[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-traffic-fines-nl-2026":3},{"detail":4,"years":187},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":185,"page":14,"limit":186},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},100,"traffic-fines-nl","Traffic Fines","NL","2026-07-08T16:56:40.723Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":26},6,17,{"month":28,"count":14},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,54,64,71,78,87,97,104,111,118,125,132,140,147,154,161,168,175],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"508","ECLI:NL:RBMNE:2026:3890","ecli-nl-rbmne-2026-3890","",63,"2026-07-06T00:00:00.000Z","uitspraakRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nAfdeling Strafrecht\n\nzittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer : 12250449\n\nCJIB-nummer : 241900336\n\nUitspraakdatum: 6 juli 2026\n\nUitspraak op een vordering als bedoeld in artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene] .\n\nadres : [adres] woonplaats : [woonplaats]\n\n(hierna te noemen: betrokkene).\n\nHet verloop van de procedure\n\nDe officier van justitie heeft een vordering ingesteld om te worden gemachtigd tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling, voor de duur van het in de vordering genoemde aantal dagen. De vordering is gegrond op het feit dat aan betrokkene een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) is opgelegd en dat deze boete en de verhogingen niet zijn betaald.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 22 juni 2026. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft heden uitspraak gedaan.\n\nDe vordering\n\nGelet op de bevindingen van het CJIB concludeert de officier van justitie het volgende:\n\ndat door betrokkene geen (volledige) betaling van de verschuldigde bedragen heeft plaats gevonden;\n\ndat alle (minder ingrijpende) incasso- en verhaal maatregelen waar mogelijk zijn toegepast;\n\ndat er sprake moet zijn van onwil, omdat in het verleden diverse betalingen zijn gedaan waardoor van de aanwezigheid van financiële middelen moet worden uitgegaan.\n\nOverwegingen\n\nGijzeling is een dwangmiddel waartoe alleen in uiterste noodzaak mag worden overgegaan en is bedoeld om degene die wel kan, maar niet wil betalen, tot betaling aan te zetten. Een machtiging tot het toepassen van dit dwangmiddel kan dan ook alleen worden gegeven als blijkt dat degene aan wie de boete is opgelegd, deze kan betalen.\n\nEen eerder ingeschakelde deurwaarder geeft aan dat betrokkene een eigen onderneming zou hebben of hebben gehad en suggereert betalingsonwil.\n\nDe kantonrechter stelt vast dat er sprak is van een zeer rommelig dossier. Gijzeling wordt op de zitting van vandaag gevorderd in twee specifieke zaken onder zaaknummers 12250449 en 12250470, maar uit de stukken blijkt dat er veel meer openstaande zaken zijn. Zo wordt betrokkene op enig moment aangeschreven voor een bedrag van € 12.000, -.\n\nUit het meegestuurde overzicht blijkt dat er verschillende keren een betalingsregeling is afgesproken waarop in totaal € 2.362, 16 is betaald. In de twee zaken waarvoor nu gijzeling wordt gevorderd is sprake van twee vorderingen van elk € 1.119, -. Het totaal betaalde bedrag overstijgt daarmee het totaal van de twee zaken die nu aan die nu aan de orde zijn.\n\nOp geen enkele manier is duidelijk gemaakt hoe de totale schuld is opgebouwd en op welke openstaande posten de betalingen zijn afgeboekt. In één zaak zijn alle betalingen opgenomen, hoewel het ontvangen totaal die vordering ruim overstijgt.\n\nDe kantonrechter gaat geen machtiging tot gijzeling afgeven op basis van het onoverzichtelijk dossier waaruit niet goed blijkt wat er is afgesproken en hoe betalingen zijn verwerkt. Het staat daarmee niet vast dat in de specifieke zaken die vandaag voorliggen inderdaad geen betaling ontvangen is. Het is bovendien niet helder op grond waarvan nu (vandaag) gezegd wordt dat sprake is van onwil. De informatie in het dossier is gedateerd en een paar jaar oud. Wat wel duidelijk is dat normaal verhaal niets oplevert en er niets van waarde wordt aangetroffen. Dat wijst eerder op betalingsonmacht dan op betalingsonwil.\n\nDe uitspraak\n\nDe kantonrechter:\n\nwijst de vordering af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3890","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:33.989Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":63},"1648","ECLI:NL:RBZWB:2026:5745","ecli-nl-rbzwb-2026-5745",64,"2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11588511 \\ MB VERZ 25-415\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 23 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : [gemachtigde] (Verbo Juridisch Advies)\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden, geconstateerd middels de RDW-registercontrole op 22 december 2023 om 17:04 uur.\n\nGemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Het zaakoverzicht is in zijn geheel leeg en er staat verder niet in waar betrokkene van beticht wordt. Verder gaat het om een voertuig wat op eigen terrein staat en al geschorst was. Betrokkene is vergeten de schorsing voort te zetten en heeft dit meteen binnen twee dagen gedaan, zelfs nog voor het ontvangen van de beschikking. Verder stelt gemachtigde dat de hoorplicht is geschonden, omdat de werkwijze van het CVOM ertoe leidt dat zaken niet achter elkaar afgehandeld kunnen worden. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Vanuit het CVOM wordt verzocht om een matiging als aan twee voorwaarden wordt voldaan, namelijk de snelheid waarmee alsnog actie is ondernomen door betrokkene en dat niet met het voertuig wordt gereden op de openbare weg. In dit geval is na 28 dagen actie ondernomen, maar is door gemachtigde nagelaten de stelling dat niet met het voertuig werd gereden nader te onderbouwen. Ten aanzien van de hoorplicht verwijst de zittingsvertegenwoordiger naar ECLI:NL:GHARL:2025:7580, waaruit volgt dat het CVOM een planning hanteert met een werkwijze waarbij een gemachtigde iedere tien minuten de telefoon moet opnemen. Dat gemachtigde niet bereikbaar was tijdens de afgesproken telefonische hoorzitting komt voor eigen rekening. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de gegevens van de RDW - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Het is de verantwoordelijkheid van betrokkene om tijdig actie te ondernemen en het voertuig te verzekeren, dan wel te schorsen. Dat betrokkene dit heeft nagelaten komt voor eigen rekening en risico.\n\nDe boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.\n\nSchending hoorplicht\n\nGemachtigde stelt dat de hoorplicht is geschonden, omdat de gehanteerde werkwijze bij het CVOM ertoe leidt dat zaken niet achter elkaar afgehandeld kunnen worden.\n\nDe kantonrechter verwijst naar uitspraak ECLI:NL:GHARL:2025:7580 en is van oordeel dat deze grond van gemachtigde faalt aangezien het CVOM vrij is om een werkwijze te bepalen om haar zaken af te handelen. Dat het CVOM een planning hanteert van opeenvolgende sessies van 10 minuten per zaak komt de kantonrechter redelijk voor. Op deze manier is er voldoende gelegenheid om de zaak af te sluiten. De gemachtigde had daar gebruik van kunnen maken, maar heeft op de telefonische oproep niet gereageerd. Die omstandigheid dient voor zijn rekening te komen.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOmdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.\n\nDe beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.\n\nDe proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nberoepschrift 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 337,50, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 112,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 116,75.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 23 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:\n\n Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5745","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.470Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":68,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":70},"1642","ECLI:NL:RBZWB:2026:5752","ecli-nl-rbzwb-2026-5752","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11550911 \\ MB VERZ 25-262\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 23 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : mr. [gemachtigde 2]\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is verschenen. Betrokkene is niet verschenen. Eerdere gemachtigde [gemachtigde 1] namens Boete.nu heeft zich onttrokken en de zaak in overleg en akkoordbevinding overgedragen aan gemachtigde\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de A58 (links) te Ulvenhout op 7 november 2023 om 11:59 uur.\n\nTer zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat hij de foto herkent, maar iets anders krijgt als hij hem inzoomt. Gemachtigde verwijst naar jurisprudentie van het hof waarin is uitgelaten dat het gedoe van de telefoons voor druk zorgt en iedereen daarbij aanvoert dat het om een ander voorwerp gaat. Op basis van de foto die gemachtigde in zijn bezit heeft en de foto die de zittingsvertegenwoordiger heeft lijkt er een groot verschil te zijn. Op basis van de foto van gemachtigde was hij er vurig van overtuigd dat betrokkene het voordeel zou krijgen, maar op basis van de foto van de zittingsvertegenwoordiger denkt gemachtigde er anders over. Dat vindt hij kwalijk. