[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-traffic-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":72},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":71},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},131,"traffic-law-nl","Traffic Law","NL","2026-07-08T16:57:41.367Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":19},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"994","ECLI:NL:GHARL:2026:4078","ecli-nl-gharl-2026-4078","",70,"2026-06-19T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nzittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer\n\n: Wahv 200.362.575\u002F01\n\nCJIB-nummer\n\n: 259413423\n\nUitspraak d.d.\n\n: 19 juni 2026\n\nArrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 13 oktober 2025, betreffende\n\n [betrokkene] (hierna: de betrokkene),\n\nwonende te [woonplaats] .\n\nDe beslissing van de kantonrechter\n\nDe kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 165,-.\n\nHet verloop van de procedure\n\nDe officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.\n\nDe betrokkene heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.\n\nDe beoordeling\n\n1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 440,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 juni 2023 om 9:26 uur op de Sint-Elisabethstraat in Vught met het voertuig met het kenteken [kenteken] .\n\n2. De kantonrechter heeft de sanctie gematigd tot een bedrag van € 165,- om twee redenen. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag met 50 procent gematigd omdat de hoogte van de opgelegde sanctie voor de onderhavige gedraging onevenredig hoog is. Vervolgens heeft de kantonrechter het sanctiebedrag verder gematigd met 25 procent in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.\n\n3. De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de kantonrechter buiten de omvang van het geschil is getreden. De gronden van de betrokkene zijn niet beoordeeld conform het daarvoor toepasselijke kader, zijnde artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv. Het door de kantonrechter in acht genomen evenredigheidsbeginsel is niet ambtshalve aan de orde.\n\nSubsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de aard van het Besluit van 26 januari 2023 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven (hierna: Besluit 2023)zich, gelet op de samenhang met de Wahv, verzet tegen de toepassing van afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), of in ieder geval tegen toepassing van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb opgenomen evenredigheidsbeginsel. Dat brengt met zich dat de kantonrechter zich niet uit had mogen laten over de algemene evenredigheid van het sanctietarief voor de onderhavige gedraging. Het Besluit 2023 behoort bij artikel 2, vijfde lid, van de Wahv en dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv, namelijk een efficiënte, snellere en effectievere afdoening van veelvoorkomende lichte verkeersovertredingen. Daarnaast is in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv expliciet een bepaling opgenomen waaruit volgt dat bij het sanctietarief in de Wahv rekening gehouden moet worden met zowel de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden als de omstandigheden waarin een betrokkene verkeert. Hiermee is het evenredigheidsbeginsel al in de wet zelf verankerd. Dat afdeling 3.2 van de Awb, dan wel artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, niet uitdrukkelijk is uitgesloten van de Wahv doet hieraan niet af. Daarbij merkt de officier van justitie op dat in artikel 2a van de Wahv de toepassing van onder meer titel 5.4 van de Awb, met daarin een specifiekere bepaling over de hoogte van bestuurlijke boetes, wel nadrukkelijk is uitgesloten. Nu de Wahv al een specifiekere bepaling bevat en de wetgever hiermee zowel de officier van justitie als de rechter een volledige toetsingsbevoegdheid heeft gegeven is een bredere toets op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb niet wenselijk. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming is dit ook niet nodig. De doelstellingen van de Wahv verzetten zich tegen een bredere toets, want dit leidt tot verzwaring van de werklast van het openbaar ministerie en de rechtspraak. Opgemerkt wordt nog dat de Wahv als regeling sui generis moet worden gezien.