[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-social-security-nl-2025":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},44,"social-security-nl","Social Security","NL","2026-07-08T16:53:39.844Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1060","ECLI:NL:RBZWB:2025:1528","ecli-nl-rbzwb-2025-1528","",64,"2025-03-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F3556, 23\u002F3557 en 23\u002F3558\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025 in de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juni 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2017 aan belanghebbende opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur een aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2019 aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019 genomen beschikkingen heeft de inspecteur boetes aan belanghebbende opgenomen. Verder heeft de inspecteur bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen genomen beschikkingen belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:\n\nJaar\n\nSoort\n\nDagtekening\n\nAanslagnummer\n\nBelasting\n\nBoete\n\nRente\n\n2017\n\nIB\u002FPVV\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .H.77.01\n\n€ 5.599\n\n€ 2.799\n\n€ 828\n\n2017\n\nZvw\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .W.77.01.4\n\n€ 1.526\n\n-\n\n€ 225\n\n2019\n\nIB\u002FPVV\n\n10 mei 2022\n\n [BSN] .H.96.01\n\n€ 100.991\n\n€ 50.495\n\n€ 1\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen gegrond verklaard en deze verminderd tot de volgende bedragen:\n\nJaar\n\nSoort\n\nDagtekening\n\nAanslagnummer\n\nBelasting\n\nBoete\n\nRente\n\n2017\n\nIB\u002FPVV\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .H.77.01\n\n€ 4.455\n\n€ 1.782\n\n€ 658\n\n2017\n\nZvw\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .W.77.01.4\n\n€ 1.390\n\n-\n\n€ 204\n\n2019\n\nIB\u002FPVV\n\n10 mei 2022\n\n [BSN] .H.96.01\n\n€ 100.164\n\n€ 40.065\n\n€ 0\n\n1.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde, en namens de inspecteur drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017, en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017, en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd. Ook de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019 zijn terecht aan belanghebbende opgelegd.De boetes moeten wel worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft in 2017 en in 2019 geen fiscaal partner. Belanghebbende staat sinds 6 april 2011 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het [adres 1] te [plaats 1] .\n\n3.1.. Belanghebbende drijft sinds 1 juli 2017 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [naam bedrijf] . De activiteiten van de eenmanszaak bestaan – kort gezegd – uit het drijven van een autohandel.\n\n3.2.. Belanghebbende huurt een gedeelte van een loods aan [adres 2] te [plaats 2] , alwaar hij zijn autohandel drijft. Verder beschikt belanghebbende samen met zijn vader over een woning [in land] .\n\nVoorafgaand3.3.. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017. De aanmaningstermijn eindigde op 27 juli 2018.\n\n3.4.. Belanghebbende heeft op 26 maart 2019 een aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 573. De aanslag IB\u002FPVV 2017 is – overeenkomstig de aangifte – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 573. De aanslag Zvw 2017 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van nihil.\n\n3.5.. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2019. Belanghebbende heeft op 30 april 2020 een aangifte IB\u002FPVV 2019 ingediend naar een verzamelinkomen van nihil.\n\nStrafrechtelijk onderzoek3.6.. Op 31 januari 2019 is een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Exeter’ gestart naar onder meer belanghebbende vanwege grootschalige import van en handel in cocaïne.\n\n3.7.. Op 23 april 2019 heeft door de politie een doorzoeking van de loods in [plaats 2] plaatsgevonden. Op een aantal niet direct zichtbare plaatsen in de loods zijn door de politie onder meer blokken cocaïne, hoeveelheden hennep en een hoeveelheid hasjiesj aangetroffen. Daarnaast is door de politie in de loods een kluis met daarin drie vuurwapens en munitie aangetroffen.\n\n3.8.. Op 24 april 2019 is de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] doorzocht. In de woning is door de politie onder meer een stoffen etui met daarin € 1.700, een fles met daarin papier- en muntgeld van in totaal € 1.520,34, een zwart\u002Fgele doos van het merk Breitling en een ring met sleutels aangetroffen.\n\n3.9.. Op 24 april 2019 zijn ook een aantal garageboxen in [plaats 1] doorzocht die in eigendom waren van de overleden grootvader van belanghebbende en door belanghebbende regelmatig werden gebruikt. In de garageboxen is door de politie onder meer een aantal lampen, een groot aantal plantenpotten, een blok hasjiesj en een zak met vijftig driehoekige pillen aangetroffen.\n\n3.10.. \n\nBelanghebbende is bij vonnis van 6 november 2019 door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf van eenenveertig maanden. De rechtbank Oost-Brabant acht onder meer bewezenverklaard dat belanghebbende:\n\n“1.\n\n- omstreeks 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ) ongeveer 6 kilo van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst\n\n- op 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, opzettelijk heeft bewerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ) ongeveer 1 kilo, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.\n\n2.\n\nop 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] een hoeveelheid van in totaal 9.435 gram hennep en 43 gram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n3.\n\nop 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze,\n\nBrief wapens en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:\n\n- een vuurwapen (revolver) van het merk\u002Ftype Smith & Wesson Sw9v en\n\n- een vuurwapen (pistool) van het merk\u002Ftype Sig Sauer Mosquito en\n\n- een vuurwapen (pistool) van het merk\u002Ftype Smith & Wesson Magnum 357 en\n\n- meerdere patronen Winchester.22 en Settler en Bellot 9 mm en Magnum 357. voorhanden heeft gehad”\n\n3.11.. Het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant staat onherroepelijk vast.\n\nFiscaal onderzoek3.12.. De inspecteur heeft naar aanleiding van persberichten over de inval in het garagebedrijf in [plaats 2] aan de officier van justitie op grond van artikel 55 van de AWR om gegevens en inlichtingen gevraagd uit het strafrechtelijk onderzoek (artikel 55 AWR-verzoek). De inspecteur heeft op 20 juni 2019 gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende ontvangen. Later heeft de inspecteur ook het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2019 ontvangen.\n\n3.13.. De inspecteur heeft bij brief van 28 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij een onderzoek is gestart naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019.\n\n3.14.. De inspecteur heeft op 12 mei 2021 de administratie opgevraagd van [B.V.] . Van [B.V.] zijn geen gegevens ontvangen.\n\n3.15.. De inspecteur heeft op 26 mei 2021 gegevens opgevraagd bij de verhuurder van de loods te [plaats 2] . De gevraagde gegevens zijn verstrekt.\n\n3.16.. De inspecteur heeft op 28 juni 2021 om gegevens van de bankrekeningen van belanghebbende bij de Rabobank, ABN-AMRO en SNS Bank opgevraagd. De Rabobank en de ABN-AMRO hebben de gevraagde gegevens verstrekt.