[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-social-security-nl-2026":3},{"detail":4,"years":208},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":206,"page":14,"limit":207},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},44,"social-security-nl","Social Security","NL","2026-07-08T16:53:39.844Z",2026,[13,16,18,21,22,24,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":17},2,{"month":19,"count":20},3,4,{"month":20,"count":17},{"month":23,"count":20},5,{"month":25,"count":26},6,25,{"month":28,"count":17},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,54,63,71,78,86,96,104,111,121,128,136,145,155,163,171,178,185,192,199],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"652","ECLI:NL:RBGEL:2026:5192","ecli-nl-rbgel-2026-5192","",60,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F6557uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.I. Bal),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: mr. O. Kaya-Yazici).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het UWV om niet voor de toekomst terug te komen op het eerdere besluit van 19 juli 2022, waarbij de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) is afgewezen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht niet is teruggekomen van het eerdere besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht niet is teruggekomen van het eerdere besluit. Eiseres krijgt dan ook geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft op 13 december 2022 een tweede aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Het UWV heeft dit opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 19 juli 2022, waarbij de eerste aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering is afgewezen. Het UWV heeft dit afgewezen bij het besluit van 6 april 2023. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV hierbij gebleven, onder aanpassing van de motivering.\n\n2.1.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nHet UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 19 december 2024.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A. Bal als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2002. Zij is licht verstandelijk beperkt en heeft – sinds een ongeval met haar fiets in 2015 – onder meer epilepsie en angstklachten. Zij woont samen met haar zoontje, haar moeder en haar zusje. Vanaf januari 2022 heeft eiseres individuele begeleiding ontvangen van Thuiszorg Evital uit een indicatie op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).\n\n3.1.. Eiseres heeft op 18 januari 2022 een eerste aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Na een onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige is de aanvraag van eiseres bij besluit van 19 juli 2022 afgewezen, omdat zij beschikt over arbeidsvermogen.\n\n3.2.. Op 13 december 2022 heeft eiseres een tweede aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Daarbij heeft zij ingebracht de resultaten van een intelligentieonderzoek van 6 februari 2015. Na een onderzoek door een verzekeringsarts heeft het UWV het besluit van 6 april 2023 genomen zoals vermeld onder 2. Daarbij is geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden om terug te komen van het besluit van 19 juli 2022.\n\n3.3.. In bezwaar heeft het UWV aan eiseres gevraagd wat het doel is van haar herhaalde aanvraag. Daarop heeft eiseres laten weten dat het haar gaat om een verzoek om een beoordeling op grond van de duuraanspraken-jurisprudentie.Eiseres heeft een verslag van een psychodiagnostisch onderzoek ingebracht van april\u002Fmei 2024, opgemaakt door een orthopedagoog werkzaam bij MEE. Na een onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Volgens het UWV is het besluit van 19 juli 2022 niet onjuist. Eiseres heeft op achttienjarige leeftijd, de datum van de eerste Wajong-aanvraag en dat moment, arbeidsvermogen.\n\nIs het verzoek om herziening terecht afgewezen?\n\n4. Eiseres voert aan dat bij haar geen sprake is van arbeidsvermogen en dat ten onrechte niet is getoetst of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Volgens eiseres is zij niet vier uur per dag belastbaar vanwege onregelmatig optredende epilepsieaanvallen, de vermoeidheid en de verminderde energie in verband met het gebruik van medicatie. Verder is van belang dat eiseres ook niet eerder in staat is gebleken om te werken of stage te lopen, waarbij zij vier uur per dag moest werken. Zij kon ook maar maximaal drie uur per week naar school en heeft door haar beperkingen geen opleiding kunnen afronden. Ook moet worden meegenomen dat de epilepsieaanvallen getriggerd kunnen worden door externe factoren. Haar psychische klachten in combinatie met haar verstandelijke beperking zorgen ervoor dat ze moeite heeft met het begrijpen van mensen en regelmatig problemen heeft bij omgang met anderen. Zij kan daardoor niet functioneren in arbeid, omdat dit zorgt voor stress en daarmee een toename van de epilepsieaanvallen. Ook ontbreken bij haar basale werknemersvaardigheden. Eiseres heeft in arbeid moeite met het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies van een werkgever vanwege haar beperkingen. Het UWV bevestigt ook dat eiseres praktisch geen leervermogen heeft. In ieder geval is gebleken dat zij afspraken niet kan nakomen, zonder daarbij één op één begeleiding te ontvangen. Eiseres wordt sinds haar ongeval begeleid door of haar moeder of professionele instanties. Volgens het UWV is er geen medische reden waarom eiseres niet op tijd kan zijn op afspraken, maar uit het psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat eiseres moeite heeft met het op tijd komen op afspraken en dat zij haar opleidingen niet heeft kunnen afronden vanwege haar beperkingen. Overigens is op het psychodiagnostisch onderzoek niet gereageerd. Het onderzoek is dan ook onzorgvuldig uitgevoerd.\n\n4.1.. Op grond van de duuraanspraken-jurisprudentie geldt dat voor een aanvraag, waarbij voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, de aanvrager zijn aanvraag deugdelijk en toereikend moet onderbouwen. Met name zijn hierbij feiten en omstandigheden relevant die – ten minste ook – zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum. Een enkele herhaling van feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van de eerdere aanvraag zijn betrokken zal doorgaans niet voldoende zijn. Het is vervolgens aan het UWV om te onderzoeken of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was. Als de onjuistheid van het besluit door het UWV wordt vastgesteld, is het UWV gehouden een belangenafweging te maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit, waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.Het gaat hier dus niet om de toets of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Dat het UWV dit niet heeft getoetst, is dus terecht.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is het door de verzekeringsarts b&b verrichte onderzoek niet onzorgvuldig geweest. Dat hij niet gereageerd zou hebben op het psychodiagnostisch onderzoek is feitelijk onjuist. Dat het erop lijkt dat de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek niet zijn gelezen, zoals eiseres tijdens de zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank ook niet. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b van 26 juli 2024 volgt immers dat hij kennis heeft genomen van de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek en daarop heeft gereageerd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat aspecten van de gezondheidstoestand van eiseres zijn gemist.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b toereikend gemotiveerd, dat de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek geen aanleiding geven om aan te nemen dat het eerdere besluit van 19 juli 2022 onjuist is. Dat die resultaten aangeven dat eiseres op een licht verstandelijk beperkt -\u002Fuitzonderlijk laag cognitief niveau functioneert en de verzekeringsarts bij de eerdere beoordeling in 2022 bij de diagnose heeft geschreven: ‘zeer lichte verstandelijke beperking??’ en er van is uitgegaan dat eiseres op een eenvoudig niveau functioneert en haar IQ beneden gemiddeld lijkt, maakt het eerdere besluit nog niet onjuist. De verzekeringsarts b&b heeft voldoende gemotiveerd dat eiseres als gevolg van de laagbegaafdheid en het praktisch niet hebben van een leervermogen alleen taken kan verrichten die routinematig kunnen worden uitgevoerd en eenvoudig, voorspelbaar en gestructureerd zijn. Volgens de verzekeringsarts b&b komt dit overeen met de door eiseres ingebrachte informatie. De rechtbank volgt dit gelet op het in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek gegeven advies om voor eiseres individuele begeleiding in te zetten bij onder meer (sociale) contacten en communicatie met instellingen, bij het oplossen van haar problemen of bepaalde zaken die spelen en om structuur in en regie over haar persoonlijk leven aan te brengen en te behouden. Daarbij wordt geadviseerd om onder meer in eenvoudige taal en korte zinnen te spreken, belangrijke informatie te (laten) herhalen en informatie ook visueel aan te bieden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat een eventuele noodzaak van voortdurend toezicht en intensieve begeleiding in beginsel niet in de weg staat aan het aannemen van arbeidsvermogen.Eiseres heeft er tijdens de zitting nog op gewezen dat uit de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek ook volgt dat eiseres bij haar stage in een supermarkt niet goed begreep hoe ze vakken moest vullen. Daaruit leidt eiseres af dat ze ook de geduide taak van het plaatsen van onderdelen op een printplaat niet kan verrichten, omdat dit moeilijker is dan vakkenvullen. Dit volgt de rechtbank niet. Bij een Wajong-beoordeling gaat het er niet om of eiseres kan werken, stage lopen of school kan volgen, maar of zij een specifieke Wajong-taak, eventueel in het kader van beschut werk en dus met intensieve begeleiding en permanent toezicht, kan uitvoeren. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met de communicatie-adviezen zoals die zijn gegeven in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek. Hieraan doet niet af dat eiseres tijdens het onderzoek veel herhaling van een instructie nodig had, omdat daarmee rekening is gehouden bij de gegeven adviezen. Dat eiseres moeite heeft anderen te begrijpen betekent ook niet dat zij niet een specifieke Wajong-taak zou kunnen verrichten. Hetzelfde geldt voor het gestelde dat eiseres alles samen doet met haar moeder. De verzekeringsarts b&b heeft op dat punt in zijn rapport van 26 juli 2024 voldoende gemotiveerd dat hiervoor geen medische reden is. Verder is er bij het besluit van 19 juli 2022 ook uitgegaan van taken die eenvoudig moeten zijn en die geen groot appèl op schoolse vaardigheden doen en dat structuur en duidelijkheid gewenst is.\n\n4.4.. Ook voor het overige is toereikend gemotiveerd dat wat eiseres heeft aangevoerd, niet leidt tot de conclusie dat het besluit van 19 juli 2022 onjuist is geweest. Met de onregelmatig optredende epilepsieaanvallen, dat stress daar een negatieve invloed op heeft, met de vermoeidheid en de verminderde energie door het gebruik van medicatie is bij het oorspronkelijke besluit rekening gehouden. De verzekeringsarts b&b heeft verder voldoende toegelicht dat eiseres in verband met de astma, epilepsie en angstklachten niet overvraagd moet worden en daarom is aangewezen op taken die routinematig kunnen worden uitgevoerd en eenvoudig, voorspelbaar en gestructureerd zijn. Dat voorkomt ook stress. Verder heeft hij voldoende gemotiveerd dat er geen medische reden is om aan te nemen dat de moeheid dusdanig is dat eiseres de eenvoudige, routinematige taken niet kan verrichten. Bij het oorspronkelijke besluit is er ook rekening mee gehouden dat eiseres in het schooljaar 2018-2019 maar enkele uren naar school is geweest en het praktijkonderwijs niet heeft afgerond. Dat dit niet afronden veroorzaakt is door haar beperkingen volgt niet uit de stukken. De informatie van de praktijkschool vermeldt juist dat dit was vanwege een verhuizing naar Duitsland.\n\n4.5.. Wat eiseres aanvoert omtrent het moeite hebben met het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies van een werkgever, waardoor bij haar basale werknemersvaardigheden ontbreken, slaagt ook niet. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij daartoe, met in begrip van de in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek gegeven adviezen en met begeleiding, medisch niet in staat is. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport van 26 juli 2024 verder voldoende toegelicht dat er geen medische reden is waarom eiseres niet op tijd zou kunnen zijn op afspraken. Dat in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek staat dat de begeleider van eiseres vraagt waarom het eiseres niet lukt om naar haar afspraken te gaan, is daarvoor onvoldoende. Ook dit maakt daarom niet dat geconcludeerd moet worden dat het oorspronkelijke besluit van 19 juli 2022 onjuist is geweest.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht niet voor de toekomst is teruggekomen van het eerdere besluit van 19 juli 2022. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit houdt in dat voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van het besluit van 19 juli 2022, zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 en hierna onder ro. 4.1.\n\n De rechtbank begrijpt: de datum van de tweede Wajong-aanvraag.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1478.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2052.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5192","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.346Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":51,"fullText":59,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"915","ECLI:NL:RBOBR:2026:4636","ecli-nl-rbobr-2026-4636",72,"RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F2933\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster], uit [vestigingsplaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: M.A. Brouwer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de vraag welke schade het UWV aan verzoekster moet vergoeden als gevolg van te late besluitvorming door het UWV. Verzoekster heeft de rechtbank gevraagd hierover te oordelen.\n\n1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de schade van verzoekster heeft vergoed. De overige schade waarvan verzoekster vergoeding vraagt komt niet voor vergoeding in aanmerking. Verzoekster krijgt dus geen gelijk en het verzoek om veroordeling van het UWV tot een hogere schadevergoeding wordt afgewezen. Verzoekster krijgt wel een vergoeding van een deel van haar proceskosten, omdat het UWV een nieuw besluit heeft genomen over de schadevergoeding aan verzoekster, nadat verzoekster haar verzoek bij de rechtbank had ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekster heeft op 13 augustus 2025 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het UWV. Op 15 oktober 2025 heeft het UWV op dit verzoek beslist en aan verzoekster een schadevergoeding toegekend van € 1.450,19.