[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-property-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":213},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":40,"total":211,"page":14,"limit":212},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},95,"property-law-nl","Property Law","NL","2026-07-08T16:56:12.367Z",2026,[13,16,18,21,23,25,28,30,32,34,36,38],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":20},3,15,{"month":22,"count":17},4,{"month":24,"count":17},5,{"month":26,"count":27},6,19,{"month":29,"count":14},7,{"month":31,"count":15},8,{"month":33,"count":15},9,{"month":35,"count":15},10,{"month":37,"count":15},11,{"month":39,"count":15},12,[41,55,65,75,82,91,100,109,117,125,134,142,150,157,166,175,182,189,196,204],{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":54},"815","ECLI:NL:RBGEL:2026:5229","ecli-nl-rbgel-2026-5229","",60,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F466431 \u002F KG ZA 26-171\n\nVonnis in kort geding van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. A. Dragt,\n\ntegen\n\nde vereniging\n\n [vereniging],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [vereniging] ,\n\nadvocaat: mr. C. Sellis.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 20; - de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 19; - de mondelinge behandeling van 17 juni 2026; - de pleitnota van [eiser] ; - de pleitnota van [vereniging] .\n\n1.2.. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter bepaald dat op 1 juli 2026 een vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1.. \n [eiser] is eigenaar van een woning aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Het pand aan de [adres] is in 1989 gesplitst in twee appartementsrechten, waarbij [vereniging] is opgericht. Eén appartementsrecht bestaat uit het souterrain en de parterre van het pand ( [adres] ). Het andere recht bestaat uit de eerste, tweede en derde etage ( [adres] ). Dit laatste recht is in 1995 in vier appartementsrechten gesplitst, waarbij de [vereniging 2] is opgericht. Deze VvE is nooit actief geweest; alle besluiten werden genomen en uitgevoerd in [vereniging] . Op deze besluitvorming, de uitvoering daarvan en het handelen van het bestuur heeft [eiser] kritiek. Hij is het ook niet eens met de besluiten die vanaf mei 2026 zijn genomen in de inmiddels geactiveerde [vereniging 2] .\n\n2.2.. In deze procedure vordert [eiser] dat [vereniging] wordt veroordeeld om een afschrift van een aantal stukken aan hem te verstrekken of daarin inzage te verlenen. Het gaat om onderdelen van de financiële administratie en informatie over de reparatie van het dak van het gebouw. Meer in het bijzonder gaat het om (a.) leesbare bankafschriften over de periode van 1 januari 2025 tot heden, (b.) facturen, bonnen en betaalverzoeken die ten grondslag liggen aan de bij- en afschrijvingen in die periode, (c.) een overeenkomst dan wel opdrachtbevestiging met Stellicher Advocaten, (d.) een overeenkomst dan wel opdrachtbevestiging met E-Legal en (e.) een offerte en factuur van het bedrijf [bedrijf] . Verder wil hij dat een dwangsom wordt opgelegd en dat [vereniging] zijn werkelijke proceskosten van € 5.510,34 betaalt.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels af. Wel moet [vereniging] een afschrift van de offerte en factuur van [bedrijf] aan [eiser] verstrekken. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor de toewijzing hiervan is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nDe bankafschriften en onderliggende stukken\n\n3.2.. Ten eerste stelt [eiser] dat hij recht heeft op inzage in de financiële administratie van [vereniging] op grond van artikel 41 lid 6 van het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1983. Hierin staat het volgende: “Het bestuur is verplicht aan iedere eigenaar alle inlichtingen te verstrekken betreffende de administratie van het gebouw en het beheer van de fondsen, welke die eigenaar mocht verlangen, en hem op zijn verzoek inzage te verstrekken van alle op die administratie en dat beheer betrekking hebbende boeken, registers en bescheiden.” De VvE voert aan dat [eiser] geen beroep op dit artikel kan doen, omdat hij geen lid is van [vereniging] (maar uitsluitend van de onder- [vereniging 2] ). Of dat klopt, kan in het midden blijven. Artikel 41 lid 6 verplicht namelijk niet tot het verstrekken van een afschrift van de financiële administratie en onderliggende stukken, maar slechts tot het verstrekken van inlichtingen daarover en van inzage daarin.Ook als zou worden aangenomen dat [eiser] een beroep kan doen op artikel 41 lid 6 van het Modelreglement, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de VvE aan de daarin opgenomen inzage- en inlichtingenplicht jegens [eiser] heeft voldaan.\n\n3.3.. \n [vereniging] heeft namelijk bij e-mail van 23 april 2026 aangeboden de gevraagde stukken ter inzage aan te bieden op 28 april 2026 tussen 17:00 uur en 21:00 uur. Het ging daarbij om de bankafschriften en onderhoudsoffertes; de onderliggende facturen en bonnen zouden op een later moment volgen. Als reactie daarop schrijft de advocaat van [eiser] op 24 april 2026 dat hij de bankafschriften, offertes en facturen per e-mail wil ontvangen en dat persoonsgegevens kunnen worden zwartgelakt. De voorzieningenrechter stelt vast dat [vereniging] rekeningafschriften over de periode van 1 januari 2025 tot 23 april 2026 heeft verstrekt aan [eiser] . Daarop zijn de begin- en eindsaldi, de data van de af- en bijschrijvingen en de bedragen daarvan zichtbaar maar zijn grote delen van de omschrijvingen van de transacties zwartgelakt. Verder heeft de VvE op 25 april 2026 een financieel overzicht van 1 januari 2025 tot 23 april 2026, de exploitatierekening en de begroting van de onder-VvE en de hoofd-VvE gevoegd bij de oproeping voor de oprichtingsvergadering van de [vereniging 2] , die ook [eiser] heeft ontvangen. Bij e-mail van 28 april 2026 schrijft de VvE dat zij geen reactie heeft gekregen op de uitnodiging om de stukken in te komen zien en dat als [eiser] alsnog gebruik wil maken van de inzagemogelijkheid, hij een nieuwe afspraak kan plannen per e-mail.\n\n3.4.. Omdat [eiser] dus op meerdere momenten inzage in de stukken is aangeboden, en hij nog altijd de mogelijkheid heeft om een nieuwe afspraak te plannen voor een inzagemoment, twijfelt de voorzieningenrechter in het licht van het voorgaande niet aan de bereidheid van de VvE om desgevraagd inlichtingen en inzage te geven. De weigering van de VvE om een afschrift van de gevraagde stukken te verstrekken, is daarvoor onvoldoende. Daartoe is zij, zoals hiervoor is overwogen, op grond van artikel 41 lid 6 van het Modelreglement ook niet gehouden. Voor zover de vordering ertoe strekt dat de VvE wordt veroordeeld om haar verplichtingen op grond van artikel 41 lid 6 van het Modelreglement na te komen, is de vordering daarom niet toewijsbaar.\n\n3.5.. Ten tweede stelt [eiser] dat hij recht heeft op afschrift en inzage op grond van de wet. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 Rv). Indien degene die beschikt over de bepaalde gegevens medewerking weigert, kan de voorzieningenrechter in spoedeisende gevallen inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens bevelen (artikel 196 en 197 Rv). Hierbij geldt dat een inzagevordering niet per definitie een spoedeisend belang oplevert. De rechter wijst een verzoek tot inzage toe, tenzij hij van oordeel is dat:\n\na. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;\n\nb. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;\n\nc. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;\n\nd. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of\n\ne. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.\n\n3.6.. Volgens [eiser] zijn de besluiten van [vereniging] nietig, omdat bij het nemen van die besluiten de ondersplitsing uit het oog is verloren. Het gaat onder meer om besluiten in de vergaderingen van 19 oktober 2025 en 15 maart 2026. De [vereniging 2] was niet geactiveerd, er was geen bestuur en er vonden geen vergaderingen plaats. De besluitvorming in [vereniging] was dan ook in strijd met artikel 5:127 lid 3 BW, omdat geen voorvergaderingen in de [vereniging 2] plaatsvonden en het bestuur van de [vereniging 2] niet de stemmen heeft uitgebracht. Verder zijn in [vereniging] besluiten genomen die thuishoren in de [vereniging 2] . Het bestuur van [vereniging] heeft nietige besluiten uitgevoerd en zich ten onrechte bevoegd geacht de [vereniging 2] te vertegenwoordigen. Het bestuur heeft ook zelfstandig – zonder ALV-besluit – betalingen verricht en betalingsverplichtingen aangegaan, waaronder het raadplegen van Stellicher Advocaten en het starten van een incassotraject bij E-Legal. De bestuurders van [vereniging] zijn ook daarom persoonlijk aansprakelijk. Verder kan [eiser] zonder inzicht in wat zich in het vorige en huidige boekjaar heeft afgespeeld niet inschatten wat het beginpunt van de onder-VvE zal zijn. Hij kan geen deugdelijke stemming uitbrengen op de vergaderingen van de [vereniging 2] . Op grond van artikel 5:130 lid 2 BW heeft [eiser] slechts één maand om de besluiten te vernietigen die zijn genomen op de vergaderingen van 21 mei 2026 en 14 juni 2026. Tot slot heeft [eiser] zijn appartement te koop aangeboden en heeft zijn makelaar meerdere vragen gesteld over de financiën van de VvE.\n\n3.7.. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat door alle appartementseigenaren lange tijd is gehandeld alsof er slechts één VvE was. Dit in elk geval tot de zitting bij de kantonrechter op 9 april 2026, waarop de juridische aspecten van de splitsing en ondersplitsing met partijen zijn besproken. Na de zitting bij de kantonrechter en het vonnis van de kantonrechter van 17 april 2026 zijn stappen gezet om de onder-VvE te activeren, waaronder een oprichtingsvergadering op 4 mei 2026 (waarbij [eiser] niet aanwezig was), inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het openen van een bankrekening. Volgens [eiser] heeft het inactief zijn van de [vereniging 2] gevolgen voor de rechtmatigheid en rechtsgeldigheid van de besluitvorming in [vereniging] tot dat moment, maar hij heeft onvoldoende toegelicht waarom dat voldoende (spoedeisend) belang oplevert bij zijn vorderingen. Het is niet duidelijk geworden waarom voor het innemen en onderbouwen van het standpunt dat de genomen besluiten nietig zijn op de hiervoor in 3.6. genoemde grond en dat de bestuurders daarom aansprakelijk zijn, afhangt van de ontvangst van een afschrift van de financiële administratie. Ditzelfde geldt voor het innemen van het standpunt dat de besluiten van de [vereniging 2] vernietigbaar zijn. Nog daargelaten dat de termijn van één maand voor het vernietigen van de besluiten op de vergadering van 21 mei 2026 inmiddels is verstreken, heeft [eiser] slechts in algemene bewoordingen toegelicht dat hij ‘de besluiten’ wil kunnen controleren en zo nodig vernietigen. Voor zover het specifiek gaat om de décharge van de penningmeester van [vereniging] , die zou zijn verleend in de vergadering van 14 juni 2026 en die op de zitting is genoemd, heeft [eiser] onvoldoende toegelicht dat hij op basis van de informatie waarover hij reeds beschikt (de in 3.3. genoemde bankafschriften en financiële stukken) in combinatie met de geboden mogelijkheid tot inzage onvoldoende in staat is om controle uit te oefenen op de financiële gang van zaken binnen [vereniging] . Hierbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [eiser] , anders dan op basis van alleen de zwartgelakte bankafschriften, na inzage wél in staat is om vast te stellen aan wie er is betaald en waarop de betalingen berusten, al dan niet na een toelichting hierop door [vereniging] . Zo vroeg [eiser] zich af waarop een contante opname van € 1.200,00 op 10 en 12 maart 2026 ziet en heeft [vereniging] ter zitting toegelicht dat het gaat om de betaling van de vrijwilligersvergoeding aan het bestuur (waartoe de ALV heeft besloten). Waarom de geboden inzagemogelijkheid (in eerste instantie) niet volstaat en daarom belang bij ontvangst van een afschrift van de stukken bestaat, heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd. Dat de administratie van [vereniging] iets zegt over het beginpunt van de [vereniging 2] en dat [eiser] pas aan stemmingen binnen de [vereniging 2] kan deelnemen na ontvangst van een afschrift van de administratie van [vereniging] valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dan ook niet in te zien. Evenmin heeft [eiser] uitgelegd welke vragen zijn verkoopmakelaar heeft gesteld en in welk opzicht hij die vragen niet zou kunnen beantwoorden op basis van de stukken waarover hij al beschikt en\u002Fof na inzage van de financiële administratie zoals aangeboden door de VvE. In zoverre heeft [eiser] onvoldoende belang bij zijn vorderingen en is de verlangde informatie ook niet voldoende bepaald, omdat [eiser] gelet op het voorgaande in staat moet worden geacht om concreter aan te geven van welke stukken hij kennis wil nemen en waarom.\n\n3.8.. Het voorgaande neemt niet weg dat er een oplossing moet komen voor de situatie die is ontstaan doordat er één VvE actief is geweest in plaats van twee. De voorzieningenrechter moet echter constateren dat van een constructieve samenwerking tussen [eiser] en het bestuur van de beide VvE’s op dit moment geen sprake is. Waar dat door komt en aan wie dat ligt, is niet zo belangrijk. Belangrijker is dat iedereen weer met plezier kan wonen in het gebouw en dat verdere juridisering van het conflict, met alle kosten van dien, wordt voorkomen. De voorzieningenrechter geeft partijen daarom nogmaals in overweging om na te denken over mediation, waarbij zowel zorgen als wensen en zowel het verleden als de toekomst onderwerpen van gesprek kunnen zijn.\n\nDe overeenkomst en opdrachtbevestiging van Stellicher en E-Legal\n\n3.9.. Met betrekking tot de overeenkomst en opdrachtbevestiging van Stellicher en E-Legal wordt het volgende overwogen. De VvE voert aan dat het bestuur bevoegd is tot het inschakelen van juridische deskundigen. Hiertegenover wijst [eiser] op artikel 41 lid 4 van het Modelreglement. Hierin staat dat het bestuur de machtiging van de vergadering behoeft voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen. Daarin staat dus niet, zoals [eiser] stelt, dat het bestuur een machtiging nodig had voor het verstrekken van een opdracht aan Stellicher en E-Legal, maar alleen dat zo’n machtiging nodig is voor het instellen van een rechtsvordering. Weliswaar staat vast dat het bestuur in de voornoemde procedure bij de kantonrechter een reconventionele vordering heeft ingesteld (en later weer heeft ingetrokken) maar de VvE heeft onweersproken naar voren gebracht dat Stellicher en E-Legal daarbij niet betrokken waren. Aan E-Legal zou een opdracht zijn verstrekt om incassomaatregelen te treffen jegens [eiser] omdat hij nooit contributie heeft betaald, maar vast staat dat geen incassoprocedure aanhangig is gemaakt en dat het is gebleven bij een aanmaning. Bij die stand van zaken heeft [eiser] onvoldoende toegelicht waarom voor de beoordeling of het bestuur buiten zijn boekje is gegaan door opdrachten te verstrekken aan Stellicher en E-Legal nodig is dat hij een afschrift van de overeenkomsten en opdrachten verkrijgt. Bij deze vorderingen heeft hij onvoldoende belang, waarbij de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat ook deze stukken onderdeel zijn van de administratie die hij desgewenst kan inzien, zodat hij op die manier kan vaststellen hoeveel er is betaald.\n\nDe offerte en factuur van [bedrijf]\n\n3.10.. Dan blijft nog over de offerte en factuur van het bedrijf [bedrijf] . Er was een lekkage aan het gezamenlijke dak. In de ALV van 15 maart 2026 is een offerte van [bedrijf] goedgekeurd en tijdens de zitting bij de kantonrechter op 9 april 2026 heeft [vereniging] aangegeven dat het dak al is gerepareerd. Volgens [eiser] heeft hij er belang bij dat het dak daadwerkelijk is gerepareerd en het dak goed is gerepareerd, omdat zijn appartement zich recht onder het dak bevindt. Hij heeft daarom aan [vereniging] gevraagd om hem een opgave toe te sturen waaruit blijkt dat het dak is gerepareerd en wat er is gerepareerd. De VvE weigert dat. In het licht hiervan heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende belang bij zijn vordering. Dat de offerte van [bedrijf] reeds ter inzage heeft gelegen voor [eiser] voorafgaand aan de ALV van 15 maart 2026 en dat [eiser] de offerte toen niet heeft ingezien, zoals [vereniging] aanvoert, doet er niet aan af dat [eiser] er belang bij heeft te kunnen vaststellen dat het dak boven zijn hoofd is gerepareerd en hoe. Dat er onenigheid is ontstaan tussen [eiser] en een andere aannemer is zonder nadere toelichting, die ter zitting niet is gegeven, ook geen goede reden om deze stukken niet te verstrekken. Tijdens de zitting is met [vereniging] besproken dat het verstrekken van een afschrift, ook al zijn deze stukken nog niet gedigitaliseerd, niet bezwaarlijk is, zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is.\n\n3.11.. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat [vereniging] ook zonder dwangsom aan de veroordeling zal voldoen.\n\nDe proceskosten\n\n3.12.. Tot slot vordert [eiser] dat de VvE wordt veroordeeld tot vergoeding van zijn werkelijke proceskosten. Deze vordering zal, gelet op het feit dat [eiser] grotendeels ongelijk krijgt, worden afgewezen. En zelfs als de afschrift- en inzagevordering van [eiser] wel geheel zou zijn toegewezen, zou dit niet tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten hebben geleid. Daarvoor is namelijk nodig dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van [vereniging] . Wat [eiser] heeft gesteld, is onvoldoende om tot die conclusie te kunnen komen.\n\n3.13.. \n [eiser] krijgt grotendeels ongelijk. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VvE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n4. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n4.1.. veroordeelt de VvE tot het verstrekken van een afschrift van de offerte en factuur van het bedrijf [bedrijf] , zoals benoemd in de notulen van de ALV van 15 maart 2026 van [vereniging] ,\n\n4.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 22 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1485.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5229","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:49.481Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":45,"courtId":59,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":53,"updatedAt":64},"368","ECLI:NL:GHARL:2026:4228","ecli-nl-gharl-2026-4228",70,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.354.361\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 314333\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant]\n\n2. [appellante]\n\ndie beiden wonen in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. A.A. Bos\n\nen\n\n [geïntimeede]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nadvocaat: mr. D.A. IJpelaar\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nNaar aanleiding van het arrest van 16 december 2025 heeft op 16 april 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant] en [appellante] hebben een vakantiewoning op [eiland] van [geïntimeede] gekocht. Zij kregen de financiering niet rond en uiteindelijk heeft [geïntimeede] de koopovereenkomst ontbonden en op basis daarvan aanspraak gemaakt op betaling van een boete van € 65.000 door [appellant] en [appellante] .\n\n2.2. \n [geïntimeede] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] en [appellante] hoofdelijk worden veroordeeld om de boete aan [geïntimeede] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. Daarnaast heeft [geïntimeede] gevorderd dat [appellant] en [appellante] de kosten van het geding voldoen te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat die vorderingen alsnog worden afgewezen.\n\n2.4. Het hof zal beslissen dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeede] alsnog worden afgewezen. Nadat de relevante feiten zijn besproken, zal het hof uitleggen hoe het tot zijn oordeel is gekomen.\n\n3. De relevante feiten\n\n3.1. \n [geïntimeede] is eigenaar van een vakantiewoning, plaatselijk bekend als [adres] op [eiland] (hierna: de vakantiewoning). Zij heeft die woning te koop aangeboden. [naam4] B.V. (hierna: [naam4] ) trad voor haar op als verkoopbemiddelaar.\n\n3.2. \n [geïntimeede] heeft met [appellant] en [appellante] op 16 augustus 2023 een koopovereenkomst met betrekking tot de vakantiewoning gesloten. De koopprijs was € 650.000.\n\n3.3. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat:\n\n“Deze koopovereenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk: op 6 oktober 2023 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van maximaal€ 455.000,-(…) geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een geldverstrekkende bankinstelling heeft verkregen. (…). Koper verplicht zich al het redelijk mogelijke te doen ten einde het hierboven bedoelde te verkrijgen. Indien aanspraak wordt gedaan op hierboven genoemde ontbindende voorwaarden dient koper er zorg voor te dragen dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen uiterlijk op de eerste werkdag na de datum waarvan in de betreffende ontbindende voorwaarde sprake is door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen. Deze mededeling dient schriftelijk en goed gedocumenteerd via de gangbare communicatiemiddelen te geschieden. Indien koper de ontbinding wenst in te roepen als gevolg van het (tijdig) ontbreken van een financiering als bedoeld in artikel 15.1 onder sub b. wordt, tenzij partijen anders overeenkomen, onder ‘goed gedocumenteerd’ verstaan dat de afwijzing van de geldverstrekkende instelling aan verkoper of diens makelaar dient te worden overgelegd. (…)”\n\n3.4. In artikel 15 van de koopovereenkomst staat:\n\n“(…)\n\n2. Indien een van de partijen, na bij deurwaardersexploit in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen tekortschiet in de nakoming van een of meer van zijn verplichtingen is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:\n\n(…)\n\nb. de overeenkomst door een schriftelijke verklaring voor ontbonden te verklaren en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent (10%) van de koopprijs.(…)”\n\n3.5. \n [naam1] van [naam2] ! Pensioenen en Hypotheken B.V., gevestigd op [eiland] (hierna: [naam2] !) heeft voor [appellant] en [appellante] bemiddeld bij het tot stand brengen van een hypothecaire geldlening. Hij heeft op 21 september 2023 via de e-mail een financieringsaanvraag gedaan bij [bank1] op [eiland] .3.6. \n [appellant] en [appellante] hebben in een e-mail van 3 oktober 2023 aan [naam4] onder andere geschreven:\n\n“We hebben net met [naam1] gesproken. De bank op [eiland] heeft de financiering goedgekeurd. Dat is echt heel fijn.”\n\n3.7. \n [naam2] ! heeft op 6 oktober 2023 aan [naam4] geschreven:\n\n“Hierbij willen wij u op de hoogte stellen van de beslissing van de familie [appellant] om de aankoop van het pand [adres] (…) in te trekken op basis van de ontbindende voorwaarde zoals vastgelegd in Artikel 5 van genoemde koopovereenkomst. Helaas is het niet gelukt om een bindend financieringsaanbod te verkrijgen voor het bedrag van Euro 455.000.”\n\n3.8. \n [appellant] en [appellante] hebben een dag later aan [naam4] geschreven dat ze tot hun spijt van de koop moeten afzien omdat ze een financiële tegenvaller hebben gehad waardoor de koop niet kan doorgaan. [naam4] schrijft daarop op dezelfde datum:\n\n“Beste Roelie,\n\nZoals vanochtend telefonisch is besproken bevestigde jij nogmaals (…) dat de financiering op [eiland] van € 455.000,- t.b.v. de aankoop van [adres] akkoord is, maar dat jullie als gevolg van de afwijzing van een tweede financiering bij de Rabobank in Nederland toch van de verkoop zouden willen afzien.”\n\n3.9. \n [naam3] , Interim Retail Manager bij [bank1] heeft op 9 oktober 2023 in een e-mail aan [naam2] ! geschreven:\n\n“We hereby inform you that the mortgage request for Mr. [appellant] for the financing of [adres] has been declined as it does not sufficiently meet our credit criteria.”\n\n3.10. In een e-mail van 19 oktober 2023 heeft [geïntimeede] de koopovereenkomst met [appellant] en [appellante] ontbonden en aanspraak gemaakt op de contractuele boete van 10% van de verkoopprijs, dus op € 65.000.\n\n3.11. Op 30 oktober heeft de advocaat van [bank1] , mr. Braam, aan de advocaat van [appellant] en [appellante] bevestigd dat hun financieringsaanvraag voor een geldlening van Fl. 850.000 (het hof begrijpt: het equivalent van € 455.000) door [bank1] niet was goedgekeurd.\n\n3.12. Op 17 april 2024 is aan [appellant] en [appellante] een brief van de advocaat van [geïntimeede] betekend waarin hij hen sommeert om binnen acht dagen de koopovereenkomst na te komen door de woning alsnog af te nemen. In deze brief is [appellant] en [appellante] ook de contractuele boete aangezegd voor het geval door hen niet aan de sommatie zou worden voldaan.\n\n4. De beoordeling\n\nMochten [appellant] en [appellante] na 3 oktober 2023 nog een beroep op de ontbindende voorwaarde doen?\n\n4.1. Volgens [geïntimeede] is met de mededeling van [appellant] en [appellante] in de e-mail van 3 oktober 2023, zoals die hierboven in overweging 3.6 is weergegeven, de ontbindende voorwaarde uitgewerkt en konden [appellant] en [appellante] er daarna geen beroep meer op doen. Het hof begrijpt [geïntimeede] zo, dat [appellant] en [appellante] hun recht om dat te doen met die mededeling hebben verwerkt. Het hof gaat hier niet in mee.\n\n4.2. Voor het kunnen aannemen van rechtsverwerking (een bijzondere vorm van de in artikel 6:248 lid 2 BW geregelde beperkende werking van redelijkheid en billijkheid) is in een geval als hier aan de orde, vereist de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid als gevolg waarvan bij [geïntimeede] het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat [appellant] en [appellante] hun recht om zich te beroepen op de ontbindende voorwaarde niet meer geldend zouden maken. Ook zou rechtsverwerking aan de orde kunnen zijn als door toedoen van [appellant] en [appellante] de positie van [geïntimeede] als wederpartij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als zij hun recht om de ontbindende voorwaarde in te roepen alsnog ten opzichte van [geïntimeede] zouden kunnen uitoefenen.\n\n4.3. Degene die een beroep op rechtsverwerking doet (in dit geval [geïntimeede] ) dient te stellen en zo nodig bewijzen dat en waarom van een van de hiervoor genoemde gevalstypen sprake is.\n\n4.4. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeede] daarin niet geslaagd. Aan de enkele mededeling die [appellant] en [appellante] op 3 oktober 2023 aan [naam4] hebben gedaan, mocht [geïntimeede] , mede gelet op de losse en summiere formulering ervan en het feit dat deze niet verwijst naar de ontbindende voorwaarde, niet het vertrouwen ontlenen dat op die voorwaarde door hen geen beroep meer zou worden gedaan. Voor een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen is in een zaak als de onderhavige meer nodig en dat ‘meer’ is door [geïntimeede] niet aangevoerd. Dat [geïntimeede] in de gegeven omstandigheden onredelijk zou zijn benadeeld doordat enkele dagen na het genoemde mailtje door [appellant] en [appellante] wel een beroep op de ontbindende voorwaarde is gedaan, is gesteld noch gebleken Andere omstandigheden die een beroep op de rechtsverwerking zouden kunnen dragen, zijn evenmin door [geïntimeede] aan de orde gesteld.\n\nWaren [appellant] en [appellante] te laat met het inroepen van de ontbindende voorwaarde?\n\n4.5. \n\nOp grond van artikel 5 van de koopovereenkomst moest de mededeling dat de ontbindende voorwaarde werd ingeroepen uiterlijk de eerste werkdag na 6 oktober 2023 door [geïntimeede] of haar makelaar zijn ontvangen. Zoals [geïntimeede] ook heeft erkend, was dat niet\n\n7 oktober 2023, zoals de rechtbank heeft aangenomen, maar 9 oktober 2023. Dat is hier van bepalend belang: [naam2] ! heeft [naam4] op 6 oktober 2023 bericht dat het niet gelukt is om een bindend financieringsaanbod te verkrijgen voor € 455.000. [appellant] en [appellante] hebben dit zelf op 7 oktober 2023 ook aan [naam4] laten weten. De e-mail van [bank1] heeft [geïntimeede] , zo blijkt uit de memorie van antwoord, op 9 oktober 2023 ontvangen. [appellant] en [appellante] hebben dan ook tijdig een beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde en eveneens tijdig de afwijzing van [bank1] aan [geïntimeede] gestuurd.4.6. Dan blijft de vraag over of artikel 5 van de koopovereenkomst vereist dat de mededeling van het inroepen van de ontbindende voorwaarde en het bericht van afwijzing door de geldverstrekker op hetzelfde moment moeten worden gestuurd, zoals de rechtbank heeft overwogen. Bij de uitleg van een bepaling in een overeenkomst als de onderhavige komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op wat zij hierbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). Hierbij kunnen omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor het sluiten van de overeenkomst een rol spelen, maar ook omstandigheden die zich daarna tussen partijen hebben voorgedaan.\n\n4.7. Het staat vast dat [appellant] en [appellante] enerzijds en [geïntimeede] anderzijds voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst op 16 augustus 2023 niet met elkaar hebben gesproken over de inhoud en de omvang van het financieringsvoorbehoud, behalve dan dat het financieringsvoorbehoud in de overeenkomst moet worden opgenomen. Partijen hebben ook niet onderhandeld over de tekst van het financieringsvoorbehoud.\n\n4.8. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat niets meer en niets minder dan dat beide berichten (dus zowel de mededeling dat een beroep op de ontbindende voorwaarde wordt gedaan als de afwijzing van de geldverstrekker) uiterlijk op de eerste werkdag na 6 oktober 2023 (dus op 9 oktober 2023) door [geïntimeede] of haar makelaar moeten zijn ontvangen. Niet valt in te zien waarom die mededelingen gelijktijdig moeten worden gedaan, wil het inroepen van de ontbindende voorwaarde effect kunnen hebben. De ratio van de bepaling is immers dat de verkoper uiterlijk op de laatste dag van de overeengekomen termijn weet dat de koper de ontbindende voorwaarde inroept met als onderbouwing de afwijzende mededeling van de geldverstrekker en dat is hier gebeurd. Niet ter discussie staat dat het beroep op de ontbindende voorwaarde tijdig zou zijn gedaan als alle relevante mededelingen tegelijkertijd (pas) op 9 oktober 2023 zouden zijn gedaan. Ook in dat licht is er geen reden om aan te nemen dat niet aan de eisen van artikel 5 is voldaan wanneer een van die mededelingen een paar dagen aan de andere is voorafgegaan.\n\nKwalificeert het toesturen van de e-mail van 9 oktober 2023 door [bank1] aan [naam2] ! als “goed gedocumenteerd”?\n\n4.9. Volgens [geïntimeede] was de mededeling van [appellant] en [appellante] niet goed gedocumenteerd, omdat – zo begrijpt het hof – de e-mail van 9 oktober 2023 van [bank1] niet aan [appellant] en [appellante] is verstuurd maar aan [naam2] !. Volgens [geïntimeede] verlangt artikel 5 van de koopovereenkomst dat “tenminste de door aanvrager van de bank ontvangen afwijzing” wordt overgelegd.\n\n4.10. Zoals hiervoor al is overwogen, moet het hof deze bepaling uitleggen aan de hand van de Haviltex-maatstaf en hebben partijen over deze bepaling niet onderhandeld.\n\n4.11. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat dat [appellant] en [appellante] schriftelijk en goed gedocumenteerd mededeling moeten doen van het inroepen van de ontbindende voorwaarde en dat onder “goed gedocumenteerd” wordt verstaan dat de afwijzing van een geldverstrekkende instelling aan verkoper moet worden overgelegd. Verder zijn geen eisen gesteld aan de afwijzing van de geldverstrekker, bijvoorbeeld inhoudende dat de afwijzing rechtstreeks aan [appellant] en [appellante] moet zijn gestuurd en door hen moet zijn ontvangen. Dat dit wel de bedoeling zou zijn is in deze zaak ook bepaald niet logisch, omdat de contacten met Orca Bank altijd via [naam2] ! zijn gelopen. Zij heeft de financieringsaanvraag ingediend met de daarbij behorende stukken en heeft dus ook de afwijzing ontvangen.\n\n4.12. Naar het oordeel van het hof volgt uit artikel 5 van de koopovereenkomst dan ook niet dat de afwijzing alleen goed gedocumenteerd is wanneer deze rechtstreeks aan [appellant] en [appellante] is gestuurd.\n\n4.13. Voor zover [geïntimeede] vindt dat de mededeling dat de ontbindende voorwaarde wordt ingeroepen niet goed gedocumenteerd is, omdat het een “eenregelige, niet aan hen gerichte, mail van een bankmedewerker met een onduidelijke positie” betreft, gaat zij er ten onrechte aan voorbij dat uit het overgelegde uittreksel uit de kamer van koophandel van [bank1] blijkt dat Giselle Groilo “Proxy holder” is met als “Title description” Interim Retail Manager, en kennelijk in die hoedanigheid bevoegd was om [bank1] te vertegenwoordigen. Dat [bank1] de hypotheekaanvraag inderdaad heeft afgewezen, staat bovendien niet ter discussie.\n\nStonden andere omstandigheden het inroepen van de ontbindende voorwaarde in de weg?\n\n4.14. \n [geïntimeede] heeft nog aangevoerd dat [appellant] en [appellante] wel degelijk de aankoop van de vakantiewoning konden financieren, maar dat het feit dat ze de koopovereenkomst wilden ontbinden een andere reden had. Dit is echter in tegenspraak met de e-mail van 9 oktober 2023 van [bank1] , zodat het hof aan deze stelling voorbij gaat.\n\n4.15. \n [geïntimeede] vindt daarnaast dat [appellant] en [appellante] niet al het redelijkerwijs mogelijke hebben gedaan om een bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening te verkrijgen. De financieringsaanvraag is op 21 september 2023 gedaan en dat was volgens [geïntimeede] te laat, omdat de aanvraag daardoor niet op tijd is goedgekeurd door de bank. Naar het oordeel van het hof gaat ook dit argument niet op. Nog daargelaten dat [appellant] en [appellante] onweersproken hebben gesteld dat zij in de periode van 16 augustus 2023 tot 21 september 2023 bezig zijn geweest met het verzamelen van alle benodigde informatie die nodig was voor het opstellen van de financieringsaanvraag, verliest [geïntimeede] met deze stelling uit het oog dat [bank1] kennelijk genoeg tijd heeft gehad om de aanvraag te beoordelen en daarover een beslissing te nemen. Zij heeft deze immers afgewezen, en die afwijzing is tijdig doorgegeven.\n\nConclusie\n\n4.16. Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen vloeit voort dat [appellant] en [appellante] op tijd en op de juiste manier aan [geïntimeede] hebben meegedeeld dat zij een beroep willen doen op de ontbindende voorwaarde en dat zij dus geen 10% van de verkoopprijs aan [geïntimeede] verschuldigd zijn geworden.\n\n4.17. Het hoger beroep slaagt dus. Omdat [geïntimeede] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeede] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.4.18. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 15 januari 2025 en beslist dat de vorderingen van [geïntimeede] worden afgewezen;\n\n5.2. veroordeelt [geïntimeede] tot terugbetaling aan [appellant] en [appellante] van alles wat [appellant] en [appellante] op grond van het vonnis van 15 januari 2025 aan [geïntimeede] \u002Fhebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] en [appellante] tot aan de dag van terugbetaling;\n\n5.3. \n\nveroordeelt [geïntimeede] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] en [appellante] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.352,00 aan griffierecht\n\n€ 2.428,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] en [appellante] (2,00 procespunten x het toepasselijke tarief VI € 1.214,00)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] en [appellante] in hoger beroep:\n\n€ 827,00 aan griffierecht\n\n€ 145,45 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeede]\n\n€ 4.704,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] en [appellante] (2 procespunten x het toepasselijke tarief IV € 2.352,00)\n\n5.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. C.P. Lunter, M.W. Zandbergen en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Dit betekent dat grieven 1 en 3 slagen en dat [appellant] en [appellante] geen belang meer hebben bij grief 2.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4228","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.381Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":45,"courtId":69,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":53,"updatedAt":74},"362","ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","ecli-nl-rbgel-2026-5283",68,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F467584 \u002F KZ ZA 26-76\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. S.L. Geeraths,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. M.A. Schuring.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de producties 1 tot en met 8 van [de eiser] - de producties 9 tot en met 15 van [de gedaagde] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [de gedaagde] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Partijen hebben de woning aan de [adres] gekocht. [de eiser] was voor 99% eigenaar, [de gedaagde] voor 1%. Kort na het verkrijgen van de woning zijn partijen uit elkaar gegaan, in april 2021.\n\n2.2.. \n\nBij vonnis van 5 februari 2025 heeft de rechtbank Gelderland op grond van tussen partijen gemaakte afspraken over de verdeling van de woning, [de eiser] veroordeeld om\n\n€ 10.000,00 aan [de gedaagde] te betalen en hem te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek. [de eiser] heeft op 26 maart 2025 € 10.000,00 aan [de gedaagde] betaald.\n\n2.3.. \n [de gedaagde] heeft een kort geding tegen [de eiser] aangespannen om haar te dwingen hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek te ontslaan. De mondelinge behandeling in het kort geding was op 29 oktober 2025, de zaak is toen aangehouden.\n\n2.4.. Op 26 februari 2026 is vonnis gewezen. De beslissing luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“5.1. veroordeelt [de eiser] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis, de\n\nverplichting waartoe zij op grond van het vonnis d.d. 5 februari 2025 is veroordeeld te doen\n\nnakomen inhoudende er zorg voor te dragen dat [de gedaagde] uit de hoofdelijke\n\naansprakelijkheid betreffende de hypothecaire geldlening wordt ontslagen op kosten van\n\n [de eiser] , zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor ieder dag, of deel daarvan,\n\ndat [de eiser] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 30.000,00,”\n\nHet vonnis is op 3 maart 2026 aan [de eiser] betekend.\n\n2.5.. Op 20 maart 2026 heeft [de eiser] , via haar advocaat, per e-mail het volgende bericht gestuurd aan (de advocaat van) [de gedaagde] : “Cliënte is gisteren gebeld door de Rabobank dat er groen licht is gegeven op haar hypotheekaanvraag, waarbij uw client wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Client verwacht dat de formele offerte op hele korte termijn zal volgen. Indien en zodra ik nader verneem, bericht ik u per omgaande.”\n\n2.6.. Op 26 maart 2026 heeft de bank [de eiser] bericht dat de stukken naar de notaris werden gestuurd. De akte van verdeling is op 28 april 2026 gepasseerd. Op 30 april 2026 is de bestaande hypotheek afgelost en is [de gedaagde] ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.\n\n2.7.. \n\n [de gedaagde] maakt aanspraak op de dwangsommen vanaf 31 maart 2026 tot en met\n\n30 april 2026. De dwangsommen zijn geïncasseerd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat geen dwangsommen zijn verbeurd, althans de dwangsommen dienen te worden opgeheven, althans op nihil dienen te worden gesteld. Althans een zodanig vonnis te wijzen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Kosten rechtens.\n\n3.2.. \n [de eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij alles op alles heeft gezet om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er deed zich echter een opeenstapeling van externe factoren voor waardoor dit hele proces is vertraagd: gezondheidsklachten bij [de eiser] , de aanvankelijke weigering van de bank om te financieren, een bouwstop en een taxateur die niet kon taxeren. [de eiser] heeft alles gedaan om aan haar verplichtingen te voldoen. In het zicht van het ontslag van de bank en wetende dat het ontslag zou volgen, maakt [de gedaagde] aanspraak op de dwangsom. Het doel van de dwangsom, te weten het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, was al bereikt. Vanwege de agenda van de notaris en het feit dat de notaris niet beschikte over de gegevens van [de gedaagde] , is de akte van verdeling pas op 28 april 2026 gepasseerd.\n\n3.3.. \n [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , veroordeling van [de eiser] in de reële kosten van deze procedure. [de gedaagde] voert hiertoe aan dat [de eiser] zichzelf in de positie heeft gebracht dat er dwangsommen zijn verbeurd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Het spoedeisend belang is niet betwist en volgt uit de aard van de vorderingen.\n\nDe dwangsommen zijn verbeurd\n\n4.3.. Primair stelt [de eiser] dat de in het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. Bij beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient de rechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van de veroordelende beschikking verrichte rechtshandelingen te toetsen aan de inhoud van de hoofdveroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (ECLI:NL:HR:2007:AZ3085). Verder geldt in algemene zin dat bij de beoordeling van de vraag of het dictum is overtreden, in aanmerking dient te worden genomen dat het dictum van het vonnis moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid (ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, ECLI:NL:HR:2014:1532 en ECLI:NL:HR:2016:369).\n\n4.4.. \n\nDe feiten die [de eiser] heeft aangevoerd met betrekking tot de vertraging voorafgaand aan het vonnis van 26 februari 2026 zijn reeds getoetst en gewogen door de voorzieningenrechter in dat vonnis. Deze heeft overwogen in rechtsoverweging 4.3: “Omdat [de eiser] bij de voortzetting van deze procedure op 6 februari 2026 aangaf\n\ndat zij op korte termijn een reactie verwachtte van de bank, is aangegeven dat [de eiser] nog\n\ntot de vonnisdatum kon doorgeven of de aanvraag voor de hypotheek is goedgekeurd. De\n\nrechtbank heeft geen informatie meer ontvangen van [de eiser] . Verder heeft [de eiser] in deze procedure niet inzichtelijk gemaakt voor welk bedrag zij een lening heeft aangevraagd. Dit\n\nis van belang omdat de vertraging die [de eiser] oploopt omdat zij een hogere lening wenst\n\ndan nodig is om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor haar eigen\n\nrisico komt. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat het voor [de eiser] niet mogelijk was\n\nom [de gedaagde] afgelopen jaar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, een deel van de vertraging lijkt ingegeven omdat [de eiser] voor een hoger bedrag financiering vraagt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de eiser] inmiddels voldoende de\n\nmogelijkheid gehad om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er is meer dan een jaar versteken sinds zij daartoe veroordeeld werd, de eerste zitting in deze zaak was van 21 oktober 2026 en de voortzetting was van 6 februari 2026, Sinds de voortzetting is geen reden meer gegeven voor de vertraging van de goedkeuring van de aanvraag.” Dat betekent dat enkel nog feiten van na 26 februari 2026 relevant zouden kunnen zijn.\n\n4.5.. \n\n [de eiser] voert aan dat zij aan de hoofdveroordeling heeft voldaan omdat zij op\n\n20 maart 2026 aan [de gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit de e-mail van 20 maart 2026 van de advocaat van [de eiser] volgt weliswaar dat er groen licht is gegeven op de hypotheekaanvraag, maar ook dat de offerte nog niet was verstrekt en dat zij verwachtte dat dit op korte termijn zou volgen. Het was op dat moment voor [de gedaagde] dus nog niet voldoende duidelijk dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Bovendien is dit bericht niet afkomstig van de bank, maar van de advocaat van [de eiser] . Er was nog geen sprake van een aanbod van de bank. Dit klemt te meer omdat uit het vonnis van 26 februari 2026 volgt dat [de eiser] eerder dergelijke toezeggingen heeft gedaan en deze niet is nagekomen.\n\n4.6.. \n [de eiser] doet ook een beroep op haar e-mail van 26 maart 2026 aan haar advocaat waaruit volgt dat de stukken door de bank naar de notaris zijn gestuurd, maar deze is niet gedeeld met [de gedaagde] , terwijl [de gedaagde] ter zitting duidelijk heeft gemaakt dat hij geen inzage had in de bankomgeving. De voorzieningenrechter volgt [de eiser] daarom niet in haar stelling dat [de gedaagde] al voor het verlopen van de termijn uit de hoofdveroordeling wist dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Rond 20 april 2026, na het aflopen van de termijn uit de hoofdveroordeling, heeft [de gedaagde] de uitnodiging van de notaris voor het passeren van de verdelingsakte gekregen. Pas vanaf dat moment wist hij dat hij, behoudens onvoorziene omstandigheden, zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat [de eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de dwangsommen uit het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. De primaire vordering van [de eiser] zal daarom worden afgewezen.\n\nDe dwangsommen worden niet opgeheven of op nihil gesteld\n\n4.7.. Subsidiair vordert [de eiser] opheffing of vermindering van de dwangsommen op grond van artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n4.8.. Op grond van artikel 611d Rv kan de rechter de dwangsom opschorten, verminderen of opheffen wanneer er sprake is van een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Vooropgesteld dient te worden dat artikel 611d Rv restrictief moet worden uitgelegd omdat tegen de uitspraak waarin de dwangsom is opgelegd rechtsmiddelen hebben opengestaan. Deze rechtsmiddelen – hoger beroep tegen het vonnis van 26 februari 2026 of een kort geding voorafgaand aan de termijn waarop de dwangsommen gaan lopen – zijn niet door [de eiser] benut. Bij de beoordeling of van een onmogelijkheid sprake is, dient de rechter na te gaan of in redelijkheid meer inspanning en zorgvuldigheid van de veroordeelde kan worden verwacht. Het is in dat kader aan [de eiser] als veroordeelde om aannemelijk te maken dat niet meer inspanning of zorgvuldigheid van haar mocht worden verwacht. Andere feiten en omstandigheden dan hiervoor besproken en afgewogen heeft [de eiser] niet gesteld.\n\n4.9.. Het klopt dat [de eiser] afhankelijk was van de notaris, maar de omstandigheid dat voor de naleving van een hoofdveroordeling de medewerking van anderen dan de veroordeelde noodzakelijk is, hoeft niet aan het uitspreken van een dwangsomveroordeling in de weg te staan (ECLI:NL:HR:2020:1783). De veroordeelde dient op grond van de hoofdveroordeling redelijkerwijs al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat deze anderen hun noodzakelijke medewerking verleenden. In dat kader heeft [de eiser] slechts bloot gesteld dat zij vijf notarissen heeft benaderd en de door haar gemaakte afspraak de eerste mogelijkheid was. Om aan te tonen dat zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om ervoor te zorgen dat een notaris tijdig zijn medewerking zou verlenen, had het op haar weg gelegen om correspondentie over te leggen waaruit volgt dat geen van de benaderde notarissen eerder plaats had en dat zij aan de door haar gekozen notaris kenbaar heeft gemaakt dat er spoed was bij haar aanvraag. De slotsom luidt dat ook de subsidiaire vorderingen van [de eiser] niet toewijsbaar zijn.\n\nDe proceskosten\n\n4.10.. \n [de gedaagde] vordert veroordeling van [de eiser] in de reële proceskosten, ten bedrage van € 2.523,35, omdat zij al hem meermaals heeft verplicht om een procedure te starten om hetgeen zij gezamenlijk hebben afgesproken af te dwingen en nu probeert middels een nieuwe procedure onder de dwangsom uit te komen.\n\n4.11.. In uitzonderlijke gevallen wordt vergoeding van de reële proceskosten toegewezen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesbevoegdheid of onrechtmatig handelen door het instellen van de vorderingen. Dit is het geval als [de eiser] het instellen van haar vorderingen, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van [de gedaagde] achterwege had moeten laten. Daarvan kan pas sprake zijn als [de eiser] haar vorderingen heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is.