[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-tort-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":74},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":73},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},72,"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1833","ECLI:NL:RBNHO:2025:16064","ecli-nl-rbnho-2025-16064","",73,"2025-11-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F368386 \u002F HA RK 25-119\n\nBeschikking van 12 november 2025\n\nin de zaak van\n\nASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: ASR,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk,\n\ntegen\n\n1. [verweerder sub 1]\n\n2. [verweerder sub 2],\n\nbeiden in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de ouders.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift dat op 8 augustus 2025 door de rechtbank werd ontvangen, met producties 1 tot en met 19;\n\n- aanvullende productie 20 van ASR;\n\n- de e-mailberichten van 22 augustus 2025, 24 augustus 2025, 23 september 2025, 25 september 2025 en 28 september 2025 van de ouders, met de daarbij gevoegde stukken;\n\n- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. De ouders zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen en hebben zich ook niet laten vertegenwoordigen door een advocaat. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel geen kennis mag nemen van de door de ouders toegestuurde berichten en stukken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ASR uitdrukkelijk aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat de rechtbank kennisneemt van de berichten van de ouders en dat de rechtbank deze bij de beoordeling van de zaak betrekt. De rechtbank heeft deze stukken daarom toegevoegd aan het procesdossier.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De relevante feiten\n\n2.1.. Op 21 oktober 2024 heeft de zoon van de ouders, [minderjarige] , als gevolg van een verkeersongeval ernstig letsel opgelopen. [minderjarige] was op dat moment 13 jaar oud.\n\n2.2.. ASR heeft erkend dat haar verzekerde aansprakelijk is voor de door [minderjarige] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade en dat zij als WAM-verzekeraar de ongevalsgerelateerde schade zal vergoeden.\n\n2.3.. Tussen de ouders en ASR is over het schaderegelingstraject een conflict dan wel impasse ontstaan.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. In dit deelgeschil verzoekt ASR de rechtbank om:\n\nde ouders te gelasten om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan en inlichtingen te verstrekken voor het volgens de in Nederland geldende regels in kaart brengen van de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] , onder meer maar niet alleen door onafhankelijke deskundigenrapporten;\n\nde ouders te gelasten medewerking te verlenen aan het inschakelen van Trivium Advies of een andere te goeder naam en faam bekendstaande zorgregisseur en aan de werkzaamheden van deze de medewerking te verlenen en de inlichtingen te verstrekken die deze nodig acht.\n\n3.2.. ASR stelt daartoe - samengevat - dat het schadetraject is komen stil te liggen na indiening van klachten van de ouders over de schadebehandeling. De ouders maken ASR allerlei onterechte verwijten en willen niet meer meewerken aan een reguliere schadeafwikkeling. Zonder onderbouwing vorderden de ouders in maart 2025 een schadebedrag van € 16.000.000, wat inmiddels in de tiende klachtbrief is opgelopen tot € 175.000.000. Ondanks pogingen van ASR om de ouders te bewegen de schaderegeling weer op gang te brengen, is dit niet gelukt. De ouders worden niet langer bijgestaan door een belangenhartiger of een advocaat. Het is niet in het belang van [minderjarige] en ASR dat de schaderegeling niet wordt voortgezet. ASR trekt zich het belang van [minderjarige] aan en roept daarom de hulp in van de deelgeschilrechter om de schaderegeling weer op gang te brengen.\n\n4. Het verweer\n\n4.1.. De ouders voeren verweer in de e-mails die zij aan de rechtbank hebben gestuurd. Kort gezegd voeren de ouders het volgende aan. Zij vinden dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. De kern van het conflict ziet namelijk niet alleen op de schadeafwikkeling, maar op institutioneel en moreel falen van ASR. De ouders hebben daarover inmiddels tien klachtbrieven aan ASR gestuurd, die inhoudelijk niet zijn beantwoord. Daarnaast is het proces-verbaal van de politie nog niet volledig en loopt er nog een forensische expertise, zodat een zorgvuldige beoordeling op dit moment niet mogelijk is. Verder schetst ASR in het verzoekschrift een beeld dat volgens de ouders niet overeenstemt met de werkelijkheid. De ouders worden ten onrechte weggezet als “onredelijke ouders”, die niet handelen in het belang van hun zoon.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ASR de rechtbank verzocht om “ambtshalve” een bijzondere curator te benoemen in de zin van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de zaak aan te houden om de ouders in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord. Gelet op de impasse die is ontstaan en het feit dat de ouders ook niet naar de zitting zijn gekomen om de zaak te bespreken, dient deze stap in het belang van [minderjarige] te worden overwogen, aldus ASR.\n\n5.2.. \n\nIn artikel 1:250 lid 1 BW is (voor zover van belang) bepaald dat als een zaak aanhangig is, de desbetreffende rechter een bijzondere curator kan benoemen voor aangelegenheden over het vermogen van de minderjarige. De rechter zal dit alleen doen als hij dit noodzakelijk acht in het belang van de minderjarige en er sprake is van een belangenstrijd tussen de belangen van de minderjarige en de belangen van zijn ouders.\n\nAls er een bijzondere curator benoemd wordt, betekent dit dat de bijzondere curator [minderjarige] zowel in als buiten rechte zal vertegenwoordigen. De bijzondere curator zal dan in plaats van de ouders beslissingen nemen ten aanzien van de (vermogensrechtelijke) belangen van [minderjarige] in het kader van de schaderegeling.\n\n5.3.. Het aanstellen van een bijzondere curator is dus een vergaande en ingrijpende maatregel. De ouders waren er niet van de op de hoogte dat ASR tijdens de zitting zou vragen een bijzondere curator te benoemen. Zij hebben hun standpunt daarover dus nog niet naar voren kunnen brengen. De rechtbank kan niet beslissen over het wel of niet benoemen van een bijzondere curator zonder de ouders eerst in de gelegenheid te stellen hierover gehoord te worden. De rechtbank zal daarom een nieuwe mondelinge behandeling gelasten. De rechtbank vindt het belangrijk dat de ouders bij de volgende zitting aanwezig zijn om de zaak te bespreken. De rechtbank zal daarom bepalen dat zij daarbij aanwezig moeten zijn.\n\n5.4.. De rechtbank zal op dit moment nog geen beslissing nemen over de verzoeken die ASR in haar verzoekschrift heeft gedaan en de verweren die de ouders hebben gevoerd. Of ASR ontvankelijk is in de verzoeken en zo ja, of de verzoeken zullen worden toe- of afgewezen, zal dus pas na een volgende zitting worden beoordeeld.\n\n5.5.. De rechtbank adviseert de ouders – gelet op de mogelijk vergaande gevolgen van het benoemen van een bijzondere curator – dringendom zich in het vervolg van deze procedure te laten bijstaan door een advocaat.\n\n5.6.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaat, met het doel dat in 5.3 is omschreven, door mr. N. Boots, in het gerechtsgebouw te Alkmaar, Kruseman van Eltenweg 2, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,\n\n6.2.. bepaalt dat de heer [verweerder sub 1] en mevrouw [verweerder sub 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat ASR dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,6.3.. bepaalt dat partijen uiterlijk woensdag 26 november 2025schriftelijk opgave moeten doen van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaat in de maandendecember 2025tot en metfebruari 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,\n\n6.4.. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,\n\n6.5.. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,\n\n6.6.. wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minutenzal worden uitgetrokken,\n\n6.7.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N. Boots, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:16064","2026-06-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:41.036Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"373","ECLI:NL:RBMNE:2025:4015","ecli-nl-rbmne-2025-4015",63,"2025-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: 11419496 \\ UC EXPL 24-7929 VL\u002F58599\n\nVonnis van 18 juni 2025\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. E.T. van Dalen,\n\ntegen\n\nSTICHTING RECLASSERING NEDERLAND,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Reclassering Nederland,\n\ngemachtigde: mr. J. Stikkelbroeck.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n [eiser] heeft Reclassering Nederland op 4 november 2024 gedagvaard voor de kantonrechter. Reclassering Nederland heeft op 4 februari 2025 schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling bepaald, waaraan voorafgaand [eiser] nog aanvullende producties heeft overgelegd.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2025 plaatsgevonden. [eiser] was niet aanwezig en mr. Van Dalen heeft de zitting telefonisch bijgewoond. Namens Reclassering Nederland waren [A] en [B] aanwezig, bijgestaan door mr. Stikkelbroeck. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.\n\n2. Waar de zaak over gaat\n\n2.1.. \n [eiser] woonde, in verband met de voorwaardelijke beëindiging van zijn TBS met dwangverpleging, op het terrein van [instelling 1] in [plaats 1] (hierna: de [instelling 1] ). Op 13 april 2016 heeft de [instelling 1] de zorg echter per direct beëindigd, waarna [eiser] uiteindelijk op de longstay-afdeling in de [instelling 2] in [plaats 2] is geplaatst. [eiser] is van mening dat dit komt doordat Reclassering Nederland hem – kort gezegd – onvoldoende hulp en steun heeft geboden en wil daarom dat Reclassering Nederland hem een immateriële schadevergoeding van € 20.000,00 betaalt. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1.. In 2002 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en TBS met dwangverpleging vanwege het seksueel misbruiken van minderjarige jongens. In 2015 heeft de rechtbank de TBS met dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd. Deze voorwaarden hielden onder andere in dat [eiser] zou worden opgenomen in een instelling voor begeleid wonen (en zich daar aan de huisregels zou houden) en dat [eiser] , mede voor zijn eigen veiligheid, niet zijn pedoseksuele voorkeur met andere derden zou bespreken. Reclassering Nederland werd belast met het toezicht op Hde naleving van de voorwaarden door [eiser] .\n\n3.2.. \n [eiser] werd vervolgens opgenomen in de [instelling 1] waar hij dagelijks werd begeleid door de [instelling 1] . [eiser] woonde hier in een zelfstandige woning, werkte bij een agrariër in de buurt en bezocht de lokale kerk. [eiser] had begin 2016 de verwachting dat Reclassering Nederland de rechtbank op korte termijn zou adviseren tot onvoorwaardelijk ontslag van [eiser] uit de TBS.\n\n3.3.. In maart 2016 laat een persoonlijk begeleider van [eiser] aan Reclassering Nederland weten dat hij op de computer van [eiser] heeft gezien dat bepaalde websites zijn bezocht, die erop duiden dat [eiser] heeft gezocht naar kinderporno. De politie heeft de computer meegenomen en heeft op basis van de gevonden zoektermen geconstateerd dat [eiser] inderdaad heeft gezocht naar kinderporno.\n\n3.4.. In april 2016 vond een gesprek plaats tussen de afdeling Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente [gemeente] , de politie, de [instelling 1] en de contactfunctionaris van Reclassering Nederland. Tijdens dit gesprek vertelde de wijkagent dat hem ter oren was gekomen dat [eiser] (destijds nog bekend onder een andere naam, een geruchtmakende zaak met veel media-aandacht indertijd) in de [instelling 1] verbleef. Hij benoemde daarbij het risico dat bepaalde inwoners van [plaats 3] in staat zouden zijn tot een afrekening als het verhaal van betrokkene ( [eiser] ) bij hen bekend wordt. Niet veel later zou een medewerker van de [instelling 1] op een verjaardagsfeestje gevraagd zijn of [eiser] bij de [instelling 1] woonde. Vanwege het door de wijkagent geschetste scenario en het daarbij behorende risico voor zowel [eiser] als de (andere bewoners van de) [instelling 1] heeft de [instelling 1] besloten de zorg aan [eiser] op 13 april 2016 te beëindigen.\n\n3.5.. Reclassering Nederland heeft daarna onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden, maar heeft geen vergelijkbare setting gevonden die de mate van controle en veiligheid biedt zoals de [instelling 1] . Reclassering Nederland heeft daarom, in combinatie met het feit dat [eiser] heeft gezocht naar kinderporno, de rechtbank geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten. Op 15 juni 2016 hervat de rechtbank de TBS met dwangverpleging, maar deze uitspraak wordt op 6 april 2017 door het hof vernietigd, omdat er nog een alternatief werd gezien voor hervatting van de verpleging van overheidswege en daarmee mogelijk een longstay-traject kon worden afgewend. [eiser] heeft daardoor nog een periode TBS met (gewijzigde) voorwaarden gehad.\n\n3.6.. Op 6 februari 2019 beveelt de rechtbank Midden-Nederland alsnog hervatting van de TBS met dwangverpleging en deze beslissing wordt in hoger beroep op 19 september 2019 bekrachtigd. [eiser] is vervolgens (uiteindelijk) op de longstay-afdeling in de [instelling 2] in [plaats 2] geplaatst.\n\n4. De beoordeling\n\nReclassering Nederland heeft niet onrechtmatig gehandeld\n\n4.1.. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht dat Reclassering Nederland onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. De kantonrechter wijst deze vordering af en overweegt hiertoe als volgt.\n\n4.2.. Als onrechtmatige gedraging kan worden aangemerkt een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht en een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.[eiser] stelt dat Reclassering Nederland in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht, doordat zij [eiser] niet de hulp en steun heeft geboden die van haar mocht worden verwacht.\n\n4.3.. Volgens [eiser] heeft Reclassering Nederland niets ondernomen tegen de onmiddellijke verwijdering van [eiser] op 13 april 2016 van het terrein van de [instelling 1] en heeft zij zich daarna onvoldoende ingespannen om [eiser] ergens anders in Nederland bij een soortgelijke zorgverlener onder te brengen. Vervolgens heeft Reclassering Nederland de rechtbank onterecht geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten; zij had de rechtbank beter moeten informeren over de situatie van [eiser] . De reden dat de [instelling 1] heeft besloten tot het beëindigen van de zorg was volgens [eiser] namelijk niet het feit dat [eiser] verdacht werd van het zoeken naar kinderporno, maar dat de [instelling 1] haar imago niet wilde beschadigen als mensen wisten dat [eiser] bij haar verbleef. [eiser] verwijst hierbij naar het schrijven van Reclassering Nederland waarin staat dat zij de rechtbank waarschijnlijk niet negatief geadviseerd zou hebben als het alleen zou gaan om de kinderporno. Het beëindigen van de zorg door de [instelling 1] is dus beslissend geweest voor het advies, terwijl die beëindiging plaatsvond op grond van dreigende imagoschade van de [instelling 1] , die niet aan [eiser] kan worden toegerekend, aldus [eiser] .\n\n4.4.. Reclassering Nederland heeft dit – met verwijzing naar haar verslagen – betwist en toegelicht wat zij heeft ondernomen en welke maatregelen binnen haar mogelijkheden liggen. Reclassering Nederland heeft geen zeggenschap over de beslissing van de [instelling 1] om het verblijf van [eiser] te beëindigingen of deze niet meer te hervatten. Dat Reclassering Nederland hulp en steun dient te verlenen aan [eiser] bij de naleving van de voorwaarden, geeft haar niet een positie om de [instelling 1] te dwingen de opname van [eiser] voort te zetten.\n\n4.5.. Reclassering Nederland heeft voor [eiser] vervolgens een tijdelijke plek geregeld bij [instelling 3] , geprobeerd om met de [instelling 1] een tussenoplossing te vinden en vervolgens breed onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden. Reclassering Nederland heeft ook later nog contact gehad met de [instelling 1] over de mogelijkheid tot een verzoeningsgesprek en eventuele terugkeer, maar de [instelling 1] stond daar niet voor open.\n\n4.6.. In de e-mail van Reclassering Nederland waar [eiser] naar verwijst, zegt Reclassering Nederland inderdaad dat zij mogelijk niet negatief geadviseerd zou hebben als het slechts zou gaan om het zoeken naar kinderporno. Maar er speelde juist wél meer dan alleen het zoeken naar kinderporno: [eiser] kon ook niet voldoen aan de voorwaarde van het verblijven in een instelling voor begeleid wonen. Gelet op deze met verslagen onderbouwde betwisting van Reclassering Nederland heeft [eiser] zijn stellingen onvoldoende onderbouwd en wordt de verklaring voor recht dat Reclassering Nederland onrechtmatig heeft gehandeld afgewezen.\n\nDe gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen\n\n4.7.. \n [eiser] vordert € 20.000,00 aan schadevergoeding, met als grondslag onrechtmatig handelen van Reclassering Nederland. Uit de wet volgt dat degene die ten opzichte van een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke onrechtmatige daad aan hem kan worden toegerekend, aan de ander de schade moet vergoeden die die ander door dit onrechtmatig handelen of nalaten lijdt. Omdat de kantonrechter van oordeel is dat Reclassering Nederland niet onrechtmatig heeft gehandeld, zal de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.\n\n4.8.. Daarbij is niet gebleken dat [eiser] schade heeft geleden door enig handelen of nalaten van Reclassering Nederland. [eiser] verwijst naar artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek, welk artikel bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [eiser] stelt dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast en vergelijkt hierbij de situatie in februari 2016 waarin hij (volgens hem) bijna onvoorwaardelijk uit de TBS zou komen met de uitzichtloze situatie waarin hij nu zit: TBS met dwangverpleging op een longstay-afdeling.