eiser in conventie] altijd inzicht kunnen hebben in bij voorbeeld wie er wanneer op bezoek komt bij [de gedaagde in conventie] . Ten aanzien van de camera aan de op de voorgevel van de woning van [de eiser in conventie] , is de rechtbank daarom van oordeel dat de proportionaliteit meebrengt dat deze zo dient te worden afgesteld dat deze geen zicht geeft op de toegangsweg. De subsidiaire vordering in reconventie zal daarom als het mindere worden toegewezen als vermeld in de beslissing.\n\n4.33.. Verder heeft [de gedaagde in conventie] aangevoerd dat de camera’s van [de eiser in conventie] geluidsopnamen kunnen maken, waardoor alles wat [de gedaagde in conventie] in haar tuin zegt wordt opgenomen. [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de camera’s geluidsopnames kunnen maken, maar dat dit niet kan op een grotere afstand dan een of twee meter. Volgens [de eiser in conventie] staan geen van de camera’s binnen een of twee meter van de erfgrens. In het licht van deze verklaring van [de eiser in conventie] , heeft [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd dat de camera’s van [de eiser in conventie] geluidsopnames (kunnen) maken van hetgeen wordt gezegd op het perceel van [de gedaagde in conventie] . Het enkele feit dat de camera’s de mogelijkheid hebben om geluidsopnames te maken, is onvoldoende om vast te stellen dat [de eiser in conventie] inbreuk maken op de privacy van [de gedaagde in conventie] . Voor zover de vordering van [de gedaagde in conventie] ziet op het bepalen dat de camera’s geen geluid meer op mogen nemen, is de vordering daarom niet toewijsbaar.\n\nDe gevorderde dwangsom is niet toewijsbaar\n\n4.34.. De door [de gedaagde in conventie] gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. [de gedaagde in conventie] heeft niet gesteld dat en onderbouwd waarom de dwangsommen noodzakelijk zijn.\n\nDe proceskosten in reconventie\n\n4.35.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. veroordeelt [de gedaagde in conventie] om binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis de zwarte houten wand te verwijderen en verwijderd te houden,\n\n5.2.. verbiedt [de gedaagde in conventie] om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] (kadastraal aangeduid als [kadasternummer] ) te betreden, met uitzondering van de toegangsweg waarop ten gunste van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid is gevestigd,\n\n5.3.. veroordeelt [de gedaagde in conventie] om de balk van de pergola die aan de muur van [de eiser in conventie] was bevestigd van de muur verwijderd te houden,\n\n5.4.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n5.7.. veroordeelt [de eiser in conventie] om de camera die aan de voorgevel van hun woning hangt dusdanig af te stellen dat deze de toegangsweg, waarop ten gunste van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid is gevestigd, niet meer filmt en gebiedt [de eiser in conventie] te bewijzen dat dit het geval is door middel van het overleggen van afbeeldingen van de stand van de afgestelde camera,\n\n5.8.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.9.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.7 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op\n\n17 juni 2026.\n\nJV\u002FMa","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5282","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.154Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":75,"fullText":94,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":51,"updatedAt":97},"786","ECLI:NL:RBLIM:2026:5664","ecli-nl-rblim-2026-5664",74,"RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F340610 \u002F HA ZA 25-145\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. W.J.F. Geertsen,\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. G.J.M. Philipsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 28 januari 2026 - de akte van [eisers] van 11 maart 2026 - de akte van [gedaagde] van 11 maart 2026 met de daarbij bijgevoegde producties 4 en 5.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Bij tussenvonnis van 28 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis) is door de rechtbank bepaald dat een onderzoek door (een) deskundige(n) zal worden bevolen. Daarbij is vermeld dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van bouwkunde. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het aantal, het specialisme en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de door de rechtbank opgestelde vragen. Dit deskundigenonderzoek zal in dit vonnis worden bevolen.\n\nDe wenselijkheid van een deskundigenbericht2.2.. \n [eisers] stemt in met benoeming van een deskundige. [gedaagde] heeft bij akte verzocht het voornemen om een deskundige te benoemen te herzien. Daartoe voert zij aan dat het bewijs ontbreekt dát er stankoverlast zou zijn.\n\n2.3.. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 28 januari 2026 in rechtsoverweging 4.5. in het kader van de stelplicht. De daar genoemde omstandigheden vormen voor de rechtbank voldoende aanleiding om tot het deskundigenonderzoek over te gaan.\n\nHet aantal deskundigen en de persoon van de deskundige2.4.. Partijen hebben bij akte te kennen gegeven dat zij de voorkeur geven aan benoeming van één deskundige. Zij zijn er niet in geslaagd om in onderling overleg overeenstemming te bereiken over de persoon van de te benoemen deskundige. [eisers] . hebben de heer [naam 1] van [bedrijf 1] voorgesteld en [gedaagde] heeft een medewerker van [bedrijf 2] of een medewerker van [bedrijf 3] voorgesteld.\n\n2.5.. Partijen hebben over en weer bezwaar gemaakt tegen de door de andere partij genoemde deskundige(n). In rechtsoverweging 4.29. van het tussenvonnis is door de rechtbank uitdrukkelijk overwogen dat een partij gemotiveerd dient aan te geven waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Beide partijen baseren hun bezwaar op de vrees dat er een professionele relatie bestaat tussen de voorgedragen deskundige en de tegenpartij. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat een advocaat in het verleden in andere procedures dezelfde deskundige heeft aangedragen als nu in deze zaak, onvoldoende is als onderbouwing van deze vrees. Het aantal deskundigen met ervaring in gerechtelijke procedures is beperkt, zodat het niet vreemd is dat advocaten vaker een bepaalde deskundige voorstellen. Verder geldt dat vóór benoeming aan de deskundigen standaard de vraag wordt voorgelegd of het hen vrij staat de zaak in behandeling te nemen. De rechtbank komt gelet op deze omstandigheden tot het oordeel dat benoeming van één van de aangedragen deskundigen geen bezwaar oplevert. Op basis van openbare informatie, die te vinden is op internet, over de drie voorgestelde deskundigen, bestaat bij de rechtbank het vertrouwen dat zij allen geschikt zijn als deskundige.\n\n2.6.. \n\nDe rechtbank zal de heer [naam 2] , werkzaam voor [bedrijf 1] , als deskundige benoemen. De rechtbank kiest voor deze deskundige, omdat [bedrijf 1] als enige van de drie voorgestelde bedrijven vermeld is in het landelijk register van deskundigen dat door gerechten geraadpleegd wordt als benoeming van een deskundige nodig is. De deskundige heeft te kennen gegeven bereid te zijn de zaak te aanvaarden en vrij te staan ten opzichte van partijen en hun advocaten. [gedaagde] heeft, nadat de rechtbank partijen in kennis heeft gesteld van het voornemen om de heer [naam 2] te benoemen, per e-mail van 8 juni 2026 de vraag opgeworpen of zijn expertise aansluit bij de vragen die door de rechtbank beantwoord moeten worden. De deskundige heeft dezelfde dag per e-mail aan de rechtbank laten weten 37 jaar werkervaring te hebben, dat zijn expertise van bouwkundige\u002Ftechnische aard is en dat hij meerdere deskundigenonderzoeken verricht heeft waarbij deze expertise nodig is. De rechtbank heeft [gedaagde] op 9 juni 2026 hiervan in kennis gesteld. [gedaagde] heeft vervolgens die dag per e-mail laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat [gedaagde] geen bezwaar heeft tegen de persoon van de heer [naam 2] .\n\nDe vraagstelling2.7.. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in het tussenvonnis door de rechtbank voorgestelde vraagstelling die ter beoordeling aan de deskundige moet worden voorgelegd. Partijen hebben hiermee ingestemd. Aan de deskundige zullen daarom de volgende vragen worden voorgelegd:\n\n1e gebrek:ontbreken dakontluchting\n\n- Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel\u002Fgeen dakontluchting aanwezig is?\n\n- Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?\n\n2e gebrek: geborrel in de wc\n\n- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?\n\n3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s\n\n- Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).\n\n- Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?\n\n4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding\n\n- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?\n\n5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering\n\n- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?\n\n- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?\n\n- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?\n\n6e gebrek: brandveiligheidsrisico\n\n- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?\n\nOverig\n\n- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\nKosten deskundige2.8.. De deskundige heeft het voorschot begroot op € 7.260,00 (inclusief btw). [eisers] . hebben per e-mail op 1 juni 2026 laten weten in te stemmen met de hoogte van het voorschot. [gedaagde] heeft per e-mail van 8 juni 2026 de rechtbank verzocht bij de deskundige een specificatie op te vragen van dit voorschot. De rechtbank heeft dit verzoek vervolgens voorgelegd aan de deskundige, die op 8 juni 2026 een specificatie van de kosten heeft toegestuurd. Op 9 juni 2026 is deze informatie toegezonden aan [gedaagde] , die dezelfde dag heeft laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat ook [gedaagde] akkoord gaat de hoogte van het voorschot van de deskundige.