\n\n3.17.. \n\nDe bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat op 2 maart 2022 aan belanghebbende is toegestuurd. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“6 Inkopen\n\nDe vastgestelde prijs voor onversneden cocaïne bedraagt aan importwaarde ongeveer € 25.000 per kilo, de eindgebruiker betaalt het dubbele hiervan. De inkoopwaarde van cannabis bedraagt € 2.000 per kilo. Dit volgens de website drugsinfo.nl.\n\nInkoop:\n\n6, 978 X € 25.000 = € 174.450\n\n9, 478 X € 2.000 = € 18.956\n\nTotaal = € 193.406\n\nDoor belastingplichtige is een investering gepleegd van € 193.406. Belastingplichtige geeft aan bij zijn aangifte IB 2019 niet over enig inkomen of vermogen te beschikken, hij geeft nul\u002Fnihil aan. Met andere woorden, er is over drie jaar geen winst uit onderneming genoten. Kosten gaan vaak voor de baten, dus mogelijk zijn er wel uitgaven geweest. Indien er geen fiscaal inkomen bekend is dan dringt natuurlijk direct de vraag op waarmee wordt dan in het levensonderhoud voorzien. Het is immers ook een algemeen bekend feit dat in het criminele milieu bij overdracht van de waar het \"boter bij de vis” principe geldt, namelijk een levering gevolgd door een contante betaling.\n\n(…)\n\nDoor ons is de inkoop 2019 vastgesteld op € 193.406.\n\n(gebaseerd op de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen met een inkoopprijs tegen een vastgestelde prijs).”\n\nEn:\n\n“7.3. Recapitulatie vermogensvergelijking\n\nHet resultaat van de vermogensvergelijking toont aan dat belanghebbende structureel meer uitgaven heeft dan uit het fiscaal bekende inkomen van nul kan worden voldaan.\n\n”\n\nVerdere verloop3.18.. De inspecteur heeft – conform zijn bevindingen in het controlerapport – de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017, de aanslag IB\u002FPVV 2019 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen vastgesteld (zie 1.1.).\n\n3.19.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen en beschikkingen. De inspecteur heeft de bezwaren gegrond verklaard en de aanslagen, boete- en belastingrentebeschikkingen verminderd.\n\nMotivering\n\n2017\n\nOmkering en verzwaring bewijslast\n\n4. De inspecteur beroept zich op de omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende volgens hem niet de vereiste aangifte IB\u002FPVV 2017 heeft gedaan.\n\n4.1.. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op de bezwaren onjuist zijn (omkering en verzwaring van de bewijslast).\n\n4.2.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. De hiervoor bedoelde bewijslast rust op de inspecteur omdat hij stelt dat belanghebbende meer belastbare inkomsten heeft genoten dan aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017.\n\n4.3.. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor het jaar 2017 overgelegd, welke in de bezwaarfase door de inspecteur is gecorrigeerd en stelt zich op grond van de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking op het standpunt dat belanghebbende € 25.751 meer aan inkomsten moet hebben genoten dan is aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Belanghebbende heeft dus inkomen gehad en dat niet aangegeven. Verder stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.\n\n4.4.. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. Een vermogensvergelijking kan een geschikte methode zijn om aannemelijk te maken dat er niet-aangegeven inkomen is. Indien een adequaat opgestelde vermogensvergelijking erin resulteert dat er sprake is van een negatief netto privé, betekent dat immers dat er nog een andere bron moet zijn die een verklaring vormt voor het ter beschikking hebben van deze gelden waar iemand de beschikking over moet hebben gehad. Een negatief netto privé is namelijk uit de aard van de zaak niet mogelijk; belanghebbende beschikt dan over meer geld dan waarover hij zou moeten kunnen beschikken als zijn belastingaangiften zouden kloppen. Indien er geen andere plausibele bron is, is als uitgangspunt aannemelijk dat werkzaamheden zijn verricht waarmee inkomen is verdiend. De (gecorrigeerde) vermogensvergelijking van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. Aan de in de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen namelijk concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en laten zien dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking niet betwist. Belanghebbende stelt wel dat er in de vermogensvergelijking ook rekening had moeten worden gehouden met de waarde van zijn auto’s op 1 januari 2017. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet. In een vermogensvergelijking wordt alleen rekening gehouden met de inkomsten en uitgaven in het betreffende jaar. De inspecteur heeft met de verkoopopbrengst van twee auto’s in 2017 reeds rekening gehouden en de vermogensvergelijking in de bezwaarfase daarop gecorrigeerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende het jaar 2017 nog andere auto’s heeft verkocht. Er is dan ook ten aanzien van de auto’s geen resultaat waarmee nog rekening moet worden gehouden in de vermogensvergelijking. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor het beschikken over het onverklaarde geld, het negatief netto privé. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in 2017 inkomsten heeft genoten ter grootte van het (gecorrigeerde) negatief netto privé van € 25.751.\n\n4.5.. De rechtbank stelt vast dat, nu belanghebbende in zijn aangifte in het geheel geen inkomsten uit werk en woning heeft verantwoord, belanghebbende in 2017 in ieder geval aanzienlijke inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven. Dit heeft ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van de uitgaven zonder dat daar in de aangifte inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust moet zijn van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard en dat acht de rechtbank ook aangewezen. Dat geldt voor zowel de navorderingsaanslag IB\u002FPVV als de navorderingsaanslag Zvw 2017.\n\nRedelijke schatting4.6.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017 onjuist zijn.\n\n4.7.. De rechtbank acht de schatting van de inspecteur redelijk. De inspecteur heeft de berekening van het belastbare inkomen gebaseerd op de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking en die vermogensvergelijking is voldoende onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens om als redelijk en niet willekeurig te worden aangemerkt.\n\n4.8.. Belanghebbende stelt nog dat het inkomen moet worden aangemerkt als winst uit onderneming. Als gevolg van de omkering en verzwaring van de bewijslast rust op belanghebbende de last om te doen blijken dat de inkomsten moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming. Belanghebbende heeft in het geheel geen onderbouwing gegeven met concrete verifieerbare stukken voor zijn stelling dat de aanslag te hoog is. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat belanghebbende niet voldoet aan de in dit kader op hem rustende bewijslast en de inspecteur de inkomsten terecht heeft aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheid.\n\n4.9.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correctie van € 25.751 terecht heeft aangebracht. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw voor het jaar 2017 blijven daarom in stand. Voor dat geval blijven ook de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand.\n\nBoete4.10.. Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld. De inspecteur heeft de boete bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 1.782. Daarbij heeft de inspecteur het boetepercentage verminderd tot 40% van de verschuldigde belasting en de boete nog verder verminderd met 20% om rekening te houden met het feit dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast.\n\n4.11.. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’.De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld.\n\n4.12.. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het aan het voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft aanmerkelijk meer geld uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in zijn aangiften geen inkomensbron vermeldt die deze uitgaven heeft kunnen voeden, concludeert de rechtbank dat hij dit inkomen bewust buiten het zicht van de belastingdienst heeft gehouden om hierover geen belasting te betalen. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoten inkomsten en aanwezig vermogen moeten worden aangegeven. Het gaat verder om bedragen van een substantiële omvang. De inspecteur heeft de boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.\n\n4.14.. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 1.782 passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat de inspecteur de boete reeds heeft verminderd met 20% omdat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat acht de rechtbank voldoende omdat de boetegrondslag voor 2017 is gebaseerd op de vermogensvergelijking, waaraan concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag liggen.\n\n4.15.. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding om de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 2 februari 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het concept controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 17 maart 2025. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) drie jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met één jaar en twee maanden.De boete wordt daarom verder worden gematigd met 15% tot € 1.514.\n\n2019\n\nOmkering en verzwaring bewijslast\n\n5. De inspecteur beroept zich op de omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende volgens hem niet de vereiste aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft gedaan. De inspecteur dient dat – zoals hiervoor onder 4.1. en 4.2. overwogen – aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken.\n\n5.1.. De inspecteur heeft ook voor het jaar 2019 een vermogensvergelijking overgelegd, welke in de bezwaarfase door de inspecteur is gecorrigeerd en de inspecteur stelt zich thans op grond van de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking op het standpunt dat belanghebbende ten minste € 18.794 meer aan inkomsten moet hebben genoten dan aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2019. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Verder stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.\n\n5.2.. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. De (gecorrigeerde) vermogensvergelijking van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. Aan de in de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen namelijk concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en laten zien dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking niet betwist. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor het beschikken over deze gelden, het negatief netto privé. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in 2019 inkomsten heeft genoten ter grootte van het (gecorrigeerde) negatief netto privé van € 18.794.\n\n5.3.. De rechtbank stelt vast dat, nu belanghebbende in zijn aangifte in het geheel geen inkomsten uit werk en woning heeft verantwoord, belanghebbende in 2019 in ieder geval aanzienlijke inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven. Dit heeft ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van de uitgaven zonder dat daar in de aangifte inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust moet zijn van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank ook aangewezen is.\n\nRedelijke schatting5.4.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslag IB\u002FPVV 2019 onjuist is.\n\n5.5.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen uitgegaan van een redelijke schatting. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Voor zover de schatting berust op de vermogensvergelijking, is de rechtbank van oordeel dat de schatting niet onredelijk of willekeurig is. De vermogensvergelijking is voldoende onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. De inspecteur heeft het overige deel zijn schatting gebaseerd op betrokkenheid bij drugshandel en dat belanghebbende daarmee inkomen moet hebben verdiend. Dat blijkt ook uit de tijdens de doorzoeking in de loods aangetroffen hoeveelheden cocaïne (6,978 kilogram) en cannabis (9,478 kilogram), welke zaken met onverklaard geld zijn gekocht. Gelet op de stukken van het geding, in het bijzonder de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek, zijn er ook verdere aanknopingspunten dat belanghebbende betrokken is geweest bij drugshandel. Dit wordt als zodanig door belanghebbende ook niet bestreden. Belanghebbende bestrijdt wel dat hij eigenaar was van de in de loods aangetroffen drugs.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij deze stand van zaken er terecht vanuit gegaan dat de aangetroffen drugs wel aan belanghebbende toebehoorden, aangezien er in het strafdossier voldoende aanknopingspunten daarvoor te vinden zijn en overigens ook uit het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant blijkt dat belanghebbende op enig moment heeft erkend dat de drugs hem toebehoorden. De inspecteur heeft de schatting van het inkomen dat moet zijn verdiend om de in de loods aangetroffen drugs aan te kunnen schaffen verder gebaseerd op een berekening van de inkoopwaarde van de aangetroffen drugs. De gehanteerde inkoopprijzen heeft de inspecteur gebaseerd op gegevens van de website drugsinfo.nl. De rechtbank acht deze uitgangspunten niet onredelijk. Belanghebbende heeft verder geen openheid van zaken gegeven over het genoten inkomen vanuit deze handel. Het strafdossier bevat een aantal aanknopingspunten die erop wijzen dat belanghebbende al langer en daarmee ook in het begin van 2019, actief was in de drugshandel. De rechtbank acht de veronderstelling van de inspecteur dat belanghebbende de inkomsten met drugshandel in 2019 heeft verdiend daarom ook niet onredelijk. Verder acht de rechtbank de blote stelling van belanghebbende dat hij geen inkomsten met drugshandel heeft verdiend ook tegen de achtergrond van het kunnen beschikken over onverklaard vermogen, ongeloofwaardig en zij verwerpt daarom deze stelling.\n\n5.6.. Op belanghebbende rust de last te doen blijken dat het geschatte inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft in dat verband aangevoerd dat er ook een medeverdachte was in het strafproces, zodat slechts € 96.703 van het geschatte inkomen aan hem kan worden toegerekend. Dit betreft enkel een blote stelling. Een blote stelling, welke gemotiveerd bestreden wordt, kan niet leiden tot het oordeel dat belanghebbende daarmee heeft doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld en slaagt reeds daarom niet.