\n\n4.9.. De kantonrechter overweegt als volgt. De beslissing om de TBS met dwangverpleging te hervatten, is in eerste instantie op 15 juni 2016 genomen door de rechtbank omdat [eiser] zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden, waarbij de eigen gedraging van [eiser] als uitgangspunt wordt genomen. De rechtbank Midden-Nederland overwoog op 15 juni 2016 namelijk dat: “wat er zij van de handelwijze van het [instelling 1] , vast staat dat veroordeelde ondanks aanwijzing én waarschuwing van de reclassering op internet gezocht heeft naar kinderporno. Hiermee heeft hij zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden én zich weer in het delict scenario begeven. Dit maakt het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat de verpleging van overheidswege wordt hervat.”Weliswaar is dit vonnis vernietigd in hoger beroep, waarna nog even de TBS onder voorwaarden is voorgezet, maar uiteindelijk is op 6 februari 2019 de TBS met dwangverpleging hervat. Met de stelling van [eiser] dat de huidige situatie moet worden vergeleken met de situatie in februari 2016 toen hij uitzicht had op beëindiging van de TBS, wordt voorbij gegaan aan het feit dat niet alleen in juni 2016 de rechtbank heeft besloten tot hervatting van de dwangverpleging, maar (na vernietiging van deze uitspraak) in 2019 opnieuw is besloten tot TBS met dwangverpleging. Ook is daarna de TBS nog verlengd. In deze periode is dus kennelijk van alles gebeurd dat aanleiding is geweest om de TBS met dwangverpleging te hervatten. Dit maakt dat geen sprake is van een (voldoende direct) causaal verband tussen het gestelde handelen\u002Fnalaten van Reclassering Nederland en de situatie waarin [eiser] zich nu bevindt en daarmee met de gestelde schade die hij daardoor zou hebben geleden. Ook op basis hiervan zou de gevorderde schadevergoeding zijn afgewezen.\n\n [eiser] moet de proceskosten betalen\n\n4.10.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Reclassering Nederland worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten x tarief € 406,00)\n\n- nakosten € 135,00\n\nTotaal € 947,00\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n4.11.. De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af;\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen;\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.\n\n Zie artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek.\n\n Zie artikel 38g Wetboek van Strafrecht (oud) en artikel 38 lid 2 Wetboek van Strafrecht (oud).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4015","2025-07-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.599Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"1786","ECLI:NL:RBDHA:2025:28009","ecli-nl-rbdha-2025-28009",58,"2025-04-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F671825 \u002F HA ZA 24-742\n\nVonnis van 9 april 2025\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser] ,\n\n2. [eiseres],\n\nbeiden te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: eisers,\n\nadvocaat: mr. J.J. Turenhout,\n\ntegen\n\nGEMEENTE NIEUWKOOP,\n\nte Nieuwveen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de Gemeente,\n\nadvocaat: mrs. T. Barshini.\n\n1. Samenvatting\n\n1.1.. Deze zaak gaat over de vragen of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door [locatie] als gemeentelijk monument aan te wijzen, en zo ja, of de Gemeente de door eisers gevorderde (vertragings)schade moet vergoeden.\n\n1.2.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het primaire besluit van de Gemeente tot aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument onrechtmatig was. De rechtbank kan echter op basis van de nu voorliggende informatie nog niet goed beoordelen of alle schade waarvan eisers vergoeding vorderen, voortvloeit uit die onrechtmatige aanwijzing.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank draagt eisers daarom op te bewijzen – kort gezegd – dat de gestelde vertraging in de werkzaamheden en de extra kosten die zij hebben moeten maken, voortvloeien uit de onrechtmatige aanwijzing en niet uit de wijzigingen die hun bouwplannen inhielden ten opzichte van de oorspronkelijke situatie (kort gezegd: een groter restaurant in plaats van een kleiner vissportcentrum, met parkeervoorzieningen die er nog niet waren).\n\nOok draagt de rechtbank de Gemeente het bewijs op van het door haar gevoerde eigen schuld verweer, inhoudende dat een deel van de vertraging bij de verlening van de benodigde vergunningen te wijten is aan eisers zelf.\n\n1.4.. Aan het eind van dit vonnis legt de rechtbank uit hoe de procedure nu verder gaat.\n\n2. Leeswijzer\n\nDit vonnis is als volgt opgebouwd:\n\nDe rechtbank bespreekt eerst hoe de procedure is verlopen (Hoofdstuk 3), van welke feiten zij uitgaat bij de beoordeling van deze zaak (Hoofdstuk 4), wat eisers precies hebben gevorderd en wat de Gemeente daartegen heeft ingebracht (Hoofdstuk 5).\n\nDaarna beoordeelt de rechtbank eerst de rechtmatigheid van het primaire besluit, en dan de toewijsbaarheid van de gevorderde schade. Die beoordeling mondt uit in twee bewijsopdrachten: één aan eisers die ziet op het causaal verband tussen de onrechtmatige aanwijzing en de gevorderde vertragingsschade, en één aan de Gemeente die ziet op haar eigen schuld verweren (Hoofdstuk 6).\n\nHet vonnis sluit af met een uitleg over hoe de procedure verder zal verlopen (Hoofdstuk 7) en een korte opsomming van alle beslissingen (Hoofdstuk 8).\n\n3. De procedure\n\n3.1.. Het procesdossier bestaat uit:\n\n- de dagvaarding van 10 juli 2024, met producties 1-34,\n\n- de conclusie van antwoord van 16 oktober 2024, met producties 1-85,\n\n- de akte overlegging producties van 4 september 2024, met producties 35A-37G,\n\n- het tussenvonnis van 6 november 2024,\n\n- het B-formulier van 31 december 2024 van eisers met daarin een pleitverzoek,\n\n- het bericht van de griffie van 14 januari 2025 met een zittingsagenda en vragen.\n\n3.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Mr. Turenhout heeft, zoals voor de zitting verzocht en toegestaan, gebruik gemaakt van pleitnotities, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Mr. Barshini heeft afgezien van het gebruik van een pleitnota. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.\n\n3.3.. Ten slotte is de datum bepaald waarop dit vonnis wordt gewezen.\n\n4. De feiten\n\n4.1.. Eisers zijn sinds 29 januari 2015 eigenaar van een perceel in Noorden, inclusief 23 hectare water en natuurgrond, dat aan grenst aan een Natura 2000-gebied (de Nieuwkoopse Plassen). Op hun perceel bevond zich het inmiddels gesloopte [locatie] , een boerderij uit de 18e eeuw, die door grondzettingen deels was verzakt. [locatie] werd laatstelijk gebruikt als vissportcentrum met restaurant en bedrijfswoning. Eisers wilden [locatie] laten slopen en op het perceel een restaurant met een bedrijfswoning realiseren.\n\n4.2.. Bij brief van 15 juli 2015 heeft het college van burgermeester en wethouders (hierna: het college) van de Gemeente aan eisers meegedeeld voornemens te zijn [locatie] aan te wijzen tot gemeentelijk monument.\n\n4.3.. \n\nVervolgens heeft het college de monumentencommissie gevraagd een vervolgonderzoek in te stellen naar de monumentale status en waarde van [locatie] .\n\nDe monumentencommissie heeft het college op 8 september 2015 geadviseerd het aanwijzingstraject te vervolgen.\n\n4.4.. Op 24 maart 2016 heeft het college het ontwerpbesluit tot de aanwijzing van [locatie] tot gemeentelijk monument aan eisers gestuurd. In dit ontwerpbesluit motiveerde zij in de zogenaamde ‘redengevende omschrijving’ waarom zij aanleiding zag om tot aanwijzing over te gaan. In deze redengevende omschrijving stond onder meer dat het dak van het hoofdgebouw zeer scheve schouders had, en dat de gevels last hadden van scheurvorming. De aard en de omvang van die scheurvorming waren niet verder onderzocht.\n\n4.5.. De monumentencommissie heeft de Gemeente op 8 april 2016 nader geadviseerd over het ontwerp-aanwijzingsbesluit. De commissie vond [locatie] monumentwaardig, op de in de redengevende omschrijving van het college genoemde gronden.\n\n4.6.. Eisers konden zich niet verenigen met het ontwerpbesluit en hebben hiertegen op 12 april 2016 een zienswijze ingediend.\n\nAanwijzing van [locatie] tot gemeentelijk monument\n\n4.7.. Bij besluit van 26 april 2016 heeft het college [locatie] aangewezen tot beschermd gemeentelijk monument (hierna: het primaire besluit).\n\n4.8.. Op 3 juni 2016 heeft de advocaat van eisers pro forma bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.\n\n4.9.. Bij brief van 3 augustus 2016 is namens eisers het bezwaar tegen het primaire besluit aangevuld met de gronden van het bezwaar en financiële gegevens.\n\n4.10.. De bezwaarschriftencommissie van de gemeente heeft het college op 20 december 2016 geadviseerd om het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gegrond te verklaren en om dit besluit in te trekken. De commissie overwoog daartoe onder meer het volgende:\n\n“de commissie overweegt dat naast de eerdergenoemde criteria voor cultureel erfgoed bij de aanwijzing als monument ook de financiële gevolgen bij de besluitvorming dienen te worden meegewogen. Daarbij is het college uitgegaan van meerdere objecten in de gemeente die in het (recente) verleden als monument zijn aangewezen en die ook met grondzettingen te maken hadden. Voor het behoud van het object kan volgens het college op grond van ervaringen met andere objecten schade als gevolg van zettingen voorkomen worden met een ter zitting genoemd bedrag van circa € 75.000. Bezwaarmaker daartegen heeft echter een elementen-begroting van het Advies- en ontwerpburo Nico [naam 2] overgelegd, die op een bedrag van € 477.076,73 uitkomt voor het verrichten van noodzakelijke werkzaamheden ter behoud van het object als monument. Op verzoek van de commissie heeft het college hierover middels gerichte vragen een oordeel gevraagd aan de Monumentenwacht Zuid-Holland. De commissie heeft het noodzakelijk geacht de advisering aan te houden tot het beschikbaar komen van het rapport. In het uitgebrachte inspectierapport van 9 november 2016 (….) concludeert Monumentenwachter [naam 1] dat de door bezwaarmaker opgevoerde herstelkosten in de elementenbegroting van c.a. € 475.000,00 (incl. btw) als reëel bedrag moet worden aangemerkt als het gaat om het stabiliseren en in stand houden van “t [locatie] ”. Op grond hiervan komt de commissie tot het oordeel, dat de noodzakelijke kosten voor behoud van het object (nr. 4924) in zijn huidige vorm voor bezwaarmaker een onevenredige belasting vormt en dat zijn bezwaar op dit punt derhalve als gegrond moet worden aangemerkt.”