\n\n2.9.. De rechtbank zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 7.260,00 (inclusief btw). In rechtsoverweging 4.27. van het tussenvonnis is al aangekondigd en toegelicht door welke partij ( [eisers] .) het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald.\n\nVerplichtingen partijen in het kader van het deskundigenonderzoek2.10.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing is omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n2.11.. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.\n\nVervolg procedure2.12.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. beveelt een onderzoek door één deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\n1e gebrek:ontbreken dakontluchting\n\n- Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel\u002Fgeen dakontluchting aanwezig is?\n\n- Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?\n\n2e gebrek: geborrel in de wc\n\n- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?\n\n3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s\n\n- Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).\n\n- Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?\n\n4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding\n\n- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?\n\n5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering\n\n- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?\n\n- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?\n\n- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?\n\n6e gebrek: brandveiligheidsrisico\n\n- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?\n\nOverig\n\n- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n3.2.. benoemt tot deskundige:\n\nDe heer [naam 2] , werkzaam bij [bedrijf 1] B.V.,\n\n [adres] ,\n\n [telefoonnummer] ,\n\n [e-mailadres] ,\n\nhet voorschot\n\n3.3.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.260,00 (inclusief btw),3.4.. bepaalt dat [eisers] het voorschot moeten overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,\n\n3.5.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek3.6.. bepaalt dat [eisers] . hun procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen,\n\n3.7.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n3.8.. wijst de deskundige er op dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),\n\n- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,\n\n- indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,\n\n3.9.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n3.10.. draagt de deskundige op om uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n3.11.. wijst de deskundige er op dat:\n\n- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\n- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n3.12.. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\noverige bepalingen\n\n3.13.. draagt de griffier op om de zaak op de rol te plaatsen:\n\n- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of\n\n- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,\n\n3.14.. verwijst voor het overige naar de beslissingen in het tussenvonnis van 28 januari 2026,\n\n3.15.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5664","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.989Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":43,"courtId":102,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":51,"updatedAt":106},"1912","ECLI:NL:GHARL:2026:3975","ecli-nl-gharl-2026-3975",60,"2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.349.833\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, 10875123\n\narrest van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant1]\n\n2. [appellante2]\n\ndie beiden wonen in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam1]\n\nappellanten\n\nadvocaat: mr. W.R. de Vries\n\nen\n\n [geïntimeerde]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\ngeïntimeerde\n\nadvocaat: mr. R.F.A. Rorink\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. Appellanten (hierna gezamenlijk: [appellanten] ) hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, (hierna: de kantonrechter) op 24 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven, tevens wijziging van eis in reconventie\n\nde memorie van antwoord\n\nde door geïntimeerde (hierna: [geïntimeerde] ) ingezonden producties 55, 56 en 57\n\nde door [appellanten] ingezonden producties 5, 6A en 6B\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 1 april 2026 is gehouden.\n\n1.2.. Nadat de zaak voor beraad naar de rol is verwezen, hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak en het procesverloop\n\n2.1.. \n [geïntimeerde] was huurder van een bedrijfsruimte in het centrum van [plaats1] die door zijn broer [naam1] wordt geëxploiteerd als een restaurant. [geïntimeerde] heeft de bedrijfsruimte na het inroepen van een koopoptie uit de huurovereenkomst gekocht van opvolgend verhuurder [appellanten] . [appellanten] is eigenaar en verhuurder gebleven van de aangrenzende ruimtes. [geïntimeerde] en [appellanten] vormen samen een vereniging van eigenaars. Tussen [geïntimeerde] en [appellanten] is discussie ontstaan over (de uitoefening van) een aantal erfdienstbaarheden die in de aan de verkoop verbonden splitsingsakte zijn opgenomen.\n\n2.2.. \n [geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter in conventie gevorderd:\n\nvoor recht te verklaren en uit te spreken dat tussen [geïntimeerde] en [appellanten] een koopovereenkomst is ontstaan door het inroepen van de koopoptie als directe afgeleide van de direct aan het inroepen van de koopoptie voorafgaande huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellanten] ,\n\n [appellanten] te veroordelen om de rechten van [geïntimeerde] die voortvloeien uit de onder 1 van het petitum bedoelde huurovereenkomst te respecteren en niet te belemmeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom,\n\nvoor recht te verklaren en uit te spreken dat tot de hiervoor onder 2 bedoelde rechten behoren een onbelemmerde toegang tot de technische ruimte en het houden van de voorzieningen en installaties aldaar zoals die zich daar bevonden ten tijde van het inroepen van de koopoptie, het medegebruik van het halletje en het houden van kabels en leidingen in het gebouw voor zover niet lopend in het appartementsrecht dat eigendom is van [geïntimeerde] ,\n\n [appellanten] te veroordelen om zorg te dragen voor het doen verlijden van een gewijzigde splitsingsakte dan wel een akte waarbij erfdienstbaarheden worden gevestigd voor een onbelemmerde toegang tot de technische ruimte en het houden van de voorzieningen en installaties aldaar zoals die zich daar bevonden ten tijde van het inroepen van de koopoptie, het medegebruik van het halletje en het houden van kabels en leidingen in het gebouw voor zover niet lopend in het appartementsrecht dat eigendom is van [geïntimeerde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom,\n\n [appellanten] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.\n\n2.3.. \n\n [appellanten] heeft bij de kantonrechter in reconventie gevorderd:\n\nI. [geïntimeerde] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat zowel [geïntimeerde] zelf, als diens exploitant, personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners zich onthouden van inbreuken op de erfdienstbaarheden op straffe van verbeurte van een dwangsom,\n\nII. [geïntimeerde] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat zowel [geïntimeerde] zelf, als diens exploitant, personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners zich onthouden van inbreuken op de eigendomsrechten van [appellanten] voor zover die eigendomsrechten betrekking hebben op ruimten anders dan de ruimten waarop de erfdienstbaarheden betrekking hebben, op straffe van verbeurte van een dwangsom,\n\nIII. [geïntimeerde] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat de in de technische ruimte geplaatste dozen worden verwijderd en verwijderd blijven en aldaar geen nieuwe zaken worden geplaatst, op straffe van verbeurte van een dwangsom,\n\nIV. te verklaren voor recht dat indien [geïntimeerde] niet voldoet aan het gevorderde onder III. [appellanten] het recht heeft de dozen zelf uit de technische ruimte te (doen) verwijderen en deze als afval af te laten voeren, waarbij de kosten hiervan voor rekening van [geïntimeerde] komen,\n\nV. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.2.4.. De kantonrechter heeft in conventie:\n\nvoor recht verklaard dat tussen partijen een koopovereenkomst is ontstaan door het inroepen van de koopoptie als directe afgeleide van de direct aan het inroepen van de koopoptie voorafgaande huurovereenkomst,\n\nvoor recht verklaard dat tot de rechten voortvloeiende uit de huurovereenkomst behoren een recht op onbelemmerde toegang tot de technische ruimte en het houden van voorzieningen en installaties aldaar zoals die zich daar bevonden op het moment van het inroepen van de koopoptie; het recht op medegebruik van het halletje bij de lift, ook voor laden en lossen maar niet voor opslag, en het recht op het houden van kabels en leidingen in het gebouw voor zover niet lopend in het appartementsrecht dat eigendom is van [geïntimeerde] ,\n\n [appellanten] veroordeeld om zorg te dragen voor een gewijzigde splitsingsakte dan wel een akte waarbij erfdienstbaarheden worden gevestigd voor een onbelemmerde toegang tot de technische ruimte en het houden van voorzieningen en installaties aldaar zoals die zich daar bevonden op het moment van het inroepen van de koopoptie, het medegebruik van het halletje bij de lift ook voor laden en lossen maar niet voor opslag, voor zover nog nodig, en het houden van kabels en leidingen in het gebouw voor zover niet lopend in het appartementsrecht dat eigendom is van [geïntimeerde] .