\n\n2.1. Verzoekster heeft op 31 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingestuurd.\n\n2.2. Het UWV heeft op 18 november 2025 een nieuwe beslissing genomen met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding en daarbij een schadevergoeding aan verzoekster toegekend van in totaal € 24.625,19.\n\n2.3. Verzoekster heeft haar verzoekschrift aangevuld.\n\n2.4. Het UWV heeft gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.\n\n2.5. Verzoekster heeft op het aanvullende verweerschrift gereageerd.\n\n2.6. De rechtbank heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het UWV.\n\n2.7. De rechtbank heeft ter zitting verzoekster een termijn verleend voor het indienen van nadere stukken en het onderzoek aangehouden.\n\n2.8. Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd. Het UWV heeft hierop gereageerd. Verzoekster heeft vervolgens gereageerd op de reactie van het UWV.\n\n2.9. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de schade die verzoekster claimt voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de toekenning van een schadevergoeding van € 24.625,19 de geleden schade van verzoekster heeft vergoed en dat daarom het verzoek van verzoekster om een hogere schadevergoeding moet worden afgewezen. Hierna wordt dit uitgelegd.\n\nDe aanleiding voor het verzoek en de standpunten van partijen\n\n4. De ex-werknemer van verzoekster is in februari 2022 ziek geworden. Nadat hij twee jaar ziek is gebleven en verzoekster twee jaar zijn loon had doorbetaald, heeft de ex-werknemer een WIA-uitkering aangevraagd bij het UWV. Naar aanleiding van een verzoek om herbeoordeling op 30 oktober 2024, heeft het UWV op 23 juni 2025 besloten een IVA-uitkering toe te kennen aan de ex-werknemer vanaf 30 oktober 2024 (het WIA-besluit). De uitkering is dus met terugwerkende kracht van toepassing, vanaf het moment van ontvangst van het verzoek om herbeoordeling.\n\n4.1. Tijdens de behandeling van het verzoek om herbeoordeling heeft verzoekster het loon van de ex-werknemer doorbetaald. Nu het UWV het besluit om aan de ex-werknemer een hogere uitkering toe te kennen te laat heeft genomen heeft verzoekster het loon van de ex-werknemer langer doorbetaald dan nodig was. Verzoekster heeft het UWV dan ook gevraagd om het te veel betaalde loon te vergoeden vanaf 30 oktober 2024 tot en met juni 2025 samen met een vergoeding voor andere door verzoekster gemaakte kosten. In totaal heeft verzoekster volgens het UWV € 46.1943,63 aan kosten gemaakt en zij heeft het UWV in eerste instantie verzocht om € 20.305,09 te vergoeden.\n\n4.2. Het UWV heeft aanvankelijk € 1.450,19 vergoed. Meer schade die voor vergoeding in aanmerking komt had verzoekster volgens het UWV niet geleden. Het loon van de ex-werknemer over de maanden november 2024 tot en met juni 2025 was € 46.1943,63. Een deel van dit loon, €21.569,44, heeft eiseres van het UWV ontvangen vanwege de WGA-uitkering van de ex-werknemer en € 23.175,- is vergoed aan eiseres door haar verzuimverzekeraar Sazas verzuimverzekeringen (Sazas). Na indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank heeft het UWV aan verzoekster laten weten dat ook de € 23.175,- door het UWV wordt vergoed. Het UWV heeft eiseres gevolgd in haar standpunt dat deze kosten door Sazas zijn teruggevorderd. De schade van verzoekster wordt door het UWV hiermee vastgesteld op € 24.625,19.\n\n4.3. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht het UWV te veroordelen tot een hogere schadevergoeding. Verzoekster stelt meer schade te hebben dan het UWV tot nu toe heeft vergoed. Verzoekster stelt dat Sazas € 28.350,- terugvordert in plaats van € 23.175,-, zodat UWV is gehouden om nog € 5.175,- te vergoeden. Ook vraagt zij om de kosten van Merks Advies (haar gemachtigde) te vergoeden. Deze kosten zijn volgens eiseres gemaakt om de fouten van het UWV te moeten corrigeren en kosten die verband houden met de\n\nre-integratie van de ex-werknemer. De kosten hiervan zijn € 6.260,- voor de periode november 2024 tot en met juni 2025 en € 4.772,- voor de periode juli 2025 tot en met november 2025. In totaal vraagt verzoekster voor de kosten van Merks Advies dus € 11.032,-.\n\n4.4. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een termijn van 8 weken heeft om een beslissing te nemen op het verzoek tot herbeoordeling van eiseres. Het verzoek is op 30 oktober 2024 ingediend, zodat deze termijn eindige op 27 december 2024. Pas na deze datum is de schade van verzoekster ontstaan, omdat vanaf dat moment vaststaat dat het UWV te laat op het verzoek om herbeoordeling heeft beslist. Het UWV heeft de schade van verzoekster vergoed vanaf 1 november 2024. Daarmee heeft het UWV verzoekster niet tekort gedaan. Het UWV schrijft verder dat hij de kosten die verzoekster heeft gemaakt en daarna zijn teruggevorderd door Sazas heeft vergoed. Dat Sazas nu een hoger bedrag terugvordert dan dat het UWV aan verzoekster heeft betaald, is volgens het UWV een kwestie tussen verzoekster en Sazas. Er is geen causaal verband tussen het hogere bedrag dat Sazas terugvordert en de te late beslissing. De door verzoekster geclaimde schade vanwege de kosten voor Merks Advies komen volgens het UWV niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze schade niet een rechtsreeks gevolg is van het te late WIA-besluit. De kosten gemaakt vanwege re-integratie zijn geen gevolg van het te late besluit, maar gingen daaraan vooraf. De facturen die zijn overgelegd laten volgens het UWV alleen zien dat er werkzaamheden zijn verricht door Merks Advies, maar specificeren niet welke werkzaamheden dat dan zijn geweest en hoe deze het gevolg waren van het te late WIA-besluit. Het verzoek om de nabetaling IVA aan de werkgever over te maken, het verzoek om de maandelijkse uitkering aan de werkgever over te maken, het verzoek om schadevergoeding en de toelichting op de geclaimde loonschade zijn wel inzichtelijk. Toch komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking volgens het UWV, omdat deze werkzaamheden behoren tot reguliere taken van een werkgever en bij de reguliere bedrijfsvoering horen. Dat de werkgever deze taken heeft uitbesteed, is een keuze van de werkgever. Het UWV beroept zich op de jurisprudentie waarin dit is beslist.\n\nBeoordelingskader\n\n5. De bestuursrechter is bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n5.1. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van zo’n verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluit bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. De vraag die in deze zaak aan de rechtbank voorligt is of er een oorzakelijk (causaal) verband bestaat tussen enerzijds de te late besluitvorming en anderzijds de schadeposten die verzoekster claimt. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of die schadeposten aan het UWV kunnen worden toegerekend, zodat het UWV die schade moet betalen.Tot slot vergelijkt de rechtbank de uitkomst van deze beoordeling met de schadevergoeding die het UWV al heeft toegekend en de onderbouwing daarvan.\n\n5.2. Bij dit alles geldt als uitgangspunt dat de schadevergoeding de verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit – de te late besluitvorming – niet zou hebben plaatsgevonden. Dat betekent in deze zaak dat de hoogte van de schade het positieve verschil is tussen enerzijds het door verzoekster betaalde loon aan de ex-werknemer en de kosten die daarbij kwamen kijken en anderzijds de kosten die zij had gehad als het UWV op tijd een besluit had genomen op het verzoek om herbeoordeling van de ex-werknemer.\n\nBeoordeling van het verzoek om schadevergoeding\n\n6. Tussen verzoekster en het UWV staat niet ter discussie dat te laat is besloten op het verzoek om herbeoordeling en dat verzoekster daardoor schade heeft geleden. Het geschil gaat over de hoogte van de schade. In beroep zijn nog twee schadeposten in geschil: te weten: 1. de loonkosten die door eiseres zijn doorbetaald aan de ex-werknemer en aanvankelijk door Sazas zijn uitgekeerd, maar uiteindelijk door Sazas zijn teruggevorderd. Het betreft nog een bedrag van € 5.175,-; 2. de kosten van Merks Advies van in totaal € 11.032,-. De rechtbank zal deze gevorderde schadeposten beoordelen.\n\n1. De terugvordering van de uitkering van Sazas van € 5.175,-\n\n7. De rechtbank volgt het UWV niet in zijn standpunt dat de uitkering die door Sazas is teruggevorderd niet voor vergoeding in aanmerking komt. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat het totale bedrag van € 28.350,- betrekking heeft op door eiseres aan de ex-werknemer doorbetaalde loonkosten van na 27 december 2024. Er is dus een causaal verband tussen enerzijds het schadeveroorzakende feit, te weten de te late WIA-beslissing en de door eiseres geleden schade. Dat eiseres aan het UWV aanvankelijk om een te lage vergoeding van deze schadepost heeft verzocht, houdt de rechtbank op een omissie van eiseres, die zij in beroep heeft hersteld door alsnog deze schadepost te specificeren. Toch leidt dit niet tot het oordeel dat het UWV is gehouden om het nog niet vergoede bedrag van € 5.175,- aan eiseres te betalen. Dat motiveert de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV eiseres meer dan volledig schadeloos heeft gesteld met de toekenning van in totaal € 24.625,19. Met het UWV is de rechtbank het eens dat hij aan eiseres over de maanden november 2024 en december 2024 onterecht schadevergoeding heeft betaald, omdat in deze maanden het schadeveroorzakende feit, het te laat beslissen, nog niet plaatsgevonden. Dit betekent dat het UWV € 8.654,27 ten onrechte aan verzoekster heeft vergoed. Dit bedrag is door verzoekster niet betwist. Omdat het UWV € 8.654,27 te veel schadevergoeding heeft betaald, kan de door verzoekster gevraagde € 5.175,- niet leiden tot toekenning van een hogere schadevergoeding dan die zij al heeft ontvangen van het UWV. Een ander oordeel zou leiden tot de situatie waarin verzoekster door de schadevergoeding in een betere financiële positie komt te verkeren en dit druist in tegen het uitgangspunt dat de schadevergoeding verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit – de te late besluitvorming – niet zou hebben plaatsgevonden. Voor dit oordeel is ook van belang dat de rechtbank de door verzoekster gevraagde schadepost van € 11.032,- voor de kosten van Merks Advies afwijst. Hoe de rechtbank tot dit oordeel komt, licht de rechtbank hieronder toe.2. De kosten van Merks Advies van € 11.032,-7.1.. De kosten van Merks zijn volgens verzoekster gemaakt om de fouten van het UWV te herstellen. Voor zover daarvan al sprake is, kan dat niet leiden tot toewijzing van het gevorderde bedrag, omdat verzoekster niet aannemelijk heeft kunnen maken dat deze kosten verband houden met het schadeveroorzakende feit. Daar komt bij dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 9 december 2015heeft geoordeeld dat kosten voor reguliere, binnen het dienstverband verrichte werkzaamheden niet voor schadevergoeding in aanmerking komen. De werkzaamheden die Merks Advies heeft uitgevoerd in verband met het voldoen aan re-integratieverplichtingen en een eventuele discussie hierover met een uitvoeringsinstantie zoals het UWV, behoren, als deze binnen bepaalde grenzen blijven, tot de normale bedrijfsvoering. Dat verzoekster deze werkzaamheden aan haar gemachtigde heeft uitbesteed doet niets af aan dit uitgangspunt. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden deze grens hebben overschreden. Verzoekster heeft niet aan de hand van een inzichtelijke berekening duidelijk gemaakt waarin de noodzaak lag voor de geclaimde uren aan werkzaamheden naar aanleiding van het te laat beslissen door het UWV. Met het ingebrachte urenoverzicht van de gemachtigde heeft verzoekster hierin niet voorzien. De werkzaamheden die de gemachtigde van verzoekster naar aanleiding van het te laat beslissen heeft verricht behoorden daarom tot de normale bedrijfsvoering en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Over de kosten die verzoekster claimt omdat haar gemachtigde kosten heeft gemaakt voor deze procedure, oordeelt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak er geen plaats is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten via de weg van een aanvullend verzoek om schadevergoeding.Voor zover de kosten van juridische bijstand moeten worden gezien als buitengerechtelijke kosten heeft verzoekster niet voldoende concreet en inzichtelijk onderbouwd dat van deze kosten sprake is geweest en dat het maken van de kosten, in de gegeven omstandigheden, redelijk is en dat de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk was om vergoeding van de schade te verkrijgen.\n\n7.2.. De slotsom is dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, voor zover de hoogte daarvan de door het UWV toegekende schadevergoeding te boven gaat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt.\n\n8.1.. Het UWV heeft een aanvullende schadevergoeding toegekend met het besluit van 18 november 2025 naar aanleiding van het verzoek. In de omstandigheid dat verzoekster een verzoek heeft moeten indienen om die aanvullende schadevergoeding te krijgen, ziet de rechtbank aanleiding om het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar griffierecht. Het UWV moet deze vergoeding betalen.\n\n8.2.. De hoogte van de proceskosten stelt de rechtbank vast op € 934,-. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift. De rechtbank kent in dit geval geen punt toe voor het bijwonen van de zitting omdat het nieuwe schadebesluit door het UWV twee weken na het indienen van het verzoek is genomen, nog voor de zaak op zitting is gepland.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek om aanvullende schadevergoeding af;\n\n- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 385,- aan verzoekster te vergoeden;\n\n- veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\n Wet werk en inkomensvoorziening naar arbeidsvermogen.\n\n Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.\n\n Centrale Raad van Beroep 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452 en Centrale Raad van Beroep 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130.\n\n Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.\n\n Centrale Raad van beroep 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1319.\n\n Centrale Raad van Beroep 3 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2094, en 16 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:87.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4636","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:54.342Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":44,"courtId":67,"decisionDate":61,"fullText":68,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":70},"972","ECLI:NL:RBZWB:2026:5840","ecli-nl-rbzwb-2026-5840",64,"RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2494\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,\n\nhet UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 oktober 2025, door het UWV ontvangen op 13 oktober 2025, om een besluit naar aanleiding van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWB) van [(ex-)werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 9 oktober 2025 en het UWV heeft de aanvraag op 13 oktober 2025 ontvangen. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het nemen van een besluit naar aanleiding van de EZWB is overschreden. Eiseres heeft het UWV op 14 januari 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 15 januari 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift van 15 mei 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen EZWB van de (ex-)werkneemster van eiseres heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een kortere termijn, zoals verzocht door eiseres, op te leggen.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nWijst de rechtbank het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade toe?\n\n6. Eiseres heeft verzocht om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade en nog te lijden schade. De rechtbank stelt vast dat eisers onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden als gevolg van het niet op tijd beslissen door het UWV. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade dan ook af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\nbepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nwijst het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade af;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5840","2026-07-13T00:28:57.049Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":44,"courtId":67,"decisionDate":61,"fullText":75,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":77},"969","ECLI:NL:RBZWB:2026:5842","ecli-nl-rbzwb-2026-5842","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2523\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,\n\nhet UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 december 2025, door het UWV ontvangen op 11 december 2025, om een besluit naar aanleiding van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWB) van [(ex-)werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 9 december 2025 en het UWV heeft de aanvraag op 11 december 2025 ontvangen. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het nemen van een besluit naar aanleiding van de EZWB is overschreden. Eiseres heeft het UWV op 13 maart 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 17 maart 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift van 15 mei 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen EZWB van de (ex-)werkneemster van eiseres heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een kortere termijn, zoals verzocht door eiseres, op te leggen.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nWijst de rechtbank het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade toe?\n\n6. Eiseres heeft verzocht om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade en nog te lijden schade. De rechtbank stelt vast dat eisers onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden als gevolg van het niet op tijd beslissen door het UWV. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade dan ook af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\nbepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nwijst het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade af;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5842","2026-07-13T00:28:56.943Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":44,"courtId":82,"decisionDate":61,"fullText":83,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":85},"1120","ECLI:NL:RBOVE:2026:3711","ecli-nl-rbove-2026-3711",57,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 26\u002F1470\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker,\n\ngemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),\n\ngemachtigde: [gemachtigde].\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Ministerie van Defensie (Defensie),\n\ngemachtigden: mr. A. Smajic en P.M. van der Weijden\n\nProcesverloop\n\n1. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 december 2025 (bestreden besluit) waarbij aan hem de maatregel is opgelegd dat zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) blijvend geheel niet wordt uitbetaald. Op 20 mei 2026 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.1.. Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde (via Teams), de gemachtigde van het UWV (via Teams) en de gemachtigden van Defensie.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n2. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n2.1.. Verzoeker was als wachtcoördinator in dienst van Defensie. Op 4 juli 2024 en op 12 november 2024 is verzoeker voorwaardelijk ontslagen wegens plichtsverzuim. Op 13 januari 2025 is verzoeker ziek uitgevallen. Bij besluit van 25 november 2025 heeft Defensie verzoeker disciplinair ontslagen wegens plichtsverzuim. Daaraan ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat verzoeker gedurende zijn ziekteperiode meermaals zijn verantwoordelijkheden in het kader van zijn re-integratie niet is nagekomen en dat hij zich toegang heeft verschaft tot de Legerplaats bij [plaats] met een Defensiepas die niet aan hem toebehoort, maar op naam van een collega staat. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Defensie heeft nog niet op dit bezwaar beslist. Defensie heeft naar aanleiding van het bezwaar van verzoeker een psychiater verzocht om te onderzoeken in welke mate de gedragingen aan verzoeker kunnen worden toegerekend. Verzoeker is tweemaal uitgenodigd voor een onderzoek door deze psychiater, maar hij is niet op de afspraken verschenen.\n\n2.2.. Het UWV heeft aan verzoeker met ingang van 1 december 2025 een ZW-uitkering toegekend, die wordt betaald door Defensie, die eigenrisicodrager (ERD) is. Op 19 december 2025 heeft Defensie aan het UWV verzocht om aan verzoeker een maatregel op te leggen van blijvend gehele weigering van de uitbetaling van de ZW-uitkering. Bij besluit van 30 december 2025 heeft het UWV deze maatregel aan verzoeker opgelegd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze maatregel. Het UWV heeft nog niet op het bezwaar beslist. In het kader van dit bezwaar zal door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep worden onderzocht in hoeverre de aan verzoeker verweten gedragingen hem kunnen worden toegerekend, mede gelet op zijn medische situatie. In verband met achterstanden bij het UWV is dit onderzoek nog niet opgestart.\n\n2.3.. Op 20 mei 2026 heeft verzoeker een verzoek ingediend om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat aan hem met ingang van een door de voorzieningenrechter in redelijkheid te bepalen datum een ZW-uitkering wordt verstrekt.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan\n\nde voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak,\n\nop verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van het bestreden besluit heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.\n\n3.1.. De voorzieningenrechter neemt spoedeisend belang aan. Verzoeker heeft voldoende onderbouwd dat hij geen woning en inkomsten meer heeft, dat het verkrijgen van bijstand nog niet is gelukt, en dat er betalingsachterstanden zijn ontstaan als gevolg van de maatregel.\n\nVoorlopig oordeel over de besluitvorming\n\n3.2.. Volgens vaste rechtspraak is sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek, ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd. De maatregel die bij een benadelingshandeling kan worden opgelegd wordt volgens het tweede lid van het artikel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hier moet dus onderzoek naar worden gedaan.\n\n3.3.. \n\nOp grond van artikel 63a, eerste lid, van de ZW verricht de ERD de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van de ZW. Het UWV en de ERD hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheden en taken. In de Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW (Regeling) zijn op grond van artikel 63a, negende lid, van de ZW nadere regels gesteld.\n\n In artikel 2 van de Regeling is (onder meer) bepaald dat de ERD de beslissing op zorgvuldige wijze dient voor te bereiden, waarbij het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten en dat het UWV dit voorstel dient te toetsen alvorens de gevraagde beschikking af te geven. Ook moet de ERD alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het UWV zenden.\n\n3.4.. In de toelichtingbij artikel 2 van de Regeling staat vermeld:“Het UWV voert slechts een marginale toets uit op het voorstel van de eigenrisicodrager. Marginale toetsing wil zeggen dat beoordeeld wordt of het voorstel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het voorstel gedragen kan worden door de feiten en omstandigheden die de eigenrisicodrager heeft aangedragen. Het UWV toetst alleen dát aspect op grond waarvan een beslissing via een beschikking bekend gemaakt moet worden. Bijvoorbeeld: de eigenrisicodrager doet een voorstel voor het opleggen van een maatregel. Het UWV betrekt in haar toetsing uitsluitend de voor die maatregel van belang zijnde aspecten. Alle overige aspecten die te maken hebben met recht\u002Fhoogte\u002Fduur van de uitkering, worden hierbij niet betrokken. Dergelijke aspecten komen in een periodieke toetsing van het functioneren van de eigenrisicodrager aan de orde (artikel 3). Indien de eigenrisicodrager het voorstel voor een beslissing niet of niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid, zal het UWV hem eenmaal een termijn geven om een en ander te herstellen. Bij uitblijven hiervan verricht het UWV (een deel van) de werkzaamheden (conform artikel 63a, vijfde lid, ZW).”\n\n3.5.. De voorzieningenrechter stelt vast dat Defensie bij het voorstel slechts enkele stukken heeft gevoegd, maar niet het ontslagbesluit van 25 november 2025 waarin de verweten gedragingen zijn omschreven, en ook niet het verslag van de hoorzitting die naar aanleiding van het ontslagvoornemen is gehouden. Daarnaast heeft Defensie in het voorstel niet meer opgenomen dan de mededeling dat aan verzoeker disciplinair ontslag is verleend en dat dat een benadelingshandeling is. Het UWV heeft niet getoetst, en ook niet kunnen toetsen, of het voorstel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het voorstel gedragen kon worden door de feiten en omstandigheden die Defensie heeft aangedragen. Ook stelt de voorzieningenrechter vast dat voorafgaand aan het nemen van het besluit van 30 december 2025 geen enkel onderzoek is gedaan naar de vraag of verzoekers gedragingen hem wel of niet kunnen worden aangerekend, niet door Defensie en ook niet door het UWV. Het UWV is direct overgegaan tot een blijvend gehele weigering van de uitkering zodra het verder ongemotiveerde verzoek van Defensie binnenkwam. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit volstrekt onzorgvuldig. Het UWV heeft bij voorbaat de zwaarst denkbare maatregel opgelegd zonder enig onderzoek naar de vraag of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Dat in de toelichting op de Regeling staat dat er alleen een marginale toets moet worden uitgevoerd, betekent niet dat het UWV in het geheel niet hoeft te toetsen of aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel wordt voldaan, zoals in dit geval lijkt te zijn gebeurd. Dat beoordeeld moet worden of het voorstel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het voorstel gedragen kan worden door de feiten en omstandigheden die de ERD heeft aangedragen, impliceert dat ook beoordeeld moet worden of de voorgestelde maatregel op de juiste wijze is afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Pas als uit adequaat (medisch) onderzoek volgt dat het handelen van verzoeker hem daadwerkelijk was te verwijten kan een maatregel worden opgelegd. Er was dus geen rechtsgeldige aanleiding om de uitbetaling van de ZW-uitkering te beëindigen.\n\n3.6.. Uit 3.5 volgt dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Een dergelijk gebrek kan echter in bezwaar worden gerepareerd. Het (de) vereiste (medische) onderzoek(en) naar de vraag van de verwijtbaarheid moet(en) dan alsnog plaatsvinden. Daarbij is van evident belang dat verzoeker wel op de afspraken verschijnt van de onderzoekers en dat hij meewerkt aan het onderzoek of de onderzoeken. Dit is op de zitting van de voorzieningenrechter ook besproken. De voorzieningenrechter merkt in dit kader nog op dat de gevolgen van de uitkomsten van het onderzoek van de door Defensie ingeschakelde psychiater naar de toerekenbaarheid niet per definitie dezelfde moeten zijn voor het ontslagbesluit als voor het besluit waarbij de maatregel is opgelegd. Mogelijk is het nodig dat, zoals het UWV heeft aangekondigd, ook nog een onderzoek door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep wordt uitgevoerd. De voorzieningenrechter wijst erop dat in artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregel maatregelen UWV, is bepaald dat bij het niet naleven van een verplichting uit de vierde categorie, de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld op 50 procent indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Ook zal in bezwaar, gelet op de stelling van verzoeker dat de maatregel onevenredig is, moeten worden beoordeeld of geheel of gedeeltelijk moet worden afgezien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.\n\n3.7.. Met het oog op de vraag of de voorzieningenrechter aanleiding ziet om een voorlopige voorziening te treffen wordt het volgende overwogen. Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat verzoeker ten tijde van het einde van zijn dienstverband ongeschikt was voor zijn eigen werk in de zin van de ZW. Duidelijk is dat hij op dat moment kampte met psychische klachten, een instabiele woonsituatie, gezinsproblematiek en financiële problemen. Dit doet ook vermoeden dat verzoeker vanwege zijn problematiek onvoldoende in staat was zelf de situatie ten goede te keren. Gelet op de aard van de problemen van verzoeker is de voorzieningenrechter er niet op voorhand van overtuigd dat zijn gedragingen hem daadwerkelijk (volledig) kunnen worden aangerekend. Ook is de voorzieningenrechter er nog niet van overtuigd, gelet op de instabiele woonsituatie en overige problemen van verzoeker, dat er geen dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van de maatregel af te zien. Om die reden bestaat er reële twijfel of een volledige weigering van uitkering in bezwaar stand kan houden. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Een voorlopige voorziening kan in beginsel slechts aanvangen per datum van indiening van het verzoek, dat is 20 mei 2026, en worden opgelegd tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter draagt het UWV daarom op de ZW-aanspraken van verzoeker met ingang van 20 mei 2026 voorlopig volledig uit te betalen.