\n\nMeer subsidiair neemt de officier van justitie het standpunt in dat de kantonrechter het Besluit 2023 niet ten volle had mogen toetsen aan het evenredigheidsbeginsel en uit had moeten gaan van het door de regelgever vastgestelde sanctietarief. De officier van justitie dient daarvan ook uit te gaan. De kantonrechter is het rechterlijke beoordelingskader te buiten gegaan. Het tarievenhuis, dat het beoordelingskader vormt voor alle tarieven van feiten die zijn opgenomen in de bijlage bij de Wahv en bijlage I bij het Besluit OM-afdoening, laat geen ruimte voor een individuele straftoemeting. Het is in beginsel aan de regelgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen bij de vaststelling van het sanctietarief en de rechter moet het resultaat daarvan in beginsel respecteren. In individuele zaken kan de rechter het Besluit 2023 exceptief toetsen aan geschreven of ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. In 2012 heeft de regelgever ervoor gekozen om het sanctietarief voor onder meer de onderhavige feitcode te verhogen van € 180,- naar € 360,- omdat de onderhavige gedraging door de regelgever is gekwalificeerd als ‘hufterigheid’ in het verkeer. Deze verhoging had mede tot gevolg dat het sanctietarief voor deze gedraging ten opzichte van het sanctietarief voor een reguliere parkeerboete werd verviervoudigd. In de jaren daarna zijn de sanctietarieven meegegroeid met de inflatiecorrectie. De kantonrechter heeft het bij het Besluit vastgestelde sanctietarief in volle omvang getoetst. De kantonrechter heeft hiermee miskend dat de regelgever een ruime beslissingsruimte heeft ten aanzien van het vaststellen van de hoogte van de sanctietarieven en dat de sanctiebedragen in Wahv-zaken in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van betrokkenen. Voor zover de kantonrechter de sanctietarieven heeft vergeleken met boetebedragen voor eenvoudige misdrijven zoals mishandeling of winkeldiefstal is het aan de wet- en regelgever voorbehouden om hierover te beslissen. De officier van justitie merkt tot slot op dat indien iedere rechter afzonderlijk zijn oordeel gaat vormen over de hoogte van het sanctietarief in de zaak die aan hem is voorgelegd dit kan leiden tot een veelvoud aan verschillende sanctietarieven voor eenzelfde gedraging. Dit terwijl het doel van de Wahv is om deze lichte verkeersovertredingen efficiënt, uniform en effectief af te doen. Het komt zowel de rechtszekerheid als de rechtseenheid niet ten goede als iedere rechter afzonderlijk gaat oordelen over de algemene hoogte van sanctietarieven. De officier van justitie concludeert daarom tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.\n\n4. Het hof dient eerst te beoordelen wat als de omvang van het geschil in beroep bij de kantonrechter moet worden aangemerkt. De omvang van het geschil wordt in bestuursrechtelijke procedures bepaald door de gronden die de indiener van het beroepschrift aanvoert in relatie tot het bestreden besluit.\n\n5. Door de betrokkene is in beroep bij de kantonrechter het volgende aangevoerd. De betrokkene is medewerkster van het nabijgelegen verzorgingshuis en was een mindervalide bewoner uit de auto aan het begeleiden. De bebording was niet duidelijk zichtbaar en hiervoor is er abusievelijk op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats geparkeerd. De bebording stond na de parkeerplaats en is kort na de gedraging verplaatst. Het voertuig van de betrokkene stond niet langer dan een uur ter plaatse. De betrokkene heeft de kantonrechter verzocht de sanctie te vernietigen.\n\n6. Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter, door te toetsen of de hoogte van het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie niet onevenredig is, niet buiten de omvang van het geschil getreden. In de door de betrokkene aangevoerde gronden ligt besloten, zo heeft de officier van justitie in het hoger beroepschrift ook gesteld, dat, als oplegging van de sanctie niet achterwege kan blijven, het bedrag van de sanctie moet worden gematigd. Dit brengt mee dat de kantonrechter, die tot het oordeel was gekomen dat er geen grond was om de sanctie achterwege te laten, de hoogte van de opgelegde sanctie diende te beoordelen. Daarbij dient de kantonrechter ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen (vgl. artikel 8:69, tweede lid, van de Awb).\n\n7. Bij de beoordeling van de hoogte van de opgelegde sanctie is van belang dat de rechter de door de regelgever voor de verrichte gedraging bepaalde hoogte van de sanctie exceptief kan toetsen aan geschreven of ongeschreven hoger recht.Tot het hoger recht waaraan kan worden getoetst behoort onder andere het evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel is opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en houdt in dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In artikel 3:1 van de Awb is bepaald dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 slechts van toepassing is, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet. Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb valt onder deze afdeling.\n\n8. De aard van het Besluit 2023 verzet zich niet tegen toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dat het Besluit 2023 dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv ontslaat de regelgever niet van de verplichting om bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een gedraging het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Dit beginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de gedraging waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt. Indien de regelgever deze verplichting in acht neemt, is van verzwaring van de werklast van openbaar ministerie en rechterlijke macht geen sprake en kunnen de officier van justitie en de rechter uitgaan van de door de regelgever vastgestelde tarieven.