\n\nAanvraag omgevingsvergunning fase I\n\n4.11.. Op 12 december 2016 hebben eisers bij het college een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ aangevraagd, voor het vervangen van vissportcentrum ‘ [locatie] ’ met bedrijfswoning door een ‘restaurant met bedrijfswoning, parkeerkelder en bijbehorende terreinvoorzieningen’.\n\n4.12.. Bij brief van 21 december 2016 heeft het college eisers meegedeeld dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning niet compleet was en dat het bouwplan in strijd was met de bestemmingen ‘horeca’, ‘water’ en ‘waarde-archeologie’ ‘met deels nadere functieaanduidingen’ ‘specifieke vorm van recreatie-vissportbedrijf en bedrijfswoning’ van het destijds geldende bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] (hierna: het bestemmingsplan). Ook moest een BIBOB-toets worden uitgevoerd. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende gegevens binnen vier weken na de verzending van deze brief aan te vullen.\n\n4.13.. Bij brief van 10 januari 2017 heeft [naam 2] , de door eisers ingeschakelde architect, in reactie op deze brief het college namens eisers verzocht om een nadere termijn voor het aanleveren van de gewenste gegevens.\n\n4.14.. \n\nOp 2 februari 2017 heeft naar aanleiding van het verzoek om aanvulling van de gegevens een overleg plaatsgevonden tussen eisers en [naam 2] enerzijds en [naam 3] en [naam 4] namens de Gemeente anderzijds.\n\n [naam 3] en [naam 4] waren beiden betrokken bij de beoordeling van de aanvraag voor de verlening van een omgevingsvergunning. Tijdens dit overleg hebben zij aan eisers en [naam 2] kenbaar gemaakt dat de strijdigheden van het bestemmingsplan niet konden worden opgelost via de afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt (‘binnenplanse oplossingen’) en dat daarom ook een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ nodig was om het bouwplan te kunnen uitvoeren.\n\n4.15.. Eisers hebben toen besloten om de benodigde omgevingsvergunningen gefaseerd aan te vragen: omgevingsvergunning fase I voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ en omgevingsvergunning fase II voor de activiteit ‘bouwen’.\n\n4.16.. Bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2017 heeft het college, in afwijking van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 20 december 2016, met een aanvullende motivering en een aangepaste redenering, het door eisers ingediende bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en haar primaire besluit gehandhaafd.\n\n4.17.. \n\nOp 21 maart 2017 hebben eisers tegen het besluit van 7 februari 2017 beroep ingesteld bij deze rechtbank (team bestuursrecht). Gelijktijdig hebben zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht).\n\nDe voorzieningenrechter heeft op 13 april 2017, naar aanleiding van de door eisers aangevoerde gronden, aanleiding gevonden om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de STAB) als deskundige te raadplegen en een rapport te laten uitbrengen.\n\n4.18.. Op 13 april 2017 heeft het college besloten de aanvraag voor een omgevingsvergunning fase I buiten behandeling te stellen, omdat eisers hadden nagelaten de ontbrekende stukken aan te vullen, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid waren gesteld.\n\n4.19.. Op 15 juni 2017 heeft de STAB een rapport uitgebracht. Zij concludeerde dat [locatie] monumentwaardig was in de zin van de Erfgoedverordening en dat de aanwijzing als gemeentelijk monument niet in de weg stond aan een zinvol gebruik van het object.\n\n4.20.. Op 19 juli 2017 hebben eisers hun aanvraag voor de omgevingsvergunning fase I aangevuld met het rapport ‘Vernieuwing [locatie] ’ van Anteagroup en een toelichting op de watertoets van 18 juli 2017.\n\n4.21.. In de e-mail van 25 juli 2017 heeft [naam 3] , naar aanleiding van de watertoets, het volgende aan het Hoogheemraadschap van Rijnland geschreven:\n\n“Graag vraag ik u advies uit te brengen voor het planologisch mogelijk maken van een restaurant met bedrijfswoning op het perceel [adres] . Het bouwgedeelte van de aanvraag zal in een latere fase komen. [naam 5] heeft al eerder advies uitgebracht (zie bijlage). Naar aanleiding van het advies heeft de aanvrager een toelichting op de watertoets op laten stellen. Graag vraag ik bij het advies tevens jullie eigen project damwandconstructie langs de [straatnaam] te betrekken vanwege raakvlakken en wensen van de initiatiefnemer. Het zou vervelend zijn als dit niet op elkaar zou aansluiten.”\n\n4.22.. In een e-mail van 27 juli 2017 heeft [naam 5] van het Hoogheemraadschap van Rijnland het volgende – voor zover van belang – geantwoord:\n\n“In het plan zien wij geen toename van verhard oppervlak. Derhalve bestaat er geen compensatieverplichting ten behoeve van het graven van water.\n\nWel hebben wij een opmerking over dit plan. Intussen is duidelijk geworden dat het plan zoals de opdrachtgever voor staat niet gerealiseerd kan worden zonder de beheergrenzen tussen ons waterschap en het waterschap AGVte wijzigen. (…)\n\nOm de beheergrenzen te wijzigen dienen beide waterschapsbesturen hiertoe de noodzaak in te zien en dit te willen faciliteren. De kans daarop achten wij niet erg groot. Er ontbreekt immers een maatschappelijk belang om dit te doen, uitsluitend een particulier belang. Bovendien zou een dergelijke beheergebiedswijziging nogal wat praktische problemen opleveren ten aanzien van bevoegdheden en beheer.\n\nDe reden dat er een beheersgebiedswijziging dient plaats te vinden voor dit project is dat er niet gebouwd kan worden zoals is weergegeven op de locatie waar nu een waterkering is gelegen. De kering zou dan om het plangebied heen verlegd moeten worden zodat op de locatie van de huidige kering geen beperkingen meer gelden. Echter, die nieuwe kering zal net zoals nu het geval is, onder het bevoegd gezag moeten (blijven) vallen van AGV. Dit is echter niet mogelijk omdat het ene bevoegde gezag niet bevoegd kan zijn over beheerobjecten in een beheergebied van een anderbevoegd gezag, hetgeen een gegeven is. Deze optie valt daarom af.\n\nMocht de initiatiefnemer zijn project willen realiseren dan rest naar onze mening niets anders dan dat hij contact opneemt met AGV omdat zij binnenkort de waterkering ter plaatse gaan versterken en mogelijk deelgenoot willen worden in dit plan en zich daarvoor willen inzetten. Wanneer dit zo is vernemen wij dit van AGV en zullen tegen die tijd onze mening gaan vormen over een eventuele beheergebiedsgrenswijziging.”\n\n4.23.. Op basis van alle door eisers aangeleverde nieuwe gegevens en rapporten heeft het college geconstateerd dat op grond van het Besluit omgevingsrecht en de Wet natuurbescherming de aanhaakverplichting tussen de omgevingsvergunning en de natuurvergunning van toepassing is, en dat een verklaring van geen bedenkingen (vvgb)-natuur nodig is om de omgevingsvergunning fase I te kunnen verlenen.\n\n4.24.. Namens eisers is aan Bureau Aandacht Natuur gevraagd in het kader van de benodigde vvgb-natuur een natuuronderzoek uit te voeren. Op 28 september 2017 heeft Bureau Aandacht Natuur het rapport ‘Toetsing Wet Natuurbescherming’ uitgebracht.\n\n4.25.. Op 5 december 2017 heeft de Omgevingsdienst Haaglanden, namens Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, een vvgb-natuur verleend.\n\n4.26.. Op 21 december 2017 heeft de voorzieningenrechter nadere vragen gesteld over het rapport van de STAB.\n\n4.27.. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 24 augustus 2018 het beroep van eisers tegen het besluit van 7 februari 2017 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college [locatie] in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen als gemeentelijk monument, en dat eisers door die aanwijzing financieel niet onevenredig werden belast.\n\n4.28.. Op 3 oktober 2018 hebben eisers tegen deze uitspraak (pro forma) beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) Op 2 november 2018 hebben eisers de beroepsgronden aangevuld.\n\n4.29.. De Afdeling heeft op 4 december 2019 het beroep van eisers gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 7 februari 2017 vernietigd. De Afdeling heeft – voor zover van belang – het volgende overwogen:\n\n“6. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat [locatie] monumentwaardig is in de zin van de Erfgoedverordening 2010. Evenmin is in geschil dat [locatie] onderhevig is aan grondzettingen en dat, voor het behoud van dat pand, de gevolgen daarvan moeten worden geredresseerd. Partijen zijn evenwel verdeeld over de wijze waarop dit moet geschieden en of de daarmee gepaard gaande kosten niet dermate hoog zijn dat in redelijkheid had moeten worden afgezien van de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.\n\nZinvol (her)gebruik\n\n7. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat [appellant A] en [appellant B] aannemelijk hebben gemaakt dat [locatie] alleen in stand kan worden gehouden door deze te voorzien van een nieuwe fundering en door het reeds verzakte gedeelte daarvan op te vijzelen. Het enkel herstellen van de fundering van het pand leidt, zoals [appellant A] en [appellant B] ter zitting hebben toegelicht en zoals door het college ter zitting is erkend, tot een stahoogte van 1.80 meter in de bedrijfswoning en het daaraan grenzende gedeelte van het restaurant op de begane grond. Het betoog van het college dat tegen niet al te hoge kosten meer stahoogte kan worden gecreëerd door de verdiepingsvloer te verwijderen, wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat [naam 2] ter zitting desgevraagd en onbetwist heeft toegelicht dat de hoofdspantconstructies en de verdiepingsvloer de stabiliteit van het pand waarborgen en een dragende functie hebben. Volgens [naam 2] kunnen de hoofdspantconstructies niet worden verwijderd, hetgeen betekent dat er geen sprake is van een vrije loop. Ook de verdiepingsvloer kan niet worden verwijderd zonder dat een (staal)constructie in de plaats wordt aangebracht. De kosten voor het plaatsen van een zodanige constructie en een verdiepingsvloer hoger in het pand, waardoor op de begane grond meer stahoogte ontstaat en het op de eerste verdieping gelegen slaapgedeelte van de bedrijfswoning behouden kan blijven, benaderen de kosten voor funderingsherstel met opvijzeling. Daarbij komt dat het college desgevraagd ter zitting heeft aangegeven geen onderzoek te hebben verricht naar de monumentale waarde van de verdiepingsvloer, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of die vloer verwijderd mag worden zonder een daarvoor verleende omgevingsvergunning.\n\n Dat [locatie] alleen in stand kan worden gehouden door deze te voorzien van een nieuwe fundering en door het reeds verzakte gedeelte daarvan op te vijzelen, volgt voorts uit de vaststelling dat het enkel herstellen van de fundering van dat pand ertoe leidt dat de in het verzakte gedeelte daarvan gesitueerde deuren een naar huidig gebruik te lage dagmaathoogte krijgen en dat de afstand tussen de zich daar bevindende vensters en de vloer op de begane grond kleiner wordt. Ter zitting is dit door het college erkend. Deze problemen kunnen, naar de Afdeling ter zitting is gebleken, niet allemaal worden weggenomen. Zo kunnen de (kozijnen van de) drie buitendeuren aan de westgevel van [locatie] niet worden opgehoogd door de plaats van de dakrand. Daarbij komt dat het college desgevraagd ter zitting heeft aangegeven geen onderzoek te hebben verricht naar de monumentale waarde van de in het verzakte gedeelte van het pand gesitueerde deuren, zodat ook niet met zekerheid kan worden vastgesteld of (de kozijnen van) die deuren, voor zover dat al mogelijk is, mogen worden opgehoogd zonder een daarvoor verleende omgevingsvergunning.\n\nHet betoog slaagt.\n\nEvenredigheid financiële belasting\n\n8. Het behoud van [locatie] en een zinvol (her)gebruik daarvan worden slechts gewaarborgd, zoals de Afdeling hiervoor onder 7 heeft geoordeeld, indien het pand wordt voorzien van een nieuwe fundering en het verzakte gedeelte daarvan wordt opgevijzeld. Niet in geschil is dat de kosten daarvoor, uitgaande van de door [naam 2] opgestelde begroting van 5 juli 2016, minstens € 473.076,73 inclusief btw bedragen.\n\n De vraag of het college in dit bedrag, alsmede de bijkomende renovatiekosten, aanleiding had moeten vinden af te zien van de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden beantwoord aan de hand van de door [appellant A] en [appellant B] voorgestane vergelijking met de marktwaarde van [locatie], zoals vastgesteld door de SAOZ in het rapport van 2 augustus 2017. Daartoe is van belang dat de marktwaarde van een pand in belangrijke mate wordt beïnvloed door diens staat van onderhoud. De door [appellant A] en [appellant B] voorgestane vergelijking brengt derhalve met zich dat monumentwaardige panden met een slechte staat van onderhoud, doorgaans niet kunnen worden aangewezen als gemeentelijk monument, nu de kosten van instandhouding daarvan de (te realiseren) marktwaarde in de regel zullen overtreffen. De Afdeling acht dit niet verenigbaar met het belang van de bescherming van monumentale panden, zoals gewaarborgd in de hier van toepassing zijnde regelgeving.\n\n De door de rechtbank in navolging van het college gemaakte vergelijking tussen de kosten van instandhouding van [locatie], alsmede de bijkomende renovatiekosten, en de door [appellant A] en [appellant B] begrote kosten voor de door hen beoogde nieuwbouw, komt de Afdeling evenmin juist voor. Daartoe is van belang dat de door [appellant A] en [appellant B] begrote kosten voor de door hen beoogde nieuwbouw geenszins te relateren zijn aan [locatie], omdat het daarbij wat de grootte van de bedrijfsruimte betreft om een geheel ander project gaat. De kosten voor de beoogde nieuwbouw zijn gebaseerd op een horecaruimte van 220 m2, terwijl die ruimte in [locatie] 65 m2 bedraagt. [appellant A] en [appellant B] gaan er blijkens het verhandelde ter zitting ook vanuit dat de beoogde nieuwbouw meer inkomsten zal genereren. Anders dan de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of [appellant A] en [appellant B] door de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument al dan niet financieel onevenredig worden belast, niet bepalend is dat de kosten van instandhouding en bijkomende renovatie in dezelfde orde van grootte liggen als de kosten van de beoogde nieuwbouw.\n\n Het komt de Afdeling reëler voor om in de vergelijking de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand af te zetten tegen de herbouwwaarde van het bestaande pand. De kosten van een pand met een vergelijkbare maatvoering als die van [locatie] zijn immers meer te relateren aan [locatie] dan de beoogde nieuwbouw. Het college heeft deze vergelijking ten onrechte niet gemaakt.\n\nHet betoog slaagt.\n\nConclusie\n\n9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 februari 2017 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 26 april 2016 gemaakte bezwaar dient te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.”\n\n4.30.. Bij brief van 5 februari 2020 heeft het college eisers geïnformeerd dat zij met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling (alsnog) het bezwaar van eisers gegrond heeft verklaard en heeft besloten het primaire besluit te herroepen. In de brief staat – voor zover relevant – het volgende:\n\n“Wij hebben met inachtneming van de uitspraak van de afdeling besloten, het op 3 juni 2016 pro forma ingediende bezwaarschrift, welke bij brief van 3 augustus 2016 met gronden van bezwaar is aangevuld, ontvankelijk en gegrond te verklaren. Wij hebben besloten de aanwijzing van het pand ’t [locatie] , aan [adres] tot gemeentelijk monument te herroepen.\n\nHet vervallen van de gemeentelijke monumentenstatus heeft consequenties voor het ingediende bouwplan door uw cliënt op het perceel (…). Over de voortgang van deze procedure volgt binnenkort een afzonderlijk besluit.”\n\nAanvraag omgevingsvergunning fase II\n\n4.31.. \n\nOp 30 juli 2020 hebben eisers een omgevingsvergunning fase II aangevraagd.\n\nHet college heeft eisers in haar (ongedateerde) brief verzocht de daarin opgesomde aanvullende gegevens uiterlijk 1 december 2020 te verstrekken.\n\n4.32.. Enkele omwonenden hebben bij de Gemeente zienswijzen ingediend tegen het voorgenomen bouwplan, onder meer over verwachte parkeeroverlast, verkeersstromen en de schaalgrootte van de nieuwbouw.\n\n4.33.. Naar aanleiding van de zienswijzen van de omwonenden hebben eisers het bouwplan aangepast. In verband daarmee zijn nieuwe stikstofberekeningen gemaakt en is namens eisers een nieuwe vvgb-natuur aangevraagd.\n\n4.34.. Bij e-mail van 15 september 2020 heeft de Gemeente [naam 2] verzocht om aanvullende gegevens aan te leveren.\n\n4.35.. Op 10 november 2020 heeft [naam 2] namens eisers diverse rapporten aan het college gestuurd.\n\n4.36.. Op 17 december 2020 heeft de Omgevingsdienst West-Holland een advies uitgebracht over het door eisers aangeleverde ‘Verkennend bodemonderzoek nieuwbouw ten behoeve van de vervanging vissportcentrum [locatie] , [adres] ’. De Omgevingsdienst heeft geconcludeerd dat de locatie nog niet geschikt is voor de nieuwbouw van een restaurant met bedrijfswoning. Geadviseerd wordt om de omgevingsvergunning te verlenen als voldaan wordt aan de in het advies genoemde voorwaarden, waaronder het doen van een zogenoemde BUS-melding.\n\nVerlening omgevingsvergunningen fase I en II\n\n4.37.. Bij besluit van 27 mei 2021 heeft het college aan eisers een omgevingsvergunning fase I verleend voor de activiteit ‘handelen in strijd met de regels van de ruimtelijke ordening’. Bij besluit van diezelfde datum heeft het college aan eisers een omgevingsvergunning fase II voor de activiteiten ‘bouwen en inrit aanpassen\u002Fverleggen’ verleend. Deze besluiten, met bijbehorende stukken, hebben van 3 juni 2021 tot en met 15 juli 2021 ter inzage gelegen.