\n\n5.7.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correctie van € 212.200 terecht heeft aangebracht. De aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2019 blijft daarom in stand.\n\nBoete5.8.. Aan belanghebbende is bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67d van de AWR en paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste aangifte IB\u002FPVV 2019 gedaan. De inspecteur heeft de boete bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 40.065. Daarbij heeft de inspecteur het boetepercentage verminderd tot 40% van de verschuldigde belasting en de boete nog verder verminderd met 20% om rekening te houden met het feit dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast.\n\n5.9.. De rechtbank zal – onder verwijzing naar het overwogene onder 4.11. en 4.12. – beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende een onjuiste aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft gedaan.\n\n5.10.. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de aangifte IB\u002FPVV 2019 onjuist of onvolledig is gedaan. Belanghebbende heeft aanmerkelijk meer uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden. Daarnaast acht de rechtbank – in het bijzonder gelet op de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek in samenhang met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant waarin staat vermeld dat belanghebbende heeft erkend dat de drugs aan hem toebehoren – ook overtuigend aangetoond dat belanghebbende in 2019 inkomsten heeft genoten om de in de loods aangetroffen drugs aan te kunnen schaffen. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs – onder andere kilo’s cocaïne en kilo’s cannabis – moet het om significante bedragen gaan waarmee dit is gekocht. Belanghebbende heeft deze inkomsten niet aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende dat bewust heeft gedaan. Daarbij neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoten inkomsten en aanwezig vermogen moeten worden aangegeven en dat het gaat om bedragen van een substantiële omvang. Door deze inkomsten niet aan te geven heeft belanghebbende aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangifte IB\u002FPVV 2019 onjuist zou zijn.\n\n5.11.. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 40.065 passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat de inspecteur de boete reeds heeft verminderd met 20% omdat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat acht de rechtbank voldoende omdat de boetegrondslag voor 2019 is gebaseerd op de vermogensvergelijking, waaraan concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag liggen en exact aansluit bij de in de loods aangetroffen hoeveelheden drugs wat slechts een momentopname betrof.\n\n5.12.. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding om de boete verder te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 2 februari 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het concept controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 17 maart 2025. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) drie jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met één jaar en twee maanden.De boete wordt daarom verder worden gematigd met 15% tot € 34.055.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De beroepen zijn ongegrond.De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017, de aanslag IB\u002FPVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 wordt verminderd tot € 1.514 en de boete bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 wordt verminderd tot € 34.055.\n\n6.1.. Omdat de beroepen ongegrond zijn krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt hij ook het door hem betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019;\n\nvermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot € 1.514;\n\nvermindert de boete bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 tot € 34.055.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 17 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n Ambtshalve vermindering van de boete in verband met undue delay, leidt niet tot een gegrond beroep (vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:1528","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:02.059Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"1879","ECLI:NL:GHARL:2025:842","ecli-nl-gharl-2025-842",70,"2025-02-11T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.202\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen 10238585\n\narrest van 11 februari 2025\n\nin de zaak van\n\n [appellante]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nen bij de kantonrechter optrad als eiseres\n\nhierna: [appellante]\n\nadvocaat: mr. A.A. Kootstra\n\ntegen\n\nde gemeente Groningen\n\ndie zetelt in Groningen\n\nen bij de kantonrechter optrad als gedaagde\n\nhierna: de gemeente\n\nadvocaat: mr. M.E. Witting.\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, (hierna: de kantonrechter) op 2 januari 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven\n\nde memorie van antwoord\n\nde akte uitlating producties van [appellante]\n\nde akte overlegging producties van de gemeente\n\nde akte overlegging producties van [appellante]\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 22 januari 2025 is gehouden.\n\n Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. Centraal staat de vraag of [appellante] arbeidsongeschikt is geraakt in en door de dienst als bedoeld in artikel 7.3 lid 1 van de cao Gemeenten (hierna: de cao).\n\n2.2. \n [appellante] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat daar sprake van is, zodat zij recht heeft op de extra aanvulling van het inkomen en de bovenwettelijke aanvulling op grond van het pensioenreglement zoals omschreven in de cao in artikel 7.3 lid 2 en 3. Zij heeft gevorderd dat de gemeente wordt veroordeeld tot betaling van die aanvulling vanaf 25 maart 2021, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf die datum.\n\n2.3. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Volgens haar was geen sprake van buitensporige arbeidsomstandigheden die worden vereist voor toepassing van art. 7.3 cao. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.4. Het hof komt ook tot een afwijzing van de vorderingen. Het deelt het oordeel van de kantonrechter. Hoe het hof tot dat oordeel is gekomen wordt hieronder uiteengezet, waarbij eerst het feitelijk kader van het geschil zal worden geschetst.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [appellante] (geboren [in] 1972) was vanaf 1 mei 1996 in dienst van de gemeente. Zij werkte laatstelijk als medewerker Loket Parkeren bij de afdeling Verkeer & Vervoer.\n\n3.2. In december 2013 is (ook) de afdeling Verkeer & Vervoer verhuisd naar een nieuw pand aan het Harm Buiterplein in Groningen.\n\n3.3. \n\nIn een e-mail van 23 januari 2014 heeft [appellante] aan haar toenmalige\n\nleidinggevende laten weten dat het op haar werkplek aan het Harm Buiterplein erg koud is en dat de situatie (voor haar) niet veel\n\nlanger werkbaar is.