\n\n9. Voor zover de officier van justitie van opvatting is dat de rechter de hoogte van de sanctie slechts mag toetsen aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv en daarbij dient uit te gaan van het door de regelgever bepaalde sanctietarief, vindt deze opvatting derhalve geen steun in het recht. De rechter kan, ook bij de toetsing aan deze bepaling, beoordelen of de door de regelgever bepaalde hoogte van de sanctie evenredig is.\n\n10. Gelet hierop treffen de primair en subsidiair aangevoerde gronden van de officier van justitie geen doel.\n\n11. Met betrekking tot de meer subsidiair aangevoerde grond overweegt het hof dat de rechter bij de toetsing of de regelgever bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een verrichte gedraging voldoende in acht heeft genomen, terughoudend dient te zijn.\n\n12. Het hof heeft in dit verband bij zijn arrest van 31 juli 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:4719 het volgende overwogen:\"9. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen niet tot taak heeft om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn bij feitelijke of technische complexiteit van de materie of als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van belangen betreft, geldt dat de beoordeling intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.10. In de onderhavige zaak beschikt de regelgever, gelet op de in overweging 5. genoemde artikelen van de Wahv, over een ruime beslissingsruimte. Er geldt een maximum voor de hoogte van het vast te stellen sanctiebedrag, maar voor het overige zijn in de tekst van de wet geen beperkingen vastgelegd.11. Bij de vaststelling van de hoogte van het sanctiebedrag kunnen, zoals hier ook daadwerkelijk het geval is geweest, politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen. Het gaat voorts om sanctiebedragen die in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van de betrokkenen. Dit brengt mee dat de intensiteit waarmee het hof dient te toetsen gering is.\"\n\n13. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit 2023 blijkt dat de sanctietarieven zijn verhoogd met 8,6 procent en dat dit percentage is gebaseerd op de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Zoals in de Nota van Toelichting bij dit besluit wordt opgemerkt, bewerkstelligt indexering dat de strafmaat in relatieve zin ongewijzigd blijft. Ook de voorgaande jaren (2013 tot 2022) zijn de sanctietarieven slechts geïndexeerd. Bij Besluit van 15 december 2011 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften alsmede de bijlage bij het Besluit OM-afdoening onderscheidenlijk het Transactiebesluit 1994 in verband met onder meer een verhoging van de tarieven (hierna: Besluit 2012)is het sanctietarief voor de onderhavige gedraging verhoogd van\n\n€ 180,- naar € 340,-. De onderhavige gedraging wordt genoemd in bijlage A bij dit besluit. Deze bijlage bevat een lijst met - volgens de regelgever - asociale en gevaarlijke gedragingen waarvoor de tarieven aanzienlijk zijn verhoogd. Over deze verhoging is in de Nota van Toelichting bij het Besluit 2012 het volgende opgemerkt:\n\n“Alle tarieven zijn met vijftien procent verhoogd. In de behandeling van de begroting van het jaar 2011 was aangekondigd dat de verkeersboetes per 2012 met twintig procent zouden worden verhoogd (Kamerstukken II 2010\u002F11 32 500 VI, nr. 2, blz. 9). Dit percentage is gematigd tot vijftien procent vanwege de hierna beschreven uitvoering die wordt gegeven aan de motie Van der Staaij c.s.\n\nVoor een aantal asociale en gevaarlijke gedragingen zijn de tarieven verhoogd naar € 340,- per feit, een verhoging na indexering met ongeveer 55 procent. (…)\n\nMet deze wijzigingen van de tarieven in de nieuwe bijlage bij de Wahv wordt uitvoering gegeven aan de motie Van der Staaij c.s., waarin de regering is verzocht om binnen het beschikbare budget niet te kiezen voor een algehele procentuele verhoging voor alle verkeersboetes, maar voor gerichte boeteverhogingen voor in het bijzonder grote verkeersovertredingen, waaronder snelheidsovertredingen in woonwijken, hufterigheid in het verkeer en recidive. Dit betekent dat de opgave onder andere was het zoeken naar een gerichte verhoging van de in de motie genoemde overtredingen, die leidt tot een opbrengst die overeenkomt met het in de begroting voor 2012 opgenomen bedrag voor de aanvankelijk voorgenomen tariefsverhoging met 20 procent. Een bijkomende voorwaarde was dat de gerichte verhoging voor de asociale gedragingen niet tot gevolg heeft dat de boetes voor deze gedragingen niet meer in verhouding staat tot de overige overtredingen. Dit voerde tot de