\n\nBeroepsprocedure omgevingsvergunningen fase I en II\n\n4.38.. Op 13 juli 2021 hebben twee derde-belanghebbenden bij deze rechtbank (team bestuursrecht) beroep ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunningen. Op 27 augustus 2021 hebben zij aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4.39.. Op 21 juli 2021 zijn de sloop- en bouwwerkzaamheden aangevangen.\n\n4.40.. Bij uitspraak van 29 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter de besluiten van 27 mei 2021 geschorst totdat de rechtbank in beroep een uitspraak heeft gedaan.\n\n4.41.. Op 24 december 2021 hebben eisers de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht) verzocht de schorsing van de besluiten van 27 mei 2021 op te heffen.\n\n4.42.. Bij uitspraak van 8 april 2022 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen en de schorsing opgeheven.\n\nAanvraag watervergunning\n\n4.43.. \n\nOp 14 september 2021 heeft [naam 2] , namens eisers, om het bouwplan te kunnen realiseren een watervergunning aangevraagd bij het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het waterschap) voor de volgende activiteiten:\n\n1) heien van palen in de kern en beschermingszone van een secundaire waterkering,\n\n2) bouwen van een gebouw in een secundaire waterkering en\n\n3) bouwen van een gebouw in een verholen secundaire waterkering (oostzijde).\n\n4.44.. Bij e-mailbericht van 1 oktober 2021 heeft het waterschap [naam 2] geïnformeerd dat de aanvraag onvoldoende gegevens bevatte om in behandeling te kunnen worden genomen. [naam 2] is door het waterschap in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen vóór 29 oktober 2021. Op 14 oktober 2021 heeft de Gemeente de ontbrekende gegevens ontvangen.\n\n4.45.. Op 12 november 2021 heeft het waterschap een watervergunning verleend.\n\nAdvies in verband met stikstofaspecten en vvgb-planologie\n\n4.46.. Op 10 november 2021 heeft het college een nader advies gevraagd aan de Omgevingsdienst West-Holland voor de stikstofaspecten van het project. Op 16 november 2021 heeft de Omgevingsdienst West-Holland het gevraagde advies uitgebracht.\n\n4.47.. Op 16 december 2021 heeft de gemeenteraad de vvgb-planologie aan eisers verleend.\n\n4.48.. Het college heeft op 8 maart 2022 een herstelbesluit genomen waarin voorschriften met betrekking tot het gebruik van het terras zijn opgenomen.\n\nAansprakelijkstelling\n\n4.49.. Bij brief van 6 november 2023 hebben eisers de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden (vertragings)schade. De Gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n5. Het geschil\n\n5.1.. Eisers vorderen – samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld (I). Daarnaast vorderen eisers vergoeding van de schade die zij hebben geleden door het handelen van de Gemeente van in totaal € 630.427,06 met rente en kosten (II) alsmede veroordeling van de Gemeente tot vergoeding van gederfde huurinkomsten, op te maken bij staat (III). Tot slot vorderen eisers dat de rechtbank de Gemeente veroordeelt in de proceskosten (IV).\n\n5.2.. Eisers leggen aan hun vorderingen – samengevat – ten grondslag dat de Gemeente jegens hen een onrechtmatige daad heeft gepleegd door [locatie] aan te wijzen als gemeentelijk monument. Volgens eisers hebben zij daardoor onnodige vertraging opgelopen in het realiseren van het bouwplan. De aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument stond volgens eisers in de weg aan de sloop. Eisers stellen dat zij door het handelen van de Gemeente schade hebben geleden.\n\n5.3.. \n\nDe Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de proceskosten. Volgens de Gemeente is het primaire besluit niet onrechtmatig, omdat de Afdeling zich daarover niet heeft uitgesproken en dit besluit niet is herroepen of gewijzigd.\n\nVerder ontbreekt volgens de Gemeente het causaal verband tussen het primaire besluit en de door eisers gestelde vertraging bij het verlenen van de omgevingsvergunningen. Die vertraging was volgens de Gemeente te wijten aan de afhandeling van de zienswijzen, omdat delen van het bouwplan in strijd waren met het bestemmingsplan en eisers onvoldoende parkeergelegenheid hadden geregeld en voor de brug naar de parkeervoorziening een watervergunning nodig was.\n\n5.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n6. De beoordeling\n\n6.1.. De rechtbank moet beoordelen of de Gemeente aansprakelijk is voor de door eisers gestelde schade wegens een door de Gemeente gepleegde onrechtmatige daad, en zo ja, of de zaak moet worden verwezen naar de schadestaatprocedure.\n\n6.2.. Van een onrechtmatige daad is sprake in geval van een inbreuk op een recht of een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, tenzij er een rechtvaardigingsgrond is (zie artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). De stelplicht en bewijslast rusten daarbij op eisers: zij moeten feiten en omstandigheden aandragen – en zo nodig bewijzen – die de conclusie rechtvaardigen dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en dat zij daardoor schade hebben geleden.\n\nPrimair besluit tot aanwijzing onrechtmatig? – Ja\n\n6.3.. Met de vernietiging van de beslissing op bezwaar staat nog niet vast dat het primaire besluit ook onrechtmatig is. Het antwoord op de vraag of het primaire besluit rechtmatig of onrechtmatig is, hangt in het algemeen af van de besluitvorming die na de vernietiging van de beslissing op bezwaar plaatsvindt.\n\n6.4.. In deze zaak is het primaire besluit door de Gemeente herroepen. Wanneer een besluit van een bestuursorgaan op grond van een daartegen gemaakt bezwaar door dat bestuursorgaan wordt herroepen, hangt het af van de redenen die daartoe hebben geleid en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig was, en zo ja, of deze onrechtmatige daad aan het betrokken overheidslichaam kan worden toegerekend.\n\n6.5.. \n\nUit de vernietiging van het besluit op bezwaar kán dus de onrechtmatigheid van het primaire besluit blijken, maar dit hoeft niet: de gebreken die aan het besluit op bezwaar kleefden, kleven niet altijd ook aan het primaire besluit. Wanneer het primaire besluit bijvoorbeeld om beleidsmatige redenen wordt herroepen, of omdat zich na het primaire besluit nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, hoeft het primaire besluit niet onrechtmatig te zijn geweest.\n\nAnders ligt het wanneer het primaire besluit op rechtmatigheidsgronden wordt herroepen, bijvoorbeeld wegens een onjuiste wetsuitleg of strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dan is het primaire besluit wel onrechtmatig – ook als dit niet met zoveel woorden in het nieuwe besluit wordt gezegd.\n\n6.6.. \n\nIn deze zaak is volgens de Gemeente sprake van nieuwe feiten en omstandigheden omdat de financiële informatie, die nodig was om een zorgvuldige financiële belangenafweging te maken, door eisers pas in de bezwaarprocedure is aangeleverd. De Gemeente meent dat dit volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling voor risico van eisers komt, al kon zij niet benoemen welke jurisprudentie dit betreft.\n\nEisers menen dat het op de weg van de Gemeente ligt om voorafgaand aan een ingrijpend besluit als een aanwijzing tot monument zorgvuldig alle belangen te inventariseren en af te wegen op de voet van artikel 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Zij menen dat de Gemeente dit heeft nagelaten.\n\n6.7.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het primaire besluit op rechtmatigheidsgronden is herroepen, zodat dit besluit onrechtmatig is. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.\n\n6.7.1.. \n\nDe gemeente heeft haar besluit tot herroeping niet anders gemotiveerd dan dat dit “met inachtneming van de uitspraak van de afdeling” is genomen, zodat uit het besluit niet direct is af te leiden of de herroeping op rechtmatigheidsgronden heeft plaatsgevonden.\n\nGelet op het motiveringsbeginsel en het gegeven dat het in deze zaak om een voor eisers belastend primair besluit ging dat de Gemeente op eigen initiatief had genomen, zal de rechtbank eventuele onduidelijkheid over de reden van de herroeping van het primaire besluit voor rekening van de Gemeente laten.\n\n6.7.2.. Omdat het primaire besluit ter motivering volledig verwijst naar de uitspraak van de Afdeling tot vernietiging van de beslissing op bezwaar, zal de rechtbank deze uitspraak betrekken bij de beantwoording van de vraag of het primaire besluit is herroepen op rechtmatigheidsgronden (zoals eisers stellen) of op gewijzigde omstandigheden (zoals de Gemeente aanvoert).\n\n6.7.3.. De Afdeling heeft geoordeeld dat:\n\nde gemeente in het besluit geen rekening had gehouden met de dragende functie van de hoofdspantconstructies en de verdiepingsvloer;\n\nde gemeente geen onderzoek had verricht naar de voor het besluit relevante monumentale waarde van de verdiepingsvloer en de in het verzakte gedeelte van het pand gesitueerde (kozijnen van) deuren); en dat\n\nde gemeente “ten onrechte” geen vergelijking had gemaakt tussen de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand en de herbouwwaarde van het bestaande pand.