\n\n2.5.. \n\nDe kantonrechter heeft verder in reconventie [geïntimeerde] veroordeeld om, binnen zeven dagen nadat [geïntimeerde] de onbelemmerde toegang heeft gekregen tot de technische ruimte, de in die ruimte geplaatste dozen uit de ruimte te verwijderen en verwijderd te houden en daar geen nieuwe zaken te plaatsen.\n\nDe proceskosten zijn in conventie en reconventie gecompenseerd.\n\n2.6.. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen en dat de in hoger beroep gewijzigde vordering van [appellanten] wordt toegewezen.\n\n2.7.. \n\n [appellanten] vordert in hoger beroep:\n\nI. primair [geïntimeerde] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat zowel [geïntimeerde] zelf, als diens exploitant\u002Fhuurder, personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners zich onthouden van inbreuken op de eigendomsrechten van [appellanten] door de kadastrale percelen van [appellanten] waarop ten gunste van [geïntimeerde] erfdienstbaarheden zijn gevestigd op andere wijze te gebruiken dan is toegestaan op grond van de erfdienstbaarheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom dan wel subsidiair,\n\n [geïntimeerde] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat zowel [geïntimeerde] zelf, als diens exploitant\u002Fhuurder, personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners zich onthouden van het plaatsen en\u002Fof opslaan van goederen in (1) het halletje, (2) de hal, gang en trappen aan de zijde van [adres1] en (3) de binnenplaats voor zover dit het gebied betreft buiten de zone als bedoeld in artikel 22 van de huurovereenkomst en de daarbij gevoegde tekening, op straffe van verbeurte van een dwangsom,\n\nII. primair [geïntimeerde] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat zowel [geïntimeerde] zelf, als diens exploitant\u002Fhuurder, personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners zich onthouden van inbreuken op de eigendomsrechten van [appellanten] ten aanzien van de technische ruimte die zich bevindt op de entresol, zulks behoudens het recht van [geïntimeerde] om in deze technische ruimte een installatie en internetkabel te mogen hebben en houden en deze te mogen bereiken voor onderhoud, beheer en vervanging\u002Fcalamiteiten, op straffe van verbeurte van een dwangsom dan wel subsidiair,\n\n [geïntimeerde] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat zowel [geïntimeerde] zelf, als diens exploitant\u002Fhuurder, personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners zich onthouden van het plaatsen en\u002Fof opslaan van goederen in de technische ruimte die zich bevindt op de entresol, op straffe van verbeurte van een dwangsom,\n\nIII. [geïntimeerde] in beide instanties te veroordelen in de kosten van de procedure.\n\n2.8.. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van [appellanten] voor een groot deel slaagt en licht dat hierna toe. Het hof zal de toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] deels alsnog afwijzen en de gewijzigde vorderingen van [appellanten] deels toewijzen.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe feiten\n\n3.1.. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 t\u002Fm 2.7 feiten vastgesteld. Daartegen is niet gegriefd, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.\n\nDe inhoud van de erfdienstbaarheden\n\n3.2.. De omvang van de eerder door [geïntimeerde] gehuurde ruimte is weergegeven op de tekeningen die bij de oorspronkelijke huurovereenkomst zijn gevoegd. De hoofdentree c.q. vooringang van het pand aan de zijde van [adres1] , de centrale hal, de brievenbussen, de gangen van en naar de lift of trappenhuis en het trappenhuis waren daarvan geen onderdeel. De gehuurde ruimte beschikte over een eigen ingang aan [adres1] . Voorafgaand aan de levering van de voorheen door [geïntimeerde] gehuurde ruimte is op 18 april 2018 een splitsingsakte verleden. Op 26 juli 2018 is deze splitsingsakte gewijzigd. In de gewijzigde splitsingsakte staan de volgende erfdienstbaarheden opgenomen, waarbij de ruimtes die eigendom zijn gebleven van [appellanten] als dienend erf zijn aangeduid en de ruimtes die aan [geïntimeerde] zijn overgedragen als heersend erf zijn aangeduid:\n\n1. Erfdienstbaarheid voor verkeersruimte\u002Fgang\u002Flift in verband met separate berging \"CV ruimte\" (door de rechtbank aangeduid als: het halletje)\n\n“Onder opschortende voorwaarde van overdracht van het dienend erf casu quo het heersend erf wordt hierbij gevestigd de erfdienstbaarheid inhoudende de last voor de gebruikers en eigenaars van het dienend erf te dulden dat de eigenaars gebruikers van het heersend erf het dienend erf gebruiken als verkeersruimte om te voet te betreden om het gebouw via de achterzijde binnen te treden dan wel te verlaten.\n\nIn deze last (erfdienstbaarheid) is nadrukkelijk begrepen toegang tot die delen van het gebouw dat er onderhoud kan worden gepleegd aan de installaties gebruikt door de eigenaar\u002Fgebruiker van het appartement met index A 1.”\n\n2. Erfdienstbaarheid in verband met \"installaties (op het dak)\"\n\n“Onder opschortende voorwaarde van overdracht van het dienend erf casu quo het heersend erf wordt hierbij gevestigd de erfdienstbaarheid inhoudende de last voor de gebruikers en eigenaars van het dienend erf te dulden dat de eigenaars gebruikers van het heersend erf het dienend erf gebruiken als verkeersruimten om te voet te betreden om de installaties ten behoeve van het appartement met index A 1 op\u002Fbij het dak van het gebouw, te bereiken voor onderhoud, beheer en vervanging\u002Fcalamiteiten.”\n\n3. Erfdienstbaarheid voor gang\u002Fpostbus\u002Fdeur\n\n“Onder opschortende voorwaarde van overdracht van het dienend erf casu quo het heersend erf wordt hierbij gevestigd de erfdienstbaarheid inhoudende de last voor de gebruikers en eigenaars van het dienend erf te dulden dat de eigenaars gebruikers van het heersend erf het dienend erf gebruiken als verkeersruimte om te voet te betreden, dit om het gebouw via de achterzijde binnen te treden dan wel te verlaten, teneinde via het dienend erf het heersend erf of de uitgang\u002Fdeur die toegang verschaft naar de openbare weg ( [adres1] ) te bereiken en om vanuit het heersend erf de postbus ten behoeve van het heersend erf te bereiken.\n\nBeperkingen van het gebruik, nadere invulling:\n\nDit gebruik door het heersend erf is beperkt tot de eigenaar van het heersend erf, de exploitant (zijnde een huurder of onderhuurder van het heersend erf), personeelsleden van de bedoelde exploitant en toeleveranciers\u002Fdienstverleners van de exploitant of de eigenaar, dit laatste indien de eigenaar zelf de onderneming op het heersend erf exploiteert.\n\nHet gebruik van het dienend erf is bedoeld als verkeersruimte, personen mogen er zich derhalve niet ophouden en er mogen geen goederen worden gestald voor langere of kortere tijd.”\n\n4. Erfdienstbaarheid binnenplaats\n\n“Onder opschortende voorwaarde van overdracht van het dienend erf casu quo het heersend erf wordt hierbij gevestigd de erfdienstbaarheid inhoudende de last voor de gebruikers en eigenaars van het dienend erf te dulden dat de eigenaars gebruikers van het heersend erf het dienend erf gebruiken als verkeersruimte om te voet, met motorvoertuigen te betreden om het gebouw via die achterzijde binnen te treden dan wel te verlaten.”\n\nUitgangspunt van de koopovereenkomst tussen partijen\n\n3.3.. De kantonrechter heeft op vordering van [geïntimeerde] voor recht verklaard dat tussen partijen een koopovereenkomst is ontstaan door het inroepen van de koopoptie als directe afgeleide van de direct aan het inroepen van de koopoptie voorafgaande huurovereenkomst. [appellanten] heeft gegriefd tegen die toewijzing. Volgens [appellanten] is de omvang van het gehuurde vastgelegd in de huurovereenkomst en is die omvang sinds het aangaan van de schriftelijke huurovereenkomst niet gewijzigd. Volgens [appellanten] zijn de rechten van [geïntimeerde] op correcte wijze vastgelegd in de splitsingsakte en is niet duidelijk wat de verklaring voor recht inhoudt en wat de rechtsgevolgen daarvan zijn. Het hof oordeelt dat hetgeen [appellanten] heeft aangevoerd niet aan toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht in de weg staat. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het ten tijde van de overdracht door [geïntimeerde] gehuurde als uitgangspunt voor het gekochte heeft te gelden. Met de verklaring voor recht wordt de omvang en inhoud van de ten tijde van de overdracht geldende huurovereenkomst niet vastgesteld. Of de omvang van het gehuurde in de loop van de tijd wel of niet is gewijzigd is dus voor toewijzing van de verklaring voor recht niet van belang. Anders dan [appellanten] betoogt, heeft [geïntimeerde] voldoende belang bij de verklaring voor recht en is deze voldoende bepaald. Het belang van [geïntimeerde] is er in gelegen dat wordt vastgesteld welke rechten voor [geïntimeerde] voortvloeien uit de koopovereenkomst. Uitgangspunt daarbij zijn de rechten en plichten uit de huurovereenkomst zoals die bestonden ten tijde van het inroepen van de koopoptie. Dat [geïntimeerde] belang heeft bij zijn vordering volgt al uit het feit dat de rechten van [geïntimeerde] nog niet geheel zijn vastgelegd in de erfdienstbaarheden, zoals in het hiernavolgende nog aan bod zal komen. Het hof zal de verklaring voor recht daarom in stand laten.