conclusie dat naast forse, gerichte verhogingen voor specifieke gedragingen ook een algehele verhoging met 15 procent noodzakelijk is om binnen hetzelfde budgettaire kader te blijven. (…)\n\nDe wenselijkheid van de tariefsverhoging wordt ingegeven door de verwachting dat de verkeersdeelnemers zich hierdoor beter aan de regels zullen houden. Overtreders worden door zwaardere sanctionering immers geconfronteerd met hogere boetes, terwijl men deze kosten ook kan vermijden door de wet niet te overtreden. Het effect op de naleving wordt versterkt doordat het bij de Wahv gaat om overtredingen waarvoor de (gepercipieerde) pakkans relatief hoog is. Met deze verhoging wordt beoogd het niveau van de naleving van verkeersvoorschriften over de gehele linie te verbeteren. De verhoging van de tarieven in dit besluit wordt daarnaast ingegeven door het feit dat de financiële opbrengsten substantieel achterblijven bij de daarover opgestelde ramingen, terwijl het aantal verkeersovertredingen hoog blijft. Kennelijk zijn die sancties niet hoog genoeg om voldoende afschrikwekkend te zijn. Naast het nastreven van een strikte handhaving is dit een bijkomende reden om de sancties op te hogen. (…)\n\nBij deze verhoging van de Wahv-boetes wordt – net als bij de voorgaande verhogingen – rekening gehouden met het zogenoemde tarievenhuis. Het tarievenhuis vormt een uniform beoordelingskader voor de tarieven bij gedragingen uit de bijlage bij de Wahv en de tarieven die zijn vastgelegd in de beleidsregels van het openbaar ministerie, waaronder de tarieven voor de feiten in de bijlage bij het Besluit OM-afdoening en het Transactiebesluit 1994. Dit beoordelingskader zorgt ervoor dat er vaste verhoudingen bestaat tussen de sancties voor de verschillende strafbare gedragingen. Op basis van het afgewogen systeem van het tarievenhuis worden daarom per 1 januari 2012 alle tarieven gelijkelijk verhoogd. Naast de Wahv-boetes gaat dit om de tarieven die in de beleidsregels van het openbaar ministerie zijn vastgelegd voor de strafrechtelijke handhaving. Met de verhogingen in voorgaande jaren en deze verhoging wordt over de volle breedte van de rechtshandhaving strikter gehandhaafd. Zolang er nog sprake is van een aanzienlijk tekort wat betreft de naleving van de verkeersvoorschriften, mag verondersteld worden dat de hoogte van de boetes, ook na deze verhoging, in een redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de overtredingen.”\n\n14. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n15. Uit de toelichting bij het Besluit 2012 blijkt dat de regelgever heeft beoordeeld of het nieuw vastgestelde sanctiebedrag nog evenredig is. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat het door de regelgever vastgestelde sanctietarief, gelet op de in die toelichting genoemde redenen om dit (fors) te verhogen, niet in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging. De gerechtigde op de parkeerplaats moet erop kunnen vertrouwen dat hij ter plaatse kan parkeren. Het door de regelgever voor de onderhavige gedraging vastgestelde tarief mag daarom door de ambtenaar worden toegepast.\n\n16. Beoordeeld dient vervolgens te worden of er aanleiding bestaat om in de onderhavige situatie, op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, over te gaan tot matiging van het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie. Daarbij gaat het om de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert.\n\n17. De betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat zij medewerkster is van het nabijgelegen verzorgingshuis en dat zij op dat moment bezig was een mindervalide bewoner uit de auto te begeleiden. Ook acht het hof aannemelijk dat het voertuig van de betrokkene daar niet langer dan een uur geparkeerd heeft gestaan. Onder deze omstandigheden kan de gedraging die door de betrokkene is verricht niet op één lijn worden gesteld met het hufterig gedrag waarop de regelgever het oog heeft gehad bij het vaststellen van het tarief voor deze gedraging. Het hof ziet in deze door de betrokkene aangevoerde redenen aanleiding het sanctiebedrag te matigen tot € 330,-.\n\n18. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Het hof zal, net als de kantonrechter, het gematigde sanctiebedrag vervolgens matigen met 25 procent in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof:\n\nvernietigt de beslissing van de kantonrechter;\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;\n\nwijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 247,50.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Wijma en Orriëns-Schipper in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.\n\n Staatsblad 2023, 53\n\n ov. 6 van het arrest van het hof van 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719.\n\n Staatsblad 2011, 630.