\n\n5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, is er aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (waarbij geldt 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast moet het UWV het door verzoeker betaalde griffierecht van € 54,- aan hem vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nbepaalt dat de uitbetaling van de ZW-uitkering van verzoeker met ingang van 20 mei 2026 wordt hervat;\n\nveroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-;\n\ndraagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 54,- aan verzoeker te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Stcrt 2009, 20617","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3711","2026-07-13T00:29:05.162Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":44,"courtId":90,"decisionDate":91,"fullText":92,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":52,"updatedAt":95},"1504","ECLI:NL:RBOVE:2026:3815","ecli-nl-rbove-2026-3815",69,"2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Almelo\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 24\u002F3872\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , (hierna: [eiseres] )\n\ngemachtigde: mr. D. Aygur,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over een afwijzing van een aanvraag voor een Wajong-uitkering. [eiseres] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat [eiseres] op haar achttiende verjaardag (nog) arbeidsvermogen had. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n1. [eiseres] is geboren op [geboortedatum] 2005 en is dus op [geboortedatum] 2023 achttien jaar geworden. Op 26 juli 2023 heeft zij een Wajong-uitkering aangevraagd. De aanvraag en medische informatie is beoordeeld door een verzekeringsarts en ook een arbeidsdeskundige heeft de aanvraag beoordeeld. Met het besluit van 20 november 2023 is de aanvraag afgewezen. Tegen dat besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van [eiseres] is het UWV bij dat besluit gebleven.\n\n1.1.. \n\n [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 9 december 2024 aanvullende gronden ingediend. Het UWV heeft daarop gereageerd met een rapport van\n\n16 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B).\n\n1.2.. Op 17 februari 2025 heeft [eiseres] aanvullende beroepsgronden ingediend met informatie van 22 oktober 2018 en 23 oktober 2023 van de internist\u002Fhematoloog dr. J.J.A. Auwerda (hierna: Auwerda). Ook is een rapport van arts Van Diemen, een verwijsbrief naar specialistische GGZ, een intakeverslag en een bericht van de kinderarts overgelegd.1.3.. Het UWV heeft hierop gereageerd met een rapport van 28 maart 2025 van de verzekeringsarts B&B.\n\n1.4.. \n\nOp 21 mei 2026 zijn aanvullende gronden ingediend met informatie van\n\n15 januari 2026 van GZ-psycholoog en regiebehandelaar dr. [medewerker GGZ] (hierna: [medewerker GGZ]), werkzaam bij Boncara GGZ.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV. Ook mevrouw [naam] was aanwezig.\n\nStandpunt UWV\n\n2. Volgens het UWV heeft [eiseres] geen recht op een Wajong-uitkering, omdat zij op haar achttiende verjaardag (datum in geding) wel arbeidsvermogen heeft. Hiervoor baseert het UWV zich op de rapporten van de verzekeringsarts B&B en de arbeidsdeskundige B&B. Daarin is geconcludeerd dat [eiseres] ondanks haar gezondheidsklachten en beperkingen wel vier uur per dag en een uur aaneengesloten kan werken. Ook kan zijn de taak \"Invoeren van gegevens” doen en beschikt zij wel over basale werknemersvaardigheden.\n\nStandpunten [eiseres]\n\n3. [eiseres] stelt dat zij vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een vitamine B12-tekort geen arbeidsvermogen heeft. De beperkingen die zij hierdoor ondervindt maken dat zij niet in staat is om te werken en dit in de toekomst ook niet zal kunnen. Haar mentale klachten zijn al lang aanwezig en verschillende behandelingen hebben niet geleid tot het gewenste resultaat. In 2019 is zij in behandeling geweest bij een psycholoog en recentelijk is zij weer doorverwezen. Daarnaast is zij al jaren in behandeling bij Auwerda vanwege een vitamine B12-tekort. De verzekeringsarts heeft ten onrechte geconcludeerd dat zij niet gediagnosticeerd is met pernicieuze anemie. Zij is weldegelijk gediagnosticeerd met een vitamine B12-tekort.\n\n3.1.. Ook stelt [eiseres] dat het rapport van 23 oktober 2023 van Auwerda niet bij de beoordeling is betrokken. Verder stelt [eiseres] dat de verzekeringsarts ten onrechte op basis van een spreekuur heeft geconcludeerd dat zij wel arbeidsvermogen heeft, omdat dit een momentopname is. Tenslotte voert [eiseres] aan dat vanwege haar beperkingen sprake was van veel schooluitval. Uit het rapport van 26 juni 2023 van arts Van Diemen blijkt ook dat zij als gevolg van een combinatie van ernstige lichamelijke en psychische beperkingen niet in staat is om een studie te volgen. Zij heeft drie jaar niet naar school gekund.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de aanvraag voor een Wajong-uitkering terecht heeft afgewezen. De rechtbank licht dit als volgt toe.\n\n4.1.. Om in aanmerking te komen voor een Wajonguitkering moet eerst vast komen te staan dat iemand op zijn of haar achttiende verjaardag geen arbeidsvermogen heeft.Ook moet het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam zijn. Van het ontbreken van arbeidsvermogen is sprake als iemand:\n\na. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie; of\n\nb. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt; of\n\nc. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of\n\nd. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.\n\nDeze criteria worden beoordeeld door een verzekeringsarts. De criteria onder a. en b. worden ook beoordeeld door een arbeidsdeskundige.\n\nDat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam moet zijn, betekent dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.Hiervan is sprake als iemand geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en als herstel is uitgesloten.\n\nVerzekeringsgeneeskundige beoordeling\n\n4.2.. \n\nHet spreekuur bij de verzekeringsarts vond plaats op 5 oktober 2023 en er is aanvullende informatie opgevraagd en verkregen van Auwerda. In het rapport van\n\n1 november 2023 heeft de verzekeringsarts overwogen dat [eiseres] sinds de tienerjaren kampt met zowel mentale en lichamelijke problematiek. Binnen haar gezin en familie werd zij vanaf jonge leeftijd geconfronteerd met ziektes en overlijdens. Haar vader en broertjes kampen ook met een vitamine B12-tekort. Deze gebeurtenissen en situaties hebben destijds een flinke emotionele impact gehad. Bovendien kampt [eiseres] sinds de tienerjaren zelf met lichamelijke problematiek. Met veel ondersteuning heeft ze in 2022 nog haar VMBO-diploma kunnen halen. Zij heeft weinig energie, waardoor ze fysieke activiteiten niet goed kan volhouden. Hierdoor is ze veel thuis. Ook qua concentratie en geheugen merkt ze problemen en ze slaapt erg slecht. Op betere momenten probeert ze huishoudelijke taken te verrichten.\n\n4.3.. De verzekeringsarts concludeert dat het gaat om een complexe situatie waarbij het huidige functioneren van [eiseres] niet alleen bepaald wordt door medische factoren, maar ook door gebeurtenissen in het gezin in het verleden en actuele sociale omstandigheden. Volgens de verzekeringsarts zijn op basis van het spreekuur en het functioneren in het dagelijks leven minder (medische) beperkingen te objectiveren dan [eiseres] aangeeft. Bepaalde cognitieve functies (geheugen, woordvinding) zullen misschien niet optimaal zijn. Het energieniveau zal bij [eiseres] ook zeker minder zijn dan bij leeftijdsgenoten en er is psychisch een hoog spanningsniveau en een emotionele kwetsbaarheid. Volgens de verzekeringsarts is [eiseres] in het dagelijks leven wel in staat om gericht activiteiten te ondernemen en heeft zij ook arbeidsvermogen.\n\n4.4.. \n\nVolgens de verzekeringsarts is geen sprake van geobjectiveerde stoornissen van de aandachtsfunctie en er is ook geen sprake van ernstige emotionele instabiliteit en\u002Fof oncontroleerbare gedragingen. Zelfs met een (licht) verminderde geheugenfunctie zal [eiseres] in staat zijn om in werk dat cognitief niet al te veeleisend is een uur aaneengesloten te werken. Het is voorstelbaar dat de energiehuishouding van [eiseres] niet optimaal is, maar er zijn geen concrete feiten waaruit blijkt dat het energieniveau dermate laag is dat [eiseres] niet vier uur per dag belastbaar zou zijn. Verspreid over de dag kan ze activiteiten verrichten en tijdens het spreekuur was de lichamelijke toestand niet buitensporig slecht.\n\nVolgens de verzekeringsarts zijn er geen overtuigende medische feiten waaruit blijkt dat [eiseres] per definitie niet in staat zou zijn om eenvoudige instructies van een werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren. Eventueel kunnen als geheugensteun nog hulpmiddelen ingezet worden, en kan er op een werkplek begeleiding ingezet worden. Het is voorstelbaar dat er soms slechte dagen zijn waarop [eiseres] moeite heeft om tot activiteiten te komen, maar dat is onvoldoende reden om te stellen dat zij per definitie geen afspraken met werkgevers kan nakomen.\n\n4.5.. \n\nIn het rapport van 26 september 2024 concludeert de verzekeringsarts B&B dat er geen aanleiding is om de beoordeling van de verzekeringsarts te wijzigen. Het spreekuur vond plaats op 12 september 2024 en er is informatie verkregen van de huisarts. Volgens de verzekeringsarts B&B is er een discrepantie tussen de medisch objectieve gegevens en het geclaimde onvermogen. Zowel de lichamelijke aandoening als de psychische klachten van betrokkene kunnen een ontbreken van arbeidsvermogen niet verklaren. Op psychisch gebied heeft [eiseres] veel meegemaakt. [eiseres] geeft nog steeds veel klachten en belemmeringen aan. Zelfstandig worden en meer afstand nemen van het gezin zou een positief effect kunnen hebben op de klachten. Bij [eiseres] is echter geen sprake van een psychiatrisch ziektebeeld op basis waarvan zij geen arbeidsvermogen zou hebben.\n\nVerder concludeert de verzekeringsarts B&B dat bij [eiseres] sprake is van allerlei fysieke klachten die jaren geleden geduid zijn als het gevolg van een vitamine B12-tekort. Op basis van de beschikbare informatie is niet duidelijk op basis waarvan het tekort is ontstaan. Uit de informatie blijkt ook niet dat er bij [eiseres] sprake is van een pernicieuze anemie. Bij een adequate suppletie mag een verbetering van de neurologische symptomen verwacht worden binnen zes maanden en de internist geeft een duidelijk effect aan. Het is niet duidelijk in hoeverre de ernst van de ervaren klachten nog past bij een inmiddels gesuppleerd vitamine B12 tekort en het hebben van milde neurologische symptomen leidt niet tot het ontbreken van arbeidsvermogen.\n\n4.6.. \n\nIn de rapporten van 16 januari 2025 motiveert de verzekeringsarts B&B verder dat de beroepsgronden geen aanleiding geven om tot een andere conclusie te komen. Hiertoe overweegt de verzekeringsarts B&B dat de diagnose PTSS niet naar voren komt uit de gegevens van de curatieve sector. Uit deze informatie blijkt dat gesproken is over traumatische ervaringen omtrent de impact van de gezondheidssituatie van de vader van [eiseres] en haar broertjes. In de informatie van 3 september 2014 van de psycholoog Spijker komt de EMDR-behandeling naar voren maar wordt de diagnose PTSS niet genoemd. Deze diagnose komt ook niet voor in de informatie van 15 mei 2020 van psycholoog Homrighausen. Daaruit blijkt wel dat de behandeling goed is afgerond. Verder motiveert de verzekeringsarts B&B dat uit de medische informatie niet volgt dat bij [eiseres] sprake is van een pernicieuze anemie, maar wel van een symptomatisch vitamine B12-tekort. De oorzaak van dat tekort is niet duidelijk. Door de ziekte van haar vader en alertheid daarop binnen het gezin is [eiseres] op tijd gestart met suppletie. De aard en de ernst van een deel van de klachten en belemmeringen zoals [eiseres] die aangeeft kunnen echter niet vanuit het doorgemaakt vitamine B-12 tekort verklaard worden. Ook wordt in de beschikbare medische informatie geen bloedarmoede of neurologische afwijkingen beschreven. Het\n\nfeit dat [eiseres] al behandelingen heeft gevolgd wil niet zeggen dat zij niet meer van behandelingen kan profiteren. [eiseres] heeft namelijk eerder ook van behandeling kunnen profiteren. Daarnaast zal er nog sprake zijn van groei richting volwassenheid en zelfstandigheid en kan begeleiding plaatsvinden. Afstand kunnen nemen van een belastende thuissituatie kan bijdragen aan het versterken van de mentale weerbaarheid. Dit kan volgens de verzekeringsarts B&B ook een positief effect hebben op de ervaren lichamelijke klachten.\n\nArbeidskundige beoordeling\n\n4.7.. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 17 november 2023 geconcludeerd dat [eiseres] beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat [eiseres] in staat moet worden geacht om een taak uit te kunnen voeren in een arbeidsorganisatie. Als taak is het invoeren van gegevens geselecteerd. De beperkingen in het energieniveau hoeft in deze taak geen probleem op te leveren, omdat deze taak wordt verricht bij een bureau met een computer. Gezien het opleidingsniveau van [eiseres] is de taak ook passend. Zij kan lezen, kan in staat worden geacht om gegevens te vergelijken en kan met een computer overweg. Gezien haar niveau mag dus ook verwacht worden dat zij deze taak kan begrijpen en uitvoeren.\n\n4.8.. De arbeidsdeskundige B&B concludeert in het rapport van 30 september 2024 dat er geen aanleiding is om de beoordeling te wijzigen. Naar aanleiding van het in bezwaar aangevoerde heeft de arbeidsdeskundige B&B daarbij opgemerkt dat, indien nodig, op de werkplek begeleiding ingezet kan worden. De taak is geschikt, omdat het een energetisch lichte taak is die past bij het niveau van [eiseres] . [eiseres] heeft voldoende intelligentie en opleiding en geen problemen in het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies. [eiseres] heeft dit op school ook laten zien. Er zijn ook geen problemen in bijvoorbeeld het gedrag die maken dat [eiseres] afspraken niet na kan komen.\n\nBeoordeling van de beroepsgronden\n\n4.9.. De rechtbank is van oordeel dat in de rapporten inzichtelijk en navolgbaar is gemotiveerd dat [eiseres] op haar achttiende verjaardag arbeidsvermogen had. Zowel bij de primaire beoordeling als in bezwaar hebben de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen met [eiseres] gesproken. Daarnaast is de medische informatie waar in het beroepschrift en tijdens de zitting op is gewezen, bij de beoordeling betrokken. Anders dan [eiseres] stelt is de beoordeling dan ook niet gebaseerd op een momentopname van een spreekuur. Ook is het rapport van 23 oktober 2023 van Auwerda wel bij de beoordeling betrokken. Die informatie staat op bladzijde 4 van het rapport van de verzekeringsarts B&B van 26 september 2024. Daarnaast heeft de verzekeringsarts B&B in het aanvullende rapport van 28 maart 2025 ook navolgbaar gemotiveerd dat het rapport van arts Van Diemen, de verwijsbrief naar specialistische GGZ, een intakeverslag en een bericht van de kinderarts niet tot een andere conclusie leiden.