\n\n4.12.. De slotsom luidt dat [de eiser] in het ongelijk is gesteld en daarom de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n760,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.290,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [de eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nJV\u002FKH","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.105Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":70,"fullText":79,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":81},"922","ECLI:NL:GHARL:2026:4191","ecli-nl-gharl-2026-4191","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\u002FLeeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.364.502\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11808455\n\nbeschikking van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster] ( [verzoekster] )\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. S.G. Dorrestein\n\nen\n\n [verweerster] ( [verweerster] )gevestigd in [woonplaats1] advocaat: mr. L.A.P. Arends\n\nals overige belanghebbenden zijn aangemerkt:\n\n [de bewindvoerder] ( [de bewindvoerder] )\n\ngevestigd in [vestigingsplaats1] ,\n\nen de zonen van [verzoekster] :\n\n [belanghebbende1]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nen\n\n [belanghebbende2]\n\ndie woont in [woonplaats3]\n\nen\n\n [belanghebbende3]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\n1. Samenvatting\n\nDe kantonrechter heeft de goederen die [verzoekster] (zullen) toebehoren onder bewind gesteld en [de bewindvoerder] benoemd tot bewindvoerder. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n [verzoekster] is geboren [in] 1956. Zij heeft drie kinderen: [belanghebbende1] , [belanghebbende2] en [belanghebbende3] .\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. \n [verweerster] heeft de kantonrechter verzocht om een bewind in te stellen voor [verzoekster] en [de bewindvoerder] als bewindvoerder te benoemen.\n\n3.2.. De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen.\n\n3.3. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 3 november 2025.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. \n\n [verzoekster] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter en zij komt daarom in hoger beroep.\n\n [verzoekster] verzoekt het hof de beslissing van de kantonrechter te vernietigen en het verzoek tot onderbewindstelling alsnog af te wijzen.\n\n4.2.. \n [verweerster] wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter in stand laat.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 2 februari 2026\n\nhet verweerschrift van [verweerster]\n\nde stukken van [verzoekster] ingediend op 18 mei 2026\n\nde spreekaantekeningen van mr. Dorrestein\n\nde spreekaantekeningen van mr. Arends\n\n4.4.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\n [verzoekster] en haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger namens [verweerster] , haar advocaat en mr. D. Meijers\n\neen vertegenwoordiger namens [de bewindvoerder]\n\nzoon [belanghebbende2]\n\nDe neef van [verzoekster] en zijn echtgenote is bijzondere toegang verleend als toehoorder.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. In artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter de goederen van een persoon onder bewind kan stellen. Dat kan om twee redenen. Een reden kan zijn dat iemand als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De andere reden is als sprake is van verkwisting of het hebben van problematische schulden.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.2.. In deze zaak gaat het over het onder bewind stellen van de goederen van [verzoekster] . Het hof is van oordeel dat de kantonrechter een goede beslissing heeft gegeven omdat [verzoekster] vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand duurzaam niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Het hof legt hierna uit waarom.\n\n5.3.. \n [verzoekster] stelt dat zij in eerste aanleg is overvallen door de hulpverlening en onvoldoende was voorbereid op de online gehouden zitting bij de kantonrechter. [verzoekster] is in hoger beroep bijgestaan door haar advocaat en heeft haar standpunt uitgebreid verwoord, daarom is dit punt in hoger beroep niet meer van belang.\n\n5.4.. \n\nVaststaat dat [verzoekster] niet of nauwelijks kan lezen en schrijven. Zij heeft desgevraagd toegelicht dat zij daarom in het verleden regelmatig ondersteuning heeft gehad van vrienden en familie bij het afhandelen van haar financiële zaken. Het hof vindt het bewonderenswaardig dat [verzoekster] , ondanks haar beperkingen op het gebied van lezen en schrijven, tot op heden niet in financiële problemen is gekomen: er zijn geen schulden.\n\n [verweerster] heeft naar het oordeel van het hof voldoende nader onderbouwd dat de laatste jaren veel ondersteuning op administratief en financieel gebied door de ambulante begeleidster aan [verzoekster] is geboden. De ambulant begeleidster handelde wekelijks met [verzoekster] de post en bankzaken af. Ook ging zij met [verzoekster] pinnen. Daarbij adviseerde zij [verzoekster] vaak om niet meer dan een standaardbedrag op te nemen. [verzoekster] wilde graag meer uitgeven dan er binnen kwam. Deze ondersteuning bij de financiële zaken hoort officieel niet tot het takenpakket van [verweerster] en de begeleidster wil hiervoor ook geen verantwoordelijkheid (meer) dragen. Inmiddels hanteert [verweerster] strengere voorschriften en richtlijnen om te bezuinigen bij de verlening van de zorg, met name ook in tijd. Dit tezamen maakt dat de ambulante begeleidster de ondersteuning bij de afwikkeling van de administratie en bankzaken niet meer kan voortzetten. De ambulant begeleidster is niet bekend welke hulp de echtgenote van de neef verder heeft geboden. Op verzoek van [verzoekster] eindigt de ondersteuning door de ambulante begeleidster van [verweerster] overigens per 1 juni 2026.\n\nHet hof is van oordeel dat [verzoekster] de bevindingen van de ambulant begeleidster onvoldoende heeft weerlegd en voldoende vast staat dat [verzoekster] haar financiële belangen niet zelf kan behartigen. Duidelijk is dat [verzoekster] afhankelijk is van de hulp van welwillende familie en vrienden voor het afwikkelen van haar zaken op financieel gebied als er geen bewind wordt ingesteld en dat zij dan zeer kwetsbaar is. [verzoekster] woont bij haar broer in het vroegere huis van haar moeder. [verzoekster] weet niet of de broer bij wie zij woont een gezonde financiële situatie heeft. In eerste aanleg heeft [verzoekster] melding gemaakt van schulden van haar broer. Zoon [belanghebbende2] en de echtgenote van de neef van [verzoekster] zijn weliswaar bereid om [verzoekster] te ondersteunen, maar in een dergelijke situatie kan door derden toch nog gemakkelijk misbruik van [verzoekster] worden gemaakt op financieel gebied. [verzoekster] heeft ook niet verzocht om [belanghebbende2] of de echtgenoot van de neef tot bewindvoerder te benoemen. Daar komt nog bij dat [belanghebbende2] meer dan vijftien jaar geen contact heeft gehad met zijn moeder en het contact nog maar kort geleden (als gevolg van de oproep van het hof in het kader van dit hoger beroep) is hersteld. Dat [verzoekster] stelt dat veel vaste lasten automatisch worden afgeschreven en zij haar uitgaven vaak contant doet, maakt het oordeel van het hof niet anders.\n\nHet hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoekster] dat [verweerster] geen oude medische gegevens mocht delen in deze procedure. Het is op grond de Algemene Verordening Gegevensbescherming toegestaan dat [verweerster] in de deze procedure medische gegevens inbrengt zonder toestemming van [verzoekster] . Bovendien zijn deze gegevens voor het hof niet van belang in het kader van de beslissing. Uit de toelichting van [verweerster] blijkt voor het hof al voldoende dat [verzoekster] niet in staat is om haar vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen.\n\nDe bewindvoerder heeft verklaard dat het bewind voor haar goed uitvoerbaar is, ondanks dat [verzoekster] op dit moment (nog) geen contact met haar wil. Voor de boedelbeschrijving heeft de bewindvoerder contact met de ambulant begeleidster gehad en verder heeft zij contact met [belanghebbende2] . Dat verloopt goed. De financiële middelen van [verzoekster] zijn maar net voldoende om rond te kunnen komen. De bewindvoerder heeft een beroep gedaan op een aantal regelingen voor de minima en het budget voor [verzoekster] wordt hierdoor iets verruimd. Er was geen financiële buffer aanwezig en die wordt in kleine stapjes opgebouwd. Verder is gebleken dat [verzoekster] voor de kosten van het bewind recht heeft op bijzondere bijstand.\n\nDit alles tezamen maakt dat het hof de beslissing van de kantonrechter in stand laat (bekrachtigt).\n\nProceskosten\n\n5.5. Het hof is vanwege de aard van de zaak van oordeel dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen (compensatie van proceskosten).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1.. bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 3 november 2025;\n\n6.2.. compenseert de proceskosten;\n\n6.3.. wijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4191","2026-07-13T00:28:54.667Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":45,"courtId":86,"decisionDate":87,"fullText":88,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":90},"1806","ECLI:NL:RBDHA:2026:17173","ecli-nl-rbdha-2026-17173",58,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F691842 \u002F HA ZA 25\u002F823\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nDE BLOKWEG VASTGOED B.V.te Bergschenhoek\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat: mr. T.J. van Veen,\n\ntegen\n\n1. [gedaagden sub 1] te [woonplaats],\n\n2. [gedaagden sub 2]te [woonplaats],\n\ngedaagden in conventie,\n\neisers in reconventie,\n\nadvocaat: mr. K.W. Janssen.\n\nPartijen worden hierna ‘De Blokweg’ en ‘[gedaagden]’ genoemd.\n\n1. Samenvatting\n\n1.1.. De Blokweg heeft een kassencomplex gekocht van [gedaagden] die gedeeltelijk is geplaatst op een strook grond die deel uitmaakt van het woonperceel van [gedaagden] Tussen partijen is in geschil of deze strook grond aan De Blokweg is verkocht en geleverd. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, omdat – samengevat – bij het sluiten van de koopovereenkomst een gemeenschappelijke partijbedoeling bestond om de kassen met ondergrond in eigendom over te dragen aan De Blokweg. Dat partijen bij de verkoop en levering niet expliciet hebben benoemd dat tot deze ondergrond ook een strook van het woonperceel van [gedaagden] behoorde, aangezien zij zich daar niet van bewust waren, doet daar niet aan af. Dat betekent dat De Blokweg eigenaar is geworden van de betreffende ondergrond. [gedaagden] worden veroordeeld medewerking te verlenen aan de aanpassing van de openbare registers aan de huidige eigendomsverhoudingen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 9 september 2025 met producties 1 tot en met 7;\n\nde conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 7;\n\nde conclusie van antwoord in reconventie met producties 8 en 9.\n\n2.2.. Op 19 mei 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Daarbij waren partijen aanwezig c.q. vertegenwoordigd, bijgestaan door hun advocaten.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. De Blokweg exploiteert een glastuinbouwbedrijf.\n\n3.2.. De Blokweg heeft, als koper, op 12 november 2012 een koopovereenkomst gesloten met [gedaagden] met betrekking tot een aantal percelen grond met daarop een kassencomplex, tegen een koopsom van € 2.700.000,-. In de tussen partijen gesloten schriftelijke koopovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Voornoemde ondergetekenden komen overeen: verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt:\n\nhet perceel tuinland, kadastraal bekend [kadastrale kenmerken] en [kadastraal kenmerk] gedeeltelijk (bijlage 2), (…) inclusief de hierop gestichte opstallen, glasopstanden en installaties, plaatselijk bekend [adres] te [plaats], (…).”\n\n3.3.. Ten aanzien van het gedeeltelijk in de verkoop betrokken [perceel 1] is in de koopovereenkomst in artikel 5.16 onder meer het volgende opgenomen:\n\n“de nieuwe grens bij het perceel kadastraal bekend [kadastraal kenmerk], gedeeltelijk ligt op de kasvoet van de gevel terplaatse. De eigendom van de kasvoet en gevel komt bij de notariële levering bij koper.”\n\n3.4.. \n [gedaagden] waren en zijn eigenaar (gebleven) van (onder meer) het aan de hiervoor bedoelde percelen grenzende perceel met – destijds – [perceel 2]. Op dat perceel is hun woonhuis gelegen. [perceel 2] ligt ten zuiden van [perceel 1], zoals zichtbaar is in de hiernaast weergegeven uitsnede uit een bij de koopovereenkomst gevoegd kaartje. Daarop is ook zichtbaar dat [perceel 1] om [perceel 2] heen loopt (zowel ten noorden als ten oosten daarvan ligt). De hiervoor bedoelde ‘nieuwe grens’ ligt op het gedeelte ten oosten van [perceel 2]: tot waar het kassencomplex ligt (inclusief kasvoet en gevel) wordt overgedragen (groen gearceerd), de rest van het perceel (niet groen gearceerd) blijft bij verkoper.\n\n3.5.. In de koopovereenkomst is verder onder meer het volgende opgenomen:\n\n“5.20.2 Wanneer koper c.q. diens rechtsopvolgers, een nieuwe kas bouwen op het verkochte en geen gebruik maken van de strook grond (…) ten noorden van perceel (…) [perceel 2], heeft verkoper c.q. diens rechtsopvolgers een recht van koop op deze strook tegen € 55,-- per m2 k.k. exclusief BTW.”\n\n3.6.. De levering heeft plaatsgevonden op 26 november 2012. In de notariële akte van levering is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Levering, Registergoed\n\nVerkoper heeft bij voornoemde koopovereenkomst aan koper verkocht en levert op grond daarvan (in eigendom) aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst, van verkoper heeft gekocht en bij deze (in eigendom) aanvaardt:\n\nDe percelen tuinland, kadastraal bekend [kadastrale kenmerken] (…); en\n\neen gedeelte van het perceel kadastraal bekend [kadastraal kenmerk], dit gedeelte is ongeveer groot achtennegentig are twaalf centiare;\n\n(…);\n\ninclusief de hierop gestichte opstallen, glasopstanden en installaties, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats], (…).\n\n(…)\n\nNieuwe grens\n\nDe nieuwe grens bij het perceel met nummer [kadastraal kenmerk] ligt op de kasvoet van de gevel ter plaatse. De eigendom van de kasvoet en gevel komt bij de koper. Partijen verklaren exact te weten waar de nieuwe te vormen erfgrens gelegen zal zijn zodat zij verder geen kaartje aan willen hechten of een nog gedetailleerdere omschrijving van deze nieuwe te vormen erfgrens nodig achten.”\n\n3.7.. In 2014 is bij een meting door het kadaster vastgesteld dat het kassencomplex ten hoogte van [perceel 1] oversteekt op [perceel 2]. Het betreft een strook grond van ongeveer 27 meter breed en 2 meter diep.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. De Blokweg vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair\n\n- [gedaagden] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledig medewerking te verlenen aan aanpassing van de openbare registers aldus dat daarin de eigendomssituatie van de percelen op 26 november 2012 kadastraal bekend [perceel 1] en [perceel 2], aldus zal worden weergegeven dat de eigendom tot en met de kasvoet van de gevels van de thans aanwezige kassen berust bij De Blokweg alsmede voor zover nodig volledig medewerking te verlenen aan de kadastrale splitsing van voormelde percelen;\n\nSubsidiair\n\n- [gedaagden] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledig medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte van eigendomsoverdracht aan De Blokweg zodanig dat de eigendom van de percelen op 26 november 2012 kadastraal bekend [perceel 1] en [perceel 2], tot en met de kasvoet van de gevels van de thans aanwezige kassen zal komen te berusten bij De Blokweg;\n\nPrimair en subsidiair\n\nZulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] voormelde medewerking niet verlenen met een maximum van € 500.000,00;\n\n [gedaagden] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van De Blokweg in de proceskosten.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nIn reconventie\n\n4.4.. \n [gedaagden] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair\n\n- De Blokweg veroordeelt om de op de grond van [gedaagden] geplaatste kas, binnen 28 dagen na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank naar redelijkheid te bepalen termijn, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag met een maximum van € 25.000,-, dat De Blokweg geen of geen volledige uitvoering geeft aan hetgeen waartoe zij veroordeeld wordt;\n\nSubsidiair\n\n- Voor recht verklaart dat De Blokweg in het geval van verbouwing, sloop of verkoop van de kas gelegen op [perceel 2], het op [perceel 2] aanwezige gedeelte van de kas dient te verwijderen en de grond schoon dient op te leveren en ter beschikking aan [gedaagden] dient te stellen;\n\n4.5.. De Blokweg concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.\n\n4.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie en in reconventie\n\n5.1.. De rechtbank ziet aanleiding om de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk te bespreken.\n\n5.2.. De Blokweg stelt – samengevat – dat het bij het aangaan van de koopovereenkomst de bedoeling van partijen was om de kassen met de daarbij behorende ondergrond tot en met de kasvoet van de gevel in eigendom over te dragen aan De Blokweg. Partijen hebben daarbij niet geconstateerd dat een gedeelte van de verkochte kassen zich bevond op [perceel 2]. Nu [perceel 2] in zoverre gedeeltelijk aan hem is verkocht en geleverd, vordert De Blokweg primair – samengevat – dat [gedaagden] meewerken aan een correcte weergave hiervan in de openbare registers.\n\n5.3.. \n [gedaagden] betwisten dat de betreffende strook van [perceel 2] aan De Blokweg is verkocht en geleverd. In de tekst van de koopovereenkomst wordt dit perceel niet genoemd als over te dragen perceel. Daarnaast is uit de tekst van de koopovereenkomst af te leiden dat dit perceel eigendom van [gedaagden] blijft. Verder is er bij de koopovereenkomst een kaart gevoegd waarop de over te dragen grond is gearceerd. Uit die kaart blijkt dat de strook grond van [perceel 2] waar de kas op is geplaatst, niet is gearceerd en dus geen deel uitmaakte van de koopovereenkomst. Ook is er met betrekking tot [perceel 2] geen door partijen ondertekend kadastraal bericht bij de koopovereenkomst gevoegd, terwijl dit met betrekking tot alle over te dragen percelen wel is gedaan. [gedaagden] voeren tot slot aan dat partijen zijn overeengekomen dat wanneer de kas zou worden gesloopt, de nieuwe kas tot aan de erfgrens van [perceel 2] zou mogen worden gebouwd en dat, indien niet tot aan de erfgrens wordt gebouwd, [gedaagden] de onbebouwde grond van [perceel 1] in zoverre van de Blokweg zouden mogen kopen. Een dergelijke koopoptie is volgens [gedaagden] niet te verenigen met de door De Blokweg gegeven uitleg van de koopovereenkomst.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat de strook grond van [perceel 2], voor zover die zich onder de kas bevindt, door [gedaagden] is verkocht aan De Blokweg. Daarvoor is van belang dat [gedaagden] ter zitting – samengevat – hebben verklaard dat zij met de verkoop beoogd hebben het gehele kassencomplex te verkopen en op dat moment niet wisten dat deze voor een deel op [perceel 2] stond. Ook namens De Blokweg is ter zitting verklaard dat De Blokweg beoogde het gehele kassencomplex te kopen en er op dat moment geen wetenschap bestond van de perceelsoverschrijding. Ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bestond er dus een gemeenschappelijke partijbedoeling om de gehele kas met ondergrond te verkopen aan De Blokweg. Bij het vaststellen van de inhoud van de overeenkomst is die gemeenschappelijke partijbedoeling leidend. Aan uitleg van de overeenkomst (aan de hand van onder meer de tekst van de overeenkomst), wordt dan niet toegekomen.\n\n5.5.. Met de gemeenschappelijke partijbedoeling om de kas met ondergrond, die gedeeltelijk tot [perceel 2] behoort, in eigendom over te dragen aan De Blokweg is – anders dan [gedaagden] impliceren – niet onverenigbaar dat partijen een koopoptie zijn overeengekomen met betrekking tot een deel van [perceel 1] in geval de kas wordt afgebroken. Partijen hebben immers beiden verklaard dat zij zich er niet van bewust waren dat de kas gedeeltelijk op [perceel 2] ligt. Uit de koopoptie kan dus niet worden afgeleid dat partijen bewust het gedeelte van het kassencomplex dat op [perceel 2] ligt van de koop hebben willen uitsluiten.\n\n5.6.. De vervolgvraag is of de betreffende strook grond ook aan De Blokweg is geleverd. Bij de beantwoording van die vraag komt het aan op de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak.\n\n5.7.. Hoewel in de notariële akte, evenals in de koopovereenkomst, [perceel 2] niet als (gedeeltelijk) over te dragen perceel is genoemd – wat logisch is nu partijen in de veronderstelling verkeerden dat de kas niet op dat perceel lag – is de rechtbank van oordeel dat het gedeelte van [perceel 2] waarop de kas ligt ook is geleverd. In de omschrijving van het verkochte in de akte verwijst immers ook naar ‘de gestichte opstallen, glasopstanden en installaties, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats]’, en het is niet in geschil dat het gehele kassencomplex zowel voor als na de verkoop en levering plaatselijk bekend was als ‘[adres]’. Bovendien blijkt uit de hiervoor onder 3.6 (slot) weergegeven passage over de nieuwe erfgrens op [perceel 1] dat partijen hebben afgezien van een nauwkeurige omschrijving of aangehechte kaart omdat voor hen duidelijk was wat wel en wat niet werd geleverd: het kassencomplex. Mede in dat licht volgt uit de leveringsakte genoegzaam dat het gehele kassencomplex tot het geleverde behoort.\n\n5.8.. Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt voor het geval dat de betreffende strook grond niet rechtsgeldig aan De Blokweg zou zijn geleverd. In dat geval heeft De Blokweg zich terecht beroepen op verkrijgende verjaring door bezit te goeder trouw gedurende een onafgebroken periode van 10 jaar. Vaststaat dat De Blokweg de betreffende strook in bezit heeft genomen op 26 november 2012 (de datum van levering van het kassencomplex). [gedaagden] hebben de stelling van De Blokweg dat sprake is van bezit te goeder trouw onvoldoende betwist, in het licht van het feit dat partijen er beide vanuit gingen dat aan De Blokweg het gehele kassencomplex was geleverd en het – in die situatie - aan een gebrek in de levering is te wijten dat De Blokweg niet het eigendom heeft verkregen. Gesteld noch gebleken is dat het bezit van De Blokweg teniet is gegaan voor ommekomst van de verjaringstermijn van 10 jaar, zodat deze in dat geval is voltooid.\n\n5.9.. De primaire vordering van De Blokweg zal worden toegewezen. [gedaagden] zullen - samengevat - worden veroordeeld medewerking te verlenen aan de aanpassing van de openbare registers aan de huidige eigendomsverhoudingen. De aan deze veroordeling te verbinden dwangsom zal worden gematigd zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.10.. Nu de grond onder het kassencomplex niet aan [gedaagden] toebehoort, zal hun primaire vordering tot verwijdering van de kassen worden afgewezen.\n\n5.11.. Ook de subsidiaire vordering van [gedaagden] zal worden afgewezen. [gedaagden] hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd dat partijen hebben afgesproken dat de kas in geval van verbouwing, sloop of verkoop zou worden verwijderd van [perceel 2]. Het bestaan van deze afspraak is door De Blokweg betwist en in het licht van die betwisting onvoldoende door [gedaagden] onderbouwd.\n\n5.12.. \n [gedaagden] zijn in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Blokweg in conventie worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 122,16\n\n- griffierecht € 714,00\n\n- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten X tarief II ad € 653,00)\n\n- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.290,16\n\n5.13.. \n [gedaagden] zijn in reconventie eveneens in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] in reconventie worden begroot op:\n\n- salaris advocaat € 326,50 (0,5 punt X tarief II ad € 653,00)\n\n- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 474,50\n\n5.14.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagden] om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledige medewerking te verlenen aan de aanpassing van de openbare registers, waarbij de eigendomssituatie van de percelen op 26 november 2012 kadastraal bekend [kadastraal kenmerk] en [perceel 2], aldus zal worden weergegeven dat de eigendom tot en met de kasvoet van de gevels van de thans aanwezige kassen berust bij De Blokweg alsmede, voor zover nodig, volledige medewerking te verlenen aan de kadastrale splitsing van deze percelen;\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagden] om aan De Blokweg een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop zij niet aan de hoofdveroordeling heeft voldaan, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van De Blokweg van € 2.290,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen;\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af;\n\nin reconventie\n\n6.5.. wijst de vorderingen van [gedaagden] af;\n\n6.6.. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van De Blokweg van € 474,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen;\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.7.. veroordeelt [gedaagden] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n6.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n Vgl. HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:957 (Vereniging Albert Heijn Franchisenemers c.s.\u002FAlbert Heijn Franchising c.s.).\n\n HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17173","2026-07-13T00:29:39.852Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":45,"courtId":95,"decisionDate":87,"fullText":96,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":53,"updatedAt":99},"1928","ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","ecli-nl-rbnho-2026-7505",67,"RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377432 \u002F KG ZA 26-238\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. E. Bongers,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 1],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. S.R. Baetens.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n\n [eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus en hebben samen een recreatiewoning van hun moeder geërfd. De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juni 2025 (het vonnis) geoordeeld dat de woning te koop moet worden aangeboden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid krijgt de woning over te nemen tegen een waarde die gelijk is aan het hoogst uitgebrachte bod.\n\n [eiser] meent dat de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst heeft geleid en wil dat [gedaagde] meewerkt aan verkoop voor een zo hoog mogelijke opbrengst en op zo’n kort mogelijke termijn, waarbij zij eventueel het hoogste bod mag evenaren. Ook vordert [eiser] staking\u002Fschorsing van de uitvoering van de veroordeling tot betaling van dwangsommen aan haar. [gedaagde] meent dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Omdat [eiser] daar niet aan meewerkt, vordert zij een veroordeling ex artikel 3:300 BW, althans om haar vervangende toestemming te verlenen om tot verdeling te komen. Er is volgens haar geen aanleiding om de executie van dwangsommen te staken of schorsen. Zij vordert juist een verhoging van de dwangsommen om [eiser] mee te laten werken aan de uitvoering van het vonnis.\n\n1.2.. \n\nGelet op de omstandigheden tijdens de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling en op het feit dat in het vonnis is overwogen dat [eiser] er belang bij had dat de waarde van de woning werd bepaald door de woning (aan derden) te koop aan te bieden, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat het verkoopproces niet heeft geleid tot vaststelling van een marktprijs, waartegen [gedaagde] de woning over zou mogen nemen. [gedaagde] zal daarom, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring, worden veroordeeld om de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten, totdat in rechte is vastgesteld dat zij recht heeft op toedeling van de woning.\n\nOmdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning overeenkomstig 5.2. en 5.3. van het vonnis. Ook zal [gedaagde] worden veroordeeld om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, op straffe van een dwangsom. Deze twee veroordelingen zullen geclausuleerd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, om aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen recht te doen. De vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 35 producties\n\n- de conclusie van antwoord in kort geding tevens houdende eis in reconventie met 12 producties\n\n- de akte in het geding brengen productie tevens aanvulling eis van de kant van [eiser]\n\n- de aanvullende productie 36 van de kant van [eiser]\n\n- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de pleitnota van de kant van [eiser].\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen zijn de kinderen en de (enige) twee erfgenamen van de op 12 januari 2024 overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster.\n\n3.2.. Tot de nalatenschap van erflaatster behoort (onder meer) een recreatiewoning, gelegen aan de [adres 1] [plaats 2] (hierna: de woning).\n\n3.3.. Aan de woning is een hypothecaire geldlening verbonden van circa € 144.000,-.\n\n3.4.. De WOZ-waarde van de woning op peildatum 1 januari 2023 is (na bezwaar) € 310.000,-, op peildatum 1 januari 2024 € 300.000,- en op peildatum 1 januari 2025 € 395.000,-.\n\n3.5.. In februari 2025 is een vergelijkbare woning, aan de [adres 2], verkocht voor een koopprijs van € 400.000,-. De vraagprijs bedroeg € 395.000,-. De woning heeft maar kort te koop gestaan.\n\n3.6.. Bij vonnis van 11 juni 2025 (hierna: het vonnis) heeft deze rechtbank de volgende veroordeling tussen partijen uitgesproken:\n\nin conventie\n\n5.1.. gelast de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap van erflaatster behorende woning op de wijze zoals in het navolgende vermeld;\n\nin reconventie\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht aan makelaar [bedrijf] om de woning te koop te zetten conform de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid heeft om binnen vijf werkdagen na de dag van kennisneming van de biedingen mede te delen dat zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde die gelijk is aan de hoogste bieding, waarbij de overdracht aan dient plaats vinden binnen een termijn die niet meer is dan één maand langer dan die waartegen de hoogste bieder de woning zou kunnen afnemen;\n\n5.3.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.2 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie, verder\n\n5.4.. veroordeelt , binnen twee weken na het verstrekken van de opdracht aan de makelaar in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis, om:\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de door de makelaar gestelde verkoopvoorwaarden, zoals het openstellen van de woning voor bezichtigingen, het hanteren van een vraag- en laatprijs, zoals door de makelaar wordt geadviseerd, en alle overige activiteiten die door de makelaar zinvol worden geacht om tot een verkoop van de woning te komen, waarbij voorts kan worden gedacht aan het in schone, opgeruimde, verzorgde en representatieve staat te laten bevinden van de woning, een en ander volgens de aanwijzingen van de makelaar;\n\nmedewerking te verlenen aan alle verkoopduidingen die op het perceel en\u002Fof de woning door de makelaar zullen worden aangebracht;\n\n5.5.. veroordeelt - voor het geval (in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van , zijn medewerking te verlenen aan het notarieel transport van zijn aandeel in de woning aan , mits de akte in overeenstemming is met hetgeen in dit vonnis is bepaald en geen bepalingen inhoudt die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de notaris ten overstaan van wie de akte gepasseerd wordt;\n\n5.6.. veroordeelt - voor het geval niet (in overeenstemming met het bepaalde in van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om, steeds binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van :\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een verkoopovereenkomst;\n\nuiterlijk twee dagen voor de dag waarop de woning aan de kopende partij moet worden geleverd, de in zijn bezit zijnde sleutels ter vrije beschikking aan de kopende partij, althans de passerend notaris te stellen;\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen akte van levering op het overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nen bepaalt dat de netto verkoopopbrengst (na aflossing van de hypothecaire geldlening en na voldoening van de met de verkoop gepaard gaande kosten, zoals de makelaarskosten) bij helfte aan partijen wordt overgemaakt;\n\n5.7.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.4, 5.5 en\u002Fof 5.6 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. Met het oog op de verkoop van de woning hebben partijen een opdracht tot dienstverlening verstrekt aan [bedrijf] B.V (hierna: de makelaar) voor een vraagprijs van € 449.500,- kosten koper, waarin is opgenomen dat de verkoop zal plaatsvinden conform vonnis en volgens de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden verkoop bij inschrijving. Ook is vermeld dat inschrijfformulieren in gesloten envelop afgegeven kunnen worden op het kantoor van de makelaar of per e-mail aan de makelaar, waarbij beide verkopers pas na sluiting inschrijvingstermijn tegelijkertijd op de hoogte worden gebracht van alle biedingen.\n\n3.8.. Bij brief van 4 september 2025 hebben de advocaten van partijen een gezamenlijk verkoopvoorstel aan de makelaar voorgelegd. Dit hield onder meer in dat de makelaar het sluitingstijdstip (voor de biedingen) zou bepalen en dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Verder is in het voorstel – voor zover relevant – opgenomen:\n\nBiedingen worden door geïnteresseerden in een gesloten enveloppe bij u op kantoor ingediend, zodat de biedingen voor zowel verkopers als u niet transparant zijn gedurende het biedingsproces. Dit om beïnvloeding te voorkomen;\n\nDe enveloppen worden in het bijzijn van beide partijen geopend;\n\n [gedaagde] wordt daarna in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen te laten weten of zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding;\n\nBesluit [gedaagde] de woning niet aan zich te laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding, dan zal de woning worden verkocht aan de hoogste bieder;\n\n3.9.. De woning is vervolgens in verkoop gebracht. Op de website van de makelaar en op Funda was vermeld dat biedingen tot uiterlijk 31 oktober 2025 uitgebracht konden worden.\n\n3.10.. De enveloppen met biedingen zouden in eerste instantie op dinsdag 4 november 2025 worden geopend, maar op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen zijn de datum en het tijdstip gewijzigd in vrijdag 31 oktober om 12.00.\n\n3.11.. Bij het openen van de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 bleken er twee biedingen te zijn gedaan. Eén door [gedaagde] voor € 300.000,- en één door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), een vriendin van [gedaagde], voor € 302.500,-.\n\n3.12.. De makelaar heeft partijen diezelfde dag om 23.00 uur via whatsapp geïnformeerd dat hij ‘s avonds op zijn kantoor een nieuwe envelop met een biedingsformulier had aangetroffen. Het was een bieding van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) voor € 400.016,-.\n\n3.13.. De makelaar heeft op 3 november 2025 per email aan partijen onder meer het volgende geschreven:\n\nIk vermoed dat het volgende is gebeurd. Wij hebben op de website en verstrekte\n\nbiedingsformulieren gemeld dat de uiterlijke termijn om een eenmalig voorstel te doen per gesloten enveloppe op 31 oktober zou zijn. In de week voorafgaand aan 31 oktober hebben wij alle kandidaten die een bezichtiging in de agenda hebben gehad per email benaderd dat de inschrijving 31 oktober 12 uur sloot. Begin oktober hebben jullie ook mee gedaan aan de NVW open huizenroute. De derde bieder zal hoogstwaarschijnlijk een bezoeker van het open huis zijn geweest en daarom later het bod hebben bezorgd aan ons kantoor.\n\n(…).\n\nIk wil van jullie allebei per email bevestigd zien hoe we met de 3 biedingen omgaan en of [gedaagde] eventueel de woning zelf afneemt en tegen welke prijs. Ik ga er niet tussen zitten. Ik heb er ook geen mening over, jullie moeten dit zelf bepalen middels het vonnis van de rechtbank.\n\n3.14.. \n [gedaagde] heeft via haar advocaat het standpunt ingenomen dat de bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven, omdat die te laat is binnengekomen. In de email van 6 november 2025 heeft de advocaat bevestigd dat [gedaagde] de toedeling van de woning verlangt tegen het hoogste bod van € 302.500,- en onder dezelfde voorwaarden als door de hoogste bieder zijn gedaan. In de email is een financieringsvoorbehoud van 12 weken genoemd en dat de levering zo spoedig mogelijk plaatsvindt, doch niet later dan 1 april 2026.\n\n3.15.. Op 18 november 2025 heeft [eiser] via zijn advocaat aan [gedaagde] laten weten dat het bod van [betrokkene 2] wel tijdig, namelijk voor 31 oktober 2025 24.00 uur, is uitgebracht. Hij constateert dat [gedaagde] de gelegenheid heeft gehad die bieding te evenaren, maar die ongebruikt heeft gelaten, zodat de makelaar geïnstrueerd moet worden om een koopovereenkomst op te stellen tussen [betrokkene 2] en partijen.\n\n3.16.. Nader overleg tussen partijen heeft er toe geleid dat zij op 30 december 2025 de makelaar hebben verzocht om [betrokkene 2] te vragen of hij nog bereid was de woning voor het door hem geboden bedrag af te nemen. [betrokkene 2] heeft de makelaar daarop bericht dat hij al had besloten om van de koop af te zien.\n\n3.17.. \n [gedaagde] heeft bij een notaris een concept akte van verdeling op laten maken en heeft via haar advocaat op 26 februari 2026 [eiser] gevraagd om zijn medewerking te verlenen aan het passeren daarvan op 12 maart 2026. De advocaat schrijft ook dat het vonnis al eerder is betekend en [eiser] vanaf 13 maart € 250,- per dag aan dwangsom verschuldigd is als hij geen medewerking verleent. [eiser] heeft zijn medewerking niet verleend.\n\n3.18.. \n [eiser] heeft op 12 maart 2026 [gedaagde] via zijn advocaat gesommeerd om akkoord te gaan met verkoop van de woning op zo’n kort mogelijke termijn tegen een zo hoog mogelijke opbrengst. Daarbij is aangegeven dat een clausule kan worden toegevoegd die [gedaagde] het recht geeft om binnen 24 uur na het uitbrengen van een bieding die door de makelaar acceptabel wordt geacht, bedoelde bieding qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden te evenaren. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd.\n\n3.19.. Op 22 april 2026 is [eiser] bij deurwaardersexploot aangezegd dat hij dwangsommen heeft verbeurd van 13 maart 2026 tot en met 21 april 2026 tot een maximum van € 10.000,00, met bevel tot betaling en aankondiging van beslaglegging.\n\n3.20.. \n [eiser] heeft [gedaagde] op 24 april 2026 gesommeerd te verklaren dat zij de aangekondigde executie zal staken\u002Fopschorten totdat tussen partijen in rechte vast staat dat zij op basis van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde biedprocedure recht heeft op toedeling van de woning aan haar en op de dwangsommen. [gedaagde] heeft niet op de sommatie gereageerd.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n [gedaagde] te veroordelen om haar medewerking te verstrekken aan een (standaard) opdracht tot dienstverlening aan makelaar [bedrijf], althans een andere door de voorzieningenrechter aan te wijzen NVM-makelaar in de regio [naam], gericht op verkoop van de woning, waarbij partijen zich verplichten de instructies van de makelaar gericht op het bereiken van een zo hoog mogelijke opbrengst op zo’n kort mogelijke termijn te volgen, (subsidiair) met dien verstande dat [gedaagde] het recht heeft om binnen 24 uur na ontvangst van een kennisgeving van de makelaar van een door een derde uitgebrachte bieding die door hem qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden acceptabel wordt geacht, middels een schriftelijk bericht aan de makelaar en [eiser] kenbaar te maken dat zij die bieding wil evenaren en de woning toegedeeld wil krijgen tegen dezelfde prijs of dezelfde of betere voorwaarden als bedoelde bieder aan zijn bod verbonden had;\n\n [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, te voltooien of af te ronden;\n\n [gedaagde] te veroordelen na totstandkoming van een koopovereenkomst (met een derde) alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het notarieel transport, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen leveringsakte op het met de koper overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nstaking of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2025, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis,\n\neen en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke keer dat zij na betekening van het te wijzen vonnis nalaat aan één van de verzochte veroordelingen onder 1 tot en met 4 te voldoen;\n\n5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] legt aan de vordering het ten grondslag dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om de bieding van [betrokkene 2] te evenaren. Omdat [betrokkene 2] door toedoen en tegenwerking van [gedaagde] is afgehaakt en zijn bod niet meer gestand wil doen, heeft de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Dat is ook het geval als aangenomen zou worden dat het bod van [betrokkene 2] te laat was uitgebracht, gelet op de samenspanning tussen [gedaagde] en [betrokkene 1], aldus [eiser]. Aangezien [gedaagde] al tijdens de rechtbankprocedure in 2025 heeft laten weten dat als de woning aanmerkelijk meer waard zou zijn dan uit de toen door haar in het geding gebrachte taxaties zou blijken, zij deze niet wil overnemen. Partijen kunnen daarom slechts één ding doen: de woning via de gebruikelijke route verkopen, met als doel op zo’n kort mogelijke termijn een zo hoog mogelijke opbrengst te bereiken, aldus nog steeds [eiser].\n\n4.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, omdat deze volgens haar overbodig zijn gemaakt. Als de voorzieningenrechter één of meer vorderingen toewijst, verzoekt zij om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat dit zal leiden tot een onomkeerbaar resultaat, namelijk verkoop van de woning aan een derde. Het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze voorlopige voorziening te kunnen procederen, weegt zwaarder dan het niet door [eiser] onderbouwde spoedeisende belang om direct na een te wijzen vonnis tot een gedwongen verkoop te kunnen komen, aldus nog steeds [gedaagde].\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert onder meer aan dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Er is daarom geen aanleiding om de executie van dwangsommen (jegens [eiser]) te staken of schorsen. Het is niet [gedaagde], maar [eiser] die tekortschiet in de nakoming van het door de rechtbank gewezen vonnis, aldus [gedaagde].\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.6.. \n [gedaagde] vordert om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte verstaan dat het maximum van € 10.000,- aan verbeurde dwangsommen ter zake van de veroordeling, als opgelegd aan [eiser] bij vonnis van 11 juni 2025 is bereikt;\n\n [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat hij, na betekening van het te wijzen vonnis, niet aan de nakoming van een onderdeel van het vonnis van 11 juni 2025 voldoet en daarbij te bepalen dat daaraan een maximum wordt verbonden van € 150.000,-, althans, een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht;\n\nte bepalen dat, wanneer het maximum van het in dit vonnis opgelegde dwangsommen is bereikt zonder tijdige nakoming door [eiser] van het vonnis van 11 juni 2025, dit vonnis op grond van art. 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering (productie 6), die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de recreatiewoning aan [gedaagde] te komen;\n\nalthans aan [gedaagde] vervangende toestemming te verlenen om namens [eiser] over te gaan tot de ondertekening van de verdelingsakte, die is overgelegd als productie 5, die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de woning aan [gedaagde] te komen;\n\n [eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding in reconventie, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening.\n\n4.7.. \n [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat de rechtbank in het vonnis een wijze van verdeling heeft gelast waar uitvoering aan is gegeven. [eiser] werkt echter niet mee aan de laatste stap: medewerking aan de notariële akte van verdeling van woning aan haar. Het dwangmiddel dat de rechtbank heeft opgelegd is niet voldoende om [eiser] te bewegen aan de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling te voldoen. Zij vordert daarom verhoging van de dwangsommen. Voor het geval [eiser] ook dan niet nakomt, vordert zij dat het vonnis in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering en meer subsidiair vervangende toestemming om namens [eiser] over te gaan tot ondertekenen van de verdelingsakte.\n\n4.8.. \n [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert dat toewijzing van het in conventie gevorderde impliceert dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie niet toewijsbaar zijn.\n\n4.9.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nSpoedeisend belang\n\n5.1.. Tussen partijen is sprake van een geschil over de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling van de woning. Een verschil van inzicht over de uitkomst van het biedingsproces heeft tot een impasse geleid. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij de offerte die zij heeft liggen voor het overnemen van de woning maar een beperkte geldigheidsduur heeft, en haar mogelijk daarna niet nogmaals een aanbod wordt gedaan of tegen ongunstiger voorwaarden. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven van zowel de vorderingen van [eiser] in conventie als die van [gedaagde] in reconventie.\n\nin conventie en in reconventie\n\nStaking \u002F schorsing executie dwangsommen\n\n5.2.. In dit geding gaat het in de kern om de vraag of, zoals [gedaagde] stelt, zij conform het vonnis heeft gehandeld en de voorwaarden waaronder de dwangsom door [eiser] is verschuldigd, zijn vervuld. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst beoordeeld worden of [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet aan die voorwaarden is voldaan, en dat, gelet op bij de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis aan het licht gekomen feiten, niet van hem gevergd kan worden dat hij zijn medewerking verleent aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\nIs conform vonnis gehandeld?\n\n5.3.. \n [eiser] stelt dat niet het bod van [betrokkene 1], maar het bod van [betrokkene 2] het hoogste bod was dat is uitgebracht en dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om dat bod te evenaren. Daarom is volgens hem niet aan de voorwaarden voldaan om de woning aan [gedaagde] toe te delen. [gedaagde] betwist dat en voert aan dat het bod van [betrokkene 2] niet als een bieding kan worden gezien, omdat het biedingstraject al was geëindigd.\n\n5.4.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] niet kan volhouden dat het biedingsproces na op 31 oktober 2025 12.00 nog doorliep. Partijen hebben de makelaar in hun brief van 4 september 2025 (3.8) de opdracht gegeven om het sluitingstijdstip te bepalen en slechts aangegeven dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen is besloten om de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 te openen (3.10). Daarmee is het biedingstraject die dag om 12.00 gesloten. Dat vervroeging van het tijdstip mogelijk voor [betrokkene 2] niet kenbaar is geweest, doet daar niet aan af. Het gaat immers om de tussen partijen in onderling overleg ter uitvoering van het vonnis gemaakte afspraken. Dat brengt mee dat die bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven en voorshands uitgangspunt is dat het bod van [betrokkene 1] van € 302.500,- het hoogste bod is dat is uitgebracht. Daarmee is aan de orde de vraag of [gedaagde] door tijdig mee te delen dat zij de woning tegen die waarde aan zich wil laten toedelen, aan de voorwaarden heeft voldaan waaronder [eiser] medewerking aan toedeling moet verlenen.\n\n5.5.. \n [eiser] heeft dat betwist met de stelling dat (hem) is gebleken dat er tussen [gedaagde] en [betrokkene 1] onderlinge afstemming heeft plaatsgehad over de door beide uitgebrachte biedingen. Volgens hem heeft de verkoop daarom niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Het ging immers om de vaststelling van een marktprijs door derden te vragen een bieding uit te brengen en daar is – zo begrijpt de voorzieningenrechter zijn stelling – geen sprake van wanneer biedingen met de belanghebbende bij de uitkomst van dat proces zijn beïnvloed. [gedaagde] heeft betwist dat daarvan sprake is geweest.\n\n5.6.