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4078","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.007Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"1603","ECLI:NL:GHAMS:2026:1802","ecli-nl-ghams-2026-1802",56,"afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001704-25\n\ndatum uitspraak: 5 juni 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-351353-24 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,\n\nadres: [adres 1].Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n22 mei 2026.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimairhij op of omstreeks 07 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [adres 2], zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers:\n\n heeft hij, verdachte, op voornoemde weg, bij het afslaan naar links, zich niet, in elk geval niet voldoende, vergewist dat de weg voor tegemoetkomend verkeer vrij was van verkeer en\u002Fof\n\n heeft hij, verdachte, een op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets, niet voor laten gaan, waardoor hij, verdachte, met voornoemde bestuurder van een motorfiets in aanrijding en\u002Fof botsing is gekomen, waardoor voornoemde bestuurder van een motorfiets ten val is gekomen,\n\nwaarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 7 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres 2], bij het afslaan naar links, teneinde teneinde een parkeergelegenheid, gelegen aan de [adres 2] in\u002Fop te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kantonrechter.\n\nVrijspraak van het primair ten laste gelegde\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat niet iedere overtreding van een verkeersregel het veroorzaken van hinder of gevaar op de weg als bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) oplevert. De wetgever heeft beoogd slechts evidente vormen van hinder of gevaar aan te pakken (Kamerstukken II1990\u002F91, 22030 en ECLI:NL:PHR:2015:2447, r.o. 4.6). De opvatting dat de bestuurder van een motorrijtuig die daarmee rijdt over een voorrangsweg, er – behoudens bijzondere gevallen – op mag vertrouwen dat het verkeer dat deze voorrangsweg kruist, voor hem of haar de doorgang vrij laat of (tijdig) vrij maakt, ook indien hij of zij met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid de betreffende kruising is genaderd dan wel is opgereden, is bovendien in haar algemeenheid onjuist (ECLI:NL:HR:2004:AO6452, r.o. 3.4).\n\nHet hof stelt vast dat op 7 juni 2024 op [adres 2] in Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De verdachte was de bestuurder van een personenauto. Hij sloeg linksaf om een parkeergarage in te rijden, waarbij een hem tegemoetkomende motorrijder tegen zijn auto is gebotst. De motorrijder heeft als gevolg daarvan diverse botbreuken opgelopen. De verdachte heeft verklaard dat hij zich bewust was van de onoverzichtelijke verkeerssituatie, onder meer door de tussengelegen trambaan, en dat hij om die reden goed om zich heen heeft gekeken en zijn snelheid heeft aangepast. De verdachte heeft verder verklaard dat hij de motorrijder niet heeft zien aan komen rijden.\n\nDe vraag die het hof moet beantwoorden is of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg als bedoeld in artikel 5 WVW. In dat verband overweegt het hof dat uit door de verdediging ingebrachte rapportages blijkt dat de motorrijder kort voor de botsing zijn snelheid heeft verhoogd van 50 km\u002Fu naar 73 km\u002Fu. Een van de getuigen heeft verklaard dat hij het geluid van een accelererende motor hoorde en zag dat de motorfiets harder ging rijden. Op de camerabeelden is (aan de hand van de koplamp) te zien dat de motorfiets enkele seconden vóór de botsing omhoogkomt. Het hof stelt dan ook vast dat de motorrijder kort voor de botsing aanzienlijk harder reed dan ter plaatse toegestaan. De verdachte heeft als verkeersdeelnemer weliswaar de verantwoordelijkheid om rekening te houden met het verkeersgedrag van anderen, ook als dat gedrag een overtreding van de verkeersregels inhoudt, maar met een dermate grote overschrijding van de maximumsnelheid door de motorrijder had de verdachte naar het oordeel van het hof geen rekening kunnen en hoeven houden. Daar komt bij dat diezelfde verantwoordelijkheid ook voor de motorrijder heeft te gelden en dat hij, in tegenstelling tot de verdachte, zijn rijgedrag niet had aangepast op de voor hen beiden onoverzichtelijke verkeerssituatie met veel in- en uitrijdend en overstekend verkeer.\n\nHet hof is, alles afwegende en mede gelet op de hiervoor vooropgestelde uitgangspunten, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gesproken van evident gevaarlijk rijgedrag van de zijde van de verdachte, zodat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg als bedoeld in artikel 5 WVW. De verdachte moet daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.