\n\n4.10.. \n\nDe informatie van 15 januari 2026 van [medewerker GGZ] laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat deze informatie slecht één dag voor de zitting is overgelegd. Artikel 8:58, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Tijdens de zitting is gebleken dat deze informatie niet eerder is overgelegd, omdat de gemachtigde meer informatie wilde verzamelen en dit vervolgens gezamenlijk wilde overleggen. Dit maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Enerzijds omdat dit een eigen keuze is geweest anderzijds omdat deze keuze niet geheel navolgbaar is, omdat de informatie al in januari 2026 beschikbaar was en al ingediend had kunnen worden bij de eerder geplande zitting van 18 maart 2026 die op verzoek van de gemachtigde is uitgesteld. Ten overvloede merkt de rechtbank overigens op dat deze informatie ziet op een periode van na datum in geding; namelijk de periode van\n\n6 maart 2025 tot en met 15 januari 2026. Zoals tijdens de zitting ook met partijen is besproken, lijkt het erop dat [eiseres] gezondheidssituatie is verslechterd na haar achttiende verjaardag. Het UWV heeft daarover ter zitting gezegd dat zij binnen vijf jaar na haar achttiende verjaardag een wijziging van haar gezondheid kan doorgeven, zodat die wijziging beoordeeld kan worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt het griffierecht dan ook niet terug en geen vergoeding van proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.\n\n Artikel 1a:1, eerste lid, onder a van de Wajong.\n\n Artikel 1a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.\n\n Artikel 1a:1, vierde lid van de Wajong.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3815","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:24.349Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":91,"fullText":100,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":103},"920","ECLI:NL:RBOBR:2026:4607","ecli-nl-rbobr-2026-4607","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F2436\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de terugvordering van een aan eiser verstrekt voorschot op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing over die terugvordering in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 7 juli 2025 heeft het UWV vastgesteld dat eiser € 782,51 bruto te veel aan voorschot op de WAO-uitkering heeft ontvangen en dat hij dit moet terugbetalen aan het UWV.\n\n2.1.. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 17 september 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij dat besluit gebleven.\n\n2.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn partner, en de gemachtigde van het UWV.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen een vraag van de rechtbank voor te leggen aan zijn voormalig werkgever. Eiser heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt en de schriftelijke reactie van zijn voormalig werkgever (een brief van 23 maart 2026) in het geding gebracht. Het UWV is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Van die gelegenheid heeft het UWV gebruikgemaakt.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij het niet nodig vindt om in deze zaak een nadere zitting te houden en partijen de gelegenheid gegeven om het binnen vier weken te laten weten als zij wel op een nadere zitting willen worden gehoord. Geen van de partijen heeft binnen die termijn verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe relevante feiten\n\n3. Eiser bereikte op 26 juni 2025 de AOW-gerechtigde leeftijd. Eiser had tot die datum recht op een WAO-uitkering. Deze uitkering werd in de vorm van een voorschot verstrekt, waarbij achteraf de inkomsten werden verrekend met zijn uitkering. Eiser had namelijk naast zijn WAO-uitkering inkomen uit arbeid. Hij werkte voor [naam] Ook dat dienstverband eindigde op 26 juni 2025 wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.\n\n4. Eiser heeft voor de periode 1 juni 2025 tot en met 25 juni 2025 een voorschot ontvangen op zijn WAO-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het ging om een voorschot van € 724,54 bruto (exclusief vakantiegeld).\n\nEiser heeft in de maand juni 2025 in totaal € 4.541,10 bruto van zijn werkgever ontvangen, waaronder naast zijn gebruikelijke salaris een (eenmalig) bedrag van € 1.900 genaamd ‘uitkering Vut\u002FPensioen N\u002FBr.eenm’.\n\n5. Het UWV heeft op basis van de inkomensgegevens van de Belastingdienst een definitieve berekening van eisers WAO-uitkering uitgevoerd over juni 2025. Daarbij is berekend of het in juni 2025 verstrekte voorschot in overeenstemming was met het bedrag aan WAO-uitkering waar eiser in die maand recht op had. Dat heeft geleid tot de besluitvorming zoals weergegeven onder ‘Procesverloop’.\n\nDe standpunten van partijen\n\n6. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het voorschot op de WAO-uitkering dat eiser in juni 2025 heeft ontvangen (€ 782,51 incl. vakantiegeld) hoger is dan de uitkering waar eiser in die maand recht op had (€ 0,00). Dat bedrag moet eiser daarom terugbetalen. Het UWV heeft dit berekend door in de maand juni 2025 een bedrag van € 4.541,10 aan SV-loon in aanmerking te nemen. Het loonverlies (en arbeidsongeschiktheidspercentage) wordt berekend door de volgende som: (maatmanloon - SV-loon)\u002F maatmanloon x 100%. Het maatmanloon van eiser bedraagt € 4.629,80. Voormelde som leidt dan tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%, zodat het uitkeringspercentage 0% bedraagt. De aan eiser in juni 2025 betaalde gift van\n\n€ 1.900, die onderdeel uitmaakt van het voormelde bedrag van € 4.541,10, is volgens het UWV door de werkgever (terecht) aangemerkt als SV-loon, zodat het moet worden verrekend met eisers WAO-uitkering. Dat dit is aangemerkt als SV-loon blijkt volgens het UWV uit de polisadministratie en eisers loonstrook. Volgens het UWV is deze gift, anders dan bijvoorbeeld extra salaris bij een 25-jarig of 40-jarig jubileum, niet uitgezonderd van het loonbegrip. Om die reden is het als loon in aanmerking genomen en verrekend met de uitkering.\n\n7. Eiser is het niet eens met de terugvordering. Hij voert aan dat hij, vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, in juni 2025 een financiële gift heeft ontvangen van zijn werkgever ter hoogte van € 1.900 (€ 50 netto per gewerkt jaar voor de door eiser gewerkte 38 dienstjaren). Eiser vindt het onterecht dat dit bedrag wordt verrekend met de WAO-uitkering. Dit is volgens eiser een ‘cadeau’ van zijn werkgever, wat ook zou blijken uit de personeelsgids van zijn werkgever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser (in bezwaar) zijn loonstrook over de maand juni 2025 overgelegd. Als dit ‘cadeau’ was verstrekt na 1 juli 2025, dan was er volgens eiser niets aan de hand geweest en zou het UWV niets hebben verrekend. Eiser heeft het ontstane probleem aangekaart bij de werkgever en die zal de betreffende ‘cadeaus’ in het vervolg een maand later uitkeren.\n\nEiser stelt dat het UWV het cadeau bij het 25-jarig jubileum wel akkoord vond. Verder voert eiser aan dat hem onduidelijk is waarom hij nu € 643,01 netto moet terugbetalen, terwijl hij in juni 2025 € 595,30 netto van het UWV heeft ontvangen.\n\nDe redenen voor de beslissing van de rechtbank\n\n8. De wet- en regelgeving die voor de beoordeling van het beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n9. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd.\n\n10. Om te kunnen bepalen of het UWV dit bedrag terecht van eiser heeft teruggevorderd is van belang of het UWV voor de maand juni 2025 het juiste bedrag aan inkomsten uit arbeid in aanmerking heeft genomen voor het berekenen van de arbeidsongeschiktheidsklasse op basis waarvan de WAO-uitkering van eiser over deze maand moet worden uitbetaald.\n\n11. Tussen partijen staat alleen ter discussie of het UWV de aan eiser gedane financiële verstrekking van € 1.900 terecht heeft betrokken in de verrekening met de WAO-uitkering, zoals bepaald in artikel 44 van de WAO. Op grond van deze bepaling moet het UWV een fictieve schatting te maken van de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde, indien hij inkomen uit arbeid ontvangt.\n\n12. Om te bepalen wat onder inkomen en loon als bedoeld in artikel 44 van de WAO wordt verstaan, wordt teruggevallen op het loonbegrip zoals dat in de fiscale wet- en regelgeving wordt omschreven. Dat is het zogeheten SV-loon. Dit is ook bepaald in de artikelen 2 en 2a van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen. De strekking van die bepalingen is hetzelfde, namelijk dat, voor zover hier van belang, als loon en inkomen heeft te gelden het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten.\n\n13. Uit artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964 volgt dat niet tot loon behoort een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft.\n\n14. In de brief van 23 maart 2026 van de werkgever die eiser in het geding heeft gebracht, heeft de werkgever verklaard dat het verstrekte bedrag van € 1.900 geen verband houdt met het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar of na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar. Hieruit volgt dat het bedrag niet valt onder de wettelijke uitzondering zoals genoemd in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964. Er is dus geen sprake van een financiële verstrekking die buiten het (fiscale) loonbegrip valt. Dat het, zoals eiser stelt, door de werkgever een ‘cadeau’ wordt genoemd laat onverlet dat het wel een (gebruteerde) financiële verstrekking is waarvan de werkgever loonaangifte heeft gedaan. In zoverre is dus sprake van loon dat het UWV moet verrekenen met de WAO-uitkering.\n\n15. Eisers voormalig werkgever heeft het verstrekte bedrag van € 1.900 als SV-loon in de loonaangifte opgenomen in het aangiftetijdvak van juni 2025. Die informatie van de Belastingdienst komt terecht in de polisadministratie die het UWV gebruikt bij het vaststellen van het inkomen uit arbeid dat een uitkeringsgerechtigde ontvangt. Het UWV mag uitgaan van deze gegevens, tenzij wordt aangetoond dat die gegevens onjuist zijn. Eiser heeft de juistheid van deze gegevens van de Belastingdienst niet betwist. In artikel 44, tweede lid, van de WAO is uitdrukkelijk bepaald dat het loon wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. Dus in dit geval is dat juni 2025. Het UWV kan dus, voor zover eiser dat bedoelt aan te voeren, dat loon niet toerekenen aan een later dan wel ander tijdvak dan juni 2025.\n\n16. Het UWV heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar rechtspraak, verder uitgelegd dat hier sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid en niet uit een vroegere dienstbetrekking, zodat de aan eiser gedane extra financiële verstrekking ook in die zin geen uitgezonderd loon vormt dat buiten beschouwing moet worden gelaten bij de schatting. Eiser heeft die uitleg niet betwist. Die uitleg van het UWV is ook in lijn met de rechtspraak van de hoogste rechter in Nederland in sociale zekerheidszaken, de Centrale Raad van Beroep.\n\n17. Gelet op het voorgaande heeft het UWV de financiële verstrekking van € 1.900 terecht als loon verrekend met de WAO-uitkering.\n\n18. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de eenmalige uitkering van € 1.900 in juni 2025 de overschrijding van de inkomensgrens in die maand veroorzaakt, waardoor eiser in die maand terugvalt van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% naar de lagere klasse van 0 tot 15%. Dat heeft tot gevolg dat zijn uitkeringspercentage in die maand wijzigt van 28% naar 0% van de grondslag. Hierdoor heeft eiser over die maand een te hoog voorschot aan WAO-uitkering ontvangen. Cijfermatig betekent dit volgens het UWV dat eiser in de maand juni 2025 € 782,51 te veel (voorschot) WAO-uitkering (inclusief vakantiegeld) heeft ontvangen. Dat is het (bruto)bedrag dat van eiser is teruggevorderd.\n\n19. Over de hoogte van dat teruggevorderde bedrag, waarvan eiser vindt dat het onduidelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. In het betreden besluit en in het verweerschrift is hierover uitgelegd dat bij het in juni 2025 verstrekte bruto bedrag van € 724,54 een bedrag aan gereserveerde vakantietoeslag van bruto € 57,97 moet worden opgeteld, waarmee het totaal terug te vorderen bedrag uitkomt op € 782,51. Eiser heeft die uitleg verder niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de hoogte van het teruggevorderde bedrag te twijfelen.\n\n20. Er zijn geen dringende redenen gesteld of gebleken op grond waarvan het UWV had moeten besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.\n\n21. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd. De beroepsgronden slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nBijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving\n\nWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)\n\nArtikel 44\n\n1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:\n\na. niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of\n\nb. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.\n\nNa afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.\n\n2 Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienstbetrekking arbeid als bedoeld in het eerste lid verricht of heeft verricht, wordt het loon geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.\n\n(…)\n\n8 Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.\n\nArtikel 57\n\n1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.\n\n2 De uitkering die onverschuldigd aan de werkgever is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de werkgever teruggevorderd, indien de werkgever de uitkering op grond van artikel 629, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in mindering heeft kunnen brengen op het loon.\n\n(…)\n\n6 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.\n\n7 Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.\n\n8 In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.\n\nRegeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen\n\nArtikel 2\n\n1. Onder loon als bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, van de WAO en 58, tweede lid, van de Waz wordt verstaan het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer in de zin van die wet, met uitzondering van:\n\na. het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;\n\nb. loondervingsuitkeringen, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de door de werkgever betaalde aanvullingen op die uitkeringen;\n\nc. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964. (…)\n\nArtikel 2a\n\n1. Onder inkomen als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, van de WAO en 58, eerste lid, van de Waz wordt verstaan:\n\na.het loon, bedoeld in artikel 2;\n\n(…)\n\nc. het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de verzekerde niet als werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering sociale verzekeringen, inkomen verdient, met uitzondering van:\n\n1°.het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;\n\n(…)\n\n6 Bij de vaststelling van het inkomen wordt het in de relevante aangiftetijdvakken opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de in die tijdvakken opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag als bedoeld in artikel 1:1 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in aanmerking, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag in die tijdvakken niet in aanmerking worden genomen.