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hier een gevolg aan moet worden verbonden en de boete nogmaals met 25% gematigd dient te worden, omdat iedere partij over hetzelfde moet beschikken. Een extra matiging zou een signaal afgeven.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht de boete niet extra te matigen, aangezien de kantonrechter het ook met een papieren dossier doet en de kwaliteit niet afdoet aan de bewijsbaarheid van de inhoud.\n\nTen aanzien van de proceskostenvergoeding stelt gemachtigde dat het er kortgezegd op neerkomt dat de extra vermenigvuldigingsfactor volgens art. 13a lid 2 sub a en b Wahv niet van toepassing kan zijn volgens ECLI:NL:HR:2025:46 en dat sprake is van een bijzonder geval. Dit standpunt werd recentelijk al bij diverse rechtbanken gehonoreerd, waaronder in een uitspraak die ook werd gepubliceerd: ECLI:NL:RBMNE:2026:635. Voorts is er voor de vorige gemachtigde, [gemachtigde 1], ook recht op een vergoeding gelet op ECLI:NL:RBGEL:2026:3508. Daarbij geldt de herwaardering wel, waardoor de vermenigvuldigingsfactor van toepassing is op diens werkzaamheden. Het vaste uitgangspunt is dat het geld voor betrokkene is en dat hij bepaald wat hij ermee doet. Wij als gemachtigden kunnen daar niet zozeer aanspraak op maken, maar slechts een nota of factuur sturen. Gemachtigde kan geen grondslag vinden waarom de werkzaamheden van de vorige gemachtigde niet worden betrokken bij de beoordeling van de proceskostenvergoeding.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft ten aanzien van de proceskostenvergoeding aangevoerd dat het CVOM ervan uitgaat dat de eerdere gemachtigde, [gemachtigde 1] namens Boete.nu, niet betrokken is bij de zaak en de zaak in zijn geheel heeft overgedragen aan gemachtigde [gemachtigde 2]. Dit betekent dat [gemachtigde 1] niet als gemachtigde wordt beschouwd. In deze situatie wordt alleen proceskostenvergoeding toegekend voor handelingen van [gemachtigde 2], meer specifiek het verschijnen ter zitting. Dit zonder vermenigvuldigingsfactor, omdat het een advocaat betreft en geen sprake is van een bijzonder geval als in art. 13a lid 2 Wahv. De zittingsvertegenwoordiger verwijst hiervoor naar ECLI:NL:GHARL:2026:514, waaruit volgt dat alleen de kosten in aanmerking komen voor de werkzaamheden in de kantonfase. Eerdere werkzaamheden van een andere gemachtigde, in dit geval [gemachtigde 1] namens Boete.nu, komen niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant en de foto - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien gemachtigde voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.\n\nDe kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een powerbank is gelijk qua vorm, maar de foto is in dit geval voldoende duidelijk. Daarbij ziet de kantonrechter geen aanleiding om een consequentie te verbinden aan het resolutieverschil.\n\nDe boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOmdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.\n\nNaar het oordeel van de kantonrechter komen de verrichte werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking en heeft het onttrekken van een eerdere gemachtigde geen terugwerkende kracht. De werkzaamheden zijn verricht en er zijn geen bijzondere redenen zijn om deze werkzaamheden uit te zonderen van de gebruikelijke vergoedingsregeling.\n\nDaarnaast verwijst de kantonrechter naar ECLI:NL:HR:2025:985 en stelt zij vast dat sprake is van een bijzonder geval, waardoor bij de proceskostenvergoeding van gemachtigde [gemachtigde 2] geen vermenigvuldigingsfactor wordt toegepast. Omdat het beroepschrift door gemachtigde [gemachtigde 1] is ingediend en daarbij geen sprake is van een bijzonder geval, wordt bij de toekenning van dat punt wel een vermenigvuldigingsfactor toegepast.\n\nDe proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nberoepschrift kantonrechter, 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75\n\nzitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00\n\ntotaal € 583,75\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 285, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 95, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 583,75.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 23 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5752","2026-07-13T00:29:31.186Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":75,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":77},"1640","ECLI:NL:RBZWB:2026:5751","ecli-nl-rbzwb-2026-5751","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11588682 \\ MB VERZ 25-423\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 23 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres 1]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : mr. [gemachtigde 2]\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is verschenen. Betrokkene is niet verschenen. Eerdere gemachtigde [gemachtigde 1] namens Boete.nu heeft zich onttrokken en de zaak is in overleg en akkoordbevinding overgedragen aan gemachtigde.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets\u002Fbromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de [adres 2] te Breda op 10 september 2023 om 10:43 uur.\n\nTer zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat betrokkene de eigenaar is van het voertuig, maar dat zij de gedraging niet heeft verricht. De daadwerkelijke bestuurder heeft de boete feitelijk gereden. Het bleek dat hij het voertuig een paar dagen later heeft overgenomen. Hij heeft een bedrijf waarbij hij o.a. magazines levert aan allerlei restaurants. In het kader van die werkzaamheden bevoorraadt hij de betrokken restaurants. Daarvoor rijdt hij eigenlijk 5 dagen per week door de zones. Hij was zich ervan bewust dat er laad- en lostijden zijn. Echter, in dit geval betrof het een zondag en had hij een spoedbestelling. Formeel denkt gemachtigde dat de boete terecht is, maar anderzijds denkt gemachtigde dat betrokkene nooit heeft meegekregen dat er andere regels gelden op een zondag. In zijn herinnering was zondag een bezorgbare dag. Het is daarom niet zo’n gekke vraag of een waarschuwing niet op zijn plaats was, met name in combinatie met de bebording. Het is daar bovendien vrij onoverzichtelijk. Een ander formeel punt is dat het schouwrapport niet deugt. Er zit veel tijd tussen. Verder kan gemachtigde niet uitsluiten dat er tussentijds iets aan de hand is geweest met de bebording en of er wel geschouwd is. Mogelijk klopte er iets tijdelijk niet en is er later weer goed geschouwd. Verder is de redelijke termijn overschreden, waardoor de boete met 25% gematigd dient te worden.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft aangevoerd dat de boete terecht is opgelegd. Op zondag mag op de pleeglocatie niet worden gereden en de bebording is hier duidelijk over. De waarschuwingsperiode was er, maar die gold niet op de pleegdatum. Die liep van 1 januari 2021 tot 11 juli 2022, waardoor geen waarschuwing hoefde te worden gegeven. Verder moet het schouwrapport binnen 6 maanden voor en na de gedraging dateren en dat is hier het geval, meer specifiek augustus 2023 en september 2023. Er zijn verder geen afwijkende omstandigheden. Dat niet elke maand is geschouwd doet niet af aan de deugdelijkheid. Inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nGemachtigde heeft hierop gereageerd dat het praktisch onuitvoerbaar is om te stoppen en de bebording te lezen. Het zijn er zodanig veel dat het in de praktijk onhandig is. Verder begrijpt gemachtigde de gedachte achter de waarschuwingsperiode, maar vanuit het perspectief van betrokkene is hij niet gewaarschuwd en dat is waarin het verschil zit. Gemachtigde vraagt zich daarom af of systematisch naar het geheel wordt gekeken, of dat specifiek naar het individu wordt gekeken. Betrokkene heeft om die reden wel enige coulance verdiend, ondanks dat de boete formeel terecht kan zijn. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding stelt gemachtigde dat het er kortgezegd op neerkomt dat de extra vermenigvuldigingsfactor volgens art. 13a lid 2 sub a en b Wahv niet van toepassing kan zijn volgens ECLI:NL:HR:2025:46 en dat sprake is van een bijzonder geval. Dit standpunt werd recentelijk al bij diverse rechtbanken gehonoreerd, waaronder in een uitspraak die ook werd gepubliceerd: ECLI:NL:RBMNE:2026:635. Voorts is er voor de vorige gemachtigde, [gemachtigde 1], ook recht op een vergoeding gelet op ECLI:NL:RBGEL:2026:3508. Daarbij geldt de herwaardering wel, waardoor de vermenigvuldigingsfactor van toepassing is op diens werkzaamheden. Het vaste uitgangspunt is dat het geld voor betrokkene is en dat hij bepaald wat hij ermee doet.