\n\nGeen gemeenschappelijke ruimtes\n\n3.4.. Door de kantonrechter is ten aanzien van “het halletje bij de lift” en “de hoofdentree c.q. vooringang, de centrale hal, de brievenbussen, gangen van en naar de lift of trappenhuis en het trappenhuis enzovoort” aangesloten bij het bepaalde in artikel 5:120 lid 1 BW, omdat naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van gemeenschappelijke ruimtes. Het hof is van oordeel dat de grief van [appellanten] daartegen slaagt. In de splitsingsakte zijn namelijk geen gemeenschappelijke ruimtes in de zin van artikel 5:120 lid 1 aangewezen. [geïntimeerde] heeft erfdienstbaarheden verkregen, die er juist op duiden dat er geen sprake is van gemeenschappelijke eigendom. In artikel 3 van zowel de splitsingsakte van 18 april 2018, als van de gewijzigde splitsingsakte, is ook uitdrukkelijk opgenomen dat [appellanten] eigenaar blijft van de ruimtes waarop de erfdienstbaarheden betrekking hebben. Dit is overigens ook door [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof onderkend.\n\nHet gebruik van de technische ruimte en het houden van kabels en leidingen in het gebouw\n\n3.5.. Tussen partijen staat niet ter discussie dat voor de technische ruimte nog een erfdienstbaarheid gevestigd moet worden. [appellanten] heeft ook niet gegriefd tegen de door de kantonrechter toegewezen verklaring voor recht (5.2) en de veroordeling (5.3) op dat onderdeel en evenmin ten aanzien van de kabels en leidingen in het gebouw voor zover niet lopend in het eigendom van [geïntimeerde] . Het hof zal ten aanzien van deze onderdelen daarom de verklaring voor recht en de veroordeling om zorg te dragen voor de vestiging van erfdienstbaarheden in stand laten. Een wijziging van de splitsingsakte (zoals primair toegewezen door de kantonrechter) is niet aan de orde, omdat de eigendomsverhoudingen niet zullen wijzigen. Die primaire vordering zal daarom alsnog worden afgewezen. [appellanten] heeft een conceptakte voor de vestiging van een erfdienstbaarheid ter zake de technische ruimte in het geding gebracht. [appellanten] heeft tijdens de mondelinge behandeling niet weersproken dat die onvolledig is. [appellanten] dient alsnog zorg te dragen voor de vestiging van een erfdienstbaarheid voor een onbelemmerde toegang tot de technische ruimte en het houden van voorzieningen en installaties aldaar zoals die zich daar bevonden op het moment van het inroepen van de koopoptie, alsmede voor het houden van kabels en leidingen in het gebouw voor zover niet lopend in het eigendom van [geïntimeerde] .\n\nHet gebruik van het halletje bij de lift\n\n3.6.. \n [appellanten] grieft tegen de toewijzing van de verklaring voor recht en de vordering tot het wijzigen van de splitsingsakte dan wel het vestigen van een erfdienstbaarheid ten aanzien van het medegebruik van het halletje. Het hof heeft hiervoor al uitgelegd dat van medegebruik in de zin van artikel 5:120 lid 1 BW geen sprake is. [geïntimeerde] heeft ook onvoldoende belang bij toewijzing van zijn vorderingen op dit onderdeel. [geïntimeerde] heeft daarvoor namelijk al een erfdienstbaarheid verkregen. De rechten van [geïntimeerde] staan daarmee voldoende duidelijk vast. Ter toelichting overweegt het hof als volgt.\n\n3.7.. Er is een erfdienstbaarheid die het gebruik van het halletje regelt: het halletje mag gebruikt worden als verkeersruimte om te voet te betreden om het gebouw via de achterzijde binnen te treden dan wel te verlaten. De erfdienstbaarheid is voor toegang tot het halletje, ook voor leveranciers en daar valt ook laden en lossen onder voor zover dat inhoudt de directe doorvoer naar het restaurant van de huurder van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] erkent in hoger beroep dat hij (dan wel zijn huurder) het halletje alleen mag (laten) gebruiken voor laden en lossen en dus niet voor opslag. Dit houdt anders dan [geïntimeerde] betoogt niet in het voor korte of langere duur (laten) neerzetten van zaken in het halletje, al dan niet door toeleveranciers. Voor zover [geïntimeerde] stelt dat (hij) dit wel mag op basis van een eerder verkregen huurrecht, heeft hij die stelling onvoldoende onderbouwd. Dat daar op enig moment wilsovereenstemming over is bereikt tussen [geïntimeerde] en [appellanten] dan wel zijn rechtsvoorganger blijkt nergens uit. [geïntimeerde] heeft wel gewezen op een verklaring van de (voormalig) vastgoedbeheerder [naam2] (productie 20 bij dagvaarding eerste aanleg), maar uit dat e-mailbericht blijkt niet meer dan dat er volgens deze beheerder formeel niets mag staan in het halletje maar dat er wel geladen en gelost mag worden en dat gebruik ligt al besloten in de erfdienstbaarheid. Dat de beheerder schrijft dat hij er geen moeite mee heeft dat er een fiets staat en een enkele keer wat vaten, als de andere huurder daar geen moeite mee heeft, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [geïntimeerde] het door hem gestelde recht heeft verkregen, temeer nu de beheerder daaraan toevoegt dat, als er klachten over komen, hij zal verzoeken de spullen weg te halen. Voor zover [geïntimeerde] stelt dat hij feitelijk sinds 12 december 2013 steeds (vers)producten heeft laten stallen in het halletje met goedvinden van de verhuurder, is die stelling onvoldoende onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting door [appellanten] , die in dit verband onder meer verwijst naar een verklaring van de toenmalige gebouwbeheerder [naam3] (productie 1 bij memorie van grieven), waarin wordt opgemerkt dat de eigenaar van het dönerrestaurant er ‘veelvuldig op [is] gewezen dat dit niet is toegestaan’. [geïntimeerde] heeft verder nog betoogd dat zijn huurder problemen ondervindt met de aanlevering van goederen omdat hij die goederen niet op de binnenplaats kan neerzetten omdat [geïntimeerde] daar niet over een afgesloten ruimte beschikt. Dit is evenwel geen geldige reden om de goederen in het halletje te laten plaatsen, omdat daarmee inbreuk wordt gemaakt op de eigendomsrechten van [appellanten] . Tussen partijen is (ook tijdens schorsing van de mondelinge behandeling bij het hof) tevergeefs geprobeerd om afspraken te maken over het gebruik van de binnenplaats door daar een af te sluiten ruimte voor [geïntimeerde] dan wel zijn huurder te creëren zodat daar tijdelijke opslag van goederen kan plaatsvinden. Zolang partijen daar geen oplossing voor hebben gevonden, ligt het op de weg van de huurder van [geïntimeerde] om zijn bedrijfsvoering zodanig in te richten dat aan te leveren goederen direct in de gehuurde ruimte geplaatst kunnen worden. Omdat er geen vordering ter zake deze binnenplaats aan het hof voorligt, komt het hof niet toe aan een verdere bespreking van de stellingen van partijen daarover.\n\nDe vorderingen in reconventie\n\n3.8.. \n [appellanten] heeft voldoende belang bij toewijzing van zijn primaire vorderingen in reconventie. [geïntimeerde] (dan wel zijn huurder) heeft immers (ondanks sommatie) inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van [appellanten] door het halletje en de technische ruimte voor opslag te (laten) gebruiken. Daarmee is buiten de betreffende erfdienstbaarheidsrechten getreden. Overigens heeft [appellanten] aan de hand van de in hoger beroep overgelegde foto’s (productie 5) aangetoond dat ook na het vonnis in eerste aanleg nog inbreuk is gemaakt op de eigendomsrechten van [appellanten] door het halletje voor opslag te (laten) gebruiken. Het hof zal de primaire vordering onder II ten aanzien van de technische ruimte op de entresol toewijzen in die zin dat [geïntimeerde] er voor moet zorgdragen dat hij en zijn huurder, en ook de personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners van zijn huurder, zich onthouden van inbreuken op de eigendomsrechten van [appellanten] , zulks behoudens het recht van [geïntimeerde] tot een onbelemmerde toegang tot de technische ruimte en tot het houden van voorzieningen en installaties aldaar zoals die zich daar bevonden op het moment van het inroepen van de koopoptie.\n\n3.9.. De gevorderde dwangsommen worden ook in hoger beroep afgewezen. De grief van [appellanten] faalt in zoverre. Het gaat om doorlopende verplichtingen van [geïntimeerde] om ervoor zorg te dragen dat zowel [geïntimeerde] zelf als zijn huurder, inclusief diens personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners zich onthouden van inbreuken op het eigendomsrecht van [appellanten] door gebruik van de kadastrale percelen van [appellanten] op een wijze die in strijd is met de daarop gevestigde erfdienstbaarheden. Op voorhand is niet voldoende te bepalen wanneer sprake is van dergelijke inbreuken en, voor zover er sprake is van zulke inbreuken door de huurder van [geïntimeerde] of diens personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners, of [geïntimeerde] daarvoor kan worden aangesproken wegens schending van zijn zorgplicht tegenover [appellanten] .\n\nDe conclusie\n\n3.10.. Het hoger beroep slaagt deels. Het hof zal het vonnis voor de duidelijkheid integraal vernietigen en opnieuw op de vorderingen beslissen. Omdat de vorderingen van partijen over en weer deels worden toe- en afgewezen, zal het hof de proceskostencompensatie in eerste aanleg in stand te laten. Omdat [geïntimeerde] in hoger beroep wel grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. \n\n3.11.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1.. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel van 24 september 2024 en\n\n- verklaart voor recht dat tussen partijen een koopovereenkomst is ontstaan door het\n\ninroepen van de koopoptie als directe afgeleide van de direct aan het inroepen van de\n\nkoopoptie voorafgaande huurovereenkomst;\n\n- verklaart voor recht dat tot de rechten voortvloeiende uit de huurovereenkomst behoren een recht op onbelemmerde toegang tot de technische ruimte en het houden van voorzieningen en installaties aldaar zoals die zich daar bevonden op het moment van het inroepen van de koopoptie, en het recht op het houden van kabels en leidingen in het gebouw voor zover niet lopend in het appartementsrecht dat eigendom is van [geïntimeerde] ;\n\n- veroordeelt [appellanten] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis zorg te dragen\n\nvoor een akte waarbij erfdienstbaarheden worden gevestigd voor een onbelemmerde toegang tot de technische ruimte en het houden van voorzieningen en installaties aldaar zoals die zich daar bevonden op het moment van het inroepen van de koopoptie en het houden van kabels en leidingen in het gebouw voor zover niet lopend in het appartementsrecht dat eigendom is van [geïntimeerde] ;\n\n- veroordeelt [geïntimeerde] om ervoor zorg te dragen dat zowel [geïntimeerde] zelf, als diens exploitant\u002Fhuurder, en diens personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners zich onthouden van inbreuken op de eigendomsrechten van [appellanten] door de kadastrale percelen van [appellanten] waarop ten gunste van [geïntimeerde] erfdienstbaarheden zijn gevestigd op andere wijze te gebruiken dan is toegestaan op grond van die erfdienstbaarheden;\n\n- veroordeelt [geïntimeerde] om ervoor zorg te dragen dat zowel [geïntimeerde] zelf, als zijn exploitant\u002Fhuurder, diens personeelsleden en toeleveranciers\u002Fdienstverleners zich onthouden van inbreuken op de eigendomsrechten van [appellanten] ten aanzien van de technische ruimte die zich bevindt op de entresol van het perceel kadastraal bekend [gemeentenaam2] , [sectie] , [nummer] , zulks behoudens het recht van [geïntimeerde] tot een onbelemmerde toegang tot de technische ruimte en tot het houden van voorzieningen en installaties aldaar zoals die zich daar bevonden op het moment van het inroepen van de koopoptie;\n\n- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten in eerste aanleg draagt;\n\n4.2.. \n\nveroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] in hoger beroep:\n\n€ 362,- aan griffierecht\n\n€ 135,97 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van [appellanten] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);\n\n4.3.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.4.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M. Schoemaker, W.C. Haasnoot en K.J.O. Jansen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3975","2026-07-13T00:29:45.117Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":43,"courtId":111,"decisionDate":112,"fullText":113,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":51,"updatedAt":115},"978","ECLI:NL:RBZWB:2026:5256","ecli-nl-rbzwb-2026-5256",76,"2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer: 11871712 \\ CV EXPL 25-4436\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [eiser 2],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [gedaagde 2],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 4 augustus 2025;\n\n- de akte van 28 augustus 2025 met eiswijziging van [eisers] ; - de conclusie van antwoord van 15 oktober 2025; - de akte rectificatie van [gedaagden] ; - de akte van [eisers] van 29 oktober 2025;\n\n- de akte met eiswijziging van [eisers] van 11 november 2025;\n\n- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\n- het proces-verbaal van de descente d.d. 7 mei 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisers] en [gedaagden] zijn buren van elkaar. [eisers] is sinds 2019 eigenaar van het perceel aan de [adres 1] te [plaats] . [gedaagden] is sinds 1973 eigenaar van het perceel aan de [adres 2] te [plaats] .\n\n2.2.. Zowel de voortuinen als de achtertuinen van beide percelen grenzen aan elkaar. Ter verduidelijking wordt hieronder een uitsnede van de kadastrale kaart weergegeven:\n\n[uitsnede kadastrale kaart]\n\n2.3.. De rechtsvoorganger van [eisers] heeft in 2004 aan zijn woning in de achtertuin een aanbouw geplaatst. Deze is ingetekend op de kadastrale kaart.\n\n2.4.. De woning van [gedaagden] heeft ook een aanbouw, die is ingetekend op de kadastrale kaart. Aansluitend aan deze aanbouw, in de noordwestelijke hoek van het perceel, staat een garage. Deze is niet ingetekend op de kaart. De garage is in 1976 gebouwd en staat gedeeltelijk op het perceel van [eisers] ( [subperceel] ). De aanbouw is gebouwd in 2005. Bij het plaatsen van de aanbouw is een strook dakleer over de daktrim van [adres 1] aangebracht om lekkages te voorkomen. [eisers] kijkt vanuit zijn tuin uit op de muur van zowel de garage als de aanbouw van [gedaagden] .\n\n2.5.. In de voortuin van [gedaagden] staan binnen twee meter van de erfgrens een bolcatalpa en een taxus.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eisers] vordert – zoals tijdens de zitting is besproken en de kantonrechter uit de stukken heeft begrepen – samengevat:\n\nI. [gedaagden] te veroordelen tot verwijdering van de dakbedekking voorbij de perceelgrens, voor het geval dit anders zou leiden tot het verkrijgen van eigendom van de onderliggende muur door verjaring;\n\nII. [gedaagden] te veroordelen in de helft van de kosten van het Kadaster, zowel ten aanzien van de kosten die al zijn gemaakt als de nog te maken kosten voor het inmeten van de perceelgrens tot aan de garage;\n\nIII. [gedaagden] te veroordelen tot verwijdering van de taxus en bolcatalpa in de voortuin tot een maximale hoogte van 1 meter, binnen twee maanden;\n\nIV. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 400,00 in verband met buitengerechtelijke kosten en schade;\n\nV. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten;\n\nVI. Voor recht te verklaren dat de (verhoogde) scheidingsmuur tot aan de garage het mede-eigendom is van [eisers] ;\n\nVII. [gedaagden] te veroordelen tot het periodiek – in ieder geval elke 5 jaar – laten uitvoeren van schilderwerk aan de garagemuur, bij gebreke waarvan [eisers] dit zelf mag doen;\n\nVIII. Te verklaren voor recht dat het subperceel aangeduid met nummer [subperceel] door verjaring het eigendom is geworden van [gedaagden] en dat dit door de kantonrechter kenbaar wordt gemaakt aan het Kadaster;\n\nIX. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een nader te bepalen bedrag (maximaal € 100,00) wegens emotionele schade, met nakosten en de kosten voor verwijdering van de bomen door derden;\n\nX. Een dwangsom te koppelen aan de verwijdering van de bomen in de voortuin.\n\n3.2.. Ter onderbouwing van zijn vorderingen wijst [eisers] op de discussie die tussen partijen bestaat over de erfgrens en het eigendom van de scheidingsmuur tot aan de garage. Ook over periode waarin de bomen in de voortuin zijn geplaatst, zijn partijen het niet eens.\n\n3.3.. \n [gedaagden] vindt dat de vorderingen van [eisers] afgewezen moeten worden, met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n [gedaagden] hoeft de dakbedekking niet te verwijderen\n\n4.1.. Allereerst ligt de vraag voor of [gedaagden] gehouden is een deel van zijn dakbedekking te verwijderen. [eisers] stelt dat [gedaagden] voor het aanbrengen van de dakbedekking op het dak van zijn aanbouw gebruikt heeft gemaakt van het dak van [eisers] . [eisers] vordert in deze procedure verwijdering van die dakbedekking, voor zover dit anders zou leiden tot het verkrijgen van het eigendom van de onderliggende muur door [gedaagden] .\n\n4.2.. \n [gedaagden] heeft erkend dat hij bij de bouw van de aanbouw een strook dakleer over de daktrim van [eisers] heeft gelegd. Dit was volgens hem noodzakelijk om lekkages te voorkomen. Daarbij is hiervoor toestemming verleend door de voormalige eigenaar van de woning van [eisers] .\n\n4.3.. Tijdens de zitting is de insteek van de vordering met partijen besproken. [eisers] heeft toegelicht dat hij geen bezwaar heeft tegen de overlap van de dakbedekking, zolang dit er niet toe kan leiden dat het eigendom van de onderliggende muur wijzigt. Partijen zijn het er inmiddels over eens dat door de overlap van de dakbedekking de eigendomssituatie niet verandert. Nu dat het geval is, hoeft de dakbedekking niet verwijderd te worden en heeft [eisers] geen belang bij zijn vordering. De kantonrechter zal deze vordering in het eindvonnis afwijzen.\n\n [gedaagden] hoeft geen kosten te betalen voor inmeting van het subperceel\n\n4.4.. \n [eisers] vraagt de kantonrechter verder om [gedaagden] te veroordelen in de helft van de kosten van het Kadaster. [eisers] heeft tijdens de zitting toegelicht dat het hierbij zowel gaat om de kosten die hij al heeft gemaakt voor het inmeten van het subperceel [subperceel] , als de kosten die nog gemaakt moeten worden voor het inmeten van de erfgrens.\n\n4.5.. De kantonrechter overweegt dat [eisers] zonder overleg en op eigen initiatief het Kadaster heeft ingeschakeld om het subperceel [subperceel] in te meten. Daarom kan van [gedaagden] niet worden verwacht dat hij voor de helft bijdraagt in deze kosten. Wat betreft de nog te maken kosten voor het inmeten van de erfgrens, is in zijn geheel niet duidelijk waarom die kosten gemaakt moeten worden en waarom [gedaagden] daaraan zou moeten meebetalen. Deze vordering zal daarom in het eindvonnis worden afgewezen.\n\n [gedaagden] moet de taxus en bolcatalpa terugsnoeien tot 1 meter\n\n4.6.. Verder verzoekt [eisers] de kantonrechter om [gedaagden] te veroordelen tot verwijdering van de taxus en bolcatalpa in de voortuin tot een hoogte van 1 meter. De kantonrechter begrijpt dit als een veroordeling tot het terugsnoeien van de bomen. Volgens [eisers] bevinden de bolcatalpa en taxus zich binnen twee meter van de erfgrens. Doordat beide bomen - maar met name de taxus - erg hoog zijn, hinderen deze het zicht van [eisers] . Zowel vanuit zijn woonkamer, maar ook bij het verlaten van zijn oprit met de auto.\n\n4.7.. Volgens [gedaagden] is de vordering tot verwijdering verjaard. De taxus is in 1998 tijdens de renovatie van de voortuin geplant. De bolcatalpa is in 2002 geplant. Daartegenover stelt [eisers] dat de vordering niet is verjaard. Vanuit de gemeente heeft [eisers] een foto ontvangen uit 2006 waarop beide bomen nog niet zichtbaar zijn. Daardoor is het onwaarschijnlijk dat de taxus en de bolcatalpa vóór 2006 zijn geplant.\n\n4.8.. Op grond van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is het niet geoorloofd om binnen twee meter afstand van de grenslijn van het erf van een ander bomen te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water is. Tussen partijen is niet in geschil dat de taxus en bolcatalpa binnen deze afstand van de erfgrens staan. Op grond van de wet is dat niet toegestaan, tenzij daarvoor toestemming is gegeven. Dat die toestemming is gegeven, is niet gesteld noch gebleken.