\n\nBewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte primair moet vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde en subsidiair moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld, omdat van het niet verlenen van voorrang als bedoeld artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) geen sprake is als de motorrijder zich aan de maximumsnelheid had gehouden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte geen voorrang heeft verleend aan de motorrijder, terwijl hij dat wel had moeten doen. De omstandigheid dat de motorrijder te hard heeft gereden maakt dat niet anders. Voor een beroep op afwezigheid van alle schuld is geen ruimte. Het subsidiair tenlastegelegde betreft een overtreding, waarbij schuld in de zin van verwijtbaarheid geen rol speelt. Alleen in het geval de verdachte in het geheel geen verwijt te maken zou zijn, zou sprake kunnen zijn van afwezigheid van alle schuld, maar dat is in deze zaak niet aan de orde.\n\nHet hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte artikel 18 RVV heeft overtreden.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nsubsidiairhij op 7 juni 2024 te Amsterdam, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres 2], bij het afslaan naar links teneinde een parkeergelegenheid, gelegen aan [adres 2], in te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan en schade aan goederen is toegebracht.\n\nHetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van het bepaalde bij artikel 18, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nDe raadsman heeft bij een bewezenverklaring verzocht de verdachte een geldboete op te leggen die hoger is dan € 250,00, zodat de verdachte eventueel cassatie kan instellen.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersovertreding begaan door linksaf te slaan en daarbij een tegemoetkomende motorrijder geen voorrang te verlenen. De motorrijder is op de auto van de verdachte gebotst en heeft als gevolg daarvan diverse botbreuken opgelopen en langere tijd moeten revalideren. Het ongeval heeft voor hem zowel fysiek als mentaal veel impact gehad, zoals ook blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van hetgeen de verdachte met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. De verdachte heeft zijn leven goed op de rit en van bijzonderheden is niet gebleken, anders dan dat hij sinds het ongeval extra oplettend is in het verkeer.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op artikelen 18 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nTen aanzien van het onder subsidiair bewezenverklaarde\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door3 (drie) dagen hechtenis.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n5 juni 2026.\n\nMr. P.H.M. Kuster is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\nproces-verbaal uitspraak\n\n_______________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001704-25\n\nProces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 5 juni 2026.\n\nTegenwoordig zijn:\n\nmr. H.A. van Eijk, raadsheer,\n\nC. Tomopawiro, griffier.\n\nHet openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.\n\nDe raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.\n\nDe verdachte is wel \u002F nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nRaadsman is wel \u002F nietaanwezig.\n\n(zo ja:) naam raadsman\u002Fraadsvrouw en plaats:\n\nDe raadsheer spreekt het arrest uit.\n\nDe raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1802","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.167Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"1558","ECLI:NL:RBNNE:2026:2604","ecli-nl-rbnne-2026-2604",80,"2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 274337795\n\nzaaknummer: 12012851 BU VERZ 25-2548\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder van een voertuig rijden terwijl hij wordt gehinderd door passagiers, lading of op andere wijze’, verricht op 31 mei 2025, om 12:03 uur, op de Rijksweg (A28) in Ubbena, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 319,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordiger van de officier van justitie\n\nmr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Er is geen wettelijke verplichting om de hond uitsluitend in een bench te vervoeren. De hond zat op de bijrijdersstoel in een hondengordel en hij gedroeg zich rustig.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Uit het dossier volgt niet dat de verkeersovertreding heeft plaatsgevonden. Het is niet wettelijk expliciet verboden om een hond op de bijrijdersstoel met een riem te vervoeren.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De verkeersovertreding kan niet vastgesteld worden. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt niet dat betrokkene gehinderd werd door passagiers, lading of op een andere wijze. Daar komt bij dat er geen wettelijke regel is die expliciet verbiedt om een hond op de bijrijdersstoel met een riem te vervoeren. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de boete te vernietigen.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2604","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.088Z",20,[11,73],2025]