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat er afstemming tussen haar en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft immers niet betwist dat zij met betrekking tot de biedingsmogelijkheid en het biedproces contact met [betrokkene 1] heeft gehad, die een vriendin van haar is en peettante van haar dochter. Daarnaast heeft [eiser] erop gewezen dat zij beide dezelfde versie van het biedingsformulier hebben gebruikt, een versie die qua lay-out afwijkt van het biedingsformulier dat de makelaar gebruikt. Wat er ook zij van dat laatste, uit een verklaring van [betrokkene 1] van 1 mei 2026 blijkt dat zij het formulier voor zichzelf en [gedaagde] heeft uitgeprint. Ook heeft zij verklaard dat [gedaagde] haar erop heeft gewezen dat de woning beschikbaar was voor aankoop en dat het haar bekend was dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen. De verklaring luidt als volgt:\n\nHierbij verklaar ik. [betrokkene 1] dat ik interesse had in de recreatiewoning [adres 1] te [plaats 2]. Ik heb de woning op 29 september 2025 bezichtigd met de makelaar. Hierna heb ik op 13 oktober 2025 een bod van € 302.500, uitgebracht in een gesloten envelop.\n\nIk ben enige tijd daarvoor door [gedaagde] op de hoogte gebracht van de beschikbaarheid van de woning. Ik zag de aankoop van de recreatiewoning als een mooie investering. Ik heb zelf de hoogte van mijn bod bepaald: ik heb deze gebaseerd op de WOZ-waarde die € 300.000.- bedroeg. Ik wist dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen en heb haar daarvoor een biedingsformulier gegeven. Ik heb het biedingsformulier van de makelaar op 29 september ontvangen en uitgeprint vanuit Outlook.live.com: het was een docx document; mogelijk is de lay out daardoor bij het printen wat versprongen. Ik heb niets aan de inhoud of tekst gewijzigd.\n\nOp 27 oktober vernam ik van de makelaar dat de inschrijving sloot op 31 oktober 12.00 uur en ik heb mijn bod uiterlijk die dag nog tot 12.00 kon inleveren, waarna de enveloppen samen met de verkopers geopend zouden worden.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter acht het bod van [betrokkene 1] gelet op de vraagprijs van € 449.500,- opvallend laag, namelijk € 2.500,- boven de WOZ-waarde van € 300.000,-. Ook is opmerkelijk dat [gedaagde] de WOZ-waarde heeft geboden, terwijl zij in de eerder gevoerde bodemprocedure nog bereid was de woning op basis van taxaties voor € 310.000,- respectievelijk € 322.500,- over te nemen en een gelijksoortige woning inmiddels voor € 400.000,- was verkocht (3.5). De voorzieningenrechter acht in dat verband de verklaring van [gedaagde] niet geloofwaardig dat als zij [betrokkene 1] had laten weten dat ze zelf zou meebieden, zij een nog veel lager bedrag zou hebben genoemd. Daarbij komt dat [gedaagde] in de voorbereiding van het verkoopproces veel belang hechtte aan een gesloten proces met geheimhouding en onbekendheid van alle betrokkenen met de biedingen. Dat verhoudt zich niet met het feit dat zij zelf informatie heeft uitgewisseld met iemand van wie ze wist dat zij zou gaan bieden. Als uitleg voor het contact met [betrokkene 1], heeft [gedaagde] verklaard dat zij bang was dat [eiser] misbruik zou maken door een kennis ook mee te laten bieden. Feitelijk heeft [gedaagde] dat zelf gedaan en daarmee de door haar zelf overeengekomen nadere procedureafspraken geschonden. Het vonnis van 11 juni 2025 strekt er evidentelijk toe om een zuiver proces van marktconsultatie in te richten. Aan het proces zoals dat feitelijk is gevoerd kleven voldoende smetten om te oordelen dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling. Onder die omstandigheden kan [gedaagde] niet van [eiser] vergen dat hij meewerkt aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\n5.8.. Dit brengt mee dat de vordering van [eiser] in conventie onder 4, om [gedaagde] te veroordelen de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] recht heeft op toedeling van de woning toewijsbaar is. Deze zal uitvoerbaar bij voorraad worden toegewezen.\n\n5.9.. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd, maar wordt beperkt zoals in de beslissing vermeld.\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.10.. Gelet op het oordeel in conventie, dat erop neerkomt dat [gedaagde] toedeling van de woning aan zichzelf voor een waarde van € 302.500,- vooralsnog niet kan afdwingen, zullen alle vorderingen in reconventie worden afgewezen.\n\nin conventie verder\n\n5.11.. Omdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld om mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning, echter overeenkomstig het vonnis van 11 juni 2025. De vordering onder 1 van [eiser] zal in die zin worden toegewezen. Dat betekent dat [eiser] zich ook ditmaal zal moeten houden aan de in het vonnis aan hem opgelegde verplichtingen. Partijen kunnen het elkaar makkelijker maken door in overleg met de makelaar een vraagprijs vast te stellen die ertoe kan leiden dat de belangstelling in de markt voor de woning wat groter wordt zonder dat [gedaagde]’s kansen op succesvol matchen geheel verdwijnen. (Uiteraard staat het hen ook overigens vrij om afspraken te maken die zonder verder gedoe tot afwikkeling van deze kwestie kunnen leiden.)\n\n5.12.. De vordering onder 2, dat [gedaagde] zich zal onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, zal ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht toewijzing van deze vordering met dwangsom gepast, gelet op de niet weersproken feiten dat [gedaagde] Funda met succes heeft gesommeerd de woning van de site te halen en briefjes op de ramen van de woning heeft geplakt en na verwijdering is blijven plakken met daarop teksten dat de woning niet te koop is en verwijzing naar het vonnis van 11 juni 2025. De dwangsom wordt beperkt tot € 500,- per dag met een maximum van € 20.000,-.\n\n5.13.. De voorzieningenrechter zal de toewijzing van vordering 1 en 2 ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen zal recht worden gedaan door te bepalen dat [eiser] aan deze uitvoerbaar bij voorraad verklaring geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt.\n\n5.14.. De vordering onder 3, die ziet op medewerking van [gedaagde] aan alle handelingen die nodig zijn voor de levering van de woning na totstandkoming van een koopovereenkomst, zal worden afgewezen. Gelet op de inhoud van het vonnis van 11 juni 2025 heeft [eiser] bij die vordering geen belang.\n\nin conventie en in reconventie\n\nProceskosten\n\n5.15.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen in conventie en reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om de op 22 april 2026 aangekondigde executie op te schorten, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis, en de deurwaarder dienovereenkomstig te instrueren, totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] als uitkomst van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde inschrijvingsprocedure recht heeft op toedeling van de onverdeelde helft van de woning,\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer of elke dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.1 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om medewerking te verlenen aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2], overeenkomstig het hiervoor sub 3.6 aangehaalde vonnis,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2] belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde], na betekening van dit vonnis, nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 20.000,-,\n\n6.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n6.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en bepaalt dat [eiser] aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de onder 6.3 en 6.4 genoemde beslissing geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt,\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.8.. wijst de vorderingen van [gedaagde] af,\n\n6.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n1621","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.957Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":45,"courtId":104,"decisionDate":87,"fullText":105,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":53,"updatedAt":108},"1639","ECLI:NL:RBOVE:2026:3806","ecli-nl-rbove-2026-3806",69,"RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F333571 \u002F HA ZA 25-170\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonend te [woonplaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. C.G. Mensink,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonend te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. P.I. Meijers.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 22 producties, - de conclusie van antwoord met 10 producties, - de mondelinge behandeling van 16 april 2026.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1. \n [gedaagde] heeft een woning aan de [adres] met bouwjaar 1933 te koop aangeboden voor een vraagprijs van € 249.000.\n\n2.2. \n [eiser] had interesse in de woning en heeft opdracht gegeven aan [naam 1] van [bedrijf 1] (hierna te noemen: [naam 1]) voor aankoopinspectie. [naam 1] heeft de woning op 2 januari 2024 bezocht en heeft op 3 januari 2024 een Rapport Aankoopinspectie aan [eiser] gestuurd. Het rapport telt 45 pagina’s en er zijn 17 foto’s bijgevoegd.\n\n2.3. Op 12 januari 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] een koopovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] de woning aan [eiser] verkoopt voor € 237.500. De akte van levering zal worden gepasseerd op 15 april 2024; dit is later op verzoek van [eiser] aangepast naar 15 mei 2024.\n\n2.4. Op 7 mei 2025 heeft [eiser] – voordat de woning daadwerkelijk is verkocht - de sleutel van de woning ontvangen en heeft hij de woning bezocht samen met twee installateurs, met het doel aan en in de woning te verrichten werkzaamheden te inventariseren en te plannen.\n\n2.5. \n\nVolgens [eiser] treft hij de woning op 7 mei 2024 aan in een andere staat dan tijdens de bezichtiging in januari daarvoor. Hij heeft [naam 1] opdracht gegeven om de woning op 13 mei 2024 opnieuw te inspecteren. [naam 1] legt zijn bevindingen vast in een verslag met 29 foto’s. In het verslag staat: ‘Doel inspectie: Vaststellen aard en omvang van verborgen of niet gemelde gebreken door verkoper.’\n\nOp 19 juni 2024 heeft [naam 1] een nieuwe versie van het rapport Aankoopinspectie gemaakt. In de toelichting staat: Dit rapport is een aanvulling op de eerder uitgegeven rapportage van 02-01-2024. Dit op basis van wat ik me nog kan herinneren.\n\nOp 10 september 2024 heeft [naam 1] nog een verklaring opgesteld betreffende aanduiding verschil opname 02-01-2024 en 13-05-2024.Dit gaat met name over schimmelvorming in de woning.\n\n2.6. \n [eiser] heeft aan de notaris laten weten dat hij de woning op 15 mei 2024 niet zal afnemen.\n\n2.7. Op 16 mei 2024 stuurt de gemachtigde van [eiser] een ingebrekestelling aan [gedaagde]. Hij eist dat [gedaagde] alle gebreken in het rapport van [naam 1] herstelt; pas nadat dit is gebeurd zal [eiser] de woning afnemen. Als herstel niet of niet tijdig wordt uitgevoerd zal [eiser] de koopovereenkomst ontbinden en de boete van 10% van de koopsom opeisen. [eiser] eist dat [gedaagde] binnen twee dagen laat weten of hij de herstelwerkzaamheden zal (laten) uitvoeren of dat hij instemt met ontbinding van de koopovereenkomst.\n\n2.8. \n\n [gedaagde] heeft in kort geding gevorderd dat [eiser] de koopovereenkomst nakomt. In een vonnis van 3 september 2024 wordt\n\n– voorlopig oordelend - het verweer van [eiser], dat er sprake is geweest van bedrog of dwaling, gepasseerd. De slagingskans van een vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst op basis van non-conformiteit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gering. [eiser] wordt veroordeeld om binnen veertien dagen mee te werken aan de levering van de onroerende zaak en moet de contractuele boete van\n\n€ 23.750,- betalen.\n\n2.9. Bij dagvaarding van 16 september 2024 heeft [gedaagde] in kort geding gevorderd dat [eiser] het vonnis van 3 september 2024 nakomt. In een vonnis van 25 september 2024 wordt [eiser] veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 500,- per dag dat hij niet voldoet aan de in het vonnis van 3 september 2024 uitgesproken veroordeling, met een maximum van € 25.000,-.\n\n2.10. \n\n [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 september 2024.\n\nHet Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een arrest van 12 november 2024 het verweer, dat er sprake is van een onveilige woning met een ongezond leefklimaat, gepasseerd. Dat er in mei 2024 sprake was van nieuwe gebreken, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt, aldus het Gerechtshof. Het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel wordt bekrachtigd.\n\n2.11. \n [eiser] heeft ook hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 25 september 2024. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een arrest van 18 februari 2025 het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel bekrachtigd.\n\n2.12. \n [eiser] heeft alle op basis van de veroordelingen aan [gedaagde] verschuldigde bedragen betaald. Voor contractuele boete, dwangsommen en vier keer proceskostenveroordeling heeft hij in totaal € 58.154,44 betaald.\n\n2.13. Bij dagvaarding van 30 april 2025 heeft [gedaagde] in kort geding een nieuwe (hogere) dwangsom gevorderd om [eiser] te bewegen alsnog mee te werken aan de levering van de woning. In een vonnis van 22 mei 2025 (procedurenummer C\u002F08\u002F332139) is de vordering afgewezen, omdat eerdere dwangsommen [eiser] niet hebben aangezet om na te komen en [eiser] de zaak voor wil leggen aan de bodemrechter.\n\n2.14. \n [gedaagde] heeft de koopovereenkomst ontbonden op 24 juni 2025 omdat hij de woning per 1 augustus 2025 voor € 224.00,- aan een andere partij heeft verkocht.\n\n3. Het geschil\n\n3.1. \n [eiser] vordert in deze procedure dat de rechtbank:\n\nPrimair\n\nI Voorwaardelijk, voor zover de overeenkomst niet reeds buitengerechtelijk is vernietigd, de overeenkomst vernietigt;\n\nSubsidiair\n\nII Voorwaardelijk, in het geval dat de rechtbank oordeelt dat er geen grond bestaat voor vernietiging van de overeenkomst, de overeenkomst ontbindt;\n\nPrimair en subsidiair\n\nIII verklaart voor recht:\n\na. dat de tussen partijen gewezen vonnissen geen werking meer hebben, althans hun rechtskracht verloren hebben wegens het vervallen van de onderliggende rechtsverhouding;\n\nb. dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het verzuim\u002Fonrechtmatig handelen door [gedaagde];\n\nIV bepaalt dat de in kort geding uitgesproken dwangsomveroordeling worden gematigd tot nihil;\n\nV [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen:\n\na. voorwaardelijk, indien en voor zover de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden of bij vonnis wordt ontbonden, de contractuele boete van € 23.750,-;\n\nb. een totaal van € 48.750,- terzake betaalde boete en dwangsommen, te vermeerderen met rente;\n\nc. een totaal van € 9.404,44 voor betaalde proceskostenveroordelingen, te vermeerderen met rente;\n\nd. een bedrag van € 9.404,44 als voorschot op door [gedaagde] te betalen schade;\n\nVI [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure.\n\nTer onderbouwing van de vorderingen voert [eiser] het volgende aan. Na het sluiten van de overeenkomst maar voor de geplande levering is gebleken dat de woning ernstige verborgen gebreken vertoonde, die [gedaagde] niet heeft gemeld, hoewel hij daartoe verplicht was. [eiser] stelt dat de woning daarom niet aan de overeenkomst beantwoordt en heeft de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd, althans ontbonden.\n\n [gedaagde] had de vragenlijst bij de aangeboden woning niet juist ingevuld. Door de waarnemingen van [naam 1] van 13 mei 2024 te verwerken in het inspectierapport, zijn de verschillen tussen januari en mei 2024 goed te zien. Op 7 mei 2024 was [eiser] samen met (werknemers van) De Warmteman en [bedrijf 2]. Ook zij hebben een lijst met gebreken opgesteld en [bedrijf 2] schat de herstelkosten op € 63.186,20.\n\nDe overeenkomst is tot stand gekomen onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken. [gedaagde] heeft essentiële informatie achtergehouden, bijvoorbeeld door bepaalde dingen niet op de vragenlijst te vermelden. Daarmee heeft hij [eiser] bewogen een overeenkomst te sluiten die hij bij juiste en volledige informatieverstrekking niet zou hebben gesloten. Het gaat daarbij om:\n\nvocht in de kruipruimte\u002Fkelder\n\nlekkages en dakproblemen\n\nvocht en schimmelproblemen\n\nhoutrot, houtvernielers en een verende vloer in de schuur\n\nslecht sluitende ramen en deuren\n\nproblemen met technische installaties\n\nopzettelijk verhullen gebreken tijdens bezichtiging.\n\nVoor [naam 2] staat vastdat [gedaagde] de mededingingsplicht heeft geschonden, en in de conclusie van antwoord van augustus 2024 in procedure C\u002F08\u002F316736 heeft [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Voor zover dat geen doel heeft getroffen is er voldoende grond om de overeenkomst bij vonnis in de onderhavige procedure te vernietigen.\n\nOmdat de vernietiging terugwerkende kracht heeft, heeft ieder betaling of prestatie op grond van die overeenkomst zonder rechtsgrond plaatsgevonden. Het kort geding vonnis van\n\n3 september 2024 levert immers geen gezag van gewijsde op. De betaalde boete van 10% kan daarom worden teruggevorderd. Ook de dwangsommen verliezen hun grondslag door de vernietiging, omdat deze zijn verbeurd door de verplichting tot nakoming, die achteraf gezien nooit heeft bestaan, aldus [eiser].\n\n3.2. \n\n [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] betwist dat de woning niet voldeed aan de overeenkomst en\u002Fof dat er sprake was van ernstige gebreken. [eiser] heeft de woning zonder voorbehoud van bouwkundige keuring gekocht. Daarnaast heeft hij de woning voor de aankoop laten keuren dus hij kende de staat van de woning. Ook zijn partijen een ouderdomsclausule overeengekomen. [eiser] was op de hoogte van de staat van de woning en er waren geen heimelijk gebreken die verborgen zijn gebleven voor de aankoop.\n\nDoor de weigering van [eiser] om de woning in mei af te nemen, kwam [gedaagde] in een lastige situatie. Hij had zelf een andere woning gekocht, maar was voor de financiering en levering daarvan wel afhankelijk van de verkoop van zijn woning aan [eiser]. Een overbruggingskrediet was niet mogelijk en [gedaagde] heeft van de nieuwe woning af moeten zien, maar daarvoor wel kosten gemaakt. [gedaagde] heeft de woning aan de [adres] uiteindelijk voor een lagere prijs moeten voorkopen. Hij kan nu geen andere woning meer kopen en woont met zijn kinderen bij zijn ouders.\n\nTijdens de eerste kort geding procedure wees [eiser] vooral op vocht- en schimmelproblemen, maar uit de aankoopkeuring van [naam 1] blijkt dat dit bekend was voorafgaand aan de koop. Uit het rapport van de tweede inspectie blijken geen nieuwe gebreken. Wat betreft het vocht achter het toilet heeft [gedaagde] aangeboden een nieuw toilet te plaatsen en de centrale verwarming te herstellen, dus dat zijn geen reden om te ontbinden. Na de eerste procedure kwam [eiser] met andere bezwaren (zoals dat de hypotheekofferte was verlopen) en hij bleef tegen beter weten in procederen om van de koop af te komen. Tegen de vermeende gebreken voert [gedaagde] puntsgewijs verweer.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. \n\nIs de overeenkomst gesloten onder invloed van dwaling en\u002Fof bedrog en\u002Fof misbruik van omstandigheden?\n\n [eiser] stelt in de eerste plaats dat hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd, althans hij vordert dat de rechtbank de overeenkomst vernietigt, omdat er sprake is van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden.\n\n [eiser] voert ter onderbouwing aan dat de woning zoals hij die in januari 2024 heeft bezichtigd en heeft laten onderzoeken door [naam 1], wezenlijk anders is dan de woning zoals hij die in mei 2024 heeft gezien en heeft laten onderzoeken door [naam 1], en wel zó anders dat hij de overeenkomst niet gesloten zou hebben als hij in januari 2024 had beschikt over de juiste kennis. Dit is volgens [eiser] mede te wijten aan het handelen van [gedaagde], die overal meubels voor had staan en die essentiële informatie over gebreken aan de woning voor [eiser] heeft achtergehouden. Hij heeft relevante informatie verzwegen en zodoende [eiser] bewogen tot een aankoop, die hij niet – of niet onder dezelfde voorwaarden – zou hebben gedaan als hij juist was geïnformeerd. Voorbeeld daarvan is dat [gedaagde] de vragenlijsten van de makelaar onvolledig heeft ingevuld, waardoor niet te voorzien was hoeveel de kosten tot herstel zouden bedragen, aldus [eiser].\n\n4.2. \n\nWas er sprake van een onjuiste voorstelling van zaken in januari 2024?\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of er daadwerkelijk sprake is geweest van een onjuiste voorstelling van zaken terzake (de staat van) de woning in januari 2024. Opgemerkt wordt dat het toetsmoment voor bedrog en dwaling ligt op het moment van aangaan van de overeenkomst.\n\nDe rechtbank oordeelt – evenals de voorzieningenrechter op 3 september 2024 – dat [eiser] niet heeft aangetoond dat in mei 2024 tot dat moment onzichtbare gebreken aan de woning zichtbaar werden, van zodanige aard en omvang dat er grond was\u002Fis voor vernietiging van de overeenkomst. Daarbij is van belang dat het om een ongeveer 90 jaar oude woning gaat en [eiser] deze op 2 januari 2024 heeft laten beoordelen door [naam 1]. Veel van de later genoemde problemen, zoals sporen van oude lekkages, verouderde elektra en een ouderwetse meterkast, vochtplekken op de muren, de matige staat van dakgoten en kozijnen, zijn al in het eerste rapport beschreven. Daar wordt ook al melding gemaakt van schimmelvlekken op de muren, een vochtige muur en vochtdoorslag. Er zitten foto’s bij met de omschrijving oude en nieuwe kleurcodering elektra, roest radiator slaapkamer, vocht in de kelder, 4 cm laag water in de kruipruimte, schimmelvormig woonkamer, schimmel achtergevel, ouderwetse meterkast.Veel onderdelen in het rapport zijn door [naam 1] beoordeeld met 0, 0\u002F+ of +, hetgeen betekent matig of voldoende. Op geen enkel punt is de score ++ (goed) gegeven. De staat van de woning zoals beschreven in het rapport, duidt er niet op dat [gedaagde] op dat moment heeft geprobeerd gebreken te verbergen, door bijvoorbeeld provisorische reparaties te verrichten of zaken over te schilderen.\n\nHet kan zijn dat vocht- en slijtageplekken nog beter zichtbaar waren nadat alle meubels en enkele kleedjes waren verwijderd, maar dat leidt niet tot de conclusie dat [gedaagde] de vochtproblemen in eerste instantie heeft proberen te verbergen. Er was immers genoeg van te zien. [eiser] had naar aanleiding van het rapport van [naam 1] nader onderzoek kunnen laten doen naar het vocht in de woning, maar dat heeft hij niet gedaan. Datzelfde geldt bijvoorbeeld voor punt 2.27 van het rapport Aarding nader laten onderzoeken in de badkamer. [eiser] heeft dat niet laten onderzoeken en heeft dus het risico genomen dat er een gebrek zou zijn op dit punt.\n\nDat één of meer radiatoren lekten was ook duidelijk in januari. Dat in mei inmiddels een handdoek was gelegd onder een radiator, betekent niet dat er een nieuw gebrek was. Dat de badkamer en de keuken minder schoon oogde dan tijdens de bezichtiging, en dat de woning niet goed was leeggeruimd, kan hebben bijgedragen aan de ervaren teleurstelling, maar dit zijn geen relevante omstandigheden in het kader van al of niet vernietigen van de overeenkomst.\n\nNaar aanleiding van het eerste rapport van [naam 1], waarin al het nodige noodzakelijke onderhoud was genoemd, zijn partijen bovendien tot een lagere koopprijs gekomen. De minder goede staat van de woning was kennelijk duidelijk voor [eiser] toen hij deze besloot te kopen. Dat er water in de kruipruimte stond was toen ook bekend, en niet kan worden vastgesteld dat de verklaring van [gedaagde], dat water in de kruipruimte niet gebruikelijk was, niet klopt. Dat [gedaagde] volgens [eiser] de vragenlijst op sommige punten niet juist heeft ingevuld doet aan het voorgaande niet af, omdat [naam 1] dezelfde punten allemaal heeft nagelopen en er dus voor de aankoop voldoende informatie was over al die punten. Aangezien [eiser] opdracht had gegeven voor het onderzoek van [naam 1] ligt het voor de hand dat [eiser] dat rapport goed heeft doorgenomen. Hij had voor aankoop kunnen doorvragen op punten waarbij de bevindingen in het rapport niet klopten met wat er op de vragenlijst was ingevuld.\n\nDat [naam 1] in zijn rapport van 13 mei 2024 een aantal zaken noemt die volgens hem eerder niet zichtbaar waren, betekent niet dat deze opzettelijk verhuld waren. Onvoldoende is aangetoond dat deze ook bij een gedegen inspectie niet te zien waren geweest. In de bevindingen van 13 mei 2024 staat bijvoorbeeld bij Zolder binnen: Ramen en deuren sluiten niet goed. Was tijdens de rondgang niet goed te controleren.Bij andere punten is vermeld dat er eerder iets voor stond. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat er niet méér en grondiger gecontroleerd had kunnen worden, door tijdens de inspectie te vragenKunnen we hier even achter of onder kijken?Zeker gezien het feit dat de woning is januari al op veel punten 0, 0\u002F+ of + scoorde was er aanleiding om dat te doen.\n\nWat betreft de aanvullende verklaring van [naam 1] van 10 september 2024, waarin hij nog aanvullende opmerkingen maakt over schimmelvorming in de woning en zure penetrante geur in de woning op 13 mei 2024: aan deze verklaring worden geen gevolgen verbonden. Er staat over 13 mei 2024: Er was schimmel aanwezig in vrijwel de gehele woning. O.a. de zwarte schimmel was aanwezig, dit is een van de ergste en schadelijkste schimmelsoorten.\n\nIn de eerste plaats is de verklaring van 10 september 2024 weinig concreet en ontbreken foto’s. Maar bovenal is het opvallend dat – als de schimmelproblematiek zo erg is als [naam 1] stelt – dit niet in het eerdere rapport van 13 mei 2024 gelijk is gemeld. [naam 2] heeft, hoewel dat op zijn weg lag, niet kunnen verklaren waarom klachten die in september worden genoemd niet op 13 mei geconstateerd hadden kunnen worden.\n\nDat [eiser] de woning niet zou hebben gekocht als hij een beter beeld had gehad van de woning en de kosten voor diverse reparaties\u002Faanpassingen, is niet aangetoond. [naam 1] had in januari 2024 immers ook al een raming van noodzakelijke werkzaamheden gemaakt en dat was als argument bij de onderhandelingen gebruikt. Het kan zo zijn dat de installateurs die op 7 mei 2024 mee waren in de woning een uitgebreidere offerte maakten, maar dat betekent niet dat [eiser] de woning niet zou hebben gekocht als hij die offertes eerder had ontvangen. Het is bovendien zijn eigen keuze geweest het zo aan te pakken.\n\nHet voorgaande leidt tot de conclusie dat de overeenkomst niet is vernietigd en niet zal worden vernietigd.\n\n4.3. \n\nontbinding van de overeenkomst\n\n [eiser] vordert daarnaast dat de overeenkomst wordt ontbonden. Hij heeft [gedaagde] bij brief van 16 mei 2024 in gebreke gesteld en gevorderd dat alle gebreken worden hersteld, alvorens kan worden geleverd.\n\nDe woning is inmiddels aan een derde verkocht en [gedaagde] heeft daarom de overeenkomst per 1 augustus 2025 ontbonden, zodat de rechtbank dit niet meer kan doen. Maar als [gedaagde] de overeenkomst niet had ontbonden, zou de rechtbank niet overgaan tot ontbinding omdat niet gebleken is van tekortkomingen van zodanig ernst en omvang dat die de ontbinding met al haar gevolgen zouden rechtvaardigen. Daarbij wordt opgemerkt dat de ingebrekestelling een termijn had van twee dagen. Dat is veel te kort, zelfs nu er alleen werd gevraagd om een toezegging tot herstel te doen. [eiser] had in gesprek kunnen gaan met [gedaagde], maar heeft daar geen gelegenheid voor gegeven door gelijk te eisen dat álle gebreken in het rapport van [naam 1] worden hersteld. [eiser] stelde zich toen al onwrikbaar op en heeft daarmee de weg voor een oplossing tussen partijen afgesloten.\n\nBij dit alles wordt nog opgemerkt dat nadere bewijslevering naar het oordeel van de rechtbank niets kan opleveren dat de zaak anders maakt. De belangrijkste conclusie is immers dat door het eerste rapport van [naam 1] al vóór de koop duidelijk was dat de woning moest worden opgeknapt en dat daarin al voldoende aanwijzingen waren voor alle soorten gebreken, die [eiser] later ten grondslag heeft gelegd aan zijn vorderingen tot vernietiging en\u002Fof ontbinding.\n\n4.4. \n\nafwijzing van de vorderingen\n\nNu de conclusie is dat de overeenkomst niet is vernietigd of alsnog wordt vernietigd verandert er niets aan de reeds gewezen vonnissen. Vordering sub II terzake ontbinding is ook niet toewijsbaar. Er is geen reden om de gestelde schade van [eiser] te laten vergoeden door [gedaagde], omdat niet is geconcludeerd van [gedaagde] in verzuim is geweest of onrechtmatig heeft gehandeld.\n\n4.5. \n\nproceskosten\n\n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.374,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.290,00\n\n(1 punt × € 1.290,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.853,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] van € 2.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3806","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.032Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":45,"courtId":113,"decisionDate":87,"fullText":114,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":53,"updatedAt":116},"1627","ECLI:NL:RBOVE:2026:3804","ecli-nl-rbove-2026-3804",57,"RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F339615 \u002F HA ZA 25-359\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. KO VASTGOED B.V.,\n\nte Balkbrug, 2. [partij A1] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats 1] , 3. V.O.F. [partij A2],\n\nte [vestigingsplaats 2] , 4. [partij A3],\n\nte [woonplaats 1] , 5. [partij A4],\n\nte [woonplaats 2] , 6. KLEIN OEVER B.V.,\n\nte Balkbrug,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nalle partijen hierna samen te noemen: KO Vastgoed c.s.\n\npartij sub 3. tot en met sub 5. hierna samen te noemen: [partij A2 t\u002Fm A4]\n\nadvocaat: mr. J. Smit,\n\ntegen\n\n1. V.O.F. [partij B1] ,\n\nte [vestigingsplaats 3] , 2. [partij B2],\n\nte [woonplaats 3] , 3. [partij B3],\n\nte [woonplaats 4] ,\n\ngedaagde partijen in conventie,\n\neisende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [partij B] ,\n\nadvocaat: mr. N.R. Breman-Kleine.\n\n1. De zaak en het oordeel in het kort\n\n1.1. \n [partij B] dreven een manage die [partij A2 t\u002Fm A4] (als rechtsvoorganger van KO Vastgoed) hebben overgenomen. [partij B] en [partij A2 t\u002Fm A4] hebben verder een gebruiksovereenkomst gesloten op grond waarvan [partij B] na de overdracht van de manege, een deel van de gebouwen en stallen om niet konden blijven gebruiken voor het (op)fokken en trainen van paarden. KO Vastgoed c.s. vinden dat [partij B] op meerdere punten tekort zijn geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst en hebben de gebruiksovereenkomst daarom buitengerechtelijk ontbonden. Zij vorderen in deze procedure onder andere ontruiming van het terrein en de gebouwen van de manege door [partij B] zijn het daar niet mee eens en vinden dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Zij zijn verder van mening dat KO Vastgoed c.s. hen geld verschuldigd is voor spanten die KO Vastgoed c.s. hebben gebruikt voor de bouw van een stal en vorderen in reconventie betaling van een bedrag van € 66.422,95,-.\n\n1.2. De rechtbank is ten aanzien van het merendeel van de gestelde tekortkomingen van oordeel dat [partij B] niet tekort zijn geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst. Op een aantal punten zijn zij wel tekort geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst, maar die tekortkomingen rechtvaardigen niet de ontbinding van de overeenkomst. De vorderingen in conventie worden daarom afgewezen. De rechtbank is verder van oordeel dat de spanten eigendom van KO Vastgoed zijn en zal de vorderingen in reconventie ook afwijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie;\n\n- de akte voorwaardelijke wijziging van eis van 19 maart 2026 van [partij B] ;\n\n- de akte overlegging producties van 20 maart 2026 van KO Vastgoed c.s.; - de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [partij B] exploiteerden een paardenmanege in [vestigingsplaats 3] waar [partij A3] en [partij A4] hebben gewerkt. Op 1 september 2021 hebben [partij B] en [partij A2 t\u002Fm A4] een mondelinge koopovereenkomst gesloten, die op 8 december 2021 op schrift is gesteld, op basis waarvan [partij A2 t\u002Fm A4] de onderneming (met alle daarbij behorende roerende en onroerende goederen) hebben gekocht. Bij notariële akte heeft op 8 december 2021 de levering van de (on)roerende zaken plaatsgevonden.\n\n3.2. \n [partij A2 t\u002Fm A4] en [partij B] hebben op 8 december 2021 ook een ‘Overeenkomst Gebruik binnenbak met stallen’(hierna: gebruiksovereenkomst) gesloten. De gebruiksovereenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan en kan op grond van artikel 3.3 door [partij A2 t\u002Fm A4] niet opgezegd worden. In de gebruiksovereenkomst is verder onder andere het volgende opgenomen:\n\n“1.1 Eigenaar geeft zonder geldelijke tegenprestatie aan gebruiker en gebruiker gebruikt van eigenaar de binnenbak met stallen, hierna ‘het registergoed’ genoemd, plaatselijk bekendDe kleine binnenbak, verblijfsruimte, de vier voorste stallen en de tien sportboxen (…)1.2. Het registergoed is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als verblijfsruimte, binnenbak met stallen.1.3. \n\nHet is gebruiker niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van eigenaar een andere bestemming aan het registergoed te geven dan omschreven in artikel 1.2.\n\n(…)\n\nVoorwaarden\n\n(…)2.3. Deze overeenkomst is overdraagbaar aan mevrouw\n [naam] (…). Indien deze overeenkomst wordt overgedragen aan genoemde mevrouw [naam] , dan mag zij van de rechten op grond van deze overeenkomst gebruiken tot dat zij de AOW gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Indien deze overeenkomst overgedragen wordt aan genoemde mevrouw [naam] en zij concurrerende werkzaamheden gaat verrichten, die de onderneming van eigenaar dermate schaden, dan kan eigenaar deze overeenkomst opzeggen.2.4. \n\nDeze overeenkomst is ook van toepassing op eventuele rechtsopvolgers van eigenaar en de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen moeten bij eventuele verkoop van het object aan koper worden opgelegd. (…)\n\n(…)2.6. Gebruiker mag het gehuurde uitsluitend voor eigen gebruik gebruiken. Het registergoed mag niet worden onderverhuurd.\n\n3.3. Op 29 december 2022 is de onderneming van [partij A2 t\u002Fm A4] , inclusief de roerende en onroerende zaken, ingebracht in [partij A1] B.V. (hierna [partij A1] ). Op diezelfde dag heeft [partij A1] de onderneming ingebracht in KO Vastgoed B.V. (hierna: KO Vastgoed).\n\n3.4. Bij brief van onder andere 8 november 2024 en 28 maart 2025 hebben KO Vastgoed c.s. [partij B] medegedeeld dat zij in strijd handelen met de gebruiksovereenkomst door onder andere de verblijfsruimte te verhuren, te veel paarden te houden en het registergoed commercieel te exploiteren. Zij hebben hen in gebreke gesteld en gesommeerd:\n\n- De bewoning van de verblijfsruimte door [naam] te (doen) beëindigen.\n\n(…);\n\nDe in de binnenbak geplaatste boxen te ontruimen (…);\n\nHet gebruik van het Registergoed door [naam] te (doen) beëindigen;\n\nDe stalling van paarden en pony's die niet uw eigendom zijn te beëindigen;\n\nDe stalling van eigen pony’s en paarden te beperken tot maximaal tien paarden en vier pony’s in de daartoe bestemde vier voorste stallen en tien sportboxen;\n\nDe commerciële exploitatie van het Registergoed door u en\u002Fof [naam] te staken en gestaakt te houden.\n\n3.5. Op 13 mei 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid. Bij brief van 28 mei 2025 hebben KO Vastgoed c.s. geschreven de gebruiksovereenkomst te ontbinden.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1. \n\nKO Vastgoed c.s. vorderen uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair\n\nI. te verklaren voor recht dat de gebruiksovereenkomst niet (meer) geldt tussen KO Vastgoed en\u002Fof [partij A1] en\u002Fof v.o.f. [partij A2] en\u002Fof Klein Oever B.V. en\u002Fof [partij A3] en\u002Fof [partij A4] (individueel en\u002Fof gezamenlijk) enerzijds en [partij B2] en [partij B3] en v.o.f. Reestdalhoeve (individueel en\u002Fof gezamenlijk) anderzijds,\n\nSubsidiair\n\nI. voor het geval de gebruiksovereenkomst nog werking heeft, de gebruiksovereenkomst te ontbinden,\n\nZowel primair als subsidiair\n\nII. te verklaren voor recht dat de gebruiksovereenkomst geen verplichtingen (meer) schept voor KO Vastgoed c.s.,\n\nIII. [partij B] te veroordelen om het perceel [kadastrale aanduidingen] , binnen vier weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden,\n\nIV. hetgeen onder III. genoemd onder oplegging van een dwangsom van € 1.500,- per dag, met een maximum van € 300.000,-,\n\nV. [partij B2] en [partij B3] c.s. te verbieden om gebruik te maken van het perceel [kadastrale aanduidingen] , en daar niet met enig transportmiddel overheen te rijden, noch dit daarop te stallen,\n\nVI. hetgeen onder V. genoemd onder oplegging van een dwangsom van € 750,- per overtreding met een maximum van € 75.000,-\n\nVII. [partij B] te veroordelen in de kosten van de procedure.\n\n4.2. \n [partij B] voeren verweer. [partij B] concluderen in conventie tot niet-ontvankelijkheid van KO Vastgoed c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen.\n\nin reconventie\n\n4.3. \n\n [partij B] vorderen - samengevat - de vennootschap onder firma [partij A2] alsmede haar vennoten [partij A3] en [partij A4] (verweerders in reconventie sub 3., 4. en 5) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 66.422,95 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n \n [partij B] vorderen daarnaast voorwaardelijk (voor het geval dat K.O. Vastgoed B.V., [partij A1] B.V. en\u002Fof Klein Oever B.V. daartoe kunnen worden aangesproken):\n\nK.O. Vastgoed B.V. en\u002Fof [partij A1] B.V. en\u002Fof Klein Oever B.V. (verweerders in reconventie sub 1., 2. en 6.) eveneens hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 66.422,95 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nen zowel voorwaardelijk en onvoorwaardelijk, KO Vastgoed c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure.\n\n4.4. KO Vastgoed c.s. voeren verweer. KO Vastgoed c.s. concluderen in reconventie tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.\n\n4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie\n\n5.1. Omdat partijen verdeeld zijn over de vraag of KO Vastgoed door contractoverneming van [partij A2 t\u002Fm A4] , partij is geworden bij de gebruiksovereenkomst en de vorderingen in deze procedure (mede) kan instellen, zal de rechtbank die vraag eerst beantwoorden.\n\nKO Vastgoed is partij geworden bij gebruiksovereenkomst5.2. Volgens KO Vastgoed is zij partij geworden bij de gebruiksovereenkomst. Zij stelt daartoe het volgende. Op 29 december 2022 hebben [partij A2 t\u002Fm A4] de onderneming, inclusief de onroerende zaken ingebracht in [partij A1] . Op diezelfde dag heeft [partij A1] de onderneming inclusief de onroerende zaken ingebracht in KO Vastgoed. KO Vastgoed voert verder aan dat zij ook hebben voldaan aan de verplichting uit artikel 2.4. van de gebruiksovereenkomst, waaruit volgt dat de verplichtingen uit de gebruiksovereenkomst ook aan een eventuele derde verkrijger van de onroerende zaak moeten worden opgelegd. In zowel de akte van inbreng in [partij A1] , als de akte van inbreng in KO Vastgoed, is namelijk opgenomen dat de levering mede omvat alle aan de ingebrachte goederen verbonden rechten en verplichtingen. Volgens KO Vastgoed heeft zij daarom vanaf dat moment de rechtsverhouding van [partij A2 t\u002Fm A4] overgenomen.\n\n5.3. \n [partij B] betwisten dat KO Vastgoed door contractovername partij is geworden bij de gebruiksovereenkomst omdat zij daarmee niet hebben ingestemd, maar geven aan dat zij op dit punt verder geen verweer voeren en zich aan het oordeel van de rechtbank refereren.\n\n5.4. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 6:159 BW een partij bij een overeenkomst haar rechtsverhouding tot de wederpartij, met medewerking van deze laatste, kan overdragen aan een derde, bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. [partij A2 t\u002Fm A4] hebben hun rechten en verplichtingen op grond van de gebruiksovereenkomst aan KO Vastgoed overgedragen bij de akte inbreng in [partij A1] en akte inbreng KO Vastgoed, door te bepalen dat de levering mede omvat alle aan de ingebrachte goederen verbonden rechten en verplichtingen. Verder vereist artikel 6:159 BW medewerking van de wederpartij, in dit geval [partij B] De medewerking van de wederpartij bij de overdracht van de rechtsverhouding is vormvrij.\n\n5.5. Hoewel [partij B] aanvoeren dat zij niet expliciet hebben ingestemd met de contractovername door KO Vastgoed, was dat naar het oordeel van de rechtbank ook niet noodzakelijk omdat hun medewerking volgt uit hun gedragingen. Uit de door hen overgelegde e-mails van 30 juni 2023 en 9 december 2024, volgt namelijk dat zij vanaf de verkoop van de onderneming in 2021, althans (in ieder geval) vanaf 30 juni 2023, bekend waren met de inbreng van de onderneming in een besloten vennootschap en dat zij daar bij de verkoop van de onderneming bovendien toestemming voor hebben gegeven. Dat zij zoals zij stellen, niet wisten dat de besloten vennootschap waarin de onderneming zou worden ingebracht KO Vastgoed is, doet daar niet aan af. Omdat in artikel 2.4 van de gebruiksovereenkomst is voorzien in de situatie van overdracht van de onroerende zaak en [partij B] al langere tijd bekend waren met de inbreng in een besloten vennootschap en daar op voorhand toestemming voor hebben gegeven, moet worden aangenomen dat zij hun medewerking als bedoeld in artikel 6:159 lid 1 BW hebben verleend. Daarbij komt dat hun rechten op basis van de gebruiksovereenkomst in de akte inbreng door [partij A2 t\u002Fm A4] zijn gewaarborgd en dat ook niet gesteld of gebleken is dat [partij B] enig belang hebben bij het weerhouden van hun instemming. De rechtbank stelt daarom vast dat [partij A2 t\u002Fm A4] hun rechtsverhouding met [partij B] op grond van de gebruiksovereenkomst, via [partij A1] , hebben overgedragen aan KO Vastgoed.\n\nTekortkomingen in de nakoming van de gebruiksovereenkomst5.6. In deze zaak moet in conventie verder de vraag beantwoord worden of [partij B] tekort zijn geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst en of die tekortkomingen ertoe leiden dat KO Vastgoed gerechtigd was de gebruiksovereenkomst te ontbinden. De rechtbank overweegt vooropgesteld dat op grond van artikel 6:265 lid 1 BW iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.\n\n5.7. Omdat partijen op bepaalde onderdelen ook van mening verschillen over wat zij precies zijn overeengekomen in de gebruiksovereenkomst en hoe de bepalingen uit de betreffende overeenkomst uitgelegd moeten worden, zal de rechtbank daar in het navolgende op in gaan. Voor beantwoording van de vraag wat partijen in de gebruiksovereenkomst zijn overeengekomen gaat het niet om een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst, maar ook om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf).\n\n5.8. De rechtbank zal hierna per gestelde tekortkoming (waar nodig) aan de hand van de Haviltex-maatstaf vaststellen wat de inhoud van de verplichtingen van partijen op grond van de gebruiksovereenkomst is, of [partij B] tekort zijn geschoten in de nakoming van die verplichting en, indien daarvan sprake is, of die tekortkoming in de nakoming van die verplichtingen uit de overeenkomst ook de ontbinding van de gebruiksovereenkomst rechtvaardigt.\n\nTekortkoming I: paardenboxen in de binnenbak en het houden van teveel paarden5.9. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] paardenboxen in de kleine binnenbak hebben geplaatst en daarin paarden houden. Volgens KO Vastgoed c.s. handelen [partij B] daarmee in strijd met de gebruiksovereenkomst omdat de binnenbak alleen bestemd is om paarden te rijden en niet om boxen in te plaatsen en paarden in te stallen. Dat betekent volgens KO Vastgoed c.s. dat zij de bestemming van de ruimte hebben gewijzigd terwijl dat niet is toegestaan. Ter onderbouwing verwijzen zij naar artikel 1.2 en 1.3 van de gebruiksovereenkomst (zoals hiervoor onder 3.2. is geciteerd), waaruit volgt dat het registergoed uitsluitend bestemd is om te worden gebruikt als ‘verblijfsruimte, binnenbak met stallen’en dat het gebruiker niet toegestaan is om een andere bestemming aan het registergoed te geven.\n\n5.10. De rechtbank is van oordeel dat [partij B] op dit punt niet tekort zijn geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst. Zoals [partij B] hebben aangevoerd is de binnenbak in de jaren voorafgaand aan het sluiten van de gebruiksovereenkomst gedurende langere periodes, met plaatsing van boxen, gebruikt als stalruimte voor paarden en was die stalruimte bovendien bij het aangaan van de gebruiksovereenkomst ook aanwezig in de binnenbak. [partij B] hoefden daarom redelijkerwijs niet uit de tekst van de overeenkomst of de verklaringen en gedragingen van [partij A2 t\u002Fm A4] , af te leiden dat deze wijze van gebruik niet langer toegestaan zou zijn als gevolg van de gebruiksovereenkomst. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het gebruiksrecht van [partij B] is ingegeven door de wens en de bedoeling van [partij B] om een deel van hun activiteiten, te weten het fokken en trainen van paarden, na de overdracht van de manege aan [partij A2 t\u002Fm A4] voort te zetten. Dan ligt het voor de hand dat het gebruik wordt voortgezet zoals ook voorafgaand aan het sluiten van de gebruiksovereenkomst plaatsvond. Dus met gebruik van de binnenbak als stalruimte. Niet gesteld of gebleken is dat partijen dat gebruik uitdrukkelijk hebben willen wijzigen. [partij B] zijn daarom op dit punt niet tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst.\n\n5.11. KO Vastgoed c.s. voeren verder aan dat [partij B] ook meer paarden houden dan is toegestaan op grond van de gebruiksovereenkomst. Volgens KO Vastgoed c.s. is het [partij B] toegestaan om maximaal 14 paarden of pony’s te houden omdat zij 14 stalplaatsen in gebruik heeft gekregen. De gebruiksovereenkomst gaat namelijk uit van ‘de vier voorste stallen en de tien sportboxen’. Het is voor KO Vastgoed c.s. van belang dat [partij B] niet meer paarden houden omdat er op basis van de milieuvergunning op de manege ruimte is voor 83 paarden of pony’s en KO Vastgoed c.s. in haar bedrijfsvoering wordt beperkt wanneer [partij B] meer paarden houden dan hen is toegestaan.\n\n5.12. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij in de gebruiksovereenkomst niet expliciet een maximaal aantal te houden paarden zijn overeengekomen en dat daar ook niet over gesproken is. Partijen zijn het er over eens dat uit het beschikbare aantal stalplaatsen een maximum aantal paarden volgt, maar verschillen van mening over dat aantal. Volgens KO Vastgoed c.s. is dat 14 paarden of pony’s. Uit de brief van 12 december 2024 van [partij B] volgt dat dat aantal volgens hen 30 is omdat er ruimte is voor tien paarden in de sportboxen, vier paarden in de voorste stallen, acht paarden in de stallen in de binnenbak en acht paarden in de loopstal in de binnenbak.\n\n5.13. Naar het oordeel van de rechtbank mogen [partij B] op basis van de gebruiksovereenkomst 22 paarden of pony’s houden. Zoals hiervoor is overwogen zijn partijen geen maximum aantal paarden overeengekomen en komt wat zij zijn overeengekomen neer op wat zij redelijkerwijs uit de tekst van de overeenkomst en elkaars verklaring en gedragingen mochten afleiden. Omdat een optelsom van het fysieke aantal bestaande stalplaatsen uitkomt op 22, namelijk de tien sportboxen, de vier voorste stallen en de acht stallen in de binnenbak, gaat de rechtbank uit van een maximum van 22 paarden of pony’s. De rechtbank volgt [partij B] overigens niet in hun stelling dat zij ook nog acht plekken hebben in de loopstal die zij hebben gecreëerd in de binnenbak. Vaststaat namelijk dat partijen aanvankelijk een andere loopstal onder de gebruiksovereenkomst wilden brengen maar dat [partij A2 t\u002Fm A4] daarvan hebben afgezien en dat het gebruik van die loopstal uit de definitieve gebruiksovereenkomst is geschrapt. [partij B] voeren aan dat partijen daarom zijn overeengekomen dat [partij B] een nieuwe loopstal mochten creëren in de binnenbak, maar dat betwisten KO Vastgoed c.s. Omdat de loopstal niet meer in de definitieve gebruiksovereenkomst is opgenomen ligt het voor de hand dat partijen, in het geval dat zij overeen zijn gekomen dat er daarom een nieuwe loopstal in de binnenbak mocht worden gecreëerd, daarvoor een voorziening zouden hebben opgenomen in de gebruiksovereenkomst. Dat hebben zij niet gedaan.\n\n5.14. De rechtbank overweegt verder dat [partij B] op het moment van de buitengerechtelijke ontbinding 20 paarden of pony’s hielden. Omdat niet gesteld of gebleken is dat zij op dat moment meer paarden hielden dan het toegestane aantal van 22 zoals hiervoor is overwogen, zijn zij ook op dit onderdeel niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.