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft ten aanzien van de proceskostenvergoeding aangevoerd dat het CVOM ervan uitgaat dat de eerdere gemachtigde, [gemachtigde 1] namens Boete.nu, niet betrokken is bij de zaak en de zaak in zijn geheel heeft overgedragen aan gemachtigde [gemachtigde 2]. Dit betekent dat [gemachtigde 1] niet als gemachtigde wordt beschouwd. In deze situatie wordt alleen proceskostenvergoeding toegekend voor handelingen van [gemachtigde 2], meer specifiek het verschijnen ter zitting. Dit zonder vermenigvuldigingsfactor, omdat het een advocaat betreft en geen sprake is van een bijzonder geval als in art. 13a lid 2 Wahv. De zittingsvertegenwoordiger verwijst hiervoor naar ECLI:NL:GHARL:2026:514, waaruit volgt dat alleen de kosten in aanmerking komen voor de werkzaamheden in de kantonfase. Eerdere werkzaamheden van een andere gemachtigde, in dit geval [gemachtigde 1] namens Boete.nu, komen niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant en de foto - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien gemachtigde voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.\n\nDe kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De schouwrapporten zijn in orde en een waarschuwing was niet noodzakelijk omdat de gedraging buiten de waarschuwingsperiode valt. Daarbij stelt de kantonrechter vast dat betrokkene anders had kunnen en moeten handelen, nu betrokkene bekend is met de pleeglocatie. Dat betrokkene onvoldoende rekening heeft gehouden met de geldende regels ter plaatse komt voor eigen rekening en risico.\n\nDe boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOmdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.\n\n Naar het oordeel van de kantonrechter komen de verrichte werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking en heeft het onttrekken van een eerdere gemachtigde geen terugwerkende kracht. De werkzaamheden zijn verricht en er zijn geen bijzondere redenen zijn om deze werkzaamheden uit te zonderen van de gebruikelijke vergoedingsregeling.\n\nDaarnaast verwijst de kantonrechter naar ECLI:NL:HR:2025:985 en stelt zij vast dat sprake is van een bijzonder geval, waardoor bij de proceskostenvergoeding van gemachtigde [gemachtigde 2] geen vermenigvuldigingsfactor wordt toegepast. Omdat het beroepschrift door gemachtigde [gemachtigde 1] is ingediend en daarbij geen sprake is van een bijzonder geval, wordt bij de toekenning van dat punt wel een vermenigvuldigingsfactor toegepast.\n\nDe proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nberoepschrift kantonrechter, 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75\n\nzitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00\n\ntotaal € 583,75\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 120, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 40, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 583,75.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 23 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5751","2026-07-13T00:29:31.075Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":44,"courtId":82,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":52,"updatedAt":86},"994","ECLI:NL:GHARL:2026:4078","ecli-nl-gharl-2026-4078",70,"2026-06-19T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nzittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer\n\n: Wahv 200.362.575\u002F01\n\nCJIB-nummer\n\n: 259413423\n\nUitspraak d.d.\n\n: 19 juni 2026\n\nArrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 13 oktober 2025, betreffende\n\n [betrokkene] (hierna: de betrokkene),\n\nwonende te [woonplaats] .\n\nDe beslissing van de kantonrechter\n\nDe kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 165,-.\n\nHet verloop van de procedure\n\nDe officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.\n\nDe betrokkene heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.\n\nDe beoordeling\n\n1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 440,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 juni 2023 om 9:26 uur op de Sint-Elisabethstraat in Vught met het voertuig met het kenteken [kenteken] .\n\n2. De kantonrechter heeft de sanctie gematigd tot een bedrag van € 165,- om twee redenen. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag met 50 procent gematigd omdat de hoogte van de opgelegde sanctie voor de onderhavige gedraging onevenredig hoog is. Vervolgens heeft de kantonrechter het sanctiebedrag verder gematigd met 25 procent in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.\n\n3. De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de kantonrechter buiten de omvang van het geschil is getreden. De gronden van de betrokkene zijn niet beoordeeld conform het daarvoor toepasselijke kader, zijnde artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv. Het door de kantonrechter in acht genomen evenredigheidsbeginsel is niet ambtshalve aan de orde.\n\nSubsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de aard van het Besluit van 26 januari 2023 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven (hierna: Besluit 2023)zich, gelet op de samenhang met de Wahv, verzet tegen de toepassing van afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), of in ieder geval tegen toepassing van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb opgenomen evenredigheidsbeginsel. Dat brengt met zich dat de kantonrechter zich niet uit had mogen laten over de algemene evenredigheid van het sanctietarief voor de onderhavige gedraging. Het Besluit 2023 behoort bij artikel 2, vijfde lid, van de Wahv en dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv, namelijk een efficiënte, snellere en effectievere afdoening van veelvoorkomende lichte verkeersovertredingen. Daarnaast is in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv expliciet een bepaling opgenomen waaruit volgt dat bij het sanctietarief in de Wahv rekening gehouden moet worden met zowel de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden als de omstandigheden waarin een betrokkene verkeert. Hiermee is het evenredigheidsbeginsel al in de wet zelf verankerd. Dat afdeling 3.2 van de Awb, dan wel artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, niet uitdrukkelijk is uitgesloten van de Wahv doet hieraan niet af. Daarbij merkt de officier van justitie op dat in artikel 2a van de Wahv de toepassing van onder meer titel 5.4 van de Awb, met daarin een specifiekere bepaling over de hoogte van bestuurlijke boetes, wel nadrukkelijk is uitgesloten. Nu de Wahv al een specifiekere bepaling bevat en de wetgever hiermee zowel de officier van justitie als de rechter een volledige toetsingsbevoegdheid heeft gegeven is een bredere toets op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb niet wenselijk. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming is dit ook niet nodig. De doelstellingen van de Wahv verzetten zich tegen een bredere toets, want dit leidt tot verzwaring van de werklast van het openbaar ministerie en de rechtspraak. Opgemerkt wordt nog dat de Wahv als regeling sui generis moet worden gezien.\n\nMeer subsidiair neemt de officier van justitie het standpunt in dat de kantonrechter het Besluit 2023 niet ten volle had mogen toetsen aan het evenredigheidsbeginsel en uit had moeten gaan van het door de regelgever vastgestelde sanctietarief. De officier van justitie dient daarvan ook uit te gaan. De kantonrechter is het rechterlijke beoordelingskader te buiten gegaan. Het tarievenhuis, dat het beoordelingskader vormt voor alle tarieven van feiten die zijn opgenomen in de bijlage bij de Wahv en bijlage I bij het Besluit OM-afdoening, laat geen ruimte voor een individuele straftoemeting. Het is in beginsel aan de regelgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen bij de vaststelling van het sanctietarief en de rechter moet het resultaat daarvan in beginsel respecteren. In individuele zaken kan de rechter het Besluit 2023 exceptief toetsen aan geschreven of ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. In 2012 heeft de regelgever ervoor gekozen om het sanctietarief voor onder meer de onderhavige feitcode te verhogen van € 180,- naar € 360,- omdat de onderhavige gedraging door de regelgever is gekwalificeerd als ‘hufterigheid’ in het verkeer. Deze verhoging had mede tot gevolg dat het sanctietarief voor deze gedraging ten opzichte van het sanctietarief voor een reguliere parkeerboete werd verviervoudigd. In de jaren daarna zijn de sanctietarieven meegegroeid met de inflatiecorrectie. De kantonrechter heeft het bij het Besluit vastgestelde sanctietarief in volle omvang getoetst. De kantonrechter heeft hiermee miskend dat de regelgever een ruime beslissingsruimte heeft ten aanzien van het vaststellen van de hoogte van de sanctietarieven en dat de sanctiebedragen in Wahv-zaken in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van betrokkenen. Voor zover de kantonrechter de sanctietarieven heeft vergeleken met boetebedragen voor eenvoudige misdrijven zoals mishandeling of winkeldiefstal is het aan de wet- en regelgever voorbehouden om hierover te beslissen. De officier van justitie merkt tot slot op dat indien iedere rechter afzonderlijk zijn oordeel gaat vormen over de hoogte van het sanctietarief in de zaak die aan hem is voorgelegd dit kan leiden tot een veelvoud aan verschillende sanctietarieven voor eenzelfde gedraging. Dit terwijl het doel van de Wahv is om deze lichte verkeersovertredingen efficiënt, uniform en effectief af te doen. Het komt zowel de rechtszekerheid als de rechtseenheid niet ten goede als iedere rechter afzonderlijk gaat oordelen over de algemene hoogte van sanctietarieven. De officier van justitie concludeert daarom tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.