\n\n3.4. \n\nIn een e-mail van 28 september 2016 aan haar huidige leidinggevende heeft [appellante] enkele bij haar levende frustraties geuit. Zij schrijft onder andere:\n\nIk heb vandaag vernomen dat ik a.s. vrijdag alleen aanwezig ben. (…) Ik verwacht van jou oplossing daar ik reeds diverse malen te kennen heb gegeven alleen aanwezig te zijn op dit moment en in deze situatie (overgang nieuw systeem waar wij tot op heden nog niet voor zijn ingewerkt) niet acceptabel te vinden.\n\nJij hebt mij in juli aan gegeven te bedenken hoe we hier verder mee omgaan, dus verwacht ik ook een oplossing en dat ik vrijdag dus niet weer alleen op de afdeling aanwezig ben.\n\nDaarnaast wil ik ook graag mijn frustratie naar jou toe uiten. De frustratie vloeit voort uit het gevoel niet serieus genomen te worden en telkens in herhaling te moeten vallen. De gehele situatie waarin wij al geruime tijd verkeren (te weinig bezetting, werkdruk, niet naar behorende werkende programma's, opmerking en sfeer binnen ons team), vergt zo langzamerhand niet alleen lichamelijk zijn tol maar ook geestelijk zijn tol en mijn marge is nagenoeg nihil.\n\n3.5. In de periode van 8 maart 2011 tot 18 april 2013 is [appellante] arbeidsongeschikt geweest. In de periode van 18 april 2013 tot en met 27 februari 2017 is [appellante] elf maal kortdurend uitgevallen, varierend in periodes van twee dagen tot veertien dagen. Op 27 februari 2017 is [appellante] opnieuw uitgevallen, met fysieke en mentale klachten. In de probleemanalyse van 21 maart 2017 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [appellante] aangepaste taken kon uitvoeren. De uren die [appellante] op het werk beschikbaar kon zijn waren volgens de bedrijfsarts om medische redenen beperkt, maar konden tijdscontingent worden opgebouwd. De bedrijfsarts heeft verder gemeld dat er werkgerelateerde factoren waren die de re-integratie belemmerden en heeft als factor het klimaat op de werkvloer genoemd. 3.6 Op 2 oktober 2017 is [appellante] in het kader van haar re-integratie begonnen met het hervatten van haar eigen werkzaamheden voor twee uren per dag. Op 27 oktober 2017 vermeldt de bedrijfsarts in een tussentijdse evaluatie dat de re-integratie moeizaam verloopt, onder andere vanwege door [appellante] ervaren communicatieproblemen, hoge werkdruk en gebrek aan regelmogelijkheden.\n\n3.7. In een advies van de bedrijfsarts van 7 juni 2018 wordt vermeld dat [appellante] haar werk weer voor 5 x 5 uur per dag heeft hervat, dat dit goed gaat, maar dat de onderliggende problematiek niet is opgelost. Op 30 juli 2018 is zij weer arbeidsgeschikt gemeld.\n\n3.8. Op 28 maart 2019 is zij opnieuw volledig uitgevallen met dezelfde klachten als begin 2017. In de periode tussen 20 juli 2018 en 28 maart 2019 had [appellante] al diverse keren preventief contact gehad met de bedrijfsarts. In die contacten was gesignaleerd dat de eerder al benoemde knelpunten nog steeds bestonden en dat hernieuwde uitval dreigde.\n\n3.9. De re-integratie is na die uitval niet meer van de grond gekomen. In een rapport van 8 april 2021 concludeert de arbeidsdeskundige van het UWV dat de gemeente onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie.\n\n3.10. In een beslissing van 9 april 2021 is door het UWV aan [appellante] met ingang van 25 maart 2021 een WGA-uitkering toegekend in de klasse van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid.\n\n3.11. Op 17 mei 2021 heeft de gemeente voor [appellante] een ontslagvergunning aangevraagd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, welke op 18 juni 2021 is verleend.\n\n3.12. Op 6 juli 2021 heeft de gemeente de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 november 2021 onder toekenning van een transitievergoeding van € 35.025,96.3.13. Op 27 december 2021 heeft [appellante] bij de kantonrechter een verzoek ingediend voor toekenning van een billijke vergoeding van € 216.883,77, op de grond dat de gemeente ernstig verwijtbaar had gehandeld als bedoeld in artikel 7:682 lid 1 sub c BW, door haar uit de arbeidsovereenkomst jegens [appellante] voortvloeiende re-integratieverplichting grovelijk te veronachtzamen.\n\n3.14. In een beschikking van 25 februari 2022 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door ernstig tekort te schieten in haar re-integratieverplichtingen. Volgens de kantonrechter zijn reële re-integratiekansen gemist omdat de gemeente meer had kunnen en moeten doen om [appellante] te laten re-integreren op een passende (werk)plek binnen haar organisatie. De kantonrechter heeft aan [appellante] en billijke vergoeding toegekend van € 44.343,-. Tegen die beslissing is geen hoger beroep ingesteld.\n\n3.15. Het UWV heeft in een beschikking van 28 april 2022 aan [appellante] een IVA- uitkering toegekend per 16 december 2021.\n\n3.16. Op 1 maart 2022 heeft [appellante] aan de gemeente verzocht om uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 7.3 van de cao. Dat verzoek heeft de gemeente afgewezen met een brief van 31 maart 2022. [appellante] heeft vervolgens op 7 december 2022 deze zaak aanhangig gemaakt.\n\n3.17. \n [appellante] heeft daarnaast de gemeente aansprakelijk gesteld op basis van artikel 7:658 BW. In dat kader zijn medische adviezen uitgebracht, namelijk twee medisch adviezen van verzekeringsarts [naam1] in opdracht van [appellante] en een medisch advies van verzekeringsarts De Vries in opdracht van (de verzekeraar van) de gemeente. [naam1] concludeert dat de arbeidsongeschiktheid van [appellante] in overwegende mate het gevolg is van het werk. De Vries concludeert dat onvoldoende informatie beschikbaar is met name op het terrein van mogelijke andere oorzaken om te kunnen concluderen dat de ziekte in overwegende mate het gevolg is van het werk. Met een brief van 24 maart 2023 heeft de verzekeraar van de gemeente aansprakelijkheid gemotiveerd afgewezen. Over dat geschil is (nog) geen procedure aanhangig gemaakt.4. 4. Het oordeel van het hof\n\n4.1. \n [appellante] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van 2 januari 2024 met acht grieven (bezwaren). In die grieven stelt zij in de kern de volgende thema’s aan de orde: a.) vloeit uit het oordeel van de kantonrechter dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door ernstig tekort te schieten in haar re-integratieverplichtingen, op zichzelf al voort dat sprake was van buitensporige omstandigheden? b.) heeft [appellante] ook los van dat oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van buitensporige omstandigheden? c) is de arbeidsongeschiktheid ook het gevolg van die buitensporige omstandigheden, zodat sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst?\n\n4.2. Hierna zal het hof op die kwesties ingaan, waarbij eerst een paar inleidende opmerkingen wordt gemaakt.\n\nInleidende opmerkingen\n\n4.3. \n\nArtikel 7.3 lid 1 van de cao, voor zover van belang, luidt als volgt:\n\nArbeidsongeschiktheid in en door de dienst is arbeidsongeschiktheid die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:\n\na. de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden moesten worden verricht; of\n\nb. een dienstongeval (...);\n\n en die niet aan schuld of nalatigheid van de werknemer te wijten is.”