\n\nTekortkoming II: het gebruik van de vier voorste stallen als opslag5.15. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] tekort zijn geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst omdat zij de voorste vier stallen gebruiken als opslag, terwijl deze alleen gebruikt zouden mogen worden als stalruimte en het huidige gebruik een rommelige indruk geeft van het terrein van KO Vastgoed.\n\n5.16. De rechtbank oordeelt als volgt. Voor zover al zou moet worden aangenomen dat [partij B] bij het aangaan van de gebruiksovereenkomst hadden moeten begrijpen dat de vier voorste stallen alleen voor het stallen van paarden mochten worden gebruikt, geldt dat het gebruik van deze ruimtes als opslag voor paard en pony gerelateerde goederen, niet een zodanig ernstige schending van de gebruiksovereenkomst is dat het de ontbinding daarvan rechtvaardigt. KO Vastgoed c.s. hebben niet toegelicht of aannemelijk gemaakt dat KO Vastgoed van het gebruik enig nadeel ondervindt, dat het leidt tot schade aan haar onderneming of dat zij op andere wijze in haar belangen wordt geschaad.\n\nTekortkoming III: stalling paarden van derden, commerciële activiteiten5.17. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] niet alleen eigen paarden houden, maar ook paarden van derden stallen en een ‘all-in’ vergoeding vragen voor het verzorgen, trainen en stallen van die paarden. Volgens KO Vastgoed c.s. handelen zij daarmee in strijd met artikel 2.6 van de gebruiksovereenkomst omdat het registergoed volgens dat artikel alleen bestemd is voor eigen gebruik en het registergoed niet mag worden onderverhuurd. [partij B] betwisten niet dat zij paarden van derden trainen en stallen, maar betwisten wel dat dit in strijd is met de gebruiksovereenkomst. Volgens [partij B] zijn het eigen activiteiten die zij voor de overdracht van de onderneming ook al exploiteerden en dat zij met de gebruiksovereenkomst juist die activiteiten wilde voortzetten.\n\n5.18. KO Vastgoed c.s. voeren aan dat met ‘eigen gebruik’ zoals is opgenomen in artikel 2.6, ‘hobbymatig privé gebruik’ bedoeld is. Volgens KO Vastgoed c.s. was de insteek van de gebruiksovereenkomst dat [partij B] na hun pensioen hun commerciële activiteiten zouden staken en alleen hobbymatig paarden zouden houden, en dat het trainen en stallen van paarden van derden daar niet onder valt.\n\n5.19. Zoals de rechtbank hiervoor onder 5.10 heeft overwogen, was het de bedoeling van [partij B] om, na de overdracht van de onderneming (de manege) een deel van hun activiteiten voort te zetten, te weten het fokken en trainen van eigen en sporadisch andermans paarden. Zij hebben onweersproken aangevoerd dat om fiscale redenen deze activiteit (het fokken en trainen van paarden) ‘in privé’ is gedaan, maar dat het altijd een commerciële activiteit is geweest en dat dit nog steeds zo is. Omdat ook al voor het aangaan van de gebruiksovereenkomst, weliswaar sporadisch, andermans paarden werden getraind, hoefden zij de woorden ‘eigen gebruik’, redelijkerwijs niet zo te begrijpen dat het na overdracht van de onderneming en het sluiten van de gebruiksovereenkomst niet langer toegestaan was andermans paarden te trainen. Het trainen, stallen en verzorgen van paarden van derden als één ‘all-in’ activiteit, valt naar het oordeel van de rechtbank onder eigen (commercieel) gebruik. Dat gebruik betreft dan ook niet het onderverhuren van stalruimte aan derden (zoals een pensionstal), wat volgens de gebruiksovereenkomst niet toegestaan is. KO Vastgoed c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat zij uit de mededelingen van [partij B] dat zij met pensioen gingen mochten afleiden dat zij alleen nog hobbymatig gebruik zouden maken van de stallen, maar die stelling stuit af tegen het feit dat (zoals hiervoor overwogen) de gebruiksovereenkomst is ingegeven door de bedoeling van [partij B] om hun al bestaande commerciële activiteiten voort te zetten.\n\nTekortkoming IV: verhuur van de verblijfsruimte aan [naam]5.20. KO Vastgoed c.s. voeren aan dat [partij B] in strijd met de gebruiksovereenkomst de verblijfsruimte hebben verhuurd aan [naam] (hierna: [naam] ), terwijl onderverhuur en permanente bewoning van de verblijfsruimte op grond van de gebruiksovereenkomst niet toegestaan is. [partij B] erkennen dat maar voeren aan dat zij daarvan ten tijde van de verhuur aan [naam] niet op de hoogte waren en dat zij na de sommatie van KO Vastgoed, de bewoning binnen de gestelde termijn hebben beëindigd en dat [naam] zich op een ander adres heeft ingeschreven. Ter onderbouwing verwijzen zij naar de brief van de gemeente Hardenberg waaruit volgt dat [naam] zich per 19 december 2024, dus voor het einde van de door KO Vastgoed gestelde termijn op 20 december 2024, heeft ingeschreven op een ander adres.\n\n5.21. De rechtbank oordeelt als volgt. Omdat [partij B] in strijd met de gebruiksovereenkomst de verblijfruimte aan [naam] hebben verhuurd zijn zij tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de gebruiksovereenkomst. Hoewel deze tekortkoming uit het verleden niet ongedaan kan worden gemaakt, rechtvaardigt deze tekortkoming - in het licht van de sommatie van KO Vastgoed en de door haar gestelde termijn, en de uitschrijving van [naam] voor het einde van de termijn - de ontbinding van de gebruiksovereenkomst niet.\n\nTekortkoming V: niet naleven van parkeerbeleid en oneigenlijk gebruik wegen5.22. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] het parkeerbeleid op het terrein van KO Vastgoed niet naleven en dat zij oneigenlijk gebruik van de toegangswegen maken door daar met zware machines overheen te rijden naar hun achterliggende percelen, terwijl die percelen ook op een andere manier kunnen worden bereikt.\n\n5.23. De rechtbank overweegt vooropgesteld dat in de gebruiksovereenkomst geen expliciete afspraken zijn gemaakt over het gebruik van de toegangswegen en het terrein van KO Vastgoed. Echter is niet in geschil dat een redelijke uitleg van de gebruiksovereenkomst meebrengt dat het gebruik van de toegangswegen en de parkeergelegenheden op het terrein van KO Vastgoed door [partij B] en door hen aangewezen derden, is toegestaan omdat het gebruiksrecht anders niet kan worden uitgeoefend. Omdat het terrein van KO Vastgoed is dienen [partij B] en de vanwege hen aanwezige derden, zich aan de op het terrein geldende regels te houden, zoals het parkeerbeleid. Voorstelbaar is dan ook dat het structureel niet naleven van het parkeerbeleid en de andere op het terrein geldende regels kan leiden tot een grond voor ontbinding van de overeenkomst. De rechtbank overweegt verder dat uit de stellingen en door KO Vastgoed c.s. overgelegde stukken kan worden afgeleid dat overtredingen van het parkeerbeleid hebben plaatsgevonden. Dat is door [partij B] ook niet weersproken. Omdat de overtredingen van het parkeerbeleid incidenteel hebben plaatsgevonden en [partij B] tijdens de mondelinge behandeling het belang van de verkeersregels en het parkeerbeleid hebben erkend en hebben aangegeven zich daaraan (strikt) te zullen houden, rechtvaardigen die overtredingen niet de ontbinding van de gebruiksovereenkomst.\n\n5.24. KO Vastgoed c.s. stellen ook dat [partij B] zonder toestemming met zware landbouwvoertuigen over de toegangswegen van KO Vastgoed rijden om bij hun achterliggende percelen te komen. De rechtbank overweegt hierover dat de achterliggende percelen van [partij B] geen onderdeel zijn van de gebruiksovereenkomst en daarmee ook geen verband houden. Hoewel KO Vastgoed als eigenaar van de toegangswegen het (onnodig) gebruik daarvan kan verbieden, houdt dat geen verband met de gebruiksovereenkomst zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.\n\nTekortkoming VI: niet houden aan rookbeleid5.25. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] zich niet houden aan het rookbeleid op het terrein en in de stallen hebben gerookt. [partij B2] erkent dat hij in de stal heeft gerookt, maar voert aan dat hij zich, nadat hij daarop is aangesproken, aan het rookbeleid houdt.\n\n5.26. Zoals de rechtbank hiervoor onder 5.23 heeft geoordeeld brengt een redelijke uitleg van de gebruiksovereenkomst met zich mee dat [partij B] zich aan de door KO Vastgoed gestelde regels op het terrein dienen te houden, waaronder het rookbeleid. Ook hiervoor geldt dat het structureel niet naleven van dit beleid op enig moment de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Nu is alleen komen vast te staan dat er incidenteel door [partij B2] in de stal is gerookt. Er is niet komen vast te staan dat hij dat nog heeft gedaan nadat hij daarop is aangesproken. De overtreding van het rookbeleid is daarom onvoldoende ernstig om ontbinding van de gebruiksovereenkomst te rechtvaardigen.\n\nTekortkoming VII: gebruik zaken van KO Vastgoed5.27. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] onrechtmatig gebruik maken van machines van KO Vastgoed en dat zij zich daarom niet gedragen op een wijze die van hen mag worden verwacht op basis van de gebruiksovereenkomst. [partij B] voeren aan dat partijen in de gebruiksovereenkomst niets zijn overeengekomen over het gebruik van machines, maar dat zij over en weer elkaars machines gebruikten en dat [partij B] ook een onkostenvergoeding voor dat gebruik betaalden. Verder hebben zij ter zitting aangevoerd dat zij inmiddels geen gebruik meer maken van de zaken van KO Vastgoed.\n\n5.28. De rechtbank oordeelt als volgt. Nu over het gebruik van machines geen afspraken zijn gemaakt in de gebruiksovereenkomst, is gebruik zonder toestemming niet aan te merken als schending van verplichtingen uit die overeenkomst, en kan dat niet leiden tot ontbinding van die overeenkomst.\n\nAfwijzing vorderingen in conventie5.29. Gelet op het voorgaande zijn [partij B] op de belangrijkste punten niet tekort geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst. Zij zijn op enkele punten wel tekort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen op grond van de gebruiksovereenkomst, maar die tekortkomingen rechtvaardigen niet de ontbinding van de gebruiksovereenkomst omdat zij slechts incidenteel of gering van aard waren. Dat betekent dat de buitengerechtelijke ontbinding van de gebruiksovereenkomst door KO Vastgoed (c.s.) geen effect heeft gehad. De gevorderde verklaringen voor recht en de subsidiaire vordering tot ontbinding van de overeenkomst worden daarom afgewezen. Omdat de gebruiksovereenkomst tussen partijen blijft bestaan, zullen ook de vorderingen tot ontruiming en tot het opleggen van een verbod om het perceel van KO Vastgoed te betreden, worden afgewezen.\n\nProceskosten in conventie5.30. KO Vastgoed c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\nin reconventie\n\n5.31. In reconventie moet de vraag beantwoord worden of [partij A3] en [partij A4] c.s., althans KO Vastgoed c.s., een bedrag van € 66.422,95 aan [partij B] verschuldigd zijn voor ten onrechte in gebruik genomen spanten.\n\n5.32. \n [partij B] voeren aan dat zij in 2008 (gebruikte) houten spanten hebben gekocht en op het terrein van de manege hebben opgeslagen. Volgens [partij B] maakten die spanten geen deel uit van de roerende zaken die door [partij A2 t\u002Fm A4] zijn gekocht bij de bedrijfsovername en zijn die daarom nog eigendom van [partij B] Ter onderbouwing verwijzen zij naar een inboedellijst die onderdeel vormt van de koopovereenkomst, waar de spanten niet in zijn opgenomen. Omdat KO Vastgoed de spanten heeft gebruikt voor de bouw van een schuur moet daarvoor een vergoeding betaald worden, aldus [partij B]\n\n5.33. De rechtbank is van oordeel dat KO Vastgoed de spanten in eigendom heeft verkregen en overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 1 van de koopovereenkomst tussen [partij A2 t\u002Fm A4] en [partij B] volgt dat alle roerende zaken aan [partij A2 t\u002Fm A4] zijn overgedragen. Daarnaast zijn de roerende zaken die niet onder de koopovereenkomst vallen, expliciet benoemd in artikel 12 lid 2 van de koopovereenkomst. Verder is uit de bewoordingen van artikel 12 lid 1 af te leiden dat, hoewel er lijsten van de over te nemen roerende zaken zijn opgesteld, die lijsten niet volledig beogen te zijn. In artikel 12.1 is opgenomen dat ondermeerin eigendom wordt overgedragen de roerende zakenzoals bij partijen bekend. KO Vastgoed c.s. hebben onbetwist aangevoerd dat partijen die bewoordingen hebben gebruikt omdat zij beoogden alle roerende zaken over te dragen, met uitzondering van de roerende zaken in artikel 12 lid 2. In de lijsten bij de koopovereenkomst hebben zij al zoveel mogelijk de bekende roerende zaken opgesomd die in ieder geval onder de koopovereenkomst zouden vallen, zonder dat zij daarmee beoogden een uitputtende lijst op te stellen. Tussen partijen is ook niet in geschil dat er meerdere voorbeelden zijn van roerende zaken die niet op de betreffende lijsten staan maar wel onder de verkoop vallen. Omdat partijen beoogden alle roerende zaken over te dragen met uitzondering van de in artikel 12 lid 2 van de koopovereenkomst opgesomde zaken en de spanten niet in artikel 12 lid 2 zijn opgenomen, moet worden aangenomen dat de spanten tijdens de bedrijfsovername aan [partij A2 t\u002Fm A4] zijn overgedragen en zij die dus in eigendom hebben verkregen. Die zaken hebben zij op hun beurt weer overgedragen aan KO Vastgoed. Omdat de spanten geen eigendom van [partij B] meer waren, is KO Vastgoed geen vergoeding verschuldigd voor het gebruik daarvan. De vordering in reconventie wordt daarom afgewezen.\n\nProceskosten in reconventie5.34. \n [partij B] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van KO Vastgoed c.s. worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.495,00\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n6.1. wijst de vorderingen van KO Vastgoed c.s. af,\n\n6.2. veroordeelt KO Vastgoed c.s. in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als KO Vastgoed c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nin reconventie\n\n6.3. wijst de vorderingen van [partij B] af,\n\n6.4. veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nin conventie en reconventie\n\n6.5. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.(mb)\n\n O.a. Hoge Raad 23 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2897, NJ 1999,497.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3804","2026-07-13T00:29:30.340Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":45,"courtId":69,"decisionDate":121,"fullText":122,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":53,"updatedAt":124},"586","ECLI:NL:RBGEL:2026:5282","ecli-nl-rbgel-2026-5282","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F454310 \u002F HZ ZA 25-189\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser in conventie 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [naam eiser in conventie 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser in conventie] ,\n\nadvocaat: mr. C. Cenik,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde in conventie],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde in conventie] ,\n\nadvocaat: mr. K.W. Janssen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 maart 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de eiser in conventie] hebben op 11 april 2016 van [de gedaagde in conventie] en haar voormalige partner de eigendom verkregen van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer 1] te [woonplaats] . [de gedaagde in conventie] is eigenares van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer 2] te [woonplaats] . Partijen zijn (directe) buren van elkaar.\n\n2.2.. \n\nIn de akte waarbij de woning aan [de eiser in conventie] is geleverd zijn verschillende erfdienstbaarheden gevestigd. In de akte staat in dit verband onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\nVESTIGING ERFDIENSTBAARHEDEN\n\nVerkoper en koper zijn voorts blijkens voormelde overeenkomst overeengekomen en vestigen ter uitvoering daarvan:\n\n(…)\n\nten behoeve en ten laste van het bij deze verkochte, het woonhuis (voorhuis) [straatnaam] [huisnummer 1] [postcode] [woonplaats] , het heersende erf, en ten behoeve en ten laste van het aan de verkoper in eigendom verblijvende gedeelte (…) het woonhuis (achterhuis) [straatnaam] [huisnummer 2] te [postcode] [woonplaats] , over en weer als heersende en dienende erven, erfdienstbaarheden, inhoudende te dulden, dat de toestand waarin de erven zich ten opzichte van elkaar bevinden wordt gehandhaafd, speciaal voor wat betreft (…) toevoer van licht en lucht (…);\n\nde gemeenschappelijke muren zullen gezamenlijk eigendom zijn en de eigendomsgrens zal door het hart van die muren lopen;\n\nvoormelde zojuist gevestigde erfdienstbaarheden worden door verkoper en koper aangenomen.\n\n(…)”\n\n2.3.. Tussen partijen zijn door de jaren heen verschillende geschilpunten ontstaan.\n\n2.4.. \n [de gedaagde in conventie] heeft, toen [de eiser in conventie] met vakantie waren en zonder hun medeweten, een deel van het bordes van de entree tot de woning van laatstgenoemden verwijderd en een zwarte houten wand geplaatst tegen de zijkant van deze entree. Aan de ene kant was de wand bevestigd aan de eiken paal die het afdak boven de entree ondersteunt, aan de andere zijde aan de muur naast de entree. De lichtinval bij de entree van de woning van [de eiser in conventie] werd daardoor aanzienlijk verminderd.\n\n2.5.. \n [de gedaagde in conventie] heeft aan de achterzijde van haar perceel een haagbeuk geplaatst.\n\n2.6.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar perceel naast de mandelige scheidsmuur op slordige wijze een muur gemetseld waarop van boven naar beneden de letters “A J A X” zijn gemetseld. Later heeft zij voor deze letters een groen geschilderde houten plank gehangen.\n\n2.7.. \n [de gedaagde in conventie] heeft, zonder toestemming van [de eiser in conventie] houten planken op de mandelige tuinmuur geplaatst. Deze heeft zij na ontvangen sommaties verwijderd en vervolgens bevestigd aan de achtergelegen pergola.\n\n2.8.. Aan de achterzijde van de woningen staat langs de erfgrens op het perceel van [de gedaagde in conventie] een dubbel hekwerk, dat wil zeggen een binnen- en buitenhekwerk met daartussen een beukenhaag. [de gedaagde in conventie] heeft op en langs het buitenste deel van het hekwerk, aan de zijde van [de eiser in conventie] , stroomdraad bevestigd.\n\n2.9.. \n [de eiser in conventie] zijn eigenaar van de toegangsweg vanaf de openbare weg naar de woning van [de gedaagde in conventie] . Bij de levering van de woning aan [de eiser in conventie] is ten behoeve van het perceel van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid gevestigd op grond waarvan [de gedaagde in conventie] van en naar haar woning mag lopen of rijden.\n\n2.10.. \n [de gedaagde in conventie] heeft aan de achterzijde van de woning de houten balk van haar pergola bevestigd aan de muur.2.11.. Nadat verschillende incidenten tussen partijen hadden plaatsgevonden hebben [de eiser in conventie] op advies van de politie beveiligingscamera’s geplaatst. Deze bevinden zich op het schuurtje in de zijtuin, aan de zijgevel en aan de voorgevel. Ook heeft de deurbel een camera.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [de eiser in conventie] vorderen dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis\n\nI. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het bordes in de oorspronkelijke staat te herstellen, welke oorspronkelijke staat blijkt uit de als productie 5 overgelegde foto’s, alsmede de zwarte wand te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag per overtreding met een maximum van € 50.000,00,\n\nII. [de gedaagde in conventie] zal gebieden de haag op maximaal 2 meter hoogte te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [de gedaagde in conventie] met deze verplichting in overtreding is, met een maximum van € 50.000,00,\n\nIII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de AJAX-muur, zoals blijkt uit de als productie 7 overgelegde foto’s, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nIV. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de houten plank aan de pergola achter de mandelige tuinmuur te verwijderd en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nV. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het stroomdraad op en langs het buitenste scheidingshek te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nVI. [de gedaagde in conventie] zal verbieden om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] te betreden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding met een maximum van € 50.000,00,\n\nVII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis de aan de muur van [de eiser in conventie] bevestigde houten balk van de pergola te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nVIII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, alles tevens te vermeerderen met de wettelijke rente indien de kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis.\n\n3.2.. \n [de gedaagde in conventie] voert verweer. [de gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald.\n\n3.3.. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n\n [de gedaagde in conventie] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nI. [de eiser in conventie] zal veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de beukenhaag die binnen de verboden zone staat te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 1.000,00,\n\nII. [de eiser in conventie] zal veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het verwijderen en verwijderd houden van alle camera’s, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag en \u002F of dagdeel met een maximum van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze,\n\nsubsidiair:\n\nIII. [de eiser in conventie] zal veroordelen c.q. gelasten om binnen\n\n48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het fysiek vergrendelen en afschermen en fysiek vergrendeld en afgeschermd houden van alle camera’s, zodat deze geen zicht hebben op het perceel van [de gedaagde in conventie] en de openbare weg, alsmede daarbij te bepalen dat voornoemde camera’s niet (meer) over de mogelijkheid mogen beschikken om audio opnames te maken en daarbij te bepalen dat [de eiser in conventie] binnen dezelfde termijn als voornoemd bewijs van de vergrendelde c.q. afgeschermde situatie inclusief de onmogelijkheid van het maken van geluidsopnamen door voornoemde camera’s dienen te overleggen door een opname daarvan aan [de gedaagde in conventie] te verstrekken, dan wel op enigerlei andere wijze bewijs aan [de gedaagde in conventie] te overleggen waaruit blijkt dat aan de veroordeling op dit onderdeel is voldaan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag per dag en \u002F of dagdeel met een maximum van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze,\n\nin alle gevallen:\n\nIV. [de eiser in conventie] zal veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 278,00 zonder betekening en\n\n€ 370,00 met betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.\n\n3.5.. \n [de eiser in conventie] voeren verweer. [de eiser in conventie] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke behandeling van het geschil, zal zij ingaan op de stelling van [de gedaagde in conventie] dat – zo begrijpt de rechtbank – [de eiser in conventie] de waarheidsplicht als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben geschonden. Volgens [de gedaagde in conventie] hebben [de eiser in conventie] de door haar ingenomen standpunten buiten de dagvaarding gelaten en schetsen zij een eenzijdig beeld.\n\n4.2.. Op grond van artikel 21 Rv hebben partijen de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aan te voeren. Het is de rechtbank duidelijk dat partijen van mening verschillen over de feiten en omstandigheden die aan het geschil ten grondslag liggen. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat [de eiser in conventie] bewust voor de beslissing van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid hebben aangevoerd en in strijd hebben gehandeld met artikel 21 Rv.\n\nin conventie\n\n4.3.. De rechtbank begrijpt dat [de eiser in conventie] inbreuk op hun eigendomsrecht dan wel onrechtmatige hinder aan hun vorderingen ten grondslag leggen. Het juridisch kader van deze grondslagen zal eerst worden geschetst, dit kader zal vervolgens worden toegepast op de vorderingen van [de eiser in conventie] .\n\nHet juridisch kader\n\n4.4.. Artikel 5:1 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij om gebruik te maken van zijn zaak, mits dit gebruik niet in strijd is met rechten van anderen en daarbij de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen in acht worden genomen. De eigenaar kan zijn recht dus aan iedereen tegenwerpen en hij hoeft niet te dulden dat een ander zijn zaak op wat voor wijze dan ook gebruikt, tenzij die ander een bevoegdheid daartoe heeft verkregen. Het is in beginsel onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW om op een eigendomsrecht inbreuk te maken, tenzij voor die inbreuk een rechtvaardigingsgrond bestaat. Een vorm van een inbreuk op het eigendomsrecht is (onrechtmatige) hinder. Op grond van artikel 5:37 BW mag een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen. Voor de vraag of de hinder onrechtmatig is, zijn de criteria van artikel 6:162 BW bepalend. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder, de daardoor veroorzaakte schade en de omstandigheden waaronder de hinder plaatsvindt (ECLI:NL:HR:1991:ZC0235). Wanneer sprake is van onrechtmatige hinder, kan degene die van mening is dat zijn buur hem hindert, een verbod tot verdere veroorzaking van die hinder of een gebod tot herstel in de oude toestand vorderen.\n\nHet bordes en de houten wand\n\n4.5.. \n [de eiser in conventie] vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt veroordeeld om het bordes te herstellen in de oorspronkelijke staat en de houten wand te verwijderen. [de eiser in conventie] leggen aan hun vordering ten grondslag dat de entree, het bordes en de steunpaal van het afdak worden nagetrokken door de woning op grond van artikel 5:20 lid 1 onder e BW. Door de situatie zonder hun toestemming te wijzigen maakt [de gedaagde in conventie] inbreuk op hun eigendomsrecht, aldus [de eiser in conventie] . [de gedaagde in conventie] voert hiertegen aan dat de houten wand op haar perceel staat en is bevestigd aan een mandelige muur. Daarom maakt zij volgens haar op grond van artikel 5:67 BW geen inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] .\n\n4.6.. Uit artikel 5:20 lid 1 onder e BW vloeit voort dat de eigenaar van een perceel grond eigenaar is van de gebouwen en werken die duurzaam met die grond zijn verenigd, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak. Als een bestanddeel van een gebouw zich bevindt in, op of boven grond die aan een ander dan de eigenaar van het gebouw toebehoort, is dit bestanddeel geen eigendom van de grondeigenaar, maar van de eigenaar van het gebouw waarvan het deel uitmaakt (ECLI:NL:HR:1994:ZC1502). Het voorgaande brengt mee dat indien het bordes en het afdak met eiken paal bestanddelen zijn van de woning van [de eiser in conventie] , [de gedaagde in conventie] door het verwijderen van een deel van het bordes inbreuk maakt op hun eigendomsrecht.\n\n4.7.. In artikel 3:4 BW staat, kort gezegd, dat sprake kan zijn van een bestanddeel van de woning op grond van de verkeersopvatting (lid 1) en op grond van onverbrekelijke verbondenheid (lid 2). Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting een bestanddeel is, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd. Een andere aanwijzing kan zijn dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming (ECLI:NL:HR:2012:BX7474). Op grond van artikel 3:4 lid 2 BW is al hetgeen dat zodanig met de hoofdzaak is verbonden, dat het daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één van beide zaken, bestanddeel van die hoofdzaak (TM, Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 72).\n\n4.8.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [de eiser in conventie] ten aanzien van het bordes onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat van een situatie als bedoeld in artikel 3:4 lid 1 of 3:4 lid 2 BW sprake is. [de eiser in conventie] hebben bloot gesteld dat het bordes een bestanddeel is van hun woning. [de gedaagde in conventie] heeft onweersproken aangevoerd dat zij alleen stenen van het bordes heeft weggehaald die op haar eigen perceel lagen. [de eiser in conventie] hebben niet gesteld dat die stenen onverbrekelijk verbonden waren met de woning van [de eiser in conventie] , zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit niet het geval was. [de eiser in conventie] hebben verder onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat hun woning en het bordes constructief op elkaar zijn afgestemd of dat de woning niet aan zijn bestemming (wonen) kan beantwoorden zonder het bordes. In het licht hiervan hebben [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat het deel van het bordes dat is weggehaald door [de gedaagde in conventie] hun eigendom was en daarmee ook dat [de gedaagde in conventie] door het verwijderen van een deel van het bordes inbreuk heeft gemaakt op hun eigendomsrecht. De vordering van [de eiser in conventie] is daarmee niet toewijsbaar voor zover deze ziet op herstel van het bordes naar de oude situatie.\n\n4.9.. Over het plaatsen van de houten wand heeft [de gedaagde in conventie] betoogd dat de buitenmuur van de woning mandelig is en dat de houten wand is bevestigd aan haar deel van de mandelige muur. Volgens [de gedaagde in conventie] maakt zij op grond van artikel 5:67 lid 1 BW hiermee geen inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] . [de eiser in conventie] hebben hiertegenover aangevoerd dat alleen de binnenmuren mandelig zijn en de betreffende buitenmuur, die in het verlengde van een binnenmuur loopt, niet. Volgens [de eiser in conventie] heeft de buitenmuur namelijk geen gemeenschappelijk nut. Daarnaast moet de mandelige bestemming in een notariële akte zijn opgenomen, wat niet het geval is, aldus [de eiser in conventie] .\n\n4.10.. Contractuele mandeligheid in de zin van artikel 5:60 BW ontstaat wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en zij deze zaak bestemmen tot gemeenschappelijk nut van die erven. De toekenning van deze bestemming dient te geschieden bij notariële akte die wordt ingeschreven in de openbare registers. Door [de eiser in conventie] is onweersproken aangevoerd dat de betreffende muur de buitenmuur is van hun woning. De notariële akte waar beide partijen naar verwijzen bepaalt dat de gemeenschappelijke muren gezamenlijk eigendom zijn en de eigendomsgrens door het hart van die muren zal lopen. Nu de muur slechts aan één kant onderdeel is van een gebouw of werk (de woning van [de eiser in conventie] ) en aan de andere kant grenst aan onbebouwde grond (van [de gedaagde in conventie] ), heeft [de gedaagde in conventie] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een gemeenschappelijke muur in de zin van de notariële akte. De betreffende buitenmuur is daarom niet mandelig op grond van artikel 5:60 BW. Mandeligheid kan ook ontstaan op grond van de in artikel 5:62 BW genoemde gevallen. Artikel 5:62 BW maakt onderscheid tussen een vrijstaande scheidsmuur (lid 1) en een niet-vrijstaande scheidsmuur (lid 2). Onder een vrijstaande scheidsmuur moet worden verstaan een muur die twee erven scheidt en niet onderdeel is van een gebouw of werk (TM, Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 231). Een vrijstaande scheidsmuur is op grond van artikel 5:62 lid 1 BW van rechtswege mandelige mede-eigendom indien vaststaat dat de grens tussen de erven in de lengterichting onder de muur doorloopt. Op grond van artikel 5:62 lid 2 BW is een scheidsmuur die twee gebouwen of werken die aan verschillende eigenaren toebehoren, gemeen hebben, gemeenschappelijk eigendom en mandelig. Voor het ontstaan van de mandeligheid bij een niet-vrijstaande scheidsmuur is niet vereist dat de grens in de lengterichting onder de muur doorloopt.\n\n4.11.. \n [de eiser in conventie] hebben onweersproken aangevoerd dat de buitenmuur alleen aan hun zijde van de muur bebouwd is. Van een vrijstaande scheidsmuur is dus geen sprake. Tussen partijen is in geschil of in dit geval wel sprake is van een scheidsmuur als bedoeld in het tweede lid van artikel 5:62 BW. De woningen van partijen grenzen aan elkaar en de muur tussende beide woningen is mandelig op grond van artikel 5:62 lid 2 BW. Dit is ook niet tussen partijen in geschil. Partijen twisten wel over de vraag of deze mandeligheid zich ook uitstrekt tot de buitenmuur die in het verlengde van de mandelige (binnen)muur aan één zijde feitelijk de buitenmuur vormt van de woning van [de eiser in conventie] en aan de andere zijde aan de tuin van [de gedaagde in conventie] grenst. Omdat de muur op die plaats slechts aan één zijde bebouwd is, is deze op grond van artikel 5:62 BW niet mandelig. Door (horizontale) natrekking is de muur voor zover deze als buitenmuur kan worden aangemerkt (volledig) eigendom van [de eiser in conventie] . Het verweer dat de houten wand aan een kant is bevestigd aan een mandelige muur, slaagt dus niet.\n\n4.12.. De houten wand is aan de andere zijde bevestigd aan een eiken houten paal. Deze eiken houten paal ondersteunt het afdak van de woning van [de eiser in conventie] . Nu het afdak met de houten paal in constructief opzicht is afgestemd op de woning van [de eiser in conventie] , is de houten paal naar de verkeersopvatting een bestanddeel van de woning. Uit het voorgaande volgt dat zowel de muur als de houten paal waaraan de houten wand door [de gedaagde in conventie] bevestigd is, eigendom zijn van [de eiser in conventie] . Door het plaatsen van een houten wand tegen de muur en houten paal, maakt [de gedaagde in conventie] inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] . Dat [de eiser in conventie] vervolgens ook zelf een houten schutting hebben geplaatst, tegen de andere zijde van de eiken paal, doet hier niet aan af. Voor zover [de gedaagde in conventie] betoogt, dat [de eiser in conventie] daardoor geen belang bij verwijdering van de houten wand hebben, omdat die schutting ook het zicht en licht blokkeert, faalt dit betoog. De rechtbank heeft van [de eiser in conventie] begrepen dat zij deze schutting in reactie hebben geplaatst en deze zullen verwijderen als de houten wand is verwijderd. Daarbij komt dat, zoals [de eiser in conventie] op de zitting onweersproken hebben aangevoerd, de door [de gedaagde in conventie] geplaatste wand in strijd is met de in de leveringsakte opgenomen erfdienstbaarheid op grond waarvan de toestand moet worden gehandhaafd voor wat betreft de toevoer van licht en lucht. De vordering van [de eiser in conventie] zal daarom (ook) worden toegewezen voor zover deze ziet op verwijdering van de houten wand.\n\nDe beukenhaag\n\n4.13.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen perceel een beukenhaag geplaatst. [de eiser in conventie] vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt geboden om de beukenhaag op maximaal twee meter hoogte te houden. [de eiser in conventie] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [de gedaagde in conventie] heeft gezegd dat de beukenhaag hoger gaat reiken dan vijftien meter en het uitzicht van [de eiser in conventie] zal ontnemen. [de gedaagde in conventie] betwist de beukenhaag enkel te hebben geplaatst om [de eiser in conventie] te pesten en dat zij heeft aangegeven dat deze haag 15 meter hoog zou worden. Het laatste is volgens haar bovendien onmogelijk als gevolg van de wijze van beplanting. [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling daaraan toegevoegd dat de beukenhaag al twee jaar lang ongeveer twee meter hoog is, hetgeen niet is betwist, en dat zij niet van plan is om de beukenhaag (veel) hoger te laten groeien omdat het onderhoud dan problematisch wordt. De stelling van [de eiser in conventie] dat [de gedaagde in conventie] de beukenhaag tot meer dan vijftien meter zal laten groeien is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd betwist. Nu [de eiser in conventie] niet hebben gesteld dat zij bij de huidige hoogte van de beukenhaag hinder ondervinden, zal hun vordering tot het gebieden van [de gedaagde in conventie] om de beukenhaag op maximaal twee meter te houden worden afgewezen.\n\nDe AJAX-muur\n\n4.14.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen terrein een muur gemetseld met daarin de letters AJAX (hierna: de AJAX-muur). [de eiser in conventie] stellen dat de muur een rustig beeld verstoort en vorderen verwijdering van deze muur. In het midden kan worden gelaten of de AJAX-muur, waarvan kan worden aangenomen dat deze op deze wijze is gemetseld om [de eiser in conventie] dwars te zitten, voldoende is om onrechtmatige hinder aan te nemen. [de gedaagde in conventie] heeft immers een houten plank voor de letters geplaatst zodat deze niet meer zichtbaar zijn voor [de eiser in conventie] . [de eiser in conventie] stellen dat zij nog steeds hinder ondervinden omdat de muur niet net en passend is afgewerkt. Dit betoog kan hen niet baten. Er bestaat geen recht op vrij of mooi uitzicht. Dat de muur en de afwerking er volgens [de eiser in conventie] niet mooi uitzien, is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. De vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van de muur is daarom niet toewijsbaar.\n\nDe houten plank aan de pergola achter de mandelige tuinmuur\n\n4.15.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen terrein een houten plank aan een pergola bevestigd. [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van de houten plank, omdat zij er hinder dan wel last van ondervinden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [de eiser in conventie] aangegeven dat zij de plank geen gezicht vinden. Wederom is de enkele stelling van [de eiser in conventie] dat de plank lelijk is, onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van [de eiser in conventie] nog aangevoerd dat de plank, bezien vanuit het perceel van eisers, boven de twee meter uitsteekt, wat volgens hem in strijd is met artikel 5:49 lid 1 BW. Artikel 5:49 lid 1 BW bepaalt dat iedere eigenaar van aangrenzende erven kan vorderen dat de ander meewerkt aan een gemeenschappelijke scheidsmuur van twee meter hoogte. Blijkens de eigen stellingen van [de eiser in conventie] zit de houten plank aan de pergola niet (meer) op de tuinmuur, maar tien tot vijftien centimeter achter de muur. Naar het oordeel van de rechtbank kan de houten plank aan de pergola daarom niet (meer) worden aangemerkt als onderdeel van een erfscheiding in de zin van artikel 5:49 lid 1 BW, zodat ook artikel 5:49 lid 1 BW geen grondslag biedt voor de gevorderde verwijdering van de houten plank. De vordering is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet stroomdraad\n\n4.16.. \n [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van het stroomdraad op en langs het buitenste hekwerk. Voor zover [de eiser in conventie] hun vordering tot verwijdering van het stroomdraad vorderen op grond van onrechtmatige daad wegens gevaarzetting, geldt het volgende.\n\n4.17.. Vooropgesteld wordt dat niet iedere vorm van gevaarzetting onrechtmatig is en dat een zekere mate van risicoschepping geoorloofd is. Het stroomdraad op en langs het hek van [de gedaagde in conventie] is alleen onrechtmatig als dit naar de normen van het maatschappelijk verkeer onaanvaardbaar is. Of dat het geval is, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval (ECLI:NL:HR:1994:ZC1576). Daarbij zijn de volgende gezichtspunten van belang: de kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen (ECLI:NL:HR:1965:AB7079). Op [de eiser in conventie] rust de stelplicht en bewijslast dat sprake is van onrechtmatige gevaarzetting.\n\n4.18.. \n [de eiser in conventie] stellen dat zij bij normaal gebruik van hun tuin tegen de stroomdraden aan kunnen komen en daardoor een schok krijgen en dat dit ook al eens is gebeurd. Daarnaast komt er wel eens bezoek met kinderen, ook zij lopen het risico de stroomdraden te raken. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende gesteld dat sprake is van een gevaarzetting. [de gedaagde in conventie] heeft niet betwist dat het stroomdraad bij aanraking een schok geeft. Echter, [de gedaagde in conventie] heeft onweersproken aangevoerd dat het hek met de stroomdraden in zijn geheel op haar perceel staat. [de eiser in conventie] stellen in het kader van de onrechtmatigheid enkel dat het hek met stroom alleen is geplaatst om hun schade toe te brengen. [de gedaagde in conventie] betwist dit en voert aan dat het hek met de stroomdraden er staat om wild en honden weg te houden bij haar paarden en om haar paarden binnen te houden. Weliswaar staan er nu geen paarden in de wei, maar dit komt volgens [de gedaagde in conventie] omdat zij meermaals stenen in de wei heeft gevonden. [de gedaagde in conventie] heeft hiermee voldoende betwist dat het hek alleen is geplaatst om [de eiser in conventie] te schaden. De aard van de gedraging – het plaatsen van een hek op eigen perceel om wild en honden buiten te houden – is naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig. In het licht van het voorgaande hebben [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat de gevaarzetting door [de gedaagde in conventie] naar normen van het maatschappelijk verkeer onaanvaardbaar is, zodat geen sprake is van een onrechtmatige daad. De vordering van [de eiser in conventie] tot het verwijderen van de stroomdraden op en langs het hek is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet betreden van het erf\n\n4.19.. \n [de eiser in conventie] vorderen [de gedaagde in conventie] te verbieden om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] te betreden. [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat zij vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt verboden het gehele perceel, kadastraal aangeduid als [kadasternummer] , te betreden. Voor zover [de gedaagde in conventie] betwist dat de aan de overzijde van de weg gelegen strook grond, behorend tot dit perceel, eigendom van [de eiser in conventie] is, geldt dat zij deze betwisting, in het licht van de kadastrale tekeningen, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan. [de eiser in conventie] mogen op grond van artikel 5:1 lid 2 BW met uitsluiting van eenieder gebruik maken van hun eigendom. Dat betekent dat [de eiser in conventie] van [de gedaagde in conventie] mogen verwachten dat zij zich niet meer op hun perceel begeeft, als zij dat niet wensen.\n\n4.20.. Het perceel van [de eiser in conventie] omvat echter mede de toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van (het perceel van) [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat [de gedaagde in conventie] zonder recht en noodzaak hun perceel betreedt, hetgeen een onrechtmatige daad is en het gevorderde verbod rechtvaardigt. Voor zover [de eiser in conventie] hiermee doelen op de toegangsweg, geldt dat [de gedaagde in conventie] op grond van de erfdienstbaarheid het recht heeft om zich over de toegangsweg van en naar de openbare weg te begeven. [de eiser in conventie] dienen op grond van de erfdienstbaarheid daarom te dulden dat [de gedaagde in conventie] de toegangsweg betreedt. De rechtbank zal, als het mindere, [de gedaagde in conventie] verbieden om het perceel, kadastraal aangeduid met [kadasternummer] , te betreden, met uitzondering van de toegangsweg waarop de erfdienstbaarheid gevestigd is.\n\nDe houten balk aan de muur\n\n4.21.. \n [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van de balk van de pergola. Hun raadsman heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [de gedaagde in conventie] de houten balk van de pergola heeft losgemaakt van de muur, zodat dit geschilpunt feitelijk is opgelost. Voorts geldt het volgende. [de gedaagde in conventie] stelt dat de muur aan de achterzijde waar de houten balk aan was bevestigd, mandelig is op grond van de notariële akte. [de eiser in conventie] voeren aan dat de mandeligheid niet is bevestigd in de notariële akte. De buitenmuur is volgens [de eiser in conventie] geen gemeenschappelijk eigendom en daarmee niet mandelig. De rechtbank begrijpt dat hier zich eenzelfde soort situatie voordoet als bij de door [de gedaagde in conventie] bevestigde houten wand. De muur waaraan de houten balk aan was bevestigd, is immers ook alleen aan de woning van [de eiser in conventie] bebouwd en grenst aan de andere kant aan de (onbebouwde) tuin van [de gedaagde in conventie] . De betreffende buitenmuur is daarom niet mandelig op grond van artikel 5:60 BW of artikel 5:62 BW. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen dat is overwogen in rechtsoverweging 4.10 en 4.11. Door de houten balk aan de muur te bevestigen heeft [de gedaagde in conventie] inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] , zodat hun vordering zal worden toegewezen voor zover deze ziet op het verwijderd houden van de balk van de muur.\n\nDe gevorderde dwangsommen\n\n4.22.. De door [de eiser in conventie] gevorderde dwangsommen zullen worden afgewezen. [de eiser in conventie] hebben niet gesteld dat en onderbouwd waarom de dwangsommen noodzakelijk zijn.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.23.. \n [de gedaagde in conventie] heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring ingeval de vorderingen jegens haar toewijsbaar worden geacht. [de gedaagde in conventie] voert aan dat zij in dat geval in hoger beroep zal gaan en er sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen als zij wordt veroordeeld aanpassingen te doen in en om haar woning.\n\n4.24.. Het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, indien gevorderd, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd hangende een hogere voorziening. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze beoordeling blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aan te wenden rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (ECLI:NL:HR:2019:2026)\n\n4.25.. De vorderingen in conventie die worden toegewezen zijn – samengevat – dat [de gedaagde in conventie] de houten wand dient te verwijderen, dat zij het erf van [de eiser in conventie] niet mag betreden (met uitzondering van de toegangsweg) en dat zij de houten balk verwijderd dient te houden. [de gedaagde in conventie] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat in deze gevallen sprake is van een onomkeerbare situatie en evenmin dat zij, zolang niet in hoger beroep is beslist, een groter belang heeft bij handhaving bij de bestaande toestand dan [de eiser in conventie] bij tenuitvoerlegging van het vonnis. Er bestaat dan ook geen grond om van het onder 4.24 weergegeven uitgangspunt af te wijken. Het vonnis in conventie zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nDe proceskosten in conventie\n\n4.26.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nin reconventie\n\n4.27.. \n [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar vordering – samengevat – inhoudende dat [de eiser in conventie] worden veroordeeld om de beukenhaag die binnen de verboden zone staat te verwijderen, ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.. De overige vorderingen in reconventie zien op de door [de eiser in conventie] opgehangen camera’s.\n\nDe camera’s\n\n4.28.. \n [de gedaagde in conventie] vordert in reconventie primair verwijdering van alle door [de eiser in conventie] opgehangen camera’s. Subsidiair vordert [de gedaagde in conventie] dat [de eiser in conventie] de camera’s dienen te vergrendelen en af te schermen en dat de camera’s niet meer de mogelijkheid mogen hebben om audio opnames te maken. [de gedaagde in conventie] legt aan haar vorderingen onrechtmatige daad in de vorm van inbreuk op haar recht op privacy ten grondslag. [de eiser in conventie] voeren hiertegen aan dat de camera’s niet op het perceel van [de gedaagde in conventie] zijn gericht en ook geen geluidsopnames maken. Daarnaast hebben de camera’s beveiligingsdoeleinden en een bewijsvergaringsfunctie in het geschil tussen partijen.