\n\n4.9.. Het beroep van [gedaagden] op verjaring slaagt niet. De kantonrechter stelt vast dat op een foto uit 2006 die door de gemeente is verstrekt de taxus en de bolcatalpa niet zichtbaar zijn. Hieruit kan de kantonrechter niet anders dan opmaken dat de bomen op dat moment nog niet aanwezig waren. Nu daaruit geconcludeerd moet worden dat de bomen op het moment van dagvaarden nog geen 20 jaar aanwezig zijn, heeft [eisers] de mogelijkheid op grond van artikel 5:42 BW verwijdering te vorderen. Nu [eisers] ervoor gekozen heeft om te vorderen dat de bomen worden teruggesnoeid tot 1 meter, zal die vordering in het eindvonnis worden toegewezen.\n\n4.10.. De gevorderde dwangsom zal in het eindvonnis worden afgewezen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagden] vrijwillig aan de veroordeling zal voldoen.\n\nDe door [eisers] gevraagde vergoedingen worden in het eindvonnis afgewezen\n\n4.11.. \n [eisers] vordert een vergoeding van € 400,00 in verband met buitengerechtelijke kosten en schade. De kosten die gevorderd worden, zien op: inmeetkosten, kadasterkosten, portokosten, kosten voor het opvragen van bewijsstukken, kantoorkosten, reiskosten, emotionele schade, manuren en kosten voor een scherm en een afdekstrip. Na wijziging van zijn eis, vordert [eisers] een extra vergoeding van maximaal € 100,00 in verband met emotionele schade, nakosten en eventuele kosten voor verwijdering van de bomen.\n\n4.12.. Volgens [gedaagden] moeten de kosten worden afgewezen. Het is niet duidelijk op welke grond de kosten worden gevorderd en daarnaast is niet gebleken dat het gaat om werkzaamheden die meer omvatten dan het voorbereiden van de procedure. Er wordt bovendien niet voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets.\n\n4.13.. Tijdens de zitting heeft de kantonrechter [eisers] gevraagd zijn vordering toe te lichten. In reactie op de vraag van de kantonrechter of [eisers] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht, was zijn antwoord nee. De vordering die daarmee verband houdt, zal dan ook in het eindvonnis worden afgewezen.\n\n4.14.. Voor de overige schade die [eisers] geleden stelt te hebben, heeft hij onvoldoende feiten aangevoerd op grond waarvan de vordering zou moeten worden toegewezen. Ook heeft hij niet duidelijk gemaakt waarom deze kosten, waaronder voor het scherm en de afdekstrip, voor rekening van [gedaagden] moeten komen. Daarnaast ziet een deel van de gevorderde kosten op kosten die vallen onder de proceskosten uit artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voornoemde artikelen bevatten voor deze kosten een uitputtende regeling. Dat betekent dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen als zij worden beschouwd als proceskosten. Dat is hier het geval.\n\nDe vordering in verband met het periodiek schilderen van de garagemuur wordt in het eindvonnis afgewezen\n\n4.15.. Door [eisers] wordt gevorderd [gedaagden] te veroordelen tot het periodiek – in ieder geval elke 5 jaar – laten uitvoeren van schilderwerk aan de garagemuur. Als [gedaagden] dat nalaat, wil [eisers] dat het hem is toegestaan dat zelf te doen.\n\n4.16.. \n [eisers] heeft op de zitting erkend dat de garage, en daarmee ook de garagemuur, eigendom van [gedaagden] is. Gelet hierop is het uitsluitend aan [gedaagden] om over deze garagemuur te beschikken. Er bestaat geen rechtsregel die [eisers] de bevoegdheid verleent om het schilderen van de muur af te dwingen. Daarom zal de vordering van [eisers] in het eindvonnis worden afgewezen.\n\nPerceel [subperceel] is eigendom van [gedaagden]\n\n4.17.. \n [eisers] vordert voor recht te verklaren dat het subperceel aangeduid met nummer [subperceel] door verjaring eigendom is geworden van [gedaagden] en dat dit door de kantonrechter kenbaar wordt gemaakt aan het Kadaster.\n\n4.18.. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat de strook grond waarop de garage van [gedaagden] staat (perceel [subperceel] ) door verjaring eigendom van [gedaagden] is geworden. [gedaagden] heeft daarbij toegelicht dat hij zich in het verleden steeds heeft verzet tegen de registratie van de eigendomsverkrijging, omdat hij daarvoor geen kosten wilde maken.\n\n4.19.. Gezien het voorgaande zal de kantonrechter bij eindvonnis de verklaring voor recht toewijzen. [eisers] verzoekt de kantonrechter om dit aan het Kadaster te melden. De kantonrechter heeft tijdens de zitting toegelicht dat het melden aan het Kadaster niet tot haar bevoegdheden behoort en zal daartoe dan ook niet overgaan.\n\nDe kantonrechter is voornemens het Kadaster te vragen de erfgrens uit te zetten\n\n4.20.. \n [eisers] vordert dat voor recht wordt verklaard dat de (verhoogde) scheidingsmuur tot aan de garage zijn mede-eigendom is. Volgens [eisers] volgt uit veldwerk van het Kadaster uit 1967 dat de muur die destijds aansloot op de gevel als gemeenschappelijk eigendom is aangemerkt. De perceelgrens loopt volgens [eisers] nu dan ook over het hart van de bestaande scheidingsmuur.\n\n4.21.. \n [gedaagden] betwist dat de bestaande scheidingsmuur als gemeenschappelijk eigendom aangemerkt moet worden. Volgens hem dateert de huidige muur uit 1976 en heeft hij deze zelf gebouwd op eigen grond. Het betreft dan ook een privé muur. Die privé muur is gebouwd tegen een schuurtje dat aanwezig was op het perceel van de rechtsvoorganger van [eisers] . De muur van dat schuurtje markeerde destijds de erfgrens. De muur die door [gedaagden] is gezet, is daardoor gebouwd tegen en niet op de erfgrens.\n\n4.22.. De kantonrechter stelt vast dat partijen van mening verschillen over de ligging van de erfgrens, zodat zij niet als vaststaand kan worden aangenomen.\n\n4.23.. De kantonrechter is voornemens om een deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden. De kantonrechter acht het deskundigenbericht nodig, nu partijen verschillen van mening over de ligging van de erfgrens. Wanneer niet duidelijk is waar de erfgrens ligt, is het voor de kantonrechter niet mogelijk om vast te stellen of de muur op de erfgrens of tegen de erfgrens staat en bij wie het eigendom ligt.\n\n4.24.. Het Kadaster registreert de eigendomsrechten op grond en gebouwen en handelt daarbij volledig neutraal ten opzichte van betrokken partijen. Daarom beschouwt de rechtbank het Kadaster als de geschikte instantie om een deskundigenonderzoek uit te voeren, door middel van een kadastrale meting, om de exacte ligging van de erfgrens vast te stellen.\n\n4.25.. De kantonrechter is op dit moment van oordeel dat in ieder geval de navolgende vragen moeten worden voorgelegd:\n\nKunt u de kadastrale erfgrens vaststellen tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] ?\n\nStaat de huidige erfafscheiding op of tegen de kadastrale erfgrens?\n\n4.26.. Voordat over wordt gegaan tot een deskundigenonderzoek, zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de aan de deskundige aanvullend voor te leggen vragen.\n\n4.27.. Nadat het deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden krijgen partijen de kans om hierop te reageren. Deze reactie moet beperkt blijven tot het geschilpunt over de scheidingsmuur tussen de percelen tot aan de garage. De overige geschilpunten staan niet meer ter discussie.\n\n4.28.. Het aan de deskundige te betalen voorschot met betrekking tot zijn kosten zal, volgens de hoofdregel, in eerste instantie door [eisers] moeten worden voorgeschoten. In het eindvonnis zal de kantonrechter beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.\n\n4.29.. De kantonrechter verwijst de zaak naar de rol van 8 juli 2026 voor akten van partijen waarin zij zich uit kunnen laten over het voornemen een deskundige in te schakelen.\n\n4.30.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verwijst de zaak naar de rol van 8 juli 2026 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenonderzoek;\n\n5.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5256","2026-07-13T00:28:57.259Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":43,"courtId":120,"decisionDate":121,"fullText":122,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":51,"updatedAt":124},"1159","ECLI:NL:GHARL:2026:3555","ecli-nl-gharl-2026-3555",70,"2026-06-02T00:00:00.000Z","haarGERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.350.603\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 310609\n\narrest van 2 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellante]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\n2. [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna samen: [appellanten]\n\nadvocaat: mr. D.D. Senders\n\nen\n\n1. [geïnitmeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\n2. [geïntimeerde2]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna samen: [geïntimeerden]\n\nadvocaat: mr. D.E.J. Maes\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. Naar aanleiding van het arrest van 16 december 2025 heeft op 20 april 2026 een mondelinge behandeling ter plaatse plaatsgevonden. Daarbij is de zaak behandeld tegelijk met de zaak met nummer 200.353.556\u002F01 (tussen [geïntimeerden] en [naam1 en naam2] ). Het verslag van de mondelinge behandeling (het proces-verbaal) is toegevoegd aan het dossier. Voorafgaand aan de behandeling heeft mr. Senders toegezonden een akte uitlaten producties en een akte overleggen producties (producties 31 t\u002Fm 34). Mr. Maes heeft voorafgaand aan de zitting een akte overleggen producties toegezonden (producties h10 t\u002Fm h13). Ook die stukken behoren tot het procesdossier. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft het hof een datum voor de uitspraak bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Partijen zijn buren van elkaar. De schutting [geïntimeerden] staat deels op het perceel van [appellanten] Volgens [appellanten] wordt daarmee inbreuk gemaakt op hun eigendomsrecht en zij willen dat die inbreuk beëindigd wordt. [geïntimeerden] menen dat in redelijkheid niet van hen verlangd kan worden dat zij de schutting verwijderen.