\n\n4. Het hof dient eerst te beoordelen wat als de omvang van het geschil in beroep bij de kantonrechter moet worden aangemerkt. De omvang van het geschil wordt in bestuursrechtelijke procedures bepaald door de gronden die de indiener van het beroepschrift aanvoert in relatie tot het bestreden besluit.\n\n5. Door de betrokkene is in beroep bij de kantonrechter het volgende aangevoerd. De betrokkene is medewerkster van het nabijgelegen verzorgingshuis en was een mindervalide bewoner uit de auto aan het begeleiden. De bebording was niet duidelijk zichtbaar en hiervoor is er abusievelijk op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats geparkeerd. De bebording stond na de parkeerplaats en is kort na de gedraging verplaatst. Het voertuig van de betrokkene stond niet langer dan een uur ter plaatse. De betrokkene heeft de kantonrechter verzocht de sanctie te vernietigen.\n\n6. Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter, door te toetsen of de hoogte van het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie niet onevenredig is, niet buiten de omvang van het geschil getreden. In de door de betrokkene aangevoerde gronden ligt besloten, zo heeft de officier van justitie in het hoger beroepschrift ook gesteld, dat, als oplegging van de sanctie niet achterwege kan blijven, het bedrag van de sanctie moet worden gematigd. Dit brengt mee dat de kantonrechter, die tot het oordeel was gekomen dat er geen grond was om de sanctie achterwege te laten, de hoogte van de opgelegde sanctie diende te beoordelen. Daarbij dient de kantonrechter ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen (vgl. artikel 8:69, tweede lid, van de Awb).\n\n7. Bij de beoordeling van de hoogte van de opgelegde sanctie is van belang dat de rechter de door de regelgever voor de verrichte gedraging bepaalde hoogte van de sanctie exceptief kan toetsen aan geschreven of ongeschreven hoger recht.Tot het hoger recht waaraan kan worden getoetst behoort onder andere het evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel is opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en houdt in dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In artikel 3:1 van de Awb is bepaald dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 slechts van toepassing is, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet. Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb valt onder deze afdeling.\n\n8. De aard van het Besluit 2023 verzet zich niet tegen toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dat het Besluit 2023 dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv ontslaat de regelgever niet van de verplichting om bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een gedraging het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Dit beginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de gedraging waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt. Indien de regelgever deze verplichting in acht neemt, is van verzwaring van de werklast van openbaar ministerie en rechterlijke macht geen sprake en kunnen de officier van justitie en de rechter uitgaan van de door de regelgever vastgestelde tarieven.\n\n9. Voor zover de officier van justitie van opvatting is dat de rechter de hoogte van de sanctie slechts mag toetsen aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv en daarbij dient uit te gaan van het door de regelgever bepaalde sanctietarief, vindt deze opvatting derhalve geen steun in het recht. De rechter kan, ook bij de toetsing aan deze bepaling, beoordelen of de door de regelgever bepaalde hoogte van de sanctie evenredig is.\n\n10. Gelet hierop treffen de primair en subsidiair aangevoerde gronden van de officier van justitie geen doel.\n\n11. Met betrekking tot de meer subsidiair aangevoerde grond overweegt het hof dat de rechter bij de toetsing of de regelgever bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een verrichte gedraging voldoende in acht heeft genomen, terughoudend dient te zijn.\n\n12. Het hof heeft in dit verband bij zijn arrest van 31 juli 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:4719 het volgende overwogen:\"9. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen niet tot taak heeft om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn bij feitelijke of technische complexiteit van de materie of als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van belangen betreft, geldt dat de beoordeling intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.10. In de onderhavige zaak beschikt de regelgever, gelet op de in overweging 5. genoemde artikelen van de Wahv, over een ruime beslissingsruimte. Er geldt een maximum voor de hoogte van het vast te stellen sanctiebedrag, maar voor het overige zijn in de tekst van de wet geen beperkingen vastgelegd.11. Bij de vaststelling van de hoogte van het sanctiebedrag kunnen, zoals hier ook daadwerkelijk het geval is geweest, politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen. Het gaat voorts om sanctiebedragen die in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van de betrokkenen. Dit brengt mee dat de intensiteit waarmee het hof dient te toetsen gering is.\"\n\n13. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit 2023 blijkt dat de sanctietarieven zijn verhoogd met 8,6 procent en dat dit percentage is gebaseerd op de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Zoals in de Nota van Toelichting bij dit besluit wordt opgemerkt, bewerkstelligt indexering dat de strafmaat in relatieve zin ongewijzigd blijft. Ook de voorgaande jaren (2013 tot 2022) zijn de sanctietarieven slechts geïndexeerd. Bij Besluit van 15 december 2011 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften alsmede de bijlage bij het Besluit OM-afdoening onderscheidenlijk het Transactiebesluit 1994 in verband met onder meer een verhoging van de tarieven (hierna: Besluit 2012)is het sanctietarief voor de onderhavige gedraging verhoogd van\n\n€ 180,- naar € 340,-. De onderhavige gedraging wordt genoemd in bijlage A bij dit besluit. Deze bijlage bevat een lijst met - volgens de regelgever - asociale en gevaarlijke gedragingen waarvoor de tarieven aanzienlijk zijn verhoogd. Over deze verhoging is in de Nota van Toelichting bij het Besluit 2012 het volgende opgemerkt:\n\n“Alle tarieven zijn met vijftien procent verhoogd. In de behandeling van de begroting van het jaar 2011 was aangekondigd dat de verkeersboetes per 2012 met twintig procent zouden worden verhoogd (Kamerstukken II 2010\u002F11 32 500 VI, nr. 2, blz. 9). Dit percentage is gematigd tot vijftien procent vanwege de hierna beschreven uitvoering die wordt gegeven aan de motie Van der Staaij c.s.\n\nVoor een aantal asociale en gevaarlijke gedragingen zijn de tarieven verhoogd naar € 340,- per feit, een verhoging na indexering met ongeveer 55 procent. (…)\n\nMet deze wijzigingen van de tarieven in de nieuwe bijlage bij de Wahv wordt uitvoering gegeven aan de motie Van der Staaij c.s., waarin de regering is verzocht om binnen het beschikbare budget niet te kiezen voor een algehele procentuele verhoging voor alle verkeersboetes, maar voor gerichte boeteverhogingen voor in het bijzonder grote verkeersovertredingen, waaronder snelheidsovertredingen in woonwijken, hufterigheid in het verkeer en recidive. Dit betekent dat de opgave onder andere was het zoeken naar een gerichte verhoging van de in de motie genoemde overtredingen, die leidt tot een opbrengst die overeenkomt met het in de begroting voor 2012 opgenomen bedrag voor de aanvankelijk voorgenomen tariefsverhoging met 20 procent. Een bijkomende voorwaarde was dat de gerichte verhoging voor de asociale gedragingen niet tot gevolg heeft dat de boetes voor deze gedragingen niet meer in verhouding staat tot de overige overtredingen. Dit voerde tot de conclusie dat naast forse, gerichte verhogingen voor specifieke gedragingen ook een algehele verhoging met 15 procent noodzakelijk is om binnen hetzelfde budgettaire kader te blijven. (…)\n\nDe wenselijkheid van de tariefsverhoging wordt ingegeven door de verwachting dat de verkeersdeelnemers zich hierdoor beter aan de regels zullen houden. Overtreders worden door zwaardere sanctionering immers geconfronteerd met hogere boetes, terwijl men deze kosten ook kan vermijden door de wet niet te overtreden. Het effect op de naleving wordt versterkt doordat het bij de Wahv gaat om overtredingen waarvoor de (gepercipieerde) pakkans relatief hoog is. Met deze verhoging wordt beoogd het niveau van de naleving van verkeersvoorschriften over de gehele linie te verbeteren. De verhoging van de tarieven in dit besluit wordt daarnaast ingegeven door het feit dat de financiële opbrengsten substantieel achterblijven bij de daarover opgestelde ramingen, terwijl het aantal verkeersovertredingen hoog blijft. Kennelijk zijn die sancties niet hoog genoeg om voldoende afschrikwekkend te zijn. Naast het nastreven van een strikte handhaving is dit een bijkomende reden om de sancties op te hogen. (…)\n\nBij deze verhoging van de Wahv-boetes wordt – net als bij de voorgaande verhogingen – rekening gehouden met het zogenoemde tarievenhuis. Het tarievenhuis vormt een uniform beoordelingskader voor de tarieven bij gedragingen uit de bijlage bij de Wahv en de tarieven die zijn vastgelegd in de beleidsregels van het openbaar ministerie, waaronder de tarieven voor de feiten in de bijlage bij het Besluit OM-afdoening en het Transactiebesluit 1994. Dit beoordelingskader zorgt ervoor dat er vaste verhoudingen bestaat tussen de sancties voor de verschillende strafbare gedragingen. Op basis van het afgewogen systeem van het tarievenhuis worden daarom per 1 januari 2012 alle tarieven gelijkelijk verhoogd. Naast de Wahv-boetes gaat dit om de tarieven die in de beleidsregels van het openbaar ministerie zijn vastgelegd voor de strafrechtelijke handhaving. Met de verhogingen in voorgaande jaren en deze verhoging wordt over de volle breedte van de rechtshandhaving strikter gehandhaafd. Zolang er nog sprake is van een aanzienlijk tekort wat betreft de naleving van de verkeersvoorschriften, mag verondersteld worden dat de hoogte van de boetes, ook na deze verhoging, in een redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de overtredingen.”