\n\n4.29.. Het recht op privacy is opgenomen in artikel 8 van het EVRM (Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) en artikel 10 van de Grondwet. Bij de beantwoording van de vraag of [de eiser in conventie] onrechtmatig inbreuk maken op het recht van [de gedaagde in conventie] op bescherming van de privacy, heeft in zijn algemeenheid als uitgangspunt te gelden dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (ECLI:NL:HR:2002:AD9609). Ook dient te worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.30.. \n [de gedaagde in conventie] stelt dat de camera’s van [de eiser in conventie] een deel van haar perceel filmen. Ter onderbouwing heeft zij door [de eiser in conventie] gemaakte afbeeldingen overgelegd, waarop een deel van haar perceel te zien is. [de eiser in conventie] hebben (onweersproken) aangevoerd dat de afbeeldingen waarop het perceel van [de gedaagde in conventie] te zien is, zijn gemaakt met een mobiele telefoon en niet door de camera’s. Verder hebben [de eiser in conventie] door middel van de overgelegde afbeeldingen en posities van de camera’s voldoende gemotiveerd betwist dat de camera’s het perceel van [de gedaagde in conventie] filmen. Dat de camera’s kunnen draaien en daarmee op het perceel van [de gedaagde in conventie] gericht kunnen worden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat [de eiser in conventie] inbreuk maken op het recht van privacy van [de gedaagde in conventie] . Niet althans onvoldoende gesteld of gebleken is immers dat een gerechtvaardigde vrees bestaat dat [de eiser in conventie] de camera’s aldus zullen draaien. Ten aanzien van de camera die op de schuur is bevestigd en gericht is op het erf van [de eiser in conventie] , de camera op de zijgevel van het woonhuis die gericht is op de tuin van [de eiser in conventie] en de deurbel met een camerafunctie die gericht is op de entree van het woonhuis van [de eiser in conventie] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een inbreuk op de privacy van [de gedaagde in conventie] . De vorderingen van [de gedaagde in conventie] zijn voor wat betreft de voorgenoemde camera’s daarom niet toewijsbaar.\n\n4.31.. Ten aanzien van de camera op de voorgevel van het woonhuis die gericht is op de tuin van [de eiser in conventie] , oordeelt de rechtbank als volgt. Door [de eiser in conventie] wordt erkend dat de toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van [de gedaagde in conventie] , wordt gefilmd. Hierdoor is sprake van een inbreuk op de privacy van [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] kunnen met deze camera immers de verkeersbewegingen van [de gedaagde in conventie] vastleggen, evenals die van haar eventuele bezoek. Dat [de eiser in conventie] tijdens de mondelinge behandeling hebben aangeven dat zij dit niet in de gaten houden, maakt dit niet anders. In beginsel is dus sprake van een onrechtmatige daad jegens [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] stellen dat zij een rechtvaardigingsgrond hebben voor de camera’s, te weten beveiliging en bewijsvergaring. Beveiliging omdat de camera’s een afschrikkende werking hebben voor ongenode gasten en bewijsvergaring ten aanzien van het gestelde onrechtmatige gedrag van [de gedaagde in conventie] .\n\n4.32.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [de eiser in conventie] een gerechtvaardigd belang om hun eigendommen te beschermen, zodat het hun in beginsel is toegestaan om de camera op te hangen. De primaire vordering van [de gedaagde in conventie] tot verwijdering van de camera is daarom niet toewijsbaar. Echter, het doel van beveiliging van de eigendommen van [de eiser in conventie] kan voor wat betreft de voorzijde van het perceel ook op een minder vergaande manier bereikt worden. Uit de door hen als productie 18 overgelegde afbeeldingen volgt namelijk dat er nog een stuk oprit zit tussen hun woning en de toegangsweg waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd. Indien zij de camera aan de voorgevel zo afstellen dat deze gericht is op de oprit, is alsnog sprake van de afschrikkende werking van de camera met als doel ongenode gasten buitenhouden. Ten aanzien van de bewijsvergaringsfunctie van de camera is de rechtbank van oordeel dat het recht op privacy van [de gedaagde in conventie] zwaarder weegt. Hierbij geeft het voor de rechtbank de doorslag dat de toegangsweg van [de eiser in conventie] voor [de gedaagde in conventie] aan die zijde van haar woning de enige manier is om de openbare weg te bereiken. Zowel [de gedaagde in conventie] als haar bezoek wordt altijd gefilmd bij het komen en gaan van en naar haar perceel, zodat [de eiser in conventie] altijd inzicht kunnen hebben in bij voorbeeld wie er wanneer op bezoek komt bij [de gedaagde in conventie] . Ten aanzien van de camera aan de op de voorgevel van de woning van [de eiser in conventie] , is de rechtbank daarom van oordeel dat de proportionaliteit meebrengt dat deze zo dient te worden afgesteld dat deze geen zicht geeft op de toegangsweg. De subsidiaire vordering in reconventie zal daarom als het mindere worden toegewezen als vermeld in de beslissing.\n\n4.33.. Verder heeft [de gedaagde in conventie] aangevoerd dat de camera’s van [de eiser in conventie] geluidsopnamen kunnen maken, waardoor alles wat [de gedaagde in conventie] in haar tuin zegt wordt opgenomen. [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de camera’s geluidsopnames kunnen maken, maar dat dit niet kan op een grotere afstand dan een of twee meter. Volgens [de eiser in conventie] staan geen van de camera’s binnen een of twee meter van de erfgrens. In het licht van deze verklaring van [de eiser in conventie] , heeft [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd dat de camera’s van [de eiser in conventie] geluidsopnames (kunnen) maken van hetgeen wordt gezegd op het perceel van [de gedaagde in conventie] . Het enkele feit dat de camera’s de mogelijkheid hebben om geluidsopnames te maken, is onvoldoende om vast te stellen dat [de eiser in conventie] inbreuk maken op de privacy van [de gedaagde in conventie] . Voor zover de vordering van [de gedaagde in conventie] ziet op het bepalen dat de camera’s geen geluid meer op mogen nemen, is de vordering daarom niet toewijsbaar.\n\nDe gevorderde dwangsom is niet toewijsbaar\n\n4.34.. De door [de gedaagde in conventie] gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. [de gedaagde in conventie] heeft niet gesteld dat en onderbouwd waarom de dwangsommen noodzakelijk zijn.\n\nDe proceskosten in reconventie\n\n4.35.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. veroordeelt [de gedaagde in conventie] om binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis de zwarte houten wand te verwijderen en verwijderd te houden,\n\n5.2.. verbiedt [de gedaagde in conventie] om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] (kadastraal aangeduid als [kadasternummer] ) te betreden, met uitzondering van de toegangsweg waarop ten gunste van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid is gevestigd,\n\n5.3.. veroordeelt [de gedaagde in conventie] om de balk van de pergola die aan de muur van [de eiser in conventie] was bevestigd van de muur verwijderd te houden,\n\n5.4.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n5.7.. veroordeelt [de eiser in conventie] om de camera die aan de voorgevel van hun woning hangt dusdanig af te stellen dat deze de toegangsweg, waarop ten gunste van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid is gevestigd, niet meer filmt en gebiedt [de eiser in conventie] te bewijzen dat dit het geval is door middel van het overleggen van afbeeldingen van de stand van de afgestelde camera,\n\n5.8.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.9.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.7 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op\n\n17 juni 2026.\n\nJV\u002FMa","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5282","2026-07-13T00:28:38.154Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":45,"courtId":129,"decisionDate":121,"fullText":130,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":53,"updatedAt":133},"476","ECLI:NL:RBLIM:2026:5577","ecli-nl-rblim-2026-5577",66,"RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F345605 \u002F HA ZA 25-414\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verkoper 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [verkoper 2],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verkopers] ,\n\nadvocaat: mr. S.C.W. van Wijk,\n\ntegen\n\n [koper],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [koper] ,\n\nadvocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. F. Alberts.\n\n1. Inleiding1.1.. \n [verkopers] heeft een woning met grond gekocht van [koper] . Daarna bleek de grond vervuild met glas en asbest en bleek dat het dak vernieuwd moest worden. [verkopers] wil dat de koopovereenkomst alsnog wordt nagekomen doordat er wordt gesaneerd, dan wel dat de schade die zij hierdoor lijdt wordt vergoed.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 34,\n\n- de akte overlegging producties 35 tot en met 38 alsmede vermeerdering eis, - de conclusie van antwoord met productie 1,\n\n- akte in het geding brengen producties 39 tot en met 41 van [verkopers] ,\n\n- akte indienen aanvullende producties 2 en 3 van [koper]\n\n- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overlegd.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Bij koopovereenkomst van 12 september 2022 heeft [verkopers] van [koper] een woning met grond aan [adres] gekocht. Op het perceel vond in het verleden glastuinbouw plaats door de inmiddels overleden echtgenoot van [koper] . Na staking van de tuinderij zijn de kassen gesloopt. Later is de woning met grond aan [verkopers] verkocht.\n\n3.2.. Op 24 april 2023 is de woning met grond aan [verkopers] geleverd. Bij mail van 12 juni 2023 heeft [verkopers] zich tot de verkoopmakelaar van [koper] gewend en gemeld dat op en in de grond van het perceel glas is aangetroffen. Bij brief van 4 juli 2024 heeft [verkopers] [koper] aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade, omdat de grond door het glas niet veilig als agrarische grond kan worden gebruikt. Op 31 juli 2024 heeft [koper] aan [verkopers] verzocht om haar stelling te onderbouwen met bewijsmiddelen.\n\n3.3.. \n [verkopers] heeft daarop een deskundige ingeschakeld, Arnicon B.V. (verder te noemen: Arnicon). Deze deskundige heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd en daarover een rapport opgesteld van 10 oktober 2024 (verder te noemen: het eerste deskundigenrapport). Vervolgens heeft deze deskundige een aanvullend onderzoek verricht en daarover een rapport uitgebracht van 17 januari 2025 (verder te noemen: het tweede deskundigenrapport). Uit de rapportages blijkt dat het perceel is vervuild met glas, schadelijke stoffen, zware metalen en asbest.\n\n3.4.. \n [verkopers] heeft de rapportages gedeeld met [koper] en haar bij mails van 21 februari 2025 en 14 mei 2025 gesommeerd een aanvang te maken met het (laten) saneren van de bodemverontreiniging ten aanzien van het glas en het asbest. [koper] heeft aangegeven geen gehoor te geven aan deze sommaties en aansprakelijkheid afgewezen bij brief van 21 mei 2025.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\n [verkopers] vordert na vermeerdering van eis – kort samengevat- dat de rechtbank:\n\nI. ten aanzien van de bodemverontreiniging met glas:\n\n- primair [koper] veroordeelt om de koopovereenkomst na te komen, hetgeen inhoudt dat [koper] de saneringswerkzaamheden voor het glas binnen een bepaalde termijn aanvangt en uitvoert en er vervolgens een verklaring van het bevoegd gezag komt dat de sanering correct is uitgevoerd,\n\n- subsidiair [koper] veroordeelt tot het betalen van een voorschot van\n\n€ 205.102,50 op de schade en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere schade, nader op te maken bij staat,\n\n- meer subsidiair verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en de gevolgen van de koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met een bedrag gelijk aan sanering van het glas.\n\nII. ten aanzien van de bodemverontreiniging met asbest:\n\n- primair [koper] veroordeelt om de koopovereenkomst na te komen, hetgeen inhoudt dat [koper] de saneringswerkzaamheden voor het asbest binnen een bepaalde termijn aanvangt en uitvoert en er vervolgens een verklaring van het bevoegd gezag komt dat de sanering correct is uitgevoerd,\n\n- subsidiair [koper] veroordeelt tot het betalen van een voorschot van\n\n€ 190.160,52 op de schade en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere schade, nader op te maken bij staat,\n\n- meer subsidiair verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en de gevolgen van de koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met een bedrag gelijk aan sanering van het asbest.\n\nIII. ten aanzien van het dak:\n\n- primair [koper] veroordeelt om een schadevergoeding van € 99.671,05 te betalen aan [verkopers] ,\n\n- subsidiair de gevolgen van koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met het bedrag van € 99.671,05,\n\nIV. [koper] veroordeelt om een voorschot van € 135.000 op de gevolgschade te betalen en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere gevolgschade, nader op te maken bij staat,\n\nV. [koper] veroordeelt om € 33.154,00 aan deskundigenkosten te betalen aan [verkopers] ,\n\nVI. [koper] veroordeelt om € 5.944,54 aan buitengerechtelijke kosten aan [verkopers] te betalen,\n\nVII. [koper] veroordeelt om € 4.603,81 aan beslagkosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nVIII. [koper] veroordeelt in de proceskosten, de nakosten daarbij inbegrepen.\n\n4.2.. \n [verkopers] legt aan haar vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag. [verkopers] heeft de woning met grond gekocht in de veronderstelling dat zij een woning met grond kocht geschikt voor normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. [verkopers] wil in de woning wonen, mini-zeboes houden en fokken, andere dieren houden en wil chalets plaatsen om een B&B te beginnen. Volgens [verkopers] houdt een woonruimte met agrarische bestemming in dat het perceel naar gangbaar spraakgebruik gebruikt moet kunnen worden voor akkerbouw of het houden van dieren. [verkopers] werd na de levering van de woning met grond echter geconfronteerd met de volgende verborgen gebreken:\n\nverontreiniging van de grond met glas;\n\nverontreiniging van de grond met asbest; en\n\nslechte staat van het dak.\n\nNu het perceel vervuild blijkt te zijn met glas en asbest, is het niet mogelijk om het perceel te gebruiken voor akkerbouw of het houden van dieren. Voorts stelt [verkopers] dat de woning niet geschikt is (geweest) voor normaal gebruik als gevolg van de omvangrijke gebreken aan het dak. Door de diverse gebreken is [koper] tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. De uiteindelijke saneringskosten van glas en asbest, en de schade voor het mislopen inkomsten B&B zijn mogelijk hoger dan de al gevorderde bedragen, vandaar dat [verkopers] een voorschot op de schade vraagt met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval blijkt dat de schade en kosten hoger uitvallen dan het reeds gevorderde bedrag.\n\n4.3.. \n [koper] betwist het bestaan van de gebreken niet, maar voert verschillende verweren die - heel kort samengevat- op het volgende neer komen:\n\ner is geen sprake van wanprestatie ten aanzien van het glas en asbest omdat dit het normale gebruik van de woning en de grond niet in de wegstaat;\n\n [koper] heeft geen mededelingsplicht geschonden, wat [koper] wist heeft [koper] ook medegedeeld;\n\n [verkopers] heeft niet voldaan aan haar onderzoeksplicht;\n\nIn de koopovereenkomst staat een exoneratieclausule waardoor de aanwezigheid van asbest voor rekening en risico van [verkopers] komt;\n\n [verkopers] heeft te laat geklaagd ten aanzien van het dak door pas in de dagvaarding van september 2025 melding te maken van de gebreken hieraan, terwijl het dak twee jaar eerder al is hersteld;\n\nIn de koopovereenkomst staat een ouderdomsclausule waardoor de gebreken in het dak voor rekening en risico van [verkopers] komen;\n\n [verkopers] heeft niet onderzocht of met minder ingrijpende saneringsmaatregelen kan worden volstaan.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de koopovereenkomst?\n\n5.1.. In artikel 6.1 van de koopovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat [verkopers] alle gebreken, zowel de zichtbare als niet zichtbare aanvaardt. Dit artikel luidt:6.1.. \n\n De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van deze koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen 'bijzondere lasten' zijn.\n\nDit betekent dat de zichtbare en onzichtbare gebreken die er al waren ten tijde van de koopovereenkomst voor rekening en risico van [verkopers] zijn.\n\n5.2.. \n\nIn artikel 6.3 van de koopovereenkomst heeft [koper] gegarandeerd dat de woning en de grond geen gebreken hebben die aan normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming in de weg staan.\n\nIn het artikel staat namelijk het volgende:6.3.. \n\n De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als:woonruimte met agrarische bestemming. (zie bijlage ruimtelijke plannen\u002F bestemmingsplan.)\n\nIndien de feitelijke levering eerder plaatsvindt, zal de onroerende zaak op dat moment de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn.\n\nVerkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Gebreken die het normale gebruik belemmeren en die aan koper bekend of kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst komen voor rekening en risico van koper.\n\n5.3.. In artikel 6.4.3 van de koopovereenkomst is een zogenaamde exoneratieclausule ten aanzien van asbest opgenomen. In dit artikel staat:6.4.3.. \n\nAan verkoper is niet bekend of\u002FAan koper is bekend dat in de onroerende zaak asbest is verwerkt.\n\nIn de onroerende zaak kunnen asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen aanwezig zijn. Indien deze worden verwijderd dienen door koper maatregelen en voorzieningen te worden getroffen die de wetgeving voorschrijft. Koper verklaart met deze wetgeving bekend te zijn en aanvaardt alle aansprakelijkheid en gevolgen die uit de aanwezigheid van asbest en\u002Fof de verwijdering van asbest uit de onroerende zaak kan voortvloeien.\n\nIn afwijking van artikel 6.3. van deze koopakte en artikel 7:17 lid 1 en 2 BW komt het geheel of ten dele ontbreken van één of meer eigenschappen van de onroerende zaak voor normaal en bijzonder gebruik en het eventueel anderszins niet-beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst als gevolg van de aanwezigheid van enig asbest in welke samenstelling en\u002Fof op welke plaats dan ook voor rekening en risico van koper.\n\nDit houdt in dat in de woning en de grond asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen aanwezig kunnen zijn en dat dit voor rekening en risico van [verkopers] komt. Bij aanwezigheid van asbest kan zij er geen beroep op doen dat de woning en de grond niet beantwoordt aan de overeenkomst en kan zij ook geen beroep doen op de garantiebepaling van artikel 6.3. waarin is opgenomen dat de onroerende zaak geschikt is voor normaal gebruik als woning met een agrarische bestemming.\n\nDe aanwezigheid van glas en asbest\n\n5.4.. \n [koper] heeft de aanwezigheid van glas en asbest zoals die omschreven is in de deskundigenrapporten niet betwist, waarmee die aanwezigheid is komen vast te staan.\n\nNormaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming\n\n5.5.. In artikel 6.3 van koopovereenkomst staat dat de woning met de grond bij levering de eigenschappen zal bezitten die nodig zijn voor het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. Voor de interpretatie van ‘normaal gebruik’ moet volgens de Hoge Raad worden gekeken naar wat hieronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan ten aanzien van de grond en de zich daarop bevindende bebouwing.Volgens [verkopers] houdt een woonruimte met agrarische bestemming naar gangbaar spraakgebruik in dat de woning met de grond geschikt is voor akkerbouw of het houden van dieren. De rechtbank is het hiermee eens en gaat er daarom vanuit dat de garantie ziet op de geschiktheid van de grond voor akkerbouw of het houden van dieren.\n\nTussenconclusie\n\n5.6.. De artikelen 6.1 en 6.3 in de koopovereenkomst samen maken dat gebreken die nietin de weg staan aan het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming voor rekening en risico van [verkopers] komen en gebreken dieweldaaraan in de weg staan voor rekening en risico van [koper] komen. Het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming houdt in dat de grond gebruikt moet kunnen worden voor akkerbouw en veehouderij. Uitzondering daarop vormt de eventuele aanwezigheid van asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen: de gevolgen van de aanwezigheid van asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen zijn voor [verkopers] . Als de woning niet kan worden gebruikt als woning en\u002Fof de grond niet kan worden gebruikt voor akkerbouw of veehouderij door de aanwezigheid van asbest, kan [verkopers] [koper] dus niet hierop aanspreken en moet zij de gevolgen daarvan zelf dragen. In het recht geldt het algemene rechtsbeginsel afspraak is afspraak (pacta sunt servanda) zodat zowel [verkopers] als [koper] aan deze afspraken vast zitten. De afspraken zijn gemaakt met het oog op de juridische vraag of er sprake is van wanprestatie als er na levering van de woning gebreken blijken te zijn.\n\n5.7.. De rechtbank bespreekt de verschillende gestelde gebreken (glas, asbest en dak) afzonderlijk.\n\nTen aanzien van het glas pleegt [koper] wanprestatie\n\nHet perceel is niet geschikt voor normaal gebruik\n\n5.8.. \n [verkopers] stelt dat het perceel, gelet op de aanwezigheid van glas zoals omschreven in de deskundigenrapportages, niet gebruikt kan worden voor het houden van dieren of akkerbouw. [verkopers] onderbouwt dit door de beide deskundigenrapporten.\n\n5.9.. \n\nIn het eerste deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 4.2) opgenomen:\n\nTijdens de uitvoering van de onderzoeken is zowel op het maaiveld als in de grond glas aangetroffen. De oppervlakte waarover glas op het maaiveld is aangetroffen wordt ingeschat op ca. 3.850 m2. In het gebied ten zuiden van de woonboerderij langs de weg, opp. ca. 1.350 m2, is daarbij sprake van ‘veel glas’. De oppervlakte waarover glas tot 50 cm in de grond is aangetroffen betreft tenminste 12.380 m2, te weten het gebied waar de kassen hebben gestaan.\n\nEr is dus zowel glas in het maaiveld als in de grond aangetroffen.\n\n5.10.. \n\nIn het eerste deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 4.3) opgenomen:\n\nZolang op het maaiveld glas aanwezig is, zouden grazende dieren zich daaraan kunnen verwonden.\n\nDe grazende dieren kunnen zich dus aan het glas in het maaiveld verwonden.\n\n5.11.. \n\nIn het tweede deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 5.2) opgenomen:\n\nOp basis van de uitgezeefde hoeveelheden glas wordt geschat dat er in totaal zo’n 84 ton glas in de bodem aanwezig is. Het in de bodem aangetoonde glas betreft een aantasting van de kwaliteit van de bodem, welke zeer waarschijnlijk door de sloophandelingen in 2018-2019 is ontstaan. Op basis van de zorgplicht in de voormalige Wet bodembescherming en de algemene zorgplicht in de huidige Omgevingswet dient de aantasting zoveel als mogelijk ongedaan te worden gemaakt.\n\nHet gaat dus om zo’n 84 ton glas wat een aantasting van de bodem is. Volgens het rapport dient, op basis van de Wet bodembescherming en de Omgevingswet, de aantasting ongedaan te worden gemaakt.\n\nVerweer [koper] t.a.v. normaal gebruik slaagt niet\n\n5.12.. \n [koper] voert verweer en stelt dat de geconstateerde aanwezigheid van glas op 50 centimeter onder het maaiveld het beoogde gebruik voor het houden van mini-zeboes niet in de weg staat. Mini-zeboes zijn grazers en geen gravers, aldus [koper] .\n\n5.13.. Dit verweer slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de woning met grond niet de feitelijke eigenschappen bezit die voor het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming vereist zijn. Door het aangetroffen glas is de grond niet voor dit normale gebruik geschikt. Uit het eerste deskundigenrapport blijkt dat dieren zich kunnen verwonden aan het glas in het maaiveld en dat de kwaliteit van de bodem is aangetast door het glas in de bodem. Het gaat om een enorme hoeveelheid glas, maar liefst 84 ton, die volgens het tweede deskundigenrapport over een groot oppervlakte verspreid ligt. Dit maakt dat de grond ongeschikt is voor het houden van dieren en voor akkerbouw. In haar verweer gaat [koper] voorbij aan het deskundigenrapport waaruit blijkt dat grazende dieren zich aan het glas kunnen verwonden. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het beoogde gebruikvan [verkopers] (het houden van mini-zeboes) irrelevant is. Relevant is hetgegarandeerde normale gebruikin de koopovereenkomst, namelijk: het gebruik als woonruimte met agrarische bestemming (veehouderij en akkerbouw). Beide zijn niet mogelijk door de verontreiniging met glas.\n\nVerweer [koper] t.a.v. onderzoeksplicht [verkopers] slaagt niet\n\n5.14.. Volgens [koper] had [verkopers] zelf onderzoek moeten doen naar de bodemverontreiniging met glas en door dit niet te doen heeft [verkopers] haar onderzoeksplicht geschonden. Dit verweer faalt. Omdat het normale gebruik als woning met een agrarische bestemming is gegarandeerd, hoefde [verkopers] niet zelf te onderzoeken of de grond wel geschikt was voor agrarische doeleinden.\n\nTussenconclusie\n\n5.15.. \n [koper] heeft niet geleverd wat zij heeft gegarandeerd, namelijk een onroerende zaak met de feitelijke eigenschappen die geschikt zijn voor normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. De woning met grond is dus non-conform en [koper] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [verkopers] is op grond van deze tekortkoming gerechtigd nakoming of schadevergoeding te vorderen.\n\nToewijzing schadevergoeding in plaats van nakoming\n\n5.16.. De primaire vordering van [verkopers] houdt in dat zij nakoming vordert in de vorm van sanering. Tijdens de mondeling behandeling is aan [koper] voorgehouden dat haar primaire vordering vanwege de wijze van formulering bij toewijzing op praktische problemen stuit. Voor sanering is [koper] afhankelijk van een derde partij en het bevoegd gezag dat een sanering moet goedkeuren. Daarbij heeft [verkopers] aan deze nakoming termijnen verbonden te weten het binnen één maand na betekening van het vonnis starten met de sanering en het binnen twee maanden na de start voltooien van de sanering danwel andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijnen. De rechtbank heeft echter geen handvaten gekregen om in alle redelijkheid realistische termijnen vast te stellen. Dit klemt omdat onduidelijk is op welke termijn een saneerder aan de slag zou kunnen gaan en hoeveel tijd een sanering in beslag zou nemen. De praktisch moeilijke uitvoerbaarheid van het primair gevorderde, leidt ertoe dat de rechtbank het primair gevorderde afwijst.\n\n5.17.. \n [verkopers] vordert subsidiair een voorschot van € 205.102,50 op de schade die zij lijdt door de verontreiniging met glas, met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval dat blijkt dat de schade hoger uitvalt dan het voorschot. [verkopers] stelt ter onderbouwing dat de schade die zij lijdt, bestaat uit de saneringskosten die zij voor het glas moet maken. Zij heeft de noodzaak van de sanering en de hoogte van het voorschot voldoende onderbouwd met de kostenraming daarvan door de deskundige.\n\n5.18.. \n [koper] heeft de hoogte van de saneringskosten betwist. [koper] voert aan dat niet onderzocht is of met minder ingrijpende saneringsmaatregelen kan worden volstaan. Ter zitting heeft [koper] toegelicht dat zij hiermee bedoelt dat een minder vergaande sanering wellicht ook voldoende zou kunnen zijn. [koper] kon hier echter geen concrete uitwerking van geven ter zitting en heeft dit op geen enkele wijze nader onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit verweer van [koper] onvoldoende is onderbouwd.\n\n5.19.. De rechtbank wijst het voorschot op de saneringskosten toe voor het bedrag zoals door [verkopers] gevorderd, te weten € 205.102,50. De rechtbank wijst ook de wettelijke rente hierover toe vanaf 8 maart 2025. Op 21 februari 2025 heeft [verkopers] namelijk per brief [koper] op de hoogte gesteld van het deskundigenrapport en gevorderd dat [verkopers] binnen 14 dagen een aanvang maakt met het saneren van de bodemverontreiniging. Dat is niet gebeurd. Het verzuim is daarom per 8 maart 2025 ingetreden.\n\n5.20.. \n\nDe rechtbank wijst ook de vordering toe tot verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval blijkt dat de saneringskosten hoger uitvallen dan het voorschot. Er zijn namelijk aanwijzingen dat de kosten hoger zullen uitvallen om de volgende reden.\n\nIn het deskundigenrapport zijn de saneringskosten voor het glas begroot op € 205.102,50. Hierbij is opgenomen dat deze raming enkel een inschatting betreft van de te verwachten kosten en is uitgegaan van een ‘best-case scenario’ waarin een aantal omstandigheden gunstig uitvallen. Naast deze begroting van de schade in het deskundigenrapport heeft [verkopers] tevens een offerte van GMI Bodemmanagement in het geding gebracht waarin de kosten van de sanering van glas en asbest tezamen op € 721.000 worden begroot. De offerte maakt het niet mogelijk om de kosten van de glassanering separaat te berekenen. Wel is duidelijk dat dit een fors hoger bedrag is dan het bedrag waarop de sanering voor glas en asbest bij elkaar in het deskundigenrapport van Arnicon worden geraamd. Daarin worden de kosten van de asbestsanering namelijk geschat op € 190.160,52. Omdat de kostenraming van GMI Bodemmanagement ruim 3 ton hoger uitvalt dan de kostenraming van Arnicon, is het dus zeer wel mogelijk dat in werkelijkheid de kosten hoger gaan uitvallen dan het voorschot. Tegelijkertijd is het voor de rechtbank niet mogelijk om de saneringskosten te begroten op basis van de offerte van GMI Bodemmanagement omdat daarin de kosten van de glassanering niet van de kosten van de asbestsanering kunnen worden gescheiden. Dit maakt verwijzing naar de schadestaatprocedure noodzakelijk.\n\nTen aanzien van het asbest pleegt [koper] geen wanprestatie\n\n5.21.. \n\n [verkopers] stelt dat de asbestverontreiniging, zoals omschreven in het tweede deskundigenrapport, een normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming in de weg staat. Zij onderbouwt dit met het tweede deskundigenrapport waarin in de conclusie (paragraaf 5.2) is opgenomen:\n\nUit de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat er sprake is van bodemverontreiniging met asbest bij de stallen en langs het erf. De hoeveelheid tot boven de interventiewaarde met asbest verontreinigde grond wordt op basis van de beschikbare gegevens geschat op 375 m3 of 650 ton.\n\nNaar schatting zit er dus 650 ton asbest in de grond. Zolang de grond met asbest besmet is, kan de grond niet worden gebruikt voor akkerbouw, terwijl [koper] dit gebruik wel heeft gegarandeerd, aldus [verkopers] . Volgens [verkopers] kan [koper] geen beroep doen op de exoneratieclausule omdat deze niet zover strekt dat de aansprakelijkheid voor asbest op het hele perceel is uitgesloten. Partijen hebben met deze exoneratieclausule alleen bedoeld de aansprakelijkheid vanwege aanwezigheid van asbest in of om woning en onder de bestrating uit te sluiten, aldus [verkopers] . [verkopers] stelt tevens dat [koper] geen beroep op de exoneratieclausule toekomt nu zij haar mededelingsplicht ten aanzien van asbest heeft geschonden.\n\n5.22.. \n [koper] voert hiertegen verweer. [koper] stelt dat het door de exoneratieclausule niet mogelijk is om de schade ten aanzien van het asbest op [koper] te verhalen. Daarbij stelt zij dat de aanwezigheid van het ondergrondse asbest het beoogde gebruik van het perceel niet in de weg staat. De mini-zeboes kunnen hier gewoon grazen. [koper] betwist daarnaast dat zij haar mededelingsplicht heeft geschonden. [koper] was niet op de hoogte van de oorzaak en\u002Fof omvang van de gebreken, waaronder het asbest.\n\nExoneratiebeding asbest is van toepassing op de gehele onroerende zaak5.23.. De rechtbank oordeelt dat [koper] ten aanzien van het asbest rechtsgeldig een beroep kan doen op de exoneratieclausule, waardoor zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Het ligt op de weg van [verkopers] om haar stelling nader te onderbouwen dat partijen de bedoeling hadden dat de exoneratieclausule alleen van toepassing was op het asbest in en om de woning en onder de bestrating, in tegenstelling tot de woordelijke tekst uit de overeenkomst die zich niet hiertoe beperkt. [verkopers] heeft echter geen dan wel onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld, waaruit blijkt dat zij ervan uit mocht gaan dat het exoneratiebeding alleen van toepassing was op het asbest in de grond en de bestrating. Daarmee slaagt het verweer van [koper] dat het asbest in de grond onder de exoneratieclausule valt.\n\nMededelingsplicht grijpt niet in op een mogelijk beroep op exonoratie5.24.. De stelling van [verkopers] dat [koper] geen beroep op de exoneratieclausule toekomt omdat zij haar mededelingsplicht ten aanzien van het asbest heeft geschonden, gaat niet op. [koper] heeft ten aanzien van het asbest haar mededelingsplicht niet geschonden; wat zij wist, heeft zij gemeld. [koper] stelt namelijk dat zij gemeld heeft dat er op het perceel glastuinbouw heeft plaatsgevonden en dat deze glastuinderij gesloopt is. [verkopers] betwist niet dat [koper] dit gemeld heeft. Beide partijen waren dus op de hoogte van de voormalige glastuinderij en de sloop daarvan. Beide partijen stellen daarnaast dat het algemeen bekend is dat er een groot risico bestaat op het gebruik van asbest in kassen die stammen uit de jaren ‘70 van de vorige eeuw. De mededelingsplicht heeft alleen betrekking op gebreken waarvan de verkoper weet of vermoedt dat de koper ze niet kent. Omdat beide partijen stellen dat het algemeen bekend is dat er een groot risico bestaat op het gebruik van asbest in de gesloopte kassen, valt dit niet onder de mededelingsplicht van [koper] .\n\nTussenconclusie\n\n5.25.. Uit bovenstaande volgt dat de aanwezigheid van het asbest de woning en de grond niet non-conform maakt vanwege de exoneratieclausule en dat [verkopers] ten aanzien van de aanwezigheid van het asbest geen rechtsgeldig beroep kan doen op de garantiebepaling dat de woning en de grond geschikt is voor normaal gebruik als woning met een agrarische bestemming. Vordering II van [verkopers] die gebaseerd is op de aanwezigheid van asbest in de grond wordt dan ook afgewezen in alle varianten (primair, subsidiair en meer subsidiair).\n\nTen aanzien van het dak: [verkopers] heeft te laat geklaagd\n\n5.26.. \n [verkopers] stelt dat het dak in erbarmelijke staat was waardoor zij onverwijld de opdracht heeft moeten geven het dak te vervangen, zonder [koper] eerst in gebreke te stellen. Als gevolg van de omvangrijke gebreken aan het dak, is de woning niet geschikt (geweest) voor normaal gebruik. [koper] wijst op de klachtplicht: [verkopers] heeft de woning in 2023 geleverd gekregen en in het najaar van 2023 was het dak reeds gerepareerd. Pas bij de dagvaarding, in september 2025, heeft [verkopers] melding gemaakt van dit gebrek. Hierdoor heeft [verkopers] volgens [koper] te laat geklaagd, waardoor zij zich niet meer op non-conformiteit van het dak kan beroepen.\n\nWat is de klachtplicht?\n\n5.27.. De wet stelt dat een koper binnen korte tijd na het ontdekken van een gebrek de verkoper moet informeren. Doet de koper dit niet, kan hij zich niet meer op non-conformiteit beroepen, wat leidt tot verval van zijn rechten. Dit wordt de klachtplicht genoemd en is vastgelegd in artikel 7:23 Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW). De vraag of op tijd is geklaagd moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden, er geldt dus geen vaste termijn.\n\n5.28.. De rechtbank oordeelt dat [verkopers] te laat geklaagd heeft. [verkopers] heeft het gebrek in 2023 ontdekt en hersteld. Pas ruim 2 jaar nadat het gebrek is ontdekt, heeft [verkopers] het gebrek aan [koper] medegedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit te laat. Als gevolg daarvan kan [verkopers] er geen beroep meer doen dat het dak van de woning niet aan de overeenkomst beantwoordt. Vordering III van [verkopers] ten aanzien van het dak wordt daarom afgewezen (zowel primair als subsidiair).\n\nTussenconclusie\n\n5.29.. Uit bovenstaande volgt dat het beroep op wanprestatie ten aanzien van het dak niet slaagt omdat [verkopers] te laat heeft geklaagd.\n\nGevolgschade – Immateriële schade\n\n5.30.. \n [verkopers] vordert vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW. Volgens dit artikel heeft de benadeelde recht op immateriële schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [verkopers] beroept zich op deze laatste categorie, aantasting van haar persoon op andere wijze.\n\n5.31.. De rechtbank stelt voorop dat de wetgever de lat voor toekenning van immateriële schade hoog heeft willen leggen. De rechter dient terughoudend te zijn en degene die zich beroept op ‘aantasting van zijn persoon op andere wijze’ dient dit met concrete gegevens te onderbouwen.Uitgangspunt bij ‘aantasting van de persoon op andere wijze’ is dat sprake moet zijn van geestelijk letsel wat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, zoals een psychiatrische ziekte.Daarvan is in deze zaak geen sprake.\n\n5.32.. \n [verkopers] stelt dagelijks het weiland te moeten inspecteren om te zorgen dat haar dieren en kinderen zich niet verwonden aan het glas. Deze situatie duurt al twee jaar en het einde is nog niet in zicht, aldus [verkopers] . Hoewel de rechtbank begrijpt dat sprake is van een situatie die voor [verkopers] veel zorgen met zich meebrengt, is dit niet voldoende voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding.\n\n5.33.. Het vorenstaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de gevorderde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.\n\nGevolgschade – Misgelopen inkomsten\n\n5.34.. \n [verkopers] stelt dat zij inkomsten misloopt als gevolg van het niet kunnen realiseren van (vakantie)huisjes op haar perceel door de verontreiniging van de grond met glas en asbest. Omdat [koper] alleen kan worden aangesproken op de aanwezigheid van het glas, zoals hiervoor overwogen, zal het asbest hier verder buiten beschouwing worden gelaten.\n\n5.35.. Alleen schade die in verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schade moet, als gevolg van de gebeurtenis, aan de schuldenaar worden toegerekend. Dit is vastgelegd in artikel 6:98 BW.\n\n5.36.. \n [verkopers] heeft voldoende onderbouwd dat zij voornemens was om op het perceel een B&B te starten. Zo heeft [verkopers] dit voornemen reeds kenbaar gemaakt bij het uitbrengen van het bod op de woning op 16 augustus 2022. Alvorens gestart kan worden met het realiseren van de (vakantie)huisjes op het perceel, dient de grond niet verontreinigd te zijn. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat het niet mogelijk is om te starten met een B&B wanneer de grond 84 ton glas bevat. Hierdoor is sprake van schade, namelijk het mislopen van inkomsten, die in verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, namelijk de aanwezigheid van het glas.\n\n5.37.. De rechtbank oordeelt dan ook dat het causale verband tussen de schade (de gederfde inkomsten) en de verontreinigde grond met glas voldoende bewezen is. [verkopers] heeft de hoogte van de schade, naar oordeel van de rechtbank, niet voldoende onderbouwd. De onderbouwing van de schade betreft een globale berekening waarbij sprake zou zijn van 4 huisjes met een gemiddelde bezetting van 50% en een tarief van € 100,00 per nacht. Een nadere onderbouwing ontbreekt, bijvoorbeeld van het gegeven dat [verkopers] voornemens zou zijn om vier huisjes te bouwen, het soort B&B dat gebouwd zou worden, een onderbouwing van de aanname van een bezetting van 50% of een onderbouwing van het tarief in vergelijking met soortgelijke B&B’s in de omgeving. Het is voor de rechtbank niet mogelijk om een begroting van de schadevergoeding te maken. De rechtbank verwijst [verkopers] voor de omvang van deze schade dan ook naar de schadestaatprocedure.\n\nNevenvorderingen\n\nDeskundigenkosten\n\n5.38.. \n [verkopers] vordert als vergoeding van de buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige Arnicon, vermeerderd met de wettelijke rente. Op basis van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen redelijke kosten die zijn gemaakt om schade en aansprakelijkheid vast te stellen, voor vergoeding in aanmerking. Hieronder vallen deskundigenkosten.\n\n5.39.. Arnicon heeft twee deskundigenrapporten opgesteld. Het eerste deskundigenrapport betreft een verkennend bodemonderzoek. Doel van dit onderzoek was met relatief geringe onderzoeksinspanning de algemene bodemkwaliteit vaststellen. [verkopers] heeft de kosten van het eerste deskundigenrapport voldaan op basis van twee facturen die door [verkopers] zijn overlegd. Uit deze facturen volgt dat de totale kosten voor het eerste deskundigenrapport € 9.559,00 inclusief btw zijn. Het tweede deskundigenrapport betreft een aanvullend onderzoek naar de bodemverontreiniging om de omvang van de verontreiniging verder vast te stellen. De kosten voor het tweede deskundigenrapport zijn voldaan op basis van twee facturen die [verkopers] heeft overlegd, hieruit volgt dat de kosten voor het tweede deskundigenonderzoek € 23.595,00 inclusief btw zijn. De totale deskundigenkosten voor het eerste en het tweede deskundigenrapport bedragen totaal € 33.154,00.\n\n5.40.. De rechtbank oordeelt dat beide deskundigenrapporten nodig zijn geweest om de schade en aansprakelijkheid van [koper] ten aanzien van het glas vast te stellen. Dit leidt ertoe dat de deskundigenkosten toewijsbaar zijn. De rechtbank wijst ook de wettelijke rente hierover toe vanaf 8 maart 2025. Op 21 februari 2025 heeft [verkopers] namelijk per brief [koper] op de hoogte gesteld van het deskundigenrapport en gevorderd dat [verkopers] binnen 14 dagen een aanvang maakt met het saneren van de bodemverontreiniging. Dat is niet gebeurd. Het verzuim is daarom per 8 maart 2025 ingetreden.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten5.41.. \n [verkopers] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aangezien een deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, worden de gevorderde buitengerechtelijke kosten toegewezen tot het wettelijk tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. Er wordt daarom een bedrag van € 2.966,28 toegewezen.\n\nBeslagkosten5.42.. Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van de beslagkosten overweegt de rechtbank als volgt. Als uitgangspunt geldt dat de kosten van het beslag van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was (art. 706 Rv). Het is aan de beslagene om de nietigheid, het onnodige of de onrechtmatigheid van het beslag aan te tonen. Ten aanzien van het beslag heeft [koper] geen verweer gevoerd. Dit betekent dat ook de vordering tot vergoeding van de beslagkosten zal worden toegewezen.\n\n5.43.. De beslagkosten worden als volgt begroot:\n\n- griffierecht conservatoir beslag\n\n€\n\n0,00\n\n- beslag tot levering onroerende zaak\n\n€\n\n260,36\n\n- derdenbeslag\n\n€\n\n299,93\n\n- leges kadaster inschrijving\n\n€\n\n79,00\n\n- overbetekening beslagene\n\n103,67\n\n- informatiekosten\n\n13,05\n\n- overheidsheffing\n\n14,80\n\n- geliquideerd salaris (1 punt, tarief VII)\n\n2.885,00\n\nTotaal\n\n€\n\n3.655,81\n\nHet griffierecht is op nihil gesteld omdat dit al volledig is geheven in de bodemprocedure. Het geliquideerd salaris is gebaseerd op het toegewezen bedrag.\n\nProceskosten5.44.. Hoewel een deel van haar vorderingen is afgewezen, heeft [verkopers] deze procedure moeten starten om schadevergoeding te verkrijgen. [koper] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verkopers] worden op basis van het toegewezen bedrag begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n144,47\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.723,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n5.770,00\n\n(2 punten × € 2.885,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n8.826,47\n\n5.45.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. veroordeelt [koper] om € 205.102,50 aan [verkopers] te betalen als voorschot op de schade ten aanzien van het glas in de grond, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening,\n\n6.2.. veroordeelt [koper] tot vergoeding aan [verkopers] van de nog door [verkopers] geleden en te lijden schade ten aanzien van het glas in de grond, deze schade nader op te maken bij staat,\n\n6.3.. \n\nveroordeelt [koper] om aan [verkopers] te betalen een bedrag van\n\n€ 33.154,00 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,\n\n6.4.. \n\nveroordeelt [koper] om aan [verkopers] te betalen een bedrag van\n\n€ 2.966,28 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.5.. \n\nveroordeelt [koper] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op\n\n€ 3.655,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,\n\n6.6.. veroordeelt [koper] in de proceskosten van € 8.826,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [koper] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.7.. veroordeelt [koper] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.9.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr.drs. Van Duin en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414\n\n HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid4a0e135bfeb14c8787c596c0742af279),NJ 2019\u002F162 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidfeab1399df654be6b14ebba91fa4725b)(EBI)\n\n HR 9 mei 2003, NJ 2005\u002F168 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid157620030509c01246hrnj2005168dosred)(B\u002FNoord Brabant); HR 19 december 2003,NJ 2004\u002F348 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid157620031219c02165hrnj2004348dosred)(J\u002FStaat) en HR 15 maart 2019,ECLI:NL:HR:2019:376 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid4a0e135bfeb14c8787c596c0742af279),NJ 2019\u002F162 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidfeab1399df654be6b14ebba91fa4725b)(EBI)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5577","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.342Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":45,"courtId":129,"decisionDate":121,"fullText":138,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":140,"parsedAt":53,"updatedAt":141},"473","ECLI:NL:RBLIM:2026:4453","ecli-nl-rblim-2026-4453","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F346740 \u002F HA ZA 25-467\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nte [plaats 1] (België),\n\neisende partij in conventie, tevens verwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de man] ,\n\nadvocaat: mr. R.M.J.K.M. Teeuwen,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie, tevens eisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de vrouw] ,\n\nadvocaat: mr. R.A.J. van der Leeuw.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 oktober 2025,\n\n- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, - de conclusie van antwoord in reconventie,\n\n- de mondelinge behandeling van 16 april 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling\n\novergelegde spreekaantekeningen van [de vrouw] en de door [de man] overgelegde uitspraak van het gerechtshof Den Haag.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben gedurende een periode van vier jaren een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is in november 2024 geëindigd. Zij zijn niet gehuwd (geweest) en\u002Fof geregistreerd partners van elkaar (geweest) en hebben ook geen samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten.\n\n2.2.. Op 5 oktober 2020 zijn partijen gezamenlijk eigenaar geworden van de woning aan [adres] (hierna: de woning). De woning is aangekocht voor een bedrag van € 195.000,-. Voor de aanschaf van de woning hebben partijen een hypothecaire geldlening afgesloten bij NIBC Bank. Op 25 november 2024 bedroeg deze hypothecaire geldlening € 174.164,82.