\n\nLid 2 bepaalt dat bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst de werknemer een extra uitkering krijgt, als hij een WGA- of IVA-uitkering ontvangt. Het derde lid bepaalt de hoogte van die uitkering. Die bestaat uit de aanvulling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en de bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement, tot een bepaald percentage van het salaris.4.4. Dit artikel heeft eenzelfde strekking als het vroegere artikel 7.5 CAR\u002FUWO, dat erin voorzag dat “aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering [wordt] verleend”. De Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (hierna: Wnra) heeft niet beoogd een wijziging in de arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen. Aangenomen kan dan ook worden dat het begrip “arbeidsongeschiktheid in en door de dienst” eenzelfde inhoud heeft als tot uiting gebracht in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) onder de CAR\u002FUWO. Partijen zijn het daar ook over eens.\n\n4.5. De arbeidsongeschiktheid van [appellante] is van psychische aard; relevante beperkingen van fysieke aard zijn bij haar na het einde van het dienstverband niet vastgesteld. De overgelegde medische rapportages en adviezen geven geen aanknopingspunt om tot een andere conclusie te komen.\n\n4.6. \n\nOp grond van vaste jurisprudentie van de CRvB dienen voor de vraag of een betrokkene arbeidsongeschikt is geworden in en door de dienst, de in het werk of de\n\nwerkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die de arbeidsongeschiktheid zouden\n\nhebben veroorzaakt, te worden geobjectiveerd. Dat betekent dat geen rekening moet worden\n\ngehouden met een meer dan gemiddelde individuele gevoeligheid van de betrokken werknemer voor bepaalde werkomstandigheden. Naarmate de ziekte meer psychisch van aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van bijzondere factoren, die niet alleen deel\n\nuitmaken van of in rechtstreeks verband staan met het werk of de werkomstandigheden, maar\n\ndie in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief beschouwd - een\n\nbuitensporig karakter dragen.Omstandigheden die inherent zijn aan de functie behoren daar ook toe; ook dergelijke inherente omstandigheden kunnen naar objectieve maatstaven buitensporig zijn.Het hof ziet geen reden om van een andere beoordelingsmaatstaf uit te gaan.\n\n4.7. Volgens de gewone regels van het bewijsrecht rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat sprake was van buitensporige omstandigheden op [appellante] . Zij zal dus voldoende aannemelijk moeten maken dat sprake was van buitensporige arbeidsomstandigheden.4.8. Als dat voldoende aannemelijk is gemaakt, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat tussen die arbeidsomstandigheden en haar psychische ziekte een (toereikend) causaal verband bestaat, tenzij de gemeente op basis van medische gegevens aannemelijk maakt dat een evident andere oorzaak voor de ziekte aanwezig is.\n\n4.9. Hieruit volgt dat in deze zaak eerst beoordeeld moet worden of [appellante] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar werk heeft moeten verrichten onder buitensporige omstandigheden. Pas als die vraag bevestigend is beantwoord, komt aan de orde of de arbeidsongeschiktheid bij [appellante] ook het gevolg is van buitensporige omstandigheden. Daarbij komt het er in het bijzonder dus op aan of een evident andere oorzaak daarvoor aannemelijk is.\n\n4.10. \n [appellante] heeft gesteld dat van buitensporige werkomstandigheden sprake is, alleen al omdat de kantonrechter in de onherroepelijk geworden beschikking van 25 februari 2022 heeft vastgesteld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door niet te voldaan aan haar re-integratieverplichting. Daarnaast heeft [appellante] aangevoerd dat zij i) in de kou heeft moeten werken, ii) anders werd behandeld dan andere collega’s (pesten\u002Fdiscriminatie door leidinggevenden), iii) is bedreigd en gediscrimineerd door klanten, iv) te maken had met een hoge werkdruk en op maan- en vrijdagen er vaak alleen voor stond, dat v) de werksfeer slecht was (pesten\u002Fdiscrimineren door collega’s) en vi) naar klachten over haar arbeidsomstandigheden niet werd geluisterd, daar althans niets aan werd gedaan. Die omstandigheden moeten niet alleen, maar ook in hun onderlinge samenhang worden bezien. Zij vormen samen met ook het tekortschieten van de gemeente in haar re-integratieverplichtingen, buitensporige omstandigheden, aldus [appellante] .\n\nTekortschieten in de re-integratieverplichting\n\n4.11. De kantonrechter heeft in het vonnis van 2 januari 2024 overwogen dat het feit dat eerder is geoordeeld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door zich onvoldoende in te spannen om voor [appellante] een passende werkplek te vinden, nog niet automatisch betekent dat dus sprake is van buitensporige omstandigheden, omdat juridisch sprake is van een ander toetsingskader.\n\n4.12. Volgens [appellante] betekent het feit dat is vastgesteld dat de gemeente de re-integratie structureel heeft veronachtzaamd en onvoldoende heeft gedaan om een passende werkplek te vinden, echter wel dat de omstandigheden waaronder [appellante] heeft gewerkt als niet normaal, ernstig en derhalve als buitensporig kunnen worden gekwalificeerd.\n\n4.13. Het hof is het met de kantonrechter eens. De vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst moet worden beoordeeld naar de situatie zoals die zich voordeed op het moment dat de arbeidsverhouding is geëindigd. Anders dan de gemeente heeft gesuggereerd, kunnen op zichzelf de arbeidsomstandigheden zoals die zich voordeden tijdens een re-integratietraject wel meegenomen worden bij de beoordeling of sprake was van buitensporige omstandigheden. Die vraag dient echter wel te worden onderscheiden van de vraag of de gemeente zich ook voldoende heeft ingespannen voor die re-integratie. Zeer wel denkbaar is immers dat een werkgever zich niet voldoende heeft ingespannen voor de re-integratie van een zieke werknemer, maar dat de arbeidsomstandigheden waaronder de betrokkene zijn re-integratie werkzaamheden verrichtte op zichzelf niet abnormaal waren. Vast staat dat [appellante] na haar uitval op 28 maart 2019 feitelijk geen re-integratiewerkzaamheden meer heeft verricht, zodat in ieder geval in die periode geen sprake kan zijn geweest van abnormale of buitensporige arbeidsomstandigheden. [appellante] heeft zich daar ook niet op beroepen. Het gaat er in deze procedure dus om of in de periode tot 28 maart 2019 sprake was van buitensporige arbeidsomstandigheden. In die periode valt ook de re-integratie zoals die plaats heeft gevonden in de periode vanaf 27 februari 2017. Het hof gaat hierna op die vraag nader in.\n\nWerken in kou en tocht\n\n4.14. De kantonrechter is in haar vonnis onder de overwegingen 5.9 en 5.10 ingegaan op de klacht van [appellante] dat zij haar werk moest verrichten in de kou, en is tot de slotsom gekomen dat er weliswaar sprake was van problemen met de klimaatbeheersing in het pand aan het Harm Buiterplein, maar dat uit de overgelegde verklaringen en rapporten niet blijkt dat objectief bezien sprake was van een buitensporige omstandigheid.\n\n4.15. \n [appellante] is het met dat oordeel niet eens. Volgens haar ging zij gebukt onder de kou en heeft de gemeente daar gedurende lange tijd niets aan gedaan. De werkplek voldeed niet aan de arbo-normen. Dat het te koud en tochtig was op de werkplek van [appellante] wordt weldegelijk bevestigd door de rapporten en blijkt ook uit de verschillende (aangevulde) verklaringen van getuigen, aldus [appellante] .