\n\n14. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n15. Uit de toelichting bij het Besluit 2012 blijkt dat de regelgever heeft beoordeeld of het nieuw vastgestelde sanctiebedrag nog evenredig is. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat het door de regelgever vastgestelde sanctietarief, gelet op de in die toelichting genoemde redenen om dit (fors) te verhogen, niet in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging. De gerechtigde op de parkeerplaats moet erop kunnen vertrouwen dat hij ter plaatse kan parkeren. Het door de regelgever voor de onderhavige gedraging vastgestelde tarief mag daarom door de ambtenaar worden toegepast.\n\n16. Beoordeeld dient vervolgens te worden of er aanleiding bestaat om in de onderhavige situatie, op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, over te gaan tot matiging van het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie. Daarbij gaat het om de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert.\n\n17. De betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat zij medewerkster is van het nabijgelegen verzorgingshuis en dat zij op dat moment bezig was een mindervalide bewoner uit de auto te begeleiden. Ook acht het hof aannemelijk dat het voertuig van de betrokkene daar niet langer dan een uur geparkeerd heeft gestaan. Onder deze omstandigheden kan de gedraging die door de betrokkene is verricht niet op één lijn worden gesteld met het hufterig gedrag waarop de regelgever het oog heeft gehad bij het vaststellen van het tarief voor deze gedraging. Het hof ziet in deze door de betrokkene aangevoerde redenen aanleiding het sanctiebedrag te matigen tot € 330,-.\n\n18. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Het hof zal, net als de kantonrechter, het gematigde sanctiebedrag vervolgens matigen met 25 procent in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof:\n\nvernietigt de beslissing van de kantonrechter;\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;\n\nwijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 247,50.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Wijma en Orriëns-Schipper in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.\n\n Staatsblad 2023, 53\n\n ov. 6 van het arrest van het hof van 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719.\n\n Staatsblad 2011, 630.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4078","2026-07-13T00:28:58.007Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":44,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":93,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":52,"updatedAt":96},"1560","ECLI:NL:RBNNE:2026:2605","ecli-nl-rbnne-2026-2605",80,"2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 273563499\n\nzaaknummer: 12012878 BU VERZ 25-2551\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 19 april 2025, om 14:24 uur, op de Noordersingel in Assen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordiger van de officier van justitie\n\nmr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.Beoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Hij heeft geparkeerd op het terrein van de rechtbank en daar mogen geen boetes uitgedeeld worden, omdat het privéterrein is. Hij was zich van geen kwaad bewust dat hij daar niet mocht parkeren als het gebouw gesloten is.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. Het terrein van de rechtbank is voor het verkeer openbaar toegankelijk. Dit terrein valt daarom onder de reikwijdte van de parkeerverbodszone.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. Op een privéterrein mag wel een boete opgelegd worden als dit terrein een voor het openbaar verkeer openstaande weg is.Hierbij is van belang of het terrein feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat.Het terrein naast de rechtbank is een openbaar terrein waartoe de toegang niet wordt ontzegd door bijvoorbeeld een hek.Hierdoor valt dit terrein onder de parkeerverbodszone en mag er wel een boete worden opgelegd voor het parkeren op dit terrein. Het maakt verder ook niet uit dat de rechtbank op dat moment gesloten was.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10767.\n\n Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10767.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7240.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2605","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.164Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":44,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":101,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":52,"updatedAt":103},"1561","ECLI:NL:RBNNE:2026:2606","ecli-nl-rbnne-2026-2606","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 271623182\n\nzaaknummer: 12012881 BU VERZ 25-2552\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘voertuig voorzien van voorziening die bij botsing kans op lichamelijk letsel aan anderen aanzienlijk vergroten’, verricht op 23 januari 2025, om 14:58 uur, op de Rondweg in Emmen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. De kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordiger van de officier van justitie mr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. De spoiler op betrokkenes auto heeft geen scherpe delen en het steekt ook niet uit. De spoiler is namelijk afgewerkt en gemaakt van rubber. Daar komt bij dat de spoiler niet breder is dan zijn spiegels en niet verder uitsteekt dan zijn trekhaak. Daarnaast is de feitcode veranderd naar het hebben van voorzieningen die de kans op letsel vergroten. Het is raar dat een boete ineens kan veranderen van het hebben van scherpe delen naar het hebben van voorzieningen aan de voorkant van zijn auto.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. De verkeersovertreding kan niet vast worden gesteld, omdat uit het dossier niet blijkt dat betrokkenes auto een voorziening op de voorkant had die de kans op letsel bij een botsing kan vergroten.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. De officier van justitie heeft de feitcode gewijzigd naar het hebben van voorziening aan de voorzijde van de auto die de kans op letsel bij een botsing kan vergroten. De verbalisant heeft in het zaakoverzicht verklaard dat de spoiler breder was dan het voertuig. De verklaring van de verbalisant gaat niet over de voorkant van het voertuig maar over de achterkant. Daar komt bij dat ook uit de foto niet blijkt dat er sprake was van een voorziening aan de voorkant van de auto. De verkeersovertreding kan daarom niet vastgesteld worden op basis van de gegevens in het zaakoverzicht. De kantonrechter ziet aanleiding om de boete te vernietigen.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2606","2026-07-13T00:29:27.205Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":44,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":108,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":52,"updatedAt":110},"1506","ECLI:NL:RBNNE:2026:2601","ecli-nl-rbnne-2026-2601","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 265807391\n\nzaaknummer: 11754731 BU VERZ 25-1235\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Lagas, Appjection B.V.\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig zo laten staan, dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of verkeer wordt of kan worden gehinderd’, verricht op 25 april 2024, om 18:17 uur, op [adres] , met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 189,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. De kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordiger van de officier van justitie mr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechterStandpunten\n\n2. Gemachtigde voert aan dat betrokkene nog geen tien seconden stil stond toen de agent uitstapte om een boete uit te schrijven. Betrokkene had de alarmlichten aan. Op dit rijvak geldt geen verbod om stil te staan, waardoor betrokkene hier kort mag stoppen om te laden, lossen of iemand te laten in- of uitstappen. Hoewel er parkeervakken aanwezig zijn, blokkeerde betrokkene niemand door naast een stuk groen te parkeren. De agent gaf aan betrokkene een bekeuring te willen geven voor dubbel parkeren. Nadat betrokkene aangaf dat dit niet het geval was, heeft de agent alsnog deze overtreding vastgesteld, maar dit niet toegelicht.