\n\n6.7.4.. De door de Afdeling benoemde aspecten waren al relevant ten tijde van het primaire besluit, nu eisers in hun zienswijze tegen het ontwerpbesluit hadden aangegeven dat instandhouding van [locatie] een onevenredige financiële inspanning van hen zou vergen, gelet op de slechte staat waarin het verkeerde, waaronder de ook door de Gemeente al opgemerkte verzakking en scheurvorming. In hun zienswijze wezen eisers erop dat in het ontwerpbesluit de kanttekening stond dat de scheurvorming in [locatie] niet was onderzocht, terwijl onderzoek daarnaar gezien de slechte onderhoudsstaat volgens eisers wel noodzakelijk was om een zorgvuldige afweging te kunnen maken.\n\n6.7.5.. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdelinggeldt dat als door de eigenaar concreet is gesteld dat de voorgenomen monumentenstatus negatieve gevolgen heeft voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop en dit genoegzaam is gemotiveerd, deze aspecten reeds bij de aanwijzing van belang zijn. Het ligt dan op de weg van het betrokken bestuursorgaan om op deze belangen in te gaan en aannemelijk te maken dat er alternatieve mogelijkheden zijn voor een zinvol hergebruik van het monument waardoor het met de aanwijzing te dienen belang van het behoud van het monument prevaleert boven het belang van de eigenaar om de aanwijzing achterwege te laten. Ingeval het bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijk hergebruik mogelijk is, is het vervolgens aan de eigenaar om het tegendeel aannemelijk te maken.\n\n6.7.6.. Tegen de achtergrond dat sprake was van een belastend besluit op initiatief van de Gemeente en de Gemeente zelf ook al bouwkundige gebreken had opgemerkt, waren de hiervoor in 6.7.4 genoemde stellingen van eisers een voldoende concrete onderbouwing van hun standpunt dat instandhouding van [locatie] een onevenredige financiële inspanning zou vergen. Daarom lag het op de weg van de Gemeente om daarop in te gaan en zonodig nader onderzoek te (laten) doen naar de staat van [locatie] om een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand en de herbouwwaarde van het bestaande pand – zoals de Afdeling ook (concreter) heeft geoordeeld ten aanzien van de beslissing op bezwaar.\n\n6.8.. De onder I gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.\n\nCausaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gevorderde schade - Maatstaf\n\n6.9.. Eisers hebben verschillende schadeposten opgevoerd, waarvan zij stellen dat die het gevolg zijn van het onrechtmatige primaire besluit.\n\n6.10.. Volgens de Gemeente zijn de meeste van deze schadeposten geen gevolgen van het primaire besluit, maar – kort gezegd – van omstandigheden die in de risicosfeer van eisers zelf liggen.\n\nMaatstaf: hypothetische situatie zonder onrechtmatig besluit\n\n6.11.. In deze zaak heeft de Gemeente na de herroeping van het primaire besluit geen nader besluit hoeven nemen. In dergelijke gevallen moet de rechter nagaan hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) als het onrechtmatige besluit niet was genomen. Het causale verband als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW waar het hier om gaat, moet namelijk worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven.\n\nWelke schade vloeit i.c. voort uit het onrechtmatige besluit? – Bewijsopdrachten\n\nGevorderde schade en daartegen gevoerde verweren\n\n6.12.. Eisers vorderen in deze procedure vertragingsschade, in de vorm van hogere bouwkosten en gederfde huurinkomsten.\n\n6.12.1.. \n\nNaast een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de vergoeding van gederfde huurinkomsten, vorderen eisers in deze procedure toewijzing van een schadebedrag van in totaal € 630.427,06. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\nMeerkosten sloop- en bouwwerkzaamheden € 600.263,87\n\nKosten voor de architect € 22.613,39\n\nKosten voor het opstellen van het rapport door Van Empel € 7.549,80\n\n € 630.427,06\n\n6.12.2.. Daarbij gaan eisers ervan uit dat zij zonder de aanwijzing alleen een sloopmelding hadden hoeven doen en dat zij de omgevingsvergunning niet geknipt, maar in één keer hadden kunnen aanvragen voor het gehele bouwplan. Die vergunning had onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) binnen zes maanden na de aanvraag verleend moeten worden, op grond van artikel 3:18 Awb. Volgens eisers waren de planologische afwijkingen in hun bouwplannen beperkt en bovendien op verzoek van de Gemeente toegevoegd, in verband met de verkeersveiligheid. Eisers stellen dat zij daarom in de hypothetische situatie op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over een geldige omgevingsvergunning hadden beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen.\n\n6.12.3.. Eisers stellen dat zij zonder het onrechtmatige besluit dus niet zouden zijn geconfronteerd met de extra verplichtingen en drempelwaarden die voortvloeiden uit de PAS-uitspraak, zodat zij ook geen kosten hadden moeten maken voor de daarmee gemoeide deskundigenrapporten.\n\n6.12.4.. Als eerder met de bouw had kunnen worden begonnen, zou [locatie] eerder klaar zijn geweest, zodat eisers het eerder hadden kunnen verhuren en huurinkomsten hadden kunnen genieten.\n\n6.13.. De Gemeente voert verweer. Zij vindt dat eisers de schadeposten onvoldoende hebben onderbouwd. Ook meent de Gemeente dat het niet aan de aanwijzing tot gemeentemonument te wijten is dat het zo lang heeft geduurd dat met de sloop van het oude [locatie] en de werkzaamheden voor het nieuwe [locatie] kon worden begonnen. De Gemeente meent dat de omgevingsvergunning fase I pas omstreeks mei 2020 ter inzage zou zijn gelegd, ook als de aanwijzing van [locatie] tot monument achterwege was gebleven. Daartoe heeft de Gemeente het volgende aangevoerd.\n\n6.13.1.. Na de beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning fase I concludeerde het college dat er een aanhaakplicht gold, waardoor een verklaring van geen bezwaar van het waterschap nodig was (een ‘vvgb-natuur’). [locatie] was namelijk gelegen op de scheiding van de beheergebieden waterschap Amstel, Gooi en Vecht en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht was ten tijde van de vergunningsaanvraag bezig met het versterken van de waterkering door middel van het aanleggen van een nieuwe damwandconstructie. De plannen van eisers – vooral de brug naar de parkeervoorziening – raakten aan deze constructie, daarom moesten zij een watervergunning aanvragen. Dit had niets te maken met de aanwijzing tot monument, maar heeft volgens de Gemeente wel geleid tot vertraging in het realiseren van het bouwplan.\n\n6.13.2.. Na het verlenen van de vvgb-natuur was de aanvraag nog niet compleet en kon het college niet overgaan tot terinzagelegging van het ontwerpbesluit. De voortdurende discussie die eisers met het college hebben gevoerd over de uitleg van het bestemmingsplan en de geldende parkeernormen heeft volgens de Gemeente ook voor een aanzienlijke vertraging in de beoordeling van de omgevingsvergunning fase I gezorgd. Eisers moesten nog onderzoek laten verrichten naar de parkeersituatie in de omgeving van [locatie] . Eisers hadden onvoldoende parkeergelegenheid voor de (grotere) nieuwbouw geregeld.\n\n6.13.3.. Naast het parkeren moest ook rekening worden gehouden met de geluidsaspecten (aantonen van aanvaardbaar woon- en leefklimaat) en de toename van het aantal verkeersbewegingen op en rond het parkeereiland. De vertraging in de beoordeling van de omgevingsvergunningen had volgens de Gemeente ook te maken met de afhandeling van de ingediende zienswijzen, mede gelet op het feit dat delen van het bouwplan in strijd waren met het bestemmingsplan.De Gemeente verwijst onder meer naar haar brief van 7 februari 2020.Het verwerken van de zienswijzen van de omwonenden heeft volgens de Gemeente ongeveer 11 maanden geduurd.\n\n6.13.4.. Ook was er volgens de Gemeente een uitgebreide Wabo-procedure nodig, omdat de door het college geconstateerde strijdigheden met het bestemmingsplan niet konden worden opgelost met de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden. Dit betekent dat eisers de vergunningen ook zonder het onrechtmatige besluit gefaseerd hadden moeten aanvragen.\n\n6.13.5.. Daarbij komt dat eisers hun bouwplannen meermaals hebben aangepast, waardoor het college genoodzaakt was deze aanpassingen opnieuw te beoordelen en nieuwe gegevens moesten worden aangeleverd. De beoordeling van omgevingsvergunning fase II heeft volgens de Gemeente lange tijd stil gelegen door het ontbreken van relevante stukken die eisers moesten aanleveren. De Gemeente verwijst in dit kader onder meer naar haar brieven van 9 februari 2017en 13 april 2017,het bericht van [naam 2] van 29 maart 2018en de verschillende rapporten die als producties 55-58 bij conclusie van antwoord zijn overgelegd.\n\n6.13.6.. Verder had de PAS-uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 tot gevolg dat de vvgb-natuur van 5 december 2017 niet meer geldig was en een nieuwe vvgb-natuur moest worden aangevraagd bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Vanwege de hiervoor genoemde vertragende factoren zouden eisers volgens de Gemeente ook last hebben gehad van deze uitspraak, en van de gevolgen van de inval in Oekraïne daarna.\n\n6.13.7.. Tot slot meent de Gemeente dat eisers ondanks het aanwijzingsbesluit een vergunning voor sloop van een monument hadden kunnen aanvragen, waardoor eventuele vertraging door de aanwijzing voorkomen of beperkt had kunnen worden. Ook hadden eisers het indienen van aanvragen en opgevraagde informatie volgens de Gemeente niet mogen uitstellen totdat duidelijk was wat er met het aanwijzingsbesluit zou gebeuren.