\n\n4.16. \n\nHet hof deelt de conclusie van de kantonrechter. Ook in hoger beroep kan uit de gedingstukken niet worden afgeleid dat de situatie klimatologisch buitensporig was. Op de zitting in hoger beroep is door [appellante] verklaard dat de temperatuur gemiddeld 16 á 17 graden was en dat zij ook last had van tocht vanwege openslaande toegangsdeuren. De gemeente heeft verklaard dat de problemen min of meer opgelost zijn in 2018 en dat het daarvoor op een koude winterdag weleens 16-17 graden kon zijn. Het hof acht aannemelijk dat de lage temperaturen zich alleen in de winter voordeden. De genoemde binnentemperatuur is weliswaar te laag voor een normaal werkklimaat, maar is nog niet als buitensporig laag te kwalificeren. Een directe collega van [appellante] sinds 2011, de heer [naam2] , beschrijft in een overgelegde schriftelijke verklaring het binnenklimaat ook als prima, waarbij hij opmerkt dat het in het begin wel frisjes was. De heer [naam3] , collega vanaf 2017, beschrijft het werkklimaat als “prima, geen klagen”. Daar tegenover staan verklaringen van personen die door [appellante] zijn overgelegd, maar zoals de kantonrechter al heeft overwogen, zijn die verklaringen niet afkomstig van directe collega’s. Die hebben dus niet in precies dezelfde omstandigheden gewerkt. Bovendien zijn die verklaringen ook weinig specifiek. Er bestaat daarmee onvoldoende aanleiding om aan die verklaringen doorslaggevende waarde te hechten. Dat het werkklimaat niet voldeed aan de arbo-normen is betwist en verder niet onderbouwd. Voor zover [appellante] zich beroept op wat de diverse bedrijfsartsen en\u002Fof arbeidsdeskundigen over de temperatuur en de tocht op de werkplek hebben vastgelegd, geldt dat uit die vastleggingen niet kan worden opgemaakt dat zij zich op een andere bron dan [appellante] hebben gebaseerd. Die vastleggingen zijn daardoor in onvoldoende mate objectief.\n\nOngelijke behandeling (discriminatie), slechte werksfeer en werkdruk\n\n4.17. \n\nDe kantonrechter is in haar vonnis onder de rechtsoverwegingen 5.11 tot en met 5.23 gemotiveerd ingegaan op de verschillende aspecten die [appellante] in dit verband heeft aangevoerd en is tot de conclusie gekomen dat een aantal van die omstandigheden niet is komen vast te staan – ongelijke behandeling\u002Fpesterijen door leidinggevenden – en dat voor de andere geldt dat die geen buitensporigheid opleveren – werkdruk, wrijving met collega’s, bedreiging en discriminatie door klanten.\n\nMet betrekking tot door [appellante] overgelegde documenten (overgelegde correspondentie, interne verslagen en rapporten van bedrijfsartsen) heeft de kantonrechter overwogen dat daaruit onvoldoende blijkt dat sprake was van buitensporige werkomstandigheden. Met betrekking tot overgelegde verklaringen van derden heeft zij overwogen dat die verklaringen niet afkomstig zijn van personen uit de naaste, recente werkkring van [appellante] , daarnaast ook onvoldoende specifiek zijn over beweerdelijk buitensporige omstandigheden, en voor een deel ook afkomstig zijn van personen die een conflict hebben (gehad) met de gemeente. Verder heeft de kantonrechter erop gewezen dat er door de gemeente verklaringen zijn overgelegd van personen die wel naaste collega’s waren van [appellante] , dat die het door [appellante] geschetste beeld niet bevestigen, behalve dat inderdaad sprake was van verstoorde verhoudingen binnen de afdeling. Daarover verklaren zij echter dat ook [appellante] daarin haar eigen (negatieve) rol had.\n\n4.18. \n [appellante] is het met die overwegingen en de getrokken conclusie niet eens. Volgens haar heeft zij met de door haar overgelegde documenten en overgelegde verklaringen wel voldoende aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde omstandigheden zich voordeden en sprake was buitensporigheid. In hoger beroep heeft zij als nadere onderbouwing nog enkele aanvullende bescheiden en verklaringen overgelegd.4.19. \n\nHet hof heeft alle overgelegde stukken en verklaringen gelezen voor zover daar een beroep op is gedaan, en komt na een eigen afweging tot dezelfde overwegingen en conclusie als de kantonrechter, en neemt die over. De in hoger beroep overgelegde nadere stukken en verklaringen werpen geen nieuw licht op de zaak. Ook daarvoor geldt dat [appellante] niet duidelijk maakt hoe daaruit blijkt van buitensporige arbeidsomstandigheden van [appellante] .\n\nHet hof overweegt in aanvulling op wat de kantonrechter heeft overwogen daarover nog het volgende.\n\nmet betrekking tot ongelijke behandeling4.20. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellante] verklaard dat de spanning bij haar is ontstaan doordat ze in 2012 valselijk is beschuldigd en dat ze ten onrechte van leugens is beschuldigd over de hervatting van haar werkzaamheden na de zwangerschap. 4.21 Het door [appellante] als eerste genoemde incident gaat over een ongeoorloofde inzage door [appellante] in de GBA in oktober 2012. Het tweede incident ziet op het niet nakomen van afspraken die [appellante] beweerdelijk zou hebben gemaakt om vanaf 1 april 2012 weer te beginnen met re-integratie na haar uitval vanwege zwangerschap.\n\n4.22. Uit de gedingstukken blijkt met betrekking tot dat eerste incident dat de gemeente zich nog steeds op het standpunt stelt dat de inzage voor privé-doeleinden ongeoorloofd was, maar dat haar na het incident bleek dat het meer gebeurde en dat het personeel blijkbaar onvoldoende geïnformeerd was. Om die reden is haar in een brief van 8 oktober 2013 van de concerndirecteur meegedeeld dat de aantekening uit haar personeelsdossier is verwijderd. Daaruit blijkt niet van een ongelijke of oneerlijke\u002Fonheuse behandeling.4.23. Met betrekking tot het tweede incident blijkt uit een door [appellante] op haar verzoek uitgebracht advies van de bedrijfsarts van 16 april 2012 dat zij tot werkhervatting per 1 april 2012 nog niet in staat was. [appellante] weerspreekt echter niet dat zij had afgesproken op 1 april 2012 haar werkzaamheden weer te gaan hervatten, maar dat niet had gedaan. Het advies van de bedrijfsarts dateert pas van 16 april 2012. Daarmee is verklaarbaar dat [appellante] is aangesproken op het ondanks een daartoe gemaakte afspraak niet hervatten van haar werkzaamheden per 1 april 2012. Dat dit aanspreken gebeurde in de vorm van beschuldigingen van liegen, is niet komen vast te staan. Uit een ander blijkt nog niet uit van een oneerlijke\u002Fonheuse behandeling.\n\n4.24. Ook de andere omstandigheden die [appellante] noemt, kunnen niet overtuigen dat zij ongelijk werd behandeld. De gemeente heeft zelfs onweersproken verklaard dat het haar werd toegestaan om één dag thuis te werken, waar anderen dat destijds niet mochten.\n\nmet betrekking tot werkdruk\n\n4.25. \n\nVoldoende duidelijk is geworden dat [appellante] vaak op maandag en vrijdag werkte. Dat is echter begrijpelijk omdat zij fulltime werkte. Wel stond zij, als het gaat om loketdienst, er met name op vrijdagen meer dan eens alleen voor door personeelsgebrek. Dat die (loket)diensten haar zwaar vielen, is begrijpelijk. Dat dit onwenselijk was, werd door de gemeente ook onderkend. Met welke frequentie en gedurende welke periode [appellante] er alleen voor stond, is echter niet duidelijk geworden. Wel kan uit door [appellante] overgelegde correspondentie worden afgeleid dat het in ieder geval in 2016 nog voorkwam. Volgens een verklaring van [naam4] , leidinggevende van [appellante] sinds 2016, op de zitting in hoger beroep schakelde hij echter al spoedig uitzendkrachten in om dit te ondervangen. Dat het ook na 2017 nog regelmatig voorkwam, is verder niet gebleken. Andere omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake was van een onaanvaardbaar hoge werkdruk, zijn niet gesteld of gebleken. Dat daarmee de werkzaamheden vanwege het aspect van werkdruk ook buitensporig waren, is het hof niet gebleken.