\n\n2.1.. Verder voert gemachtigde aan dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat sprake is van het creëren van gevaar of hinder. Uit eerdere rechtspraak blijkt dat enkel een foto hiervoor niet voldoende is, maar in dit geval is er zelfs geen foto. Daarnaast is het niet relevant of sprake is geweest van parkeren of laden en lossen. De gemachtigde verzoekt om vergoeding van de proceskosten op een specifiek rekeningnummer.\n\n3. De vertegenwoordiger is van mening dat de boete vernietigd moet worden. De verkeersovertreding is onvoldoende onderbouwd door de verbalisant.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\nKan de verkeersovertreding vastgesteld worden?\n\n5. De kantonrechter ziet aanleiding om te twijfelen aan de gegevens in het dossier. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt onvoldoende waar de hinder uit bestond. De enkele verklaring dat het voertuig stilstond en dat het overige verkeer geen doorgang kon vinden is hiervoor in dit geval onvoldoende. De verkeersovertreding kan daarom niet worden vastgesteld.\n\nHeeft betrokkene recht op een proceskostenvergoeding?\n\n6. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren, zal hij de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Hij zal één punt toekennen met een waarde van € 666,00 voor het indienen van het administratief beroepschrift en één punt toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter met een waarde van € 934,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat zowel de boete als de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, past de kantonrechter de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, Wahv toe op beide fasen.\n\n6.1.. De berekening is als volgt: (1 (procespunt) x € 666,00 (tarief) + 1 (procespunt) x € 934,00 (tarief)) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 200. Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 200,00.\n\n6.2.. \n\nArtikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn beslissing een oordeel te geven.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt;\n\nveroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 200,00;\n\nverklaart zich onbevoegd om te oordelen over de wijze van uitbetalen.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.\n\n Artikel 4, onderdeel a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2601","2026-07-13T00:29:24.448Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":44,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":115,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":52,"updatedAt":117},"1529","ECLI:NL:RBNNE:2026:2602","ecli-nl-rbnne-2026-2602","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 269756042\n\nzaaknummer: 11760319 BU VERZ 25-1259\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder van een bromfiets rijden terwijl de bromfiets de maximumconstructiesnelheid overschrijdt 11 t\u002Fm 15 km\u002Fh’, verricht op 17 oktober 2024, om 17:37 uur, op de Sportveldenweg in Hoogeveen, met een tweewielige bromfiets, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 169,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. De kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: O. van der Meer namens de gemachtigde en als vertegenwoordiger van de officier van justitie mr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Gemachtigde voert aan dat de boete vernietigd moet worden, omdat de meting niet is verricht volgens de eisen. Ten eerste is de motor niet voldoende gekoeld. Daar komt bij dat de meting niet is verricht door met lichaamsgewicht of tegendruk de bromfiets te belasten. Ten slotte blijkt niet uit het zaakoverzicht welke invloed de bandenspanning heeft gehad op de meting. Gemachtigde verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland.Verder komt het aanvullend proces-verbaal niet helemaal overeen met de verklaring in het zaakoverzicht. Het hof heeft eerder bepaald dat er dan vraagtekens gezet mogen worden bij de verklaring van de verbalisant.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. De meting is verricht volgens de aanwijzing. Dit is ook af te leiden uit het aanvullend proces-verbaal.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de meting door de verbalisant. Ten eerste heeft betrokkene onvoldoende aangetoond dat de verbalisant de motor niet voldoende heeft laten afkoelen. De verbalisant heeft in het aanvullend proces-verbaal uitgebreid verklaard dat de motor wel voldoende was afgekoeld. De enkele vermelding dat de verbalisant de bromfiets niet heeft laten afkoelen is niet voldoende om te twijfelen aan deze verklaring. Ten tweede hoeft uit het dossier niet te blijken of de bromfiets werd belast en of de bandenspanning invloed had op de meting. Uit de wet volgt namelijk dat dit in de handleiding van de bromfietsrollentestbank moet staan.Verder heeft betrokkene onvoldoende aannemelijk gemaakt dat tijdens de meting niet is voldaan aan de handleiding. De verbalisant heeft namelijk in het aanvullend proces-verbaal verklaart dat hij de bandenspanning heeft gecontroleerd en dat hij de bromfiets op de juiste manier heeft belast.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.\n\n Rb. Noord-Holland 19 januari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:4426.\n\n Artikel 29 van de Bijlage VIII van de Regeling voertuigen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2602","2026-07-13T00:29:25.528Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":44,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":122,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":52,"updatedAt":124},"1547","ECLI:NL:RBNNE:2026:2603","ecli-nl-rbnne-2026-2603","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 273878606\n\nzaaknummer: 12012842 BU VERZ 25-2547\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘aanhangw. \u003C 750 kg heeft geen deugdelijk bevestigde\u002Fgoed leesbare\u002Fniet afgeschermde en goedgekeurde kentekenplaat’, verricht op 19 mei 2025, om 14:27 uur, op de Vliegveldweg in Hoogeveen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 189,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordiger van de officier van justitie\n\nmr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Hij is niet degene die is staande gehouden. Het ID-kaartnummer in het zaakoverzicht komt niet overeen met die van betrokkene. Daar komt bij dat uit de rittenregistratie van zijn auto blijkt dat hij om 13:30 uur thuis was gekomen.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat het beroep gegrond verklaard moet worden. Zij vindt het aannemelijk dat betrokkene niet op de pleeglocatie is geweest.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\nKan de verkeersovertreding vastgesteld worden?\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De verkeersovertreding kan niet worden vastgesteld. Betrokkene heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet degene was die is staande gehouden. Het documentnummer van betrokkenes ID-kaart komt niet overeen met het nummer in het zaakoverzicht. Daarnaast was betrokkene de hele dag in Noord-Holland en kon hij ook niet op het tijdstip in het zaakoverzicht in Hoogeveen zijn. De kantonrechter zal de boete vernietigen.\n\nHeeft betrokkene recht op een proceskostenvergoeding?\n\n6. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren, moet de officier van justitie de kosten van betrokkene betalen. Deze voert aan dat hij € 95,87 aan reiskosten en\n\n€ 188,80 aan verletkosten heeft gemaakt. Hij heeft deze kosten onderbouwd en de kantonrechter vindt deze redelijk. De kantonrechter kent de proceskostenvergoeding voor het gehele bedrag toe.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt;\n\nveroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 284,67.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2603","2026-07-13T00:29:26.440Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":44,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":129,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":52,"updatedAt":131},"1558","ECLI:NL:RBNNE:2026:2604","ecli-nl-rbnne-2026-2604","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 274337795\n\nzaaknummer: 12012851 BU VERZ 25-2548\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder van een voertuig rijden terwijl hij wordt gehinderd door passagiers, lading of op andere wijze’, verricht op 31 mei 2025, om 12:03 uur, op de Rijksweg (A28) in Ubbena, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 319,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordiger van de officier van justitie\n\nmr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Er is geen wettelijke verplichting om de hond uitsluitend in een bench te vervoeren. De hond zat op de bijrijdersstoel in een hondengordel en hij gedroeg zich rustig.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Uit het dossier volgt niet dat de verkeersovertreding heeft plaatsgevonden. Het is niet wettelijk expliciet verboden om een hond op de bijrijdersstoel met een riem te vervoeren.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De verkeersovertreding kan niet vastgesteld worden. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt niet dat betrokkene gehinderd werd door passagiers, lading of op een andere wijze. Daar komt bij dat er geen wettelijke regel is die expliciet verbiedt om een hond op de bijrijdersstoel met een riem te vervoeren. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de boete te vernietigen.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2604","2026-07-13T00:29:27.088Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":139},"1625","ECLI:NL:RBZWB:2026:5740","ecli-nl-rbzwb-2026-5740","2026-06-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer : 11564446 \\ MB VERZ 25-337\n\nCJIB-nummer : [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum : 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens gemachtigde is verschenen [naam] . Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 17 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom op de Beneluxweg (t.h.v. [huisnummer]) te Oosterhout op 23 september 2023 om 11:34 uur.\n\nGemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene stelt geen bord H1 te zijn gepasseerd. Uit het dossier blijkt niet dat (kort) voor de aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd. Betrokkene betwist uitdrukkelijk dat de juiste bebording is geplaatst. Verder blijkt uit het dossier geen toereikend schouwrapport. Gemachtigde verwijst naar de rijroute en verzoekt om een proceskostenvergoeding.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren, aangezien gebleken is dat de schouwrapporten niet in orde zijn. Wel verzoekt zij deze zaak samen met twee andere zaken als samenhangend te beschouwen, aangezien er geen sprake is van een afzonderlijke reële inspanning. De gronden in de zaken zijn identiek. Bovendien wordt de rijroute opgesteld door betrokkene en niet door gemachtigde.\n\nTer zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat hij zich niet kan verenigen met de samenhang. Er is wel een reële inspanning geweest in elk dossier. De rijroute wordt inderdaad door betrokkene aangeleverd, maar door gemachtigde wordt dit op de kaart nagekeken, zijn er administratieve medewerkers die de dossiers controleren en juristen die elk dossier afzonderlijk onderzoeken en beroepsgronden opstellen. Dat sommige daarvan identiek zijn, doet daar niet aan af. Verzocht wordt om daarom de samenhang niet aan te nemen.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft hierop gereageerd dat de zaken standaardteksten bevatten.\n\nGemachtigde stelt niet in te zien waarom dezelfde feiten anders verwoord moeten worden als de conclusie hetzelfde is.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat de schouwrapporten niet in orde zijn. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.\n\nHet beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nSamenhang\n\nArtikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt dat onder samenhangende zaken het volgende wordt begrepen: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren, die door de kantonrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van die zaken (nagenoeg) identiek konden zijn.\n\nUit de hiervoor aangehaalde definitie blijkt dat doorslaggevend is in hoeverre de door de gemachtigde uitgevoerde werkzaamheden identiek of nagenoeg identiek zijn. Het is vaste rechtspraak dat van nagenoeg identieke werkzaamheden sprake is wanneer de behandeling van meer dan één zaak voor de rechtshulpverlener geen reële extra inspanning hoefde te vergen.\n\nNaar het oordeel van de kantonrechter is, gelet op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2025:6448, hier sprake van samenhangende zaken als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\nZij overweegt hierbij dat in deze drie zaken sprake is van nagenoeg identieke werkzaamheden. In elke zaak is sprake van dezelfde feitcode, en dezelfde rijroute (Beneluxweg ter hoogte van nummer 85). Bovendien hebben de beroepschriften afgezien van de naam, datum en het CJIB-nummer, een vrijwel identieke inhoud. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat gemachtigde in deze zaak geen reële extra inspanning heeft geleverd ten opzichte van de andere beroepen en dat er sprake is van samenhang.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOok zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen. Naar het oordeel van de kantonrechter (en met de zittingsvertegenwoordiger) is hier sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht met twee andere zaken die vandaag gelijktijdig door de kantonrechter zijn behandeld.\n\nDe beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is voor de fase bij de kantonrechter de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nadministratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 666,- = € 333,00\n\nhoorzitting: 1 punt x gewicht 0,5 x € 666,- = € 333,00\n\n € 666,00\n\nberoepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00\n\nzitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00\n\n € 934,00\n\n vermenigvuldigingsfactor x 0,25 = € 233,50\n\ntotaal € 899,50\n\nsamenhang x factor 1, delen door 3: € 299,83\n\nDit levert een proceskostenvergoeding van € 299,83 per zaak op.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gegrond;\n\n‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 186,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 299,83.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nTegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.\n\nDatum verzending:\n\n Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5740","2026-07-13T00:29:30.224Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":136,"fullText":144,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":145,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":146},"1619","ECLI:NL:RBZWB:2026:5755","ecli-nl-rbzwb-2026-5755","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer : 11601558 \\ MB VERZ 25-449\n\nCJIB-nummer : [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum : 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel op de Weerijssingel te Breda op 22 mei 2023 om 10:10 uur.\n\nBetrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is. Verder blijft de boete maar oplopen tot een hoger bedrag.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren, omdat het beroep bij de officier van justitie niet tijdig is ingesteld en die termijnoverschrijding ook niet verschoonbaar is.\n\nOverwegingen\n\nDe officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingesteld.\n\nDe kantonrechter overweegt als volgt. Voor het instellen van beroep bij de officier van justitie geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Die termijn eindigde in dit geval op 28 september 2023. De officier van justitie heeft het beroepschrift echter pas op 21 december 2023 ontvangen. Dat is te laat.\n\nArtikel 6:11 van de Awb bepaalt - kort gezegd - dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld. De kantonrechter is van oordeel dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het te laat beroep instellen niet aan betrokkene kan worden toegerekend.\n\nDe officier van justitie heeft het beroep dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen die beslissing is dan ook ongegrond. Dit betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan de beoordeling of de boete terecht is opgelegd.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5755","2026-07-13T00:29:29.967Z",{"id":148,"ecli":149,"slug":150,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":136,"fullText":151,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":153},"1622","ECLI:NL:RBZWB:2026:5744","ecli-nl-rbzwb-2026-5744","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11602138 \\ MB VERZ 25-477\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : [gemachtigde] (Verbo Juridisch Advies)\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 11 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1) op de A59 (rechts) te Den Hout op 12 maart 2023 om 11:01 uur.\n\nGemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden omdat het CVOM presteert te bellen op tijdstippen en data waarop gemachtigde niet aanwezig was, terwijl dit al vooraf was doorgegeven. Er is sprake van misbruik van het recht door keer op keer niet te voldoen aan mails en telefoontjes met betrekking tot het verzetten van de hoorzitting, ofwel het traineren van ondergetekende. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de brief van de officier van justitie van 22 april 2024 met daarin de uitnodiging staat op welke wijze een hoorgesprek kan worden geannuleerd, namelijk per post of via het digitaal loket. Daarbij staat ook aangegeven op welke wijze dit niet kan en dat mails hierover niet worden beantwoord. Uit het hoorverslag blijkt dat er telefonisch contact is opgenomen met gemachtigde, maar dat hij geen gehoor gaf. Dat gemachtigde verhinderdata heeft doorgegeven zou niet moeten leiden tot een ander oordeel. De zittingsvertegenwoordiger verwijst hiervoor naar uitspraak ECLI:NL:GHARL:2026:1041. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Gemachtigde ontkent dit ook niet.\n\nDe boete is dus terecht opgelegd.\n\nSchending hoorplicht\n\nGemachtigde stelt dat de hoorplicht is geschonden doordat het CVOM hem contacteert op data en tijdstippen waarop gemachtigde verhinderd is.