\n\nWet financiering sociale verzekeringen\n\nArtikel 16\n\n1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.\n\n2 Tot het loon behoren niet:\n\na. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat en met uitzondering van toeslagen op grond van de Toeslagenwet;\n\n(…).\n\nWet op de loonbelasting 1964\n\nArtikel 11\n\n1. Tot het loon behoren niet:\n\n(…)\n\no. een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft, mits is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; (…).\n\n Algemene Ouderdomswet (AOW).\n\n Op grond van artikel 44 van de WAO.\n\n Vergelijk de uitspraak van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4607","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:54.569Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":44,"courtId":67,"decisionDate":102,"fullText":108,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":110},"1975","ECLI:NL:RBZWB:2026:5791","ecli-nl-rbzwb-2026-5791","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2614\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,\n\n(gemachtigde: mr. I.T.A. Duijs),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,\n\nhet UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 8 augustus 2025 tegen het besluit van 15 juli 2025 waarmee eisers Ziektewetuitkering beëindigd wordt per 16 augustus 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 8 augustus 2025. Het UWV moet binnen zeventien weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is.Het UWV heeft de termijn verlengd met zes weken.Het UWV had dus uiterlijk op 3 februari 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft het UWV op 6 februari 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 9 februari 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Op basis van de ingebrekestelling van 9 februari 2026 heeft het UWV op 11 mei 2026 een dwangsombeschikking afgegeven waarbij het de bestuurlijke dwangsom heeft bepaald op het maximale bedrag van € 1.442,-.\n\nWelke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift van 26 mei 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen beoordeling van het bezwaar van eiser heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen. Het UWV vraagt om een beslistermijn op te leggen van 30 weken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen, en verwijst naar twee uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van het UWV om een (nog) langere beslistermijn op te leggen. Verder gaat de rechtbank niet mee in het verzoek van eiser om een kortere beslistermijn op te leggen. Voor zover eiser, vanwege het eindigen van zijn WW-uitkering en ondanks het inkomen van zijn partner, onder het sociaal minimum zou komen, kan eiser een aanvraag voor een bijstandsuitkering doen.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nStelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?\n\n6. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat het UWV de hoogte van de dwangsom juist heeft vastgesteld, op het maximum bedrag van € 1.442,-, in de dwangsombeschikking van 11 mei 2026.\n\n6.2.. Eiser vraagt om wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe voor zover het UWV in verzuim is (geweest). Het UWV moest de dwangsom uiterlijk op 20 april 2026 vaststellen en uiterlijk op 1 juni 2026 aan eiser betalen.Voor zover het UWV dit niet heeft gedaan, is het in verzuim en moet het vanaf 2 juni 2026 tot de datum waarop alles is betaald wettelijke rente aan eiser betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. Verder wijst de rechtbank het verzoek om de wettelijke rente over de bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- toe voor zover het UWV in verzuim is (geweest).\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\n- veroordeelt het UWV voor zover het UWV in verzuim is (geweest) om de wettelijke rente over de bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- aan eiser te betalen, vanaf 2 juni 2026 tot de dag waarop het gehele bedrag is betaald;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 73a, eerste lid, van de Ziektewet.\n\n Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb.\n\n ECLI:NL:RBROT:2025:9224 en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\n Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 4:87, eerste lid en artikel 4:100 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5791","2026-07-13T00:29:48.069Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":44,"courtId":115,"decisionDate":116,"fullText":117,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":52,"updatedAt":120},"1455","ECLI:NL:RBROT:2026:7204","ecli-nl-rbrot-2026-7204",61,"2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F8926\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit [plaatsnaam], eiser\n\n(gemachtigde: mr. S. van der Eijk)\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: [naam]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een terugvordering van te veel ontvangen uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Wel krijgt eiser een vergoeding van de gemaakte proceskosten en het griffierecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het primaire besluit van 12 maart 2025 heeft het UWV bepaald dat eiser een bedrag van € 18.384,82 bruto aan te veel betaalde Wajong-uitkering moet terugbetalen. Met het bestreden besluit van 26 september 2025 is het UWV bij dat besluit gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.\n\n2.1.. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. Eiser heeft nadere stukken ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.\n\nBeoordeling door de rechtbankWaar gaat het om in deze zaak?\n\n3. Eiser ontving een Wajong-uitkering. Omdat hij naast zijn Wajong-uitkering inkomsten uit werk had, ontving hij de Wajong-uitkering in de vorm van een voorschot. Het UWV heeft met het primaire besluit, dat in het bestreden besluit in stand is gebleven, eisers recht op Wajong-uitkering over de periode van 16 januari 2023 tot en met 31 december 2023 definitief berekend en bepaald dat eiser in totaal € 18.384,82 bruto te veel heeft ontvangen. Dit bedrag moet eiser terugbetalen aan het UWV. Eiser is het hier niet mee eens en voert in beroep aan dat het UWV wegens dringende redenen van de terugvordering had moeten afzien.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van te veel ontvangen Wajong-uitkering vanwege inkomsten uit werk. Wat partijen verdeeld houdt, is of sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het UWV geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het UWV heeft bij de oorzaak en bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. Over de oorzaak heeft het UWV toegelicht dat eiser verplicht is zijn inkomsten als zelfstandige aan het UWV te melden en dat het UWV eiser met de brieven van 19 juni 2019 en 1 augustus 2022 heeft gewezen op zijn verplichting om wijzigingen in zijn situatie aan het UWV door te geven. Gelet op deze brieven was eiser van deze verplichting op de hoogte en had het op zijn weg gelegen om tijdig zijn inkomsten als zelfstandige aan het UWV door te geven. Dat eisers inkomsten als zelfstandige bij de Belastingdienst bekend waren, ontslaat eiser niet van zijn verplichting om deze inkomsten te melden aan het UWV. Bovendien heeft het UWV ter zitting toegelicht dat de Belastingdienst de gegevens over eisers werkzaamheden als zelfstandige pas aan het UWV doorgeeft nadat de aangifte inkomstenbelasting bij de Belastingdienst is gedaan. In dit geval heeft het UWV pas bij eisers verzoek om beëindiging van zijn Wajong-uitkering geconstateerd dat eiser sinds 16 januari 2023 met zijn onderneming staat ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Daarnaast blijkt uit een rapportage van 11 juli 2024 dat eiser in het eerste kwartaal van 2023 omzet had, maar dat vanwege uitstel voor de aangifte inkomstenbelasting destijds (op 11 juli 2024) nog niet bekend was of eiser winst had in 2023. Om die reden is pas met het primaire besluit van 12 maart 2025 de Wajong-uitkering over de periode van 16 januari 2023 tot en met 31 december 2023 teruggevorderd.\n\n5.1.. Wat betreft de gevolgen van de terugvordering heeft eiser erop gewezen dat hij de afgelopen jaren veel heeft meegemaakt. Zijn partner is nog niet zo lang geleden overleden. Daarnaast kampt hij met medische klachten, waaronder spannings- en angstklachten, en schuldenproblematiek, waaronder een forse schuld aan het CJIB. Ten aanzien van de psychische klachten heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze klachten dermate ernstig zijn dat hij de informatie over zijn inkomsten als zelfstandige niet tijdig aan het UWV kon doorgeven. Ten aanzien van de financiële gevolgen heeft eiser niet met nadere stukken aannemelijk gemaakt dat de gestelde financiële slechte situatie zodanig is dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare financiële en sociale gevolgen heeft. Onder deze omstandigheden heeft het UWV dan ook geen aanleiding hoeven zien om van terugvordering af te zien.\n\n6. Omdat het UWV in het bestreden besluit bij de belangenafweging in het kader van de dringende redenen slechts is ingegaan op de gestelde financiële gevolgen van de terugvordering en niet ook op de oorzaak en andere gestelde (niet-financiële) gevolgen van de terugvordering, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Op de zitting heeft het UWV alsnog een belangenafweging in het kader van de dringende reden gemaakt als bedoeld in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.Gelet hierop zal de rechtbank het gebrek passeren, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het UWV heeft dus terecht tot terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan Wajong-uitkering besloten. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n8. Gelet op het motiveringsgebrek ziet de rechtbank wel aanleiding te bepalen dat het UWV het betaalde griffierecht moet vergoeden aan eiser. Ook moet het UWV de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;\n\nbepaalt dat het UWV de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\nde griffier is verhinderd te tekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Als bedoeld in artikel 2:59, vijfde lid van de Wajong.\n\n Vgl. ECLI:NL:CRVB:2024:726, r.o. 4.3.4, en ECLI:NL:CRVB:2025:1333, r.o. 4.8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7204","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:21.946Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":44,"courtId":115,"decisionDate":116,"fullText":125,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":126,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":52,"updatedAt":127},"1453","ECLI:NL:RBROT:2026:7183","ecli-nl-rbrot-2026-7183","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F9830\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit [plaatsnaam], eiser\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: [naam]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser toegekend voorschot vanaf 7 juli 2025 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de hoogte van het voorschot en heeft beroep ingesteld.\n\n1.1.. Hierna heeft het UWV een definitief besluit genomen over de hoogte van de WIA-uitkering vanaf 7 juli 2025. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van het voorschotbesluit. De rechtbank komt in deze uitspraak dan ook tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het primaire besluit van 8 juli 2025 heeft het UWV bepaald dat eiser vanaf 7 juli 2025 recht heeft op een voorschot op zijn WIA-uitkering. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 is het UWV bij dat besluit gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.\n\n2.1.. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. Eiser heeft een nader stuk ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn ouders en de gemachtigde van het UWV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Eiser is op 10 juli 2023 arbeidsongeschikt geraakt. Hij heeft op 10 april 2025 een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen. In dit besluit is aan eiser vanaf 7 juli 2025 een voorschot op zijn WIA-uitkering toegekend ter hoogte van € 1.881,81 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Dit voorschot is vastgesteld aan de hand van het loon dat eiser in de referteperiode (1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023) ontving bij zijn toenmalige werkgevers (Ordina Business consulting en de Erasmus Universiteit Rotterdam). Hiermee heeft het UWV vastgesteld dat eisers dagloon € 133,49 is, wat een maandloon van € 2.032,38 bruto oplevert.Exclusief 8% vakantiegeld is dat € 1.881,81 bruto. In bezwaar heeft het UWV het primaire besluit gehandhaafd.\n\n4. Op 17 december 2025 heeft het UWV een inhoudelijk besluit genomen op eisers aanvraag voor een WIA-uitkering. Daarin heeft het UWV bepaald dat eiser vanaf 7 juli 2025 recht heeft op een loongerelateerde WIA-uitkering ter hoogte van € 2.016,23 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Gelet op dit besluit van 17 december 2025 dient de vraag te worden beantwoord of eiser nog voldoende procesbelang heeft bij een uitspraak over de hoogte van de WIA-uitkering als voorschot.\n\n5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger)beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een enkel formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van 24 oktober 2025. Met het besluit van 17 december 2025 is namelijk een inhoudelijk besluit genomen op eisers aanvraag voor een WIA-uitkering over dezelfde periode als waarvoor het voorschot was toegekend. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zal beoordelen.\n\n7. De rechtbank overweegt ter informatie van partijen nog het volgende. Eiser heeft in het beroepschrift en op de zitting gronden ingebracht die zien op de vaststelling van de (hoogte van) het dagloon, op basis waarvan de hoogte van het voorschot op zijn WIA-uitkering is vastgesteld. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij tegen het besluit van 17 december 2025 bezwaar heeft gemaakt en dat hij daarbij gronden heeft ingediend die zien op de medische beoordeling. De rechtbank geeft eiser mee dat hij de gronden die hij in de procedure over het voorschotbesluit heeft ingebracht over het dagloon ook in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 17 december 2025 kan inbrengen. Daarnaast verzoekt de rechtbank het UWV het bezwaar van eiser tegen het besluit van 17 december 2025 voortvarend op te pakken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\nde griffier is verhinderd te tekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n € 133,49 × 21,75 × 0,7 = € 2.032,38.