\n\n2.2.. \n [appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen de schutting van het perceel van [appellanten] te verwijderen. Ook hebben zij gevorderd om [geïntimeerden] te verbieden om bomen, heesters of heggen binnen twee meter van de erfgrens te plaatsen en om [geïntimeerden] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van een grensreconstructie door het Kadaster. [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd.\n\n2.3.. De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft op 23 oktober 2024 eindvonnis gewezen.Daarbij heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] afgewezen. [appellanten] zijn veroordeeld in de proceskosten en die veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n2.4.. \n [appellanten] hebben hoger beroep ingesteld en daarbij hebben zij hun eis gewijzigd. In hoger beroep vorderen zij primair dat [geïntimeerden] veroordeeld worden de schutting van het perceel van [appellanten] te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voor het geval die vordering zou worden afgewezen, vorderen [appellanten] subsidiair een vergoeding van € 500 per jaar wegens inbreuk op hun eigendomsrecht. Verder vorderen zij ook in hoger beroep vergoeding van de kosten van het Kadaster (€ 460) en vergoeding van proceskosten.\n\n2.5.. Het hof oordeelt dat het hoger beroep grotendeels slaagt. Het hof zal [geïntimeerden] alsnog veroordelen om de schutting van het perceel van [appellanten] te verwijderen. Het hof licht dat oordeel hierna toe. Daarbij wordt eerst een kort overzicht gegeven van de feiten.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [geïntimeerden] zijn eigenaar van het perceel met woning aan [adres1] in [woonplaats] . Het perceel van [geïntimeerden] is kadastraal bekend als gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , nummer 4161 . Het perceel van [geïntimeerden] grenst aan de zuidzijde aan het perceel van [appellanten] en aan het perceel van [naam1] en [naam2] (hierna: [naam1 en naam2] ). Het perceel van [appellanten] ligt aan de [adres2] en heeft als kadastraal nummer 4188 . Het perceel van [naam1 en naam2] ligt aan de [adres3] een heeft als kadastraal nummer 4187 . Het gaat om royale percelen van ruim 1.100 m2 elk die gelegen zijn in het buitengebied van [woonplaats] . De ligging van de percelen ten opzichte van elkaar is als volgt (perceel 4161 van [geïntimeerden] ; perceel 4188 van [appellanten] ; perceel 4187 van [naam1 en naam2] ):\n\n3.2.. De genoemde kadastrale percelen waren aanvankelijk alle onderdeel van een kadastraal perceel dat eigendom was van Meatpoint B.V. (hierna: Meatpoint). Op 18 november 2020 heeft een aanwijs plaatsgevonden ten behoeve van de splitsing van het kadastrale perceel van Meatpoint in (onder meer) de percelen met nummers 4161 , 4187 en 4188 .\n\n3.3.. Op 12 november 2020 – dus kort voor de genoemde aanwijs – hebben [geïntimeerden] hun perceel als bouwkavel gekocht van Meatpoint. Ter uitvoering van die overeenkomst heeft Meatpoint in april 2021 kadastraal perceel 4161 geleverd aan [geïntimeerden] Meatpoint heeft perceel 4188 (ook als bouwkavel) overgedragen aan [appellanten]\n\n3.4.. In 2021 is op het perceel van [geïntimeerden] onder meer een woning gebouwd. [appellanten] hebben in 2021\u002F2022 op hun perceel een woning en een bijgebouw laten bouwen. Het bijgebouw van [appellanten] staat aan de noordzijde van hun perceel. De achterzijde van het bijgebouw staat vlak bij de erfgrens met het perceel van [geïntimeerden]\n\n3.5.. Op enig moment hebben [geïntimeerden] bij de grens tussen hun perceel en het perceel van [naam1 en naam2] een schutting laten plaatsen (van circa 12 meter lang). In oktober 2022 hebben [geïntimeerden] de schutting laten verlengen in oostelijke richting, dit bij de grens tussen het perceel van [geïntimeerden] en het perceel van [appellanten] (over een afstand van ongeveer 5 meter bij de grens tussen die percelen).\n\n3.6.. In het voorjaar van 2023 is de verstandhouding tussen [geïntimeerden] en [appellanten] verslechterd. Tussen partijen is een conflict ontstaan over onder meer de schutting en de wadi (aan de oostzijde van de percelen). In een brief van 30 mei 2023 schreven [appellanten] aan [geïntimeerden] onder meer:\n\n“Wadi en erfgrens\n\n(…)\n\n(…) De erfgrens zoals deze destijds is bepaald, komt niet overeen met het door jullie gespannen touwtje, wat volgens jullie de erfgrens zou zijn. Het touwtje is meerdere malen verplaatst en heeft aan meerdere palen vastgezeten, waar tevens bewijsmateriaal van is in de vorm van foto's. De oorspronkelijke grenspalen zijn door iemand weggehaald, net zoals de oranje plastic hoed die op een paal bevestigd was. We kunnen daarom vaststellen dat de palen en het gespannen touwtje geen bepaling zijn voor de officiële erfgrens.”\n\n3.7.. Op 11 augustus 2023 heeft de advocaat van [appellanten] per brief aan [geïntimeerden] bericht dat [appellanten] aan het Kadaster opdracht hadden gegeven op korte termijn een grensreconstructie uit te voeren om zo de exacte ligging van de erfgrens te bepalen. In reactie daarop hebben [geïntimeerden] op 16 augustus 2023 aan [appellanten] geschreven dat de verkoper van de percelen (Meatpoint) piketpalen voor de toekomstige kadastrale grenzen had geplaatst, dat de door die piketpalen aangegeven grens gerespecteerd dient te worden en dat zij niet inzien wat het nut is van een grensreconstructie door het Kadaster.\n\n3.8.. Op 23 september 2023 hebben [geïntimeerden] de schutting bij de erfgrens met het perceel van [appellanten] verder verlengd met een lager schuttingdeel, dit over een afstand van ongeveer 19 meter. De schutting loopt daarmee vrijwel tot aan de oostgrens van de percelen. De totale lengte van de schutting van [geïntimeerden] bedraagt daarmee ongeveer 38 meter (waarvan ongeveer 25 meter langs de grens met het perceel van [appellanten] en bijna 13 meter bij de grens met het perceel van [naam1 en naam2] ).3.9.. Op 4 oktober 2023 is in opdracht van [appellanten] een grensreconstructie uitgevoerd. Uit het relaas van bevindingen van het Kadaster van 4 oktober 2023 volgt dat de schutting van [geïntimeerden] deels op het perceel van [appellanten] staat. [appellanten] hebben [geïntimeerden] hiervan op 10 oktober 2023 op de hoogte gesteld.\n\n3.10.. Op 7 maart 2024 heeft het Kadaster nog een grensreconstructie uitgevoerd, deze keer in opdracht van [geïntimeerden] Ook uit deze grensreconstructie blijkt dat de schutting deels op het perceel van [appellanten] staat (en eveneens deels op het perceel van [naam1 en naam2] ). Het relaas van bevindingen van het Kadaster van 7 maart 2024 bevat de volgende afbeelding (de onderbroken lijn is de kadastrale grens; de kruisende doorgetrokken lijn is de schutting; de schuur (‘schr’) is het bijgebouw [appellanten] ; de grens tussen het perceel van [appellanten] en het perceel van [naam1 en naam2] is niet ingetekend):\n\n3.11.. \n [appellanten] hebben [geïntimeerden] op 12 februari 2024 gedagvaard in de procedure bij de rechtbank. Ook [naam1 en naam2] zijn een procedure tegen [geïntimeerden] begonnen. In die procedure vorderen [naam1 en naam2] onder meer dat het deel van de schutting dat op hun perceel staat, door [geïntimeerden] wordt verwijderd.\n\n3.12.. \n [geïntimeerden] hebben de rechtbank tevergeefs verzocht om de procedures van [appellanten] en [naam1 en naam2] gevoegd of tegelijk te behandelen. In deze procedure – de procedure van [appellanten] – is op 23 oktober 2024 eindvonnis gewezen. In dat vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellanten] tot verwijdering van de schutting afgewezen. Op 15 januari 2025 heeft de rechtbank eindvonnis gewezen in de procedure van [naam1 en naam2] In dat vonnis heeft de rechtbank [geïntimeerden] onder meer veroordeeld om het deel van de schutting dat op het perceel van [naam1 en naam2] staat, van dat perceel te verwijderen.\n\n3.13.. Zowel in deze zaak (van [appellanten] ) als in de zaak van [naam1 en naam2] is hoger beroep ingesteld. In hoger beroep zijn de zaken gezamenlijk behandeld.\n\n4. De beoordeling\n\nDe schutting\n\n4.1.. \n [appellanten] vorderen dat het hof [geïntimeerden] veroordeelt om het deel van de schutting dat op het perceel van [appellanten] staat, van dat perceel te verwijderen. [appellanten] betogen dat er met de schutting (en de daarin geïntegreerde haardhokken) inbreuk wordt gemaakt op hun eigendomsrecht. Volgens [appellanten] hebben zij ook een praktisch belang bij de verwijdering van de schutting. De schutting zou het onderhoud aan de achterzijde van hun bijgebouw bemoeilijken. Ook zou de schutting [appellanten] beperken in de mogelijkheden om in de toekomst een ruimer bijgebouw te plaatsen (zie grieven I en II). [geïntimeerden] menen dat de vordering moet worden afgewezen. Zij beroepen zich op misbruik van recht.\n\n4.2.. Het hof stelt voorop dat de schutting, zoals ook niet ter discussie staat, deels op het perceel van [appellanten] staat. Uit de grensreconstructie van 7 maart 2024 blijkt dat de uiterste schuttingpaal aan de westelijke zijde, 14 cm over de erfgrens staat (op het perceel van [naam1 en naam2] ). Verder blijkt daaruit dat de schutting vanaf daar in een rechte lijn in oostelijke richting loopt en dat de mate waarin de grens overschreden wordt daarbij steeds verder afneemt. Bij de overgang naar het lagere schuttingdeel (het deel dat op 23 september 2023 is geplaatst) bedraagt de overschrijding nog ca. 7 cm, en aan de oostzijde van het bijgebouw van [appellanten] kruist de schutting de erfgrens (waarna de schutting dus op het eigen perceel van [geïntimeerden] staat; zie hierboven, onder 3.10). Uit deze gegevens leidt het hof af dat de overschrijding aan de westzijde van het perceel van [appellanten] ongeveer 10 cm bedraagt en dat de overschrijding in oostelijke richting verder afneemt totdat op enig punt van een grensoverschrijding geen sprake meer is.