\n\nmet betrekking tot bedreigingen\u002Fracistische uitlatingen door klanten\n\n4.26. \n\nDuidelijk is geworden dat zich aan het loket weleens bedreigingen voordeden en dat in de loop van de jaren enkele klanten zich ook racistisch hebben geuit. De bedreigingen waren mondeling en werden gedaan uit frustratie van boze klanten. [appellante] heeft verklaard ook eens een keer bespuugd te zijn onderweg naar haar auto op de parkeerplaats. Dat zijn situaties waartegen een werkgever zijn medewerkers dient te beschermen, maar die helaas niet altijd zijn te voorkomen. Onweersproken kent de gemeente wel een veiligheidsprotocol en hebben medewerkers ook een agressietraining gehad. Dat [appellante] zo’n training niet heeft gevolgd, kan de gemeente niet worden verweten omdat, zo heeft de gemeente onweersproken aangevoerd, [appellante] beide keren dat die training werd gegeven arbeidsongeschikt was. Dat sprake was van bedreigingen met een impact die maken dat sprake was van buitensporige arbeidsomstandigheden is in onvoldoende mate gebleken. Hetzelfde geldt voor het door de gemeente weersproken verwijt van [appellante] dat de gemeente haar na zulke incidenten onvoldoende nazorg heeft geboden en verdere maatregelen heeft nagelaten.\n\nmet betrekking tot de collegiale verhoudingen4.27. Duidelijk is geworden dat de collegiale verhoudingen niet goed waren. Uit verschillende verklaringen van directe collega’s van [appellante] komt naar voren dat zij daar ook zelf een aandeel in had. Van discriminatie is verder niet gebleken. [naam2] verklaart in dat verband nog uitdrukkelijk dat daar geen sprake van was. De afdeling had ook onweersproken een gemêleerd karakter. Verder zijn wrijvingen tussen collega’s niet ongebruikelijk en maken die nog niet dat sprake is van buitensporige werkomstandigheden.\n\nniet reageren op klachten door leidinggevenden4.28. Duidelijk is dat haar leidinggevenden in de beleving van [appellante] niet adequaat reageerden op klachten. Dat op zichzelf vormt echter nog niet een buitensporige omstandigheid, als de omstandigheden waaronder werd gewerkt op zichzelf nog niet buitensporig zijn te noemen.\n\nNiet nakomen van re-integratieverplichting door de gemeente\n\n4.29. Uit rapportages van bedrijfsartsen en arbeidsdeskundigen blijkt dat ook in de periode van februari 2017 tot 28 maart 2019 is geadviseerd om re-integratie van [appellante] te laten plaatsvinden op een andere werkplek en dat aan die adviezen geen opvolging is gegeven. Daarmee is echter nog niet gegeven dat ook de arbeidsomstandigheden van [appellante] buitensporig waren. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat buitensporige omstandigheden niet voldoende aannemelijk zijn geworden. Daarbij wordt opgemerkt dat uit de verschillende rapportages niet blijkt dat werkzaamheden die [appellante] verrichtte tijdens perioden van re-integratie, objectief bezien onvoldoende rekening hielden met haar extra kwetsbaarheid in die perioden, en om die reden als buitensporig zouden moeten worden beschouwd. Wel heeft de gemeente onvoldoende gedaan om voor haar een andere werkplek te vinden. Dat is laakbaar en de gemeente is daarvoor ook veroordeeld om een billijke vergoeding aan [appellante] te betalen. Het maakt echter nog niet dat zij in objectief beschouwd buitensporige omstandigheden heeft moeten werken.\n\nDe omstandigheden in onderling verband bezien.\n\n4.30. \n\nHiervoor is overwogen dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van buitensporigheid op de diverse door [appellante] aangevoerde aspecten van haar arbeidsomstandigheden. Wel is gebleken dat op diverse onderdelen de arbeidsomstandigheden niet ideaal waren en dat de gemeente ook verwijt treft ten aanzien van de wijze waarop zij is omgegaan met de re-integratie van [appellante] . Vanuit de beleving van [appellante] en haar uit de medische stukken blijkende psychische kwetsbaarheid is alleszins voorstelbaar dat zij die arbeidsomstandigheden als buitensporig heeft ervaren. De verschillende tekortkomingen maken bezien in hun onderlinge verband echter niet dat de arbeidsomstandigheden in zijn geheel objectief bezien, dus los van een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken werknemer, als buitensporig moeten worden aangemerkt. Het algehele beeld dat uit het dossier oprijst, is dat van arbeid die niet onder optimale arbeidsomstandigheden werd verricht, maar die objectief nog niet als buitensporig kunnen worden gekwalificeerd.\n\nBewijsaanbod\n\n4.31. \n [appellante] heeft aangeboden om diverse personen nog als getuige te horen over ‘onder welke omstandigheden [appellante] heeft moeten werken en waardoor zij is uitgevallen’. Allereerst geldt dat van bijna al deze personen al schriftelijke verklaringen zijn overgelegd. In sommige gevallen zelfs twee verklaringen. Onvoldoende duidelijk is gemaakt wat zij nog meer of anders kunnen verklaren dan zij al gedaan hebben. In dit stadium van de procedure had een dergelijke nadere precisering wel verlangd mogen worden. Daarbij geldt dat de vraag ‘waardoor zij is uitgevallen’ een medisch en\u002Fof arbeidsdeskundig oordeel behelst, ten aanzien waarvan zonder toelichting die ontbreekt niet valt in te zien dat de door [appellante] genoemde getuigen daarover iets dienends kunnen verklaren. Het hof gaat aan het bewijsaanbod daarom voorbij.\n\nTot slot\n\n4.32. \n\nOmdat wordt geoordeeld dat niet is gebleken van buitensporige arbeidsomstandigheden komt het hof niet toe aan de vraag of de arbeidsongeschiktheid van [appellante] die in elk geval sterk psychisch van aard is in overwegende mate verband houdt met haar werk bij de gemeente. Die vraag ligt in deze procedure daarmee niet (meer) voor. In zijn algemeenheid merkt het hof op dat uit zowel het rapport van De Vries als het eerste rapport van [naam1] naar voren komt dat bij [appellante] sprake is van pre-existente psychische klachten die hun oorsprong lijken te vinden in haar jeugd. Of daarmee ook sprake is van een evident andere oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is echter een vraag waar het hof in deze procedure niet aan toekomt.\n\nDe conclusie\n\n4.33. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellante] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4.34. De proceskostenveroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 2 januari 2024;\n\n5.2. \n\nveroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van de gemeente:\n\n€ 798,- aan griffierecht\n\n€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van de gemeente (2 procespunten x appeltarief II)\n\n5.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, W.F Boele en P. Kruit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n11 februari 2025.\n\n CRvB 1 februari 2018, ECLI:NL:CRvB:2018:376.\n\n CRvB 15 juni 2023, ECLI:NL:CRvB:2023:1150.\n\n CRvB 15 juni 2023, ECLI:NL:CRvB:2023:1150.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:842","2025-02-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:43.450Z",20,[64,11],2026]