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. \n [de man] vordert - samengevat - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nTen aanzien van de overeenkomst d.d. 16 november 2024:\n\nvoor recht verklaart dat deze:\n\nI. Primair: nietig is op grond van art. 3:40 lid 2 BW, althans dat de daarin opgenomen bepalingen zoals onder punt 26 en 27 van de dagvaarding zijn opgenomen nietig zijn, zodat de overeenkomst als geheel geen rechtsgevolg kan hebben, althans dat de overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW vernietigd dient te worden nu de overeenkomst naar haar strekking in strijd is met de wet;\n\nII. Subsidiair: bij schrijven d.d. 28 maart 2025 buitengerechtelijk is vernietigd op grond van art. 3:44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden), althans deze te vernietigen op grond van art. 3:44 lid 4 BW;\n\nIII. Meer subsidiair: bij schrijven d.d. 28 maart 2025 buitengerechtelijk is vernietigd op grond van art. 6:228 BW (dwaling), althans deze te vernietigen op grond van art. 6:228 BW;\n\nIV. Nog meer subsidiair: nietig is, althans buiten toepassing blijft wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 6:248 BW en daaraan aldus geen rechtsgevolgen kunnen worden ontleend;\n\nUiterst subsidiair\n\nV. de overeenkomst d.d. 16 november 2024 op grond van art. 67:74 [de rechtbank begrijpt: 6:74] jo. 6:265 BW ontbindt wegens wanprestatie;\n\nIn alle gevallen:\n\nVI. [de vrouw] op straffe van een dwangsom veroordeelt haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan [makelaar 1] , althans een door de rechtbank aan te wijzen makelaar\u002Ftaxateur, om tot taxatie van de woning over te gaan op grond van art. 3:178 jo 3:300 BW, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken binnen 7 dagen na vonnis, waarbij de kosten van de taxatie voor haar rekening komen nu de woning aan haar toegedeeld zal worden;\n\nalthansvoor het geval [de vrouw] ondanks de dwangsom weigerachtig blijft haar medewerking aan de taxatie te verlenen, bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verstrekken van de opdracht aan de taxateur, waarbij uitdrukkelijk wordt bepaald dat de kosten van de taxatie voor rekening van [de vrouw] zullen komen op grond van art. 3:300 BW;\n\nVII. De verdeling van de woning gelast op grond van art 3:178 jo 3:300 BW, waarbij de woning aan [de vrouw] wordt toegedeeld tegen betaling van de helft van de getaxeerde waarde aan [de man] , met inbegrip van de op deze woning rustende hypotheek bij NIBC onder ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [de man] ter zake de aan de woning verbonden hypotheekschuld, binnen 3 maanden na het in dezen te wijzen vonnis, waarbij zij binnen 4 weken na kennisneming van de taxatiewaarde ondubbelzinnig schriftelijk aan [de man] te kennen dient te geven of zij de woning voor de taxatiewaarde over zal nemen, zonder enig financieringsvoorbehoud en waarbij de (notariële) kosten van de overname van de woning door [de vrouw] volledig ten laste van [de vrouw] zullen komen,\n\nalthans, bij gebreke van toedeling aan [de vrouw] omdat [de rechtbank begrijpt: zij] binnen de gestelde termijn van 4 weken na kennisneming van de getaxeerde waarde schriftelijk heeft aangegeven de woning niet over te nemen, beveelt dat de woning aan een derde wordt verkocht en binnen 14 dagen na de schriftelijke mededeling van [de vrouw] dat zij de woning niet over zal nemen, te koop wordt aangeboden via een gecertificeerd makelaar (lid van NVM of VBO), met verdeling van de opbrengst bij helfte tussen partijen, waarbij [de vrouw] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan deze makelaar, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken, waarbij de kosten van de verkoop tussen partijen bij helfte worden gedeeld,\n\nalthansvoor het geval [de vrouw] ondanks de genoemde dwangsom weigerachtig blijft haar medewerking aan het verkooptraject te verlenen, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verstrekken van de opdracht aan de makelaar met een verdeling van de kosten van de verkoop bij helfte tussen partijen op grond van art. 3:300 BW;\n\nVIII. De verdeling van de (voormalig) gemeenschappelijke bankrekening bij de Rabobank met kenmerk [rekeningnummer 1] gelast op grond van art 3:166 jo. 3:178 jo. 3:300 BW met verdeling van het saldo per 16 november 2024 bij helfte tussen partijen en [de vrouw] op straffe van een dwangsom veroordeelt tot betaling van het aandeel van [de man] aan hem alsmede haar medewerking te verlenen aan het verstrekken van het saldo d.d. 16 november 2024, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis,\n\nalthansbepaalt dat, voor het geval [de vrouw] ondanks de genoemde dwangsom weigerachtig blijft het saldo op de peildatum prijs te geven, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verkrijgen van het banksaldo op grond van art. 3:300 BW;\n\nIX. De verdeling van de auto merk Ford Focus met [kenteken 1] gelast op grond van art 3:178 BW, waarbij de auto aan [de vrouw] wordt toegedeeld tegen betaling van de helft van de waarde, zijnde € 3.750,- aan [de man] binnen 14 dagen na vonnis, althans een dusdanig bedrag dat de rechtbank geraden acht;\n\nX. [de vrouw] veroordeelt in de reële kosten van deze procedure, alsmede de nakosten en buitengerechtelijke kosten ad € 1.175,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans, [de vrouw] te veroordeelt in de kosten van deze procedure overeenkomstig het liquidatietarief, alsmede de nakosten, buitengerechtelijke kosten ad € 1.175,- en wettelijke rente.\n\nIn reconventie\n\n3.2.. \n [de vrouw] vordert dat de kantonrechter [begrepen wordt: de rechtbank] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [nummering aangebracht door de rechtbank]:\n\nverklaart voor recht dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toegescheiden, dan wel de eigendom van de woning is geleverd aan de koper;\n\nverklaart voor recht dat de overeenkomst van 16 november 2024 rechtsgeldig is overeengekomen en [de man] gehouden is tot nakoming daarvan;\n\n [de man] veroordeelt tot nakoming van de overeenkomst en de wijze van verdeling van de gemeenschap dienovereenkomstig als volgt vast stelt:\n\nAan [de vrouw] wordt toegedeeld:\n\nde auto merk Ford, type Focus met [kenteken 1] , zonder nadere verrekening;\n\nde woning tegen de openstaande hypotheeksom, althans tegen de WOZ-waarde onder de voorwaarde dat:\n\n- [de vrouw] in staat is om uiterlijk vóór 16 november 2029, althans binnen drie maanden na de datum vonnis de overname van het aandeel van [de man] in de woning te financieren en dat [de man] zal kunnen worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldlening;\n\n- dat de overwaarde volledig aan [de vrouw] toekomt;\n\n- dat de kosten van het notariële transport voor rekening van [de vrouw] komen, in het geval de woning aan haar wordt toegedeeld.\n\nIn het geval [de vrouw] niet uiterlijk 16 november 2029, althans niet binnen drie maanden na datum van het vonnis in staat is de overname van de woning te financieren bepaalt:\n\n- dat de woning uiterlijk op 16 november 2029, althans onverwijld nadat drie maanden zijn verstreken na vonnis, te koop wordt gezet bij [makelaar 2] te [plaats 2] ;\n\n- dat beide partijen bevoegd zijn namens hen beiden de opdracht aan de makelaar te verstrekken;\n\n- dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de beste mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de beste mogelijke prijs is, dan zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;\n\n- dat [de man] verplicht is zijn medewerking te verlenen aan het tekenen van de koopovereenkomst en aan het notariële transport van de woning aan de koper;\n\n- dat iedere partij gehouden is om de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten terzake de verkoop en levering van de woning te dragen;\n\n- dat de hypotheekschuld zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;\n\n- dat de netto-verkoopopbrengst aan [de vrouw] toekomt.\n\nIn alle gevallen te bepalen dat [de man] gehouden is aan de verkoop en de daaropvolgende overdracht en notariële levering zijn medewerking te verlenen aan alle daartoe benodigde handelingen en dat indien [de man] die medewerking niet op eerste verzoek van [de vrouw] verleent, het vonnis in de plaats treedt van de toestemming, medewerking, wilsverklaring en \u002Fof handtekening van\n\n [de man] .\n\n4. [de man] te veroordelen in de kosten van deze procedure.\n\nIn conventie en in reconventie\n\n3.3.. Partijen voeren over en weer verweer.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zal de rechtbank de vorderingen gezamenlijk beoordelen.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht4.2.. \n [de man] woont in België; [de vrouw] in Nederland. De zaak heeft daarmee een internationale component. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en welk recht van toepassing is op het geschil.\n\n4.2.1.. Omdat sprake is van een handelszaak is in deze zaak van toepassing de Herschikte EEX-Vo.Omdat de gedaagde partij in conventie ( [de vrouw] ) in Nederland woont en er geen gerecht is dat op grond van de verordeningexclusief bevoegd is, komt de rechtbank ten aanzien van de vordering in conventie rechtsmacht toe.Nu de reconventionele vorderingen voortspruiten uit hetzelfde rechtsfeit waarop de conventionele vordering is gegrond, heeft de Nederlandse rechter ook ten aanzien van die vorderingen rechtsmacht.Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.\n\n4.2.2.. Ten aanzien van het toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. [de man] baseert de vorderingen op vernietiging c.q. nietigheid van de op 16 november 2024 tussen partijen geslotenovereenkomst en vordert verdeling op basis van de wet. De vorderingen in reconventie zijn gebaseerd op contractuele verbintenissen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Op de niet op de overeenkomst gebaseerde vorderingen is de Rome-II verordening van toepassing.Daaruit volgt(eventueel in samenhang met artikel 10:159 BW) dat op die vorderingen Nederlands recht van toepassing is. Voor wat betreft de verdeling van de woning volgt dat uit artikel 10:127 BW. Op de vorderingen die zijn gebaseerd op contractuele verbintenissen (uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst) is van toepassing de Rome-I Verordening.Daaruit volgt dat ook op die vorderingen Nederlands recht van toepassing is.\n\nDe overeenkomst van 16 november 20244.3.. Niet in geschil is dat [de vrouw] op 16 november 2024 een door haar in de Nederlandse taal opgemaakte, handgeschreven overeenkomst aan [de man] heeft voorgelegd en dat [de man] die overeenkomst die dag heeft ondertekend (hierna: de overeenkomst). Hierin is opgenomen dat partijen “in verband met het beindigen [sic] van hun relatie de volgende zaken zijn overeengekomen”. Samengevat worden vervolgens de volgende afspraken genoemd [nummering aangebracht door de rechtbank]:\n\n [de man] verlaat eind november 2024 definitief de woning;\n\n [de vrouw] zal samen met haar kinderen in de woning blijven;\n\n [de man] blijft voor onbepaalde tijd medeverantwoordelijk voor de door bij partijen bij NIBC afgenomen hypotheek;\n\n [de man] wordt per direct vrijgesteld van zijn verplichtingen t.o.v. de woning en lening, [de vrouw] neemt deze verplichtingen op zich;\n\n [de man] doet afstand van al zijn rechten t.o.v. de woning en de lening;\n\n [de man] doet afstand van zijn rechten op een af-\u002Fuitkoopsom en van zijn deel bij verkoop van de woning en van zijn deel van de woning bij het overlijden van [de vrouw] ;\n\nBij het overlijden van [de vrouw] zal haar deel van de woning en het deel van [de man] worden overgedragen aan de drie kinderen van [de vrouw] ;\n\nBij het overlijden van [de man] zal zijn deel overgedragen worden aan [de vrouw] ;\n\n [de vrouw] zal € 4000,- en een auto van het merk Audi (TT) met het [kenteken 2] aan [de man] geven;\n\n [de man] neemt zijn eigen bezittingen mee uit de woning, de overige spullen blijven achter bij [de vrouw] ;\n\nVerder zijn partijen elkaar niets verschuldigd.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen in de overeenkomst kennelijk getracht overeenstemming over de verdeling in de zin van artikel 3:182 BW te bereiken. In die overeenkomst heeft [de man] verklaard afstand te doen “van al zijn rechten ten opzichte van de woning en de lening” en van “een af-\u002Fuitkoopsom” en “zijn deel bij verkoop van de woning”. Van een overeenstemming over de verdeling als bedoeld in voornoemd artikel is evenwel slechts sprake indien partijen het niet alleen eens zijn geworden over de feitelijke verdeling maar ook over de financiële consequenties daarvan.Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval in ieder geval vereist dat bij partijen bekend was wat de waarde was van de woning, zodat partijen duidelijk was waarvan afstand werd gedaan door [de man] . Uit de overeenkomst volgt niet dat partijen zich bewust waren wat de financiële consequenties van de overeenkomst en bijvoorbeeld bekend waren met de (over)waarde van de woning. Ter zitting is door [de man] ook bevestigd dat hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet bekend was met de waarde van de woning. De rechtbank is derhalve van oordeel dat tussen partijen niet een rechtsgeldige verdeling in de zin van artikel 3:182 BW tot stand is gekomen.\n\n4.5.. Voor wat betreft het deel van de overeenkomst waarin partijen hebben beschikt over hun uiterste wil geldt het volgende. Ten aanzien van de bepaling waarin is opgenomen dat bij het overlijden van [de man] [de vrouw] zijn deel van de woning zal ontvangen (h.), geldt dat partijen het erover eens zijn dat deze bepaling nietig is. Voor wat betreft de bepaling uit de overeenkomst waarin is bepaald dat bij het overlijden van [de vrouw] [de man] afstand doet van zijn rechten op een af-\u002Fuitkoopsom en van zijn deel bij verkoop van de woning en van zijn deel van de woning (f.) en dat bij het overlijden van [de vrouw] haar deel van de woning en het deel van [de man] zal worden overgedragen aan de drie kinderen van [de vrouw] (g.), geldt het volgende. De rechtbank begrijpt een en ander aldus dat [de man] zijn deel van de woning zal overdragen aan de kinderen van [de vrouw] onder de opschortende voorwaarde dat [de vrouw] overlijdt en de ontbindende voorwaarde dat [de man] op dat moment nog in leven is. De kinderen zijn evenwel geen partij bij de overeenkomst. Er is derhalve sprake van een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW. Dat het derdenbeding de kinderen heeft bereikt en\u002Fof dat zij het hebben aanvaard is niet door [de vrouw] gesteld en ook overigens niet gebleken. Nu uit de overeenkomst niet volgt dat partijen het recht om het beding te herroepen hebben uitgesloten (en de situatie van lid 4 dus niet aan de orde is), kan het beding op grond van het bepaalde in artikel 6:253 lid 2 BW door degene die het heeft gemaakt tot de aanvaarding worden herroepen. [de man] was dus bevoegd het derdenbeding te herroepen middels een verklaring gericht tot [de vrouw] of de kinderen. De rechtbank merkt in ieder geval de brief van 28 maart 2025 van [de man] aan [de vrouw] (productie 6 bij dagvaarding) waarbij de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst wordt ingeroepen aan als een herroeping van het derdenbeding. Dit leidt tot de conclusie dat de door [de vrouw] op de overeenkomst gebaseerde vorderingen moeten worden afgewezen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nader in te gaan op de gestelde nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst. De door [de man] ter zake gevorderde verklaringen voor recht zullen worden afgewezen.\n\n4.6.. Uit het bovenstaande volgt dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van overeenstemming over de verdeling van de woning. Voor zover [de vrouw] bedoeld heeft zich subsidiair te beroepen op uitsluiting van de bevoegdheid om verdeling te vorderen voor onbepaalde tijd overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 3:178 lid 1 BW is voor zover hier van belang bepaald dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. In lid 5 is bepaald dat zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst kunnen uitsluiten, maar telkens voor ten hoogste vijf jaren. [de vrouw] heeft gesteld dat partijen uitsluiting van de verdeling voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen door af te spreken dat [de man] , ‘ondanks zijn vertrek, voor onbepaalde tijd stilzwijgend samen met mevr. [de vrouw] deze hypotheek aanhouden, zodat mw. [de vrouw] de mogelijkheid heeft in deze woning te blijven’. Nu dat in strijd is met een dwingende wetsbepaling is [de vrouw] van mening dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de afspraak tussen partijen om de verdeling uit te sluiten geldt voor vijf jaar. [de man] bestrijdt dit. [de man] stelt dat de afspraken de strekking hadden om [de vrouw] en haar kinderen tijdelijk in de woning te laten wonen. Volgens [de man] is het nimmer de zijn bedoeling geweest dat [de vrouw] (op grond van deze afspraken) in de woning zou blijven, terwijl [de man] hieraan tot in lengte der dagen verbonden zou blijven. De rechtbank overweegt dat [de vrouw] dit in feite ook erkent, zij stelt immers dat sprake was van een gebruiksrecht tot de woning zou worden verkocht of tot het moment dat zij de bestaande hypothecaire lening zou kunnen overnemen. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat partijen met de gemaakte afspraken nimmer beoogd hebben de bevoegdheid tot het vorderen van verdeling (voor vijf jaar) uit te sluiten als bedoeld in artikel 3:178 lid 5 BW.\n\n4.7.. Nu geen verdeling tot stand is gekomen en de bevoegdheid verdeling te vorderen ook niet is uitgesloten zal de rechtbank de (wijze van) verdeling vaststellen. Tussen partijen staat vast dat ten aanzien van onderstaande zaken sprake is van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW:\n\nde woning;\n\nde gemeenschappelijke bankrekeningen\n\nDe woning4.8.. Partijen zijn het erover eens dat de woning in beginsel kan worden toegedeeld aan [de vrouw] . Naar het oordeel van de rechtbank moet de woning derhalve eerst worden getaxeerd. [de vrouw] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door [de man] voorgestelde taxateur, [makelaar 1] . De rechtbank zal de door [de man] ter zake van de taxatie van de woning en toedeling van de woning aan [de vrouw] ingestelde vorderingen toewijzen zoals in het dictum is bepaald. Omdat een dwangsom naar het oordeel van de rechtbank geldt als voldoende prikkel tot nakoming wordt de vordering van [de man] die ertoe strekt het vonnis in de plaats te laten treden afgewezen. Dit geldt voor alle vorderingen van [de man] waaraan zowel een dwangsom als een indeplaatstreding van het vonnis is gevorderd. De gevorderde dwangsom (€ 500,- per dag, met een maximum van € 25.000,-) zal worden toegewezen.\n\n4.9.. De rechtbank zal bepalen dat [de vrouw] binnen vier weken nadat de taxatiewaarde bekend is, schriftelijk aan [de man] kenbaar zal dienen te maken of zij de woning voor die waarde aan haar toebedeeld wenst te zien. Voor het geval [de vrouw] dit wenst, zal de rechtbank bepalen dat die toedeling c.q. levering binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden, zijn beslag zal moeten krijgen; [de vrouw] dient dan de volledige hypotheekschuld op zich te nemen (zo nodig met ontslag van [de man] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid) en dient dan de helft van de overwaarde aan [de man] te vergoeden. Beide partijen hebben gesteld dat zij uit hun eigen vermogen geïnvesteerd hebben in (verbouwing van) de woning, maar geen van beide partijen heeft dat onderbouwd en geen van partijen heeft daar een rechtsgevolg aan verbonden, zodat dit geen gevolgen heeft voor de verdeling van de overwaarde die derhalve bij helfte dient te geschieden. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit vonnis in het geval dat de woning aan [de vrouw] wordt toebedeeld ex artikel 3:300 BW in de plaats te laten treden van de medewerking van [de man] aan de notariële levering aan [de vrouw] .\n\n4.10.. \n\nIndien [de vrouw] afziet van toedeling van de woning aan haar tegen de taxatiewaarde, of binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden toedeling c.q. levering aan haar niet heeft plaatsgevonden, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde zoals door beide partijen gevorderd en zoals -met aanpassingen-toegewezen zoals in het dictum weergegeven. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat partijen een verkoopopdracht zullen geven aan de door [de vrouw] genoemde makelaar ( [makelaar 2] te [plaats 2] ), waartegen door [de man] geen inhoudelijk verweer is gevoerd. [de man] vordert dat de verkoop ter hand wordt genomen door een gecertificeerd makelaar. Nu [makelaar 2] een NVM-makelaar is wordt aan die wens tegemoetgekomen. Indien [makelaar 2] de opdracht weigert zullen partijen in onderling overleg een andere makelaar moeten benaderen. De rechtbank ziet aanleiding om aan de noodzakelijke medewerking aan de verkoop voor beide partijen een dwangsom te verbinden.\n\nHet nu reeds veroordelen van [de man] tot het meewerken aan verkoop en notariële levering aan een derde is naar het oordeel van de rechtbank prematuur. Er zal vooreerst duidelijk moeten worden of [de vrouw] de woning wenst en kan overnemen dan wel deze moet worden verkocht aan een derde. Dit deel van de vordering in reconventie wordt afgewezen.\n\nNu door geen van beide partijen een ander standpunt is ingenomen dient de overwaarde na verkoop bij helfte te worden verdeeld.\n\nBankrekeningen4.11.. Tussen partijen is niet in geschil dat er ten tijde van de verbreking van de samenwoning sprake was van een tweetal gezamenlijke bankrekeningen met een gezamenlijk banksaldo. Deze vertoonden op 16 november 2024 de volgende saldi:\n\n [rekeningnummer 1] (Rabo Totaalrekening) ad € 103,30 en\n\n [rekeningnummer 2] (Rabo SpaarRekening) ad € 5.000,-.\n\n4.12.. De bankrekeningen staan inmiddels op naam van [de vrouw] . Aangezien [de vrouw] lopende de procedure inzage heeft verschaft in de saldi op voornoemde rekeningen, hoeft de vordering van [de man] strekkende tot inzage ter zake geen bespreking meer.\n\n4.13.. De rechtbank is van oordeel dat de saldi op datum 16 november 2024 bij helfte moeten worden verdeeld. [de vrouw] dient [de man] in dat kader een bedrag van € 2.551,65 te betalen. De daarop door [de man] toegespitste vordering kan worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat geen dwangsom kan worden verbonden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom.\n\nFord Focus4.14.. Tot slot debatteren partijen over de Ford Focus met [kenteken 1] (hierna: de auto). [de man] stelt dat de auto gezamenlijk eigendom is en dat deze verdeeld moet worden. [de vrouw] stelt zich op het standpunt dat de auto haar eigendom is. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat [de vrouw] de auto heeft gekocht, dat het kenteken op haar naam is gesteld en dat zij degene was die gebruik maakte van de auto. De rechtbank is van oordeel dat de auto niet verdeeld hoeft te worden omdat deze eigendom van [de vrouw] is, althans niet is gebleken dat deze gezamenlijk eigendom is. Het enkele feit dat de auto mogelijk voor een deel is voldaan uit van [de man] afkomstige middelen kan eventueel leiden tot een vorderingsrecht (waarop geen beroep is gedaan), maar is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van gezamenlijk eigendom van de auto. Ook het feit dat [de man] de opbrengst van de Audi, die zijn eigendom was, wel heeft gedeeld met [de vrouw] kan er niet toe leiden dat de Ford Focus als gezamenlijk eigendom moet worden aangemerkt.\n\nGebruiksrecht woning4.15.. \n [de vrouw] vordert voor het overige nog om voor recht te verklaren dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toegescheiden, dan wel de eigendom van de woning is geleverd aan de koper. Deze vordering wordt toegewezen zoals in het dictum is bepaald.\n\nProceskosten4.16.. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen zowel in conventie als in reconventie compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van het gebruik dat proceskosten in geval van ex-partners worden gecompenseerd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin conventie en in reconventie\n\nten aanzien van de woning\n\n5.1.. veroordeelt [de vrouw] om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan [makelaar 1] te [plaats 2] om tot taxatie van de woning over te gaan, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken,\n\n5.2.. veroordeelt [de vrouw] tot betaling van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij niet aan het in 5.1 genoemde voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\n5.3.. bepaalt dat de kosten van de in 5.1 genoemde taxatie voor rekening van [de vrouw] komen nu de woning aan haar toegedeeld zal worden,\n\n5.4.. bepaalt dat [de vrouw] binnen vier weken nadat de taxatiewaarde bekend is, schriftelijk aan [de man] kenbaar dient te maken of zij de woning voor die waarde aan zich toebedeeld wenst te zien, in welk geval de toedeling c.q. levering binnen drie maanden na bekendmaking van de taxatiewaarde dient te geschieden tegen:\n\novername van de volledige hypotheekschulden (en eventuele daaruit ontstane betalingsachterstanden) door [de vrouw] ,\n\nvergoeding door [de vrouw] aan [de man] van de helft van de overwaarde,\n\nbetaling van de (notariële) kosten verbonden aan de overname van de woning door [de vrouw] .\n\n5.5.. bepaalt dat indien [de vrouw] de woning tegen de taxatiewaarde toebedeeld wenst te zien en is voldaan aan de in 5.4. genoemde voorwaarden [de man] gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de notariële levering aan [de vrouw] en alle daartoe benodigde handelingen te verrichten,\n\n5.6.. bepaalt, in het geval dat [de vrouw] afziet van toedeling, dan wel in het geval dat binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden toedeling c.q. levering van de woning aan [de vrouw] niet heeft plaatsgevonden, de woning aan een derde moet worden verkocht en door [makelaar 2] te [plaats 2] (voor zover deze laatste daarmee instemt) in de verkoop gebracht zal worden, waarbij ieder der partijen voor de helft gerechtigd is tot de netto verkoopopbrengst. Indien [makelaar 2] de verkoopopdracht weigert dienen partijen zich tot een andere in onderling overleg te bepalen makelaar te wenden,\n\n5.7.. bepaalt, in het geval de woning ingevolge het bepaalde onder 5.6 aan een derde wordt verkocht:\n\ndat beide partijen hun medewerking dienen te verlenen aan het geven van de opdracht aan voornoemde makelaar dan wel de in onderling overleg bepaalde makelaar, waaronder begrepen de verplichting om hun handtekeningen te zetten onder de benodigde stukken en veroordeelt partijen over en weer tot betaling van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij hier niet aan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\ndat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover partijen het erover eens zijn dat die prijs de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zullen zij zich conformeren aan het advies van de makelaar, op straffe van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij hier niet aan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\ndat ieder van partijen gehouden is om de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten ter zake de verkoop en levering van de woning te dragen,\n\nten aanzien van de bankrekeningen5.8.. bepaalt onder verwijzing naar r.o. 4.13 dat [de vrouw] aan [de man] uit hoofde van verdeling van de voormalig gemeenschappelijke bankrekeningen met rekeningnummers: [rekeningnummer 1] (Rabo Totaalrekening) en [rekeningnummer 2] (Rabo SpaarRekening) een bedrag van € 2.551,65 moet betalen en veroordeelt [de vrouw] tot betaling daarvan aan [de man] ,\n\nvoor het overige5.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. verklaart voor recht dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toebedeeld, dan wel de eigendom van de woning is overgedragen aan een derde,\n\n5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\n5.12.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n van 19 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1638\n\n Verordening (EU) nr. 2015\u002F2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van de Raad van 12 december 2012 (herschikking), (Brussel Ibis), artikel 1 EEX-Vo II\n\n artikel 24 EEX-Vo II\n\n op grond van artikel 4 van de EEX-Vo II\n\n artikel 8 lid 3 EEX-Vo II\n\n Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen\n\n artikel 10 lid 2 Rome II-Vo\n\n Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst\n\n artikel 4 lid 4 Rome I-Vo\n\n HR 08-02-2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279 met noot L.C.A. Verstappen en zie ook: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1853","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4453","2026-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.222Z",{"id":143,"ecli":144,"slug":145,"caseNumber":45,"courtId":69,"decisionDate":146,"fullText":147,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":53,"updatedAt":149},"1161","ECLI:NL:RBGEL:2026:5165","ecli-nl-rbgel-2026-5165","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F466488 \u002F KZ ZA 26-57\n\nVonnis in kort geding van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTORT DOONWEG B.V.,\n\nte Eerbeek, gemeente Brummen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: SDW,\n\nadvocaat: mr. E.P.C. Duinkerke,\n\ntegen\n\nZONNEPARK EERBEEK B.V.,\n\nte Eerbeek, gemeente Brummen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: ZE,\n\nadvocaat: mr. M.J.M. Derks.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 25\n\n- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 12\n\n- de aanvullende producties 13 tot en met 15 - de mondelinge behandeling van 26 mei 2026 - de pleitnota van SDW - de pleitnota van ZE.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. SDW is eigenaar van de voormalige vuilstortplaats aan de Doonweg te Eerbeek. ZE is de oprichter en exploitant van het zonnepark dat gelegen is op het topvlak van het perceel.\n\n2.2.. Voordat ZE het zonnepark heeft opgericht is onderzoek gedaan naar het verschil in opbrengst tussen zonnefolie en reguliere zonnepanelen. Op basis van onderzoeksresultaten is in 2018 vastgesteld dat het aanbrengen van zonnefolie niet haalbaar wordt geacht en dat de realisatie van het zonnepark met reguliere zonnepanelen op een stabilisatielaag van staalslakken wel haalbaar is. Advies- en ingenieursbureau [adviesbureau 1] (hierna: [adviesbureau 1] ) heeft hierover geadviseerd. Vervolgens heeft [adviesbureau 1] een plan van aanpak opgesteld voor het aanbrengen van een tijdelijke bovenafdichting bestaande uit een stabilisatielaag van staalslakken waarop het zonnepark werd voorzien. Staalslakken zijn een steenachtig restproduct uit de staalindustrie.\n\n2.3.. Partijen hebben een erfpachtovereenkomst gesloten op 16 maart 2018.\n\n2.4.. In 2020 is de staalslakkenlaag aangebracht. In voornoemde erfpachtovereenkomst is bepaald dat het recht van erfpacht, wat het gebruik betreft, is beperkt tot de tijdelijke afdeklaag van staalslakken en het daarop aangebrachte zonnepark.\n\n2.5.. Op 12 maart 2020 is de notariële akte gepasseerd waarmee ZE de rechten van erfpacht, opstal en erfdienstbaarheid verkreeg ten behoeve van de realisatie en exploitatie van het zonnepark (hierna: Akte van erfpacht). In de Akte van erfpacht zijn grotendeels de afspraken uit de erfpachtovereenkomst opgenomen en daarnaast zijn nieuwe afspraken vastgelegd. In de Akte van erfpacht staan onder andere de volgende bepalingen:\n\n“1.3. De Eigenaar zal voor eigen rekening en risico uiterlijk opéén mei tweeduizend twintigde voor realisatie van het Zonneveld benodigde tijdelijke afdeklaag van staalslakken aangebracht hebben en de Erfpachtzaak de overige werkzaamheden hebben verricht die zorgen dat de Erfpachtzaak geschikt is als draagconstructie van het Zonneveld, een en ander conform de Werkomschrijving.\n\n(…)\n\nArtikel 5. Bodemverontreiniging\n\n5.1. Aangezien de Erfpachter de grondlagen onder de afdeklaag niet zal en niet mag gebruiken is de bodemgesteldheid hiervan voor de vestiging van het Recht van erfpacht van ondergeschikt belang. In dit kader verklaart de Erfpachter evenwel ermee bekend te zijn dat de Erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is, die nog niet gesloten is verklaard als bedoeld in artikel 8:47 derde lid Wet milieubeheer en waarop een tijdelijke afdeklaag is aangebracht. Erfpachter accepteert hierbij uitdrukkelijk de specifieke fysieke en milieutechnische gevolgen, kenmerken, beperkingen en eigenschappen van de Erfpachtzaak en accepteert tevens dat hij een perceel in gebruik neemt dat vanwege de specifieke fysieke kenmerken van deze locatie en de wettelijke bepalingen daaromtrent, onderhevig is, of kan worden, aan bepaalde wetgeving en\u002Fof publiekrechtelijke besluitvorming.\n\n(…)\n\n5.3. \n\nOp de Erfpachtzaak is een tijdelijke afdeklaag aanwezig zoals bedoeld in de Werkomschrijving.Voor het geval Eigenaar van overheidswege (door een wetswijziging, door regelgeving en\u002Fof een al dan niet op bestaande regelgeving gebaseerd onherroepelijk besluit van het bevoegd gezag) verplicht wordt om gedurende de duur van het Recht van erfpacht over te gaan tot het aanbrengen van een definitieve afdeklaag, geldt het volgende:\n\n(…)\n\nh. Erfpachter draagt voor iedere fase van de werkzaamheden steeds tijdig zorg voor de tijdelijke verwijdering van de zonnepanelen, de onderstellen en de ballast (een en ander conform het daartoe in het goedgekeurde Plan bepaalde).”\n\nArtikelen 5.1 en 5.2 waren reeds opgenomen in de overeenkomst van erfpacht, artikel 5.3 bevat nieuwe afspraken die alleen in de Akte van erfpacht zijn vastgelegd.\n\n2.6.. Vanaf medio 2021 zijn er berichten in de media verschenen over mogelijk negatieve effecten door het gebruik van staalslakken voor mens en milieu in het algemeen en specifiek ten aanzien van de staalslakken die zijn gebruikt bij de tijdelijke afdeklaag op de vuilstortplaats van SDW die door ZE wordt gebruikt.\n\n2.7.. SDW heeft vervolgens een milieuonderzoek laten uitvoeren door ingenieursbureau Arcadis Nederland B.V. (hierna: Arcadis). In opdracht van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (hierna: ODRN) is een contra-expertise uitgevoerd door [adviesbureau 2] . [adviesbureau 2] adviseert om zo spoedig als technisch mogelijk een definitieve bovenafdichting aan te brengen.\n\n2.8.. Op 6 juni 2022 heeft Arcadis een plan van aanpak voor het afdekken van de laag staalslakken opgesteld. In dit plan van aanpak worden twee alternatieven tegenover elkaar afgewogen. Het eerste alternatief waarbij de toplaag tijdelijk werd afgedicht. De zonnepanelen kunnen in dat geval blijven staan en er wordt pas een definitieve bovenafdichting geplaatst als het zonnepark wordt ontmanteld in 2043. Het tweede alternatief betreft het direct aanbrengen van een definitieve bovenafdichting. In dat geval dient het zonnepark tijdelijk verwijderd te worden. Arcadis adviseert om te kiezen voor het direct aanbrengen van een definitieve bovenafdichting.\n\n2.9.. Bij brief van 29 augustus 2024 aan SDW bericht de omgevingsdienst Regio Arnhem (hierna: ODRA) dat zij het volgende van SDW verwachten:\n\n“\n\n7. Dichte eindafwerking.\n\nDe stortplaats moet worden afgewerkt met een dichte eindafwerking.\n\n(…)\n\nU heeft hierop scenario’s beschreven voor het aanbrengen van de eindafwerking. In de notitie “Afweging keuze voor een oplossing van de milieuproblemen van stort Doonweg”, SDW d.d. 15 april 2024 ziet u drie mogelijke scenario’s:\n\nVerbeteren van de situatie door dusdanig verleggen van de ringweg en ringsloot dat het percolaat uit de staalslakken effectief wordt opgevangen en afgevoerd naar de waterzuivering in combinatie met vergroten van de capaciteit om het water te bufferen, zodat er geen risico meer is op overstroming (fase 1).\n\nAanbrengen van de definitieve bovenafdichting. Hierbij ontstaat een situatie waarin een waterdichte afdichting over de staalslakken wordt aangebracht met daarop een laag van één meter grond. Het is deze laag grond infiltrerende regenwater komt aan de teen van de stort als schoon water naar buiten en kan vervolgens in de ringsloot en infiltratievijver geïnfiltreerd worden (fase 2).\n\n(…)\n\nNa weging van voor- en nadelen kiest u ervoor het aanbrengen van een definitieve bovenafdichting uit te stellen tot een nader te bepalen moment – dit moment is niet later dan 1 januari 2047.\n\n(…)\n\nNaar ons oordeel is er een noodzaak tot het spoedig aanbrengen van een dichte eindafwerking.\n\n(…)\n\nDoor de aanleg van de eindafwerking uit te stellen tot een nader te bepalen moment – dit moment is niet later dan 1 januari 2047 gaat u voorbij aan de u toekomende zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 Bal.\n\nNaar ons standpunt handelt u slechts in lijn met de in artikel 2.11 Bal neergelegde specifieke zorgplicht wanneer u uitvoering geeft aan scenario 3, waarbij in 2024 fase 1 wordt uitgevoerd en aansluitend fase 2a in 2025. Fase 2b kan in dat gevolg volgen in 2026, tenzij u aan de hand van de resultaten van technisch onderzoek aantoont dat uitvoering van fase 2b technisch niet mogelijk is.\n\n(…)\n\nGelet op het bovenstaande verzoeken wij u een afdichtingsplan op te stellen zoals bedoeld in en overeenkomstig voorschrift 7.3.3 vergunning 1996.”\n\n2.10.. Op 3 maart 2025 is een goedkeuringsbesluit genomen door de ODRN en ODRA met betrekking tot het door SDW ingediende Plan van Aanleg en Bestek. Het plan van aanleg betreft het aanbrengen van een definitieve bovenafdichting. Het aanbrengen is verdeeld in twee fasen: Aanlegfase 1 (afdekken talud) en Aanlegfase 2 (afdekken topvlak). Voor aanlegfase 1 hoeft het zonnepark niet verwijderd te worden. Aanlegfase 1 is inmiddels uitgevoerd. Partijen twisten over de vraag of de werkzaamheden ook (deugdelijk) zijn afgerond.\n\n2.11.. Omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit. Na beslissing op bezwaar van 29 augustus 2025 is op 27 oktober 2025 een herstelbesluit genomen waarin is bepaald dat fase 1 uiterlijk in 2025 moet zijn afgerond en fase 2 in 2027 moet starten en uiterlijk 30 juli 2028 moet zijn uitgevoerd. Tegen het herstelbesluit is eveneens bezwaar gemaakt door omwonenden omdat zij wensen dat de werkzaamheden eerder worden uitgevoerd.\n\n2.12.. Partijen hebben regelmatig overleg gehad met betrekking tot de problematiek rondom de staalslakken. Daarbij is gesproken over de vraag wie de kosten voor het verwijderen van het zonnepark ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden in fase 2 moet dragen. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. SDW vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. Primair: ZE gebiedt haar verbintenis uit hoofde van artikel 5.3 sub h Akte van Erfpacht tot het tijdig verwijderen van het Zonnepark na te komen en daartoe tijdig alle noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten, waaronder in ieder geval begrepen:\n\na. het binnen vijf (5) werkdagen na het in dezen te wijzen vonnis, doch uiterlijk op 1 juli 2026, op eigen naam aanvragen van offertes bij een of meer door ZE geschikt geachte aannemers ten behoeve van de tijdige verwijdering van het Zonnepark, met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom van de dagvaarding;\n\nb. het uiterlijk op 1 april 2027 verstrekken van een definitieve opdracht aan een of meer van de desbetreffende aannemers tot tijdige verwijdering van het Zonnepark, met inachtneming van de uiterste data zoals vermeld in randnummer 47, derde en vierde kolom van de dagvaarding, en bestekposten 120104, 1607 en 160701 uit het Bestek;\n\nc. het onmiddellijk, althans binnen één (1) werkdag na de relevante data van de correspondentie zoals omschreven onder sub a onderscheidenlijk sub b, verstrekken van (i) kopieën aan SDW en TerrAdvies van de schriftelijke correspondentie tussen ZE en de desbetreffende aannemers op de bij ZE bekende e-mailadressen en (ii) indien en voor zover de correspondentie tussen ZE en de desbetreffende aannemers mondeling plaatsvindt, een schriftelijke verslaglegging aan SDW en TerrAdvies van hetgeen is besproken op de bij ZE bekende e-mailadressen;\n\nd. het tijdig (doen) verwijderen van het Zonnepark, met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom;\n\nII. met bepaling dat ZE, indien zij nalaat om tijdig aan het gevorderde zoals beschreven in sub a, sub b en\u002Fof sub c te voldoen, per overtreding een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 200.000,00;\n\nIII. met bepaling dat ZE, indien zij nalaat om tijdig aan het gevorderde zoals beschreven in sub d te voldoen, een dwangsom verbeurt van € 25.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 1.500.000,00;\n\nSubsidiair:\n\nIV. SDW machtigt om na betekening van dit vonnis het Zonnepark te (doen) verwijderen met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom;\n\nV. ZE veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding ter grootte van € 1.564.016,00 althans ter grootte van € 671.181,00 althans ter grootte van € 622.131,00 althans ter grootte van € 220.000,00, te betalen binnen twee (2) werkdagen na dit vonnis;\n\n3.2.. ZE voert verweer. ZE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van SDW, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van SDW, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SDW in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat SDW daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSDW heeft voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen\n\n4.2.. SDW stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vordering omdat zij door het bevoegde gezag (ODRA en ODRN) wordt verplicht om uiterlijk 30 juni 2028 fase II uitgevoerd te hebben. Hiervoor is het nodig dat fase II uiterlijk 23 juni 2027 start. Het zonnepark moet dan zijn verwijderd. Het aanneemtraject voor de verwijdering van de zonnepanelen kan wel een jaar duren.\n\n4.3.. ZE betwist dat SDW een spoedeisend belang heeft. Volgens ZE komt er door uitvoering van fase 1 geen percolaat meer in het grondwater. SDW kiest zelf voor definitieve afdichting van de bovenlaag. SDW heeft daarvoor een plan ingediend en voor dat plan is het goedkeuringsbesluit genomen waarin de termijnen zijn opgenomen. SDW had ook voor een andere oplossing kunnen kiezen.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van voldoende spoedeisend belang. Uit de brief van ODRA van 29 augustus 2024 blijkt dat het aanbrengen van de definitieve afdichtingslaag zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden en dat niet kan worden volstaan met alleen het uitvoeren van fase 1. SDW heeft hiervoor in overleg met de ODRA een plan van aanpak en een bestek opgesteld en deze zijn goedgekeurd in het goedkeuringsbesluit. Vervolgens is SDW -bij een herstelbesluit- door de ODRA verplicht om fase II uiterlijk 30 juni 2028 uit te voeren. Volgens SDW hebben omwonenden bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat zij de termijn voor uitvoering van fase II te lang vinden.\n\n4.5.. Hieruit blijk dat zowel de ODRA als de omwonenden verwachten dat zo spoedig mogelijk een definitieve afdichtingslaag wordt aangebracht. Het aanbrengen van de definitieve afdichtingslaag is door SDW al vergaand voorbereid. De voorbereiding is een complex proces. SDW heeft verschillende samenhangende vergunningen aan moeten vragen, plannen moeten maken met deskundigen en het bevoegd gezag en er spelen belangrijke belangen van omstanders en het milieu. Van SDW kan niet verwacht worden, als dat al juridisch mogelijk zou zijn, dat zij dit plan weer intrekt om een bodemprocedure tegen ZE te gaan voeren. De vraag in hoeverre SDW ook een minder vergaande oplossing had kunnen aanbieden waarbij het zonnepark niet verwijderd had hoeven worden, doet verder niet af aan het spoedeisend belang dat SDW heeft op basis van het plan dat zij wel heeft ingediend.\n\nHet is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een situatie zoals door partijen bedoeld in artikel 5.3 onder h van de Akte van erfpacht\n\n4.6.. SDW stelt dat ZE uit hoofde van (primair) wanprestatie, (subsidiair) zaakwaarneming, (meer subsidiair) ongerechtvaardigde verrijking dan wel (uiterst subsidiair) onrechtmatige daad gehouden is om de zonnepanelen op eigen kosten te verwijderen. Ter onderbouwing van elk van deze rechtsgronden wordt door SDW als uitgangspunt genomen dat ZE op grond van artikel 5.3 sub h van de Akte van erfpacht contractueel verplicht is om de zonnepanelen te verwijderen. Als van dit uitgangspunt geen sprake is, vervalt de door SDW aangevoerde toepasselijkheid van elk van de rechtsgronden. Er wordt daarom eerst ingegaan op de vraag of voldoende aannemelijk is dat ZE op grond van artikel 5.3 sub h van de Akte van erfpacht gehouden is om de zonnepanelen op eigen kosten te verwijderen.\n\n4.7.. Partijen twisten over de vraag of SDW van overheidswege verplicht wordt om een definitieve afdeklaag aan te brengen. Volgens ZE heeft SDW gekozen voor het plaatsen van een definitieve afdeklaag. SDW had ook kunnen volstaan met het door Arcadis aangedragen alternatief waarbij zonnepanelen niet tijdelijk verwijderd hoeven te worden. In dat alternatief wordt een folielaag aangebracht onder de zonnepanelen en hoeven de zonnepanelen alleen opgetild te worden. Omdat SDW heeft gekozen voor een definitieve afdeklaag als oplossing, wordt zij nu verplicht om die definitieve afdeklaag aan te brengen. Die verplichting was er niet vooraf van overheidswege, aldus ZE. Volgens SDW hebben meerdere deskundigen, waaronder Arcadis zelf, geadviseerd om zo spoedig mogelijk een definitieve afdeklaag aan te brengen. Het aanbrengen van een folielaag brengt teveel risico’s met zich en is geen duurzame oplossing. SDW heeft getracht het aanbrengen van een definitieve afdeklaag uit te stellen, maar volgens de ODRA handelt SDW in strijd met de zorgplicht beschreven in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als zij niet op korte termijn de definitieve afdeklaag aanbrengt. SDW diende daarvoor een plan te maken en dat heeft zij gedaan. Dat plan is vervolgens door het goedkeuringsbesluit en herstelbesluit goedgekeurd en van een nakomingstermijn voorzien.\n\n4.8.. Niet ter discussie staat dat SDW gehouden is om te voorkomen dat het percolaat weglekt naar de bodem en\u002Fof zich op een andere manier verspreidt. Beantwoording van de vraag in hoeverre sprake is van een verplichting van overheidswege om dit te bewerkstelligen door een definitieve afdichtlaag kan echter in het midden blijven. Ook als daarvan sprake is, is onvoldoende aannemelijk dat artikel 5.3 van de Akte van erfpacht op deze situatie van toepassing is. Hieronder wordt dit nader toegelicht.\n\n4.9.. In artikel 5.1 van de Akte van erfpacht is opgenomen dat ZE ermee bekend is dat de erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is, die nog niet gesloten is verklaard en waarop een tijdelijke afdeklaag is aangebracht. Verder staat er dat ZE uitdrukkelijk de specifieke eigenschappen etc. van de erfpachtzaak accepteert en dat ZE accepteert dat zij een perceel in gebruik neemt dat vanwege de specifieke kenmerken van de locatie en de wettelijke bepalingen daaromtrent, onderhevig is, of kan worden, aan bepaalde wetgeving en\u002Fof publieke besluitvorming. Hieruit blijkt dat partijen de risico’s van het gebruik van een vuilstortplaats hebben willen regelen ten aanzien van de specifieke kenmerken van een vuilstortplaats.Niet blijkt dat door partijen was voorzien dat de slakkenlaag mogelijk problemen zou opleveren. Het enkele feit dat sec gezien de staalslakkenlaag de erfpachtzaak is, zoals SDW stelt, doet daar niet aan af. Uit onder andere de tekst ‘In dit kader verklaart de Erfpacht evenwel ermee bekend te zijn dat de Erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is.’ en ‘Op de Erfpachtzaak is een tijdelijke afdeklaag aanwezig’ blijkt dat in ieder geval in artikel 5 van de Akte van erfpacht met erfpachtzaak de vuilstortplaats wordt bedoeld.\n\n4.10.. De gestelde verplichting van SDW om de vuilstortplaats definitief af te dichten, vloeit niet voort uit de specifieke kenmerken van een vuilstortplaats, maar uit fouten gemaakt bij het aanleggen van de staalslakkenlaag. Enkel SDW heeft opdracht gegeven aan [adviesbureau 1] om een plan te maken. Het was de keuze van SDW om een tijdelijke afdeklaag aan te brengen (in tegenstelling tot een definitieve afdeklaag) en om daarvoor staalslakken te gebruiken. Vervolgens is de tijdelijke afdeklaag in opdracht van SDW aangelegd. ZE was hierbij niet betrokken. Ten slotte is het SDW die de verplichting op zich heeft genomen om voor eigen rekening en risico de afdeklaag aan te brengen (zie artikel 11 van de erfpachtovereenkomst en artikel 2.1 van de Akte van erfpacht). Uit artikel 5.3 van de Akte van erfpacht blijkt niet dat partijen de risico’s met betrekking tot de door SDW aangelegde staalslakkenlaag hebben willen verdelen. Uit de erfpachtovereenkomst en de Akte van erfpacht blijkt juist het tegendeel. Het feit dat overleg is geweest met ZE over het aanbrengen van de staalslakkenlaag doet daar niet aan af. De laag werd ten behoeve van het gebruik door ZE aangelegd, reden waarom ZE bij het proces wordt betrokken. Dat maakt niet dat ZE daarom mede de risico’s draagt voor gebreken bij de aanleg.\n\n4.11.. Voorgaande in acht genomen is zonder nader feitenonderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is, onvoldoende aannemelijk dat ZE contractueel verplicht is om op eigen kosten de zonnepanelen te verwijderen. De vorderingen van SDW worden daarom afgewezen.\n\n4.12.. SDW is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ZE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n10.487,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.853,00\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van SDW af,\n\n5.2.. veroordeelt SDW in de proceskosten van € 11.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SDW niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt SDW tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5165","2026-07-13T00:29:07.469Z",{"id":151,"ecli":152,"slug":153,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":146,"fullText":154,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":155,"sourceTimestamp":146,"parsedAt":53,"updatedAt":156},"900","ECLI:NL:GHARL:2026:3985","ecli-nl-gharl-2026-3985","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.366.611\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 11807894\n\narrest in het incident van 16 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n1. [appellant1]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\n2. [appellant2]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna samen te noemen: [appellanten 1 en 2]\n\nadvocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek\n\nen\n\nBewindvoeringsbureau De Toereikende Hand B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [geïntimeerde]\n\nhierna: De Toereikende Hand\n\ndie is gevestigd in Dedemsvaart\n\nadvocaat: mr. S.L. Geeraths\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [appellanten 1 en 2] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 21 januari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep;\n\nde incidentele vordering tot schorsing van de executie met producties;\n\nde conclusie van antwoord in het incident met producties.