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7183","2026-07-13T00:29:21.863Z",{"id":129,"ecli":130,"slug":131,"caseNumber":44,"courtId":132,"decisionDate":116,"fullText":133,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":135},"1688","ECLI:NL:RBNNE:2026:2528","ecli-nl-rbnne-2026-2528",65,"RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F536\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n(gemachtigde: mr. R. Boonstra).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de vraag of de intrekking van het beroep van eiseres ongedaan kan worden gemaakt. Zij voert aan dat die intrekking een direct gevolg was van haar medische beperking onder extreme druk en dat het niet ging om een weloverwogen keuze. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen aanleiding is om de intrekking van het beroep ongedaan te maken omdat geen sprake is van wilsgebrek, bedrog of dwaling. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nInleiding en procesverloop\n\n1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft op 20 januari 2026 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van het Uwv van 12 december 2025 (bestreden besluit), waarbij haar bezwaar tegen het met ingang van 28 mei 2024 toekennen van een WGA-vervolguitkering naar een mate van 45,07% arbeidsongeschiktheid, ongegrond is verklaard.\n\n1.1.. \n\nEiseres heeft dit beroep bij brief van 25 februari 2026 ingetrokken, omdat de hele bezwaarprocedure haar te veel stress kost. De rechtbank heeft de intrekking bij brief van\n\n3 maart 2026 aan eiseres bevestigd.\n\n1.2.. Eiseres heeft vervolgens bij brief van 12 maart 2026 de rechtbank verzocht om de intrekking van het beroep ongedaan te maken en de beroepsprocedure te heropenen. Zij heeft hiervoor als redenen genoemd een situatie van overmacht, dwaling en haar medische beperking (ASS).\n\n1.3.. Het Uwv heeft bij brief van 10 april 2026 op verzoek van de rechtbank daarop een reactie gegeven. Het Uwv vindt de door eiseres genoemde redenen weliswaar invoelbaar, maar niet van dien aard dat zij niet zou kunnen worden gehouden aan haar intrekking van het beroep. Verder ziet het Uwv niet in dat eiseres genoodzaakt was om het beroep in te trekken.\n\n1.4.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat zij daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 12 mei 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De vraag die de rechtbank moet beoordelen is of de intrekking van het beroep van eiseres ongedaan kan worden gemaakt. Zij doet dat aan de hand van de door eiseres daarvoor genoemde argumenten, die hierna zullen worden besproken.\n\n3. Op grond van artikel 6:21, eerste lid, van de Awb kan het beroep schriftelijk worden ingetrokken. Behoudens in de gevallen waarin de intrekking van het beroep onbevoegdelijk is gedaan dan wel de intrekking binnen de beroepstermijn wordt herroepen, kan een eenmaal ingetrokken beroep niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake is van een wilsgebrek, bedrog of dwaling.\n\n4. Eiseres voert aan dat de directe aanleiding voor de intrekking van het beroep was dat zij daarvóór onverwacht een hoge factuur van haar toenmalige advocaat ontving; daardoor zag zij zich genoodzaakt om de samenwerking stop te zetten en kon zij niet binnen de gestelde termijn van vier weken een nieuwe belangenbehartiger vinden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat deze situatie stress voor eiseres heeft opgeleverd, is dit echter onvoldoende grond om de intrekking van het beroep ongedaan te maken. Eiseres had, ondanks de situatie waarin zij op dat moment verkeerde, binnen de gestelde termijn voor het indienen van de gronden van het beroep uitstel kunnen vragen dan wel een derde kunnen vragen om haar te helpen. Niet is komen vast te staan dat eiseres door haar ASS op het moment van de intrekking van het beroep niet in staat was om logisch na te denken of rationele oplossingen te zien. Dat de intrekking van het beroep berustte op een wilsgebrek, bedrog of dwaling is de rechtbank niet gebleken. Dat eiseres stelt dat de intrekking geen weloverwogen keuze was, maar een direct gevolg van haar medische beperking onder extreme druk, is ook onvoldoende om de intrekking van het beroep ongedaan te maken. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt geen medische stukken overgelegd waaruit dat blijkt. Haar stelling dat zij in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat de WIA-zaak losstond van haar Wajong-aanvraag, maakt het niet anders.\n\n5. De rechtbank stelt verder vast dat er geen sprake was van een intrekking terwijl de beroepstermijn nog liep. Het beroep is daarom bevoegd ingetrokken, een intrekking die na afloop van de beroepstermijn door eiseres niet meer ongedaan gemaakt kon worden. Dit betekent dat het bestreden besluit rechtens onaantastbaar is geworden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk.Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.\n\n Autismespectrumstoornis.\n\n Vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:254, en 21 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3671.\n\n Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2297.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2528","2026-07-13T00:29:33.678Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":44,"courtId":140,"decisionDate":141,"fullText":142,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":143,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":144},"1307","ECLI:NL:RBAMS:2026:6538","ecli-nl-rbams-2026-6538",56,"2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11624821 \\ CV EXPL 25-5169\n\nVonnis van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nMEDIA MARKT [locatie] B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Media Markt,\n\ngemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. A. Harmanci.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet tussenvonnis van 20 juni 2025,\n\nde mondelinge behandeling van 25 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\nde akte van Media Markt,\n\nde akte van [gedaagde].\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] is bij Media Markt in dienst geweest op basis van een contract voor bepaalde tijd.\n\n2.2.. Tijdens het dienstverband heeft [gedaagde] zich ziek gemeld. Media Markt heeft daarom vanaf 5 november 2018 een ziektewetuitkering aangevraagd bij het Uitkeringsorgaan Werknemers Verzekeringen (UWV), op basis waarvan het loon elke maand werd doorbetaald aan [gedaagde].\n\n2.3.. Op het moment dat arbeidsovereenkomst op 11 mei 2019 van rechtswege eindigde was [gedaagde] nog arbeidsongeschikt. Vanaf 11 mei 2019 was Media Markt als ‘eigenrisicodrager' voor de Ziektewet degene die aan [gedaagde] de ziektewetuitkering betaalde.\n\n2.4.. \n\nOp 8 september 2020 heeft het UWV aan [gedaagde] per brief ondermeer het volgende bericht:\n\n“(…)\n\nVoor de ziektewet geldt dat u zich aan een aantal regels dient te houden. Een daarvan is dat u moet meewerken aan het verkrijgen van passende arbeid. U heeft de gelegenheid gehad uit te leggen waarom u zich niet aan de regels heeft gehouden. U heeft geen geldige reden opgegeven,\n\nDaarom verlaagt uw (ex-) werkgever uw Ziektewet-uitkering vanaf 10 augustus 2020 met 100%. (…)”.\n\n2.5.. \n [gedaagde] had tot 20 oktober 2020 om, een bezwaarschrift tegen de beslissing van het UWV in te dienen. Dat heeft hij niet heeft gedaan.\n\n2.6.. Op 28 september 2020 en 27 oktober 2020 heeft Media Markt aan [gedaagde] in totaal een bedrag van € 2.400,36 aan Ziektewet uitkering uitbetaald.\n\n2.7.. Nadat [gedaagde] door Madia Markt een aantal keer is aangemaand om het bedrag van € 2.400,36 terug te betalen is op 10 november 2023 door de gemachtigde van Media Markt aan [gedaagde] een zogenaamde veertiendagen brief gestuurd waarin hem, bij niet betaling binnen 15 dagen, een bedrag van € 360,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de wettelijke rente worden aangezegd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Media Markt vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.400,36, vermeerderd met rente en kosten. Dat bedrag betreft twee maanden ziektewetuitkeringen die volgens Media Markt op 28 september 2020 respectievelijk 27 oktober 2020 door haar onverschuldigd aan [gedaagde] zijn betaald. Subsidiair stelt Media Markt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Media Markt, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Media Markt, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Media Markt in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Vast staat dat [gedaagde] geen bezwaar en (dus ook) geen beroep heeft aangetekend tegen de beslissing van het UWV om de ziektewetuitkering stop te zetten, zoals door het UWV per brief van 8 september 2020 aan [gedaagde] is bericht. Dat het besluit van het UWV daarmee formele rechtskracht heeft gekregen is door [gedaagde] niet betwist. Wel betwist [gedaagde] dat Media Markt de na de stopzetting van de Ziektewetuitkering nog uitgekeerde bedragen van in totaal € 2.400,36 kan terugvorderen in deze procedure. Volgens [gedaagde] is het UWV de enige partij die op grond van artikel 33 van de Ziektewet ten onrechte uitgekeerd ziektegeld kan terugvorderen. Omdat er door het UWV na de stopzetting van de uitkering en het nog twee maanden doorbetalen daarna door Media Markt geen terugvorderingsbesluit is genomen staat volgens [gedaagde] niet vast dat hij gehouden is dat bedrag terug te betalen. Door Media Markt is niet betwist dat het UWV geen terugvorderingsbesluit heeft genomen. Media Markt heeft niet gesteld en ook niet is gebleken dat zij aan het UWV heeft verzocht zo’n besluit te nemen. Op grond waarvan zij ondanks het ontbreken van zo’n terugvorderingsbesluit in deze procedure jegens [gedaagde] aanspraak kan maken op terugbetaling van dat teveel uitbetaalde bedrag heeft zij niet verder uitgewerkt, ook niet in haar akte na comparitie. Media Markt heeft volstaan met het herhalen van het standpunt dat zij het gevorderde bedrag onverschuldigd betaald heeft en reeds daarom terugbetaling kan vorderen.\n\n4.2.. In artikel 33, eerste lid van de Ziektewet staat dat het ziekengeld dat als gevolg van een besluit als bedoeld in onder andere artikel 30a van de Ziektewet onverschuldigd is betaald door het UWV wordt teruggevorderd. Door de wetgever worden in de leden 3 tot en met 6 van artikel 33 van de Ziektewet uitzonderingen gegeven op de verplichting die op het UWV rust om onverschuldigd betaald ziektegeld terug te vorderen. Dat in het geval een (voormalig) werkgever eigenrisicodrager is de terugvorderings-bevoegdheid over gaat op die werkgever, zoals Media Markt lijkt te impliceren, staat niet uitgewerkt in de Ziektewet. Dat de wetgever heeft beoogd om naast de terugvorderingsverplichting van het UVW nog andere mogelijkheden om onterecht uitgekeerd ziektegeld terug te vorderen heeft willen openstellen is gemotiveerd betwist en door Media Markt verder niet onderbouwd. De centrale positie van het UWV bij de uitvoering van de Ziektewet maakt dat kennelijk ook in het geval van een eigenrisicodrager het UWV steeds (als enige) beslissingsbevoegd blijft over korting, stopzetting, terugvordering en invordering van (onverschuldigd uitbetaald) ziektegeld. De verplichting van het UWV op tot terugvordering over te gaan maakt dat een werkgever-eigenrisicodrager niet met lege handen staat; aan het UWV kan worden verzocht tot terugvordering over te gaan, waar het UWV in beginsel toe gehouden is. Op grond van het voorgaande is de conclusie van de kantonrechter dat het niet mogelijk is in een civiele procedure op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking teveel betaald ziektegeld terug te vorderen. Het feit dat [gedaagde] met (de gemachtigde van) Media Markt heeft gecommuniceerd over een afbetalingsregeling maakt het voorgaande niet anders. Dit geldt te meer als er, zoals in deze zaak, geen terugvorderingsbesluit door het UWV is genomen zodat niet vast staat dat [gedaagde] daadwerkelijk ziektegeld dient terug te betalen. De vordering van Media Markt zal dan ook worden afgewezen.\n\n4.3.. Media Markt is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n125,50\n\nTotaal\n\n€\n\n1.045,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. wijst het gevorderde af;\n\n5.2.. veroordeelt Media Markt in de proceskosten van [gedaagde] tot een bedrag van € 1.045,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n717","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6538","2026-07-13T00:29:15.108Z",{"id":146,"ecli":147,"slug":148,"caseNumber":44,"courtId":149,"decisionDate":150,"fullText":151,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":52,"updatedAt":154},"1408","ECLI:NL:RBDHA:2026:17193","ecli-nl-rbdha-2026-17193",58,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3396\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V ., uit [plaats] , eiseres\n\n( gemachtigde: [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde 2] ).\n\nInleiding\n\n1. [(ex-)werkneemster] , (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 17 september 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 20 april 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 16 februari 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 14 april 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het herbeoordelingsverzoek heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een grote toename van aanvragen en van verzoeken om herbeoordeling. Daarbij is er een groot tekort aan verzekeringsartsen om deze beoordelingen uit te voeren.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv laat in het verweerschrift weten dat de afdeling Sociaal Medische Zaken is verzocht om het herbeoordelingsverzoek met spoed op te pakken. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n6. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden.Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in de beroepen met zaaknummers SGR 26\u002F3336 en SGR 26\u002F3396. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn namelijk door dezelfde partij ingediend, door de bestuursrechter gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is.De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dus vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak de helft toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 233,50 (1\u002F2 x € 467,-).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,\n\nr.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,\n\nr.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.\n\nZie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17193","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:19.930Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":44,"courtId":67,"decisionDate":150,"fullText":159,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":161,"parsedAt":52,"updatedAt":162},"832","ECLI:NL:RBZWB:2026:5271","ecli-nl-rbzwb-2026-5271","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2227\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n\nStichting \" [eiseres] ”, uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 26 augustus 2025 tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [ex-werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft het UWV op 13 januari 2026 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestelling op 14 januari 2026 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.