\n\n4.3.. Omdat [geïntimeerden] de schutting – zonder dat [appellanten] daarmee hadden ingestemd – deels op het perceel van [appellanten] hebben geplaatst, maken [geïntimeerden] met de schutting inbreuk op het eigendomsrecht van [appellanten] In beginsel hebben [appellanten] er recht op dat die inbreuk ongedaan wordt gemaakt.\n\n4.4.. Volgens [geïntimeerden] maken [appellanten] , door verwijdering van de schutting te vorderen, misbruik van recht (zie artikel 3:13 BW). [geïntimeerden] betogen dat hun belang bij handhaving van de huidige situatie veel groter is dan het belang van [appellanten] bij het ongedaan maken van de overschrijding. Vanwege die onevenredigheid kunnen [appellanten] , aldus [geïntimeerden] , in redelijkheid geen aanspraak maken op verwijdering. [geïntimeerden] wijzen erop dat de mate waarin de erfgrens overschreden wordt zeer beperkt is. Volgens [geïntimeerden] belemmert de schutting [appellanten] ook niet in het gebruik van hun perceel. [geïntimeerden] merken verder op dat zij voor het verwijderen of verplaatsen van de schutting aanzienlijke kosten zouden moeten maken. Het zou niet mogelijk zijn om slechts een deel van de schutting te verplaatsen. Als de grensoverschrijding bij [appellanten] ongedaan moet worden gemaakt, dan moet de volledige, 38 meter lange schutting verwijderd of verplaatst worden. De kosten van verwijdering bedragen volgens [geïntimeerden] € 13.801,53. De kosten voor verplaatsing bedragen volgens hen € 33.214,17. Dat de kosten van verplaatsing zo hoog zijn, komt volgens [geïntimeerden] doordat bij verplaatsing bijvoorbeeld ook de tuintegels aangepast moeten worden. Het zou ook niet mogelijk zijn om de huidige schutting geheel of gedeeltelijk opnieuw te gebruiken. Ter onderbouwing van dit alles verwijzen [geïntimeerden] naar de overgelegde offertes van Hoveniersbedrijf Boerhof van 7 mei 2024 (producties 4 en 5 bij conclusie van antwoord).\n\n4.5.. Naar het oordeel van het hof kan echter niet worden aangenomen dat [appellanten] met hun vordering misbruik van recht maken. [appellanten] hebben voldoende aangetoond dat zij in elk geval enig redelijk belang hebben bij handhaving van de erfgrens. Zo wijzen zij er terecht op dat de grensoverschrijding van de schutting hen redelijkerwijs kan hinderen bij eventueel onderhoud van het bijgebouw. Het hof neemt verder in aanmerking dat [geïntimeerden] een aanzienlijk deel van de schutting geplaatst hebben nádat [appellanten] hen gewaarschuwd hadden dat de grenslijn waar [geïntimeerden] van uitgingen, niet juist zou zijn (zie hierboven, onder 3.6 t\u002Fm 3.8). [appellanten] wijzen er terecht op dat [geïntimeerden] zijn afgegaan op de markeringen die geruime tijd geleden door de verkoper of de aannemer geplaatst zouden zijn, en niet op bijvoorbeeld een grensreconstructie van het Kadaster. Nu [appellanten] de waarschuwing van [appellanten] over de grenslijn in de wind hebben geslagen, kunnen de (financiële) gevolgen van die keuze van [geïntimeerden] niet snel met succes aan [appellanten] worden tegengeworpen.\n\n4.6.. Tegenover het belang van [appellanten] bij verwijdering van de schutting staan naar het oordeel van het hof geen zwaarwegende belangen van [geïntimeerden] Het betoog van [geïntimeerden] dat er voor verwijdering of verplaatsing van de schutting hoge kosten gemaakt zouden moeten worden, is namelijk tevergeefs. In de zaak tegen [naam1 en naam2] – welke zaak op verzoek van [geïntimeerden] in hoger beroep gezamenlijk met deze zaak behandeld is – komt het hof namelijk op zelfstandige gronden tot het oordeel dat [geïntimeerden] het deel van de schutting dat op het perceel van [naam1 en naam2] staat, van dat perceel dienen te verwijderen. [geïntimeerden] hebben uitdrukkelijk gesteld dat verwijdering van een deel van de schutting niet mogelijk is en dat zij, als zij veroordeeld worden om een deel te verwijderen, ervoor kiezen de hele schutting (van 38 meter) te verplaatsen naar hun zijde van de erfgrens. Nu uit de eigen stellingen van [geïntimeerden] al volgt dat zij de hele schutting zullen verplaatsen, is niet in te zien waarom de vordering van [appellanten] tot verwijdering nog zou afstuiten op misbruik van recht.\n\n4.7.. Het hof zal [geïntimeerden] veroordelen de inbreuk op het eigendomsrecht van [appellanten] te staken en gestaakt te houden door de schutting met toebehoren (waaronder begrepen de geïntegreerde haardhokken) van het perceel van [appellanten] te verwijderen en verwijderd te houden. [geïntimeerden] dienen een redelijke termijn te krijgen om aan die veroordeling te voldoen. Het hof zal die termijn vaststellen op drie maanden na betekening van dit arrest. Dat, zoals [geïntimeerden] vermelden, verwijdering binnen die termijn niet mogelijk zou zijn, valt zonder nadere toelichting en onderbouwing niet in te zien. Aan de veroordeling zal, zoals gevorderd, een dwangsom worden verbonden. Mede gelet op de slechte verstandhouding tussen partijen, hoeven [appellanten] hier namelijk geen genoegen te nemen met de enkele toezegging van [geïntimeerden] dat zij aan een eventuele veroordeling zullen voldoen. Het hof zal de dwangsom vaststellen op € 100 per dag of dagdeel dat niet aan de veroordeling voldaan wordt, met een maximum van € 10.000.\n\n4.8.. Het hof merkt voor de duidelijkheid nog op dat [geïntimeerden] niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken hebben dat de grens tussen de eigendommen van partijen, overeenkomt met de kadastrale grens tussen hun percelen. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat de grens tussen de percelen van partijen samenvalt met de kadastrale grens. [geïntimeerden] hebben overigens wel vraagtekens geplaatst bij het verslag van het Kadaster van de aanwijs en bij de verslagen van het Kadaster van de grensreconstructies. Volgens [geïntimeerden] vermeldt het Kadaster telkens andere coördinaten. Daarbij wijzen zij ook op een overgelegd document van ‘Siegers Landmeetkunde’ (productie h10). [appellanten] hebben in reactie op dat alles opgemerkt dat het Kadaster wel verschillende coördinaten noemt, maar dat de relevante coördinaten zich bevinden op dezelfde (grens)lijn. Dit laatste is door [geïntimeerden] niet voldoende duidelijk en begrijpelijk gemotiveerd weersproken. Voor zover het betoog van [geïntimeerden] aldus begrepen moet worden dat de metingen van het Kadaster onjuist of tegenstrijdig zouden zijn, is dat betoog dan ook onvoldoende toegelicht en onderbouwd.\n\nDe kosten van het Kadaster\n\n4.9.. \n [appellanten] vorderen vergoeding van de kosten van de grensreconstructie door het Kadaster van 4 oktober 2023 (grief III). Die vordering zal worden afgewezen. [geïntimeerden] wijzen er terecht op dat zij – zoals ook blijkt uit het relaas van bevindingen van het Kadaster (productie 4 bij dagvaarding) – niet voor de grensreconstructie waren uitgenodigd. Omdat [geïntimeerden] niet bij de reconstructie aanwezig waren, hebben zij in maart 2024 nogmaals, op eigen kosten, een grensreconstructie laten uitvoeren. De kosten van de grensreconstructie van 4 oktober 2023 zijn gelet daarop geen kosten die als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, door [geïntimeerden] vergoed dienen te worden. Er is ook voor het overige geen grond om [geïntimeerden] te veroordelen die kosten te vergoeden.\n\nDe conclusie\n\n4.10.. Het hoger beroep van [appellanten] slaagt grotendeels. Voor wat betreft de procedure in eerste aanleg worden partijen daarmee per saldo alsnog in min of meer dezelfde mate in het gelijk gesteld. Het hof zal daarom bepalen dat partijen de eigen kosten moeten dragen van de procedure in eerste aanleg (grief IV slaagt in zoverre). Daarbij zullen [geïntimeerden] , die in dit hoger beroep overwegend in het ongelijk worden gesteld, veroordeeld worden in de kosten van dit hoger beroep. Onder de te betalen proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na de betekening.\n\n4.11.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 23 oktober 2024 en beslist als volgt:\n\n5.2.. veroordeelt [geïntimeerden] om binnen 3 maanden na betekening van dit arrestde inbreuk op het eigendomsrecht van [appellanten] te staken door de erfafscheiding met toebehoren, waaronder begrepen de geïntegreerde haardhokken, voor zover deze op het perceel van [appellanten] staat, van het perceel van [appellanten] te verwijderen, en om die erfafscheiding met toebehoren vervolgens ook verwijderd te houden;5.3.. veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van een dwangsom van € 100,- voor elke dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat niet of niet volledig aan de onder 5.2 genoemde veroordeling wordt voldaan,tot een maximum aan dwangsommen van € 10.000;\n\n5.4.. veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] in hoger beroep:\n\n€ 362 aan griffierecht;\n\n€ 148,39 aan kosten voor betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding;\n\n€ 2.580 aan salaris advocaat (2 punten x het toepasselijke tarief ad € 1.290);\n\n5.5.. bepaalt dat de onder 5.4 genoemde kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.6.. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in eerste aanleg;\n\n5.7.. verklaart de bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.8.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, J.H. Kuiper en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.\n\n Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5542.\n\n Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 15 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:230, gevolgd door een herstelvonnis van 29 oktober 2025 (herstelvonnis is niet gepubliceerd).\n\n HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3555","2026-07-13T00:29:07.337Z",20,[11,127],2023]