\n\nOordeel rechtbank: toewijsbaarheid vertragingsschade nog onduidelijk\n\n6.14.. De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband tussen de vertragingsschade en de onrechtmatige aanwijzing tot gemeentelijk monument nadere toelichting behoeft. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.\n\n6.14.1.. Eisers stellen dat zij zonder de onrechtmatige aanwijzing hadden kunnen volstaan met een sloopmelding en dat zij een ongesplitste vergunningaanvraag hadden kunnen doen, waardoor zij inschatten dat zij in elk geval op 12 juni 2017 over een geldige omgevingsvergunning hadden kunnen beschikken en met de bouw hadden kunnen beginnen. Deze inschatting komt de rechtbank niet op voorhand aannemelijk voor, omdat de bouwplannen van eisers meer omvatten dan het vervangen van het oude vissportcentrum met bedrijfswoning door nieuwbouw van dezelfde omvang en met dezelfde functie. Het vissportcentrum moest een (groter) restaurant worden, en er moest een parkeerkelder met bijbehorende terreinvoorzieningen komen die in de oorspronkelijke situatie niet bestonden.\n\n6.14.2.. \n\nDergelijke wijzigingen in een bestaande situatie kunnen in het omgevingsrecht gevolgen hebben voor de door de aanvrager te volgen procedure, de betrokken bestuursorganen en belangen, en de inspraakmogelijkheden voor omwonenden. De Gemeente heeft over de gevolgen van die wijzigingen voor de te volgen procedure en het daarmee gemoeide tijdsbestek gemotiveerde standpunten ingenomen (zie hiervoor onder 6.13.1-6.13.5), die eisers met het ter zitting aangevoerde nog niet voldoende hebben geadresseerd.\n\nDe rechtbank zal eisers daarom toelaten tot het bewijs van hun stellingen dat:\n\na. a) zij op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over de benodigde vergunningen zouden hebben beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen, en dat\n\nb) de opgelopen vertraging volledig te wijten is aan de onrechtmatige aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.\n\n6.14.3.. \n\nDe Gemeente heeft ook eigen schuld verweren gevoerd (zie hiervoor onder 6.13.2 en 6.13.5). Zij heeft gesteld dat het meermaals is voorgekomen dat eisers hun plannen meermaals (uit eigen beweging) hebben gewijzigd, waardoor de Gemeente opnieuw moest beslissen, dat eisers ten onrechte vasthielden aan binnenplanse oplossingen voor strijdigheden met het bestemmingsplan en dat eisers onvoldoende parkeergelegenheid hadden geregeld. Ook stelt de Gemeente dat zij eisers in het kader van de omgevingsvergunning meermaals om aanvullende informatie heeft gevraagd, maar dat eisers die informatie met vertraging aanleverden. Eisers hebben dit alles weersproken (zie hiervoor onder 6.12.2 en 6.12.3), zodat het aan de Gemeente is om haar stellingen te bewijzen.\n\nDe rechtbank zal de Gemeente daarom toelaten tot het bewijs van haar onder 6.13.2 en 6.13.5 verkort weergegeven stellingen over vertraging die aan eisers is toe te rekenen.\n\n6.14.4.. \n\nZoals ter zitting al toegelicht, gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van de Gemeente dat eisers ondanks het aanwijzingsbesluit een vergunning voor sloop van een monument hadden kunnen aanvragen, waardoor eventuele vertraging door de aanwijzing voorkomen of beperkt had kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat in redelijkheid niet van eisers kon worden verwacht dat zij kosten, moeite en tijd zouden besteden aan het aanvragen van een vergunning voor het slopen van het oude [locatie] dat de Gemeente – ondanks hun bezwaren – kort daarvoor als monument had aangewezen. De Gemeente heeft niets aangevoerd op grond waarom eisers in het kader van die vergunningsaanvraag een andere beslissing van de Gemeente hadden mogen verwachten dan diezelfde Gemeente recent in het kader van de aanwijzingsprocedure had genomen.\n\nDaarmee is overigens nog niet beslist op de rest van het in 6.14.3 bedoelde eigen schuld verweer van de Gemeente.\n\n7. Hoe nu verder?\n\n7.1.. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen zodat partijen in een aktekunnen aangeven hoe zij aan hun bewijsopdracht willen voldoen. Ook kunnen zij suggesties doen voor de inrichting van de in dat kader te volgen procedure.\n\n7.2.. Voor zover partijen het bewijs willen leveren door middel van informatie die schriftelijk of digitaal kan worden aangeleverd, moeten partijen die informatie direct met hun akte indienen, zodat de wederpartij daarop in de antwoordakte kan reageren.\n\n7.3.. Als partijen getuigen willen doen horen, moeten zij in de akte opnemen:\n\n- de namen en contactgegevens van de te horen personen;\n\n- de verhinderdata van henzelf, de wederpartij en de te horen personen voor de maanden september, oktober en november 2025.\n\n7.4.. Vier weken later komt de zaak weer op de rol voor het nemen van een antwoordakte. In die akte kunnen partijen reageren op de regiesuggesties die de wederpartij heeft gedaan. Ook kunnen zij in reactie op de door de wederpartij overgelegde informatie eventueel aanvullende informatie in het geding brengen, zodat alle schriftelijk\u002Fdigitaal beschikbare informatie bij iedereen bekend is voordat aan nadere bewijsverrichtingen wordt toegekomen.\n\n7.5.. Daarna komt de zaak op de rol voor rolbeslissing voortprocederen; de rechtbank zal dan naar aanleiding van de akten en mede aan de hand van de suggesties van partijen beslissen hoe de verdere procedure het beste kan worden ingericht.\n\n7.6.. De rechtbank gaat ervanuit dat partijen in de periode tussen dit vonnis en de in 7.5 bedoelde rolbeslissing contact met elkaar opnemen om te bespreken of zij geheel of gedeeltelijk tot een minnelijke regeling kunnen komen.\n\n7.7.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n8.1.. draagt eisers op te bewijzen dat:\n\na. a) zij op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over de benodigde vergunningen zouden hebben beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen, en dat\n\nb) de opgelopen vertraging volledig te wijten is aan de onrechtmatige aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.\n\n8.2.. draagt de Gemeente op te bewijzen haar onder 6.13.2 en 6.13.5 verkort weergegeven stellingen over de vertraging die aan eisers is toe te rekenen.\n\n8.3.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 14 mei 2025voor de in 7.1 bedoelde akte,\n\n8.4.. bepaalt dat, als partijen bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan direct bij die akte in het geding moeten brengen,\n\n8.5.. bepaalt dat, als partijen getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maandenseptembertot en metnovember 2025dan direct bij de in 7.1 bedoelde akte moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald,\n\n8.6.. bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van C.J-A. Seinen, in het Paleis van Justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60,\n\n8.7.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 juni 2025voor de in 7.4 bedoelde antwoordakte,\n\n8.8.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.\n\n2565\n\n [Rb: Amstel Gooi en Vecht.]\n\nECLI:NL:RBDHA:2018:12119 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12119).\n\n [Rb: Besluit Uniforme Saneringen.]\n\n HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2087 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AW2087)(Enschede\u002FGerridzen - tot besluitvorming na vernietiging bob is i.c. niet gekomen; dan is voor de burgerlijke rechter uitgangspunt dat het besluit rechtmatig is); HR 19 december 2008,ECLI:NL:HR:2008:BF3257 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BF3257), r.o. 3.5.2 (Hoogland\u002FRotterdam – primair besluit bleef in besluitvorming na vernietiging intact  Uiteindelijk heeft de bestuursrechtelijke procedure erin geresulteerd dat het primaire besluit in stand is gebleven en onherroepelijk is geworden. Onder die omstandigheden is voor de burgerlijke rechter uitgangspunt dat het primaire besluit rechtmatig is, al op het tijdstip waarop het is genomen.)\n\n HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:1998:ZC2588)(Boeder\u002FStaat), r.o. 5.2.\n\n Rechtbank Noord-Holland (MK Haarlem) 28 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12759 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:12759).\n\n Rechtbank Oost-Brabant 30 januari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:475 (https:\u002F\u002Fwww.legalintelligence.com\u002Fdocuments\u002F31777548?srcfrm=basic+search&docindex=2&stext=herroeping%20van%20een%20primair%20besluit%20op%20rechtmatigheidsgronden).\n\n Vgl. ECLI:NL:RBOVE:2021:1627 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:1627).\n\n ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1226, r.o. 4.2.\n\n HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112 (Hengelo\u002FWevers), r.o. 3.5.2.\n\n Alinea 35-42 pleitnota eisers.\n\nProducties 47 en 53 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 38 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 17 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 20 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 31 bij conclusie van antwoord.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28009","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.856Z",20,[75,11,76],2026,2023]