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de gemachtigde voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Met verwijzing naar het arrest van het Hof van 23 februari 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:1041) is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een schending van de hoorplicht in het geval dat een gemachtigde zich niet houdt aan de aangegeven wijze om het hoorgesprek af te zeggen, dan wel te verplaatsen. Nu vaststaat dat gemachtigde niet op de door het CVOM aangegeven wijze heeft gevraagd om de afspraak te verplaatsen, komt het voor eigen rekening van gemachtigde dat hij hieraan geen gehoor heeft gegeven.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOmdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.\n\nDe beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.\n\nDe proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nberoepschrift 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 74,25, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 24,75, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 116,75.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.\n\nTegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.\n\nDatum verzending:\n\n Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5744","2026-07-13T00:29:30.113Z",{"id":155,"ecli":156,"slug":157,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":136,"fullText":158,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":160},"1618","ECLI:NL:RBZWB:2026:5754","ecli-nl-rbzwb-2026-5754","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11576506 \\ MB VERZ 25-380\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: niet voldoende afstand houden, snelheid tot en met 80 km per uur op de Backer en Ruebweg te Breda op 21 augustus 2023 om 13:36 uur.\n\nBetrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De boete is terecht opgelegd en de gedraging kan worden vastgesteld op basis van het zaakoverzicht. In wat is aangevoerd ziet de zittingsvertegenwoordiger geen reden tot twijfel. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.\n\nDe kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een enkele ontkenning is hiertoe onvoldoende.\n\nDe boete is dus terecht opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 240, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 80, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5754","2026-07-13T00:29:29.922Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":136,"fullText":165,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":166,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":167},"1617","ECLI:NL:RBZWB:2026:5753","ecli-nl-rbzwb-2026-5753","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11601665 \\ MB VERZ 25-458\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: afslaan zonder richting aan te geven (met de arm of richtingaanwijzer) op de Backer en Ruebweg te Breda op 21 augustus 2023 om 13:36 uur.\n\nBetrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De boete is terecht opgelegd en de gedraging kan worden vastgesteld op basis van het zaakoverzicht. In wat is aangevoerd ziet de zittingsvertegenwoordiger geen reden tot twijfel. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.\n\nDe kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een enkele ontkenning is hiertoe onvoldoende.\n\nDe boete is dus terecht opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 82,50, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 27,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5753","2026-07-13T00:29:29.878Z",{"id":169,"ecli":170,"slug":171,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":136,"fullText":172,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":174},"1830","ECLI:NL:RBZWB:2026:5749","ecli-nl-rbzwb-2026-5749","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11576282 \\ MB VERZ 25-369\n\nCJIB-nummer: [cjib-nummer]\n\nuitspraakdatum: 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden, geconstateerd middels de RDW-registercontrole op 10 november 2023 om 17:04 uur.\n\nBetrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat het voertuig is geschorst op 21 november 2023 en in opslag staat. Verder komt het voertuig niet op de openbare weg. De schorsing is geldig tot 21 november 2024. Betrokkene verwijst naar de bijlagen.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De gedraging kan worden vastgesteld. Er wordt door het CVOM slechts een verzoek tot matiging gedaan als is voldaan aan twee vereisten, namelijk dat niet is gereden met het voertuig en er snel actie is ondernomen. In dit geval is niet onderbouwd dat niet is gereden met het voertuig en is er ook niet snel actie ondernomen. Er is pas na 54 dagen gehandeld, rekenend vanaf de begindatum van de aansprakelijkheid. Daarbij wordt een termijn van zes weken geboden voordat er wordt gehandhaafd. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de gegevens van het RDW - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.\n\nDe kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Betrokkene heeft nagelaten tijdig actie te ondernemen.\n\nDe boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 337,50, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 112,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5749","2026-07-13T00:29:40.884Z",{"id":176,"ecli":177,"slug":178,"caseNumber":44,"courtId":179,"decisionDate":180,"fullText":181,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":182,"sourceTimestamp":183,"parsedAt":52,"updatedAt":184},"787","ECLI:NL:RBROT:2026:8174","ecli-nl-rbrot-2026-8174",59,"2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nzaaknummer: 11933862 \\ MB VERZ 25-1213\n\ncjib-nummer: [nummer 1]\n\nregistratienummer: [nummer 2]\n\nuitspraak: 1 juni 2026\n\nuitspraak van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,\n\nin de zaak van:\n\nbetrokkene: [betrokkene]\n\nwoonplaats: [woonplaats]\n\ngemachtigde: mr. B. de Jong\n\n1. Het verloop van de procedure\n\nBij inleidende beschikking van 29 september 2023 is aan betrokkene een sanctie opgelegd van € 110,00. De beschikking is opgelegd voor “parkeren buiten parkeervak bij één van de borden E4 tot en met E13 van bijlage I van het RVV 1990”, begaan op dinsdag 19 september 2023 om 18:48 uur te Dordrecht aan het Admiraalsplein (feitcode R397J).\n\nTegen deze beschikking is betrokkene op 11 oktober 2023 bij de officier van justitie in beroep gekomen.\n\nOp 7 februari 2024 is (de gemachtigde van) betrokkene fysiek gehoord.\n\nDe officier van justitie heeft het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 24 april 2025 aan betrokkene verzonden.\n\nTegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene op 14 mei 2025 beroep aangetekend bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de openbare zitting van 18 mei 2026, waar namens de officier van justitie een vertegenwoordiger van de CVOM en de gemachtigde van betrokkene zijn verschenen.\n\n2. De beoordeling\n\nBetrokkene is verplicht om zekerheid te stellen. Dat betekent dat de gehele sanctie (met een maximum van € 225,00) en de administratiekosten bij wijze van voorschot moeten worden betaald. Betrokkene heeft niet aan die verplichting voldaan. De gemachtigde heeft namens betrokkene in dat kader, zoals standaard in alle pro-forma beroepen van deze gemachtigde wordt gedaan, slechts aangevoerd dat hij niet kan betalen.\n\nIn de oproepingsbrief van 10 april 2026 heeft de kantonrechter verzocht om op de zitting stukken over te leggen waaruit de financiële draagkracht van betrokkene blijkt.\n\nTer zitting zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat betrokkene geen draagkracht heeft om zekerheid te stellen. Ter zitting heeft de kantonrechter aan de gemachtigde van betrokkene gevraagd waarom er geen stukken zijn overgelegd, terwijl toch in de oproepingsbrief staat dat deze stukken meegenomen moeten worden. De gemachtigde stelt dat zij om stukken heeft gevraagd, maar dat betrokkene deze niet heeft ingeleverd. Daarvan heeft zij ook geen bewijsstukken overgelegd en evenmin blijkt dat de gemachtigde vervolgens heeft gevraagd of er een reden is waarom deze stukken niet zijn overgelegd.\n\nVan een professioneel gemachtigde mag worden verlangd dat deze ofwel tijdig expliciet gevraagde stukken overlegt of een goede reden opgeeft waarom deze stukken niet kunnen worden overgelegd. Dat heeft de gemachtigde niet gedaan, dus betrokkene zal niet-ontvankelijk worden verklaard omdat zonder een goede reden op te geven geen zekerheid is gesteld.\n\nNu het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep niet-ontvankelijk;\n\nwijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Halk en uitgesproken ter openbare zitting.\n\n67223\n\nWanneer de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer bedraagt dan € 110,00 of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard op grond van het niet tijdig stellen van zekerheid, staat ingevolge artikel 14 Wahv tegen deze uitspraak hoger beroep open binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift dient ingezonden te worden bij de kantonrechter (Postbus 7003, 3300 GC Dordrecht). Het is niet mogelijk om hoger beroep in te stellen per e-mail.\n\nDatum toezending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8174","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:48.022Z",18,20,[11,188,189],2025,2024]