\n\nWelke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. Het UWV heeft in het verweerschrift van 30 april 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is. Tevens geeft het UWV aan dat het momenteel nog onduidelijk is wanneer er een besluit afgegeven kan worden.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van\n\nI. Ambachtsheer, griffier, op 17 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5271","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.194Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":44,"courtId":132,"decisionDate":150,"fullText":167,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":168,"sourceTimestamp":169,"parsedAt":52,"updatedAt":170},"1165","ECLI:NL:RBNNE:2026:2613","ecli-nl-rbnne-2026-2613","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1764\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [naam uit woonplaats] , verzoekster,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.\n\n1.2.. Het Uwv heeft de aanvraag van 30 maart 2026 met de beslissing van 5 juni 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als \"onverwijlde spoed\" dat vereist.\n\n2.1.. Verzoekster betoogt dat de spoedeisendheid is gelegen in het behoud van de feitelijk beschikbare praktijkroute. Hiertoe heeft verzoekster aangegeven dat indien de bezwaarprocedure dient te worden afgewacht haar re-integratiepositie, dossierpositie en concrete praktijkroute worden beschadigd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft verzoekster aangegeven dat het Uwv haar aanvraag niet heeft beoordeeld als een geïntegreerde route van juridische scholing met leerwerk-\u002Fpraktijkcomponent. Verzoekster acht de beslissing van 5 juni 2026 om die reden onrechtmatig en geen correcte uitvoering van de door de voorzieningenrechter eerder gedane uitspraak. Ten slotte heeft verzoekster aangegeven dat de door haar verzochte 2 jarige opleiding start in september 2026.\n\n2.2.. Met het besluit van 5 juni 2026 heeft het Uwv de aanvraag van verzoekster voor een werkervaringsplek van 2 jaar en een juridische hbo-opleiding afgewezen. Hierbij heeft het Uwv aangegeven dat verzoekster wel de mogelijkheid wordt aangeboden om voor een periode van maximaal 6 maanden stage te lopen met behoud van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de WIA) in combinatie met de inzet van de re-integratiedienst Praktijkassessment.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat naar zijn voorlopig oordeel de beslissing van 5 juni 2026 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). De bezwaren die door verzoekster daartegen schriftelijk zijn ingebracht zijn in zoverre ontvankelijk en haar verzoek om een voorlopige voorziening moet connex aan deze bezwaren worden geacht, zodat ook dit verzoek in zoverre ontvankelijk is.\n\n2.4.. \n\nDe voorzieningenrechter is echter van oordeel dat er géén sprake is van een voldoende spoedeisend belang. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een dusdanige spoed dat verzoekster de beslissing op de door haar gemaakte bezwaren niet kan afwachten. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat het Uwv in het besluit van 5 juni 2026 heeft aangegeven dat verzoekster – met behoud van haar WIA-uitkering – in ieder geval gedurende zes maanden een stage mag volgen bij het door haar gewenste advocatenkantoor. Voor wat betreft hetgeen door verzoekster is gesteld met betrekking tot het door haar gewenste scholingstraject, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake is van dusdanig zwaarwegende feiten en \u002Fof omstandigheden dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.\n\nHierbij betrekt de voorzieningenrechter dat de door verzoekster in deze procedure gevraagde schorsing van het besluit van 5 juni 2026 niet leidt tot het door haar gewenste gevolg. Daarmee kan verzoekster niet het door haar geambieerde integrale stage- en scholingstraject gaan volgen met behoud van uitkering. De aard van de onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure leent zich voorts niet voor het door de voorzieningenrechter toekennen van vorenbedoeld traject. Dit onder meer gelet op de onomkeerbaarheid daarvan. Het doorlopen van de bezwaarprocedure waarin het Uwv op basis van de door verzoekster ingebrachte bezwaren tegen het besluit van 5 juni 2026 een volledige heroverweging moet maken aangaande het stage- en scholingstraject van verzoekster, is in dit geval dan ook de aangewezen route.\n\n2.5.. De voorzieningenrechter wijst er ten slotte volledigheidshalve op dat voor zover de bezwaarprocedure voor verzoekster nadelig uitpakt zij tegen het besluit op bezwaar beroep kan instellen en zij gedurende deze beroepsprocedure een nieuwe voorlopige voorziening kan indienen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2613","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.717Z",{"id":172,"ecli":173,"slug":174,"caseNumber":44,"courtId":149,"decisionDate":150,"fullText":175,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":176,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":52,"updatedAt":177},"1939","ECLI:NL:RBDHA:2026:17190","ecli-nl-rbdha-2026-17190","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3582\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n Stichting [eiseres] , uit [plaats] , eiseres\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n(gemachtigde: mr. R. van Rooijen-van Os).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 17 december 2024 heeft het Uwv aan [(ex-)werkneemster] ,\n\n(ex-)werkneemster van eiseres, een gewijzigde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 29 april 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 13 januari 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 20 maart 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een groot tekort aan verzekeringsartsen.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv verzoekt de rechtbank de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraken van 30 juli 2025 te overwegen.Die rechtbank geeft het Uwv bij een beroep niet tijdig beslissen een termijn van 40 weken voor werkgeversberoepen om alsnog een besluit bekend te maken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen.\n\n5.1.. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.\n\n6. Het Uwv geeft in het verweerschrift aan geen termijn te kunnen geven waarbinnen een besluit op bezwaar kan worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n7. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17190","2026-07-13T00:29:46.402Z",{"id":179,"ecli":180,"slug":181,"caseNumber":44,"courtId":149,"decisionDate":150,"fullText":182,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":183,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":52,"updatedAt":184},"1410","ECLI:NL:RBDHA:2026:17194","ecli-nl-rbdha-2026-17194","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3336\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V ., uit [plaats] , eiseres\n\n( gemachtigde: [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde 2] ).\n\nInleiding\n\n1. [(ex-)werkneemster] , (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 1 april 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 20 april 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 11 februari 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 9 april 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het herbeoordelingsverzoek heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een hoog aantal medische zaken en onvoldoende capaciteit om binnen een redelijke termijn een spreekuur met een verzekeringsarts in te plannen.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv laat in het verweerschrift weten dat nog niet bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n6. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden.Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in de beroepen met zaaknummers SGR 26\u002F3336 en SGR 26\u002F3396. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn namelijk door dezelfde partij ingediend, door de bestuursrechter gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is.De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dus vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak de helft toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 233,50 (1\u002F2 x € 467,-).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,\n\nr.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,\n\nr.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.\n\nZie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17194","2026-07-13T00:29:19.992Z",{"id":186,"ecli":187,"slug":188,"caseNumber":44,"courtId":149,"decisionDate":150,"fullText":189,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":190,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":52,"updatedAt":191},"1413","ECLI:NL:RBDHA:2026:17195","ecli-nl-rbdha-2026-17195","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3184\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M. Tracey),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 29 juli 2024 heeft eiseres verzocht om een herziening van haar recht op deze WIA-uitkering.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 10 april 2026 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek om herziening.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herzieningsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 16 januari 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het verzoek om herziening. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 16 maart 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen op het herzieningsverzoek, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht het Uwv op te dragen binnen twee weken na deze uitspraak een besluit bekend te maken.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een groot tekort aan verzekeringsartsen.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. \n\nIndien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv verzoekt de rechtbank de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraken van 30 juli 2025 in overweging te nemen.Die rechtbank geeft het Uwv bij een beroep niet tijdig beslissen een termijn van 30 weken voor werknemersberoepen om alsnog een besluit bekend te maken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen.\n\n5.1.. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.\n\n6. Er wordt door het Uwv in het verweerschrift geen termijn genoemd waarbinnen op het verzoek om herziening kan worden beslist. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n7. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden.Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17195","2026-07-13T00:29:20.088Z",{"id":193,"ecli":194,"slug":195,"caseNumber":44,"courtId":149,"decisionDate":150,"fullText":196,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":197,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":52,"updatedAt":198},"2006","ECLI:NL:RBDHA:2026:17191","ecli-nl-rbdha-2026-17191","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F1385\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n de staatssecretaris van Defensie, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.H.G. In de Braekt),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. [(ex-)werknemer] , (ex-)werknemer van eiser, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 27 juni 2025 heeft eiser verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werknemer op de WIA-uitkering.\n\n1.1.. Eiser heeft op 6 februari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op het verzoek om een herbeoordeling.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiser heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 16 september 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 17 november 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het herbeoordelingsverzoek heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiser heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen twee weken na deze uitspraak, alsnog een beslissing te nemen.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een tekort aan in te zetten verzekeringsartsen.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv spreekt in het verweerschrift van 20 februari 2026 de hoop uit dat binnen vier maanden een besluit op het herbeoordelingsverzoek kan worden genomen, maar vermeldt ook dat het zeer goed mogelijk is dat het Uwv dit jaar niet meer in staat is een beslissing te nemen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n6. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\n- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17191","2026-07-13T00:29:49.620Z",{"id":200,"ecli":201,"slug":202,"caseNumber":44,"courtId":149,"decisionDate":150,"fullText":203,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":204,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":52,"updatedAt":205},"2008","ECLI:NL:RBDHA:2026:17192","ecli-nl-rbdha-2026-17192","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3754\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. L.C.J. Schobbers),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 13 augustus 2025 heeft het Uwv bepaald dat eiseres per 29 mei 2025 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 5 mei 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 12 maart 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 8 mei 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen om alsnog een besluit op bezwaar te nemen.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een groot tekort aan verzekeringsartsen.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv verzoekt de rechtbank de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraken van 30 juli 2025 in overweging te nemen.Die rechtbank geeft het Uwv bij een beroep niet tijdig beslissen een termijn van 30 weken voor werknemersberoepen om alsnog een besluit bekend te maken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen.\n\n5.1.. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.\n\n6. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat op dit moment niet kan worden aangegeven wanneer het besluit op bezwaar kan worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat al bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n7. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden.Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nUitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\n De uitspraken van de rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17192","2026-07-13T00:29:49.704Z",39,20,[11,209],2025]