\n\n1.2.. Vervolgens heeft het hof arrest in het incident bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. \n [geïntimeerde] , geboren in 1986, is de (stief)dochter van [appellanten 1 en 2] Vanwege de licht verstandelijke beperking van [geïntimeerde] , hebben [appellanten 1 en 2] haar financiën beheerd. [geïntimeerde] heeft in mei 2012 een woning gekocht aan de [adres] in [woonplaats appellanten] . In mei 2019 is [geïntimeerde] verhuisd naar een huurwoning, waarna [appellanten 1 en 2] hun intrek hebben genomen in de woning aan de [adres] . Bij beschikking van 29 mei 2024 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, is [geïntimeerde] onder bewind gesteld met benoeming van De Toereikende Hand tot bewindvoerder.\n\n2.2.. De Toereikende Hand heeft vervolgens bij de kantonrechter onder meer een veroordeling van [appellanten 1 en 2] tot ontruiming van de woning aan de [adres] gevorderd. Bij vonnis van 21 januari 2026 heeft de kantonrechter deze vordering toegewezen en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n2.3.. \n [appellanten 1 en 2] zijn in hoger beroep gekomen van dit vonnis. [appellanten 1 en 2] hebben in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld primair tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de veroordeling tot ontruiming en subsidiair tot voorafgaande zekerheidstelling in het geval de uitvoerbaarheid niet wordt geschorst. De Toereikende Hand heeft verweer gevoerd tegen deze incidentele vorderingen.\n\n3. Het oordeel van het hof\n\nJuridisch kader\n\n3.1.. Het hof begrijpt de vorderingen van [appellanten 1 en 2] als een vordering op grond van artikel 351 Rv tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming. Een veroordeling zoals hier aan de orde is uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Het hof gaat daarbij uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de kantonrechter. De kans van slagen van het hoger beroep blijft buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de kantonrechter op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.\n\n3.2.. \n [appellanten 1 en 2] voeren aan dat zij het niet eens zijn met het vonnis van de kantonrechter. Omdat [appellanten 1 en 2] zich niet beroepen op een kennelijke misslag zal het hof hierna alleen ingaan op de belangenafweging. Het hof dient in dat kader te beoordelen of het belang van [appellanten 1 en 2] bij schorsing van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging daarvan.\n\nBelangenafweging\n\n3.3.. \n [appellanten 1 en 2] voeren aan dat zij verknocht zijn aan de woning aan de [adres] vanwege de buren, vrienden en bekenden. Ontruiming van de woning zou een emotionele impact hebben. Gezien de leeftijd van (stief)vader en moeder, respectievelijk 68 en 65 jaar, de krapte op de woningmarkt en het feit dat vrienden en familie geen onderdak kunnen bieden, is het volgens [appellanten 1 en 2] zeer waarschijnlijk dat zij geen andere woning kunnen vinden. Bovendien zou ontruiming van de woning tot een onomkeerbare situatie leiden waarbij [geïntimeerde] geen verhaal kan bieden voor hun verhuiskosten als het bestreden vonnis wordt vernietigd, aldus [appellanten 1 en 2]\n\n3.4.. De Toereikende Hand voert, kort gezegd, aan dat door het financieel beheer van [appellanten 1 en 2] , een groot deel van het inkomen en vermogen van [geïntimeerde] is aangewend om te kunnen voorzien in de kosten van het levensonderhoud van [appellanten 1 en 2] Hierdoor is [geïntimeerde] volgens De Toereikende Hand in een schuldenpositie gekomen. Op mededeling van [appellanten 1 en 2] is [geïntimeerde] gaan wonen in de huurwoning tegen een maandelijkse huurprijs die ongeveer € 200,- ligt boven de hypothecaire maandlast van haar eigen woning aan de [adres] . Het is in het belang van [geïntimeerde] dat de woning aan de [adres] zo spoedig mogelijk wordt ontruimd, zodat zij hier weer zelf kan gaan wonen en een bedrag van € 200,- per maand bespaart. Op die manier kan zij de maandelijkse schade zo veel mogelijk beperken, aldus De Toereikende Hand.\n\n3.5.. \n [appellanten 1 en 2] hadden naar het oordeel van het hof ermee rekening moeten houden dat zij de woning op enig moment weer zouden moeten verlaten vanwege het financiële nadeel dat [geïntimeerde] sinds 2019 ondervindt door de hogere maandlasten. Dat zij hiermee ook rekening hebben gehouden, blijkt uit randnummer 11 van hun incidentele conclusie waarin ze schrijven dat als [geïntimeerde] terug zou willen naar de woning, zij zich niet als reguliere huurders maar als ouders zouden hebben gedragen in die zin dat zij dat in overleg mogelijk zouden hebben gemaakt. Hun leeftijd is niet dusdanig hoog dat een verhuizing als te bezwaarlijk gezien moet worden. [appellanten 1 en 2] hebben niet onderbouwd waarom de verknochtheid met de buren, vrienden en bekenden niet voortgezet kan worden in een andere woning. In dit kader hebben [appellanten 1 en 2] evenmin onderbouwd waarom zij niet in staat zouden zijn om alternatieve woonruimte te vinden. Ook hebben zij niet toegelicht welke pogingen zij hebben ondernomen om andere woonruimte te vinden sinds zij weten dat [geïntimeerde] de ontruiming vordert en waarom die pogingen tot dusver niet gelukt zijn en ook niet zullen lukken binnen de ontruimingstermijn van zes maanden die hen door de kantonrechter is gegeven. Dit betekent dat [appellanten 1 en 2] niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij het uitblijven van de gevorderde schorsing op straat komen te staan. Verder hebben [appellanten 1 en 2] niet onderbouwd op welke wijze de schorsing van de tenuitvoerlegging de onderlinge relatie tussen [appellanten 1 en 2] en [geïntimeerde] kan herstellen. Het had op de weg van [appellanten 1 en 2] gelegen om hun belang nader te onderbouwen. Tot slot geldt de omstandigheid dat een ontruiming mogelijk onomkeerbaar is en [appellanten 1 en 2] hierdoor schade lijden inherent is aan de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Dit (mogelijke) gevolg acht het hof ondergeschikt aan het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. In dit geval staat bovendien niet vast dat de ontruiming onomkeerbaar is; [geïntimeerde] heeft aangegeven zelf de woning te willen betrekken en deze niet te willen verkopen of verhuren.\n\n3.6.. In het licht van het voorgaande, is het hof van oordeel dat het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming zwaarder weegt dan het belang van [appellanten 1 en 2] bij behoud van de bestaande toestand totdat op het hoger beroep is beslist. Hierbij is een belangrijk gezichtspunt dat de eerste rechter de vordering heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen.\n\nZekerheid\n\n3.7.. Voor de beoordeling van de subsidiaire vordering tot zekerheidsstelling geldt dezelfde toetsingsmaatstaf als voor de beoordeling van de primaire vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring.[appellanten 1 en 2] stellen dat voor de schadebegroting ten gevolge van een onrechtmatige tenuitvoerlegging, kan worden uitgegaan van de verhuis- en herinrichtingskosten van een verhuizing heen en terug, met opslag.\n\n3.8.. Het hof ziet geen aanleiding om aan de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden. De door [appellanten 1 en 2] aangevoerde schadebegroting maakt niet dat het belang van [appellanten 1 en 2] bij zekerheidstelling zwaarder dient te wegen dan het belang van [geïntimeerde] bij het achterwege blijven daarvan. [appellanten 1 en 2] hebben onvoldoende gemotiveerd waarom [geïntimeerde] bij vernietiging van het bestreden vonnis niet in staat zal zijn tot restitutie en\u002Fof tot vergoeding van de door de ontruiming veroorzaakte schade.De enkele stelling dat voor [geïntimeerde] (grote) schade valt te duchten, is onvoldoende aanleiding om zekerheid op te leggen.\n\nDe conclusie\n\n3.9.. Het hof wijst de incidentele vordering af. Omdat [appellanten 1 en 2] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten 1 en 2] tot betaling van de kosten van het incident veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.\n\n3.10.. De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin het incident\n\n4.1.. wijst de vordering af;\n\n4.2.. veroordeelt [appellanten 1 en 2] tot betaling van de proceskosten van het incident van De Toereikende Hand ter hoogte van € 1.290,- aan salaris van de advocaat van De Toereikende Hand (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);\n\nin de hoofdzaak in hoger beroep\n\n4.3.. bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;\n\n4.4.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, G.R. den Dekker en G.J. Meijer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.\n\n HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.\n\n HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.\n\n HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.\n\n Vgl. HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400, NJ1994\u002F591.\n\n Vgl. HR 5 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1949, NJ1996\u002F334.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3985","2026-07-13T00:28:53.685Z",{"id":158,"ecli":159,"slug":160,"caseNumber":45,"courtId":129,"decisionDate":161,"fullText":162,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":163,"sourceTimestamp":164,"parsedAt":53,"updatedAt":165},"1219","ECLI:NL:RBLIM:2026:5256","ecli-nl-rblim-2026-5256","2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11833539 \\ OV VERZ 25-37\n\nBeschikking van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekende partij],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekende partij] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nVERENIGING VAN EIGENAARS [verwerende partij],\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: de VvE,\n\ngemachtigde: mr. B.A.L.H. Robijns.\n\nTevens worden ex artikel 5:130 BW als belanghebbenden aangemerkt de hierna te noemen appartementseigenaren\u002Fstemgerechtigden:\n\n1. [belanghebbende 1] BV\n\n [adres 1]\n\n2. [belanghebbende 2]\n\n [adres 2]\n\n3. [belanghebbende 3]\n\n [adres 3]\n\n4. [belanghebbende 4]\n\n [adres 4]\n\n5. [belanghebbende 5]\n\n [adres 5]\n\n6. [belanghebbende 6] BV\n\n [adres 6]\n\n7. [belanghebbende 7]\n\n [adres 7]\n\n8. [belanghebbende 8]\n\n [adres 8]\n\n9. [belanghebbende 9]\n\n [adres 9]\n\n10. [belanghebbende 10]\n\n [adres 10]\n\n11. [belanghebbende 11]\n\n [adres 11]\n\n12. [belanghebbende 12]\n\n [adres 12]\n\n13. [belanghebbende 13]\n\n [adres 13]\n\n14. [belanghebbende 14]\n\n [adres 14]\n\n15. [belanghebbende 15]\n\n [adres 15]\n\n16. [belanghebbende 16]\n\n [adres 16]\n\n17. [belanghebbende 17]\n\n [adres 17]\n\n18. [belanghebbende 18]\n\n [adres 18]\n\n19. [belanghebbende 19]\n\n [adres 19]\n\n20. [belanghebbende 20]\n\n [adres 20]\n\n21. [belanghebbende 21]\n\n [adres 21]\n\n22. [belanghebbende 22]\n\n [adres 22]\n\n23. [belanghebbende 23]\n\n [adres 23]\n\n24. [belanghebbende 24]\n\n [adres 24]\n\n25. [belanghebbende 25]\n\n [adres 25]\n\n26. [belanghebbende 26]\n\n [adres 26]\n\n27. [belanghebbende 27]\n\n [adres 27]\n\n28. [belanghebbende 28]\n\n [adres 28]\n\n29. De erven van mw. [belanghebbende 29]\n\n [adres 29]\n\n30. [belanghebbende 30]\n\n [adres 30]\n\n31. [belanghebbende 31]\n\n [adres 31]\n\n32. [belanghebbende 32]\n\n [adres 32]\n\n33. [belanghebbende 33]\n\n [adres 33]\n\n34. [belanghebbende 34]\n\n [adres 34]\n\n35. [belanghebbende 35] BV\n\n [adres 35]\n\n36. [belanghebbende 36]\n\n [adres 36]\n\n37. [belanghebbende 37]\n\n [adres 37]\n\n38. [belanghebbende 38]\n\n [adres 38]\n\n39. Stichting [belanghebbende 39]\n\n [adres 39]\n\nhierna samen te noemen: de belanghebbenden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift van [verzoekende partij] van 8 augustus 2025\n\nhet aanvullend verzoekschrift met bijlagen A t\u002Fm G alsmede een toelichting op het verzoek tot vernietiging met bijlagen 1 t\u002Fm 15 van [verzoekende partij] van 24 oktober 2025\n\nhet bericht van [belanghebbende 20] , door de kantonrechter ontvangen op 1 december 2025\n\nhet bericht van [belanghebbende 16] , door de kantonrechter ontvangen op 5 december 2025\n\nhet bericht van [belanghebbende 13] , door de kantonrechter ontvangen op 8 december 2025\n\nhet bericht van [belanghebbende 37] , door de kantonrechter ontvangen op 8 december 2025\n\nhet bericht van [belanghebbende 2] , door de kantonrechter ontvangen op 8 december 2025\n\nhet verweerschrift van de VvE, door de kantonrechter ontvangen op 8 december 2025\n\nde mondelinge behandeling van 15 december 2025\n\nhet bericht van de VvE met een aangepaste adressenlijst, door de kantonrechter ontvangen op 29 januari 2026\n\nhet bericht van Stichting Bewaring Dutch Residential XVI, door de kantonrechter ontvangen op 12 maart 2026\n\nhet bericht van [belanghebbende 10] , door de kantonrechter ontvangen op 28 april 2026\n\nde mondelinge behandeling van 18 mei 2026.\n\n1.2.. De uitspraak van de beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bij akte van splitsing van 29 januari 1985 is het appartementencomplex [verwerende partij] gesplitst in 142 appartementsrechten, recht gevende op het uitsluitend gebruik van – kort gezegd – winkelruimte, woonruimte, een kantoor, bergingen of parkeerplaatsen. Met de splitsingsakte is ook de VvE opgericht. In de splitsingsakte is het modelreglement bij splitsing in appartementsrechten van 22 november 1983 van toepassing verklaard, met wijzingen en aanvullingen zoals in de splitsingsakte is bepaald.\n\n2.2.. Op 29 september 2006 is de splitsingsakte gewijzigd, in die zin dat het totaal aantal parkeerplaatsen is uitgebreid en de ligging van een aantal parkeerplaatsen is gewijzigd. Daarnaast is bepaald dat een boekjaar loopt van 1 juli van ieder jaar tot en met 30 juni van het daaropvolgend jaar.\n\n2.3.. \n [verzoekende partij] is eigenaar van de appartementsrechten met nummer [nummer 1] (woning), [nummer 2] (berging) en [nummer 3] (parkeerplaats), die deel uitmaken van het onderhavige appartementencomplex.\n\n2.4.. De bestuurder\u002Fbeheerder van de VvE is MVGM Vastgoedmanagement BV (hierna: MVGM).\n\n2.5.. Tijdens de algemene ledenvergadering (ALV) van 9 december 2024 heeft de VvE een begroting vastgesteld van € 181.720,-, met als ingangsdatum 1 juli 2025.\n\n2.6.. Op 11 juni 2025 heeft wederom een ledenvergadering plaatsgevonden, waarin is voorgesteld om de eerder vastgestelde begroting te verhogen. Tijdens die ALV waren 2.433 van de 6.506 stemmen (37,4%) aanwezig of vertegenwoordigd, hetgeen onvoldoende is om rechtsgeldige en gekwalificeerde besluiten te kunnen nemen. De geagendeerde onderwerpen zijn wel besproken door de aanwezigen.\n\n2.7.. Vervolgens is op 11 juli 2025 een tweede ALV (een machtigingsvergadering) gelast. Daarbij waren 1.947 van de 6.506 (29,93%) stemmen aanwezig of vertegenwoordigd. Tijdens die vergadering zijn dezelfde agendapunten besproken als in de ledenvergadering van de maand daarvoor.\n\n2.8.. In de notulen van de vergadering van 11 juli 2025 is – samengevat en voor zover in deze procedure van belang – het volgende opgenomen. MVGM heeft een aantal problemen in achterstallig onderhoud en de daarmee gepaard gaande kosten gesignaleerd. MVGM heeft twee opties voor een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) voorgesteld, namelijk (1) regulier onderhoud volgens het MJOP rekening houdende met de huidige situatie en (2) MJOP waarin al het onderhoud dat niet direct te maken heeft met veiligheid of de instandhouding van de VvE wordt doorgeschoven naar jaren met minder gepland onderhoud. Verder is toegelicht dat de VvE geen lening kan verkrijgen voor het uit te voeren onderhoud, omdat er sprake is van een te grote debiteurenachterstand binnen de VvE. Vervolgens is de begroting besproken. Met een meerderheid van stemmen (stemmen voor: 1.551, stemmen tegen: 396) heeft de ALV besloten de begroting 2025-2026 vast te stellen op een bedrag van € 264.672,00, ingaande per 1 juli 2025. Tot slot is in de notulen opgenomen dat de aanwezige leden vinden dat de kritische punten richting MVGM beter genotuleerd hadden moeten worden.\n\n2.9.. In de besluitenlijst bij de notulen van de vergadering van 11 juli 2025 is verder opgenomen dat de ALV akkoord gaat met de (her)benoeming van MVGM als bestuurder, onder de voorwaarde dat de VvE het verbetertraject (waaronder MJOP-optie 2 en spaarplan) volgt. MVGM heeft in reactie daarop aangegeven dat indien hier wezenlijk van wordt afgeweken zonder gedragen besluit, MVGM de bestuursfunctie zal neerleggen.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. Het verzoek van [verzoekende partij] strekt – samengevat – tot vernietiging van het besluit van de VvE tot verhoging van de maandelijkse servicebijdragen met 54,4% per 1 juli 2025. [verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter om te bepalen dat de VvE gehouden is een nieuwe ledenvergadering bijeen te roepen waarin dit onderwerp op een transparante en zorgvuldige wijze opnieuw, in combinatie met een afgerond verduurzamingstraject, wordt besproken en in stemming wordt gebracht, waarbij de inbreng van de leden volledig moet worden vastgelegd in de notulen. Tot slot verzoekt [verzoekende partij] om de VvE in de proceskosten te veroordelen.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft [verzoekende partij] ten grondslag gelegd dat besluitvorming niet op een zorgvuldige en transparante wijze heeft kunnen plaatsvinden. [verzoekende partij] voert daartoe het volgende aan:\n\nTijdens de ALV op 9 december 2024 is al een rechtsgeldig besluit genomen over de begroting, zodat het besluit van 11 juli 2025 afwijkt van het Modelreglement waarin is bepaald dat slechts tijdens één vergadering per jaar over de begroting wordt beslist.\n\nDe verhoging leidt tot een forse lastenstijging van gemiddeld 54% van de leden.\n\nMVGM heeft druk uitgeoefend tijdens de vergadering door te dreigen haar bestuursfunctie neer te leggen indien de verhoogde begroting niet wordt aangenomen.\n\nOndanks het aan MVGM toegekende incassomandaat heeft MVGM twee jaar lang niet adequaat de bijdragen geïnd.\n\nDe onmogelijkheid om externe financiering aan te trekken is het gevolg van nalatig debiteurenbeheer van MVGM, niet van externe omstandigheden.\n\nDaarnaast wijst [verzoekende partij] erop dat MVGM tijdens de vergadering van 11 juni 2025 en de machtigingsvergadering van 11 juli 2025, in haar hoedanigheid van beheerder en bestuurder, druk heeft uitgeoefend op de ALV door te dreigen de bestuursfunctie neer te leggen indien de verhoogde begroting niet zou worden aangenomen. Daarmee is het besluit volgens [verzoekende partij] tot stand gekomen onder druk en zonder vrije, zorgvuldige besluitvorming.\n\n3.3.. De VvE voert verweer. De VvE stelt zich op het standpunt dat de notulen van de vergaderingen een zakelijke en correcte weergave van de besproken onderwerpen bevatten. Tijdens de vergaderingen is gesproken over de financiële positie, de staat van onderhoud, het meerjarenonderhoudsplan (MJOP), de noodzakelijke reserveringen en de begroting. De vergadering heeft overeenkomstig artikel 4 lid 4 van het Modelreglement 1983 de begroting en de bijdragen vastgesteld. De meerderheid stemde vóór, zodat het besluit rechtsgeldig tot stand is gekomen.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. Op grond van artikel 5:130 lid 2 BW moet het verzoek tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars worden gedaan binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen.\n\n4.2.. De kantonrechter stelt vast dat het verzoekschrift op 8 augustus 2025 bij de kantonrechter is ingediend en de verzoeken betrekking hebben op besluiten genomen op 11 juli 2025. Het verzoek is zodoende tijdig, binnen een maand na de genomen besluiten, ingediend. [verzoekende partij] is ontvankelijk in zijn verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.3.. De kantonrechter stelt voorop dat vernietiging van een besluit van de VvE kan worden uitgesproken indien:\n\nhet besluit in strijd is met de statutaire bepalingen (waaronder de bepalingen van de splitsingsakte en de daarvan deel uitmakende reglementen) die het tot stand komen van besluiten regelen; voor het overige leidt strijd met de statuten blijkens artikel 2:14 BW tot nietigheid van het besluit;\n\nhet besluit is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de VvE en degenen die krachtens de wet en statuten bij haar organisatie zijn betrokken, jegens elkander in acht moeten nemen bij hun gedragingen (art. 5:130 BW jo art. 2:15 BW jo art. 2:8 BW).\n\nOproeping eigenaren\n\n4.4.. In tegenstelling tot hetgeen [verzoekende partij] betoogt is in artikel 5 lid 1 van het Modelreglement niet bepaald dat maximaal één keer per jaar een besluit over de begroting kan worden genomen. Daarin is bepaald dat in ieder geval eens per jaar een begroting wordt vastgesteld door de ALV, maar hierin is niet opgenomen dat de begroting tussentijds niet kan worden bijgesteld indien dit nodig wordt geacht. Een dergelijk besluit tot het bijstellen van de begroting kan door de ALV worden genomen, mits aan alle vereisten is voldaan voor het rechtsgeldig nemen van besluiten.\n\n4.5.. Door [verzoekende partij] is aangevoerd dat het besluit niet voldoet aan de wettelijke en statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelt. Meer specifiek heeft [verzoekende partij] zich op het standpunt gesteld dat tijdens de vergadering geen besluitvorming kon plaatsvinden, omdat niet is gebleken dat alle eigenaren op de juiste wijze zijn opgeroepen. [verzoekende partij] verwijst in dat kader naar de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarbij de kantonrechter heeft medegedeeld dat de adressenlijst niet actueel was en sommige oproepingsbrieven die door de kantonrechter zijn verstuurd, de eigenaren niet hebben bereikt. Naar aanleiding daarvan heeft de VvE een geactualiseerde adressenlijst opgesteld en aangeleverd. [verzoekende partij] heeft betoogd dat nu de adressenlijst niet juist was, niet duidelijk is of de eigenaren allemaal op de juiste wijze zijn opgeroepen.\n\n4.6.. De kantonrechter overweegt als volgt. Weliswaar klopten niet alle adressen op de oorspronkelijke lijst, maar dat leidt nog niet tot de conclusie dat de door de VvE verstuurde oproepingsbrieven voor de ALV de eigenaren niet hebben bereikt. Daarvoor is bepalend dat [verzoekende partij] en Vaessen tijdens de mondelinge behandeling hebben aangegeven dat de VvE alle eigenaren steeds per e-mail hebben opgeroepen, behoudens voor zover de betreffende eigenaar geen gebruik maakte van e-mail. Niet gesteld noch gebleken is dat de emailberichten niet zouden zijn aangekomen. Daarnaast heeft de kantonrechter alle eigenaren op basis van de nieuwe adressenlijst opgeroepen. Er hebben zich bij de kantonrechter geen eigenaren gemeld, die niet juist zouden zijn opgeroepen door de VvE of eigenaren die niet op de hoogte zouden zijn van de vergaderingen. [verzoekende partij] heeft zijn geuite vermoeden, dat niet alle eigenaren juist zouden zijn opgeroepen door de VvE, niet nader onderbouwd. [verzoekende partij] heeft ook niet aangevoerd welke eigenaren niet (juist) zouden zijn opgeroepen en wat dit volgens hem zou betekenen voor de stemverhoudingen of het quorum. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan de stelling dat tijdens de vergadering geen besluitvorming had mogen plaatsvinden.\n\nNotulen\n\n4.7.. \n [verzoekende partij] stelt dat de notulen van de vergadering van 11 juni 2025 een onjuiste en volledige weergave bevatten van hetgeen tijdens die vergadering is besproken. Volgens [verzoekende partij] hebben de eigenaren tijdens de machtigingsvergadering van 11 juli 2025 grotendeels via volmacht gestemd zonder dat zij de volledige en juiste informatie tot hun beschikking hadden van de vergadering van 11 juni 2025. Hierdoor konden de eigenaren de gevolgen van hun stem niet overzien en zijn zij misleid in hun besluitvorming.\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt dat de notulen alleen een zakelijke weergave van hetgeen is besproken hoeven te bevatten en dat niet alles woordelijk hoeft te worden weergegeven. De notulen vermelden in ieder geval over welke onderwerpen gestemd zal worden en de perikelen rondom het MJOP, de verhoging van de bijdragen en het niet kunnen verkrijgen van een lening. Ook is aangekondigd dat MVGM haar bestuursfunctie zal neerleggen indien er geen nieuw MJOP wordt vastgesteld. [verzoekende partij] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld welke specifieke informatie ontbreekt, waardoor eigenaren op een verkeerd been zouden zijn gezet. De kantonrechter geeft MVGM wel mee dat wanneer zij afspraken maakt over het op voorhand verstrekken van concept notulen, zij zich ook aan die afspraken hoort te houden. Echter, het niet nakomen van die afspraak maakt nog niet dat de notulen onjuist zijn. [verzoekende partij] heeft in dat kader slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat de kritiek van enkele eigenaren op het functioneren van MVGM onvoldoende blijkt uit de notulen. Dat is onvoldoende om van een onjuiste vaststelling van de notulen uit te gaan. Het verzoek tot vernietiging van dit besluit is daarom op deze grond niet toewijsbaar.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n4.9.. Dit brengt de kantonrechter tot de beoordeling van de stelling dat het genomen besluit in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter is bevoegd een genomen besluit vol te toetsen, maar in de jurisprudentie en literatuur wordt over het algemeen aangenomen dat de kantonrechter zich bij het uitvoeren van die toets terughoudend dient op te stellen. De reden daarvoor is onder andere gelegen in het feit dat het besluit afkomstig is van de algemene ledenvergadering, het hoogste orgaan van de vereniging. Het past de rechter niet om een dergelijk democratisch genomen besluit te wegen op een goudschaaltje. Daarbij komt dat de toets gelegen is in de vraag of het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Dat is een hoge drempel. Het gaat er niet om of wellicht een beter besluit denkbaar is, maar of sprake is van een onredelijk of onbillijk besluit.\n\n4.10.. \n\nHet gaat in dezen om het besluit van de VvE tot verhoging van de maandelijkse servicebijdragen met 54,4% per 1 juli 2025. De kantonrechter overweegt daarover als volgt. Op grond van artikel 5:126 lid 1 BW dient de vereniging een reservefonds in stand te houden ter bestrijding van andere dan de gewone jaarlijkse kosten. Met de invoering van de Wet verbetering functioneren vereniging van eigenaars van 29 mei 2017, die is verwerkt in artikel 5:126 lid 2 BW, is deze verplichting geconcretiseerd. Zo is in deze bepaling opgenomen dat de jaarlijkse reservering van het reservefonds ten minste 0,5 procent bedraagt van de herbouwwaarde van het gebouw of:\n\n“(…) ten minste het bedrag (bedraagt) dat is vastgesteld door de vergadering van eigenaars ter uitvoering van een door de vergadering van eigenaars vastgesteld onderhoudsplan van ten hoogste vijf jaren oud (…) dat betrekking heeft op een periode van tien jaar en waarin de benodigde onderhouds- en herstelwerkzaamheden alsmede de geplande vernieuwingen zijn opgenomen daaronder mede begrepen een berekening van de aan die werkzaamheden en vernieuwingen verbonden kosten en een gelijkmatige toerekening van die kosten aan de onderscheiden jaren.”\n\n4.11.. De VvE heeft gemotiveerd dat het besluit tot verhoging van de periodieke bijdrage is gebaseerd op de begroting. De begroting vloeit op haar beurt voort uit de verplichting van de VvE om een reservefonds in stand te houden, waarmee de meerjarige onderhoudskosten kunnen worden bestreden. Verder heeft de VvE aangevoerd dat in het verleden onvoldoende middelen zijn gereserveerd om de onderhoudskosten te kunnen dragen, zodat een verhoging van de bijdragen noodzakelijk was. MVGM heeft toegelicht dat door verschillende claims wegens onder andere putcorrosie de reserves van de VvE flink waren gedaald, zodat de VvE niet (meer) beschikte over voldoende reserves in geval van calamiteiten. De VvE heeft benadrukt dat dit ook tijdens de vergadering is besproken.\n\n4.12.. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de notulen van de afgelopen jaren dat MVGM als beheerder regelmatig heeft gewezen op achterstallig onderhoud en dat de VvE er steeds voor heeft gekozen om die onderhoudsverplichting en de daarmee gepaard gaande kosten op de lange baan te schuiven. Dat een kostenverhoging op enig moment onvermijdelijk wordt, ligt dan voor de hand. Het had weliswaar op de weg van MVGM gelegen om dit punt tijdens de begrotingsvaststelling in december 2024 aan de orde te stellen, maar dat maakt niet dat het verhogen van de begroting in 2025 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.\n\n4.13.. De kantonrechter heeft begrip voor de stelling van [verzoekende partij] en andere belanghebbenden dat zij zich voor het blok gezet voelden toen MVGM heeft medegedeeld niet langer de beheerder te willen zijn als de eigenaren niet zouden instemmen met een verhoging van de bijdrage. Echter, de kantonrechter heeft ook begrip voor de situatie van MVGM, die niet langer verantwoordelijk wilde zijn voor een VvE waarbinnen noodzakelijke onderhoudsverplichtingen steeds werden uitgesteld. Het risico van alsmaar uitgesteld onderhoud, mogelijkerwijs resulterend in grotere calamiteiten, wilde MVGM niet dragen. MVGM heeft daarom, mede in het belang van alle eigenaren, de noodzaak duidelijk gemaakt van het verhogen van de bijdrage en het uitvoeren van het achterstallig onderhoud.\n\n4.14.. Dat het besluit leidt tot een forse lastenstijging voor de eigenaren is een gevolg van het jarenlang uitstellen van (reserveren voor) onderhoud. Dit punt op zichzelf maakt nog niet dat het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.\n\nVerzaken zorgplicht\n\n4.15.. Tot slot heeft [verzoekende partij] aangevoerd dat MVGM haar zorgplicht heeft geschonden, door geen adequaat debiteurenbeleid te voeren, haar incassomandaat niet te gebruiken en zodoende ervoor te hebben gezorgd dat de VvE niet in aanmerking komt voor een externe lening. [verzoekende partij] heeft daarbij zelf al aangegeven dat deze kritiek op MVGM geen grond is voor vernietiging van het genomen besluit, maar dat dit eerder maakt dat men in een situatie terecht is gekomen waar men moet ingrijpen, met name met het oog op het debiteurensaldo.\n\n4.16.. De kantonrechter overweegt dat deze kritiek op MVGM inderdaad geen grond is voor vernietiging van het genomen besluit rondom de verhoging van de bijdrage. Het verzoek van [verzoekende partij] tot vernietiging van het besluit tot verhoging van de bijdrage zal dan ook worden afgewezen. In het verlengde daarvan zal ook het verzoek om te bepalen dat een nieuwe vergadering moet worden gehouden over dit onderwerp worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.17.. Gelet op de rechtsverhouding tussen partijen en de aard van het geschil, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren op de in de beslissing vermelde wijze.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\n5.2.. compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5256","2026-05-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:10.664Z",{"id":167,"ecli":168,"slug":169,"caseNumber":45,"courtId":170,"decisionDate":171,"fullText":172,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":53,"updatedAt":174},"1630","ECLI:NL:RBAMS:2026:6615","ecli-nl-rbams-2026-6615",56,"2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12239532 \\ KK EXPL 26-324\n\nVonnis in kort geding van 11 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: mr. R. Plieger,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. J.F. Kersten.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 mei 2026 met producties,\n\n- de e-mail van 3 juni 2026 van de gemachtigde van [gedaagde] met producties, - de mondelinge behandeling van 4 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en de gemachtigde van [gedaagde] heeft spreekaantekeningen voorgelezen en overgelegd.2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser], 85 jaar oud, is eigenaresse van de woning aan de [adres] te [plaats]. Tot voor kort verbleef zij in deze woning als zij voor haar werk in [plaats] was. Inmiddels is [eiser] gestopt met werken en zij wenst de woning te verkopen.\n\n2.2.. \n [gedaagde] is drie jaar geleden dakloos geworden en mocht van [eiser] sindsdien in de woning verblijven.\n\n2.3.. Op 14 juli 2025 heeft [eiser] [gedaagde] schriftelijk verzocht de woning binnen vijf dagen te verlaten.\n\n2.4.. Partijen hebben op 30 augustus 2025 een gebruikersovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] nog tijdelijk in de woning mocht verblijven. In de overeenkomst staat dat [eiser] het verblijf op elk moment kan beëindigen zonder opgave van redenen.\n\n2.5.. Op 15 december 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] verzocht de woning op 31 december 2025 te verlaten.\n\n2.6.. \n [gedaagde] verblijft thans nog in de woning.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – de ontruiming van de woning aan de [adres] te [plaats], op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft en dat [eiser] belang heeft bij ontruiming van de woning.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] wil de woning wel verlaten, maar hij heeft nog geen alternatief gevonden. Hij heeft gezondheidsklachten en kan niet zonder meer verhuizen. Aan [gedaagde] is ook geen redelijke termijn verleend om de woning te ontruimen. [gedaagde] betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Ter zitting heeft [gedaagde] nog verklaard per 1 augustus 2026 de woning te kunnen verlaten.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.\n\n4.2.. Het spoedeisend belang van [eiser] vloeit voort uit de aard van de vordering, te weten het beëindigen van een onrechtmatige situatie; naar de mening van [eiser] verblijft [gedaagde] zonder recht of titel in de woning.\n\n4.3.. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] een tijdelijk gebruiksrecht had om in de woning te verblijven en dat [eiser] dat recht bij brief van 15 december 2025 heeft opgezegd. Dat betekent dat [gedaagde] inderdaad zonder recht of titel in de woning verblijft en dat hij de woning moet verlaten.\n\n4.4.. Het verweer dat de in de opzeggingsbrief genoemde ontruimingstermijn onredelijk kort zou zijn, kan [gedaagde] niet meer baten. De opzegging dateert inmiddels van bijna een half jaar geleden, terwijl [gedaagde] nog steeds in de woning verblijft. [gedaagde] heeft met andere woorden al een half jaar de tijd gehad om andere woonruimte te vinden.\n\n4.5.. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering tot ontruiming van de woning zal toewijzen en de ontruimingstermijn vaststelt op 14 dagen.4.6.. Gelet op het feit dat [eiser] met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming reeds een titel heeft om zelf, via de weg van de reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan, dient zij te onderbouwen op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is. Dit geldt te meer omdat voorkomen dient te worden dat [eiser] door het uitstellen van de gedwongen ontruiming de dwangsom kan laten oplopen. Nu een dergelijke onderbouwing ontbreekt, wordt de vordering tot het opleggen van een dwangsom bij gebrek aan belang afgewezen.\n\n4.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n0,00\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n72,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n742,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres] te [plaats] binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ter beschikking van [eiser] te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 742,00, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\n58984","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6615","2026-07-13T00:29:30.519Z",{"id":176,"ecli":177,"slug":178,"caseNumber":45,"courtId":95,"decisionDate":132,"fullText":179,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":180,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":53,"updatedAt":181},"953","ECLI:NL:RBNHO:2026:7580","ecli-nl-rbnho-2026-7580","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11916323 \\ EJ VERZ 25-55\n\nBeschikking van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\ngemachtigde: mr. M.B. van Munster,\n\ntegen\n\n [verweerder] B.V.,\n\nte [plaats 2],\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder], gemachtigde: mr. R. Schram.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn dit geschil zijn [verzoeker] en [verweerder] uitsluitend procespartijen. [verzoeker] wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vernietiging het besluit en verkrijging van een vervangende machtiging, omdat uitsluitend aan (het bestuur van) [VVE 1], [VVE 2] en [VVE 3] het vernietigingsrecht voor besluiten genomen in [VVE 4] dan wel het recht tot het verkrijgen van een vervangende machtiging daarvan is toegekend. De verzochte voor recht verklaring is niet toewijsbaar, omdat dit verzoek niet ziet op de rechtsverhouding tussen [verzoeker] en [verweerder].1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 2 oktober 2025 - het herziene verzoekschrift\n\n- het verweerschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\n- de pleitaantekeningen die namens [verzoeker] zijn overgelegd en voorgedragen.\n\n1.2.. \n\nDe beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het complex [naam] bestaat uit een parkeergarage met bergingen in de kelder, winkels op de begane grond en 79 woningen op de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping.2.2.. Bij akte van 5 juli 2005, ingeschreven in het kadaster onder nummer [kadaster nummer], (hierna: splitsingsakte) is het complex gesplitst in drie appartementsrechten, te weten 79 woningen met index A1, winkels\u002Fbedrijfsruimte(n) met index A2 en een parkeergarage met index A3. Bij de splitsingsakte is eveneens de [VVE 4] opgericht.\n\n2.3.. Binnen de [VVE 4] zijn de drie hiervoor genoemde appartementsrechten opnieuw gesplitst in verschillende appartementsrechten, waarbij namens het appartementsrecht met index A1 de [VVE 1], namens het appartementsrecht met index A2 de [VVE 2] en namens het appartementsrecht met index A3 de [VVE 3] optreedt.\n\n2.4.. \n [verzoeker] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) zijn gezamenlijk eigenaar van het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woonruimte op de eerste verdieping met berging in de kelder, gelegen aan het [adres] te [plaats 1]. [verzoeker] en [betrokkene] zijn hierdoor lid van de [VVE 1] en de [VVE 3].\n\n2.5.. \n [verweerder] is lid van de [VVE 2] en de [VVE 3].\n\n2.6.. In het e-mailbericht van [verzoeker] van 2 oktober 2025 aan de rechtbank, waarbij het verzoekschrift is overgelegd, staat onder meer: “(…) Dit verzoekschrift is pro forma omdat mijn advocaat (via Achmea RB-003932214) gelet op de korte termijn (ik wist pas afgelopen maandag dat ikzelf ook een verzoekschrift zou moeten indienen) niet in staat was op tijd een verzoekschrift in te dienen. Ik doe dit nu snel zelf. Mijn verzoek is ook om behandeling aan te houden tot mijn advocaat zich meld en de gronden van mijn verzoek heeft gecontroleerd gecorrigeerd of aangevuld.(…)”.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter: - het besluit genomen in de vergadering van eigenaars van 4 september 2025 om geen boetebesluit vast te stellen, te vernietigen; - voor recht te verklaren dat [verweerder] misbruik maakt van een meerderheidsmacht; - [VVE 4] te machtigen tot het vaststellen van het voorgestelde boetebesluit als behandeld op de vergadering van 4 september 2025; - [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Het besluit de algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van [VVE 4] van 4 september 2025 dat geen boetebesluit wordt vastgesteld moet worden vernietigd, omdat dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij komt dat een vervangende machtiging kan worden verleend, indien de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd. Volgens [verzoeker] is daar sprake van. Aanleiding om het boetebesluit ter besluitvorming voor te leggen is de weigering van [verweerder] om gebruikersverklaringen zoals bedoeld in artikel 42 van de splitsingsakte aan [VVE 4] af te geven. Het niet overleggen van die verklaringen belemmert het bestuur van die VvE zeer ernstig in de uitvoering van haar taken. Hoewel [verweerder] mag stemmen conform haar eigen belang, worden de individuele eigenaren zoals [verzoeker] onredelijk benadeeld, omdat een boetebesluit hen rechtszekerheid biedt en het bestuur van [VVE 4] in staat stelt de regels adequaat te handhaven.\n\n3.3.. \n [verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Op haar verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nPartij bij dit geschil zijn [verzoeker] en [verweerder]\n\n4.1.. De kantonrechter zal allereerst oordelen wie procespartijen zijn in dit geschil. In het onderhavige geval is op 2 oktober 2025 bij de rechtbank per e-mail een verzoekschrift binnengekomen, waarin uitsluitend [verzoeker] als verzoeker en [verweerder] als verweerder staan vermeld. In die e-mail is verzocht om de behandeling aan te houden tot de gronden van het verzoek zijn ‘gecontroleerd, gecorrigeerd of aangevuld’ door de gemachtigde van [verzoeker]. Op 7 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] een verzoekschrift ingediend met de titel: “Herziene versie van het verzoekschrift(…)”. Het ‘herziene verzoekschrift’ is ingediend namens [verzoeker] en [betrokkene] en richt zich tegen zowel [verweerder] als [VVE 4].\n\n4.2.. De kantonrechter begrijpt uit het betoog van [verzoeker] en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van dit geschil naar voren is gekomen dat [verzoeker] niet de wens heeft gehad het verzoek van 2 oktober 2025 in te trekken en te vervangen voor het ‘herziene verzoekschrift’. Daarom concludeert de kantonrechter dat het verzoekschrift zoals door [verzoeker] ingediend per e-mail van 2 oktober 2025 als uitganspunt moet worden genomen, zodat deze procedure per die datum aanhangig is gemaakt.\n\n4.3.. In een verzoekschriftprocedure kan een partij zich voegen of tussenkomen om de belangen van een van de bestaande procespartijen te ondersteunen. Dit kan door een incidentele vordering in te stellen.De partij die om voeging of tussenkomst vraagt moet een voldoende belang kunnen aantonen, waarna de rechter beoordeelt of voeging of tussenkomst toelaatbaar is.\n\n4.4.. In de onderhavige procedure zijn [verzoeker] en [verweerder] in ieder geval procespartij. Bij het herziene verzoekschrift heeft [verzoeker] getracht [betrokkene] en [VVE 4] zonder voeging of tussenkomst bij deze procedure te betrekken. Elke grondslag voor het wijzigen dan wel toevoegen van een verzoeker en verweerder zoals gedaan bij het ‘herziene verzoekschrift’, ontbreekt. Omdat [betrokkene] noch [VVE 4] heeft verzocht om voeging of tussenkomst in deze procedure, maken zij hier geen onderdeel van uit. De kantonrechter concludeert dan ook dat uitsluitend [verzoeker] en [verweerder] procespartij zijn bij dit geschil, en hij zal het verzoek ook als zodanig verder in behandeling nemen.\n\n [verzoeker] is niet ontvankelijk in zijn verzoeken\n\n4.5.. De kantonrechter begrijpt het verzoek van [verzoeker] aldus dat hij verzoekt om vernietiging van het besluit om geen boetebesluit vast te stellen, zoals genomen op de ALV van [VVE 4] van 4 september 2025. Ook het verzoek tot het verlenen van een vervangende machtiging voor het vaststellen van dit boetebesluit ziet op het machtigen van (het bestuur van) [VVE 4].\n\n4.6.. Het vernietigingsrecht is door de wetgevertoegekend aan de appartementseigenaar, ofwel aan de gerechtigde tot een aandeel in de goederen die in de splitsing zijn betrokken. Ook het verzoek tot het verkrijgen van een vervangende machtiging is uitsluitend toegekend aan de appartementseigenaar.4.7.. Uit de splitsingsakte volgt dat [VVE 4] drie appartementsrechten kent, die in de ALV worden vertegenwoordigd door [VVE 1], [VVE 2] en [VVE 3]. Dit heeft tot gevolg dat uitsluitend aan (het bestuur van) [VVE 1], [VVE 2] en [VVE 3] het vernietigingsrecht voor besluiten genomen in de ALV van [VVE 4] dan wel het recht tot het verkrijgen van een vervangende machtiging is toegekend.\n\n4.8.. De kantonrechter concludeert dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn verzoeken, voor zover die verzoeken zien op de vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 4] tot afwijzing van het vaststellen van een boetebesluit zoals genomen op 4 september 2025 en het verzoek tot het verkrijgen van een vervangende machtiging daartoe. Dat [verzoeker] lid is van [VVE 1] en [VVE 3] leidt niet tot een ander oordeel.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen4.9. Hoewel een verklaring voor recht in beginsel ook in een verzoekschriftprocedure kan worden gegeven, is daarvoor wel vereist dat die verklaring voor recht binnen de grenzen blijft van de toepasselijke wetsbepalingen en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding tussen verzoeker en verweerder. Dat is hier niet het geval. [verzoeker] heeft toegelicht dat het door [verweerder] gemaakte misbruik van haar meerderheidsmacht hoofdzakelijk is gericht op het niet meewerken van [verweerder] aan de vaststelling van het boetebesluit binnen (naar de kantonrechter begrijpt) [VVE 4]. De verzochte verklaring voor recht ziet dan ook specifiek op de rechtsverhouding tussen [VVE 4] en (indirect) [verweerder] en niet op de rechtsverhouding tussen [verzoeker] en [verweerder]. De verzochte verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.\n\n [verzoeker] c.s. worden veroordeeld in de kosten\n\n4.10.. \n [verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verweerder] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n130,50\n\n(1,5 punten × € 87,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n174,00\n\n5. 5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoeken die zien op de vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 4] tot afwijzing van het vaststellen van een boetebesluit zoals genomen op 4 september 2025 en het verzoek tot het verkrijgen van een vervangende machtiging daartoe,5.2.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 174,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze beschikking, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Waarbij [VVE 4] een beroep doet op onder meer artikel 5:130 jo 2:15 lid 1 sub b jo 2:8 BW.\n\n Op grond van artikel 5:121 BW.\n\n Waarbij moet worden voldaan aan de eisen van artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).\n\n Op grond van artikel 5:140 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 5:106 leden 5 en 4 BW.\n\n Hoge Raad 31 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5319, r.o. 3.2.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7580","2026-07-13T00:28:56.412Z",{"id":183,"ecli":184,"slug":185,"caseNumber":45,"courtId":95,"decisionDate":132,"fullText":186,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":53,"updatedAt":188},"981","ECLI:NL:RBNHO:2026:7582","ecli-nl-rbnho-2026-7582","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11907888 \\ EJ VERZ 25-53\n\nBeschikking van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [VVE 1],\n\ngemachtigde: mr. L. Rietbergen,\n\ntegen\n\nHOORNE VASTGOED B.V.,\n\nte Uitgeest,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Hoorne Vastgoed,\n\ngemachtigde: mr. R.A.M. Schram,\n\nDe zaak in het kort[VVE 1] heeft geen procesvolmacht voor het voeren van deze procedure, zodat zij niet-ontvankelijk is in haar verzoeken.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift - het aanvullend verzoekschrift van 31 maart 2025\n\n- het verweerschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitaantekeningen die namens [VVE 1] zijn overgelegd en voorgedragen.1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het [naam] bestaat uit een parkeergarage met bergingen in de kelder, winkels op de begane grond en 79 woningen op de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping.\n\n2.2.. Bij akte van 5 juli 2005, ingeschreven in het kadaster onder nummer 19243\u002F150, (hierna: splitsingsakte) is het complex gesplitst in drie appartementsrechten, te weten 79 woningen met index A1, winkels\u002Fbedrijfsruimte(n) met index A2 en een parkeergarage met index A3.\n\n2.3.. Binnen de [VVE 1] zijn de drie hiervoor genoemde appartementsrechten opnieuw gesplitst in verschillende appartementsrechten, waarbij namens het appartementsrecht met index A1 de [VVE 2], namens het appartementsrecht met index A2 de [VVE 3] en namens het appartementsrecht met index A3 de [VVE 4] optreedt.\n\n2.4.. Hoorne Vastgoed is lid van de [VVE 3] en de [VVE 4].\n\n2.5.. In de splitsingsakte staat onder meer: “Artikel 41(…)4. Het bestuur behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen en het aangaan van dadingen, alsmede voor het verrichten van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen een belang van een nader door de vergadering vast te stellen bedrag te boven gaande. Het bestuur behoeft geen machtiging om in een geding verweer te voeren en voor het nemen van conservatoire maatregelen.(…)”.\n\n2.6.. Op de algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van 6 november 2025 is tegen het besluit tot het verlenen van een bestuursprocesvolmacht aan het bestuur van [VVE 1] gestemd. Er wordt door de ALV geen procesvolmacht verleent aan het bestuur.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [VVE 1] verzoekt de kantonrechter: - het besluit genomen op de ALV van 4 september 2025 om geen boetebesluit vast te stellen, te vernietigen; - voor recht te verklaren dat Hoorne Vastgoed misbruik maakt van een meerderheidsmacht; - [VVE 1] te machtigen tot het vaststellen van het voorgestelde boetebesluit als behandeld op de ALV van 4 september 2025 en haar te machtigen om al datgene te doen wat daartoe vereist is; - Hoorne Vastgoed te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Bij aanvullend verzoek van 31 maart 2026 heeft [VVE 1] de kantonrechter verzocht het bestuur van [VVE 1] een procesvolmacht te verlenen zoals door haar verzocht en op de ALV van 6 november 2025 gepasseerd.3.3.. Aan het verzoek heeft [VVE 1] het volgende ten grondslag gelegd. Het besluit van de ALV van 4 september 2025 om geen boetebesluit vast te stellen moet worden vernietigd, omdat dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij komt dat een vervangende machtiging kan worden verleend, indien de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd. Volgens [VVE 1] is daar sprake van. Aanleiding om het boetebesluit ter besluitvorming voor te leggen is de weigering van Hoorne Vastgoed om gebruikersverklaringen zoals bedoeld in artikel 42 van de splitsingsakte af te geven. Het niet overleggen van die verklaringen belemmert het bestuur van [VVE 1] zeer ernstig in de uitvoering van haar taken. Hoewel Hoorne Vastgoed mag stemmen conform haar eigen belang, worden de individuele eigenaren (de kantonrechter begrijpt: de individuele eigenaren die lid zijn van de [VVE 2] en\u002Fof [VVE 4]) onredelijk benadeeld, omdat een boetebesluit hen rechtszekerheid biedt en het bestuur van [VVE 1] in staat stelt de regels adequaat te handhaven.\n\n3.4.. Hoorne Vastgoed verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Op haar verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Daargelaten de vraag (1) of het bestuur van [VVE 1] middels een verzoek bij de kantonrechter haar eigen besluiten kan (laten) vernietigen, waarbij zij feitelijk optreedt als verzoeker én verweerder, alsook de vraag (2) of Hoorne Vastgoed als verweerder in dit geschil kan worden aangemerkt, overweegt de kantonrechter als volgt.\n\nDe procesvolmacht ontbreekt\n\n4.2.. Op grond van artikel 41 lid 4 van het splitsingsreglement behoeft het bestuur van [VVE 1] een machtiging van de ALV voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen en het aangaan van dadingen, alsmede voor het verrichten van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen een belang van een nader door de vergadering vast te stellen bedrag te boven gaande. Het bestuur behoeft geen machtiging om in een geding verweer te voeren en voor het nemen van conservatoire maatregelen.\n\n4.3.. In het onderhavige geval is niet in geschil dat bij besluit van 6 november 2025 tegen een bestuursprocesvolmacht is gestemd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [VVE 1] desgevraagd verklaard dat zij tegen dit besluit geen procedure tot vernietiging daarvan is gestart. Ook is de termijn om tegen dat besluit een verzoek tot vernietiging in te dienen op 7 december 2025 verstreken. Daarmee is het besluit onherroepelijk vast komen te staan. [VVE 1] was daarom niet gemachtigd om de verzoeken zoals omschreven in het verzoekschrift van 6 oktober 2025 aan de kantonrechter voor te leggen. Voor het aanvullende verzoek van 31 maart 2026 om [VVE 1] een vervangende procesvolmacht te verlenen, heeft [VVE 1] evenmin een procesvolmacht overgelegd.\n\n4.4.. Omdat geen sprake is van een procesvolmacht afgegeven door de ALV voor het voeren van deze procedure, noch van een vervangende machtiging daartoe van de kantonrechter, moet het bestuur van [VVE 1] niet ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoeken. Dit betekent dat aan een inhoudelijke beoordeling van die verzoeken niet kan worden toegekomen.\n\n4.5.. \n\nDat mr. Gentil is gemachtigd om deze procedure namens [VVE 1] te voeren, waarna mr. Rietbergen voor mr. Gentil heeft waargenomen, zoals tijdens de mondelinge behandeling door mr. Rietbergen is verklaard, is gemotiveerd betwist en vervolgens niet weersproken. Dit betoog van [VVE 1] leidt daarom niet tot een ander oordeel.\n\n [VVE 1] wordt veroordeeld in de proceskosten\n\n4.6.. \n [VVE 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hoorne Vastgoed worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n174,00\n\n(2 punten × € 87,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n217,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verklaart [VVE 1] niet ontvankelijk in haar verzoeken,\n\n5.2.. veroordeelt [VVE 1] in de proceskosten van € 217,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [VVE 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze beschikking – voor wat betreft de proceskostenveroordeling – uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Waarbij [VVE 1] een beroep doet op onder meer artikel 5:130 jo 2:15 lid 1 sub b jo 2:8 BW.\n\n Op grond van artikel 5:121 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7582","2026-07-13T00:28:57.363Z",{"id":190,"ecli":191,"slug":192,"caseNumber":45,"courtId":95,"decisionDate":132,"fullText":193,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":194,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":53,"updatedAt":195},"991","ECLI:NL:RBNHO:2026:7585","ecli-nl-rbnho-2026-7585","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12001278 \\ EJ VERZ 25-62\n\nBeschikking van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verzoeker 1], 2. [verzoeker 2], 3. [verzoeker 3], 4. [verzoeker 4], 5. [verzoeker 5], 6. [verzoeker 6], 7. [verzoeker 7], 8. [verzoeker 8], 9. [verzoeker 9], 10. [verzoeker 10],\n\nallen wonende te [plaats],\n\nverzoekende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verzoekers],\n\ngemachtigde: mr. M.B. van Munster,\n\ntegen\n\n1. [VVE 1], gevestigd te [plaats],\n\nniet verschenen, 2. [VVE 2],\n\ngevestigd te [plaats],\n\ngemachtigde: mr. P.G. Bekkers,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen: [VVE 1] dan wel [VVE 2].\n\nDe zaak in het kortDe verzoeken tot nietigheid dan wel vernietiging van de besluiten zijn niet toewijsbaar. Van strijd met de splitsingsakte is geen sprake, evenmin zijn de besluiten van de ALV van de VvE’s van 6 november 2025 in strijd met de redelijkheid en billijkheid genomen. Ook van misbruik van een meerderheidsstem in de ALV van [VVE 2] is de kantonrechter niet gebleken. De verzochte voor recht verklaring is niet toewijsbaar, omdat dit verzoek niet ziet op de rechtsverhouding tussen [verzoekers] en de VvE’s.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- het verweerschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de spreekaantekeningen die door Schreiber zijn overgelegd en voorgedragen.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het complex [naam] bestaat uit een parkeergarage met bergingen in de kelder, winkels op de begane grond en 79 woningen op de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping.2.2.. Bij akte van 5 juli 2005, ingeschreven in het kadaster onder nummer 19243\u002F150, (hierna: splitsingsakte) is het complex gesplitst in drie appartementsrechten, te weten 79 woningen met index A1, winkels\u002Fbedrijfsruimte(n) met index A2 en een parkeergarage met index A3. Bij de splitsingsakte is eveneens [VVE 1] opgericht.\n\n2.3.. Binnen de [VVE 1] zijn de drie hiervoor genoemde appartementsrechten opnieuw gesplitst in verschillende appartementsrechten, waarbij namens het appartementsrecht met index A1 de [VVE 3], namens het appartementsrecht met index A2 de [VVE 4] en namens het appartementsrecht met index A3 de [VVE 2] optreedt.\n\n2.4.. \n [VVE 2] is ondergesplitst in 235 appartementsrechten. In artikel 32 lid 3 van het model splitsingsreglement 1992 (hierna: splitsingsreglement 1992) die ziet op de ondersplitsing van [VVE 2] staat – voor zover van belang –: “(…) De stemmen voor het in de ondersplitsing betrokken appartementsrecht behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht.(…)”.\n\n2.5.. \n [verzoekers] zijn allen eigenaars van appartementsrechten binnen het wooncomplex van [naam]. [verzoekers] zijn als eigenaars van die appartementsrechten van rechtswege lid van [VVE 3] en [VVE 2].\n\n2.6.. Op 6 november 2025 heeft een algemene ledenvergadering (hierna: ALV) plaatsgevonden in [VVE 2]. Uit de notulen van die ALV volgt dat – voor zover van belang – de volgende besluiten zijn genomen: “Besluitenlijst [VVE 2](…)8. Boetebesluit [VVE 2]8.1 De leden besluiten het boetebesluit, zoals besproken, niet vast te stellen voor de [VVE 2].9. Boetebesluit VvE Hoofdvereniging9.1 Er wordt op eensluidende wijze gestemd om de vertegenwoordiger [VVE 2] niet te machtigen voor wat betreft het stemmen voor het boetebesluit [VVE 1].10. Incassoprocesvolmacht10.2 De vergadering besluit het bestuur (in welke vorm deze zich bevind) volmacht te verlenen zoals omschreven in het belegstuk.11. Bestuursprocesvolmacht11.1 Er wordt door de vergadering geen procesvolmacht verleent aan het bestuur.12. Ontslag bestuur [VVE 2]12.1 De vergadering besluit het bestuur van [VVE 1] per direct te ontslaan.13. Benoeming bestuur [VVE 2]13.1 De vergadering besluit tegen het instellen van een intern bestuur.13.2 De vergadering besluit tegen het machtigen van het bestuur om de werving via meervoudig aanbesteden te initiëren.13.3 De vergadering besluit de externe partij, [bedrijf], te benoemen als bestuur van de [VVE 2]. Hoorne Vastgoed zal de aanvullende kosten voor dit externe bestuur op zich nemen.”\n\n2.7.. Ook op de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 zijn besluiten genomen. In de besluitenlijst van die ALV staat: “Besluitenlijst [VVE 1](…)7. Incassoprocesvolmacht7.1 De leden stemmen tegen het verlenen van incassoprocesvolmacht aan haar bestuur.8. Bestuursprocesvolmacht8.1 De leden stemmen tegen het verlenen van bestuursprocesvolmacht aan haar bestuur.”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekers] verzoeken de kantonrechter – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:\n\nom de besluiten van [VVE 1] en [VVE 2] zoals genomen op de ALV’s van 6 november 2025 en die zien op: 1) de afwijzing van het voorstel om het bestuur (de kantonrechter begrijpt: van [VVE 1]) een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen; en 2) de besluiten dat de stemmen van [VVE 2] eensluidend zullen worden meegeteld in de ALV van [VVE 1]; nietig te verklaren dan wel te vernietigen,\n\nvoor recht te verklaren dat het stemrecht dat aan [VVE 2] toekomt in [VVE 1] op de ALV van [VVE 1] moet worden uitgebracht conform de stemverhoudingen zoals die zijn uitgebracht op de ALV van [VVE 2],\n\nom de besluiten van [VVE 2] zoals genomen op de ALV van 6 november 2025 en die zien op: A) de afwijzing van het voorstel om een boetebesluit vast te stellen; B) het besluit om de vertegenwoordiger van [VVE 2] niet te machtigen voor wat betreft het stemmen voor het boetebesluit in [VVE 1]; C) de afwijzing van het voorstel om aan het bestuur een procesvolmacht te verlenen; D) het besluit om het bestuur van [VVE 2] direct te ontslaan; E) het besluit om (en deel van) het zittende bestuur dan wel een ander lid van [VVE 2] te benoemen als bestuur; F) het besluit om niet via een meervoudige aanbesteding een nieuw bestuur voor [VVE 2] te werven; en G) het besluit om [bedrijf] te benoemen als bestuurder van [VVE 2], waarbij Hoorne Vastgoed B.V. de aanvullende kosten op zich zal nemen; te vernietigen,\n\nom aan het bestuur van [VVE 1] een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen, alsmede om aan het bestuur van [VVE 2] een procesvolmacht te verlenen, zoals verzocht op de ALV van beide VvE’s van\n\n6 november 2025,\n\n- [VVE 1] en [VVE 2] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Aan de verzoeken hebben [verzoekers] – voor zover van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de wijze van stemmen beroepen [verzoekers] zich op artikel 33 lid 3 van de splitsingsakte van [VVE 2], waaruit volgt dat in dit geval sprake is van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Het besluit dat de stemmen van [VVE 2] op eensluidende wijze moeten worden meegenomen bij [VVE 1] is in strijd met de splitsingsakte en levert daarom nietigheid van dat besluit op. Verder zijn de besluiten vernietigbaar, omdat die in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn genomen. Hoorne Vastgoed B.V. (hierna: Hoorne Vastgoed) is evenals [verzoekers] lid van [VVE 2] en maakt misbruik van haar meerderheidsmacht. Hoorne Vastgoed handelt feitelijk in haar eigen belang en daarmee overduidelijk in strijd met het belang van [VVE 2], aldus [verzoekers]\n\n3.3.. \n [VVE 1] is niet in deze procedure verschenen. [VVE 2] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. Op haar verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid van de kantonrechter\n\n4.1.. Voordat de kantonrechter op de standpunten van partijen kan ingaan, zal zij eerst moeten vaststellen of hij bevoegd is om te oordelen over het primaire verzoek van verzoekers. Vernietiging van een besluit van de VvE vindt weliswaar plaats door een uitspraak van de kantonrechter, maar een beroep op de nietigheid van een VvE-besluit moet volgens de wet aan de orde worden gesteld door middel van een dagvaarding bij de rechtbank.\n\n4.2.. De kantonrechter komt tot het oordeel dat hij in dit geval bevoegd is om de verzoeken te beoordelen. Het hof Den Haag heeft in zijn arrest van 18 december 2018namelijk geoordeeld dat in een geval waarin zowel een beroep op de nietigheid van een besluit als een beroep op vernietiging van dat besluit wordt gedaan de kantonrechter bevoegd is om over beide kwesties te beslissen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 10 juli 2020. De procedure hoeft dus niet te worden gesplitst om de nietigheid van de besluiten in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure bij de rechtbank te laten beoordelen.\n\nOntvankelijkheid van [verzoekers]\n\n4.3.. De volgende vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is of [verzoekers] ontvankelijk zijn in het verzoek. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. [verzoekers] hebben weliswaar niet betwist dat zij geen lid zijn van [VVE 1], maar dat betekent nog niet dat zij geen procedure tegen die VvE kunnen voeren. Uit de wet volgt dat iedereen die daar een redelijk belang bij heeft om vernietiging van een besluit kan verzoeken. Het is dus niet noodzakelijk om lid van de VvE te zijn, wel dat sprake is van een redelijk belang. Dat [verzoekers] als bewoners een redelijk belang hebben bij vernietiging van de besluiten staat naar het oordeel van de kantonrechter niet ter discussie.\n\n4.4.. De kantonrechter is van oordeel dat het voorgaande ook geldt voor een beroep op nietigheid van een besluit. Nietigheid van een besluit betekent immers dat dat besluit geacht wordt nooit te hebben bestaan. In principe kan dus een ieder die meent dat een besluit nietig is dit mededelen aan degene die zich op dat nietige besluit beroept. Voor een verklaring voor recht is wel vereist dat de verzoeker daarbij voldoende belang heeft, maar zoals hiervoor overwogen staat dat naar het oordeel van de kantonrechter niet ter discussie.\n\nDe verzoeken tot nietigverklaring van de besluiten zijn niet toewijsbaar4.5.. Als een besluit van de VvE strijdig is met de splitsingsakte, leidt dat tot nietigheid van dat besluit. De beoordeling of het besluit al dan niet nietig is, is niet onderworpen aan een belangenafweging.\n\n4.6.. \n [verzoekers] verzoeken om het besluit tot afwijzing van het voorstel om het bestuur (de kantonrechter begrijpt: van [VVE 1]) een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen, zoals genomen op de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025, nietig te verklaren. Niet is gebleken dat dit besluit is genomen in strijd met de splitsingsakte. Evenmin hebben [verzoekers] onderbouwd op welke gronden dit besluit nietig moet worden verklaard. Van nietigheid van dat besluit kan daarom geen sprake zijn. Dit deel van de vordering is niet toewijsbaar.\n\n4.7.. \n [verzoekers] verzoeken de kantonrechter ook om het besluit dat de stemmen van [VVE 2] eensluidend zullen worden meegeteld in de ALV van [VVE 1], nietig te verklaren. Daartoe stellen [verzoekers] dat dit besluit in strijd is met het ten behoeve van [VVE 2] opgestelde splitsingsreglement 1992. Daaruit volgt immers dat de stemmen van [VVE 2] naar rato, en dus op basis van evenredige vertegenwoordiging, moeten worden uitgebracht in [VVE 1], aldus [verzoekers]\n\n4.8.. De wetschrijft voor dat de stemmen van de leden van de onder-VvE’s (de ondersplitsingen) in de vergadering van eigenaars van de hoofd-VvE worden uitgebracht door het bestuur van de onder-VvE’s. Die stemmen behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht.\n\n4.9.. In het onderhavige geval heeft [VVE 2] gemotiveerd betwist dat het besluit tot afwijzing van een incasso- en procesvolmacht in strijd is met de splitsingsakte. Uit de splitsingsakte van [VVE 1] volgt dat de wijze waarop de stemmen van [VVE 2] in de ALV van [VVE 1] worden uitgebracht, wordt overgelaten aan de splitsingsakte van [VVE 2]. In de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 is besloten dat de wijze waarop zal worden gestemd in de ALV van [VVE 1] door [VVE 2] eensluidend zal zijn. Dit is niet in strijd met het splitsingsreglement 1992 van [VVE 2], want volgens [VVE 2] volgt uit artikel 33 lid 3dat het districtenstelsel hier van toepassing is. Dit houdt in dat de stemmen die worden uitgebracht in de ALV van [VVE 2] eensluidend – oftewel unaniem – in de ALV van [VVE 1] zullen worden uitgebracht. Ter onderbouwing verwijst [VVE 2] naar een uitspraak van het hof Amsterdam van 7 april 2005, dat het betoog van [VVE 2] volgens haar ondersteunt.\n\n4.10.. Scheiber c.s. hebben het voorgaande niet gemotiveerd weersproken. Voor zover [verzoekers] stellen dat in het verleden niet eensluidend is gestemd, maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de ALV van [VVE 2] niet mag besluiten over te gaan op een dergelijke wijze van stemmen. Uit het splitsingsreglement 1992 die op [VVE 2] van toepassing is, volgt dat een dergelijke keuze weldegelijk mag worden gemaakt. De kantonrechter concludeert daarom dat geen sprake is van een besluit genomen in strijd met de splitsingsakte, zodat de verzochte nietigheid van dat besluit niet toewijsbaar is.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen4.11. Hoewel een verklaring voor recht in beginsel ook in een verzoekschriftprocedure kan worden gegeven, is daarvoor wel vereist dat die verklaring voor recht binnen de grenzen blijft van de toepasselijke wetsbepalingen en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding tussen verzoeker en verweerder. Dat is hier niet het geval. Uit het verzoek volgt dat [verzoekers] voor recht wenst te verklaren dat het stemrecht dat binnen [VVE 1] toekomt aan [VVE 2] op de ALV van [VVE 1] moet worden uitgebracht conform de stemverhoudingen zoals die zijn uitgebracht op de ALV van [VVE 2]. De verzochte verklaring voor recht ziet dan ook specifiek op de rechtsverhouding tussen [VVE 1] en [VVE 2] en niet op de rechtsverhouding tussen [verzoekers] en [VVE 2] dan wel [VVE 1]. De verzochte verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet juridisch kader omtrent vernietiging van besluiten\n\n4.12.. De kantonrechter stelt voorop dat het verzoekschrift is ingekomen op de griffie op 5 december 2025. Aangezien de ALV waarop de besluiten zijn genomen, heeft plaatsgevonden op 6 november 2025, is het verzoek tot vernietiging tijdig gedaan, namelijk binnen een maand.\n\n4.13.. De kantonrechter overweegt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheidof (c) strijd met een reglement.Ten aanzien van een beroep op vernietiging wegens ‘strijd met de redelijkheid en billijkheid’ geldt het volgende. De toetsing door de rechter is marginaal. Dat betekent dat de vergadering een ruime mate van eigen verantwoordelijkheid toekomt. Het gaat er niet om of een ‘beter’ besluit genomen had kunnen worden, maar of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.\n\n4.14.. \n\nOf het besluit vernietigbaar is wegens misbruik van een meerderheidspositie hangt af van de vraag of het besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Feitelijk komt dit neer op de vraag of een eigenaar met doorslaggevende stem (in dit geval Hoorne Vastgoed), mede gelet op de belangen van de minderheidseigenaren, in redelijkheid tot verwerping van het voorstel kon komen. Een eigenaar mag zijn\n\nmeerderheidsmacht binnen de vergadering van de VvE gebruiken en haar belangen binnen redelijke grenzen beschermen. Een besluit van de VvE moet echter voldoen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid die ten opzichte van de overige eigenaren in acht moet worden genomen. Vooral bij mogelijke verstrengeling van belangen moet de eigenaar met een meerderheidsbelang een hoge mate van zorgvuldigheid en openheid betrachten, waarbij hij zoveel mogelijk de verschillende belangen gescheiden moet houden. Daartegenover staat dat enkele feit dat een lid van een VvE vanwege haar meerderheidsbelang een besluit eenzijdig kan tegenhouden, niet maakt dat dat lid misbruik maakt van haar meerderheidsmacht.\n\nHet verzoek tot vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 tot afwijzing van een incasso- en procesvolmacht, alsmede de verzochte vervangende machtiging tot verkrijging daarvan zijn niet toewijsbaar\n\n4.15.. De besluiten ten aanzien van de incasso- en procesvolmacht die op 6 november 2025 in de ALV van [VVE 1] zijn genomen, zijn volgens [verzoekers] genomen ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [VVE 1] heeft een belang bij een incassomandaat, zodat zij incassomaatregelen kan treffen tegen een lid van die VvE dat haar betalingsverplichtingen niet nakomt. Hetzelfde geldt voor de procesvolmacht. Door tegen het besluit tot verkrijging daartoe te stemmen, is het voor het bestuur van [VVE 1] niet mogelijk om de regels die gelden binnen de VvE te kunnen handhaven. Daarbij komt dat misbruik wordt gemaakt van een meerderheidsmacht, omdat Hoorne Vastgoed volgens [verzoekers] enkel oog heeft voor haar eigen belangen. Het voorgaande is door [VVE 2] gemotiveerd betwist.\n\n4.16.. De kantonrechter is van oordeel dat [VVE 1] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van het verzoek tot afgifte van een incasso- en procesvolmacht. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. Zoals hiervoor uiteengezet is de toetsing door de rechter marginaal. In het onderhavige geval is de kantonrechter niet gebleken dat het niet verkrijgen van een incasso- en procesvolmacht voor het bestuur van [VVE 1] zodanige nadelige gevolgen heeft dat het haar onmogelijk wordt gemaakt om een debiteurenbeheer te voeren. Het betoog van [VVE 2] dat op het moment dat dergelijke incasso- of procesrechtelijke kwesties spelen er bij ALV gestemd kan worden over de voortgang van die specifieke zaak, is daarnaast door [verzoekers] niet weersproken. Dat het bijeenroepen van een ALV per incident inefficiënt is, maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat sprake is van een besluit dat is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat binnen de ALV van [VVE 1] bij de besluitvorming van de ALV van 6 november 2025 geen rekening is gehouden met de belangen van haar leden, is de kantonrechter niet gebleken.\n\n4.17.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om de besluiten van de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 tot afwijzing van verlening van een incasso- en procesvolmacht te vernietigen, zal worden afgewezen. Er is daarom ook geen grond om [verzoekers] een vervangende machtiging te verlenen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.\n\nDe verzoeken tot vernietiging van de besluiten van de ALV van [VVE 2] van 6 december 2025 zijn niet toewijsbaar\n\n4.18.. Ten aanzien van het verzoek tot vernietiging van besluit A), overweegt de kantonrechter als volgt. In dit geval is de kantonrechter niet gebleken dat in strijd is gehandeld met de belangen van de belangen van alle (in de minderheid zijnde) eigenaren. Zoals hiervoor overwogenis dit besluit niet in strijd met de splitsingsakte. De kantonrechter passeert het betoog van [verzoekers] dat sprake is van een frustratie van de besluitvorming van de ALV van 6 november 2025 door Hoorne Vastgoed, omdat dergelijke omstandigheden hem niet zijn gebleken. Het enkele feit dat Hoorne Vastgoed een meerderheidsbelang heeft is hiertoe in ieder geval onvoldoende. De verzochte vernietiging is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.19.. \n [verzoekers] verzoeken verder vernietiging van het besluit zoals opgenomen onder B) en C). Zij stellen daartoe dat doel van het boetebesluit is om een objectief referentiekader te geven voor de inhoud van de bevoegdheid die het bestuur van [VVE 2] heeft volgens het splitsingsreglement 1992. Het niet vaststellen van het boetebesluit maakt het volgens [verzoekers] niet onmogelijk om als bestuur boetes op te leggen. Het boetebesluit is ter sprake gekomen omdat leden van [VVE 2] – in het bijzonder Hoorne Vastgoed – zich niet altijd aan de splitsingsakte houden en het bestuur van [VVE 2] een ‘stok’ wenst te verkrijgen om overtreders aan te kunnen pakken. Hoorne Vastgoed heeft tegen dit besluit gestemd uit eigenbelang, aldus [verzoekers]4.20.. De kantonrechter oordeelt dat besluit B) en C) niet zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid, noch dat sprake is van misbruik van een meerderheidsmacht. In het onderhavige geval hebben [verzoekers] onomwonden gesteld dat het bestuur wordt gefrustreerd om bij toekomstige overtredingen door Hoorne Vastgoed te kunnen handhaven (de kantonrechter begrijpt) in de vorm van het opleggen van boetes conform het boetebesluit. Dat Hoorne Vastgoed tegen deze besluiten heeft gestemd, maakt onder deze omstandigheden niet dat misbruik is gemaakt van haar meerderheidsmacht. De verzochte vernietiging van die besluiten is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.21.. Omdat van vernietiging van het besluit zoals opgenomen onder C) geen sprake is, is het verzoek tot verkrijging van een vervangende machtiging daartoe niet toewijsbaar.\n\n4.22.. \n [verzoekers] verzoeken vernietiging van de besluiten onder D) tot en met G). Zij stellen daartoe dat Hoorne Vastgoed op onredelijke wijze misbruik maakt van haar meerderheidsmacht, omdat het oude bestuur hoofdzakelijk is ontslagen wegens de stroeve samenwerking met Hoorne Vastgoed. Dat dit bestuur niet functioneerde is volgens [verzoekers] aantoonbaar onjuist. Het ontslag van het bestuur is buitenproportioneel en weerspiegelt uitsluitend de belangen van Hoorne Vastgoed. Daarbij komt dat de aanstelling van [bedrijf] in strijd is met de reeds door de ALV van [VVE 2] vastgestelde criteria waar beheerders aan moeten voldoen. Ter onderbouwing leggen [verzoekers] het document “Selectie VvE-beheerder [naam]” over, waarin – voor zover van belang – staat: “Selectie van de beoogde VvE-beheerder zal in beginsel plaatsvinden aan de hand van de volgende gunningscriteria:(…)”. [bedrijf] is een adviseur van Hoorne Vastgoed. Dat Hoorne Vastgoed daarbij de extra kosten van [bedrijf] op zich neemt is verder zeer onwenselijk, aldus [verzoekers]\n\n4.23.. \n [VVE 2] heeft hiertegen ingebracht dat een onwerkbare situatie was ontstaan tussen het oud bestuur en Hoorne Vastgoed. Een onderbouwing dat bij de totstandkoming van deze besluiten misbruik is gemaakt van de stemmeerderheid van Hoorne Vastgoed ontbreekt. Hoorne Vastgoed heeft aangeboden de meerkosten die [bedrijf] met zich meebrengt op zich te nemen, om zo de andere leden van [VVE 2] niet met hogere kosten te confronteren, aldus [VVE 2].\n\n4.24.. De verzochte vernietiging van de besluiten zoals opgenomen onder D) tot en met G) zijn niet toewijsbaar. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt. In een ALV kan te allen tijde besloten worden het bestuur van de VvE te ontslaan. Daarvoor is niet vereist dat het huidige bestuur niet of niet naar behoren functioneert. Verder is voor het benoemen van een nieuw bestuur binnen [VVE 2] een document opgesteld waarin de selectieprocedure wordt omschreven die in beginselmoet worden gevolgd. Daaruit volgt genoegzaam dat afwijking van die selectieprocedure mogelijk is. Uit de besluiten genomen op de ALV van [VVE 2] van 6 november 2025 volgt genoegzaam dat van die standaard selectieprocedure is afgeweken. Niet gebleken is waarom die besluiten in strijd zouden zijn met de redelijkheid en billijkheid. Evenmin is gebleken dat Hoorne Vastgoed misbruik maakt van haar meerderheidsmacht. In dit geval heeft [VVE 2] gemotiveerd uiteen gezet op welke wijze de besluiten tot stand zijn gekomen, waarbij gemotiveerd is aangevoerd welke belangen Hoorne Vastgoed en de andere eigenaren daarbij hadden. Daarbij komt dat Hoorne Vastgoed bij de besluitvorming het financieel belang van de overige eigenaren heeft meegenomen door de kosten voor inschakeling van [bedrijf] op zich te nemen. Dat daarbij sprake is van een mogelijke belangenverstrengeling, zoals [verzoekers] stellen, is de kantonrechter niet gebleken. Het enkele feit dat Hoorne Vastgoed vaker betrokken is bij een VvE waarbij [bedrijf] als bestuurder optreedt, maakt niet dat sprake is van een verstrengeling van belangen zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.14.\n\n [verzoekers] moeten de kosten betalen.\n\n4.25.. De proceskosten komen voor rekening van [verzoekers] omdat zij ongelijk krijgen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\n5.2.. veroordeelt [verzoekers] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [VVE 2] worden vastgesteld op € 576,00 (2x € 288,00) aan salaris van de gemachtigde,5.3.. verklaart de veroordeling in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Waarbij [verzoekers] een beroep doen op artikel 5:130 jo. 2:15 jo. 2:8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 5:130 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in verbinding met artikel 2:15 BW.\n\n Artikel 2:14 BW.\n\n ECLI:NL:GHDHA:2018:3932.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1275\n\n Artikel 5:130 lid 1 BW in verbinding met artikel 2:15 lid 3 BW.\n\n Vgl. artikel 3:303 BW.\n\n Op grond van artikel 2:14 jo 5:129 lid 1 BW.\n\n Artikel 5:127 lid 1 BW.\n\n Dit volgt ook uit de splitsingsakte.\n\n De kantonrechter begrijpt dat [VVE 2] hier tracht te verwijzen naar artikel 32 lid 3 van het splitsingsreglement 1992.\n\n ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6340.\n\n Hoge Raad 31 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5319, r.o. 3.2.2.\n\n Zoals vereist op grond van artikel 5:130 lid 2 BW.\n\n Die door artikel 2:8 BW worden geëist.\n\n Op grond van artikel 2:15 BW.\n\n Zie rechtsoverweging 4.5. tot en met 4.10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7585","2026-07-13T00:28:57.861Z",{"id":197,"ecli":198,"slug":199,"caseNumber":45,"courtId":200,"decisionDate":132,"fullText":201,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":202,"sourceTimestamp":171,"parsedAt":53,"updatedAt":203},"1591","ECLI:NL:RBZWB:2026:5143","ecli-nl-rbzwb-2026-5143",64,"RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F437632 \u002F HA ZA 25-405\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser] ,\n\nte [plaats] , 2. [eiseres],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] .,\n\nadvocaat: mr. H.H.G. Theunissen,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [gedaagde 2],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\nadvocaat: mr. C. van Aken.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [eisers] . en [gedaagden] zijn buren van elkaar. [gedaagden] hebben in 2019 een aanbouw laten plaatsen. Toen [eisers] . dat ook wilden gaan doen, bleek dat de aanbouw van [gedaagden] over de kadastrale grens staat. [eisers] . vorderen dat [gedaagden] het gedeelte van de aanbouw dat op het perceel van [eisers] . staat, afbreken. Die vordering wordt afgewezen. De rechtbank stelt vast dat [eisers] . de aanbouw hebben geplaatst op grond die door verjaring hun eigendom is geworden. Hieronder legt de rechtbank dit oordeel uit.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 5 november 2025 met de daarin genoemde stukken;\n\n- het bericht van 10 november 2025 met productie 9 in kleur van [eisers] .; - de mondelinge behandeling van 18 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de spreekaantekeningen van mr. Theunissen.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eisers] . zijn sinds 1 december 2022 gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres 1] in [plaats] . [gedaagden] zijn sinds 3 mei 2016 gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres 2] in [plaats] . Partijen zijn dus buren van elkaar.\n\n3.2.. De woningen van [eisers] . en [gedaagden] zijn in 1993 gebouwd dan wel opgeleverd.\n\n3.3.. In 2019 hebben [gedaagden] een aanbouw geplaatst.\n\n3.4.. \n [eisers] . willen ook een aanbouw plaatsen. In dat kader hebben zij op 5 juli 2024 een grensreconstructie laten uitvoeren door Kadasterdata. Daaruit kwam naar voren dat de aanbouw van [gedaagden] over de kadastrale grens staat.\n\n3.5.. De gemachtigde van [eisers] . heeft [gedaagden] bij brief van 23 oktober 2024 gesommeerd om de aanbouw, voor zover die op het perceel van [eisers] . staat, te verwijderen.\n\n3.6.. Op 7 april 2025 heeft het Kadaster een grensreconstructie uitgevoerd. Volgens deze grensreconstructie staat de aanbouw van [gedaagden] 12 centimeter op het perceel van [eisers] ..\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eisers] . vorderen – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om binnen twee maanden na betekening van het vonnis het deel van de aanbouw dat over de perceelgrens staat, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag (of een gedeelte daarvan) met een maximum van € 50.000,00;\n\n [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 540,00 aan [eisers] .;\n\n [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten te vermeerderden met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [eisers] . leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De aanbouw van [gedaagden] staat 12 centimeter op het perceel van [eisers] .. Daarmee maken [gedaagden] inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] . en dat is onrechtmatig.\n\n4.3.. \n [gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] ., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] ., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] . in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.4.. \n [gedaagden] voeren het volgende aan. Zij hebben de aanbouw, in overleg met de toenmalige buren, op de plek van de schutting gerealiseerd. Die schutting stond er al sinds 1993. Er is daarom sprake van verjaring. Voor zover er geen sprake is van verjaring, moet de vordering van [eisers] . worden afgewezen, omdat [gedaagden] onevenredig benadeeld zouden worden als zij de aanbouw gedeeltelijk moeten afbreken.\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nEr is sprake van verjaring\n\n5.1.. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] tegen de vordering van [eisers] . is dat de juridische grens tussen de percelen door verjaring op de plek van de voormalige schutting is komen te liggen. Omdat de aanbouw in het verlengde van de schutting is gebouwd, kan [eisers] . geen verwijdering vorderen. Dat verweer slaagt. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dat oordeel is gekomen.\n\n5.2.. Op grond van artikel 3:99 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een bezitter die te goeder trouw tien jaar het onafgebroken bezit van een onroerende zaak heeft, eigenaar van die onroerende zaak (verkrijgende verjaring). In artikel 3:105 lid 1 BW is bepaald dat degene die een goed bezit op het moment dat de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit verjaart, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw (bevrijdende verjaring). De verjaring van deze rechtsvordering begint te lopen op de dag na het verlies van het bezit door de rechthebbende (artikel 3:314 lid 2 BW) en is voltooid na twintig jaar (artikel 3:306 BW).\n\n5.3.. Voor zowel de bevrijdende als voor de verkrijgende verjaring is bezit nodig. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen, is bepalend of hij zich de feitelijke macht over dat goed heeft verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW). Voor inbezitneming van een goed dat in het bezit van een ander is, geldt dat enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend zijn (artikel 3:113 lid 2 BW). Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, beoordeeld naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat daarbij de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen.\n\n5.4.. \n [gedaagden] hebben gesteld dat de woningen in 1993 zijn gebouwd dan wel zijn opgeleverd en dat de aannemer toen de houten schutting tussen de percelen heeft geplaatst. De aanbouw is gebouwd in het verlengde van \u002F op de dezelfde plek als de voormalige houten schutting. Ter onderbouwing daarvan hebben [gedaagden] verschillende verklaringen van buurtbewoners, maar ook fotomateriaal overgelegd.\n\n5.5.. In het algemeen wordt een schutting naar verkeersopvatting geplaatst als erfafscheiding. Uit de foto’s volgt dat de houten schutting tussen de [adres 1] en [adres 2] naar zijn uiterlijke vorm ook bedoeld is als erfafscheiding. Partijen en hun rechtsvoorgangers hebben de feitelijke macht uitgeoefend over de grond aan hun zijde van de schutting door die grond te gebruiken als tuin. [eisers] . hebben dat niet betwist. Dat betekent dat in 1993 een verjaringstermijn is gaan lopen voor zover de grond die aan de zijde van de [adres 2] in gebruik was, de kadastrale grens met de [adres 1] overschreed. Die verjaringstermijn is in ieder geval in 2013 voltooid, waardoor (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] eigenaar zijn geworden van het stukje grond tot aan de houten schutting dat (voorheen) kadastraal deel uitmaakte van het perceel van de [adres 1] .\n\n5.6.. In 2016 hebben [gedaagden] naar eigen zeggen de aanbouw geplaatst in het verlengde van de houten schutting. [eisers] . betwisten dit, maar ongemotiveerd. Zij zeggen alleen dat zij van ‘derden’ vernomen hebben dat de aanbouw verder is gebouwd dan de in 1993 gebouwde schutting. [gedaagden] daarentegen hebben als productie 2 bij conclusie van antwoord fotomateriaal overgelegd van zowel de plaatsing van de schutting in 1993 als van de verbouwingswerkzaamheden in 2019. Op de foto’s die gevoegd zijn bij de verklaringen van voormalige bewoners – met name de verklaring van de [persoon] , naar eigen zeggen bewoner van de [adres 1] van 1992 tot 2011 – is te zien dat de schutting is geplaatst rechts naast de regenpijp. Op de foto van [gedaagden] van de bouw van de aanbouw is te zien dat de vloer van de aanbouw is gestort in het verlengde van de schutting en binnen de aftekening die is te zien op de gevel waar voorheen de (regenpijp en) schutting stond. Gelet hierop hebben [gedaagden] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de aanbouw hebben geplaatst op plek waar voorheen de schutting heeft gestaan (en niet daaroverheen).\n\n5.7.. Uit wat hiervoor staat volgt dat [gedaagden] de aanbouw hebben geplaatst op grond die door verjaring hun eigendom was geworden. De vordering tot verwijdering van (een gedeelte van) de aanbouw moet daarom worden afgewezen.\n\n5.8.. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vordering tot afbraak ook misbruik van recht zou opleveren. De aanbouw is maar 12 cm over de kadastrale grens gebouwd. Afbraak van dit gedeelte zou hoge kosten met zich brengen. Toen [eisers] . de woning aan de [adres 1] kochten, stond de aanbouw er al. [eisers] . hebben er twee jaar gewoond voordat ze een probleem maakten van de aanbouw. Dat heeft te maken met het feit dat zij nu zelf een aanbouw willen plaatsen. Zij hebben onvoldoende onderbouwd dat dit niet kan. Anders dan [eisers] . stellen, hoeven [gedaagden] ook geen beroep te doen op artikel 5:54 lid 1 BW. Dit artikel werkt niet exclusief. Een beroep op misbruik van recht blijft mogelijk.\n\nDe kosten van de grensreconstructie worden afgewezen\n\n5.9.. \n [eisers] . vorderen ook dat [gedaagden] worden veroordeeld in de kosten die zij hebben moeten maken voor de grensreconstructie door het Kadaster op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Omdat de rechtbank de hoofdvordering afwijst en dus geen grondslag voor aansprakelijkheid van [gedaagden] heeft vastgesteld, zal ook deze (neven)vordering worden afgewezen.\n\n [eisers] . worden veroordeeld in de proceskosten\n\n5.10.. \n [eisers] . zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n331,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.826,00\n\n5.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eisers] . af,\n\n6.2.. veroordeelt [eisers] . in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] . niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eisers] . tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1606, r.o. 3.2.\n\n HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8194, r.o. 3.7.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5143","2026-07-13T00:29:28.715Z",{"id":205,"ecli":206,"slug":207,"caseNumber":45,"courtId":129,"decisionDate":132,"fullText":208,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":209,"sourceTimestamp":171,"parsedAt":53,"updatedAt":210},"1673","ECLI:NL:RBLIM:2026:5627","ecli-nl-rblim-2026-5627","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: 11930140 \\ CV EXPL 25-4478\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde vereniging [V.v.E.],\n\nstatutair gevestigd te [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: de VvE,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] ,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CASA B.V.,\n\nstatutair gevestigd te Roermond,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Casa,\n\ngemachtigde: mr. T.G.M. Scheers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 maart 2026, - de akte van Casa met producties, - de antwoordakte van de VvE tevens houdende wijziging van eis met één productie.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nHet tussenvonnis van 18 maart 2026\n\n2.1.. De kantonrechter heeft Casa bij tussenvonnis van 18 maart 2026 in de gelegenheid gesteld haar stelling dat zij de voorschotten over de maanden november en december 2025 en januari 2026 heeft betaald, te bewijzen.\n\nDe akten naar aanleiding van het tussenvonnis\n\n2.2.. Casa heeft vervolgens de volgende producties overgelegd:\n\nproductie C-004: betalingsbewijs factuur november 2025 ( [factuurnummer 1] ) d.d. 09-02-2026;\n\nproductie C-005: factuur december 2025 ( [factuurnummer 2] ) en betalingsbewijs d.d. 09-02-2026;\n\nproductie C-006: factuur januari 2026 ( [factuurnummer 3] ) en betalingsbewijs d.d. 09-02-2026.\n\n2.3.. De VvE erkent dat het voorschot over de maand januari 2026 is betaald. Zij blijft echter erbij dat de voorschotten over november en december 2025 niet zijn betaald. De VvE heeft hiernaast haar vordering opnieuw vermeerderd, omdat volgens haar de voorschotbijdragen over de maanden maart, april en mei 2026 wederom onbetaald zijn gebleven door Casa. Zij vordert thans veroordeling van Casa tot betaling van een hoofdsom van € 6.207,36 en handhaaft daarnaast de bij dagvaarding gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.\n\nDe tweede vermeerdering van eis en de incassokosten\n\n2.4.. Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan te wijzigen (artikel 130 Rv). De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.\n\n2.5.. Casa heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. De kantonrechter zal de wijziging van eis evenwel buiten beschouwing laten, omdat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. In deze zaak heeft de VvE bij conclusie van repliek voor de eerste keer haar eis gewijzigd. De tweede eiswijziging ligt in het verlengde van de eerste eiswijziging. Het lijkt erop dat de VvE telkens in het geval gaandeweg de procedure betalingstermijnen verstrijken, haar eis vermeerdert. In het geval de kantonrechter dat toe staat, komt deze procedure nooit tot een einde. Casa moet in het kader van hoor en wederhoor immers telkens in de gelegenheid worden gesteld op de eisvermeerdering te reageren, waarna mogelijk weer nieuwe betalingstermijnen verstrijken en weer een eisvermeerdering wordt ingesteld, waarop Casa weer moet kunnen reageren. Deze wijze van procederen is in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het ligt op de weg van de VvE als eisende partij om haar vordering zo te formuleren dat in het geval tijdens de procedure opnieuw betalingstermijnen verstrijken, Casa kan worden veroordeeld tot betaling van de opeisbaar geworden bedragen. Dit heeft de VvE niet gedaan. Dit komt voor haar rekening en risico.\n\n2.6.. Over de gevorderde incassokosten heeft de kantonrechter bij tussenvonnis al een bindende eindbeslissing genomen, inhoudend dat dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen. De kantonrechter ziet in de stelling van de VvE dat zij haar vordering ten aanzien van de incassokosten handhaaft, geen aanleiding om van dit oordeel terug te komen.\n\nDe bij antwoordakte in het geding gebrachte productie\n\n2.7.. De VvE heeft bij antwoordakte nog een productie in het geding gebracht. De kantonrechter laat deze bij de beoordeling buiten beschouwing aangezien Casa daarop niet heeft kunnen reageren.\n\nDe voorschotten over november en december 2025 en januari 2026\n\n2.8.. Allereerst stelt de kantonrechter vast dat de VvE erkent dat de voorschotbijdrage over de maand januari 2026 is voldaan. Dat brengt mee dat de vordering van de VvE ook op dit punt wordt afgewezen.\n\n2.9.. Voor zover de vordering ertoe strekt dat Casa wordt veroordeeld tot betaling van de voorschotten over de maanden november en december 2025, ligt deze eveneens voor afwijzing gereed. Hiervoor is het volgende redengevend. Casa heeft als productie C-004 en C-005 gegevens in het geding gebracht. Deze heeft zij evenals de productie die ziet op de erkende betaling van het voorschot over de maand januari 2026, aangeduid als ‘betalingsbewijzen’. Hierop is telkens (op een verschillend tijdstip) een afboeking zichtbaar op 9 februari 2026, de datum waarop ook de erkende betaling over de maand januari 2026 is verricht. Het afgeboekte bedrag is gelijk aan verschuldigde voorschot van € 775,92 en de VvE is als begunstigde partij vermeld. Daar komt bij dat het op deze stukken vermelde bankrekeningnummer overeenkomt met het door de VvE op haar facturen vermelde rekeningnummer bij de Rabobank. Daarmee heeft Casa afdoende bewezen dat (ook) deze bedragen aan de VvE zijn voldaan.\n\nProceskosten\n\n2.10.. Op grond van artikel 12 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) wordt het griffierecht verhoogd tot het griffierecht dat verschuldigd zou zijn geweest indien de vermeerderde eis reeds in de dagvaarding was opgenomen. Het verschuldigde griffierecht bedraagt daarom thans € 559,00. Nu de VvE bij het aanbrengen van de dagvaarding reeds een bedrag van € 514,00 aan griffierecht heeft voldaan, wordt het griffierecht verhoogd met € 45,00, welk bedrag de VvE alsnog dient te voldoen.\n\n2.11.. De VvE is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Casa worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n864,00\n\n2.11.1.. Gelet op de inhoud van de akte van Casa ziet de kantonrechter geen aanleiding daarvoor een 0,5 salarispunt toe te kennen.\n\n2.12.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de manier zoals vermeld in de beslissing.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de vordering af,\n\n3.2.. veroordeelt de VvE in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de VvE niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.3.. veroordeelt de VvE tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5627","2026-07-13T00:29:32.811Z",39,20,[11,214],2025]